Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp ONTWERP VAN PROGRAMMAWET art. 43 tot 53) (art. 94 tot 105) (art. 137 en 138)

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2349 Wetsontwerp 📅 2021-12-06 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (23/12/2021)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS); Leysen, Christian (Open)
Onderwerpen
REGERINGSBELEID Eurovoc kandidaat-descriptoren PROGRAMMAWET

🗳️ Stemmingen

Betrokken partijen

CD&V Ecolo-Groen MR N-VA PS VB Vooruit cdH

Sprekers (14)

Cécile Cornet (Ecolo-Groen) Hans Verreyt (VB) Florence Reuter (MR) Nahima Lanjri (CD&V) Ellen Samyn en de heer Hans Verreyt (VB) Wim Van der Donckt (N-VA) Sophie Thémont (PS) Ellen Samyn (VB) Christophe Bombled (MR) Anja Vanrobaeys (Vooruit) Catherine Fonck (cdH) Catherine Fonck (cd) Cathérine Fonck (cdH) Cathérine Fonck (cd)
Stemdetail (4 stemmingen)
Art. 94 eenparig aangenomen
Amend. 3 aangenomen met 12 stemmen tegen 2 onthoudingen
Amend. 4 verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 1 onthouding Artikel 137 wordt vervolgens aangenomen met 11 Art
Amend. 5 verworpen met 11 tegen 2 Artikel 138 wordt vervolgens aangenomen met 11 De naamstemming over het geheel van de naar de commissie verwezen artikelen zal plaatsvinden na de stemming over de in tweede lezing besproken artikelen 106 tot 136/5 (DOC 55 2349/007 en 008)

Volledige tekst

ONTWERP VAN PROGRAMMAWET art. 43 tot 53)

(art. 94 tot 105) (art. 137 en 138) NAMENS DE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN, WERK EN PENSIOENEN UITGEBRACHT DOOR DE DAMES Cécile CORNET, Anja VANROBAEYS EN Sophie THÉMONT A. Inleidende uiteenzetting door de vice-eerste minister en minister van Economie en Werk..……3 B. Algemene bespreking. 4 ©. Stemmingen. 10 1 Pensioenen (artikelen 94 tot 105) A. Inleidende uiteenzetting door de Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrjding en Beliris 40 B. Algemene bespreking. 13 ©. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen in. Zelfstandigen (artikelen 137 tot 138) 24 Middenstand, Zellstandigen, KMO's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing; 24 B. Algemene bespreking 28 ©. Artikelsgewijze besprekingen en stemmingen…… 31 zie ‘oa: “ontwerp van programmawet (002 ot 006: Amendementen oor: “verlag van de aerze lezing (Socise Zaken) oa: artkelen aangenomen in gerste lezing ooo: Verslag Mebitan) 01e: Amendementen. osose 2022 Kaat te ZITTING VAN oe 55e zirriNaspeiont pocss 2349/011 we wi ge ant sande oon pearange Ae mj ed ai gan eer neen Oste Varbene Gevren lota ine lr Taen ige rak rene Far Teer CE, stede Veren! ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft dit wetsontwerp, dat de urgentie heeft verkregen tijdens de plenaire vergadering van 2 december in toepassing van artikel 51 van het Reglement, besproken tijdens haar vergadering van: - 6 december 2021 wat de artikelen 137 tot 138 betreft, - 7 december 2021 wat de artikelen 43 tot 53 betreft, - 8 december 2021 wat de artikelen 94 tot 105 betreft. IL - WERK (ARTIKELEN 43 TOT 53) A. Inleidende uiteenzetting door de viceeersteminister en minister van Economie en Werk De heer Pierre-Yves Dermagne, vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, licht de artikelen 43 tot 53 van het ontwerp van programmawet toe. Hij verduidelijkt dat de voorgestelde bepalingen betrekking hebben op de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid wegens corona met gewerkte dagen voor de berekening van de jaarlijkse vakantie. Voor de minister en de sociale partners was het belangrijk dat die tijdelijke werkloosheid geen negatieve impact zou hebben op het vakantiegeld van de betrokken werknemers. Daartoe werd een koninklijk besluit uitgevaardigd dat in de gelijkstelling voorziet. Daarnaast moest de impact van die gelijkstelling worden gecompenseerd voor de werkgevers van arbeiders, via de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en voor de werkgevers van bedienden. Dat is het doel van Titel Ill van het voorliggende ontwerp van programmawet. Titel Il ‘omvat een tiental artikelen die ertoe strekken het eenparige advies van 26 oktober 2021 van de sociale partners, in de Nationale Arbeidsraad ten uitvoer te leggen. In dat advies en in de bepalingen van het voorontwerp van wet worden de regels die in 2020 werden toegepast (en die door het Parlement werden goedgekeurd) herhaald, maar daarnaast voegden de sociale partners, naast de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge corona ook de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge de uitzonderlijke overstromingen van 14 en 15 juli 2021 toe. De minister verduidelijkt dat, net als vorig jaar, daarvoor een globale enveloppe wordt uitgetrokken, die dit jaar 153,27 miljoen euro bedraagt. Van dat bedrag is boss 2349/011 107,12 miljoen euro bestemd voor de werkgevers van de arbeiders en 46,147 miljoen euro voor de werkgevers, van de bedienden. Voor de verdeling werd het advies van de sociale partners gevolgd. De werkgevers van de arbeiders worden gecompenseerd via een subsidie aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, die het vakantiegeld van de arbeiders betaalt. Op die manier wordt in de mate van het mogelijke vermeden dat de werkgeversbijdragen de hoogte ingaan. De compensatie voor de werkgevers van de bedienden wordt gerealiseerd via de RSZ, rekening houdend met de mate waarin een beroep werd gedaan op tijdelijke werkloosheid gedurende de betrokken kwartalen van 2021. Voor de precieze uitvoeringsbepalingen, die in de memorie van toelichting zijn opgenomen, werd het advies van de NAR gevolgd B. Algemene bespreking Vragen en opmerkingen van de leden De heer Björn Anseeuw (N-VA) vindt het maar normaal dat de sociale partners het akkoord goedkeuren: ze hebben immers hun eigen financieringsvoorstel aan de regering overgezonden. Het is dus de overheid die het akkoord moet betalen. In dit land lijkt het doorschuiven van de rekening naar de belastingbetaler al 20 jaar de enige manier om tot sociale akkoorden te komen. Wie werkt, moet daarvoor tijdig vakantiegeld krijgen, dat staat niet ter discussie. Voor de spreker is het echter een brug te ver dat de overheid moet bijdragen aan de financiering van vakantiegeld, vooral omdat dat perfect kon en kan worden vermeden. Het mag duidelijk zijn dat de N-VA-fractie de voorbije twee jaar steeds heeft gepleit voor gerichte steun aan werkgevers en werknemers die die steun nodig hebben als gevolg van allerhande beperkende maatregelen in het kader van de coronacrisis. De heer Anseeuw stelt echter vast dat de toegekende steunmaatregelen keer op keer onvoldoende fijnmazig waren, wat de deur openzette voor oneigenlijk gebruik en zelfs misbruik. De spreker begrijpt dat tijdens de eerste lockdown kort op de bal moest worden gespeeld en dat er geen tijd was voor lange en complexe procedures, maar intussen had één en ander wel beter kunnen worden afgestemd op de realiteit. Ook bijna twee jaar later maakt de overheid daar echter geen werk van. Deze overheidsbijdrage aan het vakantiegeld had perfect kunnen worden vermeden indien de wetgeving was afgestemd op die van alle Europese landen en indien er rekening was gehouden met de herhaalde opmerking vanwege de Europese Commissie aan ons land. De Commissie meent dat het recht op betaalde jaarlijkse vakantie moet worden berekend op het lopende jaar en dat de betaling rechtstreeks door de werkgever moet worden uitgevoerd. Dat is volgens de spreker de enige logische en structurele oplossing voor het probleem. Bij de lezing van de stukken heeft de heer Anseeuw bovendien vastgesteld dat de steunmaatregel vooraf niet aan de Europese Commissie werd voorgelegd. Dat was volgens de minister niet nodig, maar de Raad van State is van oordeel dat de steunmaatregel wel degelijk had moeten worden aangemeld. De door de regering aangevoerde argumenten worden bovendien door de Raad van State weerlegd. De heer Anseeuw citeert hiervoor uit het advies van de Raad van State. De regering houdt echter geen rekening met dat advies. Voor de steunmaatregelen voor de jaarlijkse vakantie van 2021 over de gelijkgestelde periodes voor 2020 werd de regering al door de Europese Commissie teruggefloten. Waarom werd de huidige steunregeling niet aan de Europese Commissie voorgelegd en legt de regering de Europese regels voor een eerlijke marktwerking naast zich neer? Vorig jaar werd de toegekende enveloppe gelijkmatig verdeeld over de arbeiders en de bedienden. Nu gaat 70 % van de enveloppe naar de arbeiders en 30 % naar de bedienden. Heeft dat te maken met de moeilijke financiële situatie van bepaalde vakantiekassen voor arbeiders of zijn daar andere redenen voor? Mevrouw Cécile Cornet (Ecolo-Groen) wijst erop dat haar fractie het erg belangrijk vindt dat de beslissingen van de sociale partners worden uitgevoerd. Ze staat achter de maatregelen om de economie te ondersteunen en de werkgelegenheid te vrijwaren. Haar fractie zal dit initiatief, waardoor de werknemers die tijdelijk werkloos werden niet ook nog in hun vakantiegeld worden getrof fen, met enthousiasme goedkeuren. Volgens de heer Hans Verreyt (VB) was het duidelijk dat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie een financiële tegemoetkoming moest krijgen, aangezien al eerder werd overeengekomen tijdelijke werkloosheid ingevolge corona als gelijkgestelde periode aan te merken. Eind oktober werd daarover binnen de NAR een akkoord bereikt, dat door deze regering maar al te graag wordt gehonoreerd. De bedragen zijn niet min: 46 miljoen voor het stelsel van de bedienden en iets meer dan 100 miljoen voor de arbeiders. Daarnaast werd ook een regeling getroffen voor de tijdelijke werkloosheid ingevolge de uitzonderlijke weersomstandigheden van 14 en 15 juli 2021. Hoewel de spreker daarvoor begrip heeft, brengt hij in herinnering dat ook een aantal gemeenten in de Westhoek eind november geruime tijd onder water stond, met aanhoudende schade voor landbouwbedrijven en andere economische sectoren als gevolg. De spreker betreurt dat er, in tegenstelling tot de solidariteit die werd en wordt betoond voor de Waalse slachtoffers, er geen sprake is van enige solidariteit of zelfs medeleven met de slachtoffers van de overstromingen in het IJzerbekken. Hij meent dat voor deze vergelijkbare problemen een vergelijkbare oplossing had kunnen worden gevonden, door ook deze slachtoffers op te nemen in de regeling inzake de gelijkgestelde periodes voor de jaarlijkse vakantie. Daarnaast meent hij dat de regering niet van enige vooruitziendheid getuigt: naast de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie zijn er nog negen bijzondere vakantiekassen op sectoraal niveau, die instaan voor de betaling van ongeveer een derde van het vakantiegeld. Het Rekenhof wees er recent op dat de vakantiekassen de komende jaren in moeilijkheden dreigen te raken door de sterke daling van de beleggingsopbrengsten waarmee ze traditioneel hun werking financieren. Het Rekenhof vraagt dat er een aantal wetswijzigingen zou worden aangebracht om in te spelen op mogelijke toekomstige problemen. Zal de minister gevolg geven aan de vele suggesties van het Rekenhof? De minister antwoordde al dat er zich volgens hem geen grote problemen voordoen en dat de sociale partners garant moeten staan voor het goede beheer. Volgens de spreker draagt ook de minister echter verantwoordelijkheid in dezen. Mevrouw Florence Reuter (MR) dankt de minister vooreerst voor alle maatregelen ten gunste van de bedrijven die in 2021 met grote moeilijkheden te kampen hadden. Met de voorliggende maatregelen worden niet alleen de werkgevers, maar ook de werknemers ondersteund. Zij zullen niet moeten inboeten op hun vakantiegeld en koopkracht. Kan de minister bevestigen dat die enveloppe wel degelijk losstaat van de enveloppe die aan de horecasector wordt toegekend? Heeft de enveloppe voor de arbeiders betrekking op heel 2021 of enkel op bepaalde kwartalen? Voor de bedienden werd intussen verduidelijkt dat het enkel om de eerste twee kwartalen van 2021 gaat. ‘Overeenkomstig artikel 52, $ 2 van voorliggend ontwerp van programmawet zal het bedrag van de compensatie worden herzien indien blijkt dat de aangifte van de werkgever niet correct is. Wordt in dat geval louter het bedrag herzien of wordt er ook een boete opgelegd? Zal de enveloppe volstaan of zal hij moeten worden herzien, gelet op de recente maatregelen die door het Overlegcomité werden genomen en waardoor bedrijven nog meer verliezen zullen lijden? Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vindt het een goede zaak dat de tijdelijke werkloosheid ingevolge corona net als vorig jaar gelijkgesteld wordt voor de jaarlijkse vakantie en dat het vakantiegeld dus niet verloren gaat. Zo niet zouden de getroffen werknemers tweemaal worden gestraft. Daarvoor wordt niet minder dan 150 miljoen euro uitgetrokken. Bij het berekenen van de compensatie wordt, net als vorig jaar, rekening gehouden met het aantal dagen waarop de werkgever tijdelijke werkloosheid moest inroepen, zodat de zwaarst getroffen sectoren ook het meest worden gecompenseerd. De Raad van State heeft erop gewezen dat de memorie van toelichting weinig informatie bevat over het verdeelmechanisme voor de werkgevers van arbeiders. Voor de werkgevers van bedienden is die informatie wel uitgebreid opgenomen. De spreekster gaat ervan uit dat het om dezelfde compensatieregeling gaat en wil daarvan graag bevestiging krijgen van de minister. Voor de bepaling van het percentage van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid wordt er enkel rekening gehouden met de gegevens van het eerste en het tweede kwartaal van 2021, terwijl het aantal besmettingen vooral de jongste maanden fors is toegenomen. Kan er geen rekening worden gehouden met de vier kwartalen of zo nodig met het vierde kwartaal van vorig jaar? Op die manier kan meer met de reële situatie rekening worden gehouden. De spreekster vraagt dat, indien de maatregel volgend jaar opnieuw zou worden genomen, de berekening zou worden gemaakt op basis van een volledig in plaats van een halfjaar. Antwoorden van de minister De heer Pierre-Yves Dermagne, vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, benadrukt dat er geen verschil is met vorige jaren. Dezelfde steunmaatregelen worden ingevoerd. De Europese Commissie heeft daarover geen opmerkingen gemaakt. Het is een gelijkstelingsoefening voor alle sectoren. Die beoogt dus niet één sector in het bijzonder. Het is een algemene regel voor de hele arbeidsmarkt. Daarom menen we dat er geen melding moet worden gemaakt. Dat is ook wat vorig jaar werd gedaan Wat de verdeling tussen arbeiders en bedienden betreft, werd het advies van de sociale partners opgevolgd. In het algemeen werden arbeiders vaker werkloos dan bedienden. Voor de arbeiders worden alle periodes in aanmerking genomen over het gehele jaar. De suggestie van mevrouw Lanjri zal de minister meenemen in de besprekingen met de sociale partners. De minister stelt in antwoord op de opmerking van de heer Verreyt dat er geen discriminatie is tussen de bedrijven in Wallonië en Vlaanderen wat de steunmaatregelen ten gevolge de overstromingen betreft. ledereen kan beroep doen op de tijdelijke werkloosheid. Uiteraard is er meer nood in Wallonië omdat daar nu eenmaal meer bedrijven getroffen waren. Het betreft inderdaad een steunmaatregel naast de steunmaatregelen voor de horeca die reeds bestaan of mogelijks nog worden uitgewerkt, zoals mevrouw Reuter reeds opmerkte. Met betrekking tot het artikel 52 van voorliggend ontwerp van programmawet kunnen gevallen van fraude onder het Sociaal Strafwetboek vallen. Dat geldt voor elke vorm van fraude of dit nu gaat over werkloosheidsuitkeringen of andere uitkeringen. De minister hoopte dat nieuwe steunmaatregelen niet nodig zouden geweest zijn. Helaas heeft de ontwikke ling van de pandemie daar anders over beslist. Er zullen dus steunmaatregelen moeten blijven genomen worden voor alle sectoren. Wat de vragen naar een structurele hervorming van het arbeidsmarktbeleid betreft, meent de minister dat het mogelijks nu niet het moment is om dit door te voeren. De minister is bereid voorstellen te doen, maar gezien de vierde golf en de crisis waarin onze economie nu reeds in verkeerd is een hervorming toch niet een goed idee. Replieken De heer Björn Anseeuw (N-VA) meent zich nochtans te herinneren dat de opmerkingen van de Europese Commissie vorig jaar toch wel tot enig repartiewetgeving aanleiding heeft gegeven. Als de minister zegt dat de voorliggende maatregelen geen opmerkingen heeft opgeleverd van de Europese Commissie, betekent dit dat zij werden voorgelegd aan de Europese Commissie? De heer Anseeuw stelt dat de Raad van State nochtans heeft opgemerkt dat dit zou moeten gebeuren. De regering gaat daar dus gewoon aan voorbij. ‘De minister bevestigt dat dit geen voorwerp is geweest van een notificatie. De Commissie heeft wel alle steunmaatregelen van de verschillende lidstaten onderzocht en die hebben geen opmerkingen opgeleverd. Op dit vlak is hij niet akkoord met het advies van de Raad van State. De heer Anseeuw betreurt verder dat de minister meent dat het niet het goede moment is om structurele hervormingen door te voeren. Nu wordt de coronacrisis, als voorwendsel gebruikt, maar zo zal er altijd wel iets, zijn om het niet te moeten doen.

C. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen

Art. 43 tot 49 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Art. 50 tot 53 Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 9 tegen 3 stemmen en 1 onthouding Art. 53/1 tot 53/2 (nieuw) Mevrouw Ellen Samyn en de heer Hans Verreyt (VB) dienen amendementen nrs. 6 tot 8 in om een nieuw

hoofdstuk 4

in te voegen (DOC 55 2349/03). De heer Verreyt stelt dat deze betrekking hebben op het ouderschapsverlof voor jonge weduwnaars en weduwen die na het overlijden van hun partner alleen moeten instaan voor de gezinstaken en de opvoeding van de kinderen. Die personen komen in een moeilijke situatie terecht, zowel emotioneel, financieel, administratief als organisatorisch. Vandaag vervalt het niet opgenomen (deel van het) ouderschapsverlof van de overleden partner. De amendementen pleiten voor de overdraagbaarheid van het niet opgenomen saldo van het ouderschapsverlof van de overleden partner op de overblijvende partner. De amendementen nrs. 6 tot 8 worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 1 stemmen II - PENSIOENEN (ARTIKELEN 94 TOT 105) met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris Mevrouw Karine Lalieux, minister van Pensioen en Maatschappelijke integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris, benadrukt dat dit ontwerp van programmawet voor het onderdeel pensioenen (Titel 7) drie onderwerpen bevat: het aanvullend pensioen voor de beroepssporters, de integratie van de twee pensioendatabanken en de modernisering van de overgangsuitkering. ‘Aanvullende pensioenen worden in principe uitbetaald op het ogenblik van de pensionering en ten vroegste op het moment waarop de aangeslotene voldoet aan de voorwaarden om met vervroegd wettelijk pensioen te gaan (de zogenaamde P-datum). Op deze regel bestaat sinds lang een uitzondering voor de betaalde sportbeoefenaars. Zij kunnen hun aanvullend pensioen opnemen vanaf de leeftijd van 35 jaar. In het licht van de globale oefening om het statuut van de beroepssporter in lijn te brengen met de algemene regels werd ook de leeftijd voor de opname van het aanvullend pensioen gelijkgeschakeld. Voortaan gelden voor de betaalde sportbeoefenaars dezelfde regels als voor andere werknemers. Het aanvullend pensioen zal ten vroegste kunnen worden uitbetaald op de P-datum en uiterlijk bij de pensionering. Het regeerakkoord stelt uitdrukkelijk dat de door de regering beoogde pensioenhervorming zal gebeuren met respect voor verworven rechten. De minister zal niet raken aan de reeds opgebouwde rechten. Daarom voorziet artikel 94 ook in een overgangsbepaling voor de bestaande overeenkomsten. De op 20 oktober 2021 reeds bij een pensioenstelsel aangesloten betaalde sportbeoefenaars kunnen, net als, voorheen, vanaf de leeftijd van 35 jaar hun aanvullend pensioen opnemen. De nieuwe regels zullen op hen van toepassing zijn wanneer zij een nieuwe overeenkomst ondertekenen.

Artikel 95 voegt twee nieuwe doelstellingen toe aan de bij de statuten bepaalde doelstellingen van de databank aanvullende pensioenen (DB2P) Aldus wordt de wettelijke grondslag gecreëerd om in de DB2P de gegevens op te nemen betreffende de uitbetaling (en niet louter de opbouw) van de aanvullende pensioenen. Die gegevens zijn nodig voor de controle op de inning van de ZIV-inhouding en de solidariteitsbijdrage door de Federale Pensioendienst. Op die manier geeft de minister een antwoord op de aanbeveling van het Rekenhof in zijn rapport over de aanvullende pensioenen. Vandaag de dag wordt gebruik gemaakt van twee aparte databanken. Hierdoor worden anomalieën niet opgemerkt. Door de integratie van de bestaande databanken kunnen de controles worden versterkt.

Hoofdstuk 3

(de artikelen 96 tot 105) wijzigt het huidige stelsel van de overgangsuitkering. Die wijziging geldt op dezelfde wijze voor de overheidssector, voor de werknemers en voor de zelfstandigen. Minister David Clarinval heeft dat voor de zelfstandigen reeds toegelicht in de commissie. Met voorliggend ontwerp van programmawet moderniseert de regering de overgangsuitkering die in 2015, in de plaats kwam van het overlevingspensioen voor jonge weduwen. Eris op dat moment echter te weinig rekening gehouden met de realiteit van deze burgers. De minister hecht bijzonder veel belang aan de situatie van de vrouw en haar sociale bescherming. Mevrouw Lalieux heeft diverse ervaringsdeskundigen ontmoet en naar hen geluisterd. De minister is dan ook fier hier vandaag deze realisatie te kunnen voorleggen. Het werk is echter niet af. De globale discussie over de hervorming van de gezinsdimensie zal gevoerd worden. De uitbreiding naar de wettelijk samenwonenden bijvoorbeeld is een logische volgende stap. Maar deze heeft implicaties op diverse gebieden. Deze zullen de sociale partners aanpakken. Maar daar konden deze jongen weduwen en weduwnaars niet op wachten. De huidige duur van de overgangsuitkering is eenvoudigweg te kort, zowel menselijk als financieel, zeker voor de uitkeringsgerechtigden met een of meer (jonge) kinderen ten laste. Daarom wordt de duur verlengd: - van 12 tot 18 maanden voor iedereen; - van 24 tot 36 maanden voor iemand met een kind ten laste; - van 24 tot 48 maanden voor iemand met een kind jonger dan 13 jaar ten laste. Dat onderscheid op grond van de leeftijd van het kind wordt gerechtvaardigd door het feit dat een kind ouder dan 13 jaar als zelfstandiger kan worden beschouwd dan een kind jonger dan 13 jaar. Op die leeftijd gaat men doorgaans over van het lager naar het secundair onderwijs. Voorts wordt die leeftijd ook gebruikt in de regelgeving betreffende de kinderbijslag. Voor de kinderen met een handicap zal de overgangsuitkering steeds voor een periode van 48 maanden worden toegekend. De definitie zal bij KB worden bepaald.

Artikel 96 voorziet in de verlenging van de duur in de overheidssector. Het is voor de uitkeringsgerechtigden niet altijd eenvoudig om te weten of ze recht hebben op een overlevingspensioen of op een overgangsuitkering. Derhalve zal de aanvraag van een overlevingspensioen gelden als, een aanvraag van een overgangsuitkering en omgekeerd.

Artikel 97 van het ontwerp van programmawet is een overgangsmaatregel voor deze verlenging. Gerechtigden die op 1 oktober 2021 nog een overgangsuitkering ontvingen, hebben namelijk ook recht op de verlenging, volgens dezelfde nadere voorwaarden. Deze bepalingen hebben dus uitwerking vanaf 1 oktober 2021.

Artikel 99 betreft de verlenging van de overgangsuitkering in het pensioenstelsel van de werknemers, volgens dezelfde nadere regels Artikel 100 voert een gewaarborgde minimumovergangsuitkering in. Dientengevolge zal de overgangsuitkering voortaan minstens evenveel bedragen als het overlevingspensioen. Zulks geldt alleen voor het pensioenstelsel van de werknemers, daar in de andere stelsels reeds in een minimum wordt voorzien.

Artikel 101 betreft een overgangsbepaling, teneinde in het pensioenstelsel van de werknemers eenzelfde overgangsmaatregel op te nemen als die welke voor de overheidssector geldt. De overgangsmaatregel is dus dezelfde als in artikel 97. Deze bepalingen zullen dus in werking treden vanaf Met die hervormingen beoogt de minister meer sociale rechtvaardigheid te brengen in het pensioenstelsel De heer Wim Van der Donckt (N-VA) deelt mee dat zijn partij het artikel 94 zal goedkeuren. De N-VA is de voorgestelde aanpassing van het aanvullend pensioen voor sportbeoefenaars altijd genegen geweest. De beslissing van de minister is logisch en billijk, met de nodige overgangsmaatregelen. Men mag van sportbeoefenaars verwachten dat zij na een relatief korte actieve loopbaan in de sport nog een andere loopbaan opbouwen. Voor de meeste topsporters in disciplines waar minder geld te verdienen valt, bestaat die regeling reeds. Er was bijgevolg geen enkele aanvaardbare reden ‘om het uitzonderingsregime voor onder meer voetbal lers te handhaven. De spreker steunt het objectief van het artikel 95 van voorliggend ontwerp van programmawet, maar hij merkt op dat de Raad van State wel had geadviseerd om een advies te vragen aan de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA). Is dat gebeurd? Als er een advies is van de GBA, geeft de spreker aan voor te stemmen; zo niet, dan zal hij zich onthouden. De artikelen 96 tot 105 kan de spreker minder appreciëren. Hij ziet niet in waarom de huidige overgangsuitkering zou moeten worden gewijzigd. Volgens de heer Van der Donckt gaat het reeds om een billijke regeling, die nog voldoende activerend is. Het kan toch niet de bedoeling zijn om een persoon jonger dan 50 jaar extra te stimuleren om langer inactief te blijven? Dat is ook in tegenspraak met het regeerakkoord om zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen. Daarnaast begrijpt de spreker ook niet waarom de regeling retroactief wordt toegepast. Tevens zou hij graag de budgettaire kostprijs van de maatregel vernemen. ‘Ten slotte deelt de heer Van der Donckt mee dat zijn partij de amendementen nrs. 1 en 2 (DOC 55 2349/003) van mevrouw Thémont zal goedkeuren. Het is immers evident dat in de huidige crisisperiode de bedoelde maatregelen worden verlengd. De N-VA zal zich wel onthouden op amendement nr. 3 (DOC 55 2349/03), omdat de partij niet akkoord kan gaan met het verregaande mandaat aan de Koning om de termijn na juni 2022 nog te verlengen en het toepassingsgebied uit te breiden, zonder dat het Parlement daarbij zou worden betrokken. De spreker vermoedt zelfs dat de Raad van State in dezen dezelfde opmerking zou maken. Mevrouw Sophie Thémont (PS) verheugt zich erover dat de minister oor heeft gehad naar de oproep van verscheidene verenigingen om iets te doen aan de vele moeilijkheden van personen die hun partner hebben verloren. Het overlijden van een echtgenoot heeft immers grote gevolgen voor een gezin, waarbij plots alle lasten terechtkomen bij de overlevende partner. De minister wenst het recht uit te breiden naar wettelijk samenwonenden. De spreekster herinnert eraan dat ze samen met mevrouw Vanrobaeys een voorstel van resolutie (DOC 55 1909/001) heeft ingediend waarin de regering wordt verzocht om het recht op een overgangsuitkering eveneens toe te kennen aan samenwonenden en niet enkel aan gehuwde personen. ‘Ten slotte is mevrouw Thémont de minister erkentelijk voor de manier waarop zij de administratieve afhandeling van dossiers voor weduwen en weduwnaars heeft vereenvoudigd. Mevrouw Ellen Samyn (VB) stelt vast dat de grote pensloenhervorming die werd aangekondigd, met enkele luttele bepalingen in deze programmawet alleszins nog niet uit de startblokken is geschoten. Desondanks kan haar partij de drie voorliggende wetsaanpassingen wel goedkeuren. De spreekster vindt het een goede zaak dat de uitzondering voor sportbeoefenaars om reeds op 35-jarige leeftijd hun aanvullend pensioen op te nemen aan uiterst gunstige fiscale voorwaarden, wordt afgeschaft. Ook de overgangsmaatregel kan haar goedkeuring wegdragen. Het VB steunt ook het voornemen tot integratie van de pensioendatabanken, die er komt na een advies van het Rekenhof. Mevrouw Samyn maakt de minister er attent op dat ze al eerder vragen heeft gesteld over de uitvoering van de aanbevelingen van het Rekenhof, waardoor de databank voor aanvullende pensioenen nog meer als een centraal instrument voor de bevolking en de pensioendiensten kan worden ingezet. Hiermee zal een betere controle mogelijk zijn op de inning van de ZIV-bijdragen en de solidariteitsbijdrage door de FPD. Een eerlijke fiscaliteit begint immers bij het correct innen van wat de wetgever heeft voorgeschreven. De derde maatregel betreft de verlenging van de periodes waarvoor een overlevingspensioen wordt gegeven. Ook die maatregel juicht mevrouw Samyn toe omdat de betrokkenen daardoor iets meer ademruimte krijgen om het verlies van hun partner te verwerken en hun leven te herorganiseren. Dat is immers niet altijd eenvoudig na het overlijden van een partner. De vraag was al gesteld door een aantal belangenorganisaties. De spreekster verwijst ook naar haar interpellatie van 4 maart 2021 tot verbetering van de situatie van weduwen, weduwnaars, en/of weeskinderen. Ze verheugt zich erover dat daaraan nu gevolg wordt gegeven. Wel betreurt ze dat haar amendement ter zake, dat ze destijds indiende op het voorstel van resolutie met betrekking tot de ondersteu ning van weduwen en weduwnaars die hun partner verliezen, werd weggestemd. (DOC 55 1909/004). Dat de regeringspartijen de bezorgdheid van de spreekster nu blijken te delen, stemt haar tevreden. ‘Ook de amendementen van mevrouw Thémont dragen de goedkeuring weg van de spreekster. De heer Christophe Bombled (MR) vindt het een goede zaak dat bij de hervorming van de overgangsuitkering ook is gestreefd naar een harmonisering van de verschillende pensioenstelsels. Tevens is de spreker tevreden dat in rouw gedompelde gezinnen dankzij de nieuwe regeling langer financieel ondersteund zullen worden. Verschillende belangenverenigingen vroegen daar ook om tijdens hoorzittingen. De spreker brengt in herinnering dat hij ondertekenaar is van een wetsvoorstel (DOC 55 1862/001) dat twee doelstellingen beoogt. In de eerste plaats wil het. voorstel de Federale Pensioendienst verplichten om de overlevende echtgenoot binnen de twee maanden in te lichten over zijn rechten. Daarnaast beoogt het wetsvoorstel het recht op een overgangsuitkering uitte breiden naar wettelijk samenwonenden. De heer Bombled betreurt dat het eerste punt niet in de voorgestelde hervorming van de minister is opgenomen, maar hij hoopt dat daarover een omzendbrief kan worden overgezonden aan de administratie. De spreker begrijpt dat de uitbreiding van het recht voor wettelijk samenwonenden een budgettaire impact zal hebben. Kan de minister becijferen hoeveel bijkomende begunstigden in dat geval recht zouden hebben op een overgangsuitkering? Wat zou daarvan de kostprijs, zijn? Zal deze uitbreiding in de nabije toekomst kunnen worden verwezenlijkt? Wat het aanvullend pensioen voor sportbeoefenaars en de antimisbruikbepalingen betreft, steunt de heer Bombled de doelsteling van de minister om de verschillen, tussen het werknemerspensioen en sommige uitzonderingsregimes, zoals het pensioen voor sportbeoefenaars, geleidelijk op te heffen. ‘Ten slotte onderschrijft de heer Bombled de ingediende amendementen, waarmee een aantal tijdelijke maatregelen voor de zorgsector worden verlengd tot eind juni 2022. De sector kampt immers ook tijdens de vierde coronagolf met een dramatisch tekort aan werkkrachten. Gelukkig willen gepensioneerden nog een bijdrage leveren. Zij hebben de knowhow en kunnen de zorgsector - en de bevolking in het algemeen - helpen om deze zware beproeving te doorstaan Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) steunt de bepalingen uit het wetsontwerp. De aanpassingen inzake de overgangsuitkering zijn voor haar partij het belangrijkste. Het is immers heel zwaar om een partner of een kind te verliezen. In 2015 is het weduwepensioen aangepast met het oog op het activeren van de mensen. Weduwen onder de 48 jaar - ondertussen is die leeftijd wat opgeschoven - zouden voortaan een overgangsuitkering krijgen die zij kunnen cumuleren met een inkomen uit arbeid. Sommige leden beweren dat de voorgestelde wijziging de inactiviteit stimuleert, maar dat is volgens de spreekster niet het geval. Een persoon die zijn partner verliest, krijgt sowieso een overgangsuitkering en mag daarnaast ook blijven werken. De uitkering vangt het verlies van het tweede inkomen op. ‘Tot nu toe had men gedurende 12 maanden recht op een overgangsuitkering, of 24 maanden voor wie kinderen had, maar die periode is te kort. Dat hebben de belangenverenigingen ook duidelijk gemaakt tijdens de hoorzittingen naar aanleiding van het wetsvoorstel van mevrouw Lanjri over de verlenging van het rouwverlcf. De spreekster is heel blij dat het rouwverlof intussen is, uitgebreid van 3 naar 10 dagen bij het verlies van een kind of van een partner. Vandaag ligt de verlenging van de overgangsuitkering op tafel, waarvoor mevrouw Lanjri reeds eerder zelf een wetsvoorstel (DOC 55 1856/001) had ingediend. Om die reden is de spreekster heel blij dat de minister dat idee heeft opgepikt en dat ze ook de sector ter zake heeft geraadpleegd. De spreekster is verheugd dat in de nieuwe regeling Jonge weduwen en weduwnaars zonder kinderen voortaan 18 maanden recht hebben op een overgangsuitkering en dat voor weduwen en weduwnaars met kinderen de periode wordt opgetrokken tot 36 maanden wanneer de kinderen ouder zijn dan 13 jaar en tot 48 maanden wanneer de kinderen jonger zijn dan 13 jaar. Mevrouw Lanjri verzoekt de minister om te bevestigen dat de maximum periode van 48 maanden wel degelijk wordt toegekend zodra een van de kinderen jonger dan 13 jaar is De spreekster betreurt wel dat het budgettair onhaalbaar blijkt te zijn om de nieuwe termijnen retroactief toe te passen voor de mensen die sinds het jaar 2015 hun partner hebben verloren, nadat dus de nieuwe regeling in werking is getreden ‘Ten slotte is mevrouw Lanjri tevreden dat de regering de mogelijke uitbreiding van de overgangsuitkeringen voor samenwonenden zal onderzoeken. Het verlies van een partner raakt iedereen, of men nu gehuwd is dan wel wettelijk of feitelijk samenwoont. De spreekster begrijpt dat een en ander in een ruimer kader moet worden beschouwd, omdat een mogelijke uitbreiding ook gevolgen kan hebben voor andere uitkeringen en pensioenen. Mevrouw Tania De Jonge (Open Vld) stemt in met de logische maatregel betreffende het aanvullend pensioen voor sportbeoefenaars. Er is immers geen enkele reden waarom professionele sportbeoefenaars vanaf 35 jaar niet meer actief zouden kunnen zijn op de arbeidsmarkt en reeds een aanvullend pensioen zouden opnemen. De tweede wetswijziging gaat over de integratie van de gegevens met betrekking tot de uitbetaling van de aanvullende pensioenen. De spreekster begrijpt dat een deel van de bijdragen momenteel niet wordt geïnd. Wat is de verwachte opbrengst van de nieuwe maatregel? Voor mevrouw De Jonge getuigt het van goed bestuur ‘om de overgangsuitkering, die in 2015 werd ingevoerd, na 6 jaar te evalueren en aan te passen. De betrokke nen vinden de uitkeringsperiode inderdaad te kort en betreuren dat er weinig rekening wordt gehouden met de gezinssituatie, met name met de leeftijd van de kinderen. Toch vraagt de spreekster om de effecten van de wetswijziging op de activiteitsgraad goed te monitoren. Hetis goed dat de overheid in een financieel stootkussen voorziet bij het verlies van een partner, zeker wanneer men nog beroepsactief is en wanneer er kinderen zijn. Naast de emotionele shock, zijn er ook zware financiële en praktische gevolgen na het overlijden van een partner. ‘Toch waarschuwt mevrouw De Jonge ervoor dat een lange inactiviteit de terugkeer naar de werkvloer sterk kan bemoelljken. Ook wijst het lid op het verschil met het Overlevingspensioen, dat strikte voorwaarden oplegt voor het cumuleren met een beroepsinkomen, met duidelijke inactiviteitsvallen tot gevolg. Het is volgens haar echter niet uitte sluiten dat ook de verlenging van de duur van de overgangsuitkering voor een aantal mensen tot een langere inactiviteit zal leiden. Mevrouw De Jonge wenst ten slotte te vernemen wat de geschatte jaarlijkse kostprijs is van de uitbreiding van de maatregel voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen. Mevrouw Anja Vanrobaeys (Vooruit) dankt de minister ‘omdat ze de regelgeving inzake het aanvullend pensioen voor topsporters gelijkstelt aan de regels die op andere werknemers van toepassing zijn. De spreekster had daarvoor reeds zelf een wetsvoorstel (DOC 55 955/001) ingediend om die bijzonder onrechtvaardige regeling uit de wereld te helpen. Een beperkt aantal topsporters, vooral voetballers uit de Jupiler Pro League, sparen een kapitaal bijeen met fiscale voordelen, dat ze vervolgens op 35-jarige leeftijd kunnen opnemen. Eindelijk zal er een einde worden gesteld aan die vorm van loonoptimalisatie, waarbij men trachtte de fiscale en sociale bijdragen te minimaliseren. Mevrouw Vanrobaeys is ook tevreden met de uitbreiding van de overgangsuitkering. Uit de hoorzittingen is, duidelijk gebleken in welke schrijnende situaties mensen soms terechtkomen. Wie op jonge leeftijd zijn partner verliest, moet kunnen rekenen op een sterke overheid en ondersteuning van de sociale zekerheid, zeker wanneer de overlevende partner achterblijft met kinderen. Om die reden heeft de spreekster daarover destijds samen met mevrouw Thémont een voorstel van resolutie (DOC 55. 1909/001) ingediend. Men kan de uitkering ook combineren met een inkomen uit arbeid. Het is dus zeker niet de bedoeling om vrouwen die hun partner verliezen in de inactiviteit te duwen. Mevrouw Vanrobaeys verwijst ook naar rechtspraak, waarin de algemene beperking van de overgangsuitkering tot 2 jaar strijdig werd geacht met sociale grondrechten en het standstllbeginsel. In die zin herstelt de minister in haar ontwerp de sociale grondrechten van personen die een zware tegenslag te verwerken krijgen. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) is tevreden dat de minister met de maatregel inzake het aanvullend pensioen voor sportbeoefenaars de billijkheid in het pensioensysteem herstelt. De spreekster zou wel graag weten op hoeveel personen de nieuwe regeling betrekking heeft. Daarnaast merkt ze op dat de voorliggende regeling slechts één aspect behandelt van het fiscale en parafiscale beleid ten aanzien van topsporters. Hoever staat de regering intussen om ook voor andere belangrijke onderdelen te komen tot een billijke verdeling van de sociale en fiscale lasten tussen topsporters en andere beroepsgroepen? Met betrekking tot de integratie van de gegevens inzake de uitbetaling van aanvullende pensioenen waarschuwt de spreekster ervoor dat volgens de Raad van State een advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) noodzakelijk is. Het gaat immers duidelijk om de verwerking van persoonsgegevens. De minister heeft daarop gerepliceerd dat er geen sprake is van een nieuwe vorm van gegevensverwerking maar enkel van een integratie van bestaande dataverwerkingen. De spreekster merkt op dat de regering wel vaker haar toevlucht neemt tot zulke niet-toereikende argumenten om de GBA te omzeilen. In dit geval heeft de regering ook voldoende tijd om het advies te vragen. Mevrouw Fonck betreurt dat de jongste weken verschillende dossiers door het Parlement worden gejaagd zonder respect voor de gel dende regelgeving en zonder raadpleging van de GBA, wat tevens de rechtszekerheid ondermijnt. Daarom pleit de spreekster er nogmaals voor om de nieuwe bepaling zoals vereist voor te leggen aan de GBA, Voorts vraagt mevrouw Fonck of de betreffende gegevens ook op de website mypension.be zullen worden vervolledigd. De minister pleit er immers in haar beleidsnota voor om burgers via dat kanaal een meer volledig zicht te bieden op hun pensioenrechten. De aanpassing van de overgangsuitkering gaat in de goede richting, maar de spreekster heeft daarbij wel een opmerking en een vraag. De minister voert een onderscheid in op basis van de leeftijd van de kinderen, maar die leeftijdsgrens is niet van toepassing op kinderen met een handicap. Dat is, op zich een goede zaak, maar mevrouw Fonck vreest dat de minister daarbij de kinderen met een ernstige ziekte uit het oog heeft verloren. Dat is problematisch, aangezien de leeftijdsgrens van 13 jaar voor die kinderen geen juist criterium is. Zolang zij nood hebben aan bijkomende zorg vanwege hun ziekte, moet voor hen dezelfde uitzonderingsregel worden toegepast die geldt voor kinderen met een handicap. Waarom is hiermee geen rekening gehouden in het wetsontwerp? Zulke situaties, komen weliswaar zelden voor, maar ze zijn zeer ernstig en heel zwaar om dragen voor de getroffen gezinnen. Vervolgens haalt mevrouw Fonck de vragen aan die de Ligue des familles heeft opgeworpen naar aanleiding van deze wetswijziging. Zo vraagt de Ligue dat de overgangsuitkering bij het overlijden van een echtgenoot automatisch zou worden toegekend om te vermijden dat de overlevende partner, die reeds bedolven wordt door allerlei paperassen, daarvoor nog bijkomende administratieve stappen zou moeten zetten, en om te verzekeren dat alle rechthebbenden de uitkering ook zouden krijgen. Waarom heeft de minister geen rekening gehouden met dat verzoek? Daarnaast merkt de Ligue des familles op dat er te weinig voorheffing wordt ingehouden op de uitkering, waardoor begunstigden vaak twee jaar later flink moeten bijbetalen. Net op het moment dat zij geen recht meer hebben op financiële steun, moeten ze geld terugbetalen dat soms reeds is uitgegeven. Daarom vraagt de Ligue des familles dat de overgangsuitkering zou worden vrijgesteld van belastingen. Mevrouw Fonck zou over die kwestie graag het standpunt van de minister kennen. Mevrouw Karine Lalieux, minister van Pensioenen, antwoordt aan mevrouw Fonck dat de nieuwe regeling voor de aanvullende pensioenen voor het jaar 2020 betrekking heeft op 2 872 personen en een bedrag van 226 miljoen euro aan reserves. Reeds verworven rechten blijven uiteraard behouden. Met betrekking tot de gegevensbanken verduidelijkt de minister dat ze geen advies heeft gevraagd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) omdat Sigedis en de Federale Pensioendienst (FPD) daarover reeds adviezen hadden ingewonnen in 2009 en 2013. De ontvangen adviezen van de GBA waren gunstig. Bovendien was de toestemming om de gegevens inzake de ZIV-bijdrage en de solidariteitsbijdrage te gebruiken, reeds opgenomen in de wet. Aan mevrouw De Jonge antwoordt de minister dat de bijkomende inkomsten van de maatregel worden geraamd op 19 miljoen euro per jaar. De impact zal ook worden gemonitord. Verschillende leden hebben erop gewezen dat de overgangsuitkering gecumuleerd kan worden met inkomsten, in het bijzonder met inkomsten uit arbeid. Voor de overlevingspensioenen geldt een ander wettelijk kader. De minister maakt de leden er attent op dat de overblijvende partner, meestal een vrouw, een inkomen verliest terwijl de facturen - huurgeld, de afbetaling van een hypothecaire lening, de schoolkosten voor de kinderen - niet dalen. De overgangsuitkering is bedoeld om te voorkomen dat er bovenop het familiale drama ook nog eens een financieel drama komt. Daarvoor voorziet het ontwerp ook in een minimumuitkering van 1 416 euro. ‘Ten aanzien van de heer Van der Donckt antwoordt de. minister dat van de overlevende partners, hoofdzakelijk weduwen, 65 % even actief blft op de arbeidsmarkt als, voor het drama en dat zelfs 23 % meer gaat werken. De overgangsuitkering creëert bijgevolg geen werkloosheidsval. Dat probleem rijst wel bij het overlevingspensioen, dat niet met andere inkomsten kan worden gecumuleerd. Die twee zaken mogen volgens de minister niet met elkaar worden verward. Met de overgangsuitkering wil de regering vermijden dat gezinnen in de armoede terechtkomen en dat kinderen, naast het verlies van een ouder, ook nog hun huis of hun hobby's zouden verliezen. Dat is een zaak van sociale rechtvaardigheid. De minister verduidelijkt dat de kostprijs van de maatregel 7 miljoen euro bedraagt in 2022 en dat hij gevolgen zal hebben voor 1 260 personen, waarvan de helft kinderen ten laste heeft. Aangezien de uitkering beperkt is in de tijd, zullen de kosten ook niet sterk stijgen. Na maximaal 4 jaar zullen de begunstigden hun uitkering verliezen. ‘Ten aanzien van mevrouw Lanjri deelt de minister mee dat een retroactieve toepassing 70 miljoen euro zou hebben gekost, waarvoor geen budget beschikbaar is. Verschillende leden hebben verwezen naar de problematiek van de samenwonenden. De minister deelt mee dat alle experts daarbij waarschuwingen hebben geuit. Een uitbreiding naar samenwonenden zou 25 miljoen euro extra hebben gekost. Het probleem is vooral dat in verschillende andere pensioenregelingen, in het bijzonder het overlevingspensioen, geen rekening wordt gehouden met samenwonenden. Om die reden zou de overheid een klacht wegens discriminatie riskeren, aangezien vergelijkbare situaties dan op een ongelijke manier zouden worden behandeld. De minister concludeert daaruit dat alleen een globale hervorming van de regelgeving mogelijk is. Daarom zullen in het kader van de algemene pensioenhervorming de gevolgen van de verschillende gezinsdimensies, waaronder het statuut van samenwonenden, in overweging worden genomen. Het gebrek aan samenhang en de anomalieën in de huidige regelgeving zijn reeds geschetst in het verslag van de Commissie Pensioenhervorming. De minister deelt tevens mee dat de kostprijs voor de zelfstandigen 1,5 miljoen euro bedraagt voor 2022. Met betrekking het leeftijdscriterium voor kinderen verduidelijkt de minister dat kinderen op de leeftijd van 13 jaar meestal naar het middelbaar onderwijs gaan, wat ook in kinderbijslagregelingen vaak als argument wordt gebruikt. Ook wanneer een van de kinderen op het tijdstip van overlijden van een partner nog jonger dan 13 jaar is, geldt de regeling voor de jonge kinderen. Bovendien is bij de vaststelling van het recht op een overgangsuitkering de datum van overlijden van de partner richtinggevend: als de echtgenoot vandaag overlijdt en het kind wordt 13 jaar over veertien dagen, dan heeft de overblijvende partner recht op 4 jaar overgangsuitkering. Dat biedt een zekere stabiliteit aan het gezin op het vlak van de inkomsten. De minister is het eens met de heer Bombled dat vele mensen de overgangsuitkering niet kennen, aangezien de wet nog niet zolang geleden is aangepast. Om die reden zal er een informatiecampagne worden georganiseerd voor de gemeentelijke overheden. Aangezien men voor de akte van overlijden naar het gemeentehuis, moet gaan, is het immers van belang dat de gemeen: teambtenaren over de juiste informatie beschikken, wat vandaag nauwelijks het geval is. Daarnaast zullen er meer algemene informatiecampagnes komen, maar de minister maakt daarbij de bedenking dat niemand zoiets bekijkt zolang zijn of haar partner nog leeft. Om die reden heeft het volgens haar geen zin een grote nationale campagne op poten te zetten. De minister vindt het wel belangrijk dat de pensioendiensten proactief optreden. Zo kan een foutieve aanvraag voor een overlevingspensioen, terwijl men recht heeft op een overgangsuitkering, in de juiste vorm worden omgezet. Burgers moeten voldoende op de hoogte worden gebracht van hun rechten, ook om de non take-up van rechten te vermijden. De minister bevestigt dat de overgangsuitkering net zoals andere sociale uitkeringen en inkomsten wordt belast. In de brief van de Federale Pensioendienst zal in vet worden vermeld dat begunstigden op hun uitkering nog belastingen zullen moeten betalen en dat ze contact kunnen opnemen met Financiën voor een berekening of om aanvullende voorschotten te betalen. ‘Ten aanzien van mevrouw Fonck stelt de minister dat een kind met een handicap een erkend en duidelijk statuut heeft. Wat moet worden verstaan onder een ernstige ziekte is daarentegen moeilijker te definiëren. Mevrouw Catherine Fonck (cd) vraagt zich af of de regering naast de kwestie van het aanvullend pensioen ook de andere fiscale en parafiscale aspecten van het beleid ten aanzien van sportbeoefenaars billiker zal maken. De spreekster is het helemaal niet eens met de minister dat een advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) over de dataverwerking niet nodig zou zijn. Het is niet omdat een wet eerder is voorgelegd aan de GBA dat ze later zou kunnen worden gewijzigd zonder advies, van de GBA. Daarom nodigt mevrouw Fonck de minister uit om alsnog het advies te vragen. Met betrekking tot de overgangsuitkering stelt mevrouw Fonck dat in de socíalezekerheidswetgeving wel degelijk duidelijke definities in verband met ernstige ziekte zijn opgenomen, bijvoorbeeld in het kader van de maximumfactuur (MAF) voor chronisch zieken. De spreekster besluit daaruit dat het een politieke beslissing is geweest om met die groep kinderen geen rekening te houden. Zij betreurt dat, want de betrokken gezinnen - waarbij de echtgenoot is overleden - bevinden zich in een zeer moelijke situatie. De heer Wim Van der Donckt (N-VA) onderschrijft de bewering van mevrouw Fonck: het advies van de GBA moet worden ingewonnen. Ook de Raad van State heeft dat gezegd. Eerdere adviezen over afzonderlijke databanken sluiten niet uit dat voor de voorgestelde wijziging een nieuw advies moet worden ingewonnen. De spreker wijst er bovendien op dat er geen sprake kan zijn van tijdsgebrek, want de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft in het kader van de programmawet ook adviezen gevraagd en tijdig ontvangen van de GBA, Art. 94 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt Artikel 94 wordt eenparig aangenomen.

Art. 95 tot 105 Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 12 stemmen tegen 2 onthoudingen, Art. 105/1 tot 105/2 (nieuw) Mevrouw Sophie Thémont c.s. dient de amendementen nrs. 1 tot 3 in (DOC 55 2349/02) die tot doel hebben ‘om het bepaalde sectoren, zoals de zorgsector en de vaccinatiecentra, gemakkelijker te maken een antwoord te bieden op de uitzonderlijke omstandigheden vanwege de COVID-19-crisis. Amendement nr. 1 (DOC 55 2349/002) strekt ertoe een nieuw

hoofdstuk 4

in te voegen tot wijziging van de wet van 7 mei 2020 houdende uitzonderlijke maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvullende pensioenen en andere aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. Het bestaande artikel 3 in de wet van 7 mei 2020 verwijst naar het ministerieel besluit van 23 maart 2020 om te bepalen wat moet worden verstaan onder “de bedrijven van de cruciale sectoren of in de essentiële diensten”. Gelet op het voortduren van de gezondheidscrisis en de veranderlijkheid van de maatregelen is het raadzaam die wettelijke verwijzing uit te breiden. De neutralisatie van het plafond voor het cumuleren van rust en overlevingspensioenen of de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) met inkomsten uit een beroepsactiviteit uitgeoefend door de pensioengerechtigde zelf of zijn echtgenoot, wordt verlengd voor inkomsten uit een beroepsactiviteit uitgeoefend in de periode vanaf 1 oktober 2021 tot en met 30 juni 2022 en voor zover het. gaat om een beroepsactiviteit die aangevat of uitgebreid werd in het kader van de strijd tegen het coronavirus COVID-19. Bovendien moet deze activiteit worden uitgeoefend in de zorgsector of in de instellingen of diensten die belast zijn met de exploitatie van vaccinatiecentra. De minister dankt mevrouw Thémont voor de indiening van de amendementen nrs. 1 tot 3 (DOC 55 2349/00). Sinds het begin van de covidcrisis hebben vele gepensioneerden zich ingezet in zorginstellingen en vaccinatiecentra. Hun hulp is onmisbaar en de mi nister is hen daarvoor erkentelijk. Onder meer vanwege de boostercampagne is het raadzaam de regeling te verlengen tot eind juni 2022. De amendementen nrs. 1 tot 2 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Amendement nr. 3 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 2 onthoudingen. Uil. - ZELFSTANDIGEN Middenstand, Zelfstandigen, KMO's en Landbouw, Institutionele hervorming en Democratische vernieuwing De heer David Clarinval, minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, geeft toelichting bij een aantal maatregelen binnen het sociaal statuut voor de zelfstandigen. Het gaat meer bepaald over: - de overgangsuitkering in het pensioenstelsel, - de financiering van het stelsel en - de moederschapsuitkeringen. Deze maatregelen zijn opgenomen in titel 7, 8 en 9 van het ontwerp. De overgangsuitkeringen in het pensioenstelsel De minister wenst ook in te gaan op de artikelen 103 tot 105 van het ontwerp van programmawet die in hoofdstuk 3, titel 7 - Pensioenen staan. Het gaat om een initiatief van de minister en de minister van pensioenen ‘om de overgangsuitkering te hervormen op een gelijk aardige manier in alle pensioenstelsels: of ten gunste van werknemers, ambtenaren en zelfstandigen. De minister zal enkel de afdeling toelichten die de overgangsuitkering wijzigt in het stelsel van de zelfstan digen. De minister van Pensioenen zal in een volgende commissie het deel toelichten over de werknemers en de ambtenaren. De stemming over alle artikelen over het onderwerp samen zal gebeuren op hetzelfde moment. De overgangsuitkering in het stelsel van de zelfstan digen is een uitkering die tijdelijk wordt uitbetaald, onder bepaalde voorwaarden, aan de overlevende echtgenoot van een zelfstandige die te jong is om te voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde om te genieten van een overlevingspensioen of jonger zijn dan 48 jaar in 2021 Momenteel wordt de overgangsuitkering toegekend voor een periode van - 12 maanden als er geen kind ten laste is op het moment van overlijden; - 24 maanden als er ten minste één kind ten laste is op het moment van overlijden of als er een kind geboren wordt binnen de 300 dagen die volgen op het overlijden. Het doel van de wijzigingen opgenomen in de artike len 103 tot 105 bestaat erin de duur van de overgangsuitkering te verlengen in het stelsel van de zelfstandigen die momenteel te kort is op financieel en menselijk vlak ‘om de overlevende echtgenoten toe te laten het hoofd te bieden aan het overlijden, wat vaak synoniem is met een plots verlies aan inkomsten, bovenop het enorme verdriet. De wil bestaat erin de duur van de overgangsuitkering te verlengen zodat die gaat van: - twaalf maanden nu naar achttien maanden voor de overlevende echtgenoten als er op het moment van overlijden geen kind ten laste is; - vierentwintig maanden nu naar zesendertig maanden als er op het moment van overlijden een kind ten laste is dat de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; - vierentwintig maanden nu naar achtenveertig maanden als er op het moment van overlijden: « een kind ten laste is dat de leeftijd van dertien niet bereikt heeft en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving, «ereen kind ten laste is met een handicap en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; « of er een kind postuum geboren wordt binnen de driehonderd dagen volgend op het overlijden De inwerkingtredingsdatum van deze maatregel is vastgelegd op 1 oktober 2021. Er wordt echter een overgangsmaatregel in uitzicht gesteld voor de overgangsuitkeringen toegekend naar aanleiding van overlijdens voorafgaand aan 1 oktober 2021, maar waarvan de betaling nog steeds loopt na die datum, In deze gevallen wordt de lopende overgangsuitkering met 6 maanden, verlengd voor de gerechtigden zonder kinderen ten laste, met 12 maanden voor degenen met een kind ouder dan 13 jaar, met 24 maanden voor degenen met een kind jonger dan 13 jaar ten laste of met een kind ten laste met een handicap of indien er binnen de driehonderd dagen na het overlijden een kind postuum geboren werd De financiering van het stelsel De minister geeft verder aan dat de bepalingen van

hoofdstuk 1

van Titel 8 - sociale zaken van het ontwerp van programmawet tot doel hebben de bedragen van de alternatieve financiering toegekend aan de twee globale beheren in 2022 forfaitair vast te leggen, zoals dat gedaan werd in 2021, in afwachting van een normalisatie van de inkomsten uit btw en de roerende voorheffing.

Artikel 107 van het ontwerp van programmawet beoogt de bedragen van de alternatieve financiering forfaitair vast te leggen die worden toegekend aan het globaal beheer van het stelsel van de zelfstandigen in 2022. In 2017 werd de overheidsfinanciering in de sociale zekerheid hervormd. Het nieuwe systeem trad bij aanvang echter nog niet volledig in zijn definitieve vorm in werking. De wetgever had immers bepaald dat sommige aspecten van de nieuwe financieringswijze op een later tijdstip nog zouden kunnen worden aangepast. In 2020 werd beslist de alternatieve financiering 2021 te berekenen volgens een methode ad-hoc in plaats van reeds een definitieve regeling uit te werken zoals in de wet van 2017 wordt vooropgesteld ‘Ook 2022 zal geen geschikt jaar zijn om over te gaan tot een definitieve integratie van het bijkomende bedrag aan alternatieve financiering in het basisbedrag. De coronacrisis maakt de evolutie van de ontvangsten uit btw en de roerende voorheffing ook in 2021 onzeker en onvoldoende representatief. Daarom voorziet de regering in een bij wet vastgelegd bedrag aan alternatieve financiering. De concrete berekeningswijze van dit bedrag is gebaseerd op de werkwijze die men hanteerde voor de berekening van de alternatieve financiering van het jaar 2021 De moederschapsuitkeringen Het enige hoofdstuk onder de Titel 9 - Zelfstandigen van het ontwerp van programmawet beoogt het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering ten gunste van de zelfstandigen los te koppelen van het bedrag van de moederschapsuitkering voor een vrouwelijke zelfstandige naar aanleiding van de beslissing van de regering om het bedrag van de moederschapsuitkering voor een vrouwelijke zelfstandige te verhogen. Bovendien bevat dit hoofdstuk een delegatie aan de Koning om het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering aan te passen. Het koninklijk besluit dat deze verhoging bepaalt, werd goedgekeurd door de Ministerraad van 26 november 2021. Het moederschapsverlof bestaat uit twaalf weken Om het sociaal statuut de versterken, wordt de moederschapsuitkering verhoogd. De minister geeft aan dat de moederschapsuitkering voor de vrouwelijke zelfstandigen dat 514 euro bedraagt te verhogen: - voor de eerste vier weken van het verlof tot 737,81 euro; - vanaf de vijfde week tot 674,64 euro. Momenteel voorziet het koninklijk besluit nr. 38 van 27 jul 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen in een wettelijke koppeling tussen de bedragen van de vaderschaps- en geboorte-uitkering ten gunste van de mannelijke zelfstandigen en het bedrag van de moederschapsuitkering. Wanneer de moederschapsuitkering wordt verhoogd, worden de andere uitkeringen automatisch aangepast. Een wettelijke loskoppeling is nodig, anders verhogen de andere uitkeringen op dezelfde manier, wat niet de bedoeling is. De heer Wim Van der Donckt (N-VA) meent dat de voorgestelde artikelen 137 en 137 van het ontwerp van programmawet enkel een technische correctie inhouden betreffende de moederschapsuitkering voor zelfstandigen. Dit zorgt ervoor dat er niet automatisch een verhoging komt van de uitkeringen voor de mannelijke zelfstandi gen. De spreker geeft aan zich voor deze artikelen te willen onthouden bij de stemming. De reden daartoe vindt zich terug in de vaststelling die het lid maakt dat de regering zeer kwistig is in het verhogen van diverse sociale uitkeringen. Als voorbeelden hiervan somt hij de verhoging van het leefloon en de werkloosheidsuitkeringen op. Anderzijds neemt deze regering heel weinig activeringsmaatregelen. De degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen bijvoorbeeld die wordt dan weer niet aangepakt. De heer Van der Donckt meent dat dergelijke activeringsmaatregelen juist moeten zorgen voor een betere financiering van het sociaal zekerheidsstelsel. Deze regering besteedt meer aandacht aan het uitgeven van geld en zet daartegenover geen maatregelen die voor inkomsten moeten zorgen. De moederschapsuitkeringen voor zelfstandigen is een forfaitair bedrag. Dit staat in contrast met de moederschapsuitkering voor werknemers waarbij dit bedrag een percentage van het brutoloon bedraagt. De spreker heeft toch vragen bij de optrekking van dit bedrag, zoals, beoogd met het voorliggende wetsontwerp, tot het plafond van de werknemers. Worden de zelfstandigen hiermee niet relatief meer bevoordeeld dan de werknemers? Dit zou er ook voor kunnen zorgen dat zelfstandigen met een laag inkomen onnodig worden aangemoedigd om meer moederschapsverlof op te nemen dan waar ze effectief ook nood aan hebben. Mogelijks wordt hierdoor ook de inactiviteitsval gestimuleerd. De spreker vraagt zich af of de minister zich bewust is van het feit dat deze verhoogde uitkering een verhoogd risico op inactiviteitsval inhoudt. Welke maatregelen zal de minister nemen om dit te verhinderen? De heer Van der Donckt wenst tevens te vernemen wat de opmerkingen van de Raad van State waren bij het uitvoeringsbesluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 waarmee de verhoogde moederschapsuitkering voor zelfstandigen werd ingevoerd. Het artikel 138 van voorliggend ontwerp van programmawet machtigt de Koning om het koninklijk besluit te kunnen aanpassen. Dit moet dus niet meer via wet gebeuren en dus zonder tussenkomst van het Parlement. De heer Van der Donckt meent dat dergelijke cruciale aanpassingen van de sociale zekerheid van zelfstandigen, die toch wel een significante budgettaire impact hebben, toch wel via het Parlement zouden moeten gebeuren. Mevrouw Ellen Samyn (VB) meent dat de bijzonder magere aandacht die de zelfstandigen krijgen in deze programmawet niet kan verwonderen. De Vlaams Belangfractie heeft reeds eerder in de bespreking van de beleidsnota en de daaraan gelinkte uitgavenbegroting mogen vaststellen dat deze minister van zelfstandigen amper interesse heeft voor de hem toegemeten bevoegdheden. De zelfstandigen worden vergeten behalve als het erop aankomt om coronamaatregelen te nemen, want dan betalen de zelfstandigen het gelag voor een reeks van beperkende maatregelen die hen worden opgelegd. De minister van Zelfstandigen en kmo's komt in deze programmawet naar voor met slechts één inhoudelijk wetsartikel. Voor een regering waarin de Iberale partijen aan beide zijden van de taalgrens vertegenwoordigd zijn en die dan nog eens de eerste minister levert, is, dit een bijzonder pover en zelfs pijnlijk resultaat. De tijd dat de iberale partij de kaart trok van de zelfstandigen is duidelijk lang verleden tijd. De speekster meent dat dit voorliggende ontwerp ook heel onduidelijk is. We weten nog niet precies wat er zal gebeuren. Het bedrag van het vaderschapsverlof voor de zelfstandigen bedraagt 85,77 euro op basis van een zes dagenweek wat identiek is met de moederschapsuitkering die 514,64 euro per week is. Deze waren gekoppeld aan elkaar en worden nu losgekoppeld. Vreemd in het kader van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Verder voorziet het ontwerp van programmawet in een machtiging aan de koning om het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering aan te passen. Het lid wenst dan ook te vernemen wat het voornemen is van de regering rond de aanpassing van de moederschapsuitkering. Het blijft uiteindelijk een gemiste kans om in het kader van de gelijkstelling van de statuten niet met een procentuele vergoeding voor de zelfstandigen te werken, net zoals bij de werknemers het geval is. Men houdt hier vast aan het systeem van forfaitaire dagvergoedingen die op zich vrij royaal zijn maar wat niet te verdedigen is, tegenover het systeem waarin de werknemers zitten. En dan spreken we nog niet van de grote verschillen met de statuten van contractuele en statutaire ambtenaren waar ook allemaal verschillende regelingen op van toepassing zijn. Finaal is zoiets niet langer verdedigbaar. De spreekster pleit dan ook voor een meer gelijklopende regeling. Het lid vindt dit opnieuw een gemiste kans, zal zich bij de stemming over deze artikelen dan ook onthouden. Mevrouw Florence Reuter (MR) wijst erop dat dat vaderschapsverlof in 2019 werd ingesteld en zal worden verlengd van vijftien dagen in 2021 tot twintig dagen in 2023, zoals ook bij de werknemers het geval is. Het is van cruciaal belang dat privé en beroepsleven kunnen worden verzoend, ook voor de zelfstandigen. Die maatregelen zijn een stap in de richting van de harmonisatie van de statuten, wat een programmapunt van de MR-fractie is. De spreekster is dus tevreden met die maatregelen. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) stelt vast dat de minister de bedragen van de vaderschapsuitkering/ geboorte-uitkering loskoppelt van de moederschapsuitkering. De spreekster merkt op dat de Raad van State de manier waarop die bedragen zouden worden losgekoppeld met de vinger heeft gewezen. Het wetsontwerp beoogt het bedrag van de uitkering te bepalen, zonder echter in een aanpassing aan het indexcijfer te voorzien. De Raad van State heeft de aandacht gevestigd op de volgende moeilijkheid: het bedrag zou bij wet worden vastgelegd, maar de Koning zou het kunnen wijzigen door middel van een koninklijk besluit. Dat schept een juridisch probleem. De Raad van State pleit voor twee oplossingen. Ofwel legt de wetgever het bedrag vast en bepaalt hij - in de wet - dat dit bedrag aan het indexcijfer wordt aangepast, ofwel legt de Koning dat bedrag vast en bepaalt hij of het bedrag al dan niet aan het indexcijfer wordt aangepast. ‘Om dit probleem weg te werken, stelt de spreekster een amendement voor, dat ertoe strekt het bedrag in de wet te behouden maar daarnaast uitdrukkelijk te bepalen dat het aan het indexcijfer wordt aangepast Op die manier zou men zich ervan verzekeren dat dit type verlof met een indexering gepaard gaat. De spreekster kijkt uit naar de verantwoording en de verduidelijkingen in het licht van de commentaar van de Raad van State. De minister beschikt over de resultaten van een enquête die het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen in 2019 bij de zelfstandigen heeft gehouden. Daaruit blijkt dat zeven op de tien vrouwelijke zelfstandigen financieel moeilijk rondkomen tijdens hun moederschapsverlef. Veel vrouwen zetten vóór hun bevalling bewust geld opzij om die belangrijke mijlpaal financieel te doorstaan. Men mag aannemen dat het om te grote bedragen gaat. De minister wil hen rechtvaardige bedragen gunnen en vindt dat een vrouwelijke zelfstandige hetzelfde bedrag moet krijgen als een werkneemster. Op de vragen van de dames Samyn en Fonck antwoordt de minister dat het dagelijkse bedrag van de uitkering in de wet is opgenomen. Dat bedrag werd gekoppeld aan de spilindex. Die paragraaf wordt aangevuld met een lid dat bepaalt dat de Koning het bedrag bij koninklijk besluit mag aanpassen. De minister ziet het probleem niet. Het is een techniek die ook voor andere uitkeringen wordt gebruikt. Het zou dus niet verstandig zijn de formulering waarin de regering voorziet te wijzigen. Voorts kan de minister de verklaringen van mevrouw Samyn als zou de regering de zelfstandigen niet helpen, niet aanvaarden. De helft van de federale steun gaat naar de zelfstandigen. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) is van oordeel dat de minister geen gevolg geeft aan de kritiek van de Raad van State. Er blijft een juridisch probleem bestaan. 'De minister vindt dat de gekozen formulering helder is, en dat het vanzelfsprekend is dat het bedrag in kwestie aan het indexcijfer wordt aangepast. Er wordt frequent gebruik gemaakt van een koninklijk besluit omdat dit meer flexibiliteit mogelijk maakt. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) herhaalt de kritiek van de Raad van State en leest ze opnieuw voor. Volgens de minister werd het wetsontwerp aangepast sinds de opmerkingen van de Raad van State en is er dus geen juridisch probleem.

Art. 137 Mevrouw Cathérine Fonck (cdH) dient amendement nr. 4 (DOC 55 2349/002) in, dat ertoe strekt de aanpassing aan het indexcijfer in de wet op te nemen. Dit amendement beoogt te verzekeren dat dit type verlof met een indexering gepaard gaat. Amendement nr. 4 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 1 onthouding Artikel 137 wordt vervolgens aangenomen met 11 Art. 138 Mevrouw Cathérine Fonck (cd) dient amendement nr. 5 (DOC 55 2349/002) in dat ertoe strekt de machtiging aan de Koning te schrappen. Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen 2 Artikel 138 wordt vervolgens aangenomen met 11 De naamstemming over het geheel van de naar de commissie verwezen artikelen zal plaatsvinden na de stemming over de in tweede lezing besproken artikelen 106 tot 136/5 (DOC 55 2349/007 en 008). De rapportrices, De voorzitster, Cécile CORNET Marie-Colline LEROY Anja VANROBAEYS imprmerecenrale-Cenraledrder