Wetsvoorstel Tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat de reglementering van gemotoriseer
Documentdetails
📁 Dossier 55-2354 (9 documenten)
🗳️ Stemmingen
Betrokken partijen
Volledige tekst
18 maart 2022 WETSVOORSTEL tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat de reglementering van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen betreft Zie: 55 2354/ (2021/2022): Wetsvoorstel van de heer Vandenbroucke. Amendementen
AMENDEMENTEN
06631 Nr. 5 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 2 Dit artikel vervangen als volgt: “Art. 2. In artikel 2.15.2 van het koninklijk besluit van december 1975 houdende algemeen reglement op e politie van het wegverkeer en van het gebruik van e openbare weg, vervangen bij het koninklijk besluit an 13 februari 2007, gewijzigd bij het koninklijk besluit an 21 juli 2016 en de wet van 13 april 2019, worden e volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de oorden “dat door bouw en motorvermogen, op een orizontale weg, niet sneller kan rijden dan 25 km per ur,” vervangen door de woorden “en met een door e constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km er uur,” 2° het laatste lid wordt opgeheven.” VERANTWOORDING De formulering met betrekking tot de snelheidsbeperking n 25 km/u voor de gemotoriseerde voortbewegingstoestel- n wordt vereenvoudigd en in overeenstemming gebracht et de formulering die in andere definities wordt gebruikt. De gelijkstelling van gebruikers van voortbewegingstoe- ellen met fietsers of voetgangers gebeurt in artikel 7bis. ijgevolg wordt deze bepaling uit de definitie gehaald. Joris VANDENBROUCKE (Vooruit) Laurence ZANCHETTA (PS) Vincent SCOURNEAU (MR) Nicolas PARENT (Ecolo-Groen) Jef VAN DEN BERGH (CD&V) Marianne VERHAERT (Open Vld) Kim BUYST (Ecolo-Groen) Art. 3 “Art. 3. In artikel 7bis van hetzelfde besluit, vervangen ij het koninklijk besluit van 21 juli 2016, worden de olgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste en tweede lid wordt het woord niet-gemotoriseerde” telkens ingevoegd tussen e woorden “De gebruikers van” en het woord voortbewegingstoestellen”; 2° tussen het tweede en het derde lid worden twee eden ingevoegd, luidende: “De gebruikers van gemotoriseerde voortbewegings- oestellen worden gelijkgesteld met fietsers. Echter, de personen met een verminderde mobiliteit ie gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebrui- en die uitsluitend voor hen zijn bestemd en waarmee iet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden elijkgesteld met voetgangers.” Artikel 7bis regelt het gebruik van voortbewegingstoestellen. De volgende personen worden voortaan met voetgangers lijkgesteld, en mogen dus stapvoets van de trottoirs gebruik aken: — de gebruikers van niet-gemotoriseerde voortbeweging- oestellen; — mensen met een verminderde mobiliteit. In andere gevallen, dat wil zeggen wanneer er een motor nwezig is en/of wanneer er sneller dan stapvoets wordt reden, worden voortbewegingstoestellen met fietsers ge- kgesteld en moeten zij, naargelang het geval, op de weg of het fietspad rijden.
Art. 3/1 (nieuw) Een artikel 3/1 invoegen, luidende: “Art. 3/1.
Artikel 8.2 van hetzelfde besluit, gewij- igd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1987, 8 september 1991, 23 maart 1998, 14 mei 2002, 0 juli 2006, 1 september 2006, 13 februari 2007, mei 2007, 28 november 2008, 16 juli 2009, 0 september 2009, 28 april 2011, 15 november 2013, 9 januari 2014 en de wet van 21 juli 2016, wordt aan- evuld met de bepaling onder 7°, luidende: “7° 16 jaar voor de bestuurders van gemotoriseerde oortbewegingstoestellen, behalve: a) in woonerven en erven; b) op voorbehouden wegen, bedoeld in artike- en 22quinquies et 22octies; c) in voetgangerszones, overeenkomstig arti- el 22sexies 1.2°; d) in speelstraten; e) voor de personen met een verminderde mobiliteit ie gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebrui- en die uitsluitend voor hen zijn bestemd.”.” De meeste voortbewegingstoestellen worden uitsluitend or een motor aangedreven, in tegenstelling tot fietsen, of ektrische fietsen, die geheel of gedeeltelijk door fysieke acht worden aangedreven. Het is dus gemakkelijk om zonr inspanning een bepaalde snelheid te bereiken. Veel voortbewegingstoestellen zijn ook minder stabiel dan tsen, en kwetsbaarder voor gaten en hobbels in de weg, nwege hun kleinere wielmaat. De doeltreffendheid van het remsysteem is ook niet altijd garandeerd, soms rechtstreeks door het ontwerp van het ertuig, soms door het aantal en de grootte van de wielen de ligging van het zwaartepunt. Sommige vereisen ook enige oefening voordat ze op een ldoende gecontroleerde manier kunnen worden bestuurd. In het belang van de verkeersveiligheid wordt daarom sloten een minimumleeftijd in te voeren voor het besturen n een gemotoriseerd voortbewegingstoestel op de open- re weg. De gekozen minimumleeftijd is dezelfde als voor het bestu- n van bromfietsen van klasse A en gemotoriseerde rijwielen, e ook een snelheid van 25 km/u kunnen bereiken: 16 jaar. De verkeersveiligheidsdoelstelling van deze minimum- eftijd verliest echter haar relevantie wanneer het gaat om egen met weinig, geen of slechts langzaam gemotoriseerd rkeer, zoals de dijk of de “RAVeL”. Zo blijven er verschillende aatsen waar jongeren onder de 16 jaar een gemotoriseerd ortbewegingstoestel mogen besturen. De voorbehouden wegen zijn die welke worden bedoeld in artikelen 22quinquies en 22octies en zijn aangeduid met borden F99a, F99b en F99c. Voetgangerszones waar ook fietsers zijn toegelaten beho- n ook tot de uitzonderingen. De wegbeheerder zal dus kun- n kiezen of fietsen en gemotoriseerde voortbewegingstoe- ellen toegelaten of verboden worden in voetgangerszones.
Art. 3/2 (nieuw) Een artikel 3/2 invoegen, luidende: “Art. 3/2. In artikel 23.3 van hetzelfde besluit, inge- oegd bij het koninklijk besluit van 20 juli 1990, worden e volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “, voortbewegingstoestellen” worden ngevoegd tussen het woord “Fietsen” en de woorden en tweewielige bromfietsen”; 2° de woorden “in artikel 70.2.1.3°, f)” worden vervan- en door “in artikelen 70.2.1.3°, f), en 77.5, tweede lid”; 3° het volgende lid wordt toegevoegd: “De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor ersonen met een verminderde mobiliteit mogen altijd uiten de rijbaan en die plaatsen opgesteld worden.”.” Het artikel 23.3 wordt aangepast met als doel de regels met trekking tot het stilstaan en parkeren van gemotoriseerde niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen te verdui- lijken, op dezelfde manier als de fietsen en de tweewielige omfietsen. Dit artikel wordt ook in die zin gewijzigd dat fietsen, ortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen op de baan of op parkeerstroken kunnen worden geplaatst, mits specifieke markeringen of een specifieke parkeerinfrastruc- ur aanwezig is. In dat geval is een verticale signalisatie niet nger vereist. r. 9 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/3 (nieuw) Een artikel 3/3 invoegen, luidende: “Art. 3/3.
Artikel 44.2 van hetzelfde besluit, opge- even bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006, ordt hersteld in de volgende lezing: “44.2. Het is verboden personen te vervoeren op oortbewegingstoestellen, behalve op voortbewegings- oestellen gebouwd voor het vervoer van personen op oorwaarde dat er niet meer passagiers worden ver- oerd dan het getal waarvoor de zitplaats of zitplaatsen ngericht zijn.”.” De meeste gemotoriseerde voortbewegingstoestellen zijn et ontworpen om passagiers te vervoeren. Er zijn duidelijke rkeersveiligheidsproblemen wanneer bijvoorbeeld twee of lfs drie mensen op een elektrische step rijden. Dit is nu pliciet verboden. Voor gemotoriseerde voortbewegingstoestellen die speci- l zijn ontworpen voor het vervoer van passagiers (kinderen, rsonen met een verminderde mobiliteit, enz.), omdat zij één meer zitplaatsen voor passagiers hebben, is het verbod et langer relevant, en wordt dus een uitzondering gemaakt. Ter herinnering: overeenkomstig de Europese regelgeving erordening 168/2013/EU) kunnen elektrische steps die zijn tgerust met een zadel of een zitplaats voor de bestuurder oger dan 54 cm ten opzichte van de grond) niet worden schouwd als voortbewegingstoestellen en zijn ze daarom et toegestaan op de openbare weg, tenzij ze zijn goedgeurd als bromfiets. 2 9 r. 10 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/4 (nieuw) Een artikel 3/4 invoegen, luidende: “Art. 3/4. In artikel 65.2 van hetzelfde besluit, ge- ijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 1990, 8 december 2002, 10 september 2009, 21 juli 2016 en 0 februari 2018, worden de volgende wijzigingen angebracht: 1° in het tweede lid wordt het woord “, voortbewe- ingstoestellen” ingevoegd tussen de woorden “de etsen” en de woorden “en tweewielige bromfietsen”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende nderborden: “M21 Voortbewegingstoestellen. M22 Deel-voortbewegingstoestellen. M23 Deelfietsen. M24 Deelfietsen en deel-voortbewegingstoestellen.”; 3° tussen het tweede en het derde lid worden een id ingevoegd, luidende: “Deze symbolen mogen gecombineerd worden op en enkel onderbord van het model M.”.” Het parkeren van gemotoriseerde voortbewegingstoe- ellen, en in het bijzonder van elektrische deelsteps, is een obleem, onder meer omdat het de andere gebruikers op ottoirs of fietspaden hindert. Daarom wordt besloten het aan de wegbeheerder over laten het parkeren van gemotoriseerde voortbewegings- estellen in bepaalde zones te verbieden, en tegelijkertijd nnen die zone de mogelijkheid te voorzien om specifieke rkeerplaatsen voor deze voertuigen in te richten. Deze mogelijkheid wordt ook ingevoerd voor fietsen en or deelfietsen om het ongecontroleerd parkeren ervan te orkomen waar dit een probleem kan vormen. Het in deze artikelen bedoelde delen betreft voertuigen e tegen betaling aan een gebruiker ter beschikking worden steld voor occasionele en korte ritten, waarbij het voertuig elk gebruik wordt achtergelaten op een locatie naar keuze e niet beperkt is tot een voorbehouden parking. Er worden nieuwe onderborden toegevoegd om het par- ren van (deel)voortbewegingstoestellen en (deel)fietsen organiseren. De draagwijdte van de borden E1 (parkeerverbod) en E3 tilstaan- en parkeerverbod) wordt uitgebreid tot het trottoir anneer zij worden aangevuld met een onderbord van type . Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk het parkeren en/of ilstaan van voortbewegingstoestellen (gedeeld of niet) op t trottoir te verbieden.
Artikel 70.2.1.3°, f), wordt in die zin gewijzigd dat deelsteps, elfietsen en tweewielige bromfietsen worden opgenomen de verkeerstekens die betrekking hebben op het parkeren. it geldt ook voor speed pedelecs, aangezien hierin nog niet as voorzien, hoewel een symbool (M19) specifiek voor deze ertuigen bestaat. r. 11 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/5 (nieuw) Een artikel 3/5 invoegen, luidende: “Art. 3/5. In artikel 65.5.9, ingevoegd bij het koninklijk esluit van 18 september 1991, wordt het volgende onale verkeersbord als voorbeeld toegevoegd: ” r. 12 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/6 (nieuw) Een artikel 3/6 invoegen, luidende: “Art. 3/6. In artikel 70.2.1, 1°, laatste lid, van hetzelfde esluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 janu- ri 2014 worden de woorden “65.2, tweede lid,” inge- oegd tussen de woorden “in artikel” en de woorden 70.2.1, 3°”.” r. 13 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/7 (nieuw) Een artikel 3/7 invoegen, luidende: “Art. 3/7.
Artikel 70.2.1, 3°, f), ingevoegd bij het ko- inklijk besluit van 20 juli 1990, wordt vervangen als olgt: “f) een onderbord van het model M1, M8 en M19 tot 24, duidt, naargelang het geval, de plaatsen aan waar etsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige brom- etsen, gedeeld of niet, mogen geplaatst worden.”.” r. 14 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/8 (nieuw) Een artikel 3/8 invoegen, luidende: “Art. 3/8.
Artikel 70.2.2, 1°, tweede lid, van hetzelfde esluit wordt aangevuld met de volgende zin: “Wanneer deze verkeersborden worden aangevuld et een onderbord van het model M21 t.e.m. M24 gel- en ze op het trottoir behalve op de parkeerplaatsen edoeld in artikelen 70.2.1.3°, f), en 77.5, tweede lid.”.” r. 15 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/9 (nieuw) Een artikel 3/9 invoegen, luidende: “Art. 3/9.
Artikel 77.5 wordt aangevuld met het vol- ende lid: “Een parkeerplaats voorzien van rekken, van een arkering of van de symbolen voorzien op de onder- orden M1, M8 en M19 tot M24, is, naargelang het eval, voorbehouden voor voortbewegingstoe-stellen, etsen of tweewielige bromfietsen, gedeeld of niet.”.” De in artikel 77.5 bedoelde wegmarkeringen worden ngevuld met twee mogelijkheden voor gemotoriseerde ortbewegingstoestellen: — de markering van een parkeervak in combinatie met kken, naar gelang het geval buiten de parkeerstroken, b.v. bijzonder brede trottoirs of op pleinen; — de markering van een parkeervak in combinatie met het mbool van het betrokken “voertuig” (fiets, step, bromfiets), te voorkomen dat andere voertuigen parkeren op een aats die niet voor hen bestemd is. De combinatie van rekken en het symbool op een parkeer- k is vanzelfsprekend ook mogelijk. Wat het parkeren betreft, gaat het erom alternatieven te orzien voor de reeds talrijke borden, waarvan de toename visuele kwaliteit van bepaalde stedelijke milieus (histo- ch centrum, beschermde gevels, parken, enz.) zou kunnen ntasten. Onder “rekken” wordt verstaan inrichtingen van verschil- nde vorm (“omgekeerde U” of nietje, fietsenrek, enz.), aarvan het duidelijk is dat het doel is er een fiets te plaatsen tegenaan te zetten en kan worden vastgemaakt. r. 16 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/10 (nieuw) Een artikel 3/10 invoegen, luidende: “Art. 3/10.
Artikel 82bis van hetzelfde besluit, inge- oegd bij het koninklijk besluit van 13 februari 2013, ordt vervangen als volgt: “Art. 82bis. VOORTBEWEGINGS-TOESTELLEN. 82bis.1. Reflectoren 1° Gemotoriseerde voortbewegings-toestellen met en stuur moeten altijd vooraan een witte reflector en chteraan een rode reflector voeren. 2° Gemotoriseerde voortbewegingstoestellen moe- en altijd een zijdelingse signalisatie voeren bestaande it:— ofwel een witte reflecterende strook langs elke ant van de voetsteunen; — ofwel een witte reflecterende strook in de vorm an een doorlopende cirkel langs elke kant van de band an het voor- en achterwiel; — ofwel de combinatie van de twee voornoemde ypes 82bis.2. Geluidstoestel. De gemotoriseerde voortbewegingstoestel-len et een stuur moeten uitgerust zijn met een geluids- oestel die kan gehoord worden van op een afstand an 20 meter. 82.bis.3. Remmen. Gemotoriseerde voortbewegingstoestellen moeten oorzien zijn van voldoende doelmatige remmen. 82.bis.4. Afmetingen. De maximale breedte van een voortbewegingstoestel s 1 meter.”.” Dit artikel introduceert bepalingen met betrekking tot de eedte en de technische uitrusting van gemotoriseerde voort- wegingstoestellen (reflectoren, geluidstoestel, remmen). r. 17 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 3/11 (nieuw) Een artikel 3/11 invoegen, luidende: “Art. 3/11. Deze wet treedt in werking op de eerste ag van de maand na afloop van een termijn van tien agen te rekenen van de dag volgend op de bekendaking ervan in het Belgisch Staatsblad.” r. 18 VAN DE HEER VANDENBROUCKE c.s.
Art. 4 “Art. 4. De Koning kan de bepalingen gewijzigd bij e artikelen 2 tot 3/11 opheffen, aanvullen, wijzigen of ervangen.” Imprimerie centrale – Centrale drukkerij