Amendement Dossier 2349/013
Documentdetails
📁 Dossier 55-2349 (22 documenten)
Volledige tekst
ONTWERP VAN PROGRAMMAWET
(Art. 1 tot 42) ARTIKELEN AANGENOMEN IN EERSTE LEZING DOOR DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING oat: ontwer van programmawet ag 1o:006-Amendemerten oor. Verslag van de erste lzing (Soca Zaken) co Artikelen aangenomen eerste lezing voo. verslag (mobie oic: Amendementen ont: verslag (Sociale Zaken) Ora: Verlag van de eerste lezing (Financiën) osooa pocss 2349/013 zoosscomone rn dg nana: | AE etienne neos B Eero TITEL ‘Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet
TITEL
2 Financiën
HOOFDSTUK 1
Inkomstenbelastingen Afdeling 1 Hervorming van fiscale voordelen voor sportbeoefenaars en sportclubs Onderafdeling 1 Hervorming van de bedrijfsvoorheffing Art. 2 In artikel 275° van het Wetboek van inkomstingenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in het eerste lid worden de woorden “70 pct” vervangen door de woorden “75 pct”; b) het eerste lid wordt aangevuld met de woorden * op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden” ©) in het tweede lid worden de woorden “de helft van deze vrijstelling” vervangen door de woorden “55 pct. van deze vrijstelling”; d) tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “De in het eerste en tweede lid bedoelde bezoldigingen komen enkel in aanmerking in de mate dat gedurende de periode waarop de vrijstelling betrekking heeft, de sportbeoefenaars aan wie deze bezoldigingen werden betaald of toegekend sportprestaties hebben geleverd voor de in het eerste lid bedoelde schuldenaar”; bocss 2349/013 &) het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 3 Artikel 95’, tweede lid, van het KB/WIB 92, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt opgeheven. Onderafdeling 2 Harmonisatie van het begrip “jonge sportbeoefenaar” Art. 4 In artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 1°, 1), eerste streepje, worden de woorden “26 jaar” vervangen door de woorden “23 jaar”; 2° in de bepaling onder 4°, j), worden de woorden “26 jaar” vervangen door de woorden “23 jaar”. Onderafdeling 3 Beperking van de sportmakelaarsvergoedingen Art.5 Artikel 198, $ 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, wordt aangevuld met een bepaling onder 17°, luidende: “17° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevalige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om: a) hetzij een sportbeoefenaar bijte staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsover eenkomst bij een sportclub; b) hetzij een in artikel 270, 1° of 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrifsvoorheffing bij te staan in onderhet vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar: ©) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen”.
Art. 6 In artikel 207, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “artikel 198, $ 1, 9°, 9°bis en 12°,” vervangen door de woorden “artikel 198, 5 1, 9°, 9°bis, 12° en 1797.
Art.7 Artikel 223, eerste id, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende: “8° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om:
Art. 8 In artikel 225, tweede id, 5°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018 en gedeeltelijk vernietigd door het arrest nr. 11/2020 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden “, de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard” ingevoegd tussen de woorden “op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard” en de woorden “en op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragen”.
Art. 9 Artikel 234, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, wordt ‘aangevuld met een bepaling onder 10°, luidende: 10° in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, overeenkomst, op de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks b) hetzij een in artikel 270, 1° en 3°, bedoelde schuleenkomst met een sportbeoefenaar;
Art. 10 In artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, worden de woorden “en de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten,” vervangen door de woorden “, de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten en de in artikel 234, eerste id, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard”. Onderafdeling 4 Wijzigingen aan de aanvullende pensioenregeling van sportbeoefenaars Art 11 In artikel 171, 3°bis, b), tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 december 2020, worden de woorden “zoals en voor zover het krachtens artikel 94, tweede en derde lid, van de programmawet van … december 2021 van kracht blijft” ingevoegd tussen de woorden “in artikel 27, $ 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake Sociale Zekerheid,” en de woorden “vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar”. Onderafdeling 5 Inwerkingtredding Art. 12 Deze afdeling is van toepassing vanaf 1 januari 2022. De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden betaald of toegekend. In afwijking van het eerste lid blijft voor de sportbeoefenaars die op 1 januari 2022 de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 26 jaar en die bezoldigingen ontvangen als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92, artikel 171, 4°, j), WIB 92 van toepassing zoals het bestond vooraleer het door artikel 4 werd gewijzigd. Afdeling 2 Regeling houdende invoering van een bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ‘ingekomen onderzoekers Art. 13 In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling 1, onderdeel F, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 32/1 ingevoegd, luidende: “Art. 321. $ 1. In hoofde van ingekomen belastingplichtigen die in artikel 30, 1° of 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever of de vennootschap beschouwd als, een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “eigen kosten van de werkgever” verstaan, in het geval van een werknemer, de eigen kosten van de werkgever en, in het geval van een bedrijfsleider, de eigen kosten van de vennootschap waarbinnen een mandaat of soortgelijke functies worden uitgeoefend. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “bedrifsleider” een natuurlijke persoon verstaan, die een mandaat of soortgelijke functies zoals bedoeld in artikel 32, eerste lig, 1°, uitoefent en belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming of in de onderneming een functie of werkzaamheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 2° uitoefent, uitgezonderd een natuurlijke persoon die een dergelijk mandaat, functie of werkzaamheid uitoefent in de eigen onderneming waarvan hij oprichter of medeoprichter is of waarin hij aandelen bezit die 30 pet. of meer van het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen $ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “ingekomen belastingplichtige”, verstaan: 1° de werknemer of bedrijfsleider die rechtstreeks wordt aangeworven in het buitenland door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, met het doel er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen; 2° de werknemer of bedrijfsleider die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep terbeschikking wordt gesteld van één of meer binnenlandse vennootschappen, van één of meer Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoort, of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een bezoldigde activiteit in België uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “multi nationale groep”, elke groep verstaan die twee of meer ondernemingen omvat die inwoner zijn van verschil lende rechtsgebieden, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend. $ 3. De volgende voorwaarden moeten bovendien cumulatief worden vervuld in hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige: 1° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een afstand van 150 kilometer van de grens, noch onderworpen zijn geweest aan de belasting van niet-inwoners voor beroepsinkomsten in België; 2° van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap, een bezoldiging ontvangen voor de in België geleverde prestaties die meer bedraagt dan 75 000 euro per kalenderjaar: 3° het akkoord verkrijgen van de administratie in het kader van de in paragraaf 8 voorziene procedure. De in het eerste lid, 2°, bedoelde bezoldiging omvat de brutobezoldiging, vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in paragraaf 5 bedoelde terugkerende uitgaven. Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het jaar waarin dit stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het eerste id, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. In het geval dat de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, wordt het in het eerste lid, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen waarop de ingekomen belastingplichtige zijn beroepswerkzaamheid wel kon uitoefenen. Onverminderd de toepassing van paragraaf 4, wordt het voldoen aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarde beoordeeld op het moment van de indiening van de in paragraaf 8 bedoelde aanvraag. De Koning kan het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex zoals bedoeld in artikel 2, $ 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van °s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Hiertoe wordt het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag vermenigvuldigd met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het nieuwe bedrag voor het eerst van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2020 (107,85). Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdtal naargelang het cijfer van de tientallen al dan niet 5 bereikt ‘Ten laatste op 31 januari van elk kalenderjaar deelt de werkgever of de vennootschap een nominatieve lijst van de werknemers en bedrijfsleiders, die in de loop van het voorafgaande jaar dit stelsel genoten, mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan. $ 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 of paragraaf 3, eerste id, 2°, bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. $ 5. Het ten laste nemen, bovenop de bezoldiging, door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de in paragraaf 3, tweede lid, omschreven bezoldiging. Het in het vorige lid bedoelde bedrag dat als eigen kosten van de werkgever wordt aanvaard, is beperkt tot 90 000 euro per jaar. De Koning kan het in het tweede lid vermelde bedrag ‘om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in paragraaf 3, zesde lid. Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het jaar waarin dit stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag pro rata bepaald op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Wanneer de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever of de vennootschap, wordt de bezoldiging waarop het 30 pct-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken. $ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: 1° de kosten die voortvloeien uit de verhuis van de ingekomen belastingplichtige naar België 2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België gedaan in de eerste zes maanden na aankomst in België; 3° het schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de leerplichtige leeftijd hebben en als dusdanig kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs volgen in België in een privéschool of een internationale school. De in het eerste id, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats, in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen belastingplichtige zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen belastingplichtige. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen belastingplichtige, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd. De in het eerste lid, 2°, bedoelde kosten, omvatten enkel de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van materiaal dat bestemd is om in de woning in België te blijven of voor de aankoop van huishoudtoestellen volgens de geldende normen in België. De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde eigen kosten van de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot het bedrag van 1 500 euro. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels, vastgelegd in paragraaf 3, zesde lid. Het komt aan de belastingplichtige toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken cf, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. $ 7. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de belastingplichtige in België, met een maximum van 5 jaar. Indien het verblijf van belastingplichtige in België de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 verlengd met 3 jaar voor zover dat: 1° de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen; en dat 2° de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde drempel bereikt blijft. $ 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel voorziene stelsel, moet de werkgever of de vennootschap via, elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld De aanvraag voor de in paragraaf 7 bedoelde verlenging van het stelsel wordt via elektronische weg gedaan door de werkgever bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de eerste termijn van 5 jaar. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van 3 maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of de vennootschap worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie. In geval van een positief antwoord, is het in dit artikel beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen belastingplichtige worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België. $ 9. In het geval van een wijziging van werkgever of vennootschap in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever of de nieuwe vennootschap, zoals omschreven in paragraaf 8. In dat geval kan dit stelsel opnieuw worden toegekend aan de ingekomen belastingplichtige voor zover dat: wordt bereikt; en 3° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van de belastingplichtige niet meer bedraagt dan 5 jaar, in voorkomend geval te verlengen met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België. In het in deze paragraaf bedoelde geval, moeten de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarde inzake de drempel en het in paragraaf 5, tweede lid, vermelde maximumbedrag worden beoordeeld in ver houding tot de tewerkstelling van de belastingplichtige bij de respectievelijke werkgevers of de respectievelijke vennootschappen in de loop van het jaar.” Art 14 In hetzelfde onderdeel F, wordt een artikel 32/2 ingevoegd, luidende: “Art. 32/2. $ 1. In hoofde van ingekomen onderzoekers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel. “ingekomen onderzoeker”, verstaan: 1° de onderzoeker die rechtstreeks in het buitenland aangeworven werd door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit uitte oefenen; 2° de onderzoeker die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep, ter beschikking wordt gesteld van één of meerdere binnenlandse vennootschappen, van één of meerdere Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoren of van een vereniging zonder winstoogmerk, teneinde een in België belastbare bezoldigde activiteit uitte oefenen. nationale groep” verstaan, elke groep die twee of meer lende rechtsgebieden of die een onderneming omvat Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “onderzoeker”, elke werknemer verstaan die: 1° alleen of in groep, uitsluitend of hoofdzakelijk onderzoeksactiviteiten verricht met wetenschappelijk, fundamenteel, industrieel of technisch karakter, binnen een laboratorium dat of een onderneming die een of meerdere programma's inzake onderzoek en ontwikkeling voert; en die 2° in het bezit is van een in het vierde lid bedoeld diploma of een relevante beroepservaring van minstens 10 jaar kan aantonen. Met een uitsluitende of hoofdzakelijke activiteit wordt in dit geval een tijdsbesteding bedoeld van minstens 80 pct. van de werktijd. Het in het derde lid, 2°, bedoelde diploma is een diploma van doctor of master in de studiegebieden van de exacte of toegepaste wetenschappen, de burgerlijke ingenieurswetenschappen, de medische wetenschappen, de dierengeneeskunde, de farmaceutische wetenschappen, de architectuurwetenschappen of de landbouwwetenschappen. $ 3. In hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde ingekomen onderzoeker moeten bovendien de onderstaande voorwaarden cumulatief zijn vervuld: 2° het akkoord verkrijgen van de administratie in het de werkgever een nominatieve lijst van de onderzoekers die in de loop van het voorafgaande jaar dit stelsel genoten mee aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting. De Koning bepaalt de vorm waarin deze mededeling aan de bevoegde administratie wordt gedaan periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. $ 5. Het ten laste nemen, naast de bezoldiging, door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 30 pct. van de bezoldiging. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder “bezoldiging” verstaan, de jaarlijkse brutobezoldiging vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in deze paragraaf bedoelde terugkerende uitgaven. Het in het eerste lid bedoelde bedrag dat als eigen 90 000 euro per jaar. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in artikel 32/1, $ 3, zesde lid. overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het derde lid bedoelde maximumbedrag pro rata, bepaald op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Wanneer de ingekomen onderzoeker zijn werkzaam heid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever, wordt de bezoldiging waarop het 30 pct-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken. $ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: ingekomen onderzoeker naar België; na aankomst in België: onderzoeker of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische onderzoeker zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken ‘en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen onderzoeker. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen onderzoeker, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd. vastgelegd in artikel 32/1, $ 3, zesde lid. Het komt aan de ingekomen onderzoeker toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken cf, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. rende de periode van de opdracht van de ingekomen onderzoeker in België, met een maximumduur van 5 jaar. Indien het verblijf van de onderzoeker de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 met 3 jaar verlengd, voor zover vol daan blijft aan de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden met betrekking tot de werkgever. ziene stelsel, moet de werkgever via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateurgeneraal van de Algemene Administratie van de Fiscalteit aangeduide dienst. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. ging van het stelsel wordt via elektronische weg door de werkgever gedaan bij de door de administrateur-generaal geduide dienst ten laatste 3 maanden na het aflopen aanvraag moet een door de betrokken onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt. van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De onderzoeker en de werkgever worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie. beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen onderzoeker worden verkregen $ 9. In het geval van een wijziging van werkgever in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stel sel worden ingediend door de nieuwe werkgever, zoals, omschreven in paragraaf 8. In dat geval kan de regeling opnieuw toegekend worden aan de onderzoeker voor zover: 1° aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden met betrekking tot de werkgever voldaan blijft, en 2° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van belastinggeval verlengd met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste In het in deze paragraaf bedoelde geval, moet het in paragraaf 5, derde lid, vermelde maximumbedrag worden beoordeeld in verhouding tot de tewerkstelling van de onderzoeker bij de respectievelijke werkgevers in de loop van het jaar”.
Art 15 In titel V, hoofdstuk III, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 240ter ingevoegd, luidende: “Art. 240ter. Indien een in artikel 32/1, $ 2, bedoelde ingekomen belastingplichtige moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/1 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen belastingplichtigen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de fiscale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest ter beschikking houdt van de Belgische belastingadministratie, waarin wordt bevestigd dat hij in die Staat als fiscaal inwoner onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Een dergelijk attest moet ook gevoegd worden bij de in artikel 32/1, $ 8, bedoelde aanvraag. In dit geval zijn de in artikel 32/1, 5 3, eerste lid, 2°, bedoelde bezoldigingen, de soortgelijke bezoldigingen die effectief aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen”.
Art. 16 In dezelfde afdeling Il wordt een artikel 240quater “Art. 240quater. Indien een in artikel 32/2, $ 2, bedoelde ingekomen onderzoeker moet worden aangemerkt als, een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/2 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen onderzoekers afhankelijk gesteld van de voorwaarde attest moet ook worden gevoegd bij de in artikel 32/2, In dat geval zijn de in artikel 32/2, $ 5, tweede lid, Art 17 De artikelen 13 tot 16 treden in werking op 1 januari 2022 en zijn van toepassing op de in aanmerking komende inkomende belastingplichtigen en inkomende onderzoekers die in dienst treden in België vanaf 1 januari 2022.
Art. 18 $ 1. De belastingplichtigen die zich op 1 januari 2022, sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 32/1, $ 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mogen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen belasting plichtigen zoals geregeld in het voormelde artikel 32/1, voor zover de voorwaarden voorzien in paragraaf 3, eerste lid, van datzelfde artikel vervuld zijn vanaf een eerste affectatie in België. In dat geval zijn de in de paragrafen 5 en 6 van het voormelde artikel 32/1 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de overige duur van de in paragraaf 7 van datzelfde artikel voorziene periode, te rekenen vanaf de eerste affectatie in België. $ 2. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uit te oefenen, moet de werkgever of de vennootschap uiterlijk op 31 juli 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangewezen dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het Bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt. aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of vennootschap zullen schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de beslissing van de administratie In het geval van een positief antwoord, zal het in voormelde artikel 32/1 voorziene stelsel van toepassing zijn op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden verkregen door de ingekomen belastingplichtige.
Art. 19 De onderzoekers die zich op 1 januari 2022 sinds maximum 5 jaar in een situatie bevinden zoals bedoeld in artikel 32/2, $ 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen opteren voor het speciaal belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers zoals geregeld in het voormelde artikel 32/2, voor zover de in paragraaf 3, eerste lid, van datzelfde artikel voorziene voorwaarden, vervuld zijn vanaf de eerste affectatie in België. voormelde artikel 32/2 voorziene voordelen van toepassing vanaf 1 januari 2022 voor de resterende duur van de in paragraaf 7 van datzelfde artikel voorziene periode, $ 2. Om de in paragraaf 1, eerste lid, voorziene optie uitte oefenen moet de werkgever uiterlijk op 31 juli 2022 via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, aangeduide dienst. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld. door de onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het in artikel 32/2 van het Wetboek van de inkom: stenbelastingen 1992 voorziene stelsel bevestigt. van drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst van schriftelijk ter kennis gebracht van de beslissing van de In het geval van een positief antwoord, wordt het stelsel voorzien in het voormelde artikel 32/2 toegepast op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 door de ingekomen onderzoeker worden verkregen. Afdeling 3 Hervorming van de zorgvastgoed GVV's Art. 20 In artikel 171, 3°quater, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 18 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “tenminste 60 pct. van het vastgoed” vervangen door de woorden “tenminste 80 pct. van het vastgoed”; 2° tussen het tweede lid en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “De vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage gebeurt aan de hand van de waarden van de waarderingen en actualiseringen in de zin van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014 betref fende gereglementeerde vastgoedvennootschappen, op de verschillende referentietijdstippen die betrekking hebben op onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn op te tellen en te delen door de totale waarde van deze waarderingen en actualiseringen op de verschillende referentietijdstippen”.
Art. 21 In artikel 269, $ 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, hersteld 1° in het eerste lid worden de woorden “in zoverre tenminste 60 pct. van het vastgoed” vervangen door de woorden “in zoverre tenminste 80 pct. van het vastgoed”;
Art. 22 Deze afdeling is van toepassing op de vanaf 1 januari 2022 betaalde of toegekende inkomsten. Afdeling 4 Wijziging van de behandeling minnelijke schikking en vegularisatieheffingen Art. 23 In artikel 53, 6°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “alsook verhogingen van sociale bijdragen” vervangen door de woorden “verhogingen van sociale bijdragen, fiscale of sociale regularisatieheffingen, alsook de geldsommen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering”. Afdeling 5 Belastingvermindering kinderoppas Art. 24 In artikel 145°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd door de programmawet van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° in het zesde lid wordt het bedrag “8,20 euro” vervangen door het bedrag “8,40 euro”; 2° het elfde lid wordt opgeheven.
Art. 25 Artikel 24 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is, van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. Afdeling 6 Boost van het bestaande systeem van de tax shelter voor start-ups & scale-ups Art. 26 In artikel 145%, $ 3, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, worden de woorden “meer dan 250 000 euro” vervangen door de woorden “meer dan 500 000 euro.
Art. 27 In artikel 1457, $ 2, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “meer dan 500 000 euro” vervangen door de woorden “meer dan 1 000 000 euro”.
Art. 28 Deze afdeling treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing op de betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap die werden gedaan vanaf 1 januari 2021. Afdeling 7 Verhoging van het aantal iscaal voordelige overuren met overwerktoeslag in de bouwsector Art. 29 Artikel 154bis, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt als, volgt vervangen: “Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot - 220 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem; - 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.
Art. 30 Artikel 275', achtste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt vervangen als volgt: “Het in het zesde id bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot: - 220 uren voor de werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem; - 280 uren voor de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem Art. 31 De inwerkingtreding van deze afdeling wordt door de Koning bepaald op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie en is van toepassing op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd. Afdeling 8 (nieuw) Verlenging van de geldigheidsduur van maaltid- en ecocheques Art. 32 (nieuw) In artikel 5/1, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, worden in de bepalingen onder 1° en 2°, de woorden “en 2021” telkens ingevoegd na de woorden “in 2020”.
Art. 33 (nieuw) Artikel 32 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
HOOFDSTUK 2
Belasting over toegevoegde waarde - Uitsluiting van het verschaffen van gemeubeld logies uit de vrijstellingsregeling van de belasting Art. 34 (vroeger art. 32) Artikel 56bis, $ 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende: *6° de handelingen bedoeld in artikel 44, $ 3, 2°, a), derde streepje, met uitzondering van degene die worden verricht door een natuurlijke persoon onder de voorwaarden van artikel 50, 5 4.
Art. 35 (vroeger art. 33) Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022. In afwijking van het eerste lid is de vereiste van de erkenning van het platform bedoeld in artikel 50, S 4, van hetzelfde Wetboek niet van toepassing tot 30 juni 2022 voor de toepassing van de door die bepaling voorziene regeling in het kader van de toepassing van artikel 56bis, $ 3, 6°, van hetzelfde Wetboek
HOOFDSTUK 3
‘Accijnzen Professionele diesel: Vermindering terugbetaling accijnzen Art. 36 (vroeger art. 34) In artikel 429, $ 5, 1), van de programmawet van 27 december 2004, laatst gewijzigd bij de programmawet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen 1° de eerste zin wordt vervangen als volgt: “4) De gasolie bedoeld in artikel 419, f),), kan genieten van een vrijstelling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag van 226,9716 euro per 1 000 liter bij 15° C”; 2° de tweede zin wordt geschrapt.
Art. 37 (vroeger art. 35) Artikel 23 van de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit wordt vervangen als volgt: “Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2022 en artikel 22 treedt in werking op 1 januari 2023”. ‘Energie: hervorming accijnzen Art. 38 (vroeger art. 36) In artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, wordt punt) ii) vervangen als volgt: “ii) gebruikt als verwarmingsbrandstof: De accijnzen worden berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. 1. zakelijk gebruik: a. bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regel geving van het Vlaams Gewest, een “accord de branche” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenGewest: Ì, voor de schijf van 0 tot 20 000 MW: - accijns: O euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde); - bijzondere accijns: 0,66 euro per MWh (bovenste - bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde); Ï, voor de schijf van 20 000 tot 50 000 MWh: - bijzondere accijns: 0,56 euro per MWh (bovenste ii voor de schijf van 50 000 tot 250 000 MWh: - bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste iv. voor de schijf van 250 000 tot 1 000 000 MWh: - bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste v. voor de schijf van 1 000 000 tot 2 500 000 MWh: - bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste vi. voor de schijf vanaf 2 500 000 MWh: - bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste b. andere bedrijven: - bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde); c. niet-zakelijk gebruik - bijzondere accijns: 0,46 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,44 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,34 euro per MWh (bovenste - bijzondere accijns: 0,18 euro per MWh (bovenste (bovenste verbrandingswaarde);”.
Art. 39 (vroeger art. 37) 25 december 2017, wordt punt K) vervangen als volgt: *k) elektriciteit van de GN-code 2716: a. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 kV, met inbegrip van een eindgebruiker die geïdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer: Ì, voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
- accijns: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 14,21 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 12,09 euro per MWh; ii voor de schijf van 50 tot 1 000 MWh:
- bijzondere accijns: 11,39 euro per MWh; iv. voor de schijf van 1 000 tot 25 000 MWh:
- bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh; v. voor de schijf van 25 000 tot 100 000 MWh:
- bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh; vi. voor de schijf vanaf 100 000 MWh:
- bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh; b. geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport: of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV.
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 13,60 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 11,58 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,90 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 10,23 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 2,40 euro per MWh;
- bijzondere accijns: 1,00 euro per MWh;
- bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh”.
Art. 40 (vroeger art. 38) In artikel 424 van de programmawet van 27 december 2004, wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende: “$ 5. Voor de toepassing van artikel 419, en k), is de Koning gemachtigd om de methodologie vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis”.
Art. 41 (vroeger art. 39) In artikel 429, $ 2, b) van de programmawet van 27 december 2004 worden de woorden “geproduceerd door een gebruiker voor zijn eigen gebruik” vervangen door de woorden “die niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen”.
Art. 42 (vroeger art. 40) Artikel 429, $ 2, d) van de programmawet van 27 december 2004 wordt vervangen als volgt: *d) elektriciteit opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, op voorwaarde dat de installaties voor warmtekrachtkoppeling milieuvriendelijk zijn en op voorwaarde dat de geproduceerde elektriciteit niet van het transmissie of distributienet wordt afgenomen;” Art. 43 (vroeger art. 41) Artikel 429, 5 2, i) van de programmawet van 27 december 2004 wordt aangevuld als volgt: “De vrijstelling voor aardgas en elektriciteit is beperkt tot de bijdrage op de energie” Inwerkingtreding Art. 44 (vroeger art. 42) Artikelen 36 en 38 tot 43 treden in werking op 1 januari 2022.
Artikel 37 treedt in werking de dag waarop deze wet imprmerecenrale-Cenraledrder