Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2351 Wetsontwerp 📅 2021-12-14 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (13/01/2022)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS)
Onderwerpen
BELASTINGADMINISTRATIE REGISTRATIERECHT FISCAAL RECHT HYPOTHEEK INKOMSTENBELASTING Vrije trefwoorden TERUGVORDERING

Volledige tekst

pocss 2351/003 houdende diverse fiscale bepalingen ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NO 70.465/3 DU 14 DÉCEMBRE 2021 zie oor: Wetsontwerp Goa: Amendementen bocss 2351/003 Nr. 4 VAN DE REGERING Art. 6 De woorden “aanslagjaar 2022” vervangen door de woorden “aanslagjaar 2021”

VERANTWOORDING

Overeenkomstig recente rechtspraak moeten inkomsten die, als ze niet waren vrijgesteld bij verdrag, in België aan een afzonderlijke aanslagvoet zouden worden belast, op basis van de meeste verdragen tot voorkoming van dubbele belasting worden vrijgesteld zonder progressievoorbehoud. ‘Artikel 5 van het ontwerp voert in artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) een aanslagvoet in van O pct. om die vrijstelling zonder progressievoorbehoud internrechtelijk te regelen. De aanslagvoet van 0 pct. zal ook gelden voor inkomsten uit een aantal landen waarmee een verdrag tot voorkoming van dubbele belasting is afgesloten waarin het progressievoorbehoud op een andere manier is, geformuleerd waardoor de inkomsten in kwestie nog steeds in het progressievoorbehoud zouden kunnen betrokken worden en voor inkomsten als bedoeld in artikel 155, tweede lid, WIB 92. Dit ruime toepassingsgebied voorkomt dat de bereKening van de personenbelasting nog complexer zou worden. De voorgestelde wijziging van artikel 171, WIB 92 zou overeenkomstig artikel 6 van het ontwerp pas van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2022. Dit amendement strekt ertoe om die inwerkingtreding te vervroegen naar aanslagjaar 2021, zodat een correcte toepassing van verdragsrechtelijke vrijstelingen voor dat aanslagjaar ook al onmiddelijk in de berekening kan, worden toegepast en niet via een zowel voor de belastingplichtige als de administratie zwaardere bezwaarprocedure moet gaan. Nr. 5 VAN DE REGERING Art. 13. In het vooropgestelde artikel 206/4, vierde lid, tweede streepje, de woorden “in een bijlage bij zijn aangifte” vervangen door de woorden “in zijn aangitte”. Dit amendement verduidelijkt dat de keuze om de verlezen enkel te laten aanrekenen op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, zonder deze aan te rekenen op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd, in de aangifte zelf moet worden vermeld en niet in een bijlage bij deze aangifte. Nr. 6 VAN DE REGERING Art. 24/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 24/1 invoegen, luidende: “Art. 24/1. In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1° worden de woorden “met uitzondering van de interesten waarvoor een rentesub‘sidie werd aangevraagd zoals bepaald in artikel 26 van het Vlaams decreet van 30 oktober 2020 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en in de artikelen 7151 tot 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene ‘bepalingen over het energiebeleid,” ingevoegd tussen de woorden “belastbare onroerende inkomsten,” en de woorden “met dien verstande”; b) een bepaling onder 3° wordt ingevoegd, luidende: “De teruggevorderde rentesubsidies zoals bepaald in artikel 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.””. Overeenkomstig artikel 14 WIB 92 komen de door de belastingplichtige betaalde of gedragen interesten in aanmerking, voor de federale interestaftrek. In het kader van de klimaatdoelstellingen bestaan regionale initiatieven om renovaties van onroerende goederen te ondersteunen. Zo bestaat voor het Vlaams gewest de “energielening”. De interestvoet van de “energielening” is, gelijk aan de wettelijke rente zoals die geldt op het ogenblik datde kredietovereenkomst wordt gesloten, met een minimum, van 2 pct. Er is door de kredietnemer echter geen interest verschuldigd als de voorwaarden van de “energielening+” worden nageleefd. Daarnaast bestaat een mechanisme van rentesubsidies (“Renovatiekrediet’) waarin de door de belastingplichtige (natuurlijk persoon) betaalde interesten het volgend kalenderjaar worden terugbetaald door het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (artikelen 7151 tot 715.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid) Het Waals gewest kent verschillende steunmaatregelen onder de mechanismen van Renopack/Ecopack. Het de “Brusselse groene lening” duurzame renovaties. Deze steunmaatregelen werken rechtstreeks in op de door de belastingplichtige te betalen interesten. De bovengenoemde steunmaatregelen worden gekoppeld aan bepaalde voorwaarden zoals het behalen van energetische of duurzaamheidsdoelstellingen betreffende het onroerend goed. Wanneer de belastingplichtige deze doelstelling niet haalt, verliest deze mogelijks het recht op de steunmaatregel. Dit kan tot gevolg hebben dat de belastingplichtige de genoten steun (gedeeltelijk) moet terugbetalen of onderworpen wordt aan een hogere interestvoet. Inzake deze steunmaatregelen bestaat mogelijk rechtsonzekerheid betreffende de behandeling van interesten in het kader van artikel 14 WIB 92 en de verrekening met de te ontvangen rentesubsidie diein het volgend kalenderjaar worden uitbetaald. Het kan met name niet de bedoeling zijn dat de belastingplichtige zowel geniet van de federale interestaftrek als de regionale rentesubsidie. Momenteel stelt zich enkel voor het Vlaams renovatiekrediet dergelijke onduidelijkheid. en potentieel dubbel gebruik. Andere steunmechanismes grijpen rechtstreeks in op de te betalen interesten door de belastingplichtige. Bijgevolg dient geen verrekening meer plaats te vinden op het niveau van de belastingaangifte en artikel 14 WIB 92. ‘Gelet op de modaliteiten van het Vlaams renovatiekrediet, zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, wordt er voor geopteerd een specifieke bepaling in te voegen in artikel 14 WIB 92 waarmee de interesten waarvoor een rentesubsidie werd aangevraagd, worden uitgesloten van de interestaftrek. Deze bepaling kan verder aangevuld worden wanneer andere initiatieven vanuit de verschilende regio's worden uitgewerkt. De bepaling is aangepast overeenkomstig punt 4.2 van het advies Nr. 70 465/3, van de Raad van State. Met betrekking tot de mogelijke (gedeeltelijke) terugbetaling van de rentesubsidie, zoals bepaald in artikel 7,15.5 van houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, indien het beoogde energieprestatielabel na 5 jaar niet is bereikt, wordt naar aanleiding van het advies Nr. 70 465/3 van de Raad van State een bepaling onder 3° toegevoegd in het eerste id dat bepaalt dat de belastingplichtige deze som kan aftrekken van de inkomsten van onroerende goederen. Op deze manier wordt de belastingplichtige niet driemaal gesanctioneerd (terugbetaling, mogelijke administratieve sanctie ‘en mogelijkheid verloren om interesten af te trekken) indien, het beoogde energieprestatielabel niet is bereikt. Gelet op de specifieke modaliteiten van de energielening indien het beoogde energieprestatielabel na 5 jaar niet is bereikt (geen terugbetaling van rentesubsidie maar verrekening bij toekomstige betalingen), is hiervoor geen specifieke regeling nodig. Nr. 7 VAN DE REGERING Art. 25/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 25/1 invoegen, “Art. 25/1. In artikel 38, $ 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt het vijfde lid vervangen als volgt: “De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b), en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsbudget ‘ontvangt van dezelfde werkgever in toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, tenzij het geval bedoeld in artikel 10, $ 3, van dezelfde wet””. De wet van 25 november 2021 houdende de fiscale en sociale vergroening van de mobile heeft enkele overbodig geworden wettelijke verwijzingen uitde wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van het mobilteftsbudget opgeheven. Desalniettemin zijn nog niet alle noodzakelijke aanpassingen, meer bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aangebracht. ‘Artikel 38 van hetzelfde Wetboek, wordt gewijzigd door ait voorliggende amendement teneinde de verwijzing naar de mobilteitsvergoeding te schrappen. Die is immers niet meer in werking na de vernietiging van het systeem door het Grondwettelijk Hof (arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, nr. 11/2020). Het betreft een zuivere technische verbetering. Nr. 8 VAN DE REGERING Art. 25/2 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 25/2 invoegen, “Art. 25/2.

Artikel 39, $ 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 februari 2018, wordt aangevuld met twee leden, luidende: “De in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten omvatten niet, inkomsten die voortkomen uit pensioenen, ‘aanvullende pensioenen, kapitalen, renten en afkoopwaarden, die zijn opgebouwd in het kader van een al dan niet buitenlands pensioenstelsel, ongeacht of de ‘aangeslotene al dan niet individueel is toegetreden tot het pensioenstelsel en ongeacht of de opbouw van het pensioen, het kapitaal of de rente al dan niet in het definitief en uitsluitend voordeel van de aangeslotene gebeurt Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioenstelsel verstaan, een collectieve pensioentoezegging van een werkgever waarvoor bij een pensioeninstelling of bij een intern pensioenfonds voor of door werkgevers ten behoeve van ten minste twee ‘aangesloten werknemers, vroegere werknemers of hun rechtverkrijgenden gelden worden bijeengebracht en beheerd met het oog op de uitkering van een pensioen, een kapitaal of een rente, en die beheerst wordt door een reglement dat gemeenschappelijk van toepassing is op alle aangeslotenen en desgevallend hun rechtverkrijgenden, al dan niet opgedeeld in verschillende categorieën.””. Dit artikel wordt voorgesteld omwille van een ongewilde discrepantie tussen de fiscale behandeling van bepaalde buitenlandse pensioenen en Belgische pensioenen, die steeds meer voor discussie zorgt. Deze discrepantie zorgt ervoor dat belastingplichtigen die niet werkzaam waren in het Belgisch economisch systeem, noch als werknemer en noch, als ondernemer, een voordeel ontvangen tegenover zij die, wel hun professionele carrière en pensioenkapitaal in België hebben opgebouwd. Dit is binnen de eerlijke fiscaliteit, het stimuleren van ondernemerschap en het verhogen van de werkzaamheidsgraad in België, wat principes zijn die in het Regeerakkoord zijn opgenomen, niet meer te verantwoorden. De fiscale administratie kan deze bepaling niet aangrijpen ‘om premies die bij de opbouw van een aanvullend pensioen niet fiscaal gefacilieerd werden, alsnog te belasten bij uitkering. Deze bepaling wil er louter voor zorgen dat gevallen die, ware ze niet grensoverschrijdend geweest, onder paragraaf 2, 2°, d), zouden vallen, thans niet aan belastingheffing ontsnappen, enkelomwile van het grensoverschrijdend karakter. Deze bepaling brengt enkel duidelijkheid over de ongerijmdheden tussen buitenlandse en binnenlandse pensioen stelsels met het verlies van belastinggelden aan het buitenland ‘ot gevolg, Het hoeft geen betoog dat het niet altijd eenvoudig is om de Belgische fiscale regels toe te passen op buitenlandse pensioenregelingen. Dit heeft in de praktijk tot verschillende Interpretaties en onduidelijkheden geleid. Het risico groeit dat de belastingheffing op Belgische aanvullende pensioenen In vraag wordt gesteld omdat buitenlandse pensioenen die op nagenoeg dezelfde manier zijn opgebouwd, verschillend worden behandeld. Hetzelfde geldt voor pensioenen uit Internationale organisaties. Dit zijn allemaal gevolgen van een interpretatie die de wetgever nooit met artikel 39, 5 2, 2°, WIB 92 beoogde. Het meeste gekende voorbeeld van de bovengenoemde problematiek is de fiscale behandeling van de Nederlandse werkgeverspensioenen die worden uitgekeerd aan Nederlanders die in België zijn komen wonen of aan Belgen die in Nederland hebben gewerkt en daar een aanvullend pensioen hebben opgebouwd. De rechtspraak gaat er structureel van uit dat pensioen stelsels met een collectief karakter individuele levensverzekeringen zijn die vallen onder de uitzondering van artikel 39, $ 2, 2°, WIB 92. Deze collectieve pensioenen zijn evenwel aanvullende pensioenen die bijvoorbeeld worden gereguleerd door CAO's, zijn het voorwerp van stakingen en zijn onderworpen aan reglementen die voor alle werknemers van een bedrijf gelden. De idee dat collectieve pensioenen als fiscaal “geïndividualiseerd” zouden moeten beschouwd worden doordat de persoon als individu toetrad tot het stelsel, strijdt met het principe dat het fiscaal recht het algemeen recht volgt, tenzij het ervan afwijkt. En van een afwijking is hier geen sprake. Met andere woorden ishet niet de bedoeling om tweedepilerpensioenen uithet buitenland te categoriseren als een derdepijlerpensioen. Die laatste heeft immers niets te maKen met de werkgever of met een collectief karakter. Di artikel heeft als doel om te verduidelijken dat de uitzondering van artikel 39, 52, 2°, WIB 92 géén discriminatie kan veroorzaken op grond van de buitenlandse, dan wel Belgische oorsprong: wanneer aan de principes van het tweedepijlerpensioen is voldaan, zuilen de regels die voor die tweede pijler gelden, gelijkelijk van toepassing zijn op de kwestieuze sommen, ongeacht of zij van buitenlandse of Belgische oorsprong zijn Inkomsten uit collectieve pensioenfondsen zijn steeds belastbaar geweest als een aanvullend pensioen in de zin van artikel 34 WIB 92. 'Algemeenrechteljk wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen individuele en collectieve pensioentoezeggingen. Buitenlandse collectieve pensioenen horen fiscaal niet als individuele levensverzekeringen te worden gekwalliceerd, daarmee zou een fiscale afwijking worden verondersteld, hoewel de wet ze niet voorschrijft. Deze problematiek breidt zich ondertussen verder ui Naast aanvullende pensioenen uit andere landen, worden pensioenen afkomstig uit de internationale instelingen waar België een zetelakkoord mee heelt, vrijgesteld. Deze laatste pensioenfondsen (zoals de United Nations Joint Staff Pension, Fund, waar zelfs geen interne nkomstenbelasting op hetinkomen wordt geheven) hebben zelfs meer het karakter van een wettelijk pensioen (di. de eerste pijler) dan van een tweede pier, daar ze het wettelijk pensioen van een land vervangen. Deze piste is ook niet meer te verantwoorden tegenover belastingplichtigen die hier werken en/of ondernemen en hier een pensioen opbouwen en daarop belastingen betalen. Zij worden immers benadeeld, waardoor onze Belgische economie minder aantrekkelijk is voor werknemers, iels wat allerminst de bedoeling was. Middels ait ontwerp wordt bovenstaande discussie en problematiek van fiscale oneerlijkheid en rechtsonzekerheid naar de toekomst toe definitief uit de weg geruimd. Er wordt uitdrukkelijk uiteengezet dat pensioenen, afkomstig uit een collectieve pensioentoezegging van een werkgever waarvoor bij een externe pensioeninstelling of bijeen intern pensioenfonds ten behoeve van ten minste twee aangeslotenen of hun rechtverkrijgenden gelden worden bijeengebracht en beheerd methetoog op de uitkering van een pensioen, een kapitaal of een rente, en die beheerst wordt door een reglement dat gemeenschappelijk van toepassing is op alle aangeslotenen en, desgevallend hun rechtverkrijgenden, al dan niet opgedeeld Rij in verschillende categorieën in zijn geheel, niet valt onder de toepassing van artikel 39, 5 2, 2°, WIB 92, omdat zij nooit een Individuele levensverzekering kunnen zijn. Dit artikel heeft niet tot gevolg dat er op enigerlei wijze via onderhavige nationale bepaling afbreuk zou worden gedaan ‘aan het principe in verdragen tot vermijding van dubbele belasting dat het heffingsrecht in grensoverschrijdende situaties slechts aan één van de verdragslanden toekomt. Conform de hiërarchie van de rechtsnormen raakt deze bepaling niet aan de toepassing van deze verdragen en van het principe dat eventuele dubbele belasting ingevolge die verdragen wordt onmogelijk gemaakt. Naar aanleiding van het advies Nr. 70 465/3 van de Raad van State wordt nog dieper ingegaan op de omschrijving van het begrip “collectief pensioenfonds” en wat er gebeurt als een pensioenfonds terugvalt op één werknemer. De problematiek situeert zich voornamelijk in het onderscheid tussen tweede- en derde pijlerpensioenen. De uitzonderingscategorie van artikel 39, 5 2, WIB 92 was er voor derde pijlerpensioenen, d.w.z. met persoonlijk kapitaal Individuele bankproducten kiezen voor de individuele pensivenopbouw (vb.: de individuele levensverzekering). Tweede pilerpensioenen zijn dan pensioenen opgebouwd door de beroepswerkzaamheden van een belastingplichtige, zoals de collectieve groepsverzekering van een werkgever. Feltenanalyses gegeven door de rechtspraak zorgden ervoor dat sommige buitenlandse collectieve pensloenvoorzieningen (dus tweede pijlerpensloenen) werden gekwalificeerd als individuele levensverzekeringen en dus als een derde pijlerpensioen. Dit wetsontwerp wil de rechtsonzekerheid wegwerken door duidelijk te maken wat geen individuele levensverzekering en dus een derde pijlerpensioen is. Omdat de bedoeling van de wetgever voornamelijk te maken heeft met de Nederlandse pensioenfondsen, baseert het ontwerp zich op de definitie van het Nederlandse pensioenfonds uit de Nederlandse pensioenwet die stelt dat een pensioenfonds een stichting is “waarin ten behoeve van ten minste twee deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten minste een basispensioenregeling”. Men dient hier dus onder te verstaan, een verzekering onderhandeld door een werkgever (al dan niet via een sectoraal pensioenfonds) voor diens werknemers (vroegere, huidige of toekomstige) en alle nuances die hieronder kunnen vallen. De definitie die de wetgever wil inbrengen, maakt geen onderscheid tussen de categorieën van gepensioneerden. In de praklijk maakt een collectief pensioenfonds een mogelijk onderscheid tussen de verschillende soorten werknemers op basis van barema's en dergelijke meer, maar dit heeft geen invloed op het collectief karakter van het pensioenfonds. In het geval een werkgever een groepsverzekering heeft afgesloten en er in dat specifiek geval slechts één werknemer Is, dient een feitenkwestie zich aan. Een groepsverzekering is meestal onderhandeld en afgesloten voor een groep mensen, die werken of werkten in een bedrijf (al dan niet onder bepaalde parameters edm. Mensen die beginnen met werken in dat bedrijf treden als het ware in deze verzekering. Vaak worden pensioenfondsen ook georganiseerd per sector of door groepen werkgevers omwille van schaalvoordelen, zodat ait specifieke geval weinig zal voorkomen. Het zou moeten gaan over een onderhandelde groeps verzekering voor werknemers bij een pensioenfonds waarbij een verzekering vervolgens terug zou vallen en er slechts één enkele werknemer, ex-werknemer of nabestaande geniet van die pensioenregeling. Als een dergelijke situatie zou bestaan en dit in rechte kan worden bewezen, kan er toch sprake zijn van een individuele levensverzekering, maar treedt de uitzondering van artikel 39, $ 2, 2°, d), WIB 92 voor de opbouw door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming in werking. Het voorstel spreekt ook van “vroegere werknemers of hun rechtverkrijgenden”. Als een bediende zou sterven, zullen zijn rechtverkrijgenden ook rechten hebben op het pensioenfonds. Het collectieve karakter wordt dan bewaard In het zeer specifieke en uitzonderlijke geval waar er twee aangesloten werknemers zouden zijn, één bediende zou sterven en deze geen nabestaanden zou hebben op welke manier dan ook, is er de facto sprake van een individuele levensverzekering, maar speelt ook dan de uitzondering voorzien in artikel 39, 5 2, 2°, d), WIB 92 voor de opbouw door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming. Nr. 9 VAN DE REGERING Art. 29/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 29/1 invoegen, “Art. 29/1. In artikel 64quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 november 2021, worden 1° in het eerste lid wordt het woord ‘vaste”ingevoegd tussen de woorden “in nieuwe staat verkregen of tot stand gebrachte” en de woorden “laadstations voor elektrische wagens”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met een streepje, *- slechts wanneer de door de Koning bepaalde gegevens met betrekking tot het laadstation bij de Federale overheidsdienst Financiën zijn aangemeld in de vorm en binnen de termijn door Hem vastgesteld.”; 3° het derde lid wordt vervangen als volgt: “Voor de toepassing van dit artikel wordt een laad‘station als publiek toegankelijk beschouwd wanneer het ten minste gedurende de gangbare openingstijden, dan wel sluitingstijden van de onderneming vrij toegankelijk is voor elke derde”; 4° in het vierde lid worden de woorden “, dat meldingen over het effectieve laadvermogen en statusmeldingen kan terugsturen,” ingevoegd tussen de woorden woorden “het laadvermogen van het laadstation kan sturen” en de woorden “en waarbij deze verbinding”; 5° het zesde lid wordt opgeheven”. Via dit amendement worden een aantal wijzigingen aangebracht aan artikel G4quater WIB 92, dat een verhoogde kostenaftrek toekent voor afschrijvingen met betrekking tot In nieuwe staat verkregen of tot stand gebrachte laadstations voor elektrische wagens die publiek toegankelijk zijn De eerste wijziging (bepaling onder 1°) beoogt expliciet te verduidelijken dat voor deze verhoogde kostenaftrek enkel laadsystemen in aanmerking komen die permanent in de grond of aan de muur zijn bevestigd. Niettemin artikel 64quater WIB 92, ingevoegd door de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, specifiek “laadstation” vermeldt, blijkt er onduidelijkheid te bestaan over het toepassingsgebied met betrekking tot laadkabels. Via de toevoeging van het woord “vaste” in het eerste lid van artikel 64quater WIB 92, wordt deze onduidelijkheid weggewerkt Er bestaan verschillende redenen voor deze uitsluiting. Zo ondersteunen laadkabels niet de doelstelling die de wetgever had met de invoering van dt fiscaal voordeel, namelijk het aanmoedigen van de installatie van vaste laadstations met een hoog laadvermogen om zo de overgang naar de elektrificatie van het wagenpark te faciliteren. Daarnaast is er bij laadkabels geen installatie vereist, noch een keuringsattest. ‘Tot slotis de kostprijs van een laadkabel ook significant lager dan de kostprijs van de installatie van een vast laadstation, waardoor een fiscale ondersteuning niet nodig is. Een tweede wijziging (bepaling onder 4°) betreft de in artikel 64quater, vierde lid, WIB 92 opgenomen technische voorwaarden met betrekking tot het laadstation. De voorwaarden inzake inteligente sturing worden aangepast naar aanleiding van het op 19 oktober 2021 gegeven advies van de Hoge Raad van de Zelfstandigen en de KMO. Wat het eerste voorstel tot wijziging betreft, wordt de toevoeging beperkt tot het terugsturen van “meldingen over” het effectieve laadvermogen. Laadstations zijn nog onvoldoende ontwikkeld om al elektriciteit op het net te injecteren. Het tweede voorstel wordt niet gevolgd. Een verwijzing naar meerdere specifieke protocollen is niet nodig, omdat deze al gevat worden door de bredere, algemene formulering. De overige wijzigingen aan artikel 64quater WIB 92, (bepalingen onder 2°, 3° en 5°) betreffen een aanpassing van de delegatie aan de Koning. Initieel was er voorzien dat de belastingplichtige, in plaats van rechtstreeks de nodige technische gegevens aan het Europese observatorium voor alternatieve brandstoffen (eafo eu) over te maken, hij deze gegevens bij de FOD Financiën zou aanmelden, waarna de FOD Financiën deze gegroepeerd aan EAFO zou bezorgen. De belastingplichtige zou bij zijn aanmelding dan enkel nog zijn toestemming moeten verlenen voor het vermelden van het laadstation op de webstek van EAFO. Deze vermelding gebeurt echter al onrechtstreeks via de zogenaamde CPO's (charge point operator) die instaan voor de installatie, het onderhoud en het beheer van publieke - en semipublieke laadstations. Zij maken de nodige technische gegevens over aan Eco-movement, een leverancier van laadpuntdata, die deze vervolgens overmaakt aan EAFO, Bovendien wordt er op Europees niveau de laatste hand gelegd aan een Verordening die de verschillende lidstaten niet alleen zal opleggen om te voorzien in voldoende publiek toegankelijke laadpunten, maar ook in een organisatie voor Identificatieregistratie die er voor moet zorgen dat binnen, Europa dezelde minimale informatie betreffende laadpunten wordt verzameld en kenbaar gemaakt aan de potentiële gebruikers. Het opnieuw opvragen, verzamelen en overmaken van deze gegevens door de FOD Financiën aan EAFO is dus op ait moment al overbodig en zal in de nabije toekomst ofwel stopgezet moeten worden, ofwel opnieuw aangepast om in overeenstemming te zijn met de Verordening en niet in conflict te komen met de nationaal opgerichte organisatie voor Identificatieregistratie. Gegeven het bovenstaande zou het behoud van deze datastroom niet enkel leiden tot een te vermijden bijkomende administratieve last bij de belastingplichtigen en de FOD Financiën. Ze zou, gezien het feit dat de gegevens al via een andere weg bekend zijn gemaakt, ook in strijd zijn met het principe van de unieke gegevensinzameling. Er wordt daarom voorgesteld om de passages met betrekking tot de aanmelding bij EAFO en de daarvoor te verlenen toestemming te schrappen en de delegatie aan de Koning te beperken tot het aanmelden van de nodige gegevens, waaronder deze die overeenkomstig artikel 20, lid 6, van de Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot insteling van de herstel- en veerkrachtfacilteit, aan de Europese Commissie moeten worden overgemaakt opdat België voor deze fiscale maatregel aanspraak kan maken op Europese fondsen in het kader van de herstel- en veerkrachtfacilteit Nr. 10 VAN DE REGERING Art. 29/2 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 29/2 invoegen, “Art. 29/2. In artikel 90, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt een bepaling onder 2°bis ingevoegd, luidende: “2°bis de premies voor de eerste schijf van 30 000 euro bruto per belastbaar tijdperk, toegekend door nationale of internationale sportfederaties, Nationale Olympische Comités, Belgische of vreemde ‘openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerk erkend door het Internationaal Olympisch Comité, naar aanleiding van een sportieve prestatie op Olympische Spelen, Paralympische Spelen, wereldkampioenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen;”.” De Olympische Spelen worden elke vier jaar georganiseerd en worden beschouwd als de hoogmis van de mondiale sport. Het is een manifestatie waarbij elk land de uitstekende resultaten van zijn atleten van hoog niveau wil aantonen. Hun prestaties zetten jongeren ertoe aan om zelf sport te beoefenen en hoge ambities te stellen. Bovendien is het, op politiek en economisch vlak, voor een Staat opportuun om via de sport haar imago te versterken. Ook andere tornooien, waar verschillende landen aan deelnemen zoals wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen zijn voor veel sporten het moment waarop sporters van verschillende landen kunnen excelleren. Als erkenning voor de prestaties van atleten op Olympische Spelen, of Paralympische Spelen, wereldkampioenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen worden in verschillende mate prestatiepremies toegekend aan sporters die uitzonderlijk presteren. Gelet op de uitzonderlijke prestaties die aanleiding geven tot dergelijke premies, wenst de regering deze onder een gunstig belastingstelsel te brengen. De eerste schijf van 30 000 euro aan premies per belastbaar tijdperk, geïndexeerd voor aanslagjaar 2022 naar 50 040 euro (de premie voor een gouden medaille op de Olympische Spelen 2021 bedroeg 50 000 euro) wordt gekwalificeerd als diverse inkomsten. Het brutobedrag van deze premies (geen aftrek van kosten mogelijk) wordt belast tegen het tarief van 16,5 pct. tenzij de globalisatie voordeliger is (nieuw artikel 171, 4°, b/t), WIB 92) Enkel de premies die worden toegekend door nationale of internationale sportfederaties, Nationale Olympische Comités, Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerk die door het Internationaal Olympisch Comité zijn erkend, vallen onder dit afzonderlijk regime. Dit om mogelijke commerciële sponsorpremies uitte sluiten van het toepassingsgebied. van State wordt verduidelijkt dat voorgesteld gunstig belastingregime enkel van toepassing is op premies verkregen als erkenning van prestaties van atleten op Olympische Spelen, of Paralympische Spelen, wereldkampioenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen. Andere sportevenementen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied daar deze van een totaal verschillend karakter zijn als de voornoemde tornooien. Met name wordt aan voornoemde Internationale tornooien deelgenomen als vertegenwoordiger van het land van de sporter waarbij de atleten bijdragen tot een positief imago van sport en van hun land, terwijl bij andere sportevenementen wordt deelgenomen als individuele sporter los van land of nationaliteit. Dit wordt geconcludeerd uit een algemene beschouwing voor alle sporten. Het is mogelijk dat voor specifieke sporten andere elementen aan te dragen zijn, echter wordt er voor gekozen om een duidelijke algemene regel in te voegen zonder een complexe lijst van, uitzonderingen of parameters. Dit is noodzakelijk voor de rechtszekerheid van de beoogde maatregel. Voor belastingplichtigen onderworpen aan de belasting niet inwoners (BNI) zijn deze inkomsten belastbaar op grond van artikel 228, 5 2, 8°, WIB 92. Het bedrag boven de eerste schijf van 30 000 euro of ander prijzengeld dan voornoemde premies volgen het normale fiscale stelsel. Met name zal de fiscale kwalificatie van deze Inkomsten afhangen van de feitelijke en Juridische omstan digheden die eigen zijn aan elk geval. In de regel zullen de premies als bezoldigingen of baten worden aangemerkt, naar gelang de prestaties worden geleverd in het kader van een arbeidsovereenkomst of in het kader van een activiteit als zelfstandige. In een beperkt aantal gevallen zullen de inkomsten kwalificeren als diverse inkomsten (toevallige winst of baten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°, WIB 92). van State wordt verduidelijkt dat de voorgestelde regeling verschilt van de regeling voor kunstenaars als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 2°, WIB 92. Dit verschil wordt verantwoord op basis dat sporters, eventueel over verschillende sporttakken heen, per belastbaar tijdperk aan meerdere door deze maatregel bedoelde kampioenschappen kunnen deelnemen en de prijzen op deze kampioenschappen gemiddeld ook hoger liggen dan deze toegekend aan kunstenaars, geleerden en schrijvers Nr. 11 VAN DE REGERING Art. 29/3 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 29/3 invoegen, “Art. 29/3. In artikel 145° van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt een paragraaf 3 ingevoegd, luidende: “$ 3. De belastingvermindering bedoeld in paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige van dezelfde werkgever een mobilteitsbudget ontvangt in toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobilteitsbudget, tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk.””. sociale vergroening van de mobiliteit heeft artikel 10 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van het mobilteitsbudget gewijzigd teneinde de cumul van een mobilteitsbudget met de belastingvermindering voorzien in artikel 145° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitte sluiten (artikel 28 van de hierboven genoemde wet van 25 november 2021). Desalniettemin heeft deze wet niet voorzien in een gelijkaardige bepaling in het WIB 92. Dit amendement wijzigt op een gelijkaardige manier dus artikel 145% van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 om het voordeel van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor de aankoop van een elektrisch voertuig uit te sluiten in geval van toekenning van een mobilteitsbudget. Het betreft een zuiver technische aanpassing Nr. 12 VAN DE REGERING Art. 30 ‘Tussen de bepaling onder 1° en de bepaling onder 2°, die de bepaling onder 3° wordt, een bepaling onder 2° invoegen, luidende: “2° jn de bepaling onder 9) worden de woorden “de Nationale Kas voor Rampenschade ten bate van het Nationaal Fonds voor Algemene Rampen of van het Nationaal Fonds voor Landbouwrampen,” vervangen door de woorden “de gewestelijke rampenfondsen en ‘hun administratieve organen voor fondsenwerving” en worden de woorden “rampen die de toepassing rechtvaardigen van de wet betreffende het herstel van schade veroorzaakt aan private goederen door” opgeheven”. Na de regionalisering van de bevoegdheid rond rampenfondsen op 1 januari 2014, is een aanpassing van artikel 145** WIB 92 noodzakelijk. De nood aan financiering van de rampenfondsen na verscheidene binnenlandse natuurrampen zoals de windhozen in de regio van Beauraing (op 19 juni 2021) ‘en Houffalize (28 juni 2021) en uiteraard de zware regenbuien in het oosten van het land van 14 en 24 juli 2021, maakt dat hier dringend werk van moet worden gemaakt. Middels deze bepaling wordt dit euvel verholpen. De manier waarop de financiering van de vergoedingen van rampenschade wordt geregeld, verschilt van gewest tot gewest. De wetswijziging is op deze manier opgesteld dat de rampenfondsen, en de manier waarop de rampenfondsen gefinancierd worden, zo breed mogelijk kan worden geïnterpreteerd. Op deze manier is de autonomie van de gewesten gewaarborgd: zij kunnen op hun manier de financiering van, de vergoedingen voor schade door rampen blijven regelen naar eigen inzichten. De term ‘administratieve organen voor fondsenwerving” werd geïntroduceerd om de mogelijkheid open te laten voor de gewesten om naargelang de ramp of situatie maatwerk te kunnen verrichten zonder dat de fiscale aftrekbaarheid van, giften in het gedrang komt. Het gaat hier enkel over initiatieven van overheidswege en vanuit de administratie. Het is niet de, bedoeling dat een privévereniging indirect kan genieten van deze welswijziging om fiscaal aftrekbare giften te kunnen ontvangen. Daarnaast wordt de vermelding van de Nationale Kas voor Rampenschade ten bate van het Nationaal Fonds voor Algemene Rampen of van het Nationaal Fonds voor Landbouwrampen weggelaten, omdat deze fondsen uitdovend zijn en niet meer bevoegd voor de vergoeding van nieuwe rampen. ‘Tenslotte wordt de verwijzing naar de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen weggelaten, omdat deze wet reeds werd opgeheven door de bevoegde regio's. Hetbijft evenwel mogelijk fiscaal aftrekbare giften te krijgen als instelling die hulp biedt aan de slachtoffers van natuurrampen, mits, voorafgaande erkenning van de bevoegde regering. Zo kan hulpverlening na natuurrampen verder ondersteund worden. Nr. 13 VAN DE REGERING Art. 30/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 30/1 invoegen, “Art. 30/1. In artikel 145%, $ 1, van hetzelfde Wetboek, 1° in het eerste lid wordt het woord “vast”ingevoegd tussen de woorden “voor de plaatsing van een” en de woorden “laadstation voor elektrische wagens”; 2° in het vierde lid, 1°, worden de woorden, dat meldingen over het effectieve laadvermogen en statusmeldingen kan terugsturen,” ingevoegd tussen de woorden woorden “het laadvermogen van het laadstation kan sturen” en de woorde _n “en waarbij deze verbinding”.”. Via dit amendement worden een aantal wijzigingen aangebracht aan artikel 145* WIB 92 dat een belastingvermindering toekent voor de uitgaven die zijn betaald voor de plaatsing van een laadstation voor elektrische wagens. Voor de wijziging met betrekking tot de technische voorwaarden kan verwezen worden naar de verantwoording gegeven bij de gelijkaardige wijziging aan artikel 64quater WIB 92 via artikel 29/1 in ontwerp (amendement Nr. 9) ‘Ook voor wat betreft de bevestiging dat enkel “vaste” laadstations in aanmerking komen, kan verwezen worden naar de verantwoording bij artikel 29/1, waar verder nog aan, toegevoegd kan worden dat de specifiek voor de belastingvermindering geldende voorwaarde van uitsluitend gebruik van “groene stroom” praktisch niet controleerbaar zou zijn in het geval van laadkabels. Nr. 14 VAN DE REGERING Art. 30/2 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 30/2 invoegen, “Art. 30/2. In artikel 171, 4°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 februari 2019, wordt een bepaling onder b/1) ingevoegd, luidende: “b/1) de in artikel 90, eerste lid, 2°bis vermelde premies;””. Er wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement Nr. 10, dat een nieuw artikel 29/2 invoert. Nr. 15 VAN DE REGERING Art. 37 De bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° in het tweede lid worden de woorden “inkomsten als bedoeld in artikel 17, S 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°,” ingevoegd tussen de woorden “voordelen van alle aard,” en de woorden “financiële voordelen en verdoken meerwinsten” en de woorden “en die financiële voordelen” worden vervangen door de woorden “‚ die financiële voordelen en die inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat ‘auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”; *. Deze wijziging vormt een aanvulling op de wijziging van artikel 219 WIB 92 om de toepassing van de tot 50 pct. verlaagde afzonderlijke aanslag mogelijk le maken wanneer de verkrijger van de in artikel 17, 1, 3° en 5°, WIB 92 bedoelde inkomsten een rechtspersoon is. Nr. 16 VAN DE REGERING Art. 40 De woorden “tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard en die financiële voordelen een rechtspersoon is, in welke gevallen de aanslag gelijk is aan 50 pct” vervangen door de worden “tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat ‘auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, en gevallen de aanslag gelijk is aan 50 pct”. artikel 225, WIB 92 om de toepassing van de tot 50 pct. verlaagde afzonderlijke aanslag mogelijk te maken wanneer de Nr. 17 VAN DE REGERING Art. 42/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 42/1 invoegen, “Art. 42/1. In artikel 265, tweede lid, 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht a)in het eerste streepje worden de woorden “aaneen lokaal bestuur als bedoeld in artikel 32 van de wet van '24 oktober 2011” vervangen door de woorden “aan een lokaal bestuur in het kader van artikel 5, $$ 1, 2 en 5, van de wet van 24 oktober 2011”; b) in het tweede streepje, a, worden de woorden artikel 32 van de genoemde wet van 24 oktober 2011” vervangen door de woorden “de artikelen 16 en 20 van de genoemde wet van 24 oktober 2011”; c) in het tweede streepje, b, 2, worden de woorden “door tussenkomst van het voornoemd lokaal bestuur” ingevoegd tussen het woord “onrechtstreeks” en de woorden “aan een instelling voor sociale zekerheid”.” Mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, voorziet artikel 265, tweede lid, 3°, WIB 92 in een vrijstelling van roerende voorheffing op de interesten die worden voortgebracht door het kapitaal dat is bestemd voor de toekomstige pensioenuilkeringen en dat door een verzekeringsondermeming wordt verleend of toegekend aan een lokaal bestuur als bedoeld in artikel 32 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. Gelet op het volgende zijn deze voorwaarden niet meer geheel geschikt voor de huidige situatie ‘Op 1 januari 2017 zijn de RSZ en het DIBISS (Dienst voor de Bijzondere Soclalezekerheidsstelsels) gefusioneerd. Samengevat, de RSZ beheert voor de private, federale en regionale werkgevers de aangiften van de sociale bijdragen (ontvangst, controle), de betaling ervan (door de werkgevers of hun erkend sociaal secretariaat), de invordering van de onbetaalde bijdragen en de verdeling van de ontvangsten onder de sociale zekerheidsfondsen (d.w.z. ongeveer 260 000 actieve werkgevers) Het DIBISS beheerde dezelfde zaken voor werkgevers - provinciale en lokale besturen (hierna PLB) (d.w.z. ongeveer 1860 werkgevers) Ondanks de fusie bestaan de twee beheerssystemen naast elkaar en zullen zi tot 31 december 2021 naast elkaar blijven bestaan, ‘Tegen 1 januari 2022 wil de RSZ de 1 860 PLBwerkgeversrekeningen tegen een minimale kost integreren In de databank die aan de grondslag Iigt van het beheer van de 260 000 private werkgeversrekeningen en daarbij het beheer van de betalingen en de invorderingen voor deze PLBwerkgeversrekeningen aanpassen door ze zoveel mogelijk te Integreren in de bestaande “private rekeningen”-processen. Huidig betalingscircuit van pensioenbijdragen: ‘Artikel 32 van de wet van 24 oktober 2011, waarnaar wordt verwezen in artikel 265, tweede lid, 3°, WIB 92 voorziet in een speciaal betalingscircuit dat een uitzondering vormt op het gebruikelijke circuit. Dit circuit bepaalt dat een provinciaal of lokaal bestuur in het kader van een verzekeringsovereenkomst, de betaling van de volledige pensioenbijdragen aan een voorzorginsteling kan toevertrouwen. Deze treedt dan in de plaats van het bestuur inzake de verplichtingen in verband met deze betaling. In de praktijk betekent dit dat de RSZ momenteel dubbele rekeningen/facturen bijhoudt voor elk provinciaal of lokaal bestuur dat deze keuze maakt. Op elk moment van facturering van de bijdragen berekent de RSZ het pensloendeel en factureert deze aan de voorzorginsteling die de betaling aan de RSZ verricht. De andere bijdragen worden gefactureerd aan de werkgever, van wiens bankrekening de RSZ de gevraagde betaling opneemt. Dit systeem wordt nog steeds door de RSZ gebruikt, omdat het “PLB-instrument voor het beheer van werkgeversrekeningen daarvoor is ontworpen. Betalingscircuit van pensloenbijdragen vanaf 1 januari 2022: Vanaf 1 januari 2022 wordt de “PLB“-beheertool stopgezet en zullen de “PLB"-werkgeversrekeningen worden beheerd in de geautomatiseerde beheertool voor private-, federale- en regionale werkgeversrekeningen. Met dit instrument is dubbele facturering, zoals hierboven uitgelegd, niet mogelijk. Aangezien het om ongeveer 160 werkgevers gaat. is het niet haalbaar het IT-systeem aan te passen om deze dubbele facturering te beheren. De gevonden oplossing bestaat erin het betalingscircuit zoals voorzien in artikel 32 van de voornoemde wet van 24 oktober 2011 te wijzigen en voor te stellen dat de voorzorginstelingen, die op de hoogte zullen worden gebracht van de te betalen bedragen en de betalingstermijnen, de betalingen verrichten op de bankrekening van elk bestuur, zodat de RSZ het gefactureerde bedrag op één enkele manier in mindering brengt. Het totaal van de geïnde bijdragen wordt vervolgens verdeeld volgens de vastgestelde regels en op zodanige wijze dat de FPD (Federale Pensioendienst - Service Public des Pensions) over de nodige bedragen beschikt om de pensioenen uit te betalen. Bovendien heeft de eerste verwijzing naar artikel 32 van de wet van 24 oktober 2011 in artikel 265, tweede lid, 3°, eerste streepje, WIB 92, in werkelijkheid betrekking op alle bij het Gesolidariseerd pensioenfonds aangesloten besturen: de begunstigden zijn dezelfde. Bijgevolg kan in artikel 265, tweede lid, 3°, eerste streepje, WIB 92 deze verwijzing worden vervangen door een verwijzing naar artikel 5, $ 5 1, 2 en 5, van de wet van 24 oktober 2011. In artikel 265, tweede lid, 3°, tweede streepje, a, WIB 92, wordt de verwijzing naar artikel 32 van de wet van 24 oktober 2011 vervangen door een verwijzing naar de artikelen 16 en 20 van dezellde wet. Indien hier moet worden verwezen naar de soorten bijdragen als bedoeld In voornoemd artikel 32, dan is het beter te verwijzen naar artikel 16 van dezelfde wet, betreffende de basispensioenbijdragen, en naar artikel 20 van dezelide wet, betreffende de responsabiliseringsbijdragen. In de praktijk worden “toekomstige lasten inzake wettelijke pensioenen” gedefinieerd in artikel 265, tweede lid, 3°, b, wis ee. ‘Artikel 265, tweede lid, 3°, tweede streepje, b, 1, WIB 92 heeft betrekking op de betaling van pensioenen die niet door het Gesolidariseerd pensioenfonds zijn overgenomen en die onder de verantwoordelijkheid van het bestuur blijven vallen, terwijl de bepaling onder b, 2, betrekking heeft op de betaling van pensioenen die uit pensioenbijdragen worden gefinaneierd. Gelet op het voorgaande volstaat het om in de bepaling onderb, 2, te verduidelijken dat de verzekeringsonderneming de betaling verricht aan het voornoemde lokaal bestuur, die deze bedragen op haar beurt overmaakt aan de instelling voor sociale zekerheid teneinde de doelsteling te bereiken van de aanpassing van de fiscale wetgeving aan het nieuwe betalingscircuit van pensioenbijdragen zoals beschreven in deze motivering Deze wijzigingen treden in werking op 1 januari 2022. Nr. 18 VAN DE REGERING Art. 42/2 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 42/2 invoegen, “Art. 42/2. In artikel 269 van hetzelfde Wetboek, paragraaf 2 vervangen als volgt “$ 2. In afwijking van $ 1, 1°, wordt het tarief van de roerende voorheffing op de dividenden, met uitzondering van de in artikel 18, eerste id, 2°ter, en 3°, bedoelde dividenden, verlaagd in zoverre dat: 1° de vennootschap die deze dividenden uitkeert, een vennootschap is die op grond van de voorwaarden vermeld in artikel 1:24, $ $ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan; 2° die dividenden voortkomen uit nieuwe aandelen ‘op naam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van de vennootschap of een verhoging van haar kapitaal; 3° de volstorting van het kapitaal dat deze aandelen vertegenwoordigt, volledig gebeurt door middel van nieuwe inbrengen in geld; 4° deze inbrengen in geld niet voortkomen uit de verdeling van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537, eerste lid, worden onderworpen aan een verlaagde roerende voorheffing zoals bedoeld in datzelfde lid; 5° de uitgifte van de aandelen gedaan is vanaf 1 juli 2013; 6° de belastingplichtige deze aandelen op naam ‘ononderbroken in volle eigendom heeft behouden vanaf de kapitaalinbreng; 7° deze dividenden zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging, of voor volgende boekjaren. De roerende voorheffing bedraagt: 1° 20 pct. voor de dividenden verleend of toegekend uitde winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend ‘op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging; 2° 15 pct. voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar volgend De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, van de aandelen ingevolge een erfopvolging of schenking wordt geacht niet te hebben plaatsgehad voor de toepassing van de in het eerste lid, 6°, vermelde voorwaarde inzake het ononderbroken behoud. van de aandelen wordt evenmin geacht te hebben plaatsgehad voor de toepassing van de voorwaarde van volle eigendom wanneer die overdracht het gevolg is van: 1° een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfvolging; 2° een ascendentenverdeling die geen afbreuk doet ‘aan het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. De erfgenamen of begiftigden nemen de plaats in van de belastingplichtige inzake de voordelen en verplichtingen van de maatregel. De omruiling van aandelen ingevolge verrichtingen als vermeld in artikel 45 of de vervreemding of verkrijging van aandelen ingevolge fiscaal neutrale verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, $ 1, eerste lid, 2°, 211, 214, $ 1, en 231, $ $ 2 en 3, worden geacht niet te hebben plaatsgevonden voor de toepassing van het eerste lid, 6°. De kapitaalsverhogingen die tot stand komen na een vermindering van dit kapitaal die plaatsvinden vanaf 1 mei 2013 komen niet in aanmerking voor het toekennen van het verlaagd tarief, behalve in de mate waarin de kapitaalsverhoging de vermindering overstijgt. 'De sommen die voortkomen uit een vanaf 1 mei 2013 georganiseerde vermindering van het kapitaal of uitkering van liquidatiereserves bedoeld in artikel 184quater of 541 die onderworpen zijn aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 pct, van een vennoot‘schap verbonden of geassocieerd met een persoon in de zin van de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die door deze persoon worden geïnvesteerd in een verhoging van het kapitaal van een andere vennootschap kunnen niet genieten van het voormeld verlaagd tarief. Voor de toepassing van het vorig lid wordt onder “persoon” ook begrepen zijn echtgenoot, zijn ouders en zijn kinderen wanneer deze persoon of zijn echtgenoot het wettelijk genot van hun inkomsten hebben. Als de vennootschap, die aandelen heeft uitgegeven of haar kapitaal heeft verhoogd in het kader van deze paragraaf, later overgaat tot verminderingen van dat kapitaal, zullen deze verminderingen prioritair worden afgehouden van de kapitalen die ter uitvoering van de betrokken oprichting of verhoging zijn gestort. De onderschreven sommen bij de uitgifte van de ‘aandelen moeten volledig volstort zijn en aan deze ‘aandelen mag geen voorkeursrecht verbonden zijn ten ‘aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen. Voor de vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 beslist hebben over te gaan tot een vrijstelling van volstorting van de onderschreven ‘aandelen, waardoor aan de voorwaarde vermeld in het voorgaande lid in principe nooit meer zou kunnen worden voldaan, en die vóór 31 december 2022 een kapitaalverhoging in geld doorvoeren, waardoor het bedrag van het gestorte kapitaal in geldmiddelen ‘opnieuw op dezelfde hoogte wordt gebracht van het initieel onderschreven bedrag vóór de vrijstelling tot volstorting, kunnen de dividenden met betrekking tot zowel de aandelen uitgegeven bij de oprichting na 1 december 2013 als de aandelen uitgegeven bij de kapitaalverhoging in aanmerking komen voor het verlaagde tarief, op voorwaarde dat aan de andere voorwaarden is voldaan. In voorkomend geval mag de kapitaalverhoging niet gepaard gaan met de uitgifte van nieuwe aandelen.”” Naar aanleiding van de vervanging van het wetboek van vennootschappen door het wetboek van vennootschappen en verenigingen is voor de meeste rechtsvormen geen sprake meer van een nominatief genoemd minimumkapitaal. Ingevolge het verdwijnen van deze minimumkapitaalvereiste hebben een heel aantal vennootschappen beslist om de inbreng in de vennootschap te verlagen door een vrijstelling van volstorting van de onderschreven sommen. ‘Aangezien het VVPRbis regime uitsluitend van toepassing Is voor de aandelen die volledig volstort zijn, bestaat onduidelijkheid of de aandelen waarvan het initieel onderschreven bedrag nooit werd volstort al dan niet kunnen genieten van, het VVPRbís regime: Het voorliggend ontwerp van amendement wil hieraan verhelpen door expliciet te vermelden dat de initieel onderschreven inbreng volledig volstort moet zijn om te kunnen, genieten van het VVPRbis regime.

Artikel 269, 5 2, eerste lid, 7° en tweede lid, WIB 92, zoals gewijzigd bij dit ontwerp, werd aangepast naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State, zodat de wachttermijn voor de verlaging van de roerende voorheffing loopt vanaf de datum van de inbreng. De tijdelijke afwijking van deze voorwaarde, waarin het nieuwe twaalfde id voorziet heeft tot gevolg dat aandeelhouders of vennoten die te goeder trouw hebben besloten, hun inbreng in de vennootschap te verminderen, niet worden, benadeeld indien zij de betreffende sommen opnieuw ter beschikking stellen van de vennootschap door de volstorting In geld van de aandelen op uiterlijk 31 december 2022. De wachttermijn loopt dan vanaf de datum van de initêle inbreng. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State wordt de datum van bekendmaking van deze bepaling door de Ministerraad, die in het nieuwe twaalfde id was vermeld, vervangen door de datum van indiening van deze amendeNr. 19 VAN DE REGERING Art. 42/3 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 42/3 invoegen, “Art. 42/3. In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, dat de artikelen 270 en 271 van dat Wetboek omvat, “Onderafdeling 1. Schuldenaars van de voorheffing”.” Nr. 20 VAN DE REGERING Art. 4214 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 42/4 invoegen, “Art. 42/4. In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, dat de artikelen 272 tot 275 van dat Wetboek omvat, “Onderafdeling 2. Inhouding, opeisbaarheid en berekening van de voorheffing”.” Nr. 21 VAN DE REGERING Art. 42/5 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 42/5 invoegen, “Art. 4215. In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, dat de artikelen 275' tot 275’? van dat Wetboek omvat, “Onderafdeling 3. Vrijstelling van doorstorting van de voorheffing” Deze amendementen beogen om afdeling 4 van tiel 6, hoofdstuk 1, WIB 92, naar analogie van afdeling 3 van datzelfde hoofdstuk, onder te verdelen in verschilende onderafdelingen. Hiermee is het mogelijk om de verschilende artikelen, die betrekking hebben op de verschilende vrijstellingen van doorstorting van bedrifsvoorheffing onder te brengen in een, afzonderlijke onderafdeling. Nr. 22 VAN DE REGERING Art. 43 Dit artikel vervangen als volgt: “Art. 43. In artikel 275” van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2, eerste id, worden de woorden “die ten minste 6 maanden” vervangen door de woorden “die sinds ten minste 6 maanden”; b) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “en die een opleiding hebben gevolgd zoals in omschreven in paragraaf 3, met een minimale duurtijd van 10 dagen” vervangen door de woorden “, die geen in artikel 275° bedoelde sportbeoefenaars zijn en die één of meerdere opleidingen hebben gevolgd zoals omschreven in paragraaf 3, die in hun geheel een minimale duurtijd hebben van 76 uren”; c) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “10 dagen” vervangen door de woorden “76 uren” en wordt de zin “Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar verhouding tot de op de betrokken werknemer van toepassing zijnde arbeidsregeling. “vervangen door de zin “Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar verhouding tot de arbeidsregeling die van toepassing is op de betrokken werknemer, op de dag waarop de laatste van deze opleidingen werd beëindigd”; d) in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “10 dagen” telkenmale vervangen door de woorden “76 uren”; e) in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden “10 dagen” vervangen door de woorden “76 uren” en worden de woorden “5 dagen” vervangen door de woorden “38 uren”; #) paragraaf 2, vijfde lid, wordt vervangen als volgt: “Een bezoldiging van een werknemer komt niet in ‘aanmerking voor de toepassing van dit artikel wanneer eerdere bezoldigingen van deze werknemer reeds tien keer eerder door dezelfde werkgever in toepassing van paragrafen 4 en 5 in de vrijstellingsgrondslag werd opgenomen”; 9) in paragraaf 3, eerste lid, wordt het derde streepje opgeheven; h) in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende: “Om in aanmerking te komen moet de volledige kost van de in paragraaf 2 bedoelde opleiding evenals de volledige loonkost die verschuldigd is in geval de oplei ding tijdens werktijd gevolgd wordt, door de werkgever worden gedragen”; in paragraaf 3, tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden “één dag” vervangen door de woorden “één volledige werkdag”; jin paragraaf 3, derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden “10 dagen” vervangen door de woorden “76 uren” en worden de woorden “5 dagen” vervangen door de woorden “38 uren”; Kin paragraaf 4, derde lid, worden in de Nederlandse tekst de woorden “in artikel 2” vervangen door de woorden “in het tweede lid”; J) in paragraaf 6, enig lid, wordt in de Nederlandse tekst het woord “vermelden” vervangen door het woord “vermelde” Dit amendement beoogt om enkele aanpassingen aan de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de opleiding van werknemers (artikel 275°* WIB 92) teneinde het toepassingsgebied ervan te verduidelijken. Vooreerst werd vastgesteld dat de wettekst en de memorie, van toelichting bij de programmawet van 20 december 2020 elkaar tegenspreken. De wettekst bepaalt immers dat een opleiding een minimale duur moet omvatten van 5 of 10 dagen. De memorie van toelichting daarentegen, laat uitschijnen dat om de minimumduur te bereiken, meerdere opleidingen gecombineerd mogen worden. Met dit amendement wordt ervoor geopteerd om de in de voormelde memorie van toelichting uitgedrukte wil van de wetgever ook in de wettekst zelf uitte drukken en dus ook daar te verduidelijken dat meerdere opleidingen mogen gecombineerd worden om de minimale duur te bereiken. Het kan evenwel niet de bedoeling zijn om bestaande langdurige opleidingen op te splitsen over twee “periodes” om op die manier tweemaal aanspraak te kunnen maken op de steunmaatregel Het voorgaande wordt verduidelijkt aan de hand van een, voorbeeld. Een werknemer die reeds meer dan 10 jaar tewerkgesteldis bij werkgever A volgt 3in aanmerking komende opleidingen Opleiding 1 15- 19/03 (5 volledige dagen) Opleiding 2 22-26/03 (5 volledige dagen) 16/04 (1 volledige dag) Opleiding 3 19-22/04 (4 volledige dagen) 26-29/04 (4 volledige dagen) 03/05 (1 volledige dag) De werkgever kan de steunmaatregel één keer toepassen, met name op de bezoldigingen van de maand april: de werknemer heeft immers twee in aanmerking komende opleidingen gevolgd die minimaal 76 uren of 10 volledige dagen duren in “een” ononderbroken periode van 30 kalenderdagen opleiding 1 en opleiding 2). Het is dus niet de bedoeling dat de werkgever de steun maatregel een 2de keer toepast op de bezoldigingen van de maand mei met als redenering dat de werknemer twee in aanmerking komende opleidingen heeft gevolgd van minimaal 76 uren of 10 volledige dagen in een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen (de laatste dag opleiding van opleiding 2 gecombineerd met 9 dagen van opleiding 3) De voormelde memorie van toelichting en de wettekst spreken elkaar nog op andere punten tegen. In deze memorie van toelichting kan betreffende het dragen van de opleiding als beroepskost het volgende gelezen worden: “Het is tevens vereist dat deze opleidingen beroepskosten uitmaken voor de werkgever. Het Is immers de bedoeling om de werkgever aan te moedigen om zijn werknemers meer opleiding te verstrekken en door de kosten voor opleiding te verminderen. Als de werkgever in fine niet de kosten draagt van de opleiding, mag deze maatregel hem niet worden toegekend”. Uit deze passage kan dus worden afgeleid dat de wetgever Initieel beoogde om als voorwaarde te stellen dat de werkgever, finaal, de volledige kost van de opleiding gedragen moet hebben. Dit houdt in dat de werkgever zowel de kost van de opleiding zelf moet dragen, als de loonkost die correspondeert met de opleidingsduur (indien de opleiding gevolgd wordt tjdens de werkuren). Dit principe is echter niet goed uitgewerkt In de wettekst zelf. Hierdoor stelt dit amendement voor om de wettekst op dit punt te verduidelijken. ‘Ter verduidelijking: als de werkgever een tussenkomst geniet van een sectoraal fonds voor de loonkost die correspondeert met de opleiding of voor de opleiding zelf, is deze voorwaarde niet vervuld. Ook wanneer de werkgever de volledige kost van de opleiding zelf draagt, maar een tussenkomst voor de loonkost die correspondeert met de opleiding krijgt (van bijvoorbeeld een sectoraal opleidingsfonds of vla een door de overheid gesubsidieerd opleidingsverlof zoals bv. het betaald educatief verlof, of het Vlaams opleidingsverlof), Is deze voorwaarde niet vervuld. Ook wanneer de werkgever een bijdrage aan een sectoraal fonds betaalt en dit fonds organiseert o.a. opleidingen (voor alle werknemers in die sector), dan is deze voorwaarde in hoofde van de werkgever niet vervuld. Vervolgens beoogt dit amendement de minimale opleidingsduur te verduidelijken. Deze wordt in de vigerende wettekst uitgedrukt in dagen. Daarnaast voorziet de wettekst dat “voor de berekening van de duurtijd van de opleiding, één dag opleiding geacht [wordt) overeen te komen met 7,6 uren opleiding”. Omdat in de praktijk het heel vaak voorkomt dat opleidingen slechts gedurende enkele uren van een werkdag worden gegeven, wordt dit amendement de keuze gemaakt ‘om de minimale opieidingsduur niet meer uit te drukken in dagen maar in uren. Vervolgens wordt verduidelijkt dat indien een volledige werkdag aan opleiding wordt gespendeerd, deze geacht wordt overeen te komen met 7,6 uur opleiding. Onder een volledige werkdag opleiding moet een werkdag worden begrepen waarop geen andere prestaties worden verricht en die volledig op de opleiding is gericht. Vervolgens werd vastgesteld dat noch de wettekst noch de voormelde memorie van toelichting verduidelijken hoe de minimumduur moet berekend worden bij wijziging van de arbeidsregeling (voltijds, deeltijds) in de loop van de opleiding. Aangezien de sleunmaatregel wordt toegepast op de bezoldigingen van de maand waarin de opleiding wordt beëindigd, wordt in dit amendement ervoor geopteerd om in de wet duidelijk te bepalen dat dit moet worden afgetoetst op de dag waarop de opleiding of opleidingen worden beêindigd. Vervolgens wil dit amendement de wijze waarop de in artikel 275%, 2, vifde lid, WIB 92 bedoelde beperking wordt toegepast, verduidelijken. In de vigerende beperking worden het aantal ononderbroken periodes waarin een in aanmerking komende opleiding is gevolgd, beperkt tot ien periodes voor eenzelide werknemer bij eenzellde werkgever. In de wet wordt evenwel geen verband gelegd ussen de toepassing van de vrijsteling en het gebruik van een periode. Dit amendement beoogt om de wettekst te verduidelijken zodat wordt geöxpiciteerd dat de bezoldiging van een werknemer slechts maximaal 10 keer door dezelde werkgever in de vrijstelingsgrondslag mag worden opgenomen. Daarnaast wil ditamendement een specifieke door de wetgever niet gewenste mogelijkheid tot cumul expliciet uitsluiten. Zo wordt voortaan expliciet vermeld dat deze maatregel niet van toepassing is wanneer de werknemer een sportbeoelenaar is als bedoeld in artikel 275, WIB 92. Hiermee wordt beoogd om de cumulatie van de toepassing van artikel 275'* en 275* onmogelijk te maken. ‘Tot slot werden er tussen de Nederlandse en de Franse tekst enkele ongerijmdneden vastgesteld. Dit amendement opteert ervoor om deze in de Nederlandse tekst te corrigeren. Zo wordt in artikel 275, $ 2, eerste lid, WIB 82, het woord “sinds” toegevoegd zodat voortaan ook uit de Nederlandse versie van de wet ook voortvloeit dat de betrokken werknemer gedurende een aaneensluitende periode van ten minste 6 maanden bij de werkgever tewerkgesteld moet zijn. Ook de twee correcties die al eerder in dit wetsontwerp waren opgenomen worden in dit amendement hernomen. Nr. 23 VAN DE REGERING Art. 45/1 (nieuw) In titel 2, hoofdstuk 5, een artikel 45/1 invoegen, “Art. 45/1. In artikel 537, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 28 juni 2013, in de Franse tekst, worden de woorden “un frais professionnel” vervangen door de woorden “des frais professionnels”.” Dit amendement betreft enkel een spellingscorrectie van de Franse tekst van artikel 537, vierde lid, WIB 92. Nr. 24 VAN DE REGERING Art. 46 “Art. 46.

Artikel 24/1 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021. De artikelen 25, 29, 37, 39, 1° en 3°, 40 tot 42 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2021 betaalde of toegekende inkomsten tijdens een belastbaar tijdperk datten vroegste verbonden is met het aanslagjaar 2022. De artikelen 25/1 en 29/3 treden in werking op 1 januari 2022. ‘Artikel 252 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. De artikelen 26 tot 28 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. De artikelen 29/1 en 30/1 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2021. De artikelen 29/2 en 30/2 treden in werking op 21 december 2021 en zijn van toepassing vanaf Artikel 30, 1°, is van toepassing op giften gedaan vanaf 1 Januari 2022.

Artikel 30, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019. ‘Artikel 38 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste ‘aanvangt op 1 januari 2020.

Artikel 39, 2° heeft uitwerking met ingang van Artikel 42/1 treedt in werking op 1 januari 2022.

Artikel 42/2 is van toepassing op dividenden toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van Artikel 43 treedtin werking op 1 januari 2022 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf die datum worden betaald of toegekend.

Artikel 44 is van toepassing op de kapitaalsubsidies die worden ontvangen vanaf 1 januari 2021.” Het nieuwe systeem betreffende buitenlandse pensioenen en pensioenen afkomstig uit internationale instelingen, dat ingevoegd wordt via artikel 24/1, is van toepassing vanaf het Naar de toekomst toe is het feitelijk kwalificeren van dergelijke collectieve pensioenfondsen als een individuele levensverzekeringen in de zin van artikel 39, 5 2, 2°, WIB 92 onwettig. Daarnaast bft de Belgische staat gebonden door de terugkeerbepalingen in de dubbelbelastingverdragen. Indien, het pensioen niet afdoende belast wordt in Belgisch recht, kunnen buitenlandse mogendheden desgevallend hun heffingsrechten uitoefenen onder de juiste voorwaarden De inwerkingtreding van de wijzigingen aan de artikelen 38 en 145% WIB 92, via respectievelijk artikel 25/1 en 29/3 in ontwerp wordt afgestemd op deze van

hoofdstuk 6

van de, wet van 64quater en 145% WIB 92, via respectievelijk artikel 29/1 en, 30/1 in ontwerp wordt afgestemd op deze van de invoering van deze maatregelen. De inwerkingtreding van artikel 42/1 tot wijziging van artikel 265, tweede lid, 3°, WIB 92 is vastgesteld op 1 januari 2022, de datum waarop het nieuwe betalingscircuit van bijdragen voor de openbare pensioen van het personeel van de lokale overheden aan de RSZ zal worden toegepast.

Artikel 42/2 tot wijziging van artikel 269, 5 2, WIB 92 is van toepassing op dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2022, de datum waarop de details van deze bepaling betreffende de samensteling van het kapitaal dat In aanmerking komt voor het verlaagde tarief van 15 pct. RV bekend zullen zijn bij de debiteur-vennootschappen en bij de begunstigden van deze dividenden. Wat de inwerkingtreding van de fiche voor de toepassing van de vrijsteling van doorstorting van bedrifsvoorheffing betreft, wordt aan de fiscale administratie het signaal gegeven ‘om zo snel als mogelijk te starten met de nodige werkzaamheden die nodig zijn om de gegevensstroom in de toekomst te kunnen verwerken. Voor de belastingplichtigen heeft dit nieuwe artikel slechts gevolg wanneer de indieningstermijn voor de eerste keer verstrijkt. Gelet op de beoogde koppeling met het afsluiten van de toepassing FINPRO zullen deze fiches ten vroegste in de loop van augustus 2022 een eerste keer moeten worden overgelegd. Hierdoor beschikken de belastingplichtigen over voldoende tijd om zich aan deze nieuwe gegevensstroom aan te passen. De inwerkingtreding van de verduidelijkingen die worden ‘aangebracht aan de vrijstelling van doorstorting van de bearifsvoorheffing voor de opleiding van werknemers (art. 2752 WIB 92), wordt aangepast aan de opmerking van de Raad van State, zodat deze wijzigingsbepalingen geen terugwerkende kracht meer hebben, ‘Tot slot worden er een aantal foutieve nummeringen rechtgezet. Nr. 25 VAN DE REGERING Na artikel 46, in titel 2, een hoofdstuk 5/1 invoegen, luidende: “Hoofdstuk 5/1. Europese langetermijn-beleggingsinstellingen”. Nr. 26 VAN DE REGERING Art. 46/1 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/1 invoegen, luidende: “Art. 46/1.

Artikel 2, $ 1, 5°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, wordt ‘aangevuld met een bepaling onder i), luidende: “ij Europese langetermijnbeleggingsinstelling: elke ‘alternatieve instelling voor collectieve belegging die de vorm heeft van een vennootschap naar Belgisch recht met rechtspersoonlijkheid en die vóór de aanvang van haar werkzaamheden door de FSMA is erkend overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen.”” Deze twee amendementen strekken ertoe in het huidige ontwerp verschilende bepalingen op te nemen houdende het fiscaal regime voor Europese langetermijnbeleggingsinstel lingen (European Long-Term Investment Fund”, afgekort als “ELTIF"). Daartoe wordt de definitie van deze fondsen ingevoegd in artikel 2 WIB 92. Wettelijk kader De ELTIF heeft een wettelijk kader dat is vastgelegd door de Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstelingen. Deze Europese verordening, die door zijn juridische aard rechtstreeks van toepassing isin alle, lidstaten, vereist niettemin bepaalde uitvoeringsmaatregelen op nationaal niveau, met name wat betreft het fiscale ELTIFkader, rekening houdend met de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten op dat gebied. Het financiële wettelijk kader werd reeds aangepast voor de ELTIF's door de wet van 27 juni 2021 houdende diverse financiële bepalingen (Belgisch Staatsblad van 9 juli 2021). In deze materie heeft deze wet een boek /4, met als opschrift “Specifieke bepalingen voor de ELTIF's naar Belgisch recht”, bestaande uitde artikelen 280/1 en 280/2, ingevoegd in deel van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. ‘Artikel 280/2 bepaalt dat een ELTIF, mits statutair toegestaan, verschillende categorieën van rechten van deelneming mag creëren, waarbij elke categorie overeenstemt met een afzonderlijk gedeelte of compartiment (ELTIF met verschilende compartimenten) van het vermogen. Kenmerken van ELTIF's: De voormelde wet van 27 juni 2021 heeft geen nieuwe categorie van fondsen toegevoegd aan de fondsen waarin de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders voorziet ELTIF's kunnen de vorm aannemen van een AlCB met een vast of, op voorwaarde dat de terugbetalingsbepalingen van de verordening worden nageleefd, variabel aantal rechten, van deelneming Een alternatieve beleggingsinsteling naar Belgisch recht kan erkend worden als ELTIF door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA). Dit vereist dat het fonds wordt beheerd door een erkende fondsbeheerder en dat het voldoet aan specifieke exploitatievoorschriften met betrekking tot toegestane activiteiten, portefeuillediversificatie, terugbetalingsbeleid en verdeling van de resultaten, transparantie, enz, overeenkomstig de voormelde Europese Verordening. Volgens de definitie ingevoegd in artikel 2, S 4, 5°, 1), WIB 92, moeten ELTIF's vóór aanvang van hun werkzaam heden erkend zijn, in tegenstelling tot gereglementeerde vastgoedvennootschappen of gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen waarbij, respectievelijk, de erkenning of de inschrijving kan toegepast worden voor vennootschappen die reeds een bedrijfsactiviteit hebben uitgeoefend. Voor de toepassing van artikel 2, $ 1, 5°,i), WIB 92, worden de verrichtingen voor de statutaire oprichting van een nieuwe 'AICB niet bedoeld door de woorden “die vóór de aanvang van haar werkzaamheden door de FSMA is erkend”. Ermee rekening houdend dat de erkenning als ELTIF zich slechts kan voordoen voor vennootschappen die nog nooit actief zijn geweest voordat ze erkend werden, kunnen bepalingen zoals deze voorzien in de artikelen 210, S 1, 5° en 6°, en 8 5, 217, eerste lid, 1°, en 264, eerste lid, 2°quater, WIB 92, met betrekking tot exit tax en roerende voorheffing naar aanleiding van de erkenning van een gereglementeerde vastgoedvennootschap of de inschrijving van een gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds, niet van toepassing zijn in het geval van een ELTIF. Doelstellingen van de oprichting van ELTIF's: ELTIF's zijn beleggingsinstellingen die langetermijn investeringen in de reële economie in de Europese Unie moeten stimuleren. Als zodanig maken zij deel uit van de Europa 2020-strategie. ELTIF's zijn beleggingsvennootschappen die zijn opgezet om de verstrekking van langetermijnfinanciering aan infrastructuurprojecten, maar ook aan bepaalde niet-beursgenoteerde ondernemingen of beursgenoteerde Kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken. Een ELTIF kan immers investeren in een breed scala aan activa, mits deze een langetermijnkarakter hebben en passen In de strategie van slimme, duurzame en inclusieve groei in de zin van de voormelde Europa 2020-strategie, Soorten investeringen: ELTIF's moeten hoofdzakelijk beleggen in langlopende imquide activa. ELTIF's kunnen dus worden gebruikt om verschillende soorten langetermijninvesteringsfondsen voor projectfinanciering te structureren zoals i)infrastructuurprojecten (vervoer, milieu-en sociale infrastructuur, publiek-private samenwerkingen) i) financieringsprojecten voor energietransitie, Hi) digitale ‘ransformatieprojecten, iv) vastgoedprojecten (rusthuizen, scholen, ziekenhuizen, gevangenissen, sociale huisvesting), v) projecten ter ondersteuning van Kleine en middelgrote ondernemingen. Beoogde investeerders: Als alternatieve beleggingsinstelling kan een ELTIF niet alleen aan institutionele en professionele investeerders worden aangeboden, maar ook aan bepaalde particuliere investeerders in de lidstaten van de Europese Unie. Dit instrument is derhalve bedoeld om cofinanciering en samenwerkingen tussen de openbare en de particuliere sector te bevorderen. Internationale context en verantwoording van de maatregelen: In tegenstelling tot andere Europese landen (Frankrijk, Walië, Luxemburg, enz.) biedt België nog geen geschikt fiscaal regime voor de ELTIF's. Deze amendementen beogen aan deze behoefte tegemoet te komen met een passend fiscaal Kader zowel voor het beleggingsinsrument, alternatieve beleggingsinstelng, als voor de investeerders. Deze aanpassingen komen tegemoet aan het verzoek van de Europese Commissie, die de lidstaten aanspoort om aan ELTIF's dezelide fiscale behandeling te verlenen als aan soortgelijke nationale regelingen (zie Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Actieplan voor de opbouw van een kapitaal. marktunie, COM(2015) 468 final, 30 september 2015, blz. 15). Dit verzoek werd onlangs herhaald door het Forum op hoog niveau voor de kapitaalmarktenunie (A new vision for Europe's capital markets, Final report ofthe High Level forum on the Capital Markets Union, 10 juni 2020, blz. 12, 37) Bovendien wordt de urgentie van deze aanpassingen steeds duidelijker, vooral in het licht van de uitvoering van het herstelplan en meer in het bijzonder met betrekking tot de oprichting van het ransformatiefonds. De federale regering heeft immers op 29 januari 2021 de lancering van het federaal transformatiefonds goedgekeurd. Dit fonds bevat 750 miljoen euro aan investeringen, waaronder 500 miljoen euro voor de economische relance, en 250 miljoen euro voor investeringen in duurzame economie. Het fonds wordt beheerd door de Federale Participatie en Investeringsmaatschappij (PIM) die daarin bijgestaan wordt door een onafhankelijk investeringscomité 'Op basis hiervan moeten de investeringsprogramma’s en de financiering ervan zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd. Ditimplceert dater nu al een wettelijk kader voor beleggers en fondsbeheerders moet worden gegarandeerd, zodat de FPIM aanbestedingen kan uitschrijven voor kandidaat-beheerders en de oprichting van beleggingsvennootschappen en de erkenning van vergunningen door de FSMA mogelijk wordt. De volgende rechtvaardiging wordt aangebracht in antwoord op de opmerking van de Raad van State inzake het ontbreken van de aanmelding van deze scale regeling bijde Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, id 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. ‘Op basis van de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (eo16/C 262,01) van 19 juli2016 en in het bijzonder punt “5.4.2. instelingen voor collectieve belegging”, dienen de ontworpen maatregelen betreffende het fiscale regime voor ELTIF's te worden bekeken vanuit het perspectief van de verschilende betrokken economische actoren: de beleggingsvennootschap, in dit geval de ELTIF, de investeerders, de vermogensbeheerders, alsook het maatschappelijk doel van de ELTIF's, namelijk langetermijninvesteringen voor projectfinanciering. In hoofde van de beleggingsvennootschap: de ELTIF wordt onderworpen aan een verminderde belastbare basis in de vennootschapsbelasting (artikel 185bis WIB 92). Op deze manier vormt de beleggingsvennootschap in wezen geen afzonderlijk belastingniveau. Dit fiscaal regime heeft tot gevolg dat economische dubbele belasting wordt verminderd, of zelfs geëlimineerd, in overeenstemming met de algemene principes die inherent zijn aan het Belgische belastingstelsel In hoofde van de investeerders zijn de voorliggende bepalingen gebaseerd op de bepalingen die van toepassing zijn op inkomsten ontvangen van andere gereglementeerde beleggingsvennootschappen naar Belgisch recht en op meerwaarden gerealiseerd op hun aandelen of deelbewijzen. In hoofde van de beheerders van ELTIF's: zij worden belast op de vergoedingen die zij ontvangen voor het beheer van de onderliggende activa volgens het gewone belastingstelsel, hetzij in de vennootschapsbelasting in hoofde van de dienstverlener hetzij in de indirecte belastingen (btw, diverse belastingen indien van toepassing) Het maatschappelijk doel van ELTIF's is geregeld in Verordening (EU) 2015/760 van 29 april 2015 betreftende Europese langetermijnbeleggingsinstelingen. De relevante kenmerken van ELTIF's (financiering van langetermijnbeleggingen, aard en verscheidenheid van de beleggingen waarin de verordening voorziet en die kort worden beschreven in de inleidende toelichting bij de onderhavige wijzigingen) zijn van dien aard dat zij het mogelijk maken ELTIF's te onderscheiden van andere beleggingsinstrumenten naar Belgisch recht en vastte stellen dat ELTIF's zich in een juridische en feitelijke situatie bevinden die niet vergelijkbaar is. Gezien de grote verscheidenheid en de potentiële reikwijdte van de projecten waarin een ELTIF kan investeren, ook vanuit het oogpunt van het algemeen belang van de financiering van investeringen in openbare infrastructuur, hebben ELTIF's niet tot gevolg dat zij bepaalde soorten investeringen bevoordelen. Voorts zal de financiering van de onderliggende belegging in de vorm van schuld ook onderworpen zijn aan dezelfde belastingregeling als die welke van toepassing zou zijn in geval van rechtstreekse financiering van bijvoorbeeld een, KMO (beroepskosten volgens de gebruikelijke regels van de vennootschapsbelasting). Hetzelfde geldt voor de financiering van investeringen in de vorm van aandelenkapitaal Bijgevolg is er hier geen sprake van selectiviteit. Het referentiekader in België is niet de gewone vennootschapsbelasting, maar de fiscale behandeling die andere beleggingsvennootschappen in ons land gewoonlijk genieten (met name artikel 185bís WIB 92). Door de ELTIF onder te brengen ‘onder artikel 185bis WIB 92 creëert de Belgische wetgever in principe geen afwijking van het normale van toepassing zijnde regime. De Europese commissie geeft deze voorzet in haar “Mededeling inzake de notie staatssteur”. Om deze redenen concluderen wij dat het voorgestelde fiscale regime niet selectief is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, omdat zij noch bepaalde specifieke ondernemingen noch bepaalde specifieke producties begunstigt door middel van een belastingverlaging ten koste van de schatkist. Omvang van het belastingstelsel van ELTIF's: De voorgestelde aanpassingen om de regeling van het ELTIF-belastingkader te bepalen zijn erop gericht: - het beleggingsinstrument vennootschapsbelastingneutraal te maken; - economische dubbele belasting voor vennootschappeninvesteerders te voorkomen; - en afte zien van roerende voorheffing voor investeerders nietinwoners. Deze drie maatregelen beogen op ELTIF's belastingmaatregelen mutatis mutandis toe te passen die gemeenschappelijk zijn voor het merendeel van de in België bestaande beleggingsvennootschappen. Nr. 27 VAN DE REGERING Art. 46/2 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/2 “Art. 4612. In artikel 46, $ 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bijde wet van 21 december 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de woorden “of een gereglementeerde vastgoedvennootschap” vervangen door de woorden *, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een Europese langetermijnbeleggingsinstelling”.” Dit amendement beoogt het fiscaal regime voor inbrengen in een ELTIF af te stemmen op datgene voor beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet-genoteerde aandelen en van door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Nr. 28 VAN DE REGERING Art. 46/3 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/3 “Art. 46/3. In artikel 47, $ 7, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 3 augustus 2016, Dit amendement beoogt het fiscaal regime van de meerwaarden verwezenlijkt op aan een ELTIF overgedragen vaste activa af te stemmen op datgene dat van toepassing is, op meerwaarden op aan beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of aan gereglementeerde vastgoedvennootschappen overgedragen vaste activa, waarvoor het in artikel 47, 5 1, WIB 92, vermelde stelsel van gespreide belasting niet geldt Nr. 29 VAN DE REGERING Art. 46/4 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/4 “Art. 46/4. In artikel 185bis, $ 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, worden de woorden “de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen” ingevoegd tussen de woorden “de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders,” en de woorden “de gereglementeerde vastgoedvennootschappen”.” Deze bepaling bestaat erin hetzelfde vennootschapsbelastingregime toe te kennen als hetgeen voor andere beleggingsvennootschappen is voorbehouden (aanpassing van de verwijzingen in artikel 185bis, $ 1, WIB 92 om te verwijzen naar Europese langetermijnbeleggingsinstelingen als omschreven, in artikel 2, $ 1, 5°,i, WIB 92) Nr. 30 VAN DE REGERING Art. 46/5 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/5 “Art. 4615. In artikel 203, $ 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden 1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin: “De bovenvermelde drempel van 90 pct. is niet van toepassing op dividenden die worden uitgekeerd door Europese langetermijnbeleggingsinstellingen.”; 2° in het zesde lid wordt de inleidende zin vervangen als volgt: “Paragraaf 1, eerste lid, 2°, voor wat betreft de door een Europese langetermijnbeleggingsinstelling verleende of toegekende inkomsten, en 2°bis, is niet van toepassing op het deel van de verleende of toegekende inkomsten dat voorkomt uit inkomsten van onroerende goederen:”.” Gelet op de door een vorig amendement voorgestelde toepassing van artikel 185bis WIB 92 op ELTIF's zouden dividenden die door een ELTIF aan een Belgische vennoot schap-aandeelhouder worden uitgekeerd, bij gebrek aan een, regeling die afwijkt van de principes van definitief belaste Inkomsten (DBI), onderworpen worden aan economische dubbele belasting. De operationele winsten die het ELTIF via vennootschappen (of via een belastbare aanwezigheid van het ELTIF in het buitenland) realiseert, zouden immers, ‘eenmaal op dit niveau worden belast en een tweede maal in hoofde van de vennootschappen-investeerders. ‘Teneinde het risico van economische dubbele belasting voor vennootschappen-investeerders te beperken, wordt het stelselvan definitief belaste inkomsten (DBI) op dezelfde wijze van toepassing als voor andere soorten beleggingsvennootschappen, voor zover het rendement van het fonds afkomstig, Is van dividenden door of meerwaarden op aandelen op porlfoliovennootschappen die onderworpen zijn aan gemeenrechtelijke bepalingen van de vennootschapsbelasting In België of in het buitenland of van onroerende inkomsten, die in het buitenland worden belast Rekening houdend met het eit dat ELTIF's, in tegenstelling tot de andere vennootschappen bedoeld in artikel 203, 5 2, tweede lid, WIB 92, niet verplicht zijn jaarlijks een uitkering te doen van de door hen geïnde inkomsten, wordt voorgesteld aïtid aan te vullen om te preciseren dat de minimumdrempels van jaarlijkse uitkering niet vereist zijn voor de toepassing van de in dit weede id bedoelde afwijking voor ELTIF's. Het is vanzelisprekend dat deze specifieke vrijsteling een zeer duidelijke opvolging vereist van de reserves in de loop der jaren naar gelang van hun oorsprong en aard en rekening houdend met de effectentransacties (corporate actions) die de investeerder In staat stellen het rendement van zijn belegging te realiseren (dividenduitkeringen, verkrigingen van eigen aandelen, gedeeltelijke of gehele verdelingen van, het maatschappelijk vermogen, … en zal afhangen van de capaciteiten van de beheerder van het beleggingsfonds om dit toe te passen. ‘Ten behoeve van de fiscaliteit van aandeelhouders kan de fondsbeheerder een uitsplitsing geven van alle uitkeringen (dividenden, verkrijgingen van eigen aandelen, gedeeltelijke of gehele verdelingen van het maatschappelijk vermogen) om, het DBI-regime toe te passen in hoofde van vennootschappeninvesteerders, die in hun belastingaangifte bewijsmateriaal zullen moeten verstrekken wanneer zij een beroep doen op de DBI-aftrek. ‘Aangezien de in artikel 192, $ 1, WIB 92 bedoelde belastingregeling van de meerwaarden op aandelen verwijst naar artikel 203 WIB 92 dat van toepassing is op dividenden (definitief belaste inkomsten), zal de beheerder op elke datum van netto-inventariswaarde de hogervermelde staat van reserves, kunnen opmaken, zodat de overdrager kan berekenen welk gedeelte van de verwezenlikte meerwaarde in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 192, $ 1, WIB 92. Nr. 31 VAN DE REGERING Art. 46/6 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/6 “Art. 46/6. In artikel 205octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen,” ingevoegd tussen de woorden “de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (BEVAK) bedoeld in de artikelen 195 en 288 van de genoemde wet,” en de woorden “en de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;”.” In artikel 205octies, 3°, WIB 92 wordt een verwijzing naar ELTIF's ingevoegd om deze vennootschappen uit te sluiten van de toepassing van de aftrek voor risicokapitaal, naar het voorbeeld van de andere vennootschappen die onder de regeling van artikel 185bis, WIB 92 vallen. Nr. 32 VAN DE REGERING Art. 46/7 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/7 “Art. 4617. In artikel 211, $ 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 3 augustus 2016, worden de woorden “of een gereglementeerde vastgoedvennootschap” vervangen door de woorden“, gereglementeerde vastgoedvennootschap of Europese langetermijnbeleggingsinstelling”” Dit amendement beoogt het fiscaal regime van de in artikel211,5 1, eerste lid, WIB 92, bedoelde herstructureringsverrichtingen waaraan een ELTIF deelneemt af te stemmen op datgene van toepassing voor beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, gereglementeerde vastgoedvennootschappen erkend door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten of die bij de FOD Financiën zijn opgenomen op de lijst van private privaks of op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen. Nr. 33 VAN DE REGERING Art. 46/8 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/8 “Art. 46/8. In artikel 215, derde lid, 6°, van hetzelfde en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de woorden “de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen,” ingevoegd tussen de woorden “de beleggingsvennootschappen bedeeld in de artikeJen 181 en 282 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders,” en de woorden “de gereglementeerde vastgoedvennootschappen,”.” In artikel 215, derde lid, 6°, WIB 92 wordt een verwijzing naar ELTIF's ingevoegd om deze vennootschappen uitte sluiten van het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting, zoals het geval is voor de andere vennootschappen die onder de regeling van artikel 185bis, WIB 92 vallen. Nr. 34 VAN DE REGERING Art. 46/9 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/9 “Art. 46/9. In artikel 231, $ 2, vierde lid, van hetzelfde 3 augustus 2016, worden de woorden “‚ een geregleDit amendement beoogt het fiscaal regime van de ELTIF's die aan een in artikel 231, 5 2, eerste lid, WIB 92, bedoelde verrichting zouden deelnemen, af te stemmen op datgene voor door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, erkende vennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet-genoteerde aandelen, en gereglementeerde vastgoedvennootschappen, of bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen opgenomen vennootschappen die deelnemen aan voormelde verrichtingen Nr. 35 VAN DE REGERING Art. 46/10 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/1, een artikel 46/10 invoegen, luidende: “Art. 46/10. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling 3, onderafdeling 2, van hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 2642 ingevoegd, luidende: “Art. 2641. $ 1. De roerende voorheffing is niet ver schuldigd op de in artikel 202, $ 1, 1° en 2°, bedoelde dividenden waarvan de schuldenaar een Europese langetermijnbeleggingsinstelling is en waarvan de verkrijger een vennootschap is die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België of in een Staat waarmee België een over eenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de ‘bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten. Dit artikel is evenwel slechts van toepassing voor zover de inkomsten afkomstig zijn van dividenden die zelf voldoen aan de voorwaarden voor aftrek bedoeld in artikel 203, $ 1, eerste lid, 1°tot 4°, of van meerwaarden ‘op aandelen of rechten van deelneming die op grond van artikel 192, $ 1, voor vrijstelling in aanmerking komen. Dit artikel is slechts van toepassing in de mate dat de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, niet zou kunnen worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijger. Dit artikel is slechts van toepassing indien de ver krijger een vennootschap is die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht. $ 2. De vrijstelling wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de dividenden in het bezit is van een attest dat bevestigt: 1° dat de verkrijger onderworpen is aan de vennoot'schapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht; 2° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 21 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde dividend; 3° wat de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer van de verkrijgende vennootschap is.”.” De fundamentele Europese vrijheden vereisen onder meer een gelijke behandeling ten aanzien van economische dubbele belasting tussen een investeerder die een binnenlandse vennootschap is en een investeerder die een buitenlandse vennootschap is (gevestigd in de Europese Economische Ruimte of in een land waarmee een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting is gesloten) waarvoor de roerende voorheffing een definitieve belasting vormt Daarom zal de uitsplitsing die van toepassing is op vennootschappen-investeerders voor defintief belaste inkomsten, ‘ook worden gebruikt om het gedeelte van het dividend van, Belgische oorsprong te bepalen dat zal worden vrijgesteld van roerende voorheffing ter voorkoming van economische dubbele belasting in hoofde van investeerders die buitenlandse vennootschappen zijn (in overeenstemming met artikel 264/1 wig 92) Nr. 36 VAN DE REGERING Art. 46/10 Na artikel 46/10, in titel 2, een hoofdstuk 5/2 invoegen, luidende: “Hoofdstuk 5/2. Wijzigingen aan de wet van de wet van 19 april 2014 betreffende de altenatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders” Nr. 37 VAN DE REGERING Art. 46/11 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/2, een artikel 46/11 invoegen, luidende: “Art. 46/11. In het opschrift van boek I/1 van deel Il instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “naar Belgisch recht” opgeheven.” Nr. 38 VAN DE REGERING Art. 46/12 (nieuw) kel 46/12 invoegen, luidende: “Art. 46/12. In artikel 280/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “naar Belgisch recht” worden 2° het artikel wordt aangevuld met de volgende zin: “De ELTIF's zijn niet onderworpen aan de bepalingen van boek | van dit deel.”.” Nr. 39 VAN DE REGERING Art. 46/13 (nieuw) kel 46/13 invoegen, luidende: “Art. 46/13. In artikel 280/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “Een ELTIF” telkens vervangen door de woorden “Een ELTIF naar Belgisch recht”.” Deze bepalingen verduidelijken voor zoveel als nodig dat de ELTIF's die aan retailbeleggers in België worden aangeboden niet onderworpen zijn aan de bepalingen die normaal van toepassing zijn op de Belgische of buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in geval van openbare, aanbieding op het Belgisch grondgebied. Dit beginsel vloeit voort uitde rechtstreekse werking van verordening 2015/760 van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstelingen, die hetstatuut van de ELTIF's regelt, alsook uitde primauteit van het Europees recht op het Belgisch recht. Nr. 40 VAN DE REGERING Art. 46/14 (nieuw) kel 46/14 invoegen, luidende: “Art. 46/14. In Boek I/1 van deel Ill van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, wordt een artikel 280/3 ingevoegd, luidende: “Art. 280/3. De Koning kan bij een op advies van de FSMA genomen besluit bepalen volgens welke regels de ELTIF's naar Belgisch recht hun boekhouding voeren, in voorkomend geval, per compartiment, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opstellen en openbaar maken. Hij kan afwijken van de artikelen 3:2, 3:3, 3:9 en 3:17 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, alsook de regels ‘genomen met toepassing van boek IIl van het Wetboek van Economisch recht en, onder de voorwaarden van artikel 3:37, eerste lid, van het Wetboek van vennoot‘schappen en verenigingen, de regels genomen met toepassing van artikel 3:1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aanpassen, wijzigen en ‘aanvullen. Hij kan tevens de bepalingen van artikel 339 geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op de ELTIF's naar Belgisch recht.”” De voorgestelde bepalingen hebben tot doel de Koning toe te laten een specifieke boekhoudkundige regeling en specifieke verplichtingen inzake financiële rapportering te bepalen voor wat de ELTIF betreft. De voorgestelde bepaling is gelijk aardig aan degene die van toepassing is op de categorieën van openbare instellingen voor collectieve belegging die door het Belgisch recht worden georganiseerd (zie artikel 253 van de wet van 19 april 2014) Nr. 41 VAN DE REGERING Art. 46/14 Na artikel 46/14, in titel 2, een hoofdstuk 5/3 in“Hoofdstuk 5/3. Giften en rampen in de vennootschapsbelasting in 2021” Nr. 42 VAN DE REGERING Art. 46/15 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5/3, een artikel 46/15 invoegen, luidende: “Art. 46/15. In afwijking van artikel 200 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het maximum van 500 000 EUR verhoogd tot 2 500 000 EUR voor zover het verschil van deze twee bedragen exclusief samengesteld is uit giften gedaan in de loop van het jaar 2021 aan een rampenfonds zoals voorzien in artikel 145°, $ 1, eerste lid, 1°, g, van hetzelfde Wetboek of aan hun administratieve organen voor hun fondsenwerving. Het in het eerste lid bedoelde aanvullend bedrag van 2 000 000 EUR is één keer van toepassing ongeacht het aantal belastbare tijdperken verbonden aan het kalenderjaar 2021.” Het jaar 2021 werd gekenmerkt door verschilende natuurrampen die in België en andere landen hebben plaatsgevonden, het betrof in het bijzonder stormen, windhozen en verwoestende overstromingen. In bepaalde gevallen is de hoeveelheid schade die werd geleden door particulieren, bedrijven en de gemeenschap ongezien in de loop van de laatste decennia. Deze uitzonderlijke omstandigheden vragen enorme middelen om de slachtoffers van deze rampen te kunnen helpen, met dringende maatregelen van herhuisvesting, sanitaire voorzieningen en de vervanging van beschadigde goederen. Om deze redenen wordt voorgesteld het plafond van 500 000 euro zoals omschreven in artikel 200 WIB 92, te verhogen tot 2 500 000 euro voor de binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen die giften hebben gedaan in de loop van het jaar 2021 ten voordele van de rampenfondsen zoals omschreven in artikel 145%, 8 1, eerste id, 1°, g, WIB 92, of van hun administratieve organen voor hun fondsenwerving, teneinde de ingezamelde bedragen te verdelen en toe te kennen om de natuurlijke personen en rechtspersonen die door de eerder aangehaalde gebeurtenissen zijn getroffen te vergoeden. De overschrijding van het plafond zoals omschreven in artikel 200 WIB 92, zal enkel van toepassing zijn op de bedragen gestort door Belgische vennootschappen of inrichtingen aan de natuurrampenfondsen zoals omschreven in artikel 145, 8 1, eerste lid, 1°, g, WIB 92 in de loop van het jaar 2021, ongeacht de datum van betaling in de loop van dat jaar. De toegezegde giften, niet gevolgd door een storting in 2021 worden niet in rekening genomen. De betaling is altijd vereist voor de toepassing van de aftrek. Wanneer de in 2021 aan de rampenfondsen zoals omschreven in artikel 145,5 1, eerste lid, 1°,g, WIB 92, gedane glften zich verdelen over twee belastbare tijdperken, dient het geheel aan giften gedaan in 2021 in rekening gebracht te worden voor het plafond van 2 500 000 euro voor de twee betrokken belastbare tijdperken. Voorbeeld 1: Een vennootschap die zijn rekeningen sluitop 31 maart heeft in april 2021 voor 400 000 euro giften gedaan aan een erkende instelling zoals omschreven in artikel 145% WIB 92 die geen rampenfonds is, voor 1 850 000 euro aan een gewestelijk rampenfonds in oktober 2021 en voor 250 000 euro aan een andere erkende instelling bedoeld in artikel 145® WIB 92, in december 2021. We gaan ervan uit dat het procentueel plafond werd gerespecteerd voor het geheel van de genoemde sommen en dat de vennootschap de giften niet heeft gedaan tussen 1 januari 2021 en 31 maart 2021. Voor het aanslagjaar 2022 kan de vennootschap de aftrek van deze gìften inbrengen ten bedrage van 2 350 000 euro (400 000 euro plus 100 000 euro gestort aan andere instellingen dan rampenfondsen en 1 850 000 euro gestort aan rampenfondsen). Voorbeeld 2: zelfde gegevens als in voorbeeld 1, maar de vennootschap heeft voor 400 000 euro en 100 000 euro giften gedaan aan andere instellingen dan rampenfondsen en voor 2 000 000 euro aan het rampenfonds. De vennootschap kan 2.500 000 euro aftrekken. Voorbeeld 3: zelfde gegevens als in voorbeeld 2, maar de vennootschap heeft voor 2 100 000 euro giften gedaan aan het rampenfonds. Het plafond van 2 500 000 euro wordt overschreden voor het belastbaar tijdperk dat eindigt op 31 maart 2022 en de vennootschap kan voor aanslagjaar 2022 slechts 2 500 000 euro aftrekken. Voorbeeld 4: de vennootschap sluit zijn rekeningen op 31 augustus. Ze heeft in augustus 2021 voor een bedrag van 700 000 euro giften gedaan aan een rampenfonds. Zij kan deze 700 000 euro aftrekken in aanslagjaar 2021 (wettelijke bepaling, eerste lid). Voor het belastbaar tijdperk dat eindigt op 31 augustus 2022 heeft de vennootschap in oktober 2021 giften gedaan ten bedrage van 400 000 euro aan andere instelingen dan rampenfondsen en in december 2021 ten bedrage van 2 100 000 euro aan het rampenfonds. Ze heeft geen nieuwe giften gedaan tussen januari en augustus 2022. Het totaal van 2 500 000 euro moet worden beperkt tot 1800 000 euro (400 000 + 100 000 + (2 000 000 - 700 000)) voor aanslagjaar 2022 (wettelijke bepaling, tweede lid) Dit laatste voorbeeld is gewijzigd naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State. Nr. 43 VAN DE REGERING Art. 46/16 (nieuw) kel 46/16 invoegen, luidende: “Art. 46/16.

Artikel 46/15 is van toepassing op de belastbare tijdperken die verbonden zijn aan het jaar 2021.” De toepassing van artikel 46/15 wordt afgebakend in functie van de belastbare tijdperken die betrekking hebben op het jaar 2021, voor wat betreft de giften die in hetzelfde jaar 2021 worden gedaan aan rampenfondsen bedoeld in artikel 145, $ 1, eerste li, 1° q, WIB 92. Voor deze giften wordt het pla: fond van artikel 200 WIB 92 verhoogd tot 2 500 000 euro in plaats van 500 000 euro zoals voorzien in artikel 200 WIB 92. Nr. 44 VAN DE REGERING Art. 51 Na artikel 51, in titel 2, een hoofdstuk 7/1 invoe“Hoofdstuk 7/1. Wijziging aan de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie” Nr. 45 VAN DE REGERING Art. 51/1 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/1, een artikel 51/1 “Art. 51/1. In artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, ingevoegd bij de wet van 20 december 2020, in de Franse tekst, worden de woorden “frais professionnel déductible” vervangen door de woorden “des frais professionnels déductibles”.” Deze twee amendementen hebben tot doel het doorvoeren van een spellingscorrectie in de Franse tekst van artikel 6, vierde id, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie. Nr. 46 VAN DE REGERING Art. 51/1 Na artikel 51/1, in titel 2, een hoofdstuk 7/2 invoe“Hoofdstuk 7/2. Wijziging aan de wet van 15 juli 2020 gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III)” Nr. 47 VAN DE REGERING Art. 51/2 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/2, een artikel 51/2 “Art. 51/2. In artikel 8, van de wet van 15 juli 2020 gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III), in de Franse tekst, worden de woorden “un frais professionnel” vervangen door de woorden “des frais professionnels”.” 8 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA ui) Nr. 48 VAN DE REGERING Art. 51/2 Na artikel 51/2, in titel 2, een hoofdstuk 7/3 invoe“Hoofdstuk 7/3. Wijzigingen aan de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteunings maatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie” Nr. 49 VAN DE REGERING Art. 51/3 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/3, een artikel 51/3 “Art. 51/3 In artikel 5 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie worden de volgende a) in het eerste lid wordt een bepaling onder 2°/1 ingevoegd, luidende: “29/1 de in artikel 38/1, $ 3, 3°, van het voormelde Wetboek bedoelde geldigheidsduur van de sport- en ‘cultuurcheques die op 30 september 2021 verlopen, wordt verlengd tot 30 september 2022”; b) tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “De geldigheidsduur van de sport- en cultuur‘cheques die verlopen op 30 september 2020 die tot 30 september 2021 is verlengd, wordt nogmaals verlengd tot 30 september 2022.”.” nr. 50, dat een nieuw artikel 51/4 invoert De tekst van het ontworpen artikel 51/3,b), wordtaangepast overeenkomstig punt 12 van het advies Nr. 70 465/3 van de Raad van State. Nr. 50 VAN DE REGERING Art. 51/4 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/3, een artikel 51/4 “Art. 51/4. In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt tussen het eerste en tweede lid, dat het derde lid wordt, een lid ingevoegd, “In afwijking van het eerste lid, heeft artikel 5, eerste lid, 2°/1 en derde lid, uitwerking met ingang van 30 september 2021.”.” Via de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID19-pandemie werd de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques geldig tot 30 september 2020 verlengd tot 30 september 2021. Gelet op de beperkte bestedingsmogelijkheden van deze cheques afgelopen jaar wegens de aanhoudende COVID-19 pandemie wordt er voorgesteld om de geldigheid van de sport- en cultuurcheques nogmaals te verlengen tot 30 september 2022. Het verlengen van de geldigheidsduur houdt grote voordelen in voor zowel de personen die de cheques gekregen hebben als voor de organisaties die ze aanvaarden. De maatregel is dus belangrijk voor de begunstigden van de cheques gezien hun koopkracht wordt gevrijwaard en tevens voor de Sport- en cultuursector, want de hememing van hun actviteiten. wordt gestimuleerd, wat bevorderlijk is voor de hele economie. Wetgevend technisch en ten voordele van de leesbaarheid Is het aangeraden om deze aanpassing door te voeren via een wijziging van de wet van 20 december 2020. Nr. 51 VAN DE REGERING Art. 51/4 Na artikel 51/4, in titel 2 een hoofdstuk 7/4 invoe“Hoofdstuk 7/4. Wijziging van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie” Nr. 52 VAN DE REGERING Art. 51/5 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/4, een artikel 51/5, “Art. 515. In artikel 64 van de wet van 18 juli 2021 volge van de COVID-19-pandemie worden de woorden “artikel 64” vervangen door de woorden “artikel 63”.” Dit amendement corrigeert een verwijzing in artikel 64 van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteu ningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie. Er moet worden verwezen naar artikel 63 van de voormelde wet, en niet naar artikel 64. Nr. 53 VAN DE REGERING Art. 51/6 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7/4, een artikel 51/6 “Art. 51/6.

Artikel 51/5 heeft uitwerking vanaf 1 augustus 2021.” De voorgestelde correctie heeft uitwerking vanaf de inwerkingtreding van de gewijzigde bepaling, i.c. 1 augustus 2021. Nr. 54 VAN DE REGERING Art. 52 Dit artikel aanvullen met een bepaling onder 3°, “3° het koninklijk besluit van 29 september 2021 tot wijziging van de bijlage II! van het KBIWIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid.” ‘Artikel 275, 5 3, WIB 92 bepaalt dat de koninklijke besluiten inzake bedrijfsvoorheffing door de wetgever moeten worden bekrachtigd Het koninklijk besluit van 29 september 2021 tot wijziging van de bijlage Il van het KB/WIB 92 op het stuk van de wet telijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid verlengt de bedrijfsvoorhelfing tegen het tarief van 15 pct. op de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid voor de uitkeringen in oktober, november en december 2021 Ditis een belangrijke maatregel om de koopkracht van de werknemers die al ang tijdelij werkloos zijn, te blijven ondersteunen, vooral voor de werknemers met de laagste lonen. Ingevolge de COVID-19 pandemie is namelijk nog steeds een, grote groep werknemers langdurig tijdelijk werkloos. Nr. 55 VAN DE REGERING Art. 54 De bepaling onder b) vervangen als volgt: “b) de bepaling onder 13°, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vernummerd tot 14° en vervangen “14° een authentieke volmacht die uitsluitend bestemd is om een of meer partijen te laten vertegenwoordigen bij het verlijden van een authentieke akte, op voorwaarde dat de instrumenterende ambtenaar voor het verlijden van de volmacht geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover de volmacht uitsluitend effect sorteert binnen de zes maanden na de onderte kening ervan.”” Nr. 56 VAN DE REGERING Art. 54/1 (nieuw) In titel 3, een artikel 54/1 invoegen, luidende: “Art. 54/1.

Artikel 54, b), treedt in werking op 10 januari 2022.” Regeringsamendement Nr. 55 voorziet voor bepaalde notariële volmachten en onder bepaalde voorwaarden in een, vrijstelling van het recht op geschriften. De inwerkingtreding van deze bepaling moet samenvallen met de inwerkingtreding van een begeleidende maatregel die op het vlak van Justitie, (Doc 55K2328) wordt genomen en waarvan de inwerkingtreding op 10 januari 2022 is bepaald. Nr. 57 VAN DE REGERING Art. 64 “Art. 64. In artikel 161, van hetzelfde Wetboek worden a) in de bepaling onder 1°, gewijzigd bij de wet van 5 december 2001, worden de woorden “Staat, Kolonie en openbare Staatsinstellingen met uitzondering van de akten verleden in naam of ten gunste van de Algemene Spaar en Lijfrentekas voor de verrichtingen van de Spaarkas” vervangen door de woorden “de Staat, gefedereerde entiteiten en de openbare instellingen ervan”; b) de bepaling onder 14°, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt: effect sorteert binnen de zes maanden na de onderteIn het kader van de coronamaatregelen werden de authentieke volmachten voor de vertegenwoordiging van een part bij een notariële akte tijdelijk vrijgesteld van het rechtop geschriften (50 euro) en van het algemeen vast registratierecht (50 euro), mits de instrumenterende notaris voor het verlijden, van de volmacht ook niets in rekening bracht. Gelet op de veelvuldige toepassing ervan in de notariële praktijk kwam, vanuit de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat de vraag om deze tijdelijke maatregel te bestendigen. De voorgestelde amendementen komen daaraan tegemoet door de vrijstellingen respectievelijk in te schrijven in het Wetboek diverse rechten en taksen en in het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Deze maatregel zal het verlijden, van notariële akten blijven vergemakkelijken in het kader van het economisch herstel na de Covid-19 crisis. Nr. 58 VAN DE REGERING Art. 66/1 (nieuw) In titel 5, hoofdstuk 1, een artikel 66/1 invoegen, “Art. 66/1.

Artikel 280 van hetzelfde wetboek wordt ‘aangevuld met een bepaling onder 10°, luidende: “10° uitgiften, kopieën of uittreksels van een procesverbaal van minnelijke schikking bedoeld in artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek en dat plaats heeft gevonden: a) bij gelegenheid van verrichtingen binnen het kader van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen of van de overeenkomstige gewestelijke bepalingen; b) naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen die als een openbare of landbouwramp worden erkend en waarin het herstel of de schadeloosstelling wordt geregeld door bijzondere wetten of door internationale overeenkomsten.”” Nr. 59 VAN DE REGERING Art. 66/2 (nieuw) In titel 5, hoofdstuk 1, een artikel 66/2 invoegen, “Art. 66/2.

Artikel 64, b), treedt in werking op 10 januari 2022.

Artikel 66/1 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2021.” In het kader van rampen zoals de recente overstromingen is het wenselijk de bemiddeling te bevorderen. De aflevering door de griffies van een uitgifte, kopie of uittreksel van een proces-verbaal van minnelijke schikking geeft aanleiding tot de heffing van een griffierecht, het expeditierecht, waarvan het tarief bepaald wordt door de artikelen 271 en volgende van het Wetboek der registratie-, hypotheek: en grifierechten. Zonder hier verder in te gaan op het verlies van dierbaren dat slachtoffers van rampen kunnen lijden, ishet even duidelijk dat deze personen, vooral zij die niet aleen hun huis, maar ook de gehele of het grootste deel van de inboedel van hun huis, hebben verloren, de inning van bovengenoemde belasting en retributies alleen maar kunnen ervaren als een flagrante schending van de verkondigde solidariteit van de gehele natie. Bovendien is het aangewezen om zich niet te beperken tot de in de wet van 12 juli 1976 bedoelde gevallen omdat dit een tussenkomst uitsluit in de gevallen waarin het herstel wordt geregeld door bijzondere wetten of door internationale verdragen. De memorie van toelichting legt dus uit dat onder andere van het voordeel van de wet worden uitgesloten ‘de schade die betrekking heeft op risico’s die normaal door verzekeringscontracten kunnen gedekt zijn” (Senaat, doc 778 (1975-1976) nr. 1. blz. 5). In die tijd werden overstromingen gewoonlijk niet door verzekeringen gedekt Daarnaast kunnen er als gevolg van calamiteiten ook privégeschillen ontstaan, bijvoorbeeld tussen een eigenaar en een huurder over het gehuurde goed; tussen de eigenaar van een voertuig en zijn verzekeraar met betrekking tot een in een rampgebied geparkeerd voertuig terwijl de eigenaar daar niet woont; tussen de eigenaar van een voertuig en de garagehouder waar het voerluig voor reparatie is gestald; tussen de verzekeraar en de eigenaar van een tuinhuisje, dat qua verzekering of tussenkomst van het rampenfonds niet dezelfde status heeft als het gebouw; enz ‘Artikel 66/1 heeft daarom tot doel te voorzien in een vri steling van het expeditierecht voor de uitgiften, kopieën of uittreksels van een proces-verbaal van minnelijke schikking bedoeld in artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek dat plaats heeft gevonden: a) bij gelegenheid van verrichtingen binnen het kader van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen of van de overeenkomstige gewestelijke bepalingen; b) naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen erkend als een openbare of landbouwramp, wanneer het herstel of de schadeloosstelling wordt geregeld door bijzondere wetten of door internationale overeenkomsten. Het spreekt voor zich dat het artikel ook van toepassing is wanneer de minnelijke schikking gebeurt naar aanleiding van elk geschil met betrekking tot een roerend of onroerend goed gelegen in een door de bevoegde autoriteiten als ramp erkend gebied naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen die als openbare of landbouwramp worden erkend. ‘Onder “overeenkomstige gewestelijke bepalingen”, wordt onder meer verstaan: 1° het Waals decreet van 23 maart 2017 tot invoeging, in het Waalse Landbouwwelboek, van een Titel X/1 betreffende de steun bij schade veroorzaakt door landbouwrampen; 2° het Vlaams decreet van 5 april 2019 houdende de tegemoetkoming in de schade die aangericht is door rampen In het Vlaamse Gewest; 3° de Brusselse Ordonnantie van 25 april 2019 betreffende het herstel van sommige schade veroorzaakt door algemene ‘Artikel 66/2, tweede lid, laat artikel 66/1 uitwerking hebben op 1 juli 2021 om niet alleen rekening te houden met het uitzonderlijke fenomeen van 14 juli 2021 maar ook, desgevallend, met de onweders die hebben plaatsgevonden sinds, begin juli 2021. Regeringsamendement Nr. 57 voorziet voor bepaalde notariële volmachten en onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling van het registratierecht. De inwerkingtreding van deze bepaling moet samenvallen met de inwerkingtreding van een begeleidende maatregel die op het vlak van Justtie (Doc 55 2328) wordt genomen en waarvan de inwerkingtreNr. 60 VAN DE REGERING Art. 81 “Art. 81.

Artikel 301 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt: “Art. 301. Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, vermelde belastingplichtigen wordt de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, $ 2, 9°, gen í, vermelde meerwaarden die geen betrekking hebben op in artikel 44, $ 2, vermelde ongebouwde onroerende goederen, berekend tegen de tarieven en volgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°, ben 4°, d en e, door het bevoegde kantoor van de Algemene ‘Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, en geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene ‘Administratie van de Inning en de Invordering, bij de registratie van de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot deze goederen, ter gelegenheid waarvan de meerwaarden bedoeld in artikel 228, $ 2, 9°, g en í worden gerealiseerd, of bij de registratie van een verklaring waarbij deze overdracht wordt vastgesteld. Wanneer blijkt dat de belasting niet-inwoners bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk, niet werd geïnd overeenkomstig het eerste lid, wordt de belasting gevestigd door de bevoegde dienst van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, en geïnd en ingevorderd door de bevoegde diensten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering. 'De Koning regelt de uitvoering van dit artikel.”.” De belasting niet-inwoners bedoeld in artikel 301 WIB 92 en die verschuldigd is door natuurlijke personen en rechtspersonen die buiten het kader van hun beroepsactiviteiten, een meerwaarde op de overdracht van bepaalde onroerende goederen realiseren, moet worden betaald bij de registratie van de akte. Deze betaling gebeurt voortaan op een rekening beheerd door de Algemene Administratie van de Inning, en de Invordering. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie blijft daarentegen de belasting niet-inwoners berekenen en de betaling ervan controleren voor de registratie van de akte. Indien achteraf blikt dat de meerwaarde groter is dan gekend op het moment dat de akte ter registratie werd aangeboden, s de Algemene Administratie van de Fiscaliteit bevoegd om een bijkomende aanslag in de belasting nietinwoners te vestigen. In tegensteling tot het oorspronkelijk artikel 81, blijft de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering in dit geval, naast de inning, bevoegd voor de invordering van de belasting. Dit amendement beoogt bijgevolg bijkomende noodzakelijke verduidelijkingen aan te brengen inzake de herverdeling van de verschilende bevoegdheden tussen de verschillende administraties. Nr. 61 VAN DE REGERING Art. 83 “Art. 83. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2022.” De overdracht van de bevoegdheden verbonden aan de inning van de bedrijsvoorheffing en de belasting op de, meerwaarden op overdrachten van bepaalde onroerende goederen gerealiseerd door personen onderworpen aan de belasting-niet-inwoners, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie aan de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering was in principe voorzien op 1 januari 2022, door het huidige artikel 83. Niettemin, rekening houdend met het feit dat bepaalde moeilijkheden van praktische orde niet volledig zullen kunnen, worden opgelost voor 1 januari 2022, beoogt dit amendement de inwerkingtreding uit te stellen tot 1 april 2022. Nr. 62 VAN DE REGERING Na artikel 83, in titel 6, een

hoofdstuk 5

invoegen, “Hoofdstuk 5. Technische correctie die moet worden ‘aangebracht in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde” Nr. 63 VAN DE REGERING Art. 84 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5, een artikel 84 “Art. 84. In het artikel 53octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 april 2021, worden de volgende 1° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd, luidende: “S 1bis. De Koning kan onder de door Hem vast te stellen voorwaarden toestaan en zelfs verplichten dat de in de artikelen 53, $ 1, eerste lid, 1° en 2°, en 5ôter bedoelde aangiften worden ingediend en dat de in de artikelen 53quinquies tot 53octies, $ 1, bedoelde ge‘gevens worden medegedeeld door middel van procedures waarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden aangewend.”; 2° in paragraaf 3, worden de woorden “53octies, $ 2” vervangen door de woorden “53octies, $ 1bis”.” Paragraaf 2 van het artikel 53octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “het Wetboek’) in de versie zoals van toepassing tot 31 maart 2021 (hierna: de oude paragraaf 2 van artikel 53octies van het Wetboek) werd volledig vervangen bij arikel 48, 1°, van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten (hierna: “de wet van 26 januari 2021”). De tekst van de vervangen paragraaf blijkt nu ten onrechte niet meer te zijn hernomen. Deze tekst die artikel 213, paragraat 1, tweede lid, van de Richtlijn 2006/112/ EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde omzet, blijft immers nog steeds noodzakelijk om de indiening van de aangiftes en de inlichtingen via elektronische weg inzake de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen opleggen of mogelijk maken via koninklijk besluit Om die reden wordtde tekst van de oude paragraaf 2 van artikel 5aocties van het Wetboek opnieuw ingevoegd door middel van een nieuwe paragraaf ibis in datzelfde arikel 53octies Deze indiening langs elektronische weg betreft voornamelij de gegevens van de aangiften en de inlichtingen bedoeld in de artkelen 53, $ 1, eerste id, 2°, 5ater. 53quinguies en 53sexies van het Welboek Gezien de hierboven toegelichte wijziging dient ook de verwijzing naar de oude paragraaf 2 van artikel S3ooties, die nog nu aanwezig in paragraaf 3 van artikel 5octies is, te worden gecorrigeerd. Aldus zal deze paragraaf 3 niet meer verwijzen naarartkel53ooties, 52, maarnaarartkel 5socties, $ ibis van het Wetboek, om te herstelen wat bedoeld was met deze verwijzing Nr. 64 VAN DE REGERING Art. 85 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5, een artikel 85 “Art. 85.

Artikel 84 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021.” Dit amendement regelt de inwerkingtreding van artikel 53octies, paragraaf 1bis, nieuw, van het Wetboek, zoals ingevoegd door het vorige amendement Deze paragraaf tbis heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021, ie. de datum waarop de oude versie van paragraaf 2 van het artikel 53octies van het Wetboek volledig werd vervangen bij artikel 48, 1°, van de wet van 26 januari 2021 (ie artikel 222 van die wet) ‘Aangezien de tekst van de door die wet vervangen oude paragraaf 2 van arikel 5octies van het Wetboek vanaf dat tijdstip ten onrechte niet meer werd hernomen en dus ten onrechte niet meer van toepassing is, is het noodzakelijk dat artikel 53octies, paragraaf 1bis, nieuw, van het Wetboek de tekst van de oude paragraaf 2 van arlikel 53octies van het Wetboek hereemt met uitwerking vanaf de datum dat laatstgenoemde bepaling heeft opgehouden rechtsgevolgen te hebben, In deze omstandigheden is de terugwerkende kracht van deze bepaling derhalve verantwoord aangezien die onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelsteling van algemeen belang, in casu het verzekeren van de continuïteit van de toepassing in de tjd en van de rechtszekerheid, zowel ten aanzien van de belastingplichtigen als de diensten vande administratie, met betrekking tot de rechtsgevolgen die voortvloeien uithet feit dat uitvoeringsbepalingen van de opnieuw ingevoegde tekst sinds 1 april 2021 in de praktijk zonder meer verder werden toegepast (het betreft dan in het bijzonder de indiening langs elektronische weg van de aangiften bedoeld in de oude paragraaf 2 van artikel 53octies van het Wetboek en ongewijzigd hernomen in artikel 53octies, $ 1bis, nieuw, van het Wetboek). Nr. 65 VAN DE REGERING Art. 85 Na artikel 85, in titel 6, een

hoofdstuk 6

invoegen, “Hoofdstuk 6. Vermindering van de administratieve lasten inzake de fiscale fiches 281.50” Nr. 66 VAN DE REGERING Art. 86 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 6, een artikel 86 “Art. 86.

Artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt aangevuld met drie leden, “Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing wanneer de er beoogde kosten verbonden zijn aan de leveringen van goederen of diensten verricht door een belastingplichtige gevestigd op het grondgebied van de Gemeenschap in de zin van artikel 1, $ 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein, waarvoor overeenkomstig het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeen schappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of elke andere wettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige, een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld. In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de Koning een drempel bepalen waaronder de er beoogde beroepskosten per jaar en per leverancier van goederen of dienstverrichter niet moeten worden verantwoord door de opmaak van een individuele fiche en een samenvattende opgave. De drempel mag niet meer dan 1 000 euro bedragen. Elke gegevensverwerking die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met de naleving van de voorgaande leden is een verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van artikel 6 van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG. Het doel van die gegevensverwerking is verenig‘baar met de doeleinden die de fiscale bevoegdheden ‘omschreven in dit Wetboek nastreven. Dit Wetboek vormt de rechtsgrondslag in de zin van artikel 6, lid 3, van de voornoemde Verordening voor de verwerking van de gegevens tijdens de uitoefening van de erin omschreven fiscale bevoegdheden. De uitoefening van die fiscale bevoegdheden vormt in het kader van gegevensverwerking een gewichtige reden van algemeen belang.”.” Het artikel 57, eerste id, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 regelt dat de kosten bestaande uit commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno’s, toevallige of niet-oevallge vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die voor de begunstigden al dan nietin België belastbare beroepsinkomsten vormen, slechts als beroepskosten worden beschouwd indien ze worden verantwoord door de opmaak van fiches, fiches 281.50 genoemd, en een samenvattende opgave. Het opstellen van de fiches 281.50 laat ook de verantwoording van de beroepskosten, en hieruit afgeleid hun, aftrekbaarheid, alsook de eventuele belastbaarheid ervan in hoofde van de genieter toe. De jaarlijkse opmaak van deze fiches 281.50 brengt niettemin een belangrijke administratieve last met zich mee voor de betrokken belastingplichtigen Het blikt echter dat de fiscale administratie de informatie vervat in de voornoemde fiches via andere kanalen, zoals, de erop betrekking hebbende facturen, kan verkrijgen. De administratie paste inzake de fiches 281.50 reeds een zekere administratieve tolerantie toe, die nooit in wetgeving werd omgezet Methetoog op administratieve vereenvoudiging beoogt dt. amendement derhalve de verplichting om een fiche 281.50 op te stellen bij wet af te schaffen wanneer een factuur of een document in de plaats ervan daadwerkelijk is uitgereikt door een belastingplichtige die op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte is gevestigd. ‘Onder een factuur of een document in de plaats ervan wordt niet enkel een factuur overeenkomstig de blw-reglementering van toepassing op de belastingplichtige verstaan, maar even eens een creditnota, of een vereenvoudigde factuur bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, in de gevallen waarin ze toegelaten is, alsook het bijzonder stuk in de zin van artikel 53, $ 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, indien het een levering van een goed of een dienst betreft binnen een Belgische BTW-eenheid. De Koning heeft ook de mogelijkheid gekregen om een drempel vast te stellen waaronder de opmaak van een fiche 281.50 niet langer meer vereist is. Deze drempel mag echter niet hoger liggen dan 1 000 euro per jaar per leverancier van goederen of dienstverrichter. De voorgestelde vereenvoudigingsmaatregel zal er derhalve toe leiden dat voor een groot aantal belastingplichtigen een administratieve verplichting wegvalt en er bijgevolg geen nieuwe verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Om ervoor te zorgen dat de bestaande gegevensverwerkingen op dit gebied voldoen aan Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, is echter een laatste lid toegevoegd om met name te bepalen dat dergelijke verwerkingen worden verricht ten behoeve van de vervulling van een taak van algemeen belang en om de juridische basis te bepalen waarop ze zijn gebaseerd, overeenkomstig artikel 6 van voornoemde verordening. Nr. 67 VAN DE REGERING Art. 87 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 6, een artikel 87 “Art. 87. In artikel 178, $ 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008, vervangen bij de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, wordt een bepaling onder 2°/1 “29/1 het in artikel 57, vierde lid, vermelde bedrag;”.” Artikel 178, 5 5, WIB 92 wordt aangevuld met een verwijzing naar het nieuwe artikel 57, vierde id, WIB 92, om te vermijden dat de drempel van 1 000 euro wordt geïndexeerd. Nr. 68 VAN DE REGERING Art. 88 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 6, een artikel 88 “Art. 88.

Artikel 86 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2021 toegekende commissielonen, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard.” Dit artikel regelt de inwerkingtreding van artikel 86. Nr. 69 VAN DE REGERING Art. 88 Na artikel 88, in titel 6, een

hoofdstuk 7

invoegen, “Hoofdstuk 7. Wijziging van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk” Nr. 70 VAN DE REGERING Art. 89 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7, een artikel 89 “Art. 89. In artikel 72 van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk worden de volgende 1° in het tweede lid worden de woorden “De artikelen 60 tot 64 zijn” vervangen door de woorden “In afwijking van het eerste id, treden de artikelen 60 tot 66 in werking op 1 januari 2021 en zijn ze”; 2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde “In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 67 en 68 in werking op 1 januari 2021.”.” De wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk (hierna: wet van 24 december 2020) bevat ook een aantal fiscale bepalingen. Die fiscale bepalingen hebben veelal ook en soms zelfs uitsluitend betrekking op de inkomsten uit de deeleconomie Artikel 72 van de wet van 24 december 2020 regelt de inwerkingtreding ervan. In het eerste lid wordt bepaald dat de wet in werking treedt op 1 januari 2021 en buiten werking treedt op 31 december 2021. Het tweede lid bepaalt dat de wijzigingen van de artikelen 37bis, 90, 129/1 en 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en het ingevoegde artikel 97/2, WIB 92 van toepassing zijn op de vanaf 1 januari 2021 verkregen inkomsten (artikelen 60 tot 64 van de wet van 24 december 2020), zonder expliciet af te wijken van het eerste id. Voor de wijziging van de arti kelen 228 en 232, WIB 92 en artikel 50 van het Wetboek btw (@rtikelen 65, 66 en 68 van de wet van 24 december 2020) is verder niets bepaald. Hetzelfde geldt voor de autonome bepaling met betrekking tot het in rekening brengen van de in 2020 behaalde inkomsten uit occasionele diensten tussen burgers om te bepalen of het inkomensplafond voor het inkomstenjaar 2020 werd overschreden (artikel 67 van de wet van 24 december 2020) Een wijzigingsbepaling heeft slechts eenmalig uitwerking als gevolg waarvan de ontworpen wijziging plaatsvindt. De buitenwerkingtreding van een wijzigingsbepaling maakt de aangebrachte wijziging niet ongedaan (zie onder meer het advies van de Raad van State nr. 67 215/1 van 20 april 2020, randnummer 5). Dit amendement past artikel 72 van de wet van 24 december 2020 aan om de inwerkingtreding van de fiscale bepalingen te verduidelijken. Op die manier worden eventuele discussies over de toepassing van artikel 67 van de wet van 24 december 2020 en van de door de artikelen 60 tot 66 en 68 van de wet 24 december 2020 aangebrachte wijzigingen na 31 december 2021 vermeden. Het belastingstelsel van het verenigingswerk zoals geregeld in de artikelen 37bis, 90, 97/2 en 171, WIB 92 zal uiteraard niet langer van toepassing zijn op de inkomsten die worden behaald nadat de basisbepalingen inzake het verenigingswerk overeenkomstig artikel 72, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 buiten werking zijn getreden. De verwijzingen naar het verenigingswerk In de voormelde artike len van het WIB 92 zullen dan “lege” verwijzingen geworden zijn en zullen later in een ander ontwerp worden opgeheven. Nr. 71 VAN DE REGERING Art. 90 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7, een artikel 90 “Art. 90.

Artikel 89 treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.” Het artikel dat de inwerkingtreding van de wet van 24 december 2020 verduidelijkt, treedt best in werking voor die wet (op 31 december 2021) buiten werking treedt Nr. 72 VAN DE REGERING Art. 90 Na artikel 90, een titel 7 invoegen, luidende: “Titel 7. Kosteloze aflevering en uitvoering van bepaalde documenten en formaliteiten door de Federale Overheidsdienst Financiën in geval van een erkende ramp” Nr. 73 VAN DE REGERING Art. 91 In de voornoemde titel 7, een artikel 91 invoegen, “Art. 91. $ 1. In afwijking van alle andere wettelijke of reglementaire bepalingen worden de hypothecaire getuigschriften, de eigendomstitels en alle andere inlichtingen, uittreksels of afschriften, kosteloos afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Financiën bij gelegenheid van verrichtingen binnen het kader van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen of van de overeenkomstige gewestelijke bepalingen. Evenzo verricht de Federale Overheidsdienst Financiën kosteloos de hypotheekformaliteiten die worden gevraagd in verband met verrichtingen die ‘onder het toepassingsgebied van dezelfde wet of de overeenkomstige gewestelijke bepalingen vallen. $ 2. De kosteloosheid bepaald in $ 1 is ook van toepassing in de gevallen waarin de documenten of formaliteiten bedoeld in dezelfde paragraaf worden gevraagd naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen die als een openbare of landbouwramp worden erkend en waarin het herstel of de schadeloosstelling wordt georganiseerd door bijzondere wetten of door internationale verdragen.” Nr. 74 VAN DE REGERING Art. 92 In de voornoemde titel 7, een artikel 92 invoegen, “Art. 92.

Artikel 91 heeft uitwerking op 1 juli 2021.” Bij rampen zoals de recente overstromingen vragen de verzekeringsmaatschappijen, zodra een bepaald schadebedrag is overschreden, de slachtoffers systematisch om een hypothecair getuigschrift over te leggen. Soms wordt ook de overlegging van een elgendomstitel gevraagd. In de beide gevallen zijn de kantoren Rechtszekerheid van de Federale Overheidsdienst financiën bevoegd om de documenten af te leveren. Het ijn de kantoren belast met de registratierechten, de successierechten en de bewaring van de hypotheken. De hypothecaire getuigschriften geven aanleiding tot de heffing van een belasting van 2 euro ‚ namelijk het recht op geschriften vastgelegd bij artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen, alsook tot de heffing van een retributie. Deze retributie is vastgesteld door het koninklijk besluit van 14 september 2016 en varieert naargelang het getuigschrift al of niet dringend wordt gevraagd en naargelang het om een oorspronkelijk of een aanvullend getuigschrift gaat. ‘Aldus geeft de aflevering van een dringend oorspronkelijk getuigschrift dat binnen de termijn wordt afgeleverd, naast het recht op geschriften, aanleiding tot de heffing door de Staat van een bedrag van 155 euro. Voor de aflevering van een niet dringend gevraagd getuigschrift is de retributie 95 euro, Voor elgendomsttels bedraagt de retributie 15 of 45 euro naargelang het gaat om een eenvoudige of om een dertigJarige tel. Deze retributies zijn bepaald in een ministerieel besluit van 27 november 2017. De aflevering van een kadastraal uittreksel geeft eveneens aanleiding tot de heffing van een retributie, bepaald in de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en het bijhouden van de kadastrale documentatie en tat vaststelling van de modaïiteten voor het afleveren van kadastrale uittreksels. Zowel voor een hypothecair getuigschrift als voor een eigendomstitel of een kadastraal uitreksel vereist de regelgeving een voorafgaande betaling. Di impliceert dat aan de verzoeker een betalingsbericht wordt gezonden en dat de opzoekingen worden gedaan eens de betaling is verricht op de rekening van het bevoegde kantoor Artikel 57,5 4, van de wet van 12 jul 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen luidt als volgt “Met de helft worden verminderd de retributies verschuldigd uit hoofde van de door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie verstrekte inlichtingen en vervulde hypothecaire formaliteiten bijgelegenheid van de binnen het raam van deze wet vallende verrichtingen” Het is duidelijk dat de vooruitbetaling de aflevering van aringend noodzakelijke documenten vertraagt in situaties zoals de recente overstromingen. Zonder verder in te gaan op het verlies van dierbaren dat slachtoffers van rampen kunnen lijden, Is het even duidelijk dat deze mensen, vooral zij di niet aleen hun huis, maar ook de gehele of het grootste deel van de inboedel van hun huis Bovendien sluit de wet van 12 juli 1976 een tussenkomst uit in de gevallen waarin het herstel wordt geregeld door bijzondere wetten of door internationale verdragen. De memorie van toelichting vermeldt dat aldus van het voordeel van de wet worden onder andere wordt uitgesloten “de schade die betrekking heeft op risico’s die normaal door verzekeringscontracten kunnen gedekt ijn" (Senaat, doc 778 (1975-1976) Nr 1, biz. 5). In die tjd werden overstromingen gewoonlijk niet door Artikel 91 heeft daarom als doel te voorzien in de volledige Kosteloosheid: t° voor de getuigschriften, titels of andere inlichtingen, alschriften of uittreksels afgeleverd door de FOD Financiën naar aanleiding van verrichtingen die kaderen in de voormelde wet van 12 juli 1976 of de overeenkomende gewestelijke regelgevingen; 2° voor de in hetzelfde kader door de FOD Financiën uitgevoerde hypothecaire formaliteiten; 3° voor de aflevering van dezelfde documenten en bij de uitvoering van dezelfde formaliteiten die worden gevraagd naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen die als een openbare of landbouwramp worden erkend en waarin het herstel of de schadeloossteling wordt georganiseerd door bijzondere wetten of door internationale verdragen. ‘Artikel 92 laat artikel 91 uitwerking hebben op 1 juli 2021 ‘om niet alleen rekening te houden met het uitzonderlijke fenomeen van 14 juli 2021 maar ook, desgevallend, met de onweders die hebben plaatsgevonden sinds begin juli 2021. De minister van Financiën, Vincent VAN PETEGHEM NR. 70.465/3 VAN 14 DECEMBER 2021 Op 10 november 2021 is de Raad van State, afdeling ‘Wetgeving, door de minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over ‘amendementen op een wetsontwerp ‘houdende diverse fiscale bepalingen. De amendementen zijn door de derde kamer onderzocht op 7 december 2021. De kamer was samengesteld uit Wilfried Vav Vaenensenan, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenove en Koen Muvue, staatsraden, Jan VaLsens en Bruno Peerens, assessoren, en Astrid Tauvens, griffier. Het verslag is uitgebracht door Frédéric Vanneste, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van VaensvaencH, kamervoorzitter. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 1. Met toepassing van artikel 84, $ 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan

VORMVEREISTEN

2. Gevraagd of met betrekking tot amendement nr. 12 het advies is ingewonnen van de Gegevensbeschermingsautoritet, antwoordde de gemachtigde het volgende: “amendement nr. 12 (artikel 42/6): ait omvat geen nieuwe verwerking van persoonsgegevens in de zin dat de persoonsgegevens, die in deze fiches zijn opgenomen, op heden reeds rechtmatig worden verwerkt door zowel de werkgever als de fiscale administratie. Het betreft in deze context zelfs geen verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden, gelet op het feit dat deze verwerking kadert in de verplichtingen die rusten op de werkgever om het recht op een fiscaal voordeel te bewijzen. Bovendien ontstaat het recht om de Identificatiegegevens van zichzelf en zijn werknemers te verwerken hier niet, maar bestond dat recht reeds voordien. Eris derhalve geen reden om hiervoor advies te vragen aan de GBA, die zich reeds eerder heeft uitgesproken over de verwerking van identificatiegegevens van werknemers (inclusief het rjksregisternummer) voor fiscale doeleinden.” *__Aangezien het om amendementen op con ontwerp van wet gaat, ‘wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen verstaan. De gemachtigde voegde er nog het volgende aan toe: “De administratie beschikt vandaag (…) per werkgever door middel van de in art. 57 WIB 92 bedoelde fiches over de gegevens die betrekking hebben op de individuele bezoldigingen die aan de werknemers worden toegekend. Wanneer deze werkgever echter een vrijsteling van doorstorting van, bedrifsvoorheffing toepast, heeft de administratie geen automatisch zicht op welke van deze bezoldigingen de vrijsteling is gegrond. Wanneer bijvoorbeeld een werkgever de vrijstelling van doorstorting van bedrifsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek toepast, dan weet de administratie vandaag wel aan hoeveel werknemers een bezoldiging wordt toegekend, maar niet wie van die werknemers in toepassing van artikel 275 wordt aangemerkt als onderzoeker. Deze informatie wordt ook niet op de in artikel 57 WIB 92 bedoelde fiche vermeld omdat deze informatie niet relevanti voor de belastingaangite van, de betrokken werknemer” ‘Gelet op de toelichting van de gemachtigde lijkt het ontworpen artikel 275°' van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) aanleiding te geven tot een nieuwe vorm van verwerking van persoonsgegevens, waarover nog het advies dient te worden ingewonnen van de Gegevensbeschermingsautoriteí. 3. Gevraagd of de bepalingen van het nieuw hoofdstuk 5/1 van titel 2 van het wetsontwerp ‘houdende diverse fiscale bepalingen’ (amendement mr. 16 e.v), die betrekking hebben, op Europese langetermijnbeleggingsinstelingen (ELTIF's), zijn aangemeld bij de Europese Commissie op grond van de Europese slaatssteunregeling, antwoordde de gemachtigde het volgende “es mesures mont pas fat Fobjet d'une notification à la Amendements prévoient ces adaptations, Il revient done aux États membres d'organiser le régime fiscal applicable aux ELTIF. Dans une Communication du 30 septembre 2015, la, (Communication de a Commission au Parlement européen, au Consell, au Comité économique et social européen et au Comité des régions - Un plan d'action pour la mise en place d'une union des marchés des capitaux, COM(2015) 468 inal, 30.9 2015, p. 15) (ELTiFs) regulatory framework and (i) Member States simply tax rules applicable to ELTIFs and/or apply preferential tax treatment lor ELTIFs(Final report ofthe High-Level forum on the EU's capital markets union, A new vision for Europe's capital markets, 10 juin 2020, pp. 12, 28 et recommandations signilicatives en matière d'incitants iscaux, pp. 37 suivantes). Dat de ontworpen maatregel de implementatie betreft van, EU-wetgeving is op zich geen reden om de regeling niet aan te melden bijde Europese Commissie. Aangezien de maatregel selectief is, de steun verleend wordt aan ondernemingen die een economische activiteit verrichten (met name een financiële dienst), de steun door staatsmiddelen wordt bekostigd en deze staatsmiddelen een economisch voordeel verschaffen dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen (zie bijvoorbeeld de amendementen nrs. 20, 25 en 29) lijkt de maatregel overeenkomstig artikel 108, id 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie ONDERZOEK VAN DE AMENDEMENTEN Amendementnr.2 4. Overeenkomstig artikel 14 WIB 92 komen de door een belastingplichtige betaalde of gedragen interesten in aanmerking voor de federale interestaftrek. De bij amendement nr. 2 ontworpen bepaling verduidelijkt evenwel dat de interesten diein aanmerking komen voor de rentesubsidie zoals bepaald in artikel 26 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 oktober 2020 ‘tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009" en in de artikelen 7151 tot 715,5 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ niet in aanmerking komen voor de federale interestaftrek. De verantwoording bij het amendement verantwoordt deze uitsluiting door te stellen dat het niet de bedoeling kan zijn dat de belastingplichtige zowel de federale interestaftrek als de Vlaamse rentesubsidie geniet. ‘Gevraagd of di laatste ook geldt indien een belastingplichtige de Vlaamse rentesubsidie moet terugbetalen omdat de vereiste duurzaamheidsdoelstellingen niet zijn gerealiseerd, en of in dat geval de federale interestaftrek in het cht van het gelijkheidsbeginsel alsnog niet zou moeten worden toegepast, “De terugbetaling van de rentesubsidie (Renovatiekrediet) komt niet in aanmerking voor de federale interestaftrek daar deze terugbetaling niet kwalificeert als de betaling van interesten maar als een terugbetaling van subsidie. Ook in het kader van leningen waarbij de subsidie meteen verrekend wordt (energielening) zal na een eventuele terugvordering geen mogelijkheid bestaan om deze nog onder de federale interestaftrek te brengen. In eerstgenoemde situatie zal de belastingplichtige de eerder betaalde interesten niet meer kunnen inbrengen onder de federale interestaftrek. Dit betreft geen schending van het gelijkheidsbeginsel daar de belastingplichtige zich heeft geëngageerd om bepaalde doelstelingen te halen (met name het behalen van een specifiek EPC-peil) voor het verkrijgen van bepaalde subsidies. Het niet behalen van deze doelstel lingen is een schending van dit engagement waarop een administratieve sanctie staat. De belastingplichtige bevindt zich bijgevolg in een andere situatie dan een belastingplichtige die dit engagement niet is aangegaan.” 4.1. _Het komt de Raad van State, afdeling Wetgeving, voor dat de ontworpen maatregel in het aan de gemachtigde voorgelegde geval bezwaarlijk kan worden gekwalificeerd als een “administratieve sanctie” ten aanzien van de belastingplichtige, wat de toelichting van de gemachtigde lijkt te suggereren. In het licht van het gelijkheldsbeginsel dient te worden onderzocht of niet in een mogelijkheid van regularisatie moet worden voorzien voor bepaalde gevallen waarin uiteindelijk geen Vlaamse rentesubsidie kan worden genoten, zodat in die gevallen wel nog aanspraak kan worden gemaakt op de (gehele of gedeeltelijke) federale interestaftrek. In dat opzicht dient in elk geval te worden onderzocht of niet minder verregaande maatregelen mogelijk zijn dan de ontworpen maatregel. 4.2. De ontworpen bepaling verwijst naar “interesten die ‘in aanmerking komen’ voor de rentesubsidie”, wat zo geïnterpreteerd zou kunnen worden dat ook de interesten die niet als rentesubsidie zijn aangevraagd maar wel daarvoor in aanmerking kunnen komen, eveneens uitgesloten zijn van de federale interestaftrek, hetgeen wellicht niet de bedoeling Is. De bepaling dient dan ook zo te worden aangepast dat ze enkel de interesten betreft waarvoor ook effectief de Vlaamse rentesubsidie is aangevraagd door de belastingplichtige. Amendement ar. 3 5. In het bij amendement nr. 3 ontworpen artikel 39, $ 2, laatste lid, WIB 92, wordt voor de toepassing van dat artikel ‘een omschrijving gegeven van het begrip “pensioenstelse”. In die omschrijving is sprake van een “collectieve pensioentoezegging van een werkgever (…) ten behoeve van ten minste twee aangesloten werknemers, vroegere werknemers of hun, rechtverkrijgenden”. Aan de gemachtigde is in dat verband gevraagd (A) wat moet worden begrepen onder “ten behoeve van ten minste twee aangesloten werknemers”, (B) of onder dat begrip ook een pensioenstelsel wordt begrepen dat is ingevoerd ten behoeve van een bepaalde categorie van werk nemers (bijv. bedienden) en de werkgever de facto slechts één bediende tewerksteit en (C) of de regeling ook nog geldt wanneer een pensioenstelsel wordt ingevoerd ten behoeve van twee of meer werknemers en het stelsel de facto maar geldt voor één werknemer. De gemachtigde beantwoordde die vragen als volgt: “(A) De problematiek situeert zich voornamelijk in het onderscheid tussen tweede- en derde pijlerpensioenen. De uitzonderingscategorie van art. 39, $ 2, WIB 92 was er oenopbouw (vb.: de individuele levensverzekering). Tweede pijlerpensioenen zijn dan pensioenen opgebouwd door de werkzaamheden uitgevoerd door een belastingplichtige, [zoals de collectieve groepsverzekeringen van een werkgever. Feitenanalyses gegeven door de rechtspraak zorgden ervoor dat sommige buitenlandse collectieve pensioenvoorzieningen (dus tweede pijlerpensioenen) werden gekwalificeerd als individuele levensverzekeringen en dus als een derde pilerpensioen. Dit wetsontwerp wil de rechtsonzekerheid wegwerken door duidelijk te maken wat geen individuele levensverzekering en dus een derde pijlerpensioen is. maken heeft met de Nederlandse pensioenfondsen, baseert het ontwerp zich op de definitie van het Nederlandse pensioenfonds uit de Nederlandse pensioenwet die stelt dat een pensioenfonds een stichting is ‘waarin ten behoeve van ten minste twee deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten minste een basispensioenregeling. Men dient hier dus onder te verstaan, een verzekering onderhandeld door een werkgever (al dan niet via een sectoraal pensioenfonds) voor diens werknemers (vroegere, huidige of toekomstige) en alle nuances die hieronder kunnen vallen. (@) De definitie die de wetgever wil inbrengen, maakt geen de praktijk maakt een collectief pensioenfonds een mogelijk afgesloten en er in dat specifiek geval slechts 1 werknemer meestal onderhandeld en afgesloten voor een groep mensen die werken of werkten in een bedrijf (al dan niet onder bepaalde parameters edm. Mensen die beginnen met werken in dat bedrijf treden als het ware in deze verzekering. Vaak worden pensioenfondsen ook georganiseerd per sector of door groepen werkgevers voor schaalvoordelen, zodat dit specifieke geval weinig zal voorkomen. Het zou moeten gaan over een onderhandelde groepsen dit in rechte kan worden bewezen, kan er toch sprake zijn van een individuele levensverzekering, maar treed! de uitzondering van art. 39, 5 2, 2°, d), WIB 92 voor de opbouw (C) Het voorstel spreekt ook van ‘vroegere werknemers of hun rechtverkrijgenden'. Als een bediende zou sterven, zullen zijn rechtverkrijgenden ook rechten hebben op het pensioenfonds. Het collectieve karakter wordt dan bewaard. aangesloten werknemers zouden zijn, één bediende zou sterven en deze geen nabestaanden zou hebben op welke manier dan ook, is er de facto sprake van een individuele levensverzekering, maar speelt ook de uitzondering voorzien, in art. 39, 8 2, 2°, d), WIB 92 voor de opbouw door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming.” De steller van het amendement dient na te gaan of de ontworpen tekst een juiste en volledige weergave is van de elementen die de gemachtigde aanvoert, en of een en ander niet in de tekst moet worden verduidelijkt. In elk geval verdient het aanbeveling om de antwoorden van de gemachtigde te verwerken in de verantwoording bij het amendement Amendementnr.4 6. Overeenkomstig de bij amendement nr. 4 ontworpen bepa ling worden de premies voor de eerste schijf van 30 000 euro bruto per belastbaar tijdperk, toegekend door nationale of Belgische of vreemde openbare machten of openbare instel lingen zonder winstoogmerk naar aanleiding van een sportieve prestatie op Olympische Spelen, Paralympische Spelen, Europese kampioenschappen of wereldkampioenschappen gekwalificeerd als diverse inkomsten, belast legen een tarief van 16,5 %, tenzij de globalisatie voordeliger is. Gevraagd hoe de verschillende behandeling tussen a) sporters en andere personen in het algemeen en bj) tussen sporters die een premie krijgen naar aanleiding van de opgesomde kampioenschappen en sporters die een premie krijgen naar aanleiding van andere kampioenschappen (bijvoorbeeld ‘Amerikaanse of Airikaanse kampioenschappen of een ron Man in Hawai) kan worden verantwoord in het licht van het gelijkheidsbeginsel, antwoordde de gemachtigde het volgende: “De regeling beoogt de premies die worden uitgereikt als erkenning voor de uitzonderlijke sportieve prestaties van atleten die als vertegenwoordiger van België (of een ander land) uitkomen op de Olympische Spelen, de Paralympische Spelen of op wereldkampioenschappen of Europese kampioenschappen die worden georganiseerd door internationale sportfederaties en waarnaar atleten worden uitgestuurd door hun sportfederatie. De atleten dragen op die manier bij tot een. positieve imago van sport en van hun land. In de regel ontvangen de atleten geen vergoeding voor hun deelname aan deze kampioenschappen op zich. De beoogde premies komen in beginsel wel bovenop de reguliere inkomsten van de sporters, zoals hun bezoldiging in het kader van een topsportcontract of bij een club. De voorgestelde regeling doorbreekt de progressiviteit van de belasting op een eerste schijf van die premies. De carrière van een topsporter Is immers doorgaans van korte duur en dus ook de periode waarbinnen dergelijke premies kunnen worden behaald. Het tarief van 16,5 pct, is ook slechts van toepassing op een eerste schijf van 30 000 euro (te indexeren basisbedrag). Wanneer er zeer hoge premies worden toegekend, zal dus slechts een deel ervan in aanmerking komen voor de regeling Vermits het niet uitgesloten is dat fiscale inwoners van België premies ontvangen voor hun prestaties op kampioenschappen, van andere continenten, zal de regeling worden opengesteld voor kampioenschappen van andere continenten. De tekst zal In volgende zin worden aangepast: ‘naar aanleiding van een sportieve prestatie op Olympische Spelen, Paralympische Spelen, wereldkamploenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen: De lron Man is een belangrijke wedstrijd voor triatieten. Het Is echter geen wereldkamploenschap dat wordt georganiseerd door een internationale sportfederatie, maar een wedstrijd die wordt georganiseerd door een commerciële organisatie. De voorgestelde regeling beoogt enkel premies die worden toegekend voor uitzonderlijke prestaties op officiële internationale kampioenschappen. Op die manier kan het toepassingsgebied beter worden afgelijnd. Om commerciële sponsoringspremies of vergoedingen van commerciële organisaties (die eventueel eerder de deelname aan de wedstrijd vergoeden) uit te sluiten, worden ook enkel premies die worden toegekend door offici ele’ instanties, zoals het Olympisch comité of sportfederaties beoogd. Die instanties reiken (…) doorgaans enkel premies uit voor prestaties op officiële kampioenschappen” De gegeven verantwoording voor het onderscheid dat wordt gemaakt ussen “officiële” kampioenschappen en andere kamploenschappen zoals de ron Man overtuigt niet, aangezien niet wordt aangetoond waarom, vanuit het oogpunt van de sporterbelastingplchtige en de geleverde prestatie, een onderscheid zou moeten worden gemaakt wat betreft de fiscale behandeling van de toegekende premie, al naargelang deze is verkregen in een officeel kampioenschap dan wel in een andere, niet-officiële vorm van kampioenschap. De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet op het eerste gezicht geen redelijke verantwoording voor dit verschil in behandeling. Het outer verwijzen in de verantwoording bijhet amendement naar de bedoeling om ‘commerciële sponsoringspremies of vergoedingen van commerciële organisaties” uitte sluiten, volstaat in elk geval niet. ‘Gevraagd hoe de verschillende behandeling tussen, enerzijds, de voornoemde sporters en, anderzijds, de kunstenaars, geleerden en schrijvers, waarvoor andere voorwaarden gelden * wordt verantwoord, antwoordde de gemachtigde het volgende: “De voorgestelde regeling verschilt inderdaad van de regeling voor kunstenaars als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 2°, WIB 92. De voorgestelde regeling geldt enkel voor premies die worden toegekend naar aanleiding van uitzonderlijke prestaties en is in dat opzicht vergelijkbaar met de vrijstelling voor de prijzen voor kunstenaars. Voor de premies voor sporters is, anders dan voor de prijzen voor kunstenaars, echter niet voorzien in de mogelijkheid van een volledige vrijstelling. Waar men kan aannemen dat het eerder uitzonderlijk is dat kunstenaars meer dan één keer een belangrijke vrijgestelde prijs ontvangen, kunnen sporters gedurende meerdere jaren en op meerdere evenementen of in meerdere disciplines topprestaties leveren en dus ook meerdere premies ontvangen voor hun prestaties als sporters op de Olympische Spelen, Paralympische Spelen, wereldkampioenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen. Vanuit deze optiek acht de regering het verantwoord om geen vrijstelling in te voeren, maar wel de belastingheffing tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 pct. (die geldt voor de niet vrijgestelde prijzen) te weerhouden. De eerste schijf aan prijzen waarop die afzonderlijke aanslagvoet van toepassing is,is wel aanzienlijk hoger dan eerste schijf voor de niet vrijgestelde prijzen aan kunstenaars” ‘Aangezien het zowel voor sporters als voor kunstenaars, geleerden en schrijvers doorgaans gaat om premies die worden toegekend voor uitzonderlijke prestaties, ziet de Raad van State niet goed in waarom er twee verschillende fiscale regelingen moeten zijn en niet kan worden volstaan met één en dezelfde regeling. Er zal bijgevolg moeten kunnen worden verantwoord, in het licht van het gelijkheidsbeginsel, waarom ondanks de vergelijkbare situatie waarin de betrokken belastingplichtigen verkeren wat betreft het feit dat de belastingheffing doet ontstaan, toch een verschilende regeling noodzakelijk Is, De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet echter niet meteen een dergelijke verantwoording. Amendement nr.8 7.1._In het ontworpen artikel 269, $ 2, tweede lid, 1° en 2° WIB 92 begint de wachttermijn voor de verlaging van de roerende voorheffing van 20 % resp. 15 % op het ogenblik van de volledige volstorting van de bedragen waarop bij de oprichting van de vennootschap of kapitaalverhoging is ingeschreven, en niet zoals onder de huidige regeling, vanaf de inbreng. De steller van het amendement dient na te gaan of de ontworpen tekst geen afbreuk doet aan gerechtvaardigde verwachtingen van vennootschappen waarvoor de ontworpen regeling tot gevolg heeft dat wachttermijn wordt verlengd. In voorkomend geval verdient het aanbeveling te voorzien in een, gepaste overgangsregeling. =_ Zo artikel 90, eerste lid, 2”, WIB 92 on artikel 53 KB WIB92. 7.2. _In het ontworpen artikel 269, 5 2, laatste lid, WIB 92 wordt verwezen naar “de vennootschappen die tussen 1 mel 2019 en de datum van bekendmaking van deze bepaling door de Ministerraad beslist hebben over te gaan tot een vristeling van volstorting van de onderschreven aandelen”. In het belang van de rechtszekerheid dient de “datum van bekendmaking van deze bepaling door de Ministerraad” te worden vervangen door de concrete datum van die bekendmaking. Amendement nr. 15 8. Overeenkomstig het ontworpen artikel 46, zevende lid, van het wetsontwerp hebben de artikelen 24/1 en 43 ervan uitwerking met ingang van 1 januari 2021 8.1. Voor artikel 24/1 van het wetsontwerp is er geen terugwerkende kracht voor zover de aan le nemen wet ten laatste op 31 december 2021 in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Indien dat niet het geval is zal er een verantwoording moeten zijn voor de terugwerkende kracht overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ter zake. 8.2. Voor artikel 43, van het wetsontwerp, waarvan de ‘ontworpen bepalingen het toepassingsgebied van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor de opleiding van werknemers bedoeld in artikel 275%: WIB 92 regelen, dient aangenomen te worden dat het weldegelijk terugwerkende kracht heeft. De terugwerkende kracht wordt in de verantwoording bij het amendement gerechtvaardigd door aan te geven dat alle “wijzigingen die in dit amendement worden aangebracht een interpretatieve functie hebben.” 8.24. Luidens artikel 84 van de Grondwet kan alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten geven. Een wetsbepaling is interpretatief wanneer ze aan een bepaling een betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen.” Het Is eigen aan een interpretatieve bepaling dat zij gevolg heeft op de datum van de inwerkingtreding van de geïnterpreteerde bepaling;* de waarborg van de niet-retroactiviteit van de wetten, waarvan slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken,” kan evenwel niet worden omzeild door ‘een wetsbepaling met terugwerkende kracht als een interpretatieve wetsbepaling voor te stellen” *_GuH 21 juni 2008, nr. 102/2006, B.5.2; GwH 1 september 2008, nr. 128/2008, B_8 4; Gw, 12 novomber 2009, nr. 180/2009, 85, Gu 26 november 2008, nr. 192/2009, B.7; GH 15 docember 2011, nr. 188/2011, 8.4; Gw 12 juli 2012, nr. 90/2012, B13.2 'GuH7 november 2013, nr. 150/2013, B.4; GwH 6 oktober 2016, mr. 126/2016, 5, *__@wh 12 november 2009, nr. 180/2009, B.5. Gu 12 juli 2012, mr 90/2012, B.13.2; Gw 7 novomber 2013, nr. 150/2013, 8.4. *_ Zie bijvoorbeeld GH 15 december 2011, nr. 188201, 88; Gu 31 mai 2012, ar. 68/2012, B13; GH 9 oktober 2014, nr. 146/2014, B-101; Gu 6 oktober 2016, nr. 126/2016, B.73, *_GwH 19 december 2002, nr. 1889/2002, 812.2; GwH 21 juni 2006, ar. 1021200, 8.5.2; Gu 15 december 2011, nr. 1881201 B.4; Gu 6 oktober 2016, nr. 126/2016, B.5; Gw 1 juni 2017, mr. 68/2017, 8.3. Zo het effectief gaat om een interpretatieve wet, ligt de verantwoording van het retroactieve effect dat ze heeft (doordat de geïnterpreteerde wet moet worden geacht steeds de draagwijdte te hebben gehad zoals omschreven in de Interpretatieve wet), in het interpretatieve karakter zelf van de betrokken wet” Zo niet, dient aan de voorwaarden te zijn voldaan op grond waarvan kan worden afgeweken van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten” Een interpretatieve wet vindt haar bestaansreden in het opheffen van de rechtsonzekerheid die is ontstaan door het onzekere of het betwiste karakter van een wetsbepaling. Derhalve is een interpretatieve bepaling alleen aanvaardbaar wanneer de tekst die de wetgever beoogt uitte leggen, onduidelijk is en voor een verschillende interpretatie vatbaar is.° 7_Gut 19 december 2002, nr. 1881200, 8121; Gw 21 juni 2006, mr 102/2006, B.5 2; Gu t september 2008, nr. 1248/2008, 88.4 Gw 15 december 2011, nr. 188/2011, B.4; Gw 11 mel 2017, mr. 54/2017, 86.5. *_ Gw 1 september 2008, nr. 1248/2008, 8.6; GH 12 november 2009, ar. 180200, 8.9; Gw 6 oktober 2016, nr. 1261201, B5, ‘Gu 1 juni 2017, nr. 68/2017, 8.5 *_GuH 1 septomber 2008, nr. 128/2008, B8.6; Gu 15 december 2011, 1. 1881201, 8.7; Gw 6 oktober 2016, nr. 126/2016, 8.73 ®_Ziein dat verband verschilende adviezen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, inzonderheid advies 34.153/VR van 12 december 2002 over een voorstel van wet “tot interpretatie van artikel 7, eorste li, van de wet van 16 juni 1993 betreffende (de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Parl.St. Senaat 2002-03, nr. 2-1255/2); advies '46.40/1/3/4 van 10 en 14 april 2009 over eon voorontwerp dat geleid heeft tot de programmawet van 17 juni 2009 (Parl. St. Kamer 2008-09, nr. 52-1967/001, 49 tot 51); adv.AvS 61.230/1 ‘en 61.231/1 van 2 mei 2017 over een wetsvoorstel ‘ot wijziging van de arbeidswet van 16 maart 1971 voor wat het zondagswerk betreft en over amendementen op dat wetsvoorstel (Par.St Kamer 2014201, nr. 54-584/004. De betekenis die de wetgever in de interpretatieve wet aan de betrokken wetsbepaling heeft gegeven, moet eraan door de rechter ook zonder tussenkomst van de wetgever kunnen worden gegeven” 8.2.2. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of het werkelijk om interpretatieve bepalingen gaat. In dat verband moet vooreerst worden vastgesteld dat de betrokken bepalingen niet als interpretatieve bepalingen zijn geredigeerd. Bovendien wordt de retroactieve uitwerking ervan expliciet geregeld, terwijl dat voor interpretatieve bepalingen niet hoeft Bovendien moet worden vastgesteld dat de ontworpen bepalingen meer inhouden dan een loutere interpretatie van bestaande bepalingen. Zo wordt ervoor geopteerd om de minimale opleidingsduur niet meer uit te drukken in dagen maar in uren, wordt aangegeven hoe de minimumduur moet worden berekend bij wijziging van de arbeidsregeling in de loop van de opleiding (waaromtrent de verantwoording bij het amendement expliciet stelt dat dit noch in de wettekst werd geregeld noch in de oorspronkelijke memorie van toelichting werd verduidelijkt), en wordt een bepaalde cumul expliciet uitgesloten (terwijl de oorspronkelijke wettekst geen bepaling In die zin bevatte). »_Cass. 17 januari 2008, FO7 0057; Cass. 19 mei 2014, C13 0310.N; Cass. 7 april 2016, F.14 0097.N; Cass, 24 januari 2017, P16 08O.N. *_Zi in verband met de aldus in herinnering gebrachte beginselen, 'adv.AVS 512571 van 24 april 2012 over een voorontwerp dat heeft geler tot de wat van 1 juli 2012 ‘ot uitlegging van artikel 108, 2 tweede id, eerste en tweede zinsnede van de wet van 8 januari 2012 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de ‘organisatie van de olektickteismarkt en de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen’ (Part. Kamer 2011-12, nr. 53-2195/001. 1213), alsook adv.AvS 52.210/4 van 7 november 2012 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van het Waalse ‘économique et de simplfication administrative’ (Parl. St W.Parl 2012-13,nr. 7501, 6-8); adv. AVS 54.554 van 16 december 2013, ‘over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 19 april ‘2014 ‘tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven’ (Par. St. Kamer 2019-2014, nr. 3402); adv. RvS 59 495/2/3 van 6 juni 2018 overeen ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 3 augustus '2016 ‘houdende dringende fiscale bepalingen’ Parl.St. Kamer '2015-16, nr. 19201, p. 35; adv.AvS 61.230/1 en 61.231/1 van '2 mei 2017 over een wetsvoorstel tot wijziging van de arbeidswot van 16 maart 1971 voor wat het zondagswerk betreft en over ‘amendementen op dat wetsvoorstel (Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-584/004; adv.AvS 61.750/3 van t augustus 2017 over ‘een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 17 december '2017‘houdende diverse fiscale bepalingen IT, Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2764/001, 48-58. *_Zie over de wijze van redigeren van interpretatieve bepalingen: ‘Beginselen van do wotgevingstochniek - Handleiding voor hot opstellen van wetgevende on reglementaire teksten, Raad van State, 2008, ormule F 4-17, te raadplegen op de intometsite van de Raad van State (www raavst-consetat be) Uit hetgeen voorafgaat moet worden besloten dat de ontworpen bepalingen niet beschouwd kunnen worden als louter interpretatieve bepalingen, zodat de terugwerkende kracht zal moeten kunnen worden verantwoord overeenkomstig de Amendementen nrs. 16 tot 25 9. Gevraagd in welke mate de fiscale behandeling van Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (ELTIF's) zoals geregeld in de bij de amendementen nrs. 16 tot 25 ontworpen bepalingen verschilt van de fiscale behandeling van andere beleggingsvennootschappen, antwoordde de gemachtigde het volgende: Farticle 185bis, CIR 92. Amendement nr. 32 10. De gemachtigde bevestigde dat in de verantwoording bij amendement nr. 32 de berekening in voorbeeld 4 niet correct is, hetgeen moet worden verholpen. Amendement nr. 39 1. In de bij het ontworpen artikel 51/3, b), van het wetsontwerp ontworpen bepaling schrijve men “wordt nogmaals verlengd tot 30 september 2022” in de plaats van “kan nogmaals worden verlengd tot 30 september 2022”. Amendement nr. 59 12. Er kan worden verwezen naar de opmerking bij amendement nr. 21 op het wetsontwerp ‘houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde’ waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, advies 70.467/3 uitbrengt. De griffier, De voorzitter, Astrid TRUYENS _ Wilfried VAN VAERENBERGH impnmerie centrale Ceruse dader