Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp Dossier 2349/012

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2349 Wetsontwerp 📅 2021-12-14 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (23/12/2021)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS); Leysen, Christian (Open)
Onderwerpen
REGERINGSBELEID Eurovoc kandidaat-descriptoren PROGRAMMAWET

🗳️ Stemmingen

Betrokken partijen

CD&V Ecolo-Groen MR N-VA PVDA-PTB VB Vooruit

Sprekers (13)

Wim Van der Donckt (N-VA) Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) Wouter Vermeersch (VB) Benoît Piedboeuf (MR) Steven Mathei (CD&V) Marco Van Hees (PVDA-PTB) Joris Vandenbroucke (Vooruit) Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen) Joy Donné (N-VA) Benoît Piedboeu (MR) Marco Van Hees (PVDA-PTP) Kurt Ravyts (VB) Steven Mathe (CD&V)
Stemdetail (19 stemmingen)
Art. 1 eenparig aangenomen
Art. 3 aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen
Art. 4 eenparig aangenomen
Art. 11 eenparig aangenomen
Art. 12 aangenomen met 14 stemmen en 2 onthoudingen
Art. 23 eenparig aangenomen
Art. 29 aangenomen met 16 stemmen en 1 onthouding
Art. 30 aangenomen met 16 tegen 1 stem
Art. 31 aangenomen met 16 stemmen en 1 ‘Afdeling 8 (nieuw) Er wordt een amendement nr
Art. 32 aangenomen met 13 tegen 4 stemmen
Art. 33 aangenomen met 13 tegen 4 stemmen
Art. 34 aangenomen met 12 tegen 5 stemmen
Art. 35 aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen
Amend. 3 aangenomen
Amend. 4 aangenomen
Amend. 5 eenparig aangenomen
Amend. 6 aangenomen met 14 tegen 3 stemmen
Amend. 7 aangenomen met 14 tegen Art
Amend. 8 verworpen met 11 tegen 4 stemmen en 2 onthoudingen

Volledige tekst

ONTWERP VAN PROGRAMMAWET

(Art. 1 tot 42) VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING NAMENS DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING UITGEBRACHT DOOR DE HEER Ahmed LAAOUE) Inleidende uiteenzetting 3 IL. Algemene bespreking 15 U. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen. 65 ooi: ontwer van programmawet coz 1ot 00: Amendementen. oor” Verslag van de erste lezing (Soca Zaken) oog: Arikeen aangenomen eerie lezing (cil Zale) coo. versag (mobie) ono: Amendementen om: verslag (Seele zaken) pocss 2349/012 nie pt ge me ven enne ee terne rde Kanan Mel Tree beha RETE rr tecta vreet ne, Orte oer Pri te STe en EE WEE. ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft de artikelen 1 tot 42 van het ontwerp van programmawet die naar de commissie werden verzonden besproken in eerste lezing tijdens haar vergadering van dinsdag 14 december 2021. 1, - INLEIDENDE UITEENZETTING De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Finanoiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, stipt aan dit wetsontwerp een uitvoering is van de begrotingsnotificaties inzake de begrotingsopmaak voor 2022. Het ontwerp van programmawet behelst uiteenlopende bepalingen die betrekking hebben op verschilende beleidsdomeinen. De vice-eersteminister zal zich echter beperken tot die maatregelen die onder zijn bevoegdheid inzake Financiën vallen en zal zich dan ook niet uitspreken over andere maatregelen die niet tot zijn bevoegdheid behoren. Zin verdere uiteenzetting zal daarom verder ingaan op: - De hervorming van de fiscale voordelen voor sportbeoefenaars en sportclubs; - De regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers; - De hervorming van zorgvastgoed GVV's; - De wijziging van de behandeling minnelijke schikking en regularisatieheffingen; - De belastingvermindering voor kinderoppas; - Een boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups en scale-ups; - De verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector; - De uitsluiting van het verschaffen van gemeubelde logies uit de vrijstellingsregeling van de btw; - Een vermindering van terugbetaling van accijnzen in het kader van de professionele diesel; bocss 2349/012 - Een hervorming van de accijnzen in het kader van energie. 1. Hervorming fiscale voordelen sportbeoefenaars en sportclubs De actoren binnen de sportwereld (spelers/sporterbeoefenaars, clubs, sportmakelaars, …) genieten in België momenteel van verschillende voordelige fiscale en parafiscale regelingen (gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing, gunstig belastingtarief voor jonge en buitenlandse sportbeoefenaars, verminderde RSZbijdragen, die voor profvoetballers bovendien beperkt zijn tot de sectoren gezondheidszorg, pensioenen en kinderbijslag). Op fiscaal vlak kosten deze verschillende voordelen geld aan de gemeenschap en bereiken ze in de huidige stand van zaken niet altjd de nagestreefde doelstellingen, zoals bijvoorbeeld de opleiding van jonge Belgische sportbeoefenaars. Er worden zelfs gevallen van misbruik vastgesteld, met name bij de rol die spelersmakelaars bij transfer- en contractonderhandelingen spelen alsook bij de sommen die ze voor de hun geleverde diensten ontvangen. Dit hoofdstuk brengt wijzigingen aan op verschillende vlakken die aan de sportwereld raken: - de vrijstelling van doorstorting van de bedrifsvoorheffing; - het begrip van “jonge sportbeoefenaar”; - de beperking van de aftrekbaarheid van sportmakelaarsvergoedingen tot 3 % van het salaris van de sportbeoefenaar; - de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars. Vervolgens geeft de vice-eersteminister toelichting bij de vier voorgestelde wijzigingen: a) Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing Eerst en vooral beogen de voorgenomen wijzigingen het tarief van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfs voorheffing voor sportbeoefenaars te verlagen van 80 % naar 75 %. Dit zal rechtstreeks in de wet gebeuren en niet via koninklijk besluit. Vervolgens wordt in dit ontwerp voorgesteld om de bestedingsverplichting, die van toepassing is op de niet in de Schatkist gestorte bedrijfsvoorheffing ingehouden op de bezoldigingen van sportbeoefenaars van 26 jaar en ouder, op te trekken naar 55 %. b) Begrip “jonge sportbeoefenaar” De fiscale wetgeving was niet altijd coherent wanneer ze twee leeftijdsimieten aanhield voor sportbeoefenaars, die als “jong” worden beschouwd: 23 jaar of 26 jaar, afhankelijk van de maatregel. Voortaan zal de leeftijd, tot welke een sportbeoefenaar als “jong” zal beschouwd worden, uniform op 23 jaar worden gezet, zowel voor de afzonderlijke taxaties als, voor de bedrijfsvoorheffing Het begrip van jonge sportbeoefenaar zal na deze wijziging dan ook overeenstemmen met datgene gebruikt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorhef‘ing, die vereist dat de bedragen aangewend worden voor de opleiding van sportbeoefenaars jonger dan 23 jaar. Er wordt wel een overgangsperiode voorzien voor de Jongeren die op de datum van inwerkingtreding van de maatregel 23, 24 of 25 jaar zijn. Voor deze jongeren blijft de regeling van toepassing zoals het bestond voordat het door dit ontwerp werd gewijzigd. Deze jongeren verdwijnen vanzelf uit het toepassingsgebied van de overgangsregeling voor jonge sportbeoefenaars, zodra ze de leeftijd van 26 jaar bereikt hebben. c) Makelaarsvergoedingen De toekenning van overdreven vergoedingen aan sportmakelaars wordt ontmoedigd door het verbieden van het fiscaal als beroepskosten aftrekken van de vergoedingen aan deze makelaars die meer bedragen dan 3 % van de bruto jaarlijkse vergoeding van de sportbeoefenaar tijdens de gehele looptijd van het arbeidscontract. Er zijn namelijk veel misbruiken aan het licht gekomen met betrekking tot het statuut van de sportmakelaars. Meerdere schandalen in de voetbalwereld tonen de noodzaak aan van het verder moraliseren van deze sportmakelaars (meer bepaald “Operatie schone handen” geleid door het Openbaar Ministerie in België). Uit studies blijkt dat een beperking van de vergoedingen aan makelaars positieve effecten kan hebben: de spelers, worden beter beschermd, men kan zich wapenen tegen de negatieve effecten van instabiele contracten, er is, meer samenhang met de solidariteitsdoelstellingen van clubs en de almacht van makelaars wordt verminderd. Al deze onderzoeken duiden op het feit dat er dringend nood is aan good governance, ethiek en moral standards in hoofde van sportmakelaars. Dit vraagstuk is geen recent fenomeen, maar gaat al verschillende jaren mee. Het is daarom dat de FIFA al enige tijd regels vooropstelt die de relatie tussen makelaar-club-speler, de erkenning als makelaar, etc. behandelt. De huidige regels zijn vastgesteld in de FIFA Regulations on Working with Intermediaries (RWW) van 2015. Deze zijn overgenomen door de verschilende nationale federaties. In België is dat gebeurd in het nieuwe bondsreglement, met name in hoofdstuk 8. In dat kader beveelt de FIFA ook een begrenzing op makelaarsvergoedingen aan van 3 %, gebaseerd op het bruto inkomen van de sportbeoefenaar op jaarbasis, berekend voor de gehele duur van het contract. De Voetbalbond heeft echter in het nieuwe bondsreglement afgezien van de FIFA-aanbeveling om een begrenzing in te stellen, in tegenstelling tot andere Europese landen. De feiten tonen tenslotte aan dat de vroegere begrenzing, opgenomen in het oude bondsreglement van 2015, in de praktijk niet werd nageleefd. De regering wil hiermee, in navolging van de ZOperatie Schone Handen en de recente onthullingen over exuberante bedragen en belangenconfiicten in hoofde van makelaars, ondersteunend werken ten overstaan van de FIFA-regels, het bondsreglement en de sport in het algemeen. Momenteel heeft men reeds de oprichting van een clearing house vooropgesteld, alsook de toepassing van een dual representation ban. Een begrenzing van de makelaarsvergoedingen- en commissies kan daarbij zeker ondersteunend werken om de verhoopte doelstellingen van transparantie en spelersbescherming te bewerkstellingen. Concreet strekt deze maatregel ertoe excessieve vergoedingen aan makelaars fiscaal te ontmoedigen door een verbod op fiscale aftrek in te voeren voor vergoedingen aan makelaars die meer dan 3 % bedragen van de brutojaarbezoldiging van de sportbeoefenaar over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst. Meer bepaald zal het erop neerkomen dat het excedent boven de 3 % onder het aftrekverbod zal vallen. Daarenboven worden deze vergoedingen mee opgenomen in de minimale belastbare winst van de club (door ze aan te merken als verworpen uitgaven), teneinde te vermijden dat het aftrekverbod amper impact heeft op verlieslatende clubs. Deze nieuwe regeling zal van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting, de belasting niet-inwoners/vennootschappen, en de rechtspersonenbelasting. Weet dat de maatregel in de rechtspersonenbelasting voorziet in een afzonderlijke taxatie van 25 % op het excedent boven de 3 %, gezien clubs, die onder vzw-structuur opereren en onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, geen kosten kunnen aftrekken. De maatregel wordt echter niet voorzien in de personenbelasting (noch in de belasting van niet-inwoners/natuurljke personen). Natuurlijke personen-sportbeoefenaars die zelf hun makelaar betalen worden dus niet door deze maatregel getroffen. Indien een sportbeoefenaar zelf zijn makelaar betaalt, dan heeft hij direct zicht op de hoogte van de commissie of de aan de makelaar betaalde vergoeding. Daardoor staat hij zelf in voor de inhoud van het contract voor private arbeidsbemiddeling, waarover hij met de betrokken makelaar onderhandelt en dus ook voor de hoogte van de vergoeding. Als hij er dan toch mee akkoord gaat om een commissie of vergoeding te betalen die hoger is dan 3 % van zijn brutojaarbezoldiging gedurende de duur van zijn arbeidsovereenkomst, dan is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. De huidige manier van werken zorgt ervoor dat de sportbeoefenaar zelf weinig of geen inzage heeft in hoeveel zijn of haar makelaar op diens conto verdient. Dat speelt dan ook in de kaart van sommige makelaars, die daardoor hun marktmacht ten overstaan van de clubs kunnen vergroten en zichzelf zelfs incontoumable kunnen maken. Daarom is het onze bedoeling om zoveel mogelijk clubs te ontraden nog excessieve makelaarsvergoedingen te betalen en de sportbeoefenaar zelf meer verantwoordelijk te maken voor het betalen van zijn of haar makelaarsvergoedingen. Als een sportbeoefenaar zijn of haar makelaar betaalt, dan zal die makelaar meer geneigd zijn om op te treden in het belang van zijn cliënt en zal hij meer moeite steken in het leveren van kwaliteitsvolle diensten, wat op termijn zou moeten leiden tot hogere professionele standaarden en arbeidsethiek bij makelaars. d) Wijziging van de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars Deze wijziging is nodig, zodat ook fiscaal rekening gehouden zal worden met de opheffing van de mogelijk heid om vanaf 35 jaar een aanvullend pensioen uit te betalen aan een betaalde sportbeoefenaar en tevens met de daarin voorziene overgangsregeling voor de aansluitingen bij pensioentoezeggingen vóór 20 oktober 2021 2. Regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers De programmawet beoogt een bijzonder belastingstelsel in te voeren, voor enerzijds de ingekomen belastingplichtigen, en anderzijds voor de ingekomen onderzoekers. Deze twee nieuwe stelsels hebben principieel tot doel gekwalificeerd personeel vanuit het buitenland naar België aan te trekken. De invoering ervan valt samen met het uitdoven van het bijzonder stelsel van buitenlandse kaderleden en vorsers dat tot op de dag van vandaag wordt geregeld door een administratieve circulaire van het jaar 1983. De nieuwe stelsels zijn bedoeld om in de plaats te komen van dat oude stelsel. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan een duidelijke en herhaaldelijk gestelde vraag van de beroepsorganisaties naar een eenvoudig en transparant wettelijk stelsel, dat een betere rechtszekerheid waarborgt voor de betrokken partijen. Heel wat Europese landen (met name Frankrijk, Nederland, Luxemburg, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland, Italië, Spanje en Portugal) kennen reeds een fiscaal uitzonderingsstelsel dat erop gericht is gekwalificeerd personeel vanuit het buitenland aan te trekken. Het is bijgevolg belangrijk dat ook België zorgt. voor een aantrekkelijk wettelijk stelsel voor buitenlandse investeerders. Dit wordt nog scherper gesteld door de bijzondere geopolitieke situatie van België als kleine staat omringd door andere landen die reeds over een reglementering ter zake beschikken. Door het voor Belgische ondernemingen mogelijk te maken personeel met specifieke competenties, dat soms moeilijk te vinden is binnen de interne arbeidsmarkt, aan te trekken, kunnen de nieuwe stelsels hun competitiviteit zowel op nationaal als op internationaal vlak versterken. De nieuwe stelsels zijn gestoeld op het begrip “eigen kosten van de werkgever” die specifiek zijn voor ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers, en op een (gedeeltelijk) forfaitaire berekening die moeten zorgen voor een administratieve eenvoud. De duur van de stelsels is beperkt in de tijd, wat zorgt voor een grotere transparantie en voorspelbaarheid voor de werkgever en de begunstigde. In tegenstelling tot het oude stelsel zijn de nieuwe stelsels niet uitsluitend van toepassing in de belasting van niet-inwoners. Zolang er niet wordt afgeweken van de bepalingen van het WIB 92 betreffende de toepassing van de personenbelasting en de belasting van niet-inwoners, mag er zelfs uitgegaan worden van het principe dat deze stelsels van toepassing zijn in de personenbelasting, behalve wanneer de ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers door toepassing van de voornoemde bepalingen zelfs na hun aankomst in België daadwerkelijk onderworpen blijven aan de belasting van niet-inwoners. Hierdoor wordt het fenomeen van de zogenaamde “fiscale staatlozen” vermeden, dat wil zeggen de situatie waarin een belastingplichtige fiscaal (bij fictie) beschouwd wordt als een niet-inwoner in België, terwijl hij tegelij kertijd zijn fiscale woonplaats in het land van herkomst heeft beëindigd ten gevolge van zijn komst naar België. Deze afdeling beoogt eveneens een budgettair doel en streeft ernaar de derving van belastinginkomsten die voor de Belgische Staat voortvloeit uit de in het kader van het oude stelsel verleende voordelen, te verminderen. Er mag evenwel niet worden voorbij gegaan aan het feit dat de afschaffing van de circulaire van 1983 het einde betekent van een fiscaal stelsel dat, hoewel het betwistbaar is, sedert vele jaren goed gekend en populair is bij de Belgische ondernemingen. Dankzij dit stelsel konden bovendien heel wat investeerders in België worden aangetrokken, met de daaraan verbonden gevolgen van de vestiging van kaderleden in ons land, met name op het vlak van tewerkstelling en consumptie. Het is bijgevolg moeilijk om in te schatten wat de economische gevolgen in ruimere zin zullen zijn van het verdwijnen van het oude stelsel en het invoeren van het nieuwe wettelijk kader. De kernpunten in de nieuwe stelsels, die gestoeld zijn op het stelsel van kosten eigen aan de werkgever, laten zich samenvatten als volgt Er zijn twee specifieke categorieën voor eigen kosten van de werkgever: Een eerste categorie betreft de dekking van de terugkerende kosten. Hiervoor geldt datde werkgever bovenop de bezoldiging al dan niet forfaitair een kostenvergoeding kan toekennen ten belope van maximaal 30 procent van de bruto jaarbezoldiging. maar geplafonneerd tot een terugbetaling van maximaal 90 000 euro. Daarnaast bestaat nog een tweede categorie kosten die niet begrepen zijn in de hiervoor vermelde kosten, met name de kosten gerelateerd aan de verhuis naar België, de inrichtingskosten van de woning in België en de schoolkosten voor kinderen van de belastingplichtige of zijn partner. Voor deze laatste categorie geldt wel een vereiste van een staving aan de hand van verantwoordingsstukken. De ingekomen belastingplichtige of onderzoeker mag in de laatste 60 maanden voorafgaand aan de intrede in deze regeling geen in België belastbare beroepsinkomsten hebben behaald, noch mag deze tijdens dezelfde periode van 5 jaar op een afstand van minder dan 150 km zijn of haar fiscale woonplaats hebben gehad. Het bijzondere belastingstelsel is van toepassing voor een periode van 5 jaar die eenmalig kan worden verlengd tot 8 jaar. Voor de toepassing van het bijzondere belastingstelsel van de ingekomen onderzoekers geldt geen minimale bezoldigingsvereiste, maar gelden daarentegen wel specifieke diplomavereisten. Voor het bijzondere belas‘tingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen andere dan onderzoekers, gelden geen specifieke diplomavereisten, maar geldt een minimale bezoldigingsvereiste van 75 000 euro, vóór aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen. In tegenstelling tot wat geldt voor het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers, staat dit stelsel ook open voor fiscale bedrijfsleiders. Voor wat betreft de invoering van deze nieuwe stelsels wil de vice-eersteminister ook nog benadrukken dat er uiteraard voorzien is in een relevante overgangsregeling - of noem het een uitdoofregeling - waarbij de circulaire van het jaar 1983 nog gedurende maximaal 2 jaar kan worden toegepast door diegenen die niet wensen over te stappen naar de nieuwe regeling, of die niet voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe stelsels. 3. Hervorming zorgvastgoed GVV’s Gelet op het risico op een hogere factuur voor de inwoners van zorginstellingen werd bij wet van 18 december 2016 een verlaagd tarief van roerende voorheffing op uitgekeerde dividenden ingevoerd voor gereglementeerde vastgoedvennootschappen die minstens 60 p% van hun investeringen richten op onroerende goederen die uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn. De regering acht het aangewezen om het hiervoor vermelde minimum percentage te verhogen van 60 % naar 80 % om zo de doeltreffendheid van het verlaagde tarief, alsook diens beperkte budgettaire impact te waarborgen. Dergelijke verhoging verzekert het hoofdzakelijk karakter van investeringen in zorgvastgoed. ‘Onder onroerende goederen aangewend of bestemd voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden worden begrepen onroerende goederen zoals rusthuizen, serviceflats, assistentiewoningen alsook andere onroerende goederen bestemd tot het verlenen van continue zorg. Daarnaast wordt verduidelijkt hoe de verhouding van investeringen in zorgvastgoed ten aanzien van investeringen in het totale vastgoed moet worden bepaald. 4. Wijziging van de behandeling minnelijke schikking en regularisatieheffingen In de wet is er een lijst voorzien van zaken die nietin aanmerking komen om als beroepskost te kunnen worden afgetrokken. Hoewel geldboeten expliciet zijn uitgesloten als beroepskost, heeft de rechtspraak geoordeeld dat minnelijke schikkingen waarmee de strafvordering komt te vervallen, niet als geldboeten kunnen worden gekwalificeerd. Thans wordt met deze wetswijziging een einde gesteld aan de discussie of er een fiscaal voordeel zou kunnen worden gehaald uit die minnelijke schikkingen. Hetzelfde geldt voor een regularisatieheffing. Beiden worden expliciet in de lijst van uitsluitingen opgenomen. Zowel de afkoop van het verval van de strafvordering als de regularisatieheffing worden fiscaal niet als een beroepskost aanvaard 5. Belastingvermindering voor kinderoppas De regering stelt voor om opnieuw het maximumbedrag per dag en per kind, voor de toepassing van de belastingvermindering voor kinderopvang te verhogen. Dit bedrag werd reeds verhoogd bij de programmawet van 20 december 2020 tot het bedrag van 13 euro voor aanslagjaar 2021, en tot 13,70 euro vanaf het aanslagjaar 2022. De regering stelt voor om dit bedrag opnieuw te verhogen en vanaf nu een bedrag van 14 euro per dag kinderoppas per kind toe te laten en dit reeds voor het aanslagjaar 2022. 6. Boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups en scale-ups Voor een sterke economische relance na de COVID19-pandemie wordt specifiek gekeken naar het potentieel van start-ups (of startende bedrijven) en scale-ups (of groeibedrijven). Dit zijn vaak innovatieve ondernemingen met een groot groeipotentieel inzake economische impact en tewerkstelling. Gelet op de risicoaversie van bepaalde financiële markten en de beperkte zekerheden die startende bedrijven en kmo's kunnen bieden, hebben deze het vaak moelijk om kapitaal of leningen te verkrijgen, ook al hebben ze een waardevol bedrijfsmodel en groeiperspectieven. Om deze bedrijven te ondersteunen in hun zoektocht naar financiering, werd via artikelen 145% en 1452 WIB 92 de zogenoemde “tax shelter” voor start-ups en scale-ups geïntroduceerd. Investeerders in deze ondernemingen konden onder bepaalde voorwaarden een belastingvermindering genieten. ‘Om deze ondememingen extra ondersteuning te bieden in hun expansie na de COVID-19-pandemie, worden de maximumbedragen die zij onder het bestaande regime kunnen ophalen, verdubbeld. Op deze manier kunnen de ondernemingen voldoende kapitaal ophalen om verdere groei en innovatie te financieren. Dit zal een positieve impact hebben op de economische dynamiek en de werkgelegenheid in België. 7. Verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector De bouwsector wordt geconfronteerd met een aantal uitdagingen, waaronder een tekort aan geschoolde arbeidskrachten. De impact van de COVID-19-crisis, de verwachte effecten van het herstel en transitieplan en de overstromingen in Wallonië maken die uitdagingen nog actueler. De projecten in het kader van het herstel en transitieplan (Green Deal, duurzaamheid, hernieuwbare energie, vergroening van de economie, circulaire economie, lokale werkgelegenheid, isolatie, energiebesparing, …) zullen leiden tot een toename van het werkvolume. ‘Om hierop te kunnen inspelen, zullen de bouwbedrijven extra werknemers in dienst moeten nemen. Er zal een grotere vraag zijn naar geschoolde arbeidskrachten. Als reactie hierop heeft de sector al een aantal initiatieven genomen (versterking van de samenwerking met de onderwijs- en opleidingswereld, steun voor duale opleidingen, enz), die in de loop van de tijd effect zul len hebben. Op korte termijn zal echter vaker beroep moeten worden gedaan op overwerk. De regering stelt dan ook voor om het aantal fiscaal voordelige overuren in de bouwsector te verhogen van 180 naar 220 uren. Ze komt hiermee tegemoet aan de vraag van de sociale partners in het Paritair comité voor het bouwbedrijf Datzelfde Paritair Comité voor het bouwbedrijf heeft bovendien gevraagd voor een verdere verhoging in het kader van wegen- en spoorwegwerken, omwille van de gevraagde inspanningen vanuit de aanbestedende overheden en de daaruit volgende atypische werkschema's. Daarom stelt de regering voor om het aantal fiscaal voordelige overuren te verhogen van 180 naar 280 uren voor de werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken verrichten (met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels) en aan wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken voor die werkgevers. Gegeven het feit dat deze vorm van steun héél sectorspecifiek is, zal het voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding ervan aangemeld moeten worden bij de Europese Commissie. 8. Belasting over toegevoegde waarde - uitsluiting van het verschaffen van gemeubelde logies uit de vrijstellingsregeling van de belasting Daarnaast bevat dit ontwerp ook een belangrijke wijziging betreffende de btw-behandeling van het verschaffen van gemeubelde logies. Het aanbieden van gemeubelde logies in hotels, motels en inrichtingen waar tegen betaling aan gasten onderdak wordt verschaft, betreft een uitzondering op de principiële btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende goederen, Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde legt voortaan meer heldere wettelijke criteria vast. In navolging van Duitsland en Nederland en in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie zal het onderscheid tussen belaste en vrijgestelde handelingen vanaf 1 juli 2022 gebeuren op basis van een kwantitatief criterium, namelijk verhuur gedurende een periode van minstens drie maanden. Het voormelde wetsontwerp heeft evenwel tegelijkertijd een aantal afwijkingen wilen toelaten op dat kwantitatieve eriterium van drie maanden zodat passieve verhuren vrijgesteld blijven van btw. Belgische hotels ondervinden concurrentie van personen die, al dan niet gefaciliteerd door elektronische platformen, bijvoorbeeld in hun eigen woning gemeubeld logies aanbieden. Deze personen hebben vaak een jaaromzet uit deze activiteit die geen 25 000 euro bedraagt. Ingeval ze geen andere economische activiteit uitoefenen, kunnen ze derhalve gebruik maken van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. Door de enorme toename van het aantal gemeubelde logies dat in een dergelijke context wordt aangeboden, is er sprake van toenemende concurrentieverstoring doordat die personen geen btw hoeven aan te rekenen aan hun klanten. In sommige grote steden in het land blijkt dat het aanbod van kamers door particulieren via platformen qua aantal in de buurt komt van dat aangeboden door hotels en gelijkaardige inrichtingen. Dit ontwerp sluit enerzijds de aanbieders van gemeubelde logies in principe uit van het toepassingsgebied van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. ‘Anderzijds geldt deze uitsluiting niet voor handelingen die worden verricht door de natuurlijke personen die handelen in het kader van de deeleconomie. 9. Professionele diesel: vermindering van terugbetaling van accijnzen

Hoofdstuk 3

betreft de maatregelen inzake accijnzen Het fiscaal voordeel voor de professionele diesel wordt verminderd. Vandaag geldt er voor diesel dat voor bepaalde professionele doeleinden wordt gebruikt een terugbetaling van 247,6158 euro per 1000 Ïter. Dit voordeel wordt voor 2022 teruggebracht naar 226,9716 euro, per 1000 liter. Deze maatregel is één van de stappen die de regering neemt om de federale subsidies voor fossiele brandstof fen gradueel af te bouwen 10. Energie: hervorming van de accijnzen ‘Tot slot stelt de vice-eersteminister het financiële luik van de energiehervorming voor, waarbij de bijdragen voor federale openbare dienstverplichtingen (waaronder de offshore toeslag) en de federale bijdrage elektriciteit en gas worden omgezet naar een bijzondere accijns. Het energieluik van deze hervorming werd vorige week goedgekeurd in de commissie energie. Het luik met betrekking tot de accijnzen ligt vandaag voor in deze commissie. Het doel van deze hervorming is om afte stappen van het systeem waarbij de kosten voor openbare dienstverplichtingen automatisch worden doorgerekend op de energiefactuur. In de plaats daarvan zal er worden gewerkt via de algemene middelen en de accijnswetgeving, wat voor meer voorzienbaarheid en de nodige investeringszekerheid zal zorgen voor de verbruikers. Het niveau van de accijnstarieven wordt vastgesteld per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis, waarbij het opzet is om het federale aandeel van de energiefactuur van alle verbruikers vast te stellen op het niveau van het jaar 2021. Wat de vrijstellingen voor zelfgeproduceerde elektriciteit betreft, wordt verduidelijkt dat de bestaande vrijstellingen van accijnzen voor groene stroom en voor elektriciteit opgewekt uit warmtekrachtkoppeling van toepassing zijn voor alle elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare bronnen, of uit een warmtekrachtkoppelingsinstallatie, wanneer deze niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen, ook wanneer de producent en de verbruiker niet dezelfde entiteit zijn.

II. - ALGEMENE BESPREKING

HOOFDSTUK 1

Inkomstenbelastingen Afdeling 1 Hervorming fiscale voordelen sportbeoefenaars en sportclubs (art. 2tot 12) A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Wim Van der Donckt (N-VA) prijst de moed van de minister om dit moelljke dossier aan te pakken. In 2019 werd gestart met een informele werkgroep voor hervorming fiscale en parafiscale voordelen. Zijn fractie heeft aan deze werkgroep deelgenomen. De ondersteuning van de jeugdwerking was als achterliggende gedachte voor de initiële wetgeving een goed idee, maar door de jaren heen zijn er wat misbruiken ontstaan. De gelden gingen hoofdzakelijk naar buitenlandse spelers. We zagen hoe buitenlandse spelers met grote winstmarges werden doorverkochten. We merkten dat bepaalde makelaars een duistere rol speelden, enz… Dit goed bedoelde systeem was het businessmodel van bepaalde clubs. De grote clubs gingen met het leeuwendeel van het geld gaan lopen. Het solidariteitsmechanisme viel volledig weg. Deze toestanden heel wat vraagtekens doen rijzen. In deze optiek is het positief dat de minister een initiatief heeft genomen. Het is een weg die niet evident te bewandelen is, maar uiteindelijk is er een ontwerp gekomen. De heer Van der Donckt was vol hoopvolle verwachting bij het lezen van het voorontwerp in september 2021, maar intussen zijn er andere ontwikkelingen gekomen. Oorspronkelijk was er sprake van een korting per club van 4 miljoen euro, waarvan 2 miljoen te besteden voor jeugdwerking en 2 miljoen euro voor de infrastructuur. Nadien circuleerde het bedrag van 12 miljoen euro, om daarna het tarief van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor sportbeoefenaars te verlagen naar 75 %. Dit tarief ligt onder de huidige 80 %, maar het ligt nog altijd boven de wettelijke grens van 70 %, die is, opgenomen in artikel het 275 van het WIB. Waarom is, de minister niet gegaan naar de 70 %, zoals de initiële wet het voorziet. Spreker verwijst naar eerdere wetsvoorstellen van fractiegenoten van de minister (o.a. Wetsvoorstel 51K2787/001) dat als motivering aangaf: “De inkomsten van Belgische sportbeoefenaars worden thans belast tegen een gemiddeld tarief van meer dan 40 %, terwijl de buitenlandse sportbeoefenaars die in België carrière maken, tegen 18 % worden belast. Daardoor houden onze sportbeoefenaars het hier voor bekeken; bovendien worden onze ploegen of clubs werkelijk overspoeld door buitenlandse sportbeoefenaars, die aldus tegelijk de toegang van onze in België opgeleide jongeren tot de hoogste klasse blokkeren” Men krijgt al snel een “déjà vu” gevoel bij het lezen van deze passages. Verder werd tijdens de bespreking van voormeld wetsvoorstel gesteld: “Wat de professionele sportbeoefenaars betreft, werd al vrij spoedig gemerkt dat het stelsel voor de niet-inwoners gunstiger was dan het stelsel voor de inwoners: vanaf de jaren '90 steeg daardoor het aantal niet-inwoners in de nationale ploegen en verhuisden Belgische inwoners naar de vier grenslanden van België” De heer Van der Donckt vraagt hoe de minister, in het licht van wat voorafgaat, denkt dat de hervormingen die hij doorvoert de initiële verwachtingen zullen inlossen. Zullen de maatregelen inzake de bedrijfsvoorheffing leiden tot een betere ondersteuning van de jeugdwerking? Welke garanties heeft de minister dat er weer geen gelden worden doorgesluisd naar allerhande constructies, die men zal opzetten om de bedrijfsvoorheffing af te wenden van het eigenlijke doel? Gaat de minister hier controlemechanismen op loslaten zodat de huidige misbruiken in de toekomst verleden tijd zijn? De heer Van der Donckt vindt hier niet onmiddellijk iets van terug in het wetsontwerp dat momenteel voorligt. Hij is wat wantrouwig als hij de ontwikkelingen en de standpunten van de minister in dit dossier beschouwt. De beperking van de aftrekbaarheid van kosten van makelaars vindt de heer Van der Donckt een goede zaak. Makelaarsvergoedingen zouden in de vennootschapsbelasting nog maar aftrekbaar zijn ten belope van maximaal 3 % van de inkomsten van de sportbeoefenaars. Dat zal absoluut helpen in het onder controle brengen van die overeenkomsten, en ook van de constructies die worden opgezet rond transfers. De mala fide makelaars, moeten eruit. De 3 % regeling kan ertoe bijdragen om de misbruiken in de makelaarswereld weg te werken. Spreker wenst wel de vraag te stellen hoe het kan dat een speler, die zichzelf in de markt moet zetten, erin slaagt om zijn makelaar de kosten te laten betalen door de club, zeker als men weet dat de club er zelf fiscaal voordeel uit haalt. De harmonisatie van de leeftijd van 26 jaar naar 23 voor het begrip ‘jeugdige sportbeoefenaars’ is een goede zaak. De aanvullende pensioenregeling, voorzien in het ontwerp, is een gunstmaatregel die volgens de heer Van der Donckt voorbijgestreefd is. De sportbeoefenaars kunnen dat weliswaar gebruiken om zich te heroriënteren, maar spreker ziet niet in waarom dit absoluut een uitzonderingsmaatregel moet zijn. Een gewone werknemer kan niet terugvallen op een gunstregeling als hij zich moet heroriënteren. In het kader van de hervorming van de RSZ-regeling voor sportbeoefenaars, pleit de heer Van der Donckt ervoor de aanmelding aan de Europese commissie nog eens te nader te bekijken. Eris opgeworpen dat het vroeger niet is aangemeld en het hier eigenlijk gaat om een vermindering van staatssteun. Spreker pleit echter voor voorzichtigheid en denkt dat deze maatregel moet worden aangemeld bij de Europese commissie. Duidelijkheid en zekerheid zijn nodig. Stel dat een belanghebbende het dossier op de tafel brengt van de Europese Commissie, dan lopen de clubs, die de voordelen genieten, het risico op zware sancties. In Spanje heeft een dergelijk probleem zich voorgedaan De heer Van der Donckt dankt de minister voor de moed die hij aan de dag heeft gelegd in dit bijzonder dossier. Het had iets verder kunnen gaan. Er had wat meer zekerheid mogen ingebouwd zijn rond de besteding van de voordelen die de grotere clubs krijgen naar de jeugd toe. Er had toch een solidariteitsmechanisme naar de kleinere clubs mogen worden ingebouwd, vindt de heer Van der Donckt. De minister is het goede pad ingeslagen, maar spreker staat toch niet 100 % achter het ontwerp volledig qua garanties. Dus hij zal zich onthouden voor de regeling inzake de verlaging van de bedrijfsvoorheffing van 80 naar 75 %, alsook voor de regeling rond de makelaarsvergoeding. Wat artikel 12 (inwerkingtreding art. 2-11) betreft, wenst hij tot slot op te merken dat een voetbalseizoen niet gelijkloopt met het kalenderjaar. De voetbalwereld werkt niet met kalenderjaren, maar met seizoenjaren. De heer Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) merkt op dat de hervorming van de fiscale voordelen van de sportbeoefenaars hem nauw aan het hart gt. Hij verwijst naar de informele parlementaire werkgroep die in 2019 is opgezet over de hervorming van de fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters. Op het gebied van de parafiscale voordelen, merkte men dat hoe meer de beroepssporter verdiende, hoe groter het voordeel was. Daarnaast was er het systeem van het niet-doorstorten van 80 % bedrifsvoorheffing. Ook in dat systeem zaten onrechtvaardigheden, en dat systeem gaf aanleiding tot misbruik. Kamerlid Dedecker, die ook in de werkgroep zetelde en die de sportwereld heel goed kent, heeft dat toen duidelijk gemaakt. Binnen deze werkgroep was een consensus gegroeid over een aantal zaken ‘om ernstig te snoeien in de fiscale voordelen rond de bedrijfsvoorheffing, in de grootteorde om dat percentage te halveren, of een andere manier om de bedragen te beperken per club zodat niet de rijkste clubs met het meeste geld zouden gaan lopen Het engagement om de fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs te hervormen op basis van de afspraken in de werkgroep werd bij de regeringsvorming opgenomen in het regeerakkoord. Wat de parafiscale voordelen betreft, is de logica omgedraaid. Zowel de speler, als de club dragen meer bij naargelang het loon hoger is. Die oplossing past binnen de geest van de toenmalige sfeer in die werkgroep. De heer Vanbesien geeft toe dat hij ontgoocheld is in het resultaat van de hervorming van de fiscale voordelen. De bedrijfsvoorheffing die verlaagd wordt van 80 % naar 75 %. Dit is niet echt wat de werkgroep toen in gedachten had. makelaars vindt de heer Vanbesien een goede zaak. Dat zal absoluut helpen in het onder controle brengen van die overeenkomsten, en ook van de constructies die worden opgezet rond transfers. Daar was trouwens al een grote stap vooruitgezet, met het wetsvoorstel van Joris Vandenbroucke om die transacties te onderwerpen aan de geldende anti-witwas wetgeving. Dit bewijst nogmaals dat fiscale fraude een topprioriteit is voor de hele Vivaldi-regering. De heer Vanbesien citeert volgende passage uit het regeerakkoord: “De regering hervormt de huidige fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs met het ‘oog op meer billijkheid, waarbij gegarandeerd wordt dat iedereen een eerlijke bijdrage levert, afhankelijk van de draagkracht van de sport. Tevens zal de controle op de sportmakelaars versterkt worden.” Als men leest wat er uit het begrotingsconclaaf is gekomen, dan staat daar een opbrengst van 43 miljoen euro uit de hervorming van de fiscale en parafiscale voordelen voor beroepssporters en clubs Als persoonlijke commentaar op de werkwijze stelt de heer Vanbesien dat deze maatregel door de regering behandeld werd als een budgettaire maatregel, in plaats van als een hervorming. In zijn beleving, en in de spirit van de werkgroep, werd er gewerkt aan een hervorming die kon worden uitgespreid in de tijd en met voldoende overgang om de clubs de kans te geven om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. De federale regering heeft dit project behandeld als een budgettaire maatregel, en heeft dus enkel hervormingen gedaan met een impact op het jaar 2022. Uiteraard ben je beperkt in wat je kan doen op 1 jaar tjd. Bij het naast elkaar leggen van het regeerakkoord en het begrotingsconclaaf, kan spreker alleen maar concluderen dat er met deze regeling voldaan wordt aan beide. Zijn fractie zal deze regeling dan ook steunen. Persoonlijk blijft hij, en zijn fractie, zitten met een onvoldaan gevoel, vooral wat de fiscale hervorming betreft. Voor zijn fractie is dit dossier dus niet afgelopen, misschien wel voor deze legislatuur, maar zeker niet voor de toekomst. Hij zal de oorspronkelijke voorstellen van de minister van Financiën, die de regeling in lijn zou brengen met de Europese regels rond bedrifssteun, nog eens goed bekijken. Die zouden, wat hem betreft, kunnen dienen als leidraad voor een structurele hervorming op langere termijn. De heer Vanbesien heeft ook nog een vraag. De oorspronkelijke voorstellen van de fiscale aanpassingen van de minister werden aangepast in functie van het bedrag dat werd ingeschreven in de begroting. Op basis, daarvan wordt de inhouding van de bedrijfsvoorheffing van 80 % naar 75 % gebracht. Wat zal gebeuren als de loonmassa van de sportbeoefenaars in de volgende jaren stijgt? Dan zal die vermindering van 80 naar 75 % meer opbrengen dan het bedrag dat werd afgesproken tijdens het begrotingsconclaaf. Zal de regering dat. percentage dan terug opkrikken om te voldoen aan het absoluut bedrag dat werd overeengekomen, of is het niet de bedoeling om die 75 % in de toekomst terug te laten stijgen? De heer Wouter Vermeersch (VB) stelt volgende algemene vragen: - Kan de minister een becijfering van elke maatregel in de programmawet bezorgen aan het parlement? - Twee dossiers werden geschrapt uit het voorontwerp (nl. de vrijstelling premie knelpuntberoepen en de belastingvermindering voor de werkloosheidstoelage). Kan de minister meedelen waarom deze belangrijke hoofdstukken werden geschrapt? - De regering legt heel wat extra maatregelen op in het kader van de accijnzen op tabak, maar hij vond daar niets over terug in de programmawet. Wanneer komen de stukken rond de wijziging van de accijnzen voor tabak? Wat de hervorming van de fiscale regeling voor de sportbeoefenaars en sportclubs betreft, verwijst de heer Vermeersch naar de budgettaire maatregel van 43 miljoen euro, enerzijds een hervorming van de RSZ-bijdragen (80 miljoen euro) en 13 miljoen fiscale voordelen, die in dit uik worden aangepakt. Zal, met wat hier voorligt, de voorziene 13 miljoen euro gehaald zal worden? Worden er in het kader van de begrotingsaanpassing in maart 2022 nog bijkomende maatregelen voorzien? Spreker heeft er zijn twijfels bij dat in de toekomst een voetballer meer sociale bijdragen zal betalen dan zijn poetsvrouw. De fractie van de heer Vermeersch kan zich vinden in de doelstelling van de regeling, die een fiscaal recht vaardige bijdrage door de sportbeoefenaars beoogt. De fractie kan zich vinden in de geest van wat hier voorligt, maar niet in de manier waarop de regering het aanpakt. Binnen de regering was er onenigheid. Met de verschillende belangengroepen werd ook in de pers een open oorlog gevoerd. Dit is een methode die de heer Vermeersch ten zeerste afkeurt. In de coronaperiode hebben we fiscale rust nodig. Een fiscale hervorming is op eieren lopen. Hij hoopt dat deze onenigheid geen voorafname is van de veel grotere fiscale hervorming, die in het vooruitzicht staat. De heer Vermeersch werpt op dat deze regeling aantoont hoe wankel onze staatsstructuur wel is. Sportbeleid is een gemeenschapsmaterie, maar via allerlei fiscale voordelen komt de Federale Staat tussen. De Federale Staat komt tussen in een gemeenschapsmaterie. De Raad van State heeft opgemerkt dat er geen rechtstreeks, verband is tussen het toegekende fiscale voordeel (een vrijstelling van het doorstorten van de bedrijfsvoorhefting) en het beoogde doel (het bevorderen van de jeugdopleiding en de inrichting van sportinfrastructuur). Er liggen geen wettelijke criteria vast voor het bepalen van de 55 % grens van het bedrag dat moet besteed worden aan de opleiding van sporters onder de 23 jaar. Dit werkt rechtsonzekerheid in de hand, laat ruimte voor misbruiken en is moelljk te verenigen met het legaliteitsbeginsel. Hoe wenst de minister deze onduidelijkheden op te lossen? De heer Benoît Piedboeuf (MR) verklaart dat zijn fractie deze hervorming zal steunen. De hervorming gaat minder ver dan aanvankelijk was gepland. Men moet immers rekening houden met verschillende elementen. Het is een eerste stap in het schrappen van de gunstregimes. Een hervorming vergt tijd en er werk ernstig werk geleverd. Hij feliciteert de minister om met zo'n bijzondere sector te hebben gesproken en deze regeling te hebben uitgewerkt. De heer Steven Mathei (CD&V) merkt op dat het gaat om een maatschappelijk belangrijk dossier. Het is, een historisch dossier dat reeds jaren voor beroering zorgt. Het onrechtvaardigheidsgevoel is de laatste jaren ‘omhooggegaan. De operatie “Propere Handen” en de Pandora-papers brachten de fiscale misbruiken aan het licht. De positie van sommige makelaars wordt in een kwaad daglicht gesteld. De regelgeving dateert uit het verleden. De voornaamste doelstelling voor deze gunstregimes was het stimuleren van de eigen jeugdwerking. Tezelfdertijd stellen, we vast dat het aantal buitenlandse jeugdspelers altijd omhoog is gegaan, net als het gemiddelde loon. Door middel van wetsvoorstellen en parlementaire vragen is, ‘om aandacht gevraagd voor dit dossier. In het regeerakkoord is vermeld dat men er werk van zou maken. Er wordt een antwoord op het probleem gegeven door een combinatie van maatregelen op vier vlakken: Maatregelen rond RSZ, Sociale Zekerheid en Pensioenen, maatregelen rond fiscaliteit, maatregelen rond makelaars en witwassen. We hebben grote stappen vooruitgezet. De verminderde RSZ-bijdragen, die voor profvoetballers bovendien beperkt zijn tot de sectoren gezondheidszorg, pensioenen en kinderbijslag en berekend werden op een fictief maximumloon, zorgden ervoor dat professionele voetballers, die zeer veel verdienen, minder bijdragen moesten betalen dan andere categorieën van de bevolking. Met de nieuwe regeling zal de professionele voetballer meer moeten bijdragen qua RSZ. Wat de fiscaliteit betreft, zitten we met het systeem van bedrijfsvoorheffing dat mag worden ingehouden. Eerst en vooral beogen de voorgenomen wijzigingen het tarief van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor sportbeoefenaars te verlagen van 80 % naar 75 %. Vervolgens wordt in het ontwerp voorgesteld om de en ouder, op te trekken naar 55 %. Voor de heer Mathei had de bestedingsverplichting wat hoger mogen liggen. Via amendementen zal spreker voorstellen. Er worden een aantal misbruikpoortjes gedicht (bijvoorbeeld: het systeem om spelers te detacheren naar buitenlandse clubs en toch nog beroep te doen op de vrijstelling van 80 %. De makelaars hebben voordelen die ver boven de limiet van de FIFA zitten. In dat kader beveelt de FIFA ook een begrenzing op makelaarsvergoedingen aan van 3 %, gebaseerd op het bruto-inkomen van de sportbeoefenaar op jaarbasis, berekend voor de gehele duur van het contract. Bepaalde makelaars zouden 30 % commissie hebben rond de deals en de transfers. De makelaarsvergoeding wordt in het wetsontwerp nu geplafonneerd op 3 %. ‘Aan de bestrijding van witwassen werd reeds een regeling uitgevaardigd via het wetsvoorstel van Joris, Vandenbroucke om de voetbalclubs en de makelaars te onderwerpen aan de geldende anti-witwas wetgeving. Minister Dermagne zal de regeling ten aanzien van de makelaars verder uitwerken en verfijnen. De spreker besluit dat de hele regeling een eerste maar zeer belangrijke - stap is in een dossier dat veel mensen beroert. ‘De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stelt vast dat de mini-taxshitt de grote afwezige is in deze programmawet, terwijl die wel vermeld staat in de begroting. We hebben een verlaging voor de bijzondere bijdragen voor de sociale zekerheid (225 miljoen euro) en drie compenserende maatregelen. Er bestaat binnen deze regering onenigheid over een aantal maatregelen. Kan de minister preciseren welke timing de regering voor ogen heeft voor deze vier maatregelen? De staatssecretaris, van begroting sprak van een aanpassing voor volgend jaar. Hoe zit het met het bedrag? Is er voor de vrijstellingen voor de doorstorting van bedrifsvoorheffing (één van de belangrijke dossiers rond de spending reviews), reeds een akkoord, Met welke maatregel stemt het bedrag van 75 miljoen euro in de budgettaire tabellen overeen? Wat de fiscale regeling voor de sportbeoefenaars betreft, is de heer Van Hees van oordeel dat de zaken in de goede richting evolueren. Het is niet te begrijpen dat bepaalde sportbeoefenaars buitensporige voordelen konden genieten. Spreker vraagt wat er zal gebeuren met de financiering van de kleine clubs. Zou het bedrag van 43 miljoen euro niet moeten worden gebruikt voor een betere financiering van de kleine clubs? Dat heeft dan weer zijn impact op de bevoegdheidsverdeling tussen entiteit 1 en entiteit 2. Kaderen deze maatregelen binnen de federale bevoegdheden of vormen deze maatregelen een inbreuk op de bevoegdheden van de deelstaten? De heer Van Hees vindt dat men deze middelen eindelijk moeten investeren in sportactiviteiten, een soort taxshift binnen de sportwereld dus. De heer Joris Vandenbroucke (Vooruit) wijst op het RSZ voordeel en het fiscale voordeel van de professio nele sportbeoefenaars. De huidige minister van Sociale Zaken slaagt erin om ervoor te zorgen dat minder goede verdienende sportbeoefenaars thans minder RSZ zullen moeten bijdragen en de goed verdienende sportbeoefenaars (fors) meer RSZ zullen moeten betalen. De minister van Financiën zal, wat het fiscaal voordeel betreft, kunnen rekenen op de steun van de Vooruitractie. Er worden stappen vooruitgezet. We zijn nog niet ver genoeg gegaan. Academici, de ProLeague en sportjournalisten hebben tijdens de discussie veel lobbywerk verricht en gepleit voor het behoud van de fiscale voordelen bepleit onder het mom van de “schending van de Europese concurrentiepositie”. Het is bedoeling om een gezonde en eerlijke nationale sportcompetitie te organiseren. Dit dossier komt zeker nog terug op de regeringstafel. De minister zal met alle sporttakken in overleg gaan om meer sturende beleidsmaatregelen te nemen. In deze optiek vindt de fractie van de heer Vandenbroucke dat er een plafond zou moeten komen voor de totale steun die een individuele sportclub kan ontvangen. De belastingplichtige mag niet opdraaien voor het grenzeloze opbod om dure buitenlandse spelers aan te trekken, die voor een groot deel worden gesubsidieerd via het niet-doorstorten van de bedrijfsvoorheffing. De heer Vandenbroucke pleit tevens voor een volledige bestedingsplicht. Waarom zou dit niet van toepassing mogen zijn op sportclubs. We moeten erover waken dat elke eurocent die geboden wordt ter ondersteuning van de sportbeoefening goed besteed geld is In feite is het ondersteunen van sportbeoefening eerder een gemeenschapsbevoegdheid en geen federale bevoegdheid, aldus de heer Vandenbroucke. Deze ondersteuning van sportbeoefening hoeft niet te gebeuren via de federale kas. De heer Jean-Marie Dedecker (INDEP-ONAFH) was in 2020 verheugd over de passage uit het regeerakkoord waarin aangekondigd werd dat de regering “de huidige fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs hervormt met het oog op meer billijkheid, waarbij gegarandeerd wordt dat iedereen een eerlijke bijdrage levert, afhankelijk van de draagkracht van de sport”. Nagenoeg alle fracties namen initiatieven om de gunstregimes te hervormen. De spreker verwijst bijvoorbeeld naar het wetsvoorstel inzake de sociale bijdragen verschuldigd op het loon van betaalde sportbeoefenaars en tot invoering van een bijzondere bijdrage op transfergelden (DOC 55 0837/001), ingediend door de heer Egbert Lachaert (Open Vld) In de meerderheid werd verklaard dat de sterke schouders van de grote voetbalploegen, de dure profvoetbal lers en andere goedverdienende sporters meer lasten zouden moeten dragen, terwijl de goedkope profvoetballer en de kleine en semiprofessionele clubs zouden worden gespaard. Er werden werkgroepen opgericht, maar vervolgens werd niets meer over het onderwerp vernomen. Enkel in de media legden leden van de meerderheid grote verklaringen af. Zo werd aangekondigd dat iedereen billijke sociale bijdragen zou betalen en dat het gunstregime voor de bedrijfsvoorheffing zou worden afgeschaft. De heer Dedecker betreurt echter zijn vaststelling dat de berg een muis heeft gebaard. De minister heeft het over een besparing van 43 miljoen euro, waarvan 30 miljoen euro zou gevonden worden in de sociale zekerheid, 10 miljoen euro in de bedrifsvoorheffing en 3 miljoen euro bij de makelaarscommissies. In de pers en ook door de regeringsleden wordt gewezen op een totaal van 200 miljoen euro fiscale voordelen. Dit cijfer is niet meer accuraat: het betreft immers een berekening uit 2019-2020 en het verwijst bovendien enkel naar de voordelen in het voetbal die toen 199,4 miljoen euro bedroegen, meer bepaald 105 624 068 euro aan RSZ-bijdragen en 93 757 545 euro aan bedrijfsvoorheffing. Gelet op het feit dat 85 % van de fiscale voordelen naar het voetbal vloeien, tegenover amper 15 % voor de andere ploegsporten, en gelet op het feit dat de lonen in het voetbal tussen 2020 en 2021 ondanks de coronacrisis opnieuw met 35 % gestegen zijn, kan men vandaag spreken van ongeveer 250 miljoen euro fiscale voordelen. De huidige ingreep van 43 miljoen euro zorgt bijgevolg voor een daling van nauwelijks 17 % van de fiscale en parafiscale voordelen van sportbedrijven in ploegsporten. De minister noemt dit een gelijkschakeling, terwijl het de spreker eerder een aanpassing lijkt die vooral aan de wensen van de heer Georges-Louis Bouchez tegemoetkomt. Bedrijfsvoorheffing In 1992 voerde de toenmalige minister van Financiën, de heer Philippe Maystadt, een exclusief belastingtarief in van 18 % voor buitenlandse sportbeoefenaars en podiumkunstenaars die occasioneel optraden in België. Het begrip “occasioneel” werd in de voetbalwereld al vlug opgerekt naar een verblijf van 3 tot 4 jaar. De wetgeving werd op 15 mei 2002 verder versoepeld op initiatief van de heer Didier Reynders. Dit gebeurde opnieuw in 2004, waarbij de heer Dedecker de invloed vermoedt van de heer Johan Vande Lanotte, die betrokken was bij basketbalploeg BC Oostende. Met de wet van 4 mei 2007 betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars was uiteindelijk het hek van de dam: vanaf toen mochten de clubs 80 % van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op alle spelerslonen zelf in kas houden. De voorwaarde luidt dat de helft van de ingehouden heffing op spelerslonen van sporters ouder dan 26 jaar geïnvesteerd wordt in jeugdwerking, inclusief de lonen van jeugdtrainers, medewerkers en spelers - ook buitenlandse - jonger dan 23 jaar. Het was de bedoeling dat deze gulle regeling zou dienen voor de opleiding van jeugdspelers. Door gebrek aan controle kreeg de graaicultuur echter vrij spel en werden met dit extra budget spelers gekocht, toplonen uitgekeerd of in onroerend goed geïnvesteerd. De spreker haalt het voorbeeld van de voetbalclub KRC Genk aan. In het seizoen 2016-2017 had deze 3 spelers, ouder dan 26 jaar op een totale kern van 30 spelers. De club spendeerde 90 % van de bedrijfsvoorheffing aan de betaling van spelers onder de 26 jaar, waaronder veel buitenlandse. Amper 10 % van het bedrag werd in jeugdwerking geïnvesteerd, Uit de Socio-economische impactstudie van de Pro League op de Belgische economie, in juni 2019 gepubliceerd door Deloitte, blijkt dat alle clubs samen 42 miljoen euro salarissen uitbetaalden aan jeugdspelers onder de 23 jaar, terwijl er wettelijk slechts 17,3 miljoen euro moest geïnvesteerd worden. De spreker concludeert dat al het geld dat de clubs via de regeling voor de bedrijfsvoorheffing cadeau kregen aan spelerslonen werd uitgegeven in plaats van aan jeugdwerking. Het voorliggende onderdeel van het ontwerp van programmawet betreft volgens de heer Dedecker bijgevolg een puur budgettaire maatregel. Het is een gemiste kans voor een volledige hervorming van de fiscaliteit op het gebied van topsport De reden waarom het geld in de topsport op deze manier wordt uitgegeven, ligt bij het feit dat niet minder dan 57,6 % van de spelers in eerste klasse buitenlanders, zijn. Met een aandeel van 30 % niet-EU-spelers op de grasmat is België Europees koploper wat de import van voetballers betreft. Belgische clubs kunnen dankzij de gulle subsidieregelingen, samen goed voor 200 miljoen euro, voetballers goedkoop in de markt zetten voor doorverkoop. Desalniettemin raken nauwelijks 5 van de 18 clubs uit de Pro League uit de rode cijfers. Deze clubs boekten in het seizoen 2018-2019 een gecumuleerd verlies, van 91,3 miljoen euro, veroorzaakt door wanbeleid en het investeren in buitenlandse spelers. Al het budget gaat immers naar de toppers en niet naar de jeugdwerking. Het voorbije jaar zijn de lonen zelfs met 35 % gestegen tot gemiddeld 430 352 euro in eerste klasse. Het voorliggende ontwerp van programmawet versoepelt in feite de wetgeving in het voordeel van de sportploegen. De huidige wetgeving voorzag immers een korting op de bedrijfsvoorheffing van 70 %, die bij koninklijk besluit kon verlaagd worden tot 60 % of verhoogd tot 80 %. Men had bijgevolg zelfs geen wetswijziging nodig, maar wel de nodige politieke moed. De regering had immers daags na de regeringsverklaring middels een koninklijk besluit de korting tot 60 % kunnen verlagen. Nu schrapt ze deze eenvoudige mogelijkheid tot verlaging en betonneert ze de korting op 75 %. In plaats van een verlaging met 5 % komt de nieuwe toestand eigenlijk neer op een verhoging van 15 % Professionele sportverenigingen zijn bedrijven waarvoor een fiscale uitzonderingsregeling soms te verantwoorden is, mits de Europese Commissie groen licht geeft. Er gelden immers ook verschillende uitzonderingsregelingen voor andere sectoren zoals de koopvaardij, baggervaart, sleepvaart, onderzoek en ontwikkeling, zeevisserij, voor nacht- en ploegenwerk en voor startende ondememingen. Deze gunstregimes werden echter, in tegenstelling tot de fiscale voordelen voor sportbedrijven, wel voorgelegd en goedgekeurd door de Europese Commissie. In de commissie Sociale Zaken, Werk en Pensioenen werd geopperd dat de voorliggende wijziging van de fiscale gunstmaatregel niet moet worden aangemeld op Europees niveau, aangezien het om een verlaging van de korting gaat. Dat neemt niet weg dat de originele korting nooit werd aangemeld. De spreker is van mening van de regeling overeind blijft dankzij de politieke steun van bijvoorbeeld de heer Didier Reynders of van de heer Yves Leterme, die als voorzitter van de Club Financial Control Body van de Europese voetbalbond UEFA in de voetsporen trad van de heer Jean-Luc Dehaene. De regering begrenst de leeftijd van jonge sporters op 23 jaar, en trekt de bestedingsverplichting op van 50 % naar 55 %. Er blijft niets over van de oorspronkelijke belofte dat de korting per club maximum 4 miljoen euro zou mogen bedragen, meer bepaald 2 miljoen euro te besteden aan de infrastructuur en 2 miljoen euro voor de lonen van spelers jonger dan 23 jaar. De invloed van de voorzitter van voetbalclub Royal Francs Borains, de heer Georges-Louis Bouchez, van de voetballobby en van de heer Wouter Vandenhaute, voorzitter van RSC ‘Anderlecht, waren volgens de heer Dedecker voldoende om de goede voornemens op te bergen. Indien men de lage minimumlonen voor niet-EUspelers niet aanpakt is de nieuwe regeling nagenoeg een maat voor niets om het jeugdvoetbal te beschermen. Op 9 april 2003 diende de heer Dedecker in de Senaat een wetsvoorstel in tot invoering van een minimumsalaris voor niet-Europese sportbeoefenaars en trainers (Parlementair document nr. 2-1609/1). Deze sporters moeten in België slechts acht keer het minimumsalaris, voor een betaalde sportbeoefenaar verdienen, namelijk 81 000 euro per jaar. Dit is een habbekrats in vergelij king met bijvoorbeeld Nederland, waar 18- en 19-jarige voetballers van buiten de Europese Unie maar aan de slag mogen wanneer ze meer dan 220 000 euro verdienen. Zijn ze 20 jaar of ouder, dan loopt dat bedrag op tot minstens 440 000 euro of anderhalve keer het gemiddelde jaarloon in eredivisie. Volgens de heer Dedecker heeft de minister met de verkeerde mensen onderhandeld. De heer Peter Bossaert, CEO van de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) - die andere belangen behartigt dan de Pro League - verklaarde in een interview met Het Laatste Nieuws op 30 oktober 2021 dat de voetbalwereld een sterk verhaal heeft: “Als we kunnen aantonen dat we financiële middelen zullen investeren in de opleiding van Belgische jeugd, bijvoorbeeld. Dat doe je onder meer door het binnenhalen van spelers van buiten de Europese Unie duurder te maken - zoals in Nederland, waar de minimumverloning voor deze spelers vier keer hoger ligt dan bij ons. Automatisch creëer je zo een maximale investering in de eigen jeugd” De minister kan op dit vlak niets ondernemen omdat het een gewestelijke bevoegdheid is. Zo is België volgens de spreker het mekka geworden voor tweede rangsvoetballers uit de hele wereld. Het aankooprisico is immers toch miniem. In het beste geval worden de spelers doorverkocht, in het slechtste geval belanden ze in de illegaliteit op een voetbalpleintje in de steden. Als België het Nederlandse voorbeeld volgt, wordt deze handel meteen opgelost. Gehaaide buitenlandse clubs, en investeringsgroepen namen Belgische clubs over ‘om als interimkantoor deze mensen in de etalage te plaatsen. Zeven clubs in eerste klasse (IA), en nagenoeg alle in tweede (1B) zijn in handen van vaak dubieuze investeerders, van de Russische oligarch Dmitry Rybolovkov tot de Britse gokmiljardair Tony Bloomen of de Turkse leverancier van militaire uitrustingen Oktay Ercan. De rest volgt: Club Brugge verkocht reeds een aandelenpakket aan het Amerikaanse Orkila Capital, en bij KAA Gent wordt gewacht met de verkoopakte tot de supporters bedaard zijn De voorliggende maatregel zal bijgevolg een maat voor niets zijn, die weliswaar tegemoet komt aan de eisen van de Pro League, maar zelfs niet aan de verzuchtingen van de KBVB. Assubel-regeling De Assubel-regeling inzake het aanvullend pensioen werd bedacht door de toenmalige bevoegde minister en tevens supporter van Club Brugge, de heer Jean-Luc Dehaene, en in 1985 ingevoerd om spelers als Jan Ceulemans en Eric Gerets in het land te houden. Met de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, breidde de toenmalige minister van Sociale Zaken de regeling uit naar alle teamsporten. Ook deze regeling werd echter in de voetbalwereld misbruikt. Nagenoeg alle clubs in de Pro League dokter den een inventief systeem uit om eraan te ontsnappen: het zogenaamde “tekengeld”. Bij het ondertekenen van de contracten wordt het loon zo laag mogelijk gehouden en het tekengeld zo hoog mogelijk. Tot 40 % van de inkomsten van de speler wordt op die manier als tekengeld bestempeld. Dit wordt in maandelijkse schijven uitbetaald aan de spelers, maar de clubs moeten daarop geen bijdrage betalen voor het pensioenfonds. Het volstaat ‘om deze frauduleuze praktijken te controleren en het tekengeld aan een pensioenbijdrage te onderwerpen. De spreker verwacht dat de minister een initiatief neemt. De regeling zelf hoeft echter niet afgeschaft te worden. Ze is een financiële springplank gebleken voor sporters ‘om na hun 35ste verjaardag een tweede carrière te starten met behulp van de zelf gespaarde bedragen. Niet alle topsporters kunnen na hun loopbaan immers rentenieren. Dit systeem beschermt de minst verdienende beroepssportlui. De heer Dedecker zal bijgevolg een ‘amendement indienen om artikel 94 van het voorliggende ontwerp van programmawet te schrappen. Makelaarsvergoeding Voetbal is in essentie mensenhandel, aldus de spreker. Makelaars verhandelen spelers per opbod en incasseren in België jaarlijks 40 tot 50 miljoen euro. In 2020 bedroeg hun opbrengst 45,6 miljoen euro. Het bedrag dat de sportieve directeurs van de clubs onder de tafel terugkrijgen wordt daarin nog niet meegerekend. De zaak Veljkovic en de zaak-Henrotay zijn een bewijs voor dergelijke praktijken. De omerta is immers de voertaal in de voetbalwereld. De heer Dedecker vindt het een goede zaak dat de makelaarsvergoeding beperkt wordt, maar heeft zijn twijfels bij de uitvoering van de maatregel. Hij vreest dat de nieuwe regeling een maat voor niets wordt en bitter weinig fiscale inkomsten zal genereren. Ten eerste zullen de spelers de exuberante vergoedingen betalen en deze volledig aftrekken, en de ploegen zullen zich netjes aan de 3 %-regel houden. Ten tweede zijn de meeste spelersmakelaars ook scouts en kunnen ze een scoutingvergoeding uitbetaald krijgen. Valt dit dan ook onder deze wettelijke regeling? Ten derde citeert de spreker een passage uit artikel 5 van het voorliggende ontwerp van programmawet, betreffende de beperking van de sportmakelaarsvergoedingen: “Ongeacht wanneer het contract wordt ondertekend of aangegaan, is het tijdstip van de uitgave dat bepaalt of zij als kosten kunnen worden ingebracht” De heer Dedecker voorspelt contracten van tien jaar, waarbij netjes binnen de 3 % wordt uitbetaald, fiscaal gerecupereerd, om de speler na twee jaar te zien vertrekken en zo de fiscale korting op te strijken, tenzij de minister een bepaling voorziet om dit tegen te gaan. Besluit De voorliggende maatregelen waren nauwelijks het voorwerp van debat door de Kamer. De spreker betreurt dat ze zonder grondig discussie aan het ontwerp van programmawet worden toegevoegd. De voorgestelde RSZ-regeling slaat de bal volledig mis. Het is echter moelljk om op zijn stappen terug te keren na uitspraken over een topvoetballer die op zijn jaarloon van 3,4 miljoen euro evenveel sociale bijdragen betaalt als de poetsvrouw van het voetbalstadion. De spreker herhaalt dat de voorliggende regeling er om budgettaire redenen komt. Er bestaat nochtans een gemakkelijke manier om een gelijkschakeling voor sporters door te voeren. De regering had alle voordelen wat betreft de bedrifsvoorheffing kunnen afschaffen - deze zijn immers onmogelijk te controleren - en had daarnaast kunnen kiezen voor een RSZ-regeling zoals deze geldt voor zelfstandigen of vrije beroepen, die allemaal een bijdrage betalen die berekend wordt op een maximumbedrag van 89 051 euro, ongeacht hun inkomen. De heer Christian Leysen (Open Vld) beschouwt de voorliggende maatregelen als een geheel van logische en nuttige hervormingen die tegemoetkomen aan sociaal economische en maatschappelijke doelstellingen en anomalieën wegwerken. Er is een lange weg te gaan ‘om de bestaande praktijken te corrigeren. De spreker is, verheugd dat de minister deze weg durft op te gaan, ook al kan de hervorming niet van de ene dag op de andere doorgevoerd worden. Zal de minister in de toekomst nog verdere stappen ondernemen? De heer Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen) kondigt aan dat zijn fractie het ontwerp van programmawet zal steunen. De spreker is weliswaar tevreden met deze eerste stap in de goede richting, maar benadrukt dat het werk moet worden voortgezet. Het is immers een kwestie van fiscale rechtvaardigheid, en de huidige situatie is, volstrekt onrechtvaardig. De heer Vanden Burre haalt het voorbeeld aan van de bedrijfsvoorheffing, die thans voor 80 % is vrijgesteld, of van de sociale bijdragen, waarvan de bovengrens thans iets meer dan 2 400 euro bruto per maand bedraagt. In de wetenschap dat bepaalde beroepssporters een loon hebben van soms meer dan 300 000 euro per jaar gaat het hier duidelijk om fiscale cadeaus die tot 90 % van het loon kunnen bedragen, wat volstrekt onrechtvaardig is. De tegenstanders van dit ontwerp wijzen erop dat de Belgische clubs en de Belgische competitie een concurrentienadeel zouden lijden ten opzichte van het buitenland. De heer Vanden Burrre weerlegt dit argument door erop te wijzen dat het klassement thans wordt aangevoerd door Union Saint-Gilloise, wat aantoont dat fiscale cadeaus niet nodig zijn om goed te presteren.

B. Antwoorden van de minister Op de vragen van de heer Van der Donckt geeft de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de traudebestrijding, de volgende antwoorden. De Ministerraad heeft beslist het vrijstellingspercentage van 80 % te verlagen naar 75 %, met het oog op de afgesproken budgettaire doelstelling van 43 miljoen euro, in het kader van de begrotingsopmaak voor 2022. Het voorliggende ontwerp schrapt de machtiging van de Koning, waardoor het vrijstellingspercentage niet langer meer per koninklijk besluit kan worden aangepast De tekst die nu voorligt is een eerste belangrijke stap in het kader van een hervorming van de fiscale voordelen voor sportbeoefenaars en sportclubs. De Ministerraad heeft in eerste instantie een invulling gezocht voor het behalen van de budgettaire doelstelling. De Ministerraad heeft daarnaast ook beslist om tegen de volgende begrotingscontrole een nieuwe maatregel uit te werken die meer beleidssturend zal zijn op het gebied van investeringen in jeugd en infrastructuur. Die uitwerking zal gebeuren in overleg met de betrokken federaties. In ieder geval zullen voetbalclubs onderworpen worden aan controles door de diensten van de minister. De minister verwijst naar antwoorden die hij eerder heeft gegeven in de plenaire vergadering, waarbij hij gewezen heeft op de lopende controles door de BBI. Wanneer de wet bepaalt dat het voordeel op een bepaalde wijze moet worden besteed, zal de administratie op basis van die wet controles kunnen instellen bij de verschillende sportclubs. Wanneer de administratie zou vaststellen dat het voordeel niet besteed is op de wijze zoals de wet voorschrijft, dan zal zij de gegeven steun met interest terugvorderen. De heer Van der Donckt stelt zich vragen over het feit dat een club zelf de makelaarskosten, die ten voordele van de sportbeoefenaar werden gemaakt, ten laste neemt. De minister legt uit dat dat op zich is geen vreemd fenomeen is, want ook in andere gevallen worden door de werkgever kosten ten laste genomen, die eerder uitgaven zijn ten voordele van de werknemer (bijvoorbeeld het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen, de tegemoetkomingen voor gsm, computer, beeldscherm enzovoort). Maar als een werkgever kosten ten laste neemt die eigenlijk ten voordele zijn van de werknemer, dan moet er natuurlijk wel een voordeel van alle aard ingehouden worden in hoofde van de werknemer. De werkgever moet daarop bedrijfsvoorheffing inhouden en dat op de fiche aangeven. Sportclubs vallen onder diezelfde regels. De administratie oefent ter zake controles, uit. En zoals eerder gezegd, voert de BBI-administratie momenteel doorgedreven controles bij sportclubs. Er is, dus niet echt sprake van een fiscaal voordeel. De minister herhaalt dat dit ontwerp niet het eindpunt is. De Ministerraad heeft immers beslist tegen de volgende begrotingscontrole een nieuwe maatregel uit te werken. Op de vraag van de heer Vanbesien in verband met de stijging van de loonmassa van de sporters antwoordt de minister dat hij de intentie heeft deze steunmaatregel voort te hervormen. In elk geval vereist een wijziging van het percentage van 75 % een nieuwe beslissing van de wetgever, aangezien dit percentage bij wet wordt vastgelegd. Juridisch-technisch wordt immers de machtiging aan de Koning geschrapt. Zoals gevraagd door de heer Vermeersch, geeft de minister een algemeen overzicht van de cijfers: sporters: 13 miljoen, expats: 24,5 miljoen, GVV's: 17 miljoen, minnelijke schikking: 25 miljoen, kinderoppas: min 5 miljoen, starters/groeiers: min 3 miljoen, bouwsector: min 9 miljoen, btw gemeubelde logies: 20 miljoen, professionele diesel: 50 miljoen, energie: kostprijs van 156 miljoen in 2022 (voor de totale hervorming, dus zowel het deel energie als het deel financiën). Daarnaast is het inderdaad zo dat twee dossiers uit het voorontwerp zijn gehaald. De minister legt uit dat deze naar een afzonderlijk wetsontwerp werden overgeheveld omdat de Raad van State de spoedeisendheid ervan niet heeft aanvaard, wat niet uitzonderlijk is. Wat de accijnzen op tabak betreft, bevestigt de minister dat er niet wordt voorzien in wijzigingen vanaf 1 januari 2022. Wat de 55 %--grens betreft, antwoordt de minister dat er niets verandert aan de circulaire die bepaalt welke uitgaven in aanmerking komen. Alleen het bestedingspercentage wordt naar 55 % verhoogd. Het is niet altijd zinvol alles in wetgeving te verankeren. Als antwoord op de vraag van de heer Piedboeuf over de opleiding van jongeren bevestigt de minister de aanvankelijke budgettaire ramingen van de begroting wel degelijk werden bijgestuurd. In antwoord op de vraag van de heer Van Hees bevestigt de minister dat de 43 miljoen euro buiten de ‘aangekondigde hervorming van de bestaande vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van de taxshift valt. Dus naast het budget voor die aangekondigde hervorming zal er nog 43 miljoen gehaald worden met de maatregel die vandaag voorligt. De hervorming van de vrijstelling van de bedrijfsvoorhef fing maakt deel uit van het begrotingsakkoord dat binnen de regering werd gesloten en draagt hierdoor bij aan de algemene begroting. De minister verbaast zich dat de heer Van Hees in dit dossier over sporters amper opmerkingen maakt over rechtvaardigheid, terwijl dit argument constant naar voren wordt gebracht als het over bedrijven gaat De heer Dedecker heeft verwezen naar het minimumloon voor niet-EER-spelers. De minister herinnert eraan dat dit in de problematiek van het al dan niet verkrijgen van een arbeidskaart is ingebed. De minister voegt hieraan toe dat dit een bevoegdheid van de gewesten is, en niet van de federale overheid. Het is aan de gewesten om hieraan iets te veranderen. In verband met de pensioenregeling van de sporters herinnert de minister eraan dat de bij dit ontwerp vastgelegde fiscale maatregel enkel volgt wat er op sociaal vlak wordt bepaald. De uitkering bij de definitieve stopzetting van de activiteit als betaalde sportbeoefenaar vanaf de leeftijd van 35 jaar zal op sociaal vlak niet meer mogelijk zijn voor nieuwe contracten, door de maatregel vervat in artikel 94 van dit ontwerp. De minister komt terug op de regels in verband met de makelaars. De bedoeling van de maatregel is onder meer de speler zelf bewust te maken van wat er op zijn conto wordt betaald ten voordele van zijn of haar makelaar. Uit studies blijkt heel duidelijk dat indien de speler zelf bewust is van hoeveel een makelaar verdient voor zijn of haar diensten, of ervoor vraagt, de hoogte van de vergoedingen daalt en meer in verhouding komt te staan met de geleverde prestaties. Als er commissievergoedingen worden verkapt als scoutingvergoedingen, dan zal men moeten aantonen dat het effectief om scoutingopdrachten gaat. Als er sprake is van simulatie kan de administratie de inkomsten en kosten herkwalificeren. De minister voegt hieraan toe dat de grens per jaar wordt berekend. In de wetgeving wordt verwezen naar de gehele duurtijd van de gesloten arbeidsovereenkomst. In de praktijk worden de betalingen aan makelaars vastgelegd in de arbeidsovereenkomst en worden die betalingen gespreid. Mocht een contract een duurtijd van 10 jaar hebben, dan zullen die makelaarsvergoedingen gespreid worden betaald binnen die 10 jaar. Binnen die contracten wordt verder vastgelegd dat wanneer de speler wordt getransfereerd, waarbij dus de lopende arbeidsovereenkomst wordt stopgezet, de vastgelegde commissies niet langer betaalbaar zijn. Volgens de minister rijst in dit verband geen probleem, De heer Dedecker vraagt zich af waarom de RSZ niet voor iedereen zonder plafond zou kunnen worden aangerekend. De minister verwijst naar de minister bevoegd voor Sociale Zaken. In antwoord op de vraag van de heer Leysen of er nog verdere hervormingen op de agenda staan, antwoordt de minister positief: de Ministerraad heeft immers de opdracht gegeven tegen de volgende begrotingscontrole een nieuwe maatregel uit te werken die meer beleidssturend zal zijn op het gebied van investeringen in jeugd en infrastructuur. Hij deelt de mening dat dit inderdaad een eerste stap in de goede richting is.

C. Replieken en aanvullende antwoorden

De heer Wim Van der Donckt (N-VA) vraagt of die bepalingen niet aan de Europese Commissie moeten worden gemeld. De heer Wouter Vermeersch (VB) gaat in op de accijnzen op tabak. De minister heeft bevestigd dat het ontwerp van programmawet geen enkele maatregel ter zake bevat. In concreto betekent zulks dat de bepalingen van de programmawet 2020 van toepassing blijven. Voor de lokale producenten en de in de tabakssector actieve kmo's betekent zulks een rechtstreekse bestraffing, met negatieve gevolgen voor hun concurrentievermogen. Het lid vindt zulks jammer. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) gaat in op de vrijstellingen van de bedrijfsvoorheffing voor sportbeoefenaars. De vermindering van 80 % naar 75 % is zeer beperkt; het id vindt zulks jammer. De heer Jean-Marie Dedecker (ONAFH) bijft erbij dat het de minister aan visie ontbreekt. Het klopt dat bepaalde aspecten door de gewesten en andere door de minister van Sociale Zaken moeten worden geregeld, maar de versnippering tussen departementen en beleidsniveaus, in combinatie met het tussen de partijen bereikte compromis, leidt uiteindelijk tot een resultaat zonder visie en komt de hervorming van de voetbalwereld niet ten goede. Van de uitbetaalde bedragen gaat 60 % naar jonge voetballers die geen onderdaan zijn van een land van de Europese Economische Ruimte. Daar die situatie niet wordt aangepakt, is de maatregel dan ook verspilde moeite. De heer Dedecker deelt de bezorgdheden van de heer Van der Donckt: die maatregel moet aan de Europese Commissie worden gemeld. Inzake de spelersmakelaars wijst de heer Dedecker erop dat artikel 5 van het ontwerp van programmawet voorziet in een berekening per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst. Wie het milieu een beetje kent, weet dat die commissies in werkelijkheid meteen op het volledige contract en niet in jaarlijkse schijven worden betaald. Zullen de commissies dientengevolge in hun geheel worden beschouwd, ongeacht of ze in schijven dan wel in één keer worden betaald? Hoe zal de minister voorkomen dat die wetgeving wordt omzeild? De vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, antwoordt allereerst dat de Ministerraad van oordeel is, dat dit dossier niet aan de Europese Commissie moet Het klopt het dat de bepalingen betreffende de minimumaccijnzen van toepassing blijven. Dat heeft in de Ministerraad geen aanleiding gegeven tot discussie en volgens de minister moet op dat onderwerp niet worden teruggekomen. Vervolgens gaat de minister in op de opmerkingen van de heer Dedecker. Het is juist dat de kosten pas aftrekbaar zullen zijn wanneer ze daadwerkelijk worden betaald, maar dat is inzake de aftrek van lasten en kosten altijd het geval De heer Jean-Marie Dedecker (ONAFH) houdt staande dat de wetgeving makkelijk kan worden omzeild. Hij neemt het voorbeeld van een speler die voor 3 miljoen euro wordt getransfereerd met een arbeidsovereenkomst van 5 jaar; de makelaar zal onmiddellijk de volledige som krijgen. De speler zal een jaar later probleemloos nogmaals kunnen worden getransfereerd, andermaal met een meerjarenovereenkomst. De speler en/of club zal het volledige belastingvoordeel hebben genoten. Dat is de praktijk. ‘De minister preciseert dat naar de gesloten arbeidsovereenkomsten moet worden gekeken. In die overeenkomsten wordt de vergoeding van de makelaar voor de volledige duur van de overeenkomst vastgelegd, evenals de wijze waarop die zal worden uitbetaald. Betaling in jaarlijkse termijnen is een gangbare praktijk. Zelfs indien de betaling in één keer geschiedt, maakt dat niet zoveel uit omdat de bedragen pas aftrekbaar zijn op het tijdstip van betaling. De drie procent wordt berekend over de gehele looptijd van de overeenkomst. Volgens de heer Jean-Marie Dedecker (ONAFH) wordt de vergoeding van de makelaars doorgaans niet in de arbeidsovereenkomst bepaald, maar in een afzonderlijke overeenkomst. Indien de arbeidsovereenkomst voor 5 jaar wordt gesloten, ontvangt de makelaar zijn vergoeding onmiddelijk voor het geheel, wat dus ook geldt voor de fiscale aftrek van de club en/of speler, terwijl de arbeidsovereenkomst misschien na twee jaar zal worden verbroken. Achteraf zal geen afrekening plaatsvinden. Niets zal misbruik kunnen voorkomen, zoals het sluiten van langere overeenkomsten (bijvoorbeeld voor 10 jaar), ‘om de wetgeving te omzeilen. ‘De minister neemt nota van die interessante opmerkingen en zal ze nader bekijken. Hij wijst er echter op dat het ontwerp ook antimisbruikbepalingen bevat die in dit geval van nut kunnen zijn. Afdeling 2 Regeling houdende invoering van een bijzonder ingekomen onderzoekers (art. 13 tot 19) De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat heel wat landen zich aan het voorbereiden zijn op het tijdperk na de invoering van de globale minimumbelasting. Wanneer landen op vlak van vennootschapsbelasting minder elkaar kunnen beconcurreren, zullen ze dat op andere manieren doen: subsidies en arbeidskosten zijn twee belangrijke alternatieven om buitenlandse investeringen aan te trekken. Een concurrentiële expatregeling is een zeer belangrijk element inzake de arbeidskosten. Heel wat Europese landen hebben een specifieke fiscale regeling voor expats: Frankrijk, Nederland, Luxemburg, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland, Italië, Spanje en Portugal. Hij benadrukt hierbij dat Spanje afgelopen vrijdag een nieuwe fiscale regeling heeft aangekondigd die bijzonder aantrekkelijk is om expats naar Spanje te lokken. De expatregeling wordt tot op heden geregeld via een circulaire van 8 augustus 1983. Die wordt vervangen door deze nieuwe afdeling. Op zich is het goed dat een wettelijke basis wordt gegeven aan een expatregime. Het is ook goed dat men de nieuwe regeling afstemt op de wetgeving van de buurlanden. Alleen moet men dan wel een goede kopie maken en daar loopt het mis. De spreker kan alleen maar vaststellen dat het nieuwe stelsel bijna op alle punten net iets minder is dan de Nederlandse expatregeling. Bovendien zijn heel wat expatcontracten op nettobasis. Bij grote ondernemingen zijn de budgetten voor 2022 al vastgelegd. De inkanteling van de huidige expats die onder de circulaire vallen naar de nieuwe wettelijke regeling zal financiële gevolgen hebben. De aanpassing van de budgetten van 2022 bij multinationale ondernemingen gaat in heel wat hoofdkwartieren tot gemor leiden. Vervolgens maakt de spreker een vergelijking tussen wat voorligt en de Nederlandse expatregeling: 1) De Nederlandse vrijstelling van 30 % wordt berekend op de loonkosten inclusief de vrijgestelde onkostenvergoeding. De Belgische vrijstelling is 30 % van het brutoloon wat neerkomt op een vrijstelling van 23 % van de loonkosten inclusief de vrijgestelde onkostenvergoeding. Een expat met een brutobezoldiging van 100 000 euro krijgt ter waarde van 30 % een vrijgestelde onkostenvergoeding van 30 000 euro op een totaal loonpakket ten belope van 130 000 euro. Het vrijgestelde gedeelte bedraagt 30 000 euro/130 000 euro = 23 %. In Nederland is het vrijgesteld gedeelte 130 000 euro x 30 % = 39 000 euro. 2) De drempel van het minimumsalaris in Nederland bedraagt na toepassing van de 30 % vrijstelling 38 961 euro in 2021. De werknemers onder de 30 jaar met een masterdiploma moeten een minimum belastbaar inkomen hebben van 29 616 euro. België legt een minimumbezoldiging op van 75 000 euro met uitzondering voor onderzoekers. De uitzondering op het minimum belastbaar inkomen kent Nederland ook voor R&D-medewerkers. Een in België tewerkgestelde expat die de volledige vrijgestelde onkostenvergoeding geniet zal vanaf vol gend jaar brutoloonkosten van 97 500 euro hebben (75 000 euro + 22 500 euro (30 % van 75 000)). Verdient een expat bijvoorbeeld 80 000 euro, dan zal slechts 5 000 euro kunnen worden vrijgesteld op basis van het voorgestelde nieuwe regime. Inzake de huidige drempel, merkt de spreker op dat er geen drempel is opgenomen in de circulaire (geen minimale bezoldigingsgrens maar wel vereisten inzake beroepsloopbaan en de kwalificaties van de belasting plichtige) maar wel een minimumloongrens ten belope van 43 524 euro in 2021 en ten belope van 45 096 euro in 2022 voor een werkvergunning. Dit betreft het bedrag dat geldig is in het Vlaams Gewest (gewestbevoegdheid). Nederland maakt eveneens gebruik van een fictieve minimumbezoldiging indien de betrokken werknemer over een hoog opleidingsniveau beschikt. Alleen zal het bedrag in België bijna het dubbele zijn (75 000 euro, vergeleken met 38 961 euro). 3) Nederland kent geen plafond op de onkostenvergoeding. De Belgische regeling legt een plafond van 90 000 euro op. 4) De 150 kilometergrens is dezelfde. Maar voor Nederland geldt dat de expat niet binnen de 24 maanden binnen een afstand van 150 kilometer van Nederland woonde. België legt een periode van 60 maanden op. 5) De Nederlandse regeling geldt maximum 5 jaar sinds 2019. Op dit punt doet de nieuwe Belgische regeling het iets beter, met name maximum 5 jaar eenmalig, verlengbaar met 3 jaar. 6) Nederland heeft de optie voor een gedeeltelijke belastingplicht voor expats. De nieuwe wettelijke regeling beoogt om in regel een expat aan te merken als rijksinwoner waardoor hij op zijn wereldwijd inkomen, inclusief zijn privéinkomen in België zal worden belast. Hij wordt dus geconfronteerd met een roerende voorheffing van 30 %, Kaalmantaks, effectentaks, extraterrtoriale werking van de beurstaks, verzekeringstaksen op buitenlandse verzekeringsproducten, de toekenning van een Belgisch kadastraal inkomen aan zijn in het buitenland gelegen onroerende goederen, enzovoort. 7) Nederland kent lagere socialezekerheidskosten met een maximumpremie en een lagere personenbelasting. België heeft hoge socialezekerheidskosten en een hoge personenbelasting. De belastinghervorming moet soelaas brengen maar die is er niet. In de memorie van toelichting (DOC 55 2349/01, biz. 27) leest de spreker dat verschillende betrokken partijen die werden geraadpleegd naar aanleiding van het opstellen van dit wetsontwerp, grote voorstander zijn van meer controles van de dossiers van ingekomen belastingplichtigen. Zijn de geraadpleegde betrokken partijen ook voorstander van het magere bijzonder belastingstelsel in vergelijking met Nederland? In de memorie van toelichting (DOC 55 2349/001, blz. 12) wordt nochtans het belang van een aantrekkelijk wettelijk stelsel voor buitenlandse investeerders benadrukt. In de memorie van toelichting (DOC 55 2349, blz. 37) wordt aangegeven dat de huidige circulaire nog 2 jaar mag worden toegepast voor wie niet kiest voor de wettelijke regeling. Deze overgangsperiode zal door veel bedrijven gebruikt worden om hun positie te heroriënteren. Heel wat huidige expats vallen met de nieuwe wettelijke regeling uit de boot. In een brief verwijst het VBO dat 60 % van de huidige expats niet onder het nieuwe stelsel zullen vallen: 1) De expats met veel reisonkosten vallen nu terug op een maximum van 90 000 euro. 2) Onder de circulaire van 1983 kon een expat de facto tot 20 jaar van het expatregime genieten. Wie langer dan 5 jaar in het stelsel zit, valt buiten de wettelijke regeling. 3) De expats met een lager inkomen dan 75 000 euro, andere dan R&D-werknemers. Het gaat om jonge mensen en een aanzienlijke groep van IT-werknemers. Vergeet niet dat de hoogte van de bezoldiging moet bepaald worden op het tijdstip van aanwerving en niet nu. 4) De voorwaarde dat een expat gedurende 60 maanden voor de indiensttreding niet binnen een straal van 150 kilometer van de Belgische grens woonde noch Belgische beroepsinkomsten genoot, is ook van toepassing voor de huidige expats. Heel wat Nederlandse, Duitse en Franse en Britse expats worden daardoor van de nieuwe regeling uitgesloten. 5) De voorwaarde dat een expat gedurende 60 maanden voor de indiensttreding geen beroepsinkomsten heeft genoten die in België belastbaar waren, heeft tot gevolg dat een doctorandus die expat wordt, niet in België onder het expatregime kan worden aangeworven. Het Rekenhof kwam in 2003 tot de bevinding dat de globale omvang van het verleende fiscaal voordeel kan worden geraamd op 1,14 miljard euro. Voor het aanslag jaar 2000 waren in België 17 683 erkende buitenlandse kaderleden werkzaam. Het Rekenhof benadrukt dat “de redenering hier niet mag worden omgedraaid. Een radi cale afschaffing van het stelsel zal met andere woorden niet leiden tot een bijkomende fiscale ontvangst van die 1,14 miljard euro” Vervolgens haakt de spreker in op de budgettaire implicaties. De spreker citeert hierbij een passage uit de memorie van toelichting (DOC 55 2349/001, blz. 14) “Deze afdeling beoogt eveneens een budgettair doel en streeft emaar de derving van belastinginkomsten die voor de Belgische Staat voortvloeit uit de in het kader van het oude stelsel verleende voordelen, te verminderen.” De nieuwe wetgeving steunt op de resultaten van een impactstudie uitgevoerd door de FOD Financiën. De spreker is echter wel benieuwd naar die studie. Wat is de budgettaire enveloppe die de regering voor het bijzonder belastingstelsel wil behouden? Volgens het Rekenhof heeft de maatregel een impact van 55,86 miljoen euro in de personenbelasting in 2022. De budgettaire impact zal zich volgens de spreker wellicht vanaf 2024 laten voelen. Maar zoals het Rekenhof al schreef, minder expats betekent niet noodzakelijk meer opbrengsten. Een aantal positieve en negatieve factoren spelen mee: - Er wordt geen rekening gehouden met terugverdieneffecten door de heffing van personenbelasting op het privéinkomen van een expat; - Netto-contracten worden veel duurder; - Wie vertrekt, komt niet terug. Het gaat om mobiele werknemers zonder kerktorenmentaliteit; - Expats consumeren (btw en accijnsinkomsten), huren, betalen verzekeringen en taksen, taksen op auto, enzovoort, - Partners werken dikwijls ook; - De coronapandemie heeft aangetoond dat de fysieke aanwezigheid minder vereist is. Expats zijn beter af in Nederland en kunnen enkele dagen over en weer rijden. Belgische projecten outsourcen naar Nederland ligt dan ook voor de hand. Nog een aantal praktische zaken: De fiscale controles zijn momenteel geconcentreerd in één cel. De werkgevers zullen jaarlijks een nominatieve list aan de fiscus moeten bezorgen van de loontrekkers, en bedrijfsleiders die het BBIB hebben genoten gedurende het vorige jaar (DOC 55 2349/001, blz. 21). Als, de expats rijksinwoner worden, zullen zij door de lokale controlediensten worden gecontroleerd? Zullen zij het nieuwe regime voldoende kennen en op dezelfde wijze toepassen in heel het land? ‘Onder de circulaire kon men gemakkelijk het nettoloon bepalen. De schalen in de bedrijfsvoorheffing sluiten niet perfect aan bij het netto-inkomen. Een expat die één jaar onder de drempel van 75 000 euro valt, is definitief het voordeel kwijt voor de jaren die nog resten. De vraag rijst of dit kan geregulariseerd worden, rekening houdend met de vorige opmerking en het feit dat het dikwijls om nettocontracten gaat? Is het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers (BBIO) gekoppeld aan de vrijstelling voor de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling? Het ontworpen art. 32/2, $ 2, 1° WIB92 (artikel 14 van het voorliggende wetsontwerp) stelt immers als voorwaarde dat de onderzoeker onderzoeksactiviteiten verricht binnen een laboratorium dat, of een onderneming, die één of meer programma’s inzake onderzoek en ontwikkeling voert. In de beleidsnota wordt aangekondigd dat de minister in 2022 de rechtszekerheid, het oneigenlijk gebruik en de excessen wil aanpakken in de vrijstelling van doorstorting voor onderzoek en ontwikkeling. Als er een koppeling is tussen BBIO en artikel 275/4 WIB92 heeft een verstrenging van deze laatste maatregel impact op de mogelijkheid om BBIO toe te passen. Kunnen ingekomen onderzoekers onder het bijzonder belastingstelsel werken als zij uitsluitend of hoofdzakelijk onderzoeksactiviteiten verrichten voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten? Het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers vermeldt enkel activiteiten binnen programma's en niet projecten. Kunnen de werkgevers en werknemers erop aan dat de RSZ eenzelfde standpunt zal innemen en geen RSZ zullen heffen op de kosten eigen aan de werkgever? Dit is voor de spreker essentieel. Het is onduidelijk of een expat bij een volgende Belgische werkgever, buiten een multinationale groep, binnen de periode van 8 jaar gebruik kan maken van de wettelijke regeling. De voorgestelde paragraaf 9 stelt dat de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen. In de voorgestelde $ 2, 1° staat uitdrukkelijk te lezen dat “de werknemer of bedrijfsleider rechtstreeks wordt aangeworven in het buitenland door een binnenlandse vennootschap”. Deze expat zal in regel echter in België wonen bij verderzetting van het stelsel bij een volgende Belgische werkgever. De aanvraag om te genieten van het BBIB-stelsel moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. Op deze wijze is het onmogelijk om voor de indiensttreding al zekerheid te krijgen. Waarom kan de aanvraag niet worden ingediend na het ondertekenen van de overeenkomst? Als de belastingplichtige werknemer of bedrijfsleider dan enkele maanden later in dienst treedt, heeft normaal de administratie beslist of het stelsel kan worden toegepast. Als de aanvraag al kan worden ingediend na ondertekening van de overeenkomst, kan zij onder opschortende voorwaarde van een positieve beslissing vanwege de administratie worden afgerond. Eén van de pijnpunten in het verslag van het Rekenhof in 2003 is dat de cel slechts vij taxatieambtenaren en drie administratieve krachten omvat. Hoeveel extra mensen worden ingezet om in de overgangsfase zowel de oude als nieuwe dossiers te behandelen? Zij gaan immers binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag alle overgangsdossiers moeten behandelen. De artikelen 13 tot 16 voegen nieuwe artikelen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 toe.

Artikel 17 regelt de inwerkingtreding. De artikelen 18 en 19 voorzien in een overgangsregeling die plompverloren blif staan in de programmawet terwijl de artikelen 13 en 16 in het WIB92 hun plaats krijgen. Ware het niet beter om de artikelen 18 en 19 op te nemen onder titel X overgangsbepalingen in het WIB 92? ‘Tot slot benadrukt de spreker dat er heel wat aan te merken valt op de voorgestelde regeling. Zijn fractie is, niet tegen het principe dat er een wettelijke verankering wordt gecreëerd voor het expatregime. Dat versterkt de rechtszekerheid waar alle internationale bedrijven in België alsook haar inwoners nood aan hebben. Desalniettemin slaagt deze regering er niet om de andere doelstellingen te realiseren met deze regeling. Hij meent dat deze regeling noch de budgettaire doelstelling zal halen noch, het gunstige investeringsklimaat zal creëren waardoor de concurrentiepositie van België zal verzwakt worden. De heer Wouter Vermeersch (VB) stipt aan dat deze nieuwe expatregeling moet resulteren in een budgettaire opbrengst van 24,5 miljoen euro. Het voorliggende wetsontwerp beoogt de omzetting van een circulaire in permanente wetgeving. Dat is een goede zaak waardoor een administratieve regeling vervangen wordt door een wettelijke regeling. De spreker plaatst echter voorbehoud bij deze expatregeling. Hij twijfelt eraan of deze nieuwe regeling de competitiviteit van België zal versterken. Hij uit hieromtrent zijn bezorgdheid. Daarnaast heeft de spreker nog een vraag betreffende de nieuwe expatregeling. De spreker merkt op dat erin essentie onder bepaalde voorwaarden dus kosten eigen aan de werkgever worden erkend ter compensatie van bepaalde kosten die verbonden zijn aan de tewerkstel ling in België. De Raad van State werpt echter op dat dit eventueel bij de Europese Commissie moet worden aangemeld als staatssteun. Is dit effectief gebeurd? Wat is de stand van zaken? Indien niet, waarop baseert deze regering zich dan om deze aanmelding niette doen? Wat is het mogelijke gevolg indien de Europese Commissie bij een eventuele aanmelding deze maatregel niet zal aanvaarden wegens het feit dat het als staatssteun zou worden aangemerkt? De heer Benoît Piedboeu (MR) merkt op dat er binnen deze nieuwe expatregeling niets is bepaald inzake de RSZ-behandeling van de lonen. Hierdoor ontstaat het risico dat Nederland als buurland een competitief voordeel zal hebben ten aanzien van België. Hoe schat de vice-eersteminister dit risico in? Daarnaast verwijst de spreker naar de voorwaarde dat een expat gedurende 60 maanden voor de indiensttreding niet binnen een straal van 150 kilometer van de Belgische grens woonde noch Belgische beroepsinkomsten genoot. Is deze voorwaarde een harde grens of is er ruimte om naargelang de casus te differentiëren? De heer Steven Mathei (CD&V) stipt aan dat er in heel wat EU-lidstaten een specifiek wettelijk stelsel bestaat dat erop gericht is om gekwalificeerd personeel aan te trekken. Het is belangrijk dat ook België thans beschikt over een modern wettelijk stelsel ter zake. Het huidige systeem is administratief zwaar en is gebaseerd op een circulaire die bijna 40 jaar oud is. Het nieuwe systeem brengt daarin verandering en heeft een aantal belangrijke voordelen. In de eerste plaats wordt er meer rechtszekerheid gecreëerd door de ontwikkeling van een wettelijke grondslag. Daarnaast zullen er minder administratieve lasten en kosten zijn. ‘Tot slot zal de nieuwe regeling ervoor zorgen dat een dubbele niet-belasting wordt uitgesloten. Hierdoor wordt het systeem meer fiscaal rechtvaardig. Het nieuwe systeem hanteert een competitief en realistisch kader. Daarenboven krijgen door deze nieuwe regeling onderzoekers de mogelijkheid om toegelaten te worden onder bepaalde voorwaarden binnen dit expatregime. Dit zal België toelaten om meer onderzoekers aan te trekken. Dit sluit aan bij de ambities van de federale en Vlaamse regering om meer in te zetten om innovatie en onderzoek. De koppositie van Vlaanderen en België in Europa op het gebied van innovatie kan versterkt en bestendigd worden. Vervolgens heeft de spreker een aantal vragen. In de nieuwe regeling wordt kleuteronderwijs wel beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Dat is een belangrijke uitbreiding. Wat verstaat men juist onder de term kleuteronderwijs? Kunnen enkel de onderwijskosten gemaakt voor de 290 halve lesdagen worden beschouwd als kosten eigen aan de werkgever of kunnen de kosten van het gehele schooljaar in rekening worden gebracht? Kunnen de kosten van kinderen die jonger zijn dan 5 jaar maar wel kleuteronderwijs genieten ook of niet beschouwd worden als kosten eigen aan de werkgever? ‘Thans zijn er 25 000 kaderleden die ressorteren onder de expatregeling. Hoe zullen deze mensen geïnformeerd worden over de nieuwe regeling? Waarom kiest de viceeersteminister voor een overgangsregeling van twee jaar en niet voor een periode van een jaar? ‘Tot slot merkt de spreker op dat er binnen de FOD Financiën een aparte cel bestond die de fiscale controles betreffende de expatregeling uitvoerde. Hoe zal de kennisoverdracht thans gebeuren van de nieuwe regeling binnen de verschillende diensten van de FOD Financiën teneinde de goede werking van de controles, te verzekeren? ‘De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stipt aan dat die stelsels bedoeld zijn om fiscale voordelen toe te kennen en aldus gekwalificeerd personeel uit het buitenland naar België te lokken. Het opnemen van die nieuwe stelsels in het WIB 92 valt samen met de afschaffing van het bijzonder stelsel van buitenlandse kaderleden en vorsers dat werd geregeld door de rondzendbrief nr. Ci.RH.624/325 294 van 8 augustus 1983. De vice-eersteminister heeft aangegeven dat de nieuwe stelsels bedoeld zijn “om in de plaats te komen van het oude stelsel, dat op diverse punten aanvechtbaar is”. In het oude stelsel worden de fiscale voordelen toegekend zolang de belastingplichtige de kern van zijn vermogens- en persoonlijke belangen in zijn land van herkomst behoudt. Of aan die voorwaarde is voldaan wordt slechts één keer gecontroleerd, namelijk op het ogenblik dat de belastingplichtige in dienst treedt (DOC 55 2349/01, blz. 2). Zodra het statuut is toegekend, blijft het van toepassing zolang de banden met het land van herkomst sterker zijn dan die met België. Er zou moeten worden nagegaan of nog steeds aan die voorwaarde is voldaan. Op bladzijde 27 van het parlementair stuk (DoC 55 2349/01, blz. 27) geeft de vice-eersteminister toe dat, wegens een gebrek aan personeel, tijd en expertise, slechts weinig controles worden uitgevoerd en dat, in de praktijk, het oude stelsel effectief aanleiding kan geven tot misbruik. De invoering van het nieuwe stelsel beoogt tevens misbruik tegen te gaan. In de nieuwe stelsels voorziet de vice-eersteminister in een maximale termijn van 5 jaar, die met 3 jaar kan worden verlengd De vice-eersteminister erkent echter ook dat, ondanks de invoering van deze beperking in de tijd, de verschil lende betrokken partijen die in het kader van de totstand koming van het wetsontwerp werden geraadpleegd grote voorstander zijn van meer controles van de dossiers van ingekomen belastingplichtigen (DOC 55 2349/01, biz. 27). Hoe zal de vice-eersteminister ervoor zorgen dat er meer controles komen als hij niet in meer controlerende ambtenaren voorziet? Men kan aannemen dat in de nieuwe stelsels krijtlijnen werden opgenomen om misbruik te voorkomen, maar die kleine vooruitgang is erg gering, terwijl het stelsel eenvoudigweg zou moeten worden afgeschaft omdat het aanleiding geeft tot belastingconcurrentie tussen de Staten. Alle Staten voeren hetzelfde beleid; uiteindelijk heffen die beleidsmaatregelen elkaar op, met in alle landen gederfde belastinginkomsten tot gevolg. ‘Terwijl België geschoolde arbeidskrachten uit andere landen probeert aan te trekken, voeren de andere landen belastingvoordelen in om de geschoolde arbeidskrachten uit België aan te trekken. Uiteindelijk weet elk land geschoolde arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, terwijl de eigen geschoolde arbeidskrachten naar andere landen trekken. En alle landen lopen belastinginkomsten mis. De heer Christian Leysen (Open Vld) begrijpt dat de onderzoekers die in aanmerking willen komen voor het expatregime over een bepaald diploma en dus kwali ficaties moeten beschikken. Hij begrijpt de logica die daarachter schuilgaat. Thans heeft de wetgever een beperkte lijst opgemaakt waardoor het risico bestaat dat bepaalde personen uit nieuwe onderzoeksdomeinen uit de boot vallen. Waarom heeft de vice-eersteminister voor een dergelijke lijst geopteerd?

B. Antwoorden van de vice-eersteminister stipt vooreerst aan dat het belangrijk is om in herinnering te brengen dat het bestaande regime in België reeds meer dan 30 jaar wordt toegepast zonder enige wettelijke grondslag. Nochtans bepaalt artikel 172 van de Grondwet dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet. Het voorliggende ontwerp zorgt voor het eerst in al die jaren eindelijk voor een wettelijke grondslag, en zorgt meteen ook voor de nodige rechtszekerheid waarnaar het bedrijfsleven reeds lange tijd verlangt. In het kader van de uitwerking van het voorliggende wetsontwerp is een rechtsvergelijkende studie gemaakt van de bestaande systemen van de ons omringende landen. Op basis van die studie zijn keuzes gemaakt en de meeste daarvan werden ook afgetoetst met stakeholders actief in het veld. Daarbij was het niet de bedoeling om enig bestaand buitenlands bijzonder regime te kopiêren, gelet op het zeer specifieke bestaande bijzondere regime in ons land. Een vergelijking maken tussen het Nederlandse systeem en het Belgische is dan ook zeer moelijk. De vice-eersteminister merkt tevens op dat verschillende betrokken partijen uit het veld gecontacteerd werden. Hun mening werd naar waarde geschat en was nuttig voor de praktische uitwerking van het voorliggende wetsontwerp. Met betrekking tot de overgangsregeling, stipt de viceeersteminister aan dat welke lijn ook wordt getrokken, de ene werknemer altijd in het systeem zal vallen en de andere werknemer niet. Het bestaande regime zonder wettelijke grondslag heeft een zeer brede werking door de vaagheid ervan. Het was hoog tijd om duidelijkheid te brengen en voor rechtszekerheid te zorgen, wat uiteindelijk in eenieders belang is. Van de gelegenheid wil de vice-eersteminister ook gebruik maken om erop te wijzen dat een te soepel systeem zorgt voor rechtstreekse oneerlijke concurrentie voor de Belgische werknemers die op de Belgische markt een job zoeken. Inzake de budgettaire doelstelling, merkt de viceeersteminister op dat de studie van de FOD Financiën gebaseerd is op een aantal simulaties die werden gedaan op basis van al de beschikbare gegevens die bij de FOD Financiën beschikbaar zijn van de personen die momenteel van het bestaande regime kunnen genieten. De schatting werd gemaakt op basis van alle beschikbare gegevens die er waren. De fiscale controle zal gebeuren door de door de FOD Financiën aangewezen dienst die het best geplaatst is, ‘om deze controle uit te voeren. Het voordeel van de nieuwe regeling is dat ze veel eenvoudiger zal zijn dan de bestaande administratieve regeling. Bij het vallen onder de drempel van 75 000 euro waarin de wet voorziet in het geval van onderbreking van de werkzaamheden wordt een pro rata-berekening gedaan voor het respecteren van deze drempel. Dat in andere omstandigheden het loon onder de 75 000 euro zou vallen, zal zijn oorzaak vinden in het arbeidscontract dat gewijzigd zou worden tussen belastingplichtige en diens werknemer en zou uitzonderlijk moeten zijn. Met betrekking tot de combinatie van de regeling betreffende de bedrijfsvoorheffing in het kader van Onderzoek en Ontwikkeling en de maatregel inkomende onderzoekers, wijst de vice-eersteminister erop dat op dit moment de ene regeling de andere regeling niet uitsluit indien aan alle wettelijke voorwaarden voldaan is. Inzake de standpuntbepaling van de RSZ, merkt de vice-eersteminister op dat de behandeling inzake RSZ niet onder zijn bevoegdheid valt en daar kan de viceeersteminister dus ook geen uitspraken over doen. Vervolgens stipt de vice-eersteminister aan dat de aanvraag kan worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtigen. Betreffende de mogelijke aanwerving van extra personeel om de dossiers te behandelen, merkt de viceeersteminister op dat op dit moment de dienst die de dossiers onder het oude systeem behandelde de nieuwe dossiers zal behandelen. Of de noodzaak voor extra mensen er zal zijn, dient nog bekeken te worden. Met betrekking tot de vragen over de competitiviteit, geeft de vice-eersteminister aan dat het voor zich spreekt dat de regering met de regeling ernaar streeft om een competitieve regeling te verkrijgen. Vandaar dat de regering zich ook gebaseerd heeft op een studie van de stelsels in de ons omringende landen. De regering is van mening dat de voorliggende regeling hieraan zeker voldoet. Inzake de aanmelding van de nieuwe regelgeving bij de Europese Commissie, merkt de vice-eersteminister op dat de Raad van State inderdaad de bemerking heeft gemaakt met betrekking tot de staatssteunproblematiek. ‘Aan de opmerkingen van de Raad van State werd gevolg gegeven door de toepassing van de bijzondere belastingregeling voor ingekomen belastingplichtigen uit te breiden tot alle ondernemingen en niet uitstuitend tot ondernemingen die behoren tot een multinationale groep. Zoals ook toegelicht in de memorie van toelichting (DOC 55 2349/001, blz. 24) wijst de vice-eersteminister erop dat de regeling kadert in een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever ten belope van maximaal 30 % bovenop het brutoloon waarbij deze terugbetaalde kosten worden beperkt tot 90 000 euro. In Nederland is er een vergelijkbare, maar niet identieke regeling en ook daar werd destijds een opmerking gemaakt met betrekking tot de staatssteunproblematiek. Zoals ook vermeld in de memorie van toelichting (DOC 55 2349/001, blz. 24), heeft de advocaat-generaal voor de Nederlandse Hoge Raad in de zaak Sopora de stelling op basis van een aantal standaardsituaties verdedigd dat de Nederlandse 30 %-regel geen aanleiding gaf tot een duidelijke en systematische overcompensatie. In de regeling die hier wordt voorgesteld, wordt ook uitgegaan van een percentage van 30 %. Bovendien geldt er, anders dan in de Nederlandse regeling, een maximumbedrag van 90 000 euro. Ook hier mag men er dus vanuit gaan dat er geen duidelijke en systematische overcompensatie is. Bijgevolg is de vice-eersteminister van mening dat een aanmelding niet nodig is. Het ontworpen expatregime is zoals gezegd opgebouwd rekening houdend met de stelsels in de ons omringende landen. Een van de parameters die de regering met het oog daarop in aanmerking heeft genomen is inderdaad een grens van 150 km die ook bij de buurlanden bestaat. Een grens zorgt altijd voor een groep die erin valt en een groep die eruit valt. Op dit moment is de grens definitief. Betreffende de opmerkingen aangaande de precieze definiëring van de term kleuteronderwijs, stipt de viceeersteminister aan dat de vermelde leerplichtige leeftijd enkel verwijst naar de leeftijd die het kind moet hebben. ‘Ter verduidelijking van het begrip leerplichtige leeftijd: voor de minderjarige is er leerplicht gedurende de periode van dertien jaar die aanvangt met het schooljaar dat begint in het jaar waarin hij de leeftijd van vijf jaar bereikt en eindigt op het einde van het schooljaar in het jaar tijdens hetwelk hij achttien jaar wordt (art. 1, 5 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht). Het feit dat een vijfjarige kleuter halve dagen of volledige dagen onderwijs volgt heeft geen invloed voor de toepassing van het BBIB, aangezien het de leeftijd van het kind is die van belang is. Met betrekking tot de informatieverstrekking, merkt de vice-eersteminister op dat de gebruikelijke wettelijke publicaties van de nieuwe regelgevingen zullen gebeuren. De toepassing van het nieuwe BBIB voorziet bovendien in een medewerking van de werkgever bij de erkenning van de toepassing van het nieuwe regime. Op deze wijze is tevens verzekerd dat al de personen die van de huidige expatregeling gebruikmaken minstens via hun werkgever geïnformeerd zullen zijn. Betreffende de overgangsperiode van twee jaar, stipt de vice-eersteminister aan dat deze periode werd gekozen op basis van een inschatting van praktische haalbaarheid. Het is zijn vaste beleidslijn om steeds in voldoende lange overgangsperiodes te voorzien. Het is hierbij niet mogelijk en wenselijk om van de één op de andere dag werknemers voor voldongen feiten te plaatsen wanneer ze niet langer in aanmerking komen voor het nieuwe regime. Een overgangsperiode van twee jaar wordt hiervoor als een realistische overgangsperiode gezien om onder meer de continuïteit van de ondernemingen te verzekeren. Daarnaast geeft de vice-eersteminister aan dat kennisoverdracht binnen de verschillende diensten van de FOD Financiën gebeurt via de gebruikelijke weg. Zoals hiervoor ook al gezegd, is de nieuwe regeling trouwens een veel eenvoudigere regeling dan de huidige regeling. Met betrekking tot de opmerkingen van de heer Van Hees, merkt de vice-eersteminister op dat de dienst bevoegd voor het oude systeem van de buitenlandse kaderleden zal instaan voor de implementatie en toepassing van het nieuwe systeem. Bij de redactie van deze wet werd bewust rekening gehouden met de befaamde “race to the bottom”. Aangezien deze altijd eindigt op de bodem werden grenzen in de wet ingebouwd zoals de beperking van het voordeel tot 90 000 euro. In het kader van opmerkingen van de heer Leysen, merkt de vice-eersteminister op dat het voor zich spreekt dat wanneer wijzigingen zich opdringen hiermee rekening moet worden gehouden. De bepaling in de wet werd bewust breed omschreven zodat een zekere flexibiliteit mogelijk is. De studiegebieden die werden opgenomen zijn deze van de exacte of toegepaste wetenschappen, de burgerlijke ingenieurswetenschappen, de medische wetenschappen, de dierengeneeskunde, de farmaceutische wetenschappen, de architectuurwetenschappen of de landbouwwetenschappen. Onder deze terminologie kunnen vele onderzoeksgebieden vallen. Bij wijze van voorbeeld werd een opsomming gemaakt in de memorie van toelichting (DOC 55 2349/001, biz. 31). Desalniettemin werd een beperkte lijst opgenomen in de wet om van deze categorie geen terugvalcategorie te maken voor zij die niet onder de voorwaarden van de ingekomen belastingplichtigen vallen.

C. Replieken van de leden

De heer Joy Donné (N-VA) wenst op één specifiek punt terug te komen, met name op zijn vraag betref fende de garantie die er zou zijn dat de RSZ hetzelfde standpunt zou innemen en geen sociale bijdragen zou heffen op de kosten eigen aan de werkgever. De viceeersteminister heeft hierop aangegeven dat de RSZ niet tot zijn bevoegdheidsdomein behoort. De spreker vindt dit een vreemd antwoord aangezien het voor de betrokken werknemer geen verschil uitmaakt of het antwoord op deze vraag wordt verstrekt door de minister van Financiën of de minister van Sociale Zaken. In het belang van de rechtszekerheid van de betrokken werknemer meent de spreker dat het belangrijk is dat dit element wordt uitgeklaard. Daarnaast heeft de spreker vernomen dat de viceeersteminister overleg heeft gepleegd met de betrokken sector. De spreker stelt vast dat de vice-eersteminister slechts gedeeltelijk heeft geluisterd want de betrokken sector blijft thans toch achter met heel wat vragen en bezorgdheden. Daarnaast zijn er ook vragen bij de budgettaire opbrengst. Om deze redenen meent de spreker dan ook dat het raadzaam is dat de vice-eersteminister terugkeert naar de tekentafel om een nieuw voorstel uit te werken dat beter beantwoordt aan de wensen voor de versterking van de competitiviteit van België en de budgettaire ambities, Afdeling 3 Hervorming zorgvastgoed GVV's (art. 20 tot 22) De heer Joy Donné (N-VA) herinnert eraan dat dat vorige minister van Financiën in december 2016 het onroerendevoorheffingstarief ten gunste van de gereglementeerde vastgoedvennootschappen die in zorgvastgoed investeren, naar 15 % had teruggebracht. De minister had die maatregel verantwoord met het argument dat een hoger tarief een weerslag zou kunnen hebben op de factuur van de woonzorgcentrumbewoners De huidige minister rekent op 17 miljoen euro aan ontvangsten. Vreest hij niet dat dit bedrag, net zoals in het verleden, alsnog zal worden doorgerekend in de factuur van de woonzorgcentrumbewoners? De heer Wouter Vermeersch (VB) is van mening dat de in deze afdeling voorgestelde maatregelen neerkomen op een zoveelste belastingverhoging. Welke fiscale doelstelling inzake fiscaliteit wil de regering tegen het einde van haar regeerperiode halen? Is het haar bedoeling de fiscale druk te verhogen? De heer Vermeersch verwijst naar het in december 2021 gepubliceerde OESO-rapport over de vermogensbelasting op wereldschaal. Daaruit blijkt dat de vermogensbelasting in België in minder dan 10 jaar tijd met ruim 5 miljard euro is gestegen. De vermogensbelasting brengt België ongeveer 16 miljard euro per jaar op, wat van ons land het derde meest belaste land van Europa maakt. Het lijkt erop dat de regering in het kader van de fiscale hervorming nog verder wil gaan. Uiteindelijk zal België het land met de hoogste vermogensbelasting in Europa worden. Wat beoogt de regering op fiscaal vlak te berei ken tegen 2024? Een belastingverschuiving of een belastingvermindering? De maatregelen die in het voorliggende ontwerp worden voorgesteld, zullen in 2024 uiteindelijk alleen maar tot een belastingverhoging leiden. De heer Vermeersch vraagt tot slot aan de minister ‘om hem mee te delen welk bedrag aan budgettaire ont vangsten hij via deze maatregel hoopt binnen te rijven. De heer Benoît Piedboeuf (MR) vraagt of wel degelijk rekening zal worden gehouden met de situatie op 31 december 2021 voor de vermindering van de roerende voorheffing op de dividenden, aangezien voor de vastgoedvennootschappen in geen enkele overgangsperiode is voorzien. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTP) betreurt het dat zij die het niet echt nodig hebben, zich van absurde fiscale niches kunnen bedienen. Er bestaat momenteel een verminderd roerendevoorheffingstarief van 15 % op de dividenden die worden uitgekeerd door de gereglementeerde vastgoedvennootschappen die ten minste 60 % van hun kapitaal investeren in vastgoed dat is bestemd voor zorgeenheden of voor aan gezondheidszorg aangepaste wooneenheden. De minister brengt dit percentage aan vereiste investeringen op 80 %, teneinde de budgettaire Impact van de maatregel enigszins te beperken; hij stelt het systeem zelf evenwel niet in vraag. Hoewel het goed is dat die fiscale niche wordt verengd, blijft het probleem van de commercialisering van de zorg bestaan. Die vastgoedmaatschappijen boeken inderdaad veel winst terwijl de dagprijs in de woonzorgcentra almaar stijgt. Het komt er in wezen op aan om in het licht van de vergrijzing op grote schaal openbare rusthuizen te bouwen. De in het wetsontwerp voorge stelde maatregelen beantwoorden geenszins aan dat probleem en houden de bestaande fiscale niche enkel langer in stand. De vice-eersteminister geeft de volgende antwoorden: - De vorige regering had beslist de GVV's te vrijwaren van een verhoging van de roerende voorheffing. Er is, nooit sprake van geweest om die uitzonderingsregeling uit te breiden. Deze maatregel is bedoeld om te verhinderen dat de GVV's die zich niet uitsluitend toespitsen op vastgoedinvesteringen in de gezondheidszorg, ook in ‘aanmerking zouden komen voor het verminderd tarief. De minister wil absoluut voorkomen dat dergelijke bijzondere fiscale regelingen worden uitgebreid. - De beoogde budgettaire ontvangsten bedragen 17 miljoen euro. - Het rapport van de OESO heeft betrekking op alle vormen van belastingen en niet alleen op de belastingen die op federaal niveau worden geïnd. - Als antwoord op de vraag van de heer Piedboeuf bevestigt de minister dat er geen overgangsperiode nodig is om de toepassing van de maatregel te beperken. Hij gaat ervan uit dat de ondernemingen geen bedrijfsmodel zullen ontwikkelen louter en alleen om in aanmerking te komen voor die fiscale niche. Het nieuwe tarief zal vanaf 1 januari 2022 van toepassing zijn. De berekeningswijze ligt vast in de wet. Afdeling 4 Wijziging van de behandeling minnelijke schikking en vegularisatieheffingen (art. 23) De heer Joy Donné (N-VA) keurt de in artikel 23 voorgestelde maatregel goed, maar heeft wel een opmerking van juridische aard en vraagt hierover een reactie van de minister. Deze bepaling stipuleert expliciet dat een regularisatieheffing en een minnelijke schikking niet kunnen afgetrokken worden als beroepskosten. Het Hof van Cassatie (25 juni 2021) oordeelde dat de regularisatie heffing geen belasting is maar een som die specifiek gestort wordt met een welbepaald doel, namelijk het verkrijgen van fiscale en strafrechtelijke immuniteit voor de geregulariseerde bedragen. Het Hof van Beroep te Gent (13 oktober 2020) oordeelde dat de minnelijke schikking aftrekbaar is als beroepskost. Volgens de Memorie van toelichting van het ontwerp (biz. 40) is het niet de bedoeling dat deze wijziging een interpretatief karakter heeft. A contrario betekent dit dat de wetgever met deze bepaling een nieuwe wil tot uitdrukking brengt. Het Hof van Cassatie dient zich nog uitspreken over de vraag of het toch wel heel ruim begrip van ‘straffen van alle aard’ ook de minnelijke schikkingen omvat. Deze wijziging maakt het voor het Hof van Cassatie wel moeilijk om de minnelijke schikking onder ‘straffen van alle aard’ te brengen als de wetgever ze nu uitdrukkelijk meent te moeten bijschrijven in artikel 53, 6° wigs2. De heer Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen) toont zich namens zijn fractie tevreden met de ontworpen bepaling. Hij had in het verleden overigens al een wetsvoorstel met eenzelfde strekking ingediend. De heer Wouter Vermeersch (VB) vraagt wat de budgettaire weerslag van de maatregel is. Het spreekt voor zich dat dit bijkomende ontvangsten zal genereren. De heer Steven Mathei (CD&V) is eveneens tevreden dat de procedure van de minnelijke schikking verduidelijkt wordt en dat de regularisatieheffingen niet als, beroepskosten worden beschouwd. Zijn fractie had ook een wetsvoorstel in die zin ingediend. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) staat ook achter de maatregel, temeer daar hij vorig jaar de pers had gewezen op het arrest van het hof van beroep van Gent over de fiscale aftrekbaarheid van minnelijke schikkingen in strafzaken. De heer Van Hees wijst erop dat hij een wetsvoorstel tot afschaffing van minnelijke schikkingen in strafzaken heeft ingediend, aangezien dergelijke schikkingen volgens hem neerkomen op een vorm van klassenjustitie waardoor zij die daartoe de middelen hebben aan een proces kunnen ontkomen. De regeling zet in feite aan tot financiële criminaliteit. Het is onaanvaardbaar dat in strafzaken de grote fraudeurs in aanmerking komen voor een minnelijke schikking die bovendien fiscaal aftrekbaar is, terwijl dit op grond van artikel 53 van het WIB niet het geval is voor geldboetes. De spreker vraagt welk deel van de beoogde budgettaire ontvangsten van 25 miljoen euro betrekking heeft op de minnelijke schikkingen en welk deel op de regularisatie. Hoe werden die ontvangsten geraamd? Waarom heeft de regering niet gekozen voor een uitleggingswet die terugwerkende kracht mogelijk zou hebben gemaakt? Eerdere wetswijzigingen beoogden al om minnelijke schikkingen in strafzaken niet als beroepskosten aftrekbaar te achten. Dat standpunt werd en wordt ook door mijn administratie ingenomen en zal op zich niet wijzigen. Deze wetgeving komt er niet om een “a contrario”-redenering te kunnen opbouwen, maar wel omdat de fiscale aftrekbaarheid van minnelijke schikkingen daarentegen door de rechtspraak werd aanvaard, hoewel dit volledig indruist tegen de ratio achter de minnelijke schikking zoals bedoeld in het Wetboek van Strafvordering. De voorliggende bepaling is bedoeld om elke discussie hierover verder uit te sluiten. Aangezien ook de regularisatieheffingen worden beoogd, kan het niet om een uitleggingsbepaling gaan. Terugwerkende kracht is niet mogelijk - De maatregel zal een budgettaire weerslag van 25 miljoen euro hebben, met inbegrip van de regularisatietaksen. Afdeling 5 Belastingvermindering voor kinderoppas (art. 24 en 25) De heer Joy Donné (N-VA) is het uiteraard eens met de maatregel, maar vindt het jammer dat de echte vermindering in de portemonnee van de ouders in eurocent worden uitgedrukt. De heer Wouter Vermeersch (VB) maakt zich zorgen over de begrotingsweerslag van de maatregel. Hij vraagt of het wel degelijk nieuw beleid betreft en of de maatregel werd opgenomen in de begrotingstabellen en in de begrotingsnotificaties van 20 oktober 2021 Heeft het Rekenhof opmerkingen gemaakt over die maatregel? De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) steunt de maatregel, al betreft het slechts een fiscaal lapmiddel (slechts 20 cent extra voordeel). Het ware beter geweest, mocht in meer kinderopvangplaatsen en in gratis opvang voor alle gezinnen worden voorzien. De vice-eersteminister antwoordt dat de begrotingsweerslag van de maatregel bedraagt 5 miljoen euro. Het betreft wel degelijk nieuw beleid. De maatregel staat in de begrotingsnotifcatie en werd voor advies aan het Rekenhof voorgelegd. Afdeling 6 Boost van het bestaande systeem van de taxshelter voor start-ups & scale-ups (art. 26-28) De heer Joy Donné (N-VA) verwijst naar de Raad van State die opmerkt dat een wijziging aan het bestaande systeem van taxshelter voor start-ups & scale-ups dient te worden aangemeld bij de Europese Commissie. Is dit gebeurd? De Raad van State verwijst daarbij naar artikel 39 van het voorontwerp (biz. 149) als voorbeeld voor de inwerkingtreding. Echter in die bepaling hangt de inwerkingtreding af van de goedkeuring door de Europese Commissie. Dient de verdubbeling te worden goedgekeurd door de Europese Commissie? Voor het overige steunt de heer Donné de voorgestelde maatregel. De heer Wouter Vermeersch (VB) sluit zich aan bij de opmerking van de heer Donné. Hij vraagt naar de begrotingsweerslag van de maatregel en wil weten of die in de begrotingsnotiicaties werd opgenomen. De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) stipt aan dat de maatregel beoogt een fiscale niche te verruimen en betreurt het aldus gecreëerde buitenkanseffect. Het maximumbedrag voor start-ups en scale-ups in de taxshelterregeling wordt immers opgetrokken. De rijkste belastingplichtigen zullen dit belastingvoordeel kunnen maximaliseren. Zodoende druist die maatregel in tegen het beginsel van de progressiviteit van de belastingtarieven, dat garant staat voor fiscale rechtvaardigheid. Voorts kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de doeltreffendheid van een dergelijke maatregel, daar de belastingplichtigen zich niet zullen richten op de bedrijven die daar het meeste nood aan hebben. Omdat de verwerving van aandelen in die bedrijven een te groot risico vormt, zullen zi immers de bedrijven met een geringer risico verkiezen. Het beleggingsbeleid zal hetzelfde blijven, maar wie reeds van plan was te beleggen, heeft thans een fiscaal voordeel. Komen er toezichtsmaatregelen om de economische gevolgen van de maatregel te meten? De heer Van Hees vindt dat de banken de spaarders ertoe zouden moeten bewegen met hun tegoeden de bedrijven te financieren. Het huidige beleid van de banken is er echter op gericht met zo min mogelijk risico zoveel mogelijk winst te maken. Nochtans verkrijgen veel bedrijven maar moeilijk de kredieten die ze aanvragen. De regering heeft andermaal een belastingvoordeel in petto voor wie in die bedrijven investeert. De heer Van Hees wijst erop dat de belastingplichtigen die maatregelen zullen financieren, terwijl slechts een minderheid er baat bij zal hebben. In plaats van belastingvoordelen uit te delen, zou het bankstelsel moeten worden hervormd en moeten de banken aan de bedrij ven kredieten kunnen verstrekken. Een overheidsbank zoals Belfius zou die rol kunnen vervullen, mocht ze niet geprivatiseerd worden, zoals thans het geval is. Een echte overheidsbank zou kunnen tegemoetkomen aan de sociale en economische behoeften van de bevolking en van de kmo's. - De Ministerraad is van oordeel dat de maatregel niet aan de Europese Commissie moet worden gemeld. - De begrotingsweerslag bedraagt minder dan 3 miljoen euro. - De maatregel werd in de begrotingsnotificaties opgenomen. - Op de doeltreffendheid van de maatregel zou kunnen worden toegezien aan de hand van de bedragen in de belastingaangiften, De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) antwoordt dat uit de belastingaangiften inderdaad zal blijken welke weerslag de belastingverminderingen hebben, maar dat het buitenkanseffect er niet uit zal kunnen worden opgemaakt. Hij vreest dat de impact van de maatregel erg beperkt zal zijn. Afdeling 7 Verhoging van het aantal iscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector (Art. 29 tot 31) De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) is geen voorstander van het idee om werknemers almaar meer overuren te doen draaien en vreest voor negatieve gevolgen voor de volksgezondheid. Hoe kan worden verklaard dat de knelpuntberoepen met economische werkloosheid kampen? Om die knelpunten aan te pakken, stelt de spreker voor die beroepen aantrekkelijker te maken door ze beter te betalen en in fatsoenlijke werkomstandigheden te voorzien. De spreker merkt op dat de voorgestelde maatregelen vooral de werkgevers, in de sector ten goede komen De heer Wouter Vermeersch (VB) vraagt naar de budgettaire impact van de voorgestelde maatregel De vice-eersteminister wijst erop dat het de sociale partners zijn die deze maatregel zijn overeengekomen en dat zij aan de regering hebben gevraagd die maatregel uitte voeren, wat bij deze dan ook is gebeurd. Deze maatregel zal een uitgave van ongeveer negen miljoen euro met zich brengen, Afdeling 8 (nieuw) Verlenging van de geldigheidsduur van maaltjd- en ecocheques (art. 31/1 en 312 (nieuw) De heer Steven Mathei (CD&V) preciseert dat zijn amendementen (nrs. 5 et 6, DOC 55 2349/004) betrekking hebben op de verlenging van de geldigheidsduur van maaltijd en ecocheques, waarbij een regeling wordt getroffen die moet voorkomen dat de verlenging fiscale gevolgen zou hebben.

M. Wouter Vermeersch (VB) vraagt naar de budgettaire impact van de voorgestelde maatregel. De vice-eersteminister geeft mee dat er geen impactanalyse beschikbaar is en noteert de vraag van de heer Vermeersch om hierover te kunnen beschikken tegen de plenaire vergadering waarin over het ontwerp zal worden gestemd.

HOOFDSTUK 2

Belasting over toegevoegde waarde - Uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de (art. 32 en 33) De heer Joy Donné (N-VA) vraagt om welke reden tot op heden geen enkel platform voor de verhuur van kamers een erkenning heeft aangevraagd? Waarom zouden deze platforms dat nu wel doen voor 1 juli 2022? Voorts wenst de spreker te vernemen of het probleem van de administratieve btw-lasten opgelost is als een platform erkend wordt? De meeste verhuurders bieden hun kamer aan op meerdere platformen, waardoor zi zich, alsnog zullen moeten identificeren voor btw-doeleinden en periodieke btw-aangiften indienen. De spreker verwijst naar het advies van de Raad van State (DOC 55 2349/001, blz. 231), waarin de Raad zich afvraagt of de inwerkingtreding van artikel 32 van het wetsontwerp (artikel 40 van het voorontwerp) niet moet worden afgestemd op de inwerkingtreding van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (DOC 55 2279/001), dat op donderdag 16 december 2021 ter stemming zal worden voorgelegd. Het lijkt volgens de heer Donné ook beter ‘om de particuliere verhuurders van gemeubeld logies meteen de nieuwe btw-regeling te doen toepassen op de verhuur voor een periode van minder of meer dan drie maanden en bijgevolg artikel 32 in werking te doen treden op 1 juli 2022. De heer Donné kondigt aan daartoe amendement nr. 8 te zullen indienen ‘De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) heeft de indruk dat deze maatregel een flinke ongerijmdheid bevat. Enerzijds geeft de minister in de memorie van toelichting aan dat de particulieren die gemeubileerde kamers verhuren, de hotels oneerlijke concurrentie kunnen aandoen via platforms waar zich onbilijke mededinging kan ontwikkelen. ‘Anderzijds beoogt het wetsontwerp de verhuur van gemeubileerde kamers uit te sluiten van de btw-vrijstellingsregeling, zij het met instandhouding van een ‘enorme uitzondering: de btw-vrijstelling blijft gelden voor de verhuur van gemeubileerde kamers via erkende platforms, in het kader van de deeleconomie. Hoe kan de minister die tegenstrijdigheid verklaren? Vanwaar die discriminatie tussen degenen die van een platform gebruikmaken en degenen die dat niet doen? Worden de winsten van de betrokken platforms in België belast? Zo niet, is het dan niet paradoxaal om de gebrui kers van die platforms een fiscaal voordeel te bieden? ‘De heer Wouter Vermeersch (VB) vraagt de minister naar de precieze budgettaire impact van deze specifieke maatregel. De vice-eersteminister antwoordt aan de heer Donné dat er vermoedelijk vandaag geen registraties zijn omdat de gebruikers van de platforms van de betrokken bedrijven daar geen belang bij hebben. Met de nieuwe regeling wordt dat vanaf 1 juli 2022 wel het geval. Als de betrokken bedrijven zich niet registreren, zullen hun gebruikers immers btw in rekening moeten brengen op de terbeschikkingstelling van gemeubeld logies. Met betrekking tot amendement nr. 8 antwoordt de minister dat het probleem van de concurrentieverstoring volgens informatie uit de praktijk in sommige steden zo'n omvang heeft aangenomen dat het geen verder uitstel duldt, ook al zal tot de inwerkingtreding van de nieuwe btw-regeling voor het verschaffen van gemeubelde logies voor de invulling van het concept ‘gemeubeld logies’ verder gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande administratieve regeling. Dat laatste verhindert evenwel op geen enkele manier de onmiddellijke toepassing van deze uitsluiting. Inderdaad, de dienstverrichters die van een platform gebruikmaken in het kader van de btw-regeling voor de deeleconomie, moeten een jaarlijks minimumomzetcijfer in acht nemen dat aanmerkelijk lager ligt dan het cijfer dat geldt voor wie de vrijstelling geniet. Zoals aangegeven aan de heer Donné, draagt deze maatregel ertoe bij om een groter aantal in gemeubeld logies gespecialiseerde platformen onder de regeling van de deeleconomie te brengen. ‘Tot slot geeft de minister nog mee dat de budgettaire impact van deze specifieke maatregel 20 miljoen euro bedraagt

HOOFDSTUK 3

‘Accijnzen De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) merkt op dat de bijdragen voor de federale openbaredienstverplichtingen (waaronder de offshorebijdrage) en de federale bijdrage voor elektriciteit en gas worden omgezet in een bijzondere accijns. Die hervorming moest een van de belangrijkste oplossingen worden om de stijgende energiekosten van de gezinnen aan te pakken. De verlaging van de gezinsfactuur valt echter uiterst pover uit in vergelijking met de scherpe prijsstijging. Het lid constateert een winst van 8,76 euro per jaar voor een gezin met een gemiddeld verbruik en vraagt zich af waarom dat bedrag zo laag is. Voorts merkt hij op dat de begrotingsimpact in 2023 en 2024 afneemt. Bovendien kan de impact op de factuur slechts marginaal zijn indien geweigerd wordt aan het btw-tarief van 21 % te raken. Volgens de heer Van Hees zou op een basisproduct zoals energie het verlaagde tarief van 6 % moeten worden toegepast. Bovendien merkt het id op dat de accijnzen degressief zullen zijn, wat zal leiden tot een verschil tussen de ondernemingen die veel verbruiken en de gewone gezinnen. Een bedrijf met een hoog verbruik zal ongeveer 27 keer minder betalen dan een gezin. Ook al bestond degressiviteit bij het oude stelsel, toch vraagt het lid zich af waarom dat systeem bij de huidige hervorming overeind wordt gehouden. De heer Wouter Vermeersch (VB) verzoekt eerst om een bevestiging van de aangekondigde begrotingsimpact van 50 miljoen euro voor 2020 en van 100 miljoen euro voor 2023 en 2024, wat de professionele diesel betreft. Het id stipt aan dat hij de maatregel niet steunt, zoals eerder aangegeven tijdens de bespreking van de beleidsnota. Die maatregel zal immers de transportsector treffen op een ogenblik dat die met recordbrandstofprij zen wordt geconfronteerd. Bovendien kan de sector niet rekenen op realistische alternatieven zoals elektrische voertuigen of het gebruik van waterstof als brandstof. Voorts merkt de heer Vermeersch op dat, zoals het Rekenhof heeft aangestipt, de aangegeven begrotingsimpact voor discussie vatbaar is. De cijfers zouden sterk kunnen worden beïnvloed door de daling van de brandstofverkoop indien sommige vervoerbedrijven zich in het buitenland zouden gaan bevoorraden De heer Kurt Ravyts (VB) vindt het jammer dat de regering nog steeds achter de feiten aanloopt als het erom gaat de energiecrisis in de hand te houden. Hij concludeert dat het sociaal tarief voor elektriciteit of gas de prijsstijging van de commerciële contracten zal volgen. Het valt te vrezen dat de energieprijzen in 2022 hoog zullen blijven. Het lid betreurt het gebrek aan duidelijkheid in de inleidende uiteenzetting van de minister; hij had aangegeven dat de vervanging van de federale heffingen door een accijns op elektriciteit en een accijns op gas de meerkosten zouden uitvlakken Wel merkt de heer Ravyts op dat de regering eindelijk de federale heffingen aanpakt, ook al is dat momenteel slechts een kleine stap in de goede richting. Zelfs de combinatie van de maatregelen inzake de energienorm en de in Vlaanderen genomen maatregelen zal het gemiddelde gezin een voordeel van slechts 8 à 9 euro per maand opleveren. De herziening van de contracten van wie nog steeds een vast tarief heeft, ligt echter in het verschiet, met nieuwe offertes waarvan de prijs tot driemaal hoger kan liggen. De heer Ravyts kan alleen maar betreuren dat weinig of zelfs geen inspanningen worden geleverd voor de 82 % energieconsumenten die geen sociaal tarief hebben. Het valt niet te begrijpen dat het btw-tarief op 21 % blijft, terwijl een tarief van 6 % evengoed mogelijk is, in combinatie met een doortastende hervorming waarbij alleen de productie- en distributiekosten aan de consument zouden worden aangerekend. Bovendien merkt het id op dat bij de invoering van de energiecheque van 80 euro menigeen riep dat de Staat zich niet mocht verrijken via de btw. Het sociaal tarief is, echter sterk gestegen, en de btw-ontvangsten hebben kennelijk niet gediend om een bilijker energiebeleid tot stand te brengen. De heer Joy Donné (N-VA) geeft aan dat hij niet opnieuw wil ingaan op het debat over de vervanging van de federale heffingen door een accijns. Toch blijven volgens hem nog enkele schemerzones bestaan. De tariefdegressiviteit blijft behouden, terwijl het niet duidelijk is of er al dan niet een verschuiving van de maatregelen tussen verschillende consumentengroepen zal zijn. Gelet op het belang daarvan vraagt de heer Donné hier nadere uitleg over. De grens van 250 000 euro per verbruikssite in het kader van de offshoreretributie voor grootverbruikers wordt niet gehandhaafd. Met de overgang naar het aceijnssysteem wordt het belangrijk het onderscheid tussen de site en de verbruiker te maken. De heer Donné vraagt hoe het verbruik zal worden berekend in het kader van degressieve accijnzen. Zal het elektriciteitsverbruik worden berekend door het verbruik van alle tellers op naam van eenzelfde verbruiker op te tellen? Zullen de Regie der Gebouwen en de NMBS als één verbruiker worden beschouwd, hoewel ze van meerdere sites gebruikmaken? Het lid vestigt de aandacht op het advies van de Raad van State over het feit dat de Koning zou worden gemachtigd om de methodologie vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. Hij wijst erop dat gelet op het legaliteitsbeginsel bij de uitvaardiging van de koninklijke besluiten de machtiging aan de Koning strikt moet worden geïnterpreteerd. De omschrijving van belastingplichtige (gebruiker of per productiesite) komt de wetgever toe. Veel appartementen in België worden verwarmd met aardgas. Zal, voor de berekening van de accijnzen, de mede-eigendom als consument worden beschouwd, terwijl het verbruik zelf aan de bewoners wordt aangerekend? Hoe kan in een dergelijk systeem de degressiviteit anders worden ingebouwd dan door een eenheidsprijs, in megawattuur te berekenen, zoals nu het geval is? Wat, tot slot, meer bepaald artikel 41 betreft, verzoekt het lid om nadere uitleg over de berekening van de accijnzen voor de ondernemingen van de landbouw-, tuinbouw, visteelt- en bosbouwsector. De vice-eersteminister bevestigt vooreerst de cijfers van de door de heer Vermeersch aangehaalde budgettaire impact met betrekking tot diesel voor beroepsdoeleinden. De minister merkt op dat de in uitzicht gestelde wijzigingen geen groot ongunstig effect op de verkochte brandstofvolumes zouden mogen hebben en dat bij de analyse rekening is gehouden met de tarieven in de buurlanden. Ook preciseert de minister dat een zekere vorm van compensatie blijft bestaan en dat sommige professionele verbruikers momenteel niet het volledige bedrag aan btw of accijnzen op hun diesel betalen. Dit is een vorm van respect voor de sector; voordelen mogen immers niet van de ene op de andere dag worden geschrapt. Een geleidelijke vermindering van het fiscale voordeel op fossiele brandstoffen lijkt evenwel gerechtvaardigd te zijn Wat het onderdeel energie betreft, wijst de minister erop dat het voorliggende ontwerp beoogt bepaalde taksen en toeslagen, met name de offshoretoeslag, de toeslag strategische reserve, de federale elektriciteitsbijdrage en de (toekomstige) CRM-toeslag, af te schaffen en te vervangen door de verhoging van een bijzondere accijns op elektriciteit, waarvan de ontvangsten eveneens in de algemene begroting worden opgenomen. De winst voor de consument schuilt in het feit dat bepaalde kosten ten laste van de Staat niet automatisch, worden doorgerekend. Voor een gemiddeld gezin dat zowel gas als elektriciteit verbruikt, komt dit in 2022 neer op een winst van 30 euro op jaarbasis. Zonder die maatregel zou de verhoging van de kosten leiden tot een verhoging van de offshoretoeslag, van de federale elektriciteitsbijdrage, alsook van de federale gasbijdrage. Die verhogingen zullen voortaan ten laste van de begroting vallen. Dankzij de hervorming zal bovendien een duidelijker energiebeleid kunnen worden gevoerd. De begrotingsimpact daalt met de tijd, wegens de daling van de geraamde kosten die thans worden gedekt door de offshoretoeslag, alsook door de federale elektriciteitsbijdrage en de federale gasbijdrage. De geraamde kosten zullen in 2023 en 2024 nog lager liggen dan in 2022. Het voorstel om de btw op energie te verlagen, maakt geen deel uit van de maatregelen in de programmawet. Bij de bepaling van de accijnstarieven werd ernaar gestreefd te bewerkstelligen dat die accijns evenveel zou opbrengen als de afgeschafte federale bijdragen. De minister merkt tevens op dat de degressiviteit in het huidige systeem al bestond; hij stipt aan dat de tarieven voor de eerste schijven ook van toepassing zullen zijn op de grote verbruikers. Het klopt dus niet dat die alleen de laagste tarieven zullen betalen. De minister beklemtoont dat hij, samen met de minister van Energie, de ingrijpendste hervorming van de energiefacturen sinds lang doorvoert. Dat is een belangrijke stap naar de in het regeerakkoord in uitzicht gestelde instelling van de energienorm. De minister wil niet vooruitlopen op de belastinghervorming, maar merkt op dat de heffing van accijnzen het voordeel biedt dat via dit werkinstrument op termijn de belastingdruk op elektriciteit kan worden verschoven naar fossiele brandstoffen. Wat de btw betreft, is de minister het niet eens met de steling dat de Staat profiteert van de hoge energieprijzen. In antwoord op de vraag van de heer Donné beklemtoont de minister voorts dat er geen verschuiving tussen diverse consumentencategorieën plaatsvindt. Wat de accijnsberekening betreft, merkt de minister op dat het huidige systeem van verbruikslocaties zal worden behouden. Het spoorwegnetwerk bijvoorbeeld wordt momenteel beschouwd als één verbruikslocatie. In de andere gevallen is het mogelijk het verbruik op leveringsplaatsen te bundelen via het gebruik van de EAN-codes (European Article Numbering). De specifieke vragen inzake de gebouwen in mede-eigendom zullen nader worden bekeken door de diensten, maar in principe wordt beoogd om zoveel mogelijk de situatie zoals vandaag te behouden. ‘Tat slot beschikt de minister momenteel helaas niet over nadere informatie betreffende de berekeningsmethode voor landbouw-, tuinbouw, visserij en bosbouwbedrijven. Naar aanleiding van een vraag van de heer Vermeersch verduidelijkt de minister nog dat het voorliggende ontwerp deel uitmaakt van de alomvattende energiehervorming en dat de ontvangsten worden geraamd op meer dan 630 miljoen euro wat elektriciteit betreft, en meer dan 80 miljoen euro wat gas betreft. Die ontvangsten dekken echter niet alle kosten voor de uitgaven die worden gedekt door de federale bijdragen die verdwijnen; wat verklaart dat er een kostprijs van de hervorming is van 156 miljoen euro

II. - ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

TITEL 1 ‘Algemene bepaling Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen.

Artikel 1 wordt eenparig aangenomen

TITEL

2 Financiën ‘Afdeling 1 Hervorming van fiscale voordelen voor sportbeoefenaars Onderafdeling 1 Hervorming van de bedrijfsvoorheffing Art. 2 Er wordt een amendement nr. 1 (DOC 55 2349/04) ingediend door de heer Matheïc.s. dat ertoe strekt om een bepaling onder a/1) in te voegen. Er wordt een amendement nr. 2 (DOC 55 2349/04) ingediend door de Mathe c.s. dat ertoe strekt om een bepaling onder b/1) in te voegen De heer Steven Mathei (CD&V) licht toe dat deze amendementen beogen om enkele bepalingen die in het voorontwerp van wet waren opgenomen, maar die onterecht uit het definitieve ontwerp waren weggelaten opnieuw in artikel 2 te integreren. Het voorontwerp voorzag naar analogie met de overige vrijstellingen van doorstorting, dat de vrijstelling enkel kan worden toegestaan in de gevallen dat de voorheffing volledig op de bezoldigingen werd ingehouden. Daarnaast bevatte het voorontwerp een beperking om detacheringsmisbruik tegen te gaan. Dit amendement wil deze beperking opnieuw integreren in het ontwerp. Hierdoor wordt ervoor gekozen om voortaan enkel de bezoldigingen van sportbeoefenaars in aanmerking te laten komen indien deze daadwerkelijk sportprestaties leveren voor de werkgever zelf. Indien dus de sportbeoefenaar wordt gedetacheerd naar een andere sportclub, zal de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de door deze sportbeoefenaar verkregen bezoldiging niet meer in aanmerking komen voor de toepassing van deze maatregel De amendementen nrs. 1 en 2 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.

Artikel 2, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen.

Art. 3 Artikel 3 geeft geen aanleiding tot specifieke Het artikel 3 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Onderafdeling 2 Harmonisatie van het begrip “jonge sportbeoefenaar” Art. 4 Artikel 4 geeft geen aanleiding tot specifieke Het artikel 4 wordt eenparig aangenomen. Onderafdeling 3 Beperking van de sportmakelaarsvergoedingen Artikelen 5 tot 10 De artikelen 5 tot 10 geven geen aanleiding tot verdere Deze artikelen worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Onderafdeling 4 Wijzigingen aan de aanvullende pensioenregeling Art. 11 Er wordt een amendement nr. 9 (DOC 55 2349/006) ingediend door de heer Jean-Marie Dedecker (INDEPONAFH) dat ertoe strekt het artikel 11 met betrekking tot wijzigingen aan de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars te schrappen. Amendement nr. 9 wordt eenparig verworpen.

Artikel 11 wordt eenparig aangenomen. Onderafdeling 5 Inwerkingtreding Art. 12 Artikel 12 geeft geen aanleiding tot specifieke Het artikel 12 wordt aangenomen met 14 stemmen en 2 onthoudingen. ‘Afdeling 2 Regeling houdende invoering van een bijzonder.belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers Art. 13 Er wordt een amendement nr. 3 (DOC 55 2349/04) de Nederlandse tekst van paragraaf 8, tweede lid, van artikel 32/1 in ontwerp af te stemmen op de Franse tekst. Amendement nr. 3 wordt aangenomen 13 stemmen en 3 onthoudingen.

Artikel 13, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen.

Art 14 Er wordt een amendement nr. 4 (DOC 55 2349/04) artikel 32/2 in ontwerp af te stemmen op de Franse tekst. Amendement nr. 4 wordt aangenomen 13 stemmen Artikel 14, aldus geamendeerd, wordt aangenomen Artikelen 15 tot 19 De artikelen 15 tot 19 geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Deze artikelen worden achtereenvolgens aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. ‘Afdeling 3 Hervorming van de zorgvastgoed GVV's Artikelen 20 tot 22 De artikelen 20 tot 22 geven geen aanleiding tot 1 tegen 5 stemmen en 1 onthouding. ‘Afdeling 4 Wijziging van de behandeling minnelijke schikkingen en Art. 23 Artikel 23 geeft geen aanleiding tot specifieke Het artikel 23 wordt eenparig aangenomen ‘Afdeling 5 Belastingvermindering kinderoppas Artikelen 24 en 25 De artikelen 24 en 25 geven geen aanleiding tot ‘Afdeling 6 Artikelen 26 tot 28 De artikelen 26 tot 28 geven geen aanleiding tot met 16 stemmen en 1 onthouding. ‘Afdeling 7 Artikelen 29 tot 31 De artikelen 29 tot 31 geven geen aanleiding tot Artikel 29 wordt aangenomen met 16 stemmen en 1 onthouding.

Artikel 30 wordt aangenomen met 16 tegen 1 stem.

Artikel 31 wordt aangenomen met 16 stemmen en 1 ‘Afdeling 8 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 5 (DOC 55 2349/04) een titel 8 (nieuw) in te voegen met betrekking tot de verlenging van de geldigheidsduur van maaltijd- en ecocheques bestaande uit de artikelen 31/1 en 31/2 (nieuw). Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen.

Art. 31/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 6 (DOC 55 2349/04) een artikel 31/1 (nieuw) in te voeren. De heer Steven Mathe (CD&V) legt uit dat maaltijd en ecocheques die in 2021 vervallen en niet werden gebruikt, worden heruitgegeven met een nieuwe gel digheidsduur van 12 maanden (maaltijdcheques) of 24 maanden (ecocheques).

Artikel 5/1, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie wordt aangepast om te vermijden dat deze verlenging fiscale gevolgen zou hebben. Amendement nr. 6 wordt aangenomen met 14 tegen 3 stemmen.

Art. 31/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 7 (DOC 55 2349/04) een artikel 31/2 (nieuw) in te voeren. De heer Steven Mathei(CD&V) legt uit dat amendement nr. 7 de inwerkingtreding regelt van amendement nr. 6 Amendement nr. 7 wordt aangenomen met 14 tegen Art. 32 Artikel 32 geeft geen aanleiding tot specifieke Het artikel 32 wordt aangenomen met 13 tegen 4 stemmen.

Art. 33 Er wordt een amendement nr. 8 (DOC 55 2349/006) ingediend door de heer Donné c.s. dat ertoe strekt om de inwerkingtreding van artikel 32 te verschuiven naar 1 juli 2022. De heer Joy Donné (N-VA) legt uit dat het doel van amendement nr. 8 erin bestaat om in navolging van het advies van de Raad van State de inwerkingtreding van de uitsluiting van de vrijstelling voor kleine ondernemingen van de verhuur van gemeubeld logies door particulieren, waarin artikel 32 van het wetsontwerp voorziet, af te stemmen op de nieuwe bepaling voor de onderwerping aan de btw-heffing van hotel, motel en inrichtingen met een soortgelijke functie (art. 4, DOC 55 2279/001). Amendement nr. 8 wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen en 2 onthoudingen. ‘Artikel 33 wordt aangenomen met 13 tegen 4 stemmen. Professionele diesel: Vermindering terugbetaling accijnzen Artikelen 34 en 35 De artikelen 34 en 35 geven geen aanleiding tot ‘Artikel 34 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 35 wordt aangenomen met 15 stemmen en 2 onthoudingen. ‘Energie: hervorming accijnzen Artikelen 36 tot 41 De artikelen 36 tot 41 geven geen aanleiding tot met 11 tegen 1 stem en 5 onthoudingen.

Art. 42 Artikel 42 geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Dit artikel wordt aangenomen met 11 tegen 1 stem en 5 onthoudingen. Op vraag van de heer Joy Donné zal de commissie overgaan tot een tweede lezing van dit wetsontwerp (conform artikel 83 van het Kamerreglement). Er wordt tevens een wetgevingstechnische nota van de diensten gevraagd. Daarenboven wordt er ook goedkeuring van het verslag van de artikelen aangenomen in eerste lezing gevraagd art. 78,6 Rot). Het verslg wordt goedgekeurd met 13 tegen 2 stemmen. De rapporteur, De voorzitster, Ahmed LAAOUEJ __ Marie-Christine MARGHEM imprmerecenrale-Cenraledrder