Amendement Ingediend in de commissie voor de Sociale Zaken, Werk en Pensioenen Zie: 55 2349/ (2021/2022): Ontwerp van programmawet.
Documentdetails
📁 Dossier 55-2349 (22 documenten)
Volledige tekst
6 december 2021 ONTWERP VAN PROGRAMMAWET AMENDEMENTEN ingediend in de commissie voor de Sociale Zaken, Werk en Pensioenen Zie: 55 2349/ (2021/2022): Ontwerp van programmawet. 05834 r. 1 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.
Art. 105 In titel 7, na artikel 105, een
hoofdstuk 4
invoegen, uidende: “Hoofdstuk 4. Wijzigingen aan de wet van 7 mei 2020 oudende uitzonderlijke maatregelen in het kader van e COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvul- ende pensioenen en andere aanvullende voordelen nzake sociale zekerheid” VERANTWOORDING Dit amendement voegt een nieuw hoofdstuk in tot wij- ging van de wet van 7 mei 2020 houdende uitzonderlijke aatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie inzake nsioenen, aanvullende pensioenen en andere aanvullende ordelen inzake sociale zekerheid. De wettelijke bepalingen in zowel de werknemers-, zelf- andigen- als ambtenarensector stellen dat, uitgezonderd or de gepensioneerden van 65 jaar en ouder of met een opbaan van 45 jaar, de inkomsten van een beroepsactiviteit echts binnen bepaalde toegelaten grenzen kunnen worden combineerd met een rust- of overlevingspensioen. Bijgevolg de bezoldigde arbeid, in geval van een werkhervatting op aag van diverse instellingen of als vrijwilliger, onderworpen n de naleving van de toegelaten grenzen, wat tot gevolg kan bben dat het rust- of overlevingspensioen wordt verminderd geschorst. Bovendien wordt met deze beroepsinkomsten kening gehouden voor het vaststellen van de inkomensga- ntie voor ouderen (IGO) en het gewaarborgd inkomen voor jaarden (GI).
Artikel 3 van de wet van 7 mei 2020 bepaalde dat, voor de riode vanaf 1 maart 2020 tot en met 30 september 2021, geen rekening werd gehouden met de inkomsten uit een roepsactiviteit uitgeoefend door de pensioengerechtigde lf of zijn echtgenoot voor zover het gaat om een beroeps- tiviteit die werd aangevat of uitgebreid in het kader van de rijd tegen het coronavirus COVID-19 en deze activiteit werd tgeoefend in één van de bedrijven van de cruciale sectoren in de essentiële diensten. Deze beroepsinkomsten hadden delijk ook geen impact hebben op de IGO en het GI. r. 2 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.
Art. 105/1 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 4, een artikel 105/1 nvoegen, luidende: “Art. 105/1. In artikel 3 van de wet van 7 mei 2020 oudende uitzonderlijke maatregelen in het kader van e COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvul- ende pensioenen en andere aanvullende voordelen nzake sociale zekerheid, worden de paragrafen 1 en telkens aangevuld met de woorden “of elk ander later inisterieel besluit houdende dringende maatregelen m de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te eperken, zoals van toepassing op het ogenblik dat eze beroepsactiviteit werd uitgeoefend, voor de peri- de tot en met 26 juni 2021 en zoals opgenomen in de ijlage bij het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 oudende dringende maatregelen om de verspreiding an het coronavirus COVID-19 te beperken, zoals van oepassing voor zijn opheffing door artikel 21 van het inisterieel besluit van 23 juni 2021 houdende wijzi- ing van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 oudende dringende maatregelen om de verspreiding an het coronavirus COVID-19 te beperken, voor de eriode vanaf 27 juni 2021.”.” Het bestaande artikel 3 van de wet van 7 mei 2020 udende uitzonderlijke maatregelen in het kader van de OVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvullende pen- oenen en andere aanvullende voordelen inzake sociale kerheid verwijst naar de bijlage bij het ministerieel besluit n 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de rspreiding van het coronavirus COVID-19 om te bepalen wat oet worden verstaan onder “de bedrijven van de cruciale ctoren of in de essentiële diensten”. r. 3 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.
Art. 105/2 (nieuw) In het voornoemde hoofsdtuk 4, een artikel 105/2 nvoegen, luidende: “Art. 105/2. In dezelfde wet, wordt een artikel 3/1 ngevoegd, luidende: “Art. 3/1. Voor de regeling van de cumulatie van de in rtikel 2, 1° tot 3°, bedoelde uitkeringen met inkomsten it een beroepsactiviteit wordt geen rekening gehouden et de inkomsten uit een beroepsactiviteit uitgeoefend oor de gerechtigde van de uitkering of zijn echtgenoot oor zover die inkomsten voortvloeien uit een beroeps- ctiviteit die aangevat of uitgebreid werd in het kader an de strijd tegen het coronavirus COVID-19 en voor over deze beroepsactiviteit wordt uitgeoefend in: 1° de zorgsector: de private en openbare diensten oor zorg, opvang en bijstand voor personen, voor ou- ere personen, voor minderjarigen, voor mindervalide ersonen en voor kwetsbare personen, met inbegrip an slachtoffers van intrafamiliaal geweld, in de periode anaf 1 oktober 2021 tot en met 30 juni 2022. Voor de rivate sector behoren deze diensten of organisaties ot de volgende paritaire comités: a) 313 Paritair comité voor de apotheken en arificatiediensten; b) 318 Paritair Comité voor de diensten voor gezins- n bejaardenhulp; c) 319 Paritair Comité voor de opvoedings- en huis- estingsinrichtingen en -diensten; d) 329 Paritair comité voor de socioculturele sector beperkt tot zorg en voedselbedeling); e) 330 Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtin- en en -diensten; g) 332 Paritair Comité voor de Franstalige en uitstalige welzijns- en gezondheidssector; h) 322 Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de rkende ondernemingen die buurtwerken of –diensten everen, voor zover de uitzendkracht wordt tewerkge- teld bij een gebruiker die ressorteert onder één van e hierboven vermelde paritaire comités; i) 337 Aanvullend paritair comité voor de non-profit- ector (beperkt tot de gehandicaptenzorg). Onder de openbare zorgsector wordt verstaan de penbare instellingen en diensten met als NACE-code 6101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 6903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 7201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 7302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 8101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 8919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999. 2° de private en openbare instellingen of diensten ie belast zijn met de exploitatie van vaccinatiecentra in et kader van de strijd tegen het coronavirus COVID-19 n dit voor alle activiteiten die verband houden met de xploitatie van een vaccinatiecentrum, in de periode anaf 1 oktober 2021 tot en met 30 juni 2022. De inkomsten uit een beroepsactiviteit uitgeoefend oor de gerechtigde of elke andere persoon van wie e bestaansmiddelen en de pensioenen in aanmerking enomen worden voor de in artikel 2, 4° en 5°, bedoelde itkeringen, worden voor het vaststellen van die uitke- ingen als volledig vrijgestelde inkomsten beschouwd, oor zover die inkomsten voortvloeien uit een beroeps- ctiviteit die aangevat of uitgebreid werd in het kader an de strijd tegen het coronavirus COVID-19 en voor over deze beroepsactiviteit wordt uitgeoefend in één an de in het eerste lid bedoelde sectoren of diensten ijdens de voor die sector of dienst bepaalde periode. De Koning kan: 1° de periode bedoeld in het eerste lid verlengen oor de door hem aangewezen sectoren en diensten; 2° bij een besluit vastgesteld na overleg in de inisterraad, de sectoren en diensten bedoeld in het erste lid aanvullen, wijzigen of vervangen.”.” Dit amendement bepaalt dat, voor de regeling van de cu- ulatie van de rust- en overlevingspensioenen met inkomsten t een beroepsactiviteit, er geen rekening wordt gehouden et de inkomsten uit een beroepsactiviteit uitgeoefend door pensioengerechtigde zelf of zijn echtgenoot. Deze tijdelijke neutralisatie geldt enkel voor de inkomsten t een beroepsactiviteit uitgeoefend in de periode vanaf oktober 2021 tot en met 30 juni 2022 en voor zover het at om een beroepsactiviteit die aangevat of uitgebreid werd het kader van de strijd tegen het coronavirus COVID-19. ovendien moet deze activiteit worden uitgeoefend in de rgsector of in de private en openbare instellingen of dien- en die belast zijn met de exploitatie van vaccinatiecentra. Deze beroepsinkomsten zullen tijdelijk ook geen impact bben op de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaar- rgd inkomen voor bejaarden. Daarnaast wordt de Koning gemachtigd om deze neutra- atieperiode te verlengen, alsook de beoogde sectoren en ensten aan te vullen, wijzigen of vervangen. Hij kan telkens n onderscheid maken naargelang het type uitkering en argelang de sector of dienst Art. 137 In het bepaalde onder 1°, het ontworpen zesde lid anvullen met de volgende woorden: “en wordt aangepast aan het indexcijfer.” Dit amendement beoogt een oplossing aan te reiken voor t probleem van de rechtsonzekerheid waarop de Raad van tate in zijn advies nr. 70 434/1-2-3-4 van 17 november 2021 eft gewezen Wat de vaderschaps- en geboorte-uitkering ten gunste n de zelfstandigen betreft, is het dagelijkse bedrag van de tkering opgenomen in artikel 18bis, § 5, van het koninklijk sluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het ciaal statuut der zelfstandigen. Tegelijk zou de bestaande achtiging aan de Koning om de nadere regels van de uitke- g te bepalen, aangevuld met een machtiging om het bedrag n de financiële uitkering te bepalen, worden weggelaten. Dat aspect moet duidelijk zijn. Er zijn twee mogelijkheden: — ofwel bepaalt de wetgever het bedrag van de uitkering en paalt hij dat dit bedrag aan het indexcijfer wordt aangepast; — ofwel is de Koning gemachtigd om dit bedrag te bepalen kan hij beslissen dat dit bedrag aan het indexcijfer wordt ngepast wanneer hij die machtiging tot uitvoering brengt. De combinatie van artikel 137, 1° en 2° van het wetsontwerp eft aanleiding tot rechtsonzekerheid, aangezien het bedrag t is opgenomen in de wet (of in dit geval in het genummerde ninklijk besluit) op termijn niet langer noodzakelijk hetzelfde l zijn als het bedrag dat door de Koning wordt vastgelegd op sis van het ontworpen artikel 137, 2° (zonder dat de Koning machtigd is het in de wet opgenomen bedrag te wijzigen). r. 5 VAN MEVROUW FONCK De bepaling onder 2° weglaten. Zie amendement nr. 4. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij