Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2351 Wetsontwerp 📅 2022-01-10 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (13/01/2022)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS)
Onderwerpen
BELASTINGADMINISTRATIE REGISTRATIERECHT FISCAAL RECHT HYPOTHEEK INKOMSTENBELASTING Vrije trefwoorden TERUGVORDERING

🗳️ Stemmingen Aangenomen

Betrokken partijen

CD&V N-VA VB

Sprekers (5)

Steven Mathei (CD&V) Joy Donné (N-VA) Wouter Vermeersch (VB) Johan Van Overtveldt (N-VA) Steven Matheï (CD&V)
Stemdetail (35 stemmingen)
Art. 28 aangenomen
Art. 1 eenparig aangenomen
Art. 13 aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen
Art. 24 aangenomen met 10 stemmen en 6 onthoudingen Art
Art. 26 aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen
Art. 27 aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding Art
Art. 28 aangenomen met 12 tegen 3 stemmen en 1 onthouding
Art. 29 aangenomen met 13 stemmen en Artikelen 30 en 31 (vroegere artikelen 27 en 28) Er worden geen verdere opmerkingen geformuleerd bij deze artikelen
Art. 32 aangenomen met 13 stemmen en 3 Art
Art. 33 aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding
Art. 34 aangenomen met 10 tegen 2 stemmen en 4 onthoudingen
Art. 36 eenparig aangenomen
Art. 37 aangenomen met 15 stemmen en Artikel 38 wordt aangenomen met 12 stemmen en Art
Art. 39 eenparig aangenomen
Art. 40 aangenomen met 13 stemmen en Art
Art. 45 aangenomen met 13 stemmen en Artikel 46 wordt eenparig aangenomen
Art. 47 aangenomen met 12 stemmen en Art
Art. 51 aangenomen met 13 tegen 2 stemArtikel 52 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemArt
Art. 56 aangenomen met 13 tegen 2 stem‘Artikel 57 wordt eenparig aangenomen
Art. 58 aangenomen met 15 stemmen en Art
Art. 59 eenparig aangenomen
Art. 60 aangenomen met 10 tegen 2 stemHOOFDSTUK 6 (NIEUW) Europese langetermijnbeleggingsinstellingen Art
Art. 65 aangenomen met 10 tegen 5 stemArt
Art. 70 aangenomen met 10 tegen 5 stemHOOFDSTUK 7 (NIEUW) Wijzigingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Art
Art. 82 eenparig aangenomen
Art. 83 eenparig aangenomen
Art. 88 aangenomen met 12 tegen 3 stemTITEL 3 Wijzigingen van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen Art
Art. 91 aangenomen met 15 stemmen en TITEL 4 Wijzigingen van het Wetboek der successierechten Art
Art. 92 eenparig aangenomen
Art. 119 aangenomen met 13 stemmen en Wijziging van de artikelen 301 en 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering Art
Art. 125 eenparig aangenomen
Art. 126 aangenomen met 13 tegen 3 stemmen
Art. 127 eenparig aangenomen
Amend. 75 aangenomen met 14 tegen 2 stemmen
Amend. 76 eenparig aangenomen

Volledige tekst

pocss 2351/007 houdende diverse fiscale bepalingen VERSLAG VAN DE TWEEDE LEZING NAMENS DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING UITGEBRACHT DOOR DE HEER Benoît PIEDBOEUF Procedure. 3 IL. Algemene bespreking 3 Wi. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen. ta oor: Wetsontwer aa2 an 002: Amendsmenten. cos: Verslag van de eerste lezing 00s: Artikelen aangenamen in eerste lezing cos: Amendementen zieook: Goe: Teket aangenomen tweede lezing ost1o nie pt ge ae etneeke enne ee terne rde Kanan Mel Tree beha RETE rr tecta vreet ne, Orte oer Pri te STe en EE WEE. met ooo somzore (ensa enne mwn Dawes en Heren, Uw commissie heeft het voorliggende wetsontwerp besproken in tweede lezing tijdens haar vergadering van maandag 10 januari 2022.

1 - PROCEDURE

De wetgevingstechnische nota van de dienst Juridische Zaken en Parlementaire documentatie over de artikelen aangenomen in eerste lezing van het wetsontwerp (zie bijlage) werd overgezonden aan de commissieleden en aan het kabinet van de vice-eersteminister en mi nister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding. De vice-eersteminister gaat niet akkoord met de opmerkingen nrs. 6 en 16 in de nota. De overige opmerkingen die wel werden aanvaard, werden via de amendementen nrs. 75 en 76 (DOC 55 2351/006), voor wat betreft de punten 5 en 8, of als wetgevingstechnische correcties opgenomen in de aangenomen tekst.

II. - ALGEMENE BESPREKING

A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Steven Mathei (CD&V) stipt aan dat de amendementen nrs. 75 en 76 (DOC 55 2351/006), ingediend door de heer Mathe c.s., louter wetgevingstechnische correcties betreffen die wijzigingen aanbrengen aan de artikelen 25 en 35. De heer Joy Donné (N-VA) merkt vooreerst op dat in de artikelen aangenomen in eerste lezing (DOC 55 2351/04) het aangenomen amendement nr. 5 (DOC 55 2351/003) op artikel 13 niet aangebracht is. Het amendement voorziet dat in het vierde id van artikel 206/4 de keuze niet in een bijlage maar in de aangifte moet worden gemaakt. Vervolgens haakt de spreker in op artikel 28 dat de belastbaarheid van de al dan niet in het buitenland opgebouwde aanvullende pensioenen vanaf aanslagjaar 2022 wijzigt. Hierbij heeft de spreker alvast de volgende vragen: Wat is de verwachte begrotingsopbrengst van de bepalingen opgenomen in artikel 28? Hoeveel belastingplichtigen met een aanvullend pensioen worden getroffen door het desbetreffende artikel? bocss 2351/07 Het desbetreffende artikel heeft betrekking op “een al dan niet buitenlands pensioenstelsel”. Beoogt het artikel inderdaad ook zuivere ‘Belgische’ situaties? Een gepensioneerde met een aanvullend pensioen opgebouwd vóór 1 januari 2004 door bijdragen van een Belgische werkgever en die gekozen heeft voor de uitkering van een lfrente zou dan niet langer als een roerend inkomen belast worden maar als een pensioen onderworpen aan het progressieve belastingtarief. Geldt dit eveneens voor puur Belgisch opgebouwde pensioenen? De belangrijkste groep die het artikel viseert zijn gepensioneerden met een Nederlands aanvullend pensioen. Het kan zowel gaan over gewezen grenswerkers en Nederlandse onderdanen die woonachtig zijn in België. ‘Tot 2003 werden de echte grensarbeiders in België belast. Het waren Vlamingen die in de Belgische grensstreek woonden en in de Nederlandse grensstreek voor een Nederlandse werkgever werkten. Hun Nederlands aanvullend pensioen werd noch in Nederland noch in België fiscaal gefaciliteerd. Mochten zij in België hebben gewerkt dan zouden hun pensioenkapitaal aan 16,5 % (deel werkgever) en 10 % (deel werknemer) zijn belast. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie diende de werkgeversbijdragen en de op het loon ingehouden werknemersbijdragen als voordeel van alle aard te worden belast bij de grensarbeider en is de rente vrijgesteld. Is het inderdaad de bedoeling om fiscaal niet-gefaciliteerd aanvullend pensioen (opgebouwd tot 2003) aan het progressief tarief te onderwerpen? België is veroordeeld geworden door het Europese Hof van Justitie omdat de fiscaal gefacilteerde bijdragen van de werkgevers- en werknemersbijdragen moesten worden betaald aan een in België gevestigde pensioeninstelling. Pas vanaf aanslagjaar 2007 genieten de werknemersbijdragen gestort aan een in de EER-gevestigde pensioeninstelling van een belastingvoordeel. Beoogt het artikel ook het gedeelte van het aanvullend pensioen dat werd opgebouwd door deze niet-fiscaal gefaciliteerde bijdragen aan het progressief tarief te onderwerpen? Daarnaast wenst de spreker uitdrukkelijk aan te geven dat dit artikel bijzonder problematisch is en wenst hij meer uitvoerig in te gaan om een aantal facetten die ervoor gezorgd hebben dat zijn fractie ertoe verplicht werd om de bespreking van het wetsontwerp uit te stellen. Vooreerst toont de fiscus zich volgens de spreker een slechte verliezer aangezien hij ingevolge een rechterlijke uitspraak waarin hi in het ongelijk werd gesteld de minister verplicht om een wetswijziging door te voeren die in lijn is met zijn interpretatie. Daarnaast is het een kwalijke zaak dat aan de hand van dit artikel een retroactiviteit wordt ingevoerd aangezien dit artikel reeds betrekking heeft op de inkomsten van het jaar 2021. Hierbij verhoogt deze regering trouwens ook nog eens de belastingen voor een relatief grote groep personen. Als algemeen uitgangspunt bij de belastbaarheid met betrekking tot de aanvullende pensioenen geldt een non bis in idem: ofwel is de opbouw, de bijdragen van de werkgever of onderneming voor het aanvullende pensioentoezegging belastbaar in hoofde van de werknemer of bedrijfsleider als beroepsinkomen en is het pensioen later vrijgesteld; onderneming aan het aanvullende pensioentoezegging vrijgesteld in hoofde van de werknemer of bedrijfsleider als beroepsinkomen en is het pensioen later belastbaar. Er is dus een rechtstreeks verband tussen de pensioenopbouw en de fiscale behandeling bij de pensioenuitkering. Als de pensioenopbouw fiscaal gefaciliteerd is (de financiering van het pensioen geniet van een vrijstelling of aftrek), dan wordt de pensioenuitkering gefiscaliseerd (de uitkeringen worden belast). Geniet de pensioenopbouw daarentegen geen vrijstelling of aftrek, dan zijn de pensioenuitkeringen niet belastbaar. Daarbij maakt de administratie een onderscheid tussen bijdragen die al dan niet op definitieve wijze ten bate van de werknemer of bedrijfsleider zijn verricht. Als, de bijdragen niet op definitieve wijze ten bate van de werknemer of bedrijfsleider zijn verricht, zijn de bijdragen geen belastbaar voordeel van alle aard en vormen later de pensioenen of renten een belastbaar beroepsinkomen. Als de bijdragen op definitieve wijze ten bate van de een belastbaar voordeel van alle aard en vormen de pensioenen of renten later geen belastbaar beroepsinkomen. Het rendement op de gestorte bijdragen vormt wel een roerend inkomen. Dit standpunt drukte de administratie al uit in haar circulaire van 31 maart 1969 (Circulaire nr. Ci.RH.241/240 483, 31 maart 1969, Bull. Bel. afl. 463, blz. 658). Echter al in de jaren '80 was er discussie over de vraag of bijdragen in het individueel en definitief verworven voordeel van de betrokkene is verricht. De rechtspraak heeft zich in de loop van de jaren uitgekristalliseerd. Om te bepalen of de pensioengerechtigde een individueel en definitief verworven recht heeft op het pensioen, moet worden nagegaan of “de werkgeversbijdragen die de werkgever stort [….] onherroepelijk uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en in hoofde van de werknemers vaste pensioenaanspraken doen ontstaan die definitief verworven zijn op het moment van de betaling van de bijdragen”. Het Hof van Cassatie stelt dat het feit dat het opgebouwde pensioen pas betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd “slechts een modaliteit is van de verplichting om, een pensioen te betalen”. Het Hof van Cassatie oordeelde ondertussen meermaals dat een pensioen niet belastbaar is op grond van artikel 34 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 wanneer het is opgebouwd aan de hand van werkgeversbijdragen die in het definitief en uitsluitend voordeel van de pensioengerechtigde werden gestort. In dat geval moet de uitbetaling van het pensioen respectievelijk kapitaal worden gelijkgesteld met de uitvoering van een individuele levensverzekering. Met de invoering van de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) stelt zich deze vraag niet meer. Vanaf 1 januari 2004 geldt onder de gestelde voorwaarden dat: 1) De voordelen die voortvloeien uit de betaling van de bijdragen en premies, die door de onderneming ten laste worden genomen ter uitvoering van aanvullende pensioentoezeggingen die zijn gesloten in het voordeel van de werknemers en de bedrijfsleiders, fiscaal zijn vrijgesteld; 2) De kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel vrijgestelde bijdragen en premies belastbaar zijn in hoofde van de verkrijger. De administratie is van oordeel dat sinds de inwerkingtreding van de WAP het non bis in idem-beginsel niet meer kan worden toegepast, gelet op de uitdrukkelijke vrijstelling van de pensioenopbouw in hoofde van de werknemes/bedrijfsleider. De retroactieve toepassing van de WAP wordt echter door de rechtspraak, inclusief het Hof van Cassatie, niet aanvaard. Van Duyse vat de rechtspraak in Trends kort samen (K. Van Duyse, “Over een slechte verliezer”, Trends 3 juni 2021, blz. 120): “Alles wat een werknemer krijgt van de werkgever in ruil voor arbeid, is een belastbare bezoldiging. Dus ook de pensioenbijdragen die een werkgever voor zijn werknemer betaalt. De wet op de aanvullende pensioenen heeft dat in 2004 veranderd. Voortaan zouden die bijdragen vrijgesteld zijn van belasting. Maar het verleden blijft wat het was, dat kan niet worden teruggedraaid. Bijdragen van vóór 2004 waren dus belastbaar” De recente rechtspraak maakt een opdeling tussen de pensioenuitkeringen die werden opgebouwd voor 2004 en de pensioenuitkeringen die werden opgebouwd na, 2004. In een aantal gerechtelijke uitspraken wordt 2006 als scharniermoment genomen omdat pas sinds dat jaar werkgeversbijdragen aan buiten België gevestigde pensioeninstellingen in België aftrekbaar zijn. Alleen de uitkeringen die na 2004 (2006) werden opgebouwd, zijn volgens deze rechtspraak progressief belastbaar. In zekere zin dooft de discussie met de tijd uit. Immers steeds minder gepensioneerden zullen een aanvullend pensioen hebben dat is opgebouwd door bijdragen gestort vóór 1 januari 2004. Bovendien kiezen de pensioengerechtigden van een Belgische aanvullende pensioen voor de afzonderlijke taxatie van het pensioenkapitaal op het moment van pensionering. Als belastingplichtige moet men immers veel vertrouwen hebben in de fiscale wetgever om niet het kapitaal in één keer te doen uitkeren en te belasten maar voor een rente te kiezen De betwistingen hebben bijgevolg vooral betrekking op de in het buitenland opgebouwde aanvullende penisoenen die onder de vorm van een lijfrente worden uitbetaald. De administratie nam al in haar circulaire van 1969 het standpunt in om de aanvullende pensioenen en rente [….] aan het belastingstelsel te onderwerpen dat voortvloeit uit het stelsel waaraan de samenstel lende stortingen van de pensioenen of renten in België zouden onderworpen geweest zijn, indien de genieter op het ogenblik van die stortingen de hoedanigheid van rijksinwoner zou hebben gehad. Het voorliggende artikel 28 doet met één pennentrek de rechtspraak van het definitief en uitsluitend voordeel teniet. Dit gaat ongetwijfeld een nieuwe rechtsgang doen ontstaan omdat er toestanden zullen ontstaan waardoor er afbreuk wordt gedaan aan het non in bis idem-beginsel. Het verhoogt tevens de belastingdruk enorm. De spreker merkt op dat een Nederlands aanvullend pensioen van 30 000 euro gemiddeld een tarief van 5 % ondergaat als het als roerend inkomen wordt belast. Als Nederland ook personenbelasting heft, komt er 800 euro bij en stijgt de gemiddelde belastingdruk naar 10 9%. Nederland heeft veel lagere tarieven en een hoge premieheffing, maar dit geldt niet voor gepensioneerden. Als het artikel 28 wordt aangenomen, zal de gemiddelde belastingdruk stijgen naar 25 à 30 %. ‘Over het aantal gepensioneerden dat door artikel 28 zal getroffen worden bestaat thans nog onzekerheid. Hopelijk kan de vice-eersteminister hierover in zijn antwoorden meer toelichting verschaffen. Een indicatie zou het aantal gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden zijn die sociaal verzekerd zijn in Nederland. Het betreft een groep van in totaal 23 418 personen voor het jaar 2021 Inzake de mogelijkheid van een dubbele niet-belasting, verwijst de spreker naar Chantal Hendrickx die naar aanleiding van artikel 18 in Fiscale Actualiteit schrijft dat (C. Hendrickx, “Regering wil rechtspraak inzake Nederlandse pensioenen schaakmat zetten”, Fisc. Act. 2021, part. 41, blz. 6-7): “het niet correct is te verkondigen dat buitenlandse pensioenen momenteel niet worden belast. Enkel in de situatie waarin op grond van het toepasselijke pensioenreglement kan worden aangetoond dat de pensioenrechten in het individueel en definitief verworven voordeel van de betrokkene werden opgebouwd, is het gedeelte van de latere pensioenuitkering dat is opgebouwd tot 2004, belastbaar ten belope van het bevattend roerend inkomen (lijfrente). De lijfrente is afzonderlijk belastbaar tegen 30 %. Het gedeelte van de pensioenuitkering dat is opgebouwd vanaf 2004, is belastbaar als pensioen en onderworpen aan het progressief tarief. Men moet rekening houden dat in het buitenland geen Belgisch onderscheid wordt gemaakt tussen een tweede en derde pijler. Men moet elke pensioenregeling op zich beoordelen of die voldoet aan de vereiste dat de pensioenrechten in het individueel en definitief verworven voordeel van de betrokkene werden opgebouwd”. Met betrekking tot de incidentie van het artikel 28 met de dubbelbelastingverdragen afgesloten met de buurlanden, stelt de spreker vast dat vooral Vlaamse grenswerkers zullen getroffen worden door artikel 28. In Wallonië zijn er weinig gepensioneerden die zul len geraakt worden door artikel 28. De inwoners in de Oostkantons blijven ook in de kou staan. De spreker gaat vervolgens dieper in op het dubbelbelastingverdrag met Nederland. De pensioenregeling onder het nieuwe Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag, dat sinds 1 januari 2003 van toepassing is, wijkt in belangrijke mate af van het OESO-modelverdrag (& werknemerspensioenen worden in de woonstaat belast). Het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag voorziet evenwel dat de bronstaat ook heffingsbevoegd is, indien volgende drie voorwaarden cumulatief vervuld zijn: (1) het totale brutobedrag van de van de Nederlandse aanvullende pensioenen is meer dan 25 000 euro per kalenderjaar; (2) een tweede voorwaarde voor de heffingsbevoegdheid van Nederland is dat de Nederlandse aanvullende pensioenen en lijfrenten in Nederland van belasting zijn vrijgesteld (cfr. echte grensarbeiders) dan wel dat de bijdragen die daarvoor betaald zijn aan het pensioenfonds, pensioenspaarfonds of de vennootschap fiscaal gefaciliteerd werden; (8) als derde voorwaarde geldt dat het pensioen of de lijfrente in de woonstaat België fiscaal gunstig wordt behandeld. Er is sprake van een fiscaal gunstige behandeling indien het pensioen of de lijfrente hetzij niet tegen het algemeen progressief tarief belastbaar is, hetzij het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder van 90 % in de belastingheffing wordt betrokken. De gepensioneerde grenswerker of Nederlandse onderdaan die in België verblijft die een aanvullend pensioenrente ontvangt dat aan bovenstaande drie voorwaarden voldoet zal: - in België afzonderlijk worden belast aan 30 % op 3 % van het prijsgegeven kapitaal voor het gedeelte dat de betrokkene werd opgebouwd vóór 2004; - Nederland mag ook belasting heffen, rekening houdend met de Belgische belasting. In Nederland is er nog een gerechtelijke procedure hangende over de vraag of Nederland ook personenbelasting mag heffen op alle Nederlandse aanvullende pensioenen of alleen op die welke die niet progressief in België zijn belast De spreker stipt aan dat de Belgische inwoners met een Nederlands aanvullend pensioen boven de 25 000 euro einde 2017 4 000 personen betroffen. Deze personen zouden door artikel 28 voor de tweede maal in vijf jaar tijd in een andere staat worden belast. Eerst in België, sinds 2017 in Nederland en door het voorlig gende artikel 18 voor het inkomstenjaar 2021 opnieuw in België. Als het artikel 18 retroactief wordt toegepast vanaf aanslagjaar 2022 betalen ze dubbele belasting in 2021. Om deze dubbele belasting te corrigeren zal de betrokken belastingplichtige verplicht zijn om hiervoor een procedure in Nederland op te starten. De spreker beschikt niet over het aantal gepensioneerden per gewest met een buitenlands aanvullend pensioen. Maar voor het belang en de representativiteit van deze doelgroep valt de spreker terug op de statistieken van het RIZIV met betrekking tot het aantal grensarbeiders. Er zijn 12 400 inkomende Nederlandse grensarbeiders en 26 600 uitgaande Belgische grensarbeiders met Nederland. Van de uitgaande grensarbeiders wonen er 25 047 in het Vlaamse Gewest. De inkomende grensarbeiders zullen wellicht de Nederlandse nationaliteit hebben. De impact voor de grensarbeiders met de andere buurlanden zoals Duitsland, Franrijk en het Groothertogdom Luxemburg is minimaal. ‘Ten slotte haakt de spreker in op artikel 52 betref fende de wijziging van de VVPRbis-regeling. De Raad van State maakte in zijn advies de opmerking dat de wijzigingen aan het VVPRbis-regime geen afbreuk mogen doen aan gerechtvaardigde verwachtingen van de belastingplichtigen. De regering is deels tegemoet gekomen aan die kritiek door de wachttermijn niet te laten aanvangen nadat de inbreng in geld volstort is. Echter voor de vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021, zelfs met een ruling in de hand, beslisten om hun kapitaal te verminderen tot een symbolische euro met vrijstelling van volstorting, worden nu gedwongen om voor einde 2022 hun kapitaal te verhogen zonder uitgifte van nieuwe aandelen en om alsnog de inbreng te doen volstorten. Het gaat dikwijls om bvba's die werden opgericht met het minimumkapitaal van 18 550 euro waarvan 6 200 euro werd volstort. Zij worden nu gedwongen om terug naar de notaris te gaan om een kapitaal terug te verhogen en de inbreng te volstorten. Nadien kunnen ze hun kapitaal terug verminderen met behoudt van de VVPRbis-regeling. Dit toont het absurde aan van deze wetswijziging. Het ware beter geweest om de oude situaties te laten voor wat ze zijn aangezien deze vennootschappen wettelijk handelden en de nieuwe regels te laten ingaan voor nieuwe aandelen uitgegeven na de datum van inwerking van deze wet. Eenzelfde probleem stelt zich met betrekking tot de nieuwe antimisbruikbepaling die gericht is op kapitaal verhogingen waarvoor dividenden worden aangewend uit iquidatiereserves van een verbonden vennootschap waarop 5 % roerende voorheffing werd ingehouden. De uitgegeven aandelen verliezen vanaf 1 januari 2022 het VVPRpis-statuut. Ook deze maatregel zou maar mogen worden toegepast voor de uitgifte van nieuwe aandelen vanaf de datum vanaf inwerkintreding van deze wet. Zelfs de oorspronkelijk voorziene maatregel in het voorontwerp om de wachttermijn te laten lopen vanaf de volstorting van de inbreng zou aanvaardbaar zijn voor aandelen uitgegeven vanaf de inwerkingtreding van de wet. Een correct overgangsrecht waarbij het rechtmatige vertrouwen of de gerechtvaardigde verwachtingen van de vennootschappen en hun aandeelhouders wordt gerespecteerd, zou de wijzigingen aan de VVPRbisregeling aanvaardbaar maken. Het is te betreuren dat de regering maar ten dele is ingegaan op de opmerking van de Raad van State waardoor zijn fractie niet anders kan dat tegen deze wijzigingen te stemmen. ‘De heer Wouter Vermeersch (VB) heeft vragen met betrekking tot de VVPRbis-regeling en met betrekking tot wijzigingen aangebracht aan de regeling inzake laadstations Op maandag 20 december heeft zijn collega de heer Kurt Ravyts een viertal vragen gesteld over de VVPRbisregeling. Het gaat om amendement nr. 18 inzake de VVPRbis-regeling. Thans artikel 52 van de artikelen ‘aangenomen in eerste lezing. De eerste twee vragen van de heer Ravyts werden tijdens de zitting beantwoord. De twee overige vragen werden echter niet of onvoldoende beantwoord. Vandaar dat de spreker beide vragen zal herhalen. Vooreerst stipt de spreker aan dat de vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen doorgevoerd hebben, hun inbreng opnieuw moeten verhogen om de VVPRbis-regeling niet te verliezen. Waarom staat hier als datum van 15 december 2021? Het regeringsamendement is op 15 december 2021 officieel nog niet bekend gemaakt aan het grote publiek. De regeringsamendementen werden in het weekend van 18 en 19 december 2021 zelf nog niet op de website van De vice-eersteminister heeft hier niet op geantwoord. Waarom verandert de vice-eersteminister die datum van 15 december 2021 niet naar de datum van bekendmaking in het Staatsblad? Het grote publiek is nog steeds niet op de hoogte van de wijziging aan de VVPRbis-regeling. Daarnaast merkt de spreker op dat de antimisbruikbepaling via het desbetreffende artikel wordt uitgebreid: als, een persoon de sommen ontvangen naar aanleiding van een uitkering van liquidatiereserves tegen 5 % roerende voorheffing gebruikt om daarmee in te tekenen op een kapitaalverhoging van een verbonden of geassocieerde vennootschap X, kunnen die aandelen niet genieten van de verlaagde tarieven inzake roerende voorheffing. Die antimisbruikbepaling geldt volgens het desbetreffende artikel voor dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01 2022. Hierbij geeft de spreker het volgende voorbeeld: Wanneer een belastingplichtige in 2020 een dividend heeft ontvangen uit iquidatiereserve tegen 5 % roerende voorheffing en daarmee heeft ingetekend op de kapitaalverhoging in geld van een verbonden vennootschap X in 2020, dan hebben die aandelen in 2020 en 2021 het statuut van VVPRbis. Mits de nodige wachttermijn zullen hier dividenden aan verlaagde roerende voorheffing kunnen toegekend worden. Door de nieuwe antimisbruikbepaling verliezen die aandelen vanaf 01.01 2022 het VVPRbis- statuut. De inwerkingtreding van het artikel doet afbreuk aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de belasting plichtige dat er uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na inbreng (dus in 2022) dividenden aan 20 % roerende voorheffing kunnen ontvangen worden en uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na inbreng (dus in 2023) dividenden aan 15 % roerende voorheffing kunnen ontvangen worden Waarom wordt de inwerkingtreding hier niet gekoppeld aan kapitaalverhogingen die plaats vinden vanaf 1 januari, 2022 uit sommen verkregen uit liquidatiereserves tegen 5 % roerende voorheffing? In zijn voorbeeld verliest de vennootschap vanaf 1 januari 2022 het VVPRbis-statuut. De vennootschap speelt dus haar VVPRbis-regeling kwijt vanaf 1 januari, 2022 door de huidige manier van inwerkingtreding. Dat is, wat zijn fractie betreft, niet wenselijk. Kan de viceeersteminister dat nog eens effectief bevestigen voor het verslag? Hierbij nog een vraag omdat de vice-eersteminister duidelijk wil vasthouden aan zijn wijzigingen van het VVPRbis-regime. Vennootschappen opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met 18 550 euro kapitaal/inbreng in geld waarvan slechts 6 200 euro werd gestort en die vanaf 1 mei 2019 ter goeder trouw en in navolging van de beslissing van de Rulingdienst een vrijstelling van volstortingsverplichting van 12 350 euro hebben verricht, zijn verplicht voor 31 december 2022 terug een kapitaalverhoging in geld zonder uitgifte van aandelen voor 12 350 euro door te voeren om niet de VVPRbis-regeling te verliezen. Als die vennootschappen nu die herstelverrichting uitvoeren, hoelang moeten ze dan wachten ‘om terug een reële kapitaalvermindering door te voeren zonder de VVPRbis-regeling te verliezen? Strikt gezien kunnen deze ondernemingen de dag na. de kapitaalverhoging terug het kapitaal gaan verminderen. De voorwaarde van ‘ooit moet de initiële inbreng volstort zijn als één van de voorwaarden voor VVPRbis-regeling is immers vervuld. De spreker zou graag hebben dat de vice-eersteminister, voor de goede orde en het verslag, duidelijkheid creëert en een termijn bepaalt Daarbij nog een bijkomende bedenking: Wat is eigenlijk het nut van de regeling om die vennootschappen een overbodige verrichting, namelijk een notarisbezoek met bijkomende kosten, te laten uitvoeren. Kan de viceeersteminister niet beter in de wet inschrijven dat enkel bij toekomstig verrichtingen de VVPRbis-regeling wordt ontnomen? En dat vennootschappen, die steeds ter goeder trouw hebben gehandeld, hun VVPRbis-regeling behouden? Op deze manier zijn vennootschappen, die steeds ter goeder trouw hebben gehandeld, niet genoodzaakt zijn tot overbodige verrichtingen. Het artikel 31 brengt wijzigingen aan aan de regeling van de laadstations, onder andere dat zij verankerd moeten worden in de grond. Hierover heeft de spreker reeds een schriftelijke vraag gesteld, met name de schriftelijke vraag en antwoord nr. 715 van 10 november 2021. Deze schriftelijke vraag luidde toen als volgt: Hoe verloopt die extra kostenaftrek voor de vennootschappen flscaaltechnisch? Zal dit gebeuren via een aanpassing in meer van de begintoestand van de reserves? Of zal dit gebeuren via een aftrek in de derde bewerking (aftrek van niet-belastbare bestanddelen)? De minister antwoordde als volgt: “Mijn administratie bestudeert de fiscaaltechnische verwerking van die kostenaftrek in het kader van de opmaak van het model van de aangifte. In dat verband wordt op dit ogenblik in overweging genomen om die extra kostenaftrek die voortvloeit uit de door u bedoelde bepaling te laten gebeuren via een aanpassing in meer van de begintoestand van de reserves” In de circulaire van de administratie inzake de vergroening van de mobiliteit komt enkel het luik personen belasting aan bod en is er niets terug te vinden over de behandeling in het kader van de vennootschapsbelasting. Vandaar de volgende vragen van de spreker: Hoe verloopt die verhoogde kostenaftrek voor de vennootschappen B. Antwoorden van de vice-eersteminister De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, bevoegd voor de coördinatie van de fraudebestrijding, haakt vooreerst in op de technische opmerking inzake artikel 13. Zijn kabinet heeft dit gecheckt samen met de commissiesecretaris. Het amendement 5 (DOC 55 2351/003) voorzag in een wijziging aan artikel 206/4, vierde lid, tweede streepje, zoals zou worden ingevoegd door artikel 13 van dit wetsontwerp. Deze aanpassing werd effectief verwerkt in de aangenomen tekst in eerste lezing. Het is correct dat de woorden “in een bijlage bij zijn aangifte” ook voorkomen in het vijfde lid. Het is echter niet de bedoeling om deze woorden eveneens te vervangen. De wijziging in het vierde lid, tweede streepje, was noodzakelijk in functie van de automatisering van de berekening van de vennootschapsbelasting. Eenzelfde aanpassing doorvoeren in het vijfde lid was niet de bedoeling, omdat dit ertoe zou leiden dat er te veel gegevens in de aangifte zouden worden opgenomen die niet geautomatiseerd moeten worden en die de automatische verwerking van de aangifte nodeloos zou verzwaren, Met betrekking tot de vragen aangaande artikel 28, merkt de vice-eersteminister op dat zijn administratie niet beschikt over de nodige gegevens om een voldoende nauwkeurige budgettaire raming te maken. Daarnaast verwijst de vice-eersteminister naar een brief van 31 januari 2018 van voormalig minister van Financiën, met name de heer Johan Van Overtveldt (N-VA), aan zijn toenmalige Nederlandse collega. In deze brief staat de volgende belangrijke passage te lezen, en hij citeert: “Om tegemoet te komen aan het feit dat er in enkele individuele gevallen geen (of slechts beperkte) belastingheffing is, naar aanleiding van een uitspraak van een rechter, zal er op Belgisch niveau wetgevend opgetreden worden. Op die manier zullen in de toekomst alle pensioenen, inclusief de enkele gevallen die aan belastingheffing in België ontsnappen, aan progressief tarief als pensioen belast worden”. Het voorliggende wetsontwerp doet niet meer dan uitvoering geven aan dat engagement van de toenmalige minister van Financiën. Inzake het aantal getroffen belastingplichtigen, merkt de spreker op dat zijn administratie niet beschikt over de nodige gegevens om het aantal getroffen belasting plichtigen te ramen. De inkomsten van een aanvullend pensioen dat werd opgebouwd voor 2004 in het buitenland, worden immers niet noodzakelijk aangegeven. Ook is slechts een beperkt aantal gepensioneerden overgegaan tot het aanspannen van een rechtszaak. Met betrekking tot de vraag over de zuiver Belgische situaties, stipt de vice-eersteminister aan dat dit artikel wordt ingevoegd omwille van een ongewilde discrepantie tussen de fiscale behandeling van bepaalde buitenlandse pensioenen en Belgische pensioenen, die steeds meer voor discussie zorgt. Deze discrepantie zorgt ervoor dat belastingplichtigen die niet werkzaam waren in het Belgisch economisch systeem, noch als werknemer en noch als ondernemer, een voordeel ontvangen tegenover zij die wel hun professionele carrière en pensioenkapitaal in België hebben opgebouwd. Dit amendement beoogt met andere woorden om een discrepantie in fiscale behandeling, die louter voortkomt uit het grensoverschrijdend karakter van de situatie, te beëindigen. Meer specifiek gaat het voornamelijk om duidelijk te maken dat collectieve pensioenfondsen (tweede pijler pensioenen) geen levensverzekeringen zijn in de zin van art. 39, $ 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Van de afkomst van het pensioen wordt hier abstractie gemaakt. Het gaat over een verduidelijking van het verschil tussen een collectief pensioen en een individuele levensverzekering, hetgeen in de internati onale context inderdaad voor verwarring zorgde, zoals, de heer Donné zelf heeft gesteld. Inzake de vraag over de dubbele niet-belasting, merkt de vice-eersteminister op dat het de bedoeling is om een dubbele niet-belasting te vermijden waarbij er terzelfdertijd geen dubbele belasting wordt veroorzaakt. Wanneer de belastingplichtige aantoont dat het aanvullend pensioen op het moment van de opbouw fiscaal niet-gefacilteerd is, is de nieuwe bepaling niet van toepassing. Maar andermaal wil de vice-eersteminister verduidelijken dat dit amendement discussies zal beëindigen, en geen impact heeft op de toekenning van heffingsrechten. Die heffingsrechten worden immers bepaald door toepassing van het dubbelbelastingverdrag. In zijn toelichting verwees de heer Donné naar discussies, die reeds decennialang aan de gang zijn. Dit element toont net aan dat deze aangelegenheid dringend aan verduidelijking toe was. Wat betreft de pensioenregeling die met de WAP-wet werd ingevoerd, wil de vice-eersteminister erop wijzen dat dit geen fiscale wetgeving is, en aan de principes in die wetgeving raakt deze fiscale bepaling dus niet. Wel wil de vice-eersteminister erop wijzen dat de heer Donné inderdaad aangeeft dat er in het buitenland niet steeds een onderscheid wordt gemaakt tussen pijler 2- en pijler 3-pensioenregelingen. Daar lag de kern van het probleem hier, zoals hiervoor al gesteld, en de voorliggende bepaling lost de problemen op die daaruit voortvloeien. De ongerijmdheden die in de praktijk zijn ontstaan in een grensoverschrijdende situatie worden weggewerkt en alle belastingplichtigen worden op objectieve wijze aan dezelfde regeling onderworpen. Met andere woorden wordt er een knooppunt in de fiscaliteit ontrafeld, niet enkel de regelgeving maar ook de praktische toepassing wordt vereenvoudigd en de rechtszekerheid wordt verhoogd. Niet enkel was dit hoognodig, maar bovendien draagt dit bij tot een rechtvaardigere fiscale behandeling van de aanvullende pensioenen. Met betrekking tot de VVPRbis-regeling heeft de vice-eersteminister reeds meermaals toegelicht dat de voorgestelde wijziging tot doel heeft om alle mogelijke discussies te vermijden waarbij in het geval van een verlies van het VVPRbis-statuut dit verlies definitief zou zijn zonder de mogelijkheid dit te herstellen. Met de wetswijziging wordt hieraan tegemoetgekomen en wordt aan de ondernemingen die te goeder trouw hebben gehandeld, de mogelijkheid geboden zich te plaatsen in een toestand waardoor het VVPRbis-voordeel niet definitief wordt ontnomen. Wat betreft de termijnen vermeld in de wetgeving, meent de vice-eersteminister dat intussen iedere betrokkene voldoende op de hoogte is van de gestelde problematiek. Daarnaast geeft de vice-eersteminister aan dat het inderdaad niet de bedoeling is dat VVPRbis- voordelen worden toegekend wanneer op de kapitaalverhogen wordt ingetekend door dergelijk ontvangen dividenden. Met betrekking tot de vraag over de herstelverrichting, kan de vice-eersteminister opnieuw bevestigen dat door de hersteloperatie er geen nieuwe wachttermijnen zul len ontstaan. Ook kan de vice-eersteminister opnieuw bevestigen dat een latere kapitaalvermindering van de volstorte aandelen niet tot gevolg heeft dat het VVPRbisregime zou komen te vervallen. Wat het nut betreft van de hersteloperatie kan de vice-eersteminister uitsluitend nogmaals verwijzen naar de verantwoording van het amendement nr. 18 (DOC 55 2351/003). Vervolgens haakt de vice-eersteminister in op de wijzigingen die werden aangebracht aan de regeling inzake de laadstations. Hij merkt hierbij op dat de verwerking van de verhoogde kostenaftrek in de vennootschapsbelasting zal gebeuren via een aanpassing in meer van de begintoestand van de reserves. Verder wil de vice-eersteminister er ook op wijzen dat de recent gepubliceerde FAQ inzake de vergroening van de bedrijfswagen zowel de personenbelasting als, de vennootschapsbelasting omvat. De verhoogde kostenaftrek is immers een regeling die is opgenomen in artikel 64quater, wat maakt dat zij zowel van toepassing is in de personenbelasting als in de vennootschapsbelasting. De regels van de personenbelasting zijn immers ook van toepassing in de vennootschapsbelasting, tenzij de vennootschapsbelasting daar uitdrukkelijk van afwijkt. Het antwoord op FAQ 2.6 stelt immers uitdrukkelijk dat de regeling van de verhoogde kostenaftrek van toepassing is op elke belastingplichtige die winsten of baten verkrijgt.

C. Replieken

De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat de heffing van een belasting, zoals artikel 28 beoogt, op de in het kader van een buitenlands pensioenstelsel opgebouwde aanvullende pensioenen een probleem met zich zal brengen dat, gelet op de massale reacties die dat heeft uitgelokt, kennelijk veel meer dan een honderdtal mensen zal treffen. De geplande wetswijziging zorgt voor nieuwe rechtsonzekerheid voor de belastingplichtigen en strekt er waarschijnlijk vooral toe de administratie in het gelijk te stellen in een aantal toekomstige geschillen ‘De minister geeft aan dat de wijziging geen weerslag zal hebben op de in België opgebouwde pensioenen. Als, men artikel 28 leest, heeft men een heel andere indruk. De betrokken belastingplichtigen zullen voortaan op het volledige in het kader van een buitenlands pensioenstelsel opgebouwd aanvullend pensioen tegen het progressief tarief worden belast. Voor hen brengt de wijziging vanaf 2022 dus een belastingverhoging met zich. De heer Donné verklaart dat zijn fractie om al die redenen tegen dat artikel 28 zal stemmen De heer Wouter Vermeersch (VB) attendeert erop dat, behoudens vergissing van zijnentwege, de minister niet heeft geantwoord op zijn vraag betreffende de keuze voor de datum van 15 december. Hij blijft erbij dat die keuze eigenaardig is. Hij neemt er ook terdege nota van dat de minister bevestigd heeft dat de betrokken vennootschappen wel degelijk vóór het einde van het jaar bij een notaris zullen moeten langsgaan. Hij rekent nogmaals voor dat dit voor de betrokken vennootschappen bijkomende kosten met zich brengt, terwij zij te goeder trouw hebben gehandeld. Die regeling is bovendien absurd aangezien de betrokken vennootschappen de dag nadien naar dezelfde notaris, kunnen teruggaan om een kapitaalsvermindering door te voeren. ‘Tot slot verzoekt de spreker de minister te verduidelijken hoe, op fiscaaltechnisch vlak, de verhoging van de aftrek van de kosten voor de laadstations zal worden geregeld. De minister heeft in zijn antwoord verwezen naar algemene en goed gekende rondzendbrieven, maar heeft geen gewag gemaakt van wat hij heeft aangege ven in zijn antwoord op de schriftelijke vraag van de spreker ter zake, namelijk dat hij een aanpassing van de aanvangssituatie van de reserves overweegt. De heer Vermeersch verzoekt de minister in een rondzendbrief concreet aan te geven hoe de verhoging van de aftrek van de kosten voor de laadstations fiscaaltechnisch zal worden geregeld.

II. - ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

TITEL 1 ‘Algemene bepaling Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen.

Artikel 1 wordt eenparig aangenomen

TITEL

2 Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen

HOOFDSTUK 1

Vervangingsinkomsten van meewerkende echtgenoten Art. 2tot4 Deze artikelen geven geen aanleiding tot bijkomende De artikelen 2 tot 4 worden achtereenvolgens aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding

HOOFDSTUK 2

Belastingheffing op afzonderlijk belastbare inkomsten die bij verdrag zijn vrijgesteld Art. Sen 6 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere De artikelen 5 en & worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.

HOOFDSTUK 3

Bevrijdende bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken Art. Ten 8 De artikelen 7 en 8 worden achtereenvolgens aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen.

HOOFDSTUK 4

Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen Art. 9 tot 23 De artikelen 9 tot 12 worden achtereenvolgens aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding.

Artikel 13 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. De artikelen 14 tot 21 worden achtereenvolgens aanDe artikelen 22 en 23 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 3 stemmen en 1 onthouding.

HOOFDSTUK 5

Andere wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 24 Dit artikel geeft geen aanleiding tot bijkomende ‘Artikel 24 wordt aangenomen met 10 stemmen en 6 onthoudingen Art. 25 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 75 (DOC 55 2351/006) ingediend door de heer Mathei c.s. dat ertoe strekt in artikel 25 de woorden “in artikel 26 van het Vlaams decreet van 30 oktober 2020 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009” te vervangen door de woorden "in arti kel 8.2.3 van het Vlaams Energiedecreet van 8 mei 2009”. De heer Steven Matheï (CD&V) legt uit dat artikel 26 van het Vlaams decreet van 30 oktober 2020 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 een wijzigingsbepaling is die ertoe strekt een nieuw artikel 8.2.3 in te voegen in het Vlaams Energiedecreet van 8 mei 2009. Het verdient dan ook aanbeveling om rechtstreeks naar het betrokken artikel van het Vlaams Energiedecreet te verwijzen. Het amendement nr. 75 wordt aangenomen met 14 tegen 2 stemmen.

Artikel 25, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen.

Art. 26 (vroeger art. 25) Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere Artikel 26 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen.

Art. 27 (nieuw) Artikel 27 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding Art. 28 (nieuw) Artikel 28 wordt aangenomen met 12 tegen 3 stemmen en 1 onthouding.

Art. 29 (vroeger art. 26) Artikel 29 wordt aangenomen met 13 stemmen en Artikelen 30 en 31 (vroegere artikelen 27 en 28) Er worden geen verdere opmerkingen geformuleerd bij deze artikelen. ‘Artikelen 30 en 31 worden eenparig aangenomen.

Art. 32 (vroeger art. 29) Artikel 32 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 Art. 33 en 34 (nieuw) Artikel 33 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding.

Artikel 34 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen en 4 onthoudingen.

Art. 35 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 76 (DOC 55 2351/006) ingediend door de heer Matheï c.s. dat ertoe strekt in de inleidende zin van artikel 35 de woorden “wordt een paragraaf 3 ingevoegd, luidende” te vervangen door de woorden “wordt paragraaf 3 vervangen als volgt” De heer Steven Mathei (CD&V) legt uit dat artikel 145/28 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 reeds een paragraaf 3 bevat die wel slechts van toepassing was op de uitgaven betaald in de jaren 2010 tot 2012. Er wordt daarom voor gekozen de bestaande paragraaf 3 te vervangen door de paragraaf 3 in ontwerp. ‘Amendement nr. 76 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 35, aldus geamendeerd, wordt eveneens eenparig aangenomen.

Art. 36 (vroeger art. 30) Artikel 36 wordt eenparig aangenomen.

Art. 37 en 38 (nieuw) Artikel 37 wordt aangenomen met 15 stemmen en Artikel 38 wordt aangenomen met 12 stemmen en Art. 39 tot 50 (vroegere artikelen 31 tot 42) Artikel 39 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 40 wordt aangenomen met 13 stemmen en Art. 41 en 42 worden achtereenvolgens aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding.

Art. 43 en 44 worden achtereenvolgens eenparig Artikel 45 wordt aangenomen met 13 stemmen en Artikel 46 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 47 wordt aangenomen met 12 stemmen en Art. 48 tot 50 worden achtereenvolgens aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen.

Art. 51 tot 55 (nieuw) Artikel 51 wordt aangenomen met 13 tegen 2 stemArtikel 52 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemArt. 53 tot 55 worden achtereenvolgens aangenomen Art. 56 tot 58 (vroegere artikelen 43 tot 45) Artikel 56 wordt aangenomen met 13 tegen 2 stem‘Artikel 57 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 58 wordt aangenomen met 15 stemmen en Art. 59 en 60 (nieuw) Artikel 59 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 60 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stem

HOOFDSTUK 6

(NIEUW) Europese langetermijnbeleggingsinstellingen Art. 61 tot 70 (nieuw) Artikelen 61 tot 64 worden achtereenvolgens aangenomen met 13 tegen 2 stemmen en 1 onthouding.

Artikel 65 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemArt. 66 tot 69 worden achtereenvolgens aangenomen met 13 tegen 2 stemmen en 1 onthouding.

Artikel 70 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stem

HOOFDSTUK 7

(NIEUW) Wijzigingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Art. 71 tot 74 (nieuw) De artikelen 71 tot 74 worden achtereenvolgens aan

HOOFDSTUK 8

(NIEUW) Giften en rampen in de vennootschapsbelasting Art. 75 en 76 (nieuw) De artikelen 75 en 76 worden achtereenvolgens

HOOFDSTUK 9

(VROEGER HOODSTUK 6) Wijziging van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Art. 77 en 78 (vroegere artikelen 47 en 48) Bij deze artikelen worden geen bijkomende opmerkingen geformuleerd. De artikelen 77 en 78 worden achtereenvolgens aan

HOOFDSTUK 10

(VROEGER HOOFDSTUK 7) Wijzigingen aan de programmawet van 2 augustus 2002 Art. 79 tot 81 (vroegere artikelen 49 tot 51) De artikelen 79 tot 81 worden achtereenvolgens

HOOFDSTUK 11

(NIEUW) Wijziging aan de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Artikel 82 (nieuw) Er worden geen opmerkingen geformuleerd bij dit artikel Artikel 82 wordt eenparig aangenomen.

HOOFDSTUK 12

(NIEUW) Wijziging aan de wet van 15 juli 2020 (CORONA lil) Art. 83 (nieuw) Artikel 83 wordt eenparig aangenomen.

HOOFDSTUK 13

(NIEUW) Wijzigingen aan de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen Art. 84 en 85 (nieuw) De artikelen 84 en 85 worden achtereenvolgens

HOOFDSTUK 14

(NIEUW) Wijzigingen aan de wet van 18 juli 2021 Art. 86 en 87 (nieuw) De artikelen 86 en 87 worden achtereenvolgens

HOOFDSTUK 15

(VROEGER HOOFDSTUK 8) Bekrachtiging van de koninklijke besluiten Art. 88 (vroeger art. 52) Artikel 88 wordt aangenomen met 12 tegen 3 stemTITEL 3 Wijzigingen van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen Art. 89 en 90 (vroeger artikelen 53 en 54) Artikelen 89 en 90 worden achtereenvolgens aangeArt. 91 (nieuw) bij dit artikel Artikel 91 wordt aangenomen met 15 stemmen en TITEL 4 Wijzigingen van het Wetboek der successierechten Art. 92 (vroeger art. 55) Artikel 92 wordt eenparig aangenomen

TITEL

5 Registratie-, hypotheek- en griffierechten Wijzigingen van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten Art. 93 tot 103 (vroegere artikelen 56 tot 66) De artikelen 93 en 94 worden achtereenvolgens De artikelen 95 tot 103 worden achtereenvolgens aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding.

Art. 104 en 105 (nieuw) De artikelen 104 en 105 worden achtereenvolgens Wijzigingen van koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken Art. 106 en 107 (vroegere artikelen 67 en 68) De artikelen 106 en 107 worden achtereenvolgens TITEL 6 Fiscale procedure en invordering Verbetering in de diverse fiscale wetboeken en wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van inkomende berichten onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën Art. 108 tot 116 (vroegere artikelen 69 tot 77) De artikelen 108 tot 116 worden achtereenvolgens aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. Modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen Art. 117 en 118 (vroegere artikelen 78 en 79) De artikelen 117 tot 118 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 4 stemmen. Wijziging van artikel 322, $ 1, derde lid, van het Wetboek Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register Art. 119 (vroeger art. 80) Artikel 119 wordt aangenomen met 13 stemmen en Wijziging van de artikelen 301 en 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering Art. 120 tot 122 (vroegere artikelen 81 tot 83) De artikelen 120 tot 122 worden achtereenvolgens

HOOFDSTUK 5

(NIEUW) ‘Technische correctie die moet worden aangebracht in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 123 en 124 (nieuw) Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen. De artikelen 123 en 124 worden achtereenvolgens Vermindering van de administratieve lasten inzake de fiscale fiches 281.50 Art. 125 tot 127 (nieuw) Artikel 125 wordt eenparig aangenomen.

Artikel 126 wordt aangenomen met 13 tegen 3 stemmen.

Artikel 127 wordt eenparig aangenomen, Wijziging van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk Art. 128 en 129 (nieuw) De artikelen 128 en 129 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen

TITEL

7 (NIEUW) Kosteloze aflevering en uitvoering van bepaalde documenten en formaliteiten door de Federale Overheidsdienst Financiën in geval van een erkende ramp Art. 130 en 131 (nieuw) De artikelen 130 en 131 worden achtereenvolgens Het geheel van het wetsontwerp, aldus geamendeerd en verbeterd, wordt bij naamstemming aangenomen met 10 tegen 3 stemmen en 3 onthoudingen. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: Ecolo-Groen: Cécile Cornet, Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre; PS: Hugues Bayet, Ahmed Laaouej; MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf; CD&V: Steven Matheï, Open Vid: Christian Leysen; Vooruit: Joris Vandenbroucke. Hebben tegengestemd: N-VA: Joy Donné, Sander Loones, Wim Van der Donckt; Hebben zich onthouden: VB: Kurt Ravyts, Wouter Vermeersch; PVDA-PTB: Marco Van Hees. De rapporteur, De voorzitster, Benoît PIEDBOEUF _ Marie-Christine MARGHEM Us DE KAMER BE NOTE À L'ATTENTION DE LA COMMI

OBSERVATIG OBSERVATIONS

PARTICULIË

«n'aïent oktenu ou recueilli» (wise en concordance des deux langues. Aux ciés à la notion de “revenus professionnels” ‘ou recueili”. On renverra notamment auxart 3. Au F,dansletexte francais de l'article 248,5 ‘on remplacera les mots« 6 semaines d'afilé (wise en concordance des deux langues. Au ment les mots« semaines calender») Art 5. Dans lea),on remplacerales mots ‘à article le décret sur l'énergie du 8 mai 2005” / “in art tot wijziging van het Energiedecreet van 8 m mand sur énergie du 8 mai 2009” / “in arti 2005”. eruamuare ste SESSION DE UA 55e LieistATURe 2021 bocss 2351/007 WIDE KAMER GE \S EA CHAMBRE oe Warticle 26 du décret flamand du 30octobr position modificative qui insère un nouvel a 8 mai 2009. IL se recommande dès lors de re flamand sur énergie.) Art. 2 6. _Dansle texte francais de l'article 39,5 2,alin 1992, onremplacerales mots“régi parun rég applicable”. (Concordance avec le texte néerlandais: singis…”) Art. an Warticle 53/1, en projet du CIR1992 est ins nation du revenu net” et comprenant les art Art.3 Il appartient à la commission d'examiner si ‘complété par un paragraphe 4.

Art.5 hunuïtgifte). appartient àla commission de remédier à 10. Dans article 269, $ 2, alina 12, du Code dE mots “au paragraphe précédent” / “in het vc elfdelid”. (wise en concordance des deux versions im d'ordre légistique) us décembre 209 (91 zp oslsniesmitnlen beimmifiesesoeae (azie dane daa acht 72 soe daa 45 DE KAMER DE Art. 6: 11. On remplacera "intitulé néerlandais du chap “giscaal stelsel van toepassing op Europese l (Concordance avec la version francaise de pens d'investissement à long terme”.) 12. Dans la version néerlandaise de Varticle2, 5 venus 1992, on remplacera les mots “die de ‘bistatuten is geregeld en die opgericht isin (Concordance avec le texte francais: “… to tevêt la forme statutaire, constitué sous laf 19 avril 2014 relative auxorganismes de plact Art. 6 13. On remplacera les mots “Dans article 205c Farticle 20socties, 2” / “In artikel 205octies, (Précision de la référence.) Art. 7 ‘zover de inkomsten” et les mots “afkomstig z (Concordance avec le texte francais: "… da teurproviennent de dividendes ….) 15. Les deux versions linguistiques de article revenus 1992 ne concordent pas: en regard terugbetaalbaar is” (-esten principe imputa ‘serait pas en principe imputable ni rembour: taalbaar zou zijn) Art. 20 (an 16. On remplacera la phrase liminaire du b) en p la loi du 6 juïlet 2017, est renuméroté en14”e 13° ingevoegd bi artikel 202 van de wet van alsvolgt”

AMÉLIORATIONS PUREMENT FORMELLES ET SELA CHAMBRE BE

Art. 29 (an 17. On remplacera la phrase liminaire comme s lieu par la loi du 17 mars 2019, est complété hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij ‘bepaling onder 13°, luidende" (Dès lors que insertion du nouveau point “compléter”.) Art. 36 ( 18. Au 2°, on remplacera dans le texte francais mots "auxfonds d urgence régionau». (Correction grammaticale. Tel qu'il sera mc 145,5 ter, alina ler, 1°,g), du CIR 1992 ser. ‘d'impôts pour les ibéralités faites à lesfond Art. 52 ( 19, Dans le texte néerlandais de article 269,5: revenus 1992, on remplacera la dernière phr “in voorkomend geval is de kapitaalverhogin CORRECTIONS RELATIVES AUX PI -_Art.35: _ dansla phrase liminaire, on insér et” “hersteld bij de wet van 22 de “van hetzelfde Wetboek” et les m bijde wet”. (Lorsque Varticle modifié a été d'abord Vacteayantrétabli arti -__Art.62: _onremplacerales mots ‘modifié lijk gewijzigd bij de wet van 12 me loi du 3août 2016” / “laatstelijk ge -__Art.68: on remplacera les mots “inséré p wet van 27 december 2006” par l “hersteld bij de wet van 27 decem -_Art.89: _“Danslarticle 11, alinéa 3,du Co décembre 2006 etmodifié par la van het Wetboek diverse rechter 2016 en gewijzigd bij de wet van -_Art.102: "Àlarticle 162 du même Code‚m "In artikel 162 van hetzelfde Wet -__Art.108 dans la phrase liminaire, on insér février 2021,” |, laatstelijk gewij “du même Code” /“van hetzelfde gevuld” Ws DE KAMER BE NOTA TER ATTENTIE VAN DE COMMIS Betreft: Wetgevingstechnische nota betreffen hetwetsontwerp houdende diverse fiscale ber ALGEMENE 1. _Daar het wetsontwerp zal worden aangenomen kingtreding moeten worden aangepast

BIJZONDERE OPMERKI

2._Inde Fransetekst vande bepaling onder 1” van h het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1997 woorden "n'aient percu" door de woorden 'n'aie (Onderlinge afstemming van de Nederlandse en roepsinkomsten” stemmen de woorden "behaal den “obtenu ou recueil”. Er kan in het bijzonde van het WIB 1992,) 3. Inde Franse tekst van de bepaling onder 3° van dachtestreep, van het WIB 1992 vervange men d: sixsemaines calendrierd afflée", (Onderlinge afstemming van de Nederlandse en: gewoonlijk overeen met de woorden "semaines c 4._Inde Franse tekst van het ontworpen artikel 207 de woorden "déduction des revenus déductible woord restant” in overeerstemt met het woord “resterende” in de Art.25 5. _Indebepaling onder a), vervange men de woord ber 2020 tot wijziging van het Energiedecreet van octobre 2020 modifiant le décret sur 'Énergiedu8 Vlaams Energiedecreet van 8 mei 2005” / “à l'art 2005” (Artikel 26 van het Vlaams decreet van 30 oktobs wijzigingsbepaling die ertoe strekt een nieuw arti van 8 mei 2009, Het verdient dan ook aanbeveli het Vlaams Energiedecreette verwijzen) Art.28 6. _In de Franse tekst van het ontworpen artikel 39, woorden “régi par un régime applicable” door de (Overeenstemming met de Nederlandse tekst“ passing is …”) Art. 31 (vro 7._Men vervange in de inleidende zin van het artike door de woorden “sous section partie A” / “on (Het ontworpen artikel 53/1 van het WIB 1992 m 3'vaststelling van het netto-inkomen”, datde ar Art.35 8.

Artikel 145% van het WIB 1992 werd bij artikel 123 aangevuld met een 5 3..Blijkens de historiek van: artikel 1457, 6 3, van hetWIB 1992 laatstelijk ge de wet van 13 december 2012 houdende fiscale e rug tevinden in Juraenin Strada Lex) Het staat aan de commissie om na te gaan of ar moet worden met eenvierde paragraaf.

Art. 52 9. inhet ontworpen artikel 269, 5 2, eerste lid, 6”, v metelkaar overeen: tegenover de woorden ‘vana staan de woorden “depuis leur émissior”(= vanaf Het staat aan de commissie om deze discrepanti 10. In het ontworpen artikel 269,5 2, twaalfde lid, v voorgaande lia” / ‘au paragraphe précédent” / de (Beide taalversies van de ontworpen bepaling wer vendien werd een wetgevingstechnische verbete Art. 61 11. Men vervange het Nederlandse opschrift van hoo “giscaal stelsel van ing op Europese langet (Overeenstemming met de Franse tekst van het péens d'investissement à long terme”.) 85 0december 2009 (ed 1 tsesenies mini eo belmminûinwebloags/isconet/o {ATS adat da acht-725-f adat 12. In de Nederlandse tekst van het ontworpen artik woorden “die de vorm heeft van een vennootscha die opgericht is inde vorm van een vennootschap” (Overeenstemming met de Franse tekst: “… tout vêt la forme statutaire, constitué sous la forme d” april 2014 betreffende de alternatieve instellinge:

Art. 66 13. Men venvange de woorden “In artikel 20socties” tikel 20socties, 2%” / “Dans article 205octies, 3” (Precisering van de verwijzing.) Art. 70 14. In de Nederlandse tekst van het ontworpen art men de woorden “uitgekeerd door de schuldenao ‘en de woorden “afkomstig zijn van dividenden” (Overeenstemmingmet de Franse tekst “… dans proviennent de dividendes …”) 15. De beide taalversies van het ontworpen artikel elkaar overeen: tegenover de woorden “in begi principe imputable ou remboursable) staan de w ‘boursable” (in beginsel niet verrekenbaar of ter Het staat aan de commissie om deze discrepantie Art. 90 (vro 16. Men vervange de ontworpen inleidende zin van voegd bijartikel 203 van de wet van 6juli 2017, wo “le 13°, inséré par article 203 dela loi du 6 juillet suit”, (De huidige tekst heeft enkel betrekking op de we onvoldoende duidelijk wat het voorwerp van de lingen onder 13° werden ingevoegdrespectieveli LOUTER VORMELIJKE VERBETERIN Art. 29 (vro 17. Men vervange de inleidende zin door wat volgt: par a loj du 17 mars 2019, est complété par un 1 Wetboek, laatstelijk gewijzigd bijdewet van 17 mc 135 luidende” (Aangezien het nieuwe punt wordt ingevoegd « werkwoord aanvullen”) Art. 36 (vro 18. Indebepaling onder 2°vervange men in de Frans door de woorden “guxtonds d'urgence régionau» (Grammaticale verbetering, Zoals het zou worde zou artikel 1457, 51, eerste lid, 1°, g), van het Wi d'impôts pour les libéralités faites les fonds dur 19. Inde Nederlandse tekst van het ontworpen artik men de laatste zin als volgt: “Im voorkomend geval isde kapitaalverhoging mo (De voorgestelde wijziging beoogt de strekking ve sie van de tekst. Door de combinatie van de wo kunnen lezen als een verbod om nieuwe aande blijkt it de Franse tekst) VERBETERINGEN BETREFFENDE DE INL -__Art.35: _indeinleidende zin voegemende en” / “établi par a loi du 22 décembre 2009 et” in même Code,” en de woorden “laatstelijk gewijzig (Wanneer het artikel dat gewijzigd wordt, opgehe de regeling vermeld worden waarbij het artikel h -__Art62: _menvervangede woorden “laatst ‘en dernier lieu par la lof du 12 mars 2014” door ‘augustus 2016” / “modifié en dernier lieu par a loi -_Art.68: men vervangede woorden “ingev la loi du 27 décembre 2006” door de woorden “h par la loidu 27 décembre 2006” -__Art.89: _"Danslarticle 11, alinéa 3,du Co ‘décembre 2006 et modifié par la loi du 20 septer boek diverse rechten en taksen, hersteld bij de van 20 september 2018,” -__Art. 102: "Al'article 162 du même Code,m "Im artikel 162 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk -__Art.108:_in de inleidende zin voege men februari 2021,” / “,modifië en dernier lieu par la lo zelfde Wetboek” / “du même Code” en de woorde (Wanneer een artikel gewiizigd wordt, dan moe dig zijn, opgegeven worden, desnoods beperkt