Naar hoofdinhoud

Amendement Dossier 2349/008

Documentdetails

đŸ›ïž KAMER Legislatuur 55 📁 2349 Amendement 📅 2017-04-18 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming đŸ—łïž ADOPTÉE (23/12/2021)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS); Leysen, Christian (Open)
Onderwerpen
REGERINGSBELEID Eurovoc kandidaat-descriptoren PROGRAMMAWET

Volledige tekst

ONTWERP VAN PROGRAMMAWET

(art. 106 tot 136) ARTIKELEN AANGENOMEN IN EERSTE LEZING DOOR DE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN, WERK EN PENSIOENEN Zie cos: Ontwerp van programmawet coz tt 006: Amendementen. oor: Verstag van de eerie lezing osoa4 pocss 2349/008 zoosscomone rn dg nana: | AE etienne neos B Eero TITEL 8 ‘Sociale zaken

HOOFDSTUK 1

Financiering van de sociale zekerheid Afdeling 1 ‘Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Werknemers Art. 106 In afwijking van artikel 6 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel voor werknemers voor het. jaar 2022 vastgesteld op 7 000 186 duizend euro, afgenomen van het nettobedrag van de geĂŻnde BTW en 3 293 620 duizend euro afgenomen op het nettobedrag van de geĂŻnde roerende voorheffing. De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variĂ«ren naar gelang van de inning van de ontvangsten. Afdeling 2 van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid - Zelfstandigen Art. 107 In afwijking van artikel 13 van dezelfde wet, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel van de zelfstandigen voor het jaar 2022 vastgesteld op 1 503 329 duizend euro, voorafgenomen van het nettobedrag van de geĂŻnde BTW en 701 082 duizend euro voorafgenomen van het nettobedrag van de geĂŻnde roerende voorheffing. bocss 2349/008 Afdeling 3 Inwerkingtreding Art. 108 De artikelen 106 en 107 treden in werking op 1 januari 2022.

HOOFDSTUK 2

Maatwerkbedrijven - Wijziging van

hoofdstuk 7

van Titel IV van de programmawet (I) van Art. 109 In artikel 326, vijfde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden ‘van een beschutte werkplaats” vervangen door de woorden “van een beschutte werkplaats of van een maatwerkbedrijf".

Art. 110 In artikel 330, eerste lid, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comitĂ© voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen” worden vervangen door de woorden “door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comitĂ© voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven”, 2° de woorden "bij een werkgever van de beschutte worden vervangen door de woorden “bij een werkgever van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkde maatwerkbedrijven”.

Art 111 Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022.

HOOFDSTUK 3

Plusplannen - Wijziging van

hoofdstuk 7

van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december Art. 112 ‘Artikel 336 van de programmawet (l) van 24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, wordt vervangen als volgt: “Art. 336. $ 1. Voor de werknemers voor wie het geheel van de tewerkstellingen bij één en dezelfde werkgever gedurende het kwartaal overeenstemt met volledige kwartaalprestaties, is de doelgroepvermindering gelijk aan een bedrag G per kwartaal. Afhankelijk van de beoogde doelgroep, stemt dit bedrag overeen met een bedrag zoals bepaald in dit artikel en wordt het toegekend gedurende een aantal kwartalen dat bepaald wordt door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. G1 is gelijk aan 1 000 euro. Ge is gelijk aan 400 euro. G3 is gelijk aan 300 euro GĂĄ is gelijk aan 600 euro. GS is gelijk aan 750 euro. G6 is gelijk aan 1 150 euro. G7 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid.

Artikel 337 is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing. GB is gelijk aan 1 500 euro. G9 is gelijk aan 800 euro G10 is gelijk aan 500 euro. Gt1 is gelijk aan 770 euro. G12 is gelijk aan 726,50 euro. G13 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. Het bekomen bedrag wordt verminderd met het bedrag van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in ar tikel 38, 5 3bis, van de wet van 29 juni 1981.

Artikel 337 is niet van toepassing. Gü14 is gelijk aan 1 550 euro. G15 is gelijk aan 1 050 euro. G16 is gelijk aan 450 euro, G17 is gelijk aan 2 400 euro. G18 is gelijk aan 4 000 euro, G19 is gelijk aan een percentage, door de Koning te bepalen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van het saldo van de verschuldigde bij$ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na. overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder tewerksteling en onder volledige kwartaalprestaties. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen van dit artikel wijzigen”.

Art. 113 In artikel 338 van dezelfde wet, laatst gewijzigd door de wet van 19 december 2014, worden de volgende 1° de woorden “het forfaitaire bedrag G1, G2, G3, G4, @5, G6, G7, GB, G9, G10, Gü1, G12, G13, G14, G15 of G16” worden vervangen door de woorden “het bedrag G bedoeld in artikel 336; 2° de woorden “Het forfaitaire bedrag” worden vervangen door de woorden “Het bedrag”.

Art. 114 In artikel 343 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 22 december 2003, en gewijzigd door de wetten van 26 december 2013, 20 juli 2015 en 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: *$ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder: 1° “datum van indiensttreding”: de dag waarop de contractuele arbeidsrelatie aanvangt; 2° “nieuwe werkgever van een eerste werknemer” een werkgever die nooit onderworpen is geweest aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschap: pelijke zekerheid der arbeiders, voor de tewerkstelling van werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers of die, sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen was en die, op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al een werknemer in dienst is; Is evenwel geen nieuwe werkgever van een eerste werknemer, de werkgever die deel uitmaakt van een historische technische bedrijfseenheid, en bij wie op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, tevens één of meer werknemers die vervanger zijn in de zin van artikel 344, in dienst treden; 3° “nieuwe werkgever van een n-de werknemer”: een werkgever die sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding van een n-de werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor een gelijktijdige tewerkstelling van meer dan n-1 werknemers, andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers, en die op de datum van indiensttreding van een n-de werknemer geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al n werknemers in dienst zijn De Koning verduidelijkt, bij een besluit vastgesteld na. overleg in de Ministerraad, hoe de telling van de n-de werknemer dient te gebeuren in geval de werkgever deel uitmaakt van een technische bedrijfseenheid; 4° “technische bedrijfseenheid”: de eenheid bestaande uit meerdere juridische entiteiten, met een aantoonbare sociale band door middel van minstens één gemeenschappelijk betrokken persoon, ongeacht zijn functie binnen die entiteiten, en met een gemeenschappelijkheid die zich uit in een simultane of historische socioeconomische verwevenheid, respectievelijk simultane of historische technische bedrijfseenheid genoemd Voor het bepalen van de sociale band worden de werknemers, overgenomen in toepassing van hoofdstuk Il van CAO 32bis, niet in aanmerking genomen; 5° “simultane technische bedrijfseenheid”: twee of meer ondernemingen die op de datum van indiensttreding van de nieuwe werknemer voor wie de werkgever de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, in de tijd naast elkaar actief zijn en een sociale band en een socio-economische verwevenheid met elkaar hebben; 6° “historische technische bedrijfseenheid”: twee of de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, een sociale band en een voorafgaandelijke socio-economische verwevenheid met elkaar hebben. De verwevenheid van de verschillende entiteiten is beperkt tot een periode van 12 maanden”; b) de paragrafen 2 tot 3/3 worden opgeheven. ©) in paragraaf 4 worden de woorden “en deeltijds leerplichtigen” vervangen door de woorden “, deel tijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flex-jobwerknemers” Art. 115 Artikel 344 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt: “Art. 344. De in artikel 343 bedoelde werkgever kan het voordeel van deze onderafdeling niet genieten wanneer de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij dezelfde technische bedrijfseenheid in dienst was. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder vervanger wordt verstaan”.

Art. 116 Artikel 353ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, en laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 353ter. De volgende werkgevers kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, die de pre-existente juridische structuur genoot, verder blijven genieten: 1° de onderneming die de begunstigde is van één van de juridische herstructureringsoperaties gelijkaardig aan de situaties omschreven in de artikelen 12:2 tot 12:10 en 12:103 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen of die omgezet wordt in een erkende CVSO of een CV erkend als SO zoals bepaald door de artikelen 14:37 tot 14:45 van hetzelfde Wetboek; 2° de onderneming zonder winstuitkeringsdoel waarvan het patrimonium geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het netto actief van één of meerdere ondernemingen zonder winstuitkeringsdoel; 3° de onderneming die de begunstigde is van een inbreng, zoals bedoeld in artikel 12:101 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De voortzetting van de doelgroepvermindering is enkel toegestaan indien er tussen de betreffende ondernemingen een schriftelijke overeenkomst werd afgesloten waarin de overgang, zoals bedoeld in de punten 1° tot 3° van het vorig lid, is opgenomen en de opvolgende werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de door deze laatste opgestelde modelverklaring met aanvraag tot voortzetting overmaakt, waarin de opvolgende werkgever ten aanzien van de Rijksdienst verklaart hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de eventuele sociale schulden van de pre-existente werkgever. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt gelijk gesteld met een derde in verhouding tot een herstructureringsoperatie zoals bedoeld door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze operatie doet geen afbreuk aan de rechten van vernoemde Rijksdienst ‘om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de bijdragenverminderingen voor doelgroepen vervuld zijn in hoofde van de onderneming die de uiteindelijke begunstigde is. ‘Om te vermijden dat de verderzetting van de doelgroepvermindering toegepast in uitvoering van hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 4 leidt tot de toepassing van de vermindering voor verschilende werknemers van dezelfde rang bij dezelfde werkgever of binnen een simultane technische bedrijfseenheid, werkt de Koning een regeling uit waardoor dit dubbelgebruik wordt vermeden ”.

Art. 117 Artikel 353quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen als volgt: “Art. 353quater. De werkgever die de doelgroepverminderingen bij toepassing van artikel 353ter voortzet, is hoofdelijk aansprakelijk voor alle op het ogenblik van de voortzetting gekende en nog niet gekende sociale schulden van de pre-existente werkgever”.

Art. 118

HOOFDSTUK 4

Bepalingen met betrekking tot betaalde sportbeoefenaars Wijziging en intrekking van bepalingen betreffende betaalde sportbeoefenaars Art. 119 In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een artikel 1quater ingevoegd, luidende: “Art. 1quater. $ 1. De houders van een vergunning van “eliterenner met contract’, door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond afgeleverd, worden geacht verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor de toepassing van deze wetgeving. $ 2. De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht de werkgever te zijn van de in dit artikel vermelde personen De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond maakt het afleveren van een vergunning afhankelijk van het afleveren van een waarborg door derden ten belope van de bijdrage die door de Koninklijke Belgische Wielrjdersbond als werkgever betaald moet worden, verhoogd met de beheerskosten. De last die uit de toepassing van deze wet volgt voor de werkgever, mag rechtstreeks noch onrechtstreeks afgewenteld worden op de werknemers, inzonderheid door het verhogen van de prijs der vergunning. $ 3. Voor de berekening van bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, worden alle dagen die begrepen zijn in de periode van geldigheid van de vergunning, als arbeidsdagen beschouwd, behoudens de dagen die begrepen zijn in de periodes gedekt door vergoedingen uitgekeerd bij toepassing van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of door vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid toegekend ingevolge de wetgeving op de arbeidsongevallen”.

Art. 120 Worden opgeheven: 1° de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de socialezekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van “eliterenner met contract”, gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013; 2° de wet van 3 maart 1977 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de beroepsvoetbalspelers Wijziging van

hoofdstuk 7

van Titel IV van de programmawet) van 24 december 2002 Art. 121 In afdeling 3 van

Hoofdstuk 7

van Titel IV van de programmawet (l) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID19-pandemie, wordt een onderafdeling 16 ingevoegd, luidende “Onderafdeling 16. Betaalde sportbeoefenaars”.

Art. 122 In onderafdeling 16 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 121, wordt een artikel 353bis/16 ingevoegd, luidende: “Art. 353bis/16. De werkgevers bedoeld in artikel 335 die ressorteren onder het nationaal Paritair ComitĂ© voor de sport, de sportverenigingen, sportcentra en sportclubs, de publiekrechtelijke rechtspersonen die tot doel hebben sport en lichamelijke opvoeding te bevorderen voor zover zij betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners tewerkstellen, kunnen voor elk van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van het bedrag bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder: 1° “sportvereniging of “sportclub': elke organisatie die in het kader van de permanente vorming, de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtieven bevordert; 2° “sportcentrum”: een geheel of groep van gebouwen en infrastructuur ter beschikking wordt gesteld voor het beoefenen van binnen- en buitensporten; 3° “betaalde sportbeoefenaar”: persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of exhibitie onder het gezag van een ander persoon tegen loon in toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de betaalde sportbeoefenaars of van de wet van 3 juli 1978 betref fende de arbeidsovereenkomsten; 4° “beroepswielrenner”: de houder van een vergunning van “eliterenner met contract” afgeleverd door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond”. Toekenning van een sportbonus Art. 123 Het opschrift van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering wordt vervangen als volgt: “Wet tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering en aan de betaalde sportbeoefenaars”.

Art. 124 In de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, wordt een artikel 3bis/2 ingevoegd, luidende: “Art. 3bis/2. De betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners die zijn onderworpen aan de regelingen bedoeld in artikel 21, 8 1, 1°, 2° en 5°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kunnen, in afwijking van de artikelen 38, $ 2, en 23, negende lid, van voormelde wet een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid genieten. Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan onder: 1° “betaalde sportbeoefenaar”: persoon die de ver2° “beroepswielrenner”: de houder van een vergunKoninklijke Belgische Wielrijdersbond. overleg in de Ministerraad, de nadere regels en voorwaarden voor het genot van de vermindering bedoeld in het vorige lid, alsook het bedrag en de berekeningswijze van de vermindering. De som van de verminderingen van de persoonlijke bijdragen bedoeld in het eerste lid, eventueel verhoogd met het bedrag van de vermindering waarop de werknemer recht heeft in toepassing van artikel 2, mag het bedrag van de verschuldigde persoonlijke bijdragen niet overschrijden”. Afdeling 4 Minnelijke afbetalingstermijnen Art. 125 De werkgevers van betaalde sportbeoefenaars of van beroepswielrenners kunnen, vóór iedere gerechtelijke vervolging en elk ander voorafgaandelijk minnelijk afbetalingsplan, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ‘om minnelijke afbetalingstermijnen verzoeken voor de door de werkgever aangegeven bijdragen voor het in het tweede lid bepaalde gedeelte van de bijdragen verschuldigd voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022, met uitzondering van de door voormelde Rijksdienst ambtshalve vastgestelde bijdragen met betrekking tot het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarbij de bijdrageopslagen, de eventuele forfaitaire vergoedingen wegens het niet-nakomen van de verplichtingen inzake betaling van voorschotten en de verwijintresten niet worden aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde betalingsmodaliteiten strikt worden nageleefd. ning van “eliterenner met contract afgeleverd door de Deze minnelijke afbetalingstermijnen kunnen enkel toegestaan worden voor het gedeelte van de voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022 verschul digde bijdragen dat hoger is dan de bijdragen die voor het overeenstemmende kwartaal van het voorafgaande jaar verschuldigd waren. De minnelijke afbetalingstermijnen bedoeld in het eerste lid worden toegestaan volgens de voorwaarden en nadere regels vastgelegd krachtens artikel 40bis van voornoemde wet van 27 juni 1969 en artikel 43decies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de voormelde wet van 27 juni 1969, evenwel met 15 december 2022 als uiterste betalingsdatum voorzien in deze minnelijke afbetalingstermijnen. Afdeling 5 Art. 126

HOOFDSTUK 5

Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit Art. 127 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan 1° “werkgever”: de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, 5 1, van van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; 2° “invaliditeit: de periode van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 3° “primaire arbeidsongeschiktheid": het tijdvak van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 4° “kwartaal Q”: het kwartaal waarin de invaliditeit een aanvang neemt; 5° “kwartaal Q-1”: het kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; 6° “kwartaal Q-4”: het vierde kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; 7° “refertekwartalen”: kwartaal Q en de drie kwartalen voorafgaand aan kwartaal Q; 8° “referteperiode”: de periode van het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar (n-2) en het eerste, tweede en derde kwartaal van het vorig jaar (n-1) Art. 128 Een trimestriĂ«le responsabiliserings-bijdrage is verschuldigd door de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comitĂ©s met een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. ‘Onder bovenmaatse instroom in de invaliditeit wordt verstaan: het gemiddelde van de verhoudingen tussen de intredes in invaliditeit in kwartaal Q en elk der drie voorafgaande kwartalen ten opzichte van de totale tewerkstellingen in elk der overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar ligt zowel X maal hoger dan bij ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector als Y maal hoger dan bij de algemene private sector, bepaald overeenkomstig artikel 130. In afwijking van het eerste lid, zijn van deze bijdrage vrijgesteld de werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend overeenkomstig artikel 129, Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt geen rekening gehouden met werkgevers die, gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend overeenkomstig artikel 129.

Art. 129 Om het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers te berekenen, wordt het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referteperiode aangegeven werknemers, gedeeld door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, werknemers aangegeven heeft die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Indien op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde berekening gebeurt, een of meer aangiftes die betrekking hebben op de referteperiode ontbreken bij de Rijksdienst, wordt voor het ontbrekende tijdvak het rekenkundig gemiddelde van het op de ingediende aangiften voorkomende aantal werknemers genomen. Indien de werkgever voor de referteperiode geen aangiftes moet overmaken aan de Rijksdienst, wordt voor de bepaling van het gemiddelde verwezen naar het aantal werknemers tewerkgesteld op de laatste dag van het kwartaal waarbinnen de eerste tewerkstelling volgend op de referteperiode plaatsgreep.

Art. 130 $ 1. De verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector in kwartaal Q, wordt bepaald aan de hand van de eerste 4 cijfers van de NACE-classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever. $ 2. Voor het bepalen van de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen in de algemene private sector in kwartaal Q, wordt rekening gehouden met alle werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comitĂ©s. $ 3. Voor het bepalen van de bovenmaatse instroom in invaliditeit wordt geen rekening gehouden met werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting bedoeld in artikel 100, $ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. $ 4. Voor het bepalen van de totale tewerkstelling bij de werkgever gedurende de met de refertekwartalen overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar wordt rekening gehouden met het aantal voltijdse equivalente werknemers tewerkgesteld bij de werkgever gedurende deze kwartalen die op de laatste dag van kwartaal Q-4 ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn $ 5. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de criteria en de nadere regels voor de vaststel ling van de bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit nader bepalen, met inbegrip van de factoren “Xx” en “Y” bedoeld in artikel 128, tweede lid.

Art. 131 $ 1. De trimestriële responsabiliseringsbijdrage bedraagt 0,625 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bijdrageplichtige lonen van kwartaal Q-1 en wordt vastgesteld op basis van de gegevens inzake instroom in invaliditeit meegedeeld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Voor de werknemers voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon, vermeerderd met 8 %, ingevolge artikel 19, 5 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van, zekerheid der arbeiders, houdt men voor de toepassing van het eerste lid rekening met het loon aan 108 %. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt geen rekening gehouden met de bedragen die verschuldigd zijn onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het aangiftekwartaal, andere dan de bedragen die betrekking hebben op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. $ 2. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt voor wat betreft de instroom van werknemers in invaliditeit rekening gehouden met de meerderjarige werknemers die op de datum van de aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die op dat ogenblik gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn $ 3. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de berekeningswijze en nadere modaliteiten inzake berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage nader bepalen.

Art. 132 De trimestriële responsabiliseringsbijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en via een debetbericht samen met de bijdragen voor het tweede kwartaal volgend op kwartaal Q (Q+2) geïnd. De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst, zijn van toepassing.

Art. 133 De werkgevers wiens gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit ongunstig evolueert, worden hiervan proactief door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de hoogte gehouden, De Koning, bi in Ministerraad overlegd besluit, kan de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde proactieve mededelingen nader bepalen.

Art. 134 Met het oog op de berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage en met het oog op de proactieve informatie bedoeld in artikel 133, deelt het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ieder kwartaal aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de volgende persoonsgegevens mee betreffende de instroom van werknemers in invaliditeit: 1° het identificatienummer bedoeld in artikel 8, 5 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 2° de geboortedatum; 3° de datum van aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid; 4° de datum van aanvang van invaliditeit. Naast de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid, verwerkt de Rijksdienst voor sociale zekerheid, in de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke. met het oog op de berekening en de inning van de responsabiliseringsbijdrage en met het oog op de proactieve informatie bedoeld in artikel 133, de volgende (categorieën van) persoonsgegevens: 1° het identificatienummer bedoeld in artikel 8, 5 1 1 of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende opsociale zekerheid van de werknemers; 2° de geboortedatum van de werknemers; 3° het ondernemingsnummer bedoeld in artikel IIL47 van het Wetboek van economisch recht: 4° het inschrijvingsnummer van de werkgever bijde Rijkdienst voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 33, 81, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot itvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van de werkgever; 5° de NACE-BEL-code van classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever: &° de belangrijkheidscode van de werkgever. meer bepaald het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers: Zin voorkomend geval, het paritair comité of paritair subcomité waaronder de werkgever ressorteert 8° de contractueel gemiddelde arbeidsduur van de werknemers; 9° de datum van het begin en het einde van de tewerkstelling: 10° de prestatiecodes van de werknemer: 11° het aan de voormelde Rijksdienst aangegeven bijdrageplichtig loon, met inbegrip van de bezoldigingscodes, op kwartaalbasis. De persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid zijn afkomstig uit de volgende gegevensbanken: 1° het werkgeversrepertorium, beheerd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid: 2° de gegevensbank inzake de_ultfunctionele aangiften beheerd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijkezekerheid der arbeiders. De persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid worden door de voormelde Rijksdienst niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt en worden uiterlijk 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontvangst van deze persoonsgegevens vernietigd.

Art. 135 8 1. De opbrengst van de in artikel 131 bedoelde bijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort aan het Fonds voor Bestaanszekerheid van de Paritaire Comités of Paritaire Subcomités waaronder de werkgever ressorteert in de mate en onder de voorwaarden zoals in de volgende paragrafen van dit artikel gespecifieerd. $ 2. De gestorte opbrengsten zijn bestemd voor preventieve maatregelen inzake gezondheid en veiligheid op het werk en/of maatregelen inzake duurzame herinschakeling van langdurig zieken. De bevoegde paritaire comités of paritair subcomités moeten over deze inspanningen een collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten. In deze collectieve arbeidsovereenkomst worden de instellingen aangeduid die belast zijn met de besteding en het gebruik van de gelden voor de bovengenoemde inspanningen. Deze instellingen moeten opgericht zijn volgens de bepalingen van de wet betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid van 7 januari 1958. $ 3. Het beheersorgaan van het Fonds voor Bestaanszekerheid maakt elk jaar een verslag op over de responsabiliseringsbijdrage. Dit verslag bevat minstens: - het bedrag dat werd ontvangen van de RSZ; - de list van maatregelen die werden genomen in het kader van dit artikel; - de aanwending van de middelen. Het verslag wordt jaarlijks, samen met het verslag zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid, overgemaakt aan de voorzitter van het bevoegd paritair (subjcomité die ze onmiddelijk voorlegt aan het paritair (sub)comité. De voorzitter van het paritair (sub)comité bezorgt vervolgens onmiddellijk een afschrift van dit verslag aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve 'Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. $ 4. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, bepaalt de nadere regelen en voorwaarden inzake: - de storting van de bijdrage door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de betrokken Fondsen; - de bestemming van de opbrengsten die door de voormelde Rijksdienst niet kunnen worden overgemaakt aan een Fonds voor Bestaanszekerheid; - de inhoud van het evaluatieverslag, het financieel overzicht en hun neerleggingstermijnen. duidt de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen van dit artikel.

Art. 136 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 2022. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de periodes van invaliditeit die aanvangen vanaf 1 januari 2022.

HOOFDSTUK 6

(NIEUW Wijziging van het basisloon in de beroepsrisicosector Art. 136/1 (nieuw) ‘Artikel 39, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, vervangen bij de wet van 28 juni 2013 en ‘gewijzigd bij de wet van 26 mei 2019, wordt aangevuld met de bepaling onder 11°, luidende: “11° vanaf 1 januari 2022: 36 441,12 euros (index 102,10; basis 2004=100).

Art 136/2 (nieuw) Artikel 135/1 treedt in werking op 1 januari 2022.

HOOFDSTUK 7

(NIEUW) Heruitgave van de in 2021 vervallen maaltijd- en ecocheques Art. 136/3 (nieuw In artikel 19bis, S 2, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni arbeiders beslut, wordt in het derde lid, “2020”. telkens vervangen door “2021.

Art. 136/4 (nieuw) In artikel 19quater, $ 2, 4°, wordt een lid toegevoegd “In afwijking van de vorige leden worden de papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2021 is afgelopen, heruitgegeven. De uitgever van de papieren en elektronische ecocheques geeft ‘opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2021 vervallen ecocheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van 24 maanden, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer indien het een papieren ecocheque betreft of 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de cheque op deeco'chequerekening wordt geplaatst indien het elektronische ecocheque betreft.

Art. 136/5 (nieuw) Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van bekend: making ervan in het Belgisch Staatsblad. imprmerecenrale-Cenraledrder