Amendement Houdende diverse fiscale bepalingen
Documentdetails
📁 Dossier 55-2351 (10 documenten)
Volledige tekst
23 december 2021 WETSONTWERP houdende diverse fiscale bepalingen ARTIKELEN AANGENOMEN IN EERSTE LEZING DOOR DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING Zie: 55 2351/ (2021/2022): Wetsontwerp. n 003: Amendementen. Verslag van de eerste lezing. 06071 Groen basisnummer en volgnummer Schriftelijke Vragen en Antwoorden Voorlopige versie van het Integraal Verslag V Beknopt Verslag Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) Plenum Commissievergadering Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) TITEL 1 Algemene Bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in rtikel 74 van de Grondwet
TITEL
2 Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen
HOOFDSTUK 1
Vervangingsinkomsten van meewerkende echtgenoten Art. 2 Artikel 33 van het Wetboek van de inkomstenbelastin- en 1992, hersteld bij de programmawet (I) van 24 de- ember 2002, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Zijn eveneens belastbaar als bezoldigingen van eewerkende echtgenoten, de vergoedingen van alle ard tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke erving van de voormelde bezoldigingen.”.
Art. 3 In artikel 171, 5°, b, van hetzelfde Wetboek, gewij- igd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden en 32, tweede lid, 2°,” vervangen door de woorden “, 32, weede lid, 2°, en 33, derde lid,”.
Art. 4 Dit hoofdstuk is van toepassing op de inkomsten die orden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022.
HOOFDSTUK 2
Belastingheffing op afzonderlijk belastbare inkomsten die bij verdrag zijn vrijgesteld Art. 5 Artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd ij de wet van 24 december 2020 en bij het artikel 3 van eze wet, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, uidende: “8° tegen een aanslagvoet van 0 pct.: de in 1° tot 7° ermelde inkomsten waarvoor de belasting bij toepas- ing van artikel 155 zou worden verminderd indien ze vereenkomstig artikel 130 zouden worden belast.”.
Art. 6 Artikel 5 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021.
HOOFDSTUK 3
Bevrijdende bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken Art. 7 In artikel 248 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- igd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling on- er 1° aangevuld met een bepaling onder c), luidende: “c) op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de and- of tuinbouw, op voorwaarde dat de belastingplich- ige en, desgevallend, zijn echtgenoot in het betrokken elastbare tijdperk geen andere in artikel 232, vermelde nkomsten heeft of hebben behaald of verkregen;”; 2° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt de bepaling nder c), ingevoegd bij de bepaling onder 1°, aangevuld et de woorden “en de belastingplichtige aan zijn werk- ever een door de fiscale administratie van zijn woonstaat itgereikte woonplaatsverklaring heeft bezorgd”; 3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, c, wordt erstaan onder bezoldigingen van seizoenarbeiders in e land- of tuinbouw: — de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheids- erker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bis an het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot itvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening an de besluitwet van 28 december 1944 betreffende e maatschappelijke zekerheid der arbeiders; — de eindejaarspremie en de getrouwheidspremie ie door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het uinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste treepje bedoelde gelegenheidswerkers; — de bezoldigingen voor prestaties als arbeider in de and- of tuinbouw ingevolge een contract van bepaalde uur of voor een duidelijk omschreven werk van maxi- aal 6 opeenvolgende kalenderweken onmiddellijk ansluitend op een tewerkstelling als gelegenheidsar- eider in de land- of tuinbouw bij dezelfde werkgever; — het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in et derde streepje bedoelde periode van aansluitende ewerkstelling.”; 4° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedele- eerde bepaalt hoe op de in artikel 57 bedoelde fiche ordt vermeld dat de fiche bezoldigingen van seizoen- rbeiders in de land- of tuinbouw als bedoeld in het weede lid, 1°, c, betreft.”; 5° paragraaf 1, zoals aangevuld door het 4°, wordt angevuld met een lid, luidende: “De belastingplichtige bezorgt de in het tweede lid, °, c, bedoelde woonplaatsverklaring aan zijn werkge- er uiterlijk op de dag van de eerste betaling door die erkgever van bezoldigingen van seizoenarbeiders in e land- of tuinbouw in het betrokken belastbare tijdperk. e werkgever bezorgt vóór 1 maart van het jaar volgend p het inkomstenjaar via elektronische weg een afschrift an de woonplaatsverklaring aan de fiscale administratie. e minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde epaalt de nadere modaliteiten voor het bezorgen van e woonplaatsverklaring.”; 6° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen die ezoldigingen hebben verkregen als bedoeld in para- raaf 1, tweede lid, 1°, c, en inwoners zijn van een lidstaat an de Europese Economische Ruimte, kunnen ervoor pteren om paragraaf 1, eerste lid, niet toe te passen.”.
Art. 8 Artikel 7, 1°, 3°, 4° en 6°, is van toepassing vanaf anslagjaar 2022.
Artikel 7, 2° en 5°, is van toepassing vanaf anslagjaar 2023.
HOOFDSTUK 4
Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen Art. 9 In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde etboek, wordt het opschrift van onderafdeling 5 ver- angen als volgt: “Onderafdeling 5. – Gemene bepalingen en volgorde an toepassing van de wettelijke bepalingen voor de aststelling van het belastbaar inkomen”.
Art. 10 In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 5, van etzelfde Wetboek, wordt een artikel 206/1 ingevoegd, uidende: “Art. 206/1. Om het belastbare resultaat vast te stel- en, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, aarin niet zijn begrepen de krachtens dit Wetboek of de rachtens specifieke wettelijke bepalingen vrijgestelde ereserveerde winst, vooraf volgens bestemming in de olgende categorieën onderverdeeld: 1° reserves; 2° verworpen uitgaven en overige bestanddelen van et resultaat; 3° dividenden. Voor de toepassing van het eerste lid moet worden erstaan: 1° onder “reserves”, het gereserveerde resultaat, erminderd met: a) de winst die voortvloeit uit de minderwaarden ie door de schuldenaar zijn opgetekend op bestand- elen van het passief ten gevolge van de homologatie an een reorganisatieplan door de rechtbank of ten evolge van de vaststelling door de rechtbank van een innelijk akkoord krachtens Boek XX, titel V van het etboek van economisch recht, voor het aanslagjaar at verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens etwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord olledig is uitgevoerd voor zover de overeenkomstig rtikel 48/1 vastgestelde voorwaarden worden nageleefd; b) het gedeelte van de meerwaarde op de in arti- el 65, vermelde voertuigen, andere dan die vermeld n artikel 66, § 2, 1° tot 3°, dat niet in aanmerking wordt enomen krachtens artikel 24, vierde lid; c) de krachtens de artikelen 192 en 521 vrijgestelde eerwaarden op aandelen en de tijdens het belast- are tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op andelen die voorheen krachtens artikel 198, § 1, 7°, ls verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waarde- erminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk iet meer verantwoord zijn; d) de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van rtikel 184, met uitsluiting van de terugbetalingen van estort kapitaal ter uitvoering van een regelmatige eslissing van de vennootschap overeenkomstig het etboek van vennootschappen en verenigingen of, indien e vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, vereenkomstig het recht dat de vennootschap beheerst; e) de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare ijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die roeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de egulariseringen van geraamde belastingschulden die oorheen als verworpen uitgaven zijn belast, in zover ie terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen orden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen ie bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk oeten worden gevoegd; f) de sommen die definitief werden vrijgesteld over- enkomstig artikelen 194ter, 194ter/1 of 194ter/3; g) de sommen die overeenkomstig de artikelen 193bis, 1, en 193ter, § 1, zijn vrijgesteld; h) het onder de belastingvrije winst van de inbrengende ennootschap opgenomen bedrag, naar aanleiding van en inbreng van een tak van werkzaamheid of van een lgemeenheid van goederen uitgevoerd in overeenstem- ing met artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, dat onder de oorwaarden van artikel 192, § 2, wordt vrijgesteld en at zijn oorsprong vindt in een herbelegging als bedoeld n artikel 47 of in een kapitaalsubsidie als bedoeld in rtikel 362, die deel uitmaakt van die inbreng; i) de sommen die definitief vrijgesteld zijn krachtens rtikel 194quinquies, § 2; j) de winst ten belope van het financieringskostensur- lus, vrijgesteld krachtens artikelen 194sexies en 194sep- ies, tweede streepje; k) de winst ten belope van de vergoeding ontvangen n uitvoering van een groepsbijdrage-overeenkomst, rijgesteld krachtens artikel 194septies, eerste streepje; l) de winst die voortkomt van de terugbetaling tijdens et belastbaar tijdperk van een gedeelte van het belasting- rediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig rtikel 292bis, § 1, vijfde lid; m) het bedrag van de actualisering van de voorraad oor erkende diamanthandelaars als vermeld in de wet an 26 november 2006 houdende een begeleidingsmaat- egel voor een voorraadactualisering door de erkende iamanthandelaars waarvoor aan de voorwaarde van naantastbaarheid tijdens het belastbare tijdperk niet anger is voldaan; n) de definitief vrijgestelde sommen voor de terug- eming van waardeverminderingen overeenkomstig rtikel 184quinquies, tweede lid; o) de definitief vrijgestelde sommen voor de terugne- ing van waardeverminderingen die door een rechtsper- oon bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 2018 tot epaling van de voorwaarden van overgang bij de onder- erping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrij- en zijn erkend in de jaarrekening van een boekjaar dat erd afgesloten vóór het boekjaar dat betrekking heeft p het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon nderworpen is aan de vennootschapsbelasting; p) de winst die op basis van artikel 185, § 2, b, wordt erzien; q) overige bij wet vrijgestelde winst, andere dan deze edoeld in artikel 206/5; en verhoogd met de bedragen in mindering gebracht an de begintoestand van de reserves; 2° onder “verworpen uitgaven en overige bestand- elen van het resultaat”: — de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen; — het bedrag, vóór aftrek van het vrijgestelde ge- eelte, van de giften als zijn vermeld in artikel 14533, 1, eerste lid, 1° tot 4°, a; — de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt n de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze niet n het gereserveerde resultaat is begrepen; — de overige bij wet vastgestelde belastbare bestand- elen, die niet tot een andere categorie behoren; 3° onder “dividenden”, de dividenden vermeld in rtikel 18.”.
Art. 11 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/2 in- evoegd, luidende: “Art. 206/2. Het totale bedrag van het overeenkomstig rtikel 206/1 vastgestelde resultaat wordt verminderd met et werkelijke resultaat van de activiteiten van de zee- cheepvaart of van het beheer van zeeschepen voor reke- ing van derden, waarvoor de winst forfaitair wordt vast- esteld overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van e programmawet van 2 augustus 2002.”.
Art. 12 In dezelfde onderafdeling 6, wordt een artikel 206/3 in- evoegd, luidende: “Art. 206/3. § 1. Van het resultaat dat overeenkomstig rtikel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen af- etrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 36 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het erlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht: — het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van ab- ormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79; — de verkregen financiële voordelen of voordelen an alle aard vermeld in artikel 53, 24°; — de grondslag van de in artikel 219 bedoelde af- onderlijke aanslag; — het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de itgaven bedoeld in artikel 198, § 1, 9°, 9°bis en 12°; — het gedeelte van de winst uit de niet-naleving van rtikel 194quater, § 2, vierde lid, en de toepassing van rtikel 194quater, § 4; — de in artikel 217, eerste lid, 4°, bedoelde kapitaal- n interestsubsidies die, met inachtneming van de uropese reglementering inzake staatssteun, door de evoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers ordt toegekend; — de grondslag van de in artikel 519ter, § 1, bedoelde elasting; — het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve esultaat, vastgesteld vóór de opname van de groeps- ijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare ijdperk, overschrijdt. Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is astgesteld, worden eveneens de bestanddelen afge- rokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 36 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met et verlies van het belastbare tijdperk, mag worden ver- icht met uitzondering van de overeenkomstig artikel 205, 2, aftrekbare inkomsten: — het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp itmaakt van een wijziging van de aangifte bedoeld in rtikel 346 of een aanslag van ambtswege bedoeld in rtikel 351 waarvoor de in artikel 444 bedoelde belas- ingverhogingen tegen een percentage gelijk of hoger an 10 pct. effectief worden toegepast. § 2. Na toepassing van paragraaf 1 wordt vervolgens et totale bedrag van het resultaat vermeerderd met het edrag van de verliezen die krachtens artikel 185, § 3, erste of tweede lid buiten beschouwing worden gelaten.”.
Art. 13 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/4 in- evoegd, luidende: “Art. 206/4. Het totale bedrag van het overeenkomstig e artikelen 206/1 tot 206/3 vastgestelde resultaat wordt ventueel volgens oorsprong onderverdeeld in: 1° in België behaald resultaat, indien positief hierna Belgische winst” te noemen; 2° in het buitenland behaald resultaat dat niet vrijge- teld is krachtens internationale verdragen, indien positief ierna “niet bij verdrag vrijgestelde winst” te noemen; 3° in het buitenland behaald resultaat dat van belasting s vrijgesteld krachtens internationale verdragen, indien ositief hierna “bij verdrag vrijgestelde winst” te noemen. Alvorens die onderverdeling wordt gedaan, worden e verliezen van het belastbare tijdperk die in een land orden geleden, achtereenvolgens op het totale bedrag an de winst uit andere landen aangerekend in de hierna angegeven volgorde: a) verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij erdrag vrijgesteld is: eerst op de bij verdrag vrijgestelde inst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de iet bij verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de elgische winst; b) verliezen geleden in een land waarvoor de winst iet bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de niet bij verdrag rijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend s, op de Belgische winst; c) in België geleden verliezen: eerst op de Belgische inst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de iet bij verdrag vrijgestelde winst. Indien op basis van de internationale verdragen de inst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet s vrijgesteld, dient deze winst te worden opgenomen in e categorie “niet bij verdrag vrijgestelde winst”. In het geval in de categorie “niet bij verdrag vrijgestelde inst”, winst is begrepen waarvan de belasting op die inst bij toepassing van de internationale verdragen ordt verminderd, worden bij de toepassing van het weede lid: — ofwel de verliezen eerst aangerekend op de overige iet bij verdrag vrijgestelde winst, alvorens te worden angerekend op de winst waarvan de belasting bij oepassing van een overeenkomst tot voorkoming van ubbele belasting wordt verminderd; — ofwel wanneer de belastingplichtige hier in zijn angifte op onherroepelijke wijze om verzoekt, de ver- iezen enkel aangerekend op de overige niet bij verdrag rijgestelde winst, zonder te worden aangerekend op e winst waarvan de belasting bij toepassing van een vereenkomst tot voorkoming van dubbele belasting ordt verminderd. Verliezen geleden in een land waarvoor de winst ij verdrag is vrijgesteld kunnen in toepassing van het weede lid, a), enkel worden aangerekend op de Belgische inst of de niet bij verdrag vrijgestelde winst, indien e belastingplichtige in een bijlage bij zijn aangifte op nherroepelijke wijze het land vermeldt waarin deze erliezen werden geleden, evenals het bedrag van deze erliezen en het belastbare tijdperk waarin deze verliezen erden geleden.”.
Art. 14 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/5 in- evoegd, luidende: “Art. 206/5. Van het saldo van de winst dat overeen- omstig de artikelen 206/1 tot 206/4 is vastgesteld en nderverdeeld, worden achtereenvolgens afgetrokken, n zover ze er nog in voorkomen: 1° de bij verdrag vrijgestelde winst; 2° in globo: a) het vrijgestelde gedeelte van giften als vermeld in rtikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 3° en 4°, a; b) de andere niet-belastbare bestanddelen die in de inst voorkomen en niet in 1° of 2°, a), van dit artikel, zijn ermeld, in het bijzonder de in artikel 67quater, vermelde rijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheids- tatuut, de inkomenscompensatievergoedingen bedoeld n artikel 67quinquies en de terugbetalingen van de in rtikel 53, 6°, beoogde boeten. De som van de in het eerste lid, 2°, vermelde bedra- en wordt bij voorrang van de Belgische winst van het elastbare tijdperk afgetrokken en, tot het eventuele verschot, van de niet bij verdrag vrijgestelde winst van at tijdperk.”.
Art. 15 In artikel 207 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: a) het eerste lid wordt vervangen als volgt: “De in de artikelen 201 tot 206, 536 en 543 bedoelde ftrekken worden vervolgens van de resterende winst ie overblijft na toepassing van artikel 206/5 afgetrok- en. Deze aftrekken gebeuren met inachtneming van e oorsprong van de winst en bij voorrang van de winst aarin die bedragen voorkomen.”; b) het tweede lid, eerste streepje, wordt opgeheven; c) het zevende lid wordt vervangen als volgt: “De aftrek van de vorige beroepsverliezen wordt itgevoerd in overeenstemming met de bepalingen uit rtikel 206/4.”; d) het achtste lid wordt opgeheven; e) in het tiende lid, dat het negende lid wordt, worden e woorden “het elfde lid,” vervangen door de woorden het tiende lid,”; f) in het elfde lid, dat het tiende lid wordt, worden de oorden “het tiende lid” vervangen door de woorden het negende lid”.
Art. 16 In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 5, van etzelfde Wetboek, wordt een artikel 207/1 ingevoegd, uidende: “Art. 207/1. Het resultaat na toepassing van arti- el 207 wordt verhoogd met de op forfaitaire wijze vereenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de rogrammawet van 2 augustus 2002, vastgestelde winst it zeescheepvaart en uit het beheer van zeeschepen oor rekening van derden.”.
Art. 17 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 207/2 in- evoegd, luidende: “Art. 207/2. Het in artikel 206/3, § 1, eerste lid, vermelde edeelte van het resultaat wordt opnieuw gevoegd bij et resultaat na toepassing van artikel 207/1. Het in artikel 206/3, § 1, tweede lid, vermelde ge- eelte van het resultaat wordt eveneens na aftrek van e resterende in artikel 205, § 2, aftrekbare inkomsten, pnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van rtikel 207/1.”.
Art. 18 In artikel 208, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden e woorden “183 tot 207/9” vervangen door de woorden 183 tot 207/2”.
Art. 19 Artikel 217, derde lid, van hetzelfde Wetboek, inge- oegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de et van 27 juni 2021, wordt opgeheven.
Art. 20 In artikel 239/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 10 augustus 2015 en laatstelijk gewijzigd ij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “tiende n elfde lid,” vervangen door de woorden “negende en iende lid,”.
Art. 21 Artikel 519ter, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ngevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij e wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.
Art. 22 De artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 hou- ende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van e wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het itwassen van geld en de financiering van terrorisme n tot beperking van het gebruik van contanten, worden ngetrokken.
Art. 23 De artikelen 9 tot 21 zijn van toepassing vanaf anslagjaar 2022.
HOOFDSTUK 5
Andere wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 24 In artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelas- ingen 1992, gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, ordt de bepaling in het eerste streepje, vervangen ls volgt: “— 40 pct. voor gebouwde onroerende goederen, lsmede voor materieel en de outillage, die van nature f door hun bestemming onroerend zijn, zonder dat de ermindering, met betrekking tot de in artikel 7, § 1, 2°, , vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen an twee derde van het kadastraal inkomen, gereva- oriseerd met een coëfficiënt die 4,23 bedraagt. Die evalorisatiecoëfficiënt wordt aangepast aan de evolutie an de gezondheidsindex van het Rijk met behulp van de oëfficiënt die verkregen wordt door het gezondheids- ndexcijfer van de maand december van twee jaar vóór at waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen oor dat van de maand december 2013. De coëfficiënt ie zo wordt bekomen, wordt afgerond tot het hogere f lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer an de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt. De eïndexeerde revalorisatiecoëfficiënt wordt afgerond tot et hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer an de duizendsten al of niet 5 bereikt;”.
Art. 25 (nieuw) In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ver- angen bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende a) in de bepaling onder 1° worden de woorden “met itzondering van de interesten waarvoor een rentesub- idie werd aangevraagd zoals bepaald in artikel 26 van et Vlaams decreet van 30 oktober 2020 tot wijziging an het Energiedecreet van 8 mei 2009 en in de arti- elen 7.15.1 tot 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse egering van 19 november 2010 houdende algemene epalingen over het energiebeleid,” ingevoegd tussen e woorden “belastbare onroerende inkomsten,” en de oorden “met dien verstande”; b) een bepaling onder 3° wordt ingevoegd, luidende: De teruggevorderde rentesubsidies zoals bepaald in rtikel 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering an 19 november 2010 houdende algemene bepalin- en over het energiebeleid.”.
Art. 26 (vroeger art. 25) In artikel 17, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, vervangen oor de wet van 22 december 1998, worden de woor- en “de niet in 5° vermelde” worden ingevoegd vóór de oorden “inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik n concessie van roerende goederen”.
Art. 27 (nieuw) In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt het vijfde id vervangen als volgt: “De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en ), en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belas- ingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsbudget ontvangt an dezelfde werkgever in toepassing van de wet van 7 maart 2019 betreffende de invoering van een mobi- iteitsbudget, tenzij het geval bedoeld in artikel 10, § 3, an dezelfde wet.”.
Art. 28 (nieuw) Artikel 39, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 18 februari 2018, wordt aangevuld et twee leden, luidende: “De in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten omvat- en niet, inkomsten die voortkomen uit pensioenen, anvullende pensioenen, kapitalen, renten en afkoop- aarden, die zijn opgebouwd in het kader van een al an niet buitenlands pensioenstelsel, ongeacht of de angeslotene al dan niet individueel is toegetreden ot het pensioenstelsel en ongeacht of de opbouw van et pensioen, het kapitaal of de rente al dan niet in het efinitief en uitsluitend voordeel van de aangeslotene ebeurt. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensi- enstelsel verstaan, een collectieve pensioentoezegging an een werkgever waarvoor bij een pensioeninstelling f bij een intern pensioenfonds voor of door werkgevers en behoeve van ten minste twee aangesloten werkne- ers, vroegere werknemers of hun rechtverkrijgenden elden worden bijeengebracht en beheerd met het oog p de uitkering van een pensioen, een kapitaal of een ente, en die beheerst wordt door een reglement dat emeenschappelijk van toepassing is op alle aangeslo- enen en desgevallend hun rechtverkrijgenden, al dan iet opgedeeld in verschillende categorieën.”.
Art. 29 (vroeger art. 26) In artikel 52 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd ij wet van 17 maart 2019, wordt een bepaling onder 13° ngevoegd, luidende: “13° de in rubriek II.A. “handelsgoederen, grond- n hulpstoffen” van de resultatenrekening, zoals mschreven in artikel 3:90 van het koninklijk besluit an 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van ennootschappen en verenigingen, te boeken inkopen an goederen en diensten.”.
Art. 30 (vroeger art. 27) In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- igd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende 1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “on- erminderd artikel 52, 13°,” ingevoegd voor de woorden kosten voor kledij”; 2° in de bepaling onder 8° worden de woorden “on- erminderd artikel 52, 13°,” ingevoegd voor de woorden 50 pct. van de”; 3° in de bepaling onder 8°bis worden de woorden onverminderd artikel 52, 13°,” ingevoegd voor de wooren “31 pct.”; 4° in de bepaling onder 9° worden de woorden “on- erminderd artikel 52, 13°,” ingevoegd voor de woorden kosten van allerlei”.
Art. 31 (vroeger art. 28) In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling II, van etzelfde Wetboek, wordt een artikel 53/1 ingevoegd, uidende: “Art. 53/1. In afwijking van artikel 53 worden kosten f toekenningen als vermeld in artikel 53, 7° tot 9°, die an derden worden doorgerekend, mits deze kosten of oekenningen uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn ermeld, als beroepskosten aangemerkt.”.
Art. 32 (vroeger art. 29) Artikel 57, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatste- ijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt angevuld met de bepaling onder 4°, luidende: “4° inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, °, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°.”.
Art. 33 (nieuw) In artikel 64quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 25 november 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “vaste” ingevoegd ussen de woorden “in nieuwe staat verkregen of tot tand gebrachte” en de woorden “laadstations voor lektrische wagens”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met een streepje, uidende: “- slechts wanneer de door de Koning bepaalde gege- ens met betrekking tot het laadstation bij de Federale verheidsdienst Financiën zijn aangemeld in de vorm n binnen de termijn door Hem vastgesteld.”; 3° het derde lid wordt vervangen als volgt: “Voor de toepassing van dit artikel wordt een laad- tation als publiek toegankelijk beschouwd wanneer het en minste gedurende de gangbare openingstijden, dan el sluitingstijden van de onderneming vrij toegankelijk s voor elke derde.”; 4° in het vierde lid worden de woorden “, dat meldingen ver het effectieve laadvermogen en statusmeldingen an terugsturen,” ingevoegd tussen de woorden woorden het laadvermogen van het laadstation kan sturen” en e woorden “en waarbij deze verbinding”; 5° het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 34 (nieuw) In artikel 90, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laat- telijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt een epaling onder 2°bis ingevoegd, luidende: “2°bis de premies voor de eerste schijf van 30 000 euro ruto per belastbaar tijdperk, toegekend door nationale f internationale sportfederaties, Nationale Olympische omités, Belgische of vreemde openbare machten of penbare instellingen zonder winstoogmerk erkend door et Internationaal Olympisch Comité, naar aanleiding an een sportieve prestatie op Olympische Spelen, aralympische Spelen, wereldkampioenschappen of uropese of andere continentale kampioenschappen;
Art. 35 (nieuw) In artikel 14528 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt een paragraaf ingevoegd, luidende: “§ 3. De belastingvermindering bedoeld in paragraaf is niet van toepassing indien de belastingplichtige van ezelfde werkgever een mobiliteitsbudget ontvangt in oepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende e invoering van een mobiliteitsbudget, tijdens hetzelfde elastbaar tijdperk.”.
Art. 36 (vroeger art. 30) In artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde etboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, orden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de oorden “alsook samenwerkingsverbanden met rechts- ersoonlijkheid tussen enkel openbare centra voor aatschappelijk welzijn”; 2° in de bepaling onder g) worden de woorden “de ationale Kas voor Rampenschade ten bate van het ationaal Fonds voor Algemene Rampen of van het ationaal Fonds voor Landbouwrampen,” vervangen oor de woorden “de gewestelijke rampenfondsen en un administratieve organen voor fondsenwerving” en orden de woorden “rampen die de toepassing recht- aardigen van de wet betreffende het herstel van schade eroorzaakt aan private goederen door” opgeheven; 3° in de bepaling onder k) worden de woorden “of n artikel D.32 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek” ngevoegd tussen de woorden “de wet van 14 augus- us 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der ieren” en de woorden “en die voldoen aan”.
Art. 37 (nieuw) In artikel 14550, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 25 november 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “vast” ingevoegd ussen de woorden “voor de plaatsing van een” en de oorden “laadstation voor elektrische wagens”; 2° in het vierde lid, 1°, worden de woorden “, dat mel- ingen over het effectieve laadvermogen en statusmel- ingen kan terugsturen,” ingevoegd tussen de woorden oorden “het laadvermogen van het laadstation kan turen” en de woorden “en waarbij deze verbinding”.
Art. 38 (nieuw) In artikel 171, 4°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ewijzigd bij de wet van 27 februari 2019, wordt een epaling onder b/1) ingevoegd, luidende: “b/1) de in artikel 90, eerste lid, 2°bis vermelde remies;”.
Art. 39 (vroeger art. 31) In artikel 180, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2018, worden e volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: “3° de Delcredere;”; 2° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt: “6° de Waalse vervoersoperator “Opérateur de ransport de Wallonie”;”.
Art. 40 (vroeger art. 32) In artikel 192, § 1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ngevoegd bij de wet van 13 december 2012, worden e woorden “de in het eerste lid bedoelde voorwaarde an behoud gedurende een ononderbroken periode an ten minste één jaar in volle eigendom” vervangen oor de woorden “de in artikel 202, § 2, eerste lid, 2°, ermelde voorwaarde”.
Art. 41 (vroeger art. 33) In artikel 198, § 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, inge- oegd bij de wet van 28 december 2011, gewijzigd bij de etten van 13 december 2012 en 25 december 2016 en ewijzigd bij de wet van 30 maart 2018 maar deze aatste wijziging geannuleerd bij het arrest 11/2020 van et Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, worden de oorden “overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot ne- ende lid;” vervangen door de woorden “overeenkomstig rtikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid;”.
Art. 42 (vroeger art. 34) In artikel 198, § 1, 9°bis, van hetzelfde Wetboek, in- evoegd bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd ij de wet van 30 maart 2018 maar deze laatste wijziging eannuleerd bij het arrest 11/2020 van het Grondwettelijk of van 23 januari 2020, worden de woorden “overeen- omstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid,” vervangen oor de woorden “overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste ot twaalfde lid,”.Art. 43 (vroeger art. 35) In artikel 207, tiende lid, van hetzelfde Wetboek, in- evoegd bij de wet van 10 augustus 2015 en laatstelijk ewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden naar Belgisch recht” opgeheven.
Art. 44 (vroeger art. 36) In artikel 216, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen ij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet an 31 juli 2004, wordt de bepaling onder b) vervangen ls volgt: “b) voor de hierna volgende vennootschappen voor uisvestingskrediet: — de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de ociété wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke uisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij n de door hen of de door de bevoegde regering erkende okale sociale huisvestingsmaatschappijen; — het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne u Crédit social, de Fonds du Logement des Familles ombreuses de Wallonie en het Woningfonds van het russels Hoofdstedelijk Gewest, zomede de door het laamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest f het Waalse Gewest erkende vennootschappen of nstellingen die tot doel hebben leningen toe te staan oor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, et bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrich- en van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting aarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering an energiebesparende maatregelen;”.
Art. 45 (vroeger art. 37) In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “en op voordelen an alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, °, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de woorden “en p voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten ls bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en aburige rechten betreft, en 5°”; 2° in het tweede lid worden de woorden “inkomsten ls bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten n naburige rechten betreft, en 5°,” ingevoegd tussen e woorden “voordelen van alle aard,” en de woorden financiële voordelen en verdoken meerwinsten” en de oorden “en die financiële voordelen” worden vervan- en door de woorden “, die financiële voordelen en die nkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteurs- echten en naburige rechten betreft, en 5°”; 3° in het vijfde lid worden de woorden “of van de oordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de oorden “van de voordelen van alle aard als bedoeld n de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, f van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, at auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”; 4° in het zesde lid worden de woorden “of van de oordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door e woorden “, van de voordelen van alle aard bedoeld n de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, f van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat uteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”.
Art. 46 (vroeger art. 38) In artikel 219bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 4 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de et van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen angebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “de laamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale allonne du logement” vervangen door de woorden “de laamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société allonne du logement”; 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, uidende: “Ten name van de vennootschappen bedoeld in rtikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op e reserves die worden overgedragen naar een andere n artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de oepassing van dit artikel worden deze reserves bij de ennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn angelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin e overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een in artikel 210, § 1, 1°, bedoelde errichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor e toepassing van dit artikel ook als een overgedragen eserve beschouwd.”; 3° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Ten name van de vennootschappen bedoeld in ar- ikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd wan- eer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere in rtikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. De aanslag ordt evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt itgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde ennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend nmiddellijk in het kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, edoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de inbreng- erkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering oorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte apitalen voort te komen. Voor de toepassing van dit rtikel wordt de vermindering van deze ingebrachte apitalen in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als en dividend beschouwd.”.
Art. 47 (vroeger art. 39) In artikel 223 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden “en voorde- en van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, °, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de woorden , voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en van inkomsten ls bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en aburige rechten betreft, en 5°”; 2° in het tweede lid, 4° en 5°, worden de woorden overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid,” elkens vervangen door de woorden “overeenkomstig rtikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid,”; 3° in het derde lid worden de woorden “het bedrag van e voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de kosten edoeld in artikel 57, eerste lid, “vervangen door de oorden “het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, erste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de rtikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van e inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteurs- echten en naburige rechten betreft, en 5°”; 4° in het vierde lid worden de woorden “het bedrag van e voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, weede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de kosten edoeld in artikel 57” vervangen door de woorden “het edrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de rtikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de osten bedoeld in artikel 57, eerste lid, of van de inkom- ten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en aburige rechten betreft, en 5°”.
Art. 48 (vroeger art. 40) In artikel 225, tweede lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 19 de- ember 2014, worden de woorden “op in artikel 223, erste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten en oordelen van alle aard” vervangen door de woorden op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verant- oorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten ls bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en aburige rechten betreft, en 5° en worden de woorden tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van ie kosten, die voordelen van alle aard en die financiële oordelen een rechtspersoon is, in welke gevallen de anslag gelijk is aan 50 pct.” vervangen door de woorden tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van ie kosten, die voordelen van alle aard, die inkomsten ls bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten n naburige rechten betreft, en 5°, en die financiële oordelen een rechtspersoon is, in welke gevallen de anslag gelijk is aan 50 pct.”.
Art. 49 (vroeger art. 41) In artikel 233, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 19 de- ember 2014, worden de woorden “en voordelen van lle aard” vervangen door de woorden “, voordelen van lle aard en inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat uteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”.
Art. 50 (vroeger art. 42) In artikel 234, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden e woorden “en de voordelen van alle aard als bedoeld n de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” ervangen door de woorden “, de voordelen van alle ard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, weede lid, 2°, en de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, °, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”.
Art. 51 (nieuw) In artikel 265, tweede lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, ngevoegd bij de wet van 27 april 2007 en laatstelijk ewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de olgende wijzigingen aangebracht: a) in het eerste streepje worden de woorden “aan een okaal bestuur als bedoeld in artikel 32 van de wet van 4 oktober 2011” vervangen door de woorden “aan een okaal bestuur in het kader van artikel 5, §§ 1, 2 en 5, an de wet van 24 oktober 2011”; b) in het tweede streepje, a, worden de woorden artikel 32 van de genoemde wet van 24 oktober 2011” ervangen door de woorden “de artikelen 16 en 20 van e genoemde wet van 24 oktober 2011”; c) in het tweede streepje, b, 2, worden de woorden door tussenkomst van het voornoemd lokaal bestuur” ngevoegd tussen het woord “onrechtstreeks” en de oorden “aan een instelling voor sociale zekerheid”.
Art. 52 (nieuw) In artikel 269 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt paragraaf 2 ervangen als volgt: “§ 2. In afwijking van § 1, 1°, wordt het tarief van de oerende voorheffing op de dividenden, met uitzondering an de in artikel 18, eerste lid, 2°ter, en 3°, bedoelde ividenden, verlaagd in zoverre dat: 1° de vennootschap die deze dividenden uitkeert, en vennootschap is die op grond van de voorwaarden ermeld in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek an vennootschappen en verenigingen, als kleine ven- ootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat erbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de apitaalinbreng is gedaan; 2° die dividenden voortkomen uit nieuwe aandelen op aam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van e vennootschap of een verhoging van haar kapitaal; 3° de volstorting van het kapitaal dat deze aandelen ertegenwoordigt, volledig gebeurt door middel van ieuwe inbrengen in geld; 4° deze inbrengen in geld niet voortkomen uit de verde- ing van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537, erste lid, worden onderworpen aan een verlaagde oerende voorheffing zoals bedoeld in datzelfde lid; 5° de uitgifte van de aandelen gedaan is vanaf juli 2013; 6° de belastingplichtige deze aandelen op naam on- nderbroken in volle eigendom heeft behouden vanaf e kapitaalinbreng; 7° deze dividenden zijn verleend of toegekend uit e winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend p dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van e vennootschap of bij een kapitaalverhoging, of voor olgende boekjaren. De roerende voorheffing bedraagt: 1° 20 pct. voor de dividenden verleend of toegekend it de winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend p dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de ennootschap of bij een kapitaalverhoging; 2° 15 pct. voor de dividenden verleend of toegekend it de winstverdeling voor het derde boekjaar volgend p dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van e vennootschap of bij een kapitaalverhoging, of voor olgende boekjaren. De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, van e aandelen ingevolge een erfopvolging of schenking ordt geacht niet te hebben plaatsgehad voor de toepas- ing van de in het eerste lid, 6°, vermelde voorwaarde nzake het ononderbroken behoud. De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, an de aandelen wordt evenmin geacht te hebben plaats- ehad voor de toepassing van de voorwaarde van volle igendom wanneer die overdracht het gevolg is van: 1° een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op en wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfvolging; 2° een ascendentenverdeling die geen afbreuk doet an het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. De erfgenamen of begiftigden nemen de plaats in an de belastingplichtige inzake de voordelen en ver- lichtingen van de maatregel. De omruiling van aandelen ingevolge verrichtingen als ermeld in artikel 45 of de vervreemding of verkrijging an aandelen ingevolge fiscaal neutrale verrichtingen als edoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, 1, en 231, §§ 2 en 3, worden geacht niet te hebben laatsgevonden voor de toepassing van het eerste lid, 6°. De kapitaalsverhogingen die tot stand komen na een ermindering van dit kapitaal die plaatsvinden vanaf mei 2013 komen niet in aanmerking voor het toeken- en van het verlaagd tarief, behalve in de mate waarin e kapitaalsverhoging de vermindering overstijgt. De sommen die voortkomen uit een vanaf 1 mei 2013 eorganiseerde vermindering van het kapitaal of uitkering an liquidatiereserves bedoeld in artikel 184quater of 41 die onderworpen zijn aan een verlaagd tarief van e roerende voorheffing van 5 pct., van een vennoot- chap verbonden of geassocieerd met een persoon in e zin van de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek an vennootschappen en verenigingen, en die door eze persoon worden geïnvesteerd in een verhoging an het kapitaal van een andere vennootschap kunnen iet genieten van het voormeld verlaagd tarief. Voor de toepassing van het vorig lid wordt onder persoon” ook begrepen zijn echtgenoot, zijn ouders en ijn kinderen wanneer deze persoon of zijn echtgenoot et wettelijk genot van hun inkomsten hebben. Als de vennootschap, die aandelen heeft uitgegeven f haar kapitaal heeft verhoogd in het kader van deze aragraaf, later overgaat tot verminderingen van dat apitaal, zullen deze verminderingen prioritair worden fgehouden van de kapitalen die ter uitvoering van de etrokken oprichting of verhoging zijn gestort. De onderschreven sommen bij de uitgifte van de andelen moeten volledig volstort zijn en aan deze andelen mag geen voorkeursrecht verbonden zijn ten anzien van de deelname in het kapitaal of in de winst f ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk ermogen. Voor de vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 5 december 2021 beslist hebben over te gaan tot een rijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen, aardoor aan de voorwaarde vermeld in het voorgaande id in principe nooit meer zou kunnen worden voldaan, n die vóór 31 december 2022 een kapitaalverhoging in eld doorvoeren, waardoor het bedrag van het gestorte apitaal in geldmiddelen opnieuw op dezelfde hoogte ordt gebracht van het initieel onderschreven bedrag óór de vrijstelling tot volstorting, kunnen de dividenden et betrekking tot zowel de aandelen uitgegeven bij de prichting na 1 juli 2013 als de aandelen uitgegeven ij de kapitaalverhoging in aanmerking komen voor et verlaagde tarief, op voorwaarde dat aan de andere oorwaarden is voldaan. In voorkomend geval mag de apitaalverhoging niet gepaard gaan met de uitgifte van ieuwe aandelen.”.
Art. 53 (nieuw) In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek ordt een onderafdeling 1 ingevoegd, dat de artikelen 270 n 271 van dat Wetboek omvat, luidende: “Onderafdeling 1. Schuldenaars van de voorheffing”.
Art. 54 (nieuw) In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek ordt een onderafdeling 2 ingevoegd, dat de artikelen 272 ot 275 van dat Wetboek omvat, luidende: “Onderafdeling 2. Inhouding, opeisbaarheid en be- ekening van de voorheffing”.
Art. 55 (nieuw) In titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek ordt een onderafdeling 3 ingevoegd, dat de artike- en 2751 tot 27512 van dat Wetboek omvat, luidende: “Onderafdeling 3. Vrijstelling van doorstorting van e voorheffing”.Art. 56 (vroeger art. 43) In artikel 27512 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij e programmawet van 20 december 2020 en gewijzigd ij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzi- ingen aangebracht: a) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “die en minste 6 maanden” vervangen door de woorden “die inds ten minste 6 maanden”; b) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “en ie een opleiding hebben gevolgd zoals in omschreven n paragraaf 3, met een minimale duurtijd van 10 dagen” ervangen door de woorden “, die geen in artikel 2756 edoelde sportbeoefenaars zijn en die één of meer- ere opleidingen hebben gevolgd zoals omschreven n paragraaf 3, die in hun geheel een minimale duurtijd ebben van 76 uren”; c) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden 10 dagen” vervangen door de woorden “76 uren” en ordt de zin “Deze minimale duurtijd wordt verminderd aar verhouding tot de op de betrokken werknemer van oepassing zijnde arbeidsregeling. “vervangen door e zin “Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar erhouding tot de arbeidsregeling die van toepassing s op de betrokken werknemer, op de dag waarop de aatste van deze opleidingen werd beëindigd.”; d) in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “10 da- en” telkens vervangen door de woorden “76 uren”; e) in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden 10 dagen” vervangen door de woorden “76 uren” en orden de woorden “5 dagen” vervangen door de woor- en “38 uren”; f) paragraaf 2, vijfde lid, wordt vervangen als volgt: “Een bezoldiging van een werknemer komt niet in anmerking voor de toepassing van dit artikel wanneer erdere bezoldigingen van deze werknemer reeds tien eer eerder door dezelfde werkgever in toepassing an paragrafen 4 en 5 in de vrijstellingsgrondslag werd pgenomen.”; g) in paragraaf 3, eerste lid, wordt het derde streepje pgeheven; h) in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede id een lid ingevoegd, luidende: “Om in aanmerking te komen moet de volledige kost an de in paragraaf 2 bedoelde opleiding evenals de olledige loonkost die verschuldigd is in geval de oplei- ing tijdens werktijd gevolgd wordt, door de werkgever orden gedragen.”; i) in paragraaf 3, tweede lid, dat het derde lid wordt, orden de woorden “één dag” vervangen door de woor- en “één volledige werkdag”; j) in paragraaf 3, derde lid, dat het vierde lid wordt, orden de woorden “10 dagen” vervangen door de oorden “76 uren” en worden de woorden “5 dagen” ervangen door de woorden “38 uren”; k) in paragraaf 4, derde lid, worden in de Nederlandse ekst de woorden “in artikel 2” vervangen door de wooren “in het tweede lid”; l) in paragraaf 6, enig lid, wordt in de Nederlandse ekst het woord “vermelden” vervangen door het woord vermelde”.
Art. 57 (vroeger art. 44) In artikel 362 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij e wet van 22 december 1998, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “of baten” in- evoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden van het belastbare tijdperk” en worden de woorden ze zijn toegekend” vervangen door de woorden “ze espectievelijk zijn toegekend of ontvangen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “of baten” ngevoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden werd aangemerkt”.
Art. 58 (vroeger art. 45) In artikel 413/1, § 1, tweede lid, tweede streepje, van etzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 de- ember 2016, worden de woorden “de overeenkomstig rtikelen 215, 216 en 218 berekende belastingen” ver- angen door de woorden “de overeenkomstig artike- en 215 tot 218 berekende belastingen”, worden de woor- en “de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inkomsten” ervangen door de woorden “de in het eerste lid, 1°,1°/1, °, 3° en 6°, bedoelde inkomsten” en worden de woorden het geheel van de in de artikelen 215 en 216 bedoelde nkomsten” vervangen door de woorden “het resultaat a toepassing van artikel 207/2”.
Art. 59 (nieuw) In artikel 537, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, in- evoegd bij de programmawet van 28 juni 2013, in de ranse tekst, worden de woorden “un frais professionnel” ervangen door de woorden “des frais professionnels”.
Art. 60 (nieuw) Artikel 25 heeft uitwerking met ingang van januari 2021. De artikelen 26, 32, 45, 47, 1° en 3°, 48 tot 50 zijn an toepassing op de vanaf 1 januari 2021 betaalde of oegekende inkomsten tijdens een belastbaar tijdperk at ten vroegste verbonden is met het aanslagjaar 2022. De artikelen 27 en 35 treden in werking op januari 2022.
Artikel 28 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. De artikelen 29 tot 31 zijn van toepassing vanaf aan- lagjaar 2022. De artikelen 33 en 37 hebben uitwerking met ingang an 1 september 2021. De artikelen 34 en 38 treden in werking op 31 decem- er 2021 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022.
Artikel 36, 1°, is van toepassing op giften gedaan anaf 1 januari 2022.
Artikel 36, 2°, heeft uitwerking met ingang van januari 2019.
Artikel 46 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 erbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste anvangt op 1 januari 2020.
Artikel 47, 2° heeft uitwerking met ingang van januari 2021.
Artikel 51 treedt in werking op 1 januari 2022.
Artikel 52 is van toepassing op dividenden toegekend f betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 56 treedt in werking op 1 januari 2022 en is an toepassing op de bezoldigingen die vanaf die datum orden betaald of toegekend.
Artikel 57 is van toepassing op de kapitaalsubsidies ie worden ontvangen vanaf 1 januari 2021.
HOOFDSTUK 6
(NIEUW) Europese langetermijn- beleggingsinstellingen Art. 61 (nieuw) Artikel 2, § 1, 5°, van Wetboek van de inkomsten- elastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 maart 2019, wordt aangevuld met een bepaling onder ), luidende: “i) Europese langetermijnbeleggingsinstelling: elke lternatieve instelling voor collectieve belegging die de orm heeft van een vennootschap naar Belgisch recht et rechtspersoonlijkheid en die vóór de aanvang van aar werkzaamheden door de FSMA is erkend overeen- omstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees arlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende uropese langetermijnbeleggingsinstellingen.”.
Art. 62 (nieuw) In artikel 46, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ngevoegd bij de wet van 21 december 1994 en laat- telijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden e woorden “of een gereglementeerde vastgoed- ennootschap” vervangen door de woorden “, een ereglementeerde vastgoedvennootschap of een uropese langetermijnbeleggingsinstelling”.
Art. 63 (nieuw) In artikel 47, § 7, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de programmawet van 3 augustus 2016, worden de oorden “of een gereglementeerde vastgoedvennoot- chap” vervangen door de woorden “, een geregle- enteerde vastgoedvennootschap of een Europese angetermijnbeleggingsinstelling”.
Art. 64 (nieuw) In artikel 185bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- oegd bij de wet van 27 december 2006 en laatstelijk ewijzigd bij de wet van 28 april 2019, worden de woor- en “de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen” ngevoegd tussen de woorden “de beleggingsvennoot- chappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 n 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de lternatieve instellingen voor collectieve belegging en un beheerders,” en de woorden “de gereglementeerde astgoedvennootschappen”.
Art. 65 (nieuw) In artikel 203, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin: “De bovenvermelde drempel van 90 pct. is niet van oepassing op dividenden die worden uitgekeerd door uropese langetermijnbeleggingsinstellingen.”; 2° in het zesde lid wordt de inleidende zin vervangen ls volgt: “Paragraaf 1, eerste lid, 2°, voor wat betreft de door een uropese langetermijnbeleggingsinstelling verleende of oegekende inkomsten, en 2°bis, is niet van toepassing p het deel van de verleende of toegekende inkomsten at voorkomt uit inkomsten van onroerende goederen:”.
Art. 66 (nieuw) In artikel 205octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 22 juni 2005 en laatstelijk gewijzigd bij e wet van 25 december 2017, worden de woorden “de uropese langetermijnbeleggingsinstellingen,” ingevoegd ussen de woorden “de beleggingsvennootschappen et vast kapitaal (BEVAK) bedoeld in de artikelen 195 n 288 van de genoemde wet,” en de woorden “en de ereglementeerde vastgoedvennootschappen;”.
Art. 67 (nieuw) n artikel 211, § 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 3 augus- us 2016, worden de woorden “of een gereglementeerde astgoedvennootschap” vervangen door de woorden “, ereglementeerde vastgoedvennootschap of Europese angetermijnbeleggingsinstelling”.
Art. 68 (nieuw) In artikel 215, derde lid, 6°, van hetzelfde Wetboek, ngevoegd bij de wet van 27 december 2006 en laatste- ijk gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden e woorden “de Europese langetermijnbeleggingsin- tellingen,” ingevoegd tussen de woorden “de beleg- ingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 181 n 282 van de wet van 19 april 2014 betreffende de lternatieve instellingen voor collectieve belegging en un beheerders,” en de woorden “de gereglementeerde astgoedvennootschappen,”.
Art. 69 (nieuw) In artikel 231, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, aatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 3 augus- us 2016, worden de woorden “, een gereglementeerde astgoedvennootschap” vervangen door de woorden “, ereglementeerde vastgoedvennootschap of Europese angetermijnbeleggingsinstelling”.
Art. 70 (nieuw) In titel VI, hoofdstuk I, afdeling 3, onderafdeling 2, an hetzelfde Wetboek, wordt een nieuw artikel 264/2 ngevoegd, luidende: “Art. 264/2. § 1. De roerende voorheffing is niet ver- chuldigd op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde ividenden waarvan de schuldenaar een Europese lan- etermijnbeleggingsinstelling is en waarvan de verkrijger en vennootschap is die gevestigd is in een andere lid- taat van de Europese Economische Ruimte dan België f in een Staat waarmee België een overeenkomst ter oorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op oorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander ver- rag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig ijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de ationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten. Dit artikel is evenwel slechts van toepassing voor over de inkomsten afkomstig zijn van dividenden die elf voldoen aan de voorwaarden voor aftrek bedoeld in rtikel 203, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, of van meerwaarden p aandelen of rechten van deelneming die op grond van rtikel 192, § 1, voor vrijstelling in aanmerking komen. it artikel is slechts van toepassing in de mate dat de oerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het eval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou be- taan, niet zou kunnen worden verrekend noch worden erugbetaald in hoofde van de verkrijger. Dit artikel is slechts van toepassing indien de verkrijger en vennootschap is die is onderworpen aan de ven- ootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting ls de vennootschapsbelasting zonder te genieten van en belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht. § 2. De vrijstelling wordt slechts toegestaan indien de chuldenaar van de dividenden in het bezit is van een ttest dat bevestigt: 1° dat de verkrijger onderworpen is aan de vennoot- chapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als e vennootschapsbelasting zonder te genieten van een elastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht; 2° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, e roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in et geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou estaan, in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar s op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 1 december van het jaar voorafgaand aan de toeken- ing of betaalbaarstelling van het in paragraaf 1, eerste id, bedoelde dividend; 3° wat de volledige naam, de rechtsvorm, het adres n in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer an de verkrijgende vennootschap is.”.
HOOFDSTUK 7
(NIEUW) Wijzigingen van de wet van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Art. 71 (nieuw) In het opschrift van boek I/1 van deel III van de wet an 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen oor collectieve belegging en hun beheerders, ingevoegd ij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “naar elgisch recht” opgeheven.
Art. 72 (nieuw) In artikel 280/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de et van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen angebracht: 1° de woorden “naar Belgisch recht” worden pgeheven; 2° het artikel wordt aangevuld met de volgende zin: “De ELTIF’s zijn niet onderworpen aan de bepalingen an boek I van dit deel.”.
Art. 73 (nieuw) In artikel 280/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de et van 27 juni 2021, worden de woorden “Een ELTIF” elkens vervangen door de woorden “Een ELTIF naar elgisch recht”.
Art. 74 (nieuw) In Boek I/1 van deel III van dezelfde wet, wordt een rtikel 280/3 ingevoegd, luidende: “Art. 280/3. De Koning kan bij een op advies van de SMA genomen besluit bepalen volgens welke regels de LTIF’s naar Belgisch recht hun boekhouding voeren, in oorkomend geval, per compartiment, inventarisramingen errichten en hun jaarrekening opstellen en openbaar aken. Hij kan afwijken van de artikelen 3:2, 3:3, 3:9 n 3:17 van het Wetboek van vennootschappen en ver- nigingen, alsook de regels genomen met toepassing an boek III van het Wetboek van Economisch recht en, nder de voorwaarden van artikel 3:37, eerste lid, van et Wetboek van vennootschappen en verenigingen, e regels genomen met toepassing van artikel 3:1 van et Wetboek van vennootschappen en verenigingen anpassen, wijzigen en aanvullen. Hij kan tevens de epalingen van artikel 339 geheel of gedeeltelijk van oepassing verklaren op de ELTIF’s naar Belgisch recht.”.
HOOFDSTUK 8
(NIEUW) Giften en rampen in de vennootschapsbelasting in 2021 Art. 75 (nieuw) In afwijking van artikel 200 van het Wetboek van de nkomstenbelastingen 1992, wordt het maximum van 00 000 EUR verhoogd tot 2 500 000 EUR voor zover et verschil van deze twee bedragen exclusief samen- esteld is uit giften gedaan in de loop van het jaar 2021 an een rampenfonds zoals voorzien in artikel 14533, 1, eerste lid, 1°, g, van hetzelfde Wetboek of aan hun dministratieve organen voor hun fondsenwerving. Het in het eerste lid bedoelde aanvullend bedrag van 000 000 EUR is één keer van toepassing ongeacht et aantal belastbare tijdperken verbonden aan het alenderjaar 2021.
Art. 76 (nieuw) Artikel 75 is van toepassing op de belastbare tijdperken ie verbonden zijn aan het jaar 2021.
HOOFDSTUK 9
(VROEGER HOOFDSTUK 6) Wijziging van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Art. 77 (vroeger art. 47) In artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 betreffende e werknemersparticipatie in het kapitaal van de ven- ootschappen en tot instelling van een winstpremie oor de werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet an 27 juni 2021, worden de woorden “In afwijking van e artikelen 183 tot 207/9 van het Wetboek van de inkom- tenbelastingen 1992,” vervangen door de woorden “In fwijking van de artikelen 183 tot 207/2 van het Wetboek an de inkomstenbelastingen 1992,”.
Art. 78 (vroeger art. 48) Dit hoofdstuk is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022.
HOOFDSTUK 10
(VROEGER HOOFDSTUK 7) Wijzigingen van de programmawet van 2 augustus 2002 Art. 79 (vroeger art. 49) Artikel 116 van de programmawet van 2 augus- us 2002 wordt aangevuld met twee leden, luidende: “Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling vereenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 92bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing edurende de periode waarin de winst uit de zeescheep- aart wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het ventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet oor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde an het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 decem- er 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar ijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het erst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan pnieuw worden verrekend na het verstrijken van de eriode waarin de winst zo wordt bepaald. De overdracht van het niet verrekende belasting- rediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in rtikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat etrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op et tijdperk bedoeld in het vorige lid en wordt hervat na et verstrijken van de periode waarin de winst op basis an tonnage wordt bepaald.”.
Art. 80 (vroeger art. 50) Artikel 124, § 1, van dezelfde programmawet, wordt angevuld met twee leden, luidende: “Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling vereenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 92bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing edurende de periode waarin de winst uit het beheer van eeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld p basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend eel van het belastingkrediet voor onderzoek en ont- ikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar ijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of at voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de inst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op asis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend a het verstrijken van de periode waarin de winst zo ordt bepaald. De overdracht van het niet verrekende belasting- rediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in rtikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat etrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op et tijdperk bedoeld in het vorige lid en wordt hervat na et verstrijken van de periode waarin de winst uit het eheer van zeeschepen voor rekening van derden op asis van tonnage wordt bepaald.”.
Art. 81 (vroeger art. 51) De artikelen 79 en 80 zijn van toepassing vanaf het anslagjaar 2022 verbonden aan een belastbaar tijdperk at ten vroegste aanvangt op 1 januari 2021.
HOOFDSTUK 11
(NIEUW) Wijziging van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie Art. 82 (nieuw) In artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 mei 2020 oudende diverse dringende fiscale bepalingen ten evolge van de COVID-19-pandemie, ingevoegd bij de et van 20 december 2020, in de Franse tekst, worden e woorden “frais professionnel déductible” vervangen oor de woorden “des frais professionnels déductibles”.
HOOFDSTUK 12
(NIEUW) Wijziging van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) Art. 83 (nieuw) In artikel 8, van de wet van 15 juli 2020 houdende iverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de OVID-19-pandemie (CORONA III), in de Franse tekst, orden de woorden “un frais professionnel” vervangen oor de woorden “des frais professionnels”.
HOOFDSTUK 13
(NIEUW) Wijzigingen van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Art. 84 (nieuw) In artikel 5 van de wet van 20 december 2020 hou- ende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge an de COVID-19-pandemie worden de volgende wijzi- ingen aangebracht: a) in het eerste lid wordt een bepaling onder 2°/1 ngevoegd, luidende: “2°/1 de in artikel 38/1, § 3, 3°, van het voormelde etboek bedoelde geldigheidsduur van de sport- en ultuurcheques die op 30 september 2021 verlopen, ordt verlengd tot 30 september 2022;”; b) tussen het tweede en het derde lid, wordt een lid ngevoegd, luidende: “De geldigheidsduur van de sport- en cultuurcheques ie verlopen op 30 september 2020 die tot 30 sep- ember 2021 is verlengd, wordt nogmaals verlengd tot 0 september 2022.”.Art. 85 (nieuw) In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 juni 2021, wordt tussen het eerste en tweede lid, een id ingevoegd, luidende: “In afwijking van het eerste lid, heeft artikel 5, eer- te lid, 2°/1 en derde lid, uitwerking met ingang van 0 september 2021.”.
HOOFDSTUK 14
(NIEUW) Wijziging van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Art. 86 (nieuw) In artikel 64 van de wet van 18 juli 2021 houdende ijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van e COVID-19-pandemie worden de woorden “artikel 64” ervangen door de woorden “artikel 63”.
Art. 87 (nieuw) Artikel 86 heeft uitwerking met ingang van augustus 2021.
HOOFDSTUK 15
(VROEGER HOOFDSTUK 8) Bekrachtiging van koninklijke besluiten Art. 88 (vroeger art. 52) Worden bekrachtigd met ingang van hun respectieve atum van inwerkingtreding: 1° het koninklijk besluit van 20 juni 2021 tot wijziging an de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de ettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid; 2° het koninklijk besluit van 24 juli 2021 tot wijziging an de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de ezoldigingen voor studentenarbeid; 3° het koninklijk besluit van 29 september 2021 tot ijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk an de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid
TITEL
3 Wijzigingen van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen Art. 89 (vroeger art. 53) In artikel 11, derde lid van het Wetboek diverse rechten n taksen, gewijzigd bij de wet van 20 september 2018, orden de woorden “artikelen 3 tot 7, 8, 1°, 9 en 10” ver- angen door de woorden “artikelen 3 tot 7, 8, 1°, en 10”.
Art. 90 (vroeger art. 54) In artikel 21 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende ijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 4° worden de woorden “arti- el 46, § 2” vervangen door de woorden “artikel 46, § 3”; b) de bepaling onder 13°, wordt vernummerd tot 14° n vervangen als volgt: “14° een authentieke volmacht die uitsluitend bestemd s om een of meer partijen te laten vertegenwoordigen bij et verlijden van een authentieke akte, op voorwaarde at de instrumenterende ambtenaar voor het verlijden an de volmacht geen ereloon, vacaties of kosten vraagt n voor zover de volmacht uitsluitend effect sorteert innen de zes maanden na de ondertekening ervan.”.
Art. 91 (nieuw) Artikel 90, b), treedt in werking op 10 januari 2022
TITEL
4 Wijzigingen van het Wetboek der successierechten Art. 92 (vroeger art. 55) Artikel 1031 van het Wetboek der successierechten, ervangen bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, ordt aangevuld met een lid, luidende: “De Koning kan bepalen dat de inlichtingen op elek- ronische wijze moeten worden toegezonden en de adere regels daarvan bepalen.”
TITEL
5 Registratie-, hypotheek- en griffierechten Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten Art. 93 (vroeger art. 56) Artikel 5bis van het Wetboek der registratie-, hypo- heek- en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 21 de- ember 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 fe- ruari 2021, wordt vervangen als volgt: “Art. 5bis. Een akte die wordt aangeboden ter registratie n ter hypothecaire overschrijving, wordt tezelfdertijd tot e beide formaliteiten aangeboden, behalve indien de ermijnen voor de aanbieding ervan verschillen. Bij gelijktijdige aanbieding tot de formaliteiten, wordt de egistratie van de akte geweigerd zolang op dit kantoor e overschrijving wordt geweigerd. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een kte die enkel de niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt an de woning van een zelfstandige bedoeld in de wet an 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).”.
Art. 94 (vroeger art. 57) In artikel 32 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd ij de wet van 3 december 2020, worden de volgende ijzigingen aangebracht: a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt: “De termijnen voor de aanbieding ter registratie van erplicht te registreren akten zijn:”; b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° voor akten van notarissen, vijftien dagen; De termijn is evenwel: a) twee maanden, voor de in het kader van een open- are verkoop van een onroerende goed opgemaakte rocessen-verbaal van: i. het ontbreken van hoger bod; ii. definitieve toewijs; iii. het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht; iv. het vaststellen van het bekomen van een financiering; b) vier maanden, te rekenen van het overlijden van e erflaters of schenkers voor: i. de testamenten; ii. de schenkingen van toekomstige goederen gedaan ussen echtgenoten gedurende het huwelijk andere dan ij huwelijkscontract; iii. de akten van herroeping van de onder i en ii be- oelde akten; iv. de verklaringen betreffende testamenten in de nternationale vorm; v. de akten van bewaargeving van een testament oor de erflater. Voor de akten die gelijktijdig worden aangeboden tot e formaliteiten van de registratie en van de hypothe- aire overschrijving die bij de aanbieding ter registratie innen de in het eerste lid gestelde termijn niet werden eregistreerd wegens de weigering van de overschrij- ing, bedraagt de termijn zeven dagen te rekenen van e datum van de kennisgeving aan de notaris van deze eigering. Deze termijn verstrijkt niet voor het einde an de termijn bepaald, naargelang het geval, in het erste lid of in het tweede lid, a)”; c) de bepaling onder 3°bis wordt vervangen als volgt: “3°bis voor akten van bestuursoverheden en ambte- aren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, emeenten en openbare instellingen die verplicht onder- orpen zijn aan de formaliteit van de registratie en aan ie van de hypothecaire overschrijving, vijftien dagen; De termijn is evenwel twee maanden voor de in het ader van een openbare verkoop van een onroerende oed opgemaakte processen-verbaal van: a) het ontbreken van hoger bod; b) definitieve toewijs; c) het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht; d) het vaststellen van het bekomen van een financiering. Voor de akten die gelijktijdig worden aangeboden tot e formaliteiten van de registratie en van de hypothe- aire overschrijving, die bij de aanbieding ter registratie innen de in het eerste lid gestelde termijn niet werden eregistreerd wegens de weigering van de overschrij- ing, bedraagt de termijn zeven dagen te rekenen van e datum van de kennisgeving van deze weigering aan e bestuursoverheden of ambtenaren van de Staat, efedereerde entiteiten, provincies, gemeenten en penbare instellingen. Deze termijn verstrijkt niet voor et einde van de termijn bepaald, naargelang het geval, n het eerste lid of in het tweede lid;”; d) in de bepaling onder 6° worden de woorden “agen- en van Staat, provinciën” vervangen door de woorden ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, rovincies”.
Art. 95 (vroeger art. 58) In artikel 35 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd ij de wet van 13 december 2020, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 5°, worden de woorden “agenten an Staat, provinciën” vervangen door de woorden ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, rovincies”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Wanneer de schuldenaar van de rechten en, in voor- omend geval, van de boeten geen gekende woonplaats n België of in het buitenland heeft, wordt het bericht an de procureur des Konings te Brussel verzonden.” Art. 96 (vroeger art. 59) In artikel 36 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de et van 19 juni 1986, worden de woorden “tweede lid, vervangen door de woorden “tweede lid, b)”.
Art. 97 (vroeger art. 60) In artikel 37 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd ij de wet van 19 juni 1986, worden de woorden “2de linea” vervangen door de woorden “tweede lid, b)”.
Art. 98 (vroeger art. 61) In artikel 39 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- igd bij de wet van 7 februari 2021, worden de volgende a) de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt: “1° de akten van notarissen en gerechtsdeurwaarders, p het kantoor bevoegd voor hun standplaats; Op het kantoor bevoegd voor de ligging van het eerste rin vermelde onroerende goed wordt evenwel geregis- reerd een akte die cumulatief: a) onder de toepassing valt van het koninklijk besluit an 14 maart 2014 houdende regeling van de aanbieding an akten van bepaalde instrumenterende ambtena- en tot de registratieformaliteit en tot de hypothecaire penbaarmaking; b) onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn uiten het ambtsgebied van het kantoor bevoegd voor e standplaats; c) gelijktijdig ter overschrijving wordt aangeboden. Het tweede lid is niet van toepassing op een akte ie enkel de van niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt an de woning van een zelfstandige bedoeld in de Wet an 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV);”; b) de bepaling onder 4°, wordt vervangen als volgt: “4° De akten van bestuursoverheden en ambtena- en van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, emeenten en openbare instellingen, op het kantoor evoegd voor hun zetel of standplaats; b) onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn uiten het ambtsgebied van het kantoor bevoegd voor e zetel of de standplaats; c) gelijktijdig ter overschrijving wordt aangeboden;”.
Art. 99 (vroeger art. 62) Artikel 140octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij e wet van 22 december 1998, wordt vervangen als volgt: “Art. 140octies. Indien artikel 140quinquies van toe- assing is worden het recht verschuldigd bij toepassing an de artikelen 131 tot 140 en de interesten vereffend p een verklaring die ter registratie wordt aangeboden p het kantoor waar het verlaagd recht werd vastgesteld, innen de eerste vier maanden na het verstrijken van et jaar tijdens hetwelk de oorzaak van de opeisbaarheid an het recht zich heeft voorgedaan en dit op straffe van en boete gelijk aan dit recht. Indien artikel 140sexies van toepassing is, biedt e opvolger die het verlaagd recht heeft genoten op et voormelde kantoor een verklaring ter registratie an waarin de samenstelling en de waarde van de oederen waarvoor hij het overeenkomstig de artike- en 131 tot 140 verschuldigde recht wenst te betalen ordt aangegeven. Deze verklaring wordt in dubbel gesteld en door e opvolger die het verlaagd recht heeft genoten on- ertekend; één exemplaar ervan blijft berusten op het oormelde kantoor. Ze vermeldt de akte, de oorzaak van e opeisbaarheid van het verschuldigde recht en al de oor de vereffening van het recht vereiste gegevens.”.
Art. 100 (vroeger art. 63) Artikel 159, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt pgeheven.
Art. 101 (vroeger art. 64) In artikel 161, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- ijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende ijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1°, worden de woorden “Staat, olonie en openbare Staatsinstellingen met uitzondering an de akten verleden in naam of ten gunste van de lgemene Spaar- en Lijfrentekas voor de verrichtingen an de Spaarkas” vervangen door de woorden “de taat, gefedereerde entiteiten en de openbare instel- ingen ervan”; b) de bepaling onder 14°, wordt vervangen als volgt: “14° een authentieke volmacht die uitsluitend bestemd s om een of meer partijen te laten vertegenwoordigen bij et verlijden van een authentieke akte, op voorwaarde at de instrumenterende ambtenaar voor het verlijden an de volmacht geen ereloon, vacaties of kosten vraagt n voor zover de volmacht uitsluitend effect sorteert innen de zes maanden na de ondertekening ervan.”.
Art. 102 (vroeger art. 65) In artikel 162 van hetzelfde Wetboek, worden de olgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 4°, gewijzigd bij de wet an 23 december 1958, worden de woorden “Staat, olonie, provinciën,” vervangen door de woorden “de taat, gefedereerde entiteiten, provincies”; b) in de bepaling onder 29°, vervangen bij de wet an 23 december 1958 en gewijzigd bij het koninklijk be- luit nr. 3 van 24 december 1980 en bij de wet van 22 de- ember 1989, worden de woorden “aan de Lijfrentekas, de erzekeringskas en de Rentekas voor arbeidsongevallen an de Algemene Spaar- en Lijfrentekas,” opgeheven.
Art. 103 (vroeger art. 66) In artikel 265, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden de oorden “genomen om de invordering te waarborgen an aan den Staat, aan de Kolonie, aan provinciën, aan emeenten, aan polders en wateringen verschuldigde elastingen” vervangen door de woorden “tot zekerheid an de invordering van belastingen, verschuldigd aan de taat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten, olders en wateringen”.
Art. 104 (nieuw) Artikel 280 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld et een bepaling onder 10°, luidende: “10° uitgiften, kopieën of uittreksels van een proces- erbaal van minnelijke schikking bedoeld in artikel 733 van et Gerechtelijk Wetboek en dat plaats heeft gevonden: a) bij gelegenheid van verrichtingen binnen het kader an de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van ekere schade veroorzaakt aan private goederen door atuurrampen of van de overeenkomstige gewestelijke epalingen; b) naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen ie als een openbare of landbouwramp worden erkend n waarin het herstel of de schadeloosstelling wordt eregeld door bijzondere wetten of door internationale vereenkomsten.”.
Art. 105 (nieuw) Artikel 101, b), treedt in werking op 10 januari 2022.
Artikel 104 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2021. Wijzigingen van koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken Art. 106 (vroeger art. 67) In artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 janu- ri 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek er registratie-, hypotheek- en griffierechten en het ouden van de registers in de griffies van de hoven en echtbanken wordt in het eerste lid het woord “vijftien” ervangen door het woord “dertig”.
Art. 107 (vroeger art. 68) Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: “Art. 6. De rolrechten die niet tijdig worden betaald, lsook de administratieve boete wegens laattijdige etaling, worden opgenomen in een innings- en invor- eringsregister, opgemaakt en uitvoerbaar verklaard en er kennis gebracht van de schuldenaar overeenkomstig rtikel 3, §§ 2 tot 4, van de domaniale wet van 22 de- ember 1949. Voor de toepassing van artikel 3, § 2, van ie wet, wordt het verschuldigde rolrecht geacht niet het oorwerp uit te maken van een in kracht van gewijsde egane rechterlijke beslissing houdende veroordeling ot de betaling ervan.
Artikel 4 van de domaniale wet van 22 decem- er 1949 is van toepassing op de invordering van de dministratieve boete wegens laattijdige betaling.” TITEL 6 Fiscale procedure en invordering Verbetering in de diverse fiscale wetboeken en wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van inkomende berichten onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën Art. 108 (vroeger art. 69) In artikel 339/1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van e inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het arti- el 31 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de ematerialisatie van de relaties tussen de Federale verheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen n bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale etboeken en wetten worden de volgende wijzigingen angebracht: 1° de woorden “op het beveiligd elektronisch platform edoeld in artikel 304ter, tweede lid,” worden opgeheven; 2° de woorden “voor de administratie” worden ver- angen door de woorden “door de administratie”.
Art. 109 (vroeger art. 70) In artikel 53octies, § 2, eerste lid, van het Wetboek an de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd ij het artikel 48 van dezelfde wet, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het in artikel 69bis, tweede lid, edoelde beveiligd elektronisch platform” worden pgeheven;
Art. 110 (vroeger art. 71) In artikel 289septies, § 1, eerste lid, van het Wetboek er registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd ij het artikel 84 van dezelfde wet, worden de volgende ijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het in artikel 289octies, twee- e lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden pgeheven; 2° in de Nederlandse tekst, de woorden “voor de ad- inistratie” worden vervangen door de woorden “door e administratie”.Art. 111 (vroeger art. 72) In artikel 162ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek der uccessierechten, hersteld bij het artikel 119 van dezelfde et, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het in artikel 162quater, twee- e lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden pgeheven;
Art. 112 (vroeger art. 73) In artikel 211quater, § 1, eerste lid, van het Wetboek iverse rechten en taksen, ingevoegd bij het arti- el 145 van dezelfde wet, worden de volgende wijzi- ingen aangebracht: 1° de woorden “op het in artikel 211quinquies, twee- e lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden pgeheven;
Art. 113 (vroeger art. 74) In artikel 81, § 1, eerste lid, van het Wetboek van e minnelijke en gedwongen invordering van fiscale n niet-fiscale schuldvorderingen, vervangen bij het rtikel 173 van dezelfde wet, worden de volgende wij- igingen aangebracht: 1° de woorden “op het beveiligd elektronisch platform edoeld in artikel 97, tweede lid,” worden opgeheven;
Art. 114 (vroeger art. 75) In artikel 22/2, § 1, eerste lid, van de wet van 21 febru- ri 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatie- orderingen bij de Federale Overheidsdienst Financiën, ersteld bij het artikel 201 van dezelfde wet, worden de olgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het beveiligd elektronisch platform edoeld in artikel 20, tweede lid,” worden opgeheven;
Art. 115 (vroeger art. 76) In artikel 17/1, § 2, eerste lid, van de algemene wet nzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, ingevoegd ij het artikel 206 van dezelfde wet, worden de woorden op het beveiligd elektronisch platform,” opgeheven.
Art. 116 (vroeger art. 77) In artikel 213, § 1, eerste lid, van de wet van 26 ja- uari 2021 betreffende de dematerialisatie van de re- aties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, e burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en ot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, orden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het artikel 207, tweede lid, bedoelde eveiligd elektronisch platform,” worden opgeheven; 2° in de Franse tekst, worden de woorden “pour le ervice public fédéral Finances” vervangen door de oorden “par le Service public fédéral Finances”; 3° de woorden “voor de Federale Overheidsdienst inanciën” ingevoegd tussen de woorden “gerepro- uceerd, geregistreerd, en bewaard” en de woorden volgens een informatica- of telegeleidingstechniek”. odaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen Art. 117 (vroeger art. 78) In titel VII, hoofdstuk I, van het Wetboek van de in- omstenbelastingen 1992 wordt een artikel 304/1 inge- oegd, luidende: “Art. 304/1. § 1. Onverminderd de toepassing van ar- ikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, ebeurt de terugbetaling van de in toepassing van de epalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan enomen besluiten terug te geven bedragen rekening oudend met de voor dit doel aan de administratie eegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de erugbetaling mogelijk maken, of, voor de natuurlijke ersonen en bij gebrek aan dergelijke bankgegevens, er postassignatie of internationaal mandaat. § 2. Wanneer het terug te betalen bedrag aan een atuurlijke persoon minder bedraagt dan 50 euro en oor zover aan de administratie voor dit doel geen bank- egevens werden meegedeeld die de uitvoering van e terugbetaling mogelijk maken, of voor zover aan de dministratie niet kenbaar werd gemaakt dat de belas- ingplichtige over geen enkele bankrekening beschikt, ordt de terugbetaling, in afwijking van paragraaf 1, tot et einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop aarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, verricht oor aanwending overeenkomstig het artikel 334 van de rogrammawet van 27 december 2004. Wanneer bij het verstrijken van het einde van het erde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht p terugbetaling is ontstaan, aan de administratie voor it doel geen bankgegevens werden meegedeeld die e uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken of an deze niet kenbaar werd gemaakt dat de belasting- lichtige over geen enkele bankrekening beschikt en dat et terug te betalen bedrag, geheel of gedeeltelijk, niet on worden terugbetaald overeenkomstig het eerste lid, ordt het terug te betalen bedrag of het saldo ervan, in fwijking van artikel 304, niet terugbetaald.”.
Art. 118 (vroeger art. 79) Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022. Wijziging van artikel 322, § 1, derde lid, van het Wetboek Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register Art. 119 (vroeger art. 80) In artikel 322, § 1, derde lid, van het Wetboek van de nkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de et van 11 februari 2019, wordt de zin “Het recht om et UBO-register te consulteren mag slechts worden itgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel an die van attaché.” opgeheven. Wijziging van de artikelen 301 en 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering Art. 120 (vroeger art. 81) Artikel 301 van het Wetboek van de inkomstenbe- astingen 1992, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 0 december 1996 en bij de wet van 25 april 2014, wordt ervangen als volgt: “Art. 301. Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, ermelde belastingplichtigen wordt de belasting van iet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, § 2, °, g en i, vermelde meerwaarden die geen betrekking ebben op in artikel 44, § 2, vermelde ongebouwde nroerende goederen, berekend tegen de tarieven en olgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°, b en 4°, en e, door het bevoegde kantoor van de Algemene dministratie van de Patrimoniumdocumentatie, en geïnd oor de bevoegde dienst van de Algemene Administratie an de Inning en de Invordering, bij de registratie van e overdracht onder bezwarende titel van onroerende oederen of zakelijke rechten met betrekking tot deze oederen, ter gelegenheid waarvan de meerwaarden edoeld in artikel 228, § 2, 9°, g en i worden gereali- eerd, of bij de registratie van een verklaring waarbij eze overdracht wordt vastgesteld. Wanneer blijkt dat de belasting niet-inwoners bedoeld n het eerste lid, geheel of gedeeltelijk, niet werd geïnd vereenkomstig het eerste lid, wordt de belasting ge- estigd door de bevoegde dienst van de administratie elast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, n geïnd en ingevorderd door de bevoegde diensten an de Algemene Administratie van de Inning en de nvordering. De Koning regelt de uitvoering van dit artikel.”.
Art. 121 (vroeger art. 82) In artikel 412bis van hetzelfde Wetboek, vervangen ij de wet van 23 april 2020, worden de volgende wijzi- ingen aangebracht: a) in paragraaf 1, tweede lid, worden in de Franse ekst de woorden “visées par l’article 270, alinéa 1er, °” vervangen door de woorden “visées à l’article 270, linéa 1er, 5°” en worden de woorden “het in artikel 39 van et Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierech- en vermelde kantoor” vervangen door de woorden “de evoegde dienst van de Algemene Administratie van e Inning en de Invordering”; b) in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “de ntvanger” vervangen door de woorden “het kantoor”; c) in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden “De ntvanger” vervangen door de woorden “Het kantoor elast met de registratie”; d) in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “Na ntvangst van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing zal e ontvanger van de registratie” vervangen door de oorden “Na de bevestiging te hebben ontvangen dat e verschuldigde bedrijfsvoorheffing werd geïnd door e bevoegde dienst van de Algemene Administratie an de Inning en de Invordering, zal het kantoor belast et de registratie”; e) in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden De ontvanger van de registratie” vervangen door de oorden “Het kantoor belast met de registratie”.
Art. 122 (vroeger art. 83) Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2022.
HOOFDSTUK 5
(NIEUW) Technische correctie die moet worden aangebracht in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 123 (nieuw) In het artikel 53octies van het Wetboek van de be- asting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de et van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de et van 2 april 2021, worden de volgende wijzigingen angebracht: 1° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd, luidende: “§ 1bis. De Koning kan onder de door Hem vast te tellen voorwaarden toestaan en zelfs verplichten dat e in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en 53ter edoelde aangiften worden ingediend en dat de in de rtikelen 53quinquies tot 53octies, § 1, bedoelde gege- ens worden medegedeeld door middel van procedures aarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden angewend.”; 2° in paragraaf 3, worden de woorden “53octies, § 2” ervangen door de woorden “53octies, § 1bis”.
Art. 124 (nieuw) Artikel 123 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021. Vermindering van de administratieve lasten inzake de fiscale fiches 281.50 Art. 125 (nieuw) Artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastin- en 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, ordt aangevuld met drie leden, luidende: “Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing wanneer de r beoogde kosten verbonden zijn aan de leveringen van oederen of diensten verricht door een belastingplichtige evestigd op het grondgebied van de Gemeenschap n de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Wetboek van de elasting over de toegevoegde waarde of in Noorwegen, Jsland of Liechtenstein, waarvoor overeenkomstig het etboek van de belasting over de toegevoegde waarde, e Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 novem- er 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van elasting over de toegevoegde waarde of elke andere ettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de elastingplichtige, een factuur of een document in de laats ervan werd opgesteld. In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de Koning een rempel bepalen waaronder de er beoogde beroepskosten er jaar en per leverancier van goederen of dienstver- ichter niet moeten worden verantwoord door de opmaak an een individuele fiche en een samenvattende opgave. e drempel mag niet meer dan 1 000 euro bedragen. Elke gegevensverwerking die rechtstreeks of onrecht- treeks verbonden is met de naleving van de voorgaande eden is een verwerking noodzakelijk voor de vervulling an een taak van algemeen belang in de zin van artikel 6 an de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 etreffende de bescherming van natuurlijke personen n verband met de verwerking van persoonsgegevens n betreffende het vrije verkeer van die gegevens en ot intrekking van richtlijn 95/46/EG. Het doel van die egevensverwerking is verenigbaar met de doeleinden ie de fiscale bevoegdheden omschreven in dit Wetboek astreven. Dit Wetboek vormt de rechtsgrondslag in de in van artikel 6, lid 3, van de voornoemde Verordening oor de verwerking van de gegevens tijdens de uitoefe- ing van de erin omschreven fiscale bevoegdheden. De itoefening van die fiscale bevoegdheden vormt in het ader van gegevensverwerking een gewichtige reden an algemeen belang.”.
Art. 126 (nieuw) In artikel 178, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd ij de wet van 8 juni 2008, vervangen bij de wet van 2 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 18 de- ember 2016, wordt een bepaling onder 2°/1 ingevoegd, uidende: “2°/1 het in artikel 57, vierde lid, vermelde bedrag;”.
Art. 127 (nieuw) Artikel 125 is van toepassing op de vanaf 1 janu- ri 2021 toegekende commissielonen, makelaarslonen, andels- of andere restorno’s, toevallige of niet-toevallige acatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen f voordelen van alle aard. Wijziging van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk Art. 128 (nieuw) In artikel 72 van de wet van 24 december 2020 be- reffende het verenigingswerk worden de volgende 1° in het tweede lid worden de woorden “De artikelen 60 ot 64 zijn” vervangen door de woorden “In afwijking van et eerste lid, treden de artikelen 60 tot 66 in werking p 1 januari 2021 en zijn ze”; 2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde id wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 67 n 68 in werking op 1 januari 2021.”.
Art. 129 (nieuw) Artikel 128 treedt in werking op de dag van de be- endmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad
TITEL
7 (NIEUW) Kosteloze aflevering en uitvoering van bepaalde documenten en formaliteiten door de Federale Overheidsdienst Financiën in geval van een erkende ramp Art. 130 (nieuw) § 1. In afwijking van alle andere wettelijke of regle- entaire bepalingen worden de hypothecaire getuig- chriften, de eigendomstitels en alle andere inlichtingen, ittreksels of afschriften, kosteloos afgeleverd door de ederale Overheidsdienst Financiën bij gelegenheid an verrichtingen binnen het kader van de wet van 2 juli 1976 betreffende het herstel van schade veroor- aakt aan private goederen door natuurrampen of van e overeenkomstige gewestelijke bepalingen. Evenzo verricht de Federale Overheidsdienst Financiën osteloos de hypotheekformaliteiten die worden gevraagd n verband met verrichtingen die onder het toepas- ingsgebied van dezelfde wet of de overeenkomstige ewestelijke bepalingen vallen. § 2. De kosteloosheid bepaald in paragraaf 1 is ook an toepassing in de gevallen waarin de documenten f formaliteiten bedoeld in dezelfde paragraaf worden evraagd naar aanleiding van schadelijke gebeurtenis- en die als een openbare of landbouwramp worden rkend en waarin het herstel of de schadeloosstelling ordt georganiseerd door bijzondere wetten of door nternationale verdragen.
Art. 131 (nieuw) Artikel 130 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2021. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij