Amendement Dossier 2349/007
Documentdetails
📁 Dossier 55-2349 (22 documenten)
🗳️ Stemmingen
Betrokken partijen
Sprekers (10)
Stemdetail (14 stemmingen)
Volledige tekst
ONTWERP VAN PROGRAMMAWET
VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING NAMENS DE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN, WERK EN PENSIOENEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW Sophie THÉMONT Sociale zaken: (Artikelen 106 tot 136) A. Inleidende uteenzeting doorde vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid…… 3 B. Algemene bespreking 8 C. Arikelswijze bespreking en stemmingen. 36 oat: Wetsontwer. (002 tat Os: Amendementen zoo oog: “Arikelen aangenomen in gerse lezing oseaa pocss 2349/007 we wi ge ant sande oon pearange Ae mj ed ai gan eer neen Oste Varbene Gevren lota ine lr Taen ige rak rene Far Teer CE, stede Veren! ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft de artikelen 106 tot 136 van dit ontwerp van programmawet, dat de urgentie heeft verkregen tijdens de plenaire vergadering van 2 december 2021 in toepassing van artikel 51 van het Reglement, besproken tijdens haar vergadering van 8 december 2021 A. Inleidende uiteenzetting door de viceeersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid De heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, benadrukt dat titel 8 van het ontwerp van programmawet een aantal bepalingen inzake sociale aangelegenheden bevat, ter uitvoering van beslissingen van de regering in het raam van de begroting 2022. Het eerste hoofdstuk legt de alternatieve financiering van de socialezekerheidsstelsels voor werknemers en zelfstandigen vast. Zoals vorig jaar worden die bedragen bepaald op basis van nominale bedragen die worden afgenomen op de ontvangsten uit btw en roerende voorheffing. Aldus wordt gehoor gegeven aan het advies van de sociale partners: er wordt gewerkt met exact die bedragen die zij - met de steun van de RSZ-administratie - eenparig overeengekomen zijn in de werkgroep Financiering van de sociale zekerheid, rekening houdend met de exacte kostprijs van de taxshift van 2016 en met de impact van het IPA (verhoging van het GGMMI) voor 2022 (110 miljoen euro). De keuze voor een identieke regeling is ingegeven door het feit dat de voor 2021 aangevoerde redenen helaas ook vandaag nog van tel zijn: die ontvangsten zullen aan sterke schommelingen onderhevig zijn, waardoor een percentsgewijze toewijzing financieringsonzekerheid zou meebrengen voor de RSZ en het RSVZ. Met betrekking tot het tweede hoofdstuk geeft de minister aan dat het gaat om alle maatwerkbedrijven in categorie 3 van de structurele bijdragevermindering. ‘Aldus zullen beschuttende werkplaatsen en sociale werkplaatsen voortaan op gelijke voet worden behandeld wat de RSZ-verminderingen betreft. Naar het voorbeeld van het beleid in Vlaanderen neemt de regering een hinderpaal weg om samensmeltingen van beschuttende werkplaatsen en sociale werkplaatsen tot maatwerkbedrijven mogelijk te maken. Een ontwerp van koninklijk besluit, dat momenteel voorligt bij de Nationale Arbeidsraad, zal voorts de verschillen op het vlak van de loonmatigingsbijdrage en de sociale Maribel wegwerken. Het derde hoofdstuk bevat belangrijke wijzigingen voor de plusplannen. Na uitgebreid intern overleg heeft de bocss 2349/007 regering uiteindelijk beslist de doelgroepvermindering voor de eerste aanwerving te handhaven voor onbeperkte tijd. Het bedrag van de vermindering wordt begrensd op 4 000 euro per kwartaal. Door die begrenzing wordt onrechtmatig gebruik van de maatregel voorkomen Daarnaast zijn nog andere elementen belangrijk, namelijk een reeks technisch-juridische bijsturingen van de regeling. - De begrippen “dezelfde technische bedrijfseenheid” en “nieuwe werkgever” worden geherformuleerd zodat ze makkelijker toepasbaar zijn en minder aanleiding geven tot juridische betwistingen. Voortaan zal een onderscheid worden gemaakt tussen “simultane technische bedrijfseenheid” en “historische technische bedrijfseenheid”. - Voortaan zullen flexi-jobwerknemers en gelegenheidswerknemers, evenals bijvoorbeeld leerlingen, niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of een werkgever een nieuwe werkgever is. - Ook wordt het stelsel beter afgebakend: de werkgever die zijn juridische structuur wijzigt, kan het voordeel van de RSZ-doelgroepvermindering behouden. Het betreft fusies of opsplitsingen van ondernemingen, overdrachten van personeel alsook omvormingen van eenmanszaken tot een vennootschap. Een ontwerp van koninklijk besluit, dat al in de Ministerraad goedgekeurd is, bevat nog andere aanpassingen van de regeling.
Hoofdstuk 4
bevat de hervorming van de RSZ-regeling voor betaalde sportbeoefenaars. De minister heeft na, een grondig overleg met de sector een evenwichtig voorstel uitgewerkt dat tegemoetkomt aan de beslissingen van het begrotingsconclaaf. Met dit voorstel zetten we een systeemfout uit het verleden recht. ledereen zal nu bijdragen naargelang de hoogte van het loon. De RSZ-bijdragen van beroepssporters worden momenteel berekend op een loon van maximaal 2 474,22 euro per maand of 29 690,64 eurofjaar. Alle topsporters die meer verdienen, betalen op dit moment maximaal het plafond van 942 euro aan RSZ-bijdragen. Het is niet rechtvaardig dat sporters met een hoog loon evenveel moeten bijdragen aan de sociale zekerheid als sporters met een laag loon. ‘Onze sociale zekerheid steunt immers op het solidaniteitsprincipe: zij met de hoogste lonen dragen meer bij dan zij met de laagste lonen. Dat zal met deze hervorming het geval zijn. Beroepssporters zullen nu namelijk sociale bijdragen betalen die berekend worden op het volledige brutoloon en it voor alle takken van de sociale zekerheid. lets wat momenteel niet het geval is Voor werkgevers betekent dit dat ze het voordeel van de structurele vermindering kunnen verkrijgen, wat vooral in het voordeel is van sportclubs en sporttakken waar de brutolonen lager liggen. Ook wordt er voor werkgevers naast de structurele vermindering een doelgroepenvermindering ingesteld die de resterende verschuldigde bijdragen met 65 % procent vermindert. Deze vermindering is ingegeven door het specifieke karakter van de sector waarbij de clubs vaak actief zijn in een context die gekenmerkt wordt door een wereldwijde arbeidsmobilteit. De sportbeoefenaars zelf zijn in principe de normale sociale bijdragen verschuldigd. Deze worden berekend op het volledige brutoloon. Tot een bruto maandloon van 2 664,08 euro heeft men recht op de sociale werkbonus. Verder zullen de RSZ-bijdragen voor alle beroepssporters verminderd worden met een forfait van 281,73 euro per maand (onder 19 jaar 137,81 euro). Door het gecumuleerde effect van voorgaande maatregelen zullen beroepssporters die minder dan 2 474,22 euro verdienen uiteindelijk geen persoonlijke bijdragen meer moeten betalen. Voor de rest zal er een vermindering zijn van 60 % op de resterende verschuldigde bijdragen. Dit hoofdstuk bevat de wettelijke basis voor deze bijdrageverminderingen. De vermelde parameters van de verminderingen worden vastgelegd bij koninklijk besluit. Dit besluit werd in op 3 december in eerste lezing goedgekeurd en is nu voor advies naar de Nationale Arbeidsraad en de Raad van State. ‘Aangezien de hervorming in werking treedt op 1 januari 2022, bepaalt dit hoofdstuk ook dat de RSZ op vraag van de werkgever bijzondere minnelijke afbetalingstermijnen kan toekennen voor de bijdragen verschuldigd in het 1°, 2° en 3° kwartaal van 2022. Het gaat om bijzondere afbetalingsplannen omdat er geen bijdrageopslagen, forfaitaire vergoedingen en/of verwijinteresten worden aangerekend De afbetalingsplannen kunnen toegekend worden voor het gedeelte van de verschuldigde bijdragen dat de verschuldigde bijdragen voor het overeenstemmende kwartaal 2021 overschrijdt. De bijdragen waarvoor de werkgever een dergelijke bijzonder afbetalingsplan heeft verkregen, dienen uiterlijk op 15 december 2022 betaald te zijn aan de RSZ.
HOOFDSTUK 5
Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit Zoals reeds eerder gezegd in deze Commissie heeft de regering in het kader van de opmaak van de Begroting 2022 beslist het TNW-concept zoals dat werd goedgekeurd door de Ministerraad in juni 2021 en vertaald in een wetsontwerp en twee ontwerp koninklijke besluiten te versterken met vier “responsabiliseringen” die tot doel hebben alle stakeholders te sensibiliseren en een zeker engagement te vragen. Het gaat dan om: - de ondernemingen, - de werknemers, - de ziekenfondsen en - de regionale diensten voor opleiding en begeleiding waarmee het Riziv reeds vele jaren samenwerkingsprotocollen heeft gesloten. Dit hoofdstuk regelt de wettelijke basis voor een responsabilisering van sommige ondernemingen. Het Hoofdstuk dat een wettelijke basis voorzag voor die van de werknemers werd op vraag van de Raad van State uit dit ontwerp gehaald en als autonoom ontwerp voor advies ingediend bij de Raad. Voor de responsabilisering van de ondernemingen heeft de regering ervoor geopteerd een vorm van sensi bilseringsbijdrage in te voeren voor ondernemingen met een substantieel afwijkende instroom in de langdurige arbeidsongeschiktheid (invaliditeit). Afwijkend ten opzichte van zowel het sectorgemiddelde als het globale gemiddelde in de private sector. Een afwijkende instroom in de invaliditeit is immers een indicator dat er binnen de onderneming zowel iets mis is, met de organisatie van het werk als van ontoereikende inspanningen om mensen met een aandoening terug te re-integreren alvorens zij in de langdurige arbeidsongeschiktheid belanden. Het is dus geen maatregel die tot doel heeft om minder goede arbeidsomstandigheden te sanctioneren. Voor de niet-correcte naleving van de regelgeving inzake Veiligheid en Welzijn op het Werk bestaan er immers specifieke sancties in het Sociaal Strafwetboek. Ook brengt de minister nog even in herinnering dat het niet doorvoeren van redelijke aanpassingen sanctioneerbaar is in het kader van de antidiscriminatiewetten. Gelet op voormelde objectieven werd geopteerd de maatregel te richten tot ondernemingen met een zekere schaalgrootte: 50 werknemers of meer. ‘Teneinde te voorkomen dat de maatregelen een ontradend effect zou hebben voor ondernemingen om medewerkers met een wat zwakker gezondheidsprofiel aan te werven (of in dienst te houden) wordt het toepassingsgebied ook beperkt tot werknemers met minstens drie jaar anciënniteit binnen de onderneming op het moment van het ontstaan van de primaire ongeschiktheid. Omdat het risico op aandoeningen nu eenmaal ook stijgt volgens de leeftijd werd om gelijkaardige reden het toepassingsgebied beperkt tot werknemers behorend tot de leeftijdsgroep van 18-54 jaar. Tijdens de opmaak van het wetsontwerp heeft de regering ervoor geopteerd voor een bijdrage die eventueel verschuldigd is op basis van het voortschrijdend gemiddelde van de scores van de onderneming tijdens de afgelopen vier kwartalen. De minister meent immers dat het signaaleffect van kort in de tijd volgende kwartaalbijdrage (van 0,625 %) sterker is dan van een jaarlijkse bijdrage van 2,5 %. Om te voorkomen dat ondernemingen zich - ter voorkoming van een eventuele bijdrage - voortijdig zouden ‘ontdoen’ van arbeidsongeschikte werknemers (bijvoorbeeld door verbreking wegens medische overmacht in te roepen) rekenen we intredes in invaliditeit aan op de werkgevers waar de initiële arbeidsongeschiktheid is, ontstaan. Ongeacht of er op dat moment nog een arbeidsovereenkomst met de betrokken werkgever is of niet. Ondernemingen worden tussentijds op de hoogte gesteld van hun ratio's, ook weer om tijdig een signaal te ontvangen teneinde zo mogelijk bij te sturen. De minister herinnert eraan dat het doel van deze maatregel niet is om zo veel mogelijk bijdragen te innen maar om te sensibiliseren en de wijze van omgang met zieke werknemers bijte sturen. Daarom ook zal de opbrengst van de bijdrage terugvloeien naar de Fondsen voor Bestaanszekerheid voor acties die tot doel hebben de intredes in langdurige arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Zij moeten uiter aard rapporteren over de concrete besteding van deze middelen. De precieze waarde van de factoren X en Y zullen vastgelegd worden bij koninklijk besluit nadat er een proefdraai is gebeurd op basis van een data-uitwisseling tussen Riziv en RSZ op basis van gegevens van 2020 (toen er nog geen COVID-vertekening was op de invaliditeitsgegevens). Voor zo'n proefdraai is een reglementaire basis - dit wetsontwerp - nodig. Uiteraard zal dat ontwerp besluit voor advies worden voorgelegd aan de sociale partners.
B. Algemene bespreking Vragen en opmerkingen van de leden De heer Björn Anseeuw (N-VA) begint met een agendapunt. Hoewel er een agenda is, wordt een deel van een wetsontwerp ingevoegd in een ander wetsontwerp. Hij vraagt of dezelfde passage twee keer zal worden besproken. Hij vraagt ook waarom een passage werd ingetrokken om ze op te nemen in het ontwerp van programmawet, terwijl beide wetsontwerpen op de agenda staan De heer Anseeuw gaat in op het feit dat de minister het amendement gunstig heeft onthaald. De spreker is, verbaasd door de argumentatie van de minister dat het amendement spoedig moet worden behandeld, daar het wetsontwerp houdende diverse bepalingen op de agenda staat en daar een en ander hoe dan ook spoedig zal worden behandeld. Nog volgens de argumentatie van de minister hebben de via het wetsontwerp houdende diverse bepalingen genomen maatregelen geen budgettaire gevolgen, wat de spreker erg zou verbazen. ‘De minister wijst erop dat die voorstelling niet exact weergeeft wat hij heeft gezegd. De voorzitster herinnert eraan dat elk commissielid het recht heeft amendementen in te dienen en dat als, de argumenten dienaangaande niet overtuigen, men steeds kan tegenstemmen. Ze stelt voor de inhoudelijke vragen te behandelen. De heer Anseeuw vraagt een reactie van de minister en hij begrijpt niet waarom die niet kan antwoorden. Over de inhoud van het amendement heeft hij zijn mening nog niet gegeven De minister herhaalt dat het amendement meer op zijn plaats is in een programmawet, die bedoeld is om dieper in te gaan op de bepalingen van het lopende regeringsbeleid met budgettaire gevolgen. Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken zal geen budgettaire gevolgen hebben wanneer deze inhoud wordt ingetrokken. Het komt erop aan de programmawet snel te behandelen en goed te keuren, hetgeen geruststellend is voor de sector. De heer Anseeuw wijst erop dat de minister zichzelf tegenspreekt inzake de budgettaire gevolgen van de maatregelen. De minister stelt dat hij eerst behoedzaam heeft geantwoord. Wat hij heeft gezegd, betekent niet dat het wetsontwerp houdende diverse bepalingen geen maatregel met budgettaire gevolgen omvat Mevrouw Sofie Merckx (PVDA-PTB) benadrukt dat het argument van de minister dat het wetsontwerp houdende diverse bepalingen geen enkele bepaling met budgettaire gevolgen omvat haar vreemd lijkt. In het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake gezondheid hadden bepaalde artikelen wel degelijk budgettaire gevolgen. De heer Anseeuw wijst erop dat de artikelen 22 tot 25 de schulden betreffen en hij vraagt de minister of hij van oordeel is dat daarmee geen budgettaire gevolgen gepaard gaan. De spreker staat allereerst stil bij de financiering van de sociale zekerheid. De RSZ- en RSVZ-ontvangsten komen deels uit de alternatieve financiering. De wet van 18 april 2017 bevat een specifiek bedrag voor de btwontvangsten en voor de ontvangsten uit de roerende voorheffing, met het oog op de financiering van 2017 tot 2020. Beoogd wordt om vanaf 2021 niet meer met die forfaitaire bedragen te werken en een berekening te maken volgens een vastgesteld percentage. Vorig jaar heeft de minister beslist een nieuw forfaitair bedrag vastte stellen omdat hij van oordeel was dat, als gevolg van de coronacrisis, de ontvangsten uit de btw en uit de roerende voorheffing geen goede basis vormden om de alternatieve financiering te berekenen. De fractie van de spreker was die mening overigens niet toegedaan. Voor 2022 stelt de minister opnieuw voor een forfaitair bedrag van de ontvangsten uit de btw en uit de roerende voorheffing vast te stellen, en dat bedrag vervolgens naar de sociale zekerheid van zowel de zelfstandigen als de werknemers te doen vloeien. Ook dit jaar zal de fractie van de spreker hem niet volgen. De spreker wijst er allereerst op dat het - reeds vorig jaar gebruikte - argument dat de btw-ontvangsten geen goede basis vormen om de alternatieve financiering van de sociale zekerheid te berekenen omdat de opbrengst te laag is, geen steek meer houdt; het Rekenhof heeft er immers op gewezen dat de btw-ontvangsten voor 2021 vergelijkbaar zijn met die van 2019, van vóór de coronacrisis, dus. Zodoende vindt de spreker dat forfaitaire bedrag een slechte zaak, daar aldus niet langer wordt aangezet tot zuinig omspringen met de socialezekerheidsmiddelen. Voorts blijven de forfaitaire bedragen alleen maar stijgen onder deze regering, hetgeen dus als basis zou kunnen dienen om de alternatieve financiering in de komende jaren nog op te trekken. De sociale zekerheid wordt dus steeds minder zelfbedruipend en deze regering gaat dat ook nog eens bevorderen. De spreker is van oordeel dat het steeds meer met algemene middelen compenseren geen houdbaar financieringsmodel is voor de sociale zekerheid. De regering heeft al tal van maatregelen genomen waardoor de sociale zekerheid onder druk komt te staan. Als voorbeeld vermeldt de spreker de vele uitgaven inzake werkloosheidsuitkeringen, waarbij het verschil tussen werken en niet werken wordt verkleind. terwijl er net een groot verschil zou moeten zijn opdat. meer mensen (weer) aan het werk zouden gaan. De spreker stelt vast dat de regering alleen maatregelen heeft genomen die de socialezekerheidsuitgaven doen toenemen, maar geen maatregelen om die uitgaven met. meer ontvangsten gepaard te doen gaan en aldus tot een hogere werkzaamheidsgraad te komen. De fractie van de spreker vraagt dat meer mensen bijdragen aan de sociale zekerheid, teneinde die op een houdbare manier te financieren en de sociale lasten op werk te kunnen verlagen. Steeds meer middelen van buiten de sociale zekerheid worden in de sociale zekerheid gestopt, waaruit steeds meer uitgaven voortvloeien waarvan de doeltreffendheid ter discussie kan worden gesteld. De spreker is van oordeel dat het debat moet worden geopend over wat de sociale zekerheid beoogt, want hij vindt dat men afdwaalt van de oorspronkelijke doelstelling. De regering maakt graag gebruik van alternatieve financiering om meer fiscale middelen naar de sociale zekerheid te doen vloeien. Voor alle stelsels waren de bedragen van de alternatieve fiscale middelen in 2018, 2019 en 2020 beduidend lager dan in 2021. Thans wordt aan die bedragen een derde toegevoegd, om uitte komen op 19,6 miljard euro. De middelen zijn niet onbeperkt. De spreker vraagt de regering zich toe te leggen op een houdbare financiering. Overigens benadrukt hij dat de wet van 2017 uitgaat van de gedachte dat het percentage van de btw en van de roerende voorheffing dat na de afschaffing van de toekenning van die forfaitaire, bijdragen naar de sociale zekerheid vloeit, deels moet berusten op het laatst toegekende forfaitaire bedrag. Daar de minister met een forfaitair bedrag blijft werken dat bovendien elk jaar stijgt, is het dus zaak uit te klaren of een hoger forfaitair bedrag in 2021, waarvoor oorspronkelijk geen forfaitair bedrag werd gepland, opnieuw kan dienen om een nog hogere alternatieve financiering te bepalen voor de volgende jaren. De spreker vraagt. ook wat de minister in uitzicht stelt voor 2023 en 2024. Wordt beoogd in 2023 af te stappen van de forfaitaire bedragen als middel voor alternatieve financiering, of sluit de minister niet uit dat dit financieringspad voort zou kunnen worden bewandeld? Tot slot vraagt de spreker of het verhoogde forfaitaire bedrag kan leiden tot een nog hogere alternatieve financiering, want mocht zulks, het geval zijn, dan zouden de financiële stromen naar de sociale zekerheid nog aanzienlijker en structureel toenemen, hetgeen een slecht idee lijkt en op middellange termijn recht naar de afgrond zou leiden. De uitgaven voor de pensioenen blijven stijgen en veel fiscale middelen zullen naar de sociale zekerheid vloeien, zelfs wanneer COVID-crisis achter de rug zal zijn. Ook op dat stuk wordt vastgesteld dat steeds meer fiscale middelen naar de sociale zekerheid vloeien. Die sociale zekerheid kan niet langer zelfbedruipend zijn en daarvoor moet een oplossing worden uitgewerkt, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat de naar de sociale zekerheid vloeiende fiscale middelen worden begrensd. Een structurele hervorming van de sociale zekerheid dringt zich op. Een grote hervorming heeft nooit plaatsgevonden, ook al had deze regering zich daar bij haar aantreden toe verbonden. De spreker vraagt waarom de minister voor die alternatieve financiering in dermate hoge forfaitaire bedragen heeft voorzien. Het verslag van het Rekenhof verduidelijkt dat de btwinkomsten in 2021 vergelijkbaar zijn met die van 2019. Dus rijst de vraag waarom de toepassing van de wet van 18 april 2017 opnieuw met minstens een jaar wordt uitgesteld. De spreker wil weten wat de regering van plan is te doen met de effectentaks, daar de Raad van State er kritiek op heeft. Hij vraagt of de minister andere fiscale middelen zal proberen te vinden om de sociale zekerheid te financieren De spreker bespreekt vervolgens de artikelen 109 tot 111 over de maatwerkbedrijven. Het is de bedoeling dat die bedrijven vanaf 1 januari 2022 deel zullen uitmaken van werkgeverscategorie 3, die recht geeft op een structurele vermindering van de bijdragen. Dat zou gelden voor alle ondernemingen van dat type. Dat lijkt een positieve maatregel omdat hij een gelijke en uniforme behandeling van al die bedrijven waarborgt. De kostprijs ervan zou 2 miljoen euro bedragen. De spreker vraagt hoe een en ander structureel zal worden gecompenseerd. Als hij het goed heeft begrepen, behoren de Vlaamse maatwerkbedrijven tot “categorie 1” en zou de Sociale Maribel niet van toepassing zijn. In het verslag van het Rekenhof staat te lezen dat voor die Sociale Maribel in 10 miljoen euro aan uitgaven wordt voorzien. De spreker vraagt zich dus af of dit betekent dat de Sociale Maribel en de verminderde bijdragen ook van toepassing zouden zijn op die maatwerkbedrijven of niet. Overigens behoren de Vlaamse maatwerkbedrijven tot “categorie 1°; in Wallonië zou het probleem zich niet voordoen. De spreker vraagt uitleg over dat verschil tussen de twee landsdelen Wat de plusplannen betreft, wijst de spreker erop dat voor de aanwerving van een eerste werknemer sinds 1 januari 2016 een volledige vrijstelling van werkgeversbijdragen geldt, zonder enige loongrens. Die vrijstelling is niet gekoppeld aan een concrete werknemer, wat dus betekent dat wanneer iemand het bedrijf heeft verlaten en vervangen is, die fiscale vrijstelling blijft gelden. Dat heeft al voor problemen gezorgd. De maatregel is duur en zet tegelijk de deur open voor bepaalde vormen van misbruik. De werknemers voor wie de maatregel is, bedoeld, kunnen worden vervangen door een duurdere werknemer. Er is dus niet echt een effect op de werkgelegenheid, wat nochtans het doel was van de maatregel. Daarom heeft de fractie van de spreker in oktober 2020 een wetsvoorstel ingediend en eind 2020 die problemen proberen te verhelpen via een amendement. De programmawet beoogt voor bepaalde doelgroepen te voorzien in een grens op die vermindering (het bedrag van de vermindering zou worden begrensd tot 4 000 euro per kwartaal; er komen ook technische wijzigingen) Zijn fractie is van oordeel dat die vermindering van de bijdragen voor de eerste werknemer een positieve en belangrijke maatregel is om de werkgelegenheid te bevorderen. Tegelijk wijst de spreker erop dat het ontbreken van een maximumbedrag gevolgen heeft gehad. Het is dus jammer dat een dergelijke maatregel er niet vroeger is gekomen, ondanks de voorstellen van zijn fractie, die nu dus tevreden is dat er eindelijk rekening mee wordt gehouden. De spreker heeft de indruk dat het maximumbedrag waarin zou worden voorzien vrij hoog is, wat impliceert dat die maatregel nog altijd kan worden gebruikt voor vrij hoge lonen. De fractie van de spreker had daarentegen een bedrag van 1 550 euro per kwartaal voorgesteld. Dat hoge maximumbedrag houdt namelijk een risico van oneigenlijk gebruik in: na een ontslag kan immers worden gekozen voor een werknemer met een vrij hoog loon. Een van de problemen in de aanvankelijke regelgeving was het feit dat de maatregel kon worden gebruikt voor hoge lonen, waardoor het effect op de werkgelegenheid niet langer in verhouding stond tot de kostprijs van de maatregel De spreker stelt vast dat er geen oplossing is voor dat probleem en dat de nieuwe maatregel er evenmin een aanreikt. Hij vraagt zich dus af waarom dat maximum bedrag zo hoog blijft, veel hoger zelfs dan het bedrag voor de verminderde RSZ-bijdragen voor de tweede werknemer. Hij wil hierover meer uitleg. De heer Wim Van der Donckt (N-VA) gaat nader in op de sportbeoefenaars op wie de artikelen 119 tot 126 van het wetsontwerp betrekking hebben. Het zijn belangrijke nieuwe artikelen die enkele nieuwigheden bevatten. Het is een evolutie in de goede richting. Zijn fractie geeft hierover een positief signaal. Wat het bestaande gunststelsel voor professionele sportbeoefenaars, betreft, moet men terugkeren in de tijd. Om te beginnen werd in 1969 het statuut voor beroepswielrenners ingesteld, evenals dat uitzonderingsstelsel. Daar waren drie redenen voor. Ten eerste was de wielersport in de jaren zestig heel commercieel geworden. Die sport genoot ook een grote bekendheid en werd door velen gevolgd. Ten tweede waren wielrenners de eerste professionele sportbeoefenaars in België. Nochtans hadden ze geen enkele sociale bescherming. Ten derde was vóór de instelling van dat uitzonderingsstelsel in 1969 de vraag gerezen of die wielrenners zelfstandigen dan wel werknemers waren. In 1969 werden de wielrenners als werknemers beschouwd. Ze werden vaak in natura betaald, bijvoorbeeld met een uurwerk enzovoort. Het was dus moeilijk inschatten welke bijdrage ze aan de RSZ verschuldigd waren. In 1977 kwam er ook een bijzonder statuut in het voetbal. De voetbalclubs werden beschouwd als ondememingen zonder winstoogmerk en de wetgever oordeelde dat hun uitgaven zo beperkt mogelijk moesten zijn. De voetbalsport was voor veel spelers geen hoofdactiviteit. De wetgever oordeelde dus dat een sociale bescherming niet echt nodig was. Als gevolg van de professionalisering van de sport werd voor de voetballers en de wielrenners een professioneel statuut in het leven geroepen. In 1978 werd een sociaal statuut ingesteld voor betaalde professionele sportbeoefenaars, om hun sociale situatie te beschermen en hun statuut te verduidelijken. De totstandkoming van dat statuut gebeurde gelijktijdig met. die van de uitzonderingsstatuten voor voetballers en wielrenners. In tussentijd is er veel gebeurd; rond die uitzonderingsstelsel is enige opschudding ontstaan. De spreker zal niet in details treden. De niet-professionele voetbalclubs zijn uitgegroeid tot economische bedrijven met een commercieel, op winst gebaseerd model. Het is zinvol om daar een einde aan te maken, maar dat wordt geen eenvoudige opgave. De spreker maakte deel uit van een werkgroep binnen het Parlement waarin tot zijn spijt alleen Nederlandstalige fracties waren vertegenwoordigd. De minister heeft rekening gehouden met de werkzaamheden van die groep. De spreker leest in het ontwerp van programmawet dat het huidige sociale stelsel zal worden afgeschaft, maar zal worden gecompenseerd door een reeks verminderingen van de RSZ-bijdragen en een bijzonder afbetalingsplan. In de media viel over die verminderingen van de bijdragen meer te lezen, maar in het wetsontwerp komt dat aspect weinig aan bod, zelfs in de memorie van toelichting. De artikelen 119 en 120 maken een einde aan de wetgeving inzake het specifieke stelsel voor wielrenners en voetbal lers, met andere woorden aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot regeling van het statuut van alle werknemers en tevens tot regeling van het recht op jaarlijks verlof voor die doelgroep. Vervolgens strekken de artikelen 121 en 122 tot de instelling van een structurele vermindering van de bijdragen betaald door de werkgevers, met een maximumbedrag - namelijk het bedrag als vastgelegd door de Koning bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit. De artikelen 123 en 124 beogen het instellen van een werkbonus voor betaalde sportbeoefenaars met een vermindering van de RSZ-bijdragen. Ook hier zou de Koning de bedragen bepalen.
Artikel 125 beoogt te voorzien in de mogelijkheid voor het RSZ om bijzondere afbetalingsplannen en minnelijke termijnen toe te kennen aan de werkgevers van betaalde sportbeoefenaars voor een deel van de bijdragen die verschuldigd zijn voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2022. Dat is, een begrijpelijke maatregel om een antwoord te bieden op eventuele betalingsmoellijkheden als gevolg van de hervorming van het gunststelsel. Ten slotte is de inwerkingtreding gepland voor 1 januari 2022. De fractie van de spreker staat achter de ruimere doelstellingen van die hervorming van het gunststelsel voor betaalde sportbeoefenaars. Die gunst met betrekking tot de RSZ valt niet langer te verantwoorden, evenmin ten opzichte van de werknemers uit andere sectoren die hogere bijdragen betalen. De spreker is van oordeel dat die argumenten gezien de huidige situatie niet langer steekhouden. De hervorming wil een einde maken aan dat gunststelsel en tegelijk evolueren naar een situatie waarbij de kleine sportclubs en de jeugdsport beter worden beschermd. De minister zal hiervoor kunnen rekenen op de steun van de fractie van de spreker, want er komt een soort solidariteitsregeling tot stand. Toch blijft de spreker teleurgesteld over de eventuele herverdeling van die voordelen, die zouden blijven bestaan en die moeten worden verdeeld over de minder bekende sporten en clubs die hier ook moeten van kunnen profiteren. ‘Tot besluit van zijn betoog formuleert de spreker daarover enkele opmerkingen. Inhoudelijk moeten sommige zaken worden verduidelijkt. Zo moet de omvang van die RSZ-verminderingen voor de werkgevers en de werknemers in de sportsector nog bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Sommige bedragen zijn bekend geraakt via de pers en de media. In eerste instantie was gepland dat het vigerende stelsel zou worden omgekeerd en dat men onder het bedrag van 2 474 euro zou blijven. Degenen die meer zouden hebben verdiend, zouden het bedrag hebben moeten betalen dat iedere Belg betaalt. Blijkbaar zijn na overleg met de sector enkele wijzigingen aangebracht. Nu ziet het ernaar uit dat de sportbeoefenaars die meer dan 2 474 euro verdienen de RSZ een bijdrage van 5 % zullen moeten betalen, terwijl degenen die minder verdienen volstrekt geen bijdrage zullen hoeven te betalen. De spreker wil weten of de minister de situatie kan ophelderen en of hij de betrokken sportbeoefenaars meer zekerheid en veiligheid kan bieden. De spreker maakt een tweede opmerking over de ontoereikende duidelijkheid op begrotingsvlak. De hervorming van dat gunststelsel zou naar verwachting slechts 30 miljoen euro opleveren. Het lid vraagt zich af of dit een loutere raming, een compromis of het resultaat van overleg is. De door het gunststelsel gecreëerde voordelen worden veeleer geraamd op 80 of zelfs 100 miljoen euro. De minister heeft het over 30 miljoen euro. De spreker vraagt zich af of de minister er zeker van kan zijn dat die 30 miljoen aan ingevorderde bedragen haalbaar zijn, aangezien zijn coalitiepartner, de MR, het daar naar verluidt niet mee eens is en die evolutie afremt. De fractie van de spreker heeft daaromtrent twijfels. De afschaffing van het gunststelsel voor de betaalde sportbeoefenaars is een belangrijke pijler van de financie ring van de sociale zekerheid. Het is een van de weinige maatregelen die de regering heeft genomen om het nettoloon van de werknemers te verhogen. Die verhoging zou worden gefinancierd via de wijzigingen inzake het gunststelsel voor de betaalde sportbeoefenaars, maar wegens de wijzigingen die op het allerlaatste ogenblik zijn aangebracht, heeft het id de indruk dat de financiering van deze taxshift weleens in het gedrang zou kunnen komen; hij wil van de minister nadere toelichting. De Raad van State was in zijn advies van oordeel dat de artikelen 121 en 122 een bevoegdheidsoverschrijding inhielden. De toekenning van een vermindering van RSZbijdragen aan de werkgevers op grond van de kenmerken van de werknemers is een gewestbevoegdheid. Om aan die opmerking tegemoet te komen, heeft de regering de tekst van artikel 122 gewijzigd. Het toepassingsgebied wordt in de memorie van toelichting nu omschreven als volgt: “de werkgevers (…) die ressorteren onder het nationaal paritair comité voor de sport, de sportverenigingen, sportcentra en sportclubs die ressorteren onder het paritair comité voor de socio-culturele sector die betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners tewerkstellen”. Er zou dus sprake zijn van een vermindering van de RSZbijdragen naargelang van de activiteitensector, hetgeen onder de bevoegdheid van de federale wetgever zou vallen. Indien de voor de werkgevers geldende regeling van toepassing is op voorwaarde dat die bepaalde betaalde sportbeoefenaars in dienst hebben, vraagt de spreker zich af of nog wel kan worden gesproken van een toepassing op de werkgevers naargelang van de sector waarin zij hun activiteiten verrichten. De kenmerken van de werknemers, en niet de activiteitensector, vormen dan immers de doorslaggevende grondslag voor de toekenning van die bijdragevermindering. De werkgevers binnen hetzelfde nationaal paritair comité die geen betaalde sportbeoefenaars in dienst hebben, zullen die RSZ-bijdragevermindering niet ontvangen. Volgens de fractie van de spreker is het nog steeds niet duidelijk dat er geen sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding. De heer Van der Donckt meent dat er nog altijd een knelpunt kan rijzen. Hij vraagt zich af hoe het staat met de toepassing van de RSZ-voordelen op de werkgevers van de betaalde sportbeoefenaars die onder paritair comité 200 ressorteren. De spreker denkt dat die voordelen niet voor hun werkgevers zullen gelden, en vraagt zich af hoe de minister die ongelijke behandeling zal verantwoorden. ‘Tot slot formuleert de spreker nog een laatste opmerking over het feit dat er een conflict kan ontstaan met de EU-regels inzake staatssteun. Men is daarmee geconfronteerd geweest, en er is in de werkgroep over nagedacht zonder dat echt een oplossing is gevonden. Volgens de spreker moet de huidige regelgeving worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De minister geeft aan dat dit niet moet gebeuren omdat het wetsontwerp dat gunststelsel minder interessant maakt en dat een aanmelding bij de Commissie derhalve niet nodig is. De spreker is het daar niet mee eens en wijst erop dat de Raad van State evenmin die redenering heeft gevolgd. De Raad had aangegeven dat een wijziging inzake de huidige steun als nieuwe steun wordt beschouwd en dat elk voornemen om steun te verlenen tijdig door de Raad van State bij de Europese Commissie moet worden gemeld. Volgens het id moet daarover nog worden nagedacht. Hij herinnert eraan dat de Europese Commissie in het verleden al heeft geoordeeld dat een preferentiële regeling niet langer verantwoord is, met als, gevolg dat de betrokken Staat die steun heeft moeten terugvorderen met alle consequenties van dien. Elke veroordeling door Europa van een door België genomen maatregel om de betaalde sportbeoefenaars te helpen, zou dan ook moeten worden voorkomen. De spreker vindt dat de regering niet bang mag zijn voor de EU-controle. Het is verkleslijk een regeling te treffen die deze controle kan doorstaan, en hij vraagt zich af waarom de minister weigert dat te doen. Mevrouw Valerie Van Peel (N-VA) bespreekt hoofdstuk 5, betreffende de bijdrage ter responsabilisering van de werkgevers inzake invaliditeit. De bedoeling daarvan is te komen tot een betere benadering van de begeleiding van de langdurig zieken. Er wordt een regeling ingesteld ‘om de werkgevers verantwoordelijkheid toe te delen met betrekking tot de herinschakeling van hun zieke werknemers in het arbeidsproces. Voor ondernemingen met gemiddeld minstens 50 werknemers komt er daarom een specifieke werkgeversbijdrage ten belope van 0,625 % van de bijdrageplichtige lonen, die van toepassing zal zijn indien een bovengemiddeld aantal werknemers van de onderneming in het invaliditeitsstelsel zit. De spreekster vraagt hoe dit zal worden bepaald. In het wetsontwerp wordt aangegeven dat in de privésector een vergelijking zal worden gemaakt met de werknemers van dezelfde sector, maar de precieze berekeningsmethode is onduidelijk. Er wordt vermeld dat het gemiddelde van het aantal invalide werknemers tijdens het jongste kwartaal en tijdens de drie voorgaande kwartalen zal worden vergeleken met dezelfde kwartalen van het voorgaande jaar, teneinde pieken uitte vlakken. Voorts zou alleen rekening worden gehouden met de werknemers tussen 18 en 54 jaar. De werknemers die de arbeid geleidelijk hebben hervat, zouden niet worden meegeteld. Ook met de RIZIV-gegevens zou rekening worden gehouden. De RSZ zou die bijdragen doorstorten aan het fonds voor bestaanszekerheid van de sector en de sociale partners zouden dat geld kunnen gebruiken om maatregelen te financieren die het via de responsabiliseringsbijdrage aan te pakken probleem moeten milderen. Tot slot zou de regeling van toepassing zijn vanaf 2021 en betrekking hebben op de invaliditeit die dat jaar ingaat. De spreekster meent dat de intenties goed zijn, maar de uitvoering op het verkeerde spoor zit. Haar fractie zal daarom tegen die artikelen stemmen. N-VA is immers voorstander van verantwoordelijkheidsstimulering ten aanzien van werkgevers die niet willen meewerken aan specifieke terug-naar-werktrajecten, maar meent dat de wijze waarop de maatregel werd opgevat, dreigt te leiden tot straffen voor werkgevers die het ongeluk hebben dat veel van hun personeelsleden ziek zijn. Dat likt niet de beste oplossing te zijn. De grote verschillen tussen spelers uit dezelfde branche - of zelfs tussen diverse sectoren - kunnen meerdere oorzaken hebben. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een vlakkere organisatiestructuur, met minder leidende functies, waardoor bij de werknemers een groter anonimiteitsgevoel kan ontstaan. Bovendien mag niet worden uitgesloten dat toeval een rol speelt. Tot slot spelen bij burn-outs, persoonlijke factoren een even grote rol als beroepsgebonden elementen. De maatregel zal dus uiteindelijk het omgekeerde effect hebben, want de werkgevers worden gestimuleerd om geen kans te geven aan mensen die al ziek zijn geweest; ze zullen immers niet het risico willen lopen om bijkomende bijdragen te moeten ophoesten. Die maatregel is nu al in uitzicht gesteld, maar op de responsabilisering van de werknemers zal het wachten zijn tot in 2023. De fractie van de spreekster brengt geen begrip op voor die onbalans. De prioriteiten van de minister zijn duidelijk. N-VA stelt immers vast datde bepalingen inzake de responsabilisering van de werknemers zijn verdwenen, hoewel zij oorspronkelijk wel in de programmawet zouden worden opgenomen en zelfs, in het recentste tekstvoorstel nog werden vermeld. De spreekster wil vernemen waarom die bepalingen uit de programmawet werden gehaald. Zij merkt bovendien op dat de begrotingsimpact van deze maatregel onduidelijk is. De responsabilisering van de werknemers wordt uitgesteld tot 2023 en de maatregel ten aanzien van de werkgevers zal volgens het Rekenhof begrotingsneutraal zijn voor de RSZ, aangezien de bedragen zullen worden doorgestort aan de fondsen voor bestaanszekerheid. Niettemin beweert de minister dat in 2022 een bedrag ten belope van 20 miljoen euro zal worden bespaard, dankzij deze responsabiliseringsmaatregel. Het Rekenhof geeft zelf aan niet over informatie te beschikken over de wijze waarop die opbrengsten werden geraamd. De spreekster verzoekt de minister te verduidelijken waar die besparingen in 2022 vandaan zullen komen, welk bedrag naar schatting door deze specifieke responsabiliseringsbijdrage voor de werkgevers zal kunnen worden bespaard en op basis van welke veronderstelling dat bedrag werd geraamd. De N-VA-fractie stelt vast dat een amendement werd ingediend en dat de Raad van State dienaangaande had meegedeeld dat met betrekking tot de uitwisseling van gegevens tussen de RSZ en het RIZIV het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moest worden gevraagd. Het amendement houdt daar nu rekening mee. De spreekster betreurt dat dit advies niet eerst aan de Kamerleden werd bezorgd. Haar fractie heeft derhalve kennisgenomen van het amendement; ze zal het vóór de plenaire vergadering vergelijken en nader onderzoeken, en zich bij de stemming erover vooralsnog onthouden. Het amendement lijkt op het eerste gezicht wel een verbetering ten opzichte van de aanvankelijke bepalingen. De spreekster vraagt vervolgens welke specifieke berekening zal worden toegepast om de werkgevers onderling te vergelijken. Waarom zal bovendien het aantal invalide werknemers binnen een onderneming worden vergeleken met de ruimere privésector, in plaats van louter met de werkgevers van dezelfde sector? Er bestaan immers veel verschillen tussen de activiteitensectoren en die kunnen de uiteenlopende werkzaamheidsgraad grotendeels verklaren. De verstrekte uitleg is weinig overtuigend. Een “onbillijk” criterium dat geen correcte vergelijking mogelijk maakt, valt niet te vergoelijken door te stellen dat het niet zwaar zal doorwegen. De spreekster meent dat hier sprake is van een vrij paradoxale oplossing voor een probleem dat de minister zelf heeft gecreerd. Mevrouw Cécile Cornet (Ecolo-Groen) vestigt de aandacht op de verbetering betreffende de beroepssporters met een hoog inkomen, want die zullen meer socialezekerheidsbijdragen betalen en krijgen een beter statuut. Aldus kunnen de sportclubs en de minder goed verdienende sporters worden ondersteund. Met betrekking tot de responsabilisering in het raam van de terug-naar-werktrajecten prijst de spreekster het teit dat de diverse betrokkenen verantwoordelijkheid moeten opnemen. Elke speler moet zich bij die zaak betrokken voelen. Het lid wijst op het belang van betere preventie in de bedrijven. Mevrouw Cornet meent dat tussen een heel kleine kmo en een onderneming met 50 werknemers nog een breed spectrum bestaat dat niet uit het oog mag worden verloren Mevrouw Ellen Samyn (VB) wenst de aandacht te vestigen op de doelgroepenvermindering eerste aanwervingen onder Hoofdstuk 3:
Art. 112-118. Gezien de hoge kosten van het systeem en het kritisch rapport van het Rekenhof hierover drong een evaluatie van het systeem zich op. Vanaf nu zal er een plafonnering op 4 000 euro per kwartaal worden toegepast, zodat de uitwassen in het systeem worden stopgezet. Retroactief zal men evenwel niet gaan aanpassen, wat jammer is, en ook de vermindering blijft onbeperkt in de tijd. De maatregel diende om nieuwe werkgevers te helpen in hun eerste aanwervingen maar is nu een systeem geworden van permanente RSZ-korting voor de bedrijven die geluk hebben. Op deze manier creëert de wetgever oneerlijke concurrentie tussen bedrijven en zet ze de bedrijven aan tot het zoeken van al dan niet toelaatbare creatieve oplossingen. Het fundamentele probleem is dat de kosten op loon te hoog zijn in dit land. Wat de maatregelen aangaande betaalde sportbeoefenaars (Hoofdstuk 4: art. 119-126) betreft, merkt de spreekster tevreden op dat de minister eindelijk de daad bij het woord voert en de voordelige RSZ-behandeling van topsporters in totaliteit afschaft. Mevrouw Samyn merkt evenwel op dat twee zeer belangrijke zaken, nl de sportbonus en de toekenning van een doelgroepen vermindering nog moeten vastgelegd worden door ‘de koning. Als Parlement komt dit neer op een blanco cheque te ondertekenen. Zal deze de betaalde amateursporters sparen? Welke zal de grootorde zijn van de sportbonus? Of is het de bedoeling ons volledig - dit parlement - in het ongewisse te laten? ‘Aangaande artikel 122 over de toekenning van doel groepenvermindering geeft de spreekster aan dat de werkgevers die ressorteren onder het Nationaal Paritair Comité van de sport voor elk van de bedoelde werknemers een doelgroepenvermindering kunnen genieten. Maar dat maximaal bedrag moet nog bepaald worden wat een oordeel vormen over maatregel moeilijk maakt. Kan hierbij extra duiding geven worden? Wat een vermindering van de persoonlijke bijdragen aan werknemers met een laag loon betreft, meent mevrouw Samyn dat daar ook nadere regels en voorwaarden “door de koning” nog moeten bepaald worden. Is er al een akkoord binnen de regering over de hoogte van deze maatregel? In
hoofdstuk 5
(artikel 127-136) gaat het over de responsabiliseringsbijdrage van werkgevers inzake invaliditeit. De bedoeling van de minister is om de werkgevers ‘te responsabiliseren’, of veeleer financieel te straffen indien ze een groter aantal werknemers hebben in langdurige ziekte dan andere. De overheid rekent beschouwt zich blijkbaar niet als deel uitmakend van de werkgevers. De ziektecijfers bij ambtenaren en de daaruit voortvloeiende langdurige ziekte liggen echter hoog. Men gaat dus straffen omdat men ervan uitgaat dat de schuld bij de werkgever zit. Hij treft dus schuld voor het feit dat er langdurig zieken in zijn bedrij zijn. Nochtans heeft men kunnen vaststellen dat door de inperking van het SWT het aantal langdurig zieken evenredig veel toenam. Het probleem ligt dus in de organisatie van de eindeloopbaan in een aantal sectoren. De sectoren die eerder gevoelig zijn aan deze problematiek zijn gekend en het debat rond de zware beroepen werd doorgeschoven naar het sociaal overleg, waar men jammer genoeg nog niet tot een akkoord gekomen is. De schuld voor het grote aantal langdurige zieken geheel leggen bij de werkgevers is onfair. Soms zijn er externe factoren die aan de grondslag liggen van het uitvallen van mensen op de arbeidsmarkt (stress veroorzaakt door persoonlijke omstandigheden, geen of beperkte kinderopvang, financiële moeilijkheden, problemen in het gezin…. Gelukkig wordt de leeftijd voor de berekening beperkt tot 55 jaar maar deze regeling houdt een groot risico in voor de werkgelegenheid. Men wil door de terug-naarwerk-coördinatoren de langdurig zieken aanzetten tot het terug actief worden op de arbeidsmarkt. Maar in plaats van de werkgevers die langdurig zieken terug willen een plaats bieden, zal men deze straffen. Welke werkgever zal er nog iemand in dienst wilen nemen die een voorgeschiedenis heeft op dit vlak? Welke werkgever zal het risico lopen om personen die een zware ziekte hebben gehad in dienst te nemen? Men zal de gelden die voortvloeien uit deze boetes doorstorten aan de sectorale Fondsen voor Bestaanszekerheid die dan preventieacties zullen opzetten om het fenomeen van de langdurige zieken te bestrijden. Gans dit verhaal is evenwel niet uitgewerkt en zeer prematuur. De ene langdurige ziekte is bovendien ook de andere niet. Voor sommige is de diagnose niet of moeilijk te stellen. Daarom lijkt het ons zeer onwenselijk mocht een werkgever door een aantal werknemers die bijvoorbeeld door kanker langdurig buiten strijd zijn, te straffen. In plaats van werkgevers die langdurig zieken een kans geven juist te willen belonen doet men net andersom door de focus te leggen of boetes en straffen. Dat is een verkeerd signaal. En daarom kunnen we dit deel niet steunen.
M. De heer Christophe Bombled (MR) is tevreden met de bestendiging van het Plus 1-plan (ook “nul bijdrage” genoemd). Die maatregel ondersteunt de werkgelegenheid; had ze niet bestaan, dan zouden veel zelfstandigen de stap naar een eerste aanwerving niet durven zetten. Voor elke gecreëerde job moet men een vervangingsuitkering minder uitbetalen. Er werd inderdaad misbruik van die maatregel vastgesteld. Het voorliggende wetsontwerp verduidelijkt een en ander, om die misbruiken tegen te gaan. Inzake het socialezekerheidsstelsel van de betaalde sportbeoefenaars, zullen de sociale bijdragen voortaan op basis van het reële loon worden berekend. Tegelijk zullen die sportbeoefenaars toegang krijgen tot alle takken van de sociale zekerheid. Langs de ene kant geeft de minister aan dat hij dat bijzonder gunstige stelsel wil afschaffen terwijl hij langs de andere kant een sportbonus wil invoeren om de duurzaamheid van de sector te bewerkstelligen en te voorkomen dat betaalde sportbeoefenaars naar het buitenland verhuizen. Het is onmogelijk een idee te krijgen van de grootteorde van de doelgroepvermindering die zal worden toegekend. ‘Aan de werkgevers uit de sector die erom verzoeken zal een minnelijke afbetalingstermijn worden toegekend, indien ze in het begin bepaalde moellijkheden ondervinden. Heeft de minister reeds een idee van de bijkomende ontvangsten die deze aanpassing met zich zal brengen?
Hoofdstuk 5
heeft betrekking op het tweede deel van de hervorming inzake de re-integratie van langdurig zieken op het werk. Dit deel gaat over de responsabilisering van de werkgever. Er is sprake van voortschrijdende gemiddelden en referentiegemiddelden na een test op basis van een koppeling van data. Heeft men reeds een dergelijke test gedaan? De spreker stelt zich vragen bij de samenstelling van de steekproef. Waarom worden de werknemers van ouder dan 55 jaar hier niet in opgenomen (aangezien uit de statistische gegevens blijkt dat langdurige zieken vooral in die categorie werknemers voorkomen)? Vanaf 2022 zullen de werkgevers waarschuwingssignalen krijgen, maar ze zullen pas vanaf 2023 worden geresponsabiliseerd. ‘Tot slot wil de spreker nog kwijt dat hij tevreden is dat de kmo's niet worden geselecteerd. Het is positief dat met dat aspect rekening werd gehouden. Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vindt het een goede zaak dat dit wetsontwerp in bijsturing voorziet wat de bijdragevermindering voor de aanwerving van eerste werknemer betreft. Frauduleuze constructies zorgen voor een ondergraving van de financiering van de sociale zekerheid, vandaar is de bijsturing en de begrenzing tot 4000euro per kwartaal een goede zaak. De regering gaat later echter nog een aantal begrippen invullen. Alles is dus nog niet duidelijk beschreven zoals de termen “dubbelgebruik” of “vervanging” of ‘volledige kwartaal prestatie”. Waarom is dit nog niet verduidelijkt in dit ontwerp en zal de precisering lopen via het Parlement of via een andere weg zoals een KB? Wat de opsporing van oneigenlijk gebruik van de korting voor de eerste werknemer betreft merkt mevrouw Lanjri dat het moeilijk is om retroactief te bepalen of een bedrijf al dan niet aan de huidige regels voldeed. Een aantal werknemers die vandaag die korting hebben, zouden dus mogelijks in de toekomst geen recht meer op hebben wanneer de nieuwe definitie van toepassing is. Hoe gaat dit opgespoord worden? ‘Aangaande de hervorming van de RSZ-bijdrage voor beroepssporters meent de spreekster dat er sprake moet zijn van een eerlijke fiscaliteit, niet enkel onder de sporters. Het is logisch dat topsporters met een hoog loon niet minder sociale bijdragen betalen dan andere mensen. Mevrouw Lanjri wenst meer informatie over de doelgroep vermindering in de sportsector daar enkele exacte bepalingen nog uitgewerkt moeten worden door de regering. ‘Tot slot wenst de spreekster kort terug te komen op de “terug naar werk” coördinatoren en de aanpak van de langdurig zieken zonder het hele debat in commissie over te doen. Het hoofddoel is dat er via dit wetsontwerp bijsturing komt. Responsabilsering van de werknemer door hen, via een knipperlichtsysteem, aan te tonen waar er eventuele problemen voorkomen en deze tijdig aan te kunnen pakken. Wat ook van belang is, is dat de werkgevers genoeg bijgestaan worden. De vraag is dus of er nog maatregelen komen om de werkgevers bij te staan en of deze genomen zullen worden door minister Dermagne, minister Clarinval of tezamen? De spreekster geeft ter afsluiting aan dit ontwerp te steunen. Mevrouw Nathalie Muylle (CD&V) merkt op dat over maatwerkbedrijven en de gelijkschakeling van de RSZcategorieën weinig wordt gezegd. De spreekster merkt echter op dat er tevredenheid heerst op het terrein. Sinds 2019 is er in Vlaanderen het decreet “maatwerk bedrijven” waar er gezorgd is voor vereenvoudiging op vlak van subsidiering en ook administratieve vereenvoudiging. Op federaal niveau bleef een kader ontbreken waardoor er op het terrein een ongelijk speelveld was. Het wegwerken van een aantal verschilen, de gelijke toegang tot de Sociale Maribel, harmonisering van de vrijstelling van de loonmatiging en het gebruik van dezelfde RSZ-categorieën zijn voor het werkveld en het terrein belangrijke punten. De spreekster zegt dan ook heel bi te zijn dat Vlaamse, Brusselse en maatwerkbedrijven uit Wallonië voortaan in een gelijk speelveld te werk gaan en dat dit opgenomen werd in de herstelmaatregelen. Mevrouw Sofie Merckx (PVDA-PTB) komt terug op artikelen 127 tot 136 over de langdurig zieken en de responsabilisering van de werkgevers. Er worden twee maten en twee gewichten gebruikt. Zogezegd dient iedereen geresponsabiliseerd te worden om het hoge aantal zieken terug te dringen. De spreekster haalt het verschil aan in het proces voor de werknemer en de werkgevers. De werknemer die ziek wordt zal na 10 weken opgeroepen worden door de adviserende arts van de mutualiteit. Na 3 maanden volgen de gesprekken met de terugkeercoördinator over de restcapaciteit van de werknemer en de reintegratietrajecten. Na 6 maanden primaire arbeidsongeschiktheid moet iedereen contact gehad hebben met de “terug naar werk” coördinator. Bij de werkgevers ligt het anders, zegt de spreekster. Slechts de bedrijven met meer dan 50 werknemers (dat is 0,9 % van het totaal aantal bedrijven) komen in aanmerking voor de responsabilisering en indien na een ziekte van 6 maanden een werknemer terugkeert naar zijn werk zal dit niet in de cijfers van het bedrijf opgenomen worden. Blijkbaar is, dit voor de regering niet erg en moet er in dit geval niet gekeken worden naar preventie. Slechts na één jaar afwezigheid, wanneer de werknemer overgaat tot het invaliditeitsregime, wordt de situatie opgenomen en gaat het deel uitmaken van de responsabiliseringsmaatregelen voor het bedrijf op voorwaarde dat het aantal zieken substantieel hoger ligt dan het gemiddelde in de sector en het algemeen gemiddelde over de sectoren heen. De re-integratietrajecten vormen nog een ander probleem. Ze leidden reeds in het verleden vaak tot ontslag, daar het eenvoudiger was de persoon afte danken dan ‘om hem een aangepast traject aan te bieden. Dit zal nu. niet anders zijn. Daarenboven blijft medisch ontslag nog steeds mogelijk vanaf 9 maanden arbeidsongeschiktheid, en niets weerhoudt de bedrijven ervan een langdurig zieke te ontslaan tussen de 9 en de 12 maanden. De spreekster vraagt verduidelijking over het al dan niet meetellen van dit soort ontslag in de cijfers voor het bedrijf, daar ze dit niet terug heeft gevonden in de tekst. Vervolgens komt mevrouw Merckx terug op de genese van het wetsontwerp, de lekken in de Standaard, de veelvuldige vragen over de vergelijkingen met het sectoraal gemiddelde en het algemeen gemiddelde enzovoort. Dat er nog géén invulling gegeven is aan de “x” en “y” waarden en dat dit nog in een later koninklijk besluit moet volgen vindt de spreekster niet kunnen. Zonder deze waarden op voorhand te kennen is het onmogelijk om in te schatten of de responsabilisering van de werkgevers correct gaat aangepakt worden, en is het blind vertrouwen geven. Het vereisen dat een bedrijf “ondermaats” dient te scoren voor er ingegrepen wordt is de lat wel erg laag leggen. Er moet meer gedaan worden dan de allergrootste uitschieters aan te pakken want we spreken toch over ruim een half miljoen langdurige zieken. ‘Tevens vraagt de spreekster meer duidelijkheid over het verschil tussen de in de gelekte notificaties aangehaalde sancties van 2,5 % voor de werkgevers en de 0,625 % in de tekst die voorligt. Wat met de sancties voor de werknemers? Mevrouw Merckx gaat vervolgens in op de strategie van de minister die probeert stukje per stukje delen van zijn plan door te duwen om te eindigen bij de sancties van de langdurige zieken. De spreekster kan dit niet goedkeuren. Het lid herhaalt nogmaals dat er een fundamenteel meningsverschil in de aanpak van de individuele werknemer en het uitblijven van een wetsontwerp rond werkbaar werk, over het herstel van het brugpensioen, of een akkoord rond zware beroepen. Hierover is helemaal niets in voorliggend ontwerp van programmawet te vinden. De prioriteit van de regering is “terug naar werk”, en de heilige 80 %-werkzaamheidsgraad die zelfs geen garantie biedt wat de kwaliteit van de jobs betreft. Er is veel te weinig aandacht voor preventie en bedrijven komen er te makkelijk van af. Het risico bestaat ook dat bedrijven in een sector, waar slechte arbeidsomstandigheden schering en inslag zijn, naar het Grondwettelijk hof te trekken om de responsabilisering aan te vechten. De minister moet zich bewust zijn van dit risico. Het lid stelt zich vervolgens vragen bij het niet opnemen van bedrijven met 20 tot 49 werknemers in de maatregel van responsabilisering van de werkgevers. Nu al proberen heel wat constructies te vermijden om boven de 49 werknemers uit te komen omdat er dan ander verplichtingen (zoals het toelaten van vakbonden) gelden. Wat met technische bedrijfseenheden die op papier gescheiden zijn maar dezelfde eigenaar hebben? ‘Wat als er binnen een sector maar één of twee bedrijven meer dan 50 werknemers hebben? Kunnen deze dan wel geresponsabiliseerd worden? Daarenboven vallen nog een heel aantal werknemers buiten de maatregelen, met name de werknemers met minder dan 3 jaar continue werkervaring of zij die ouder dan 54 jaar zijn. Het zijn echter de oudere werknemers die meer kans hebben om uit te vallen door ziekte. Uit onderzoek van de KUL blikt dat 40 % van de langdurige zieken ouder is dan 55 jaar. Door de maatregelen worden de bedrijven dus niet geresponsabiliseerd om de ouderen in acht te nemen. De 3 jaar continue werkervaring lijkt ook op een gigantische achterpoort die ertoe aanzet ‘om mensen niet meer vast in dienst te nemen, en die tijdelijke contracten aanmoedigt. Mevrouw Merckx vraagt zich tevens af van waar de inkomsten voor responsabilisering in de notificatie vandaan komen. Het gaat om 20 miljoen 2022 en 40 van 2023. Welke maatregelen of initiatieven kunnen de sectorfondsen organiseren en welke middelen kunnen ze hiervoor aanwenden? Wat met de responsabiliseringsbijdrage die niet kan overgemaakt worden aan de sectorfondsen? Kan de ministers meer details geven over het KB dat nog moet volgen? ‘Tot slotte concludeert de spreekster dat het mist aan sterke preventieve maatregelen en het voorstel géén goed compromis is. Mevrouw Tania De Jonge (Open Vld) merkt op dat deze maatregelen rond financieren van de sociale zekerheid het mogelijk maken om de zaken veilig te stellen en er geen extra budgettaire kosten te verwachten zijn aangezien het hier gaat om communicerende vaten. Wat de maatwerkbedrijven betreft volgt de spreekster de uiteenzetting van mevrouw Muylle. Het is goed dat geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen beschut tende werkplaatsen en sociale werkplaatsen, voor alle mensen die moeilijk een plaats vinden op de reguliere arbeidsmarkt of het nu om fysieke of mentale beperking gaat. Het moet echter de bedoeling blijven om bedrijven te blijven stimuleren om mensen met beperking aan te werven in een reguliere job, Aangaande de RSZ-vermindering voor de eerste aanwerving, herhaalt de spreekster dat de maatregel al druk besproken werd tijdens de opmaak van het budget en ook in plenaire. Waakzaamheid is geboden wat de sociale lasten in België betreft die het werken duur maken. Het is tevens positief dat er verminderingen bestaan voor specifieke categorieën van bedrijven en werknemers, en mevrouw De Jonge is dus blij met het positief en evenwichtig compromis dat de meeste bedrijven toelaat om het ook in de toekomst te blijven doen. Tevens geeft de spreekster aan dat het goede zaak is dat de tijdelijke arbeidsvormen zoals de flexijobs, worden uitgesloten. Vandaag tellen ze mee om te kijken of er al werknemers zijn, maar de RSZ-vermindering is, dan op hen niet van toepassing. Positief is ook dat er tolerantiedagen ingevoerd worden in de berekening van de hogere werkgelegenheid. Op die manier kan men voorkomen dat méér werkgelegenheid een negatieve impact heeft op de toekenning van het voordeel voor de tweede tot en met de zesde werknemer. Wat de RSZ-bijdrage voor sportbeoefenaars betreft, geeft de spreekster aan dat het brede debat al ruim werd gevoerd en bijna iedereen het erover eens is dat het verschil in RSZ-bijdrage tussen profsporter en de gewone werknemers moeilijk te verdedigen was. Tegelijk zijn velen ervan overtuigd dat profsport een belangrijke sector is die in andere Europese landen van aanzienlijke overheidssteun geniet en dat de competitiviteit moet worden bewaakt. Wat de regering uitwerkt inzake fiscale en parafiscale lasten is ook evenwichtig en verzoent de twee principes. Ook is het volgens mevrouw De Jonge positief dat via KB een sportbonus zal worden toegekend in overleg met de sector. De responsabilisering van werkgevers hangt natuurlijk samen met de responsabilisering van de werknemers volgens de spreekster. Het is een goede zaak dat de bedrijven van minder dan 50 werknemers niet worden geviseerd en het is ook terecht om te kijken naar de af wijking tegenover het gemiddelde in de hele privésector inzake het aandeel langdurige arbeidsongeschikte werknemers alsook te vergelijken met het gemiddelde in de sector, want het varieert natuurlijk van sector tot sector net als de aard van de aandoeningen een invloed heeft. Om effectief na te gaan of een effectief terug naar werk traject kan, is de actieve medewerking van de arbeidsongeschikten met de adviserende arts en terug naar werk coördinator nodig. Het is niet in het nadeel van de werknemer om deze medewerking te verlangen en het kan ook niet asociaal genoemd worden. De sociale zekerheid, met inbegrip van de regeling rond langdurige arbeidsongeschiktheid, kan maar solidariteit bieden wanneer iedereen zijn verantwoordelijkheid opneemt. Het is een multidisciplinaire aanpak waarbij de betrokkenheid van de werknemer heel groot is. Het hoofdstuk responsabilisering van de werknemers werd uit het voorontwerp gehaald naar aanleiding van een advies van de Raad van State. Werd de adviesvraag naar de Raad van State inmiddels herhaald, vraagt de spreekster zich af. Is het ondertussen ontvangen en wanneer wordt het ontwerp met de responsabilisering van de werknemers verwacht? Mevrouw Anja Vanrobaeys (Vooruit) geeft aan haar interventie kort te houden, aangezien vele collega's reeds de vele positieve punten hebben aangehaald, zoals de aanpak van misbruiken in het kader van de eerste aanwervingen, het gelijk speelveld voor maatwerkbedrijven en de stabiele en alternatieve financiering van de sociale zekerheid. De spreekster merkt, wat dit laatste punt betreft op dat in het licht van de ergste gezondheidscrisis ooit, het niet meer dan normaal is, dat er uitzonderlijke uitgaven zijn. Het is per definitie op het ogenblik van de crisis dat de sociale zekerheid haar rol dient te spelen. Daarenboven blijkt dat door de mensen goed te ondersteunen, de economie daarna sneller herneemt. De spreekster wenst uitdrukkelijk haar bedankingen en felicitaties te uiten voor de moed voor de hervormingen van het RSZ:-statuut van de voetballers. In combinatie met het werk van de commissie dat het opnemen van het bijkomend pensioen verzet naar 65 jaar, zoals dat het geval is voor andere werknemers, word een uitzonderlijke onrechtvaardige situatie weggewerkt. Hetis een rechtvaardige beslissing waarbij die ervoor zorgt dat diegenen die het meest verdienen ook meer bijdragen en wie de meeste ondersteuning nodig heeft, zoals de jeugdelubs, kunnen rekenen op meer steun nu dan eerder het geval was. Mevrouw Vanrobaeys spreekt ten slotte haar steun uit voor het wetsontwerp. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) is ongerust over het feit dat er geen middellange- of langetermijnvisie voor het financiële beheer van de sociale zekerheid is. De manier waarop deze regering de begroting van de sociale zekerheid aanpakt, verschilt dan ook in wezen niet van die van de vorige regering. De spreekster heeft lof voor de vooruitgang inzake de maatwerkbedrijven. De spreekster ziet twee facetten in het Plus 1-plan het plafond van 4 000 euro per kwartaal voor de vermindering van de werkgeversbijdragen naar aanleiding van de eerste aanwerving, en alles wat met wijzigingen van regels, definities enzovoort te maken heeft. De regering beweert dat er aldus meer juridische duidelijkheid zal zijn. De spreekster vangt op dat er veel vrees leeft met betrekking tot de toepassing van die nieuwe wetgeving. Er werd gezegd dat de plafonnering niet met terugwerkende kracht zou worden toegepast. De spreekster vraagt zich of de wijzigingen in de terminologie een impact zullen hebben op bepaalde Plus 1-plan-werknemers. Wat de betaalde sportbeoefenaars betreft, meent de spreekster dat het voorgestelde instrumentarium bilijker is. De Raad van Staat heeft hierover niettemin wat voorbehoud gemaakt, inzonderheid over de vraag of het hier al dan niet om staatssteun gaat. De regering heeft die steun echter niet aan de Europese commissie gemeld. Voor de spreekster moet de juridische basis, van het instrumentarium dan ook worden verstevigd. De spreekster heeft vragen bij het deel rond de responsabilisering van langdurig zieke werknemers. Minister Dermagne heeft altijd beweerd dat die responsabilisering aan bod zou komen tijdens overleg met de sociale part ners. De spreekster zou willen dat de regering verduidelijkt hoe die overlegprocedure gestalte krijgt. De spreekster vindt dat er niet veel nieuws onder de zon is. Er komen inderdaad terug-naar-werkcoaches en er is sprake van responsabilisering met de daaraan gekoppelde sancties. Wat echter ontbreekt, is de preventie van langdurige ziekten en de haalbaarheid voor de werkgevers om zieke werknemers in goede ‘omstandigheden te laten terugkeren. Indien de regering in haar opzet wil slagen, moet ze zorgen voor de middelen om dat haalbaar te maken. Dat aspect komt echter niet ter sprake. De spreekster vindt dat de regering te weinig inzet op de aspecten waarop ze een echt hefboomeffect kan uitoefenen. De ondernemingen van minder dan 50 werknemers worden in het kader van de responsabiliseringsbijdrage ongemoeid gelaten. Toch zal ook in bedrijven met minder dan 50 werknemers aan preventie moeten worden gedaan, Vreest de minister niet dat dat criterium van 50 werknemers en meer een rem kan zetten op de ontwikkeling van onze ondernemingen (die aldus responsabiliseringssancties wilen ontlopen)? Werden er tussenoplossingen besproken? Wat het toepassingsgebied van de maatregel betreft, wordt naar twee wetten verwezen: artikel 1, $ 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. De spreekster heeft hier verscheidene vragen over: moet hieruit worden begrepen dat de ziekenhuizen van de maatregel uitgesloten zijn? Is de maatregel al dan niet van toepassing op de openbare ziekenhuizen? Wat met de flexi-jobs? Vallen de woon-zorgcentra onder de maatregel? De spreekster merkt op dat 2022 als eerste referentiejaar zal worden beschouwd. 2022 zal echter nog door de coronacrisis worden beheerst. Moet men voor de referentiejaren niet meer ad hoc kunnen te werk gaan, teneinde met bijzondere externe factoren rekening te kunnen houden? De spreekster had graag duidelijke antwoorden op haar verschillende vragen gekregen. Antwoorden van de minister De minister geeft aan dat uit de uiteenzetting van de heer Anseeuw een terminologisch misverstand naar voren komt. Voor de heer Anseeuw moet de alternatieve financiering immers steeds worden verhoogd omdat er almaar meer nieuwe uitgaven in het socialezekerheidsbeleid bijkomen. Zo slaat hij twee zaken door elkaar. Uiteraard kan altijd het debat worden gevoerd over de aard van de uitgaven die ten laste van de sociale zeker heid moeten vallen. Maar technisch en administratief gesproken dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenoemde alternatieve financiering en de evenwichtsdotatie. De minister herinnert eraan dat deze regering er een heel andere visie op de evenwichtsdotatie op nahoudt dan de vorige regering. De alternatieve financiering dient ter compensatie van de kosten van de bijdrageverminderingen waar de regering toe beslist. Het verminderingsbedrag wordt berekend door een werkgroep bij het RIZIV, waarin werknemers en werkgevers vertegenwoordigd zijn. Hoewel de berekening vroeger op de korrel kon worden genomen omdat ze vooral moest dienen om het begrotingsgat als gevolg van de taxshift te dichten, is dat nu niet langer het geval. De minister is ervan overtuigd dat de uitgevoerde berekening waarheidsgetrouw is. De uitkomst daarvan is een forfait, in afwachting dat de ontvangsten uit btw en roerende voorheffing hun normale peil bereiken, hopelijk in 2023. Als de heer Anseeuw het debat wil voeren over beleidsmaatregelen die almaar meer uitgaven meebrengen, moet hij dat doen binnen het debat over de evenwichtsdotatie. De spreker dankt mevrouw Muylle, die de aandacht heeft gevestigd op het belang van de maatregelen ten gunste van de maatwerkbedrijven. Te weinig mensen lijken immers de impact van die maatregelen en het aantal mensen dat er baat bij heeft, goed te kunnen inschatten. De budgettaire impact wordt geraamd op 12 miljoen euro, (@ miljoen euro aan RSZ-bijdragenvermindering en 10 miljoen euro door de uitbreiding van de sociale Maribel tot die werknemers). Bovendien stelt hij dat de maatregel gunstig zal uitdraaien voor de Vlaamse begroting, aangezien veel beschuttende werkplaatsen gebruikmaken van de RSZ-doelgroepvermindering, waarvoor de gewesten bevoegd zijn. Aangezien het totaal aan RSZ-bijdrageverminderingen nooit groter mag zijn dan de verschuldigde werkgeversbijdrage, zal de verhoging van de structurele bijdragevermindering leiden tot een lagere RSZ-doelgroepvermindering. De integratie van de maatwerkbedrijven in werkgeverscategorie 3 voor de structurele vermindering van de socialezekerheidsbijdragen brengt met zich dat de RSZ-doelgroepvermindering voor de oudere werknemers = uitsluitend voor werknemers van categorie 1 - niet langer op hen kan worden toegepast In het raam van de voorbereiding van het koninklijk besluit waarbij de maatwerkbedrijven in de sociale Maribel zullen worden opgenomen, zal in een bijkomend budget worden voorzien om werkgelegenheids- en loonsubsidies mogelijk te maken. Het staat de Vlaamse regering dan ook vrij, mocht zij dit wensen, om de activeringsuitkering af te schaffen. Met de Vlaamse minister van Werk is, evenwel contact opgenomen om te vragen dat de vrijgemaakte budgettaire middelen geïnvesteerd zouden worden in die sector. Ook de NAR heeft een standpunt in die zin ingenomen. In principe zijn op alle werkgelegenheidsmaatregelen compensatiemaatregelen in het kader van de alternatieve financiering van toepassing. De budgettaire kostprijs van de maatregelen voor de bedrijven van de sociale economie werd echter nog niet verrekend, omdat de informatie over de bedragen gebaseerd is op een advies van de sociale partners dat van vóór de opmaak van de begroting dateert. De voormelde werkgroep bekijkt die cijfers momenteel, zodat er bij de volgende begrotingscontrole rekening mee kan worden gehouden. ‘Aangaande de plusplannen heeft de regering gekozen voor een eerste-aanwervingsvermindering van onbeperkte duur, waarvan het bedrag met ingang van 1 januari 2022 evenwel zou worden begrensd op 4 000 euro per kwartaal. Meerdere overwegingen speelden mee in die keuze, die voor de werkgever het vooruitzicht van een niet in de tijd beperkt voordeel biedt. Met name is, het zaak steun te verlenen aan de kleine ondernemingen (horeca, kleinhandel enzovoort), die het door de pandemie zo al zwaar te verduren hebben gekregen. Daartegenover staat dat het bedrag van de vermindering significant wordt beperkt om een einde te maken aan in het verleden vastgesteld misbruik. Historisch ligt aan het systeem de - nooit eerder betwiste - redenering ten grondslag dat een groter voordeel moest worden geboden voor een eerste dan voor een tweede aanwerving. Voor de werkgever is de beslissing om een eerste werknemer in dienst te nemen, doorgaans immers moeilijker dan die voor een tweede of derde werknemer. De regering heeft dat principe dan ook behouden. Niettemin werd beslist het systeem duidelijker te maken en in dit verband een onderscheid te maken tussen de historische technische bedrijfseenheid (opeenvolgende eenheden) en de simultane bedrijfseenheid. Het doel is de rechtszekerheid te waarborgen. De minister geeft voorts aan dat het nieuwe systeem geen afbreuk doet aan rechten die voortspruiten uit aanwervingen van vóór de inwerkingtreding van de toekomstige wet. Voor het overige geeft de minister aan dat sommige soorten van banen uitgesloten zijn, wegens de tijdelijke aard ervan (gelegenheidswerkers in de landbouwsector, studenten, flexwerkers enzovoort). Een werkgever die een dergelijk type werknemer in dienst neemt, verliest het recht op de eerste-aanwervingsvermindering dus niet. ‘Aangaande de integratie van de betaalde sportbeoefenaars in het algemene socialezekerheidsstelsel mag niet uit het oog worden verloren dat aldus hun sociale bescherming kan worden verbeterd. De parameters voor de verschuldigde bijdragen zijn in een ontwerp van koninklijk besluit gegoten, dat op 3 december 2021 in eerste lezing werd aangenomen en dat ter advies voorligt bij de NAR en de Raad van State. Daarom is de invoering van de sportbonus zo belangrijk. Die bonus bestaat in een vaste vermindering van 281,73 euro voor wie 19 jaar of ouder is, en van 137,81 euro voor wie nog geen 19 jaar is; dat betekent dat tot een bedrag van 2474,22 euro per maand geen enkele persoonlijke bijdrage verschuldigd zal zijn Het plafond, zoals bepaald in de artikelen 6, 6bis en 31 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt afgeschaft. Er is een vrijstelling van de sociale bijdragen van het gedeelte bovenop het wettelijk dubbel vakantiegeld, en dat overeenkomstig de cao van 2006. Er komt dus een regulier en transparanter systeem, weliswaar met nog steeds een belangrijk voordeel Het systeem is vertrokken vanuit de ambitie om te zorgen voor een extra opbrengst van 30,7 miljoen euro. Dat is inderdaad minder dan wat bij toepassing van het reguliere systeem zou worden geïnd. Zal de regeling problemen opleveren met de Europese regels rond de staatssteun? De Raad van State heeft in zijn advies gesteld dat dit zou moeten worden aangemeld. De administratie heeft een analyse gemaakt en komt tot het besluit dat het niet om aan te melden staatssteun gaat. De argumenten daarvoor werden opgenomen in de memorie van toelichting. Er wordt steun gevonden voor dat standpunt in de Mededeling van de Europese Commissie (DOC 55 2349/001, blz. 117-118). Het gaat in deze niet om de toekenning van een voordeel in de zin van de Mededeling. Het klopt dat dit niet kan worden beoordeeld per werkgever. Wel mag men stellen dat de ploegen van de hoogste sportdivisies daar geen voordeel zullen uit halen. Zo zit de nieuwe regeling immers niet in elkaar. Op microniveau kunnen er kleinere clubs zijn die er wel een voordeel uit halen. Dat zijn evenwel doorgaans clubs die niet internationaal actief zijn, zodat de impact daarvan op de mededinging en de interne Europese markt onbestaand of minimaal is. Personen die minstens een betaling krijgen van 10 824 euro per jaar vallen onder de regeling. Ook ‘amateurs die een dergelijk bedrag ontvangen, vallen er dus onder. Mevrouw Fonck stelt dat er in het “terug naar werk”. verhaal werk niets nieuws is buiten de aanstelling van de coördinatoren. Dat klopt niet. Er wordt immers ook werk gemaakt van nieuwe procedures. Voorts komt er een belangrijke investering in informatica. Die zal zorgen voor een verrijking van de informatie over de patiënt die wordt geïntegreerd in een veel beter georganiseerde en gedigitaliseerde informatiestroom. Dat zal wel degelijk een grote impact hebben. Er wordt ook voor synergie gezorgd met de wetgevende initiatieven van de minister van Werk. Al die initiatieven delen dezelfde doelstellingen. Hier gaat het om één aspect binnen een globale visie. Met de maatregelen zal worden gezorgd voor een feitelijke responsabilisering van de ziekenfondsen en de artsen. Met hen wordt heel wat overleg gepleegd met een streven naar “consensus building”. De minister is ook in overleg met de betrokken deelstaatministers. Mevrouw Fonck onderschat het belang van die inspanningen, die niet wetgevend maar politiek van aard zijn. Het spreekt voor zich dat op een gegeven moment geëvalueerd zal moeten worden of alle inspanningen hebben geloond. Bij het berekenen van de opbrengst werd ervan uitgegaan dat met de maatregelen het werkzaamheidspercentage van de mensen in de RIZIV-trajecten zal verbeteren. Daarvoor wordt steun gevonden in academisch onderzoek naar wat kan worden bereikt binnen deze werkgelegenheidstrajecten. De berekeningen en assumpties zijn dus allerminst avontuurlijk. Op basis, daarvan wordt besloten dat de globale impact van de verschillende responsabiliseringsdimensies (werkgevers, werknemers, ziekenfondsen en artsen) groter moet zijn en dus een grotere return oplevert. Op vraag van de Raad van State werden de maatregelen rond de responsabilisering van de werknemers in een apart wetgevend initiatief worden opgenomen. Dat wetsontwerp komt eraan. De voorgestelde regeling steunt op een algemeen algoritme waarbij automatische knipperlichten worden ontwikkeld ten aanzien van alle werkgevers. Het gaat de minister hierbij niet om het binnenrijven van een massa geld. Het gaat hem daarentegen wel om het knipperlichtaspect. Het systeem geeft een signaal aan de werkgever wanneer een kritische grens wordt bereikt over de uitstroom van het personeel naar de langdurige arbeidsongeschiktheid. Op basis daarvan kan de werkgever dan de nodige actie ondernemen. Er zijn ook vragen gesteld over het personele toepassingsgebied van de regeling. Wat de leeftijdsafbakening betreft, verwijst de minister naar zijn eerdere antwoorden. ‘Wat het type van werkgelegenheid betreft, is de minister van oordeel dat bijvoorbeeld studentenarbeid of flexi jobs niet in aanmerking moeten worden genomen voor een dergelijk algoritme Voorts geeft de minister aan dat het systeem nog niet werd proefgedraaid of getest. Er werden nog geen simulaties gedaan. Om dat te kunnen doen, is er nood aan een wettelijke basis. Er gebeurt immers een gegevensverwerking in dat geval. Voor die basis en voor de testen zal worden gezorgd. De minister gaat tot slot akkoord met de stelling dat grondig moet worden nagedacht over preventie en de kwaliteit van het werk. De diensten voor preventie en bescherming op het werk en de deelstaten spelen in dat verhaal een belangrijke rol. Zij beschikken over systemen van advies over arbeidsorganisatie en het creêren van een kansenbeleid. Daarover wordt ook overleg gepleegd. Replieken Volgens de heer Björn Anseeuw (N-VA) is een solide financiering noodzakelijk om de sociale zekerheid te handhaven. Hij betreurt dat de sociale zekerheid almaar meer met alternatieve middelen wordt gefinancierd. Deze programmawet is dan ook vrij zorgwekkend, daar hij geen bestendige financiering van de sociale zekerheid garandeert. Mevrouw Valerie Van Peel (N-VA) wijst op het bedrag van 20 miljoen euro voor de maatregel ter responsabilisering van de werkgevers. Bij dit bedrag is onder meer rekening gehouden met een stijging van de werkgelegenheidsgraad. Het Rekenhof geeft echter aan dateen onderscheid moet worden gemaakt tussen het bedrag dat van een hogere werkgelegenheidsgraad wordt verwacht, en het bedrag dat ter responsabilisering van de werkgevers wordt uitgetrokken. Volgens de spreekster houdt de uitleg van de minister dus geen steek. De minister gaat ervan uit dat bij het bedrag rekening wordt gehouden met de responsabilisering van alle actoren en niet uitsluitend van de werkgevers (ziekenfondsen, artsen enzovoort) Mevrouw Sofie Merckx (PVDA-PTB) vindt dat de minister niet op haar vragen heeft geantwoord. Zij vroeg zich bijvoorbeeld af waarom de responsabilisering van de werkgevers pas wordt berekend nadat de zieken een jaar lang ziek zijn geweest. De spreekster stelt zich de vraag of de maatregel ter responsabilisering van de werkgevers niet in een “ontslagmachine” zal veranderen. Mevrouw Catherine Fonck (cdH) neemt nota van de verbintenis die de minister in verband met het Plusplan is aangegaan, en hoopt dat de minister die zal nakomen. Met betrekking tot de responsabilisering van de werkgevers is het haar wel degelijk duidelijk geworden dat noch de ziekenhuizen, noch de woonzorgcentra daaronder vallen. Zij neemt er akte van dat er geen antwoord is op de vraag of bijzondere moelljkheden/situaties in aanmerking zullen worden genomen, noch op de vraag over de onderlinge verhouding sector/niet-sector. Er is dus nog veel onduidelijkheid. Men zal in bijzondere situaties terechtkomen. Zo haalt de spreekster het geval aan van de dienstencheques waarin wordt voorzien door de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA's). Voor de burgers in het algemeen zou die responsabiliseringscoëfficiënt niet gelden. Omgekeerd zou de responsabiliseringscoëtficiënt wel gelden voor de dienstencheques waarvan een vzw de organisatie verzorgt. Volgens de spreekster wordt tussen de openbare sector en de verenigingssector onderling met twee maten gemeten. Bij wijze van conclusie kan worden gesteld dat de manier waarop het wetsontwerp is opgevat, een aantal vragen doet rijzen. Volgens de minister volstaat het artikel 1, S 1, van de zekerheid der arbeiders te lezen, om in te zien wat het toepassingsgebied van de maatregel is. De ziekenhuizen en de woonzorgcentra vallen aldus wél binnen de werkingssfeer van deze wet.
C. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen
Art. 106 tot 108 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Ze worden achtereenvolgens aangenomen 11 tegen 3 stemmen en 2 onthoudingen.
Art. 109 tot 111 Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 112 tot 113 Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 13 tegen 3 stemmen.
Art. 114 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt Artikel 114 wordt aangenomen met 15 stemmen tegen 1.
Art. 115 Artikel 115 wordt aangenomen met 12 tegen 1 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 116 tot 117 Ze worden achtereenvolgens aangenomen 10 tegen 1 stemmen en 5 onthoudingen.
Art. 118 Artikel 118 wordt aangenomen met 10 tegen 3 stemArt. 119 tot 121 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 122 Artikel 122 wordt aangenomen met 11 tegen 3 stemmen en 2 onthoudingen.
Art. 123 Artikel 123 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 124 Artikel 124 wordt aangenomen met 11 stemmen en 5 onthoudingen.
Art. 125 tot 126 Ze worden achtereenvolgens aangenomen 13 stemArt. 127 tot 130 Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 10 tegen 6 stemmen.
Art. 131 Mevrouw Anja Vanrobaeys c.s. dient amendement nr. 16 (DOC 55 2349/003) in dat ertoe strekt het artikel 131, 3 te wijzigen. Zij verwijst naar de schriftelijke verantwoording. De minister geeft aan dat de amendementen 16 en 17 (art. 134) beantwoorden aan het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 225/2021 van 3 december 2021. Het betreft een schrapping van het woord ‘wijzigen’ en de opsomming van de gegevens die zullen worden gedeeld en de expliciete aanduiding van RSZ als gegevensverwerkingsverantwoordelijke. Amendement nr. 16 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.
Artikel 131 wordt aldus geamendeerd aangenomen met 10 tegen 6 stemmen.
Art. 132 Artikel 132 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.
Art. 133 Artikel 133 wordt aangenomen met 10 tegen 6 Art. 134 nr. 17 (DOC 55 2349/003) in dat ertoe strekt het twee nieuwe leden toe te voegen na het art. 134, eerste lid. Zij verwijst naar de schriftelijke verantwoording. ‘De minister verwijst naar zijn uiteenzetting bij amendement nr. 16 (art. 131). Amendement nr. 17 wordt aangenomen met 11 stemmen en 5 onthoudingen.
Artikel 134 wordt aangenomen met 10 tegen 6 Art. 135 Artikel 135 wordt aangenomen met 11 tegen 5 Art. 136 Artikel 136 wordt aangenomen met 10 tegen 6 Art. 136/1 en 136/2 (nieuw) Mevrouw Anja Vanrobaeys c.s. dient amendementen nrs. 9 tot 11 (DOC 55 2349/00) in die ertoe strekken een nieuw
Hoofdstuk 6
in te voegen in Titel 8 dat de artikelen 136/1 en 136/2 bevat. Zij verwijst naar de schriftelijke verantwoording. De minister verduidelijkt dat dit nieuwe Hoofdstuk een maatregel uitvoert in het kader van de Welvaartsenveloppe 2021/22 (NAR Advies 2213): de optrekking van de loongrens voor de berekening van de vergoeding voor Arbeidsongevallen (en Beroepsziekten) per 1 januari 2022. Voor de takken die onder de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken vallen, is dit de enige maatregel die een aanpassing van een wet behoeft. De rest wordt bij koninklijk besluit geregeld. Initieel, op de Ministerraad van 2 juli 2021, had de regering deze bepalingen opgenomen in het Wetsontwerp houdende Diverse Bepalingen (DOC 55 2247/00). Daar voor de private arbeidsongevallenverzekeraars een tijdige publi catie van de wettelijke bepaling wenselijk en belangrijk is, geeft de minister aan akkoord te gaan met deze amendementen nrs. 9 tot 11 (DOC 55 2349/003) om deze bepalingen toe te voegen aan de Programmawet. ‘Amendementen nrs. 9 tot 11 worden achtereenvolgens aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.
Art. 136/3 tot 136/5 (nieuw) Mevrouw Nahima Lanjri c.s. dient amendementen nrs. 12 tot 15 in (DOC 55 2349/003) die ter toe strekken een nieuw
hoofdstuk 7
in te voegen in Titel 8 dat de artikelen 136/3 tot 136/5 bevat. Zij verwijst naar de Amendement nr. 12 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. De amendementen nrs. 13 tot 15 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. De heer Björn Anseeuw (N-VA) verzoekt om de toepassing van artikel 78, zesde lid van het Reglement, opdat de commissie het verslag van het wetsontwerp aanneemt Op verzoek van de heer Björn Anseeuw (N-VA) zal de commissie overgaan tot een tweede lezing (artikel 83 van het Reglement). De commissie heeft het verslag tijdens haar vergadering van 14 december eenparig aangenomen. De rapportrice, De voorzitster, Sophie THËMONT Marie-Colline LEROY imprmerecenrale-Cenraledrder