Wetsontwerp Dossier 2349/001
Documentdetails
📁 Dossier 55-2349 (22 documenten)
Volledige tekst
ONTWERP VAN PROGRAMMAWET
Memorie van toelichting 3 Voorontwerp 130 ‘Advies van de Raad van Stale 204 Wetsontwerp 297 Overeenkonsna aamweL 8, 82,2", van DE wer van 15 oeceween 2012 WERD De WPACTANALYSE MET GEVRAAGD DE URGENTIEVERKLARING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT. pocss 2349/001 De regering heeft dit wetsontwerp op 1 december 2021 ingediend. De “goedkeuring tot drukken” werd op 2 december 2021 door de Kamer ontvangen. mio Groen A a a moos gave Kreng nen + ama B den El Veenen et nogal versan Elov Beta osag ed og, motie define mtegrat cam Verde en eeh Tver beknopt verdg van da Kona nar de jager) peen Be En Eomaairargacering oon hese at est van openen (eigeferig Pape) MEMORIE VAN TOELICHTING Dawes en Heren, TITEL ‘Algemene bepaling Dit artikel bepaalt de constitutionele bevoegdheidsgrondslag
TITEL
2 Financiën
HOOFDSTUK 1
Inkomstenbelastingen Afdeling 1 Hervorming fiscale voordelen ‘sportbeoefenaars en sportclubs De actoren binnen de sportwereld (spelers/sporterbeoefenaars, clubs, sportmakelaars, …) genieten in België momenteel van verschillende voordelige fiscale en parafiscale regelingen (gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing, gunstig belastingtarief voor jonge en buitenlandse sporterbeoefenaars, verminderde RSZbijdragen, die voor profvoetballers bovendien beperkt zijn tot de sectoren gezondheidszorg, pensioenen en kinderbijslag). Op fiscaal vlak kosten deze verschillende voordelen geld aan de gemeenschap en bereiken ze in de huidige stand van zaken niet altjd de nagestreefde doelstellingen, zoals bijvoorbeeld de opleiding van jonge Belgische sporterbeoefenaars. Er worden zelfs gevallen van misbruik vastgesteld, met name bij de rol die spelersmakelaars, bij transfer- en contractonderhandelingen spelen alsook bij de sommen die ze voor de hun geleverde diensten ontvangen. Deze afdeling brengt wijzigingen aan op verschillende vlakken die aan de sportwereld raken: bocss 2349/01 1° de bedrijfsvoorheffing (onderafdeling 1, zie hierna, commentaar artikelen 2 en 3) 2° het begrip van “jonge sportbeoefenaar” (onderafdeling 2, artikel 4) De fiscale wetgeving was niet altijd coherent wanneer ze twee leeftijdslimieten aanhield voor sporterbeoefenaars, die als “jong” worden beschouwd: 23 jaar of 26 jaar, afhankelijk van de maatregel. Voortaan zal de leeftijd tot welke een sporterbeoefenaar als “jong” zal beschouwd worden uniform op 23 jaar worden gezet, zowel voor de afzonderlijke taxaties als, voor de bedrijfsvoorheffing Jonge sporterbeoefenaars jonger dan 23 jaar worden voortaan belast tegen een tarief van 16,5 pct. op hun inkomsten uit hun sportactiviteiten, terwijl sporterbeoefenaars ouder dan 23 jaar een belastingtarief van 33 pct. op diezelfde inkomsten moeten betalen (over een eerste inkomensschijf van 12 300 euro, basisbedrag). Er zij aan herinnerd dat dit laatste tarief van 33 pct. alleen van toepassing is op “amateur"sporterbeoefenaars: het is namelijk alleen van toepassing op voorwaarde dat de bedoelde sportbeoefenaars uit een andere beroepsactiviteit beroepsinkomsten verwerven die een totaal belastbaar brutobedrag bereiken dat hoger is dan het totale belastbare brutobedrag van de beroepsinkomsten die zij uit al hun bovengenoemde activiteiten in de sportsector verwerven. Dit gunsttarief van 33 pct. is derhalve niet van toepassing op beroepssporters. Het begrip van “jonge sportbeoefenaar” zal voortaan overeenstemmen met datgene gebruikt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrifsvoorheffing, die vereist dat de bedragen aangewend worden voor de opleiding van sporterbeoefenaars jonger dan 23 jaar. Er wordt een overgangsperiode voorzien voor de Jongeren die op de datum van inwerkingtreding van de maatregel 23, 24 of 25 jaar zijn en die in artikel 30, 1°, WIB 92 bedoelde bezoldigingen verkrijgen. Voor deze jongeren blijft artikel 171, 4°), WIB 92 van toepassing zoals het bestond voordat het door artikel 4 werd gewijzigd. Deze jongeren verdwijnen vanzelf uit het toepassingsgebied van de regeling voor jonge sporterbeoefenaars zodra ze de leeftijd van 26 jaar bereikt hebben. 3° beperking van de aftrekbaarheid van sportmakelaarsvergoedingen tot 3 pct. van het salaris van de sporterbeoefenaar. (onderafdeling 3, artikelen 5 tot 10) De toekenning van overdreven vergoedingen aan sportmakelaars wordt ontmoedigd door het verbieden van het fiscaal als beroepskosten aftrekken van de vergoedingen aan deze makelaars die meer bedragen dan 3 pct. van de bruto jaarlijkse vergoeding van de sporterbeoefenaar tijdens de gehele looptijd van het arbeidscontract. Er zijn namelijk veel misbruiken aan het licht gekomen met betrekking tot het statuut van de sportmakelaars. Meerdere schandalen in de voetbalwereld tonen de noodzaak aan van het verder moraliseren van deze sportmakelaars (meer bepaald “Operatie schone handen” geleid door het Openbaar Ministerie in België). Uit studies blijkt dat een beperking van de vergoedingen aan makelaars positieve effecten kan hebben: de spelers, worden beter beschermd, men kan zich wapenen tegen de negatieve effecten van instabiele contracten, er is, meer samenhang met de solidariteitsdoelstellingen van clubs en de almacht van makelaars wordt verminderd. Al deze onderzoeken duiden op het feit dat er dringend nood is aan good governance, ethiek en moral standards in hoofde van sportmakelaars. Dit vraagstuk is geen recent fenomeen, maar gaat al verschillende jaren mee. Het is daarom dat de FIFA al enige tijd regels vooropstelt die de relatie tussen makelaar-club-speler, de erkenning als makelaar, etc. behandelt. De huidige regels zijn vastgesteld in de FIFA Regulations on Working with Intermediaries (RWW) van 2015. Deze zijn overgenomen door de verschilende nationale federaties. In België is dat gebeurd in het nieuwe bondsreglement, met name in hoofdstuk 8. In dat kader beveelt de FIFA ook een begrenzing op makelaarsvergoedingen aan van 3 pct, gebaseerd op het bruto inkomen van de sportbeoefenaar op jaarbasis, berekend voor de gehele duur van het contract. Indien de makelaar optreedt voor de club, dan zou de begrenzing het best berekend worden op de waarde van de transfervergoeding die betaald wordt. De Voetbalbond heeft echter in het nieuwe bondsreglement afgezien van de FIFA-aanbeveling om een begrenzing in te stel len, in tegenstelling tot andere Europese landen. De feiten tonen tenslotte aan dat de vroegere begrenzing, opgenomen in het oude bondsreglement van 2015, in de praktijk niet werd nageleefd. Wij willen hiermee, in navolging van de “Operatie Schone Handen” en de recente onthullingen over exuberante bedragen en belangenconflicten in hoofde van makelaars, ondersteunend werken ten overstaan van de FIFA-regels, het bondsreglement en de sport in het algemeen. Momenteel heeft men reeds de oprichting van een clearing house vooropgesteld, alsook de toepassing van een dual representation ban. Een begrenzing van de makelaarsvergoedingen- en commissies kan daarbij zeker ondersteunend werken om de verhoopte doelstellingen van transparantie en spelersbescherming te bewerkstellingen. Concreet strekt deze onderafdeling 3 ertoe excessieve vergoedingen aan makelaars fiscaal te ontmoedigen door een verbod op fiscale aftrek in te voeren voor vergoedingen aan makelaars die meer dan 3 pct. bedragen van de brutojaarbezoldiging van de sportbeoefenaar over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst. Meer bepaald zal het erop neerkomen dat het excedent boven de 3 pct. onder het aftrekverbod zal vallen. Daarenboven worden deze vergoedingen mee opgenomen in de minimale belastbare winst van de club (door ze aan te merken als verworpen uitgaven), teneinde te vermijden dat het aftrekverbod amper impact heeft op verlieslatende clubs. Deze nieuwe regeling zal van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting, de belasting niet-inwoners/ vennootschappen, en de rechtspersonenbelasting, maar niet in de personenbelasting (noch in de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen). Natuurlijke personen-sportbeoefenaars die zelf hun makelaar betalen worden niet door deze maatregel getroffen. Indien een sportbeoefenaar zelf zijn makelaar betaalt, dan heeft hij direct zicht op de hoogte van de commissie of de aan de makelaar betaalde vergoeding. Daardoor staat hij zelf in voor de inhoud van het contract voor private arbeidsbemiddeling, waarover hij met de betrokken makelaar onderhandelt en dus ook voor de hoogte van de vergoeding. Als hij er dan toch mee akkoord gaat ‘om een commissie of vergoeding te betalen die hoger is dan 3 pct. van zijn brutojaarbezoldiging gedurende de duur van zijn arbeidsovereenkomst, dan is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. In de meeste sporten is dat ook de gewone manier van werken (bijvoorbeeld in het wielrennen), maar niet in het voetbal. Daar stelt de sportbeoefenaar wel zijn of haar makelaar aan, maar gebeuren de onderhandelingen voor een contractverlenging of een transfer vooral tussen club en makelaar en betaalt de club de makelaar, terwijl het beter zou zijn dat de sportbeoefenaar zelf de aan de makelaar verschuldigde vergoeding betaalt. Deze manier van werken zorgt ervoor dat de sportbeoefenaar zelf weinig of geen inzage heeft in hoeveel zijn of haar makelaar op diens conto verdient. Dat speelt dan ook in de kaart van sommige makelaars die daardoor hun marktmacht ten overstaan van de clubs kunnen vergroten en zichzelf zelfs incontournable kunnen maken. Daarom is het onze bedoeling om zoveel mogelijk clubs te ontraden nog excessieve makelaarsvergoedingen te betalen en de sportbeoefenaar zelf meer verantwoordelijk te maken voor het betalen van zijn of haar makelaarsvergoedingen. Als een sportbeoefenaar zijn of haar makelaar betaalt, dan zal die makelaar meer geneigd zijn om op te treden in het belang van zijn cliënt en zal hij meer moeite steken in het leveren van kwaliteitsvolle diensten, wat op termijn zou moeten leiden tot hogere professionele standaarden en arbeidsethiek bij makelaars. 4° wijziging van de aanvullende pensioenregeling van sporterbeoefenaars (onderafdeling 4, artikel 11) Thans kunnen sportbeoefenaars, op basis van artikel 27, $ 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende socialezekerheidsuitkeringen, in afwijking van de gewone wet op de aanvullende pensioenen, vanaf de leeftijd van 35 jaar aanspraak maken op de uitbetaling van hun aanvullend pensioenkapitaal, op voorwaarde dat zij hun beroepsbeoefening als sporterbeoefenaar definitief en volledig stopzetten. In dat geval wordt het pensioenkapitaal overeenkomstig artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, WIB 92, belast tegen 20 pct. In de meeste gevallen heroriënteren deze belastingplichtigen zich na hun sportieve carrière en vatten ze een tweede carrière aan. Deze onderafdeling 4 zal fiscaal rekening houden met de opheffing van de mogelijkheid op om vanaf 35 jaar een aanvullend pensioen uitte betalen aan een betaalde sportbeoefenaar en tevens met de daarin voorziene overgangsregeling voor de aansluitingen bij pensioentoezeggingen vóór 20 oktober 2021. Onderafdeling 1 Hervorming van de bedrijfsvoorheffing De in deze onderafdeling opgenomen wijzigingen beogen het tarief van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor sportbeoefenaars te verlagen van 80 pct. naar 75 pct. In het vigerende artikel 275°, WIB 92 wordt het tarief op 70 pct. vastgelegd, maar wordt in het zesde lid van dat artikel, de bevoegdheid aan de Koning gedelegeerd om het percentage van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verhogen naar maximum 80 pct. of te verlagen naar minimum 60 pct. In dit ontwerp wordt voorgesteld om het bij wet vastgelegde tarief op 75 pct. vast te leggen en de in artikel 275°, zesde lid, WIB 92, bedoelde delegatie aan de Koning op te heffen, zodat het door de Koning naar 80 pct. verhoogde tarief buiten werking treedt. Vervolgens wordt in dit ontwerp voorgesteld om de in het tweede lid bedoelde bestedingsverplichting die van toepassing is op de niet in de Schatkist gestorte bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de bezoldigingen van sportbeoefenaars, andere dan deze die de leeftijd van 26 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, op te trekken naar 55 pct. Deze wijzigingen zullen van toepassing zijn op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 zullen worden betaald of toegekend. Onderafdeling 2 Harmonisatie van het begrip “jonge sportbeoefenaar” Art. 4 Dit artikel wijzigt de leeftijdsgrens waarbinnen men als sportbeoefenaar onderworpen wordt aan de 16,5 pct. afzonderlijke taxatie voor “jonge” sportbeoefenaars. In artikel 275, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt immers bepaald dat de jeugdopleiding wordt geplafonneerd op een leeftijd van 23 jaar. Het lijkt dan ook logisch om die leeftijdsgrens te gebruiken in de afzonderlijke taxatie van artikel 171, 4°,j), WIB 92. Op die manier wordt de wetgeving consistent voor wat betreft de invulling van het begrip “jeugdopleiding”. In het verlengde daarvan wordt tevens de leeftijd bepaald in artikel 171, 1°,), verlaagd naar 23 jaar. Als er geen parallelle aanpassing zou gebeuren in deze bepaling, dan zouden de sporterbeoefenaars in de leeftijdscategorie van 23 tot 26 jaar uit de boot vallen en aan de progressieve tarieven onderworpen worden, terwijl men vanaf de leeftijd van 26 jaar aan 33 pct. onderworpen zou worden. Dit is geenszins de bedoeling. Een overgangsbepaling is voorzien voor de sporterbeoefenaars die de leeftijd van 23, 24, of 25 jaar hebben bereikt op het moment van de inwerkingtreding van deze bepaling. Onderafdeling 3 Beperking van de sportmakelaarsvergoedingen Art.5 Dit artikel beoogt de aanvulling van artikel 198, WIB 92 met een nieuwe bepaling onder 17°, die ertoe strekt om makelaarsvergoedingen als niet-aftrekbare beroepskosten te beschouwen wanneer ze meer dan 3 pct. bedragen van de brutojaarbezoldiging van de sportbeoefenaar gedurende de gehele duurtijd van de arbeidsovereenkomst. Daarbij wordt voornamelijk gesteund op de definitie inzake de activiteiten van makelaars opgenomen in het bondsreglement. In navolging van het advies van de Raad van State, wordt verduidelijkt dat de makelaarsvergoedingen waarnaar wordt verwezen alle vaste en variabele bezoldigingen vermeld in de afgesloten arbeidsovereenkomst zijn Indien de betrokkene meer dan één bron van inkomsten heeft, worden de andere inkomsten niet in aanmerking genomen. Er moet onderzocht worden wat uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en wat gedurende een bepaald belastbaar tijdperk daadwerkelijk is betaald. In principe wordt in de overeenkomsten bepaald welke vergoeding per seizoen daadwerkelijk door de sportbeoefenaar wordt betaald. Het komt vaak voor dat een sportbeoefenaar vóór het einde van de arbeidsovereenkomst wordt getransfereerd. Als dit gebeurt, wordt gewoonlijk bepaald dat de resterende makelaarskosten (dat wil zeggen de makelaarskosten voor de resterende seizoenen volgens de huidige duur van de arbeidsovereenkomst) vervallen. Ongeacht wanneer het contract wordt ondertekend of aangegaan, is het tijdstip van de uitgave dat bepaalt of zij als kosten kunnen worden ingebracht. De makelaarsvergoeding moet in haar geheel worden beschouwd, ongeacht of zij in één keer dan wel gespreid wordt uitbetaald. Hierbij moet worden benadrukt dat het enkel gaat ‘om het gedeelte van de makelaarsvergoeding dat boven de 3 pct. uitkomt. De vergoedingen die onder die drempel vallen, blijven aftrekbaar.
Art. 6 Dit artikel beoogt de aanvulling van artikel 207 om de makelaarsvergoedingen die het maximumbedrag niet respecteren mee op te nemen in de verworpen uitgaven van de desbetreffende club, zodat een zekere vorm van minimale belastbaarheid wordt gegenereerd bij verlieslatende clubs. Op die manier worden ook deze clubs fiscaal ontmoedigd om hogere vergoedingen uit te betalen en kunnen zij weerwerk bieden tegen de invloed van bepaalde makelaars. Ook hierbij moet worden benadrukt dat het enkel gaat om het gedeelte van de makelaarsvergoeding dat boven de 3 pct. uitkomt. De vergoedingen die onder die drempel vallen, zullen niet als verworpen uitgaven in de minimale belastbare basis worden opgenomen. Art. Ten 8 Deze artikelen breiden de belastinggrondslag in de rechtspersonenbelasting uit voor de sportclubs die onder vzw-structuur opereren. Daardoor worden ook zij fiscaal gestimuleerd om geen excessieve makelaarsvergoedingen meer toe te kennen. De excessieve makelaarsvergoedingen zullen dan getaxeerd worden aan het normale tarief in de vennootschapsbelasting, die momenteel 25 pct. bedraagt.
Art. 9 en 10 Artikel 234, WIB 92 wordt aangevuld met een nieuwe bepaling onder 10° teneinde ook in die bepaling de excessieve makelaarsvergoedingen in de belastbare basis, op te nemen. Zonder deze wijziging zou er een discri minatie kunnen zijn tussen de rechtspersonen bedoeld in artikel 220, 2° en 3°, WIB 92 en de rechtspersonen bedoeld in artikel 227, 3°, WIB 92.
Artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt ook aangevuld. Onderafdeling 4 Wijzigingen aan de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars Krachtens artikel 27, $ 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, is voor betaalde sportbeoefenaars een afwijking toegestaan op het algemene beginsel dat aanvullende pensioenkapitalen nog slechts kunnen worden uitgekeerd bij pensionering en, wanneer de pensioenovereenkomst of het pensioenreglement dat voorziet, vanaf de vroegst mogelijke datum van pensionering (P-datum) of bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Op basis van die bepaling kan aan betaalde sportbeoefenaars al een uitbetaling van pensioenkapitaal gebeuren vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de betaalde sportbeoefenaar de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt voor zover hij zijn sportieve beroepsactiviteit ook definitief en volledig stopzet. In dit kader worden pensioenkapitalen, ingevolge artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, WIB 92, tegen 20 pct. belast als de kapitalen zijn uitbetaald aan sportbeoefenaars die hun sportieve beroepsactiviteiten hebben stopgezet ten vroegste vanaf de leeftijd van 35 jaar. Uit het antwoord van de minister van Pensioenen op de schriftelijke vraag nr. 10 van mevrouw Vanrobaeys blijkt dat in 2019 in dit kader een aanvullende pensioenreserve van 262 miljoen euro is opgebouwd. In totaal gaat het ‘om 2 747 aangesloten sportbeoefenaars, waaronder slechts 2 vrouwen Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling, wordt in voorliggend wetsontwerp de specifieke bepaling die een uitbetaling van een aanvullend pensioenkapitaal vanaf 35 jaar aan een betaalde sportbeoefenaar toelaat dan ook opgeheven (artikel 11 van dit ontwerp). Bijgevolg vallen betaalde sportbeoefenaars terug op het algemene stelsel dat geldt voor gewone werknemers. Deze bepalingen zullen evenwel van kracht blijven voor wat de aansluitingen bij een pensioentoezegging betreft die zich situeren vóór 20 oktober 2021, zij het met uitsluiting van verhogingen van de prestaties die voortvloeien uit een wijziging van de pensioentoezegging vanaf 20 oktober 2021.
Artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, WIB 92 wordt dus aangevuld om voortaan artikel 27, $ 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, te beogen zoals en voor zover het krachtens artikel 11, tweede en derde lid, van dit ontwerp, van kracht blijft Onderafdeling 5 Inwerkingtreding Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding. Afdeling 2 Regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers Deze afdeling voert een bijzonder belastingstelsel in, enerzijds voor de ingekomen belastingplichtigen (het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belasting plichtigen, hierna het “BBIB”), en anderzijds voor de ingekomen onderzoekers (het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers, hierna het “BBIO'”) Deze twee nieuwe stelsels verlenen identieke voordelen en hebben principieel tot doel gekwalificeerd personeel vanuit het buitenland naar België aan te trekken. Ze verschillen enkel in lichte mate van elkaar op het vlak van het personele toepassingsgebied en de voorwaarden. Het invoeren van deze twee nieuwe stelsels in het WIB 92 valt samen met het uitdoven van het bijzonder stelsel van buitenlandse kaderleden en vorsers dat werd geregeld door circulaire nr. C.RH.624/325 294 van 8 augustus 1983 (hierna respectievelijk, “het oude stelsel” en de “circulaire van 8 augustus 1983”) De nieuwe stelsels zijn bedoeld om in de plaats te komen van het oude stelsel, dat op diverse punten aanvechtbaar is. Het doel van deze afdeling bestaat er niet enkel in het oude stelsel te verbeteren, maar een nieuw fiscaal statuut in te voeren voor ingekomen personeel, op basis, van nieuwe parameters. Deze afdeling komt op die manier tegemoet aan een duidelijke en herhaaldelijk gestelde vraag van de beroepsorganisaties naar een eenvoudig en transparant wettelijk stelsel, dat een betere rechtszekerheid waarborgt voor de betrokken partijen. Heel wat Europese landen (met name Frankrijk, Nederland, Luxemburg, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland, Italië, Spanje en Portugal) kennen reeds een fiscaal uitzonderingsstelsel dat erop gericht is gekwalificeerd personeel vanuit het buitenland aan te trekken. Het is bijgevolg belangrijk dat ook België zorgt. voor een aantrekkelijk wettelijk stelsel voor buitenlandse investeerders. Dit wordt nog scherper gesteld door de bijzondere geopolitieke situatie van België als kleine Staat omringd door andere landen die reeds over een reglementering ter zake beschikken. Door het voor Belgische ondernemingen mogelijk te maken personeel met specifieke competenties, dat soms moeilijk te vinden is binnen de interne arbeidsmarkt, aan te trekken, kunnen de nieuwe stelsels hun competitiviteit zowel op nationaal als op internationaal vlak versterken. De nieuwe stelsels zijn gestoeld op het begrip “eigen kosten van de werkgever” die specifiek zijn voor ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers, en op een (gedeeltelijk) forfaitaire berekening die moeten zorgen voor een administratieve eenvoud. De duur van de stelsels is beperkt in de tijd, wat zorgt. voor een grotere transparantie en voorspelbaarheid voor de werkgever en de begunstigde. In tegenstelling tot het oude stelsel zijn de nieuwe stelsels niet uitsluitend van toepassing in de belasting van niet-inwoners. Zolang er niet wordt afgeweken van de bepalingen van het WIB 92 betreffende de toepassing van de personenbelasting en de belasting van niet-inwoners, mag er zelfs uitgegaan worden van het principe dat deze stelsels van toepassing zijn in de personenbelasting, behalve wanneer de ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers door toepassing van de voornoemde bepalingen zelfs na hun aankomst in België daadwerkelijk onderworpen blijven aan de belasting van niet-inwoners. In dat laatste geval, dat dus normaal gezien een uitzonderingsgeval is, is voortaan evenwel voorzien dat de toepassing van de nieuwe stelsels in de belasting van niet-inwoners afhankelijk is van de voorwaarde dat elke betrokken ingekomen belastingplichtige of ingekomen onderzoe ker jaarlijks aan de Belgische belastingadministratie een door de woonstaat afgeleverd attest bezorgt waarin verklaard wordt dat hij als fiscaal inwoner in die Staat onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Dankzij deze parameter wordt het fenomeen van “fiscale staatlozen” vermeden, dat wil zeggen de situatie waarin een belastingplichtige fiscaal (bij fictie) beschouwd wordt als een niet-inwoner in België, terwijl hij tegelij kertijd zijn fiscale woonplaats in het land van herkomst heeft beëindigd ten gevolge van zijn komst naar België. Bij de toepassing van de voormelde circulaire van 8 augustus 1983, heeft dit fenomeen geleid tot talrijke prakti sche problemen: enerzijds wat betreft de internationale mechanismen voor de uitwisseling van inlichtingen voor fiscale doeleinden (met name de CRS- en FATCAsystemen); anderzijds wat betreft de onmogelijkheid voor een “fiscaal staatloze” een beroep te doen op de bescherming van de overeenkomsten tot het voorkomen van dubbele belasting; tot slot, wat betreft de risico's op belastingontduiking wanneer er geen fiscale woonstaat is om de wereldinkomsten van de belastingplichtige vast te stellen Deze afdeling beoogt eveneens een budgettair doel en streeft ernaar de derving van belastinginkomsten die voor de Belgische Staat voortvloeit uit de in het kader van het oude stelsel verleende voordelen, te verminderen. Deze afdeling steunt hiervoor op de resultaten van een impactstudie die een inschatting maakt, enerzijds, van het effect van de afschaffing van de circulaire, van 8 augustus 1983 en, anderzijds, van het effect van de invoering van de nieuwe stelsels. Deze impactstudie werd door de FOD Financiën uitgevoerd op basis van de beschikbare fiscale gegevens. De voordelen van het nieuwe BBIB worden toegekend aan de ingekomen belastingplichtige, en niet aan de werkgever of aan de vennootschap. Het nieuwe stelsel onderscheidt zich op dit punt van het oude stelsel, dat uitsluitend ten goede komt van de werkgever. Er mag evenwel niet worden voorbij gegaan aan het feit dat de afschaffing van de circulaire van 8 augustus 1983 het einde betekent van een fiscaal stelsel dat, hoewel het betwistbaar is, sedert vele jaren goed gekend en populair is bij de Belgische ondernemingen. Dankzij dit stelsel konden bovendien heel wat investeer ders in België worden aangetrokken, met de daaraan verbonden gevolgen van de vestiging van kaderleden in ons land, met name op het vlak van tewerkstelling en consumptie. Het is bijgevolg moeilijk om in te schatten wat de economische gevolgen in ruimere zin zullen zijn van het verdwijnen van het oude stelsel en het invoeren van het nieuwe wettelijk kader.
Art. 13 Dit artikel bepaalt de plaats waar het BBIB in het WIB 92 zal worden ingevoegd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van titel I, hoofdstuk Il, afdeling IV, onderafdeling I, onderdeel F. Aangezien het BBIB betrekking heeft op ingekomen belastingplichtigen die hetzij bezoldigingen van werknemers (bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92), hetzij bezoldigingen van bedrijfsleiders (bedoeld in artikel 30, 2°, WIB 92) ontvangen, worden de nieuwe regels ingevoerd onmiddelijk na de artikelen 31 (zoals aangevuld met de artikelen 31/1 en 31/2) en 32, die definiëren wat respectievelijk onder “bezoldigingen van werknemers” en “bezoldigingen van bedrijfsleiders” moet worden verstaan. Het BBIB krijgt op die manier een rechtsgrondslag in het WIB 92, met inachtneming van de artikelen 170 (wettelijkheidsbeginsel inzake belastingen) en 172 (gelijkheidsbeginsel inzake belastingen) van de Grondwet. De door het nieuwe artikel 32/1, WIB 92 bedoelde situaties worden toegelicht in paragraaf 2. Het begrip “ingekomen belastingplichtige” wordt gedefinieerd in het eerste lid, dat twee hypothesen in aanmerking neemt: enerzijds die van een rechtstreekse aanwerving in het buitenland; anderzijds die van een terbeschikkingstelling binnen een multinationale groep. Met betrekking tot de hypothese van de aanwerving in het buitenland, is het niet vereist dat de ingekomen belastingplichtige reeds actief was op de arbeidsmarkt in het land van herkomst. Jong gediplomeerden komen bijgevolg in aanmerking voor het BBIB, voor zover zij voldoen aan de in het artikel gestelde voorwaarden. De uitdrukking “rechtstreeks in het buitenland aangeworven” moet op flexibele wijze worden verstaan. Het is, in principe de bedoeling dat het BBIB wordt toegepast wanneer er een werkrelatie ontstaat tussen, enerzijds, een belastingplichtige die in het buitenland woont (de werknemer of de bedrijfsleider) en, anderzijds, de werkgever of de vennootschap in België. Het feit dat die werkrelatie tot stand komt door tussenkomst van een derde (bijvoorbeeld, een headhunter) heeft geen belang. Het bestaan van de werkrelatie moet juridisch kunnen worden aangetoond. In het geval van een werknemer moet het bestaan worden aangetoond van een met de Belgische werkgever gesloten arbeidsovereenkomst. In het geval van een bedrijfsleider moet het bestaan worden aangetoond van een mandaat van bestuurder, vereffenaar of van een gelijkaardige functie, dat door de Belgische vennootschap aan de bedrijfsleider is gegeven of van een opdracht tot het vervullen van een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State die van oordeel is dat er geen redelijke verantwoording is om bedrijfsleiders van de tweede categorie uit te sluiten. Het stelsel zal wel enkel kunnen worden toegepast door bedrijfsleiders die betrokken zijn bij de dagelijkse leiding van de onderneming. Bestuurders die uitsluitend deel uitmaken van een raad van toezicht bijvoorbeeld komen niet in aanmerking voor het stelsel. Hetzelfde geldt voor bedrijfsleiders die de onderneming hebben opgericht of een groot deel van het aandelenpakket van een onderneming in handen hebben. Het is logisch dat deze personen actief zijn in de onderneming. Er is, geen bijzonder stelsel nodig om hun aanstelling of ter beschikking stelling te faciliteren. Met betrekking tot de hypothese van mobiliteit binnen een multinationale groep, gebruikt het wetsontwerp doelbewust de term “terbeschikkingstelling” in plaats van “detachering”. Deze terminologie heeft tot doel enige verwarring te vermijden met de term “detachering” in het sociale zekerheidsrecht (hetgeen grotendeels geregeld is door Europese regelgeving). Voor de toepassing van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92, verwijst de term “binnenlandse vennootschap” naar de vennootschap zoals omschreven in artikel 2, $ 1, 5°, b, WIB 92. In het algemeen bevat het BBIB geen enkele voorwaarde met betrekking tot het tijdelijk karakter van de activiteit in België, ongeacht de in aanmerking genomen hypothese (aanwerving in het buitenland of terbeschikkingstelling binnen een multinationale groep). Dit verschilt van het oude stelsel, en wordt verklaard door het feit dat het BBI slechts gedurende een beperkte periode van 5 jaar, eventueel verlengd met 3 jaar, van toepassing kan zijn. Wanneer die periode afgelopen is en de belastingplichtige in België blijft werken, verliest hij gewoon het voordeel van het nieuwe stelsel en wordt hij belast volgens de gewone regels van de PB of van de BNI/PB (naargelang hij al dan niet fiscaal inwoner van België geworden is naar aanleiding van zijn aanwerving of terbeschikkingstelling in België). In het tweede lid wordt het begrip “multinationale groep” in het kader van het nieuwe stelsel gedefinieerd. Deze definitie is grotendeels geïnspireerd op de definitie uit artikel 321/1, WIB 92. Paragraaf 3 vermeldt de bijkomende en cumulatieve voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat de belastingplichtige aanspraak kan maken op de toepassing van het BBIB. Het is belangrijk erop te wijzen dat er geen enkele voorwaarde wordt gesteld aangaande de nationaliteit. Het BBIB kan bijgevolg zowel worden toegekend aan Belgische onderdanen als aan buitenlandse onderdanen, en ook aan belastingplichtigen die een dubbele nationaliteit hebben (Belgische en buitenlandse). Het nieuwe stelsel onderscheidt zich op dit punt van het stel sel waarin de circulaire van 8 augustus 1983 voorziet en dat voorbehouden is voor buitenlandse onderdanen. Het ontbreken van een voorwaarde aangaande de nationalteit heeft tot doel de valkuil te vermijden van een mogelijke belemmering van het vrij verkeer van werknemers zoals, vastgelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bepaling onder 1° verwijst naar de voorwaarden met betrekking tot de situatie van de belastingplichtige. Het voldoen aan die voorwaarden moet worden beoordeeld over een periode van 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, bij een werkgever of vennootschap die in aanmerking komt voor een toepassing van het stelsel van het BBIB. De belastingplichtige mag ten eerste geen Rijksinwoner geweest zijn in de zin van artikel 2, 5 1, 1°, WIB 92 - dat wil zeggen, in principe, onderworpen aan de personenbelasting - gedurende een referentieperiode van 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België. Het is nuttig erop te wijzen dat de belastingplichtige fiscaal inwoner van een ander land moet zijn op het ogenblik dat hij in België wordt aangeworven of ter beschikking gesteld. Er wordt eveneens een kilometercriterium ingevoerd, in de zin dat de belastingplichtige niet mag hebben gewoond op een afstand van minder dan 150 kilometer van de Belgische grens gedurende de voormelde periode van 60 maanden. Deze regel is hoofdzakelijk gerechtvaardigd door de bijzondere geografische ligging, van België, dat een klein en ingesloten land is, wat zou kunnen leiden tot misbruik. Zo heeft de kilometergrens bijvoorbeeld tot doel te vermijden dat een inwoner van Lille in Frankrijk zou kunnen genieten van het BBIB voor een tewerkstelling in Kortrijk in België. Een soortgelijke kilometerregel is van toepassing in Luxemburg en in Nederland. ‘Tot slot mag de belastingplichtige niet onderworpen geweest zijn aan de belasting van niet-inwoners in België ingevolge tijdens die periode behaalde beroepsinkomsten. Zo moet bijvoorbeeld een belastingplichtige nietinwoner die op een moment “T” een in België belastbare beroepsactiviteit uitoefende, de facto 60 maanden na afloop van die activiteit “wachten” vooraleer hij kan worden aangeworven in of gedetacheerd naar België met het voordeel van het BBI Deze methode, gebaseerd op een referentieperiode uitgedrukt in aantal maanden, laat toe dat alle belasting plichtigen die kandidaat zijn voor het BBIB op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of ze hun functie in België opnemen in het begin of op het einde van een jaar. Nemen we bijvoorbeeld het geval van een belastingplichtige die op 1 februari 2022 zijn functie opneemt in België. De voorwaarden moeten worden nagegaan gedurende de 60 maanden die voorafgaan aan de maand februari 2022, dat wil zeggen de periode van 1 februari 2017 tot 31 januari 2022. Indien de functie wordt opgenomen in België op 1 oktober 2022, dan loopt de referentieperiode van 60 maanden van 1 oktober 2017 tot 30 september 2022. Er wordt dus altijd gerekend met 60 maanden Omgekeerd, indien het systeem bijvoorbeeld zou gebaseerd zijn op een referentieperiode van 5 aanslagjaren voorafgaand aan de aankomst in België, zou er een ongelijkheid kunnen worden vastgesteld tussen de belastingplichtigen in functie van de datum van hun indiensttreding op Belgisch grondgebied. Zo zou voor een belastingplichtige die in België op 1 februari 2022 een functie opneemt, de referentieperiode lopen van 1 januari 2018 tot 31 januari 2022 (hetzij 4 jaar en 1 maand), terwijl ze voor een belastingplichtige die op 1 oktober 2022 in België functie opneemt, zou berekend worden van 1 januari 2018 tot 30 september 2022 (hetzij 4 jaar en 9 maanden). Dit is de reden waarom de referentieperlode op maandbasis wordt uitgedrukt De Raad van State stelt de vraag of de referentieperiode van 60 maanden kan worden verantwoord in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het vrij verkeer van werknemers. Gelet op de aard van het voordeel dat in het kader van het stelsel wordt verleend, moeten de eriteria toelaten te stellen dat de betrokken werknemer wel degelijk een werknemer is die vanuit het buitenland wordt aangetrokken en dus gedurende een bepaalde referentieperiode geen professionele banden heeft gehad met België. De periode van 60 maanden is gebaseerd op een vergelijkende studie van belastingstelsels voor ingekomen belastingplichtigen in andere Europese landen en ligt rond het gemiddelde van die stelsels. De periode is ook voldoende lang om misbruiken te vermijden. De bepaling onder 2° verbindt het verlenen van het BBIB aan een drempelvoorwaarde, met name een minimale bezoldigingsdrempel. In tegenstelling tot het oude stelsel, dat geen minimale bezoldigingsgrens bevat maar wel vereisten vooropstelt inzake de beroepsloopbaan en de kwalificaties van de belastingplichtige, biedt het BBIB het voordeel van de wiskundige objectiviteit. De minimale bezoldiging is vastgelegd op 75 000 euro per kalenderjaar. Het betreft de jaarlijkse brutobezoldiging met betrekking tot de in België geleverde prestaties, vóór de aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen, met inbegrip van het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de voordelen van alle aard, de bonussen en andere belast bare gratificaties. Worden evenwel niet in aanmerking genomen om te beoordelen of die drempelvoorwaarde nageleefd is: de opzeggingsvergoedingen, de vervangingsinkomsten en de bezoldigingen die bij toepassing van artikel 38, WIB 92 worden vrijgesteld. Ook de kosten ingevolge de tewerkstelling in België die bovenop het loon ten laste worden genomen door de werkgever en als kosten eigen aan de werkgever worden beschouwd, worden niet in aanmerking genomen, net als alle andere terugbetalingen van kosten eigen aan de werkgever. Voorbeeld Een in het buitenland aangeworven werknemer heeft jaarlijks recht op de volgende vergoeding: - een basisloon van 5 000 euro bruto (voor inhouding van sociale bijdragen) per maand of 60 000 euro bruto per jaar; - dubbel vakantiegeld van 4 600 euro bruto (woor inhouding van sociale bijdragen) (92 pct. van ‘een maandloon); - een eindejaarspremie van 5 000 euro bruto (woor inhouding van sociale bijdragen) (100 pct. van een maandloon); - een bonus CAO 90 van 2 000 euro bruto (voor inhouding van sociale bijdragen); - een bedrijfswagen waarvoor het VAA 2 500 euro bedraagt op jaarbasis; - 220 maaltijdcheques met een werkgeversbijdrage van 6,91 euro per cheque (1 520 euro werkgeversbijdrage op jaarbasis); - ecocheques ten bedrage van 250 euro; - een bijdrage aanvullend pensioen van 3 000 euro; - een prestatiebonus die varieert tussen 5 en 15 pct. van het jaarloon (maandloon x 12) De bezoldigingen die in aanmerking worden genomen voor de loondrempel van 75 000 euro en de berekening van de 30 pct-grens zijn - 60 000 euro bruto basisloon; - 4 600 euro bruto vakantiegeld; - 5 000 euro bruto eindejaarspremie; - 2 500 euro VAA bedrijfswagen; - 3 000 tot 15 000 euro bruto prestatiebonus, zijnde in totaal 75 100 euro (indien rekening wordt gehouden met een minimale prestatiebonus van 3 000 euro) De Koning kan het bedrag van 75 000 euro om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex zoals bedoeld in artikel 2, $ 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van °s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Hiertoe wordt het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag vermenigvuldigd met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het nieuwe bedrag voor het eerst van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2020 (107,85). Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdtal naargelang het cijfer van de tientallen al dan niet 5 bereikt. De algemene bepaling van artikel 178, WIB 92 is hier dus niet van toepassing. Het naleven van deze voorwaarde moet voor het eerst worden beoordeeld op het ogenblik dat de belastingplichtige aankomt in België. In de praktijk kan deze beoordeling bijvoorbeeld plaatsvinden in het kader van de in paragraaf 8 bedoelde erkenningsprocedure op basis van de arbeidsovereenkomst. Voor de jaren van aankomst in en vertrek uit België, en voor het jaar waarin het BBIB ten einde komt (in de veronderstelling dat de belastingplichtige in België zou blijven werken na de maximale duur van 5 jaar, eventueel verlengd met drie jaar, zoals bedoeld in paragraaf 7), moet die drempel evenredig worden verdeeld teneinde rekening te houden met het feit dat de belastingplichtige slechts gedurende een deel van het jaar zijn functies in België heeft uitgeoefend met het voordeel van het BBIB. De pro rata berekening moet op dagbasis worden verricht. Voor een belastingplichtige die op 1 mei zijn functies opneemt in België, bedraagt de drempel die in aanmerking moet worden genomen voor het jaar van aankomst in België, dan 245/365 * 75 000 euro, hetzij 50 342,47 euro. De drempel van 75 000 euro moet ook pro rata worden herberekend bij een onderbreking van de werkzaamheid waarbij het loon niet wordt doorbetaald (bijvoorbeeld ziekte, zwangerschap, … Het is tevens belangrijk erop te wijzen dat de drempel slaat op de bezoldiging die betrekking heeft op de in België geleverde prestaties. Voor een belastingplichtige met een salary split waarbij 40 pct. van zijn bezoldiging uit Belgische bron en de overblijvende 60 pct. uit buitenlandse bron wordt behaald, moet de drempelvoorwaarde dus worden beoordeeld door enkel rekening te houden met de 40 pct. die betrekking heeft op de in België uitgeoefende activiteiten ‘Alhoewel de drempelvoorwaarde als een voorwaarde wordt geformuleerd voor het toekennen van het stelsel, moet de bezoldiging van de belastingplichtige gedurende de volledige toepassingsperiode van dit stelsel het drempelbedrag blijven bereiken. Dit volgt uit paragraaf 4 (cf. infra). Het isin de praktijk evenwel niet altijd mogelijk om bij het begin van het belastbare tijdperk met zekerheid te bepalen of de drempel voor het lopende jaar zal worden bereikt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de drempel niet effectief wordt bereikt in het geval van ontslag van de werknemer in de loop van het jaar of bij wijziging van het arbeidsregime (bijvoorbeeld, wanneer wordt overgegaan naar deeltijds werken). Bijgevolg moet de drempelvoorwaarde in elk geval beoordeeld worden na afloop van elk jaar dat het BBIB wordt toegepast. De implementatie van dit stelsel, waarin het begrip “eigen kosten van de werkgever” centraal staat, zal gebaseerd zijn op de fiches 281.10 of 281.20 die door de werkgever of door de vennootschap worden opgesteld overeenkomstig de richtijnen van de administratie inzake de terugbetaling van eigen kosten van de werkgever. Om de belastingadministratie in staat te stellen na te gaan of de drempelvoorwaarde is nageleefd, vereist het laatste lid van paragraaf 3 dat de werkgever of de vennootschap jaarlijks, in de maand januari, aan de autoriteiten een nominatieve lijst meedeelt van de loontrekkers en bedrijfsleiders die het BBIB hebben genoten gedurende het vorige jaar. Op basis van die informatie en van de voormelde fiches van de belastingplichtige zal de belastingadministratie op gepaste wijze de toepassing van het BBIB kunnen controleren. Het nieuwe stelsel stelt geen enkele voorwaarde op het vlak van het opleidingsniveau van de belastingplichtige. De volgende drie redenen worden aangehaald waarom geen diplomavereisten worden gesteld. ‘Ten eerste, om geen aanleiding te geven tot discriminatie tussen de belastingplichtigen in functie van hun land van herkomst, had een diplomavoorwaarde op heel ruime wijze moeten worden geformuleerd, waarbij diploma’s die uitgereikt zijn door buitenlandse onderwijs- en universitaire instellingen op basis van een gelijkwaardig systeem in aanmerking hadden kunnen worden genomen. De gelijkwaardigheid is niet alleen een delicate kwestie, maar is bovendien een regionale bevoegdheid. Het lijkt bijgevolg niet passend om ambtenaren van de FOD Financiën te vragen zich over een dergelijke kwestie uit te spreken voor het BBIB-regime. ‘Ten tweede is gebleken dat, zelfs zonder een diplomavoorwaarde, het invoeren van een voorwaarde van minimale bezoldiging in paragraaf 3 van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92 voldoende is als “filter” voor het toekennen van het BBIB. De drempel werd vastgelegd op een hoog niveau, zodat in de praktijk verondersteld mag worden dat een persoon die het vereiste niveau van bezoldiging ontvangt, over een hoog opleidingsniveau beschikt, wat het toekennen van de voordelen van het stelsel rechtvaardigt ‘Ten derde beoogt het BBIB professionals naar België aan te trekken die over een specifieke expertise beschik ken. Het stelsel is als zodanig eveneens bedoeld voor werknemers die, ook al beschikken ze niet per se over een bepaald diploma, toch expertise op hoog niveau hebben ontwikkeld door de ervaring die ze hebben opgedaan. Een diplomavereiste zou beletten dat het nieuwe stelsel ook voor die werknemers zou worden toegekend, wat niet overeenstemt met het opzet van dit wetsontwerp. Paragraaf 4 van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92 bepaalt dat wanneer in de loop van de periode van 5 jaar (eventueel verlengd met drie jaar) waarvoor het stelsel werd toegekend, niet langer is voldaan aan de in paragraaf 2 gestelde voorwaarden inzake de werkgever of aan de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, gestelde drempel voorwaarde, de toepassing ervan definitief verloren is. De eigenlijke voordelen van het stelsel worden geregeld in de paragrafen 5 en 6 van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92. Ze worden gestoeld op het begrip “eigen kosten van de werkgever”. Het eerste lid van paragraaf 5 bepaalt dat het ten laste nemen bovenop de bezoldiging van de regelmatig weerkerende kosten die het gevolg zijn van de tewerkstelling in België, wordt aanvaard als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever zolang die ten laste genomen kosten niet meer bedragen dan 30 pct. van de bezoldiging. De notie bezoldiging moet hier op dezelfde manier worden ingevuld als voor de minimumbezoldiging van 75 000 euro. Die vergoeding wordt geacht alle regelmatig weerkerende uitgaven te omvatten die door de belastingplichtige ten gevolge van zijn aanwerving of zijn ter beschikkingstelling in België worden gedaan, met uitzondering van de schoolkosten in België voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of van zijn partner. Deze laatste kosten zijn beoogd in paragraaf 6. De aldus bedoelde regelmatig weerkerende uitgaven omvatten met name: de bijkomende kosten verbonden aan de huisvesting in België ten opzichte van het land van herkomst; de bijkomende kosten verbonden aan de levensduurte in België ten opzichte van het land van herkomst; de kosten van privéreizen naar het land van herkomst voor de ingekomen belastingplichtige, zijn partner en de kinderen van zijn gezin; de kosten verbonden aan de verplaatsing naar het land van herkomst ter gelegenheid van de geboorte, het huwelijk of het overlijden van een familielid van de ingekomen belastingplichtige of van zijn partner. Wanneer ook aan de andere voorwaarden voor het BBIB is voldaan, kan de werkgever voor een werknemer met een in aanmerking te namen bezoldiging van 75 100 euro op jaarbasis (zie voorbeeld hierboven) tot maximum 75 100 x 30 pct. of 22 530 euro kosten ingevolge de tewerkstelling in België ten laste nemen bovenop het loon. Die ten laste genomen kosten worden als kosten eigen aan de werkgever beschouwd. Hiervoor moeten geen bewijsstukken worden voorgelegd De werkgever kan ook wederkerende kosten ingevolge de tewerkstelling in België ten laste nemen voor een bedrag dat lager is dan 30 pct. van de in aanmerking te nemen bezoldigingen. De 30 pct. is immers een bovengrens. Wanneer de werkgever wederkerende kosten ingevolge de tewerkstelling in België ten laste zou nemen voor een bedrag dat hoger is dan 30 pct. van de in aanmerking te nemen bezoldigingen (of voor meer dan 90 000 euro, zie verder), is het excedent belastbaar als bezoldiging. De afspraak om kosten ingevolge de tewerkstelling in België ten laste te laten nemen door de werkgever moet contractueel zijn vastgelegd. Men kan dus niet eenvoudigweg een forfaitaire aftrek van 30 pct. op de (andere) overeengekomen bezoldigingen toepassen. Dit forfaitaire systeem is per definitie proportioneel hoe hoger de bezoldiging van de ingekomen belasting plichtige is, hoe groter het mogelijke voordeel van het BBIB zal zijn. Het forfait van 30 pct. dat hierboven werd uiteengezet, wordt geplafonneerd op 90 000 euro per kalenderjaar. Er werd een plafond ingevoerd omdat de kostprijs van het voordeel voornamelijk zal gaan naar de grootste lonen, die door de hoge lonen meer kunnen genieten van het voordeel De Koning kan ook het bedrag van 90 000 euro ‘om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstengezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in het ontworpen artikel 32/1, $ 3, vijfde lid, WIB 92.
Artikel 178, WIB 92 is hier dus ook niet van toepassing. Het bedrag van 90 000 euro wordt ook geprorateerd voor het jaar van aankomst en vertrek. Vermits de regel matig weerkerende uitgaven ingevolge de tewerkstelling in België in beginsel ook blijven doorlopen in geval van arbeidsongeschiktheid, moederschapsverlof, … wordt het plafond van 90 000 euro in die gevallen niet beperkt. Wanneer de uitgaven verder contractueel ten laste worden genomen door de werkgever of de vennootschap, mag zelfs rekening worden gehouden met het loon dat normaal voor die periodes zou zijn toegekend om de 30 pct-grens te bepalen. Het geplafonneerde forfait van 30 pct. werd vastgelegd, tevens rekening houdend met de resultaten van een budgettaire analyse die de impact van de invoering van het BBIB in het Belgisch recht inschat. In dit verband wordt erop gewezen dat, enerzijds, het BBIB gerichter zal zijn dan het oude stelsel, omdat er een minimale bezoldiging moet worden bereikt, en anderzijds, dat de toepassing beperkt in de tijd zal zijn. De Raad van State vraagt zich af of hier, in het licht van het arrest Sopora van het Europees Hof, geen sprake kan zijn van een duidelijke overcompensatie. Op basis van een aantal standaardsituaties heeft de advocaat-generaal voor de Nederlandse Hoge Raad in de zaak Sopora de stelling verdedigd dat de Nederlandse 30 pct-regel geen aanleiding gaf tot een duidelijke en systematische overcompensatie. In de regeling die hier wordt voorgesteld, wordt ook uitgegaan van een percentage van 30 pct. Bovendien geldt er, anders dan in de Nederlandse regeling, een maximumbedrag van 90 000 euro. Ook hier mag men er dus van uitgaan dat er geen duidelijke en systematische overcompensatie is. Dit forfaitair systeem van “kosten eigen aan de werkgever” ingevolge de tewerkstelling in België kan “samen” bestaan, zonder dubbel gebruik uit te maken, met het “klassieke” systeem van eigen kosten van de werkgever, dat uiteraard toegepast mag blijven worden voor de kosten die daarvoor traditioneel in aanmerking komen (bijvoorbeeld representatiekosten, vergoedingen die verbonden zijn aan telewerk, enz.) Op grond van paragraaf 6 van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92 worden de volgende drie soorten uitgaven die door de werkgever ten laste worden genomen, aanvaard als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever, in principe zonder beperking wat het bedrag betreft. ‘Ten eerste de kosten die veroorzaakt zijn door de verhuizing van de ingekomen expat naar België, zoals die limitatief zijn opgesomd in de wet. Die kosten bevatten, ter verduidelijking, met name niet de kosten verbonden aan de verplaatsing van huisdieren, de kosten voor de opslag van meubilair dat toebehoort aan de ingekomen belastingplichtige of aan zijn gezinsleden, de kosten wegens opzegging van de huurovereenkomst voor het vroegere woonhuis in het buitenland, de kosten voor de verkoop van of de verwezenlijkte minderwaarde op de woning in het land van herkomst, noch enige andere roerende minderwaarde (bijvoorbeeld, op huisraad of op een voertuig). Met betrekking tot de administratieve kosten die verbonden zijn aan de tewerkstelling in België, is het nuttig te verduidelijken dat de kosten die verbonden zijn aan het verkrijgen van het BBIB mogen beschouwd worden als eigen kosten van de werkgever of van de vennootschap. Het is inderdaad redelijk om aan te nemen dat deze kosten gemaakt worden ten gevolge van het initiatief van de werkgever om een werknemer uit het buitenland te zoeken die over specifieke competenties, beschikt. Die kosten zijn in feite vergelijkbaar met de kosten die zouden worden gemaakt voor de diensten van een headhunter. Uit het voorgaande volgt dat de kosten voor advies die zijn gemaakt in het kader van het de aanvraag voor de toepassing van het BBIB, en die door de werkgever of de vennootschap zijn gedragen, geen aanleiding geven tot een belastbaar voordeel in hoofde van de belastingplichtige. Omgekeerd moeten de kosten die zijn gemaakt voor het loutere voorbereiden en indienen van de aangifte van de inkomsten van de belastingplichtige in België, beschouwd worden als privékosten. De berekening van de eigen kosten van de werkgever bewerkstelligen zich op een (gedeeltelijk) forfaitaire basis. De regels van het BBIB zijn eenvoudig toe te passen. In tegenstelling tot het oude stelsel (die een specifieke berekening voorzag in het percentage aan reizen naar het buitenland, alsook niet belastbare vergoedingen op basis van een “technische nota”), dient het systeem van het BBIB niet om specifieke ondersteunende kosten te stimuleren. Indien die kosten ten laste worden genomen door de werkgever, moet dit. beschouwd worden als een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van de belastingplichtige. ‘Tot slot vormen de kosten die door de werkgever of de vennootschap in de eigen administratie (boekhouding, salarisadministratie, opstellen van de fiches 281.10 en 281.20) zijn gemaakt voor de toepassing van het BBIB, uiteraard eigen kosten van de werkgever of van de vennootschap. ‘Ten tweede, de kosten verbonden aan de inrichting van de woning in België, zoals die limitatief zijn opgesomd in de wet. Het gaat uitsluitend om kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van materiaal dat bestemd is, ‘om in de woning in België te blijven (bijvoorbeeld verf, behangpapier, ingebouwde verlichting, enz.) en voor de aankoop van huishoudelijke apparaten. Het bedrag dat wordt aanvaard als eigen kosten van de werkgever, is, in ieder geval beperkt tot maximaal 1 500 euro, dat ook kan worden geïndexeerd volgens de regels opgenomen in paragraaf 3, zesde lid. Met huishoudtoestellen volgens de geldende normen in België worden huishoudtoestellen bedoeld die aangepast zijn aan de Belgische nutsvoorzieningen (stekker, stroomsterkte). ‘Ten derde, de schoolkosten in België voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of van zijn partner. De kosten die in aanmerking komen, zijn beperkt tot de strikt verplichte kosten, zoals het inschrijvingsgeld, met uitsluiting van alle daarmee verband houdende kosten (aankoop van schoolmateriaal, plaatselijk transport, kosten voor zwemmen, enz.). Voor alle kosten bedoeld in paragraaf 6 moeten er bewijsstukken zijn Paragraaf 7 van het nieuw artikel 32/1, WIB 92 stelt een tijdslimiet in voor de toepassing van het BBIB. Hiermee wordt met name tegemoet gekomen aan een herhaaldelijk gestelde vraag van de beroepsorganisaties, en van de betrokken partijen naar meer voorspelbaar heid, transparantie en rechtszekerheid. Sinds de uitvaardiging van de circulaire van 8 augustus 1983, die al vele jaren wordt toegepast, is België het enige Europese land waar de voordelen van het bijzondere stelsel niet in de tijd beperkt zijn. Dit gebrek aan een tijdslimiet is principieel inconsistent voor zover het oude stelsel voorbehouden is aan buiten lands personeel dat “tijdelijk” in België tewerkgesteld is. Ook op praktisch vlak leidt deze situatie tot onzekerheid. Het oude stelsel wordt toegekend op voorwaarde dat de belastingplichtige het centrum van zijn vermogens- en persoonlijke belangen in zijn land van herkomst behoudt, ‘om zo het tijdelijke karakter van zijn tewerkstelling en de toepassing in de feiten van een fictief niet-inwonerschap te rechtvaardigen. Het naleven van die voorwaarde wordt slechts één keer gecontroleerd, met name op het ogenblik dat de belastingplichtige in dienst treedt, en dit op basis van een vragenlijst die bedoeld is om zijn belangen in België en in het buitenland te beoordelen. Eens het statuut is toegekend, wordt het verlengd zolang de voorwaarden vervuld zijn, dat wil zeggen zolang de banden met het land van herkomst sterker zijn dan de banden met België. Wegens een gebrek aan personeel, tijd en expertise, worden echter slechts weinig controles uitgevoerd. Ondanks toegenomen controlewerkzaamheden in 2012 en 2014, die toegespitst zijn op belastingplichtigen die reeds 7 tot 10 jaar het stelsel genieten, leidt het oude stelsel de facto dikwijls tot het onbeperkt toekennen van de voordelen. De beroepsorganisaties en de belastingplichtigen zijn goed op de hoogte van deze situatie en in de praktijk kan het oude stelsel effectief aanleiding geven tot misbruik. In het licht van die elementen blijkt het absoluut noodzakelijk een beperking in de tijd in te voeren in het kader van het BBB. De toepassing van dit nieuw stelsel is dus beperkt tot de periode van de tewerkstelling van de belastingplichtige in België, met een maximum van 5 jaar, eventueel te verlengen met drie jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België bij een werkgever of vennootschap die kan genieten van het stelsel van het BBIB. Deze periode waarin het wetsontwerp voorziet, ligt rond het gemiddelde van de Europese landen die een specifiek belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen hebben aangenomen. ‘Ondanks de invoering van deze beperking in de tijd, zijn de verschillende betrokken partijen die werden geraadpleegd naar aanleiding van het opstellen van dit wetsontwerp, grote voorstander van meer controles van de dossiers van ingekomen belastingplichtigen. Paragraaf 8 van het nieuw artikel 32/1, WIB 92 regelt de procedure die moet worden gevolgd om de toepassing van het BBIB te vragen en de eventuele verlenging. Hoewel het nieuwe stelsel uitsluitend ten goede moet komen aan de ingekomen belastingplichtige (cf. infra), vereist deze procedure dat een aanvraag wordt ingediend door de werkgever of door de vennootschap in België. De reden daarvoor is dat het BBIB draait rond het begrip eigen kosten van de werkgever, hetgeen directe gevolgen heeft voor de payroll (en vooral voor de bedrijfs voorheffing die maandelijks moet worden ingehouden op de bezoldiging van de ingekomen belastingplichtige) en voor het opstellen van de jaarlijkse loonfiches die naar de belastingadministratie moeten worden verstuurd. Daarnaast moet de werkgever of de vennootschap in geval van controle, kunnen verantwoorden waarom, bepaalde terugbetalingen van kosten die in principe belastbare voordelen van alle aard vormen (bijvoorbeeld terugbetalingen van schoolkosten), werden beschouwd als eigen kosten van de werkgever. Het spreekt vanzelf dat de belastingplichtige voor wie het voordeel van het BBIB wordt gevraagd, daarmee akkoord moet gaan. Bijgevolg moet een attest in die zin bij de aanvraag worden gevoegd. In paragraaf 9 van het nieuw artikel 32/1, WIB 92 wordt nader ingegaan op het geval dat er in de loop van de 5 jaar, eventueel verlengd met een periode van 3 jaar, waarvoor het BBIB aanvankelijk werd toegekend, een wijziging is van werkgever of van vennootschap. In een dergelijk geval bepaalt het eerste lid dat er een nieuwe aanvraag voor de toepassing van het BIB kan worden ingediend door de nieuwe werkgever of de nieuwe vennootschap, ten voordele van de desbetreffende ingekomen belastingplichtige. Zoals vermeld in het tweede lid, moeten drie voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn vooraleer het BBIB kan worden toegekend aan de belastingplichtige in het kader van de nieuwe werkrelatie: ten eerste moet de werkgever of de vennootschap voldoen aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden; vervolgens moet de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, gestelde drempelvoorwaarde vervuld zijn; tot slot mag de totale duur van het BBI in hoofde van de ingekomen belastingplichtige niet meer bedragen dan de termijn van 5 jaar, eventueel verlengd met een periode van drie jaar, waarin paragraaf 7 voorziet (alle werkgevers samengenomen). In het vierde lid is bepaald dat in een dergelijk geval de drempelvoorwaarde voor het jaar waarin de wijziging van werkgever of vennootschap plaatsvindt, op een evenredige manier moet worden beoordeeld. Nemen we een belastingplichtige die zijn functie heeft opgenomen in België op 1 september 2022. Na meer dan drie jaar in dienst van de Belgische werkgever “X”, verandert die belastingplichtige van werkgever en treedt hij in dienst van de Belgische vennootschap “Y” op 1 november 2025. De toepassing van het BBIB kan behouden bijven voor de eerste 10 maanden van het aar 2025 bij X, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredig verdeelde bezoldigingsdrempel van 304/365 * 75 000 euro, hetzij 62 465,75 euro. Vanaf 1 november 2025 kan het BBIB op basis van een nieuwe aanvraag worden bekomen, waarbij rekening wordt gehouden met een drempel van 61/365 * 75 000 euro hetzij 12 534,25 euro voor de maanden november en december 2025. Het BBIB wordt in ieder geval stopgezet ten laatste op 31 augustus 2027, dat wil zeggen 5 jaar na de aanvankelijke indiensttreding in België, met een eventuele verlenging van 3 jaar tot 31 augustus 2030. Dezelfde principes voor de pro rata berekening moeten worden toegepast wanneer de wijziging van werkgever plaatsvindt in de loop van het vijfde jaar van de toepassing van het BBIB en de tewerkstelling bij de nieuwe werkgever verspreid is over twee kalenderjaren. Laten we in het voorbeeld hierboven veronderstellen dat de wijziging van werkgever plaatsvindt op 1 november 2026 (en niet in 2025). Zoals gezegd kan de toepassing van het BBIB behouden blijven voor de eerste 10 maanden van het jaar 2026 bij werkgever X, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredig verdeelde bezoldigingsdrempel van 304/365 * 75 000 euro, hetzij 62 465,75 euro. Vanaf 1 november 2026 kan het BBIB op basis van een nieuwe aanvraag worden bekomen, waarbij rekening wordt gehouden met een drempel van 61/3685 * 75 000 euro hetzij 12 534,25 euro voor de maanden november en december 2026. Het BBIB wordt uiter lijk op 31 augustus 2027 stopgezet, met een eventuele verlenging tot 31 augustus 2030. De drempel voor 2027 (of in het geval van verlenging, voor 2030) moet dus eveneens evenredig verdeeld worden, op de volgende wijze: 243/365 * 75 000 euro, hetzij 49 931,51 euro. De wettelijke grondslag voor die laatste pro rata berekening is niet langer paragraaf 10, derde lid, van het nieuwe artikel 32/1, WIB 92, maar wel paragraaf 3, eerste lid, 22, in fine. Dezelfde principes worden ook toegepast in het geval van een wijziging van werkgever bij een periode van inactiviteit tussen twee werkgevers. Hierbij kunnen we ons de belastingplichtige voorstellen die zijn functie heeft opgenomen in België op 1 september 2022. Na, bijna drie jaar in dienst van een Belgische werkgever X, wordt deze belastingplichtige ontslagen op 1 augustus 2025. Hij vindt opnieuw werk bij de Belgische vennootschap Y op 1 november 2025 (dat wil zeggen na een werkloosheidsperiode van 3 maanden). De toepassing van het BBIB kan vastgehouden worden voor de eerste 7 maanden van het jaar 2025 uitgevoerd bij bedrijf X, rekening houdende met een geproratiseerde bezoldigingsdrempel ter hoogte van 212/365 * 75 000 euro, hetzij 43 561,64 euro. Te rekenen vanaf 1 november 2025, kan het BBIB opnieuw worden verkregen op basis van een nieuwe aanvraag ingediend door werknemer Y, rekening houdende met een drempel van 61/365 * 75 000 euro, hetzij 12 534,25 euro voor de maanden november en december 2015. In alle gevallen moet het BBIB stoppen op 31 augustus 2027 ten laatste, dat wil zeggen 5 jaar na het starten van de functie in België, met een eventuele verlenging van 3 jaar, tot 31 augustus 2030. Ook het maximumbedrag van 90 000 euro voor de regelmatig weerkerende uitgaven ingevolge de tewerkstelling of terbeschikkingstelling in België die als kosten eigen aan de werkgever kunnen worden beschouwd (ontworpen artikel 32/1, $ 5, tweede lid, WIB 92), moet pro rata worden toegepast in geval van een wijziging van werkgever of vennootschap.
Art 14 Dit artikel bepaalt de plaats waar het nieuwe bijzondere belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers (“BIO”) in het WIB 92 wordt ingevoegd. Hiervoor wordt, net zoals bij het BBIB, gebruik gemaakt van titel Il, hoofdstuk I, afdeling IV, onderafdeling |, punt F. ‘Onder voorbehoud van wat volgt hierna gelden voor het BBIO dezelfde toelichtingen als deze geformuleerd betreffende het BBIB. De belangrijkste verschillen tussen de nieuwe artike len 32/1, WIB 92 (BBIB) en 32/2, WIB 92 (BBIO) zijn te vinden enerzijds in het personele toepassingsgebied en anderzijds in de voorwaarde van de bezoldigingsdrempel (niet aanwezig in het BBIO). Het personele toepassingsgebied van het BBIO wordt geregeld in de paragrafen 1 en 2 van het nieuwe artikel 32/2, WIB 92. Paragraaf 1 bepaalt dat de onderzoekers die voor het BBIO in aanmerking komen, onderzoekers zijn die bezoldigingen van werknemers verkrijgen. Anders, gezegd, de bedrijfsleiders zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van dit stelsel, in tegenstelling tot wat het nieuwe artikel 32/1, WIB 92 bepaalt. De reden van deze uitsluiting is in de eerste plaats het voorkomen van misbruik. Immers, wanneer het BBIO net als het BBIB zou open staan voor bedrijfsleiders, is het niet ondenkbaar dat een bedrijfsleider die ook onderzoeksactiviteiten uitvoert, maar niet voldoet aan de voorwaarde inzake de bezoldigingsdrempel die in het kader van het BBB wordt opgelegd in artikel 32/1, 8 3, eerste lid, 2°, WIB 92, die voorwaarde makkelijk zou kunnen omzeilen door in plaats van het BBI, het BBIO (dat geen drempelvoorwaarde bevat - cf. infra) aan te vragen. Een dergelijke situatie strookt niet met de bedoeling van de wetgever. Om elke discussie te vermijden, is de toepassing van het nieuwe artikel 32/2, WIB 92, beperkt tot werknemers in loondienst. In de tweede plaats dient het ook om een duidelijk onderscheid te maken tussen de “BBIB”, het “BBIO” en het zuiver aanwerven van externe consultants. Het BBIB heeft werkelijk als doel om leidinggevende topprofielen binnen een bedrijf aan te trekken. Deze bekleden dan ook vaak het statuut van bedrijfsleider eerste categorie. Het BBIO daarentegen, heeft echt als bedoeling om als werknemer bepaalde experts aan te trekken om te werken in België. Het gaat hier effectief over het aanvaarden van onderzoekers en geen leidinggevenden in de zin van bestuurders die belast zijn met de werking van het bedrijf Indien ze belast zijn als bedrijfsleider, worden ze niet uitgesloten van het regime als dusdanig, aangezien ze nog beroep kunnen doen op het systeem van BBB mits, ze voldoen aan de 75 000 euro-grens. Net zoals het BBIB, is het BBIO bedoeld voor situaties waarbij sprake is van een aanwerving in het buitenland en een terbeschikkingstelling binnen een multinationale groep. De term “onderzoeker” wordt gedefinieerd in het artikel 32/2, $ 2, derde lid, WIB 92. Met het oog op de coherentie, komt de definitie van onderzoeker in de zin van het BBIO niet in confict met andere fiscale maatregelen die reeds bestaan in het WIB 92 met het oog op onderzoekers, meer specifiek deze van artikel 275°, WIB 92. Deze laatste bepaling bevat geen letterlijke definitie aan het begrip “onderzoeker”, maar verwijst eerder naar specifieke vereisten om toegang te krijgen tot diens werkgebied (bijvoorbeeld, door deelname aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, het houden van bepaalde diploma's, enzovoort) In het kader van het BBIO is het begrip “onderzoeker” gedefinieerd op basis van de aard van de activiteiten die hij voert binnen de vennootschap of waar hij is tewerkgesteld of ter beschikking gesteld. Het feit dat de onderzoeker onder een arbeidscontract prestaties verricht voor de rekening van een Belgisch bedrijf of Belgische vzw op de site van een klant van dat bedrijf vormt geen obstakel voor de toepassing van het BBIO. ‘Tot slot moet de onderzoeker beschikken over een kwalificerend diploma, of over een relevante ervaring van 10 jaar in die domeinen. Deze diplomavereiste verklaart waarom geen enkele voorwaarde inzake minimumbezoldiging wordt gesteld in het kader van het BBIO, dat zich op dit punt onderscheidt van het BBIB voorzien in het nieuwe artikel 32/1, WIB 92. Het diploma waarvan sprake in het kader van het BBIO moet zijn verkregen binnen één of meerdere van de volgende kennisvelden: 1° De natuurwetenschappen, die volgende domeinen bevat:
- wiskunde;
- informatica;
- statistiek;
- (ysica;
- astronomie en astrofysica;
- chemie en nucleaire chemie;
- biologie;
- biofysica;
- biochemie;
- geologie;
- aardobservatie;
- milieuwetenschappen;
- nanowetenschappen;
- ruimtewetenschappen;
- medische stralingstysica;
- artificiële intelligentie.
- architectuur;
- bouwkunde;
- geotechniek en mijnbouwkunde:
- elektrotechniek (elektronica, multimedia, communicatie);
- informatica en computerwetenschappen;
- materiaalkunde;
- werktuigkunde (mechanica, elektromechanica, automatisering en regeltechniek, energietechnologie);
- chemische technologie;
- biomedische technologie;
- biotechnologie;
- wiskundige ingenieurstechnieken;
- toegepaste natuurkunde;
- fotonica;
- nucleaire en medisch-nucleaire technologie;
- polytechniek;
- milieutechnologie:
- nanotechnologie;
- productontwikkeling;
- nautische wetenschappen.
- algemene geneeskunde:
- specialistische geneeskunde:
- gezondheidswetenschappen (bijvoorbeeld management en beleid van de gezondheidszorg, gezondheidsvoorlichting en bevordering);
- Klinische biologie:
- biomedische wetenschappen;
- bio-informatica;
- tandheelkunde:
- farmaceutische zorg en ziekenhuisfarmacie;
- geneesmiddelenontwikkeling en industriële farmacie;
- logopedie en audiologie;
- lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen;
- revalidatiewetenschappen en kinesitherapie;
- verpleegkunde en vroedkunde.
- landbouwkunde;
- land-, natuur-, water- en bosbeheer;
- chemie en bioprocestechnologie;
- levensmiddelentechnologie;
- biosysteemtechniek;
- cel- en genbiotechnologie;
- katalytische technologie.
- hij heeft in België noch zijn domicilie, noch de zetel van zijn vermogen. Deze situatie wordt beoordeeld op basis van feitelijke omstandigheden;
- hij is gehuwd (zonder zich te bevinden in één van de gevallen bedoeld in artikel 126, 5 2, eerste lid, WIB 92) en zijn gezin bevindt zich in een buitenlandse Staat;
- hij wordt beoogd in artikel 4, WIB 92.
Art. 16 Dit artikel voegt een nieuw artikel 240quater in in titel
V, De opmerkingen met betrekking tot artikel 15 van dit. wetsontwerp (dat een nieuw artikel 240ter invoegt in het WIB 92) gelden ook hier.
Art 17 De inwerkingtreding van deze afdeling is vastgelegd op 1 januari 2022. De afdeling zal van toepassing zijn op alle in aanmerking komende inkomende belastingplichtigen en inkomende onderzoekers die in België in dienst treden vanaf 1 januari 2022.
Art. 18 Dit artikel bevat een overgangsbepaling voor het BBB. Het doel van deze bepaling is om de belastingplichtigen die onder het oude stelsel vallen de mogelijkheid te bieden om te kantelen naar het BBIB onder bepaalde voorwaarden. Vooreerst moet de belastingplichtige zich bevinden in de omstandigheden vermeld in artikel 32/1, 5 2, eerste id, (aangeworven zijn in het buitenland of ter beschikking gesteld aan een Belgische werkgever binnen een inter nationale groep) voor een periode van maximaal 5 jaar voor de inwerkingtreding van voorliggende wet. De belastingplichtige moet ook voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 32/1, $ 3, eerste lid, WIB 92 op het moment van de eerste affectatie in België. Met andere woorden, men zal desgevallend een aanvraag voor de toekenning van het BBIB kunnen doen op basis van het voldoen aan deze voorwaarden gedurende de periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling van de belastingplichtige in België bij een werkgever of een vennootschap die toepassing kan maken van dit nieuw stelsel. In deze zin moet de naleving van de in artikel 32/1, $ 3, eerste lid, WIB 92 voorziene voorwaarden retroactief worden beoordeeld vanaf de eerste affectatie in België. Deze voorwaarden moeten natuurlijk nog altijd vervuld zijn op het moment van de aanvraag tot inkanteling zelf ‘Tenslotte moet uiterlijk op 31 juli 2022 een aanvraag worden ingediend bij de administratie volgens een erkenningsprocedure die gelijkaardig is aan deze voorzien in paragraaf 8 van artikel 32/1, WIB 92. In het geval van een positief antwoord, zal de belastingplichtige geacht worden van het BBIB te genieten vanaf 1 januari 2022. Op deze manier zullen de voordelen voorzien in de paragrafen 5 en 6 van het artikel 32/1, WIB 92 van toepassing zijn op de bezoldigingen verkregen vanaf deze datum. Het voordeel van de BBIB zal toegekend worden voor het overige deel van de maximale duur van 5 jaar, eventueel verlengd met 3 jaar, zoals voorzien in het paragraaf 7 van artikel 32/1, WIB 92 rekening houdende met de datum van eerste affectatie van belastingplichtige in België. Zo zal bijvoorbeeld voor een belastingplichtige die op 1 augustus 2018 begon met werken in België onder het oude stelsel en die beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden om te “kantelen” naar het BBIB, van het nieuwe stelsel kunnen genieten voor de periode van de inwerkingtreding van deze afdeling tot 31 juli 2023. Deze duurtijd kan in voorkomend geval verlengd worden met 3 jaar overeenkomstig paragraaf 7, tweede lid van artikel 32/1, WIB 92. Voor diegenen die geen rechtsgeldige aanvraag hebben gedaan of indien er een negatief antwoord volgt op de aanvraag tot kanteling van het oude stelsel naar het BBIB, geldt een overgangsmaatregel van twee jaar die voorzien zal worden in een aanpassing van de circulaire van 8 augustus 1983. In navolging van de opmerking van de Raad van State zal een gelijke behandeling worden voorzien tussen diegenen die geen rechtsgeldige aanvraag tot kanteling hebben gedaan en diegenen die wel een rechtsgeldige aanvraag hebben gedaan, maar een negatief antwoord hebben gekregen. Vermits het gaat om de uitdoving van een administratieve maatregel, opteert de regering er niet voor om die uitdoving bij wet te regelen.
Art. 19 Dit artikel betreft een overgangsmaatregel voor het BBIO. De toelichtingen met betrekking tot artikel 18 van deze afdeling zijn ook hierop van toepassing. Afdeling 3 Hervorming zorgvastgoed GVV's Art. 20 en 21 Gelet op het risico op een hogere factuur voor de inwoners van zorginstellingen werd bij wet van 18 december 2016 een verlaagd tarief van roerende voorheffing op uitgekeerde dividenden ingevoerd voor gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV's) die minstens 60 pct. van hun investeringen richten op onroerende goederen die uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn. De regering acht het aangewezen om in artikel 171, g°quater, en artikel 269, $ 1, 3°, WIB 92, het minimum, percentage van de verhouding van investeringen in zorgvastgoed te verhogen van 60 pct. naar 80 pct. om zo de doeltreffendheid van het verlaagde tarief, alsook diens beperkte budgettaire impact te waarborgen. Dergelijke verhoging verzekert het hoofdzakelijk karakter van investeringen in zorgvastgoed. ‘Onder onroerende goederen aangewend of bestemd voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden worden begrepen onroerende goederen zoals rusthuizen, serviceflats, assistentiewoningen alsook andere onroerende goederen bestemd tot het verlenen van continue zorg. In een nieuw lid, in respectievelijk artikel 171, 3°quater, WIB 92 en artikel 269, $ 1, 3°, WIB 92, wordt verduidelijkt hoe de verhouding van investeringen in zorgvastgoed ten aanzien van investeringen in het totale vastgoed bepaald moet worden. In eerste instantie berekent men hiervoor het bedrag in de teller van de breuk, door enerzijds het bedrag van de in artikel 29, 5 1, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of artikel 47, $ 1, van de wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennoot-schappen vermelde waardering op het einde van het boekjaar waarop het toegekende dividend betrekking heeft op te tellen met. de in artikel 29, $ 2, van het koninklijk besluit van 7 deartikel 47, $ 2, van de wet van 12 mei 2014 betreffende actualiseringen aan het einde van elk van de eerste drie kwartalen van het boekjaar waarop het toegekende divi dend betrekking heeft en dit zowel voor de waardering als actualiseringen enkel voor het gedeelte dat betrekking heeft op onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of geVervolgens bepaalt men de noemer door het volledige bedrag van de in artikel 29, $ 1, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of artikel 47, $ 1, van de wet van 12 mei 2014 betref fende gereglementeerde vastgoedvennoot-schappen vermelde waardering op het einde van het boekjaar waarop het toegekende dividend betrekking heeft op te tellen met het volledige bedrag van de in artikel 29, $ 2, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of artikel 47, $ 2, van de wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennoot-schappen vermelde actualiseringen aan het einde van elk van de kwartalen van het boekjaar waarop het toegekende dividend betrekking heeft. Het aldus bekomen percentage dat de verhouding tussen het zorgvastgoed en het totale vastgoed van de GVV reflecteert moet ten minste 80 pct. bedragen om te genieten van het verlaagd tarief van roerende voorheffing.
Art. 22 Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De artikelen 20 en 21 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2022 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. Afdeling 4 Wijziging van de behandeling minnelijke schikking en vegularisatieheffingen Dit artikel behelst twee verduidelijkingen voor artikel 53, 6°, WIB 92 inzake de uitsluiting als beroepskost. ‘Ten eerste wordt ingeschreven dat regularisatieheffingen zijn uitgesloten als beroepskost. De wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie, en regionale wetgeving laten aan een belastingplichtige toe om zijn toestand te regulariseren door sommen, inkomsten, kapitalen en handelingen die hij eerder niet had aangegeven toch nog aan te geven bij het Contactpunt regularisaties (fiscale en sociale regularisatie) of bij de Vlaamse Belastingdienst. Na de betaling van de belasting en een regularisatieheffing krijgt de belastingplichtige verdere fiscale en strafrechtelijke immuniteit De wetgever wenst te verduidelijken dat dergelijke regularisatieheffingen niet kunnen worden aangemerkt als beroepskost. Dit zou namelijk in strijd zijn met de principes van een rechtvaardig belastingsysteem. ‘Ten tweede wordt expliciet bevestigd dat de gestorte geldsommen die leiden tot het verval van de strafvordering zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering niet worden aangemerkt als beroepskosten. Ondanks het feit dat de lijst van artikel 53, 6°, WIB 92 met elementen die niet als beroepskosten worden aangemerkt in 2017, werd aangepast en administratieve geldboeten toen breder werd uitgelegd, blijft op heden rechtsonzekerheid bestaan om de gestorte geldsommen inzake minnelijke schikkingen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering onder toepassing van artikel 53, 6°, WIB 92 te laten vallen. Zo werd de fiscale aftrekbaarheid van minnelijke schikkingen aanvaard door het Hof van Beroep te Gent (13 oktober 2020), hoewel dit volledig indruist tegen de ratio van die minnelijke schikking en de initiële bedoeling van de wetgever. De wetgever wenst via deze aanpassing expliciet te bevestigen dat de gestorte geldsom men zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering niet kwalificeren als beroepskosten. Naar aanleiding van het advies nr. 70.434/1-2-3-4VR van de Raad van State wordt verduidelijkt dat dit artikel 10 dagen na publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad in werking treedt. Dat wil zeggen dat de discussie betreffende de toepassing van artikel 53, 6°, WIB 92 blijft bestaan voor het verleden, en eventuele geschillen ongewijzigd blijven en nog steeds zullen blijven lopen tot het aanslagjaar 2021. Voorheen ingenomen standpunten wijzigen niet. Dit artikel kwalificeert bijgevolg niet als een interpretatieve bepaling Afdeling 5 Belastingvermindering voor kinderoppas Art. 24 De regering stelt voor om opnieuw het maximumbedrag per dag en per kind, voor de toepassing van de belastingvermindering voor kinderopvang zoals omschreven in artikel 145°, WIB 92, te verhogen. Dit bedrag werd reeds verhoogd bij de programmawet van 20 december 2020 tot het bedrag van 13 euro voor aanslagjaar 2021, en tot 13,70 euro vanaf het aanslagjaar 2022 (zie artikel 8 van de hiervoor geciteerde wet) De regering stelt voor om dit bedrag opnieuw te verhogen en vanaf nu een bedrag van 14 euro per dag kinderoppas per kind toe te laten en dit reeds voor het aanslagjaar 2022. Het bedrag voorzien in het WIB 92 wordt vanaf de programmawet van 20 december 2020 geïndexeerd op basis van de coëfficiënt voorzien in artikel 178, $ 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek (1,6679 voor het aanslagjaar 2022). Het basisbedrag voorzien in artikel 145%, WIB 92, wordt vervangen door het bedrag 8,40 euro. Gezien men vanaf nu de indexatiecoëfficiënt die van toepassing is op aanslagjaar 2022 kent, is het artikel 145%, elfde lid, WIB 92, overbodig. Zij wordt opgeheven door artikel 24, 2°, van dit ontwerp.
Art. 25 Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
Artikel 24 treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. Afdeling 6 Boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups & scale-ups Voor een sterke economische relance na de COVID19-pandemie wordt specifiek gekeken naar het potentieel van start-ups (of startende bedrijven) en scale-ups (of groeibedrijven). Dit zijn vaak innovatieve ondernemingen met een groot groeipotentieel inzake economische impact en tewerkstelling. Gelet op de risicoaversie van bepaalde financiële markten en de beperkte zekerheden die startende bedrijven en kmo's kunnen bieden, hebben deze het vaak moelijk om kapitaal of leningen te verkrijgen, ook al hebben ze een waardevol bedrijfsmodel en groeiperspectieven. Om deze bedrijven te ondersteunen in hun zoektocht naar financiering, werd via artikelen 145% en 1457, WIB 92 de zogenoemde “taxshelter” voor start-ups en scale-ups geïntroduceerd, respectievelijk via de programmawet van 18 augustus 2015 en de wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie. Investeerders in deze ondernemingen konden onder bepaalde voorwaarden een belastingvermindering genieten. Om deze ondernemingen extra ondersteuning te bieden in hun expansie na de COVID-19-pandemie, worden de maximumbedragen die zij onder het bestaande regime kunnen ophalen, verdubbeld (aanpassing van artikelen 145% en 1457, WIB 92). Op deze manier kunnen de ondernemingen voldoende kapitaal ophalen om verdere groei en innovatie te financieren. Dit zal een positieve impact hebben op de economische dynamiek en de werkgelegenheid in België. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State wordt de inwerkingtreding aangepast om te verzekeren dat deze afdeling nog in 2021 in werking treedt. Afdeling 7 Verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector De bouwsector wordt geconfronteerd met een aantal uitdagingen, waaronder een tekort aan geschoolde arbeidskrachten. De impact van de COVID-19-crisis, de verwachte effecten van het herstel en transitieplan en de overstromingen in Wallonië maken die uitdagingen nog actueler. De projecten in het kader van het herstel en transitieplan (Green Deal, duurzaamheid, hernieuwbare energie, vergroening van de economie, circulaire economie, lokale werkgelegenheid, isolatie, energiebesparing, … zullen leiden tot een toename van het werkvolume. Om hierop te kunnen inspelen, zullen de bouwbedrijven extra werknemers in dienst moeten nemen. Er zal een grotere vraag zijn naar geschoolde arbeidskrachten. Als reactie hierop heeft de sector al een aantal initiatieven genomen (versterking van de samenwerking met de onderwijs- en opleidingswereld, steun voor duale opleidingen, enz, die in de loop van de tijd effect zullen hebben. Op korte termijn zal echter vaker beroep moeten worden gedaan op overwerk. De regering stelt dan ook voor om het aantal fiscaal voordelige overuren in de bouwsector te verhogen van 180 naar 220 uren. Ze komt hiermee tegemoet aan de vraag van de sociale partners in het Paritair comité voor het bouwbedrijf. Wegenwerken geven heel vaak aanleiding tot klachten van burgers bij de lokale autoriteiten, die de werken hebben besteld wanneer de werken aanslepen. Lang aanslepende spoorwegwerken veroorzaken hinder voor treinreizigers. Om de duur van deze werven te beperken, vragen de aanbestedende overheden inspanningen aan de bouwbedrijven. De recente overstromingen in Wallonië maken structurele wegen- en spoorweg: werken nog dringender en noodzakelijker. Dat leidt er vaak toe dat er volgens atypische werkschema's wordt gewerkt. Deze atypische werkschema's hebben gevol gen voor de arbeiders uit de sector van de wegenbouw en spoorwegwerken die 's nachts, tijdens weekends en op feestdagen moeten werken. De arbeiders zijn vaak moeilijk te overtuigen om in te gaan op de vraag van de openbare opdrachtgevers om wegen- en spoorwegwerken uit te voeren buiten de periodes waarin er druk verkeer is. De inspanningen van de arbeiders in de wegenbouw en spoorwegwerken die aanvaarden ‘om volgens atypische uurregelingen/ werkschema's te werken, moeten daarom worden aangemoedigd. Daarom stelt de regering voor om het aantal fiscaal voordelige overuren te verhogen van 180 naar 280 uren voor de werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken verrichten (met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels) en aan wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken voor die werkgevers. Ook hier gaat de regering in op een vraag van de sociale partners De regering zal deze maatregel overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU aanmelden bij de Europese Commissie. De maatregel kan pas in werking treden nadat de Europese Commissie haar goedkeuring heeft gegeven. De Koning zal die inwerkingtreding vastleggen op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie. De maatregel zal van toepassing zin op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd.
HOOFDSTUK 2
Belasting over toegevoegde waarde - Uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de vrijstellingsregeling van de belasting Art. 32 De verhuur van onroerende goederen uit hun aard isin principe vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, $ 3, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna “Wetboek”). Die bepaling voorziet in een aantal uitzonderingen op die principiële vrijstelling, zoals, het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels, en gelijkaardige inrichtingen overeenkomstig artikel 44, $ 3, 2°, a), derde streepje, van het Wetboek. Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (DOC 55 2279) heeft die laatste bepaling grondig gewijzigd door voortaan meer heldere wettelijke criteria vast te leggen die het mogelijk maken om die handelingen te onderscheiden al naargelang ze belast dan wel vrijgesteld zijn. Het bij het voormelde wetsontwerp gewijzigde artikel 44, 5 3, 2°, a), derde streepje, van het Wetboek zal aldus vanaf 1 juli 2022 bepalen dat, in afwijking van de principiële vrijstelling van btw van toepassing op de verpachting en de verhuur van onroerende goederen uit hun aard, niet vrijgesteld is: “et verschaffen, voor een periode van minder dan drie maanden, van gemeubeld logies in hotels, motels en inrichtingen met een soortgelijke functie waar gewoonlijk aan betalende gasten onderdak wordt verleend voor een periode van minder dan drie maanden, tenzij die inrichtingen geen van de volgende nauw samenhangende diensten verrichten: instaan voor het fysiek onthaal van de gasten, de terbeschikkingstelling van huishoudlinnen en, wanneer het gemeubeld logies wordt verstrekt voor een periode van meer dan een week, de vervanging ervan tenminste eenmaal per week, en het dagelijks verschaffen van het ontbijt, door de exploitant van het logies of door een derde voor zijn rekening” Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting bij het voormeld wetsontwerp, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verduidelijkt dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken, die weliswaar wordt begrensd door het doel van artikel 135, lid 2, eerste alinea, a), van Richtlijn 2006/112/EG, om te bepalen welke gevallen van het verschaffen van accommodatie in afwijking van de vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen moeten worden belast. Die bepaling heeft namelijk de bedoeling om te verzekeren dat het belast verschaffen van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met soortgelijke functies wordt onderscheiden van vrijgestelde handelingen, zoals de verpachting en de verhuur van onroerende goederen. Het staat derhalve aan de lidstaten om in dat kader criteria in te voeren die zij passend achten om dit onderscheid te maken (arrest van 12 februari 1988, Blasi, C-346/95, EU:C:1988:51, punten 20 tot 23). Met betrekking tot het kwantitatief criterium (van zes maanden) dat in het Duitse recht in het kader van de zaak Blasi wordt gehanteerd, heeft het Hof voor recht gezegd dat het "een redelijk middel [kt] om te verzekeren, dat belasting wordt geheven over de handelingen van belastingplichtigen die een activiteit uitoefenen welke overeenstemt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie”. (punt 24 van het arrest). Het Hof is trouwens van oordeel dat dat eriterium “een gemakkelijk en passend criterium [lijkt] ter verwezenlijking van het doel van artikel 13 B van de zesde richtlijn [artikel 135, lid 2, eerste alinea, a), van Richtlijn 2006/112/EG), dat erin bestaat de correcte en eenvoudige toepassing van de in die bepaling neergelegde vrijstelingen te verzekeren” (punt 25 van het arrest) Het voormelde wetsontwerp heeft, overeenkomstig het Duitse (en trouwens ook het Nederlandse) voorbeeld, in artikel 44, 8 3, 2°, a), derde streepje, van het Wetboek eenzelfde kwantitatief criterium ingevoegd (in de vorm van een periode van minstens drie maanden) om het belaste verschaffen van gemeubeld logies te onderschei den van de verhuur van gemeubeld logies dat krachtens deze nieuwe bepaling van de belasting zal vrijgesteld zijn. Deze hervorming beoogt duidelijkheid te brengen in deze problematiek die, in het bijzonder de laatste jaren, aanleiding heeft gegeven tot belangrijke geschillen omtrent de juridische kwalificatie van sommige onroerende verhuren met betrekking tot gemeubeld logies. Deze wijziging vervangt aldus de kwalitatieve criteria. die voorheen in de administratieve doctrine werden ontwikkeld en die betrekking hadden op de nauw samenhangende diensten die al dan niet worden verleend door de uitbater van het gemeubeld logies (het onthaal van gasten ter plaatse (minstens gedurende voor een groot gedeelte van de dag), het onderhoud en de regel matige schoonmaak van het gemeubeld logies tijdens het verblijf, het verstrekken en het vervangen van het huishoudlinnen tijdens het verblijf en het aanbieden van het ontbijt) door een kwantitatief criterium. Het zijn precies, de uiteenlopende interpretaties omtrent de draagwijdte van deze kwalitatieve criteria die aanleiding hebben gegeven tot een aantal geschillen Het voormelde wetsontwerp heeft evenwel tegelijkertijd een aantal afwijkingen willen toelaten op dat kwanti tatieve criterium van drie maanden om zo de verhuur van gemeubeld logies die wordt gekenmerkt door de volledige passiviteit van de verhuurder niet te belasten. Er bestaan inderdaad omstandigheden waarbij de terbeschikkingstelling van gemeubeld logies voor een korte duur niet gepaard gaat met enige bijkomende dienst. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de verhuur (meestal voor één of twee weken) van appartementen of kleine, eenvoudig bemeubelde verblijven zonder dat de verhuurder één van de diensten aanbiedt die behoren tot de essentiële diensten die gewoonlijk door een hotel of een inrichting met een gelijkaardige functie worden aangeboden (instaan voor een fysiek onthaal, ten minste gedurende een deel van de dag, van de gasten, met inbegrip van het verlenen van bijstand op verzoek, de gasten regelmatig huishoudlinnen ter beschikking stel len en het regelmatig vervangen of nog dagelijks ontbijt verschaffen, door de exploitant of door een derde voor zijn rekening). Eén van de bekendste gevallen ter zake is de verhuur van appartementen aan de Belgische kust, met name via gespecialiseerde agentschappen die de klant enkel de sleutels van het appartement overhandigen zonder in te staan voor enige andere dienst. In het licht van de bijzonder passieve aard van die verhuren, moest ervoor worden gezorgd dat over die verhuren geen belasting moet worden geheven louter door de toepassing van het kwantitatieve criterium dat als belangrijkste onderscheidingscriterium wordt gehanteerd. ‘Om die reden heeft artikel 44, S 3, 2°, a), derde streepje, nieuw, van het Wetboek op ondergeschikte wijze sommige van de voorheen in de administratieve doctrine gebruikte kwalitatieve criteria terug ingevoerd. Zo kan de verhuur van gemeubeld logies voor een periode van minder dan drie maanden (wat aldus beantwoordt aan het belangrijkste onderscheidingscriterium) vrijgesteld blijven wanneer er door de exploitant daadwerkelijk geen enkele van de bedoelde nauw samenhangende diensten wordt verstrekt. Dit alles legt aldus het nieuwe juridische kader vast waarin de voorliggende maatregel zich inschrijft. In bepaalde regio's van ons land ondervinden hotels concurrentie van personen die, al dan niet gefaciliteerd door elektronische platformen, bijvoorbeeld in hun eigen woning gemeubeld logies aanbieden. Deze concurrentie bestond al onder de vorige regelgeving maar zal ook blijven bestaan onder de nieuwe regels met betrekking tot het verschaffen van gemeubeld logies. Individueel hebben deze personen vaak een jaaromzet uit deze activiteit die geen 25 000 euro bedraagt. Ingeval ze geen andere economische activiteit uitoefenen, kunnen ze derhalve gebruik maken van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen vervat in artikel 56bis van het Wetboek. Door de enorme toename van het aantal gemeubeld logies dat in een dergelijke context wordt aangeboden, is er sprake van toenemende concurrentieverstoring met andere sectoren zoals hotels doordat die personen geen btw hoeven aan te rekenen aan hun klanten. Individueel bekeken, vormt elk van die belastingplichtigen op zich niet noodzakelijk een factor van oneerlijke concurrentie. Dergelijke concurrentie is daarentegen wel manifest aanwezig op het geaggregeerde niveau van de platformen die het die personen mogelijk maken hun gemeubeld logies aan particulieren te huur aan te bieden. In sommige grote steden in het land blijkt aldus dat het aanbod van kamers door particulieren via dergelijke platformen qua aantal in de buurt komt van dat aangeboden door hotels en gelijkaardige inrichtingen.
Artikel 32 van het ontwerp vult artikel 56bis, $ 3, van het Wetboek daarom aan met een bepaling onder 6°, om aanbieders van gemeubeld logies in principe uit te sluiten van het toepassingsgebied van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. Deze nieuwe bepaling preciseert evenwel dat die uitsluiting uit de vrijstelingsregeling geen betrekking heeft op de handelingen die worden verricht door de natuurlijke personen die handelen in het kader van de door artikel 50, 5 4, van het Wetboek met betrekking tot de deeleconomie ingestelde bijzondere regeling. De bijzondere regeling inzake de deeleconomie opgenomen in artikel 50, $ 4, van het Wetboek werd ingevoegd bij de programmawet () van 1 juli 2016 (Belgisch Staatsblad van 4 juli 2016, ed 2) en vervangen bij de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie (Belgisch Staatsblad van 26 juli 2018). Deze regeling vormt inzake btw een vereenvoudigingsregeling voor de actoren in de deeleconomie die zich niet voor btw-doeleinden moeten laten identificeren. Inzake directe belastingen werd door de voormelde wetten een uitgebreidere regeling uitgewerkt waarbij voor dergelijke activiteiten een sui generis belastingregeling werd uitgewerkt. Inzake btw heeft die vereenvoudigingsregeling betrekking op de diensten die uitsluitend worden verstrekt in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform. Om die regeling te kunnen genieten, moeten onder meer de volgende bijkomende voorwaarden vervuld zijn: - de plaats van de diensten is in België; - de diensten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de gebruikelijke economische activiteit van de natuurlijke persoon; - de diensten worden uitsluitend verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik of dat van andere personen; - de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend; - de omzet die bestaat uit de door de belastingplichtige ontvangen vergoedingen bedraagt per kalenderjaar niet meer dan het overeenkomstig artikel 178, $ 1 en $ 3, eerste id, 2°, WIB 92, geïndexeerde bedrag van 3 830 euro, of aldus, voor het jaar 2021, een bedrag van 6 390 euro. In concreto zullen krachtens de uitzondering op de uitsluiting van de vrijstellingsregeling bedoeld in arti kel 56bis, $ 3, 6°, nieuw, van het Wetboek, en in afwijking van het basisprincipe, de diensten van verschaffen van gemeubeld logies verricht door een natuurlijk persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 50, 5 4, van het Wetboek - en dan in het bijzonder aan de voorwaarde met betrekking tot de maximale omzet van & 390 euro (voor het jaar 2021) - niet belast worden. Bij overschrijding van die jaarlijkse maximale omzet, zal de belastingplichtige zijn diensten wel moeten belasten. Deze wettelijke toegeving strekt ertoe om de personen met een heel beperkte relevante activiteit geen al te zware administratieve lasten op te leggen. De maximaal toegelaten omzet blif relatief beperkt als rekening wordt gehouden met de gemiddelde huurprijs per dag, zodat in dergelijke omstandigheden bezwaarlijk gewag gemaakt kan worden van een risico van oneerlijke concurrentie tussen die natuurlijke personen die occasioneel hun gemeubeld logies te huur aanbieden en de hotelsector, die in het bijzonder getroffen is door dit fenomeen van “peer to peer”-diensten. De principiële uitsluiting van de vrijstelingsregeling is uiteraard maar zinvol in de mate dat hun diensten principieel belast zijn op grond van de nieuwe regels inzake het verschaffen van gemeubeld logies, i.e. wanneer ten minste één van de volgende diensten wordt verstrekt bovenop het loutere verschaffen van het gemeubeld logies: instaan voor het fysieke onthaal van de gasten, de terbeschikkingstlling van huishoudlinnen en, wanneer het gemeubeld logies wordt verstrekt voor een periode van meer dan een week, de vervanging ervan tenminste eenmaal per week, en het dagelijks verschatfen van het ontbijt, door de exploitant van het logies of door een derde voor zijn rekening. Wat meer bepaald de terbeschikkingstelling en de vervanging van huishoudlinnen betreft, voorziet artikel 44, $ 3, 2°, a), derde streepje, nieuw, van het Wetboek de verstrekking van huishoudlinnen aan het begin van het verblijf en de vervanging ervan ten minste éénmaal per week. Wanneer de enige samenhangende dienst bestaat in de verstrekking van linnengoed bij aankomst zonder vervanging na één week (voor verblijven van meer dan één week), blijft de vrijstelling van toepassing. Het niet vervangen van het linnengoed na één week zal door de verhuurder moeten worden aangetoond indien hij in dit specifieke geval de toepassing van deze vrijstelling wil genieten, overeenkomstig de algemene regels inzake bewijslastverdeling inzake btw. Voor verblijven van een week of minder volstaat daarentegen de verstrekking van linnengoed aan het begin van het verblijf voor de toepassing van de belastingheffing. Wat het al dan niet beschikbaar zijn van deze samenhangende diensten betreft, is de kwestie van de globale prijs (een door de administratie onder de oude reglementering gehanteerd criterium om samenhangende diensten al dan niet in aanmerking te nemen) niet langer relevant. Met andere woorden, het verstrekken van dergelijke diensten, ongeacht of zij al dan niet bijkomend worden aangerekend ten opzichte van de prijs van het gemeubeld logies, zal de belastingheffing over de globale dienst tot gevolg hebben, wanneer die uiteraard wordt verstrekt in het kader van overeenkomsten van minder dan drie maanden.
Art. 33 Artikel 33, eerste lid, van het ontwerp legt de datum van inwerkingtreding van artikel 56bis, S 3, 6°, nieuw, van het Wetboek vast op 1 januari 2022 om het mogelijk te maken dat de nieuwe regels onmiddelijk in werking treden. Tenzij ze de bijzondere vereenvoudigingsregeling inzake btw met betrekking tot de deeleconomie kunnen genieten, zullen de personen die gemeubeld logies verschaffen aldus vanaf 1 januari 2022 onderworpen zijn aan alle btw-verplichtingen die inherent zijn aan de belastingheffing op hun diensten (onder meer de identificatie voor btw-doeleinden, de uitreiking aan de afnemer van een rekening of ontvangstbewijs met betrekking tot die diensten, de indiening van de periodieke btw-aangiften en de betaling van de belasting) Het blijkt evenwel dat tot op heden geen enkel in die diensten gespecialiseerd platform al erkend is in het kader van de bijzondere regeling inzake de deel economie. Het feit dat die platformen momenteel niet erkend zijn, maakt het voor de personen die op die manier hun diensten van gemeubeld logies aanbieden bijgevolg onmogelijk om vanaf de inwerkingtreding van deze bepalingen, gebruik te maken van de bijzondere regeling inzake de deeleconomie. Daardoor kunnen ze ook geen gebruik maken van de uitzondering op de uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de vrijstellingsregeling van de belasting en kunnen ze dus niet voorkomen dat ze noodzakelijkerwijze al die btw-verplichtingen moeten vervullen die verbonden zijn aan de belastingheffing op hun diensten. ‘Om die situatie te voorkomen en om minstens gedurende een overgangsperiode van zes maanden het volledig en nuttige effect van die nieuwe regels, met inbegrip van de voormelde uitsluiting, te verzekeren, voorziet artikel 33, tweede lid, van het ontwerp dat de vereiste van erkenning van het in artikel 50, $ 4, van het Wetboek bedoelde platform (die, ter herinnering, één van de essenële toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling uitmaakt) niet geldt tot 30 juni 2022 voor de toepassing van de in die bepaling opgenomen bijzondere regeling in het kader van de toepassing van artikel 56bis, $ 3, 6”, van hetzelfde Wetboek. Tussen 1 januari 2022 en 30 juni 2022, zal, met andere woorden, de particulier die gemeubeld logies verschaft die vereenvoudigingsregeling kunnen toepassen zelfs wanneer het platform door bemiddeling waarvan hij zijn diensten aanbiedt niet erkend is in de zin van artikel 50, $ 4, van het Wetboek. Het spreekt vanzelf dat alle andere voorwaarden (en dan in het bijzonder die inzake het grensbedrag van de omzet) wel vervuld moeten zijn. Deze wettelijke tolerantie laat de betrokken personen toe om niet onmiddelijk gehouden te zijn tot het geheel van de btw-verplichtingen die inherent zijn aan de belastingheffing op hun handelingen. Ze maakt het de voormelde platformen bovendien eveneens mogelijk om van de FOD Financiën een erkenning te verkrijgen om zo hun klanten toe te laten om de vereenvoudingsregeling inzake de deeleconomie te genieten voor het verschaffen van gemeubeld logies na 30 juni 2022. Die termijn strekt er aldus toe om vanaf 1 juli 2022 het volledige en nuttig effect van de nieuwe regels te verzekeren, met inbegrip van de mogelijkheid voor de kleinste actoren ‘om na 1 juli 2022 de regeling inzake de deeleconomie te kunnen toepassen waardoor ze voor het verschaffen van gemeubeld logies geen bijkomende btw-verplichtingen zullen moeten vervullen.
HOOFDSTUK 3
‘Accijnzen Professionele diesel: vermindering van terugbetaling van accijnzen Het fiscaal voordeel dat momenteel bestaat voor diesel gebruikt voor bepaalde professionele doeleinden wordt verminderd. Het bedrag van de vrijstelling van de bijzondere accijns verlaagd naar 226,9716 euro per 1 000 iter en dit vanaf 1 januari 2022. Verder wordt met artikel 35 de datum van inwerking treding van het artikel 22 van de wet van xxx houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit gewijzigd. Het artikel 22 van die wet voorziet de terugbetalingsbedragen met betrekking tot de professionele diesel voor de jaren 2023, 2024, 2025 en 2026. Dit artikel moet pas in werking treden op 1 januari 2023 en niet op 1 januari 2022, om niet te interfereren met het bedrag van terugbetaling voor het jaar 2022 zoals bepaald in artikel 34 van deze wet ‘Energie: hervorming van de accijnzen Art. 36 en 37 ‘Teneinde de koopkracht en de competitiviteit van Belgische verbruikers te verbeteren worden de bijdragen voor federale openbare dienstverplichtingen (waaronder offshore) en de federale bijdrage elektriciteit en gas omgezet naar een bijzondere accijns. Het niveau van de bijzondere accijns wordt vastgesteld per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis, waarbij het opzet is om het federale aandeel van de energiefactuur van alle verbruikers. vast te stellen op het niveau van het jaar 2021. In het kader van deze hervorming wordt enkel het tarief van de bijzondere accijns aangepast. De tarieven voor de bijdrage op de energie blijven behouden. Dit betekent ook er geen wijziging komt aan het verlaagd tarief voor de bijdrage op de energie voor aardgas gebruikt door bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door het Vlaams Gewest, een “accord de branche” afgeleverd door het Waals Gewest of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door het Brussels, Hoofdstedelijk Gewest. In navolging van de opmerking van de Raad van State in het advies nr. 70.434/1-2-3-4 van 17 november 2021, kan worden opgemerkt dat de toepassing van dit lagere tarief, in voege sinds 2016, wordt toegestaan door de bepalingen van artikel 44 van de Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard. In dit geval bepaalt arti kel 44 dat steunregelingen in de vorm van kortingen op milieubelastingen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit verenigbaar zijn met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag. In haar advies nr. 70.434/1-2-3-4 van 17 november 2021 merkt de Raad van State op dat niet uitte sluiten valt dat de ontworpen regeling niet voldoet aan de voorwaarden vervat in artikel 107, li 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijnde dat steunmaatregelen die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. De Raad van State adviseert dat indien er uitsluitsel gewenst is aangaande de verenigbaarheid van deze steunmaatregelen met het Unierecht, mede in het licht van de onzekerheid aangaande de toepassing ervan in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de ontworpen regeling aangemeld zou moeten worden bij de Europese Commissie. Wat dit advies betreft, moet worden opgemerkt dat met de beslissing N201/04 - België - Toepassing van de mogelijkheden tot accijnsvrijstelling of -verlaging uit hoofde van artikel 17 van richtlijn 2003/96/EG van de Raad in 2005 de belastingverlaging en -vrijstelling als, verenigbaar met de interne markt aanzien werd door de Europese Commissie. De toen aangemelde steunmaatregel was enkel van toepassing op de Vlaamse en Waalse convenantbedrijven. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad was geen regeling uitgewerkt. ‘Aangezien de Europese Commissie in 2005 heeft geoordeeld dat de aangemelde steunmaatregel verenigbaar was met de interne markt, kan aangenomen worden dat de nieuwe regeling, die een beperkter voordeel biedt voor de convenantbedrijven ten opzichte van de regeling die beëindigd werd op 31 december 2014 en die bovendien voorziet in de mogelijkheid voor het Brussels, Hoofdstedelijk Gewest om gebruik te maken van deze regeling, eveneens verenigbaar is met de interne markt. Verder werd in 2016 de Commissie in kennis gesteld van de invoering van een verlaagd tarief voor de bedrijven met een energiebeleidsovereenkomst, een accord de branche of een gelijkaardige overeenkomst in uitvoering van artikel 11 van de Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Eenzelfde kennisgeving zal voor de huidige aanpassing van de tarieven ook uitgevoerd worden. Met betrekking tot het principe van de degressiviteit kan de volgende verduidelijking gegeven worden. De bepalingen opgenomen in artikelen 36 en 37 moeten in samenhang worden gezien met het luik van de programmawet waarin de federale openbare dienstverplichtingen op de energiefactuur, waaronder de toeslag voor de groenestroomcertificaten uit windenergie en de federale bijdrage aardgas en elektriciteit worden geschrapt. Deze federale bijdragen worden vervangen door een bijzondere accijns, waarbij het tarief zo is gezet dat het zo veel mogelijk gelijk blijft met de tarieven die worden vervangen. Het doel hierbij is om het federale aandeel op de energiefactuur zo veel mogelijk gelijk te houden aan de situatie in 2021 (conform Regeerakkoord). Voor de offshore toeslag, de federale bijdrage elektriciteit en de federale bijdrage aardgas bestaat er tot op heden een regime van degressieve kortingen die worden toegepast op een heffing waarvan het bedrag jaarlijks wordt bepaald. Dezelfde degresslviteit werd ook behouden in de tarieven voor de bijzondere accijns. Met andere woorden: er wordt met de maatregelen in arti kelen 36 en 37 geen nieuwe degressiviteit in het leven geroepen, wel worden bestaande heffingen vervangen door accijnzen. Indien de degressivitet niet zou worden behouden, zou het federale aandeel op de factuur voor bepaalde verbruikers zeer sterk stijgen. Bovendien kan nog worden opgemerkt dat de “cap” die vandaag bestaat voor de federale bijdrage aardgas en elektriciteit en voor de toeslag offshore, ten voordele van de grootste verbruikers, niet wordt behouden in het systeem accijnzen. De ratio bij een degressieve belasting op elektriciteit of gasverbruik is dat hoe meer een onderneming verbruikt hoe minder ze procentueel kan bijdragen omdat anders haar draag- of concurrentiekracht in het gedrang komt. ‘Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de invoering van een systeem accijnzen, in de plaats van de huidige federale heffingen, in de toekomst meer beleidsmogelijkheden geeft voor de wetgever. In de huidige situatie (zonder de wijzigingen voorzien in de programmawet) zullen bepaalde toeslagen en heffingen op elektriciteit verder stijgen door stijgingen in de kosten, meer dan dit voor gas het geval zou zijn. Door te werken met accijnzen voorkomt de wetgever dat de lasten op elektriciteit verder stijgen en zal de wetgever bovendien in een later stadium eenvoudiger lasten van elektriciteit naar fossiele brandstoffen kunnen verschuiven indien dat wenselijk wordt geacht.
Art. 38 De wijzigingen voorzien in artikelen 38 en 39 veranderen niets aan de algemene principes wat de belastbare basis en het belastbaar tijdstip inzake accijnzen betreft zoals momenteel opgenomen in de programmawet van 27 december 2004. Het principe zoals vastgelegd in artikel 424, $ 1, van deze wet bft behouden, namelijk dat elektriciteit en aardgas aan accijnzen worden onderworpen en dat accijnzen worden verschuldigd door de distrbuteur op het tijdstip van de levering ervan door deze laatste aan de verbruiker. In artikelen 36 en 37 wordt het tarief van de bijzondere accijns vastgelegd per schijf. Hierbij wordt verduidelijkt dat de accijnzen worden berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. De Koning wordt gemachtigd om de methodologie vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf berekend op jaarbasis In navolging van het advies nr. 70.434/1-2-3-4 van 17 november 2021 van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het niet gaat om een delegatie om een essentieel element van de belasting vast te stellen. Wat de concrete draagwijdte van de machtiging betreft, kan worden verduidelijkt dat de tarieven worden vastgesteld per verbruiksschijf berekend op jaarbasis. In een koninklijk besluit zal nader worden bepaald hoe energieleveranciers het verbruik op jaarbasis moeten berekenen, bijvoorbeeld in geval van nieuwe consumen ten of in geval van consumenten die van leverancier zijn gewisseld en waar nog geen jaarverbruik van gekend is bij de nieuwe leverancier.
Art. 39 en 40 De opzet van de hervorming waarbij de bijdragen voor de federale openbare dienstverplichtingen (waaronder offshore) en de federale bijdrage elektriciteit en gas worden omgezet naar een bijzondere accijns is het verbeteren van de koopkracht en de competitiviteit van, Belgische verbruikers. De tarieven worden vastgesteld op het niveau van het jaar 2021, om het federaal deel op de energiefactuur niet verder te doen stijgen. Naast de tarieven, moet ook de basis waarop de accijnzen worden aangerekend zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met de belastbare basis van de energieheffingen die erdoor worden vervangen. Deze opmerking verdient in het bijzonder aandacht wanneer het aankomt op het verbruik van lokaal geproduceerde energie afkomstig uit hernieuwbare en milieuvriende lijke bronnen, gezien we deze productiecapaciteiten wensen te blijven stimuleren. In artikel 39 en 40 worden de vrijstellingen van accijnzen voor groene stroom en voor elektriciteit opgewekt uit warmtekrachtkoppeling aangepast, om te verduidelijken dat deze vrijstellingen van toepassing zijn voor alle elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare bronnen, of uit een warmtekrachtkoppelingsinstallatie, wanneer deze niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen, ook wanneer de producent en de verbruiker niet dezelfde entiteit zijn.
Art. 41 Voor elektriciteit en aardgas uitsluitend gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden wordt de vrijstelling die momenteel reeds bestaat voor de bijdrage op de energie behouden. Deze vrijstelling wordt echter niet uitgebreid tot de bijzondere accijns ingevoerd in het kader van artikelen 36 en 37. ber 2021 stelt de Raad van State de vraag of op grond van deze bepaling de fiscale behandeling in de in arti kel 429, $ 2,), bedoelde sectoren van de consumptie van gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, kolen, cokes en bruinkool gunstiger zal zijn dan de consumptie van aardgas en elektriciteit. Hierop kan verder worden uitgelegd dat de hervorming enkel en alleen betrekking heeft op aardgas en elektriciteit. Daarom werd ook enkel dit luik aangepast. De fiscale behandeling van andere energieproducten wordt niet aangepast in het kader van deze hervorming. Dit belet de wetgever echter niet om dit op een ander moment opnieuw te evalueren. Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Artikelen 34 en 36 tot 41 treden in werking op 1 januari 2022.
Artikel 35 treedt in werking de dag waarop de wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt
TITEL
3 Werk Bepalingen tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor het jaar 2022 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders De sociale partners hebben binnen de Nationale Arbeidsraad op 26 oktober 2021, een akkoord bereikt over de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht voor de jaarlijkse vakantie tot en met 31 december 2021 en de financiering van de compensatie van de werkgeverskost. De Nationale Arbeidsraad heeft een voorstel aan de regering uitgewerkt voor de financiering van de compensatie van de kost voor de werkgevers van de gelijkstelling tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie, verder uit te werken. De NAR heeft dus de voorwaarden waaronder ze zich achter de verlenging van deze gelijkstelling tot en met 31 december 2021 kan scharen, bepaald Een globale financieringsenveloppe voor arbeiders en bedienden werd berekend. De globale enveloppe is, opgesplitst in twee enveloppen, voor werkgevers van arbeiders en voor werkgevers van bedienden. Voor de werkgevers van bedienden bedraagt de compensatie 46 146 551 euro en voor de werkgevers van de arbeiders 107 120 028 euro. Het doel van dit hoofdstuk is te voorzien in de financiering van de compensatie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State in zijn advies nr. 70.434/1-2-3-4-VR van 17 november 2021 over verschillende aspecten van het voorontwerp van programmawet, worden de volgende verduidelijkingen gegeven. Er wordt op gewezen dat in het akkoord van de sociale partners binnen de Nationale Arbeidsraad van 26 oktober 2021 over de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht voor de jaarlijkse vakantie tot en met 31 december 2021 en de financiering van de compensatie van de werkgeverskost, de sociale partners in het begrip van de tijdelijke werkloosheid voor overmacht corona, het begrip van de tijdelijke werkloosheid voor overmacht corona ingevolge uitzonderlijke weersomstandigheden van 14 en 15 juli 2021 hebben opgenomen. Het bedrag van deze toelage, vastgesteld op 107 120 028 euro dekt zowel de gedeeltelijke compensatie van de kost van de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid voor overmacht corona als de compensatie van de kost van de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid voor overmacht corona ingevolge uitzonderlijke weersomstandigheden van 14 en 15 juli 2021 voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse Art. 43 Dit artikel creëert de juridische basis voor de toekenning van een subsidie voor de RJV. Het bedrag van deze toelage, vastgesteld op 107 120 028 euro, zal worden opgenomen in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid Art. 44 Dit artikel bepaalt de datum waarop de toelage aan de RJV moet worden betaald, d.w.z. vóór 30 april 2022, zodat de RJV over de voldoende middelen beschikt om het vakantiegeld in mei 2022 uit te betalen.
Art. 45 Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk Compensatie van de werkgeverskost van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus voor de jaarlijkse vakantie voor de bedienden De bepalingen van dit hoofdstuk voorzien in de compensatie van de werkgeverskost van de gelijkstelling tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus voor de jaarlijkse vakantie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de afspraken van het akkoord van de sociale partners binnen de Nationale Arbeidsraad (NAR) van 26 oktober 2021. Op basis van aangeleverde gegevens door de bevoegde instanties RSZ, RVA en RJV, werd een globale financieringsenveloppe voor arbeiders en bedienden berekend. De globale enveloppe is opgesplitst in twee enveloppen, voor werkgevers van arbeiders en voor werkgevers van bedienden. Voor de werkgevers van bedienden bedraagt de compensatie 46 146 551 euro en voor de werkgevers van de arbeiders 107 120 028 euro. Dit hoofdstuk voorziet de nadere regels voor de compensatie van de werkgeverskost voor wat betreft het stelsel van jaarlijkse vakantie voor bedienden.
Art. 46 Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van de compensatie van de werkgeverskost voor de jaarlijkse vakantie voor bedienden. Het betreft de werkgevers die in het eerste of tweede kwartaal 2021 werknemers tewerkstellen bedoeld in titel Il van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, met name de bedienden.
Art. 47 Vooreerst bepaalt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor elke werkgever een percentage van de globale financieringsenveloppe van 46 146 551 euro, vastgesteld voor de werkgevers van bedienden, dat weergeeft hoeveel de betrokken werkgever beroep heeft gedaan op tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het. coronavirus voor het eerste en tweede kwartaal 2021 Dit percentage is het resultaat van de verhouding van het effectief aantal dagen tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus per bediende ten opzichte van het normaal aantal dagen tewerkstelling per bediende, in het eerste en tweede kwartaal 2021 bij de betreffende werkgever. Deze percentages worden voor alle bedienden van dezelfde werkgever opgeteld en dan wordt het gemiddelde percentage berekend. Dit percentage is, bepalend voor het toekennen van de compensatie zoals, bepaald in de vork die door de sociale partners werd vastgelegd in het advies nr. D.21-169 van 26 oktober 2021. - werkgevers voor wie het gemiddeld percentage < 41 ontvangen geen compensatie; - werkgevers voor wie het gemiddeld percentage 2 41 en < 51 ontvangen een compensatie van 40 %; 2 51 en < 61 ontvangen een compensatie van 50 %; 2 61 en < 71 ontvangen een compensatie van 60 %; 2 71 en <81 ontvangen een compensatie van 70 %; 2 81 en < 91 ontvangen een compensatie van 80 %; - werkgevers voor wie het gemiddeld percentage > 91 ontvangen een compensatie van 95 % in zijn advies nr. 7043/1-2-3-4-VR van 17 november 2021 Dit zijn door de sociale partners vooropgestelde imieten en ligt in lijn met hetgeen door de sociale partners werd voorgesteld in het kader van dezelfde oefening voor het jaar 2020 (we verwijzen naar het op 27 oktober 2020 uitgebrachte NAR-advies nr. 2 180). Hetgeen omgezet werd in wetgeving via artikel 34-36 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19pandemie (http-/lwww ejustice just fgov.beleli'wet/2020 /12/20/202004451/justel). Vervolgens wordt voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2021, de som gemaakt van de prestatie breuken van het effectief aantal dagen tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus per bediende bij de betrokken werkgever en vermenigvuldigd met het overeenstemmende compensatie-percentage. Op basis van het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt het gewicht van de betrokken werkgever bepaald ten opzichte van alle betrokken werkgevers. ‘Tenslotte wordt het globale ter beschikking gestelde budget verdeeld onder de betrokken werkgevers op basis, van het toegekende gewicht aan elk van de werkgevers. De berekening van deze compensatie is een eenmalige operatie die gerealiseerd zal worden in de loop van het tweede kwartaal 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste schulden overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers, of naar de volgende kwartalen zolang bijdragen verschuldigd zijn, of om terugbetaling verzoeken. De sociale partners hebben geoordeeld dat de volledige overname van de kosten van de gelijkstelling door de werkgevers veel bedrijven in 2022 in financiële moeilijkheden zou brengen. Tegelijkertijd zijn zij van mening dat beperkte perioden van tijdelijke werkloosheid slechts een beperkte invloed hebben op de financiële toestand van een bedrijf en dat gelijkstelling zwaarder weegt op bedrijven die zwaar getroffen zijn door de coronaviruscrisis dan op bedrijven die grotendeels in staat zijn geweest hun activiteiten voort te zetten De formule en het bereik van de financieringsformule van het ontwerp geven aan dat slechts een beperkt deel van de werkgevers volledige financiering zal ontvangen voor de bijkomende kosten. Met andere woorden, de werkgevers zorgen voor het grootste deel van de financiering van de gelijkstelling. Het optreden van de overheid ter ondersteuning van de door de coronaviruscrisis getroffen ondernemingen heeft betrekking op een beperkt deel van de kosten van de gelijkstelling, die zodanig is gewogen dat een evenwichtige behandeling van de werkgevers is gewaarborgd, rekening houdend met de gevolgen die de economische werkloosheid als, gevolg van het coronavirus voor hun bedrijf heeft gehad.
Art. 48 De Koning wordt gemachtigd om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de globale financieringsenveloppe voor deze compensatie voor de regeling jaarlijkse vakantie van bedienden bedoeld in artikel 47 te verhogen.
Art. 49 Dit artikel regelt de datum van inwerkingtreding van van de tijdelijke werkloosheid voor de bedienden in het kader van overmacht wegens overstromingen voor de jaarlijkse vakantie tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge de overstromingen voor de jaarlijkse vakantie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de afspraken van het akkoord van de sociale partners binnen de Nationale Arbeidsraad (NAR) van 26 oktober 2021 financieringsenveloppe voor de bedienden berekend en bedraagt 703 420 euro.
Art. 50 Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van de compensatie van de werkgeverskost voor de jaarlijkse vakantie voor bedienden Het betreft de werkgevers die in het derde kwartaal 2021 werknemers tewerkstellen bedoeld in titel Il van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, met name de bedienden.
Art. 51 Tijdens het tweede kwartaal 2022 heeft de werkgever bedoeld in artikel 50 recht op een compensatie ten bedrage van een gedeelte van een globaal bedrag van maximaal 703 420 euro ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht omwille van overstromingen voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de bedienden. Er wordt voorzien in een forfaitaire compensatie per dag tijdelijke werkloosheid omwille van overstromingen voor een bediende voor een bedrag van maximaal 18 euro. Indien de werkgever reeds in aanmerking komt voor een compensatie zoals voorzien in hoofdstuk 2, dan vult de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid deze compensatie desgevallend aan tot het bedrag waarop de werkgever recht heeft op basis van het compensatieregel. Indien het volledige budget bepaald in de paragraaf 1 niet is opgebruikt, maakt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het resterende bedrag over aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Art. 52 Dit artikel bepaalt de modaliteiten van de aanvraag door de werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De aanvraag gebeurt ten laatste op 31 mei 2022 met behulp van een hiertoe ter beschikking gestelde bevei ligde elektronische toepassing. Indien de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op basis van de beschikbare gegevens vaststelt dat de aangifte van de werkgever niet correct is, zal het bedrag van de compensatie herzien worden Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1, brengt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de toegekende compensatie in mindering van de aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen voor het tweede kwartaal van 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste schulden overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of naar de volgende kwartalen Art. 53 TITEL 4 Gezondheid ENIG HOOFDSTUK Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 Maximumfactuur De maximumfactuur houdt in dat het totaal van de persoonlijke aandelen die een gezin ten laste moet nemen wordt beperkt tot een bepaald bedrag per kalenderjaar, in functie van de sociale categorie waartoe het gezin behoort (sociale MAF) of van de inkomensten van het gezin (inkomens MAF). Het grensbedrag van de persoonlijke aandelen voor de sociale maximumfactuur, die wordt toegekend aan de meeste rechthebbenden op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedraagt 450 euro (het geïndexeerd bedrag voor 2021 bedraagt 487,08 euro). Voor de inkomens MAF zijn de volgende inkomensgrenzen en grensbedragen van de persoonlijke aandelen van toepassing (geïndexeerde bedragen voor 2021): - van 0,00 tot 19 420,20 euro 487,08 euro; - van 19 420,21 tot 29 854,92 euro 703,56 euro; - van 29 854,93 tot 40 289,68 euro 1 082,40 euro; - van 40 289,69 tot 50 289,65 euro 1 515,36 euro; - vanaf 50 289,66 euro 1 948,32 euro Als een gezinslid chronisch ziek is worden alle grensbedragen van de persoonlijke aandelen verlaagd met 100 euro (het geïndexeerd bedrag voor 2021 bedraagt. 108,24 euro) In verschillende studies wordt aanbevolen om het grensbedrag van de persoonlijke aandelen voor de laagste inkomens te verlagen om die gezinnen beter te beschermen: - KCE rapport 80B (Evaluatie van de effecten van de maximumfactuur op de consumptie en financiële toegankelijkheid van gezondheidszorg); - KCE rapport 309B (Globale impact en verdelingseffecten van sociale bescherming tegen gezondheidszorguitgaven); - KCE rapport 334B (De performantie van het Belgische gezondheidssysteem: evaluatie van de bilijkheidy; Kom op tegen kanker (Analyse Kankerfonds: zorgkosten en inkomen van de aanvragers. Februari 2015). Gelet op de voormelde studies en aanbevelingen voegt dit ontwerp in de inkomens MAF een nieuw laagste grensbedrag van 250 euro in voor gezinnen met een inkomen tot 11 120,00 euro. Dit grensbedrag en dit bedrag betreffende het inkomen zullen een eerste keer worden geïndexeerd op 1 januari 2023. Het ontwerp werd aangepast overeenkomstig het advies van de Raad van State. Inkomsten van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging om specitieke uitgaven gelinkt aan de COVID-19-pandemie te dekken Het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging beoogt het mogelijk te maken de toegang tot de noodzakelijke zorgen te waarborgen teneinde te reageren op de COVID-19-epidemie of -pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, meer bepaald deze gelieerd aan het garanderen van de volksgezondheid gelet op de inperkingsmaatregelen. Dit besluit bevat een reeks maatregelen die genomen zijn om de organisatie van de COVID-zorg en de continuiteit van zorg te waarborgen voor de patiënten. Het besluit betreft voornamelijk de organisatie van verstrekkingen op afstand, de aanpassing van de nomenclatuur voor de dienst intensieve zorgen alsook de verpleegkundigen, de financiering van intermediaire structuren (tiageposten en schakelzorgcentra), vergoeding van testen, de financiering van ziekenhuizen, de uitbreiding van terugbetaling van psychologische zorg, enz. De wet van 13 juni 2021 houdende maatregelen ter beheersing van de COVID-19-pandemie en andere dringende maatregelen in het domein van de gezondheidzorg biedt een basis voor de aanneming van andere maatregelen die nodig zijn om de pandemie te beheersen. Uitvoeringsmaatregelen worden continu bijgestuurd en zijn evolutief. Gezien de grote onzekerheid over de duur en de gevolgen van de coronaviruscrisis en de noodzaak tot het nemen van mogelijke verdere aanvullende maatregelen, zijn de auteurs van mening dat een voorzichtige aanpak moet worden gevolgd die het mogelijk maakt de middelen aan te passen aan de veranderende behoef ten naarmate de omstandigheden zich ontvouwen. De financiering voor de maatregelen inzake COVID-19 moet. gescheiden blijven van de partiële doelstellingen die nu bestaan in de RIZIV-begroting. Het ontbreken van een dergelijke scheiding zou de responsabilisering van de verschilende sectoren ondermijnen en geen transparantie meer toelaten in het beheer van de gezondheidszorg. Om die reden werd, om te kunnen inspelen op de veranderende behoeften in de komende maanden, voor de optie gekozen om een aanvullende financieringsbron van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging te handhaven. De u voorgelegde tekst vult artikel 191, eerste lid, Tter, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoordineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 33 van 23 juni 2020, die de inkomsten van de verzekering bepaalt, aan met een bepaling die voorziet dat deze inkomsten eveneens kunnen bestaan uit een Rijkstoelage voor het jaar 2022, ter dekking van de specifieke uitgaven van verzorgingsinstellingen, revalidatie instellingen en van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, gelinkt aan de COVID-19pandemie, waarvan het bedrag wordt vastgesteld bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Volgend op het advies van de Raad van State werd de inleidende zin aangevuld met een verwijzing naar het koninkljk besluit dat de bepaling onder artikel 191, eerste lid, T*ter, heeft ingevoegd. De Raad van State vestigt tevens de aandacht op het advies dat werd gegeven betreffende het voorontwerp dat de wet van 13 juni 2021 houdende maatregelen ter beheersing van de COVID-19-pandemie en andere dringende maatregelen in het domein van de gezondheidzorg is geworden, waarin werd geadviseerd om bij de toekenning van een voorschot aan de ziekenhuizen te voldoen aan de transparantievereisten. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het voornoemde voorontwerp kan aan de transparantievereisten worden voldaan door de bestaande regeling tijdig, geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren op de betrokken periode Heffingen op de omzet Deze afdeling heeft tot doel de inning van de heffingen op het zakencijfer van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten voor het jaar 2022 te regelen. De basisheffing die sinds 2006 voorzien is in artikel 191, eerste lid, 15°novies, van de gecoördineerde wet betref fende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wordt verdergezet in 2022, met een percentage van 6,73 %. De verderzetting van deze heffing in 2022 laat toe een continuiteit te handhaven op budgettair niveau in vergelijking met het in vorige jaren gevoerde beleid. Het percentage van de heffing voorzien in artikel 191, eerste id, 15°novies, van de wet wordt sinds 2010 vastgelegd op 6,73 %. De heffing die voorzien is in artikel 191, eerste lid, 15°duodecies, van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft als doel de farmaceutische bedrijven te laten bijdragen aan het behoud van de budgettaire situatie. Gezien de huidige budgettaire conjunctuur, wordt deze bijdrageheffing van 1 % eveneens verdergezet. De weesheffing die beschreven wordt in artikel 191, eerste lid, 15°terdecies van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bedoeld om de weesgeneesmiddelen met een omzet hoger dan 1,5 miljoen te laten deelnemen aan de uitgaven van de solidariteit, wordt verdergezet. De uitgaven van de sociale zekerheid voor dit soort van geneesmiddelen zijn niet verminderd. Als gevolg hiervan, maar eveneens rekening houdend met het nut van deze producten, wordt de weesheffing verdergezet onder de vorm van een deelname, maar in een beperktere mate, aan de solidariteit.
Artikel 58 voorziet de verderzetting van de “standaard heffing” en zijn uitvoeringsmodaliteiten voor het jaar 2022.
Artikel 59 voorziet de verderzetting van de “bijdrageheffing” voor het jaar 2022.
Artikel 60 voorziet de verderzetting van de “weesheffing” voor het jaar 2022. Bijdrage op marketing De bijdrage die voorzien is in artikel 191, eerste lid, 31°, van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen werd ingevoerd om het effect van de promotie op de verhoging van het aantal voorschriften van de vergoedbare geneesmiddelen te compenseren. De publicaties in verband met farmaceutische marketing onderlijnen een allocatie aan deze sector die ongeveer 10 % van het omzetcijfer vertegenwoordigt. Deze hebben eveneens de invoering van deze bijdrage ondersteund. Deze bijdrage wordt verdergezet in het jaar 2022.
Artikel 61 voorziet de verderzetting van de “compensatoire bijdrage” voor het jaar 2022. 'Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen Wegens de moelijke begrotingscontext heeft de regering beslist om de verzekeringsinstellingen te verplichten te besparen op hun administratiekosten zoals die voortvloeien uit de toepassing van de zogenaamde formule van de wettelijke parameters (artikel 195, 5 1, 2°, derde lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994). Het betreft een lineaire besparing die 13 miljoen euro bedraagt in 2022. In zijn advies nr. 70.434/1-2-3-4-VR van 17 november 2021 vraagt de afdeling wetgeving van de Raad van State zich af of - met betrekking tot de datum van inwerkingtreding van deze afdeling, meer bepaald 1 januari 2022 - de beoogde wijzigingen met terugwerkende kracht op 1 januari 2020 moeten ingaan, wat de voor het jaar 2020 vastgestelde bedragen van de administratiekosten betreft, en met terugwerkende kracht op 1 januari 2021 moeten ingaan, wat de voor het jaar 2021 vastgestelde bedragen van de administratiekosten betreft. Er dient te worden opgemerkt dat deze terugwerkende kracht niet noodzakelijk is. Louter met het oog op de leesbaarheid en duidelijkheid van de bepaling wordt in de voorgestelde wijziging geopteerd om dezelfde al voorheen door de Koning voor de jaren 2020 en 2021 vast gestelde bedragen ook uitdrukkelijk in artikel 195, $ 1, gecoördineerd op 14 juli 1994 te hernemen (vgl. de dele gatie aan de Koning die in artikel 195, $ 1, 2°, derde lid van deze gecoördineerde wet van 14 juli 1994 in dit kader is bepaald en die uitgevoerd is geweest via het koninklijk besluit van 29 augustus 2021 tot vaststelling van de bedragen van de administratiekosten die voor de jaren 2020 en 2021 aan de verzekeringsinstellingen worden toegekend). Op temporeel vlak - meer bepaald de situatie vóór 1 januari 2022 - doet de voorgestelde wijziging dus geenszins een afbreuk aan deze bedragen die door de Koning zijn bepaald (bevestiging van de al vastgestelde bedragen).
Art. 62 Via een wijziging van het derde lid van artikel 195, 5 1, 2° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 jul 1994, beoogt deze bepaling het bedrag van de administratiekosten van enerzijds de vijf landsbonden en anderzijds de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail voor 2022 vast te leggen.
Art. 63 deze afdeling, namelijk 1 januari 2022
TITEL
5 Energie Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot regeling van de financiering van de belasting over de toegevoegde waarde op de uitgaven voor het beheer en de sanering van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat door een toewijzing uit de ontvangsten van de belasting over de toegevoegde waarde De Federale Staat heeft zich verbonden tot de financiering van de ontmanteling, verwijdering, verwerking, conditionering, opslag en berging (hierna “sanering” genoemd) van de volgende nucleaire passiva: 1° de voormalige pilootopwerkingsfabriek Eurochemic en de oude afvalafdeling van het Studiecentrum voor Kernenergie, het “passief-BP” genoemd; 2° de huidige en toekomstige ontmanteling van de reactoren BRÍ, BR2, BR3 en VENUS en van de laboratoria van het Studiecentrum voor Kernenergie alsook de opruiming van historische nucleaire materialen en het radioactief afval daar aanwezig bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1991 houdende de regelen betreffende het toezicht op en de subsidiëring van het Studiecentrum voor Kernenergie en tot wijziging van de statuten van dit centrum, het “passief-SCK CEN” genoemd; 3° de ontmanteling van de installaties voor de productie van medische radio-isotopen van het Nationaal Instituut voor Radio-elementen bedoeld in artikel 9 van van het Nationaal Instituut voor Radio-elementen, en tot wijziging van de statuten van dit instituut, het “passief ontmanteling van het L.R.E.” genoemd; 4° de opruiming van nucleaire materialen en radioactief afval aanwezig in het Nationaal Instituut voor Radioelementen bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1991 houdende de regelen betreffende het toezicht op en de subsidiëring van het Nationaal Instituut voor Radio-elementen, en tot wijziging van de statuten van dit instituut, het “passief afval en uitbatingsuranium van het.R.E.” genoemd. De Federale Staat heeft het beheer en de sanering van de voormelde nucleaire passiva toevertrouwd aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen opgericht bij artikel 179, $ 2, 1°, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (hierna: “NIRAS”
NIRAS
is een openbare instelling met rechtsper soonlijkheid en is onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “btw”) De Federale Staat moet aan NIRAS de middelen verschaffen om de btw te betalen op de werken geleverd en diensten verleend in het kader van het beheer en de sanering van de nucleaire passiva die ten laste van de Federale Staat vallen, terwijl de kosten voor de saneringswerken, exclusief btw, door de onderscheiden fondsen voor de sanering van de nucleaire passiva worden gedragen Volgens de huidige werkwijze voor het financieren van de btw op het beheer en de sanering van de nucleaire passiva wordt de btw voor de diverse passiva op verschil lende tijdstippen geheven, namelijk op het ogenblik van de storting in het fonds voor het passief-BP enerzijds en op het ogenblik van een effectieve facturatie voor reële prestaties voor de andere passiva anderzijds. Voor het passief-BP heeft de Staat de financiering exclusief btw ten laste gelegd van de federale bijdrage ‘en moet dus nog zel instaan voor de btw. De stiving van het Fonds Passief-BP gebeurt trimestrieel. Elk trimester geeft NIRAS de stijving van het Fonds Passief-BP aan als een voorschot en betaalt de op een voorschotfactuur verschuldigde btw. De door NIRAS betaalde btw wordt aan NIRAS terugbetaald door een voorafname uit het Kyotofonds, dat beheerd wordt door de CREG. De voorafname uit dit fonds wordt daarna gecompenseerd door een toewijzing uit de btw-ontvangsten vanwege de FOD Financiën ten gunste van de CREG, meer bepaald ten laste van het toewijzingsfonds 66.84.B van de algemene uitgavenbegroting. De btw wordt hier dus geheven op het ogenblik van de trimestriële stijving van het Fonds Passief-BP. en op het saldo aanwezig in dit fonds werd reeds btw betaald. Deze werkwijze werd vastgelegd in artikel 21ter, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in de overeenkomst tussen de FOD Economie, de FOD Financiën, de CREG en NIRAS van 19 december 2005, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003. De wet zelf heeft dus. voorzien in een financiering van het passief-BP zonder btw ten laste van de gebruikers en een financiering van de btw via een toewijzing uit de btw-ontvangsten. Deze omslachtige regeling kan niet gehandhaafd blijven wegens de gewenste administratieve vereenvoudiging en de mogelijke toekomstige opheffing van het Kyotofonds. Het te betalen btw-bedrag voor de passiva van het LR.E. en van het SCK CEN stemt overeen met de facturen van de reële uitgaven die zich voordoen naarmate de werken vorderen. Het tempo van de btw-betaling stemt dus niet overeen met de stijving van de fondsen voor deze passiva, omdat bepaalde facturen (vooral die met de jaarlijkse afrekeningen) pas geruime tijd na het betrokken jaar worden overgemaakt. De begrotingsinschrijvingen voor de dekking van de btw in het kader van de passiva van het L.R.E. en van het SCK CEN stemmen dus ook niet overeen met de begrotingsinschrijvingen voor de dekking van de passiva zelf De Ministerraad van 11 oktober 2015 heeft beslist om de financiering van de btw op de uitgaven aangegaan voor het beheer en de sanering van de nucleaire passiva, van het LR.E. en van het SCK CEN vanuit specifieke begrotingstoewijzingen stop te zetten en de jaarlijkse dotaties voor de dekking van de btw af te schaffen. De Ministerraad gaf aan de bevoegde federale administraties de opdracht om een structurele en eenvormige oplossing uitte werken voor de financiering van de door NIRAS betaalde btw in het kader van het beheer van de nucleaire passiva BP, |.R.E. en SCK CEN. Het voorliggende wetsontwerp voert de beslissingen van de Ministerraad van 11 oktober 2015 uit door te bepalen dat de door NIRAS betaalde btw op de saneringswerken voor de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat, aan NIRAS wordt terugbetaald door een toewijzing uit de btw-ontvangsten, meer bepaald ten laste van het toewijzingsfonds 66.84.8 van de algemene uitgavenbegroting. De wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt heeft tot doel om, enerzijds, het bedrag van de federale bijdrage die de commissie doorstort in een fonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat beheerd wordt door de commissie, zoals bedoeld in artikel 21bis, $ 1, eerste lid, 4, vanaf 1 januari 2022 vast te leggen op nul euro en anderzijds, de vorige regeling voor de financiering van de btw op de saneringswerken voor het passief-BP1 en passief-BP2 te schrappen en zo de weg vrij te maken ‘om een nieuwe regeling in werking te doen treden voor de betaling en de financiering van de btw op de saneringswerken voor al de nucleaire passiva waartoe de Federale Staat zich verbonden heeft. Deze nieuwe regeling zal het voorwerp uitmaken van een protocol tussen NIRAS, de Algemene Administratie Beleidsexpertise en -ondersteuning en de Algemene Administratie van Fiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Financiën en de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Economie en door de minister bevoegd voor Energie.
Art. 64 Artikel 64 definieert de termen “NIRAS”, “btw” en “nucleair passief” om de tekst te verduidelijken.
Art. 65 In dit artikel is bepaald welke wijziging via dit wetsontwerp wordt aangebracht in de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. In het derde lid van artikel 21ter, $ 1, wordt de tekst vervangen die verwijst naar de voormalige wijze van betaling van het passief-BP2.
Art. 66 In dit artikel is bepaald dat de door NIRAS betaalde btw op het beheer en de saneringswerken van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat aan NIRAS wordt terugbetaald door een toewijzing uit de btw-ontvangsten. In zijn advies nr. 66.679/3 van 2 december 2019 stelt de afdeling Wetgeving van de Raad van State de kwestie aan de orde van de vaststelling van het tijdstip waarop de verschuldigde btw opeisbaar is.
Artikel 22bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde stelt verschillende regels vast met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw, met name de omstandigheid of er al dan niet een betaling is verricht vóór de uitreiking van een factuur of in functie van de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst. Aangezien deze maatregel uitsluitend tot doel heeft de financiering van de door NIRAS verschuldigde btw te waarborgen door middel van de toewijzing van middelen gelijk aan deze verschuldigde btw, zullen de diensten die binnen de FOD Financiën belast zijn met de belasting over de toegevoegde waarde, door middel van een administratieve beslissing, de betalingen uit de federale begroting of de federale bijdrage, in één van de fondsen voor de sanering van een nucleair passief ten laste van de Federale Staat, beschouwen als betalingen met betrekking tot diensten van NIRAS in de zin van artikel 22bis van het Wetboek, waardoor op dat tijdstip de op deze diensten verschuldigde btw opeisbaar wordt. Dezelfde regel is van toepassing in de veronderstelling dat de werkzaamheden voor NIRAS door onderaannemers worden uitgevoerd. Dit beginsel komt tot uiting in artikel 65, eerst lid, van het ontwerp. De voorbehouden die de Raad van State in bovengenoemd advies heeft gemaakt, zullen derhalve door middel van deze te nemen beslissing worden geregeld. Dit standpunt is overigens in overeenstemming met punt 10 van bovengenoemd advies van de Raad van State, waarin wordt gesteld dat een dergelijke oplossing niet in strijd is met de artikelen 62 en volgende van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 novem ber 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de regels voor de opeisbaarheid van de btw. Dit standpunt is een vereenvoudigingsmaatregel die rekening houdt met het feit dat een dergelijk mechanisme geen gevolgen heeft voor de begroting en dat er geen mogelijke mededingingsproblemen zijn ten aanzien van een derde partij, in dit geval onbestaande. Het artikel legt de procedures die hiertoe moeten worden gevolgd vast en bepaalt dat de praktische regelingen moeten worden vastgelegd in een protocol tussen de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Economie en door de minister bevoegd voor Energie; de Algemene Administratie Beleidsexpertise en -ondersteuning en de Algemene Administratie van Fiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Financiën; en de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Splijtstoffen.
Art. 67 In dit artikel is bepaald dat de Overeenkomst van 19 december 2005 tussen de Belgische Staat, de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas met oog op de uitvoering van de betaling van de btw in het kader van de nucleaire passiva BP1/ BP2 wordt opgeheven bij koninklijk besluit Art. 68 Dit artikel voorziet dat de Koning de vaststelling van de list van de nucleaire passiva bepaalt.
Art. 69 Dit artikel legt de datum van inwerkingtreding van het hoofdstuk vast op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. van de elektriciteitsmarkt en wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en ‘andere door middel van leidingen Met het voorliggende wetsontwerp beoogt de federale regering enkele specifieke wijzigingen aan te brengen aan de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (de elektriciteitswet) en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (de gaswet). Deze wijzigingen strekken ertoe om een energienorm in te voeren voor burgers en bedrijven teneinde de concurrentie- en koopkracht te garanderen in vergelijking met onze buurlanden. In dat opzicht wordt middels dit wetsontwerp beoogd ‘om enkele energieheffingen en -toeslagen, met name de offshore toeslag, de toeslag strategische reserve, de federale bijdrage elektriciteit en de (toekomstige) CRM toeslag afte schaffen en te vervangen door de verhoging van een bijzondere accijns voor elektriciteit waarvan de inkomsten eveneens in de algemene begrotingsmiddelen terechtkomen. Daarnaast wordt middels dit wetsontwerp beoogd om de federale bijdrage gas af te schaffen en te vervangen door de verhoging van een bijzondere accijns voor gas waarvan de inkomsten eveneens in de algemene begrotingsmiddelen terechtkomen. Het wetsontwerp geeft uitvoering aan het Regeerakkoord van 30 september 2020 dat stelt - "Er wordt een bijkomende strategie ontwikkeld om de productiviteit op lange termijn te verbeteren. Daartoe zal onder andere: […] Een energienorm worden ingevoerd voor ondernemingen en consumenten”; - “Een betaalbare energiefactuur is essentieel voor burgers en bedrijven. Ook de prijzen worden onderworpen aan een continue monitoring. Daarenboven zal er zowel voor de burgers als de bedrijven een energienorm ingevoerd worden. De kost voor het CRM op de energiefactuur, die pas vanaf 2025 in werking treedt, zal gecompenseerd worden door het federaal aandeel in de factuur evenredig te laten dalen; - “We houden de energiefactuur van onze gezinnen en bedrijven onder controle. We zien erop toe dat het federale deel van de elektriciteitsfactuur daalt. Er wordt een gebenchmarkte energienorm ingevoerd voor burgers. en bedrijven teneinde de concurrentie- en koopkracht te garanderen in vergelijking met onze buurlanden”. Het wetsontwerp geeft eveneens uitvoering aan de beslissing van de Ministerraad van 5 februari 2021 die luidt onder meer als volgt: “De Ministerraad gelast: - de minister bevoegd voor energie om ervoor te zorgen dat de totale aan het federale beleid verbonden meerkosten op de elektriciteitsfactuur dalen ten opzichte van het referentiejaar 2021, voor de gezinnen, de kmo's en de bedrijven ondanks de openbaredienstverplichtin gen die worden opgelegd aan Elia in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme; - de minister bevoegd voor energie eerste concrete voorstellen hiervoor voor te stellen aan de werkgroep beleidscoördinatie uiterlijk in september 2021 en een concreet en gedragen voorstel hiervoor voor te stellen aan de Ministerraad uiterlijk in november 2021, met als, doel de bescherming van de koopkracht van de gezinnen en de competitiviteit van de bedrijven, en daarbij een voorstel te doen van degressiviteit voor de doorrekening van de kosten van de openbare dienstverplichting voor het CRM en offshore zonder dat deze degressiviteit de factuur voor de gezinnen en kmo's verhoogt, en dit ten opzichte van het referentiejaar 2021.” Hierna wordt er bondig aan herinnerd aan welke doelstellingen de betreffende toeslagen en heffingen vandaag worden besteed. 1) Offshore toeslag De CREG kent groenestroomcertificaten toe aan elektriciteitsproducenten die over een domeinconcessie beschikken voor elektriciteit geproduceerd uit hernieuw” bare energiebronnen in de zeegebieden waarover België haar bevoegdheid mag uitoefenen in overeenstemming met het internationaal maritiem recht. De transmissie netbeheerder moet groenestroomcertificaten die door de CREG werden afgeleverd aan een minimumprijs kopen van de groenestroomproducenten die hierom verzoeken. Om die aankoopverplichting te financieren is, de netbeheerder momenteel gerechtigd om een toeslag toegepast op de transmissienetnettarieven te innen, die verschuldigd is door de eindverbruikers van elektriciteit die zich op het Belgisch grondgebied bevinden (de toeslag wordt uitgedrukt in euro per MWh). Deze toeslag is, algemeen bekend als de “toeslag offshore”. Hoewel de overgrote meerderheid van de betreffende aankopen betrekking heeft op groenestroomcertificaten die verband houden met de offshore windparken (federale bevoegdheid), betreft een minderheid van de aankopen groenestroomcertificaten die verband houden met de hemieuwbare energieproductie afkomstig van zonnepanelen (gewestelijke bevoegdheid). Deze aankopen worden eveneens gedekt door de toeslag offshore. Deze aankoopverplichting heeft slechts betrekking op zonnepanelen die voor 2012 in dienst werden gesteld, en is geldig voor 10 jaar. Bijgevolg wordt er voorzien dat er hiervoor vanaf 2023 geen kosten meer via de toeslag moeten worden gedekt. Bovendien wordt voorzien dat deze kost voor het jaar 2022 slechts de helft van de kost in 2021 zal bedragen, ofwel nog 180 000 euro, Met dit wetsontwerp wordt louter de financiering van voornoemde steunmechanismen gewijzigd vanaf 1 januari 2022. Het mechanisme van de steunregeling zelf, evenals het budget en de begunstigden ervan, worden ongewijzigd gelaten. Bijgevolg zal deze hervorming geen fundamentele impact hebben op de offshore steunregeling op zichzelf beschouwd (d.w.z. uitgezonderd de financiering ervan), en met name op de cruciale rol die de transmissienetbeheerder heeft inzake de aankoop van de groenestroomcertificaten tegen de wettelijke minimumprijs Het huidige wettelijk kader waarbinnen het offshore steunmechanisme wordt gefinancierd door een vaste jaarlijkse offshore toeslag waarop kortingen worden toegekend naargelang het verbruik, binnen een gradueel en procentueel degressiviteitsregime, met een plafond van 250 000 euro per verbruikssite, wordt middels dit wetsontwerp integraal opgeheven. 2) de toeslag strategische reserve De strategische reserve is een mechanisme dat de beheerder van het Belgische transmissienet voor elektriciteit toelaat om elektriciteitscapaciteit te activeren indien er een niet verwaarloosbaar risico op een elekriciteitstekort op korte termijn wordt geïdentificeerd. De wet van 26 maart 2014 heeft de strategische reserve ingevoerd om in België een voldoende niveau van bevoorradingszekerheid te behouden tijdens de winterperlodes. Elk jaar maakt de transmissienetbeheerder voor elektriciteit (Elia) een probabilistische analyse. Indien hieruit blijkt dat de bevoorradingszekerheid van het land voor de komende winterperiode (1 november-31 maart) bedreigd is, dan kan de minister van Energie, op advies van de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Elia opdracht geven om een strategische reserve aan te leggen voor maximaal drie jaar. De minister bepaalt het volume van de strategische reserve. De goedkeuring voor staatssteun vanwege de Europese Commissie voor de strategische reserve geldt slechts tot de winter van 2021-2022 (eindigend op 31 maart 2022). Indien een verlenging van dit mechanisme beoogd wordt, zal deze bij de Europese Commissie aangemeld dienen te worden in het kader van staatssteun (naar alle verwachting als een wijziging van Hoofdstuk Ilbis, Afdeling I van de Elektriciteitswet). Het capaciteitsvergoedingsmechanisme zal pas capaciteit verzekeren vanaf 2025. In het geval de minister vaststelt dat de implementatie van het capaciteitsvergoedingsmechanisme niet binnen een redelijke en gepaste termijn kan gerealiseerd worden en/of vaststelt dat een manifest risico voor de bevoorradingszekerheid van de Belgische regelzone bestaat in de periode voor 2025, voorziet de CRM-wet van 15 maart 2021 in de mogelijkheid van een gerichte veiling. Indien besloten zou worden tot de toepassing van de gerichte veiling, zal het betreffende regime vooraf worden aangemeld bij de Europese Commissie in het licht van de Europese staatssteunregels. 3) de toeslag CRM Het capaciteitsmechanisme, zoals ingevoerd door de wet van 15 maart 2021 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 22 april 2019 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt teneinde een capaciteitsvergoedingsmechanisme in te stellen, heeft als doel de bevoorradingszekerheid in elektriciteit te verzekeren na de voorziene sluiting van alle kerncentrales op het Belgische grondgebied, en simultaan de energietransitie te ondersteunen, zonder dat de mededinging op de eengemaakte elektriciteitsmarkt buitensporig wordt verstoord. Het capaciteitsmechanisme zal vanaf 2021 aan de hand van jaarlijkse competitieve veilingen steun toekennen aan eenheden die capaciteit ter beschikking kunnen stellen vanaf 2025. De Europese Commissie heeft na het opstarten van de formele onderzoeksprocedure in september 2020 zoals bedoeld in artikel 108, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU"), op 27 augustus 2021 een positieve beslissing genomen houdende de goedkeuring van het Belgische capaci teitsmechanisme op grond van de EU-staatsteunregels. De beslissing van de Europese Commissie is gepubliceerd op 8 september 2021 en kan teruggevonden worden op onderstaande hyperlink: https:lec.europa eulcompetitionlelojadeliseflcase_details.cm? proc_code=3 SA 5491 4) De federale bijdrage elektriciteit en gas De inkomsten die voortvloeien uit de heffing van de federale bijdrage worden bestemd voor de volgende vijf fondsen: |) het Sociaal Energiefonds ‘Aan de hand van de informatie meegedeeld door de POD Maatschappelijke Integratie herverdeelt de CREG het jaarlijks geïndexeerde bedrag van de federale bijdrage bestemd voor dit fonds onder de OCMW's. li) het CREG-fonds de dekking van de totale werkingskosten van de CREG. (il) Het Fonds beschermde klanten Een koninklijk besluit voor elektriciteit en een koninklijk besluit voor aardgas stellen jaarlijks de opbrengst van het betreffende deel van de federale bijdrage vast. De CREG stort deze opbrengst door naar de elektriciteits- en aardgasbedrijven die beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie bevoorraad hebben tegen sociale maximumprijzen. W) het Denuclearisatiefonds Het betreffende deel van de federale bijdrage wordt uitsluitend gespijsd door de elektriciteitssector en wordt door de CREG doorgestort naar de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen (N..R.A.S.) ‘om deze in staat te stellen haar denuclearisatieopdracht te vervullen v) Het Fonds Broeikasgassen uitsluitend gespijsd door de elektriciteitssector. Een deel ervan wordt jaarlijks gestort aan het organiek budgettair fonds van de FOD Leefmilieu voor de financiering van het federaal beleid ter vermindering van de emissies van broeikasgassen. Verschillende bedragen werden in het bijzonder toegewezen aan het fonds Kyoto Joint Implementation/Clean Development Mechanism (JI/ CDM) om projecten te financieren met het oog op de vermindering van de emissies van broeikasgassen in het buitenland, met de bedoeling België in staat te stel len om aan de doelstellingen van het Kyoto-protocol te voldoen. De spijzing van het fonds broeikasgassen door de federale bijdrage elektriciteit is al verschillende jaren opgeschort. De toeslag broeikasgassen wordt dus, vastgelegd op 0,0000 euro/MWh. Met dit wetsontwerp wordt beoogd om het offshore steunmechanisme, de eventuele toepassing van de strategische reserve (mits voorafgaande verkrijging van een positieve staatssteunbeslissing) en het capaciteits vergoedingsmechanisme niet langer te financieren via een toeslag op de nettarieven, maar wel via bepaalde toegewezen algemene middelen van de Belgische Staat. Ook de doelstellingen die tot op heden middels de federale bijdrage elektriciteit en de federale bijdrage gas worden gefinancierd, zal voortaan worden gefinancierd middels bepaalde toegewezen algemene middelen van de Belgische Staat. Daartoe wordt in ditzelfde wetsontwerp in een cascade financieringswijze voorzien indien de inkomsten voortvloeiend uit de twee voornoemde bijzondere accijnzen niet toereikend zouden zijn. In een aparte wet diverse bepalingen zullen de nietbudgettaire bepalingen inzake de energienorm worden Met dit wetsontwerp wordt ook de programmawet van 27 december 2004 aangepast, waarbij de tarieven van de bijzondere accijns en de vrijstellingen worden vast gelegd. betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Art. 70 Dit arikel wijzigt artikel 7 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, om te voorzien dat het offshore steunregime voortaan gefinancierd wordt door de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k), van de Programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716. Of, indien die sommen niet volstaan, via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze beide sommen niet volstaan, via de ontvangsten op het bijzonder accijnsrecht op steenkool, cokes en bruinkool en tenslotte, indien deze manieren niet volstaan, met een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelasting in de middelenbegroting. In dat opzicht wordt er verwezen naar een nieuw artikel 21quinguies van de elektriciteitswet dat wordt ingevoerd bij artikel 75 van dit wetsontwerp waarin voornoemde financieringswijze middels de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de Programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716, en indien voornoemde ontvangsten ontoereikend zouden zijn via het cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen, onder meer van toepassing wordt gemaakt op het offshore steunregime. ‘Tegelijkertijd wordt het huidige wettelijk kader waarbinnen het offshore steunmechanisme wordt gefinancierd middels een vast jaarlijks bedrag aan offshore toeslag waarop kortingen worden toegekend naargelang het verbruik, binnen een gradueel en procentueel degressiviteitsregime, met een plafond van 250 000 euro per verbruikssite (cfr. artikel 7, 5 1, het tweede tot en met het tiende lid van de Elektriciteitswet) integraal opgeheven. In dat kader wordt de huidige machtiging aan de Koning in artikel 7, $ 1, eerste lid, 2°, om een mechanisme in te richten ter financiering van alle of een deel van de nettolasten die voortvloeien uit het offshore steunregime opgeheven en vervangen door een machtiging aan de Koning tot het bepalen van de procedure en berekeningsmethode volgens de welke de te dekken kost van het offshore steunregime op jaarbasis wordt vastgesteld. Daartoe wordt voorzien in een raming uiterlijk op 1 november van ieder jaar van de te dekken kost per maand van het volgende jaar en een vaststelling van het bedrag van regularisatie uiterlijk op 15 april van ieder jaar van die raming in het licht van de werkelijk opgelopen kost in het vorige jaar, waarbij die regularisatie wordt uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van ieder jaar. ‘Aangezien het offshore steunregime voortaan niet langer middels een toeslag op de nettarieven zal gefinancierd worden moet het vereiste niveau van die toeslag niet langer worden bepaald. Echter blijf dergelijke bepaling van de procedure en berekeningsmethode relevant en belangrijk teneinde de kost van het offshore steunregime behoorlijk te kunnen monitoren en op accurate wijze het bedrag van de te dekken kost vast te kunnen stellen, zijnde ook het bedrag dat aan de netbeheerder moet worden ter beschikking gesteld in functie van diens aankoopverplichting. In dit artikel worden de netbeheerder, de federale regering en de commissie ook opgedragen om een overeenkomst te sluiten waarin de modaliteiten worden geregeld op grond waarvan tijdig een voldoende bedrag maandelijks ter beschikking wordt gesteld aan de netbeheerder om die laatste in staat te stellen te voldoen aan diens verplichting tot de aankoop van groenestroomcertificaten tegen minimumprijs en ook alle gerelateerde rechten en plichten vast te leggen. Op die manier is het de bedoeling om voorfinanciering van de netto-kost in hoofde van de netbeheerder te vermijden. Met dit wetsontwerp wordt expliciet voorzien dat voornoemde aankoopverplichting van de netbeheerder een openbare dienstverplichting uitmaakt Dit artikel voert ook opnieuw de mogelijkheid in voor de Koning om de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, te wijzigen, te vervangen en op te heffen ondanks de eerdere wettelijke bekrachtiging daarvan Het huidige artikel 7, $ 2, van de elektriciteitswet voorziet, naast een forfaitaire kabelsubsidie, ook een verhoging van de minimumaankoopprijs van bepaalde groenestroomcertificaten (voor de 5 laatste windparken). De laatste zin van het huidige artikel 7, 5 2, van de elektriciteitswet luidt als volgt: “De kostprijs van deze bijdrage die door de netbeheerder wordt gefinancierd is toerekenbaar aan de taken bedoeld in artikel 8.” Dit betreft dus een financiering via de nettarieven, terwijl de verhoging van de minimumaankoopprijs wel bedoeld is, ‘om middels de offshore toeslag te worden gefinancierd. ‘Aangezien die verhoging van voornoemde minimumprijs, nu gefinancierd wordt middels de offshore toeslag, wordt met dit wetsontwerp in artikel 7, $ 2, van de elektriciteitswet expliciet gepreciseerd dat die verhoging van voornoemde minimumprijs van de groenestroomcertificaten als niet-forfaitaire kabelsubsidie wordt gefinancierd middels de verhoging van de bijzondere accijns voor elektriciteit In dat opzicht wordt er verwezen naar een nieuw artikel 21quinguies van de elektriciteitswet dat wordt ingevoerd bij artikel 75 van dit wetsontwerp waarin voornoemde financieringswijze middels de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k), van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716, en indien voornoemde ontvangsten ontoereikend zouden zijn via het cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen, onder meer van toepassing wordt gemaakt op het offshore steunregime inclusief de (niet-forfaitaire) kabelsubsidies Voor de vaststelling van de betreffende te financieren kost wordt verwijzing gemaakt naar de berekeningsmethode en de procedure die krachtens de eerste paragraaf door de Koning dient te worden bepaald.
Art. 71 Met dit artikel wordt beoogd om de eventuele toepassing van de strategische reserve (mits voorafgaande verkrijging van een positieve staatssteunbeslissing) niet langer te financieren via een toeslag op de nettarieven, maar wel via bepaalde toegewezen algemene middelen van de Belgische Staat. Dit artikel wijzigt dan ook artikel 7octies van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, om te voorzien dat de strategische reserve voortaan gefinancierd wordt door de ontvangaccijns bepaald in artikel 419, k), van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GNcode 2716. Of, indien die sommen niet volstaan, via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze beide sommen niet volstaan, via de ontvangsten op het bijzonder accijnsrecht op steenkool, cokes en bruinkool en tenslotte, indien deze manieren niet volstaan, met een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelasting in de middelenbegroting. artikel 21quinquies van de elektriciteitswet dat wordt toepassing wordt gemaakt op de strategische reserve. In dat kader wordt een machtiging aan de Koning voorzien tot het bepalen van de procedure en berekede strategische reserve wordt vastgesteld alsook de nadere regels voor de controle van de kosten. Daartoe wordt voorzien in een raming uiterlijk op 1 november van ieder jaar van de te dekken kost per maand van de betrokken winterperiode en een vaststelling van het bedrag van regularisatie uiterlijk op 1 juni van ieder jaar van die raming in het licht van de werkelijk opgelopen kost in die winterperiode, waarbij die regularisatie wordt uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van ieder jaar. De hoger aangehaalde nadere regels voor de controle van de kosten omvatten in ieder geval: a) het soort van informatie dat moet worden verstrekt De commissie kan het model van rapportering vaststel len middels het welk de betreffende informatie moet wordt aangereikt; b) de nadere regels voor de uitwisseling van informatie; ©) de criteria voor de redelijkheid van de kosten. overeenkomst te sluiten waarin de modaliteiten worden geregeld op grond waarvan tijdig een voldoende bedrag maandelijks ter beschikking wordt gesteld aan de netbeheerder om die laatste in staat te stellen te voldoen aan diens verplichting tot de aanleg van de strategische reserve op instructie van de minister. Op die manier is, het de bedoeling om voorfinanciering van de netto-kost van de netbeheerder te vermijden.
Art. 72 Dit artikel wijzigt artikel 7undecies, $ 15, van de wet elektriciteitsmarkt, om te voorzien dat het capaciteitsvergoedingsmechanisme niet door een toeslag op de nettarieven zal gefinancierd worden, maar wel door de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k}), van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716. Of, indien die sommen niet volstaan, via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze beide sommen niet volstaan, via de ontvangsten op het bijzonder accijnsrecht op steenkool, cokes en bruinkool en tenslotte, indien deze manieren niet volstaan, met een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelasting in de middelenbegroting. voornoemde financieringswijze middels de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere aceijns bepaald in artikel 419, k), van de programmawet code 2716, en indien voornoemde ontvangsten ontoerei kend zouden zijn via het cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen, onder meer van toepassing wordt gemaakt op het capaciteitsvergoedingsmechanisme. het capaciteitsvergoedingsmechanisme wordt vastgesteld alsook de nadere regels voor de controle van de kosten. Daartoe wordt voorzien in een raming uiterlijk op 1 november van ieder jaar van de te dekken kost per maand met betrekking tot het volgende jaar en een vaststelling van het bedrag van regularisatie uiterlijk op 1 juni van ieder jaar van die raming in het licht van de werkelijk opgelopen kost met betrekking tot het voorgaande jaar, waarbij die regularisatie wordt uitgevoerd De commissie kan het model rapporteringsformulier vaststellen middels het welk de betreffende informatie moet wordt aangereikt, aan diens verplichtingen binnen het capaciteitsvergoedingsmechanisme tot de organisatie van een veiling en het sluiten van capaciteitscontracten. Op die manier is, in hoofde van de netbeheerder te vermijden.
Art.73 Dit artikel wijzigt artikel 21bis, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, om te voorzien dat de doelstellingen die tot op heden middels de federale bijdrage elektriciteit worden gefinancierd, voortaan worden gefinancierd door De paragrafen 1bis tot en met 6 van voornoemd artikel 2ibis worden opgeheven. Immers, aangezien er geen federale bijdrage meer zal worden toegepast is het ook niet meer gepast en niet meer zinvol om een regime van progressieve kortingen en van een maximumheffing per verbruikslocatie en per jaar met betrekking tot die federale bijdrage te voorzien.
Art.74 Dit artikel wijzigt artikel 21ter, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektri citeitsmarkt, om ermee rekening te houden dat de verschillende fondsen die tot op heden middels de federale bijdrage worden gespijsd voortaan zullen worden gespijsd door de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k), van de van de GN-code 2716. Of, indien die sommen niet volstaan, via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze beide sommen niet volstaan, Zo wordt o.a. de machtiging aan de Koning tot bepaling van de bedragen die voor ieder van de fondsen zijn bestemd, gewijzigd waarbij voortaan ook rekening moet wordt gehouden met eventuele saldi van de vorige begrotingsjaren. Er wordt met dit artikel nog op gewezen dat de financiering van de werkingskosten van de federale regulator CREG conform Europees recht blijft gebeuren overeenkomstig artikel 25, $ 3, van de elektriciteitswet. Verder wordt er voorzien dat de betreffende middelen ter dekking van de werkingskosten van de CREG moeten worden overgemaakt aan de CREG uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar en dat zelfs in geval van een niet goedgekeurde begrotingsvoorstel, de CREG een voorschot van 50 % van het budget van het voorgaande jaar kan opvragen dat aan haar dient over gemaakt te worden uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar. In dit artikel worden de CREG en de Federale Staat ook opgedragen om een overeenkomst te sluiten waarin de modaliteiten worden geregeld op grond waarvan tijdig, een voldoende bedrag ter beschikking wordt gesteld aan de CREG om die laatste in staat te stellen te voldoen aan diens verplichtingen binnen de doelstellingen gerelateerd aan hoger vermelde fondsen. Die overeenkomst moet er in het bijzonder over waken dat de onafhankelijkheid van de CREG wordt gevrijwaard Art. 75 Met dit artikel wordt een nieuw artikel 21quinquies in de elektriciteitswet ingevoerd. Met dit artikel wordt beoogd om het offshore steunmechanisme, de eventuele toepassing van de strategische reserve (mits voorafgaande verkrijging van een positieve staatssteunbeslissing) en het capactteitsvergoedingsmechanisme expliciet als openbare dienstverplichtingen te definiëren en niet langer te financieren via een toeslag op de nettarieven, maar wel via bepaalde toegewezen algemene middelen van de Belgische Staat, met name van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k), van de sten ontoereikend zouden zijn via een cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen. Immers, indien voornoemde ontvangsten niet volstaan, wordt voorzien dat de financiering gebeurt via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze beide sommen niet volstaan, via de ontvangsten op het bijzonder accijnsrecht op steenkool, cokes en bruinkool en tenslotte, indien deze manieren niet volstaan, met een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelasting in de middelenbegroting.
Art. 76 Dit artikel duidt de basisallocatie aan van de middelen die worden toegewezen aan de netbeheerder.
Art.77 Met deze bepaling wordt artikel 25, $ 3, van de elektriciteitswet gewijzigd in die zin dat de werkingskosten van de CREG niet langer worden gefinancierd door de federale bijdrage, maar wel middels de ontvangsten voortvloeiend ber 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716, en indien voornoemde ontvangsten ontoereikend zouden zijn via een cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen. Immers, indien voornoemde ontvangsten niet volstaan, wordt voorzien dat de financiering gebeurt Deze bepaling voorziet verder een aanpassing van het niveau van de reserve van de CREG, waardoor deze van 15 % tot 25 % van haar werkingsbudget wordt opgetrokken. Die wijziging gebeurt onder meer in het kader van het verslag van het Rekenhof van 28 april 2021 met als titel “Rekeningen 2020 van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas”, en in afwijking hetgeen bepaald is in het koninklijk besluit van 24 maart 2003 tot bepaling van de nadere regels, betreffende de federale bijdrage tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt.
Art. 78 Met deze bepaling wordt de vervanging van de federale bijdrage door de hoger aangehaalde bijzondere accijns, elektriciteit, inclusief het daaraan gerelateerde cascade financieringssysteem, ook ingevoerd in artikel 31/3, van de elektriciteitswet betreffende de verjaringstermijn die geldt voor de boetes en dwangsommen die van toepassing zijn op de overtredingen of schendingen van de bepalingen van de elektriciteitswet, van haar uitvoeringsbesluiten en de daaropvolgende wetten, of nog de bepalingen waarvan de CREG de uitvoering controleert. Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen Art. 79 Met deze bepaling wordt artikel 15/11, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna “de gaswet”) gewijzigd om ermee rekening te houden dat de verschillende fondsen die tot op heden middels, de federale bijdrage worden gespijsd voortaan zullen worden gespijsd door de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, 1), van de programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00. Of, en tenslotte, indien deze manieren niet volstaan, met een regulator CREG conform Europees recht blijft gebeuren overeenkomstig artikel 15/15, $ 4, van de gaswet. nuarì van het betrokken begrotingsjaar en dat zelfs in Art. 80 Met deze bepaling wordt het regime inzake de degressiviteit en de vrijstelling bedoeld in artikel 15/11bis, en 15/titer van de gaswet opgeheven. Immers, aangezien er geen federale bijdrage meer zal worden toegepast is het ook niet meer gepast en niet meer zinvol om een regime van progressieve kortingen en van een maximumheffing per verbruikslocatie en per jaar met betrekking tot die federale bijdrage te voorzien.
Art. 81 Met deze bepaling wordt artikel 15/15, $ 4, van de gaswet gewijzigd in die zin dat de werkingskosten van de CREG niet langer worden gefinancierd door de federale bijdrage, maar wel middels de ontvangsten cijns bepaald in artikel 419,), van de programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GNcodes 2711 11 00 en 2711 21 00, en indien voornoemde ontvangsten ontoereikend zouden zijn via een cascadesysteem met alternatieve financieringsbronnen. Immers, indien voornoemde ontvangsten niet volstaan, wordt voorzien dat de financiering gebeurt via de ontvangsten van het bijzondere accijnsrecht op gasolie, of, indien deze als titel “Rekeningen 2020 van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas”, en in afwijking hetgeen bepaald is in het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de nadere regels betref fende een federale bijdrage bestemd voor de financiering van bepaalde openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de aardgasmarkt. Overgangsbepalingen Art. 82 Met dit artikel wordt een overgangsbepaling ingevoerd met betrekking tot de wijziging van de financiering van het offshore steunregime, de strategische reserve en het capactteitsvergoedingsmechanisme. In dat kader wordt voorzien dat de CREG uiterlijk op 15 januari 2022 een raming verricht voor de kost per maand voor het exploitatiejaar 2022 (gebruik makend van de gegevens bezorgd door de netbeheerder). In dat kader wordt voorzien dat uiterlijk op 1 juni 2022 door de CREG het bedrag wordt bepaald (gebruik makend van de gegevens haar bezorgd door de netbeheerder) van de gemaakte kosten van voornoemde regimes in 2020 en 2021 en van de saldi van de door de netbeheerder in 2020 en 2021 geïnde bedragen met betrekking tot het offshore steunregime en de strategische reserve, waarbij die saldi uiterlijk op 1 juli 2022 met de Belgische Staat worden vereffend.
Art. 83 met betrekking tot de federale bijdrage elektriciteit en de federale bijdrage gas. In dat kader wordt voorzien dat uiterlijk op 31 december 2022 het saldo wordt bepaald van de bedragen van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit en gas die tot 31 december 2021 werden afgenomen. In dat kader wordt voorzien dat dit saldo, voor elk fonds, uiterlijk op 30 juni 2023 wordt geregulariseerd bij de Belgische Staat. Deze overgangsbepaling voorziet in het van kracht blij ven (en in stand houden) van de voornoemde koninklijke besluiten van 24 maart 2003 en 2 april 201, zoals van kracht op 31 december 2021, tot bepaling van de saldi ‘en met het oog op de afsluiting van het mechanisme van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit en gas die tot 31 december 2021 zijn Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het hoofdstuk. Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende andere door middel van leidingen, en wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten ‘en andere door middel van leidingen en in artikel 20, $ 2/1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012, tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan Met het voorliggende wetsontwerp beoogt de federale regering wijzigingen aan te brengen aan de wet “de wet van 12 april 1965") en aan het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers. De programmawet van 20 december 2020 heeft een wettelijke basis voorzien in artikel 21bis, S 1/1, van de wet van 29 april 1999 en artikel 15/11, $ 1bis/1, van de wet van 12 april 1965, voor de financiering van de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van respectieve lik elektriciteit en aardgas overeenkomstig respectievelijk artikel 20, $ 2, van de wet van 29 april 1999 en arti kel 15/10, 5 2, van de wet van de wet van 12 april 1965 met betrekking tot de categorie residentiële beschermde afnemer die werd aangevuld door het koninklijk besluit residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, 5 2/2, eerste id, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen en in artikel 20, 5 2/1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels, voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgas-ondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststel ling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektri citeitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan Titel 7, respectievelijk
hoofdstuk 2
en 3, van de programmawet van 20 december 2020 voorziet dat de financiering van de reële nettokost die voortvloeien uit bovenvernoemde toepassing van de maximumprijzen, ten, laste komt van het fonds bedoeld in respectievelijk arti kel ter, $ 1, eerste lid, 5° van de wet van 29 april 1999 en, het fonds bedoeld in artikel 15/11, $ iter, 3°, van de wet van 12 april 1965. Naar analogie met bovenstaande worden in de voornoemde bepaling (artikel 15/11, $ 1bis/1, van de wet van 12 april 1965) wijzigingen aangebracht teneinde de wettelijke basis uit te breiden naar de financiering van de reëele nettokost voor de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van warmte doormiddel van netten voor warmtevoorziening overeenkomstig artikel 15/10, S 2/1, van de wet van 12 april 1965, zonder dat dit beperkt is tot een specifieke categorie residentiële beschermde afnemer. In het licht van de klimaatdoelstellingen beoogt deze uitbreiding van het sociaal tarief een nieuwe en meer duurzame vorm van huishoudelijke verwarming te introduceren in het sociaal energiebeleid. Vooral voor sociale huisvestingsmaatschappijen vormt de inclusie van warmte in het sociaal tarief een belangrijke drijfveer om bij bouwprojecten niet langer te kiezen voor verwarmingsketels op aardgas.
Art. 85 en 86 wettelijke basis voorzien in artikel 15/11, S 1bis/1, van de wet van 12 april 1965, voor de financiering van de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van aardgas overeenkomstig artikel 15/10, $ 2, van de wet van de wet van 12 april 1965 met betrekking tot de categorie residentiële beschermde afnemer die werd aangevuld door het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet produkten en andere door middel van leidingen en in arti kel 20, $ 2/1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomst-regels voor het ten laste nemen hiervan Titel 7, hoofdstuk 3, van de programmawet van 20 december 2020 voorziet dat de financiering van de reële nettokost die voortvloeien uit bovenvernoemde toepassing van de maximumprijzen, ten laste komt van de staatsbegroting. De middelen worden toegekend aan het fonds bedoeld in het fonds bedoeld in artikel 15/11, 8 iter, 3°, van de wet van 12 april 1965 door middel van een herverdelingsbesluit vastgelegd na overleg in Ministerraad. beschermde afnemer. Wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 ‘afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen en in artikel 20, $ 211, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondenemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan Het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan, zoals bekrachtigd door de wet van 27 juni 2021, heeft de lijst van beschermde residentiële afnemers die de toepassing genieten van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit of aardgas (hierna “het sociaal tarief") aangevuld met een zesde categorie. De categorie die ingevoegd werd door het voornoemde koninklijk besluit van 28 januari 2021 en bijgevolg recht heeft op de toepassing van het sociaal tarief betreft de beschermde residentiële afnemer die voor zichzelf een beslissing geniet tot toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, 5 19, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna RVT-categorie’). De voornoemde uitbreiding van de toepassing van het sociaal tarief is in werking getreden op 1 februari 2021 Het voornoemde koninklijk besluit van 28 januari 2021 is, bekrachtigd bij wet van 27 juni 2021 en voorzag dat de uitbreiding van de toepassing van het sociaal tarief beperkt was in de tijd en dat bijgevolg de uitbreiding zou ophouden met uitwerking hebben op 31 december 2021. Gelet op dat de noodzaak om financiële steun te verlenen aan huishoudens met een laag inkomen en om energiearmoede te bestrijden nog steeds aanwezig is, dringt de noodzaak zich op om de maatregel, waarmee de list met beschermde residentiële afnemers is aangevuld met de RVT-categorie, te verlengen met 3 maanden. Des te meer omdat de energieprijzen historisch hoge niveaus behalen op alle groothandelsmarkten zoals bevestigd door de studie (F)2289 van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas over de stijging van de elektriciteits-en aardgasprijzen in België van 24 september 2021 en dat de energieprijzen zelfs nog verder zijn blijven stijgen. De financiering van voornoemde verlenging van de toepassing van het sociaal tarief voor de RVT-categorie gebeurt overeenkomstig wat reeds is bepaald met betrekking tot de initiële uitbreiding ten gevolge het voornoemde koninklijk besluit van 28 januari 2021.
Art. 87 bekrachtigd bij wet van 27 juni 2021 en voorzag dat de uitbreiding van de toepassing van het sociaal tarief beperkt was in de tijd en dat bijgevolg de uitbreiding zou nog verder zijn blijven stijgen, net in de winterperiode waar de energievraag steeds hoog is
TITEL
6 Mobiliteit Steun voor het goederenvervoer per spoor met het oog op de bevordering van de modal shift De Europese Unie is de derde grootste uitstoter van broeikasgassen in de wereld, waardoor ze een cruciale rol heeft om de doelstelling de opwarming te houden onder de grens van 2 °C en indien mogelijk 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk zoals voorzien in het Klimaatakkoord van Parijs. De uitstoot van de transportsector is een belangrijke schakel in het behalen van deze doelstelling: terwijl andere sectoren hun emissies gemiddeld 32 % deden dalen in de periode 1990201, zijn de emissies van de transportsector met 33 % gegroeid in diezelfde periode. Personenwagens, bussen en vrachtwagens zijn verantwoordelijk voor het gros van de totale uitstoot van de sector. Spoorvervoer daarentegen is maar verantwoordelijk voor minder dan 0.5 % van de uitstoot in de sector, wat bevestigt dat het vervoer over het spoor een van de duurzaamste vormen is van personen- en goederenvervoer. Gelet op het klimaatakkoord en de beleidsdoelstellingen om het spoorvolume te verdubbelen tegen 2030, is, het belangrijk om deze modal shift van goederenvervoer naar het spoor te ondersteunen. Deze wet ondersteunt en stimuleert de beoogde modal shift naar het spoor, met als onderliggend doel de kostvermindering van het spoorvervoer door middel van een vermindering van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur. De steunregeling die het voorwerp uitmaakt van de huidige wet bestaat erin op lineaire wijze de facturatie te verminderen van de spoorweginfrastructuurbeheerder aan de kandidaten in de zin van het koninklijk besluit van 19 juli 2019 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, wetende dat deze beheerder een financiële compensatie zal krijgen opdat deze subsidie neutraal zou zijn voor deze laatste. Deze handelingswijze maakt het mogelijk om op positieve wijze de “cash-flow” van de begunstigden te beïnvloeden, terwijl een steunregeling met direct door de Staat gestorte subsidies op jaarlijkse basis zou gebeuren en a posteriori, hetgeen niet dezelfde doeltreffendheid zou hebben voor dezelfde begunstigden. ‘Ten slotte zal de steunregeling het voorwerp uitmaken van een evaluatie in de loop van het jaar 2023 om de effecten te evalueren van deze maatregel met name wat betreft de concurrentiepositie van de Belgische sector van het goederenvervoer per spoor.
Art. 88 Dit artikel bevat definities van de kandidaat en de netverklaring, en verwijst hiertoe naar de Spoorcodex.
Art. 89 Dit artikel stelt het beginsel vast van de lineaire vermindering van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur ten voordele van kandidaten die actief zijn in het goederenvervoer per spoor. De pro rata beperking van de bedragen betaald door de Staat aan de spoorweginfrastructuurbeheerder verwijdert elk risico dat deze laatste de kost van de steunregeling op zich neemt. De vermindering dekt de periode van 1 januari 2022 tot 31 december 2025 Art. 90 Dit artikel voorziet in een betaling van de voorschotten door de Staat aan de spoorweginfrastructuurbeheerder met een jaarlijkse terugbetaling van deze laatste van eventuele overschotten die niet gebruikt zijn.
Art. 91 Dit artikel voorziet in verantwoordingsstukken te bezorgen door de spoorweginfrastructuurbeheerder aan de Staat om de goede tenuitvoerlegging aan te tonen van het verminderingsmechanisme van de retributie en aldus de naleving van de doelstellingen van dit stelsel Art. 92 Dit artikel bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan kandidaten moeten voldoen om van het verminderingsmechanisme gebruik te kunnen maken. Deze voorwaarden vloeien voort uit vereisten van de Europese Commissie in het kader van de controle op staatssteun.
Art. 93 De inwerkingtreding wordt op een later moment door de Koning bepaald, in functie van de datum van goedkeuring van de steunregeling door de Europese Commissie
TITEL
7 Pensioenen Wijziging van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid ‘Aanvullende pensioenen worden in principe uitbetaald op het ogenblik van de pensionering (dat wil zeggen de ‘opname van het wettelijk pensioen) en ten vroegste op het moment waarop de aangeslotene voldoet aan de voorwaarden om met (vervroegd) wettelijk pensioen te gaan (de zogenaamde P-datum). Op deze regel bestaat een uitzondering voor de betaalde sportbeoefenaars. Zij kunnen hun aanvullend pensioen opnemen vanaf de leeftijd van 35 jaar voor zover zij hun sportieve beroepsactiviteit definitief en volledig stopzetten.
Artikel 94 heeft als doel om een einde te stellen aan deze uitzondering. Voortaan gelden voor de betaalde sportbeoefenaars dezelfde regels als voor andere werknemers. Het aanvullend pensioen zal ten vroegste kunnen worden uitbetaald op de P-datum en uiterlijk bij de pensionering. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voorzien dat artikel 27, $ 3, zijn uitwerking behoudt ten aanzien van de betaalde sportbeoefenaars, voor wat de pensioentoezeggingen betreft waarbij zij werden aangesloten vóór 20 oktober 2021. Daarbij wordt rekening gehouden met het reglement zoals het bestond op die datum. De betaalde sportbeoefenaars die op die datum reeds waren aangesloten zullen dus zoals voorheen het aanvullend pensioen kunnen opvragen op de leeftijd van 35 jaar met toepassing van het belastingtarief van 20 %. Voor toekomstige aansluitingen gelden de gewone fiscale regels en wordt het tarief van 20 % bij uitbetaling vóór de leeftijd van 60 jaar, zonder voorwerp. Dienaangaande verwijst het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 immers naar het artikel 27, $ 3, van de WAP, dat nu opgeheven wordt. De datum van 20 oktober is de datum waarop de Ministerraad over deze maatregel heeft beslist. De bedoeling is te vermijden dat er nog op een drafje nieuwe pensioentoezeggingen zouden worden ingevoerd (bijvoorbeeld individuele pensioentoezeggingen) om aan de toepassing van de nieuwe regeling te kunnen ontsnappen. De overgangsregeling heeft als doel om in het kader van lopende contracten (of beter “aansluitingen”) niet te moeten terugkomen op verworven rechten of gewekte verwachtingen. Dit principe wordt wat de pensioenhervormingen betreft ook uitdrukkelijk verwoord in het regeerakkoord. Bij hervormingen in het kader van de aanvullende pensioenen is, het niet ongebruikelijk om met relatief lange overgangsperiodes te werken. Bij de verhoging van de pensioenleeftijd in het kader van de aanvullende pensioenstelsels, door de wet van 18 december 2015 werd bijvoorbeeld voorzien, dat die verhoging maar geldt voor werknemers die na, een bepaalde datum in dienst treden (1 januari 2019, zie artikel 63/8 van de Wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen). In dit geval moet bovendien rekening worden gehouden met het groot verloop in de sportsector, en met het feit dat de oude regeling in principe hoe dan ook maar liep, tot de leeftijd van 35 jaar. Het derde lid heeft als doel om misbruiken te vermijden. Stel dat een pensioentoezegging voorziet in een pensioenprestatie van 20 000 euro per dienstjaar. Dan geldt de overgangsregeling voor de prestatie zoals zij voortvloeit uit het pensioenreglement zoals dat bestaat op 20 oktober 2021. Wanneer nadien het pensioenreglement wordt gewijzigd met als doel om die prestatie te verhogen (bijvoorbeeld naar 40 000 euro per dienstjaar), dan kan men voor wat die verhoging betreft niet genieten van de overgangsbepaling. De bedoeling van de overgangsbepaling is zoals gezegd ‘om niet te moeten terugkomen op verworven rechten of gewekte verwachtingen. Die overweging geldt niet voor wat wijzigingen aan de pensioenstelsels betreft die achteraf nog zouden worden doorgevoerd. Zonder deze bepaling bestaat het risico dat pensioenprestaties, retroactief worden verhoogd, om alzo te ontsnappen aan de hogere social bijdragen op de brutolonen Wijziging van de programmawet (l) van 27 december 2006 Artikel 306, 5 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 somt de finaliteiten op van de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen (DB2P). Daaraan worden thans twee finaliteiten toegevoegd. Daarmee wordt de wettelijke basis gecreëerd voor de integratie in DB2P van de gegevens met betrekking tot de uitbetaling van aanvullende pensioenen die nodig zijn voor de controle op de inning van de ZIV-inhouding en de solidariteitsbijdrage door de Federale Pensioendienst. Deze integratie komt tegemoet aan aanbevelingen van het Rekenhof in zijn rapport ‘Aanvullende pensioenen - Doeltreffendheid van het overheidsbeleid inzake sociale en fiscale stimulansen’ van 18 november 2020 (blz. 6-7). De daadwerkelijk integratie zal plaats vinden in 2023, maar de aangifte-instructies voor de mededeling van deze gegevens moeten zo snel mogelijk opgesteld kunnen worden zodat de pensioeninstellingen en andere declaranten op dat ogenblik daadwerkelijk in staat zullen zijn om deze transitie door te voeren. Er dient geen gevolg te worden gegeven aan de door de Raad van State geformuleerde opmerking dat over de gegevensstroom vanuit DB2P naar de Federale Pensioendienst het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet worden aangevraagd, om reden dat door deze nieuwe gegevensstroom geen nieuwe dataverwerking wordt tot stand gebracht, maar een integratie van twee bestaande dataverwerkingen bij Sigedis en de FPD die elk reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een machtiging door de destijds bevoegde privacy-instanties (zie Beraadslaging nr. 13/010 van het Informatieveiligheidscomité van 5 februari 2013 op grond waarvan Sigedis gemachtigd is om de door de databank DB2P ingezamelde gegevens met betrek. king tot de uitbetaling van aanvullende pensioenen ter beschikking te stellen van andere instellingen en Beraadslaging nr. 09/041 van het Sectoraal Comité van de sociale zekerheid en de gezondheid van 7 juli 2009 op grond waarvan de Federale Pensioendienst gemachtigd is om desbetreffende gegevens te ontvangen). De voorgestelde toevoeging in artikel 306, $ 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 strekt er derhalve enkel toe om deze wet transparanter en meer leesbaar te maken voor alle betrokkenen, wat de rechtszekerheid ten goede komt. Bepalingen inzake de overgangsuitkering Dit hoofdstuk wijzigt de regelgeving van het pensioenstelsel van de overheidssector, de regelgeving van het pensioenstelsel voor werknemers en van het pensioenstelsel van de zelfstandigen om de duur van de overgangsuitkering te verlengen en voert in de pensioenregeling voor werknemers een gegarandeerde minimumovergangsuitkering in De huidige duur van de overgangsuitkering is op menselijk en financieel vlak te kort, zeker indien de rechthebbenden op een overgangsuitkering een of meer (jonge) kinderen ten laste hebben. Voor de rechthebbenden op een overgangsuitkering die geen kind ten laste hebben wordt de huidige duur van de overgangsuitkering van 12 maanden naar 18 maanden gebracht Indien er een of meer kinderen ten laste zijn van de rechthebbende op een overgangsuitkering, beloopt de duur van de overgangsuitkering momenteel 24 maanden, zonder dat er een onderscheid wordt gemaakt naargelang de leeftijd van het kind of de kinderen ten laste. In de toekomst zal, op het vlak van de duur van de overgangsuitkering, een onderscheid worden gemaakt naargelang het kind dat ten laste is van de rechthebbende op de overgangsuitkering ouder of jonger is dan 13 jaar in het kalenderjaar van het overlijden van de rechtgever. In deze situaties zal de duur van de overgangsuitkering voortaan respectievelijk 36 maanden en 48 maanden bedragen. De kinderlast blijft gekoppeld aan het genot van kinderbijslag. Dit onderscheid op basis van de leeftijd van het kind is te verantwoorden door het feit dat een kind dat ouder is dan 19 jaar als meer zelfstandig mag worden beschouwd dan een kind dat jonger is dan 13 jaar. Het gaat om een leeftijd die meestal gepaard gaat met de overgang van lager naar middelbaar onderwijs en die ook gebruikt wordt in de kinderbijslagregelgevingen. Niettemin zal er geen rekening worden gehouden met de leeftijd van een kind ten laste, als dit een handicap heeft. Dit kind heeft los van zijn leeftijd vaak nood aan bijzondere aandacht en belangrijke hulp. Bijgevolg zal de overgangsuitkering in dit geval steeds toegekend worden voor een periode van 48 maanden. in het pensioenstelsel van de overheidssector Wijziging van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Het huidige tweede lid van artikel 5/3 van voormelde wet van 15 mei 1984 voorziet in een overgangsuitkering voor een periode van 12 maanden indien er geen kind ten laste was van een van de echtgenoten op het ogenblik van overlijden en voor een periode van 24 maanden indien er wel een kind ten laste was. Na het overlijden van de echtgenoot volstaat deze overgangsuitkering echter niet altijd om te leren omgaan met de praktische aspecten en de financiële gevolgen verbonden aan het overlijden van een van de echtgenoten.
Artikel 96 vervangt dit tweede lid van artikel 5/3 van voormelde wet van 15 mei 1984 ten einde de duur van de overgangsuitkering te verlengen. De minimumperiode van de overgangsuitkering van 12 maanden, voor de situatie waarin er geen kind ten laste is van een van de echtgenoten, wordt op 18 maanden gebracht. Voor de situaties waarin er een kind ten laste is van een van de echtgenoten op het ogenblik van het overlijden van de rechtgever zal, inzake de periode van de overgangsuitkering, voortaan een onderscheid worden gemaakt naargelang de leeftijd van het kind op het ogenblik van het overlijden. Dit onderscheid zal niet worden gemaakt wanneer er een kind met een handicap ten laste is van een van de echtgenoten op het ogenblik van het overlijden van de rechtgever. Indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar heeft bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving, wordt de overgangsuitkering van 18 maanden verlengd met 18 bij komende maanden en dus toegekend voor een totale periode van 36 maanden ten laste is dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of indien er op het ogenblik van het overlijden een kind met een handicap ten laste is waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving, ongeacht de leeftijd van dat kind, wordt de overgangsuitkering van 18 maanden verlengd met 30 bijkomende maanden en dus toegekend voor een totale periode van 48 maanden De periode van de overgangsuitkering is eveneens 48 maanden in geval van een postume geboorte binnen de 300 dagen na het overlijden van de rechtgever. Er wordt opgemerkt dat het derde lid van artikel 96 aan de Koning de bevoegdheid verleent om te bepalen wat moet worden verstaan onder een kind ten laste en onder een kind met een handicap. Gezien de zeer beperkte draagwijdte van deze machtiging, moet een vergelijkbare machtiging ook verleend worden bij artikel 97, tweede lid. Volledigheidshalve wordt vermeld dat artikel 97 van dit ontwerp voorziet in een overgangsmaatregel waardoor ook de periode van de overgangsuitkeringen toegekend naar aanleiding van het overlijden van een echtgenoot voor 1 oktober 2021 en waarvan de periode verstrijkt na deze datum, wordt verlengd overeenkomstig dezelfde modaliteiten (zie infra).
Artikel 96, vierde lid, voorziet dat de bepalingen betref fende de aanvraag en de ambtshalve toekenning van een overlevingspensioen eveneens van toepassing zijn op een overgangsuitkering. Deze bepaling moet een stevige rechtsgrond bieden om de overgangsuitkering te kunnen laten ingaan op de eerste dag volgend op de aanvraag indien deze verplicht is en meer dan twaalf maanden na het overlijden van de rechtgever wordt ingediend. Omdat het voor de rechtverkrijgenden niet altijd duidelijk zal zijn op welk van beide voordelen zij aanspraak kunnen maken, bepaalt artikel 96, vierde lid, tevens dat de aanvraag van een overlevingspensioen geldt als een aanvraag van een overgangsuitkering en omgekeerd. Overgangsbepaling Art. 97 Artikel 97, eerste lid, voorziet in een overgangsmaatregel waardoor ook de duur van de overgangsuitkeringen, toegekend naar aanleiding van het overlijden van een echtgenoot voor 1 oktober 2021 en waarvan de periode verstrijkt na deze datum, wordt verlengd overeenkomstig dezelfde modaliteiten als bepaald in artikel 5/3 van voormelde wet van 15 mei 1984, zoals gewijzigd bij artikel 96. Voor deze modaliteiten kan verwezen worden naar de toelichting bij artikel 96 Art. 98 Deze bepaling regelt de datum van inwerkingtreding van de artikelen van deze afdeling. in het pensioenstelsel voor werknemers Wijziging van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en ‘overlevingspensioen voor werknemers Art. 99 Artikel 99 vervangt paragraaf 1 van artikel 21ter van het koninklijk besluit nr. 50 teneinde de periode van de overgangsuitkering in het stelsel van de werknemers te verlengen. Deze verlenging loopt volkomen gelijk met de verlenging van de overgangsuitkering in het stelsel van de ‘ambtenaren, bedoeld in artikel 96. Voor de bespreking van dit artikel wordt dan ook verwezen naar de toelichting verstrekt bij artikel 96, Het tweede lid van deze nieuwe paragraaf 1 past de machtiging aan de Koning aan om de wijze te bepalen waarop de voorwaarde van de kinderlast wordt bewezen en wat onder kind met een handicap moet begrepen worden. Gezien de zeer beperkte draagwijdte van deze machtiging moet een vergelijkbare machtiging ook verleend worden bij artikel 101, tweede lid, van dit ontwerp. Wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modemisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels Artikel 100 wijzigt artikel 7bís van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, teneinde de bepalingen inzake het gewaarborgd minimumoverlevingspensioen toepasselijk te maken op de overgangsuitkering. Zodoende zal het bedrag van een overgangsuitkering voortaan minstens even hoog zijn als dat van een overlevingspensioen, zoals dit ook reeds het geval is in het zelfstandigenstelsel.
Art. 101 Artikel 101, eerste lid voorziet voor de werknemers in eenzelfde overgangsmaatregel als artikel 97 voor de ambtenaren, waardoor de duur van de overgangsuitkering echtgenoot voor 1 oktober 2021 en waarvan de duur dezelfde modaliteiten als bepaald in artikel 2iter, 5 1, van het koninklijk besluit nr. 50, zoals gewijzigd bij artikel 99. Voor deze modaliteiten kan verwezen worden naar de toelichting bij artikel 99.
Art. 102 Dit artikel 102 stelt de datum van inwerkingtreding van deze afdeling vast. in het pensioenstelsel van de zelfstandigen Art. 103 In artikel 103 wordt paragraaf 1 van artikel Ster van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betref fende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen vervangen. Paragraaf 1 verlengt de duur van de toekenningsperiode van de overgangsuitkering van 12 naar 18 maanden voor de langstlevende echtgenoten die geen kind ten laste hebben. Daarnaast wordt voor de langstlevende echtgenoten met kinderlast een onderscheid ingevoerd naar gelang het kind ten laste al dan niet de leeftijd van 13 jaar bereikt in het jaar van overlijden van de zelfstandige. Wanneer het kind de leeftijd van 13 jaar bereikt heeft, wordt de duur van de overgangsuitkering verlengd tot 36 maanden. Wanneer het kind de leeftijd van 13 jaar niet bereikt heeft, wordt de duur van de overgangsuitkering verlengd tot 48 maanden. Daarnaast wordt de overgangsuitkering ook voor een periode van 48 maanden toegekend, indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is met een handicap en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving. De duur van de overgangsuitkering is eveneens 48 maanden indien er binnen de driehonderd dagen na het overlijden een kind postuum geboren werd. De wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten op het ogenblik van het overlijden kinderbijslag ontvangt, bewezen wordt en wat wordt verstaan onder een kind met een handicap, wordt bij koninklijk besluit bepaald.
Art. 104 Artikel 104 voorziet in een overgangsmaatregel voor langstlevende echtgenoten die een overgangsuitkering ontvangen naar aanleiding van het overlijden van hun echtgenoot vóór 1 oktober 2021, de datum waarop de duur van de overgangsuitkering wordt verlengd, en waarvan de periode verstrijkt na deze datum. De maatregel beoogt die lopende overgangsuitkering met respectievelijk 6, 12 en 24 maanden te verlengen voor gerechtigden zonder kinderen ten laste, degenen met een kind ouder dan 13 en degenen met een kind jonger dan 13 jaar ten laste of met een kind ten laste met. een handicap of indien er binnen de driehonderd dagen na het overlijden een kind postuum geboren werd. De maatregel zorgt er dus voor dat deze begunstigden niet worden benadeeld ten opzichte van toekomstige begunstigden van een overgangsuitkering die ten vroegste op 1 oktober 2021 ingaat door hen een overgangsuitkering toe te kennen waarvan de totale duur identiek is, aan die welke is voorzien in het gewijzigde artikel Ster van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967.
Art. 105 Artikel 105 legt de datum van inwerkingtreding van afdeling 3 vast op 1 oktober 2021
TITEL
8 ‘Sociale zaken In antwoord op het advies van de Raad van State (advies 70.343/1-2-3-4-VR van 17 november 2021), wordt onderlijnd dat de bepalingen van deze titel voor advies werden voorgelegd hetzij aan het betrokken beheerscomité, hetzij aan de Nationale Arbeidsraad overeenkomstig artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut en de sociale voorzorg Financiering van de sociale zekerheid Het doel van de afwijking is de vaststelling op forfaitaire basis van de bedragen van de alternatieve financiering die in 2022 aan de twee globale beheren worden toegewezen, zoals reeds in 2021 is gebeurd, in afwachting van een terugkeer naar normale ontvangsten uit de BTW en de roerende voorheffing. In de bedragen voor beide stelsels is rekening gehouden met de extra kosten van de taxshift. Bovendien houden de bedragen voor het stelsel van de werknemers ook rekening met de extra, kosten van de andere federale verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen, alsmede met de verhoging van de werkbonus en de invoering van het onderdeel zeer lage lonen in de structurele vermindering.
Art. 106 Dit artikel heeft tot doel de bedragen van de alterna tieve financiering die in 2022 aan het globaal beheer voor het stelsel voor werknemers worden toegewezen vast te stellen op forfaitaire basis.
Art. 107 voor het stelsel voor zelfstandigen worden toegewezen Art. 108 Dit artikel legt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 106 en 107 vast. Maatwerkbedrijven - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002 Dit hoofdstuk betreft de aanpassing van de programmawet van (l) van 24 december 2002 met het oog op de integratie van de maatwerkbedrijven in de werkgevers “categorie 3” voor de structurele vermindering van RSZ-bijdragen.
Art. 109 Deze bepaling betreft een aanpassing van een verwijzing ingevolge de integratie van maatwerkbedrijven in de werkgevers “categorie 3” voor de structurele vermindering van RSZ-bijdragen. Rekening houdende met het advies van de Raad van State werd de gehanteerde terminologie in de Franse tekst verbeterd.
Art. 110 Deze bepaling brengt de maatwerkbedrijven onder “categorie 3” voor de structurele vermindering van RSZbijdragen, gezien maatwerkbedrijven en de beschutte werkplaatsen gelijkaardige doelstellingen nastreven (meer bepaald de tewerkstelling van personen die moeilijkheden ervaren om het “reguliere” arbeidscircuit terecht kunnen).
Art 111 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 109 en 110. Plusplannen - Wijziging van
hoofdstuk 7
Dit hoofdstuk voorziet verschillende aanpassingen van de programmawet van (I) van 24 december 2002. betreffende de doelgroepverminderingen eerste aanwervingen. Zoals opgenomen in het Regeerakkoord heeft de minister van Sociale Zaken op 6 november 2020 aan het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een evaluatie gevraagd van het systeem van de doelgroepvermindering eerste aanwervingen. Het Beheerscomité heeft op 28 mei 2021 zijn advies gegeven waarbij ook rekening werd gehouden met het verslag van het Rekenhof van 27 januari 2021 (Rekenhof, “Eerste aanwervingen - Doelgroepvermindering voor RSZwerkgeversbijdragen”) en de analyse van het Federaal Planbureau van 5 maart 2021 (Federaal Planbureau, “Impactevaluatie van de maatregel “eerste aanwervingen” op de overlevingskansen van jonge ondermemingen die werknemers in dienst hebben”). De regering heeft de intentie om het systeem van de eerste aanwervingen te wijzigen Het bedrag van de vermindering voor de eerste aanwerving zal vanaf 1 januari 2022 worden geplafonneerd op 4 000 euro per kwartaal. Deze plafonnering zal ook gelden voor de stock, maar zal niet retroactief worden toegepast. De vermindering blijft onbeperkt in de tijd. Verder definieert dit ontwerp een aantal bestaande en nieuwe begrippen, zodat daarover meer duidelijkheid ontstaat en het aantal juridische procedures kan worden beperkt. Regels inzake “de technische bedrijfseenheid”, “nieuwe werkgever” en “vervanging” worden verfijnd zodat oneigenlijk gebruik wordt vermeden. Voorts wordt de voortzetting van alle doelgroepverminderingen door een opvolgende werkgever, die in de praktijk soms tot onrechtvaardig ervaren effecten leidde, vergemakkelijkt.
Art. 112 Het volledige artikel 336 wordt herschreven zodat het artikel, na veelvuldige wijzigingen, opnieuw een consequente redactie krijgt. In dit artikel worden een nieuw bedrag voor een doelgroepvermindering ingevoerd. De Raad van State bemerkte terecht dat een aantal van de bedragen “G” geen forfaitaire bedragen betreffen. Bijgevolg werden de verwijzingen naar het forfaitaire karakter in de artikelen 336 en 338 van de program: mawet (l) van 24 december 2002 opgeheven. Het advies van de Raad van State om alle wijzigingen van artikel 336 van de voormelde programmawet in deze bepaling te integreren werd eveneens gevolgd. Zodoende voorziet deze bepaling eveneens een nieuwe vermindering van werkgeversbijdragen voor betaalde sportbeoefenaars. De Koning wordt gemachtigd om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het percentage van deze bijdragevermindering te bepalen.
Art. 113 Dit artikel vervangt de - intussen - lange lijst met forfaitaire verminderingsbedragen, opgesomd in artikel 338 van de Programmawet van 24 december 2002, waarin aan de Koning de bevoegdheid wordt gegeven om te bepalen op welke verminderingen de werkgever voor welke categorie van werknemers en/of werkzoekenden aanspraak kan maken, door een algemene verwijzing naar de lijst van forfaitaire bedragen G bedoeld in artikel 336.
Art. 114 Dit artikel definieert de begrippen “datum van indiensttreding”, “nieuwe werkgever van een eerste werknemer”, “nieuwe werkgever van een n-de werknemer”, “technische bedrijfseenheid”, “simultane technische bedrijfseenheid” en “historische technische bedrijfseenheid”. 1. Het begrip “nieuwe werkgever” wordt strikter omschreven zodat de toepassing van de vermindering nauwer aansluit bij het doel van de vermindering, met name startende werkgevers ondersteunen bij de aanwerving van personeel Met deze wetswijziging (die dus een beperking inhoudt van het aantal gevallen waarin men deze vermindering kan toepassen ten opzichte van de huidige toestand) wordt deze doelgroepvermindering efficiënter ingezet door vooral startend ondernemerschap en jobcreatie te ondersteunen, en verhindert men dat het doel voorbij geschoten wordt door onderdelen van een grotere ondememing of groep te subsidiëren. Zo zal men voort aan, en dit afhankelijk van de situatie, rekening moeten houden met de werknemers die al in dienst zijn bij de technische bedrijfseenheid waarvan de onderneming deel uitmaakt bij het toepassen van de vermindering eerste tot zesde werknemer. Om het ondernemerschap te ondersteunen, wordt een onderscheid gemaakt tussen ondernemingen waarbij, naast een sociale band tussen de ondernemingen, op het ogenblik van de indiensttreding van de nieuwe werknemer, een actuele socio-economische verwevenheid tussen de ondernemingen bestaat, en de ondernemingen die, naast een sociale band, enkel als historische ondernemingen een socio-economische verwevenheid hebben. Door bij een historische technische bedrijfseenheid de ranginname te beperken tot de juridische entiteit, terwijl voor de ranginname in een simultane technische bedrijfseenheid gekeken wordt op het niveau van de technische bedrijfseenheid, zal voor een onderneming die deel uitmaakt van een historische technische bedrijfseenheid, de vermindering eerste aanwervingen dikwijls nog toegepast kunnen worden, daar waar die ant mogelijkheid bij een onderneming die deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid veelal uitgeput is. Bij het bepalen van de ranginname (1, 2* tot en met 6“ werknemer) wordt immers geen rekening gehouden met de tewerkstelling in de andere ondernemingen van de technische bedrijfseenheid. Gelegenheidswerknemers in de horeca en flexi-jobwerknemers zullen voortaan het recht op de vermindering niet meer openen, zodat de termijn binnen dewelke de vermindering moet worden toegepast, niet begint te lopen, door de aanwerving van deze tijdelijke werknemers. Het gaat immers niet alleen om korte tewerkstellingen, maar ‘ook om een tewerkstelling zonder klassieke werkgeversbijdragen. Het is daarom niet logisch dat de aanwerving van werknemers met dergelijke statuten de referteperiode binnen dewelke de vermindering moet worden toegepast, doet lopen. Ook zullen deze werknemers niet meer in aanmerking genomen worden bij het bepalen of er sprake is van een “vervanging” binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. Voor de flexi-jobwerknemers zijn geen klassieke werkgeversbijdragen verschuldigd en worden de bijdragen dus sowieso niet verminderd 2. In de huidige wetgeving betreffende de verminderingen eerste aanwervingen wordt het begrip “technische bedrijfseenheid” niet gedefinieerd. De verwijzing naar het begrip “technische bedrijfseenheid” van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, werd door de wetgever bewust geschrapt ‘omdat ze te beperkend was in het kader van artikel 344 (cf. programmawet van 22 december 2003) en aanleiding gaf tot talrijke verminderingen voor groepen of dochterondernemingen van werkgevers, wat artikel 344 van de programmawet van 24 december 2002 juist wilde vermijden (cf. voorbereidende werken van deze twee programmawetten). Het ontbreken van een definitie leidt tot rechtsonzekerheid. De in dit artikel voorgestelde definitie van “technische bedrijfseenheid” is gebaseerd op de jurisprudentie en beperkt de marge voor interpretatie. Het Hof van Cassatie heeft meermaals geoordeeld dat het al dan niet deel uitmaken van een technische bedrijfs eenheid bepaald moet worden op basis van sociale en economische criteria. Op basis van deze uitspraken heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn criteria verfijnd. Toch volstond dit niet om juridische procedures te vermijden. Er bleef in de praktijk veel onduidelijkheid bestaan over wat een technische bedrijfseenheid nu exact is. De rechtspraak hierover is heel divers en niet eenduidig, wat leidt tot talrijke rechtsprocedures. In dit artikel wordt een definitie gegeven van wat, in het kader van de doelgroepvermindering eerste aanwervingen, als een “technische bedrijfseenheid” moet worden beschouwd, zodat het duidelijk is wanneer een onderneming al dan niet tot een bepaalde technische bedrijfseenheid behoort of eventueel deel uitmaakt van een andere technische bedrijfseenheid. Als men spreekt over “technische bedrijfseenheid”, moet men een onderscheid maken tussen twee verschil lende situaties: « Twee ondernemingen maken deel uit van een technische bedrijfseenheid omdat zij op een bepaald moment, naast een sociale band, ook een socio-economische verwevenheid vertonen. Dit wordt omschreven als een “simultane technische bedrijfseenheid”. Voorbeelden: - een groep ondernemingen met een gemeenschappelijke aansturing met gelijkaardige of aanvullende activiteiten; - ondernemingen van dezelfde eigenaar die een deelaspect van een economische activiteit voor zich nemen, zoals de groothandel in consumptiegoederen en de ondersteunende informaticadienst. sche bedrijfseenheid omdat zj, naast een sociale band, een voorafgaandelijke socio-economische verwevenheid hebben. Dit wordt in het artikel omschreven als een “historische technische bedrijfseenheid”. - een opsplitsing van een deel van een bedrijf naar een zelfstandige activiteit; - een overname; - bij een onderneming met meerdere bestuurders besluit een van hen de firma te verlaten. Deze persoon richt een nieuwe juridische entiteit op waar gelijkaardige activiteiten worden ontplooid en neemt een deel van de klantenportefeuille over, maar wordt voortaan een concurrent van de vorige, nog steeds actieve onderneming. De Koning zal verder bepalen hoe de toepassing van de vermindering voor een eerste t.e.m. een zesde werknemer wordt ingevuld, ook voor ondernemingen die deel uitmaken van een historische of simultane technische bedrijfseenheid. Hij bepaalt ook de rangorde voor de toepassing van de n-de werknemer. Dit artikel bepaalt ook dat in het geval van een herstructureringsoperatie (splitsing, fusie) en wanneer er sprake is van een historische technische bedrijfseenheid, de werknemers die mee overkomen, eerst in rekening worden genomen om te bepalen of er sprake is van een eerste aanwerving van een eerste werknemer. 3. De “socio-economische verwevenheid” wordt beoordeeld op basis van volgende elementen, die niet noodzakelijk allemaal aanwezig moeten zijn: activiteit, plaats, cliënteel, materiaal en personeelsbeheer. Volgende ondernemingen maken deel uit van één technische bedrijfseenheid: - juridische entiteiten die winkels uitbaten van eenzelfde keten met gemeenschappelijke personen in het beheer en met eenzelfde commercieel beleid, of die franchiseovereenkomsten gesloten hebben met dezelfde franchisehouder. - een ondernemer die een fysieke winkel uitbaat en een nieuwe juridische entiteit creëert om een webwinkel te ontwikkelen en uit te baten, die dezelfde producten via intenet aanbiedt. In dergelijke situaties is de NACEcode en mogelijk ook het paritair comité verschillend, terwijl de activiteiten wel als verwant beschouwd worden. - een groep, actief in de transportsector, heeft diverse Juridische entiteiten: één voor koeltransport, een andere voor containervervoer, nog een andere voor de stockage van de goederen, en nog een entiteit voor het beheer van het patrimonium en/of administratief personeel. Er is één website waar het geheel van de kernactiviteiten gegroepeerd zijn onder dezelfde commerciële benaming en er is minstens één gemeenschappelijk bestuurder. Ook hier zijn de NACE-codes en paritaire comités van de meeste entiteiten verschillend. Volgende ondernemingen maken geen deel uit van dezelfde technische bedrijfseenheid - een ondernemer is bestuurder van een juridische entiteit die een restaurant uitbaat in Brugge, en is ook bestuurder van een andere entiteit die een “take away” in Gent uitbaat onder een andere commerciële benaming en zonder gemeenschappelijke website. Zelfs als er gemeenschappelijke werknemers tussen beide werkgevers zouden aanwezig zijn, gaat het hier om twee onderscheiden technische bedrijfseenheden, bij gebrek aan socio-economische verwevenheid. - een ondernemer baat op hetzelfde adres een fietsenwinkel uit, en start met een nieuwe juridische entiteit die als activiteit IT-helpdesk heeft. 4. Er bestaat een “sociale band” tussen ondememingen wanneer er minstens één persoon bij de respectievelijke ondernemingen gemeenschappelijk is, ongeacht diens hoedanigheid. Dit kan een werknemer zijn, maar ook een zaakvoerder. Zonder sociale band maken de ondememingen voor de toepassing van de doelgroepvermindering geen deel uit van dezelfde technische bedrijfseenheid. Opdat een overnemer, die een deel of het voltallige personeel van een failliete onderneming overneemt, toch de doelgroepverminderingen eerste aanwervingen zou kunnen genieten, wordt in dit ontwerp een uitzondering opgenomen, waardoor de overgenomen werknemers niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of er een sociale band bestaat tussen de twee ondernemingen. Een verwijzing naar hoofdstuk IIl van de CAO 32bis wordt hier gehanteerd als omschrijving van de betreffende situaties Art. 115 Artikel 344 van de programmawet(!) van 24 december 2002 wordt herschreven om enkele daarin voorkomende termen te vervangen door een correcter alternatief. ‘Ook wordt voor de duidelijkheid, om interpretatieproblemen te vermijden en om een eenvormige referteperiode te gebruiken, als referteperiode altijd 12 maanden gebruikt en wordt niet langer verwezen naar de 4 voorafgaande kwartalen ‘Aan de Koning wordt bovendien de bevoegdheid gegeven om het begrip “vervanger” te definiëren.
Art. 116 Dit artikel wijzigt artikel 353ter van de programmawet (I) van 24 december 2002, dat de voortzetting van de doelgroepverminderingen in algemene zin regelt. De voorgestelde wijziging actualiseert artikel 353ter door de verwijzingen daarin naar de artikelen van het (oude) Wetboek van vennootschappen te vervangen door de daarop meest aansluitende artikelen van het (nieuwe) Wetboek van vennootschappen en verenigingen en door gebruik te maken van het begrip “onderneming”in plaats, van “rechtspersoon”. Door de vermelding dat het moet gaan om “gelijkaardige situaties” als deze vermeld in de vernoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wordt de tekst van dit artikel ook beter afgestemd op de huidige administratieve werkwijze, enerzijds door de voortzetting van de doelgroepvermindering ook mogelijk te maken voor verenigingen zonder winstoogmerk en voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, en anderzijds door voor de toepassing van de voortzetting louter te kijken naar het resultaat van de herstructureringsoperatie die door de betrokken ondernemingen wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Op deze manier zijn de voorwaarden ‘om te kunnen overgaan tot een voortzetting van een doelgroepvermindering minder formalistisch zodat geen strengere voorwaarden worden opgelegd naar gelang de rechtsvorm van de onderneming en ondernemingen met of zonder rechtspersoonlijkheid op dezelfde wijze worden behandeld. De bedoeling is om te vermijden dat er werkgevers zouden zijn die niet in aanmerking komen om als “nieuwe werkgever” de vermindering te starten (omdat ze samen met een bestaande werkgever deel uitmaken van eenzelfde technische bedrijfseenheid), en - door een strikt formalistische toepassing van deze artikelen van het WVV - evenmin in aanmerking zouden komen om een bestaande vermindering voort te zetten, en daardoor tussen twee stoelen vallen. Een nieuwe werkgever-rechtspersoon die bij een herstructureringsoperatie betrokken is, wil voor zijn eerste werknemer de doelgroepvermindering eerste aanwervingen toepassen. Deze vermindering wordt hem geweigerd omdat geen bijkomende tewerkstelling kan worden aangetoond aangezien deze nieuwe werkgever deel uitmaakt van een technische bedrijfseenheid waarbij zijn nieuwe werknemer overgenomen werd van een andere juridische entiteit binnen diezelfde technische bedrijfseenheid. Als die nieuwe werkgever daarop dan de voortzetting van de doelgroepvermindering vraagt die bij de vorige werkgever werd geopend, wordt die ook geweigerd als niet aan de strikte, formele vereisten van bijvoorbeeld de publicatie binnen de wettelijke termijn in het Belgisch Staatsblad is voldaan. Om de doelgroepvermindering verder te kunnen zetten, moet tevens een door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid opgestelde modelverklaring worden ondertekend waarbij de opvolgende werkgever verklaart de sociale schulden van de pre-existente onderneming over te nemen. Deze verklaring houdt voor de Rijksdienst de garantie in dat er geen schulden blijven openstaan terwijl de vermindering door een andere werkgever gewoon wordt voortgezet. Om te vermijden dat het verderzetten van een ver mindering leidt tot de toepassing van de doelgroepvermindering voor verschillende werknemers van dezelfde rang bij dezelfde werkgever of binnen een simultane technische bedrijfseenheid, werkt de Koning uit hoe dit. dubbelgebruik voortaan zal worden vermeden. Ingevolge het advies van de Raad van State, werd de bepaling vervolledigd met de machtiging aan de Koning.
Art. 117 Dit artikel neemt in artikel 353quater van dezelfde programmawet de bij artikel 116 in artikel 353ter aangepaste termen over en benadrukt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt voor alle op het ogenblik van de voortzetting van de doelgroepvermindering gekende en eventueel nog niet gekende sociale schulden van de pre-existente werkgever.
Art. 118 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de artikelen 112 tot
17.
HOOFDSTUK 4
Bepalingen met betrekking tot betaalde sportbeoefenaars Dit hoofdstuk beoogt de algemene integratie van betaalde sportbeoefenaars in het algemeen sociaalzekerheidsstelstel van werknemers. Onder de vigerende wetgeving worden de sociale bijdragen normaliter berekend op het reëel loon van de werknemer. Echter, voor de betaalde sportbeoefenaars, worden de sociale bijdragen berekend op basis van een geplafonneerd bedrag. Het betreft de betaalde sportbeoefenaars die enerzijds onder de wet van 24 februari 1978 vallen, diegene die de verplichting aangaat zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie, onder het gezag van een andere persoon tegen een loon dat een bepaald bedrag overschrijdt (10 824 euro), diegene die onder een arbeidsovereenkomst valt en anderzijds, wielrenners die houder zijn van een door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond afgeleverde licentie voor beroepsrenner. De sociale bijdrage van voornoemde sportbeoefenaars wordt berekend op een geplafonneerd loon, een forfaitaire, bedrag dat vanaf 1 september 2021 op 2 474,22 euro per maand is vastgesteld. Voor de lonen die lager liggen dan die grens worden de bijdragen geheven op het reëel loon. Dit betekent dat er een gunstig regime bestaat voor de groep van de beter betaalde sportbeoefenaars, die onder de huidige regeling van het forfaitair bedrag beperkt bijdragen. Het ontwerp integreert de betaalde sportbeoefenaars in het algemene socialezekerheidsstelsel. Dit houdt in dat de betaalde sportbeoefenaars sociale zekerheidsbijdragen zullen betalen zoals bepaald onder het algemeen stelsel van werknemers. Concreet wordt het forfaitaire bijdrageplafond voor beroepssporters afgeschaft, worden zij volledig onderworpen aan alle takken van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en krijgen zij recht op jaarlijks vakantie. Het doel is om een gelijkschakelijking met het stelsel van de gewone werknemers te bekomen. De maatregel zal vooral gevolgen hebben op de groep van de beter betaalde sportbeoefenaars (zonder gevolgen voor degenen die een salaris ontvangen dat onder het huidige plafond ligt). De bepalingen betreffende de loonmatigingsbijdrage, waarvan betaalde sportbeoefenaars op grond van het koninklijk besluit van 8 april 1989 zijn uitgesloten, zullen eveneens worden opgenomen. Er kan worden geconcludeerd dat binnen de historische gegroeide sociale zekerheidsregelgeving de betaalde sportbeoefenaars momenteel een gunstig regime genieten, wat meer en meer gecontesteerd wordt (omwille van de mogelijk ongelijke behandeling). De nood aan een wijziging van het gunstige regime voor de betaalde sportbeoefenaars dringt zich dan ook op. Deze verhoging van de socialezekerheidsbijdrage van de sector mag echter niet tot gevolg hebben dat de financiële draagkracht van de sportclubs en -verenigingen in het gedrang komt. Daarom wordt een sportbonus ingevoerd om een duurzame sector te bewerkstelligen. Deze integratie van betaalde beroepssporters in het algemene socialezekerheidsstelsel is een belangrijke stap in de gelijkschakeling van het statuut. De gelijk schakeling mag niet te overweldigend zijn en mag niet tot gevolg hebben dat betaalde sportbeoefenaars naar het buitenland zouden verhuizen voor een gunstiger sociaal en fiscaal statuut. Zodoende is de invoering van de sportbonus belangrijk. Om deze redenen wordt eveneens voorzien in de mogelijkheid van bijzondere afbetalingsplannen voor een gedeelte van de RSZ-bijdragen voor het eerste, tweede en derde kwartaal 2022 voor de werkgevers van betaalde sportbeoefenaars. werd het toepassingsgebied beter afgebakend door de begrippen “betaalde sportbeoefenaar” en “beroepswielrenner” nader te omschrijven. (advies 70.343/1-2-3-4-VR van 17 november 2021), kan worden gesteld dat, overeenkomstig de toe te passen voorwaarden zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun” in de zin van artikel 107, id 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C/2016/2946), de voorgestelde maatregelen op parafiscaal vlak geen staatssteun inhouden Volgens voornoemde Mededeling van de Commissie houdt het begrip staatssteun de volgende cumulatieve bestanddelen in: het bestaan van een onderneming; de toerekenbaarheid van de maatregel aan de Staat; de bekostiging ervan uit staatsmiddelen; het verlenen van een voordeel; het selectieve karakter van de maatregel en de gevolgen ervan voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten. De Mededeling expliciteert verder in punt 67 dat er sprake is van toekenning van een voordeel “telkens wanneer de financiële situatie van een onderneming wordt verbeterd als gevolg van overheidsoptreden onder andere dan normale marktvoorwaarden. Om dit te kunnen beoordelen, dient de financiële situatie van de onderneming ná de maatregel te worden vergeleken met haar financiële situatie indien de maatregel niet was genomen.” Er dient zodoende een vergelijking gemaakt te worden tussen de financiële situatie van de sector ná de maatregel tegenover de financiële situatie indien de maatregel niet zou genomen zijn. Zonder ingrijpen van de overheid, en bijgevolg zonder voorgestelde maatregelen, zou het parafiscaal regime ongewijzigd en voordeliger blijven. Het overheidsingrijpen strekt tot het tegendeel waardoor de parafiscale gunstige situatie van de sector door de totaliteit van de maatregelen net wordt ingeperkt en afgebouwd. Er is dus strikt genomen geen sprake van het toekenning van een voordeel door voorgestelde overheidsmaatregelen, wel van het globaal terugschroeven van de huidige voordelen in het parafiscaal regime. Daarnaast is het moelijk te stellen dat er sprake is van vervalsing van de mededinging of een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten, nu met deze maatregelen wordt beoogd de betaalde sportbeoefenaars, te integreren in het reguliere stelsel. Volgens het advies nr. 70 434 van de Raad van State moeten de maatregelen die wijzigingen in bestaande steunmaatregelen beogen voorafgaandelijk bij de Europese Commissie aangemeld worden, omdat deze volgens de Verordening (EU) 2015/1589 evenzeer kunnen worden beschouwd als nieuwe steun. Hiertegenover staat dat wijzigende maatregelen overeenkomstig de Mededeling van de Commissie steeds de toets aan de cumulatieve voorwaarden moet doorstaan, waarbij in deze noch wordt voldaan aan de voorwaarde van het creëren van een voordeel, noch aan de voorwaarde met betrekking tot het schenden van de mededinging en handelsverkeer tussen lidstaten.
Art. 119 Dit arikel regelt de onderwerping van de houders van een vergunning van “eliterenner met contract” aan de zekerheid der arbeiders (hierna: RSZ-wetgeving). Paragraaf 1 van het nieuw artikel 1quater handelt over de houders van een vergunning van “eliterenner met contract” waarvan de arbeidsovereenkomst aanzien wordt als een overeenkomst voor bedienden. Deze invoering beoogt de algemene integratie van alle sport beoefenaars, inclusief de profrenners, in het algemeen stelsel van werknemers. Hiervoor is het noodzakelijk dat voor voormelde elterenners een extra artikel wordt opgenomen, zodoende hen onder het toepassingsgebied van de RSZ-wetgeving te laten vallen en zodoende hen het recht op jaarlijkse vakantie toe te kennen. Paragraaf 2 van het nieuwe artikel 1quater betreft een letterlijke overname van de inhoud van artikel 2 van de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de socialezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van “eliterenner met contract” dat handelt over de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond, het afleveren van een vergunning en de last die hiermee gepaard gaat. Paragraaf 3 bepaalt welke dagen als werkdagen worden beschouwd voor de berekening van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde socialezekerheidsbijdragen.
Art. 120 Dit artikel voorziet in de opheffing van de specifieke wetten betreffende beroepsvoetballers en houders van een vergunning “eliterenner met contract”. Deze bepalingen beperken de aansprakelijkheid en de betaling van de bijdragen van deze beroepssporters, zodoende is het noodzakelijk is deze op te heffen om ze volledig op te nemen in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers.
Art. 121 Dit is een technische aanpassing met het oog op de aanpassing voorzien bij artikel 122:
Art. 122 Dit artikel voorziet de invoeging van een nieuw artikel in de wet tot toekenning van een doelgroepvermindering. Deze doelgroepvermindering voor betaalde sportbeoefenaars werd grondig herzien in het licht van de bemerkingen van de Raad van State. In navolging van het advies van de Raad van State werden de wijzigingen van artikel 336 van de program: mawet (l) van 24 december 2002 geïntegreerd in één bepaling, teneinde conflicterende wijzigingen en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid te vermijden. Hieromtrent wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 112. Het toepassingsgebied wordt voortaan hoofdzakelijk afgebakend in functie van de activiteitensector. Meer bepaald komen voor deze doelgroepvermindering de werkgevers in aanmerking die ressorteren onder het nationaal paritair comité voor de sport alsook de sportverenigingen, sportcentra en sportclubs die ressorteren onder het paritair comité voor de socio-culturele sector die betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners, tewerkstellen. Om tegemoet te komen aan de bemerkingen van de Raad van State inzake een duidelijke en rechtszekere afbakening van het toepassingsgebied van de ontworpen maatregel, werden bovendien de begrippen “sportvereniging of sportclub”, “sportcentrum”, “betaalde sport beoefenaar” en “beroepswielrenner” nader omschreven. Deze vermindering heeft niet tot doel een nadeel van een bepaalde groep op de arbeidsmarkt, als gevolg van eigen kenmerken van deze groep te compenseren, hetgeen tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Deze maatregel behoort evenwel tot de bevoegdheid van de federale wetgever gezien de vermindering hoofdzakelijk in functie van de activiteitensector wordt vastgesteld (art. 6, $ 1, IX, 7°, a) BWHI) Art. 123 Dit artikel voorziet in een wijziging van het opschrift van de wet van 20 december 1999 teneinde de betaalde sportbeoefenaars op te nemen.
Art. 124 Dit artikel voegt een nieuw artikel toe in de wet van 20 december 1999 teneinde de werkbonus te voorzien voor de betaalde sportbeoefenaars Art. 125 Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de RSZ om “bijzondere” minnelijke afbetalingstermijnen toe te kennen aan werkgevers van betaalde sportbeoefenaars voor een gedeelte van de aan de RSZ verschuldigde bijdragen voor het eerste, tweede en derde kwartaal 2022, teneinde tegemoet te komen aan eventuele betalingsmoeiljkheden ingevolge de hervorming van het gunststelsel. In tegenstelling tot de “klassieke” afbetalingsplannen, worden voor deze “bijzondere” afbetalingsplannen in beginsel geen bijdrageopslagen, forfaitaire vergoedingen en/of verwijlinteresten aangerekend Dergelijk bijzonder afbetalingsplan kan enkel worden toegekend voor het gedeelte van de aan de RSZ verkwartaal 2022 dat de verschuldigde bijdragen voor het overeenstemmende kwartaal 2021 overschrijdt. Deze minnelijke afbetalingstermijnen moeten worden aangevraagd vóór iedere gerechtelijke vervolging en vóór ieder ander afbetalingsplan. De bedragen waarvoor de werkgever een dergelijke bijzonder afbetalingsplan heeft verkregen, dienen uiterlijk op 15 december 2022 betaald te zijn aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 126 van dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK 5
Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit Dit ontwerp is bedoeld als aanvulling op het systeem dat zal worden ingevoerd door het wetsontwerp tot invoering van het “Terug-Naar-Werk-traject” onder de coördinatie van de “Terug -Naar-Werk-coördinator” in de uitkeringsverzekering voor werknemers, die de reïntegratie van langdurig zieken op het werk en de arbeidsmarkt moet bevorderen door de invoering van een reïntegratietraject op basis van een multidisciplinaire aanpak. Het is de bedoeling de werkgevers te responsabiliseren door de invoering van een responsabiliseringsbijdrage die verschuldigd zal zijn door de werkgevers die onder de toepassing vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en waarvan het aantal werknemers dat in invaliditeit treedt substantieel hoger is dan het gemid delde, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Er wordt een specifieke werkgeversbijdrage op kwartaalbasis ingevoerd van 0,625 % op de bijdrageplichtige lonen van de onderneming, voor ondernemingen met gemiddeld minstens 50 werknemers en een bovenmaatse instroom in invaliditeit Deze ratio wordt voor ieder kwartaal, berekend als voortschrijdend gemiddelde van de intredes in invaliditeit in kwartaal Q en de drie voorgaande kwartalen ten opzichte van het aantal VTE in de overeenstemmende kwartalen een jaar voordien. Door te kijken naar het voortschrijdend gemiddelde van vier kwartalen worden eventuele incidentele afwijkingen tijdens één kwartaal - die kunnen te wijten zijn aan een samenloop van omstandigheden - uitgevlakt. De relatering aan het tewerkstellingsvolume van de overeenstemmende kwartalen tijdens het voorgaande jaar is verdedigbaar omdat de primaire arbeidsongeschiktheid, die aan de basis ligt van de intrede in de invaliditeit, op dat moment is gesitueerd. Deze “oefening” gebeurt voor werknemers behorend tot de leeftijdsgroep van 18-54 jaar. Daarbij worden enkel de werknemers met minstens 3 jaar anciënniteit binnen de onderneming in aanmerking genomen. De berekening en inning van de bijdrage gebeurt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op basis van een kruising van de gegevens van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering over de arbeidsongeschikte werknemers met de gegevens van de Rijksdienst inzake het tewerkstellingsvolume in de onderneming van deze werknemers. De werkgevers worden tussentijds proactief op de hoogte gehouden zodat zij via knipperlichtsignalen worden verwittigd indien hun ratio ongunstig evolueert. Zodoende wordt aan ondernemingen die tussentijds (bijvoorbeeld in een bepaald kwartaal van het jaar waarvoor de bijdrageberekening gebeurt) een score hebben die duidt op een substantiële afwijking van de sector- en algemene ratio, waarbij de kans bestaat dat zij bij de eindafrekening een bijdrage verschuldigd zullen zijn, de mogelijkheid gegeven om voor de resterende periode bij voorbeeld meer inspanningen te doen inzake re-integratie van de werknemers die tijdens de eerstvolgende maanden eveneens in de langdurige arbeidsongeschiktheid dreigen terecht te komen. Teneinde zodoende alsnog een responsabiliseringsbijdrage te voorkomen. Het is dus niet de bedoeling om toevallige afwijkingen ten opzichte van het sector- of algemeen gemiddelde, die kunnen te wijten zijn aan een samenloop van omstandigheden, te sanctioneren. Wel is het de bedoeling ‘om structurele afwijkingen te heroriënteren. Ook daarom zullen de waardes van “X” en “Y” bij koninklijk besluit worden ingevuld na een “proefdraai” op basis van een koppeling van data van Riziv en RSZ op basis van empirische gegevens uit het recente verleden, teneinde deze waardes te kunnen vaststellen in functie van voormelde doelstelling. Elk jaar, en voor het eerst in 2022, moet de werkgever proactief op de hoogte worden gebracht als zijn verhouding zodanig verandert dat hij het volgende jaar waarschijnlijk de bijdrage zal moeten betalen. Het tijdstip, de frequentie en de wijze waarop deze mededeling moet worden gedaan, worden bepaald door de Koning. Deze mededeling zal zowel betrekking hebben op werknemers van 18 tot en met 54 jaar als op werknemers van 55 jaar en ouder die niet onder de bijdrageregeling vallen. Voor de laatste leeftijdsgroep zal immers een indicatieve opvolging van de intredes in invaliditeit gebeuren. De responsabiliseringsbijdrage zal door de RSZ worden doorgestort naar het fonds voor bestaanszekerheid van de sector. De sociale partners kunnen deze bijdrage aanwenden ter financiering van maatregelen die van die aard zijn dat ze de problematiek die geviseerd wordt door de responsabiliseringsbijdrage verminderen. De redactie van de bepalingen van dit hoofdstuk alsook de artikelsgewijze toelichting werden verfijnd in het licht van het advies van de Raad van State. Wat betreft de opmerking van de Raad inzake de relevantie van het in aanmerking nemen van factor “Y”, dient te worden bemerkt dat de bedoeling is dat de waarde X kleiner zal zijn dan die van Y. De vergelijking van de instroom van werknemers in invaliditeit gebeurt aldus in eerste instantie met die van vergelijkbare werkgevers, in de eigen sector, waar een substantiële afwijking ten opzichte van dat sectorgemiddelde wordt geviseerd. De betrachting is eveneens om ook werkgevers die behoren tot sectoren (en dus ook een belangrijk deel van die sector) met een gemiddelde score die zich situeert boven het algemene gemiddelde, te sensibiliseren en aan te zetten om meer te evolueren richting het algemeen gemiddelde. Daarvoor is de factor Y dus wel degelijk relevant. Door te bepalen dat er gelijktijdig moet voldaan zijn aan X (keer) én Y (keer) kan die gecombineerde doelstel ling op een billijke (rekening houdend met eventuele eigenheden van de sector) basis worden gerealiseerd.
Art. 127 Dit artikel definieert de begrippen voor de toepassing Art. 128 Dit artikel bepaalt dat de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en waarvan het aantal werknemers dat in invaliditeit treedt, hoger is dan het gemiddelde, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, de responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zijn. Werkgevers met gemiddeld minder dan 50 werknemers zijn echter vrijgesteld van deze bijdrage. De vrijstelling voor werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen is ingegeven door de bedoeling om afwijkingen te vatten waarop “het beleid” of de arbeidsorganisatie van de onderneming een impact hebben. In zeer kleine ondernemingen zou het toepassen van de formule intrede invaliditeit/volume VTE tot ratio's kunnen leiden waarbij ook werkgevers met medewerkers waarvan de invaliditeit voortvloeit uit aandoeningen waarop het beleid van de onderneming geen of nauwelijks impact heeft toch een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zouden zijn. Bijvoorbeeld in een onderneming met wee werknemers zou de intrede van één werknemer in invaliditeit wegens bijvoorbeeld een pancreaskanker leiden tot een ratio van vijftig procent. Om de beoogde doelstelling te bereiken, namelijk “werkgevers-uitschieters” waarvan de instroom in de invaliditeit van hun medewerkers (deels) te wijten is aan de werksituatie te sensibiliseren - is een zeker schaal grootte nodig teneinde geen statistische vertekening te hebben. werd de verhouding tussen de artikelen 128 en 129 verfijnd. Hiertoe werden de woorden “tijdens een referteperiode” in het derde lid van artikel 128 opgeheven.
Art. 129 Dit artikel bepaalt hoe het gemiddelde aantal tijdens de referentieperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend dat wordt gebruikt om te beoordelen of het aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers, die in invaliditeit treden, boven het gemiddelde ligt De redactie van artikel 129 werd aangepast rekening houdende met het advies van de Raad van State. Om de bepaling begrijpelijker te maken, werd deze in leden onderverdeeld. Ook werd de omschrijving van het begrip “referteperiode” ondergebracht in de bepaling met de definities. Hierdoor wordt ook het onderscheid tussen “refertekwartalen” en “referteperiode” duidelijker. Voor de berekening van het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers tijdens de referteperiode, werd de gebruikelijke omschrijving van de 'RSZ-belangrijkheidscode’ evenwel behouden. De belangrijk-heidscode duidt de grootte van de werkgever aan voor de berekening van bepaalde aan de RSZ verschuldigde bedragen, waarbij de bijdrageschuld of de hoogte van de (bijzondere) bijdrage afhangt van het gemid-deld aantal tewerkgestelde werknemers. Deze belangrijkheidscode wordt berekend op basis van de referteperiode van de eerste drie kwartalen van het voorgaande jaar (n-1) en het vierde kwartaal van het hieraan voorafgaande jaar (n-2). De belangrijk heidscode wordt één maal per jaar door de RSZ vastgesteld in het begin van het jaar (in de loop van de maand januari-februari). Het gemiddeld aantal werknemers tewerkgesteld gedurende de referteperiode wordt berekend door het aantal werknemers, aangegeven op het einde van elk kwartaal van de referteperiode, op te tellen. Vervolgens wordt dit totaal gedeeld door het aantal kwartalen van de referteperiode waarvoor een aangifte bij de RSZ werd ingediend Indien één of meerdere aangiftes ontbreken voor de referentieperiode, dan wordt het rekenkundige gemiddelde van het aantal werknemers op de bestaande aangiftes in rekening genomen. Indien de werkgever voor de referteperiode geen RSZaangifte moet indienen, dan neemt men als maatstaf het aantal werknemers tewerkgesteld op de laatste dag van het kwartaal waarbinnen de eerste tewerkstelling volgend op de referteperiode plaatsvond. In dezen is de responsabiliseringsbijdrage niet verschuldigd voor de werkgevers die in de referteperiode gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkgestelden. Het betreft de werkgevers met een belangrijkheidscode 1 (gemiddeld 1 tot 4 tewerkgestelde werknemers), 2 (gemiddeld 5 tot 9 tewerkgestelde werknemers), 3 (gemiddeld 10 tot 19 tewerkgestelde werknemers) en 4 (gemiddeld 20 tot 49 tewerkgestelde werknemers).
Art. 130 In dit artikel wordt de methode uiteengezet aan de hand waarvan het aandeel van de werknemers die in een bepaalde onderneming invalide worden, wordt vastgesteld ten opzichte van de ondernemingen van dezelfde activiteiten-sector en ten opzichte van de ondernemingen van de algemene private sector. ‘Aan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, wordt de bevoegdheid verleend de criteria en modalitei ten te bepalen voor de vaststelling van de bovenmaatse stroom van werknemers in invaliditeit.
Art. 131 Dit artikel bepaalt het percentage van de trimestriële responsabiliseringsbijdrage op 0,625 % en specificeert de grondslag voor de vaststelling ervan, wordt de bevoegdheid verleend om de andere methoden voor het berekenen en innen van de responsabiliseringsbijdrage nader te bepalen.
Art. 132 In dit artikel wordt uiteengezet hoe de RSZ de responsabiliseringsbijdrage zal innen.
Art. 133 Dit artikel bepaalt dat de Rijksdienst proactief de werkgevers informeert wier de gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit zich ongunstig ontwikkelt. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, wordt gemachtigd de modaliteiten van deze mededeling te bepalen.
Art. 134 Dit artikel bepaalt de gegevens die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan de Rijksdienst moeten worden medegedeeld betreffende de instroom van werknemers in invaliditeit.
Art. 135 Dit artikel bepaalt de bestemming van de opbrengst van de responsabiliseringsbijdrage. Deze bijdrage wordt gestort aan het Fonds voor Bestaanszekerheid (‘FBZ”) van het Partair Comité (“PC”) of Paritair Subcomité (“PSC”) waar de werkgever voor zijn werknemers onder ressorteert. De sociale partners moeten jaarlijks rapporteren over de besteding van deze bijdrage en de genomen maatregelen en dit verslag officieel neerleggen, op hetzelfde moment dat het jaarverslag van het Fonds moet worden neergelegd gemachtigd verdere voorwaarden en modaliteiten vast te leggen m.b.t. de storting van de responsabiliseringsbijdrage door de RSZ aan de Fondsen, de bestemming van de opbrengsten die door de RSZ niet kunnen worden overgemaakt aan een Fonds van de sector en de rapporteringsverplichting van de Fondsen.
Art. 136 TITEL 9 Zelfstandigen Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen Dit hoofdstuk beoogt de ontkoppeling van het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering voor zelfstandigen van het bedrag van de moederschapsuitkering van een vrouwelijke zelfstandige naar aanleiding van de beslissing van de regering tot herwaardering van het bedrag van de moederschapsuitkering voor een vrouwelijke zelfstandige, en voorziet een machtiging aan de Koning om het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering aan te passen.
Art. 137 Dit artikel brengt verschillende wijzigingen aan in artikel 18bis, $ 5, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Vanaf 1 januari 2022 wordt de vaderschaps- en geboorte-uitkering voor zelfstandigen niet langer gekoppeld aan het bedrag van de moederschapsuitkering van een vrouwelijke zelfstandige. Het huidige dagbedrag van de financiële uitkering (85,77 euro) wordt nominaal ingeschreven, en gekoppeld aan de spilindex 109,34 (basis 2013 = 100). Bovendien wordt ook een machtiging aan de Koning voorzien om het bedrag van de vaderschaps- en geboorte uitkering aan te passen.
Art. 138 dit hoofdstuk, namelijk 1 januari 2022. De eerste minister, Alexander DE CROO De minister van Werk, Pierre-Yves DERMAGNE De minister van Mobiliteit, Georges GILKINET De minister van Financiën, Vincent VAN PETEGHEM ‘De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Frank VANDENBROUCKE De minister van Zelfstandigen, David CLARINVAL De minister van Pensioenen, Karine LALIEUX De minister van Energie, Tinne VAN DER STRAETEN VOORONTWERP VAN WET ‘onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van programmawet TITEL | - ALGEMENE BEPALING Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet
TITEL
2 - FINANCIËN
Hoofdstuk 1
- Inkomstenbelastingen ‘Afdeling 1 - Hervorming fiscale voordelen sportbeoefenaars en sportclubs Onderafdeling 1 - Hervorming van de bearijfsvoorheffing Art. 2.
Artikel 275 van het Wetboek van inkomstingenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, wordt vervangen als volgt: “Art. 275. De werkgevers die de in dit artikel bedoelde bezoldigingen uitbetalen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrjfsvoorheffing dat wordt gevormd door het in het vierde lid bedoelde bedrag aan opleidingssteun en het in het ‘zevende lid bedoelde bedrag aan explotatiesteun, waarvan de som niet hoger kan zijn dan 80 pct. van de bedrifsvoorheifing die op deze bezoldigingen word ingehouden, in de Schatkist te storten op voorwaarde dat de genoemde voorheffing vol ledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. De in het eerste lid bedoelde bezoldigingen zijn ofwet: -de in artikel 30, 1° bedoelde bezoldigingen die door een in artikel 270, eerste lid, 1°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfs voorheffing wordt betaald of toegekend aan sportbeoefenaars; -de in artikel 23, eerste lid, 2°,c, bedoelde bezoldigingen die door een in artikel 270, eerste id, 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing wordt betaald of toegekend aan sportbeoefenaars. De in het eerste li bedoelde bezoldigingen komen enkel in aanmerking in de mate dat gedurende de periode waarop de vrijsteling betrekking heeft, de sportbeoefenaars aan wie deze bezoldigingen werden betaald of toegekend sportprestaties, hebben geleverd voor de in het eerste lid bedoelde werkgever. Het in dt artikel bedoelde bedrag aan opleidingssteun kan per werkgever en per kalenderjaar niet hoger zijn dan 2 milJoen euro, en moet voor ten minste 167 pct. van dat bedrag uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de in het eerste lid bedoelde bezoldigingen worden betaald of toegekend, worden besteed aan kosten die betrekking hebben op de opleiding van jonge sportbeoefenaars die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 Januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid bedoelde bezoldigingen worden betaald of toegekend en die in België hun woonplaats hebben. De in het vierde lid bedoelde kosten die betrekking hebben op de opleiding van jonge sportbeoefenaars omvatten: - de bezoldigingen van personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars, In hun sportbeoefening, in de mate dat deze personen en deze jonge sportbeoefenaars aan de opleiding deelnemen; - de bezoldigingen van de jonge sportbeoefenaars, die reeds gedurende ten minste vier jaar bij dezelfde werkgever aan de opleiding hebben deelgenomen, tot maximum het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel 2, 5 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeldsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en de ermee verband houdende kosten bedoeld in artikel 52, 3°, en in de mate dat deze jonge sportbeoefenaars aan de opleiding deelnemers; - rechtstreeks met de opleiding verband houdende operationele kosten van opleiders en jonge sportbeoefenaars, zoals reiskosten, accommodatiekosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met de opleiding verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor de opleiding worden gebruikt Indien de werkgever een middelgrote onderneming is, wordt het in het vierde lid bedoelde percentage teruggebracht tot 143 pct. Het in dit artikel bedoelde bedrag aan exploitatiesteun kan per werkgever en per kalenderjaar niet hoger zijn dan 2 miljoen euro, en moet voor ten minste 125 pct. van dat bedrag uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de in het eerste lid bedoelde bezoldiging wordt betaald of toegekend, worden besteed aan exploitatiekosten die betrekking hebben op de in dit artikel bedoelde sportinfrastructuur, die door de werkgever ter beschikking wordt gesteld aan de in dit artikel bedoelde sportbeoefenaars bij de beoefening van één of meerdere sporten. De in het zevende lid bedoelde exploitatiekosten zijn kosten die niet verschuldigd zijn aan een verbonden vennootschap en omvatten kosten die door de werkgever of een ermee verbonden vennootschap worden gedragen en die rechtstreeks verband houden met de exploitatie van de In dit artikel bedoelde sportinfrastructuur zoals afschrijvingskosten, financieringskosten, personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur of administratie. De Koning kan de in aanmerking komende exploitatiekosten nader omschrijven. De in het achtste lid bedoelde afschrijvingskosten en financieringskosten kunnen enkel worden aangemerkt als exploitatiekosten die in het zevende id wordt bedoeld, na vermindering van deze kosten met de in het resultaat opgenomen subsidies, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, door een een bocss 2349/001 lokale of regionale overheid werden verstrekt voor de bouw, uitbreiding, renovatie of vernieuwing van de sportinfrastructuur. Bezoldigingen van sportbeoefenaars, bezoldigingen van personen belast met de opleiding, training, begeleiding of ondersteuning van sportbeoefenaars, reiskosten, verblijfs kosten en kosten voor materiaal en benodigdheden die niet ter beschikking van alle gebruikers van de sportinfrastructuur worden gesteld, worden niet aangemerkt als exploitatiekosten die in het zevende lid worden bedoeld. Voor de toepassing van dit artikel moet onder sportinfrastructuur een geheel van één of meerdere in België gelegen onroerende goederen worden begrepen die zowel bestemd als geschikt zijn voor de beoefening van één of meerdere sporten. De in dit artikel bedoelde sportinfrastructuur komt enkel in ‘aanmerking indien de werkgever aantoont dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: - het gebruik van de sportnfrastructuur door andere sportbeoefenaars dan deze die door de werkgever worden bezoldigd, is jaarlijks goed voor ten minste 20 pct. van de tjdscapaciteit; - het gebruik van de sportinfrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend, waarbij de tarieven voor het gebruik ervan publiek beschikbaar worden gesteld: ondernemingen die ten minste 30 pct. van de investeringskosten van de in‘rastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. Bij het verstrijken van de in het vierde en zevende lid bedoelde termijn, moeten de in het vierde id bedoelde oplei dïngssteun en de in het zevende id bedoelde exploitatiesteun die niet overeenkomstig deze leden worden besteed in de Schatkist worden gestort, verhoogd met nalatigheids-interesten berekend overeenkomstig artikel 414, ‘Om de in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever het bewijs bezorgen aan de Federale Overheidsdienst Financiën dat de sportbeoefenaar in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden tijdens de hele periode waarop de vrijstelling betrekking heeft en dat de in het vierde en zevende lid bedoelde bedragen werkelijk respectie velijk overeenkomstig het vierde tot zesde id en zevende tot twaalfde lid werden besteed. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.” Art. 3.
Artikel 95, tweede lid, van het KB/WIB 92, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt opgeheven. Onderafdeling 2 - Harmonisatie van het begrip “jonge sportbeoefenaar” Art. 4. In artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 4° in de bepaling onder 12), eerste streepje, worden de woorden E26 jaarf! vervangen door de woorden 223 jaar 2° in de bepaling onder 4°), worden de woorden R26 jaar! vervangen door de woorden E23 jaar. Onderafdeling 3 - Beperking van de sportmakelaarsvergoedingen Art. 5.
Artikel 198, 5 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, wordt aangevuld met een bepaling onder 17°, luidende: “17° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niettoevallge vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale, brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeldsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om: a) hetzij een sportbeoefenaar bijte staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hemieuwen of het beêindigen van een arbeidsovereenkomst bij een sportclub; b) hetzij een in artikel 270, 1° of 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing bijte staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een, sportbeoefenaar; ©) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen.
Art. 6. In artikel 207, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden, de woorden “artikel 198, 5 1, 9, 9°bis en 12° vervangen door de woorden “artikel 198, $ 1, 9°, 9°bis, 12° en 17°.
Art. 7.
Artikel 223, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijke besluit van 20 december 1996 en, laatstelijk gewijzigd bij de wet van XX houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, wordt aangevuld met een bepaling onder 8”, luidende: “8° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere van de bedrijfsvoorheffing bi te staan in onderhandelingen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen” Art. 8. In artikel 225, tweede id, 5°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018 en gedeeltelijk vernietigd door het arrest nr. 11/2020 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ” de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard Ingevoegd tussen de woorden “op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard en de woorden “en op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragenE.
Art. 9.
Artikel 234, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ‘een bepaling onder 10°, luidende: “10” in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, op de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevalig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om: hernieuwen of het beëindigen van een arbeldsovereenkomst b) hetzij een in artikel 270, 1° en 3°, bedoelde schuldenaar wel definitieve transter van een sportbeoefenaar te regelen.
Art. 10, In artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van XX houdende fiscale en soclale vergroening van de mobiliteit, worden de woorden “en de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten;” vervangen door de woorden” de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten en de in artikel 234, eerste lid, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard”. 'Sous-section 4 - Wijzigingen aan de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars Art. 11, In artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 24 december 2020, worden de woorden “zoals en voor zover het krachtens artikel 110, tweede en derde lid, van de programmawet van XX december 2021 van kracht blijft” ingevoegd ussen de woorden “in artikel 27, $ 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake Sociale Zekerheid," en de woorden “vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar” Onderafdeling 5 - Inwerkingtredding ‘Art. 12, Deze afdeling is van toepassing vanaf 1 januari 2022 De artkelen 2 en 3 zijn van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden betaald of toegekend. In afwijking van het eerste id blijft voor de sportbeoefenaars die op 1 januari 2022 de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 26 jaar arikel 171, 1° ien 4°j), WIB 92. van toepassing zoals het bestond vooraleer het door artikel 4 werd gewijzigd Afdeling 2 - Regeling houdende invoering van een ‘bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers Art. 13. In tel I, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling 1, onderdeel F, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 32/1 ingevoegd, luidende: “Art. 32/1, 1. In hoofde van ingekomen belastingplichtigen die in artikel 30, 1° of 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werke gever of de vennootschap beschouwd als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “kosten eigen aan de werkgever! verstaan, in het geval van een werknemer, de eigen kosten van de werkgever en, in het geval van een, bedrijfsleider, de eigen kosten van de vennootschap waarbinnen een mandaat of soortgelijke functies worden uitgeoefend. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “bedrijfsleider een natuurlijke persoon verstaan, die een mandaat of soort gelijke functies zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent, uitgezonderd een natuurlijke persoon die een dergelijk mandaat of functie uitoefent in de eigen vennootschap waarvan hij oprichter of medeoprichter is. 8 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “ingekomen belastingplichtige”, verstaan: 1° de werknemer of bedrijfsleider die rechtstreeks wordt aangeworven in het buitenland door een binnenlandse vennootschap die een dochtervenootschap is van een buitenlandse vennootschap of die deel uitmaakt van een multinationale groep, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, met het doel er een in België belastbare bezoldigde activiteit uitte oefenen; 2° de werknemer of bedrijfsleider die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep terbeschikking wordt gesteld van één of meer binnenlandse vennootschappen, van één of meer Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoort, of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een bezoldigde actwiteit in België uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘multinationale. groep”, elke groep verstaan die twee of meer ondernemingen ‘omvat die inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen Is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend. 3. De volgende voorwaarden dienen bovendien cumulatief te worden vervuld in hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige: 1° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indïensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een afstand van 150 kilometer van de grens, noch onderworpen zijn geweest aan de belasting van niet-inwoners voor beroepsinkomsten in België; 2° van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap, een bezoldiging ontvangen voor de in België geleverde prestaties die meer bedraagt dan 75.000 euro per kalenderjaar; 3 net akkoord verkrijgen van de administratie in het kader van de in paragraaf 8 voorziene procedure. De in het eerste lid, 2°, bedoelde bezoldiging omvat de brutobezoidiging, vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen en vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in paragraaf 5, bedoelde terugkerende uitgaven. Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het Jaar waarin dît stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het eerste lid, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat aar heeft bestaan, onverminderd de andere bepalingen in dit artikel. In net geval dat de ingekomen werknemer zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn loon niet wordt doorbetaald, wordt het in het eerste id, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen waarop de ingekomen werknemer zijn beroepswerkzaamheid wel kon uitoefenen. Onverminderd de toepassing van paragraaf 4, wordt het voldoen aan de in het eerste id, 2°, bedoelde voorwaarde beoordeeld op het moment van de indiening van de in paragraaf 8 bedoelde aanvraag. De Koning kan het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de algevlakte gezondheidsindex zoals bedoeld in arikel 2, $ 2, van het koninklijk besluit van, 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring vans lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Hiertoe wordt hetin het eerste id, 2°, vermelde bedrag vermenigvuldigd met het cer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het nieuwe bedrag voor het eerst van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de aigevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2020 (107,85). Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdtal naargelang het cijfer van de tientallen al dan niet 5 bereik ‘Ten laatste op 31 januari van elk kalenderjaar deelt de werkgever of de vennootschap een nominatieve lijst van de werknemers en bedrijsleiders, die in de loop van het voorafgaande jaar dt stelsel genoten, mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan 8 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 of paragraal 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel bedindigd. 8 5. Het en laste nemen, bovenop de bezoldiging, door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, helzi onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de detachering of de tewerksteling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de in paragraaf 3, tweede lid, omschreven bezoldiging: Het in het vorige id bedoelde bedrag dat als kosten eigen, aan de werkgever wordt aanvaard, is beperkt tot 90.000 euro per jaar. De Koning kan het in het weede id vermelde bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 overeenkomstig de regels vastgelegd in paragraaf 3, zesde lid '$ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van Kosten eigen aan de werkgever, de kosten die door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de, vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: 1° de kosten die voortvloeien uit de verhuis van de ingekomen belastingplchtige naar België; 2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België gedaan in de eerste zes maanden na ‘aankomst in België; 3° net schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de leerplichtige leeftijd hebben en als dusdanig kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs volgen in België in een privéschool of een internationale school De in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen belastingplichtige zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen belastingplichtige. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen belastingplichtige, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd. De in het eerste lid, 2°, bedoelde kosten, omvatten enkel de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van materiaal dat bestemd is om in de woning in België te blijven of voor de aankoop van huishoudtoestellen volgens de geldende normen in België. De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde kosten eigen aan de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot de prijs van één maand huur Het komt aan de belastingplichtige toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken of, indien dit niet mogelij is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. 87. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de belastingplichtige in België, met een maximum van 5 jaar. Indien het verblijf van belastingplichtige in België de in het eerste lid vermelde duur overschijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 verlengd met 3 jaar voor zover dat: 1e de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen; en dat 2° de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde drempel wordt bereikt. 8 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel voorziene stelsel, moet de werkgever of de vennootschap via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden Ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning, bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. De in paragraaf 7 bedoelde aanvraag tot verlenging van het stelsel wordt via elektronische weg gedaan door de werkgever bij de door de administrateur-generaal van de Algemene ‘Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst uiterlijk 3 maanden na het verstijken van de eerste termijn van 5 jaar. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de, aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt. De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van 3 maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of de vennootschap worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van, de administratie In geval van een positief antwoord, is het in di artikel beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen belastingplichtige worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België 8 9. In het geval van een wijziging van werkgever of vennootschap in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever of de nieuwe vennootschap, zoals omschreven in paragraaf 8 In dat geval kan dit stelsel opnieuw worden toegekend aan de ingekomen belastingplichtige voor zover dat: 1° de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2° de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde drempel wordt bereikt; en 3° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van de belastingplichtige niet meer bedraagt dan 5 jaar, in voorkomend geval te verlengen met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België. In netin deze paragraaf bedoelde geval, dient de in paragraaf 3, eerste li, 2°, bedoelde voorwaarde inzake de drempel te worden beoordeeld in verhouding tot de tewerkstelling van, de belastingplichtige bij de respectievelijke werkgevers of de respectievelijke vennootschappen in de loop van het jaar.
Art. 14. In hetzelde onderdeel F, wordt een artikel 32/2 ingevoegd, luidende: “Art. 32/2. $ 4. In hoofde van ingekomen onderzoekers die in arikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het en laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel 8 2. Voor de toepassing van dt artikel wordt onder “ingekomen onderzoeker”, verstaan t° de onderzoeker die rechtstreeks in het buitenland aangeworven werd door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit uitte oefenen; (2 de onderzoeker die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep, voor één of meerdere binnenlandse vennootschappen, ter beschikking wordt gesteld aan één of meerdere Belgische inrichtingen van ‘een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoren of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een in België belastbare bezoldigde activitei uit te oefenen Voor de toepassing van dt artikel wordt onder ‘mulinationale groep” verstaan; elke groep die twee of meer ondernemingen omvat de inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden of die een onderneming omvat die inwoner is van he ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “onderzoe ter”, elke werknemer verstaan die: 1° alleen of in groep, uitsluitend of hoofdzakelijk onderzoeksactivitften verricht met wetenschappelijk, fundamenteel, industrieel of technisch karakter, binnen een laboratorium dat of een onderneming die een of meerdere programma's inzake onderzoek en ontwikkeling voert; en die 2 in het bezit is van een in het vierde id bedoeld diploma of een relevante beroepservaring van minstens 10 jaar kan aantonen. Met een uitsluitende of hoofdzakelijke activiteit wordt in dit geval een tijdsbesteding bedoeld van minstens 80 procent van de werktijd. Het in het derde id, 2°, bedoelde diploma is een diploma van doctor of master in de studiegebieden van de exacte of toegepaste wetenschappen, de burgerlijke ingenieurswetenschappen, de medische wetenschappen, de dierengeneeskunde, de farmaceutische wetenschappen, de architectuur wetenschappen of de landbouwwetenschappen. $ 3. In hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde ingekomen onderzoeker dienen bovendien de onderstaande voorwaarden cumulatief te zijn vervuld: t° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een alstand van 150 kilometer van 2° het akkoord verkrijgen van de administratie in het kader werkgever een nominalieve lijst van de onderzoekers die in de loop van het voorafgaande jaar dit stelsel genoten mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan. '$ 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. $ 5. Het ten laste nemen, naast de bezoldiging, door de werke gever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de detachering of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de bezoldiging. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder “bezoldiging” verstaan, de jaarlijkse brutobezoldiging vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen en de vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in deze paragraaf bedoelde terugkerende uitgaven. Het in het eerste id bedoelde bedrag dat als eigen kosten van de werkgever wordt aanvaard, is beperkt tol 90.000 euro De Koning kan het in het derde lid vermelde bedrag om aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheids Index overeenkomstig de regels vastgelegd in artikel 32/1, $ 3, zesde lid 86. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door de werkterugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken; 1e de kosten die voortvloelen uit de verhuis van de ingekomen onderzoeker naar België; 2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in Belgis; 3° net schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen onderzoeker ol zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de De in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen onderzoeker zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen onderzoeker. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen onderzoeker, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd. De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde eigen kosten van de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot de prijs van één maand huur. Het komt aan de ingekomen onderzoeker toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken of, indien dit niet mogelijk Is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. 87. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de ingekomen onderzoeker In België, met een maximumduur van 5 jaar. Indien het verblijf van de onderzoeker de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 met 3 jaar verlengd, voor zover voldaan blijft ‘aan de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden met betrekking tot de werkgever 8.8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel voorziene stelsel, moet de werkgever via elektronische weg een aan vraag indienen bij de door de administrateur-generaal van de ‘Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. De in paragraaf 7 bedoelde aanvraag tot verlenging van het stelsel wordt via elektronische weg door de werkgever gedaan bi de door de administrateur-generaal van de Algemene ‘Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst ten laatste 3 maanden na het aflopen van de eerste termijn van 5 jaar. In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aan vraag moet een door de betrokken onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt. De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De onderzoeker en de werkgever worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie. In geval van een positief antwoord, is het in dit artikel bede ingekomen onderzoeker worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België. $ 9. In het geval van een wijziging van werkgever in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe ‘aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever, zoals omschreven in paragraaf 8. In dat geval kan de regeling opnieuw toegekend worden ‘aan de onderzoeker voor zover: 1° aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden met betrekking tot de werkgever voldaan blijft; en 2° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van belastingplichtige niet meer bedraagt dan 5 jaar, in voorkomend geval verlengd met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België.ë.
Art. 15, In titel V, hoofdstuk Il, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 240ter ingevoegd, luidende: “Art. 240ter. Indien een in artikel 32/1, $ 2, bedoelde ingekomen belastingplichtige moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/1 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen belastingplichtigen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de scale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest ter beschikking houdt van de Belgische belastingadministratie, waarin wordt bevestigd dat hi in die Staat als fiscaal inwoner onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Een dergelijk attest moet ook gevoegd worden bij de in artikel 32/1, 8 8, bedoelde aanvraag. In dit geval zijn de in artikel 32/1, 5 3, eerste lid, 2°, bedoelde bezoldigingen, de soortgelijke bezoldigingen die effectief aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen.&. ‘Art. 16. In dezelfde afdeling Il, wordt een artikel 240guater “Art. 240quater. Indien een in artikel 32/2, 5 2, bedoelde Ingekomen onderzoeker moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/2 ‘omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen onderzoekers afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de fiscale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest attest moet ook worden gevoegd bij de in artikel 32/2, 8 8, In da geval zin dein artikel 32/2, $ 5, tweede lid, bedoelde de belasting van niet-inwoners worden onderworpen &.
Art. 17. De artikelen 13 tot 16 treden in werking op 1 januari 2022 en zijn van toepassing op de in aanmerking komende inkomende belastingplichtigen en inkomende onderzoekers die in dienst treden in België vanaf 1 januari 2022.
Art. 18. $ 1. De belastingplichtigen die zich op 1 januari 2022, sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 32/1, $ 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mogen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen zoals geregeld in het voormelde artikel 32/1, voor zover de voorwaarden voorzien in paragraaf 3, eerste lid, van datzelfde arikel vervuld zijn vanaf een eerste alfectatie in België. In dat geval zijn de in de paragrafen 5 en 6 van het vaormelde arikel 32/1 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de overige duur van de in paragraaf 7 van datzelfde artikel voorziene periode, te rekenen vanaf de eerste aflectatie in België 82. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uitte oefenen, moet de werkgever of de vennootschap uiterlijk op 30 juni 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene ‘Administratie van de Fiscaliteit aangewezen dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld! Bij de in net eerste id bedoelde aanvraag dient een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest te worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt De administratie spreekt zich ui binnen een termijn van 3 De belastingplichtige en de werkgever of vennootschap zullen schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de beslissing van de administratie, In het geval van een posilef antwoord, zal het in voormelde artikel 32/1 voorziene stelsel van toepassing zijn op de bezoidigingen die vanaf 1 januari 2022 worden verkregen door de ingekomen belastingplichtige. ‘Art. 19. De onderzoekers die zich op 1 januari 2022 sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 2/2, 5 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers zoals geregeld in het voormelde arikel 32/2, voor zover de in paragraaf 3, eerste id, van datzelfde artikel voorziene voorwaarden, vervuld zijn vanal de eerste aflectatie in België. melde artikel 32/2 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de resterende duur van de in paragraaf 7 eerste affectatie in België. $ 2. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uit te oefenen moet de werkgever uiterlijk op 30 juni 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, aangeduide dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. Bij de In het eerste lid bedoelde aanvraag dient een door de onderzoeker ondertekend attest te worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt. maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De onderzoeker en de werkgever worden schriftelijk ter kennis, gebracht van de beslissing van de administratie, In het geval van een positief antwoord, wordt het stelsel voorzien in het voormelde artikel 32/2 toegepast op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 door de ingekomen ‘onderzoeker worden verkregen. ‘Afdeling 3 - Hervorming zorgvastgoed GVV's Art. 20. In artikel 171, 3°quater, van hetzelide Wetboek, hersteld bj de wet van 18 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “tenminste 60 pct. van het vastgoed” vervangen door de woorden “tenminste 80 pct. van het vastgoed”; 2° tussen het tweede lid en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “De vaststeling van het in het eerste lid bedoelde percentage gebeurt aan de hand van de waarden van de waarderingen en actualiseringen in de zin van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014. betreffende gereglementeerde vastgoedvennootschappen op de verschillende referentietjdstippen die betrekking hebben op onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hooldzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn op te tellen en te delen door de totale waarde van deze waarderingen en actualiseringen op de verschilende referentietijdstippen”.
Art. 21. In artikel 269, S 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 18 december 2016, worden de volgende 4° in het eerste lid worden de woorden “in zoverre tenminste 60 pct. van het vastgoed vervangen door de woorden “in zoverre tenminste 80 pct. van het vastgoed; 2° wssen het tweede lid en het derde lid, dat het vierde lid schap overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014 de verschillende referentietijdstippen die betrekking hebben Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzawooneenheden aangewend worden of bestemd zijn op te telen, actualiseringen op de verschillende referentietijdstippen ” ‘Art. 22. Deze afdeling is van toepassing op de vanaf 1 januari 2022 betaalde of toegekende inkomsten ‘Afdeling 4 - Wijziging van de behandeling minnelijke schikking en regularisatieheffingen Art. 23. In artikel 53, 6°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “alsook verhogingen van sociale bijdragen” vervangen door de woorden ‘verhogingen van sociale bijdragen, fiscale of sociale regularisatieheffingen, alsook de geldsommen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering” ‘Afdeling 5 - Belastingvermindering kinderoppas Art. 24. In artikel 145%, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd door de programmawet van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 4° in het zesde lid wordt het bedrag “8,20 euro” vervangen door het bedrag “8,40 euro”; 2° net elfde lid wordt opgeheven.
Art. 25.
Artikel 24 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is, van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. ‘Afdeling 6 - Vrijstelling van de door een gewest of de Duitstalige gemeenschap toegekende premie en opleidingsinkomen voor knelpuntberoepen Art. 26, In artikel 38, 5 1, eerste lid, 34°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bi de wet van 23 maart 2019, worden de woorden “maximum 220 euro” vervangen door de woorden “maximum 420 euro.
Art. 27.
Artikel 26 treedt in werking de dag waarop deze van toepassing vanaf aanslagjaar 2023. ‘Afdeling 7 - Wijzigingen op het stuk van de belastingverminderingen voor werkloosheidsuitkeringen Art. 28. In artikel 147 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 4° in het eerste lid, 7°, wordt het bedrag “1148,93 EUR” vervangen door de woorden “een basisvermindering van 1.148,93 EUR en een aanvullende vermindering van 236,38 EUR”; 2° in het eerste lid, 8°, worden de woorden “het in 7° bedoelde bedrag” vervangen door de woorden “de in 7° bedoelde bedragen”; 3° in het vierde lid worden de volgende wijzigingen a) tussen de woorden “op pensioenen en andere vervangingsinkomsten” en de woorden “na toepassing van” worden, de woorden “of op werkloosheidsuitkeringen” ingevoegd; b) ussen de woorden ‘uit pensioenen en andere vervangingsinkomsten” en de woorden “, verhoogt de Koning” worden. de woorden “of uit werkloosheidsuitkeringen” ingevoegd: ©) de woorden “het in het eerste lid, 1°, vermelde bedrag” worden vervangen door de woorden “de in het eerste id, 1° en 7°, vermelde bedragen”, d) de woorden “Dit verhoogde bedrag is” worden vervangen door de woorden “Deze verhoogde bedragen zijn” Art. 29. In artikel 151/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019, worden de woorden “en voor werkloosheidsuitkeringen” ingevoegd tussen de woorden “pensioenen en andere vervangingsinkomsten” en de woorden, “worden niet verleend!” Art. 30.
Artikel 154 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 maart 2019, wordt opgeheven.
Art. 31. In artikel 174/1 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de programmawet van 25 december 2017 en gewijzigd bij de wetten van 26 maart 2018 en 23 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “151 tot 152, 154,” vervangen door de woorden “151 tot 152,” en worden de woorden “evenals het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuikering” opgeheven; 2° in het vierde id worden de woorden “en het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering” opgeheven.
Art. 32. In artikel 178, 5 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek, Ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020, worden de woorden “In de artikelen 147, 151 tot 152 en 154” vervangen door de woorden “in de artikelen 147 en 151 tot 152.
Art. 33. Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2023. ‘Afdeling & - Boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups & scale-ups Art. 34. In artikel 145%, 5 3, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bi de wet van 18 december 2016, worden de woorden “meer dan 250.000 euroë vervangen door de woorden “meer dan 500.000 euro.
Art. 35. In artikel 1452, 5 2, eerste id, 13°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “meer dan 500.000 eurof vervangen door de woorden “meer dan 1.000.000 euroë. ‘Art. 36. De artikelen 34 en 35 zijn van toepassing op de betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap die werden gedaan vanaf 1 januari 2021 ‘Afdeling 9 - Verhoging van het aantal fiscaal voordelige ‘overuren met overwerktoeslag in de bouwsector ‘Art. 37. Arlikel 154bis, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt als volgt vervangen: “Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot: - 220 uren voor de werknemers tewerkgesteld bj werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werk nemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheldsregistratiesysteem; -280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bj werkgevers dïe hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of ‘s nachts te werken op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werk‘aanwezigheidsregistratie-systeem.”.
Art. 38.
Artikel 275', achtste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt vervangen als volgt: “Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren - 220 uren voor de werkgevers die werken in onroerende staat verichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betref fende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheldsregistratiesysteem; -280 uren voor de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 belreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem”. ‘Art. 38. De inwerkingtreding van deze afdeling wordt door de Koning bepaald op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie en is van toepassing op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd.
Hoofdstuk 2
- Belasting over toegevoegde waarde de vrijstellingsregeling van de belasting Art. 40. Artikel S6bis, 5 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende: “6° de handelingen bedoeld in artikel 44, 3, 2°, a), derde streepje, met uitzondering van degene die worden verricht door een natuurlijke persoon onder de voorwaarden van artikel 50, 5 4. ‘Art. 41. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022. In afwijking van het eerste id is de vereiste van de erkenning van het platform bedoeld in artikel 50, $ 4, van hetzelfde Wetboek niet van toepassing tot 30 juni 2022 voor de toepassing van de door die bepaling voorziene regeling in het kader van de toepassing van arikel 56bis, 5 3,6”, van hetzelfde Wetboek.
Hoofdstuk 3
- Accijnzen ‘Afdeling 1 Professionele diesel: Vermindering terugbetaling accijnzen Art. 42, In artikel 429, 5 5, 1), van de programmawet van 27 december 2004, laatst gewijzigd bij de programmawet van, 1 ui 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de eerste zin wordt vervangen als volgt: <1) De gasolie bedoeld in artikel 419,1), ì), Kan genieten van een vrijsteling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag van 226,9716 euro per 1.000 iter bij 15°C. 2° de tweede zin wordt geschrapt ‘Afdeling 2 - Energie: hervorming accijnzen Art. 43. In artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, wordt punt) ii) vervangen als volgt: “ii) gebruikt als verwarmingsbrandstof: De accijnzen worden berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. 1. zakelijk gebruik: a. bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst" afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van, het Vlaams Gewest, een "accord de branche” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 1, voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh: accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde); - bijzondere accijns: 0,66 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde); - bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste ï voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh: - bijzondere accijns: 0,56 euro per MWh (bovenste im, voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh: - bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste Iv. voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 Mw: ist - bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MW: accijns: 0 euro per MW (bovenste verbrandingswaarde); - bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste vi voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh: - bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste b. andere bedrijven 1 voor de schijf van 0 tot 20.000 MW: -bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MWh (bovenste ï voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MW: ii, voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh: v. voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh: vi, voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh: c. niet-zakelijk gebruik: 1 voor de schijf van 0 tot 20.000 MWn: - bijzondere accijns: 0,46 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,44 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,34 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,18 euro per MWh (bovenste - bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MW (bovenste verbrandingswaarde)” Art. 44. In artikel 419 van de programmawet van 27 de25 december 2017, wordt punt K) vervangen als volgt: “k) elektriciteit van de GN-code 2716: a. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport: of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 KV, met inbegrip van een eindgebruiker die geïdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijk gestelde afnemer: 1 voor de schijf van 0 tot 20 MW accijns: 0 euro per MWhs; -bijzondere accijns: 14,21 euro per MWH; -bijdrage op de energie: 0 euro per MW; i voor de schijf van 20 tot 50 MW - bijzondere accijns: 12,09 euro per MW: ivoor de schijf van 50 tot 1.000 MW -bijzondere accijns: 11,39 euro per MW; Iv. voor de schijf van 1.000 tot 25.000 MWn: - bijzondere accijns: 10,69 euro per MW: v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MW: -bijzondere accijns: 2,73 euro per MW; vi voor de schijf vanaf 10000 MW: -bijzondere accijns: 0,50 euro per MW; b. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV. - bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh; 2. Nietzakeljk gebruik - bijzondere accijns: 13,60 euro per MW: -bijzondere accijns: 11,58 euro per MW; accijns: 0 euro per MWh; -bijzondere accijns: 10,90 euro per MWh Iv. voor de schijf van 1.000 tot 25.000 MwWh: - bijzondere accijns: 10,23 euro per MWh v. voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MwWh: -bijzondere accijns: 2,40 euro per MWh: vi. voor de schijf vanaf 100.000 MW - bijzondere accijns: 1,00 euro per MW; -bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh.* Art. 45. In artikel 424 van de programmawet van 27 december 2004, word een $ 5 ingevoegd, luidende: “8 5. Voor de toepassing van artikel 419, i, en K), is de Koning gemachtigd om de methodologie vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis”.
Art. 46.
Artikel 429, $ 2,i) van de programmawet van 27 december 2004 wordt aangevuld als volgt “De vrijstelling voor aardgas en elektriciteit is beperkt tot de bijdrage op de energie”. Afdeling 3- Inwerkingtreding ‘Art. 47. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 4
- Instelling van een wettelijk kader voor overleg en samenwerking tussen het Openbaar Ministerie, de federale gerechtelijke politie en de fiscale administratie mogelijk te maken ter bestrijding van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerde en ter ondersteuning van de werkzaamheden van de MOTEM's (multidisciplinaire onderzoeksteams) ‘Afdeling 1 - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 48. In hoofdstuk Il van titel VI van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een afdeling VII Ingevoegd, luidende “Afdeling VII De toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke poîtie, hulpoficier van de procureur des Konings”. ‘Art. 49, In afdeling VIll van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 50, wordt een artikel 338quater ingevoegd, luidende: “Art. 338quater. $ 1. Bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de proeureur des Konings, vijlentwintig ambtenaren met minstens, de graad van attaché. Het aantal van vijfentwintig ambtenaren kan door de Koning worden verhoogd na advies van het College van Procureurs-generaal De Koning kan voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze fiscale ambtenaren bepalen. $ 2. De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpoficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in $ 1 bedoelde ambtenaren, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek of de tot uitvoering ervan genomen besluiten en in het artikel 505 van het Strafwetboek, maximaal georiënteerd op de bestrijding van de georganiseerde criminaleit, en voor zover zij bijstand verlenen aan multidisciplinaire, onderzoeksteams, opgericht op basis van het artikel 105, $ 11 van de wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. $ 3. De ambtenaren bedoeld in $ 1 kunnen evenwel geen bijstand verlenen aan een gemend muitidisciplinair onderzoeksteam voor zover zij betrokken zijn in een lopend administratief onderzoek waarop het onderzoek zoals bedoeld in 8 2 betrekking heeft '$ 4. Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de ambtenaren bedoeld in $ 1, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed afin de volgende bewoordingen: “Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen.” Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen”. ‘Art. 50. In artikel 340 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2011, wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd luidende: “Onverminderd de toepassing van artikel 327, 5 1, tweede lid, kunnen de bewijselementen die door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zoals bedoeld in artikel 338quater, $ 1, worden verzameld tijdens hun medewerking aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam zoals bedoeld in artikel 338quater, 5 2, worden gebruikt ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststeling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten”. ‘Art. 51.
Artikel 463 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juni 2020, wordt aangevuld met een li, luidende: “Het eerste id is niet van toepassing op de ambtenaren zoals bedoeld in artikel 338quater, 5 1, die bijstand leveren aan de gemengde mulidisciplinae onderzoeksteams bedoeld in artikel 238quater, $ 2. ‘Afdeling 2 - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ‘Art. 52. In hoofdstuk X van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt een artikel 63ter ingevoegd, luidende: “Art. Gâter.$ 1. Bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpoficier van de procureur des Konings, vijfentwintig ambtenaren met minstens de graad van attaché De Koning kan de voorwaarden betreffende de ervaring en, de opleiding van deze fiscale ambtenaren bepalen 8 2. De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, en hulpoffcier van de procureur des Konings, toegekend aan de in $ 1 bedoelde ambtenaren, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek of de tot uivoering ervan genomen besluiten en in het artikel 505 van het Strafwetboek, maximaal georiënteerd op de bestrijding van de de georga niseerd criminaliteit, en voor zover zij bijstand verlenen aan, gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams, opgericht op basis van het artikel 105, 5 11 van de wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde poitiedienst, gestructreerd op twee niveaus. bijstand verlenen aan een gemengd mulidisciplinair onderzoeksteam voor zover zi betrokken zijn in een lopend admi$ 2 betrekking heett 8 4. Om nun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpoffiier van de procureur des Konings, te kunnen, woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen” Art. 53. In artikel 59, $ 1, van hetzellde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, wordt tussen het eerste en het tweede lid, ingevoegd luidende “Onverminderd de toepassing van artikel 98quaterdecies, 1, derde lid, kunnen de bewijselementen die door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zoals bedoeld in artikel 63ter,$ 1, worden verzameld tijdens hun medewerking aan een gemengd multidisciplinaire onderzoeksteam zoals bedoeld in artikel 63ter, $ 2, gestructureerd op twee niveaus, worden gebruik! ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten”.
Art. 54.
Artikel 7äbis van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wetten van 27 juni 2016 en 11 juni 2020, wordt aangevuld met een id, luidende: zoals bedoeld in artikel 63ter, 1, di bijstand leveren aan de gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams zoals bedoeld in artikel 63ter, $ 2 TITEL 3 - WERK
Hoofdstuk 1
- Bepalingen tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor het jaar 2022 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de Jaarlijkse vakantie van de arbeiders Art. 55. Een toelage die in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid is opgenomen, wordt aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie toegekend voor het jaar 2022 ter compensatie van de kost van de geliksteling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders. Het bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 107.120.028 euro.
Art. 56. Het in artikel 55 bedoelde bedrag wordt uiterlijk op 30 april 2022 aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald ‘Art. 57. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 2
- Compensatie van de werkgeverskost van, de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus voor de jaarlijkse vakantie voor de bedienden Art. 58. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers die in het eerste of tweede kwartaal 2021 werknemers tewerkstellen bedoeld in titel Il van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaïteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers Art. 59, 5 1. Tijdens het tweede kwartaal 2022 heeft iedere werkgever bedoeld in artikel 58 recht op een compensatie ten bedrage van een percentage van een globaal bedrag van 46-146.551 euro ter compensatie van de kast van de gelijsteling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakanlie van de bedienden. Dit percentage wordt berekend op basis van de gelijkgestelde dagen van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19 die zijn aangegeven in de multfunctionele kwarlaalaangifte bedoeld in arikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreflende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van het eerste en tweede kwartaal 2021 voor de werknemers bedoeld in artikel 58; Deze compensatie wordt berekend en toegekend door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Hiertoe wordt een prestatiebreuk berekend per tewerksteling in de multfunctionele kwartaalaangifte en, in voorkomend geval, worden de verschillende prestatiebreuken opgeteld tot een globale prestatiebreuk van de werknemer. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder tewerk steling verstaan: de tewerksteling bedoeld in artikel 2, 12, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het
Hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002, betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de De prestatiebreuk wordt als volgt berekend: t° voor de tewerkstelling die in de multiunctionele kwartaalaangifte uitsluitend in dagen wordt aangegeven: X! (13 x D), waarbi X= het aantal dagen in de multlunctionele kwarlaalaangite aangegeven onder de code voor gelijkgestelde prestaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19; D= het aantal dagen per week van het arbeidssteisel; 2° voor de tewerksteling die in de multifunctionele kwartaalaangifte in dagen en uren wordt aangegeven: Z/ (13 x U), waarbij Zet aantal uren in de mulifunctionele kwartaalaangite U = net gemiddeld aantal uren per week van de referentiewerknemer. De prestaiebreuk wordt per tewerksteling afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven word afgerond. De globale prestatiebreuk van een werknemer in de multi functionele kwartaalaangite is hoogstens gelijk aan 1. In geval van overschrijding wordt het resultaat tot 1 herleid $ 2. Voor de toekenning van de compensatie aan iedere werkgever wordt een gemiddeld percentage berekend op basis van de globale prestatiebreuken van zijn werknemers in het eerste en tweede kwartaal 2021. Dit gemiddeld percentage wordt afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven word afgerond De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage kleiner is dan 41 ontvangen geen compensatie De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage groter dan of gelijk is aan 41 en kleiner is dan 51 ontvangen een compensatie van 40 °%. dan of gelijk is aan 51 en kleiner is dan 61 ontvangen een compensatie van 50 % dan of gelijk is dan 61 en kleiner is dan 71 ontvangen een compensatie van 60 °%. dan of gelijk is dan 71 en kleiner is dan 81 ontvangen een compensatie van 70 % dan of gelijk is dan 81 en kleiner is dan 91 ontvangen een compensatie van 80 °%. dan of gelijk is dan 91 ontvangen een compensatie van 95 %. $ 3. De compensatie (C) van iedere werkgever wordt berekend als volgt: C=(A/T)" E, waarbij A = per werkgever het resultaat van het compensatiepercentage zoals bepaald in paragraaf 2 vermenigvuldigd met de som van de globale prestatiebreuken bepaald in paragraaf 1, samengeteld voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2021. Dit resultaat wordt afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond: T = de som van alle resultaten (A) van alle werkgevers bedoeld in artikel 34; E = het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid 8 4. Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1, brengt de. Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de loegekende compensatie in mindering van de aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen voor het tweede kwartaal van 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste schulden overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of naar de volgende kwartalen zolang bijdragen verschuldigd zijn, of om terugbetaling verzoeken ‘Art. 60. De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan het bedrag bedoeld in artikel 59, 5 1, eerste lid, aanpassen in unctie van een herevaluatie van de globale enveloppe in het kader van de evolutie van de socio-economische crisis.
Art. 61. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 3
- Compensatie van de werkgeverskost van de tijdelijke werkloosheid voor de bedienden in het kader van overmacht wegens overstromingen voor de Jaarlijkse vakantie
Art. 63. 5 1. Tijdens het tweede kwartaal 2022 heeft de werkgever bedoeld in artikel 62 recht op een compensatie ten bedrage van een gedeelte van een globaal bedrag van maximaal 703.420 euro ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht omwille van overstromingen voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de bedienden. tidelijke werkloosheid omwile van overstromingen voor een, bediende voor een bedrag van maximaal 18 euro. Indien de werkgever reeds in aanmerking komt voor een compensatie zoals voorzien in hoofdstuk 2, dan vult de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid deze compensatie desgevallend aan tot het bedrag waarop de werkgever recht heeft op basis van de compensatieregel zoals bepaald in dit hoofdstuk. 82. Indien het volledige budget bepaald in de vorige paragraaf niet is opgebruikt, maakt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het resterende bedrag over aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Art. 64. S1. Teneinde aanspraak te kunnen maken op de In ait hoofdstuk bepaalde compensatie, moet de werkgever uiterlijk 31 mei 2022 hiertoe een aanvraag indienen bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid, met behuip van een hiertoe door de voormelde Rijksdienst ter beschikking gestelde beveiligde elektronische toepassing 82. Indien de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op basis van de beschikbare gegevens vaststelt dat de aangite van de werkgever niet correct is, zal het bedrag van de compensatie herzien worden. 83. Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1, brengt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de toegevan 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste schulden overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betref fende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of naar de volgende kwartalen zolang bijdragen verschuldigd zijn, of om terugbetaling verzoeken ‘Art. 65. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022
TITEL
4 - GEZONDHEID
Enig hoofdstuk - Wijziging van de wet betreffende de en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ‘Afdeling 1 - Maximumfactuur ‘Art. 66. In artikel 37undecies, $ 1, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, wordt de bepaling onder het eerste streepje vervangen door de bepalingen onder de volgende streepjes, luidende: = van 0 tot 11.120 euro 250, 00 euro - van 11.120,01 euro tot 13.400,00 euro 450,00 euro”.
Art. 67. In artikel 37quaterdecies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002 en gewijzigd bj de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: t° in paragraaf 1 wordt het laatste id aangevuld met de volgende zin: “De aanpassing aan het gecorrigeerde indexcijfer van de bedragen van 11,120,00 euro en 11,120,01 euro geschiedt voor de eerste maal voor de maximumiactuur toegekend in 2023”; 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zin: “Het bedrag van 250,00 euro bedoeld in artikel 37undecies, $ 1, wordt vanaf 1 januari 2023 gekoppeld aan de spilindex 101,02 (basis 201310) van de consumptieprijzen”.
Art. 68. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2022. ‘Afdeling 2 - Inkomsten van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging om specifieke uitgaven Art. 69, In het artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, a) in de bepaling onder 1°ter wordt, in de Nederlandse tekst, het woord “er” opgeheven; b) de bepaling onder 1°ter wordt aangevuld met de woorden “Voor het aar 2022 kan op verzoek van het RIZIV opnieuw een Rijkstoelage worden toegekend onder dezelde voorwaarden als voor het jaar 2021”. ‘Afdeling 3 - Heffingen op de omzet ‘Art. 70. In artikel 191, eerste lid, 15°novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020 worden de 1e net derde lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt” 2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden “en vóór 1 mel 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt” vervangen door de woorden”, vóór 1 mei 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt en voor 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt”; 3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden ‘en de heffing op de omzet 2021” vervangen door de woorden “‚de heffing op de omzet 2021 en de heffing op de omzet 2022”; 4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2022 en 1 juni 2023 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk “voorschot hefing omzet 2022 “en “saldo heffing omzet 2022“; '5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2021 is verwezenlijkt”; 6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin: “De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2022 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2022”. Art, 71.
Artikel 191, eerste lid, 15’duodecies, vijfde id, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, wordt ‘aangevuld met de volgende zin: 1 pet. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt”.
Art. 72.
Artikel 191, eerste lid, 15°terdecies, vijfde lid, van dezelide wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en ‘aangevuld met de volgende zinnen: “Voor het jaar 2022 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 mijoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 mijoen euro. De percentages, die op de verschilende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2022 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages dle vastgesteld worden voor de weesheffing 2022. ‘Afdeling 4 - Bijdrage op marketing Art. 73. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, Ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020 worden de volgende 1e net eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd” 2° in het tweede lid worden de woorden & en verwezenlijkt In 2021, voor het jaar 2021 vervangen door de woorden Everwezenlijkt in 2021, voor het jaar 2021, en verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022”; 3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Het voorschot 2022, vastgesteld op 0,13 pct. van het In 2021 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2022 gestort op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van “Voorschot ‘compensatoire bijdrage 2022” en het saldo wordt vóór 1 juni 2023 gestort op dezelfde rekening met de vermelding “Saldo ‘compensatoire bijdrage 2022». 4° in het vijfde lid worden de woorden “en in het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021”; vervangen door de woorden, In het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021, en in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022” Afdeling 5 - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen Art. 74, In artikel 195, 5 1, 2°, derde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 april 2019, worden de eerste en de tweede zin vervangen door de volgende zinnen: “Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766 483 000 EUR voor 2003, 802 661 000 EUR voor 2004, 832 359 000 EUR voor 2005, 863 156 000 EUR voor 2006, 895 524 000 EUR voor 2007, 929 160 000 EUR voor 2008, 972 546 000 EUR voor 2009, 1012 057 000 EUR voor 2010, 1 034 651 000 EUR voor 2011, 1 029 840 000 EUR voor 2012, 1 027 545 000 EUR voor 2013, 1 052 317 000 EUR voor 2014, 1 070 012 000 EUR voor 2015, 1 054 007 000 EUR voor 2016, 1 053 130 000 EUR voor 2017, 1 054 986 000 EUR voor 2018, 1 049 732 000 EUR voor 2019, 1 084 478 000 EUR voor 2020, 1 120 916 000 EUR voor 2021 en 1 141 883 000 EUR voor 2022. Voor de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail wordt dit bedrag vastgesteld op 13 195 000 EUR voor 2003, 13 818 000 EUR voor 2004, 14 329 000 EUR voor 2005, 14 859 000 EUR voor 2006, 15 416 000 EUR voor 2007, 15 995 000 EUR voor 2008, 16 690 000 EUR voor 2009, 17 368 000 EUR voor 2010, 17 770 000 EUR voor 2011, 17 687 000 EUR voor 2012, 17 648 000 EUR voor 2013, 18 073 000 EUR voor 2014, 18 377 000 EUR voor 2015, 18 037 000 EUR voor 2016, 18 062 000 EUR voor 2017, 18 093 000 EUR voor 2018, 18 623 000 EUR voor 2019, 19 239 000 EUR voor 2020, 19 885 000 EUR voor 2021 en 20 257 000 EUR voor 2022”, ‘Art. 75. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2022
TITEL
5 - ENERGIE
Hoofdstuk 1
- Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot regeling van de financiering van de belasting over de toegevoegde waarde op de uitgaven voor het beheer en de sanering van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de federale Staat door een toewijzing uit de ontvangsten van de belasting over de toegevoegde waarde ‘Art. 76. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder: 1 “NIRAS”: de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen opgericht bij artikel 179, $ 2, 1°, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980; 2° “btw”: de belasting over de toegevoegde waarde; 3° “nucleair passief”: Radioactief of mogelijk radioactief besmet materiaal waarvan de federale Staat de financiële verantwoordelijheid voor de veilige verwijdering, verwerking, opslag en berging op zich heeft genomen door de financiering ervan vanuit de algemene uitgavenbegroting of de federale bijdrage bij wet te bepalen Art. 77, In artikel 21ter, $ 1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, laatstelijk gewijzigd bi de wet van 26 december 2013, wordt het derde lid vervangen door wat volgt: “Voor het verkrijgen van het bedrag van de federale bijdrage dat voor haar bestemd is, richt de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen een geldopvraging aan de commissie volgens de nadere regels bepaald in toepassing van 5 2, 1°%.
Art. 78. Bij elke storting, vanuit de federale begroting of vanuit de federale bijdrage, in een van de fondsen voor de sanering van een nucleair passief dat ten laste valt van de federale Staat, geeft NIRAS deze storting aan in haar periodieke btw-aangifte van de maand waarin de storting in het fonds plaatsvond en betaalt de op deze storting verschuldigde btw. Vervolgens stuurt NIRAS aan de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën, na elke in het eerste lid bedoelde betaling, via e-mail, een verzoek tot terugstorten van het in het eerste lid bedoelde bedrag. Bij ontvangst van het in het eerste lid bedoelde bedrag, verleent NIRAS aan de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie via e-mail kwijting voor dit bedrag. Wat het saldo aan beschikbare middelen op de dag van inwerkingtreding van dit hoofdstuk betreft waarvoor geen btw gestort werd aan de Federale Overheidsdienst Financiën zal NIRAS overgaan tot een verzoek om regularisatie van de btw volgens de voorwaarden bepaald door de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheld heeft binnen de FOD Financiën. Na bepaling van de verschuldigde btw in overleg met de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft binnen de FOD Financiën en de betaling ervan, stuurt NIRAS aan de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën via e-mail een verzoek tot terugstorten van het in het vierde lid bedoelde bedrag. Bij ontvangst van het in het vijfde lid bedoelde bedrag, en Energie per e-mail kwijting voor dit bedrag. De terugbetalingen van de btw bedoeld in het eerste en vijfde lid verlopen via het bestaande toewijzingsfonds uit de lijst van terugbetalings- en toewijzingsfondsen van de Algemene Uitgavenbegroting 66.84.B betreffende de toewijzing van btwontvangsten aan NIRAS ter compensatie van de verschuldigde btw op het beheer van de nucleaire passiva ten laste van de federale Staat. De praktische bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de in het tweede tot vijfde id beschreven werkwijze, evenals de te gebruiken e-mailadressen, worden vastgelegd in een protocol tussen de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O, Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Economie en door de minister bevoegd voor Energie, de Algemene ‘Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning en de ‘Algemene Administratie van de Fiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Financiën en de vertegenwoordigers van NIRAS. ‘Art. 79. De Overeenkomst van 19 december 2005 ussen de Belgische Staat, NIRAS en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas met oog op de uitvoering van de betaling van de btw in het kader van de nucleaire passiva BP1/BP2 wordt opgeheven bij koninklijk besluit ‘Art. 80. De Koning bepaalt de lijst van de nucleaire passiva. ‘Art. 81. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van deze wet In het Belgisch Staatsblad.
Hoofdstuk 2
- Wijziging van de wet van 29 april 1999 wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het del van leidingen ‘Afdeling 1 - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Art. 82. In artikel 7 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elekticiteitsmarkt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2019, worden de volgende wijzigingen 1e paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “5 1. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de insteling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van garanties van oorsprong en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de commissie en de gewestelijke overheden en regulatoren aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te, verzekeren, tegen een minimumprijs, van elektriciteit gepro duceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. De opdracht waarmee de netbeheerder krachtens het eerste lid belast wordt, maakt een openbare dienstverplichting uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinquies. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 Jul 2002 betreffende de instel ling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, bekrachtigd bij artikel 427 van de programmawet(l) van 24 december 2002 en door artikel 28 van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie, en door artikel 2 van de wet van 12 Juni 2015 tot bekrachtiging van bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 4 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en door artikel 11 van de wet van 12 mei 2019 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt met het oog op het invoeren van een concurrerende inschrijvingsprocedure voor de bouw en exploitatie van productie-installaties In de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheld van België en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 februari, 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wijzigen, vervangen en opheffen zonder daarbij een nieuwe toeslag of heffing in te voeren bestemd om de maatregelen bedoeld in het eerste lid te financieren. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, bepaalt de Koning de berekeningsmethode van de kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste id voor ieder exploittiejaar. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure: 1e uiterlijk op 1 november van ieder jaar verricht de commissie een raming van de kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het volgende exploittiejaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 31 augustus; 2° uiterlijk op 15 april van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van regularisatie met betrekking tot het voorgaande exploitatiejaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande exploitatiejaar is voortgevloeid uit de maatregelen bedoeld in het eerste id vast. Daartoe bezorgt de nelbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de ‘commissie uiterlijk op 15 februari. Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 Jul van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald, 3° de commissie houdt een inventaris bij met een overzicht per jaar van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid. De federale Staat en de netbeheerder sluiten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de ter beschikkingstelling van de middelen bedoeld in het tweede lid met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het eerste ld, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van beide contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de netto-kost voortvloelend uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden.” 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2017, wordt ‘aangevuld met drie leden, luidende: “De verhoging van de minimumprijs bedoeld in het tweede, het vierde en het vijfde id wordt gefinancierd overeenkomstig De vaststelling voor ieder exploitatiejaar van de kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid gebeurt overeenkomstig de berekeningsmethode en de procedure bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. teneinde de modaliteiten vast te leggen van de ter beschikkingsteling van de middelen bedoeld in het elfde lid met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het tweede, vierde en vijfde id, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van belde contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de netto-kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste ld tijdig te betalen en voorfinanciering van, deze netto-kost in hoofde van de netbeheerder te vermijden”. ‘Art. 83. In artikel Zocties van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende 1e in het eerste lid worden de woorden “gedekt door een tarifaire toeslag ter financiering van de openbare dienstverplichting van de netbeheerder, zoals bedoeld in artikel 12, 5 5, tweede lid, 11°” vervangen door de woorden “gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinquies” 2° in het eerste lid wordt de tweede zin opgeheven; 3° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, ningsmethode en de nadere regels voor de controle van de kosten van de maatregelen bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure: 1e uiterlijk op 1 november van ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd verricht de commissie een raming van de kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de betrokken winterperiode. Daartoe be‘zorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 september; 2° uiterlijk op 1 juni van ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd stelt de commissie het bedrag van een regularisatie met betrekking tot die voorgaande winterperiode op grond van de werkelijke kost die tijdens die winterperiode Is voortgevloeid uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk 15 april Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 Juli van het aar waarin de regularisatie werd bepaald: 3” de commissie houdt een inventaris bij met een overzicht voor ieder aar waarin een strategische reserve wordt aangelegd van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid; # net artikel wordt aangevuld met een Id, luidende “De federale Staat en de netbeheerder sluiten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de ter beschik Kingstelling van de middelen met het oog op het dekken van de kosten bedoeld in het eerste lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van belde contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven In voornoemde protocol stelen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de netto-kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid tijdig te betalen en voorfinanciering van deze netto-kost in hoofde van de netbeheerder te vermijden”.
Art. 84. In artikel Tundecies, $ 15, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° in het eerste lid worden de woorden “waarvan de kosten overeenkomstig artikel 12, 5 5, 11°, worden verrekend in de tarieven” vervangen door de woorden “waarvan de netto-kosten worden gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quïnquies” En worden de woorden *,en rekening houdend met de tariefmethodologie die werd opgesteld door de commissie krachtens arikel 12, $ 5” opgeheven; 2” net derde lid wordt vervangen als volgt kosten van de maatregelen bedoeld in het eerste lid voor ieder jaar word! vastgesteld. Voornoemde kost word! vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure 4° uiterlijk op 1 november van ieder jaar verricht de commissie een raming van de kost van de maatregelen bedoeld in het eerste id met betrekking tot het volgende jaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 31 augustus 2? uiterlijk op 4 juni van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van een regularisatie met betrekking tot het voorgaande jaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande jaar is voortgevloeid uit de maatregelen bedoeld in net eerste id vast. Daartoe bezorg! de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 april Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald; 93° de commissie houdt een inventaris bij met een overmaatregelen bedoeld in het eerste id”; 4° het vierde lid wordt vervangen als volgt: “De federale Staat en de netbeheerder sluïten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de ter beschikking stelling van de middelen bedoeld in het eerste lid met het oog op de voldoening van de verplichtingen van de netbeheerder krachtens het capaciteitsvergoedingsmechanisme bedoeld in deze afdeling, alsook teneinde alle gerelateerde en overige Art. 85, In artikel 21bis, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen “$ 1. Dit artikel regelt de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt De volgende doelstellingen worden gedekt door de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de Programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716: 1e de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuciearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 (de oude pilootopwerkingslabriek Eurochemic of passief BP; de oude Afvalafdeling van het Studiecentrum voor Kernenergie of passief BP2) te Mol-Dessel en uit het kwart van de denuclearisatie van de BR3-reactor van het technisch passief van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig uit de genoemde denuclearisaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op de genoemde sites, en reactor. De tussenkomst van de ontvangsten bedoeld in het tweede tot en met vijfde id in het kwart van de ontmantelingskost van de BR3-reactor is pas verschuldigd vanaf het jaar dat een financieringstekort zich drelgt voor te doen voor het technisch passief van het SCK.CEN. De tussenkomst van de ontvangsten bedoeld in het tweede tot en met vijfde id in aït passief maakt geen deel uit van het regionaal evenwicht bedoeld in het vierde id van artikel 9 van het koninklijk besluit toezicht op en de subsidiëring van het Studiecentrum voor Kernenergie en tot wijziging van de statuten van dit Centrum. 2° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 25, $ 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, $ 3; 3° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en financiële maatschappelijke steunverlening inzake energie zoals bepaald door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke bijstand aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering: 4° de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen van België inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling; '5° de financiering van de reêle nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde residentiêle klanten, bedoeld in artikel 20, 5 2/1, eerste lid, 1° tot 5°, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007. 'Als het totaal van de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, K) van de Programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716 niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, dan worden de ontvangsten aangewend voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel) i) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 iter bij 15° Als het totaalbedrag uit de in het derde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voort vloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen. 'Als het totaalbedrag uit de in het tweede, derde en vierde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstelingen bedoeld In het tweede lid te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen. De codes van de in deze paragraaf bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de Verordening EEG nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage | van de Verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarie{”. 2° de paragrafen 1bis, 2, 3, 4, 5 en 6 worden opgeheven.
Art. 86. In artikel 2ter, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de volgende 1e in paragraaf 1 worden de eerste twee zinnen vervangen “Onverminderd het weede lid, bepaalt de Koning bij een in de ministerraad overlegd besluit de bedragen van de in artikel '21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde id, bedoelde ontvangsten, in voorkomend geval rekening houdend met de saldi van de vorige begrotingsjaren, die moeten worden gestort”; 2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 1° opgeheven; 3 in paragraaf 1, wordt het tweede lid vervangen als volgt: “Het bedrag van de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vide lid bedoelde ontvangsten ter dekking van de werkingskosten van de commissie, met inbegrip van de reserve, voor een bepaald overeenkomstig artikel 25, $ 3, vastgesteld begrotingsjaar, wordt op verzoek gestort in een door de commissie beheerd fonds, uiterlijk op 15 januari van het betreffende begrotingsjaar. Indien op het tijdstip van het verzoek om middelen van de commissie haar begroting voor het betrokken begrotingsjaar nog niet is goedgekeurd overeenkomstig artikel 25, 5 3, wordt op eenvoudig verzoek een voorschot betaald ten belope van 50% van de begroting van het voorafgaande jaar, en wel uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar”; 4 in paragraaf 1 worden in het derde lid de woorden “van de federale bijdrage” vervangen daor de woorden “van de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid bedoelde ontvangsten”; 5 paragraal 2 wordt vervangen als volgt: “8 2. Onverminderd artikel 25, $ 3, bepaalt de Koning bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op, voorstel van de commissie: 1° de berekeningswijze die word toegepast ter bepaling van de middelen die nodig zij ter realisatie van de doelstel lingen bedoeld in arikel 21bís, $ 15; (2 de nadere regels voor het beheer van de fondsen bedoeld in paragraaf 1 door de commissie”; 6 een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende: “$ 2bis. Onverminderd paragraaf 1, tweede id, sluiten de federale staat en de commissie een protocol tot vaststeling van de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van de in artikel 21bis, 5 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde middelen met het oog op de nakoming van de in het tweede lid, van artikel 21bis, 5 1, bedoelde verplichtingen en tot precisering van alle daarmee verband houdende en andere rechten en plichten van beide contractpartijen, in het bijzonder de onaïhankelijkheid van de commissie bij de uitvoering van haar begroting”. 7° paragrafen 4 en 5 worden opgeheven Art. 87. In dezelfde wet wordt een artikel 21quingules “Ant. 2iguinquies. De opdrachten waarmee de netbeheerder krachtens artikel 7,5 1, eerste lid, krachtens arikel 7, 2, tweede, vierde en vijfde ld, krachtens artikel Tocties, krachtens Tundecies, $ 1, en in voorkomend geval krachtens artikel 7du‘odecies, belast wordt, maken openbare dienstverplichtingen uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden door: 1° de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de Programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716; 2? als het totaal van de onder 1° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dek ken, de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f)) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 iter bij 15° 3° als het totaal van de onder 2° vermelde bedragen niet en, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen; 4 als het totaalbedrag uit de onder 1°, 2° en 3° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen. Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage | van, de Verordening EEG m. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief en stalstieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarie”. ‘Art. 88. De bovenvermelde financiering van de netbeheerder zal voor wat betreft de bijzondere accijnzen verlopen bij middel van het reeds beslaande toewijzingslonds 66.83.B. Er zal onderscheid gemaakt worden naar bestemmeling De bovenvermelde financiering van de netbeheerder zal voor wat betreft de vennootschapsbelasting verlopen bij middel van het reeds bestaande toewijzingsfonds 66.82.5. Er zal onderscheid gemaakt worden naar bestemmeling.
Art. 89.In artikel 25, $ 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 januari 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° de woorden “door de federale bijdrage bedoeld in artikel 21bis” worden vervangen door de woorden “de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid bedoelde ontvangsten”; 2° het artikel wordt aangevuld met een li, luidende: “Bij de commissie wordt een reserve gevormd waarvan het bedrag, overeenkomend met maximaal 25% van haar werkingskosten, mede wordt gedekt door de in arikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde id, bedoelde ontvangsten”.
Art. 90. In artikel 31/3, van dezelfde wet, ingevoegd bijde wet van 8 mei 2014, worden de woorden “ol betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis" opgeheven. ‘Afdeling 2 - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere ‘door middel van leidingen Art. 91. In artikel 15/11, van de wet van 12 april 1965 betretfende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht: t° in paragraaf 1 wordt het vierde lid opgeheven. 2° paragraat tbis wordt vervangen als volgt: “$ tbs. Dit artikel regelt de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden met de regulering van en de controle op de gasmarkt De volgende doelstellingen worden gedekt door de ont artikel 419, i van de Programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00: t° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, $ 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, $ 4; 2 de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering; 3° de financiering van de werkelijke nettokosten voort voelend uit de toepassing van de maximum prijzen voor de levering van aardgas aan de residentiële beschermde klanten bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, 1° lem 5" en tweede Ti, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007. Als het totaal van de ontvangsten voortvloeiend uit de bij zondere accijns bepaald in artikel 419,1) van de Programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GN-codes 2711 #1 00 en 2711 21 00 niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het weede ld te dekken, dan worden de ontvangsten aangewend voortvloeiend uitde verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e)i) en onderdeel f)ì) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, en belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 ier bij 15° Als het totaalbedrag uit de in het tweede en derde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede ld te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen. 3° in paragraaf iter worden de volgende wijzigingen a) de eerste zin wordt vervangen als volgt: “Onverminderd het tweede lid, bepaalt de Koning bij een in de ministerraad overlegd besluit de bedragen van de in paragraaf 1bis, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten, in voorkomend geval rekening houdend met de saldi van de vorige begrotingsjaren, die moeten worden gestort”; b) de bepaling onder 1° wordt opgeheven; ©) de paragraaf wordt aangevuld met een id, luidende: “Het bedrag van de in paragraaf 1bís, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten, dat bestemd is ter dekking van de werkingskosten van de commissie, met inbegrip van, de reserve, voor een bepaald begrotingsjaar, vastgesteld overeenkomstig artikel 15/15, $ 4, wordt op verzoek uiterlijk op 15 januari van het betreffende begrotingsjaar gestort in een door de commissie beheerd fonds. Indien, op het ogenblik dat de commissie om middelen verzoekt, haar begroting voor het betrokken begrotingsjaar nog niet is goedgekeurd overeenkomstig artikel 25, 8 3, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, wordt op eenvoudig verzoek, uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar, een voorschot ten belope van 50% van de begroting van het vorige jaar betaald”; 4° paragraaf 1quater wordt vervangen als volgt: “8 1quater. Onverminderd artikel 15/15, $ 4, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, op voorstel van de commissie: 1° de procedure en de berekeningswijze die wordt toegepast ter bepaling van de middelen die nodig zijn ter realisatie, van de doelstellingen bedoeld in paragraaf bis, tweede lid”; 2° de modaliteiten voor het beheer van de fondsen bedoeld in paragraaf iter door de commissie,” 5 het artikel wordt aangevuld met een Stquater/1, luidende: “8 1quater1. Onverminderd paragraaf 1ter, sluiten de federale staat en de commissie een protocol tot vaststelling van de modaliteiten voor de terbeschikkingstelling van de in artikel 15/11, $ 1bis, tweede tot en met vijfde id, bedoelde middelen met het oog op de nakoming van de in lid 2 bedoelde verplichtingen, en tot precisering van alle daarmee verband houdende en andere rechten en plichten van beide, contractpartijen, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de commissie bij de uitvoering van haar begroting” Art. 92. De artikelen 15/11bis en 15/1ter, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2014, worden opgeheven.
Art. 93, In artikel 15/15, 5 4, van dezelfde wet, ingevoegd bi de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen 4° de woorden “de federale bijdrage, beoogd in artikel 15/11, $ ibis” worden vervangen door de woorden “de in artikel 15/11, 8 1bis, weede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten”; 2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende: het bedrag, overeenkomend met ten hoogste 25% van haar werkingskosten, mede wordt gedekt door de in artikel 15/11, $ 1bis, weede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten”. ‘Afdeling 3- Overgangsbepalingen Art. 94. 5 1. Uiterlijk op 15 januari 2022 verricht de comin artikel 7,5 1, eerste lid, en $ 2, tweede, vierde en vijfde lid, artikel Tocties, eerste lid, en artikel Tundecies, $ 15, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektricteitsmarkt voor het exploitatiejaar 2022. 8 2. Uiterlijk op 1 juni 2022 bepaalt de commissie: 1° de gemaakte kosten, gedurende 2021 en, in voorkomend geval, 2020, van de maatregelen bedoeld in artikel 7, 5 1, eerste lid, en $ 2, tweede, vierde en vijfde lid, artikel 7octies ‘en artikel Tundecies van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektricteitsmarkt; 2 het eventuele saldo, positief of negatief, van de bedragen die in 2021 en, in voorkomend geval, in 2020 worden geïnd door de netbeheerder, krachtens de artikelen 7, 55 1 en 2, en, Tocties van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt Daartoe dient de netbeheerder uiterlijk op 1 februari 2022 bij de commissie een verslag in met de relevante gegevens. Eik saldo bedoeld in paragraaf 1, 2°, wordt uiterlijk op 1 juli 2022 vereffend met de Belgische Staat.
Art. 95. $ 1. Bij de afsluiting van haar jaarrekening op 31 december 2022 bepaalt de commissie voor elk van de fondsen bedoeld in artikel 2ter, 8 1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, het saldo van de bedragen van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit die tot 31 december 2021 werden algenomen. Dit saldo wordt, voor elk fonds, uiterlijk op 30 juni 2023, geregulariseerd bij de Belgische Staat. De bepalingen van het koninklijk besluit van 24 maart 2003 tot vaststeling van de modaliteiten en voorwaarden van de federale bijdrage bestemd voor de financiering van sommige aan de regulering en controle van de elektriciteitsmarkt, zoals van kracht op 31 december 2021, blijven van kracht met het oog op de afsluiting van het mechanisme van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit die tot 31 december 2021 zijn afgenomen. $ 2. Bij de afsluiting van haar jaarrekening op 31 december 2022 bepaalt de commissie voor elk van de fondsen bedoeld in artikel 15/11, ‘ter. van de wet van 12 januari 1965 betref fende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, het saldo van de bedragen van de federale heffing toegepast op de tot 31 december 2021 onttrokken hoeveelheden aardgas. De bepalingen van het koninklijk besluit van 2 april 2014. aan de regulering en de controle van de aardgasmarkt, zoals van kracht op 31 december 2021, worden gehandhaaid met het oog op de afshiting van het mechanisme van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden aardgas die tot 31 december 2021 zijn afgenomen. ‘Afdeling 4 - Inwerkingtreding ‘Art. 96. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 3
- Wijziging van de wet van 12 april 1965 andere door middel van leidingen, en wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten ‘en andere door middel van leidingen en in artikel 20, 5 21, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelde toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan ‘Afdeling 1 - Wijziging van de wet van 12 april 1965 Art. 97. In artikel 15/11, S1bis, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, laatstelijk gewijzigd door de programmawet van 20 december 2020, wordt aangevuld met de volgende bepaling: va de financiering van de werkelijke nettokosten voortvloeiend uitde toepassing van de maximumprijzen voor de levering van warmte aan de residentiële beschermde Klanten bedoeld in artikel 15/10, $2/1 van deze wet”. ‘Art. 98. Deze afdeling eedt in werking op 1 januari 2022. ‘Afdeling 2 - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde resi‘dentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen ‘en in artikel 20, $ 2/1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektrciteitsmarkt ‘en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststeling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de ‘aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen ‘Art. 99. In artikel 10, tweede li, van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvuling van de lijst beschermde residenliêle afnemers bedoeld in artikel 15/10, 5 2/2, eerste ia, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van en in artikel 20, $ 2/1, eerste id, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elekticiteitsmarkt ‘en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tat vaststeling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondememingen en de tussenkomstregels voor het ten, elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan, bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “31 december 2021” vervangen door de woorden “1 april 2022”
TIEL
6- MOBILITEIT
Enig hoofdstuk Steun voor het goederenvervoer per spoor met het oog op de bevordering van de modal shift ‘Afdeling 1 - Definities Art. 100. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder t° kandidaat”: de kandidaten als bedoeld in artikel 3, 11°, van de Spoorcodex; 2 ‘netverklaring”: de verklaring als bedoeld in artikel 3, 22°, van de Spoorcodex; 3° “trimester: de periode lopende van 1 januari tot 31 maart, of van 1 april tot 30 juni, of van 1 jul tot 30 september, of van 1 oktober tot 31 december ‘Afdeling 2 - Het verminderingsmechanisme van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur Art. 101. $ 1. Infrabel publiceert onverwijld, in afwijking van de termijnen voorzien in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juli 2019 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van, de spoorweginfrastructuur, in zijn netverklaring de toepassingsmodaliteiten van het verminderingsmechanisme van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur bedoeld in het weede lid ten voordele van de kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 2. Dit mechanisme bestaat in een lineaire vermindering van maximum 1,20 euro per daadwerkelijk afgelegde treinklometer op het Belgische netwerk voor de circulatieperiode gaande van 1 januari 2022 tot 31 december 2025. De vermindering wordt berekend in functie van de afgelegde treinkllometers in elk trimester en wordt toegekend aan de Kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2 door Infrabel, ofwel door een directe terugbetaling ofwel door een vermindering van de gefactureerde bedragen, ten laatste een maand na de betaing door de Staat aan Infrabel van net voorschot voorzien in artikel 102 Indien tijdens het betreffende trimester het totaal van de verminderingen waarop de betreffende kandidaten aanspraak kunnen maken overeenkomstig het tweede en derde lid het voorschot overschrijdt waarover Infrabel beschikt met toepassing van artikel 102, worden deze verminderingen pro rata het beschikbare voorschot beperkt $ 2. De activiteiten van kandidaten begunstigd met de vermindering bedoeld in paragraaf 1 vallen onder een overeenkomst gesloten met Infrabel. '$ 3. Het verminderingsmechanisme bedoeld in paragraaf 1 is conform de volgende beginselen: 1e het treed in werking vanaf 1 januari 2022 en eindigt op 31 december 2025; 2° hetis van toepassing op het goederenvervoer, met uitsluiting van losse ritten, ritten georganiseerd door toeristische ondernemingen, en het verkeer van andere treinen zoals de ‘aangemelde instanties, de technische treinen en de treinen, georganiseerd voor de overbrenging van materieel tussen de installaties. ‘Afdeling 3 - Financiële compensatie ten voordele van Infrabel ‘Art. 102. Infrabel verkrijgt een financiële compensatie ten gevolge van de lineaire vermindering bedoeld in artikel 101. De betaling van deze compensatie is onderhevig aan de volgende voorwaarden: 1e voor elk trimester dat inbegrepen is in de duur van de toepassing van het mechanisme voorzien in artikel 101 betaalt de Staat aan Infrabel een voorschot gelijk aan 25 % van het Jaarlijkse budget van minimum 13.246 k euro ingeschreven In de algemene uitgavenbegroting. Elk van deze betalingen, wordt gedaan ten laatste de 25° dag van de eerste maand volgend op het desbetreffende trimester. Indien deze laatste vervaldag niet gerespecteerd kan worden wegens de datum van inwerkingtreding van de huidige betalingen, worden de bedragen waarvan de betaling vertraagd is betaald aan Infrabel ten laatste 25 dagen na deze inwerkingtreding; 2° eventuele overschotten van de voorschotten die betaald worden voor de eerste drie \rimesters van elk jaar blijven ter beschikking van Infrabel en verhogen het voorschot dat beschikbaar is voor het daaropvolgende trimester. Op het einde van ek jaar wordt het eventuele overschot terugbetaald aan de Staat door Infrabel ten laatste 6 maanden na het einde van dit jaar. ‘Art. 103. Infrabel bezorgt ten laatste 30 april van elk jaar aan de bevoegde Minister en aan de FOD Mobile en Vervoer de verantwoordingsstukken voor de goede tenuitvoerlegging van dit verminderingsmechanisme tijdens het voorafgaande Jaar. Deze verantwoordingsstukken bevatten met name: 1e een gedetailleerd rapport van de facturen betaald door de betrokken kandidaten en de verminderingen toegekend met toepassing van de huidige bepalingen; 2° de werkelijk afgelegde treinkilometers van betrokken kandidaten. Infrabel bezorgt in de mate van het mogelijke elke bijkomende informatie die de bevoegde Minister of de FOD Mobilteit Vervoer eist binnen een termijn van 15 werkdagen. Afdeling 4 - Bijzondere voorwaarden voor de begunstigden ‘Art. 104. De kandidaten waartegen de Europese Commissie bevelen tot terugbetaling heeft gedaan kunnen niet begunstigd worden door huidig verminderingsmechanisme van de retributie, voor zover de bedragen beoogd door het bevel niet terugbetaald zijn geweest. De ondernemingen in moelljkheden zoals bepaald door de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financfêle ondernemingen In moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, biz. 1-28) komen niet in aanmerking door huidig verminderingsmechanisme. De kandidaten staven de naleving van het eerste en tweede lid door een verklaring op erewoord dat gevoegd wordt aan de overeenkomst bedoeld in artikel 101, paragraaf 2, dat Infrabel onverwijld doorstuurt naar de FOD Mobiliteit en Vervoer De kandidaten leveren elke bijkomende informatie, verzocht door de bevoegde Minister of de FOD Mobiliteit en Vervoer, die toestaat om de goede naleving van de toekenningsvoorwaarden te toetsen, binnen een termijn van 15 werkdagen. $ 2. Indien de bevoegde Minister of de FOD Mobiliteit en Vervoer vaststelt dat een vermindering van de retributie een onderneming heeft bevoordeeld die de voorwaarden van de toekenning niet heeft nageleefd op het moment van de toepassing van de vermindering, wordt deze vermindering terugbetaald aan de Staat door de begunstigde binnen een termijn van een maand. Bij gebrek aan betaling binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, belast de Koning of zijn afgevaardigde de Algemene ‘Administratie van de Inning en de Invordering met de gedwongen invordering van de onterecht ontvangen steun overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, De aldus ingevorderde onterechte bedragen komen toe tot de Schalkist. ‘Afdeling 5 - Slotbepalingen ‘Art. 105. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 100 tot 104. Dit hoofdstuk houdt op uitwerking te hebben op 30 juni 2026
TITEL
7 - ECONOMIE
, K.M.O. EN MIDDENSTAND Enig hoofdstuk - Verplichting voor ondernemingen tot beschikbaarstelling van een elektronisch betaalmiddel voor consumenten Art. 106. In boek VI, tel 2, hoofdstuk 2/1, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 15 mel 2014, wordt het opschrift van hoofdstuk 2/1 vervangen als volgt. “HOOFDSTUK 2/1. Betaling door de consument”.
Art. 107. In boek VI, titel 2, hoofdstuk 2/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een artikel 17/4 ingevoegd, luidende “Art. VLI4. Wanneer de betaling in euro in gelijktijdige 1ysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming plaatsvindt, stelt de onderneming aan de consument eveneens een elektronisch betaalmiddel ter beschikking. Voor de toepassing van dt artikel is het elektronisch betaalmiddel een ander betaalmiddel dan muntstukken en bankbiljetten uitgedrukt in euro, verstrekt door een betalingsdienstaanbieder als bedoeld in artikel 19, 2°, betreffende de definities van toepassing op boek VIl van het Wetboek van economisch recht.“ Art. 108. In artikel XV-83, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 april 2019, wordt een bepaling onder 12/2 ingevoegd, luidende: “1/2. van artikel VL7/4 betreffende de verplichting tot beschikbaarsteling van een elektronisch betaalmiddel,“ ‘Art. 108. Dit noofdstuk treedt in werking op 1 juli 2022
TITEL
8 - PENSIOENEN
Hoofdstuk 1
- Wijziging van de wet van 28 april 2003, betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid Art. 110. In artikel 27 van de wet van 28 april 2003 betretfende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen, inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt paragraaf 3, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, opgeheven. Deze bepaling blijft evenwel van kracht voor wat de aansluitingen bij een pensioentoezegging betreft de zich situeren vóór 20 oktober 2021 Het tweede lid geldt niet voor de verhogingen van de prestaties die voorlvloeien uit een wijziging van de pensioentoezegging vanaf 20 oktober 2021
Hoofdstuk 2
- Wijziging van de programmawet (l) van Art. 111, In artikel 306, 5 2, van de programmawet) van 27 december 2006, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° in net eerste id worden de bepalingen onder 4°/1 en 42/2 “ae/1 de uitvoering door de Federale Pensioendienst van de inning en het beheer van de opbrengst van de inhouding bedoeld in artikel 191, eerste id, 7, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994; #12 de uitvoering door de Federale Pensioendienst van de artikelen 68 tot en met 6äsexies van de wet van 30 maart 1994 noudende sociale bepalingen”; 2° in het tweede lid worden de woorden ‘4/1, 4/2,” ingevoegd tussen woorden “427 en “7.
Hoofdstuk 3
- Bepalingen inzake de overgangsuitkering ‘Afdeling 1 - Bepalingen inzake de overgangsuitkering Onderafdeling 1 - Wijzigingen van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Art. 112. In artikel 2, $ 1, eerste ld, €), van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wet van 21 mei 1991, worden de woorden ‘vijl in aanmerking komende dienstjaren in de zin van artikel 46 indien hij zijn loopbaan heeft beëindigd na 31 december 1976 en hij in aanmerking komende diensten of periodes na die datum kan doen gelden” vervangen door de woorden “pensioenaanspraakverlenende diensten of periodes van na 31 december 1976 telt in het stelsel van de staatsambtenaren” Art. 13.
Artikel 5/2, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt vervangen als volgt “In geval van ambtshalve opruststeling, met inbegrip van de oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid, voor de wettelijke pensioenleeftijd van de titularis van het overlevingspensioen, wordt dit betaald vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de periode bedoeld in arikel 5/3, tweede lia”.
Art. 14. In artikel 5/3 van dezelfde wet, ingevoegd bijde wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1 het tweede lid wordt vervangen als volgt: “De overgangsuitkering wordt toegekend aan de langslievende echtgenoot vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze van het overlijden van zijn echtgenoot en dit voor een periode van 4° 18 maanden, indien er op het ogenblik van het overlij den geen kind ten laste is waarvoor een van de echtgenoten Kinderbijslag ontving; 2 36 maanden, indien erop het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; 3 48 maanden -indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 19 jaar niet bereikt en waarvoor een van de echtgenoten Kinderbijslag ontving of; -indien er op hetogenbik van het overlijden een gehandicapt kind ten laste is, ongeacht de leeftijd van dat ind, waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; -in geval van postume geboorte van een kind binnen de driehonderd dagen na het overlijden 2 net tweede id wordt aangevuld met twee leden, luidende: “De Koning bepaalt het begrip kind ten laste en het begrip gehandicapt ind in de zin van het tweede lid De bepalingen betreffende de aanvraag en de ambtshalve toekenning van een overlevingspensioen zijn eveneens van toepassing op de overgangsuitkering. De aanvraag van een, overlevingspensioen geldt als een aanvraag van een overgangsuikering en omgekeerd” Art. 15. In artikel 55, $ 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 wordt tussen het tweede en het derde streepje het volgende streepje ingevoegd: artikel 40bis van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, voor de gerechtigde op een rustpensioen die voor de wettelijke pensioenleeftijd ambtshalve op rust werd gesteld, met inbegrip van de oppensioensteling wegens lichamelijke ongeschiktheid, en zolang hij de weteljke pensioenleeftijd niet heeft bereikt” Onderafdeling 2 - Overgangsbepalingen Art. H6.
Artikel 112 is niet van toepassing in de situaties waarin aan de overleden rechtgever, voor de betrokken dienstjaren, reeds een rustpensioen in de werknemersregeling werd toegekend datis ingegaan voor 1 mei 2019, Art. 117. De overgangsuikering bedoeld in hoofdstuk bis van voormelde wet van 15 mei 1984 toegekend naar aanleiding van het overlijden van de echtgenoot voor 1 oktober 2021 en, waarvan de periode verstrijkt na deze datum, wordt verlengd overeenkomstig de volgende modaliteiten: 1 de overgangsuitkering voor een periode van 12 maanden wordt verlengd voor een periode van 6 maanden; 2 de overgangsuikering voor een periode van 24 maanden wordt verlengd voor een periode van 12 maanden indien er op het ogenbik van het overlijden een kind ten laste was datín het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving: de overgangsuilkering voor een periode van 24 maanden wordt verlengd voor een periode van 24 maanden, - indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste was dat in het kalenderjaar van het overlijden nog nietde leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of: -indien er op het ogenbik van het overlijden een gehandicapt kind ten laste was, ongeacht de leeftijd van dat kind, waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving of arienonderd dagen na het overlijden. De Koning bepaalt het begrip kind ten laste en het begrip gehandicapt kind in de zin van het eerste lid. Onderafdeling 3 - Inwerkingtreding Art. 118. Deze afdeling reedt in werking op 1 juli 2022, met uitzondering van 1 de artkelen 114 en 117 die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 2021; 2° de artikelen 112 en 116 die in werking treden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ‘Afdeling 2 - Bepalingen inzake de overgangsuitkering ‘im het pensioenstelsel voor werknemers Onderafdeling 1 - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers Art. 19. In artikel 16, 5 1, van het koninklijk beslut nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspenSioen voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: tin de Franse tekst van het eerste id, worden de woorden “époux” vervangen door de woorden “le conjoint”; 2° in het derde ld, worden de woorden “zijn echtgenoot of echtgenote” vervangen door de woorden “zijn echtgenoot”; 3» ussen het derde en het vierde lid wordt een id inge“Een aanvraag van overlevingspensioen geldt als een aanvraag van overgangsuitkering en omgekeerd”.
Art. 120, In de Franse tekst van artikel 17, eerste id, tweede streepje, van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden de woorden ‘lépoux ou épouse” vervangen door de woorden “un des conjoints” Art. 121. In artikel 21bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014, worden de volgende wijzigingen “son époux ou épouse” en de woorden “'époux ou épouse” respectievelijk vervangen door de woorden “son conjoint” en door de woorden “un des conjoints”; 2 in de Franse tekst van het tweede lid worden de woorden “époux” telkens vervangen door de woorden le corjoint.
Art. 122, In artikel iter 6 1, van hetzelde besluit, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014, wordt het eerste lid vervangen als voigt “6 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor een periode van: 1° 18 maanden, indien er op het ogenblik van het overlij den geen ind ten laste is waarvoor een van de echtgenoten Kinderbijslag ontving: ‘een kind ten laste is dat, in het kalenderjaar van het overlij den, de leeftijd van 13 jaar bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving: laste is dat, in het kalenderjaar van het overijden, de leeftijd De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van känderlast bewezen wordt en wat onder een gehandicapt kind wordt verstaan in de zin van het eerste lid Art. 123, In artikel 2iquater, eerste li, van hetzelfde beslut, ingevoegd bij de wet van 5 mel 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden “een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector geniet” vervangen daor de woorden “een rustpensioen geniet dat voor de wettelijke pensioenieettjd ambtshalve werd toegekend in de overheidssector, met inbegrip van een rustpensioen wegens gezondheidsredenen ot lichamelijke ongeschiktheid". ‘Art. 128. In artikel 25, derde lid, van hetzelfde beslut, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014. worden de woorden “een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector” vervangen door de woorden “een rustpensioen dat voor de wettelijke pensioenleeftijd ambtshalve werd toegekend in de overheidssector, met Onderafdeling 2 - Wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 ‘en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ‘Art. 125. In artikel 7bís van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 Juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bi de wet van 5 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1e paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: “83. Zijn van toepassing op de overgangsuitkering: 1° artikel 7, $ 1, achtste en negende lid, en $ 5; 2° artikel 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980; 3” de artikelen 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector”; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt “8 4.
Artikel 8 is niet van toepassing op de overgangsuitkering”. Onderafdeling 3 - Overgangsbepaling ‘Art. 126. De overgangsuitkering bedoeld in
hoofdstuk 4
van het voormelde koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 toegekend naar aanleiding van het overlijden van de verstrijkt na deze datum, wordt verlengd overeenkomstig de volgende modaliteiten: 1° de overgangsuitkering voor een periode van 12 maanden 2° de overgangsuitkering voor een periode van 24 maanden wordt verlengd voor een periode van 12 maanden indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste was dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor een van de echtgenoten Kinderbijslag ontving; '3° de overgangsuitkering voor een periode van 24 maanden laste was dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeflijd van 13 Jaar niet bereikte en waarvoor een van de echtgenoten -indien er op het ogenblik van het overlijden een gehandïcapt kind ten laste was, ongeacht de leeftijd van dat kind, waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; driehonderd dagen na het overlijden. De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde bewezen wordt van Kinderlast en wat onder een gehandicapt kind wordt verstaan in de zin van het eerste lid. Onderafdeling 4 - Inwerkingtreding ‘Art. 127. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2022 met uitzondering van de artikelen 122 en 126 die uitwerking hebben op 1 oktober 2021 Titel9- SOCIALE ZAKEN
Hoofdstuk 1
- Financiering van de sociale zekerheid ‘Afdeling 1 - Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Werknemers ‘Art. 128. In afwijking van artikel 6 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel voor werknemers voor het jaar 2022 vastgesteld op 7.000.186 duizend euro, afgenomen van het nettobedrag van de geïnde BTW en 3.293.620 duizend euro afgenomen op het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing. De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten ‘Afdeling 2 - Alternatieve financiering -Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Zelfstandigen ‘Art. 129, In afwijking van artikel 13 van dezelfde wet, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel van de zelfstandigen voor het jaar 2022 vastgesteld op 1.503.329 duizend euro, voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde BTW en 701.082 duizend euro voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing. ‘Afdeling 3 - Inwerkingstreding Art. 130. De artikelen 128 en 129 treden in werking op 1 Januari 2022.
Hoofdstuk 2
- Maatwerkbedrijven - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002 Art. 131. In artikel 326, vijfde lid, van de programmawet (van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 25, april 2014, worden de woorden “of van een maatwerkbedrijf” ingevoegd tussen de woorden ‘van een beschutte werkplaais” en de woorden “in geen enkel geva” Art. 132. In artikel 330, eerste lid, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, worden de volgende wijzigingen 1” de woorden “door de werkgevers van de beschutte werk plaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen” worden vervangen door de woorden “door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven”; 2 de woorden “bij een werkgever van de beschulte werkwerkplaatsen en de sociale werkplaatsen” worden vervangen door de woorden “bij een werkgever van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedriver. ‘Art. 133. Dit hoofdstuk reedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 3
- Plusplannen - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet () van 24 december 2002 ‘Art. 134.
Artikel 336 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, wordt vervangen als volgt: “Art. 336. 5 1. Voor de werknemers voor wie het geheel van de tewerkstelingen bij één en dezelfde werkgever gedurende het kwartaal overeenstemt met volledige kwartaalprestaties, is de doelgroepvermindering gelijk aan een forfaitair bedrag G per kwartaal. Afhankelijk van de beoogde doelgroep, stemt dit orlaitaire bedrag overeen met een forfaitair bedrag zoals bepaald in dt artikel en wordt het toegekend gedurende een aantal kwartalen dat bepaald wordt door de Koning, bj een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad @ is gelijk aan 1000 euro (az is gelijk aan 400 euro. '@s is gelijk aan 300 euro. (a is gelijk aan 600 euro. as is gelijk aan 750 euro '@6 is gelijk aan 1150 euro. 'G7 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid.
Artikel 337 is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing, '@8 is gelijk aan 1500 euro '@9 is gelijk aan 800 euro. @10 is gelijk aan 500 euro G11 is gelijk aan 770 euro. G12 is gelijk aan 726,50 euro, '@13 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. Het bekomen bedrag wordt verminderd met het bedrag van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, $ 3bis, van de wet van 29 juni 1981.
Artikel 337 is niet van toepassing @14 is gelijk aan 1550 euro. @15 is gelijk aan 1050 euro. G16 is gelijk aan 450 euro. @17 is gelijk aan 2400 euro. 'G18 is gelijk aan 4000 euro. 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder tewerk stelling en onder volledige kwartaalprestaties. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de forfaitaire bedragen van dit artikel wijzigen”. ‘Art. 135. In artikel 338 van dezelfde wet, laatst gewijzigd door de wet van 19 december 2014, worden de woorden “het forfaitaire bedrag G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, GB, G9, G10, an, G12, G13, Gî4, G15 of G16” vervangen door de woorden “het forfaitaire bedrag G bedoeld in artikel 336” ‘Art. 136. In artikel 343 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 22 december 2003, en gewijzigd door de wetten van 26 december 2013, 20 juli 2015 en 26 december 2015, a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “8 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt 1 “datum van indiensttreding”: de dag waarop de contractuele arbeidsrelatie aanvangt; 2° “nieuwe werkgever van een eerste werknemer": een werkgever die nooit onderworpen is geweest aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor de tewerksteling van werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers of die, sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen was en die, op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid. waar al een werknemer in dienst is; Is evenwel geen nieuwe werkgever van een eerste werknemer, de werkgever die deel uitmaakt van een historische technische bedrijfseenheid, en bij wie op de datum van indienstreding van de eerste werknemer, tevens één of meer werknemers die vervanger zijn in de zin van artikel 344, in dienst treden; 3° “nieuwe werkgever van een n-de werknemer: een werkgever die sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding van een n-de werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor een gelijktijdige tewerkstelling van meer dan n-1 werknemers, andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi Jobwerknemers, en die op de datum van indiensttreding van een n-de werknemer geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al n werknemers in dienst zijn. De Koning verduidelijkt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hoe de teling van de n-de werknemer dient te gebeuren in geval de werkgever deel uitmaakt van een technische bedrijfseenheid; 4° “technische bedrijfseenheid” de eenheid bestaande uit meerdere juridische entiteiten, met een aantoonbare sociale band door middel van minstens één gemeenschappelijk betrok ken persoon, ongeacht ijn functie binnen die entiteiten, en met een gemeenschappelijkheid die zich uit in een simultane of historische socio-economische verwevenheid, respectievelijk simultane of historische technische bedrijfseenheid genoemd. Voor het bepalen van de sociale band worden de werknemers, overgenomen in toepassing van hoofdstuk Il van CAO 32bis, niet in aanmerking genomen; '5° “simultane technische bedrijfseenheid”: twee of meer ondernemingen die op de datum van indiensttreding van de nieuwe werknemer voor wie de werkgever de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, in de lijd naast elkaar actief zijn en een sociale band en een socio-economische verwevenheid met elkaar hebben; (6° “historische technische bedrijseenheid”: twee of meer mindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, een sociale band en een voorafgaandelijke socio-economische verwevenheid met elkaar hebben. De verwevenheid van de verschilende entiteiten is beperkt tot een periode van 12 maanden”; b) de paragrafen 2 tot 3/3 worden opgeheven. ©) in paragraaf 4 worden de woorden “en deeltijds leerplichtigen” vervangen door de woorden ”, deelijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers”. ‘Art. 137.
Artikel 344 van dezelfde wet, vervangen bi de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt: “Art. 344. De in artikel 343 bedoelde werkgever kan het voordeel van deze onderafdeling niet genieten wanneer de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij dezelide technische bedrijfseenheid In dienst was. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder vervanger wordt verstaan” Art. 138.
Artikel 353ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, en laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 353ter. De volgende werkgevers kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, die de preexistente Juridische structuur genoot, verder blijven genieten: 1° de onderneming die de begunstigde is van één van de Juridische herstructureringsoperaties gelijkaardig aan de situaties omschreven in de artikelen 12:2 tot 12:10 en 12:103 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen of die omgezet wordt in een erkende CVSO of een CV erkend als SO zoals bepaald door de artikelen 14:37 tot 14:45 van hetzelfde wetboek; 2° de onderneming zonder winstuitkeringsdoel waarvan het patrimonium geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het netto actief van één of meerdere ondernemingen zonder winstitkeringsdoel; 3° de onderneming die de begunstigde is van een inbreng, zoals bedoeld in artikel 12:101 van het Welboek van vennoot. schappen en verenigingen. De voortzetting van de doelgroepvermindering is enkel toegestaan indien er tussen de betreffende ondenemingen een schriftelijke overeenkomst werd afgesloten waarin, de overgang, zoals bedoeld in de punten 1° tot 3° van het vorig lid, is opgenomen en de opvolgende werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de door deze laatste opgestelde modelverklaring met aanvraag tot voortzetting overmaakt, waarin de opvolgende werkgever ten aanzien van de Rijksdienst verklaart hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de eventuele sociale schulden van de pre-existente werkgever. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt gelijkgesteld met een derde in verhouding tot een herstructureringsoperatie zoals bedoeld door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze operatie doet geen afbreuk aan de rechten van vernoemde Rijksdienst om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de bijdragenverminderingen voor doelgroepen vervuld zijn in hoofde van de onderneming die de uiteindelijke begunstigde is”.
Art. 139.
Artikel 353quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen als volgt: “Art. 353quater. De werkgever die de doelgroepverminderingen bij toepassing van artikel 353ter voortzet, is hoofdelijk ‘aansprakelijk voor alle op het ogenblik van de voortzetting gekende en nog niet gekende sociale schulden van de preexistente werkgever”. ‘Art. 140. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 4
- Bepalingen met betrekking tot betaalde sportbeoefenaars ‘Afdeling 1 - Wijziging en intrekking van bepalingen betreffende betaalde sportbeoefenaars ‘Art. 141, In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een artikel 1quater “Art. 1quater. $ 1. De houders van een vergunning van “eliterenner met contract”, door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond afgeleverd, worden geacht verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor de toepassing van deze wetgeving. 82. De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht de werkgever te zijn van de in dit artikel vermelde personen. De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond maakt het afleveren van een vergunning afhankelijk van het afleveren van een waarborg door derden ten belope van de bijdrage die door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond als werkgever betaald moet worden, verhoogd met de beheerskosten. De last die uit de toepassing van deze wet volgt voor de werkgever, mag rechtstreeks noch onrechtstreeks afgewenteld worden op de werknemers, inzonderheid door het verhogen van de prijs der vergunning. 8 3. Voor de berekening van bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, worden alle dagen die begrepen zijn in de periode van geldigheid van de vergunning, als arbeldsdagen beschouwd, behoudens de dagen die begrepen zijn in de periodes gedekt door vergoedingen uitgekeerd bij toepassing van de verplichte ziekte- en invalidititsverzekering of door vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid toegekend ingevolge de wetgeving op de arbeldsongevallen”. ‘Art. 142. Worden opgeheven: 1” de wel van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de socialezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van “eliterenner met contract”, gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013; 2” de wet van 3 maart 1977 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de beroepsvoetbalspelers. ‘Afdeling 2 - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet() van 24 december 2002 Art. 143, In artikel 336 van de programmawet () van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 van de COVID-19-pandemie, vervangen bij artikel 134 van deze wet, wordt paragraaf 1 vervoledigd met een zin, luidende: “Gio is gelijk aan een percentage, door de Koning te bepalen bi een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste id, dat overblijft na toepassing van arikel 326, tweede, derde, vierde en vijde lid.
Artikel 337 is met uitzonde ring van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing”. ‘Art. 144. In afdeling 3 van
Hoofdstuk 7
van de Titel IV van dezelfde wet wordt een onderafdeling 16 ingevoegd, luidende “Onderaldeling 16. Betaalde sportbeoefenaars”.
Art. 145. In onderafdeling 16 van dezelde wet, ingevoegd bij artikel 144, wordt een artikel 353bis/16 ingevoegd, luidende: “Art. 358bis/16. De werkgevers bedoeld in artikel 335 die werknemers tewerkstellen met toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoelenaars of die sportbeoefenaars tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst die niet onder de toepassing vallen van de voormelde wet van 24 februari 1978 of die houders van een vergunning van beroepsrenners afgeleverd door de Belgische Wielrennersbond tewerkstellen, kunnen voor ek van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering genieten, maximaal en belope van het bedrag bepaald door de Koning bi een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. ‘Afdeling 3 - Toekenning van een sportbonus ‘Art. 146. Het opschrift van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering wordt vervangen als volgt: “Wet tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, aan sommige en aan de betaalde sportbeoefenaars”. ‘Art. 147, In de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, wordt een artikel 3bis/2 ingevoegd, luidende: “Art. 3bis/2. De sportbeoefenaars bedoeld in de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, alsmede de sportbeoefenaars die verbonden zijn door een arbeldsovereenkomst en niet onder de toepassing vallen van voormelde wet van 24 februari 1978 of houders van een vergunning van beroepsrenner afgeleverd door de Belgische Wielrijdersbond die zijn onderworpen aan de regelingen bedoeld in artikel 21, 51, 1°, 2° en 5”, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kunnen, in afwijking van de artikelen 38, 52, en 23, negende lid, van voormelde wet zekerheid genieten. in de Ministerraad, de nadere regels en voorwaarden voor het genot van de vermindering bedoeld in het vorige lid, alsook het bedrag en de berekeningswijze van de vermindering. De som van de verminderingen van de persoonlijke bijdragen bedoeld in het eerste lid, eventueel verhoogd met het bedrag van de vermindering waarop de werknemer recht heeft in toepassing van artikel 2, mag het bedrag van de verschuldigde persoonlijke bijdragen niet overschrijden.” ‘Afdeling 4 - Minnelijke afbetalingstermijnen ‘Art. 148. De werkgevers van sportbeoefenaars bedoeld bij de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, alsmede van de sportbeoefenaars die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en niet onder de toepassing vallen van voormelde wet van 24 februari 1978 of van de houders van een vergunning van beroepsrenner afgeleverd door de Belgische Wielrjdersbond kunnen, vóór edere gerechtelijke vervolging en elk ander voorafgaandelijk minnelijk afbetalingsplan, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om minnelijke afbetalingstermijnen verzoeken voor de door de werkgever aangegeven bijdragen voor het in het tweede lid bepaalde gedeelte van de bijdragen verschuldigd voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022, met uitzondering van de door voormelde Rijksdienst ambtshalve vastgestelde bijdragen met betrekking tot het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarbij de bijdrageopslagen, de eventuele forfaitaire vergoedingen wegens het niet-nakomen van de verplichtingen inzake betaling van voorschotten en de verwijintresten niet worden aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde betalingsmadalteiten strikt worden nageleefd. Deze minnelijke afbetalingstermijnen kunnen enkel toegestaan worden voor het gedeelte van de voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 verschuldigde bijdragen dat hoger is dan de bijdragen die voor het overeenstemmende kwartaal van het voorafgaande jaar verschuldigd waren. De minnelijke afbetalingstermijnen bedoeld in het eerste lid worden toegestaan volgens de voorwaarden en nadere regels vastgelegd krachtens artikel 40bis van voornoemde wet van 27 juni 1969 en artikel 4&decies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de voormelde wet van 27 juni 1969, evenwel met 15 december 2022 als uiterste betalingsdatum voorzien in deze minnelijke afbetalingstermijnen. ‘Afdeling 5 -Inwerktreding ‘Art. 149. Dit hoofdstuk reedt in werking op 1 januari 2022.
Hoofdstuk 5
- Responsabilisering van de werknemers ‘Art. 150. In artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 jui 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, wordt een paragraaf 1/4 ingevoegd, “8 14. Om te kunnen nagaan of een “Terug- Naar-Werktraject” bedoeld in paragraaf 1/1 kan aanvatten, s de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde ertoe gehouden: 1° op verzoek van de adviserend arts de gegevens te bezorgen die noodzakelijk zijn voor de inschatting van zijn restcapaciteten, evenals een gevolg te geven aan de uitnodiging van de adviserend arts voor een medisch onderzoek dat in voorkomend geval wordt georganiseerd als de voor deze inschatting van de restcapaciteiten vereiste gegevens, ondanks de geboden ondersteuning door de “Terug-NaarWerk-coördinator”, niet worden bezorgd; 2 een gevolg te geven aan de uitnodiging van de “TerugNaar-Werk-coôrdinator” voor een eerste contactmoment in het Kader van het voormelde “Terug-Naar-Werktraject”. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend wanneer de arbeidsonge schikte gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het medisch onderzoek bedoeld in het eerste id, 1° of op het eerste contactmoment bedoeld in het eerste ld, 2°. In ait kader kan de afwezigheid van de gerechtigde worden gerechtvaardigd door elementen zowel van medische aard als van niet-medische aard”.
Art. 151. In artikel 134, 5 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, worden de woorden “De toekenning van de uitkeringen die onder titel IV zijn bepaald, wordt” vervangen door de woorden “Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 100, $ 1/4, tweede id in geval van de afwezigheid van de gerechtigde op het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts als hij de vereiste gegevens voor de inschatting van zijn restcapaciteiten niet heeft bezorgd, wordt de toekenning van de uitkeringen die onder titel IV zijn bepaald” ‘Art. 152. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing op de gerechtigden wier periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 ten vroegste op 1 januari 2023 aanvat.
Hoofdstuk 6
- Responsabiliseringsbijdrage werkgevers ‘Art. 153. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt 1e “werkgever”: de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, $ 1, van de wet van 27 juni 1989 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; 2° “invaliditeit”: de periode van arbeïdsongeschiktheid bedoeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 3 “primaire arbeidsongeschiktheid”: het tijdvak van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet betreffende uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 4° “kwartaal Q”: het kwartaal waarin de invaliditeit een aanvang neemt; 5 “kwartaal 0-1”: het kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q 6° “kwartaal Q-4°: het vierde kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; 7° “refertekwartalen”: kwartaal Q en de drie kwartalen voorafgaand aan kwartaal Q. ‘Art. 154. Een trimestriële responsabiliseringsbijdrage is verschuldigd door de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités met een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. ‘Onder bovenmaatse instroom in de invaliditeit wordt verstaan: het gemiddelde van de verhoudingen tussen de intredes in invaliditeit in kwartaal Q en elk der drie voorafgaande kwartalen ten opzichte van de totale tewerkstellingen in elk der overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar ligt zowel X maal hoger dan bi ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector als Y maal hoger dan bij de algemene private sector, bepaald overeenkomstig artikel 156. In afwijking van het eerste lid, zijn van deze bijdrage vrijge steld de werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 van, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden tijdens een referteperiode, berekend overeenkomstig artikel 155. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt geen rekening gehouden met werkgevers die gedurende het aar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerksteiden, berekend overeenkomstig artikel 155, wordt enkel rekening gehouden met de werknemers die op de laatste dag van kwartaal Q-4 ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bijde bekrelfende werkgever tewerkgesteld zin. ‘Art. 155. Om het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers te berekenen, wordt het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referleperiode aangegeven werknemers, gedeeld door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, werknemers aangegeven heeft die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Indien op de dag waarop de in het eerste ld bedoelde berekening gebeurt, een, of meer aangites die betrekking hebben op de referteperiode ontbreken bij de Rijksdienst, wordt voor het ontbrekende tijdvak net rekenkundig gemiddelde van het op de ingediende aangiften voorkomende aantal werknemers genomen. Indien de werkgever voor de referleperiode geen aangiftes moet overmaken aan de Rijksdienst, wordt voor de bepaling van het gemiddelde verwezen naar het aantal werknemers tewerkgesteld op de laaste dag van het kwartaal waarbinnen de eerste tewerksteling volgend op de referteperiode plaatsgreep. ‘Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder “referteperiode” verstaan: de periode van het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar (n-2) en het eerste, tweede en derde kwartaal van het vorig jaar (n-i) Art. 156. 5 1. De verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activitetensector in kwartaal Q wordt bepaald aan de hand van de eerste 4 cijfers van de NACE-classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever. $ 2. Voor het bepalen van de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen, In de algemene private sector in kwartaal Q, wordt rekening gehouden met alle werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. $ 3. Voor het bepalen van de bovenmaatse instroom in invaliditeit wordt geen rekening gehouden met werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting bedoeld in artikel 100, $ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. 8 4. Voor het bepalen van de totale tewerkstelling bij de werkgever gedurende de met de refertekwartalen overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar wordt rekening gehouden met het aantal voltijdse equivalente werknemers tewerkgesteld bijde werkgever gedurende deze kwartalen die op de laatste dag van kwartaal Q (0-4) ten, minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn 85. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de criteria en de nadere regels voor de vaststelling van de bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit nader bepalen, met inbegrip van de factoren “X” en “Y” bedoeld in artikel 154, tweede lid Art. 157. 5 1. De timestrièle responsabliseringsbijdrage bedraagt 0,625 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bijdrageplichtige lonen van kwartaal Q-1 en wordt vastgesteld op basis van de gegevens inzake instroom in invaliditeit meegedeeld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering Voor de werknemers voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon, vermeerderd mat 8 %, ingevolge artikel 19, 1, weede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tat uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluiwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, houdt men voor de toepassing van het eerste lid rekening met het loon aan 108 % Voor de berekening van de respansabilseringsbijdrage wordt geen rekening gehouden met de bedragen die verschuldigd zijn onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het aangiftekwartaal, andere dan de bedragen die betrekking hebben op de beêindiging van de arbeidsovereenkomst 8 2. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt voor wat betreft de instroom van werknemers in invaliditeit rekening gehouden met de meerderjarige werknemers die op de datum van de aanvang van de primaire arbeldsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die op dat ogenbiik gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zin. 8 3. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de berekeningswijze en nadere modaïteiten inzake berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage nader bepalen en wijzigen. ‘Art. 158. De trimestrële responsabiliseringsbijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en via een debetbericht samen met de bijdragen voor het tweede kwartaal volgend op kwartaal Q (Q:2) geïnd. De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst, zijn van, toepassing.
Art. 159. De werkgevers wiens gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit ongunstig evolueert, worden hiervan proactief door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de hoogte gehouden, De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde proactieve mededelingen nader bepalen.
Art. 160. Met het oog op de berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage en met het oog op de proactieve informatie bedoeld in artikel 159, deelt het ijksinsttuut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ieder kwartaal aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de volgende persoonsgegevens mee betreffende de instroom van werknemers in invaliditeit: 1° het identiicatienummer bedoeld in artikel 8, 5 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 2° de geboortedatum; 3° de datum van aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid; 4 de datum van aanvang van invaliditeit. De persoonsgegevens bedoeld in het eerste id worden door de voormelde Rijksdienst niet anger bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt en worden uiterlijk 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontvangst van deze persoonsgegevens vernietigd Art. 161. 1. De opbrengst van de In artike! 157 bedoelde bijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort aan het Fonds voor Beslaanszekerheid van de Paritaire Comités of Paritaire Subcomités waaronder de werkgever ressorteert in de mate en onder de voorwaarden zoals in de volgende paragrafen van dit artikel gespecilieerd. 82. De gestorte opbrengsten zijn bestemd voor maatregelen aie van die aard zijn dat ze de problematiek die geviseerd wordt door de responsabilseringsbijdrage verminderen. De bevoegde paritaire comités of paritair subcomités moeten over deze inspanningen een collectieve arbeldsovereenkomst hebben afgesloten. In deze collectieve arbeidsovereenkomst worden de instelingen aangeduid die belast zijn met de besteding en het gebruik van de gelden voor de bovengenoemde inspanningen. Deze instelingen moeten opgericht zijn volgens de bepalingen van de wet betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid van 7 januari 1958, 8 3. De Koning, bi in Ministerraad overlegd beslut, bepaalt de nadere regelen en voorwaarden inzake: -de storting van de bijdrage daor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de betrokken Fondsen; -de bestemming van de opbrengsten die door de voormelde Rijksdienst niet kunnen worden overgemaakt aan een Fonds voor Bestaanszekerheid 8 4. De Koning, bij In Ministerraad overlegd besluit, duidt de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen van dit artikel ‘Art. 162. De bepalingen van dit hoofdstuk reden in werking De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de periodes van invaliditeit die aanvangen vanaf 1 januari 2022
TITEL
10 - ZELFSTANDIGEN
Enig hoofdstuk Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen Art. 163. In artikel 18bis, 85, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 jul 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het zesde lid wordt vervangen als volg “Het dagelijks bedrag van de uitkering bedraagt 85,77 euro. Di bedrag is gekoppeld aan de splindex 109,34 (basis 2013 - 100); 2° net achtste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 8) luidende: 8) het bedrag van de financiële uikering”. ‘Art. 164. Dit hoofdstuk reedt in werking op f januari 2022
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 70.434/1-2-3-4-VR VAN 17 NOVEMBER 2021 Op 3 november 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Eerste minister verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen, verlengd tot acht werkdagen” ‚een advies, te verstrekken over een voorontwerp van programmawet Titels 1, 3, 7, 8 (hoofdstukken 1, 2 en 3 (afdeling 2), 9 (hoofdstukken 1 tot 4 en 10 zijn door de eerste kamer onderzocht op 8 november 2021. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wouter Pas en Inge Vos, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Wim Geuars, griffier. De verslagen zijn uitgebracht door Kristine Bas, eerste auditeur-afdelingshoofd, Rein Trevewaus, eerste auditeur, en Jonas RievsLaon, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wouter Pas, staatsraad. Titels 1, 4 en 9 (hoofdstukken 5 en 6) zijn door de tweede kamer onderzocht op 9 november 2021. De kamer was samengesteld uit Pierre Vanoenvoor, kamervoorziter, Patrick Rowaux en Christine Honevoers, staatsraden, en Béatrice Drunen, grifer. De verslagen zijn uitgebracht door Yves Chaurrouneaux en Stéphane Teuwen, eerste auditeurs. tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre, Vaxoenvoor, kamervoorzitter. Titels 1, 2 en 5 zijn door de derde kamer onderzocht op 8 november 2021. De kamer was samenge steld uit Wilfried Van Vaenensenon, kamervoorzitter, Jeroen Vav Nieuwenwove en Koen Muvue, staatsraden, Bruno Peerens, assessor, en Annemie Goossens, griffier. auditeur-afdelingshoofd, Frédéric Vanneste, eerste auditeur, en Tim Conruaur, Jonas Riensuaan, Cedric Jenanr en Arne Carron, auditeurs. tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaeneneenan, kamervoorziter, en Jeroen Van Nieuwen-ove, staatsraad. Titels 1, 6 en 8 (hoofdstuk 3, afdeling 1) zijn door de vierde kamer onderzocht op 10 november 2021. De kamer was *_Deze verlenging voet oort it arikel 84, $ 1, eerste lid, 3”, van ‘de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat de termijn van vijf werkdagen verlengd wordt tet acht werkdagen in het geval waarin het advies gegeven wordt door de verenigde kamers met toepassing van artikel B5bís samengesteld uit Martine Bscuer, kamervoorzitter, Bemard Beno ‘en Florence Per, staatsraden, en Charies-Henri Van Hove, toegevoegd grifier, De verslagen zin uitgebracht door Yves Craurrounesut en Stéphane Teven, eerste auditeurs tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baaver, Kamervoorzitter.
Artikel 145 is, wat de bevoegdheid betreft, door de verenigde kamers onderzocht op 10 november 2021. De verenigde kamers waren samengesteld uit Marnix Van Dauwe, Kamervoorzitter, voorzitter, Martine Baaver. kamervoorzitter, Bemard Beno, Wouter Pas, Florence Pier en Inge Vos, Staatsraden, Wim Gevars,grfier, en Charles-Henri Van Hove, toegevoegd grifier Het verslag is uilgebracht door Roger Wien, eerste audeur, en Jonas RieusLaan, auditeur. Pas, staatsraad Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op Volgens artikel 84, 5 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan De motivering in de briet luidt als volgt “Het inroepen van de hoogdringendheid wordt algemeen gemotiveerd door het feit dat de bepalingen van het voorontwerp, in hun geheel genomen. uitvoering geven aan de beslissingen genomen in het kader van de begroting 2022 die op heel korte termijn moeten van kracht worden” ONTVANKELIJKHEID VAN DE ADVIESAANVRAAG 1. Door te eisen dat de adviesaanvragen met een termijn van vj werkdagen van een “bijzondere” motivering worden voorzien, heeft de wetgever tot uiting gebracht dat hij wil dat aleen in uitzonderlijke gevallen verzocht wordt om mededeling van het advies binnen die uitzonderlijk korte termijn. De aanvrager moet derhalve pertinente en voldoende ooncrete gegevens aanbrengen die het aannemelijk maken dat de ontworpen regeling dermate spoedeisend is dat noodzakelijkerijze een beroep moet worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, $ 1, eerste lid, 3”, van de wetten op de Raad van State (advies mede te delen binnen een termijn van vj werk dagen) en waarom, op het ogenblik van de adviesaanvraag, geen beroep kon worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, $ 1, eerste lid, 2°, van die wetten (advies mede te delen binnen een termijn van dertig dagen). 211. In het algemeen kan worden aanvaard dat bepalingen die een nauwe band vertonen met de begroting voor het jaar 2022, een spoedeisend karakter vertonen. Voor een aantal artikelen van het voorontwerp wordt die nauwe band evenwel niet of onvoldoende duidelijk aangetoond. In dit verband dient te worden opgemerkt dat, gelet op de [zeer algemene motivering in de brief met de adviesaanvraag, de spoedeisendheid slechts kan worden aanvaard voor maat regelen die kennelijk noodzakelijk zijn in het raam van het behalen van de begrotingsdoelstelingen en geen uitstel dulden. 2.241.
Artikel 26 van het voorontwerp bevat een wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) in verband met de opleidingspremies. Die bepaling zal van toepassing zijn vanaf het aanslagjaar 2023 (zie artikel 27 van het voorontwerp). Vermits de ontworpen wijziging ten vroegste gevolgen kan hebben voor het aanslagjaar 2023, ontbreekt een band met de begroting 2022 en kan de spoedeisendheid voor die bepalingen niet worden aanvaard 2.2.2. De artikelen 28 tot 32 van het voorontwerp bevatten wijzigingen van het WIB 92 met betrekking tot de belastingverminderingen voor werkloosheidsuitkeringen. Die wijzigingen zullen van toepassing zijn vanaf het aanslagjaar 2023 (zie artikel 33 van het voorontwerp). Vermits de ontworpen wijzigingen ten vroegste gevolgen kunnen hebben voor het aanslagjaar 2023, ontbreekt een band met de begroting 2022 en kan de spoedeisendheid voor die bepalingen niet worden aanvaard. 2.2.3. De artikelen 48 tot 54 van het voorontwerp beogen hoofdzakelijk het strafrechtelijk beleid inzake fiscale en sociale fraude te optimaliseren. Voor die bepalingen ontbreekt de nauwe band met de begroting voor het jaar 2022 en kan de spoedeisendheid derhalve niet worden aanvaard. 2.2.4. De artikelen 106 tot 109 van het voorontwerp regelen de verplichte terbeschikkingstelling van een elektronisch betaalmiddel voor consumenten. In verband met de spoedeisendheid van de adviesaanvraag ten aanzien van deze artikelen verklaart de gemachtigde: [_]laloi-programme met en ceuvre ce premier plan d'action tel qu'inserit dans le budget pluriannuel 2021-2024. De artikelen 106 tot 109 vertonen aldus wel een band met de begroting 2022. Ze treden evenwel pas in werking op 1 juli 2022, en worden dus niet “op heel korte termijn” van kracht, zoals gezegd in de algemene motivering van de spoedeisend heid. Eris niet aangetoond dat een adviesaanvraag op dertig dagen het onmogelijk zou maken dat voldoende tijd voorhanden, Is voor de voorbereiding van de invoering van de maatregel door de ondernemingen, waarnaar de gemachtigde verwijst. 2.2.5 Voor zover artikel 112 van het voorontwerp, zoals uit de memorie van toelichting blijkt, in een aanpassing voorziet van artikel 2, 5 1, eerste lid, c), van de wet van 15 mei 1984 ‘houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen” teneinde het af te stemmen op artikel 46 van dezelfde wet zoals dat in dezelfde zin gewijzigd is bij artikel 5 van de wet van 30 maart 2018 ‘met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als niet[-Jvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, ‘tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake ‘aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, is het niet duidelijk in welk opzicht het verband houdt met de begroting 2022 en kan de spoedeisendheid met betrekking tot die bepaling niet worden aanvaard; de bepaling wordt dan ook niet onderzocht. ‘Om dezelfde reden wordt ook artikel 116 van het voorontwerp, dat een overgangsbepaling vormt in verband met het toepassen van de wijziging die bij artikel 112 wordt aangebracht, niet verder onderzocht. 2.2.6. Voor zover artikel 113 van het voorontwerp, zoals uit de memorie van toelichting blijkt, voorziet in de vervanging van artikel 5/2, derde lid, van de wet van 15 mei 1984 om het in overeenstemming te brengen met de lering van arrest nr. 158/2014 van het Grondwettelijk Hof, wordt het verband *_ Bi dat laatstgenoemde artikel is in artikel 46 de voorwaarde ‘opgeheven “ten minste vijf pensioonaanspraakverlonende dlenstjaren le] tellen, met uitslufting van de boniicaties wegens studies en van de periodes vergoed wegens diensten die voor de vaststeling van de wedde meetellen” tussen dat artikel en de motivering van de spoedeisendheid, waarin sprake is van de tenuitvoerlegging van de beslissingen genomen in het kader van de opmaak van de begroting voor 2022, niet aangetoond. Bijgevolg wordt artikel 113 van het voorontwerp niet onderzocht ‘Ook de artikelen 123 en 124 van het voorontwerp beogen de wetgeving aan te passen aan hetgeen volgt uit het arrest pr. 158/2014. Om die hiervoor vermelde reden worden ze bijgevolg niet onderzocht. 2.2.7. In artikel 118 van het voorontwerp wordt het volgende. bepaald: “Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2022, met uitzondering van: 1° de artikelen 114 en 117 die uitwerking hebben metingang bekendgemaakt.” Gelet op die bepaling kan de noodzaak om het advies van de afdeling Wetgeving met spoed in te winnen wat de artikelen 113 en 115 betreft, in twijfel worden getrokken. Uit hun datum van inwerkingtreding blijkt namelijk niet dat die, bepalingen maatregelen zouden bevatten die geen uitstel dulden. Ze worden dan ook niet onderzocht. 2.2.8. Uit artikel 127 van het voorontwerp volgt dat de artikelen 119 tot 121 en de artikelen 123 en 124 in werking treden op 1 juli 2022. Gelet op deze datum van inwerkingtreding kan niet worden aangenomen dat het gaat om bepalingen ‘die op heel korte termijn moeten van kracht worden”. Deze bepalingen worden dan ook niet verder onderzocht. 2.2.9. Volgens artikel 152 van het voorontwerp zou
hoofdstuk 5
van titel 9 in werking moeten treden “op 1 januari 2023 en s [het] van toepassing op de gerechtigden wier periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 ten vroegste op 1 januari 2023 aanvat”. Het verband tussen dat hoofdstuk en de motivering van de spoedeisendheid, waarin wordt verwezen naar de uitvoering van de beslissingen genomen in het kader van het opmaken van de begroting voor het jaar 2022, is niet aangetoond. De adviesaanvraag is dan ook niet-ontvankelijk voor zover ze betrekking heeft op de bepalingen van dat hoofdstuk. 2.3. Wat de voormelde artikelen van het voorontwerp betreft Is de adviesaanvraag bijgevolg niet ontvankelijk en is daardoor ook niet voldaan aan de adviesverplichting. Die bepalingen kunnen eerst in het Parlement worden ingediend nadat erover alsnog het advies van de afdeling Wetgeving is ingewonnen. Met toepassing van artikel 84, 5 3, eerste id, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond’, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan
VORMVEREISTEN
1. Een aantal bepalingen van het voorontwerp betreffen regelingen waarvan de stellers dienen na te gaan of een aanmelding bij de Europese Commissie op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vereist is, dan wel of een vrijstelingsregeling van, toepassing is en, zo dat het geval is, of aan de voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan Bij de artikelsgewijze bespreking wordt zo nodig nader ingegaan op dit aspect. 2. De overige opmerkingen inzake de vormvereisten zijn opgenomen bij de artikelsgewijze bespreking. 3. Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst nog wijzigingen zou ondergaan ten gevolge van het vervullen van deze vormvereisten,” moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, 8 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd
ONDERZOEK VAN DE TEKST TITEL
1 - ALGEMENE BEPALING
Deze titel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. *_ Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de conformiteit met hogere rechtsnormen verstaan *_ Namelijk andere wijzigingen dan diegene waarvan in dt advies, melding wordt gemaakt of wijzigingen da ertoe stokken tegemoet te komen aan hetgeen in dt advies wordt opgemerk De artikelen 2 tot 11 van het voorontwerp bevatten diverse fiscale maatregelen ten aanzien van sportbeoefenaars en sportclubs. De ontworpen regelingen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2022 (artikel 12 van het voorontwerp) ‘Onderafdeling 1 - Hervorming van de bedrijlsvoorheffing ‘Artikel 2 van het voorontwerp strekt tot de vervanging van artikel 275° van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92), dat betrekking heeft op de vrijstelling van storting van een deel van de bedrifsvoorhelfing op bezoldigingen aan sportbeoefenaars. De ontworpen regeling voorziet in een vrijteling van de storting van de bedrifsvoorhelfing ten belope van een bedrag dat overeenstemt met opleidingssteun en een bedrag dat overeenstemt met exploitatiesteun voor sportinfrastructuur, waarbij de som van de bedragen niet hoger mag zijn dan 80 % van de bedrijfsvoorheffing die op de betrokken bezoldigingen wordt ingehouden ALGEMENE OPMERKINGEN A. Verband tussen de vrijsteling en de bezoldigingen 1. Op basis van de ontworpen regeling wordt steun toegekend voor uitgaven in het kader van opleidingen van sporlbeoefenaars ‘en voor uitgaven die verband houden met de exploitatie van sportinfrastructuur. Een beperking daarbij is dat de steun niet meer kan bedragen dan 80 % van de bedrijlsvoorheffing die op de bezoldigingen wordt ingehouden. De omvang van het voordeel op basis van de ontworpen regeling hangt bijgevolg al van de omvang van de bezoldigingen die door de betrokken werkgever worden toegekend aan sportbeoefenaars 1.1. Er bestaat evenwel niet noodzakelijk een verband tussen enerzijds de uitgaven die in aanmerking komen voor de vrijsteling van de storting van de bedrijfsvoorheling en anderzijds de omvang van de bezoldigingen die de basis vormen voor het plafond van die vrjsteling. Zo zal bijvoorbeeld een sportclub die opleidingen aanbiedt aan sportbeoefenaars maar geen bezoldigde sportbeoelenaars tewerkstelt, de vri steling niet kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor de steun voor de exploitatie van sportinfrastructuur. De kosten voor die infrastructuur zij niet noodzakelijk evenredig met de omvang van de bezoldigingen van de sportbeoefenaars. Die laatste hangtimmers af van, onder meer, het belang van bezoldigde sportbeoefenaars in het geheel van de activiteiten van de betrokken sportclub, van de hoogte van de bezoldigingen die in de betrokken sporttak gangbaar zijn, enz 1.2. Bijgevolg rijst de vraag of de ontworpen regeling kan worden verantwoord in het licht van het grondwettelijke gelijkneidsbeginsel dat vervat gt in de artikelen 10, 11 en, wat belastingzaken betreft, 172 van de Grondwet, inhet bijzonder wat betreft de pertinentie van het gehanteerde criterium inzake de omvang van de bezoldigingen. ©__ Ontworpen artikel 275, orsto lid, WIB 92. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschi in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief en pertinent eiterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel Daarbij moet worden opgemerkt dat de loutere keuze om de betrokken steun toe te kennen via een vrijsteling van de storting van de bedrifsvoorheffing op zichzelf geen aldoende verantwoording biedt voor het verschil in behandeling dat uit de ontworpen regeling voortvoeit. De wetgever beschikt immers ook over andere mechanismen dan de vrijstelling van de storting van de bedrijlsvoorheffing om, eveneens via de fiscale weg, steun toe te kennen. Het is raadzaam om de verantwoording die ter zake moet kunnen worden gegeven uiteen te zetten in de memorie van toelichting bij het voorontwerp.
B. Staatssteun 2. Zoals in de memorie van toelichting bijhet voorontwerp wordt bevestigd, moet de vrijsteling van storting van bedrifsvoorheffing voor sportbeoefenaars worden beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Krachtens artikel 108, id 3, VWEU moet staatssteun in beginsel voorafgaandelijk worden aangemeld bij de Europese Commissie. Het lijkt echter de bedoeling van de stellers van het voorontwerp om de ontworpen regeling in te passen in de algemene groepsvrijstelingsverordening’, meer bepaald In artikel 31 ervan, inzake opleidingssteun, en arikel 55 ervan, inzake steun voor sportinfrastructuur en mulifunctionele recreatieve infrastructuur. De afdeing Wetgeving heeft in het verleden reeds opgemerkt dat het loutere gegeven dat de algemene groepsvrijstelingsverordening rechtstreekse werking heeft en de bepalingen ervan in beginsel niet door de nationale regelgever(s) moeten worden overgenomen, niet betekent dat de toepasselijke voorwaarden automatisch van toepassing zijn op de ontworpen regeling. Het staat de wetgever immers in beginsel vrij een regeling tot stand te brengen die afwijkt van de voorwaarden en grenzen van die verordening, in welk geval de vrijsteling van de verplichting tot aanmelding bedoeld in artikel 108, li 3, VWEU, geen toepassing zal vinden. Indien de wetgever effectief van die vrijstelingsmogelijheid gebruik wil maken, moeten het toepassingsgebied en de voorwaarden van de > _ verordening (EU) nr. 651201 van de Commissie van 17 juni 2014 “waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artkelen 107 ‘en 108 van het Verdrag metde intro markt verenigbaar worden tot stand te brengen regeling voldoende nauwkeurig afgestemd zijn op de toepasselijke voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening De ontworpen regeling geeft op dat gebied aanleiding tot de volgende opmerkingen. 211.
Artikel 31 van de algemene groepsvristellingsverordening voorziet in een vrijsteling van de aanmeldingsverplichting voor opleidingssteun indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Die voorwaarden zijn in het voorontwerp In hoofdzaak opgenomen in het vierde tot het zesde id van de ontworpen bepaling. 2.14. De opleidingssteun waarin de ontworpen bepaling voorziet voor “kosten die betrekking hebben op de opleiding van Jonge sportbeoefenaars” heeft een zeer ruim toepassingsgebied. Luidens het vijfde id van de ontworpen bepaling komen de volgende kosten in aanmerking: *- de bezoldigingen van personen belast met de opleiding, - de bezoldigingen van de jonge sportbeoefenaars, die - rechtstreeks met de opleiding verband houdende opeuitsluitend voor de opleiding worden gebruikt” In de memorie van toelichting bij het voorontwerp wordt in dat verband onder meer het volgende opgemerkt: “(…) Niet alle prestaties die deze jonge sportbeoefenaars leveren, maken immers deel uit van het opleidingstraject. Wanneer bijvoorbeeld een jonge sportbeoefenaar deelneemt aan een wedstrijd waaraan enkel andere jonge sportbeoefenaars deelnemen, dan kan deze wedslijd inderdaad beschouwd worden als een onderdeel van het opleidingstraject. Een wedstrijd daarentegen op elteniveau waaraan ook sportbeoefenaars kunnen deelnemen die 23 jaar of ouder zijn, kan, daarentegen moeilijk beschouwd worden als een onderdeel van een opleidingstraject. Nieuw is dat voortaan ook rechtstreeks met de opleiding verband houdende operationele kosten van opleiders en Jonge sportbeoefenaars, zoals reiskosten, accommodatiekosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met de opleiding verband houden, in aanmerking komen. Ook de afschrijving van werktuigen en uitrusting kan in aanmerking komen voor zover deze uitsluitend voor de opleiding worden gebruikt” 2.1.2. Krachtens artikel 31, lid 3, van de algemene groepsvrijstellingsverordening komen de volgende kosten in aanmerking voor steun: “a) de personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleiding deelnemen; b) rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding, zoals reiskosten, accommodatiekosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt c) kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject; d) de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen” 2.1.3. Vraag is of alle kosten die in het vide lid van de ontworpen bepaling worden vermeld, kunnen worden beschouwd als kosten voor een “opleiding” in de zin van artikel 31 van de algemene groepsvrijstelingsverordening. Het uitgangspunt van de ontworpen regeling lijkt te zijn dat nagenoeg alle activiteiten van de jonge sportbeoefenaars, met inbegrip van ale trainingen alsook de wedstrijden waaraan geen personen ouder dan 23 jaar deelnemen, als een opleiding moeten worden beschouwd. In die zienswijze is het voorwerp van de arbeidsovereenkomst van de sportbeoefenaar bijgevolg volledig of quasi-volledig te herleiden tot het volgen van opleidingen. 2.1.4. Hoewel het begrip “opleiding” niet wordt gedefinieerd in de algemene groepsvrijstelingsverordening, kan sterk worden betwijfeld dat zo'n ruime invuling van dat begrip verenigbaar Is met de doelstelling en het opzet van de betrokken vrijstellingsregeling. Zo wordt de regeling voor opleidingssteun in overweging 53 van de verordening in verband gebracht met het vergroten van het aanbod van geschoolde arbeidskrachten en de werkgelegenheidsstrategie van de Unie. Indien alle of bijna alle prestaties van de sportbeoefenaars als een “opleiding” moeten worden beschouwd, verrichten zij (nagenoeg) geen arbeidsprestaties meer. Ook de mogelijkheid in artikel 31, lid 3, d), van de verordening om steun toe te kennen voor de uren waarin de deelnemers de opleiding bijwonen, lijkt te suggereren dat de opleiding voldoende duidelijk moet kun nen worden onderscheiden van de arbeidspreslaties van de werknemer. 2.1.5. Hierover om nadere toelichting verzocht, verklaarde de gemachtigde het volgende: “Vooreerst bevat de algemene groepsvrijstellingsverordening geen vastomlijnde definitie van wat onder het begrip ‘opleiding moet worden begrepen. Wij kunnen uit artikel 31 van de voormelde verordening niet afleiden dat enkel opleidingen in aanmerking kunnen komen die los (kunnen) staan van het eigenlijke voorwerp van de arbeidsovereenkomst. Wanneer bepaalde begrippen uit een verordening niet worden gedefinieerd, dan zijn we van mening dat de lidstaten een zekere appreciatiemarge behouden omtrent de interpretatie van dit begrip Wij zijn van mening dat om de opleidingstijd te onderschei‘den van niet opleidingstijd, er moet gekeken worden naar het economische oogmerk achter de indienstneming van de werknemer (in dit geval de sportbeoefenaar) Tijdens de uitoefening van de arbeidsovereenkomst zijn ‘er tijdspannes waarbij een werknemer toegevoegde economische waarde levert voor zijn werkgever. Daarnaast zijn er ook tijdspannes waarbij de werknemer niet rendabel is, maar die worden aangewend om vaardigheden bijte schaven die kunnen worden gebruikt tijdens de eerstgenoemde periode. In die laatste periode vormt een werknemer enkel een kost voor de werkgever en levert deze geen toegevoegde economische waarde voor de werkgever. Het is die laatste periode, waarbij de werknemer niet word! ingezet in het productieproces ‘en vaardigheden krijgt aangeleerd of aanscherpt, die we beschouwen als opleidingstijd. Neem bijvoorbeeld een luchtvaartmaatschappj, die piloten in ‘dienst neemt. Meer concreet worden deze in dienst genomen, zodat deze piloten vllegwigen van de luchtvaartmaatschappij van plaats A naar plaats B kunnen vliegen. Deze piloten worden onderworpen aan twee soorten opleiding. Eris de basisopleiding die een natuurlijke persoon moet doorlopen ‘om een piloot te kunnen worden (waarvan de kost in regel niet wordt gedragen door de luchtvaartmaatschappijen). Vervolgens worden piloten na hun opleiding en na de indiensttreding nog steeds verondersteld om hun vaardigheden continu bij te schaven, by door middel van een vluchtsimulator. Wij zijn van mening dat niet enkel de basisopleiding, maar ook de tijdspanne de piloten spenderen in de vluchtsimulator, in ‘aanmerking komt als opleidingstjd en principieel onder het. toepassingsgebied van artikel 31 van de algemene groepsvristelingsverordening zou kunnen vallen. De oefening van een piloot in een vluchtsimulator is geen productieve arbeidstijd voor de werkgever, waardoor de werkgever niet geneigd zal zijn om de kosten hiervan te hoog op te laten lopen. Tegelijk zal niemand het nut van dergelijke oefeningen in twijfel trekken. Het laten uitvoeren van simulatievluchten door piloten is vergelijkbaar met de dagdagelijkse training die sportbeoefenaars dagelijks doorlopen, enkel de frequentie van de raining ‘en de verhouding in tijdsduur vergeleken met de andere arbeldsprestaties verschi. Kenmerkend aan de indienstneming van sportbeoefenaars s dat deze finaal in dienst worden genomen om sportprestaties in een bepaalde competitie te leveren. Het is inderdaad zo dat de verhouding tussen de (niet productieve) opleidingstjd ‘en de tijd waarbinnen deze sportprestaties geleverd worden, radicaal anders is dan bij andere sectoren. Maar deze andere verhouding volgt uit de eigenheid van de sportsector en volgt niet uit een verkeerd begrip van de term ‘opleiding” Deze zienswijze kan niet zonder meer worden bijgetreden. Zelfs indien wordt aangenomen dat een sportbeoefenaar in dienst wordt genomen om sportprestaties in competitieverband te leveren, kan moeilijk worden aanvaard dat dit het enige voorwerp is van de betrokken arbeidsrelatie. Er kan bezwaarlijk worden van uit gegaan dat de deelname van de sportbeoefenaar aan trainingen louter facultatief is en enkel een voordeel oplevert voor de individuele sportbeoefenaar en niet voor de werkgever. Wat groepssporten betreft ikt er een noodzakelijk verband te bestaan tussen trainingen en hetgeen de gemachtigde omschrijft als “productieve” arbeidstijd, na melijk het deelnemen aan wedstrijden in competitieverband. 2.1.6. Daarnaast lijkt het op basis van de ontworpen bepaling niet vereist dat de jonge sportbeoefenaar met de sportclub is verbonden door middel van een arbeidsovereenkomst. Wat dat betreft rijst een bijkomend probleem inzake de overeen stemming met de algemene groepsvrijstellingsverordening, aangezien artikel 31 ervan betrekking heeft op steun die wordt toegekend aan ondernemingen voor de opleiding van hun werknemers. Bovendien steunt de ontworpen regeling op de mogelijkheid vervat in artikel 31, id 4, a), van de verordening ‘om de steunintensiteit te verhogen “indien de opleiding (…) aan kwetsbare werknemers wordt gegeven”, waaruit eveneens volgt dat het om werknemers moet gaan. 2.17. Aan de gemachtigde werd gevraagd of bijvoorbeeld ‘ook het loon en andere kosten van de kinesitherapeut of het loon van de persoon die het voetbalveld onderhoudt, voor zover ze arbeldsprestaties leveren die ook de jonge sporters, ten goede komen, in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de opleidingssteun. De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt “Op basis van artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening mogen deze bezoldigingen niet in aanmerking komen. Bij nader inzien heeft het ontworpen vijfde lid, datis gebaseerd op de tekst van de actueel geldende maatregel, nog een te ruim toepassingsgebied. Hierdoor stellen we voor om dit lid aan te passen, zodat wordt verduidelijkt dat enkel de bezoldigingen van de opleiders in aanmerking komen” Met dat voorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd. 2.2. Het zevende tot negende lid van de ontworpen bepaling hebben betrekking op de exploitatiesteun voor sportinfrastructuur. 2.24. Wat deze steun betreft werd aan de gemachtigde gevraagd hoe de ontworpen regeling zich verhoudt tot artikel 55, id 6, van de algemene groepsvrijstelingsverordening, dat luidt: “ledere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te modemmiseren en/of te exploiteren, vindt op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels” De gemachtigde verklaarde hieromtrent het volgende: “Naar onze mening is deze bepaling enkel van toepassing wanneer investeringssteun wordt verstrekt en niet zozeer wanneer exploitatiesteun wordt verstrekt” Spits de zienswijze van de gemachtigde is zowel in artikel 55, lid 6, als in overweging 74 van de algemene groepsvrijstellingsverordening sprake van onder meer de “exploitatie” van de betrokken infrastructuur, en zal bij de toepassing van de ontworpen regeling met die bepaling rekening moeten worden gehouden. 2.2.2. Het negende lid van de ontworpen bepaling voorziet erin dat de betrokken “afschrivingskosten en financieringskosten, [enkel kunnen) worden aangemerkt als exploitatiekosten die In het zevende lid wordt [lees: worden) bedoeld, na vermindering van deze kosten met de in het resultaat opgenomen subsidies, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, door (…) een uitbreiding, renovatie of vernieuwing van de sportinfrastructuur” Deze bepaling lijkt bedoeld om de naleving te waarborgen van artikel 55, id 9, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, dat “afschrijvingslasten en financieringskosten, Indien deze zijn gedekt door investeringssteun” uitsluit van de exploitatiekosten ‘Gevraagd waarom de ontworpen regeling beperkt is tot subsidies van lokale of regionale overheden, verklaarde de gemachtigde het volgende: “Het Is niet bedoeling dat deze termen beperkend zouden werken. Hierdoor werd gekozen voor de termen lokaal en regionaal ipv ‘gemeentelijk en gewestelijk’. We zouden dit In de memorie van toelichting verder kunnen verduidelijken. In gevolge de bevoegdheidsverdelende regels zou de federale overheid enkel steun kunnen verstrekken aan sportclubs via fiscale weg. Hierdoor leek het overbodig om de federale overheid ook op te nemen. Desalniettemin staan we open om de woorden ‘lokaal en regionaal” ofwel op te heffen ofwel aan te vullen met het woord “federaal” De woorden “lokale of regionale” moeten worden weggelaten. Ook andere overheden kunnen immers de betrokken subsidies toekennen. Zo wijst de gemachtigde zelf op de fiscale bevoegdheden van de federale overheid 2.3. Tot slot rijst de vraag of enkele algemene bepalingen van de groepsvrijstellingsverordening wel correct zijn geïmplementeerd in de ontworpen regeling. 2.34.
Artikel 1, lid 4, van de algemene groepsvrijstellingsverordening sluit bepaalde ondernemingen uit van het ontvangen van steun op basis van de verordening. Het betreft meer bepaald ondernemingen ten aanzien waarvan er een bepaald bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie en ondernemingen in moelljkheden. De ontworpen regeling bevat geen waarborgen inzake de naleving van die bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening* 2.3.2.
Artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening heeft betrekking op het stimulerend effect dat de betrokken steun dient te hebben.
Artikel 6, lid 4, van de verordening luidt als volgt: “In afwijking van de leden 2 en 3 worden maatregelen in de vorm van belastingvoordelen geacht een stimulerend effect te hebben indien de volgende voorwaarden zijn vervuld: a) de maatregel vestigt overeenkomstig objectieve criteria. een aanspraak op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en b) de maatregel is goedgekeurd en is in werking getreden voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit zijn aangevangen, behalve in het geval van fiscale vervol gregelingen, wanneer de activiteit reeds onder de vroegere regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel” De vraag rijst in welke mate voldaan is aan punt b), aangezien bepaalde activiteiten (meer bepaald opleidingen of opleidingstrajecten) reeds zullen zijn aangevangen voor de goedkeuring en inwerkingtreding van de ontworpen regeling en het niet zeker is dat de ontworpen bepaling als een “scale vervolgregeling” kan worden beschouwd, nu zij bijvoorbeeld qua bestedingsverplichtingen fundamenteel afwijkt van de actueel geldende bepaling en de bestaande regeling niet werd aangemeld als staatssteun, noch ingepast ikt te kunnen worden in een vrijstelingsregeling. 2.3.3.
Artikel 8 van de algemene groepsvrijstelingsverordening bevat een regeling inzake het cumuleren van steun. Naast hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet in opmerking 2.2.2, moet worden vastgesteld dat de ontworpen regeling geen waarborgen biedt inzake het cumuleren van steun die niets, toegelaten op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die aldus een einde zou maken aan de vrijstelling van aanmelding van de staatssteun. Zo is het denkbaar dat bijvoorbeeld de voor sport bevoegde deelstaten steun voor de betrokken opleidingen zouden toekennen. 3. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat er ernstige twijfel rijst over de verenigbaarheid van de ontworpen regeling met de voornoemde bepalingen van de algemene *_val. met bv. artikel 275*, $ 2, en artikel 275°, 5 2, WIB 92. Dat geldt in het bijzonder wat de mogelijkheid betreft om nagenoeg alle prestaties van de jonge sportbeoefenaars te kwalificeren als opleiding in de zin van artikel 31 van de verordening. Mede gelet op de sanctie die dreigt bij een onterechte niet-aanmelding, verdient het bijgevolg aanbeveling om deze maatregel vooraf aan te melden met toepassing van artikel 108, lid 3, VWEU. Niet-aangemelde staatssteun, waarvoor niet op dienstige wijze beroep kon worden gedaan op een vrijstellingsregeling, is immers per se onwettig (zelis indien, ze verenigbaar verklaard zou kunnen worden indien ze correct werd aangemeld) en die onwettigheid moet door elke rechter, desnoods ambtshalve, worden opgeworpen," zonder dat de begunstigden van de steun zich op gewekt vertrouwen, kunnen beroepen om de terugbetaling van de steun (met interest) te verhinderen * De nationale rechter - in België ook het Grondwettelijk Hof? -is bevoegd om vast te stellen of een maatregel als nieuwe staatssteun moet worden aangemerkt en of, indien dat het geval is, die maatregel bij de Europese Commissie moest worden aangemeld alvorens tot uitvoering te worden gebracht” Daarbij moet bovendien worden opgemerkt dat ook de actueel geldende regeling, zoals wordt bevestigd in de memorie van toelichting, “alle kenmerken” heeft ‘om te worden aangemerkt als staatssteun overeenkomstig artikel 107, eerste, lig, VWEU”, en die regeling luidens de verklaring van de gemachtigde nooit werd aangemeld bij de Europese Commissie. Het in voorkomend geval afzien van de ontworpen regeling om in de plaats daarvan de huidige regeling te behouden is, bijgevolg evenzeer problematisch. €. Bezoldiging jonge sportbeoefenaars 4. De bezoldigingen van de jonge sportbeoefenaars komen In aanmerking als opleidingskosten indien die reeds gedurende ten minste vier jaar bij dezelfde werkgever aan de opleiding hebben deelgenomen”. Die voorwaarde geldt niet voor de Hud 8 december 2011, C-275/10, Residex Capital IV, punt 28, met verwijzing naar arresten van 21 november 1991, Fédération nationale du commerce extêrieur des produits alimentaires en Syndicat national des nêgocianis et ransformateurs do saumon (€-354/90, punt 17, en 27 oktober 2005, Distioution Casino France ‘ea, C-268/04-C-270/04,C-276/04 en C-321/04-C-325/04, punt 30; Hu 5 maart 2015, C-667/13, Estado Português, punten 59 en eo. *_ FJ 18 jui 2007, C-119/05, Lucchiní, punt 61; Hud 28 oktober 2016, C-590/14 P, Dímosia Epichoirsi lektrismou AE, punten 98-101 *_ HvJ 20 maart 1997, C-24/95, Alcan; HvJ 29 april 2004, C-278/00, Helleense Republiek, punt 108. Zie ook:
N. De Vos, “De rol van het Europese on het Belgische vertouwensbeginsel bij do terugvordering van Europese subsidies en staatssteun”, AW 2012-13,p. 130-131, nrs. 26 en 30;
K. Lauears en P. Van Nurra, ‘European Union Law, Sweet & Maxwel, 2011, p. 377, nr. 11-026. *_@wi 7 november 2013, nr. 1451201, B.2.2; GH 17 juli 2014, nr. 06/2014, B.27.2; Gw 17 september 2015, nr. 114/2015, 8302, »_@wH 6 april 2011, nr. 50/2011, B1234 tot 812.34; Gw 17 ju 2014, nr. 106/204, 8.272; Gw 5 februari 2015, nr. 15/2015, B63 en 864; Gui 17 september 2015, nr. 14/2015, 8.302. andere in aanmerking komende kosten. De gemachtigde verschafte hierover de volgende toelichting: “Deze verplichting beoogt het aantrekkelijker te maken voor een sportclub om eigen talent, met name jonge sportbeoefenaars die ruim 4 jaar met de sportclub verbonden zijn in dienst te nemen. Deze maatregel beoogt dus om nog in een additionele incentive te voorzien voor clubs om een jeugdwerking uit te bouwen, ook voor Jongere leeftijdsgroepen” ‘Onder het voorbehoud van hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de overeenstemming met de algemene groepsvrijstellingsverordening, moet worden vastgesteld dat deze bepaling een verschil in behandeling tot gevolg kan hebben tussen jonge sportbeoefenaars, al naargelang zij al dan niet reeds vier jaar bij dezelfde sportclub aan opleidingen hebben deelgenomen. Naast de verenigbaarheid hiervan met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel, dreigt deze bepaling tevens het vrij verkeer van werknemers te beperken. Het vrij verkeer van werknemers houdt onder meer in dat onderdanen van andere lidstaten dezellde sociale en fiscale voordelen genieten als de nationale werknemers * Nationale bepalingen die een werknemer die onderdaan is van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren beperkingen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn. Er is onder meer sprake van een beperking van het vrij verkeer van werknemers wanneer de uitoefening van dat recht minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Een maatregel die het vrije verkeer van werknemers belemmert is slechts toelaatbaar wanneer hij een legitieme, met het VWEU verenigbare doelsteling nastreeft en zijn recht vaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is. Het Hof van Justitie heeft deze beginselen reeds toegepast In de context van opleidingskosten van sportbeoefenaars.® Het is dan ook raadzaam hieromtrent een meer omstandige verantwoording op te nemen in de memorie van toelichting bij het voorontwerp. Onderafdeling 2 - Harmonisatie van het begrip ‘jonge. sportbeoefenaar’ Deze onderafdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Onderafdeling 3 - Beperking van de '=_Artkel 7,1 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europoes Parlement en de Raad van 5 april 2011 ‘betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie’ *_ Hw 16 maart 2021, C-325/08, Olympique Lyonnais SASP t. Olivier Bernard on Newcastle UFC, ECLIEU'C:2010:143, in het bijzonder overwegingen 34, 36 en 38. De ontworpen regeling inzake beperking van de sport makelaarsvergoedingen steunt in grote mate op de grens van “3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst”. De gemachtigde verklaarde met betrekking tot die bepaling het volgende: ‘en considération. (c-à-d.les honoraires d'agence prévus pour les saisons restantes selon la durée actuelle du contrat d'emploi) tombent. ‘ensemble quelle que soit la formule de cette rémunération, Het verdient aanbeveling de door de gemachtigde aangehaalde elementen nader te regelen in het voorontwerp of minstens te verduidelijken in de memorie van toelichting bij het voorontwerp. ‘Onderafdeling 4 - Wijzigingen aan de aanvullende pensiDeze onderafdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen ‘Onderafdeling 5 - Inwerkingtreding ‘Afdeling 2- Regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en De artikelen 13 tot 19 van het voorontwerp voeren een bijzonder belastingstelsel in voor ingekomen belastingplchtigen Artikelen 5,7 ond vanhet voorontwerp. Er moot worden vastgesteld dat de ontworpen bepalingen uitgaan van situaties waarbij de makelaarsvorgoeding hetzij hoger, hatzi lager is dan 3% Het ‘geval waarin de vergoading precies overeenstemt met 3% lijkt ‘tentar niet te worden geregeld (hierna: BBIB) en een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers (hierna: BBIO). De invoering van deze bijzondere belastingstelsel gaat gepaard met het uitdoven van het bestaande bijzonder stelsel van buitenlandse kaderleden en vorsers dat werd geregeld bij omzendbrief nr. Ci. RH.624/325 294 van 8 augustus 1983 (hierna: omzendbrief van 8 augustus 1983). De nieuwe stelsels geven voor een beperkte periode van vijf tot maximum acht aar een specifieke invulling aan het begrip “kosten eigen aan de werkgever” voor ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers, en voeren een beperkte forfaitaire berekening van deze kosten in 1. Het valt niet uitte sluiten dat het ontworpen BBIB en BBIO problemen doen rijzen in het licht van de Europese regeling inzake staatssteun en in het bijzonder artikel 107, lid 4, VWEU.*"* Er wordt immers met publieke fondsen een economisch voordeel toegekend aan ondernemingen die de handel tussen lidstaten en mededinging potentieel kan beïn vloeden. Hoewel het belastingvoordeel wordt toegekend aan de ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers, maakt het systeem het uidens de memorie van toelichting voor Belgische ondernemingen mogelijk “personeel met specifieke competenties, dat soms moelljk te vinden is binnen de interne arbeidsmarkt, aan te rekken” en “kunnen de nieuwe stelsels hun competitiviteit zowel op nationaal als op internationaal vlak versterken”. Dat voordeel likt bovendien selectief te zijn aangezien het krachtens de ontworpen artikelen 32/1 en 32/2, 8 2, 1° en 2°, van het WIB 92 (artikelen 13 en 14 van het voorontwerp) slechts aan bepaalde ondernemingen en in bepaalde gevallen wordt toegekend. In die zin kan de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig worden beïnvloed. Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU, dient de Europese ‘Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte te worden gebracht. Behalve indien een beroep kan worden gedaan op een vrij stelingsregeling, moet aan dat vormvereiste worden voldaan en kan aan de ontworpen regeling geen uitvoering worden gegeven voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. ‘© _ Zie indat verband de problematiek inzake escess prat ruings (voor ‘een recent voorbeld, zie HJ, 16 september 2021, C-337/19 P, Commissie t. Koninkrijk België o.a, ECLIEU:C-2021:741) *_Nistalle mogelijke toepassingen van het BBIO kunnen immers, ‘beschouwd worden als een niet-economische actvieit krachtens de mededeling van de Commissie ‘bevrefende het begrip staatssteun” in de zin van arikel 107, id 1, vanhet Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’ (2016/C 26210), overwegingen 28-32. 2. In het ontworpen BBIB en het ontworpen BBIO wordt toepassing gemaakt van een 150-kilometercriterium. In de zaak Sopora t. Staatssecretaris van Financiën stelde het Hof van Justitie in dat verband met betrekking tot de vergelijkbare Nederlandse regeling het volgende:” “Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, waarbij een lidstaat ten gunste van werknemers die, alvorens een dienstbetrekking op zijn grondgebied te aanvaarden, in een andere lidstaat woonden, voorziet in de toekenning van een belastingvoordeel, bestaande in de forfaitaire belastingvrijstelling van een vergoeding wegens extaterritoriale kosten tot ten hoogste 30 % van de grondslag, op voorwaarde dat deze werknemers woonachtig waren op een afstand van meer dan 150 klometer van zijn grens, tenzij deze limieten zodanig zijn vastgesteld dat deze vrijsteling systematisch aanleiding geeft tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan”. ‘Onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt opgemerkt In opmerking 2 bij artikel 13, verdient het aanbeveling om in de memorie van toelichting aan te tonen dat er geen risico bestaat op een “duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten”.
Artikel 13 1. Hetis niet duidelijk waarom in het ontworpen artikel 32/1, $ 1, derde lid, van het WIB 92 voor de toepassing van het BBIB enkel de bedrijfsleiders bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van het WIB 92 in aanmerking worden genomen, en niet ook de bedrijfsleiders bedoeld in artikel 32, eerste lid, 2°, van het WIB 92% Een dergelijk verschil in behandeling moet kunnen worden verantwoord in het licht van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Die beginselen sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief eriterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De gemachtigde stede in dat verband het volgende: \7_ HvJ, 24 februar 2015, C-512/13, Sopora v. Staatssecretaris van Financiên, ECLI:EU:C:2015:108. arikel 32, oerste lid, van het WIB 92 luidt: “Bezoldigingen van, bedrifsteiders zijn alto beloningen verleend of toegekend aan ‘een natuurlijk persoon die 1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of ‘gelijksoortige functies utoefent; 2 in de vennootschap een leidende functie of oon leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, nanciële of technische aard, uitoefent buiten een arbeldsovereenkomst”. (Gans distinction)” Die verantwoording, waarin voornamelijk de bedoeling van het gemaakte onderscheid wordt weergegeven, volstaat niet. Er al een meer deugdelijke verantwoording voorhanden moeten zijn inhet cht van het grondwettelijke gelikheidsbeginsel, die dan het best wordt weergegeven in de memorie van toelichting. 2 Hetontworpen arikel 32/1, 5 3, van het WIB 2 egt voor de toepassing van het BBB een eierentieperiode van 60 maanden na belastbare beroepsacttit in Belgi op. Die voorwaarde, die aanleiding kan geven tot een ongelijke behandeling van in beginsel vergelijkbare stwaties, moet kunnen worden verantwoord inhet cht van het grondwettelijke gelkheidsbeginsel, waarbij onder meer moet worden aangetoond daten periode van 60 maanden evenredig is in het cht van de doelstelling die wordt nagestreefd. Daarnaast dient te worden nagegaan of de voorwaarde toelaatbaar en, zoja, evenredig is in het cht van het vrij verkeer van werknemers èn diensten, in de mate dat die voorwaarde zou moeten worden beschouwd als een beperking op de uitoefening van dat recht. De gemachtigde heeft in dat verband het volgende verklaard “Men moet voldoende tjd geen inwoner van België zijn geweest, om te kunnen genieten van het BBIB. Het gaat er tenslotte om dat bijkomende kosten die worden veroorzaakt door een tijdelijke terbeschikkingstelling in België als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgeverlvennootschap worden aanvaard. In die context is het zeer redelijk om te eisen dat de betrokken belastingplchtige vooraleer hij naar België wordt gestuurd een zekere tijd in het buitenland werd tewerkgesteld, Een termijn van 60 maanden is derhalve geenszins overdreven. Er wordt aangestipt dat dt stelsel ook van toepassing zal zijn op personen ie ooit inhet verleden rijksinwoner van België waren en die gedurende een langere periode in het buitenland hebben verbleven” Door de gemachtigde wordt in essentie gesteld dat het “zeer redelijk” is om een dergelijke voorwaarde op te leggen en dateen termijn van 60 maanden “geenszins overdreven” is. Het verdient aanbeveling om die stelling nader te onderbouwen; het outer poneren ervan volstaat immers geenszins als verantwoording in het cht van de voornoemde beginselen. 2, Luidens het ontworpen artikel 22/1, 56, derde id, van het Wi 92 gebeuren de terugbetaïingen van kosten eigen aan de werkgever, met betrekking tot de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België van de ingekomen belasingplichtigen enkel voor de kosten ie zijn gemaak! voor de aankoop van materiaal dat bestemd is om in de wening in België te blijven of voor de aankoop van huishoudtoestllen ‘wolgens de geldende normen In België: In de memorie van toelichting dient te worden verduidelijkt wat wordt verstaan onder de aankoop van huishoudtoestellen, ‘volgens de geldende normen in België Artikel 14 1. In zoverre het bij artikel 14 ontworpen artikel 32/2 van het WIB 92 dezelide bepalingen bevat als het bi artikel 13 ontworpen artikel 32/1 van het WIB 92, wordt verwezen naar de bij artikel 13 gemaakte opmerkingen. Daanaast kan nog op het volgende worden gewezen. 2. Het ontworpen artikel 32/2, $ 1, van het WIB 92 bepaalt dat in hoofde van ingekomen onderzoekers die de In artikel 0, 1, van het WIB 92 bedoelde bezoldigingen verkrijgen, het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever beschouwd word als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen die verder worden uitgewerkt in die bepaling. De in artikel 30,12, van het WIB 92 bedoelde bezoldigingen zijn bezoldigingen van werknemers” Dit betekent dat bedrijfsleiders zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het BIO, in tegensteling tot wat het ontworpen artikel 32/1, van het WIB 92 bepaalt voor het BBIB. De memorie van toelichting verduidelijkt dit verschil in behandeling als volgt “De reden van deze uitsluiting [van bedrijlsleiders) is dat men misbruiken wil voorkomen. Immers, wanneer het BBIO net als het BBIB zou open staan voor bedrijfsleiders, is het niet ondenkbaar dat een bedrijsleider die ook onderzoeksactiviteiten uitvoert, maar niet voldoet aan de voorwaarde inzake de bezoldigingsdrempel die in het kader van het BBIB wordt opgelegd in artikel 32/1, $ 3, eerste lid, 2°, WIB 92, die voorwaarde makelijk zou kunnen omzelen door in plaats van het BBIB, het BBIO (dat geen drempelvoorwaarde bevat -cí. infra) aan te vragen. Een dergelijke situatie strookt niet metde bedoeling van de wetgever. Om elke discussie le vermijden, is de toepassing van het nieuwe artikel 32/2, WIB 92, beperkt tot werknemers in loondienst” De gemachtigde voegde daar nog het volgende aan toe: “Bij de toepassing van de huidige administratieve regeling is in het verleden al gebleken dat in vergelijking met werk nemers, bedrijfsleiders meer mogelijkheden hebben om hun arbeidsomstandigheden fiscaal te optimaliseren. Het ontworpen regime is zowel van toepassing voor kaderleden als voor onderzoekers. Voor deze laatsten geldt geen minimale bezoldigingsvereiste. Bedrijfsleiders kunnen worden verondersteld om bij voorbaat Kaderleden te zijn. Voor het aantrekken van buitenlandse kaderleden geldt een specifieke minimale bezoldigingsvereiste. w_Artkel 30, 1° van het WIB 92 luidt: “Bezoldigingen omvatten ‘ongeacht de schuldenaar of de benaming orvan en de wijze waarop ze worden vastgesteld on toegekend 1 bezoldigingen van werknemers. Deze minimale bezoldigingsvereiste wordt dan ook doorgetrokken naar bedrijfsleiders ongeacht of deze persoon al dan niet onderzoek doet en een diploma heeft dat aanleiding zou geven tot de toepassing van het BBIO-stelstel indien deze persoon een werknemer zou zijn” Deze motivering overtuigt niet. Het nagestreefde doel van, de onderscheiden behandeling om misbruiken te vermijden mag dan wel legitiem zijn, het gehanteerde middel daartoe is noch pertinent, noch adequaat in het licht van de artikelen 10,11 en 172 van de Grondwet. In de plaats van een volledige uitsluiting van bedrijfsleiders, waarbij de facto wordt uitgegaan van een onweerlegbaar vermoeden van misbruik, Kan bijvoorbeeld in hun hoofde een weerlegbaar vermoeden worden ingevoerd, waarbij het mogelijk wordt gemaakt om in individuele gevallen aan te tonen dat wel degelijk aan de voorwaarden voor het BBIO wordt voldaan. Er slaan daarnaast nog andere niet-discriminerende middelen ter beschikking om op evenredige wijze het beoogde doel te kunnen bereiken. Hierbij kan gedacht worden aan het invoeren van een bezoldigingsdrempel in het BBIO, die weliswaar soepeler kan zijn dan de bezoldigingsdrempel in het BBIB, maar niettemin de Kans op misbruiken minimaliseert. Ook kunnen in het algemeen strengere toelatingsvoorwaarden bij het BBIO of soepeler voorwaarden bij het BBIB de gesignaleerde problematiek bestrijden zonder een ongerechtvaardigd onderscheiden behandeling tussen bedrijfsleiders en werknemers in te houden. Indien de ontworpen regeling alsnog behouden bijft, moeten, de stellers ervan minstens duiden waarom andere middelen om hetzelide beoogde doel te bereiken niet in aanmerking worden genomen. 3. In het ontworpen artikel 32/2, 5 2, derde lid, 2°, van het WIB 92 wordt bepaald dat de onderzoeker in het bezit dient te zijn van een in het vierde id bedoeld diploma of een relevante beroepservaring van 10 jaar moet kunnen aantonen. Uit dat vierde lid blikt dat inkomende onderzoekers van slechts een beperkt aantal wetenschapsgebieden aanspraak kunnen maken op het BBIO. Dii bijvoorbeeld niet zo voor onderzoekers in de humane wetenschappen. Hierover ondervraagd antwoordde “Humane wetenschappen kunnen enorm ruim omschreven worden en deze mee in aanmerking laten komen, zou niet stroken met het beoogde doel om moeilijk vindbare profielen aan te trekken. De opgesomde diploma's zijn deze die moelijk op de Belgische arbeidsmarkt te vinden zijn” Voorts is het niet duidelijk wat precies onder “10 jaar relevante beroepservaring” wordt verstaan. Dienaangaande stelde de gemachtigde: Het verdient aanbeveling om in de memorie van toelichting een verantwoording op te nemen wat betreft de beperking tot bepaalde onderzoeksdomeinen, alsook een verduidelijking van wat onder “relevante beroepservaring” wordt verstaan. Artikelen 18 en 19 De artikelen 18 en 19 van het voorontwerp bevatten gelijklopende overgangsregelingen voor belastingplichtigen en onderzoekers die op 1 januari 2022 gebruik maken van het bestaande bijzonder stelsel voor buitenlandse kaderleden en vorsers opgenomen in de omzendbrief van 8 augustus 1983, waarbij uiterlijk op 30 juni 2022 een aanvraag kan worden Ingediend bij de administratie met het oog op de toepassing, met ingang van 1 januari 2022, van hetzij het BBIB, hetzij het BBIO, op voorwaarde dat de aanvraag positief wordt beantwoord. De memorie van toelichting stelt in dat verband nog het volgende: “(…) indien er een negatief antwoord volgt op de aanvraag ‘ot kanteling, zal de belastingplichtige ook definitief het voordeel van het oude stelsel verliezen. De belastingplichtige moet dus goed nadenken over de mogelijkheid om een kanteling naar het BBIB aan te vragen. Daarom wordt hiervoor ook een termijn van zes maanden voorzien. Voor diegenen die geen rechtsgeldige aanvraag hebben gedaan om van het oude stelsel te kantelen naar het BBIB, geldt een overgangsmaawegel van twee jaar die voorzien zal worden in een aanpassing van de circulaire van 8 augustus 1983. Na afloop van deze overgangsmaatregel is een kanteling naar het BBIB niet meer mogelijk” De gemachtigde verklaarde dienaangaande nog het volgende: “In het kader van rechtszekerheid en voorspelbaarheid wordt gekozen voor een overgangsmogelijkheid van de huidige administratieve regeling naar de nieuw ontworpen regeling. ‘Teneinde een weloverwogen keuze te kunnen maken tussen het gebruik van de uitdoofregeling en een overstap naar de nieuwe regeling, wordt voorzien in een ruime termijn van zes maanden om de aanvraag in te dienen om over te stappen naar de nieuwe regeling. Wanneer niets wordt gedaan kan verder gebruik worden gemaakt van de uitdoofregeling. Wanneer afstand wordt gedaan van de administratieve regeling, met name door in te stappen in de nieuwe regeling, en uiteindelijk blijk uit de feiten dat niet aan de voorwaarden van de nieuwe regeling is voldaan, is het net zoals voor een nieuwe gebruiker niet mogelijk om gebruik te maken van de administratieve regeling, die uitdooft. Het is dus de bedoeling dat men met de aanvraag om in het nieuwe systeem te stappen, ook afstand doet van het oude systeem. Op die manier wordt onder meer vermeden dat men toch zou vragen om opnieuw onder het oude stelsel te vallen als dat voordeliger zou blijken te zijn. De toepassingsvoorwaarden voor het nieuwe stelsel zijn ook duidelijk. Parallelle systemen zouden enkel zorgen voor meer onduidelijkheid. ‘Aangezien de huidige regeling voor buitenlandse kaderleden reeds gedurende bijna 40 jaar bestaat, en dit bij administra tieve circulaire, doch met onvoldoende duidelijke criteria, acht de regering het niet opportuun om de uitdoving van deze onduidelijke administratieve regeling bij wet te regelen. De uitdoofregeling is bovendien uitsluitend van toepassing voor personen die momenteel reeds van de regeling gebruik maken. In de nieuwe regeling zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het bijzondere statuut duidelijk geregeld. Voor diegenen die momenteel gebruik kunnen maken van de administratieve regeling bestaat er net een grotere keuzemogelijkheid, met name instappen in de nieuwe regeling of gebruikmaken van het uitdoofscenario. Het overstappen naar de nieuwe regeling bijft de vrije keuze voor de in aanmerking komende belastingplichtige” Het bijzonder stelsel voor buitenlandse kaderleden en vorsers opgenomen in de omzendbrief van & augustus 1983, dat tot stand is gekomen zonder wettelijke basis, moet geacht worden In strijd te zijn met het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 170 van de Grondwet. Het opnemen van een overgangsregeling in die omzendbrief, zoals wordt aangekondigd in de memorie van toelichting, om de uitdoving van dat stelsel en de overgang naar het nieuwe stelsel te regelen, is dat bijgevolg evenzeer. De uitdoving van het bestaande stelsel en de overgang naar het nieuwe stelsel dienen dan ook, overeenkomstig het egaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet, door de wetgever zelf te worden geregeld. De wetgever beschikt daarbij over een zekere beleidsruimte, weliswaar met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van diegenen waarop thans, dat stelsel van toepassing is. Een regeling waarbij personen die geen aanvraag doen om over te stappen naar het nieuwe stelsel nog twee jaar de bestaande regeling kunnen genieten, en personen die wel een aanvraag indienen in het geval van een negatieve beslissing maximaal nog zes maanden de bestaande regeling kunnen genieten, zoals in de memorie van toelichting wordt aangegeven, lijkt daarmee in elk geval nietin overeenstemming. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Artikel 23 ‘Artikel 23 van het voorontwerp wijzigt artikel 53, 6°, van het WIB 92 waardoor regularisatieheffingen worden uitgesloten als beroepskost. Daarnaast wordt luidens de memorie van toelichting "expliciet bevestigd” dat de gestorte geldsommen dïe leiden tot het verval van de strafvordering als bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering niet worden aangemerkt als beroepskosten, ‘Aan de gemachtigde werd gevraagd of de bepaling bedoeld is als een interpretatieve wet en, indien neen, hoe deze wijziging zich verhoudt tot bestaande rechtsgeschillen en belastbare feiten en welk temporeel aanknopingspunt daarbij wordt gebruikt. Hij beantwoordde die vraag als volgt: “Het voorgesteld ontwerp van artikel treedt in werking 10 dagen na publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. Dat wil zeggen dat de discussie betreffende de toepassing van artikel 53, 6° WIB92 bft bestaan voor het verleden, en eventuele geschillen ongewijzigd blijven en nog steeds zullen blijven lopen tot het aanslagjaar 2021. Voorheen ingenomen standpunten wijzigen niet. De bedoeling is dat evenwel vanaf het aanslagjaar 2022 geen ruimte meer is voor discussie en de fiscale onrechtvaardigheid ophoudt met bestaan. De wetgever had nooit de bedoeling om dergelijke geldsommen niet onder de uitsluiting van art. 53, 6° WIB 92 te laten vallen. Het is door de feitelijke appreciatie van een specifiek arrest dat rechtsonzekerheid is ontstaan. Dit betrof een onvoorziene ommekeer in de rechtspraak die inging tegen de rechtmatige verwachtingen en de initiële bedoeling van de wetgever. Of zoals de Inspecteur van Financiën het verwoordt in haar advies: ‘De Inspectie van financiën heeft geen bezwaar tegen het inschrijven in de wetgeving van wat common sense is:” ‘Aangezien het niet de bedoeling is om een interpretatieve bepaling aan te nemen dient de ontworpen bepaling niet te worden getoetst aan de toepassingsvoorwaarden van arikel 84 van de Grondwet. Wel verdient het ter wille van de rechtszekerheid aanbeveling om de door de gemachtigde gegeven verduidelijking in de memorie van toelichting op te nemen. Afdeling 5 - Belastingvermindering Kinderoppas Afdeling 6 - Vrijstelling van de door een gewest of de Duitstalige gemeenschap toegekende premie en opleidingsInkomen voor knelpuntberoepen Zoals hiervoor is opgemerkt, is de adviesaanvraag op vijf werkdagen wat deze afdeling betreft onontvankelijk. De bepalingen ervan worden dan ook niet onderzocht. ‘Afdeling 8 - Boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups & scale ups 1. De artikelen 34 en 35 van het voorontwerp verdubbelen de bedragen die de start-ups en scale-ups kunnen ophalen onder het fiscale regime van de bepalingen van het WIB 92 die worden gewijzigd.
Artikel 36 bepaalt dat de artikelen 34 en 35 van toepassing zijn op de betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap die werden gedaan vanaf 1 januari 2021. De gemachtigde gaf bij die datum de volgende toelichting: “Er wordt voor geopteerd om deze verdubbeling in werking te laten treden vanaf 1 januari 2021 zodanig [dat] deze maatregel nog voor een (beperkte) lijd een positief effect heeft In het jaar 2021. Zo kunnen de betreffende ondernemingen onmiddellijk extra middelen ophalen om hun expansie te ondersteunen. Gelet dat het budgettair effect naar aanleiding van de bijkomende bedragen onder het taks shelter regime Is ingeschreven voor de begroting van 2022, volgt hieruit dat maatregel effect moet kennen in het aanslagjaar 2022, zijnde vanaf 1 januari 2021.” ‘Onder voorbehoud van hetgeen hierna nog wordt opgemerkt, dient erover te worden gewaakt dat deze bepalingen ten laatste op 31 december 2021 in werking treden, teneinde te vermijden dat aan de regeling terugwerkende kracht wordt verleend. 2. De betrokken tax shelters voor start-ups en scale-ups dienen te worden beschouwd als regelingen inzake het verlenen van staatsteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU moet staatssteun in beCommissie. Bijgevolg moet, behalve indien een beroep kan worden gedaan op een vrijstelingsregeling, aan dat vormvereiste nog worden voldaan en kan aan de ontworpen regeling geen uitvoering worden gegeven voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. De voornoemde verplichting geldt immers in beginsel niet enkel bij het invoeren van de staatssteunregeling maar ook voor elke latere wijziging die een impact heelt op de omvang van de te verlenen staatsteun. Gelet hierop, kan worden overwogen om wat de artike en 34 en 35 van het voorontwerp betreft in een regeling van Inwerkingtreding te voorzien naar het voorbeeld van artikel 39 van het voorontwerp, waarbij wordt rekening gehouden met het tijdstip van de goedkeuring van de Europese Commissie, overuren met overwerktoeslag in de bouwsector Belasting over toegevoegde waarde - Uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de vrijstelingsregeling van de belasting Artikelen 40 en 41 1. Volgens artikel S6bis, $ 1, van het Blw-wetboek kunnen de belastingplichtigen van wie de in België gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 25 000 euro een belastingvrijsteling genieten voor de leveringen van goederen en diensten die ze verrichten. Op die regel voorziet artikel 56bis, $ 3, van het Btw-wetboek een aantal uitzonderingen.
Artikel 40 van het voorontwerp beoogt aan die bepaling een nieuwe uitzondering toe te voegen voor het “verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend”, bedoeld in artikel 44, $ 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-wetboek.” Op die uitzondering wordt ook een uitzondering geformuleerd, namelijk voor natuurlke personen die het gemeubeld logies verstrekken onder de voorwaarden van artikel 50,$ 4, van het Blw-welboek De ontworpen regeling reedt in werking op 1 januari 2022. De voorwaarde dat het gebruikte deeleconomieplatlorm erkend moet zijn om van de vrjsteling te genieten - zoals bepaald in artikel 50, $ 4, 4°, van het Biw-wetboek - Is niet van toepassing tot 30 juni 2022. 2.
Artikel 283, li 2, van richtlijn 2006/112/EG* laat oe dat lidstaten andere activiteiten dan die vermeid in artikel 283, la 1, van die richtlijn uitzonderen van de vrijstling voor kleine ondernemingen. Die uitzondering moet wel kunnen worden verantwoord in het licht van het gelijkheidsbeginsel. In het voorliggende geval wordt die uitzondering in de memorie van toelichting verantwoord door de vermeende coneurrentieverstoring die uitgaat van de verhuur van gemeubeld logies door particulieren: “In bepaalde regio's van ons land ondervinden hotels concurrente van personen die, al dan niet gefaciliteerd door elektronische platlormen, bijvoorbeeld in hun eigen woning gemeubeld logies aanbieden. Deze concurrentie bestond al onder de vorige regelgeving maar zal ook bijven bestaan onder de nieuwe regels met betrekking tot het verschaffen van gemeubeld logies. ze derhalve gebruik maken van de vrjstelingsregeling voor Kleine ondernemingen vervat in artikel 56bis van het Wetboek. Door de enorme toename van het aantal gemeubeld logies dat in een dergelijke context wordt aangeboden, is er sprake van toenemende concurrentieverstoring met andere sectoren zoals hotels doordat die personen geen blw hoeven aan te rekenen aan hun Klanten. Individueel bekeken, vormt elk van %_ Vanaf 1 ju 2022 zou di bepaling nauwkeuriger moeten omschrijven wat daaronder worst bedoeld, met namo “hat verschatfen, voor ‘sen periode van mindor dan drie maanden, van gemeubeld logies in hotels, matels en inrichtingen met een soortgelijke functie waar gewoonlijk aan betalende gasten onderdak wordt verleend voor eon periode van minder dan drie maanden, tenzij ‘ie inrichtingen geen van de volgende nauw samenhangende dienston verichten: instaan voor het ysiek onthaal van de gasten 8e terbeschikdängstling van huishoudlinnen en, wanneer het ‘gemeubeld logies werd varstrekt voor oan porode van maar dan ‘von wok, do vervanging ervan tenminste eenmaal por week, on het dagelijks verschaffen van hot ontbi, door de exploitant van etiogies af door een derds voor zin rakening’. zie do artkelan 4 ‘en 5 van hot wetsontwerp ‘houdende divers bepalingen inzake belasting over do toogevoegde waarde’ (Parl. St Kamer 20202, ar. 55-2279/001, 7) =_richuijn 2008/112/EG van de Raad van 28 november 2006 “betreffende het gemeenschappeljke stesel van belasting over 4e toegevoegde waarde’ die belastingplichtigen op zich niet noodzakelijk een factor van oneerlijke concurrentie. Dergelijke concurrentie is daarentegen wel manifest aanwezig op het geaggregeerde niveau van de platformen die het die personen mogelijk maken hun gemeubeld logies aan particulieren te huur aan te bieden. In sommige grote steden in het land blijkt aldus dat het aanbod van kamers door particulieren via dergelijke platformen qua, aantal in de buurt komt van dat aangeboden door hotels en gelijkaardige inrichtingen” Die concurrentieverstoring kan een verantwoording bieden voor de ontworpen uitzondering. Indien het probleem echter precies verband houdt met de aggregatie van het onbelaste aanbod van Kleine verhuurders, rijst de vraag of de uitzondering op de uitzondering voor occasionele private verhuurders die via een erkend deelplatform optreden, die verantwoording niet ondergraaft. Tegen dat laatste kan evenwel worden ingebracht dat de voorwaarden van artikel 50, 5 4, van het Btw-wetboek vrij restrictief zijn, zodat enkel de veeleer occasionele activiteiten van natuurlijke personen zullen worden vrijgesteld. Bij die categorie van verhuurders lijkt de lokale verstoring ook beperkt te zijn en dreigen bovendien zonder vrijstelling disproportionele transactiekosten te ontstaan. Bijgevolg lijkt de ontworpen regeling verenigbaar te kunnen worden geacht met het gelijkheldsbeginsel. 3. In de memorie van toelichting wordt het verband benadrukt tussen de ontworpen regeling en het wetsontwerp “houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde’ (Par.St. Kamer 2020-21, nr. 55-2279/001), dat artikel 44, 8 3, 2°, a), derde streepje, van het Blw-wetboek beoogt te wijzigen met ingang van juli 2022. De vraag rijst dan ook of de inwerkingtreding van artikel 40 van het voorontwerp niet moet worden afgestemd op de inwerkingtreding van dat wetsontwerp. Accijnzen Afdeling 1 - Professionele diesel: Vermindering terugbetaling accijnzen Artikel 42 ‘Gevraagd of de regeling vervat in artikel 42 van het voorontwerp werd overlegd in de schoot van het Comité van ministers, van de BLEU antwoordde de gemachtigde: “Dit artikel werd reeds informeel afgestemd met Luxemburg, en eris geen bezwaar. De tekst zal op de volgende vergadering van de BLEU-raad en van het Comité van de ministers, van de BLEU formeel worden goedgekeurd en ondertekend.” Hiervan wordt akte genomen. Afdeling 2- Energie: hervorming accijnzen 1. De artikelen 43 tot 47 van het voorontwerp strekken tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004. De artikelen 43 en 44 van het voorontwerp wijzigen artikel 419, i) en K), van de programmawet van 27 december 2004 en voorzien in een regeling waarbij respectievelijk voor aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 en voor elektriciteit van de GN-code 2716 bijzondere accijnzen worden opgelegd en bijdragen op de energie worden gewijzigd=. De toepasselijke tarieven hangen af van de aard van het gebruik (bijvoorbeeld niet-zakelik verbruik) en de hoeveelheid verbruikte energie op jaarbasis (een degressief mechanisme In functie van het jaarlijks verbruik) ‘Artikel 45 van het voorontwerp strekt tot de invoeging van een nieuwe paragraaf 5 in artikel 424 van de programmawet van 27 december 2004, waarbij de Koning wordt gemachtigd ‘om de methodologie voor de toepassing van (het door de artikelen 43 en 44 van het voorontwerp gewijzigde) artikel 419, i) en k), van de programmawet vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. ‘Artikel 46 van het voorontwerp wijzigt de regeling inzake de vrijstelling van accijnzen voor gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, aardgas, elektriciteit, kolen, cokes en bruinkool die uitsluitend gebruik! worden voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden. Er wordt bepaald dat de vrijstelling voor aardgas en elektriciteit beperkt is tot de bijdrage op de energie (en dus niet wordt uitgebreid tot de bij de artikelen 43 en 44 van het voorontwerp ingevoegde regeling inzake bijzondere accijnzen) De voormelde regeling treedt in werking op 1 januari 2022 (artikel 47 van het voorontwerp). 2. Op grond van het ontworpen artikel 419,),), van de programmawet van 27 december 2004 (artikel 43 van het voorontwerp) worden accijnzen opgelegd voor aardgas die gedifferentieerd zijn op basis van drie categorieën van verbruik: - zakelijk verbruik voor bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Vlaams Gewest, een “accord de branche” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst - zakelijk verbruik voor andere bedrijven; - niet-zakelijk verbruik In dat verband kan worden verwezen naar advies 57.948/1/V van 19 augustus 2015 van de Raad van State, afdeling In de huidige versie van artikel 419) en K) van de programmawet van 27 december 2004 worden de bijzondere accijnzen voor ‘aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 en voor ‘elektriciteit van de GN-code 2718 vastgesteld op 0 euro per megawattuur. = MCA 6 1 van do programmawet van 27 december 2004 ict “inde zin van dt hoofdstuk moet onder accijnzen worden verstaan. - qa accijns; - de bijzondere accijns; - de controleretributie op huisbrandolie; - de bijdrage op de onergie”. Wetgeving, over een wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 december 2015 ‘tot wijziging van artikelen 419,) ii), 420 en 432, 5 3, van de programmawet van 27 december 2004 In dat advies heeft de Raad van State het volgende uiteengezet aangaande de aanmelding van de ontworpen, regeling bij de Europese Commissie “3.1. De stellers van het ontwerp gaan ervan uit dat de ontworpen regeling voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 44 van verordening (EU) nr. 51/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 ‘waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard’ (hierna: algemene groepsvrijstelingsverordening), zodat ze is vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie, vervat in artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). In het formulier met de voorafgaande regelgevingsimpactanalyse (RIA) wordt dienaangaande het volgende uiteengezet: “Het verlaagd tarief wordt ingesteld op 0,54 euro per MWh wat overeenstemt met het Europees minimumtarief voorzien in richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de, belasting van energieproducten en elektriciteit De toepassing van dit bedrag wordt toegestaan door de bepalingen van arikel 44 van de Verordening (EU) nr. 651/2014, van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; in dit geval bepaalt artikel 44 dat de steunregeling in de vorm van kortingen op milieubelastingen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2003/96/EG - van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit verenigbaar zijn met de interne markt in de zin van artikel 107, lig 3, van het Verdrag In zoverre effectief is voldaan aan de voorwaarden in richttn '2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 “lot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, inzonderheid wat betreft de erin vervatte minimumbelastingniveaus voor energieproducten, evenals aan de voorwaarden van hoofdstuk | van verordening (EU) nr. 651/2014, moet de ontworpen regeling niet worden aangemeld bij de Europese Commissie, 3.2. Dit alles neemt evenwel niet weg dat de ontworpen regeling moet voldoen aan de voorwaarden vervat in artikel 107, lid 1, van het VWEU en de interpretatie die eraan is gegeven in de rechtspraak van het Hof van Justitie. In dat verband valt niet uitte sluiten dat, achteraf beschouwd, bepaalde ondememingen of bepaalde producties worden begunstigd, namelijk wanneer de steunregeling niet werkzaam kan zijn voor bedrijven die zijn # pe gemachtigde deelde mee dat in het Brusselse Hoofdstedelijke ‘Gewest vooralsnog geen regeling zou voorhanden zijn inzake ‘overeenkomsten die met bedrijven worden gesloten die tot de toepasselijkheid van de ontworpen regeling inzake het verlaagde tarief kan leiden. De situatie likt int verband dus ongewijzigd to zijn ten aanzien van de situatie die voorhanden was in het advies 57,948/1/V van 19 augustus 2015 gevestigd in het tweetalige gebied Brusset-Hoofdstad, indien er door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen regelgevend kader zou worden gecreëerd inzake de overeenkomsten die met de betrokken bedrijven kunnen worden gesloten. ‘Ook indien de thans ontworpen federale regeling volledig ‘opengesteld’ wordt voor een dergelijk toekomstig regelgevend kader (…), moet die regeling worden gecombineerd met de, relevante regelgeving van de gewesten om een volledig beeld te hebben op de verenigbaarheid van de ermee beoogde steunmaatregelen met artikel 107, id 4, van het VWEU. Indien achteraf zou blijken dat ondernemingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad door de ontstentenis van een, regelgevend kader van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet in aanmerking komen voor deze steunmaatregelen, kan de verenigbaarheid ervan met de zo-even aangehaalde verdragsbepaling problematisch zijn“ De Raad van State moet op dit punt dan ook een voorbehoud maken. 3.3. Indien de stellers van het ontwerp uitsluitsel wensen aangaande de verenigbaarheid van deze steunmaatregelen met het Unierecht, mede in het licht van de onzekerheid aangaande de toepassing ervan in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kunnen zij de ontworpen regeling alsnog aanmelden bij de Europese Commissie, 3.4. Er zal bovendien op moeten worden toegezien dat de publicatie- en monitoringverplichtingen bepaald in de artikelen 9 tot 12 van verordening (EU) nr. 651/2014 worden nageleefd 3.5. Ten slotte moet ook de aanmeldingsverplichting bepaald in artikel 25, id 4, en zo nodig ook deze bepaald in artikel 28, lid 4, van richtlijn 2003/96/EG in acht worden genomen* Gevraagd of de ontworpen regeling is aangemeld bij de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 108, id 3, VWEU, “Er werd geen aanmelding gedaan bij de Europese Commissie aangezien er, ons inziens, geen sprake is van een steunmaatregel.
Artikel 5 van de richiljn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en, elektriciteit laat toe dat er gedifferentieerde belastingniveaus, zijn voor o.a. elektriciteit en energieproducten gebruikt voor verwarmingsdoeleinden indien deze afhangen van kwantitatieve consumptieniveaus. De voorgestelde tarieven zijn in lijn met de Europese energiebelastingrichtijn = Voetnoot 2 van het geciteerde advies: HvJ 6 september 2006, €-88/03, Portugal t. Commissie. Het gegeven dat het Hof van Justitie in zijn beoordeling rekening kan houden met de bijzondere situatie van regio's met constitutionele autonomie (zie K
LENAERTS
en N. CAMBIEN, “Regions and the European Courts: Giving Shape to ne Regional Dimension of Member States", European Law Review 2010, 609-635), betekent nog niet dat zonder meer voorbij kan worden gegaan aan de zo-even ‘geschetste mogelijke selectief van de ontworpen steunmaaregel ‘aangezien vooral de faieljke efiecten van de maatregel bij die beoordeling doorwegen. =_ParlSt Kamor 2015-16, nr. 54-1390/001, 23-24. Gevraagd hoe dit standpunt verenigbaar is met het voormelde advies 57.948/1/V en met advies 58.332/1/3/VR= (eveneens over de specifieke regeling inzake de belasting met betrekking tot aardgas) waarbij de Raad van State stelde “zijn aanbeveling te moeten handhaven om de ontworpen regeling als voorgenomen staatssteun aan te melden” en waarbij de kwalificatie als staatssteun door de adviesaanvrager nooit in twijfel werd getrokken, stelde de gemachtigde: “De voorgestelde aanpassingen aan de programmawet wijzigen de huidige stuatie van de bedrijven met energiebeleidsovereenkomsten / accords de branche niet Zowel de bedrijven mét, als de bedrijven zonder energiebeleidsovereenkomsten / accords de branche worden onderworpen aan dezelfde tarieven inzake bijzondere accijns. Het bestaande verschil met betrekking tot de tarieven inzake bijdrage op de energie wordt niet gewijzigd, de situatie zoals, die vandaag bestaat blijft behouden” Die stellingname kan niet worden bijgetreden. Het voorontwerp omvat een nieuwe regeling met de oplegging van, bijzondere accijnzen via een degressief mechanisme (voorheen vastgesteld op 0 euro per MwH) en bijdragen op energie, waarbij voor wat betreft de bijdragen op energie nog steeds een onderscheid wordt gemaakt tussen zakelijke gebruikers, naargelang het gaat om bedrijven met een ‘energiebeleidsovereenkomst’ of een ‘accord de branche’. Het gaat bijgevolg ‘om een nieuwe staatssteunregeling die dient te worden aangemeld bij de Europese Commissie. Artikelen 43 en 44 1.
Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, dat inzake de bescherming van het leefmilieu een standstil-verplichting inhoudt, staat eraan in de weg dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang” ‘Gevraagd om het degressief mechanisme voor accijnzen, dat de consumptie van fossiele brandstoffen lijkt aan te moedigen, te verantwoorden in het licht van artikel 23, derde lid, 4, van de Grondwet, stelde de gemachtigde: “(…) De maatregelen in artikelen 43 en 44 voeren geen nieuw degressief mechanisme in en moedigen de consumptie van fossiele brandstoffen niet verder aan. De tarieven van de bijzondere accijns zijn zo veel mogelijk een 1 op 1 omzetting van de huidige tarieven van de federale openbare dienst verplichtingen op de energiefactuur die worden geschrapt. %_ AdvRVS 58 382/1/BIVR van 4 december 2015 overeen vocrantwerp ‘dag heeft geleid tot de wet van 26 december 2015 ‘houdende maatregelen inzake versterking van jobereatie en koopkracht Parl St. Kamer 2015-16, nr. 54-1520/001, 23-24. Gw 3 decomber 2015, nr. 175/2015, B42 toepassing zijnde wetgeving wordt dus geenszins vermindert. Bovendien kan nog worden opgemerkt dat de ‘cap’ die vandaag bestaat voor de federale bijdrage aardgas en toeslag voor de groenestroomcertificaten uit windenergie, ten, voordele van de grootste verbruikers, niet wordt behouden In het systeem accijnzen. ‘Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de invoering van een systeem accijnzen, in de plaats van de huidige federale heffingen, in de toekomst mee kan dienen voor het mogelijk maken van de groene taks shift. In de huidige situatie (zonder de wijzigingen voorzien in de programmawet) zullen bepaalde toeslagen en heffingen op elektriciteit verder stijgen door stijgingen in de kosten (o.a. door de komst van de CRM toeslag), meer dan dit voor gas het geval zou zijn. Door te werken met accijnzen voorkomt de wetgever dat de lasten op elektriciteit verder stijgen en zal de wetgever bovendien eenvoudiger lasten van elektriciteit naar fossiele brandstoffen kunnen verschuiven” Voor zover de fiscale regeling zo veel mogelijk een “1 op 1 omzetting” vormt van de huidige tarieven van de federale openbaredienstverplichtingen op de energiefactuur, hetgeen binnen de beperkte onderzoekstermijn niet kon worden nagegaan, kan worden aangenomen dat er geen aanzienlijke achteruitgang is van het beschermingsniveau en dat de regeling in overeenstemming is met artikel 23, derde id, 4°, 2. In het kader van de regeling van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 ‘ot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit heeft de Uniewetgever de lidstaten onder meer in artikel 5 van die richtlijn mogelijkheden geboden om gedilferentieerde belastingtarieven in te stellen, waaronder belastingniveaus die afhangen van kwantitatieve consumptieniveaus voor elektriciteit en energieproducten die voor verwarming worden gebruikt. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de lidstaten bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid het Unierecht en de algemene beginselen daarvan - waaronder het gelikheidsbeginsel -in acht nemen.” Gevraagd naar een redelijke verantwoording voor een degressief mechanisme, waarbij personen en ondernemingen naarmate zij meer gas verbruiken genieten van een vermindering van het toegepaste tarief, stelde de gemachtigde: “De bepalingen opgenomen in artikelen 43 en 44 moeten In samenhang worden gezien met het luik van de programmawet waarin de federale openbare dienstverplichtingen op de energiefactuur, waaronder de toeslag voor de groenestroomeertficaten uit windenergie en de federale bijdrage aardgas en elektriciteit worden geschrapt. Deze federale bijdragen worden vervangen door een bijzondere accijns, waarbij het tarief zo is gezet dat het zo veel mogelijk gelijk bijft met de > _HvJ 9 september 2021, C-100/20, XY tegen Hauptzollamt, EcLiEU:C.2021:716. tarieven die worden vervangen. Het doel hierbij is om het federale aandeel op de energiefactuur zo veel mogelijk gelijk te houden aan de situatie in 2021 (conform Regeerakkoord). Voor de federale openbare dienstverplichtingen op de energiefactuur bestond er een degressief tarief op basis van consumptieniveaus. Dezelfde degressiviteit werd ook behouden In de tarieven voor de bijzondere accijns. Met andere woorden: er wordt met de maatregelen in artikelen 43 en 44 geen nieuwe degressiviteit in het leven geroepen, wel worden bestaande heffingen vervangen door accijnzen. Indien de degressiviteit niet zou worden behouden, zou het federale aandeel op de factuur voor bepaalde verbruikers zeer sterk stijgen.” Het gegeven dat het principe van degressiviteit is overgenomen uit de bestaande regelgeving, neemt niet weg dat er sprake is van een nieuwe wilsuiting van de wetgever, die redelijk moet kunnen worden verantwoord. Het is onzeker of de doelstelling om te vermijden dat het federale aandeel op de factuur voor grootverbruikers zou stijgen op zich een aldoende verantwoording vormt voor de ontworpen regeling, waarbij bijvoorbeeld verbruikers van gas voor niel-zakelijk verbruik voor de schijf tot 20 000 MW een bedrag van 0,54 euro per MWh aan bijzondere accijnzen verschuldigd zijn, terwijl de bijzondere accijnzen voor de schijf vanaf 2 500 000 MWh meer dan drie keer lager liggen (slechts 0,15 euro per MWh). De stellers van de ontworpen bepalingen doen er goed aan om de keuze voor het degressief fiscaal mechanisme omstandiger te verantwoorden in de memorie van toelichting Artikel 45 ‘Artikel 45 van het voorontwerp machtigt de Koning om “de methodologie vast te stellen [om het jaarlijkse verbruik te berekenen) voor de toepassing per verbruiksschijl, berekend op jaarbasis”. ‘Gevraagd om de concrete draagwijdte van de machtiging te verduidelijken, stelde de gemachtigde: “De tarieven worden vastgesteld per verbruiksschijf berekend op jaarbasis. In een Koninklijk Besluit zal nader worden bepaald hoe energieleveranciers het verbruik op jaarbasis moeten berekenen, bijvoorbeeld in geval van nieuwe consumenten of in geval van consumenten die van leverancier zijn gewisseld en waar nog geen jaarverbruik van gekend is bij de nieuwe leverancier. ‘Gezien de wijziging van de tarieven plaatsvindt naar aanleiding van de incorporatie van o.a. de federale bijdrage op energie werd er voor gekozen om dezelfde structuur aan te houden zoals deze momenteel van toepassing is. De methodologie om het jaarlijks verbruik te berekenen de toepassing per verbruiksschijf voor bv aardgas is momenteel opgenomen In artikel 10 van het Koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststeling van de nadere regels betreffende een federale bijdrage bestemd voor de financiering van bepaalde openbare dienst verplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de aardgasmarkt. Voor elektriciteit wordt deze methodologie opgenomen in het Koninklijk besluit van 24 maart 2003, artikel 6” Gelet op het egaltitsbeginsel vervat in artikel 170 van de Grondwet, moeten de essentiële elementen van een belasting bij wet worden vastgesteld. Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplchtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstelingen. Het egaïiteitsbeginsel vereist dat de wet daarbij nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevat aan de hand waarvan kan worden algeleid wie belastingplichtig is, waarop belasting moet worden betaald en hoeveel die bedraagt. ‘Gelet op de toelichting van de gemachtigde kan worden aangenomen dat de voormelde machtiging niet kan worden beschouwd als een delegatie aan de Koning om een essentieel element van de belasting vastte stelen. Het verdient wel aanbeveling om die toelichting op te nemen in de memorie Artikel46 Ingevolge artikel 46 van het voorontwerp zou artikel 429, $ 2,1), van de programmawet van 27 december 2004 als volgt luiden (eigen onderijning): “$ 2. Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen wordt vrjsteling van accijnzen verleend voor de volgende producten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt (0) 1) gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, aardgas, elek ticitet, kolen, cokes en bruinkool uitsluitend gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden; De vrijsteling voor aardgas en elektriciteit is beperkt tot de bidrage op de energie” In antwoord op de vraag of op grond van die bepaling de fiscale behandeling in de in artikel 429, $ 2,), bedoelde sectoren van de consumptie van gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, kalen, cokes en bruinkool gunstiger zal zin dan de consumptie van aardgas en elektriciteit, stelde de gemachtigde: “De situatie bijft in de praktijk hetzelfde zoals vandaag het geval is. Vandaag bestaat er een vrjsteling van accijnzen voor energieproducten gebruikt in de landbouw, zoals voorzien in 429, 5 2,1) van de programmawet van 27 december 2004. Voor elektriciteit en aardgas geldt deze vrijsteling de facto enkel voor de bijdrage op de energie, aangezien de tarieven van de accijns en bijzondere accijns op 0 staan. Door de hervorming voorzien in de programmawet, worden de federale openbare dienstverplichtingen op de energiefactuur geschrapt en vervangen door een bijzondere accijns. ‘Aangezien er voor deze federale openbare dienstverplichtingen momenteel geen vrijstelling voor landbouw geldt, werd er voor gekozen om ook de vrijstelling in artikel 429, 5 2,1) van de programmawet van 27 december 2004 te beperken tot de bijdrage op de energie (zoals de /acto vandaag het geval Is) en niet verder uit te breiden naar de bijzondere accijns die de federale toeslagen en heffingen vervangt. Zowel voor de begroting als voor de verbruikers in de landbouw is dit in principe dus budgetneutraal. Waar er een vrijstelling bestond voor landbouw, werd deze behouden. Waar er geen specifieke vrijsteling voor landbouw was, werd deze niet ingevoerd of uitgebreid in het kader van deze hervorming.” ‘Ook al worden bestaande vrijstellingen overgenomen uit de huidige regelgeving, toch is er nog steeds sprake van een nieuwe wilsuiting van de wetgever, die redelijk moet kunnen worden verantwoord. De omstandigheid dat de situatie in de praktijk dezelfde blijft zoals vandaag het geval is, vormt op zich geen redelijke verantwoording in het licht van het gelijkheldsbeginsel. Er zal dus nog een concrete verantwoording moeten kunnen worden geboden voor de fiscaal meer voordelige behandeling in de sectoren landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden van bijvoorbeeld personen en ondernemingen die zware stookolie of kolen verbruiken en de fiscaal meer nadelige behandeling van personen en ondernemingen die elektriciteit verbruiken. Afdeling 3 - Inwerkingtreding Insteling van een wettelijk kader voor overleg en samenwer king tussen het Openbaar Ministerie, de federale gerechtelijke politie en de fiscale administratie mogelijk te maken ter bestrij dìng van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerde en ter ondersteuning van de werkzaamheden van de MOTEM's (muitidisciplinaire onderzoeksteams) vi werkdagen wat dit hoofdstuk betreft onontvankelijk. De Vormvoorschriften 11. De in titel 3 van het voorontwerp opgenomen regeling moet in beginsel als een regeling inzake staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), worden aangemeld bij de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, id 3, van datzelfde verdrag 1.2. Voor de artikelen 55 tot 61 van het voorontwerp verwijst de gemachtigde evenwel naar “communication from the ‘commission: temporary framework for state aid measures to support the economy in the current COVID-19 outbreak”, waarmee hij de Tijdelijke Kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uibraak vervat in de mededeling van de Europese Commissie van 19 maart 2020* bedoelt, en meer bepaald naar de punten 42, 43 en 43bis ervan. In de vermelde mededeling van de tijdelijke kaderregeling stelt de Commissie de verenigbaarheidsvoorwaarden vast die, ze in beginsel tot 31 december 2021 zal toepassen op steun die de lidstaten verlenen op grond van artikel 107, lid 3, b), VWEU. Deze mededeling van de Commissie neemt echter niet weg dat staatssteunregelingen in beginsel nog steeds bij de Commissie moeten worden aangemeld, op grond van, artikel 108, id 3, van het VWEU, tenzij wanneer een beroep kan worden gedaan op een vrijstelingsregeling. De mededeling brengt daarin geen wijziging” De Commissie verklaart in haar mededeling immers dat ze: “zorg [draagt] voor een, snelle besluitvorming na heldere en volledige aanmelding van maatregelen die onder deze mededeling vallen. De lidstaten, moeten de Commissie van hun voornemens in kennis stellen, en hun plannen om dergelijke maatregelen in te voeren zo, snel en volledig mogelijk aanmelden" 1.3. Voor de artikelen 62 tot 65 verschaft de gemachtigde “Deze steunmaatregel met betrekking tot de overstromingen Is conform de Europese regelgeving, namelijk met Verordening bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
Artikel 50, 1 van deze Verordening stelt dat steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, overstromingen, tornado's, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden, met een natuurlijke oorzaak verenigbaar zijn met de interne markt in de zin van artikel 107, id 2, onder), van het Verdrag en van de procedure van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits de in dit artikel en in hoofdstuk | vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Deze voorwaarden zoals de erkenning als natuurramp van de overstromingen, het rechtstreeks verband tussen de schade en de natuurramp, de vaststeling van de schade door de overheid of de verzekeringsmaatschappij, steunregelingen met betrekking tot een specifieke natuurramp worden binnen de drie jaar toegekend en de terugbetaling tot ten hoogste 100 % van de schade zijn vervuld in het voorliggende wetsontwerp” Er moet evenwel vastgesteld worden dat de in
hoofdstuk 3
van tel 3 van het voorontwerp ontworpen regeling niet voldoet aan ale voorwaarden die volgen uit artikel 50 van Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij worden verklaard’ Zo vereist artikel 50.2, a), van de verordening een formele erkenning als natuurramp door de bevoegde overheldsinstantie. De ontworpen regeling legt deze voorwaarde niet op. In dit Gewijzigd bij de mededelingen van 3 april 2020, 8 mei 2020, 2 juni 2020, 13 oktober 2020 en 1 iebruari 2021. Tijdelijke kaderregeling, punt 96. 2at verband moet er overigens op gewezen worden dat op grond van arikel 6,5, Il, eerste Id, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 “ot hervorming der instelingen (hierna: BWHI) de gewesten bevoegd zijn, wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft, voor “5” de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen”. Deze bepaling werd ingevoegd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming In de toelichting bij het voorstel dat tot deze bijzondere wet heeft geleid werd hieromtrent onder meer gesteld ‘Artikel 14, 2), van it voorstel van bijzondere wet voorziet erin dat de gewesten bevoegd worden inzake de financiële tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door algemene rampen, wat hans gebeurt door het Nationaal Fonds voor algemene rampen. De gewesten zullen voortaan bevoegd zijn voor de erkenning van ‘een natuurlijk lenomeen als algemene ramp. Zij zullen tevens bevoegd zijn om de regels te bepalen inzake de vergoeding van de slachtoffers" Daarnaast bevat arikel 50.4 van de verordening de regels voor de berekening van kosten die in aanmerking mogen worden genomen, de berekening van de schade en het inkomensverlies.
Artikel 63 van het voorontwerp kent een forfaitaire compensatie per dag tijdelijke werkloosheid toe van maximaal 18 euro. Dergelijke lorlaitare compensatie spoort niet met artikel 50.4 van de verordening. ‘Artikel 50.5 van de verordening bepaalt dat de steun en alle overige betalingen ter vergoeding van de schade, ms. betalingen in het kader van verzekeringspolssen, ten hoogste 100 % bedragen van de in aanmerking komende kosten. De ontworpen regeling stelt dit niet als voorwaarde. Bijkomend doen ook de mogelijke cumulatie met de compensatie geregeld in
hoofdstuk 2
van titel 3 van het voorontwerp en het feft dat het ongebruikte krediet overgedragen kan worden naar de oudste schulden, naar de volgende kwartalen of dat om een terugbetaling kan worden verzocht, vragen rijzen over het respecteren van de 100 %-grens. ‘Ten slate kan erop gewezen worden dat ook de voorwaarden van
hoofdstuk 1
van de verordening (EU) nr. 651/2014 moeten worden vervuld waaronder de publicatie en monitoringverplichtingen bepaald in de artkelen 9 tot 12. De ontworpen regeling likt op dit punt niets te regelen. Ui net voorgaande blik! dat de ontworpen regeling niet binnen de voorschriften van de verordening valt. Bijgevolg moet de regeling worden aangemeld bij de Europese Commissie. Bepalingen tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor het aar 2022 ter compensatie van de kost van de gelijksteling van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijke vaKantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders =_Parl.St Sonaat 20121, nr. 522921, 7. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. ‘Compensatie van de werkgeverskost van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus voor de jaarlijkse vakanlie voor de bedienden, Artikel 59 ‘Artikel 59, $ 2, van het voorontwerp voert een onderscheiden behandeling in met zes categorieën afhankelijk van de mate waarin een werkgever beroep heeft gedaan op tijdelijke werkloosheid door overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19. De laagste categorie van werkgevers ontvangt geen compensatie en de hoogste categorie een compensatie van 95 9% Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel In het licht van het grondwettelijke gelikheidsbeginsel moet Kunnen worden aangetoond dat deze onderscheiden behandelingen in een redelijk verband staan met de nagestreefde doelstellingen via objectieve en pertinente middelen. De gemachtigde verschafte in verband met de in artikel 59, $ 2, gehanteerde indeling de volgende toelichting: “Dit zijn door de sociale partners vooropgestelde limieten en gt in lijn met hetgeen door de sociale partners werd voorgesteld in het kader van dezellde oelening voor het jaar 2020 (we verwijzen naar het op 27 oktober 2020 uitgebrachte NAR-advies nr. 2 180). Hetgeen omgezet werd in wetgeving via artikel 34-26 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (http-/wwwmejustice just {gov.belelil weu2020/1212/202004451/ustel)” Het verdient aanbeveling deze verantwoording op te nemen in de memorie van toelichting. >_ vaste rochispraak van het Grondwettelijk Hot. Zie bu: Gw 17 juli 2014, 1071201, 12; Gw 25 september 2014, nr. 141/2014, Ba. Gu 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; Gu 18 juni 2015, nr 9201, B.5.1; Gw 16 juli 2015, nr. 104/2015, B; Guri 16 juni 2018, nr 947201, 53. werkloosheid voor de bedienden in het kader van overmacht wegens overstromingen voor de jaarlijkse vakantie Artikelen 62 tot 65 De artikelen 62 tot 65 voorzien in een compensatie voor bepaalde werkgevers van de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht omwille van overstromingen voor de jaarlijkse vakantie. Dit geldt enkel voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de bedienden. Deze compensatieregel geldt bijgevolg niet voor arbelders. Voor deze verschillende behandeling moet een afdoende verantwoording voorhanden zijn in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Het verdient aanbeveling deze verantwoording op te nemen in de memorie van toelichting, Enig hoofdstuk - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en Artikel 67 Wat de bepaling onder 2° betreft, vraagt de afdeling Wetgeving zich af of, naar het voorbeeld van wat thans vermeld wordt in artikel 37quaterdecies, 5 2, laatste zin, van de wet ‘betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: “de gecoördineerde wet”), de ontworpen wijziging niet ‘aangevuld moet worden met een laatste zin die als volgt luidt. “Nadien wordt het op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer waartegen de sociale voorzieningen op die datum worden uitbetaald” ‘Afdeling 2 - Inkomsten van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging om specifieke uitgaven gelinkt aan de COVID-19-pandemie te dekken Artikel 69 1. In de inleidende zin van artikel 69 dient aangegeven te worden dat artikel 191, eerste lid, 1°ter, van de gecoördineerde wet in die wet ingevoegd is bij koninklijk besluit nr. 33 van 23 juni 2020.2* > _Bekrachtigd bij artikel 24 van do wet van 24 december 2020 “tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toopassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent ‘aan de Koning om maatregelen te nemen in de stijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (1 2.
Artikel 69, b), van het voorontwerp bepaalt dat het RIZIV kan vragen dat voor het aar 2022 een rijkstoelage toegekend wordt onder dezelfde voorwaarden als voor het Jaar 2021. Wat de rijkstoelage betreft, wordt de aandacht van de stellers van het voorontwerp gevestigd op het feit dat de afde ling Wetgeving in advies 69.024/2-3 van 19 maart 2021 over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 13 Juni 2021 ‘houdende maatregelen ter beheersing van de COVID-19pandemie en andere dringende maatregelen in het domein van de gezondheidf[s}zorg’ het volgende opgemerkt heeft in verband met titel VI van die wet “ALGEMENE OPMERKING Titel Vl van het voorontwerp beoogt de Koning de mogelijkheid te geven om, in het kader van de bestrijding van de COVID-19-pandemie, ook de volgende jaren in een voorschotregeling te voorzien ten gunste van de ziekenhuizen naar analogie van de regeling die voor 2020 werd ingevoerd bij het koninklijk besluit nr. 10 van 19 april 2020, Er wordt dan ook In de eerste plaats verwezen naar de adviezen die de Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft gegeven over dat financieringsmechanisme. In het licht van die adviezen moet voorbehoud worden gemaakt met betrekking tot de verenigbaarheid van die regeling met de staatssteunregels. In de memorie van toelichting wordt de nadruk gelegd op het feit dat de vergoedingen in essentie de compensatie betreffen van openbare dienstverplichtingen Die tel Vl bevat artikel 30, 2, dat als volgt uit: “De Koning kan op jaarbasis aen bedrag voor oen Rijkstoolage vastleggen dat deel zal uitmaken van de verzekeringsinkomsten zoals bedoeld in artikel 191 van de GVU-wet”. Voetnoot 35 van het gecitoerde advies: Koninklijk beslut nr. 10 van 19 april 2020 ‘voor de toekenning van en de regels voorde verdeling en vereffaning van een voorschot aan de ziekenhuizen in het kader van de epidemie door het coronavirus COVID-19. *_ voetnoot 36 van het geciteerde advies: Adv.RvS 67.210/3 van 14 april 2020 over eon ontworp dat geleid heeft tot net koninklijk besluit ar. 10 van 19 april 2020 ‘voor de toekenning van en de regels voor de verdeling en vereffening van oon voorschot aan ‘de algemene ziekenhuizen in het kader van de epidemie door het coronavrus COVID-19' en adv.AvS 67.584/3 van 16 juni 2020 ‘over oan ontwerp dat geleid hoeft tot het koninklijk besluit nr. 35 van 24 juni 2020 ‘tot wijziging van het koninklijk beslut nr. 10 van 19 april 2020 voor de toekanning van en de rogels voor do verdeling ‘en vereffening van een voorschot aan de algemene ziekenhuizen. in het kader van de opidomie door het coronavirus COVID-19' Zie ‘ook de adviezen over de uivoeringsbesluiten, adv.AvS 68 457/3 van 17 december 2020 over een ontwerp dat geleid heeft tot het ministerieel besluit van 21 december 2020 ‘tot vastlegging van de forfaitaire tegemoetkomingen zoals voorzien in artikel 3,5 1. van het koninklijk besluit van 30 oktober 2020 tot vaststelling van de nadere regeis voor de toekenning van eon uitzonderlijke federale nanciële tegemoetkoming aan de ziekenhuizen in het Kader van de coronavrus COVID-19 epidemie, voor wat betreft de ‘algemene ziekenhuizen. Het ministerieel besluit van 11 februari 2021 ‘tot vastlegging van de forfaitaire tegemoetkomingen zoals ‘voorzien in artikel 3, 1, van het koninklijk beslut van 30 oktober 2020 tat vaststeling van de nadere regels voor de toekenning van een uitzonderlijke federale financiële tegemoetkoming aan ‘de ziekenhuizen in het kader van de coronavirus COVID-19 ‘epidemie, voor wat betreft de psychiatrische ziekanhuizen’ werd niet voor advies voorgelegd. In het kader van de COVID-19-pandemie. Gelet op de vrij summiere regeling van die financiering voldoet het voorliggende kader op zich niet aan de transparantievereisten van besluit 2012/21/EU * Tenzij aan dat bezwaar tegemoet wordt gekomen bij de uitvoering ervan, zal de regeling moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU= Afdeling 3 - Heffingen op de omzet Artikel 72 Uit de ontworpen tekst kan niet opgemaakt worden of het percentage van de weesheffing 0 of 3 % bedraagt wanneer de omzet 1,5 miljoen euro beloopt. De bepaling moet aangepast worden om die moeilijkheid te verhelpen. Afdeling 4 - Bijdrage op marketing Artikel 73 In de Franse tekst van het ontworpen artikel 191, eerste lid, 31°, derde lid, van de gecoördineerde wet (artikel 73, 3°, van het voorontwerp) dienen de woorden ‘est versé avant le 1° juin 2021” vervangen te worden door de woorden “est versé avant le 1 juin 2022”. Artikelen 74 en 75 Naar aanleiding van een vraag over het feit dat in artikel 74 van het voorontwerp niet alleen het bedrag vastgesteld wordt van de administratiekosten van de vijf landsbonden en van de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail voor het jaar 2022, maar dat bij dat artikel, artikel 195, 5 1, 2°, derde id, van de gecoördineerde wet ook aangevuld wordt voor wat betreft de jaren 2020 en 2021, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: = voetnoot 37 van het geciteerde advies: Besluit 20t2/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 ‘betreffende de toepassing van artikel 106, id 2, van het Verdrag betreffende ‘de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van ‘compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen: » Advies 69,024/2.3,op 19 maart 2021 gegeven over eon voorontwerp (dat geleid heeft tot de wet van 19 juni 2021 ‘houdende maatregelen terbeneersing van do COVID-19-pandemie en andere dringende maatregelen in het domein van de gezondheidzorg’ (ParL.St Kamer 2020-21, nr. 1829/001, 134 en 135; htyp:/wwwraadvst‘consetat. beldbrladviezen/6902,pdf). 2021 déterminant les montants des frais d'administration ‘attribués aux organismes assureurs pour es années 2020 et ‘2021 (MB 10/09/2021 - http-lwwwejustice just.fgov.beleli’ Wat betreft het feit dat artikel 75 van het voorontwerp bepaalt dat artikel 74 op 1 januari 2022 in werking treedt, vraagt de afdeling Wetgeving zich af of het niet nodig is om de voorgenomen wijzigingen te laten terugwerken tot 1 januari 2020 voor wat betreft de bedragen van de administratiekosten vastgesteld voor het aar 2020 en tot 1 januari 2021 voor wat betreft de bedragen van de administratiekosten vastgesteld voor het jaar 2021
TITEL
5- ENERGIE
Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organi satie van de elektrciteitsmarkt en tot regeling van de financiering van de belasting over de toegevoegde waarde op de uitgaven voor het beheer en de sanering van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat door een toewijzing uit de onwangsten van de belasting over de toegevoegde waarde ALGEMEEN De artikelen 76 tot 81 van het voorontwerp hememen in essentie de regeling voor de verrekening van de verschul digde btw in het kader van de sanering van het nucleair passief door het Nationaal Instituut voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen, waarover de Raad van State reeds op 2 december 2019 advies 66.679/3 heeft gegeven“ waarvan de tekst als bijlage bij dit advies wordt gevoegd. De Raad van State verleent, behoudens in geval van wijziging van de juridische context, wat hier niet het geval is, in de regel geen nieuw advies over bepalingen die reeds eerder zijn onderzocht of die zijn gewijzigd ten gevolge van in eerdere adviezen gemaakte opmerkingen. Met betrekking tot die bepalingen wordt verwezen naar het voormelde advies, zowel wat bereft de complexe voorgeschiedenis, als wat betreft de eigenlijke opmerkingen over de vorige regeling.
Artikel 77 Het verdient aanbeveling om artikel 77 van het voorontwerp te verplaatsen naar het einde van hoofdstuk 1, aangezien »__ Adu.RS 66.679/3 van 2 december 2019 over een voorontwerp van wet “tot regeling van de compensatie van de belasting ‘over de toegevoegde waarde op de saneringswerken van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat ‘door een toewijzing uit de ontvangsten van de belasting over ‘de toegevoegde waarde en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betefiende de organisatie van de elektrciteitsmarkt het gaat om een wijzigingsbepaling die nu tussen autonome bepalingen voorkomt Arkel 79 ‘Artikel 79 van het voorontwerp is nieuw in vergelijking met het voorontwerp waarover advies 66.679/3 is gegeven en bepaalt dat de Overeenkomst van 19 december 2005 tussen de van de elektriciteit en het gas ‘met oog op de uitvoering van de betaling van de btw in het kader van de nucleaire passiva BP/ BP2' wordt opgeheven bij koninklijk besluit De meerwaarde van een dergelijke delegatie aan de Koning is evenwel niet duidelijk. Indien het de bedoeling is om het parallelisme der vormen te respecteren, zou het opheffen van de overeenkomst moeten gebeuren door de partijen, conform, artikel 7 ervan, dat inhoudt dat “d]eze overeenkomst zal worden aangepast van zodra het wettelijk kader waarop de praktische afspraken zijn gebaseerd, wordt gewijzigd”. Indien het daarentegen de bedoeling is dat de overheid eenzijdig een einde maakt aan de overeenkomst, nu de inhoud ervan achterhaald is door de ontworpen regeling,“ wordt de opheffing van de overeenkomst beter rechtstreeks in de wet bepaald, zodat de overeenkomst beëindigd wordt bij de inwerkingtreding van de aan te nemen regeling en elke rechtsonzekerheid meteen wordt weggenomen. organisatie van de elektriciteitsmarkt en wijziging van de wet produkten en andere door middel van leidingen ‘Artikelen 85, 87 en 91 In de artikelen 85, 87 en 91 van het voorontwerp wordt telkens. gewag gemaakt van ‘de ontvangsten (…) voortvloeiend uit de, onderdeel e)i) en onderdeel f)) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 #1, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15° (lees: “15° C°). Op de vraag of de ontworpen bepalingen ertoe strekken een verhoging van de in de programmawet van 27 december 2004 bedoelde bijzondere accijnzen mogelijk te maken, antwoordde de gemachtigde als volgt: “(…) dit betreft een verhoging van een bijzondere accijns die in het verleden werd doorgevoerd. De inkomsten die # _ Aangezien het gaat om praktische afspraken tussen overheden, die, ‘bovendien gelden onder voorbehoud van latere wetswijzigingen, lik er geen juridisch bezwaar te bestaan tegen een optreden van de wetgever om een einds te maken aan de contractuele afspraken. Het zou anders zin indien er vermogensrechtelike rechten en verpichtingen zouden gelden ten voordele van particulieren en waar de overheid met de eenzijdige opheffing aan zou proberen te ontsnappen, maar dats hier niet aan de orde. daaruit voortvloeien worden gebruikt in het toewijzingsfonds, ‘om de kosten die volgen uit het degressiviteitsmechanisme (zoals bepaald in dezelfde artikels) te dekken (tot 31 december 2021), indien deze niet volstaan kan een gedeelte van de vennootschapsbelasting worden bestemd voor de financiering van dit toewijzingsfonds “ Het is niet de bedoeling dat er een, voorwaardelijke verhoging van de bijzondere accijns wordt ingeschreven in de wet of dat het huidig financieringssysteem van doelstelling die reeds in de voornoemde wet van 29 april 1999 zij ingeschreven word! gewijzigd met uitzondering dat de primaire financieringsbron in het cascade systeem niet langer middels een federale bijdrage zal verlopen maar middels de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN code 2716” In het licht van die toelichting is het raadzaam om in de artikelen 85, 87 en 91 van het voorontwerp bijkomend te verwijzen naar de wijzigingswet die de betrokken verhoging heeft gerealiseerd Arikelen 86 en 91 Artikel 91, 5°, van het voorontwerp strekt tot het invoegen van een nieuw artikel 15/11, 8 1 quater/, in de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige produkten en, andere door middel van leidingen’, dat bepaalt dat de Federale, Staat en de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (hierna: de CREG) een protocol sluiten over de rechten en plichten van de contractpartijen, waaronder de onafhankelijkheid van de CREG bij de uitvoering van haar begroting.
Artikel 86, 6°, van het voorontwerp strekt tot het invoegen van een gelijkaardige bepaling in de wet van 29 april 1999 ‘betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Uit de vaste adviespraktijk van de Raad van State blijkt dat regelgeving via het contractuele procedé problematisch, is indien door middel van een dergelijk protocol verordenende bevoegdheid wordt uitgeoefend ten aanzien van derden. Uit de beginselen die de uitoefening van de normatieve functie, beheersen, vloeit immers voort dat in zo'n protocol enkel praktische afspraken kunnen worden opgenomen die een concretisering inhouden van de bij wet of, binnen de grenzen waarbinnen delegaties toelaatbaar zijn, bij uitvoeringsbesluit vastgestelde regels. Bij het uitwerken van het betrokken protocol moet daarmee rekening worden gehouden Artikel 88 ‘Aangezien artikel 88 van het voorontwerp enkel bepaalt via welke toewijzingsfondsen de netbeheerder gefinancierd wordt, heeft het geen reglementaire draagwijdte in de zin van artikel 3, 5 1, van de gecoördineerde weten op de Raad van State en is de Raad van State niet bevoegd om erover advies te geven. * _ Voetmoot bij het antwoord van de gemachtigde: Zie Par. St. 51 1845 bij de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen p.52.
Artikel 89 In de Nederlandse tekst van artikel 89, 1°, van het voorontwerp moet voorafgaand aan de zinsnede “de in artikel 21bis, 8 1, tweede tot en met vifde lid bedoelde ontvangsten” het woord “door” worden ingevoegd.
Artikel 90 In artikel 90 van het voorontwerp moet de verwijzing naar “artikel 31/3” worden vervangen door een verwijzing naar “artikel 31/3, eerste en tweede lid,” en moet tussen de woorden “worden” en “de woorden” het woord “telkens” worden, ingevoegd.
Artikel 91 1. In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 15/11, $ 1bis, tweede lid, 3°, van de wet van 12 april 1965 (artikel 91 van het voorontwerp) moeten de woorden “residentiële beschermde klanten” worden vervangen door de woorden “beschermde residentiële afnemers” 2. De ontworpen wijziging in artikel 15/11, $ tbs, van de wet van 12 april 1965 moet voorts worden afgestemd op de wijziging die in dezelfde bepaling wordt aangebracht bij artikel 97 van het voorontwerp en die eveneens op 1 januari 2022 in werking treedt vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van, leidingen, en wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen en in arikel 20, $ 2/1, eerste id, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van, de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en, het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststeling van, van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan Artikel 97 De wijziging in artikel 15/11, $ 1bis, van de wet van 12 april 1965, vervat in artikel 97 van het voorontwerp, moet worden afgestemd op de wijziging die in dezelfde bepaling wordt “Zie de artikelen 1, 54°, en 15/10, $ 2/2, van de wet van 12 april aangebracht bij artikel 91 van het voorontwerp en die eveneens op 1 januari 2022 in werking treedt TEL 6-MoauTeT Enig hoofdstuk Steun voor het goederenwervoer per spoor 1. De bepalingen van het enig hoofdstuk van te 6 van het voorontwerp vallen onder de bevoegdheid die de federale overheid heeft inzake reglementering op het vervoer, in de zin van artikel 6, 5 4, 37, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 “tot hervorming der instelingen. Bijgevolg moeten de gewestregeringen betrokken worden bij het uitwerken van die bepalingen, zoals voorgeschreven, in laatstgenoemde bepaling 2. De steunregeling ten behoeve van het goederenvervoer per spoor waarin voorzien wordt door de bepalingen van iel 6 van het voorontwerp, is een vorm van staatssteun waarvan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, id 3, VWEU vooraf op de hoogte moet worden gebracht In de bespreking van artikel 105 van het voorontwerp wordt bevestigd dat dat ook de bedoeling is van de steller van het ontwerp. In die bespreking staat het volgende: “De inwerkingtreding wordt op een later moment door de Koning bepaald, in functie van de datum van goedkeuring van de steunregeling door de Europese Commissie” Aideling 1 - Definities Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen ‘Aideling 2 -Het verminderingsmechanisme van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur Artikel 101 1. Paragraaf 1, eerste id, luidt als volgt “Infrabel publiceert onverwijd, in afwijking van de termijnen voorzien in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juli 2019 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcaparesten en de retlbutie voor het gebruik van de spoorwegin‘rastructuur, In zijn netverklaring de toepassingsmodalteiten van het verminderingsmechanisme van de retrbutie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur bedoeld in het tweede li ten voordele van de kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 2” De termijn waarbinnen Infrabel de modaliteiten dient bekend te maken voor de toepassing van het in het voorontwerp bedoelde mechanisme voor de vermindering van de retributie voor het gebruik van het net, zou concreter vastgesteld moeten worden in die bepaling“ Het woord “onverwijd”is immers te vaag. 2. In het eerste en het derde lid van paragraaf 1 staat dat het mechanisme voor de vermindering van de retributie voor het gebruik van hetnet waarin voorzien wordt in het voorontwerp, alleen de kandidaten ten goede komt ‘die beantwoorden aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 2“. In die paragraaf 2 is enkel sprake van de voorwaarde dat met Infrabel een overeenkomst moet worden afgesloten waaronder de activiteiten vallen van de begunstigden van de vermindering. Zoals die bepaling is gesteld, kan niet worden uitgemaakt wat de strekking is van die overeenkomst die gesloten moet worden om in aanmerking te komen voor de vermindering van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur waarin het voorontwerp voorziet, en dus ook niet welke voorwaarden juist vervuld moeten zijn om het voordeel van dat verminderingsmechanisme te genieten “ Paragraaf 2 moet in het licht van die opmerking worden ‘Afdeling 4 Bijzondere voorwaarden voor de begunstigden Artikel 104 1, In het eerste en het tweede id van paragraaf 1, wordt voorzien in twee voorwaarden die de kandidaten moeten vervullen om in aanmerking te komen voor de vermindering van de retributie voor het gebruik van het net waarin het voorontwerp voorziet. ‘Op de vraag waarom die voorwaarden gesteld worden, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord # _ poor bijvoorbeeld een exact termijn to bepalen met as vertrekpunt de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van tel 6 van &_ Gaat hetom een reeds bestaande overeenkomst die gesloten isin hetkader van de toewijzing van de spoorweginrastuchuureapacitet (artikel 27 en volgende van de Spoorcoder) of om con nieuwe ‘overeenkomst die specifiek gesloten wordt in het kader van de tenuivoerlegging van de arikelen 100 en volgende van het vooriggende voorontwerp? Overeenkomstig artikel 108 van het VWEU dient de Europese Commissie inderdaad na te gaan of de ontworpen staatssteunregeling verenigbaar is met de interne markt 2.1. De vermelding °$ 1” dient te worden toegevoegd aan het begin van het eerste id van artikel 104. 2.2. In paragraaf 2, tweede lid, moeten de woorden “bedoeld In paragraaf 2” vervangen worden door de woorden “bedoeld in het eerste id” Afdeling 5 - Slotbepalingen Zoals hiervoor is opgemerkt, is de adviesaanvraag op vijf werkdagen wat deze titel betreft onontvankelijk. De bepalingen ervan worden dan ook niet onderzocht. Wijziging van de wet van 28 april 2003 betreffende de ‘aanvullende pensioenen eN het belastingstelsel van die pensioenen en vAn sommige aanvullende voordelen inzake Artikel 110 ‘Artikel 110 van het voorontwerp heft het uitzonderingssysteem op waarbij betaalde sportbeoefenaars hun aanvullend pensioen kunnen opvragen op de leeftijd van 35 jaar met toepassing van het belastingtarief van 20 %. Bi wijze van overgangsregeling blijft dit systeem behouden voor wat betreft de pensloentoezeggingen waarbij de betaalde sportbeoefenaars werden aangesloten vóór 20 oktober 2021. De gemachtigde verschafte volgende toelichting in verband met de gekozen schamnierdatum van 20 oktober 2021, en de overgangsregeling: “De datum van 20 oktober is de datum waarop de Ministerraad over deze maatregel heeft beslist. De bedoeling is te vermijden dat er nog op een drafje nieuwe pensioentoezeggingen zouden worden ingevoerd (bv. individuele pensioentoezeggingen) om aan de toepassing van de nieuwe regeling te kunnen ontsnappen. De overgangsregeling heeft als doel om in het kader van lopende contracten (of beter ‘aansluitingen’ niet te moeten terugkomen op verworven rechten of gewekte verwachtingen. Dit principe wordt wat de pensloenhervormingen betreft ook uitdrukkelijk verwoord in het regeerakkoord. Bij hervormingen in het kader van de aanvullende pensioenen is het niet ongebruikelijk om met relatief lange overgangsperlodes te werken. Bij de verhoging van de pensioenleeftijd in het kader van de aanvullende pensioenstelsels, door de wet van 18 december 2015 werd bijvoorbeeld voorzien, dat die verhoging maar geldt voor werknemers die na een bepaalde datum in dienst treden (1 januari 2019, zie art. 63/8 van de Wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen). In dt geval moet bovendien rekening worden gehouden met het groot verloop in de sportsector (contracten, duren vaak maar enkele jaren, bij een volgende tewerksteling valt men wel onder de nieuwe regels), en met het feit dat de oude regeling in principe hoe dan ook maar liep tot de leeftijd van 35 jaar. Het derde lid heeft als doel om misbruiken te vermijden. Stel dat een pensioentoezegging voorziet in een pensioenprestatie van 20 000 EUR per dienstjaar. Dan geldt de overgangsregeling voor de prestatie zoals zij voortvloeit uit net pensioenreglement zoals dat bestaat op 20 oktober 2024. Wanneer nadien het pensioenreglement wordt gewijzigd met als doel om die prestatie te verhogen (bijvoorbeeld naar 40 000 EUR per dienstjaar), dan kan men voor wat die, verhoging betreft niet genieten van de overgangsbepaling. De bedoeling van de overgangsbepaling is zoals gezegd om niet te moeten terugkomen op verworven rechten of gewekte verwachtingen. Die overweging geldt niet voor wat wijzigingen aan de pensioenstelsels betreft die achteraf nog zouden worden doorgevoerd. Zonder deze bepaling bestaat het risico dat pensioenprestaties retroactief worden verhoogd, om alzo te ontsnappen aan de hoger sociale bijdragen op de brutolonen” Het verdient aanbeveling deze verduidelijking op te nemen in de memorie van toelichting Wijziging van de programmawet () van 27 december 2006 Artikel 111 Artikel 111 van het voorontwerp wijzigt artikel 306, 5 2, van de programmawet () van 27 december 2006. Het houdt een verruiming in van de doeleinden met het oog waarop de gegevensbank aanvullende pensioenen DB2P alle nuttige gegevens verzamelt die meegedeeld worden door de pensioeninstelingen, de solidariteitsinstellingen of de inrichters. Deze bepaling betreft aldus de verwerking van persoonsgegevens, zodat hierover het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet worden gevraagd «Artikel 36, id 4, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2018 ‘betreffende ‘da bescherming van natuurlijke personen In verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het rj verkeer van dio gegevens en tot intrekking van rchtijn 95/4&/EG), gelezen in samenhang met artikel 57, id 1, «), en overweging 9 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthoudende autoritet, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 deeomber 2017 ‘at oprichting van de ‘Gegevensbeschermingsautorfeit te raadplegen bj het opstolen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stelen welgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwerking. 'Aldeling 1 - Bepalingen inzake de overgangsuitkering in het pensioenstelsel van de overheidssector ‘Onderafdeling 1 - Wijzigingen van de wet van 15 mei Artikel 114 Het thans geldende artikel 5/3 van de wet van 15 mei 1984 voorziet in een identieke overgangsuitkeringsregeling voor de langstlevende echtgenoten in het geval deze een kind ten laste hebben waarvoor kinderbijslag ontvangen wordt of in het geval van een postume geboorte binnen 300 dagen na het overlijden van de andere echtgenoot; in beide gevallen wordt een uitkering toegekend gedurende een periode van 24 maanden. Bij artikel 114, 1°, van het voorontwerp wordt een verschil in behandeling ingevoerd tussen overlevende echtgenoten meteen Kind ten laste waarvoor kinderbijslag wordt uitgekeerd, daar de periode gedurende welke de overgangsuikering wordt uitgekeerd (@6 of 48 maanden) afhangt van de leeftijd van het f de kinderen) tenlaste of van het feit ofhet kind ten last al dan riet gehandicapt is.In de overgangsmaatregel waarin artikel 117 van het voorontwerp voorziet voorhet geval waarin een overgangsuikering werd toegekend naar aanleiding van het overlijden van de echtgenoot vóór 1 oktober 2021, en de duur van die overgangsuitkering verstrijkt na die datum, wordt hetzelfde onderscheid gemaakt. In verband met dat onderscheid wordt in de memorie van, toelichting de volgende uitleg gegeven: “De huidige duur van de overgangsuikering is op menselijk en financieel vlak te kort, zeker indien de rechthebbenden op een overgangsuitkering een of meer (jonge) kinderen ten laste hebben. (…) te verantwoorden door het feit dat een kind dat ouder is dan 13 jaar als meer zelistandig mag worden beschouwd dan een Kind dat jonger is dan 13 jaar Niettemin zal er geen rekening worden gehouden met de leeftijd van een kind ten laste, als dit een handicap heeft. Dit Kind heeft los van zijn leeftijd vaak noad aan bijzondere aandacht en belangrijke hulp. Bijgevolg zal de overgangsuitkering in dit geval steeds toegekend worden voor een periode van 48 maanden” Het eit dat 13 jaar als scharnierleftijd wordt gekozen dient nader toegelicht te worden in de bespreking van het artikel ‘Onderafdeling 2 - Overgangsbepalingen vijf werkdagen wat artikel 116 van het voorontwerp betreft onontvankelijk. Dat artikel wordt dan ook niet onderzocht. ‘Artikel 117 van het voorontwerp geeft geen aanleiding tot ‘Onderafdeling 3 - Inwerkingtreding Artikel 18 Artikel 118 van het voorontwerp laat de artikelen 114 en 117 terugwerken tot 1 oktober 2021 De niet-retroactiitet van welten is een waarborg ter voorkoming van de rechtsonzekerheid. Volgens het Grondwettelijk Hof vereist die waarborg dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelsteling van algemeen belang.” Op een vraag in verband met de beoogde terugwerking“, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: “Aangezien het artikel 117 ertoe strekt om de duur te verlengen van alle overgangsuitkeringen die werden toegekend naar aanleiding van het overlijden van een echtgenoot vóór 1 oktober 2021 en waarvan de duur verstrijkt na deze datum, werd ervoor gekozen om deze bepaling met terugwerkende kracht in werking te laten treden op 1 oktober 2021. Op deze manier wordt de verlenging van een overgangsuitkering die verstrijkt na 1 oktober 2021 maar vóór de publicatie van het ontwerp gegarandeerd. Ook de overgangsuitkeringen, toegekend ingevolge een overlijden vanal 1 oktober 2021, zullen overeenkomstig artikel 114 een verlengde duur hebben”. Ervan uitgaande dat de terugwerking bedoeld is om de begunstigden van een overgangsuikering op éénzelfde manier te behandelen, is ze onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Aangezien er gekozen is voor een datum van inwerkingtreding in het licht van de datum van 1 oktober 2021, bepaald in artikel 117 van het voorontwerp, is de terugwerking tot die datum aanvaardbaar #_ vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof zie onder andere ‘Gui 21 november 2013 nr. 1581201, B.24 2; Gui 19 december 2013, mw 1727201, B 22, Gu 29 janùar 2014, mr. 18/2014, 8.0, ‘Gut 9 oktober 2014, nr. 146/2014, 8-10; Gw 22 januan 2015, me 2016, B 4 Gm 7 moi 2015, 54201, 812; GW 14 januari 2016, mr 2016, B.22; Gw 9 lobruari 2016, 16/2016, B2.1 ‘Gut 28 april 2016, nr. 58/2016, 8.9.2; Gut 9 februari 2017, ar. 15/2017, 8.9.2; Gui 4 maart 2021, nr. 371202, 8.302 Zie de identioke bepaling in artkol 127 van het voorontwerp voor wat betreft nat stlsal van do werknemers. ‘Afdeling 2 - Bepalingen inzake de overgangsuitkering in het pensioenstelsel voor werknemers werkdagen wat de artikelen 119 tot 121, 123 en 124 betreft onontvankelijk. Die bepalingen worden dan ook niet onderzocht.
Artikel 127 Krachtens artikel 127 van het voorontwerp hebben de artikelen 122 en 126 met terugwerkende kracht uitwerking op 1 oktober 2021. In dît verband kan verwezen worden naar de opmerkingen de gemaakt werden bij artikel 118 van het voorontwerp
TITEL
9 - SOCIALE ZAKEN
VORMVOORSCHAIFTEN ‘Titel 9 van het voorontwerp bevat maatregelen die overeenkomstig artikel 15 van de wet van 25 april 1963 ‘betreffende het beheer van de instelingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg’, om advies moeten worden voorgelegd aan hetzij het betrokken beheerscomité, hetzij de Nationale Arbeidsraad. Uit de aan de Raad van State toegezonden documenten blijkt niet dat een dergelijk advies reeds is ingewonnen, noch dat wat dat betreft een beroep wordt gedaan op het spoedeisend karakter van de betrokken aangelegenheid om dergelijk advies niet in te winnen, in welk geval krachtens artikel 15, derde id, van de wet van 25 april 1963 de voorzitter van het beheerscomité op de hoogte moet worden gebracht van de ingeroepen dringendheid. ‘Afdeling 1 - Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Werknemers, Afdeling 2- Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van de sociale zekerheid - Zelfstandigen Afdeling 3 - Inwerking[.….Jtreding Deze afdelingen geven geen aanleiding tot opmerkingen. Maatwerkbedrijven - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet () van 24 december 2002 Artikelen 131 tot 133 1. De artikelen 131 en 132 van het voorontwerp strekken ertoe in artikel 326, vide lid, en artikel 330, eerste lid, van de programmawet () van 24 december 2002 telkens de “maatwerkbedrijven” inte voegen na de “beschutte werkplaatsen” Deze bepalingen hebben betrekking op de structurele vermindering van socialezekerheidsbijdragen van werkgevers 141. Krachtens artikel 6, 5 1, IX, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen” (Bwa zijn de gewesten in het kader van het doelgroepen beleid bevoegd voor: “de verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers De federale overheid is niet bevoegd om vermindering van, werkgeversbijdragen in te voeren die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers De federale overheid blijft echter bevoegd voor de structu rele verminderingen van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, voor de verminderingen van werknemersbijdragen alsook voor de vermindering van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werkgever of in functie van de activiteitensector Evenwel zijn de gewesten bevoegd voor - de verminderingen voor de bagger- en sleepvaartsector en voor de koopvaardij met uitzondering van de vermindering van werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid voor de bagger- en sleepvaartsector; - de verminderingen voor de sector van de sociale economie; - de verminderingen voor onthaalouders; - de verminderingen voor huispersoneel; - de verminderingen voor kunstenaars. De federale instelingen bevoegd voor de socialezekerheidsbijdragen, zijn de enige administratieve en technische operatoren” 1.2. In de toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming), waarbij deze bepaling in de BWHI werd ingevoerd, werd onder meer het volgende opgemerkt: “a) Verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Wat de verminderingen van socialezekerheidsbijdragen betreft, blijf de federale overheid bevoegd voor de algemene lastenverlagingen die gelden voor alle werkgevers, zoals thans de structurele vermindering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen”, waarvan het bedrag thans varieert volgens het referleloon van de werknemer. Deze algemene lastenverlaging kan voor bepaalde sectoren al dan niet gedeel telijk gesolidariseerd worden, zoals dit hans het geval is voor de Sociale Maribel. Er bestaan momenteel drie categorieën van structurele verminderingen: - Categorie 1: de tewerkstelingen in de hoedanigheid van, werknemer onderworpen aan het geheel der regelingen als, bedoeld in artikel 21, $ 1, van de wet van 29 juni 1981 en die niet in een andere categorie wordt bedoeld; - Categorie 2: de tewerkstelingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever van de non-profit sector, zoals, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van, de tewerksteling in de non-profitsector, met uitzondering van, werknemers die worden tewerkgesteld door werkgevers (van de beschutte werkplaatsen) behorende tot het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en door werkgevers, van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschute werkplaatsen en de sociale werkplaatsen; - Categorie 3: de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer (van de beschutte werkplaatsen) bij een werkgever behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen. De gewesten kunnen verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid toekennen voor doelgroepen. Het gaat om verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de Met uitzondering van de structurele verminderingen, de sectorale verminderingen (met uitzondering van de bevoegdheid van de gewesten inzake de verminderingen voor de baggeren sleepvaartsector, voor de koopvaardij en de sector van de sociale economie), de verminderingen gevestigd in functie van de karakteristieken van de werkgever en de vrijstelling van, bedrijfsvoorhefing is de federale overheid niet langer bevoegd ‘om bestaande doelgroepenmaatregelen te wijzigen of nieuwe in te voeren. Het uitoefenen van de federale bevoegdheden mag er in geen geval, noch de jure, noch de facto, toe leiden, dat nieuwe doelgroepen ingevoerd worden. *_ voetnoot in de geciteerde tekst: Artikelen 329 tot 334 van de programmawet (l) van 24 december 2002 en de artikelen 324 ot 28 in de mate dat ze betrekking hebben op deze artikelen. De federale overheid behoudt evenwel haar beslissingsvrijneid in verband met de maatregelen met betrekking tot de loonkost, die onder haar bevoegdheid bijven vallen Naast haar bevoegdheid tot het aannemen van structurele verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale ‘zekerheid, en de verminderingen van de werknemersbijdragen, bijft de federale overheid evenwel bevoegd inzake de vermin dering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, die vastgesteld worden in functie van de kenmerken van de werkgever of een activiteitensector. Het gaat onder meer om: - verminderingen voor eerste aanwervingen*; - verminderingen voor collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek; - vermindering voor de aanwerving van wetenschappelijk personeel en loonmatiging universiteiten”; - verminderingen voor werknemers met lage lonen (zogenaamde werkbonus)“ - verminderingen voor de horeca: - verminderingen voor de luchtvaartsector. In uitzondering hierop en daarom expliciet opgenomen in de bijzondere wet, wordt de bevoegdheid voor de volgende sectorale verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, wel overgedragen aan de gewesten: en voor de koopvaardij (met uitzondering van de verminde ring van de RSZ-werknemersbijdrage voor de bagger- en sleepvaartsector); *_voetnootin de geciteerde tekst: Artikelen 342 tot 345 van de Programmawet () van 24 december 2002 en de artikelen 15 tot 18bis van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het
hoofdstuk 7
van tel V van de programmawet van 24 december 2002 (1), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. »_Voetnoot in de geciteerde tekst: Artikelen 348 tot 353 van de, programmawet () van 24 december 2002 en de artikelen 21 tot (28 van net koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het
hoofdstuk 7
van titel IV van de programmawet van 24 december *_Voeinootíin de geciteerde tokst: Artikelen 184 tot 189 van do wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen. »_Voetnoot in de geciteerde tekst:
Artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tt toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige ‘en het koninklijk beslut tot uitvoering van art. 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen - de verminderingen voor onthaalouders“; - de verminderingen voor huispersoneel”; - de verminderingen voor kunstenaars; - de verminderingen voor de sector van de sociale economie (met uitzondering van de structurele vermindering voor de beschutte werkplaatsen) In de zin van de onderhavige bepaling, omvat de sector van de sociale economie het geheel van de werkgevers waarvan de activiteiten ertoe strekken personen tewerk te stellen die moelljk een plaats vinden in het reguliere arbeidscircuit en waarvan het winstoogmerk niet het belangrijkste oogmerk is, ongeacht hun juridische vorm. De federale overheid en de gewesten beschikken voor de verminderingen die tot hun bevoegdheid behoren over de meest ruime autonomie. Ze zijn bevoegd om het toepassingsgebied, het bedrag en de berekeningswijze van de vermindering te bepalen alsook de periode van de tegemoetkoming” 1.3. De maatwerkbedrijven vallen op het eerste gezicht onder de definitie van “de sector van de sociale economie” die in de zo-even geciteerde toelichting werd weergegeven” De gewesten zijn in beginsel bevoegd voor verminderingen voor die sector. Er moet echter worden vastgesteld dat de beschutte werk plaatsen konden en kunnen genieten van een structurele vermindering van socialezekerheidsbijdragen. Zi vallen immers, onder de “Categorie 3” zoals gedefinieerd in het te wijzigen artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 (I), die in de actuele stand van de wetgeving betrekking heeft op: “de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer % Voetnoot in de geciteerde tekst Zie onderandere arkel 37sexdes van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknomers en de uitvoeringsbepalngen *_ Voetnoot in de geciteerde tekst: Zie onder andere het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden. * Voetnoot in de geciteerde tekst: Zie onder andere artikel 37quinquies van de wet van 29 juni 1981 houdende do ‘algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknomers ‘en net koninklijk besluit van 23 juni 2003 houdende maatregelen inzake de vermindering van de socialezekerhoidsbijdragen verschuldigd voor de kunstenaars. =_Zie net Vlaams decreet van 12 jul 2013 ‘betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling’ alsook artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot oprichting van paritaire subcomités voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedriven bi een werkgever van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen. (…)”. Uit de zo-even geciteerde toelichting blijkt dat de bijzondere wetgever het bestaan van die structurele vermindering heeft erkend en dat hij deze wenste te onderscheiden van de bevoegdheid van de gewesten om sectorale verminderingen toe te kennen voor de sector van de sociale economie. Het bestaan van de structurele vermindering voor beschutte werkplaatsen staat het uitoefenen door de gewesten van hun bevoegdheid inzake verminderingen voor de sector van de sociale economie niet in de weg. Ook indien wordt aangenomen dat de beschutte werkplaatsen onder het begrip sociale economie vallen, hetgeen het geval lijkt te zijn, kunnen structurele verminderingen en doelgroepverminderingen gelijktijdig worden toegepast 1.4. De vraag rijst in welke mate de federale overheid de structurele vermindering voor de beschutte werkplaatsen kan aanpassen. Daarbij lijkt te moeten worden aangenomen dat (de activiteiten van) maatwerkbedrijven deels overlappen maar niet volledig samenvallen met die van beschutte werkplaatsen, want breder lijken te zijn dan de beschutte werkplaatsen »_Bemerk dat artikel 330, laatst li, van de programmawet () van 24 decomber 2002 bepaal dat de Koning “bij oon bestuit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het toepassingsgebied van de categorie 3 [kan] uitbreiden met andere werkgevers ‘die door de overheid erkend en gesubsidieerd zjn en die cen ‘sociale daolsteling hebber”. Die bepaling dateert van voor de zesde staatshervorming en biedt goen indicatie omtrent de bevoegdheidskwalfeatie. #_Ar.328 van de programmawet () van 24 december 2002. ©_watde Vlaamso wotgeving betreft, die immers do aanleiding vormt van de ontworpen wijzigingen. kan het decreet van 12 ju 2019 ‘bewoonde maatwerk bij collectieve inschakeling’ worden vergeleken met ariel 79 van het decroet van 23 december 2005 ‘houdende bepaingan tot begeleiding van de begroting 2006 zoals dat van toepassing was voor do ophefing ervan bijhet deeroet van 12 jl 2013. Om arkend te worden als beschutte werkplaals moest “do voorziening opgericht zijn door een vereniging zonder winstoogmerk, of door eon ondergeschikt bestuur zoals cen ‘provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten ‘on openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of cen vereniging, bedoeld bij artikel 118 van de organieke wet van Bui 1976 betreffende de openbare cénra voor maatschappelijk welzijn, of door een publikrechtelike rechtspersaon of cen insteling van openbaar nut”. Voor een maatwerkedrij volstaat hat “de rechtsvorm van oen vennootschap met oen sociaal ‘oogmerk af van een vereniging zonder winstoogmerk [ej hobben” (art.4, 5 1, woode id, 2”, van het decreet van 12 juli 2013). Do bescruite werkplaatsen waren gericht op de tewerksteling van “personen mat con arbeidshandicap dio wegens de aard of de omst van hun arbeidshandicap niet of nog niet in het normale economische arboidsaireuit beroapsactiteiten kunnen uitoefenen”. De maatwerkbedrijven moeten werk en begeleiding verscnaffon aan “doelgroepwerknemers” die naast personen met oen arbeidshandicap ook “personen met een psychosociale ‘arbeidsbeperking” en “uiterst kwetsbare personen” zoals gedefinioerd in artikel 5, 2°, van het deeroat van 12 juli 2013 omvatten De federale overheid beschikt inzake de structurele verminderingen over een ruime autonomie, die onder meer het vaststellen van het toepassingsgebied omvat. Indien de federale overheid een nieuwe structurele vermindering zou invoeren, likt echter niet te kunnen worden aanvaard dat het toepassingsgebied daarvan (in belangrijke mate) samenvalt met een sector waarvoor de gewesten op grond van artikel 6, 5 1, IX, 7°, a), vierde lid, BWHI bevoegd zijn. De verminderingen van socialezekerheidsbijdragen die gericht zijn op die sectoren, zijn immers van de federale bevoegdheden uitgezonderd. Het voorliggende voorontwerp onderscheidt zich van die hypothese omdat een wijziging wordt aangebracht aan een categorie in het stelsel van de structurele verminderingen waarvan moet worden aangenomen dat de bijzondere wetgever ze heeft willen behouden. De autonomie waarover de federale overheid beschikt zou op onevenredige werkwijze worden ingeperkt indien de afbakening van die categorie op geen enkele wijze meer zou kunnen worden gewijzigd, als gevolg van het bestaan van de gewestelijke bevoegdheid inzake de verminderingen voor de sector van de sociale economie. Bovendien sluit de ontworpen wijziging, hoewel zij niet louter terminologisch is, nauw aan bij de bestaande omschrijving van de “categorie 3". In de gegeven omstandigheden kan worden besloten dat de artikelen 131 en 132 van het voorontwerp tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren.
Artikel 132 heeft rechtstreeks, betrekking op de structurele vermindering (artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002) en artikel 131 zorgt voor de afstemming daarop in een algemene bepaling inzake de vermindering van socialezekerheidsbijdragen (artikel 326 van die programmawet) 2. Ondervraagd over het feit dat de Franse tekst van artikel 131 van het voorontwerp ertoe leidt dat de te wijzigen bepaling tweemaal de zinsnede “une entreprise de travail adapté” bevat, verklaarde de gemachtigde het volgende: “De term ‘maatwerkbedrijf" wordt in het Frans vertaald als ‘entreprises de travail adapté’, zoals ook de vertaling van het Vlaamse decreet luidt in het Staatsblad. Deze vertaling wordt ‘ook gehanteerd doorheen het in artikel 330 programmawet 24/12/2002 (alsook in het ontwerp van KB). De Franse benaming van ‘beschutte werkplaatsen’ blijkt doorheen de wet van 2002 niet unilorm te zijn. In artikel 326 van de voormelde programmawet werd ‘beschutte werkplaatsen’ vertaald als “entreprises de travail adapté. Om de gehanteerde terminologie in de programmawet ietwat te stroomlijnen. zou artikel 326, vijfde Ni, ‘des ateliers protégés et les employeurs des atellers protégés et des ‘entreprises de travail adaplé” worden, zoals ‘ook verwoord in artikel 330” Het verdient inderdaad aanbeveling om in de betrokken bepalingen een coherente en correcte terminologie te hanteren. Plusplannen - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet (\) van 24 december 2002 Arkel 138 1. In het ontworpen artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (l) van 24 december 2002 is sprake van “juridische herstructureringsoperaties gelijkaardig aan de situaties, omschreven in” de aangehaalde bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. “De vermelding naar ‘gelijkaardige situaties’ beoogt een niet-formalistische toepassing voor situaties die formeel juridisch niet volledig overeenstemmen met de opgesomde ‘herstructureringsoperaties'. De bedoeling van deze soepelere, toepassing is om te vermijden dat er werkgevers zouden zijn die niet in aanmerking komen om als nieuwe werkgever het voordeel te starten (omdat ze samen met een bestaande werkgever deel uitmaken van eenzelide technische bedrijfseenheid), en - door een strikt formalistische toepassing van, deze artikelen - evenmin in aanmerking zouden komen om een bestaand voordeel voort te zetten” De vraag rijst of de gehanteerde formulering wel voldoende duidelijk en dus rechtszeker is. Indien de adviesaanvrager van oordeel is dat een meer specifieke formulering, gelet op de doelstelling, niet mogelij is, verdient het aanbeveling om minstens in de memorie van toelichting bijhet voorontwerp de toepasselijke criteria of enkele richtinggevende voorbeelden op te nemen. 2. In de memorie van toelichting wordt over artikel 138 van het voorontwerp onder meer het volgende opgemerkt: “Om te vermijden dat het verderzetten van een vermindering leidt tot de toepassing van de doelgroepvermindering voor verschillende werknemers van dezelfde rang bij dezelfde werkgever of binnen een simultane technische bedrijfseenheid, werkt de Koning uit hoe dit dubbelgebruik voortaan zal worden vermeden” ‘Gevraagd uit welke passage in het voorontwerp die bevoegdheid van de Koning blikt, antwoordde de gemachtigde dat de “machtiging aan de Koning (… inderdaad nog [dient] toegevoegd te worden aan de ontworpen bepaling”. Het voorontwerp moet op dit punt worden aangepast 1. Afdeling 2 van
hoofdstuk 4
van titel 9 van het voorontwerp strekt tot wijziging van de programmawet () van 24 december 2002 met het oog op het invoeren van een doelgroepvermindering voor werkgevers van bepaalde sportbeoefenaars. Afdeling 3 beoogt in de wet van 20 december 1999 “tot toekenning van, een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers, met age lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering voor die sportbeoefenaars zekerheid in te voeren ‘Aldus voorzien deze afdelingen in specieke verminderingen van socialezekerheidsbijdragen. Aangezien een dergelijke vermindering een selectief economisch voordeel uitmaakt, moeten de verminderingen worden beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Overigens wordt die kwalificatie in de memorie van toelichting uitdrukkelijk bevestigd voor wat betreft de vrijsteling van doorstorting van bedrifsvoorheffing voor sportbeoefenaars (ütel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 1, van het voorontwerp) ‘Gevraagd of de ontworpen regeling overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU is aangemeld bij de Europese Commissie, antwoordde de gemachtigde ontkennend: “La mesure consistant en une réduction du système avantageux dont bénéficiaient les sportifs rémunérés depuis 50 ans elle n'implique pas de notilication à la Commission Die zienswijze kan niet worden bijgetreden, In de eerste plaats blijk! uit de verklaring van de gemachtigde niet dat de bestaande regeling wel bij de Europese Commissie werd aangemeld. Wat de fiscale regeling inzake de vrijsteling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing betreft verklaarde de gemachtigde overigens uitdrukkelijk dat de actueel geldende regeling nooit werd aangemeld. Zelis al was dat het geval, dan nog betreft het een (belangrijke) wijziging van de bestaande steunregeling. Zoals ook blijk! uit artikel 1, ©), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 ‘tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’ moeten ook “wijzigingen in bestaande steun” worden beschouwd als “nieuwe steun”, waarvan “elk voornemen” om die te verlenen krachtens artikel 2, lid 1, van die verordening, “tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld” moet worden. De ontworpen regeling moet bijgevolg voorafgaandelijk worden aangemeld bi de Europese Commissie. 2.
Artikel 134 van het voorontwerp strekt tot vervanging van het volledige artikel 336 van de programmawet (l) van 24 december 2002.
Artikel 143 strekt tot wijziging van diezelfde bepaling door een bedrag G19 aan de opsomming toe te voegen. Belde bepalingen treden overeenkomstig artikel 149, op hetzelfde ogenblik in werking. ‘Teneinde conflicterende wijzigingen, en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid, te vermijden verdient het aanbeveling om de in artikel 143 van het voorontwerp vervatte wijziging te integreren in de bepaling zoals die bij artikel 134 In haar geheel wordt vervangen. 3. Wat diezelfde bepalingen betreft moet worden opgemerkt dat in het ontworpen artikel 336, $ 1, sprake is van “een forfaïtair bedrag”, terwijl G19 gelijk is aan “een percentage (…. Het verdient aanbeveling deze elementen beter op elkaar af te stemmen. 4. De ontworpen regelingen gelden ten aanzien van (de werkgevers van) “sportbeoefenaars bedoeld in de wet van door de Belgische Wielrijdersbond”. De vraag rijst of de omschrijving van de “sportbeoefenaars die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en niet onder de toepassing vallen van voormelde wet van 24 februari 1978” voldoende duidelijk is. Aangezien een werknemer in beginsel niet onder de toepassing valt van de wet van 24 februari 1978, Is het begrip “sportbeoefenaar” van doorslaggevend belang. Dat begrip kan echter zeer ruim worden geïnterpreteerd. Zo is bijvoorbeeld niet vereist dat de sport beoefend moet worden in of met het oog op competities. Met het oog op een duidelijke en rechtszekere afbakening van het toepassingsgebied van de ontworpen steunmaatregelen, moet dit aspect aan een bijkomend onderzoek onderworpen worden, 5.1.
Artikel 145 van het voorontwerp voegt in de programmawet (l) van 24 december 2002 een nieuw artikel 353bis/16 in, op grond waarvan de “werkgevers bedoeld in artikel 335 die werknemers tewerkstellen met toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars of die sportbeoefenaars tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst die niet onder de toepassing vallen van de voormelde wet van 24 februari 1978 of die houders van een vergunning van beroepsrenners afgeleverd door de Belgische Wielrennersbond tewerkstellen, (…) voor elk van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering [kunnen] genieten, maximaal ten belope van het bedrag bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. 5.2. In de memorie van toelichting bij hoofdstuk 4, wordt toegelicht dat de ontworpen regeling, naast de regelingen in de afdelingen 3 en 4, in de plaats komt van de actueel geldende regeling die geldt voor bepaalde werknemers-sportbeoefenaars: “Dit hoofdstuk beoogt de algemene integratie van betaalde sportbeoefenaars in het algemeen soclaalzekerheidsstelstel van werknemers. ‘Onder de vigerende wetgeving worden de sociale bijdragen normaliter berekend op het reel loon van de werknemer. Echter, voor de betaalde sportbeoefenaars worden de sociale bijdragen berekend op basis van een geplafonneerd bedrag. Het betreft de betaalde sportbeoefenaars die enerzijds onder de wet van 24 februari 1978 vallen, degene die de verplichting aangaat zich voor te bereiden op of deel le nemen aan een sporlcompetiie of -exhibitie, onder het gezag van een andere persoon tegen een loon dat een bepaald bedrag overschrijdt (10 824 euro), diegene die onder een arbeidsovereenkomst valt en anderzijds wielrenners die houder zijn van een door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond afgeleverde licentie voor beroepsrenner. De sociale bijdrage van voornoemde sportbeoefenaars wordt berekend op een geplafonneerd loon, een forfaitaire bedrag dat vanaf 1 september 2021 op 2 474,22 EUR per maand is vastgesteld. Voor de lonen die lager liggen dan die grens worden de bijdragen geheven op het reêel loon. Dit belekent dater een gunstig regime bestaat voor de groep van de beter betaalde sportbeoefenaars, die onder de huidige regeling van het forfaitair bedrag beperkt bijdragen. Het ontwerp integreert de betaalde sportbeoefenaars in het algemene socialezekerheidsstelsel. Dit houdt in dat de betaalde sportbeoefenaars sociale zekerheidsbijdragen zul len betalen zoals bepaald onder het algemeen stelsel van werknemers. Concreet wordt het forfaitaire bijdrageplafond voor beroepssporters afgeschaft, worden zi volledig onderworpen aan alle takken van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en krijgen zi recht op jaarlijks vakantie. Het doel is om een gelijkschakeling met het stelsel van de gewone werknemers te bekomen. (…)” 5.3. Gevraagd om de bevoegdheidsgrondslag van de ontworpen maatregel toe te lichten, verklaarde de gemachtigde het volgende “Vanuit bevoegdheldsrechtelijk oogpunt wordt deze doelgroepvermindering inderdaad beschouwd als een vermindering op basis van de activitetensector. Deze vermindering heeft immers niet als doel het nadeel van een groep (in casu de betaalde sportbeoetenaars) op de arbeidsmarkt, als gevolg van de kenmerken van de betreffende groep werknemers, te compenseren. Het betreft een maatregel ten voordele van de sector en niet ten voordele van een bepaalde werknemersgroep” 54. Krachtens artikel 6, 5 1, IX, 7°, a), BWHI zijn de gewesten in het kader van het doelgroepenbeleid bevoegd voor de verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de De federale overheid is niet bevoegd om een vermindering van werkgeversbijdragen in te voeren die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers. De federale overheid blijft echter - met uitzondering van enkele sectoren - bevoegd voor de structurele verminderingen van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, voor de verminderingen van werknemersbijdragen alsook voor de vermindering van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werkgever of in functie van de activiteitensector. 5.5. De ontworpen bepaling is dusdanig opgesteld dat de beoogde doelgroepvermindering enkel wordt toegekend ten aanzien van de werknemers die als sportbeoefenaar kunnen worden beschouwd. De ontworpen vermindering geldt uitsluitend “voor elk van bedoelde werknemers”, zijnde de werknemers met een arbeldsovereenkomst op basis van de wet van 24 februari 1978; de sportbeoefenaars die verbonden zijn door een arbeïdsovereenkomst en niet onder de toepassing vallen van voormelde wet van 24 februari 1978; en de houders van een vergunning van beroepsrenner afgeleverd door de Belgische Wielrijdersbond. De vermindering wordt aldus toegekend op basis van kenmerken die eigen zijn aan de individuele werknemer van de betrokken werkgever en niet op basis van een actvitetensector als dusdanig. Uit de tekst van de ontworpen bepaling blijkt alleszins niet welke de specifieke activiteitensector zou zijn waarvoor de vermindering van werkgeversbijdragen zou gelden. Uit het feit dat de maatregel tot doel zou hebben een bepaalde sector te bevoordelen, hetgeen door de gemachtigde wordt aangevoerd en waarop ook in de memorie van toelichting wordt gealludeerd, kan op zichzelf niet worden afgeleid dat de ontworpen maatregel de vorm aanneemt van een vermindering dïe vastgesteld wordt in functie van die activiteitensector. 5.6. Aangezien de ontworpen maatregelis opgevat als een vermindering van werkgeversbijdragen die doorslaggevend afhangt van de eigen kenmerken van de werknemer, behoort hij niet tot de bevoegdheid van de federale wetgever en kan hij in zijn huidige vorm geen doorgang vinden. Responsabilisering van de werknemers De adviesaanvraag is niet ontvankelijk wat
hoofdstuk 5
van titel 9 van het voorontwerp betreft. In dat verband wordt verwezen naar opmerking 2.2.9. die in het algemeen deel is gemaakt met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit advies,
HOOFDSTUK 6
Responsabiiseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit Artikel 154 1. Uit het tweede lid volgt dat, wat de berekening betreft van de “bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit”, op grond waarvan de “trimestriële responsabiliseringsbijdrage” vastgesteld kan worden waarvan sprake is in
hoofdstuk 6
van titel 9 van het voorontwerp, een van de elementen waarmee rekening gehouden dient te worden en dat aangegeven wordt met de letter Y, de vergelijking is van de “intredes in invaliditeit” bi elke betrokken onderneming en de “intredes In invaliditet” in “de algemene private sector". In artikel 156 wordt uiteengezet hoe dat element wordt bepaald. Het andere element, dat aangegeven wordt met de letter X, vloeit voort uit de vergelijking tussen de “intredes in invaliditeit” bij elke betrokken onderneming en de “intredes in invaliditeit” “bij ondernemingen behorende tot dezelfde activitetensector”. De afdeling Wetgeving stelt zich vragen bij de relevantie van factor Y, daar de elementen die daarin in overweging worden genomen, en die voortvloeien uit de vergelijking van ondernemingen uit onderscheiden activiteitensectoren, zouden kunnen resulteren uit bijvoorbeeld de aard zelf van, de activiteiten in kwestie, en aldus ten grondslag zouden kunnen liggen aan objectieve verschillen tussen die activiteiten, onderling wat betreft de verhouding betrokken werknemers, in de invaliditeit. Aangezien de Raad van State niet beschikt over de feitelijke gegevens om over die kwestie te kunnen oordelen, moet in de bespreking van
hoofdstuk 6
van titel 9 de uitleg worden opgenomen die in dat verband nuttig is. Indien, er een objectieve uitleg voorhanden is voor de verschillen, tussen de onderling vergeleken sectoren, wat zou betekenen dat de voorliggende bepalingen op dat punt een identieke behandeling inhouden van objectief verschillende situaties, zou de steller van het voorontwerp in staat moeten zijn die identieke behandeling te verantwoorden, bij voorkeur in de bespreking van dat hoofdstuk 6, in het licht van het grondwet telijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die identieke behandeling aldus een onrechtstreeks verschil in behandeling zou inhouden.” 2. Hoe dan ook is het zo dat, zoals ook in de bespreking van artikel 154 wordt gesteld, werkgevers met gemiddeld minder dan 50 werknemers vrijgesteld zijn van de ontworpen responsabilisering bijdrage. Dat verschil in behandeling moet eveneens verantwoord kunnen worden in het licht van datzelfde grondwettelijk beginsel * _ De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof wat betreft de strekking van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie luidt als volgt “Hot beginsol van gelijkheid en iet-iseriminate slut niet uit dat ‘een verschil in behandeling tussen bepaalde categorien van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschi op een tjectief eriterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenijk verschilende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden ‘beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van (de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van ‘evenredigheid bestaat ussen de aangewende middelen en het ‘beoogde doel” (bijvoorbeeld Gai 18 ju 2019, nr. 11/2019, 8.21, tevens Gw 8 ju 2021, nr. 102/2021, 16) van gelijkheid en niet-discriminatie, waarbij het deze keer gaat om een rechtstreeks verschi in behandeling Artikelen 154 en 155 Bij artikel 154 worden de precieze voorwaarden vastgelegd die vervuld moeten zijn opdat de beoogde bijdrage door de werkgever verschuldigd is. Bij artikel 155, dat daarop voortbouwt, wordt, luidens de bespreking van dat artikel in de memorie van toelichting, bepaald “hoe het gemiddelde aantal tijdens de referentieperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend dat wordt gebruikt om te beoordelen of het aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers, die in invaliditeit treden, boven het gemiddelde ligt”.
Artikel 155 is evenwel bijzonder ongelukkig gesteld en de samenhang van dat artikel met artikel 154 doet eveneens een aantal problemen rijzen. Zo bijvoorbeeld staat in artikel 154 dat voor de berekening van de bovenmaatse instroom in de invaliditeit gebruik gemaakt wordt van een gemiddelde waarbij rekening gehouden wordt met ‘de totale tewerkstelingen in elk der overeenstemmende Kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar”, terwijl in arti kel 155 wordt bepaald dat om het gemiddelde te berekenen van het aantal werknemers dat tewerkgesteld is “tijdens de referteperiode”, rekening gehouden moet worden met het totaal aantal werknemers dat op het einde van elk kwartaal “van de referteperiode” wordt aangegeven. De “referteperiode” wordt in het tweede lid van artikel 155 gedefinieerd als de ‘periode van het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar (n-2) en het eerste, tweede en derde kwartaal van het vorig jaar (n-1)”, hetgeen niet lijkt overeen te stemmen met de periode waarvan sprake is in arikel 154. Zo ook wordt in artikel 155, eerste li, tweede zin, verwezen naar een eerste id, waarbij moeilijk kan worden uitgemaakt of het gaat om artikel 154, eerste lid, dan wel om een verwijzing naar de eerste zin van dat artikel 155, eerste lid, zel ‘Artikel 155 dient grondig herschreven te worden teneinde de strekking ervan te verduidelijken en de lezing ervan bevatteliker te maken. Het verdient eveneens aanbeveling om de bespreking van het artikel aldus aan te vullen dat daarin de gebruikte berekeningsmethoden beter uitgelegd worden, in voorkomend geval aan de hand van concrete voorbeelden. & Zie de rechtspraak in de vorige voetnoot waaruit bljkt dat "net beginsel van gelijkheid en niet-disoriminati {net} (uitsluit) gat oan varschi in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschi op een ‘objectief erterium berust en het rodelik verantwoord is [en dat (nlet bestaan van oen dergelijke verantwoording moot worden beoordeeld rakering houdend met het doel on de gevalgen van ‘8e betwiste maatregel on mt de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en nict-discriminaie ís ‘geschanden wannoer vaststaat dat geen redelijk verband van ‘evenredigheid bestaat ussen de aangewende middelen on het beoogde doel” (zi bijvoarboeld Gw 18 juli 2019, ar. 111201, Arkel 157 In het eerste id van paragraaf 1 wordt gewag gemaakt van een trimestriëe responsabiliseringsbijdrage van 0,625 % van de “bijdrageplichtige lonen’, terwij in de bespreking van dat artikel sprake is van een percentage van 0,6 %. Het dispositief en de bespreking van het artikel dienen op elkaar afgestemd te worden. ‘Artikelen 160 en 161 1. In de notificatie betreffende punt 35 van de agenda van, de Ministerraad van 29 oktober 2021 wordt met betrekking tot
hoofdstuk 6
(“Responsabiiseringsbijdrage werkgevers inzake invalieitei") van titel 9 van het voorontwerp het volgende gezegd: “Er wordt eveneens afgesproken dat voor dit Hoofdstuk een dringend advies aan de Gegegevensbeschermingsautoriteit zal worden gevraagd door de minister van Sociale Zaken” In artikel 160 van het voorliggende voorontwerp wordt effectief voorzien in de uitwisseling van verschillende persoonsgegevens van werknemers in de invaliditeit tussen het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor sociale zekerheid "[mjet het oog op de berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage en (…) de proactieve informatie” waarvan sprake is in de artikelen 153 tot 162. Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet dus worden ingewonnen, overeenkomstig artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van, persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die, gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), in combinatie met artikel 57, id 1, €), overweging 96, van die verordening en artikel 2, tweede lig, van de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de, verwerking van persoonsgegevens Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het vervullen van dit vormwereiste nog wijzigingen zou ondergaan op andere punten dan die welke in dit advies worden besproken, moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van artikel 3, 5 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsnog aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd. 2. Zoals de inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de FOD Sociale Zekerheid gesteld heeft in zijn advies van 22 oktober 2021, moeten de bepalingen van
hoofdstuk 6
van tiel 9 van het voorontwerp, en in het bijzonder artikel 161 ervan, dat betrekking heeft op de besteding van de opbrengst van de ontworpen responsabilseringsbijdrage, eveneens om advies worden voorgelegd aan de inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Artikel 161 In net tweede id van paragraaf 1 is de uitdrukking “dat ze de problematiek die geviseerd wordt door de responsabiliseringsbijdrage verminderen” veel te vaag Deze dient verduidelijkt te worden. Enig hoofdstuk - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen Artikel 163 Met betrekking tot de vaderschaps- en geboorte-uitkering ten gunste van zelfstandigen wordt in artikel 18bis, 5 5, van het Koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 ‘noudende inrichting van het sociaal statuut dr zelfstandigen’ het dagelijks bedrag van de uitkering in het koninklijk besluit nr. 38 ingeschreven. ‘Tegelijk wordt de bestaande machtiging aan de Koning om nadere regels van de uitkering te bepalen, aangevuld met een machtiging om het bedrag van de financiële uitkering te bepalen. ‘Omwille van de duidelijkheid is het van tweeën één. Ofwel legt de wetgever het bedrag van de uitkering vast, en bepaalt hij dat ait bedrag geïndexeerd wordt. Ofwel wordt de Koning gemachtigd het bedrag vast te leggen, waarbij de Koning bij de uitvoering van die machtiging kan bepalen dat het bedrag geïndexeerd wordt” Door de combinatie van artikel 163, 1° en 2°, van het voorontwerp, ontstaat rechtsonzekerheid, aangezien hetin de wet (of, zoals in casu het genummerd koninklijk besluit) ingeschreven bedrag op termijn niet noodzakelijk hetzelfde is als het bedrag dat door de Koning op basis van de ontworpen machtiging in artikel 163, 2°, wordt vastgelegd (zonder dat de Koning ertoe gemachtigd is het bedrag in de wet te wijzigen). De grifier, De voorziter, Wim GEURTS Marnix VAN DAMME Béatrice DRAPIER Pierre VANDERNOOT Annemie GOOSSENS _Wilried VAN VAERENBERGH Charles-Henri VAN HOVE Martine BAGUET vocss 2349/001 RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving advies 66.679/3 van 2 december 2019 over een voorontwerp van wet ‘tot regeling van de compensatie va de belasting over de toegevoeg, waarde op de saneringswerken \ de nucleaire passiva die ten las vallen van de federale Staat dos een toewijzing uit de ontvangst van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt’ Cunawsre «te SESSION DE LA 55e LÉisLATURE „Statefavis du Conseil d'Érat 24 aad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister atwikkeling verzocht binnen een termijn van dertig oorontwerp van wet “tot regeling van de compensatie te op de saneringswerken van de nucleaire passiva die en toewijzing uit de ontvangsten van de belasting over n de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie ‚ derde kamer onderzocht op 19 november 2019. De r‚ kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en ‘en Bruno PEETERS, assessoren, en Astrid TRUYENS, or Tim CoRTHAUT, auditeur. de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is EUWENHOVE, staatsraad. hierna volgt, is gegeven op 2 december 2019. ; la taxe sur la valeur ajoutée et modifiant la loi du arché de I'êlectricit” Tim CoktHaur, auditeur. on francaise et la version néerlandaise de 'avis a éé UWENHOVE, conseiller d'État donné le 2 décembre 2019, „Stateavis du Conseil d'Érat 34 4, $ 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek handeling, van de rechtsgrond’, alsmede van de vraag aan AN HET VOORONTWERP voorontwerp van wet strekt tot het regelen van de Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (hiema: ig over de toegevoegde waarde (hierna: btw) die ‚n het nucleair passief waarvoor de Belgische Staat de p bevat definities van de termen “NIRAS” en “btw”. p bevat de zo-even aangehaalde vergoedingsregeling. id, van het voorontwerp voorziet in een regeling die je bijdrage? of de federale begroting in een van de vassief ten laste van de Belgische Staat.” NIRAS geeft en betaalt de op deze storting verschuldigde btw ; Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën) voorgeschoten btw. Bij ontvangst van het btw-bedrag aan de Algemene Directie Energie van de Federale ddenstand en Energie (hierna: Algemene Directie { voorontwerp schrijft voor dat voor de stortingen die IRAS werden verricht en waarvoor geen btw werd ie gebeurt. Daartoe richt NIRAS, voor elk van de wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere wordt op de in België verbruikte hoeveelheid elektriciteit en astverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering ark De Commissie voor de Regulering van de Elekriitit en + eenheidstoeslagen van de verschillende componenten van de wereg-benlprofessional/levering/federale-bijdrage). weleaire passiva van het IRE en het SCK-CEN die niet ten laste pikelen 21 bis en ler van de wet van 29 april 1999 “betreffende de orde zijn in, enerzijds, artikel 9 van het koninklijk beslui van et toezicht op en de subsidiëring van het Nationaal Instituut voor m dit institu”, en, anderzijds, artikel 9 van het koninklijk besluit 6679 dvies Raad va betrokken fondsen, een factuur aan de weergave van het totaal van de te regularis btw en met vermelding dat de hoofdsom compensatie van de geregulariseerde btw voorontwerp. De compensaties worden ter algemene uitgavenbegroting (artikel 3, vijf De nadere uitwerking van betrokken nucleaire passiva gebeurt in ee Stafdienst voor Beleidsexpertise en -onder zesde lid, van het voorontwerp). 23, Artikel 4 van het vooronty derde lid, van de wet van 29 april 1999 teneinde nog enkel te voorzien in een met federale bijdrage bestemd voor de betr terugbetaling van de btw voortaan kan geb 24, De aan te nemen wet tree voorontwerp) ALGEMI A. De huidige regeling voor de btw over de 3 De federale overheid heeft verschillende nucleaire passiva die uitein btw-plichtige instelling“ en moet bijgevolg diensten. De wijze waarop NIRAS wordt echter naargelang het betrokken nucleair ps het betalen van de hoofdsom en de m verschillende fondsen, zoals hierna wordt u mogelijk op gespannen voet staat met de bt van 16 oktober 1991 “houdende de regelen betref Kemenergie en tot wijziging van de statuten van dit “NIRAS valt immers niet onder de regeling in ar waarde (hierna: Biw-wetboek) (zie NIRAS, Vierde ‘aan haar wo Vuups lewis be/sites/nias bele Vierde”t00. passiva 2Ovan2ONIRASN62Oaan20haar 1. Het nucleaire passief “BP” an Een eerste luik betreft de nu 19, van de wet van 29 april 1999. Het gaat denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 of passief BP1; de oude Afvalafdeling van Mol-Dessel (…), alsook uit de behandelin geaceumuleerd radioactief afval, met in genoemde denuclearisaties, ten gevolge va (hierna: nucleair passief “BP”). Om de kosten op te vangen de federale bijdrage gestort in twee fondsc NIRAS overeenkomstig artikel 2lter, S Overeenkomstig het huidige artikel 21er, een factuur aan de CREG voor de hoofdso bedrag uit die fondsen te ontvangen. 42. De middelen in de voormel die kosten en niet de eventuele verschul 29 april 1999 schrijft voor dat de btw die N gerecupereerd door een factuur te richten voormelde hoofdsom, verhoogd met de bt van de hoofdsom door de geldopvraging a Die terugbetaling aan NIRAS gebeurt door S 1, eerste lid, 4°, van de wet van 29; Financiën compenseert die voorafname d maand na de ontvangst van de maandel vermeld die NIRAS aan de Belgische Staat Dit omslachtige maar sluiter het Kyotofonds zal worden afgeschaft. 2. De nucleaire passiva “IRE” en “SCK:CH El Het vweede luik omvat de Radio-elementen (IRE) en het Studiecentru In de eerste plaats betreft di zijn “de verplichtingen voortvloeiend uit behandeling, de conditionering, de stockag met inbegrip van het radioactief afval a „Stateavis du Conseil d'Érat EEn st Instituut”? waarvoor de Belgische Staat jaarlijks een IRAS.* t dit het zogenaamde “technisch passief” van het ortvloeiend uit de denuclearisatie van de installaties, ionering, de stockage en de evacuatie van het jegrip van het radioactief afval afkomstig van de e van de nucleaire activiteiten van het Centrum tot he Staat eveneens jaarlijks een dotatie stort op een flzich de volgende praktijk ontwikkeld: E heeft NIRAS tot op heden steeds de btw betaald op aarbij de hoofdsom uit de fondsen werd betaald) en FOD Economie” or die praktijk is echter niet zo duidelijk. Uit de 91 kan alleszins niet worden afgeleid dat de erin niet de btw zouden omvatten. Volgens het Rekenhof er 1998 werd gesloten tussen de Staat, NIRAS en het bezorgt, waarna NIRAS ze terugbetaalt op basis van Ca), ten laste van de middelen die beschikbaar zijn in lers dan voor het nucleair passief “BP” is er geen rugbetaling van de btw. ‚voor die praktijk antwoordde de gemachtigde: rde betaling van de btw voor de nucleaire passiva van at uit de budgettaire allocaties die daartoe werden egroting in het programma "3. Financiering van het hnisch passief SCK [vanaf begroting 2020: nisch passief IRE [vanaf begroting 2020: ch passief TRE (gebouwen) en na de inwerkingtreding van de btw-wet nucleaire FW passiefBP1 (ex-Eurochemie)}” gktober 1991 “houdende de regelen betreffende het toezicht op en io-Elementen en tot wijziging van de statuten van dit institu” jk besluit uit van 16 oktober 1991 “houdende de regelen betreffende het um voor Kemenergie en ot wijziging van de statuten van dit ijk beslui Opmerkingen en documenten aan de Kamer van woot weggelaten) ‘Anderzijds laat het Rekenl dotatie werd gestort aan NIRAS, onder mes 53, Bovendien is er een ond. opeisbaar is. De stellers van het voorontw het tijdstip waarop de betaling wordt ont betrokken publiekrechtelijke lichamen (nc artikel 22his, $ 4, van het Btw-wetboek, m de middelen in de betrokken fondsen. In zijn advies van 21 ma Belgische Staat subsidies verleent aan N SCK-CEN en het IRE. De btw wordt volg ogenblik dat er effectief aan een van die is factuur wordt uitgereikt, overeenkomstig ar De vraag op welk tijdstip de werd immers bij de storting van de midde met de verschuldigde btw. In de praktijk v facturatie door NIRAS, ten belope van de bepaalde verschuldigde btw-bedragen inmi het passief van het SCK“CEN al jaren geen voor het IRE De gemachtigde verstrekte d “Vermits er na 2007 geen het passief:SCK, is de eventueel regulfarisering moet worden aang ‘om vast te stellen of er btw verschul Voor het passief-SCK bedra verjaring; Voor het fonds Passief-IRE btw vermoedelijk 0 euro, wegens sa B Rekenhof. 175° Boek van het Rekenho vordering van 17,5 miljoen euro ten aanzien van NI Kon niet worden aangezuiverd als gevolg van een p Fonds Technisch Passief IRE hielden geen reken bezorgt, wel biw omvatten. Het bedrag van di fac werd in 2017 opgelost via een bijkomende dotate v 1 Voor een overzicht zie NIRAS, Vierde rapport voogdij Vuupsswe mis be/sites/nias be files Vierde passiva 2OvanOONIRASN62Oaan20haar 6153,6382en 6383. Voor het fonds Passief-IF bedraagt de verschuldigde btw vern B. De nieuwe regeling in het voorontwerp 6 Het voorliggende vooronty achtereenvolgens worden besproken. 1. Toewijzingsfonds 7 Het eerste probleem is de bedragen voor de verschuldigde btw kunn aanrekening gebeurde voor de btw met compensatie door de FOD Financiën), compensatie van de btw met betrekking tof een duidelijke juridische grondslag bestaat. In het voorontwerp wordt di passiva opgelost door de keuze voor het terugbetalings- en toewijzingsfondsen van Artikel 71 van de wet van 2 van de comptabiliteit van de federale Staat gebruikt voor “{vloor de gedeelten van de zijn toegewezen aan andere openbare ov ontvangsten die niet op de middelenbeg Financiën rechtstreeks ter beschikking kar de wetten en besluiten die er de toewijzing op gespannen voet met artikel 174, tw staatsontvangsten en -uitgaven op de begro De gemachtigde verantwoor “Het opnemen van de btw in -___ Instabiliteit. De facturering ‘onderhevig aan grote schommeling de behandeling van nucleair afval); -___Een groter bedrag dan nod fonds; -____De impact op het regiona besluiten van 16 oktober 1991 geen „Stateavis du Conseil d'Érat os goed in hoe met deze schommelingen geen rekening otingsbesprekingen die voorafgaan aan de vaststelling r dat een beroep op een toewijzingsfonds is vereist ding verder te verstevigen. t reeds werd aangeraakt in opmerking 5.3 - is het sbaar is. Volgens de zienswijze van de stellers van het tig artikel 22his, $ 4, van het Brw-wetboek bepaald toor de Belgische Staat. Die zienswijze blijkt ook uit waarin wordt bepaald dat de btw-aangifte van NIRAS an de fondsen voor de betrokken nucleaire passiva. evenwel enige twijfel bij de premisse van de stellers nigszins artificieel wanneer, zoals de gemachtigde zelf diensten inzake de nucleaire passiva schommelingen de betrokken fondsen wel al de btw moet worden d is welke diensten ervoor worden verricht. Het lijkt nspecteur van Financiën betoogt, uit te gaan van het ng voor effectief verrichte diensten, overeenkomstig ; meer nu, wat betreft de nucleaire passiva “IRE” en t worden geleverd aan de Belgische Staat, maar wel is, $ 4, van het Bov-wetboek lijkt uit te gaan van de 1 ten behoeve van wie de dienst verricht is, terwijl dat CEN” juist niet de Belgische Staat is. Bovendien, en en het SCK-CEN zelf kunnen worden beschouwd als | artikel 6” van het Btw-wetboek, met andere woorden e wetsbepaling. Beide instellingen zijn voor bepaalde mstig artikel 4 van het Btw-wetboek mengevat, dat de Belgische Staat moet worden het IRE en het SCK*CEN, die dan ook niet de et IRE als voor het SCK“CEN zouden de commerciële plichtig kunnen zijn, duidelijk onderscheiden zijn van cleaire passiva draagt de Belgische Staat de 5, terwijl het SCKSCEN eveneens consultancy-liensten aanbiedt or de behandeling en verwijdering van gevaarlijk afval nero htm?mummer-0408 449 677&actionlu=Zoek); het economische activiteiten in de zin van het BTW-wetboek „Stateavis du Conseil d'Érat 124 his, $ 4, van het Btw-wetboek bepaalt dat het eerste arvoor de belasting is verschuldigd door de ontvanger kel Sl, 88 2 en 4, van hetzelfde wetboek. Artikel S1, e leverancier van goederen of van de dienstverrichter. ygsregeling” is nader uitgewerkt in artikel 20 van het 92 ‘met betrekking tot de regeling voor de voldoening arde”. Alle werk in onroerende staat als bedoeld in wordt uitgevoerd door medecontractanten, valt alvast dstip van het opeisbaar zijn van de btw, bepaald in t kan gelden. wel op dat de nucleaire passiva in wezen betrekking en installaties en het verwijderen en beheren van het ijl het klassieke ontmantelen en slopen van gebouwen L. Het is dus mogelijk dat de zo-even geschetste ikel 22his, $ 4, van het Biw-wetboek geen praktische is, moet daarmee rekening worden gehouden (zie ook delijk of diensten die door onderaannemers of derden CEN ook onder deze regeling vallen. De gemachtigde sen voor de passiva van het SCK, resp. LR.E. worden nsten van NIRAS als diensten door SCK of LRE. aan nen insluiten die door onderaannemers/derden aan het ureerd.” kening is gehouden met het gegeven dat de btw voor en worden geleverd, ten aanzien van hen opeisbaar is cenkomstig artikel 3, eerste lid, van het voorontwerp, diensten in de stortingen in de betrokken fondsen, btw | door de onderaannemers en derden zelf. Zelfs indien taling ook gecompenseerd zal worden, betaalt NIRAS van de diensten van onderaannemers en derden, met voor het bedrag van die btw wordt gecompenseerd. storting van de dotaties btw betalen voor diensten w betalen. rholpen door een aparte regeling uit te werken voor de van de btw in de factuurbedragen van de diensten van 10. De vraag naar de verhoudin artikel 22his, $ 1, dan wel $ 4, van het By in de ontworpen regeling kan uitgaan van worden van de btw, zolang hij daarbij nief richtlijn 2006/112/EG'* wordt bepaald. Dat Het is wel noodzakelijk dat toelichting als in de tekst van het voorontw Btw-wetboek is, wat betreft de btw voor diensten van onderaannemers en derde: afzonderlijke regeling worden uitgewerkt. 3. De regularisatie 1 Ten derde beoogt het ve verschuldigde btw voor het verleden. In dat “Er zijn meerdere redener aanvraagt: 1 Juridische duidelijkheid. \ verschuldigd op de saldi in de fond IRE. Na het aanvragen van de reg welke achterstallige btw NIRAS ev 2.__Boekhoudkundige duidelijk! beheerde fondsen verschillende ‘so verschuldigd is” De door de gemachtigde ge verleden van de betrokken fondsen bestaat btw opeisbaar is op het tijdstip van de stort verwezen naar de opmerkingen 8 tot
10
ONDERZ
1. In artikel 3, eerste lid, van he in een van de fondsen voor de betrokken van de maand waarin de storting in het verduidelijkt hoe die opname in de btw-aa van heffing en het tarief worden bepaald 1e Richlijn 2006/12IEG van de Raad van 28 n belasting over de toegevoegde waarde” IE Artikel 3, tweede lid, van h NIRAS tot compensatie van de betaalde bezorgd aan de FOD Financiën. Daaruit zo moeten worden bezorgd met het verzoek echter pas nadien beschikbaar zijn. De os herzien, 14. In artikel 3, derde lid, van h compensatie van de btw overeenkomstig btw-bedrag bedoeld in het eerste lid” Is. Op de vraag waarom in art! van de scharnierdatum van 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 5 van het voorontw volge. “Dit is een louter materiële is 1 januari 2020.” De datum moet dan ook in d 16. In artikel 3, vierde lid, van die vóór 1 januari 2019 aan NIRAS verric Federale Overheidsdienst Financiën”. Er ontworpen regularisatieregeling terugwerkt De gemachtigde verklaarde “Volgens de btw-administr worden rekening gehouden. Uit p verkieslijk een regulering voor de s ‘en het passief-IRE” Artikel 22his, $ 4, van 1 januari 2016. Een regularisatie die gebas stellers van het voorontwerp vanuit gaan) die vanaf die datum hebben plaatsgevonder Het is dan ook raadzaam 1.
Artikel 3, zesde lid, van vooruitzicht voor de “praktische bepalinge: tot vijfde leden beschreven werkwijze, 1e De Nederlandse tekst, waar gewag wordt gema allicht een ongelukkige vertaling van de Franse oeuvre”. Dit moet worden verholpen. protocolakkoord wordt gesloten tussen Overheidsdienst Economie, KMO, Mi minister bevoegd voor economie en door Beleidsexpertise en -ondersteuning van de bevoegd voor financiën, en NIRAS. De keuze voor die deleg; gemachtigde als volgt verantwoord: “Een protocolakkoord. bied aanpassen van de praktische afsprak dienst (voorbeeld Stafdienst Bel bankrekeningnummer. Het protoc federale Staat niet wijzigen, maar al op de stortingen in de fondsen vo vallen van de federale Staat” De Raad van State kan zich Het vaststellen van de lijst v materiële toepassingsgebied van de ontwor overgelaten aan een protocolakkoord en mé gedelegeerd aan de Koning De beoogde praktische bep organisatie van de overheid, maar zullen o zijn bij het protocolakkoord, namelijk de ook die aspecten worden geregeld in een ke „Statefavis du Conseil d'Érat 144 JE L'AVANT-PROJET ; Déchets radioactifs et des Matières fissiles enrichies 1éfinit les termes « ONDRAF » et « TVA ». sablit le régime d"indernnisation précité ; 'avant-projet prévoit un régime applicable à chaque 8s: SPF Finances) de lui rembourser la TVA qu'il a sla TVA, PONDRAF accorde à la Direction générale omie, P.M.E., Classes moyennes et Énergie (ci-après: ge pour ce montant. vant-projet dispose qu'une régularisation est opérée © servie publi et les coûts liés à Ia régulaion et au coniôle du mission de Régulation de 'Éleericié et du Gaz (i-après: la difirentes composantes de Ia cotisaion fédérale lectie el vniture otisation-ederale). „Statefavis du Conseil d'Érat 1524 | de fonds. La compensation de la TVA régularisée „2, de Vavant-projet 5 à la charge du Fonds d”attribution 66.84.6 du Budget Pavant-projet). de compensation et de Ia liste des passifs nuclaires tre la Direction générale de l'Ênergie, le Service (égique du SPF Finances et PONDRAF (article 3, vise à remplacer Particle 21ser, $ 19, alina 3, de la loi du marché de Pélectricië”, afin de ne prévoir encore le montant principal de la cotisation fédérale destinée le paiement et le remboursement de la TVA puissent ggles énoneëes à Particle 3 de Pavant-projet. jeur le 1“ janvier 2020 (article 5 de V'avant-projet) \TIONS GÉNÉRALES fs nucléaires à charge de autorité fédérale agée à payer les frais de différents passifs nucléaires Ce dernier est un organisme assujeui à la TVA ® et s passifs nuclaires mentionnés à Particle 21 his, $ 1, merètement, il s’agit des « obligations résultant de la 1 et BP2 (Pancienne usine pilote de retraitement partement Déchets du Centre d'Étude de l'Énergie 3 Ame 2rapport20d?4aTiventairecades0passis20 C3aAD”AD0s Oele Mp CH sASriode (200013202 coen advies Raad va résultant des dénucléarisations citées, rés (ci-aprês: passif nucléaire « BP ») Particle 21ter, $ 1%, alinéa 3, en vigueur CREG une facture pour le montant princir d'obtenir le montant concerné de ces fonds Ce remboursement à PONDRAF s’effec Particle 2lter, $ 1, alinda 1, 4°, de la Finances compense ce prélèvement par le réception de la déclaration mensuelle de facture que I'Organisme a adressée à l'État Ce système complexe mais Kyoto sera supprimé. 2. Les passifk nucléaire « IRE » et « SCK51 Le deuxième volet vise Radioëléments (IRE) et du Centre d'étude ‘Tout d'abord, cela concen «obligations résultant de la dénucléaris conditionnement, du stockage et de 'évacu les déchets radioactifs résultant de la dén nucléaires de l'Institut » ”, pour lesquelles compte spécial de PONDRAF * Ensuite, il s'agit du « passif résultant de la dénueléarisation des installa stockage et de Pévacuation des déche installations, afférents aux activités nuclés 7 Voir Particle 2, 3°, de arrêté royal du 16 octo subvention de VInsiut national des Radioëlêmens Voir arile 9, alinéa 3, de arrêté royal prei * Voir article 2, 39, de Varêië royal du 16 oeto subvention du Centre d'Études de l'Energie nucléi eruamuare ste SESSION DE UA 55e LieistATURe lesquelles Pftat belge verse également c PONDRAF 52 Selon le déléguê, la pratique « Voor de passiva SCK en U het ogenblik van de facturering (x hetzelfde btw-bedrag verhaald op d Interrogé sur la base juridi suivante «De enige formele basis ve van het LRE. en het SCK-CEN be voorzien in de algemene uitgaven nucleair passief” 423031221 BTW te 42.30.12.50.15] 423031222 BTW te 42.30.12.50.23) 42.30.31.22.25 BTW technis Deze zullen geschrapt word passiva [net zoals 42.30.31 22.16 B 53 En outre, il règne une cert exigible 1 Voir artile 9, alinéa 3, de arrêté royal précité 1 Cour des comptes, 175 Cahier de Ia Cour des représentants, volume 1, 2018, p. 182 (note de bas 12 Cour des comptes, 175* Cahier de Ia Cour des représentants, volume 1, 2018, p. 182: « Au 31 FO[NDRAF] (le fonds Pire) était encore ouverte d résultat d'un problème lié à Ia TVA les dotaion: que les fatures \ransmises par IRE au fonds Pir dotations au fonds. Le problème à Hé résolu en 201 moment la TVA est exigible est assez fondamentale u compie de la TVA due dans le cadre du versement ns la pratique, la TVA n'a en effet &é payée qu’au à concurrence des montants principaux inscrits dans zontants dus en matière de TVA peuvent entre-temps sment n'est effectué depuis des années déjà pour le être autrement pour PIRE né Papercu suivant sld meer werd gestort in het fonds voor het beheer van verschuldigde btw ondertussen verjaard. Maar cen vraagd, het komt aan de bevoegde administratie toe digd is en of er verjaring is opgetreden. agt de verschuldigde btw vermoedelijk O euro wegens Afval en uitbatingsuranium bedraagt de verschuldigde do gelijk aan nul; E Ontmanteling (voorheen “gebouwen” genoemd) oedelijk = 42.000 EUR ». vojet avis a pour objet de résoudre trois problèmes, qui 1 d'inventaire des passifs muelaires de VONDRAF à sa tuele 2013-2017) 5 ARmerapport20daaTivemairescadesa0passis 20 „CHAOS 2OMelle Op ACH Ariodek20201%2020 IRE » et « SCK-CEN v». | des dépenses. sure comme suit 1 het budget schept drie grote problemen: van de saneringswerken voor de passiva is immers an (afhankelijk van het afsluiten van campagnes voor g wordt eventeel nutteloos geïmmobiliseerd in cen il evenwicht, vermits artikel 9 van de koninklijke rekening hield met de btw ». { pas très bien comment il pourrait ne pas être tenu ussions budgétaires qui précèdent chaque ande la sans qu”il soit nécessaire d'avoir recours à un fonds er davantage la justification. 9. Le Conseil d'État émet cep« laquelle se basent les auteurs de 'avant-prc Code de la TVA. Les deux institutions sont assujetties à la 1 Particle 4 du Code de la TVA 92 Lalinéa 2 de Particle 22 ne s'applique pas aux prestations de servic cocontractant conformément à Particle
51. LRE propose des isotopes el des services à 'ée consultance
LIRE
est assyjeti à la TVA (uups/kbopub economie.fzov-bekbopubzoeknum le SCKCEN a un numéro de TVA el ener (ups scheen berf/Abou/Stveture/ Legal) Le délégué a toutefois relev Particle 22bis, $ 4, du Code de la TVA avoir une, il y aurait lieu d'en tenir compte 93, Enfin, on n’aperoit pas n sous-traitants ou des tiers à PIRE et au S{ régime. À cet égard, le délégué a déclaré ce «De kosten die aan de Fond gefactureerd, betreffen zowel de die NIRAS gefactureerd, die kosten ku SCK of aan het LRE. werden gefac Il peut être remédië à ce remboursement à PONDRAF du montant de sous-traitants et de tiers. 10. La question de la relatior Particle 22bis, $ 1, ou $ 4 du Code de | législateur peut se fonder dans le disposi Pexigibilitë de la TVA, tant que celle-ci ne et suivants de la directive 2006/1 12/CE 'S.” Pobservation 9.3 - d”élaborer une règle dis 1e Directive 2006/112/CE du Const du 28 nove joure” 3. La régularisation 1 En woisiëme lieu, avant VONDRAF pour le passé. À cet égard, le d Er zijn meerdere redenes verschuldigd is. ExA 14, À Particle 3, alinéa 3, d compensation de la TVA conformément à TVA visé à alinda 1». 15. À la question de savoir pot vise la date charnière du 1 janvier 201 envisagée entrera en vigucur le 1 janvier «Dit is een louter mat scharnierdatum is 1 januari 2020 v. I convient dès lors d'adapte 16, À article 3, alinéa 4, de effectuês avant le 1 janvier 2019 à 'ONI Service Public Fédéral Finances ». Il n'es dispositif de régularisation en projet À ce sujet, le délégué a décle « Volgens de btw-administr ‘en het passief-IRE v. L'article 22his, $4, du Par conséquent, il convient projet. u. L'article 3, alinéa 6, de «modalités pratiques de la mise en wuvre liste des passifs nucléaires ». Ce protocol PÉnergie du Service Public Fédéral Écono par le ministre ayant I'Économie dans se auributions, le Service d'encadrement Exp Finances, représenté par le ministre ayant 1 Le délégué justifie le choix suit: «Een protocolakkoord. bied bankrekeningnummer. Het protoe vallen van de federale Staat. » Ye Le este nerlandais qui fut mention des « prakti traduction maladroite du teste francais. Iy a lieu d Le Conseil d'État ne peut ad La détermination de Ia liste le champ d'application matériel du dispos dans un protocole d'accord et doit soit délégation au Roi DE GRIFFIER - LE GREFFIER Astrid TRUYENS FILIP, Konina ver Betoen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groer. Op de voordracht van de eerste minister, de minister van Werk, de minister van Mobiliteit, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de minister van Zelfstandigen, de minister van Pensioenen en de minister van Energie, Heggen Wi BesLoTEN En Besturen Wis: De eerste minister, de minister van Werk, de minister van Mobiliteit, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de minister van Zelfstandigen, de minister van Pensioenen en de minister van Energie zijn ermee belast in onze naam bij wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt:
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in Hervorming van fiscale voordelen voor sportbeoefenaars Art. 2 In artikel 275° van het Wetboek van inkomstingenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, a) in het eerste lid worden de woorden “70 pct” vervangen door de woorden “75 pct” b) in het tweede lid worden de woorden “de helft van deze vrijstelling” vervangen door de woorden “55 pct. van deze vrijstelling”; ©) het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 3 Artikel 95’, tweede lid, van het KB/WIB 92, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt In artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, worden de volgende wijzigingen 1° in de bepaling onder 1°, 1), eerste streepje, worden de woorden “26 jaar” vervangen door de woorden “23 jaar”; 2° in de bepaling onder 4°,j), worden de woorden “26 jaar” vervangen door de woorden “23 jaar”.
Artikel 198, $ 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, wordt aangevuld “17° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevalige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om: a) hetzij een sportbeoefenaar bijte staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsover eenkomst bij een sportclub; b) hetzij een in artikel 270, 1° of 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrifsvoorheffing bij te staan in onderhet vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar: ©) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen”. In artikel 207, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “artikel 198, $ 1, 9°, 9°bis en 12°,” vervangen door de woorden “artikel 198, 5 1, 9°, 9°bis, 12° en 1797.
Art.7 Artikel 223, eerste id, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van … houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende: restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om:
Art. 8 In artikel 225, tweede id, 5°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018 en gedeeltelijk vernietigd door het arrest nr. 11/2020 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ”, de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard” ingevoegd tussen de woorden “op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard” en de woorden “en op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragen”.
Art. 9 Artikel 234, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van XX houdende fiscale en met een bepaling onder 10°, luidende: 10° in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, overeenkomst, op de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsoverb) hetzij een in artikel 270, 1° en 3°, bedoelde schulArt. 10 In artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van XX houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, worden de woorden “en de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten;” vervangen door de woorden “, de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten en de in artikel 234, eerste lid, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restomo's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard;”.
Art. 11 In artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 24 december 2020, worden de woorden “zoals en voor zover het krachtens artikel 94, tweede en derde lid, van de programmawet van XX december 2021 van kracht blijft” ingevoegd tussen de woorden “in ar tikel 27, 5 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende inzake Sociale Zekerheid," en de woorden ‘vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar”. Inwerkingtredding Art 12 Deze afdeling is van toepassing vanaf 1 januari 2022. De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden betaald of toegekend. In afwijking van het eerste lid blijft voor de sportbeoefenaars die op 1 januari 2022 de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 26 jaar en die bezoldigingen ontvangen als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92, artikel 171, 4°, }), WIB 92 van toepassing zoals het bestond vooraleer het door artikel 4 werd gewijzigd. Regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling 1, onderdeel F, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 32/1 ingevoegd, luidende: “Art. 321. $ 1. In hoofde van ingekomen belastingplichtigen die in artikel 30, 1° of 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever of de vennootschap beschouwd als, een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “eigen kosten van de werkgever” verstaan, in het geval van een werknemer, de eigen kosten van de werkgever en, in het geval van een bedrijfsleider, de eigen kosten van de vennootschap waarbinnen een mandaat of soortgelijke functies worden uitgeoefend. Voor de toepassing van dit arikel wordt onder “bedrifsleider” een natuurlijke persoon verstaan, die een mandaat of soortgelijke functies zoals bedoeld in artikel 32, eerste lig, 1°, uitoefent en belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming of in de onderneming een functie of werkzaamheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 2° uitoefent, uitgezonderd een natuurlijke persoon die een dergelijk mandaat, functie of werkzaamheid uitoefent in de eigen onderneming waarvan hij oprichter of medeoprichter is of waarin hij aandelen bezit die 30 pet. of meer van het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen $ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “ingekomen belastingplichtige”, verstaan: aangeworven in het buitenland door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, met het doel er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen; 2° de werknemer of bedrijfsleider die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep terbeschikking wordt gesteld van één of meer binnenlandse vennootschappen, van één of meer Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoort, of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een bezoldigde activiteit in België uit te oefenen Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “multi nationale groep”, elke groep verstaan die twee of meer ondernemingen omvat die inwoner zijn van verschil lende rechtsgebieden, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend. $ 3. De volgende voorwaarden moeten bovendien cumulatief worden vervuld in hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige: 1° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een afstand van 150 kilometer van de grens, noch onderworpen zijn geweest aan de belasting van niet-inwoners voor beroepsinkomsten in België; werkgever of vennootschap, een bezoldiging ontvangen voor de in België geleverde prestaties die meer bedraagt dan 75 000 euro per kalenderjaar: 3° het akkoord verkrijgen van de administratie in het kader van de in paragraaf 8 voorziene procedure. De in het eerste li, 2°, bedoelde bezoldiging omvat de brutobezoldiging, vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in paragraaf 5 bedoelde terugkerende uitgaven. Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het jaar waarin dit stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het eerste id, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. In het geval dat de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, wordt het in het eerste lid, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen waarop de ingekomen belastingplichtige Onverminderd de toepassing van paragraaf 4, wordt het voldoen aan de in het eerste lid, 2, bedoelde voorwaarde beoordeeld op het moment van de indiening van de in paragraaf 8 bedoelde aanvraag. De Koning kan het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex zoals bedoeld in artikel 2, $ 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2020 (107,85). Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdtal naargelang het cijfer van de tientallen al dan niet 5 bereikt ‘Ten laatste op 31 januari van elk kalenderjaar deelt de werkgever of de vennootschap een nominatieve lijst van de werknemers en bedrijfsleiders, die in de loop van het voorafgaande jaar dit stelsel genoten, mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan. $ 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 of paragraaf 3, eerste id, 2°, bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. $ 5. Het ten laste nemen, bovenop de bezoldiging, door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de in paragraaf 3, tweede lid, omschreven bezoldiging. Het in het vorige lid bedoelde bedrag dat als eigen kosten van de werkgever wordt aanvaard, is beperkt tot 90 000 euro per jaar. De Koning kan het in het tweede lid vermelde bedrag Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het jaar waarin dit stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag pro rata bepaald op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Wanneer de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever of de vennootschap, wordt de bezoldiging waarop het 30 pct-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken. $ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: 1° de kosten die voortvloeien uit de verhuis van de ingekomen belastingplichtige naar België de woning in België gedaan in de eerste zes maanden na aankomst in België; 3° het schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de leerplichtige leeftijd hebben en als dusdanig kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs volgen in België in een privéschool of een internationale school. De in het eerste id, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats, in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen belastingplichtige zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen belastingplichtige. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen belastingplichtige, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde eigen kosten van de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot het bedrag van 1 500 euro. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels, vastgelegd in paragraaf 3, zesde lid. Het komt aan de belastingplichtige toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken cf, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. $ 7. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de belastingplichtige in België, met een maximum van 5 jaar. Indien het verblijf van belastingplichtige in België de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 verlengd met 3 jaar voor zover dat: 1° de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen; en dat bereikt blijft. $ 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel voorziene stelsel, moet de werkgever of de vennootschap via, administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld De in paragraaf 7 bedoelde aanvraag tot verlenging van het stelsel wordt via elektronische weg gedaan door de werkgever bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de eerste termijn van 5 jaar. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van 3 maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of de vennootschap worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie. In geval van een positief antwoord, is het in dit artikel beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen belastingplichtige worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België. $ 9. In het geval van een wijziging van werkgever of vennootschap in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever of de nieuwe vennootschap, zoals omschreven in paragraaf 8. wordt bereikt; en In het in deze paragraaf bedoelde geval, moeten de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarde inzake de drempel en het in paragraaf 5, tweede lid, vermelde maximumbedrag worden beoordeeld in verhouding tot de tewerkstelling van de belastingplichtige bij de respectievelijke werkgevers of de respectievelijke vennootschappen in de loop van het jaar.” In hetzelfde onderdeel F, wordt een artikel 32/2 ingevoegd, luidende: “Art. 32/2. $ 1. In hoofde van ingekomen onderzoekers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel. “ingekomen onderzoeker”, verstaan: 1° de onderzoeker die rechtstreeks in het buitenland aangeworven werd door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit 2° de onderzoeker die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep, ter beschikking wordt gesteld van één of meerdere binnenlandse vennootschappen, van één of meerdere Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoren of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een in België belastbare bezoldigde activiteit uitte oefenen. nationale groep” verstaan, elke groep die twee of meer lende rechtsgebieden of die een onderneming omvat Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “onderzoeker”, elke werknemer verstaan die: 1° alleen of in groep, uitsluitend of hoofdzakelijk onderzoeksactiviteiten verricht met wetenschappelijk, fundamenteel, industrieel of technisch karakter, binnen een laboratorium dat of een onderneming die een of meerdere programma's inzake onderzoek en ontwikkeling voert; en die 2° in het bezit is van een in het vierde lid bedoeld diploma of een relevante beroepservaring van minstens 10 jaar kan aantonen. Met een uitsluitende of hoofdzakelijke activiteit wordt in dit geval een tijdsbesteding bedoeld van minstens 80 pct. van de werktijd. Het in het derde lid, 2°, bedoelde diploma is een diploma van doctor of master in de studiegebieden van de exacte of toegepaste wetenschappen, de burgerlijke ingenieurswetenschappen, de medische wetenschap pen, de dierengeneeskunde, de farmaceutische wetenschappen, de architectuurwetenschappen of de landbouwwetenschappen. $ 3. In hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde ingekomen onderzoeker moeten bovendien de onderstaande voorwaarden cumulatief zijn vervuld: 2° het akkoord verkrijgen van de administratie in het de werkgever een nominatieve lijst van de onderzoekers die in de loop van het voorafgaande jaar dit stelsel genoten mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. $ 5. Het ten laste nemen, naast de bezoldiging, door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de bezoldiging. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder “bezoldiging” verstaan, de jaarlijkse brutobezoldiging vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in deze paragraaf bedoelde terugkerende uitgaven. Het in het eerste lid bedoelde bedrag dat als eigen 90 000 euro per jaar. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in artikel 32/1, $ 3, zesde lid. Wanneer de ingekomen onderzoeker zijn werkzaam heid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever, wordt de bezoldiging waarop het 30 pct-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken. $ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: ingekomen onderzoeker naar België; 2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België; onderzoeker of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische onderzoeker zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken ‘en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen onderzoeker. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen onderzoeker, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd. vastgelegd in artikel 32/1, $ 3, zesde lid. Het komt aan de ingekomen onderzoeker toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken cf, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. rende de periode van de opdracht van de ingekomen onderzoeker in België, met een maximumduur van 5 jaar. Indien het verblijf van de onderzoeker de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 met 3 jaar verlengd, voor zover vol daan blijft aan de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden met betrekking tot de werkgever. ziene stelsel, moet de werkgever via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateurgeneraal van de Algemene Administratie van de Fiscalteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. van het stelsel wordt via elektronische weg door de werkgever gedaan bij de door de administrateur-generaal geduide dienst ten laatste 3 maanden na het aflopen aanvraag moet een door de betrokken onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt. van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De onderzoeker en de werkgever worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen onderzoeker worden verkregen $ 9. In het geval van een wijziging van werkgever in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stel sel worden ingediend door de nieuwe werkgever, zoals, omschreven in paragraaf 8. In dat geval kan de regeling opnieuw toegekend worden aan de onderzoeker voor zover: 1° aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden met betrekking tot de werkgever voldaan blijft, en 2° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van belastinggeval verlengd met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste In het in deze paragraaf bedoelde geval, moet het in paragraaf 5, derde lid, vermelde maximumbedrag worden beoordeeld in verhouding tot de tewerkstelling van de onderzoeker bij de respectievelijke werkgevers in de loop van het jaar”. In titel V, hoofdstuk III, afdeling IL, van hetzelfde “Art. 240ter. Indien een in artikel 32/1, $ 2, bedoelde ingekomen belastingplichtige moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/1 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen belastingplichtigen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de fiscale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest ter beschikking houdt van de Belgische belastingadministratie, waarin wordt bevestigd dat hij in die Staat als fiscaal inwoner onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Een dergelijk attest moet ook gevoegd worden bij de in artikel 32/1, $ 8, bedoelde aanvraag. In dit geval zijn de in artikel 32/1, 5 3, eerste lid, 2°, bedoelde bezoldigingen, de soortgelijke bezoldigingen die effectief aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen”. In dezelfde afdeling II, wordt een artikel 240quater “Art. 240quater. Indien een in artikel 32/2, $ 2, bedoelde ingekomen onderzoeker moet worden aangemerkt als, een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/2 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen onderzoekers afhankelijk gesteld van de voorwaarde attest moet ook worden gevoegd bij de in artikel 32/2, In dat geval zijn de in artikel 32/2, $ 5, tweede lid, De artikelen 13 tot 16 treden in werking op 1 januari 2022 en zijn van toepassing op de in aanmerking komende inkomende belastingplichtigen en inkomende onderzoe kers die in dienst treden in België vanaf 1 januari 2022. $ 1. De belastingplichtigen die zich op 1 januari 2022, sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 32/1, $ 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mogen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen belasting plichtigen zoals geregeld in het voormelde artikel 32/1, voor zover de voorwaarden voorzien in paragraaf 3, eerste lid, van datzelfde artikel vervuld zijn vanaf een In dat geval zijn de in de paragrafen 5 en 6 van het voormelde artikel 32/1 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de overige duur van de in paragraaf 7 van datzelfde artikel voorziene periode, te rekenen vanaf de eerste affectatie in België. $ 2. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uit te oefenen, moet de werkgever of de vennootschap uiterlijk op 31 juli 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangewezen dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het Bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt. aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of vennootschap zullen schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de beslissing van de administratie. In het geval van een positief antwoord, zal het in voormelde artikel 32/1 voorziene stelsel van toepassing zijn op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden verkregen door de ingekomen belastingplichtige. De onderzoekers die zich op 1 januari 2022 sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 32/2, $ 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers zoals, geregeld in het voormelde artikel 32/2, voor zover de in paragraaf 3, eerste lid, van datzelfde artikel voorziene voorwaarden, vervuld zijn vanaf de eerste affectatie in België. voormelde artikel 32/2 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de resterende duur van de in paragraaf 7 van datzelfde artikel voorziene periode, $ 2. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uitte oefenen moet de werkgever uiterlijk op 31 juli 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, aangeduide dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier door de onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt. van drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst van schriftelijk ter kennis gebracht van de beslissing van de In het geval van een positief antwoord, wordt het stelsel voorzien in het voormelde artikel 32/2 toegepast op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 door de ingekomen onderzoeker worden verkregen. Hervorming van de zorgvastgoed GVV's Art. 20 In artikel 171, 3°quater, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 18 december 2016, worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “tenminste 60 pct. van het vastgoed” vervangen door de woorden “tenminste 80 pct. van het vastgoed”; 2° tussen het tweede id en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “De vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage gebeurt aan de hand van de waarden van de waarderingen en actualiseringen in de zin van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014 betref fende gereglementeerde vastgoedvennootschappen, op de verschillende referentietijdstippen die betrekking hebben op onroerende goederen die in een lidstaat worden of bestemd zijn op te tellen en te delen door de totale waarde van deze waarderingen en actualiseringen op de verschillende referentietijdstippen”.
Art. 21 In artikel 269, $ 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, hersteld 1° in het eerste lid worden de woorden “in zoverre tenminste 60 pct. van het vastgoed” vervangen door de woorden “in zoverre tenminste 80 pct. van het vastgoed”; Deze afdeling is van toepassing op de vanaf 1 januari 2022 betaalde of toegekende inkomsten.
Art. 23 In artikel 53, 6°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “alsook verhogingen van sociale bijdragen” vervangen door de woorden “verhogingen van sociale bijdragen, fiscale of sociale regularisatieheffingen, alsook de geldsommen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering”. Belastingvermindering kinderoppas In artikel 145°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd door de programmawet van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° in het zesde lid wordt het bedrag “8,20 euro” vervangen door het bedrag “8,40 euro”; 2° het elfde lid wordt opgeheven.
Artikel 24 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is, Art. 26 In artikel 145%, $ 3, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, worden de woorden “meer dan 250 000 euro” vervangen door de woorden “meer dan 500 000 euro” Art. 27 In artikel 1457, $ 2, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “meer dan 500 000 euro” vervangen door de woorden “meer dan 1 000 000 euro”.
Art. 28 Deze afdeling treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing op de betalingen voor het verwerven vanaf 1 januari 2021 Verhoging van het aantal iscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector Art. 29 Artikel 154bis, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt als, volgt vervangen: overwerk wordt opgetrokken tot - 220 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem; - 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem Art. 30 Artikel 275', achtste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt vervangen als volgt: “Het in het zesde id bepaalde maximum van 130 uren - 220 uren voor de werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem; - 280 uren voor de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.
Art. 31 De inwerkingtreding van deze afdeling wordt door de Koning bepaald op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie en is van toepassing op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd. Belasting over toegevoegde waarde - Uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de vrijstellingsregeling van de belasting Artikel 56bis, $ 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende: *6° de handelingen bedoeld in artikel 44, $ 3, 2°, a), derde streepje, met uitzondering van degene die worden verricht door een natuurlijke persoon onder de voorwaarden van artikel 50, 5 4. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022. In afwijking van het eerste lid is de vereiste van de erkenning van het platform bedoeld in artikel 50, $ 4, van hetzelfde Wetboek niet van toepassing tot 30 juni 2022 voor de toepassing van de door die bepaling voorziene regeling in het kader van de toepassing van artikel 56bis, $ 3, 6°, van hetzelfde Wetboek Professionele diesel: Vermindering terugbetaling accijnzen Art. 34 In artikel 429, $ 5, 1), van de programmawet van 27 december 2004, laatst gewijzigd bij de programmawet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen “4) De gasolie bedoeld in artikel 419, f),), kan genieten van een vrijstelling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag van 226,9716 euro per 1 000 liter bij 15° C. 2° de tweede zin wordt geschrapt.
Art. 35 Artikel 23 van de wet van xxx houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit wordt vervangen “Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2022 en artikel 22 treedt in werking op 1 januari 2023”. ‘Energie: hervorming accijnzen Art. 36 In artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van De accijnzen worden berekend volgens een degresa. bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regel geving van het Vlaams Gewest, een “accord de branche” geving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig Ì, voor de schijf van 0 tot 20 000 MW:
- accijns: O euro per MWh (bovenste
- bijzondere accijns: 0,66 euro per MWh (bovenste
- bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
- bijzondere accijns: 0,56 euro per MWh (bovenste ii voor de schijf van 50 000 tot 250 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste iv. voor de schijf van 250 000 tot 1 000 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste v. voor de schijf van 1 000 000 tot 2 500 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste vi. voor de schijf vanaf 2 500 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste b. andere bedrijven:
- bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MWh
- bijzondere accijns: 0,34 euro per MWh (bovenste v. voor de schijf van 1 000 000 tot 2 500 000 MWh
Art. 37 *k) elektriciteit van de GN-code 2716: a. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 kV, met inbegrip van een eindgebruiker die geïdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer: Ì, voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 14,21 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 12,09 euro per MWh; ii voor de schijf van 50 tot 1 000 MWh:
- bijzondere accijns: 11,39 euro per MWh; iv. voor de schijf van 1 000 tot 25 000 MWh:
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh; v. voor de schijf van 25 000 tot 100 000 MWh:
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh; vi. voor de schijf vanaf 100 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh; transport: of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV.
- bijzondere accijns: 13,60 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 11,58 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,90 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,23 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,40 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 1,00 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh”.
Art. 39 In artikel 429, $ 2, b) van de programmawet van 27 december 2004 worden de woorden “geproduceerd door een gebruiker voor zijn eigen gebruik” vervangen door “die niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen”.
Art. 40 Artikel 429, $ 2, d) van de programmawet van 27 december 2004 wordt vervangen als volgt: “elektriciteit opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, op voorwaarde dat de installaties voor warmtekrachtkoppeling milieuvriendelijk zijn en op voorwaarde dat de geproduceerde elektriciteit niet van het transmissie of distributienet wordt afgenomen;” Artikel 429, 5 2, i) van de programmawet van 27 december 2004 wordt aangevuld als volgt:
Art. 42 Artikelen 34 en 36 tot 41 treden in werking op 1 januari 2022.
Artikel 35 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Bepalingen tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor het jaar 2022 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse Een toelage die in de begroting van de FOD Sociale Jaarlijkse Vakantie toegekend voor het jaar 2022 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders. 107 120 028 euro Het in artikel 43 bedoelde bedrag wordt uiterlijk op 30 april 2022 aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers tewerkstellen bedoeld in titel Il van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. $ 1. Tijdens het tweede kwartaal 2022 heeft iedere werkgever bedoeld in artikel 46 recht op een compensatie ten bedrage van een percentage van een globaal bedrag van 46 146 551 euro ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2021 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht jaarlijkse vakantie van de bedienden. Dit percentage wordt berekend op basis van de gelijkgestelde dagen van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19 die zijn aangegeven in de multfunctionele kwartaalaangifte bedoeld in artikel 21 van, van 28 december 1944 betreffende de maatschappe: lijke zekerheid der arbeiders van het eerste en tweede kwartaal 2021 voor de werknemers bedoeld in artikel 46. prestatiebreuk berekend per tewerkstelling in de multi functionele kwartaalaangifte en, in voorkomend geval, worden de verschillende prestatiebreuken opgeteld tot een globale prestatiebreuk van de werknemer. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder tewerkstelling verstaan: de tewerkstelling bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003, tot uitvoering van het
Hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002, betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. 1° voor de tewerkstelling die in de multifunctionele kwartaalaangifte uitsluitend in dagen wordt aangegeven: X/ (13 xD), waarbij X = het aantal dagen in de multifunctionele kwartaal aangifte aangegeven onder de code voor gelijkgestelde prestaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19; D = het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel; 2° voor de tewerkstelling die in de multifunctionele kwartaalaangifte in dagen en uren wordt aangegeven: Z/ (13 x U), waarbij: Z = het aantal uren in de multifunctionele kwartaal U = het gemiddeld aantal uren per week van de De prestatiebreuk wordt per tewerkstelling afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. De globale prestatiebreuk van een werknemer in de multifunctionele kwartaalaangifte is hoogstens gelijk aan 1. In geval van overschrijding wordt het resultaat tot 1 herleid. $ 2. Voor de toekenning van de compensatie aan iedere werkgever wordt een gemiddeld percentage berekend op basis van de globale prestatiebreuken van zijn werknemers in het eerste en tweede kwartaal 2021 Dit gemiddeld percentage wordt afgerond op twee cijfers, na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage kleiner is dan 41 ontvangen geen compensatie. groter dan of gelijk is aan 41 en kleiner is dan 51 ontvangen een compensatie van 40 %. groter dan of gelijk is aan 51 en kleiner is dan 61 ontvangen een compensatie van 50 %. groter dan of gelijk is dan 61 en kleiner is dan 71 ontvangen een compensatie van 60 %. groter dan of gelijk is dan 71 en kleiner is dan 81 ontvangen een compensatie van 70 % groter dan of gelijk is dan 81 en kleiner is dan 91 ontvangen een compensatie van 80 %. groter dan of gelijk is dan 91 ontvangen een compensatie van 95 %. $ 3. De compensatie (C) van iedere werkgever wordt berekend als volgt C=(A/T) * E, waarbij A = per werkgever het resultaat van het compensatie percentage zoals bepaald in paragraaf 2 vermenigvuldigd met de som van de globale prestatiebreuken bepaald in paragraaf 1, samengeteld voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2021. Dit resultaat wordt afgerond wordt afgerond; bedoeld in artikel 46; E = het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. $ 4. Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1, brengt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de toegekende compensatie in mindering van de aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen voor het tweede kwartaal van 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste schulden overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of naar de volgende kwartalen zolang bijdragen verschuldigd zijn, of om terugbetaling verzoeken. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan het bedrag bedoeld in artikel 47, $ 1, eerste lid, aanpassen in functie van een herevaluatie van de globale enveloppe in het kader van de evolutie van de socio-economische erisis. tijdelijke werkloosheid voor de bedienden in het kader van overmacht wegens overstromingen Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers die in het derde kwartaal 2021 werknemers tewerkstellen bedoeld in titel IIl van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. $ 1. Tijdens het tweede kwartaal 2022 heeft de werkgever bedoeld in artikel 50 recht op een compensatie ten bedrage van een gedeelte van een globaal bedrag van maximaal 703 420 euro ter compensatie van de ‘omwille van overstromingen voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de bedienden. recht heeft op basis van de compensatieregel zoals bepaald in dit hoofdstuk. $ 2. Indien het volledige budget bepaald in de vorige paragraaf niet is opgebruikt, maakt de Rijksdienst voor $ 1. Teneinde aanspraak te kunnen maken op de in dit hoofdstuk bepaalde compensatie, moet de werkgever Rijksdienst voor Sociale zekerheid, met behulp van een hiertoe door de voormelde Rijksdienst ter beschikking gestelde beveiligde elektronische toepassing. $ 2. Indien de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op basis van de beschikbare gegevens vaststelt dat de aangifte van de werkgever niet correct is, zal het bedrag van de compensatie herzien worden. $ 3. Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1, brengt het tweede kwartaal van 2022. De werkgever kan het ongebruikte krediet voor het tweede kwartaal van 2022 overdragen naar de oudste 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of naar de volgende kwartalen zolang bijdragen verschuldigd zijn, of om terugbetaling verzoeken.
Art. 54 In artikel 37undecies, $ 1, eerste lid, van de wet beingevoegd bij de wet van 5 juni 2002 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, wordt de bepaling onder het eerste streepje vervangen door de bepalingen onder de volgende streepjes, luidende: “- van O tot 11 120 euro 250, 00 euro - van H1 120,01 euro tot 13 400,00 euro 450,00 euro”.
Art. 55 In artikel 37quaterdecies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen 1° in paragraaf 1 wordt het laatste lid aangevuld met de volgende zin: “De aanpassing aan het gecorrigeerde indexcijfer van de bedragen van 11 120,00 euro en 11,120,01 euro geschiedt voor de eerste maal voor de maximumfactuur toegekend in 2023”; 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zinnen: “Het bedrag van 250,00 euro bedoeld in artikel 37undecies, $ 1, wordt vanaf 1 januari 2023 gekoppeld aan de spilindex 101,02 (basis 2013=100) van de consumptieprijzen. Nadien wordt het op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer waartegen de sociale voorzieningen op die datum worden uitbetaald”.
Art. 56 Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2022.
Art. 57 In het artikel 191, eerste lid, 1°ter, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 33 van 23 juni a) in de bepaling onder 1°ter wordt het woord “er” opgeheven; b) de bepaling onder 1*ter wordt aangevuld met de woorden “Voor het jaar 2022 kan op verzoek van het RIZIV opnieuw een Rijkstoelage worden toegekend onder dezelfde voorwaarden als voor het jaar 2021 Art. 58 In artikel 191, eerste lid, 15°novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de 1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt”; 2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden “en vóór 1 mei 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt” vervangen door de woorden “, vóór 1 mei 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt en vóór 1 mei 2023 voor de omzet die in 2022 is verwezenlijkt”; 3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden “en de heffing op de omzet 2021” vervangen door de woorden *, de heffing op de omzet 2021 en de heffing op de omzet 2022”; 4° het achtste id wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2022 en 1 juni 2023 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk “voorschot heffing omzet 2022” en “saldo heffing omzet 2022 ”; 5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2021 is verwezenlijkt”; 6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin “De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2022 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2022 Art. 59 Artikel 191, eerste lid, 15°duodecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, wordt aangevuld met de volgende zin: op 1 pct. van de omzet die in 2022 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt”.
Art. 60 Artikel 191, eerste lid, 15°terdecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, wordt aangevuld met de volgende zinnen: “Voor het jaar 2022 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van meer dan 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2022 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2022”.
Art. 61 In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Voor 2022 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd”; 2° in het tweede lid worden de woorden ‘en verwezenlijkt in 2021, voor het jaar 2021” vervangen door de woorden “verwezenlijkt in 2021, voor het jaar 2021, en verwezenlijkt in 2022, voor het jaar 2022”; '3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin “Het voorschot 2022, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2021 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2022 gestort op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van “Voorschot compensatoire bijdrage 2022” en het saldo wordt vóór 1 juni 2023 gestort op dezelfde rekening met de vermelding “Saldo compensatoire bijdrage 2022”; 4° in het vijfde lid worden de woorden “en in het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021”; vervangen door de woorden “, in het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021, en in het boekjaar 2022, voor de bijdrage 2022.” In artikel 195, $ 1, 2°, derde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 april 2019, worden de eerste en de tweede zin vervangen door de volgende “Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766 483 000 EUR voor 2003, 802 661 000 EUR voor 2004, 832 359 000 EUR voor 2005, 863 156 000 EUR voor 2006, 895 524 000 EUR voor 2007, 929 160 000 EUR voor 2008, 972 546 000 EUR voor 2009, 1 012 057 000 EUR voor 2010, 1 034 651 000 EUR voor 2011, 1 029 840 000 EUR voor 2012, 1 027 545 000 EUR voor 2013, 1 052 317 000 EUR voor 2014, 1 070 012 000 EUR voor 2015, 1 054 007 000 EUR voor 2016, 1 053 130 000 EUR voor 2017, 1 054 986 000 EUR voor 2018, 1 049 732 000 EUR voor 2019, 1 084 478 000 EUR voor 2020, 1 120 916 000 EUR voor 2021 en 1 141 883 000 EUR voor 2022. Voor de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail wordt dit bedrag vastgesteld op 13 195 000 EUR voor 2003, 13 818 000 EUR voor 2004, 14 329 000 EUR voor 2005, 14 859 000 EUR voor 2006, 15 416 000 EUR voor 2007, 15 995 000 EUR voor 2008, 16 690 000 EUR voor 2009, 17 368 000 EUR voor 2010, 17 770 000 EUR voor 2011, 17 687 000 EUR voor 2012, 17 648 000 EUR voor 2013, 18 073 000 EUR voor 2014, 18 377 000 EUR voor 2015, 18 037 000 EUR voor 2016, 18 062 000 EUR voor 2017, 18 093 000 EUR voor 2018, 19 885 000 EUR voor 2021 en 20 257 000 EUR voor 2022”. Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende. de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot regeling van de financiering van de belasting voor het beheer en de sanering van de nucleaire passiva die ten laste vallen van de Federale Staat door een toewijzing uit de ontvangsten van de belasting over de toegevoegde waarde Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden 1° “NIRAS” de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen opgericht bij artikel 179, $ 2, 1°, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980; 2° “btw”. de belasting over de toegevoegde waarde; besmet materiaal waarvan de Federale Staat de financiële verantwoordelijkheid voor de veilige verwijdering, verwerking, opslag en berging op zich heeft genomen door de financiering ervan vanuit de algemene uitgavenbegroting of vanuit de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde id, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt bedoelde ontvangsten bij wet te bepalen. In artikel 21ter, 1, van de wet van 29 april 1999 laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, wordt het derde lid vervangen als volgt: “Voor het verkrijgen van het bedrag van de in arti kel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid van de wet elektriciteitsmarkt bedoelde ontvangsten dat voor haar bestemd is, richt de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen een geldopvraging aan de commissie volgens de nadere regels bepaald in toepassing van $ 2, 1°”. Bij elke storting, vanuit de federale begroting of vanuit de in artikel 21bis, 5 1, tweede tot en met vijfde lid, van de elektriciteitsmarkt bedoelde ontvangsten, in een van de fondsen voor de sanering van een nucleair passief dat ten laste valt van de Federale Staat, geeft NIRAS deze storting aan in haar periodieke btw-aangifte van de maand waarin de storting in het fonds plaatsvond en betaalt de op deze storting verschuldigde btw. Bij ontvangst van het in het eerste id bedoelde bedrag, Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O, Middenstand Wat het saldo aan beschikbare middelen op de dag van inwerkingtreding van dit hoofdstuk betreft waarvoor geen btw gestort werd aan de Federale Overheidsdienst Financiën zal NIRAS overgaan tot een verzoek om regularisatie van de btw volgens de voorwaarden bepaald door de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft binnen de FOD Financiën. Na bepaling van de verschuldigde btw in overleg met de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft binnen de FOD Financiën en de betaling ervan, stuurt NIRAS aan de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën via e-mail een verzoek tot terugstorten van het in het vierde lid bedoelde bedrag. Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O Middenstand De terugbetalingen van de btw bedoeld in het eerste en vijfde lid verlopen via het bestaande toewijzingsfonds uit de lijst van terugbetalings- en toewijzingsfondsen van de Algemene Uitgavenbegroting 66.84.B betreffende de toewijzing van btw-ontvangsten aan NIRAS ter compensatie van de verschuldigde btw op het beheer van de nucleaire passiva ten laste van de Federale Staat. De praktische bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de in het tweede tot vijfde lid beschreven werkwijze, evenals de te gebruiken e-mailadressen, worden vastgelegd in een protocol tussen de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O, Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Economie en door de minister bevoegd voor Energie, de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning en de Algemene Administratie van de Fiscaliteit van de door de minister bevoegd voor Financiën en de vertegenwoordigers van NIRAS. De Overeenkomst van 19 december 2005 tussen de Belgische Staat, NIRAS en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas met oog op de uitvoering van de betaling van de btw in het kader van de nucleaire passiva BP1/BP2 wordt beëindigd bij de inwerkingtreding van dit hoofdstuk. De Koning bepaalt de lijst van de nucleaire passiva. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van deze wet het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende ‘de organisatie van de elektriciteitsmarkt In artikel 7 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2019, worden de volgende 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: *$ 1. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van garanties van oorsprong en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder ‘om groenestroomcertiicaten afgeleverd door de commissie en de gewestelijke overheden en regulatoren aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuw” bare energiebronnen, bekrachtigd bij artikel 427 van de programmawet(!) van 24 december 2002 en door artikel 28 van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie, en door artikel 2 van de wet van 12 juni 2015 tot bekrachtiging van bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 4 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betref fende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebron nen en door artikel 11 van de wet van 12 mei 2019 tot organisatie van de elektriciteitsmarkt met het oog op het invoeren van een concurrerende inschrijvingsprocedure voor de bouw en exploitatie van productie-installaties in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 februari 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wijzigen, vervangen en opheffen zonder daarbij een nieuwe toeslag of heffing in te voeren bestemd om de maatregelen bedoeld in het eerste lid te financieren. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, bepaalt de Koning de berekeningsmethode van de kost voort vloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid voor ieder exploitatiejaar. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure: 1° uiterlijk op 1 november van ieder jaar verricht de commissie een raming van de kost per maand van de maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het volgende exploitatiejaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 31 augustus; 2° uiterlijk op 15 april van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van regularisatie met betrekking tot het voorgaande exploitatiejaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande exploitatiejaar is voort gevloeid uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 februari. Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de Federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald; 3° de commissie houdt een inventaris bij met een overzicht per jaar van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid De Federale Staat, de netbeheerder en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas sluiten een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen bedoeld in het tweede lid met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het eerste lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de nettokost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden”; 2° paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2017, wordt aangevuld met drie leden, luidende: “De verhoging van de minimumprijs bedoeld in het tweede, het vierde en het vijfde lid wordt gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinquies. een protocol teneinde de modaliteiten vast te leggen van de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen bedoeld in het elfde lid met het oog op de voldoening van de verplichting bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepade netbeheerder te vermijden” In artikel 7octies van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “gedekt door een tarifaire toeslag ter financiering van de openbare dienstverplichting van de netbeheerder, zoals bedoeld in artikel 12, $ 5, tweede lid, 11°” vervangen door de woorden “gefinancierd overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinguies”; “Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de de Koning de berekeningsmethode en de nadere regels, voor de controle van de kosten van de maatregelen bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd. Voornoemde kost wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure 1° uiterlijk op 1 november van ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd verricht de commissie een raming van de kost per maand van de maatregelen bedoeld in het eerste id met betrekking tot de betrokken winterperiode. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 september; 2° uiterlijk op 1 juni van ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd stelt de commissie het bedrag van een regularisatie met betrekking tot die voorgaande winterperiode op grond van de werkelijke kost die tijdens die winterperiode is voortgevloeid uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe bezorgt de netbeheerder een verslag met de relevante gegevens aan de commissie uiterlijk 15 april. Indien er een saldo wordt vastgesteld, dan wordt de regularisatie met de Federale Staat uitgevoerd uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de regularisatie werd bepaald; overzicht voor ieder jaar waarin een strategische reserve wordt aangelegd van de geraamde en de werkelijke kost van de maatregelen bedoeld in het eerste lid”; 4° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “De Federale Staat, de netbeheerder en de Commissie de maandelijkse ter beschikkingstelling van de middelen met het oog op het dekken van de kosten bedoeld in het eerste lid, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat ‘om tijdig over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te beschikken, met als doel de netto-kost voortvloeiend uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid tijdig te betalen en voorfinanciering van deze nettokost in hoofde van de netbeheerder te vermijden”. In artikel Zundecies, $ 15, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “waarvan de kosten overeenkomstig artikel 12, $ 5, 11°, worden verrekend in de tarieven” vervangen door de woorden “waarvan de netto-kosten worden gefinancierd overeen komstig de modaliteiten bepaald in artikel 21quinguies”, en worden de woorden “, en rekening houdend met de tariefmethodologie die werd opgesteld door de commissie krachtens artikel 12, $ 5" opgeheven; 2° het derde lid wordt vervangen als volgt: voor de controle van de kosten van de maatregelen bedoeld in het eerste lid voor ieder jaar wordt vastgesteld. maatregelen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het volgende jaar. Daartoe bezorgt de netbeheerder een uiterlijk op 31 augustus; 2° uiterlijk op 1 juni van ieder jaar stelt de commissie een bedrag van een regularisatie met betrekking tot het voorgaande jaar op grond van de werkelijke kost die tijdens dat voorgaande jaar is voortgevloeid uit de maatregelen bedoeld in het eerste lid vast. Daartoe gegevens aan de commissie uiterlijk op 15 april Indien er kost van de maatregelen bedoeld in het eerste id”; bedoeld in het eerste lid met het oog op de voldoening van de verplichtingen van de netbeheerder krachtens het capaciteitsvergoedingsmechanisme bedoeld in deze afdeling, alsook teneinde alle gerelateerde en overige rechten en verplichtingen van de contractpartijen nader te bepalen. De financieringsregels beschreven in voornoemde protocol stellen de netbeheerder in staat om tijdig, over de bij deze wet voorziene noodzakelijke middelen te en voorfinanciering van deze netto-kost in hoofde van In artikel 21bis van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzi gingen aangebracht: “$ 1. Dit artikel regelt de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt. De volgende doelstellingen worden gedekt door de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716: 1° de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 (de oude pilootopwerkingsfabriek Eurochemic of passief BP; de oude Afvalafdeling van het Studiecentrum voor Kernenergie of passief BP2) te Mol-Dessel en uit het kwart van de denuclearisatie van de BR3-reactor van het technisch passief van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig uit de genoemde denuclearisaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op de genoemde sites en reactor. De tussenkomst van de ontvangsten bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid in het kwart van de ontmantelingskost van de BR3-reactor is pas verschuldigd vanaf het jaar dat een financieringstekort zich dreigt voor te doen voor het technisch passief van het SCK.CEN. De tussenkomst van de ontvangsten bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid in dit passief maakt geen deel uit van het regionaal evenwicht bedoeld in het vierde lid van artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1991 houdende de regelen betreffende het. toezicht op en de subsidiëring van het Studiecentrum voor Kernenergie en tot wijziging van de statuten van dit Centrum. 3° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en financiële maatschappelijke steunverlening inzake energie zoals bepaald door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra. voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke bijstand aan de meest 5° de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde residentiële klanten, bedoeld in artikel 20, $ 2/1, eerste lid, 1° tot 5°, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007. Als het totaal van de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de prode GN-code 2716 niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, dan worden de ontvangsten aangewend voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel ©)) en onderdeel f)) van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017,voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15°. Als het totaalbedrag uit de in het derde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen. Als het totaalbedrag uit de in het tweede, derde en vierde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt lastingen bijkomend toegewezen. De codes van de in deze paragraaf bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de Verordening EEG nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage | van de Verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief”. 2° de paragrafen 1bis, 2, 3, 4, 5 en 6 worden In artikel 21ter van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de volgende 1° in paragraaf 1 worden de eerste twee zinnen ver“Onverminderd het tweede lid, bepaalt de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit de bedragen van de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten, in voorkomend geval rekening houdend met de saldi van de vorige begrotingsjaren, die moeten worden gestort”; 2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 1° 3° in paragraaf 1, wordt het tweede lid vervangen met vijfde lid bedoelde ontvangsten ter dekking van de werkingskosten van de commissie, met inbegrip van de reserve, voor een bepaald overeenkomstig artikel 25, $ 3, vastgesteld begrotingsjaar, wordt op verzoek gestort in een door de commissie beheerd fonds, uiterlijk op 15, januari van het betreffende begrotingsjaar. Indien op het tijdstip van het verzoek om middelen van de commissie haar begroting voor het betrokken begrotingsjaar nog niet is goedgekeurd overeenkomstig artikel 25, $ 3, wordt op ‘eenvoudig verzoek een voorschot betaald ten belope van 50 % van de begroting van het voorafgaande jaar, en wel uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar”; 4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt “$ 2. Onverminderd artikel 25, $ 3, bepaalt de Koning op voorstel van de commissie: 1° de berekeningswijze die wordt toegepast ter bepaling van de middelen die nodig zijn ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in artikel 21bis, $ 1; 2° de nadere regels voor het beheer van de fondsen bedoeld in paragraaf 1 door de commissie”; 5° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende: “$ 2bis. Onverminderd paragraaf 1, tweede lid, sluiten de Federale Staat en de commissie een protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde middelen met het oog op de nakoming van de in het tweede lid,van artikel 21bis, $ 1, bedoelde verplichtingen en tot precisering van alle daarmee verband houdende en andere rechten en plichten van beide contractpartijen, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de commissie bij de uitvoering van haar begroting”; 6° de paragrafen 4 en 5 worden opgeheven. In dezelfde wet wordt een artikel 21quinquies inge“Art. 21quinquies. De opdrachten waarmee de netbeheerder krachtens artikel 7, $ 1, eerste lid, krachtens artikel 7, 5 2, tweede, vierde en vijfde lid, krachtens artikel 7octies, krachtens Tundecies, $ 1, en in voorkomend geval krachtens artikel 7duodecies, belast wordt, maken openbare dienstverplichtingen uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden door: 1° de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de programmawet code 2716; 2° als het totaal van de onder 1° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f}i) van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15°; 3° als het totaal van de onder 2° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen; 4° als het totaalbedrag uit de onder 1°, 2° en 3° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend De bovenvermelde financiering van de netbeheerder zal voor wat betreft de bijzondere accijnzen verlopen bij middel van het reeds bestaande toewijzingsfonds 66.83.8. Er zal onderscheid gemaakt worden naar bestemmeling. zal voor wat betreft de vennootschapsbelasting verlopen bij middel van het reeds bestaande toewijzingsfonds 66.82.85. Er zal onderscheid gemaakt worden naar bestemmeling. In artikel 25, $ 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 januari 2012, worden de volgende wijzigingen 1° de woorden “door de federale bijdrage bedoeld in artikel 21bis” worden vervangen door de woorden “door de in artikel 21bis, $ 1, tweede tot en met vijfde lid bedoelde ontvangsten”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: het bedrag, overeenkomend met maximaal 25 % van haar werkingskosten, mede wordt gedekt door de in artikel 21bis, 5 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten”. In artikel 31/3, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014, worden telkens de woorden “of betreffende de bijdrage bedoeld in arti kel 21bis” opgeheven. In artikel 15/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2000, worden de volgende wijzigingen 1° in paragraaf 1 wordt het vierde lid opgeheven. 2° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt: “$ 1bis. Dit artikel regelt de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden met de regulering van en de controle op de gasmarkt. bepaald in artikel 419, i) van de programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GN-codes 2711 1 00 en 2711 21 00. 1° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, $ 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, $ 4; 2° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering; 3° de financiering van de werkelijke neftokosten voort vloeiend uit de toepassing van de maximum prijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, 1° tot en met 5° en tweede lid, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007. Als het totaal van de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, i) van de programmawet van 27 december 2004 voor aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, dan worden de ontvangsten aangewend voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel fi) van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15°. Als het totaalbedrag uit de in het tweede en derde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, bijkomend toegewezen. menclatuur en het gemeenschappelijk douanetariet”; a) de eerste zin wordt vervangen als volgt: van de in paragraaf 1bis, tweede tot en met vijfde lid, “Het bedrag van de in paragraaf 1bis, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten, dat bestemd is ter dekking van de werkingskosten van de commissie, met inbegrip van de reserve, voor een bepaald begrotingsjaar, vastgesteld overeenkomstig artikel 15/15, 5 4, wordt op verzoek uiterlijk op 15 januari van het betref fende begrotingsjaar gestort in een door de commissie beheerd fonds. nog niet is goedgekeurd overeenkomstig artikel 25, $ 3, van de elektriciteitsmarkt, wordt op eenvoudig verzoek, uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar, een voorschot ten belope van 50 % van de begroting van het vorige jaar betaald”; °$ 1quater. Onverminderd artikel 15/15, $ 4, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie: 1° de procedure en de berekeningswijze die wordt toegepast ter bepaling van de middelen die nodig zijn ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 1bis, tweede lid; 2° de modaliteiten voor het beheer van de fondsen bedoeld in paragraaf iter door de commissie; 5° het artikel wordt aangevuld met een $ 1quater!1, *$ 1quater/1. Onverminderd paragraaf iter, sluiten vaststelling van de modaliteiten voor de terbeschikkingstelling van de in artikel 15/11, $ 1bis, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde middelen met het oog op de nakoming van de in lid 2 bedoelde verplichtingen, en tot precisering van alle daarmee verband houdende en andere rechten en plichten van beide contractpartijen, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de commissie bij de uitvoering van haar begroting”. De artikelen 15/11bis en 15/1iter, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2014, worden opgeheven. In artikel 15/15, $ 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzi 1° de woorden “de federale bijdrage, beoogd in artikel 15/11, $ 1bis” worden vervangen door de woorden “de in artikel 15/11, $ 1bis, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten”; “Bij de commissie wordt een reserve gevormd waarvan het bedrag, overeenkomend met ten hoogste 25 % van haar werkingskosten, mede wordt gedekt door de in artikel 15/11, $ 1bis, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten” $ 1. Uiterlijk op 15 januari 2022 verricht de commissie bedoeld in artikel 7, $ 1, eerste lid, en $ 2, tweede, vierde en vijfde lid, artikel 7octies, eerste lid, en artikel 7undecies, S 15, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 voor het exploitatiejaar 2022. $ 2. Uiterlijk op 1 juni 2022 bepaalt de commissie: 1° de gemaakte kosten, gedurende 2021 en, in voorkomend geval, 2020, van de maatregelen bedoeld in artikel 7, $ 1, eerste lid, en $ 2, tweede, vierde en vijfde lid, artikel 7octies en artikel Zundecies van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; 2° het eventuele saldo, positief of negatief, van de bedragen die in 2021 en, in voorkomend geval, in 2020 worden geïnd door de netbeheerder, krachtens de artike len 7, 58 1 en 2, en Tocties van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Daartoe dient de netbeheerder uiterlijk op 1 februari 2022 bij de commissie een verslag in met de relevante gegevens. Elk saldo bedoeld in paragraaf 1, 2°, wordt uiterlijk op 1 juli 2022 vereffend met de Belgische Staat. $ 1. Bij de afsluiting van haar jaarrekening op 31 december 2022 bepaalt de commissie voor elk van de fondsen bedoeld in artikel 21ter, $ 1, van de wet van citeitsmarkt, het saldo van de bedragen van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit die tot 31 december 2021 werden afgenomen. Dit saldo wordt, voor elk fonds, uiterlijk op 30 juni 2023 geregulariseerd bij de Belgische Staat. De bepalingen van het koninklijk besluit van 24 maart 2003 tot vaststelling van de modaliteiten en voorwaarden van de federale bijdrage bestemd voor de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering en controle van de elektriciteitsmarkt, zoals van kracht op 31 december 2021, blijven van kracht met het oog op de afsluiting van het mechanisme van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden elektriciteit die tot 31 december 2021 zijn afgenomen. $ 2. Bij de afsluiting van haar jaarrekening op 31 defondsen bedoeld in artikel 15/11, $ iter, van de wet van 12 januari 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, het saldo van de bedragen van de federale heffing toegepast op de tot 31 december 2021 onttrokken hoeveelheden aardgas. De bepalingen van het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de modaliteiten en voorwaarden van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering en de controle van de aardgasmarkt, zoals van kracht op 31 december 2021, worden gehandhaafd met het oog op de afsluiting van het mechanisme van de federale bijdrage toegepast op de hoeveelheden aardgas die tot 31 december 2021 Art. 84 door middel van leidingen, en wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot ‘aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen en in artikel 20, 5 2/1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven Art. 85 In artikel 15/11, S 1bis, van de wet van 12 april 1965 andere door middel van leidingen, laatstelijk gewijzigd door de programmawet van 20 december 2020 en vervangen bij artikel 79 van deze wet, wordt het tweede lid aangevuld met de volgende bepaling: “4° de financiering van de werkelijke nettokosten voort de levering van warmte aan de beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 2/1 van deze wet”.
Art. 86 Wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot ‘aanvulling van de lijst beschermde residentiële afnemers bedoeld in artikel 15/10, $ 212, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen en in artikel 20, $ 211, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elekticiteitsmarkt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststeling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit (sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de In artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 januari 2021 tot aanvulling van de lijst beschermde de sociale tarieven door de aardgasondernemingen en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan en het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de het ten laste nemen hiervan, bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “31 december 2021” vervangen door de woorden “1 april 2022”. Definities Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° “kandidaat”: de kandidaten als bedoeld in artikel 3, 11°, van de Spoorcodex; 2° “netverklaring”: de verklaring als bedoeld in artikel 3, 3° “trimester”: de periode lopende van 1 januari tot 31 maart, of van 1 april tot 30 juni, of van 1 juli tot 30 september, of van 1 oktober tot 31 december. Het verminderingsmechanisme van de retributie voor het gebruik van de spoorweginirastructuur $ 1. Infrabel publiceert binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de inwerkingtreding bepaald overeenkomstig artikel 93, in afwijking van de termijnen voorzien in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juli 2019 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, in zijn netverklaring de toepassingsmodaliteiten van het verminderingsmechanisme van de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur bedoeld in het tweede lid ten voordele van de kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 2. Dit mechanisme bestaat in een lineaire vermindering van maximum 1,20 euro per daadwerkelijk afgelegde treinkilometer op het Belgische netwerk voor de circulatieperlode gaande van 1 januari 2022 tot 31 december 2025. De vermindering wordt berekend in functie van de afgelegde treinkilometers in elk trimester en wordt toegekend aan de kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2 door Infrabel, ofwel door een directe terugbetaling ofwel door een vermindering van de gefactureerde bedragen, ten laatste een maand na de betaling door de Staat aan Infrabel van het voorschot voorzien in artikel 90. Indien tijdens het betreffende trimester het totaal van de verminderingen waarop de betreffende kandidaten aanspraak kunnen maken overeenkomstig het tweede en derde id het voorschot overschrijdt waarover Infrabel beschikt met toepassing van artikel 90, worden deze verminderingen pro rata het beschikbare voorschot beperkt. vermindering bedoeld in paragraaf 1 vallen onder een overeenkomst gesloten met Infrabel binnen het kader van het proces van toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit bedoeld in artikel 27 en volgende van de Spoorcodex $ 3. Het verminderingsmechanisme bedoeld in paragraaf 1 is conform de volgende beginselen: 1° het treedt in werking vanaf 1 januari 2022 en eindigt op 31 december 2025; 2° hetis van toepassing op het goederenvervoer, met uitsluiting van losse ritten, ritten georganiseerd door toeristische ondernemingen, en het verkeer van andere treinen zoals de aangemelde instanties, de technische treinen en de treinen georganiseerd voor de overbrenging van materieel tussen de installaties. Financiële compensatie ten voordele van Infrabel Infrabel verkrijgt een financiële compensatie ten gevolge van de lineaire vermindering bedoeld in artikel 89. 1° voor elk trimester dat inbegrepen is in de duur van de toepassing van het mechanisme voorzien in artikel 89 betaalt de Staat aan Infrabel een voorschot gelijk aan 25 % van het jaarlijkse budget van minimum, 13 246 k euro ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting. Elk van deze betalingen wordt gedaan ten laatste de 25* dag van de eerste maand volgend op het desbetreffende trimester. Indien deze laatste vervaldag niet gerespecteerd kan worden wegens de datum van inwerkingtreding van de huidige betalingen, worden de bedragen waarvan de betaling vertraagd is betaald aan Infrabel ten laatste 25 dagen na deze inwerkingtreding; 2° eventuele overschotten van de voorschotten die betaald worden voor de eerste drie trimesters van elk jaar blijven ter beschikking van Infrabel en verhogen het voorschot dat beschikbaar is voor het daaropvolgende trimester. Op het einde van elk jaar wordt het eventuele overschot terugbetaald aan de Staat door Infrabel ten laatste 6 maanden na het einde van dit jaar. Infrabel bezorgt ten laatste 30 april van elk jaar aan de bevoegde minister en aan de FOD Mobiliteit en Vervoer de verantwoordingsstukken voor de goede tenuitvoerlegging van dit verminderingsmechanisme tijdens het voorafgaande jaar. Deze verantwoordingsstukken bevatten met name: 1° een gedetailleerd rapport van de facturen betaald door de betrokken kandidaten en de verminderingen toegekend met toepassing van de huidige bepalingen; Infrabel bezorgt in de mate van het mogelijke elke bijkomende informatie die de bevoegde minister of de FOD Mobiliteit Vervoer eist binnen een termijn van 15, werkdagen. Bijzondere voorwaarden voor de begunstigden $ 1. De kandidaten waartegen de Europese Commissie bevelen tot terugbetaling heeft gedaan kunnen niet begunstigd worden door huidig verminderingsmechanisme van de retributie, voor zover de bedragen beoogd door het bevel niet terugbetaald zijn geweest. De ondememingen in moelljkheden zoals bepaald door aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7 2014, blz. 1-28) komen nietin aanmerking door huidig verminderingsmechanisme. De kandidaten staven de naleving van het eerste en tweede lid door een verklaring op erewoord dat gevoegd wordt aan de overeenkomst bedoeld in artikel 89, paragraaf 2, dat Infrabel onverwijld doorstuurt naar de FOD Mobiliteit en Vervoer. $ 2. Indien de bevoegde minister of de FOD Mobiliteit en Vervoer vaststelt dat een vermindering van de retributie een onderneming heeft bevoordeeld die de voorwaarden van de toekenning niet heeft nageleefd op het moment van de toepassing van de vermindering, wordt deze vermindering terugbetaald aan de Staat door de begunstigde binnen een termijn van een maand. Bij gebrek aan betaling binnen de termijn bedoeld in het eerste id, belast de Koning of zijn afgevaardigde de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering met de gedwongen invordering van de onterecht ontvangen steun overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949. De aldus ingevorderde onterechte bedragen komen toe tot de Schatkist. Slotbepalingen De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 88 tot 92. Dit hoofdstuk houdt op uitwerking te hebben op 30 juni 2026. betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale Art. 94 In artikel 27 van de wet van 28 april 2003 betreffende inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt paragraaf 3, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, opgeheven. Deze bepaling blijft evenwel van kracht voor wat de aansluitingen bij een pensioentoezegging betreft die zich situeren vóór 20 oktober 2021. Het tweede lid geldt niet voor de verhogingen van de prestaties die voortvloeien uit een wijziging van de pensioentoezegging vanaf 20 oktober 2021 Wijziging van de programmawet (I) van Art. 95 In artikel 306, $ 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2018, worden de volgende wijzigingen 1° in het eerste lid worden de bepalingen onder 4°/1 en 4°/2 ingevoegd, luidende: “49/1 de uitvoering door de Federale Pensioendienst van de inning en het beheer van de opbrengst van de inhouding bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994; 4°J2 de uitvoering door de Federale Pensioendienst van de artikelen 68 tot en met 68sexies van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “4°/1, 4°/2,” ingevoegd tussen woorden “4°," en “7”, In artikel 5/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “De overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze van het overlijden van zijn echtgenoot en dit voor een periode van 1° 18 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden geen kind ten laste is waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; 2° 36 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat in het kalenderjaar van, het overlijden de leeftijd van 13 jaar bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; 3° 48 maanden, - indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar niet bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; kind met een handicap ten laste is, ongeacht de leeftijd van dat kind, waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; - in geval van postume geboorte van een kind binnen de driehonderd dagen na het overlijden”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met twee leden, “De Koning bepaalt het begrip kind ten laste en het begrip kind met een handicap in de zin van het tweede id. De bepalingen betreffende de aanvraag en de ambtshalve toekenning van een overlevingspensioen zijn eveneens van toepassing op de overgangsuitkering. De aanvraag van een overlevingspensioen geldt als een aanvraag van een overgangsuitkering en omgekeerd.” De overgangsuitkering bedoeld in hoofdstuk Ibis van voormelde wet van 15 mei 1984 toegekend naar aanleiding van het overlijden van de echtgenoot voor 1 oktober 2021 en waarvan de periode verstrijkt na deze datum, wordt verlengd overeenkomstig de volgende modaliteiten: 1° de overgangsuitkering voor een periode van 12 maanden wordt verlengd voor een periode van 6 maanden; 2° de overgangsuitkering voor een periode van 24 maanden wordt verlengd voor een periode van 12 maanden indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste was dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor 3° de overgangsuitkering voor een periode van 24 maanden, - indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste was dat in het kalenderjaar van het overlijden nog niet de leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; kind met een handicap ten laste was, ongeacht de leeftijd van dat kind, waarvoor één van de echtgenoten de driehonderd dagen na het overlijden. De Koning bepaalt het begrip kind ten laste en het begrip kind met een handicap in de zin van het eerste lid. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2021. Bepalingen inzake de overgangsuitkering in het pensioenstelsel voor werknemers. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers In artikel 2iter, $ 1, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014, wordt het eerste lid vervangen als volgt: *$ 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor een periode van: overlijden een kind ten laste is dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving; ten laste is dat, in het kalenderjaar van het overlijden, De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast bewezen wordt en wat onder een kind met. een handicap wordt verstaan in de zin van het eerste lid”. tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modemisering van de sociale zekerheid ‘en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels Art. 100 In artikel 7bis van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, worden de volgende wijzigingen 1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: “$ 3. Zijn van toepassing op de overgangsuitkering: 1° artikel 7, $ 1, achtste en negende lid, en S 5; 3° de artikelen 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector”; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: “S 4.
Artikel 8 is niet van toepassing op de De overgangsuitkering bedoeld in
hoofdstuk 4
van het voormelde koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 toegekend naar aanleiding van het overlijden van de de volgende modaliteiten: een kind ten laste was dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar bereikte en waarvoor ten laste was dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar niet bereikte en waarvoor een van leeftijd van dat kind, waarvoor een van de echtgenoten bewezen wordt van kinderlast en wat onder een kind met een handicap wordt verstaan in de zin van het eerste lid. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2021 met uitzondering van artikel 100 dat in werking treedt op 1 juli 2022. In artikel 8ter van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt paragraaf 1 vervangen “8 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor '3° 48 maanden indien, - er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar niet bereikt en waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving of; - er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is met een handicap en waarvoor een van de - er binnen de driehonderd dagen na het overlijden een kind postuum geboren werd. kinderlast bewezen wordt en wat wordt verstaan onder een kind met een handicap in de zin van het eerste lid”. Bij de overgangsuitkering, bedoeld in titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 1, €), van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967, die toegekend werd ingevolge het. overlijden van de echtgenoot vóór 1 oktober 2021 en waarbij de toekenningsperiode na die datum verstrijkt, wordt die periode als volgt verlengd: 1° de overgangsuitkering met een duur van 12 maanden wordt verlengd met een duur van 6 maanden; 2° de overgangsuitkering met een duur van 24 maanden wordt verlengd met een duur van 12 maanden indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste was dat in het kalenderjaar van het overlijden de leeftijd van 13 jaar heeft bereikt en waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving; 3°de overgangsuitkering met een duur van 24 maanden wordt verlengd met een duur van 24 maanden indien, laste was dat, in het kalenderjaar van het overlijden, de leeftijd van 13 jaar niet heeft bereikt en waarvoor een Deze afdeling heeft uitwerking op 1 oktober 2021. ‘Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Werknemers In afwijking van artikel 6 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel voor werknemers voor het jaar 2022 vastgesteld op 7 000 186 duizend euro, afgenomen van het nettobedrag van de geïnde BTW en 3 293 620 duizend euro afgenomen op het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing. De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten. In afwijking van artikel 13 van dezelfde wet, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel van de zelfstandigen voor het jaar 2022 vastgesteld op 1 503 329 duizend euro, voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde BTW en 701 082 duizend euro voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing. De artikelen 106 en 107 treden in werking op 1 javan Titel IV van de programmawet (I) van In artikel 326, vijfde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden ‘van een beschutte werkplaats” vervangen door de woorden “van een beschutte werkplaats of van een maatwerkbedrijf". In artikel 330, eerste lid, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, worden de volgende 1° de woorden “door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen” worden vervangen door de woorden “door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven”, 2° de woorden "bij een werkgever van de beschutte worden vervangen door de woorden “bij een werkgever van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkde maatwerkbedrijven”. Plusplannen - Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december ‘Artikel 336 van de programmawet (l) van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 houdende COVID-19-pandemie, wordt vervangen als volgt: “Art. 336. $ 1. Voor de werknemers voor wie het geheel van de tewerkstellingen bij één en dezelfde werkgever gedurende het kwartaal overeenstemt met volledige kwartaalprestaties, is de doelgroepvermindering gelijk aan een bedrag G per kwartaal. Afhankelijk van de beoogde doelgroep, stemt dit bedrag overeen met een bedrag zoals bepaald in dit artikel en wordt het toegekend gedurende een aantal kwartalen dat bepaald wordt door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. G1 is gelijk aan 1 000 euro. Ge is gelijk aan 400 euro. G3 is gelijk aan 300 euro Gá is gelijk aan 600 euro. GS is gelijk aan 750 euro. G6 is gelijk aan 1 150 euro. G7 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid.
Artikel 337 is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing. GB is gelijk aan 1 500 euro. G9 is gelijk aan 800 euro G10 is gelijk aan 500 euro. Gt1 is gelijk aan 770 euro. G12 is gelijk aan 726,50 euro. G13 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. Het bekomen bedrag wordt verminderd met het bedrag van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in ar tikel 38, 5 3bis, van de wet van 29 juni 1981.
Artikel 337 is niet van toepassing. Gî14 is gelijk aan 1 550 euro. G15 is gelijk aan 1 050 euro. G16 is gelijk aan 450 euro, G17 is gelijk aan 2 400 euro. G18 is gelijk aan 4 000 euro, G19 is gelijk aan een percentage, door de Koning te bepalen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van het saldo van de verschuldigde bij$ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na. overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder tewerksteling en onder volledige kwartaalprestaties. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen van dit artikel wijzigen”. In artikel 338 van dezelfde wet, laatst gewijzigd door de wet van 19 december 2014, worden de volgende 1° de woorden “het forfaitaire bedrag G1, G2, G3, G4, @5, G6, G7, GB, G9, G10, Gi, G12, G13, G14, G15 of G16” worden vervangen door de woorden “het bedrag G bedoeld in artikel 336”; 2° de woorden “Het forfaitaire bedrag” worden vervangen door de woorden “Het bedrag”. In artikel 343 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 22 december 2003, en gewijzigd door de wetten van 26 december 2013, 20 juli 2015 en 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: *$ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder: 1° “datum van indiensttreding”: de dag waarop de contractuele arbeidsrelatie aanvangt; 2° “nieuwe werkgever van een eerste werknemer” een werkgever die nooit onderworpen is geweest aan van 28 december 1944 betreffende de maatschap: pelijke zekerheid der arbeiders, voor de tewerkstelling van werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers of die, sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen was en die, op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al een werknemer in dienst is; Is evenwel geen nieuwe werkgever van een eerste werknemer, de werkgever die deel uitmaakt van een historische technische bedrijfseenheid, en bij wie op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, tevens één of meer werknemers die vervanger zijn in de zin van artikel 344, in dienst treden; 3° “nieuwe werkgever van een n-de werknemer”: een werkgever die sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding van een n-de werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor een gelijktijdige tewerkstelling van meer dan n-1 werknemers, andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers, en die op de datum van indiensttreding van een n-de werknemer geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al n werknemers in dienst zijn De Koning verduidelijkt, bij een besluit vastgesteld na. overleg in de Ministerraad, hoe de telling van de n-de werknemer dient te gebeuren in geval de werkgever deel uitmaakt van een technische bedrijfseenheid; 4° “technische bedrijfseenheid”: de eenheid bestaande uit meerdere juridische entiteiten, met een aantoonbare sociale band door middel van minstens één gemeenschappelijk betrokken persoon, ongeacht zijn functie binnen die entiteiten, en met een gemeenschappelijkheid die zich uit in een simultane of historische socioeconomische verwevenheid, respectievelijk simultane of historische technische bedrijfseenheid genoemd Voor het bepalen van de sociale band worden de werknemers, overgenomen in toepassing van hoofdstuk Il van CAO 32bis, niet in aanmerking genomen; 5° “simultane technische bedrijfseenheid”: twee of meer ondernemingen die op de datum van indiensttreding van de nieuwe werknemer voor wie de werkgever de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, in de tijd naast elkaar actief zijn en een sociale band en een socio-economische verwevenheid met elkaar hebben; 6° “historische technische bedrijfseenheid”: twee of de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, een sociale band en een voorafgaandelijke socio-economische verwevenheid met elkaar hebben. De verwevenheid van de verschillende entiteiten is beperkt tot een periode van 12 maanden”; ©) in paragraaf 4 worden de woorden “en deeltijds leerplichtigen” vervangen door de woorden “, deel tijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flex-jobwerknemers” Artikel 344 van dezelfde wet, vervangen bij de wet voordeel van deze onderafdeling niet genieten wanneer de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij dezelfde technische bedrijfseenheid in dienst was. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder vervanger wordt verstaan”.
Artikel 353ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, en laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 353ter. De volgende werkgevers kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, die de pre-existente juridische structuur genoot, verder blijven genieten: de juridische herstructureringsoperaties gelijkaardig aan de situaties omschreven in de artikelen 12:2 tot 12:10 en 12:103 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen of die omgezet wordt in een erkende CVSO of een CV erkend als SO zoals bepaald door de artikelen 14:37 tot 14:45 van hetzelfde Wetboek; het patrimonium geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het netto actief van één of meerdere ondernemingen zonder winstuitkeringsdoel; 3° de onderneming die de begunstigde is van een inbreng, zoals bedoeld in artikel 12:101 van het Wetboek toegestaan indien er tussen de betreffende ondernemingen een schriftelijke overeenkomst werd afgesloten waarin de overgang, zoals bedoeld in de punten 1° tot 3° van het vorig lid, is opgenomen en de opvolgende werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de door deze laatste opgestelde modelverklaring met ‘aanvraag tot voortzetting overmaakt, waarin de opvolgende werkgever ten aanzien van de Rijksdienst verklaart hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de eventuele sociale schulden van de pre-existente werkgever. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt gelijk gesteld met een derde in verhouding tot een herstructureringsoperatie zoals bedoeld door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze operatie doet geen afbreuk aan de rechten van vernoemde Rijksdienst om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de bijdragenverminderingen voor doelgroepen vervuld zijn in hoofde van de onderneming die de uiteindelijke begunstigde is. ‘Om te vermijden dat de verderzetting van de doelgroepvermindering toegepast in uitvoering van hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 4 leidt tot de toepassing van de vermindering voor verschilende werknemers van dezelfde technische bedrijfseenheid, werkt de Koning een regeling uit waardoor dit dubbelgebruik wordt vermeden ”.
Artikel 353quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen als volgt: “Art. 353quater. De werkgever die de doelgroepverminderingen bij toepassing van artikel 353ter voortzet, is hoofdelijk aansprakelijk voor alle op het ogenblik van de voortzetting gekende en nog niet gekende sociale schulden van de pre-existente werkgever”. Bepalingen met betrekking tot betaalde Wijziging en intrekking van bepalingen In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschap“eliterenner met contract’, door de Koninklijke Belgische $ 2. De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht de werkgever te zijn van de in dit artikel vermelde personen De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond maakt het afleveren van een vergunning afhankelijk van het afleveren van een waarborg door derden ten belope van de bijdrage die door de Koninklijke Belgische Wielrjdersbond als werkgever betaald moet worden, verhoogd met de beheerskosten. $ 3. Voor de berekening van bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, worden alle dagen die begrepen zijn in de periode van geldigheid van de vergunning, als arbeidsdagen beschouwd, behoudens de dagen die begrepen zijn in de periodes gedekt door vergoedingen uitgekeerd bij toepassing van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of door vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid toegekend ingevolge de wetgeving op de arbeidsongevallen”. Worden opgeheven: 1° de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de socialezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van “eliterenner met contract”, gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013; 2° de wet van 3 maart 1977 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de beroepsvoetbalspelers Wijziging van
hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet) van 24 december 2002 In afdeling 3 van
Hoofdstuk 7
van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, wordt een onderafdeling 16 ingevoegd, luidende “Onderafdeling 16. Betaalde sportbeoefenaars”. In onderafdeling 16 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 121, wordt een artikel 353bis/16 ingevoegd, “Art. 353bis/16. De werkgevers bedoeld in artikel 335 die ressorteren onder het nationaal Paritair Comité voor de sport, de sportverenigingen, sportcentra en sportclubs, de publiekrechtelijke rechtspersonen die tot doel hebben sport en lichamelijke opvoeding te bevorderen voor zover zij betaalde sportbeoefenaars, of beroepswielrenners tewerkstellen, kunnen voor elk van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van het bedrag bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt 1° “sportvereniging of “sportclub': elke organisatie die in het kader van de permanente vorming, de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven bevordert; 2° “sportcentrum”: een geheel of groep van gebouwen en infrastructuur ter beschikking wordt gesteld voor het beoefenen van binnen- en buitensporten; 3° “betaalde sportbeoefenaar”: persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of exhibitie onder het gezag van een ander persoon tegen loon in toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de betaalde sportbeoefenaars of van de wet van 3 juli 1978 betref fende de arbeidsovereenkomsten; 4° “beroepswielrenner”: de houder van een vergunning van “eliterenner met contract” afgeleverd door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond” Toekenning van een sportbonus Het opschrift van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering wordt vervangen als volgt: “Wet tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering en aan de betaalde sportbeoefenaars”. In de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, wordt een artikel 3bis/2 ingevoegd, luidende: “Art. 3bis/2. De betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners die zijn onderworpen aan de regelingen bedoeld in artikel 21, 8 1, 1°, 2° en 5°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kunnen, in afwijking van de artikelen 38, $ 2, en 23, negende lid, van voormelde wet een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid genieten. Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan 1° “betaalde sportbeoefenaar”: persoon die de ver2° “beroepswielrenner”: de houder van een vergunKoninklijke Belgische Wielrijdersbond. overleg in de Ministerraad, de nadere regels en voorwaarden voor het genot van de vermindering bedoeld in het vorige lid, alsook het bedrag en de berekeningswijze van de vermindering. De som van de verminderingen van de persoonlijke bijdragen bedoeld in het eerste lid, eventueel verhoogd met het bedrag van de vermindering waarop de werknemer recht heeft in toepassing van artikel 2, mag het bedrag van de verschuldigde persoonlijke bijdragen niet overschrijden”. Minnelijke afbetalingstermijnen De werkgevers van betaalde sportbeoefenaars of van beroepswielrenners kunnen, vóór iedere gerechtelijke vervolging en elk ander voorafgaandelijk minnelijk afbetalingsplan, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ‘om minnelijke afbetalingstermijnen verzoeken voor de door de werkgever aangegeven bijdragen voor het in het tweede lid bepaalde gedeelte van de bijdragen verschuldigd voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022, met uitzondering van de door voormelde Rijksdienst ambtshalve vastgestelde bijdragen met betrekking tot het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni arbeiders, waarbij de bijdrageopslagen, de eventuele forfaitaire vergoedingen wegens het niet-nakomen van de verplichtingen inzake betaling van voorschotten en de verwijintresten niet worden aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde betalingsmodaliteiten strikt worden nageleefd. ning van “eliterenner met contract afgeleverd door de Deze minnelijke afbetalingstermijnen kunnen enkel toegestaan worden voor het gedeelte van de voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 verschul digde bijdragen dat hoger is dan de bijdragen die voor het overeenstemmende kwartaal van het voorafgaande jaar verschuldigd waren. De minnelijke afbetalingstermijnen bedoeld in het eerste lid worden toegestaan volgens de voorwaarden en nadere regels vastgelegd krachtens artikel 40bis van voornoemde wet van 27 juni 1969 en artikel 43decies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de voormelde wet van 27 juni 1969, evenwel met 15 december 2022 als uiterste betalingsdatum voorzien in deze minnelijke afbetalingstermijnen. 1° “werkgever”: de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, 5 1, van zekerheid der arbeiders; 2° “invaliditeit: de periode van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 93 van de wet betreffende de en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 3° “primaire arbeidsongeschiktheid": het tijdvak van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 5° “kwartaal Q-1”: het kwartaal voorafgaand aan 6° “kwartaal Q-4”: het vierde kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; voorafgaand aan kwartaal Q; 8° “referteperiode”: de periode van het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar (n-2) en het eerste, tweede en derde kwartaal van het vorig jaar (n-1) Een trimestriële responsabiliserings-bijdrage is verschuldigd door de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités met een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit, overeenkomstig de bepalingen ‘Onder bovenmaatse instroom in de invaliditeit wordt verstaan: het gemiddelde van de verhoudingen tussen de intredes in invaliditeit in kwartaal Q en elk der drie voorafgaande kwartalen ten opzichte van de totale tewerkstellingen in elk der overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar ligt zowel X maal hoger dan bij ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector als Y maal hoger dan bij de algemene private sector, bepaald overeenkomstig artikel 130. In afwijking van het eerste lid, zijn van deze bijdrage vrijgesteld de werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend overeenkomstig artikel 129, Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofd stuk wordt geen rekening gehouden met werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend overeenkomstig artikel 129. Om het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers te berekenen, wordt het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referteperiode aangegeven werknemers, gedeeld door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, werknemers aangegeven heeft die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Indien op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde berekening gebeurt, een of meer aangiftes die betrekking hebben op de referteperiode ontbreken bij de Rijksdienst, wordt voor het ontbrekende tijdvak het rekenkundig gemiddelde van het op de ingediende aangiften voorkomende aantal werknemers genomen. Indien de werkgever voor de referteperiode geen aangiftes moet overmaken aan de Rijksdienst, wordt voor de bepaling van het gemiddelde verwezen naar volgend op de referteperiode plaatsgreep. $ 1. De verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector in kwartaal Q, wordt bepaald aan de hand van de eerste 4 cijfers van de NACE:-classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever. $ 2. Voor het bepalen van de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen in de algemene private sector in kwartaal Q, wordt rekening gehouden met alle werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. $ 3. Voor het bepalen van de bovenmaatse instroom in invaliditeit wordt geen rekening gehouden met werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting bedoeld in artikel 100, $ 2, van de wet betreffende de verplichte ringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. $ 4. Voor het bepalen van de totale tewerkstelling bij de werkgever gedurende de met de refertekwartalen overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar wordt rekening gehouden met het aantal voltijdse equivalente werknemers tewerkgesteld bij de werkgever gedurende deze kwartalen die op de laatste dag van kwartaal Q-4 ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn $ 5. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de criteria en de nadere regels voor de vaststel ling van de bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit nader bepalen, met inbegrip van de factoren “Xx” en “Y” bedoeld in artikel 128, tweede lid. $ 1. De trimestriële responsabiliseringsbijdrage bedraagt 0,625 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bijdrageplichtige lonen van kwartaal Q-1 en wordt vastgesteld op basis van de gegevens inzake instroom in invaliditeit meegedeeld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Voor de werknemers voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon, vermeerderd met 8 %, ingevolge artikel 19, 5 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van, zekerheid der arbeiders, houdt men voor de toepassing van het eerste lid rekening met het loon aan 108 %. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt geen rekening gehouden met de bedragen die verschuldigd zijn onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het aangiftekwartaal, andere dan de bedragen die betrekking hebben op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. $ 2. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt voor wat betreft de instroom van werknemers in invaliditeit rekening gehouden met de meerderjarige werknemers die op de datum van de aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die op dat ogenblik gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn $ 3. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de berekeningswijze en nadere modaliteiten inzake nader bepalen en wijzigen. De trimestriële responsabiliseringsbijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en via een debetbericht samen met de bijdragen voor het tweede kwartaal volgend op kwartaal Q (Q+2) geïnd. De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst, zijn van toepassing. De werkgevers wiens gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit ongunstig evolueert, worden hiervan proactief door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de hoogte gehouden, De Koning, bi in Ministerraad overlegd besluit, kan de Met het oog op de berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage en met het oog op de proactieve informatie bedoeld in artikel 133, deelt het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ieder kwartaal aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de volgende persoonsgegevens mee betreffende de instroom van werknemers in invaliditeit: 1° het identificatienummer bedoeld in artikel 8, 5 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 4° de datum van aanvang van invaliditeit. De persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid worden door de voormelde Rijksdienst niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt en worden uiterlijk 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontvangst van deze persoonsgegevens vernietigd. 8 1. De opbrengst van de in artikel 131 bedoelde bijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort aan het Fonds voor Bestaanszekerheid van de Paritaire Comités of Paritaire Subcomités waaronder de werkgever ressorteert in de mate en onder de voorwaarden zoals in de volgende paragrafen van dit artikel gespecifieerd. $ 2. De gestorte opbrengsten zijn bestemd voor preventieve maatregelen inzake gezondheid en veiligheid op het werk en/of maatregelen inzake duurzame herinschakeling van langdurig zieken. De bevoegde paritaire comités of paritair subcomités moeten over deze inspanningen een collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten. In deze collectieve arbeidsovereenkomst worden de instellingen aangeduid die belast zijn met de besteding en het gebruik van de gelden voor de bovengenoemde inspanningen. Deze instellingen moeten opgericht zijn volgens de bepalingen van de wet betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid van 7 januari 1958. $ 3. Het beheersorgaan van het Fonds voor Bestaanszekerheid maakt elk jaar een verslag op over de responsabiliseringsbijdrage. Dit verslag bevat minstens: - het bedrag dat werd ontvangen van de RSZ; - de lijst van maatregelen die werden genomen in het kader van dit artikel; - de aanwending van de middelen. Het verslag wordt jaarlijks, samen met het verslag zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid, overgemaakt aan de voorzitter van het bevoegd paritair (subjcomité die ze onmiddelijk voorlegt aan het paritair (sub)comité. De voorzitter van het paritair (sub)comité bezorgt vervolgens onmiddellijk een afschrift van dit verslag aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. $ 4. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, bepaalt de nadere regelen en voorwaarden inzake: - de storting van de bijdrage door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de betrokken Fondsen; - de bestemming van de opbrengsten die door de voormelde Rijksdienst niet kunnen worden overgemaakt aan een Fonds voor Bestaanszekerheid; - de inhoud van het evaluatieverslag, het financieel overzicht en hun neerleggingstermijnen. duidt de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen van dit artikel. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de periodes van invaliditeit die aanvangen vanaf 1 januari 2022. van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen In artikel 18bis, $ 5, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen worden de volgende wijzigin gen aangebracht: 1° het zesde lid wordt vervangen als volgt: “Het dagelijks bedrag van de uitkering bedraagt 85,77 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 109,34 (basis 2013 = 100); “De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in het zesde lid van deze paragraaf aanpassen”. Gegeven te Brussel, 30 november 2021. Van Koninasweoe: ‘De minister van Werk, De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, imprmerecenrale-Cenraledrder