Details





Titel:

7 APRIL 1959. - [Koninklijk besluit betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren.] <KB 2002-11-05/34, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-07-1991 en tekstbijwerking tot 19-09-2022)



Inhoudstafel:

HOOFDSTUK I. - De bevordering tot de graden van opper- en hoofdofficier.
Art. 1, 1bis
Eerste Afdeling. - De bevorderingscomité's.
Art. 2-5
Afdeling 2. - Procedure inzake het onderzoek der kandidaturen.
Art. 6-10
Afdeling 3. - Benoeming.
Art. 11
HOOFDSTUK II. - De aanstellingen.
Eerste Afdeling. - De aanstelling in het ambt van een hogere graad.
Art. 12-13
Afdeling 2. - De aanstelling in een graad.
Art. 14, 14bis, 14ter, 14quater, 14quinquies, 14sexies, 15
HOOFDSTUK III. - De overplaatsingen.
Art. 16-17, 17bis, 18
HOOFDSTUK IV. - (De anciënniteit.) <KB 1991-06-25/35, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991>
Afdeling 1. - (De betrekkelijke anciënniteit in de graad.) <KB 1991-06-25/35, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991>
Art. 19-20
Afdeling 2. - (Anciëniteit voor bevordering in graad). Art. 21HOOFDSTUK V. - De ambtsontheffing.Eerste Afdeling. <Opgeheven bij KB 2013-10-14/12, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 31-12-2013> Art. 22-23Afdeling 2. - De definitieve ambtsontheffing.Art. 24-27, 27bis, 28-30, 30bis, 30terAfdeling 3. Art. 31, 31bis, 32-42Afdeling 4. - [1 Rendementsperiode]1.Art. 43HOOFDSTUK VI. Art. 44-50HOOFDSTUK VII. - Ereraden.Art. 51-64HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.Art. 65, 65bis, 66-69, 69bis, 70



Deze tekst heeft de volgende tekst(en) gewijzigd:





Artikels:

HOOFDSTUK I. - De bevordering tot de graden van opper- en hoofdofficier.
Artikel 1.<KB 1991-06-25/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> De procedure die aan de benoeming in een graad van opperofficier of hoofdofficier voorafgaat omvat :
  1° vaststelling door de Minister van [1 Defensie]1 (...), van de in te stellen comités [2 , in voorkomend geval, per graad of per krijgsmachtdeel]2; <KB 2002-11-05/34, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002>
  2° de samenstelling van een lijst van kandidaten door de [2 chef defensie]2;
  3° de raadpleging van de hiërarchische meerderen betreffende de graad van geschiktheid voor bevordering van de kandidaten;
  4° de opstelling van een gemotiveerd advies door de officier belast met het voordragen der kandidaturen in het bevorderingscomité;
  5° het onderzoek van de kandidaturen door het bevorderingscomité, de mededeling van het aantal te begeven plaatsen door de Minister van [1 Defensie]1 en de aanbeveling van de kandidaten door het bevorderingscomité.
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>
  (2)<KB 2017-05-17/05, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Art. 1bis.[1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
   1° "de wet van 28 februari 2007" : de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht;
   2° "de krijgsmachtdelen" : de landmacht, de luchtmacht, de marine en de medische dienst.]1
  [2 3° "het domein van de operaties" : geheel van activiteiten die in verband staan met de analyse, de planning, de voorbereiding en de uitvoering van de operationele inzet van Defensie;
   4° "het domein van het management" : geheel van activiteiten die in verband staan met de steun aan de operationele inzet van Defensie.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-12-26/04, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (2)<KB 2017-05-17/05, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Eerste Afdeling. - De bevorderingscomité's.
Art.2.[1 § 1. Kunneningesteld worden om de kandidaturen van de beroepsofficieren tot de graden van opperofficier te onderzoeken :
   1° voor ieder krijgsmachtdeel, een hoog comité georganiseerd voor de kandidaten van het betrokken krijgsmachtdeel;
   2° een hoog comité georganiseerd voor allekandidaten van de krijgsmacht.
   § 2. Kunnen ingesteld worden om de kandidaturen van de beroepsofficieren tot de graden van hoofdofficier te onderzoeken :
   1° een comité per militaire vakrichting, georganiseerd :
   a) hetzij per krijgsmachtdeel;
   b) hetzij voor het geheel van de krijgsmachtdelen;
   2° een comité georganiseerd per groepen van militaire vakrichtingen, bepaald door de minister van [2 Defensie]2, die bestaan uit :
   a) hetzij het geheel van de vakrichtingen van een krijgsmachtdeel;
   b) hetzij twee of meer vakrichtingen [3 van een krijgsmachtdeel]3;
   3° een intervakrichtingencomité voor het geheel van de militaire vakrichtingen voor de officieren;
  [3 4° twee intervakrichtingencomités, de ene in het domein van de operaties en de andere in het domein van het management.]3
   De officieren die tot de militaire vakrichting "Muzikanten" behoren, nemen evenwel niet deel aan de comités bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-12-26/04, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (2)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>
  (3)<KB 2017-05-17/05, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Art.3.De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de samenstelling en regelt de werkwijze van de verschillende comité's.
  Deze zijn samengesteld uit officieren in werkelijke dienst die benoemd zijn tot een hogere graad dan die van de officieren wier kandidatuur wordt onderzocht. (De secretaris-generaal van het ministerie van [1 Defensie]1 kan evenwel deel uitmaken van de comités. In dat geval heeft hij een medebeslissende stem.) <KB 2002-11-05/34, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002>
  [2 Indien een directeur-generaal of een onderstafchef evenwel lid van het burgerlijk personeel van het ministerie van Landsverdediging is, kan hij zetelen in de comités. In dat geval heeft hij een adviserende stem.
   Voor zover hij niet in aanmerking komt voor een onderzoek van zijn kandidatuur in het betrokken comité, is de in het tweede lid bedoelde voorwaarde van benoeming evenwel niet van toepassing op :
   1° de chef defensie aangesteld in de graad van generaal;
   2° de officier aangesteld in de graad van luitenant-generaal of van generaal-majoor;
   3° de officier aangesteld in de graad van brigade-generaal die een functie van directeur-generaal, van onderstafchef of van commandant van een component bekleedt, in het kader van de comités voor de bevordering van de hoofdofficieren.]2
  (Het aantal officieren die lid zijn van de comités mag niet minder bedragen dan :
  1° vier, voor een hoog comité;
  2° vijf, voor de overige comités.) <KB 2002-11-05/34, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002>
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>
  (2)<KB 2017-05-17/05, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Art.4.<KB 2004-09-23/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2004> De Minister van [2 Defensie]2 is voorzitter van die comités, maar heeft geen medebeslissende stem.
  Bij afwezigheid van de Minister is de chef defensie, bij zijn afwezigheid, [1 ...]1 de opperofficier met de meeste anciënniteit in de hoogste graad voorzitter van het comité.
  De Minister van [2 Defensie]2 wijst een aan de algemene directie human resources verbonden officier aan als secretaris van de comités; die officier heeft adviserende stem.
  De hoogste militaire overheid van de cel Defensie mag, voorzover zij benoemd is tot een hogere graad dan die van de officieren van wie de kandidatuur wordt onderzocht, de zittingen van de comités bijwonen. Zij heeft er een adviserende stem.
  ----------
  (1)<KB 2010-04-06/24, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 06-05-2010>
  (2)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>

Art.5.[1 § 1. De kandidaturen tot de graden van luitenant-generaal en generaal-majoor worden onderzocht door het hoog comité van het krijgsmachtdeel waartoe de kandidaten behoren.
   De kandidaturen tot de graden van luitenant-generaal en generaal-majoorvan de beroepsofficieren die door de in het eerste lid bedoelde comités niet tot deze graden werden aanbevolen of waarvoor er geen comités werden gehouden, worden eveneens onderzocht door het hoog comitégeorganiseerd voor allebetrokken kandidaten van de krijgsmacht.
   § 2. De kandidaturen tot de graden van hoofdofficier worden onderzocht door het comité van de vakrichting, in voorkomend geval, van het krijgsmachtdeel waartoe de kandidaten behoren.
   De kandidaturen tot de graden van hoofdofficier van de officieren die door de in het eerste lid bedoelde comités niet tot deze graden werden aanbevolen of waarvoor er geen comités werden gehouden, worden eveneens onderzocht door het comité van de groep van vakrichtingen waartoe de kandidaten behoren.
   De kandidaturen tot de graden van hoofdofficier van de officieren die door de in het eerste en het tweede lid bedoelde comités niet tot deze graden werden aanbevolen of waarvoor er geen comités werden gehouden, worden eveneens onderzocht [4 , voor zover ze georganiseerd worden,]4 door het intervakrichtingencomité [2 of de intervakrichtingencomités in de domeinen van de operaties en van het management, te beginnen met het comité in het domein van de operaties en vervolgens het comité in het domein van het management]2.
  [2 De comités worden georganiseerd op een zodanige manier dat de kandidatuur van elke officier hetzelfde aantal maal wordt onderzocht in de verschillende comités.]2
   § 3. De kandidatuur voor de graad van majoor mag aan het bevoegd bevorderingscomité niet worden voorgelegd, zolang de officier niet :
   1° ten minste vijftig procent van de punten behaald heeft op een test betreffende de kennis van het Engels, georganiseerd door een organisme erkend door de [3 directeur-generaal human resources]3, en waarvoor de taalcompetentie minstens het niveau 2222 moet bereiken van de eisen inzake taalcompetentie bedoeld in de standardization agreement (STANAG) 6001 van de NAVO;
   2° [5 met succes de vorming voor kandidaat hoofdofficier gevolgd heeft.]5
   [5 De kandidaat die nog niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, waardoor de kandidatuur niet samen met die van de officieren met gelijke anciënniteit kan worden onderzocht, wordt ingeschreven op de eerste kandidatenlijst die zal worden onderzocht nadat hij aan deze voorwaarden voldoet.]5]1
  ----------
  (1)<KB 2013-12-26/04, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (2)<KB 2017-05-17/05, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<KB 2017-06-18/13, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<KB 2021-03-08/01, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 08-04-2021>
  (5)<KB 2022-07-20/35, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 26-08-2022>

Afdeling 2. - Procedure inzake het onderzoek der kandidaturen.
Art.6.<KB 1991-06-25/35, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> § 1. Voor zover er comités ingericht worden overeenkomstig artikel 1, 1°, stelt de [4 chef defensie]4 (voor elk comité) en in volgorde van hun anciënniteit in de laatste graad, de lijst op van alle officieren wier kandidatuur aan het bevorderingscomité zal voorgelegd worden. <KB 2002-11-05/34, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002>
  § 2. Een kandidaat wordt voor de eerste maal op een lijst ingeschreven indien hij, op de voorziene benoemingsdatum, voldoet aan de bij artikel 21 voor zijn graad [2 ...]2 vastgestelde anciënniteitsvoorwaarden.
  Zolang hij blijft voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, wordt elke kandidaat [5 van rechtswege op zeven lijsten]5 ingeschreven.
  (Evenwel wordt de kandidaat tot de graad van opperofficier die ingeschreven is op meerdere lijsten voor de hoge bevorderingscomités gehouden in een zelfde kalenderjaar, geacht slechts op één enkele lijst in de zin van het tweede lid te zijn ingeschreven.) <KB 2001-06-28/43, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 23-07-2001>
  § 3. (...) <KB 2002-11-05/34, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 04-11-2002>
  ----------
  (1)<KB 2013-12-05/03, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 16-12-2013>
  (2)<KB 2013-12-26/04, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (3)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>
  (4)<KB 2017-05-17/05, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<KB 2018-04-30/05, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 19-05-2018>

Art.7.<KB 1991-06-25/35, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> § 1. De hiërarchische meerderen verstrekken hun advies over de kandidaat volgens de regels vastgesteld door de Minister van [1 Defensie]1 en in de vorm die hij voorschrijft. Die adviezen worden ter kennis gebracht van de kandidaat, die zijn opmerkingen kan doen gelden.
  Die formaliteit wordt niet vereist voor de kandidaten tot de graad van luitenant-generaal of van vice-admiraal.
  (Indien er, in de loop van een kalenderjaar, meerdere comités voor het onderzoek van de kandidaturen tot de graad van generaal-majoor ingericht worden, is het advies bedoeld in het eerste lid, verstrekt over een kandidaat ter gelegenheid van het eerste comité ingericht in de loop van dit kalenderjaar, geldig voor alle comités ingericht in de loop van dit kalenderjaar.) <KB 2001-06-28/43, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 23-07-2001>
  § 2. (Voor alle bevorderingscomités brengt de chef defensie of, bij zijn afwezigheid, de overheid bedoeld in artikel 4, tweede lid, een gemotiveerd advies uit over de kandidaten. Op de door de Minister van [1 Defensie]1 vastgestelde wijze, draagt hij de kandidaturen voor bij het bevorderingscomité. Hij mag zich laten bijstaan door de (directeur-generaal) human resources of de door deze laatste aangewezen overheid. Voor alle bevorderingscomités voor hoofdofficieren mag deze overheid behorende tot de algemene directie human resources zich laten bijstaan door één of meerdere van zijn medewerkers.) <KB 2004-09-23/32, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2004> <KB 2007-09-12/32, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 21-09-2007>
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>

Art.8.<KB 1991-06-25/35, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> Het bevorderingscomité brengt advies uit over de geschiktheid van de kandidaten om het ambt van de hogere graad te vervullen.
  Op basis van het gemotiveerd advies van de officier belast met het voordragen van de kandidaturen worden de respectieve verdiensten van de kandidaten vergeleken.
  De meest verdienstelijke kandidaten worden aanbevolen binnen het door de Minister van [1 Defensie]1 vastgesteld maximum aantal opengestelde plaatsen.
  De opeenvolgende etappes in de adviesvorming van het bevorderingscomité worden bekrachtigd door één of meer stemmingen.
  De beraadslagingen van het bevorderingscomité zijn geheim.
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>

Art.9.<KB 1991-06-25/35, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> De secretaris van het comité maakt de notulen op en zendt deze aan de Minister van [1 Defensie]1.
  Hierin dienen te worden vermeld :
  1° de samenstelling van het comité;
  2° het aantal te begeven betrekkingen;
  3° de voordracht van de kandidaturen;
  4° het advies van het comité over de voordracht;
  5° de aanbevolen kandidaten;
  6° de uitslag van de hiertoe gehouden stemmingen.
  (laatste lid, zie Franse versie)
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>

Art.10. (Opgeheven) <KB 03-11-1964, art. 6>

Afdeling 3. - Benoeming.
Art.11.Onze keuze geschiedt op voordracht van de Minister van [1 Defensie]1, in de volgorde der lijsten van kandidaten, [2 op basis van de beoordelingselementen die de dag vóór het comité beschikbaar waren,]2 en, in iedere lijst, binnen de perken van het aantal ambten dat door de Minister van [1 Defensie]1, bij gelegenheid van het onderzoek door het comité, werd toegekend.
  De Minister van [1 Defensie]1 is er niet toe gehouden zich bij het advies van het comité aan te sluiten.
  De notulen van de zitting van het comité worden Ons op zijn laatst bij gelegenheid van de eerste benoemingsvoordracht toegezonden.
  Nadat een van de kandidaten van een lijst benoemd is, mag geen benoeming meer gedaan worden in een vroegere lijst.
  (§ 2 opgeheven) <KB 27-10-1976, art. 4>
  ----------
  (1)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>
  (2)<KB 2017-05-17/05, art. 7, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

HOOFDSTUK II. - De aanstellingen.
Eerste Afdeling. - De aanstelling in het ambt van een hogere graad.
Art.12. (Opgeheven) <KB 30-04-1980, art. 6>

Art.13.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Afdeling 2. - De aanstelling in een graad.
Art.14.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art. 14bis.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art. 14ter.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art. 14quater.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art. 14quinquies.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art. 14sexies.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art.15.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

HOOFDSTUK III. - De overplaatsingen.
Art.16.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art.17.[1 § 1. Wanneer een collectieve overplaatsing wordt overwogen bij toepassing van artikel 42 van de wet van 28 februari 2007, wordt door de minister van [2 Defensie]2 een overlegcomité met de representatieve vakorganisaties bijeengeroepen, dat een advies moet uitbrengen over de opportuniteit van de collectieve overplaatsing.
   § 2. De chef Defensie, of zijn door de minister aangewezen plaatsvervanger, neemt het voorzitterschap waar van dit overlegcomité.
   Naast de voorzitter bestaat het comité uit de volgende leden :
   1° minstens één vertegenwoordiger van de minister;
   2° minstens drie hoofdofficieren in werkelijke dienst aangeduid door de chef Defensie;
   3° maximum twee vaste vakbondsafgevaardigden van elke representatieve vakorganisatie;
   4° een officier-secretaris, aangeduid door de voorzitter, verantwoordelijk voor het opstellen van de notulen van de zitting.
   § 3. Nadat het kennis genomen heeft van de voorgestelde collectieve overplaatsing, verstrekt het overlegcomité aan de minister van [2 Defensie]2 een gemotiveerd advies over de opportuniteit van deze overplaatsing, waarbij de notulen van de beraadslaging gevoegd zijn. Deze beide documenten worden gevoegd bij de voordracht die Ons door de minister van [2 Defensie]2 wordt gedaan.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-12-26/04, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (2)<KB 2016-01-29/11, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 11-03-2016>

Art. 17bis.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Art.18.
  <Opgeheven bij KB 2013-12-26/04, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

HOOFDSTUK IV. - (De anciënniteit.)
Afdeling 1. - (De betrekkelijke anciënniteit in de graad.)
Art.19. (Opgeheven) <KB 1994-08-11/30, art. 134, 2°, 006; Inwerkingtreding : 15-08-1994>

Art.20.<KB 1991-06-25/35, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 10-07-1991> Indien een officier anciënniteit verliest overeenkomstig [1 de artikelen 53 of 64 van de wet van 28 februari 2007]1 wordt zijn datum van benoeming in de graad die hij bekleedt verschoven met een tijdsduur overeenstemmend met de in mindering te brengen anciënniteit.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-26/04, art. 8, 030; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

Afdeling 2. - (Anciëniteit voor bevordering in graad).   Art. 21. [1 Naargelang zijn hoedanigheid van officier van niveau A of van officier van niveau B bedoeld in artikel 27, § 3, van de wet van 28 februari 2007, kan de beroepsofficier]1 slechts in de onmiddellijke hogere graad worden bevorderd indien hij een minimum anciënniteit heeft per graad die vastgesteld wordt als volgt :   1° onderluitenant of vaandrig-ter-zee tweede klasse : (3 jaar);   2° luitenant of vaandrig-ter-zee : 5 jaar;  3° kapitein of luitenant-ter-zee : 5 jaar;  4° kapitein-commandant of luitenant-ter-zee eerste klasse : 2 jaar;  5° majoor of korvetkapitein : 4 jaar;  6° luitenant-kolonel of fregatkapitein : 5 jaar;  7° kolonel of kapitein-ter-zee : 4 jaar;  8° generaal-majoor of divisieadmiraal : 2 jaar.  [1 In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de beroepsofficier van de vakrichting "Inwerkingstelling van luchtwapensystemen" die, bij toepassing van artikel 77/1 van de wet van 28 februari 2007, behoort tot de categorie van het gebrevetteerd varend personeel van de luchtmacht, slechts in de graad van kapitein worden bevorderd, indien hij een minimum anciënniteit van twee jaar in de graad van luitenant heeft. De minimum anciënniteit in de graad van luitenant is evenwel 5 jaar voor de beroepsofficier behorend tot de vakrichting "Inwerkingstelling van luchtwapensystemen" die, de dag vóór de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 juli 2007 betreffende de organisatie van de vakrichtingen en competentiepools, niet tot het korps van het varend personeel van de luchtmacht behoorde.]1  ([1 In afwijking van het eerste lid, 1° tot 3°, kan de officier die behoort tot de vakrichting "Medische technieken" slechts in de onmiddellijk hogere graad worden bevorderd, indien hij een minimum anciënniteit heeft per graad die vastgesteld wordt als volgt :]1  1° onderluitenant : 4 jaar;  2° luitenant : 2 jaar;  3° kapitein : 7 jaar.)   (lid 4 opgeheven)   Teneinde te voldoen aan de kaderbehoeften van de krijgsmacht kan door de Minister van [2 Defensie]2, op gemotiveerd advies van de (chef defensie), van bovenvermelde minimum anciënniteiten afgeweken worden. (Die afwijking mag) niet tot gevolg hebben dat de minimum anciënniteit op minder dan twee jaar wordt gebracht.   (laatste lid, zie Franse versie)  ----------  (1)   (2)   HOOFDSTUK V. - De ambtsontheffing.  Eerste Afdeling.   Art. 22.   Art. 23.   Afdeling 2. - De definitieve ambtsontheffing.  Art. 24.     Art. 25.     Art. 26.     Art. 27.     Art. 27bis.     Art. 28.     Art. 29.     Art. 30.     Art. 30bis. Wordt een officier veroordeeld zonder uitstel tot de afzetting als bepaald in artikel 6 van het Militair Strafwetboek of wordt hij op grond van de artikelen 32 of 33 van het Strafwetboek ontzet zonder uitstel uit één of meer rechten genoemd in artikel 31 van hetzelfde Wetboek, zonder dat die maatregel hem de hoedanigheid van militair doet verliezen, dan wordt hij teruggesteld in de graad van soldaat of van matroos van het beroepskader. De Koning kan hem echter op grond van artikel [1 57 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht]1 van ambtswege uit zijn ambt ontzetten en voor de toepassing van dat artikel wordt de officier geacht zijn graad te hebben behouden.  ----------  (1)   Art. 30ter.(Ingevoegd bij KB 2001-01-10/37, art. 1; Inwerkingtreding : 10-02-2001) De Minister van [2 Defensie]2 is de aangeduide overheid bedoeld in artikel [1 52, § 4, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht]1 en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst.   ----------  (1)   (2)   Afdeling 3.      Art. 31.     Art. 31bis.     Art. 32.     Art. 33.     Art. 34.     Art. 35.     Art. 36.     Art. 37.     Art. 38.     Art. 39.     Art. 40.     Art. 41.     Art. 42.     Afdeling 4. - [1 Rendementsperiode]1.  ----------  (1)   Art. 43.[1 Om aanleiding te geven tot een rendementsperiode, moet de gecumuleerde kostprijs op een periode van twee jaar van een vorming, gevolgd op kosten van het ministerie van Landsverdediging, minstens 5.000 euro bedragen. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01]1  ----------  (1)   HOOFDSTUK VI.      Art. 44.     Art. 45.     Art. 46.     Art. 47.     Art. 48.     Art. 49.     Art. 50.     HOOFDSTUK VII. - Ereraden.  Art. 51. (Opgeheven)   Art. 52. (Opgeheven)   Art. 53. (Opgeheven)   Art. 54. (Opgeheven)   Art. 55. (Opgeheven)   Art. 56. (Opgeheven)   Art. 57. (Opgeheven)   Art. 58. (Opgeheven)   Art. 59. (Opgeheven)   Art. 60. (Opgeheven)   Art. 61. (Opgeheven)   Art. 62. (Opgeheven)   Art. 63. (Opgeheven)   Art. 64. (Opgeheven)   HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.  Art. 65. (§ 1. De benaming van de graad van de officieren wordt aangevuld met de vermelding van één van de volgende kwalificaties [1 ...]1 : vlieger, (...) van administratie, van het vliegwezen, technicus, van de diensten.)   § 2. [2 De benaming van de graad van de officier die behoort tot de vakrichting "Medische technieken" en die houder is van een master in de, naargelang het geval, geneeskunde, dierengeneeskunde, tandheelkunde of farmaceutische zorg, of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift, wordt respectievelijk aangevuld met de benaming : "geneesheer", "dierenarts", "tandarts" of "apotheker".]2  § 3. (Aan de benaming van de graad van de officieren die houder zijn van het stafbrevet, van het hogere stafbrevet, van het brevet van militair administrateur of van het hogere brevet van militair administrateur, wordt toegevoegd, naargelang het geval : "stafbrevethouder" of "militair administrateur".)   (§ 4. Aan de benaming van de graad van de officieren die houder zijn van het brevet van ingenieur van het militair materieel, wordt toegevoegd "ingenieur van het militair materieel".)   [2 ...]2  ----------  (1)   (2)   Art. 65bis. De militaire attachés bij de ambassades of gezantschappen van België in het buitenland mogen de titel voeren van defensie-attaché.  Art. 66. (Opgeheven)   Art. 67. § 1. Met Onze goedkeuring beslist de Minister van [1 Defensie]1 over :  1° de aanwijzing van de opperofficieren en de aanwijzing van hoofdofficieren voor ambten organiek voor een opperofficier voorzien;  2° de aanwijzing van officieren voor ambten organiek voor een " opperofficier of hoofdofficier " voorzien.  § 2. Onverminderd de bijzondere bepalingen, beslist (de directeur-generaal human resources) over de aanwijzing van de andere officieren.   ----------  (1)   Art. 68. Wanneer het leger gemobiliseerd is voor de oorlog, kunnen de regelen vervat in de hoofdstukken I en III buiten toepassing blijven.  Art. 69. Opgeheven worden :  1° het koninklijk besluit van 13 oktober 1838 betreffende de uitvoering van de wet op de staat en de stand der officieren;  2° het koninklijk besluit van 12 november 1938 houdende regeling van de toepassing van de wet op het verlies van de graad der officieren van het leger;  3° het koninklijk besluit van 7 februari 1840 betreffende de nieuwe wijze van samenstelling en bijeenroeping van de onderzoeksraden voor de toepassing van de wet op het verlies van de graad;  4° het koninklijk besluit van 9 september 1853 betreffende de oprichting van onderzoeksraden die kennis moeten nemen van de feiten ten laste gelegd van de in Limburg en Luxemburg gelegerde officieren;  5° het koninklijk besluit van 10 december 1888 betreffende de samenstelling van de onderzoeksraden ingesteld ter uitvoering van de wet van 16 juni 1836 op het verlies van de graad;  6° het koninklijk besluit van 25 april 1889 tot instelling van de ereraden in de regimenten;  7° het reglement betreffende de verloven der officieren en gelijkgestelden goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 22 maart 1921 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1950, behalve artikelen 8, 18, 47, 48, 49;  8° het koninklijk besluit van 6 februari 1933 betreffende de benoemingen en aanwijzingen van officieren voor een hoog commando of een bijzonder ambt;  9° het koninklijk besluit van 23 maart 1933 betreffende de onderverdeling van de graad van kapitein, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 7 december 1949;  10° artikel 7 van het besluit van de Regent van 30 augustus 1948 bepalende zekere toepassingsmodaliteiten van de wet van 3 april 1948 op de stand en de bevordering van de officieren van de luchtmacht;  11° het koninklijk besluit van 12 maart 1951 genomen ter uitvoering van de wet van 15 september 1924 op de stand en de bevordering der officieren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 januari 1957;  12° het koninklijk besluit van 14 juli 1951 tot instelling van een procedure, met het oog op de maatregelen te nemen ten aanzien van de ongeschikte of onwaardige officieren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1955;  13° het koninklijk besluit van 16 juli 1951, betreffende de bevorderingcomité's, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 januari en 8 juli 1952, van 11 mei 1953, van 1 juli 1957 en van 24 december 1958;  14° het koninklijk besluit van 6 oktober 1951 genomen ter uitvoering van de wet van 3 april 1948 op de stand en de bevordering der officieren van de luchtmacht, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 17 december 1953 en van 14 januari 1957;  15° het koninklijk besluit van 9 oktober 1951 betreffende de onderverdeling der graden van luitenant-ter-zee, luitenant technieker en kapitein der diensten van de actieve kaders der zeemacht;  16° het koninklijk besluit van 27 november 1951 betreffende de onderverdeling van de graad van kapitein bij de luchtmacht;  17° de artikelen 7 en 9 van het koninklijk besluit van 8 juli 1952 betreffende de officieren ingenieurs der militaire fabrikaten;  18° het koninklijk besluit van 12 juli 1952 genomen ter uitvoering van de wet van 14 juni 1951 op de stand en de bevordering der officieren van de zeemacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 januari en 1 juli 1957;  19° het koninklijk besluit van 20 oktober 1953 betreffende de eregraad en de eretitel van de laatste graad der officieren van de krijgsmacht;  20° het koninklijk besluit van 5 november 1956, genomen ter uitvoering van artikel 14 van de wet van 15 september 1924 betreffende de stand en de bevordering der officieren, met uitzondering van artikel 3.  Art. 69bis.     Art. 70. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.