Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen Samenvatting 3 Memorie van toelichting 4 Voorontwerp 49 Impactanalyse. 84 ‘Advies van de Raad van Stale or Wetsontwerp 104 Coördinatie van de artikelen 195 ‘Advies van Gegevensbeschermingsautorieit 254

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2351 Wetsontwerp 📅 2021-12-06 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (13/01/2022)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Laaouej, Ahmed (PS)
Onderwerpen
BELASTINGADMINISTRATIE REGISTRATIERECHT FISCAAL RECHT HYPOTHEEK INKOMSTENBELASTING Vrije trefwoorden TERUGVORDERING

🗳️ Stemmingen

Betrokken partijen

LE

Volledige tekst

pocss 2351/001 houdende diverse fiscale bepalingen Samenvatting 3 Memorie van toelichting 4 Voorontwerp 49 Impactanalyse. 84 ‘Advies van de Raad van Stale or Wetsontwerp 104 Coördinatie van de artikelen 195 ‘Advies van Gegevensbeschermingsautorieit 254 DE URGENTIEVERKLARING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT. De regering heeft dit wetsontwerp op 6 december 2021 ingediend. De “goedkeuring tot drukken” werd op 6 december 2021 door de Kamer ontvangen. mio Groen A a a moos gave Kreng nen + ama B den El Veenen et nogal versan Elov Beta osag ed og, motie define mtegrat cam Verde en eeh Tver beknopt verdg van da Kona nar de jager) peen Be En Eomaairargacering oon hese at est van openen (eigeferig Pape) SAMENVATTING Dit wetsontwerp bevat diverse wijzigingsbepalingen betreffende de inkomstenbelastingen, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek der successierechten, de registratie-, hypotheek- en griffierechten en de fiscale procedure en invordering. bocss 2351/001 MEMORIE VAN TOELICHTING Dawes en Heren, ALGEMENE TOELICHTING TITEL 1 Algemene Bepaling Artikel 1 Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet, bepaalt dit artikel dat de wet een door artikel 74 van de Grondwet beoogde aangelegenheid regelt TITEL 2 Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen

HOOFDSTUK 1

Vervangingsinkomsten van meewerkende echtgenoten Art. 2 Echtgenote die hun partner helpen in zijn of haar éénmanszaak en geen “volwaardig” eigen sociaal statuut hebben op basis van een andere activiteit, vallen sinds 2003 op sociaalrechtelijk vlak onder het sociaal statuut van zelfstandigen binnen de aparte categorie van de meewerkende echtgenoten, het zogenaamde maxi-statuut (artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuur der zelfstandigen (KB 38)). Meewerkende echtgenoten onder het maxistatuut genieten doorgaans dezelfde sociale rechten als een zelfstandige in hoofdberoep. Zo kunnen meewerkende echtgenoten aanspraak maken op een uitkering bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of moederschap, een mantelzorgvergoeding, een uitkering in het kader van het corona-ouderschapsverlof voor zelfstandigen en het overbruggingsrecht. Ze bouwen ook eigen pensioenrechten op en kunnen een eigen aanvullend pensioen opbouwen (VAPZ en POZ) Het inkomen dat door een geholpen zelfstandige (doorgaans fictief) wordt toegekend aan zijn meewerkende echtgenoot onder het maxi-statuut wordt fiscaal als een bezoldiging van meewerkende echtgenoot gekwalificeerd (artikelen 30, 3° en 33, WIB 92) en vormt een aftrekbare beroepskost in hoofde van die geholpen zelfstandige (artikelen 52, 4° en 53, 12°, WIB 92). De omschrijving van bezoldigingen van meewerkende echtgenoten in artikel 33, WIB 92 focust op de toekenningen door de geholpen echtgenoot, zodat er geen wettelijke grondslag lijkt te bestaan om de uitkeringen die aan de meewerkende echtgenoot worden toegekend te belasten (cf. circulaire nr. 2020/C/94 over het belastingstelsel van de financiële uitkeringen in het kader van het crisis-overbruggingsrecht van 8 juli 2020, randnummer 6). De regering is van oordeel dat het bij de invoering van het stelsel van de bezoldigingen van meewerkende echtgenoten door de programmawet (I) van 24 december 2002 niet de bedoeling van de wetgever kan geweest zijn om de vervangingsinkomsten, die worden toegekend aan meewerkende echtgenoten onder het maxi-statuut, niet belastbaar te stellen. Het niet onderwerpen aan de inkomstenbelastingen van die vervangingsinkomsten is ook niet verenigbaar met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. De regering stelt dan ook voor om een expliciete wettelijke grondslag voor de belastbaarheid van die uitkeringen in te voegen in artikel 33, WIB 92. Naast de uitkeringen in het kader van het sociaal statuut, beoogt het ontworpen artikel 33, derde lid, WIB 92 ook vergoedingen die bijvoorbeeld door een verzekeraar in het kader van een aanvullende verzekering of door een schuldige derde na een ongeval aan de meewerkende echtgenoot worden betaald of toegekend omdat ze tijdelijk geen prestaties als meewerkende echtgenoot kan leveren. Wanneer de meewerkende echtgenoot gedurende een gedeelte van een belastbaar tijdperk geen prestaties heeft kunnen leveren als meewerkende echtgenoot omwille van arbeidsongeschiktheid, moederschapsrust, … ‘dan moet daarmee rekening gehouden worden om het bedrag te bepalen van de bezoldiging van meewerkende echtgenoot die door de geholpen echtgenoot wordt toegekend. De toekenning moet immers overeenstemmen met de normale bezoldiging voor de prestaties. Het is dus niet nodig om in de wet zelf te expliciteren dat met de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, … rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de toekenning aan de meewerkende echtgenoot. De vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen van een meewerkende echtgenoot zijn overeenkomstig artikel 204, 3°, b, KB/WIB 92 belastbaar op het moment van de betaling of toekenning ervan en worden: - niet in rekening gebracht voor de berekening van de forfaitaire beroepskosten (artikel 51, WIB 92); - voor de toepassing van de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten, naargelang het geval, beschouwd als wettelijke vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid of een ander vervangingsinkomen en niet als een activiteitsinkomen beschouwd; de vermeerdering wegens geen of onvoldoende voorafbetaling (cf. artikel 166, WIB 92); - niet als een activiteitsinkomen beschouwd voor de toepassing van het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten (artikel 289ter, WIB 92).

Art. 3 Artikel 171, 5°, b, WIB 92, wordt aangepast zodat “achterstallige” vergoedingen tot geheel of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen van meewerkende echtgenoten ook in aanmerking komen voor een belastingheffing tegen het gemiddelde tarief van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten heeft gehad Art. 4 De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022.

HOOFDSTUK 2

Belastingheffing op afzonderlijk belastbare inkomsten die bij verdrag zijn vrijgesteld Art.5 Rijksinwoners zijn in de personenbelasting belastbaar op hun wereldwijd inkomen. Ze moeten hun in het bui tenland verkregen inkomsten opnemen in hun aangifte in de personenbelasting, ook de inkomsten waarvoor de heffingsbevoegdheid op grond van een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting toegewezen is aan een andere Staat. In het laatste geval wordt dat inkomen vrijgesteld van belasting in België, maar het wordt wel in aanmerking genomen om het belastingtarief te bepalen. Ditis de zogenaamde “vrijstelling met progressievoorbehoud”, die in de berekening wordt geconcretiseerd door de vrijgestelde inkomsten in eerste instantie te beschouwen als een gewoon belastbaar inkomen en vervolgens in één van de laatste stappen van de berekening van de belasting Staat de belasting op die inkomsten tot nul terug te brengen via een belastingvermindering die gelijk is aan het pro rata deel van de belasting die op die inkomsten rust (artikel 5/2, $ 2, van de Bijzondere Financieringswet; artikel 155, eerste id, WIB 92). Dezelfde techniek wordt ook gebruikt voor inkomsten die vrijgesteld zijn krachtens andere internationale verdragen of akkoorden dan overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting (hierna “DBV”) met een clausule van progressievoorbehoud, voor beroepsinkomsten betaald of toegekend aan leden en voormalige leden van het Europees Parlement of hun rechthebbenden en die worden onderworpen aan de Europese Gemeenschapsbelasting en voor bezoldigingen betaald of toegekend door een buitenlandse of internationale gerecht of instantie met gerechtelijk karakter bedoeld in de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen(artikel 155, tweede lid, WIB 92) ‘Ook inkomsten die in beginsel belastbaar zijn tegen een afzonderlijk tarief worden in aanmerking genomen voor het progressievoorbehoud (ComlB'92 1713, parlementaire vraag nr. 215 dd. 27 mei 1991 van senator De Clippele, parlementaire vraag nr. 548 dd. 25 juni 2009 van de heer Luk van Biesen). Deze toepassing van artikel 155, WIB 92 werd ook gevolgd in de rechtspraak (arresten van het hof van beroep te Brussel dd. 8 mei 1992 en 10 februari 1994). Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft in twee arresten (dd. 22 oktober 2019 en 17 december 2019) echter geoordeeld dat inkomsten die, als ze niet waren vrijgesteld, in België aan een afzonderlijk tarief zouden worden belast, op basis van het Belgisch-Nederlands DBV echter moeten worden vrijgesteld zonder progressievoorbehoud. Overeenkomstig artikel 23, 5 1, van dat verdrag stelt België indien een inwoner van België inkomsten verkrijgt, andere dan dividenden, interest of royalty's die ingevolge de bepalingen van dat verdrag in Nederland zijn belast, deze inkomsten vrij van belasting en mag het om het bedrag van de belasting op het overige inkomen van die inwoner te berekenen het belastingtarief toepassen dat van toepassing zou zijn indien die inkomsten of die bestanddelen van het vermogen niet waren vrijgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht, artikel 23, $ 1, a), van het Belgisch-Nederlands DBV voorrang heeft op de bepalingen van het nationale recht en meer bepaald artikel 155, WIB 92, en dat er dus geen toepassing mag worden gemaakt van het progressievoorbehoud van artikel 155, WIB 92, in de mate dat deze maatregel verder gaat dan hetgeen gesteld wordt in het voormelde artikel 23, $ 1, a), van het Belgisch-Nederlands DBV en aan de voorwaarden van die laatste bepaling is voldaan. ‘Ook in met andere landen afgesloten DBV's wordt de vrijstelling onder progressievoorbehoud op dezelfde manier geformuleerd als in het Belgisch-Nederlands verdrag waardoor inkomsten uit die landen die, als ze niet waren vrijgesteld, in België aan een afzonderlijk tarief zouden worden belast, op basis van die verdragen dus ook zouden moeten worden vrijgesteld zonder progressievoorbehoud. In de DBV's afgesloten met Algerije, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Oostenrijk wordt het progressievoorbehoud op een andere manier geformuleerd en kunnen de voormelde inkomsten uit die landen verder in het progressievoorbehoud worden betrokken. Geen enkele van de voormelde verdragen verplicht België evenwel om een progressievoorbehoud toe te passen, noch om een eventueel progressievoorbehoud voor alle inkomsten op dezelfde manier toe te passen. Om te vermijden dat de berekening van de personenbelasting nog complexer zou worden, stelt de regering voor ‘om ook inkomsten uit die landen die, als ze niet waren worden belast, vrij te stellen zonder progressievoorbehoud. Hetzelfde geldt voor de in artikel 155, tweede lid, WIB 92 bedoelde inkomsten. De regering stelt voor om de vrijstelling zonder progressievoorbehoud van de betrokken inkomsten internrechtelijk te regelen door in artikel 171, WIB 92, te voorzien dat deze inkomsten belastbaar zijn tegen een tarief van 0 pct. De normale regels voor de toepassing van artikel 171, WIB 92, blijven gelden. Dit houdt in dat inkomsten die, indien ze niet waren vrijgesteld, gezamenlijk zouden worden belast omdat de volledige globalisatie voordeliger zou zijn, wel aan het progressievoorbehoud onderworpen blijven. Beroepsinkomsten die krachtens een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting in België vrijgesteld zijn van personenbelasting, kunnen overeenkomstig artikel 466bis, WIB 92, voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting worden behandeld als inkomsten die uit bronnen in België zouden zijn verkregen, voor zover de internationale overeenkomst dat toelaat. Voor de inkomsten waarvoor bij de berekening van de personenbelasting de in het ontworpen artikel 171, 8°, WIB 92, vermelde aanslagvoet van 0 pct. wordt toegepast, zal in geval van toepassing van artikel 466bis, WIB 92 voor de berekening van de gemeentelijke opcentiemen de belasting worden bepaald aan de hand van de aanslagvoet die van toepassing zou zijn als het inkomsten van een Belgische bron betrof. Dit is in lijn met de tekst en de doelstelling van artikel 466bis, WIB 92.

Artikel 155, WIB 92 kan niet worden toegepast op inkomsten van Belgische oorsprong en dus kan ook de in het ontworpen artikel 171, 8°, WIB 92, beoogde aanslagvoet van 0 pct. voor de toepassing van artikel 466bis, WIB 92 niet van toepassing zijn op de beroepsinkomsten die krachtens een internationale overeenkomst zijn vrijgesteld van personenbelasting. De bewoording van de wettekst is aangepast in overeenstemming met de opmerking onder randnummer 6 van het advies nr. 70.034/3 van de Raad van State van 15 oktober 2021.

Art. 6 De voorgestelde wijziging treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022.

HOOFDSTUK 3

Bevrijdende bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken Art.7 Elk jaar komen er ongeveer 45 000 buitenlandse seizoenarbeiders in de Belgische land- en tuinbouw werken. Hun inkomsten uit die seizoenarbeid zijn in België belastbaar in de belasting van niet-inwoners. Sinds eind maart 2021 moet op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw 18,725 pct. bedrijfsvoorheffing worden ingehouden (koninklijk besluit van 21 maart 2021 tot wijziging van de bijlage Ill van het KB/WIB 92 op het stuk van bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken, Belgisch Staatsblad 25 maart 2021) Die 18,725 pct. bedrijfsvoorheffing stemt in beginsel overeen met de belasting die op het inkomen verschul digd is, nl. 25 pct. belasting op de bezoldigingen na aftrek van 30 pct. forfaitaire beroepskosten, verhoogd met 7 opcentiemen ten voordele van de Staat of (25 pct. x 70 pct. x 107 pct. De bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van buitenlandse seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werd in de eerste plaats verhoogd om de voorheffing zo, nauw mogelijk te laten aansluiten op de verschuldigde belasting en zo invorderingsproblemen te vermijden. Nu de bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw in beginsel overeenstemt met de verschuldigde belasting, stelt de regering voor om die bedrijfsvoorheffing vanaf aanslagjaar 2022 bevrijdend te maken en zo te vermijden dat deze seizoenarbeiders, die per definitie slechts een beperkte periode in België werken en verblijven en vaak ook geen van de landstalen beheersen, alsnog een aangïfte in de belasting van niet-inwoners moeten indienen. Met bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw worden niet enkel de bezoldigingen bedoeld voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bís van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, maar ook de eindejaarspremie (190 euro) en de getrouwheidspremie (0,5 euro per gewerkte dag) die onder bepaalde voorwaarden aan deze gelegenheidswerkers worden toegekend door het Waarborg en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf in toepassing van de artikelen 4 en 5 van de CAO van 9 december 2019 (koninklijk besluit van 26 juni 2020 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2019, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, tot vaststelling van het loon en de arbeidsvoorwaarden voor gelegenheidswerknemers, Belgisch staatsblad van 4 augustus 2020). Een beperkt aantal seizoenarbeiders werkt nadat ze het aantal dagen dat ze onder het stelsel van gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw kunnen werken uitgeput hebben, onder het reguliere stelsel sociale zekerheid nog een paar weken verder met een contract van bepaalde duur of voor een bepaald werk bij het land- of tuinbouwbedrijf waar ze als gelegenheidswerker waren tewerkgesteld. Deze bezoldigingen worden ook tegen het tarief van 18,725 pct. aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen. Hetzelfde geldt voor het vakantiegeld waarop die beperkte groep arbeiders aanspraak kan maken voor de aansluitende periode van tewerkstelling na de tewerkstelling als gelegenheidsarbeider en dat wordt uitgekeerd door het Vakantiefonds voor de Voeding. Deze bezoldigingen worden ook als bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw aangemerkt in het kader van deze maatregel. Gelet op de hoogte van de lonen voor arbeiders in de land- en tuinbouw, blijft het belastbare netto-inkomen uit een tewerkstelling als, gelegenheidsarbeider en een beperkt aantal bijkomende weken tewerkstelling in de land- en tuinbouw onder de ondergrens van de inkomstenschijf onderworpen aan het belastingtarief van 40 pct. Het stelsel van de bevrijdende bedrifsvoorheffing geldt enkel als de belastingplichtige in het betrokken belastbare tijdperk in België uitsluitend bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw verkrijgt. Wanneer de belastingplichtige ook nog andere inkomsten in België verkrijgt, is de kans immers reëel dat de bedrijfsvoorheffing van 18,725 pct. niet langer overeenstemt met de verschuldigde belasting. Om de uitwisseling van inlichtingen met de fiscale administratie van de woonstaat van de seizoenarbeider mogelijk te maken, moet de Belgische fiscale administratie over de correcte identificatiegegevens van de seizoenarbeider beschikken. Daarom wordt voor de toepassing van het stelsel van de bevrijdende bedrijfsvoorheffing gevraagd dat de seizoenarbeider aan zijn werkgever een woonplaatsverklaring bezorgt, waarvan de werkgever op zijn beurt een afschrift moet bezorgen aan de fiscale administratie. Deze verplichting geldt vanaf inkomstenjaar 2022 (aanslagjaar 2023). Op de fiches 281.10 die worden opgemaakt voor buitenlandse seizoenarbeiders, zal ook moeten worden vermeld dat het gaat om bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw. Op die manier weet de administratie of een belastingplichtige niet-inwoner al dan niet in ‘aanmerking komt voor het stelsel van de bevrijdende bedrijfsvoorheffing. Deze vermelding zal al voorzien worden op de fiches die moeten worden opgemaakt voor het inkomstenjaar 2021 (aanslagjaar 2022). De wettekst is aangepast in overeenstemming met de opmerking onder randnummer 7 van het advies nr. 70.034/3 van de Raad van State van 15 oktober 2021. Gelet op het arrest Gerritse en de Schumackerrechtspraak van het Europees Hof van Justitie, zullen seizoenarbeiders die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EER, ervoor kunnen opteren om hun inkomsten toch te regulariseren. Belastingplichtigen voor wie de in België behaalde bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw het overgrote deel van hun wereldwijd behaalde beroepsinkomsten uitmaken bijvoorbeeld, kunnen op die manier aanspraak maken op dezelfde voordelen als een Rijksinwoner (toepassing van artikel 244, WIB 92) Art. 8 Artikel 8 regelt de inwerkingtreding van dit hoofdstuk

HOOFDSTUK 4

Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen In navolging van het advies van de Raad van State op het wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, werd de afdeling XXVIII van

hoofdstuk 1

van het KB/WIB 92, dat de artikelen 74 tot 79 omvat opgeheven en opgenomen in een nieuwe onderafdeling 6 van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van het WIB 92. ‘Aangezien er in een tweede lezing onvoldoende tijd was om deze bepalingen op een coherente wijze in het WIB 92 te integreren, werden deze artikelen voorlopig geplaatst in een afzonderlijke nieuwe onderafdeling. In de memorie van toelichting werd vervolgens aangekondigd dat “in een volgende ontwerp een voorstel [zal] gedaan worden om deze bepalingen beter tekstueel op elkaar te laten aansluiten” In dit ontwerp wordt dan ook effectief een voorstel gedaan om deze artikelen beter in het WIB 92 te integreren. Hierbij worden deze artikelen geïntegreerd in de bestaande onderafdeling 5 van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van het WIB 92. Aangezien de wijzigingen die werden voorzien door de wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, nog niet in werking zijn getreden, worden deze wijzigingen ingetrokken en vervangen door de wijzigingen die zijn opgenomen in dit ontwerp. Deze bepalingen hebben, behalve in één specifiek geval dat in de artikelsgewijze bespreking wordt benoemd, geen enkele impact op de grondslag of de berekening van de vennootschapsbelasting, en beoogt dus enkel om de wettekst logischer te structureren en enkele overbodige verwijzingen te schrappen

TOELICHTING

BIJ DE ARTIKELEN Art. 9 In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, WIB 92, wordt het opschrift van onderafdeling 5 vervangen zodat dit opschrift ook de inhoud van de nieuw ingevoegde artikelen beter omschrijft.

Art. 10 Dit artikel voegt in deze onderafdeling 5 een nieuw artikel 206/1 in, dat woordelijk dezelfde tekst bevat als, de bepalingen van artikel 207/2, WIB 92 dat door de voormelde wet van 27 juni 2021 werd ingevoegd en door dit ontwerp wordt ingetrokken. De enige wijziging werd aangebracht in het tweede lid, 1°, waar de verwijzing naar “artikel 27, derde id” werd weggelaten. Aangezien overeenkomstig artikel 183, WIB 92 voor de vaststelling van de vennootschapsbelasting de regels moeten worden gevolgd die van toepassing zijn op winst, volstaat het om in dit tweede lid, 1°,te verwijzen naar artikel 24, vierde lid, WIB 92. Een verwijzing naar artikel 27 is overbodig en heeft geen enkel gevolg aangezien dit artikel 27 betrekking heeft op de omschrijving van de baten. Hierdoor kan deze verwijzing enaar dus beter worden weggelaten In navolging van het advies nr. 70.034/3 van de Raad van State van 15 oktober 2021 wordt de term “belasting wetten” vervangen door de term “specifieke wettelijke bepalingen”. In antwoord op de opmerking van de Raad van State dat het in het belang van de transparantie van de regel geving raadzaam is om van die bepalingen een officieuze lijst op te stellen, bij voorkeur in de vorm van een (te actualiseren) omzendbrief, zodat het voor de belasting plichtige duidelijk is welke bepalingen precies worden bedoeld, wordt verduidelijkt dat een dergelijke jaarlijks geactualiseerde omzendbrief vandaag al bestaat. Deze verduidelijking wordt immers jaarlijks verstrekt in de toelichting bij de aangifte. Aangezien de verduidelijkingen die in deze toelichting worden verstrekt, een vergelijk bare normatieve kracht hebben als een omzendbrief, is, het niet nuttig om deze verduidelijkingen daarbovenop op te nemen in een jaarlijks op te maken afzonderlijke omzendbrief. In antwoord op de vraag van de Raad van State waarom voor sommige bestanddelen wordt geopteerd voor een nauwkeurige opsomming en voor andere bestanddelen, zoals de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen, een algemene omschrijving likt te volstaan, kan worden geantwoord dat de regering van mening is, dat een algemene beschrijving inderdaad kan volstaan, maar dat de nauwkeurige opsomming van bepaalde bestanddelen het gevolg zijn van de in het verleden gemaakte keuze om nauwkeurig en exhaustief te zijn.

Art. 11, 13, 14 en 16 Deze artikelen voegen in deze onderafdeling 5 de nieuwe artikelen 206/2, 206/4, 206/5 en 207/1, WIB 92 in, die woordelijk dezelfde tekst bevatten als de bepalingen van artikelen 207/3, 207/5, 207/6 en 2078, WIB 92, die door de voormelde wet van 27 juni 2021 werden ingevoegd en door dit ontwerp worden ingetrokken. Om tegemoet te komen aan de opmerking in het advies van de Raad van State omtrent de aanrekening van Belgische verliezen of verliezen uit niet verdragslanden op winst waarvoor de Belgische belasting op grond van een dubbelbelastingverdrag wordt verminderd, wordt in dit ontwerp de mogelijkheid voorzien voor de belasting plichtige om zich tegen deze aanrekening te verzetten. Deze keuze van de belastingplichtige, die per belastbaar tijdperk opnieuw kan worden gemaakt, is dan wel onherroepelijk en zal tot gevolg hebben dat de Belgische verliezen of verliezen uit niet verdragslanden naar een volgend belastbaar tijdperk worden overgedragen en dat ondanks de aanwezigheid van deze verliezen de winst waarvoor de Belgische belasting op grond van een dubbelbelastingverdrag wordt verminderd daadwerkelijk zal worden belast. dat er in het ontworpen artikel 206/4, tweede lid, WIB 92, geen onderlinge prioriteit van aanrekening bepaald zou zijn tussen de verschillende categorieën van verliezen op elk van de betrokken categorieën van winsten indien die winsten onvoldoende zijn, wordt meegegeven dat de regering van mening is dat in de huidige aanrekeningregels wel degelijk een volgorde is ingebouwd en er dus wel degelijk een onderlinge prioriteit is voorzien. De woorden “in de hierna aangegeven volgorde” uit de inleidende zin van het ontworpen artikel 206/4, tweede lid, WIB 92, wijzen immers niet enkel op de volgorde binnenin elke bepaling, maar wijzen ook op de volgorde tussen de bepalingen: eerst aanrekening van a): verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag vrijgesteld, dan aanrekening van b): verliezen geleden in een land waarvoor de winst niet bij verdrag vrijgesteld, dan aanrekening van c}: in België geleden verliezen. In tegemoetkoming aan de opmerking van de Raad van State dat het voor het recapture regime (artikel 185, $ 3, juncto artikel 206, $ 1, WIB 92) van belang is om te weten wanneer een verlies werkelijk is verrekend, wordt in een verplichting voorzien voor de belastingplichtige die verliezen wenst te verrekenen die onder het toepassingsgebied kunnen vallen van het recapture regime, te identificeren in een bijlage bij de aangifte. Deze nieuwe regels voorzien dus enkel in een identficatieplicht. Er worden dus geen aanvullende regels voorzien, die de volgorde verder vastleggen. Dit houdt in dat voor zover de regels in artikel 206/4, WIB 92, worden nageleefd, de belastingplichtige vrij is om zelf de volgorde verder te bepalen. ‘Tot slot wordt in navolging van het advies van de Raad van State in het ontworpen artikel 206/4, WIB 92 het woord “dubbelbelastingverdragen” vervangen door de woorden “internationale verdragen’, teneinde nu al tegemoet te komen aan het groeiende belang van de multilateraal gesloten verdragen en instrumenten en de impact die zij hebben op de heffingsbevoegdheid die in oorsprong exclusief werd vastgelegd in bilateraal gesloten dubbelbelastingverdragen.

Art. 12, 15, c) en d), 17, 19 en 21 Artikel 207/4, WIB 92 bevatte in hoofdzaak verwijzingen naar de aftrekbeperkingen in artikel 207, zevende en achtste lid, WIB 92, in artikel 217, derde lid, WIB 92, in artikel 519ter, WIB 92 en in artikel 139, $ 2, eerste lid, van de programmawet van 23 december 2009. In dit ontwerp wordt voorgesteld om deze aftrekbeperkingen in één artikel te integreren en te uniformiseren. De aftrekbeperking die was opgenomen in artikel 139, $ 2, eerste lid, van de programmawet van 23 decem ber 2009, werd buiten beschouwing gelaten omdat dit artikel sinds 2015 niet meer van toepassing is. In het aftrekverbod wordt de verwijzing naar artikel 219, WIB 92 herschreven zodat verduidelijkt wordt dat de gehele grondslag van de in artikel 219, WIB 92 bedoelde afzonderlijke aanslag in het aftrekverbod moet worden opgenomen. Voortaan worden dus niet enkel de in dat artikel bedoelde kosten of voordelen alle aard in het aftrekverbod opgenomen maar dus ook de in dat artikel bedoelde verdoken meerwinsten en de, ten gevolge van de aanpassing van artikel 219, WIB 92 door artikel 37 van dit ontwerp, in artikel 17, S 1, 3°, WIB 92, bedoelde inkomsten, in de mate dat deze inkomsten auteursrechten en naburige rechten zijn, en de in arti kel 17, $ 1, 5°, WIB 92, bedoelde inkomsten. ‘Ten gevolge van de centralisering van deze aftrekbeperking is het mogelijk om artikel 207, zevende en achtste id, WIB 92, (artikel 15, c) en dl), van dit ontwerp), artikel 217, derde lid, WIB 92 (artikel 19 van dit ontwerp) en artikel 519ter, $ 2, eerste lid, WIB 92 (artikel 21 van dit ontwerp) op te heffen. ‘Tot slot worden de bepalingen van artikel 207/9, WIB 92 die door de voormelde wet van 27 juni 2021 werden ingevoegd en door dit ontwerp worden ingetrokken, geïntegreerd in het nieuwe artikel 207/2 (artikel 17 van dit ontwerp), maar aangepast zodat een onderscheid wordt gemaakt tussen de bepalingen waarop de DBI aftrek al dan niet op mag worden toegepast. In het advies van de Raad van State wordt bij de bespreking van het ontworpen artikel 206/3, $ 1, tweede lid, WIB 92, verwezen naar de opmerking die de Raad van State, afdeling Wetgeving, dienaangaande heeft gemaakt in advies 62.368/1/2/3/4 van 1 decem ber 2017, evenals naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019 inzake Brussels Securities SA tegen de Belgische Staat (C-389/18). In navolging van het voormelde arrest moet, wanneer de dividenden niet a priori worden uitgesloten van het resultaat, erover gewaakt worden dat de ontvangst van dividenden die onder het toepassingsgebied van de moeder-dochterrichtlijn vallen, er niet toe kan leiden dat de moedermaatschappij zwaarder wordt belast dan als, zij geen dividend had ontvangen van haar niet-ingezeten dochteronderneming. Om na te gaan of het door de moeder-dochterrichtljn voorgeschreven resultaat wordt bereikt, moet dus een vergelijking worden gemaakt tussen het resultaat dat wordt bereikt door middel van een DBI-aftrek en het resultaat dat zou worden bereikt indien de dividenden van de winst zouden worden vrijgesteld. De regering heeft voor het ontworpen artikel 206/3, WIB 92 deze vergelijking gemaakt en vastgesteld dat de toepassing van dit artikel er niet toe leidt dat een ander resultaat wordt bereikt in hoofde van de moedervennootschap wanneer gebruik wordt gemaakt van een DBl-aftrek dan wanneer de dividenden “ab initio” van de winst zouden worden vrijgesteld Bijgevolg is de regering van mening dat de toepassing van dit ontworpen artikel in overeenstemming is met de moeder-dochterrichtlijn.

Art 15, a) en b) ‘Aan artikel 207 worden de nodige wijzigingen aangebracht om dit artikel te kunnen integreren in de omringende artikelen 206/1 tot 206/5 en 207/1 tot 2071, WIB 92. In het tweede lid wordt het eerste streepje opgeheven ‘omdat de in artikel 199, WIB 92 bedoelde aftrek al wordt voorzien in het nieuwe artikel 206/5, eerste id, 2°, WIB 92.

Art. 15, e) en f), en 20 In artikel 207, tiende en elfde lid, en 239/1, WIB 92, worden een aantal verwijzingen aangepast rekening houdend met het opheffen van artikel 207, achtste lid, WIB 92, door artikel 15, d, in ontwerp.

HOOFDSTUK 5

‘Andere wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 24 Artikel 13, WIB 92 bepaalt wat moet worden verstaan onder het netto-inkomen van gebouwde en ongebouwde onroerende goederen met betrekking tot artikel 7 van datzelfde Wetboek. In het voormelde artikel 13 is sprake van de beperking van de onderhouds- en herstellingskosten door de toepassing van een revalorisatiecoëfficiënt. Dit artikel bepaalt thans dat de revalorisatiecoëficiënt wordt verkregen door de gemiddelde waarde van de handelshuurprijzen en huurvoordelen op 1 januari van het jaar vóór het aanslagjaar te delen door de gemiddelde waarde van die huurprijzen en voordelen op het referentietijdstip dat bepaald is in artikel 486, WIB 92, zijnde 1 januari 1975. Uitgaande van de overweging dat het merendeel van de handelshuurprijzen evolueert volgens het indexcijfer van de consumptieprijzen en gezien een studie op het terrein een te hoge werklast met zich meebracht, werd vanaf het aanslagjaar 1999 de berekening aangepast in die zin dat de revalorisatiecoëfficiënt voor het aanslagjaar 1985 als basis genomen wordt, en dat bij de indexaanpassing rekening wordt gehouden met de gezondheidsindex vanaf december 1990. Voor het aanslagjaar 2015 (inkomstenjaar 2014) werd de revalorisatiecoëfficiënt bij koninklijk besluit van 19 mei 2014 volgens deze vereenvoudigde methode, vastgesteld op 4,23. In het kader van de voorbereiding van dit koninklijk besluit werd tevens de berekening gemaakt op basis, van de kadastrale inkomens, en de huurwaarden zoals, zij werden aangegeven in de personenbelasting voor respectievelijk de jaren 2011 en 2012, zijnde de laatste volledige, dan wel partieel beschikbare gegevens, met een indexering naar een zelfde referentiemoment. De resultaten van deze berekeningen, respectievelijk 4,24 en 4,21, benaderden sterk het resultaat van de berekening volgens de vereenvoudigde methode. De vereenvoudigde methode sluit aldus zeer nauw aan bij een letterlijke toepassing van het huidig artikel 13. Het huidig voorstel heeft tot doel aan deze vereenvoudigde methode een wettelijke basis te geven.

Art. 26 tot 28 Deze artikelen voeren twee wijzigingen door in titel I, hoofdstuk Il, afdeling IV, onderafdeling Ill, van het WIB 92. Naar aanleiding van de arresten F.15 O16.N van 16 juni 2017 en F.18 0076.F van 17 september 2020 van het Hof van Cassatie, wordt een verduidelijking aangebracht in artikel 52, WIB 92. Hiermee wordt bevestigd dat de inkoop van goederen en diensten wordt beschouwd als een beroepskost en dat artikel 49, WIB 92 dus wel degelijk van toepassing is op deze kosten. Om geen tegenstrijdigheid te creèren tussen artikelen 52 en 53, WIB 92, worden in artikel 53, WIB 92 enkele verwijzingen opgenomen naar het gewijzigde artikel 52, WIB 92. Het begrip “goederen en diensten” dient hier een zo ruim mogelijke betekenis te krijgen. Met name al les wat volgens een Belgische dubbele boekhouding (minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel) op de subrekening 60 zou kunnen worden geboekt (met inbegrip van onder andere de ingekochte diensten en onderaannemingen) en dit ongeacht aan welke boekhoudwetgeving de entiteit effectief onderworpen is. Hieruit volgt dat deze bepaling geldt voor vennootschappen en verenigingen, en eveneens voor alle entiteiten die niet onderworpen zijn aan artikel 3:90 van het Koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, zoals onder meer natuurlijke personen, entiteiten die geen volledige boekhouding voeren, vzw's, buitenlandse entiteiten en entiteiten “sui generis” Deze verduidelijking heeft bijvoorbeeld concreet tot gevolg dat restaurantkosten gemaakt in het kader van een pakketreis door een reisorganisator voor het verbruik door de afnemers van dergelijke pakketreis, of cateringkosten gemaakt door een evenementorganisator die worden aangerekend aan de persoon die beroep doet op deze evenementorganisator, als beroepskosten worden beschouwd overeenkomstig artikel 52, WIB 92 zonder dat er sprake is van een aftrekbeperking zoals opgenomen in artikel 53, 7° tot 9°, WIB 92. Deze aftrekbeperking is immers enkel van toepassing op de kosten die niet thuishoren in rubriek IL. A. “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening, zoals omschreven in artikel 3:90 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De afnemer van de diensten die deze kosten beroepsmatig heeft gemaakt, wordt nog wel steeds geacht zich een voldoende gedetailleerde factuur te doen toekomen teneinde in zijn hoofde de juiste fiscale behandeling van de verschillende kostensoorten te kunnen verzekeren. Verder wordt via een nieuw artikel 53/1, WIB 92 een uitzondering ingevoegd op de bepalingen van artikel 53, 7° tot 9°, WIB 92. Deze invoeging heeft onder meer als doel de bestaande administratieve tolerantie wettelijk te verankeren waarbij de beperkingen van artikel 53, 8° en 8°bis, WIB 92, niet worden toegepast in hoofde van een belastingplichtige die receptie en restaurantkosten op een wijze die geen twijfel laat bestaan over de precieze draagwijdte van de transactie, en voor hetzelfde bedrag doorrekent aan derden die op grond van artikel 53, 11°, WIB 92 eveneens aan de beperking onderworpen zijn, zijnde derden die onderworpen zijn aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners. Deze laatste voorwaarde kan echter leiden tot een concurrentieel nadeel voor belastingplichtigen wanneer zij receptie- en restaurantkosten doorrekenen aan klanten die niet onderworpen zijn aan de Belgische aftrekbeperking. In dit geval kan de belastingplichtige immers geen beroep doen op de huidige administratieve tolerantie. Er wordt daarom voorgesteld om de vereiste zoals gesteld in de administratieve tolerantie waar de derde onderworpen dient te zijn aan de wettelijke aftrekbeperking beoogd in artikel 53, 11°, WIB 92, niet over te nemen om zo enig, concurrentieel nadeel te vermijden. Dit ligt trouwens in lijn met de geest van bovenvermelde administratieve tolerantie, waarbij de wettelijke beperking van de receptie- en restaurantkosten niet meer bij de belastingplichtige moet worden toegepast wanneer de aftrekbeperking reeds correct is toegepast bij de derde aan wie de kosten zijn doorgerekend of indien de aftrekbeperking bij deze derde niet van toepassing is Naar aanleiding van deze wettelijke verankering wordt voorgesteld om de uitzondering ook van toepassing te maken op kosten voor relatiegeschenken en de kosten vermeld in artikel 53, 7° en 9°, WIB 92. De redenering van de administratieve tolerantie, die nu wettelijk verankerd wordt, gaat immers ook voor deze kosten op. De belastingplichtige zal evenwel onomstotelijk moeten kunnen aantonen dat de kosten die hij aftrekt zonder aftrekbeperking volledig zijn doorgerekend.

Art. 25, 29, 38, 40 tot 42 Dit ontwerp vult artikel 57, eerste lid, WIB 92 aan met een bepaling onder 4°, om te voorzien in een rechtsgrondslag voor het opmaken van individuele fiches en samenvattende opgaven met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten, en 5°, van hetzelfde Wetboek. Met deze wijziging wordt tegemoet gekomen aan de intentie die tot uiting kwam in het antwoord dat de minister van Financiën in 2013 gaf op een parlementaire vraag, waarbij de administratie de opdracht werd gegeven om de wijzigingen die aan de wetgeving zouden moeten worden aangebracht teneinde het opmaken van de fiches 281.45 en de opgave 325.45 verplicht te maken, te onderzoeken en uit te werken (Antwoord van 23 september 2013, op vraag nr. 505 van 11 juli 2013). Dit ontwerp beoogt een grotere efficiëntie bij de controle van de aangegeven inkomsten en bij de inning van de belasting. Om deze redenen wordt ook voorzien om de wettelijke verplichting fiches en samenvattende opgaven af te leveren niet enkel uit te breiden naar de inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 5°, WIB 92, maar ook naar de inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, WIB 92, voor wat specifiek de auteursrechten en naburige rechten betreft. Het komt namelijk voor dat belastingplichtigen alles of een gedeelte van hun beroepsinkomsten aangeven als roerende inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, WIB 92, of zelf verdelen over de bepalingen in 3° en 5° De uitbreiding van de verplichting om fiches af te leveren naar inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, WIB 92, zal een dergelijke situatie beter helpen te voorkomen. ‘Tot slot brengt de verplichting om fiches 281.45 afte leveren, die via dit ontwerp wordt opgenomen in artikel 57, eerste lid, 4°, WIB 92, een aantal aanpassingen met zich mee aan de artikelen 219, 223, 225, 233 en 234, WIB 92, zoals deze al van toepassing zijn voor de fiches bedoeld in artikel 57, eerste lid, 1° tot 3°, WIB 92.

Artikel 37, 3° en 4°, in ontwerp, werd aangepast in mer 17 van het advies nr. 70.034/3 van de Raad van State van 15 oktober 2021.

Artikel 223, vierde lid, WIB 92, is gewijzigd in overeenstemming met de opmerking onder randnummer 18 van het advies nr. 70.034/3 van de Raad van Art. 30 In artikel 145°, $ 1, eerste lid, 1°, WIB 92 worden wijzigingen aangebracht in de bepalingen onder c (inzake OCMW's) en onder k (inzake dierenasielen). Samenwerkingsverbanden tussen OCMW's Giften kunnen recht geven op een fiscaal voordeel indien ze gedaan worden aan instelingen die specifiek zijn genoemd in artikel 145%, WIB 92 (bij wet erkende instellingen), of aan instellingen die een in artikel 145%, WIB 92 genoemde activiteit uitoefenen en erkend zijn door de minister van Financiën (zie art. 63's* tot 63:27, KB/WIB 92). Een individueel OCMW is een bij wet erkende instelling (artikel 145°, $ 1, eerste lid, 1°, c)‚ WIB 92). OCMW's zijn in principe actief binnen de gemeentegrenzen. Gelet op de verschilende gemeentefusies, de regiovorming, en het feit dat punten voor zorg en welzijn steeds meer worden gecentraliseerd ten nadele van dunner bevolkte gebieden, is de gemeentegrens vaak een ernstige beperking ten nadele van de hulpbehoevenden. OCMW's werken dan ook meer en meer samen in intergemeentelijke verbanden. Deze samenwerkingsverbanden zijn echter niet specifiek opgenomen in artikel 145, WIB 92 zodat ze zelf een erkenning zouden moeten krijgen van de minister van Financiën om giften te kunnen ontvangen die recht geven op een fiscaal voordeel, wat op basis van de bestaande bepalingen niet altijd mogelijk is. De regering stelt dan ook voor om de samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid tussen OCMW's als bij wet erkende instellingen toe te voegen aan artikel 1452, 5 1, eerste lid, 1°, c), WIB 92 en dit voor giften gedaan vanaf 1 januari 2022. Er wordt benadrukt dat deze toevoeging enkel samenwerkingsverbanden tussen louter OCMW's beoogt, en dus geen samenwerkingsverbanden tussen bijvoorbeeld OCMW's en gemeentes of met privéinitiatieven. Deze laatste moeten, voor zover ze aan de voorwaarden zouden voldoen, nog altijd een erkenningsprocedure doorlopen. De mogelijkheid tot samenwerking tussen OCMW's is bijvoorbeeld opgenomen in artikel 474 van het vlaams decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn Dierenasielen Ingevolge de opheffing van artikelen 1 tot 19 en 31 tot 46 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wat het Waalse Gewest betreft, moet artikel 145%, 5 1, eerste lid, 1°, k, WIB 92 worden aangepast. De erkenning van dierenasielen in het Waalse Gewest gebeurt nu op basis van artikel D.32 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek. Dit artikel voert een verwijzing naar die bepaling in. Vermits artikel 5 van de voormelde wet van 14 augustus 1986, wat het Waalse Gewest betreft, is opgeheven vanaf 1 januari 2019 en het Waalse Dierenwelzijnwetboek in werking is getreden op 1 januari 2019, wordt voorgesteld om artikel 30 uitwerking te laten hebben vanaf 1 januari 2019.

Art. 31 Krachtens artikel 70 van de wet van 18 april 2017 houdende diverse bepalingen inzake economie, is de officiële naam van de Nationale Delcrederedienst sinds 4 mei 2017 gewijzigd in “Delcredere”. Krachtens het decreet van het Waalse Gewest tot bestuurshervorming binnen de “Société régionale wallonne du Transport” (Waalse Gewestelijke Vervoermaatschappij) en tot wijziging van het decreet van 21 december 1989 betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het. Waalse Gewest van 29 maart 2018, is de benaming van de Waalse Regionale Maatschappij voor Openbaar Personenvervoer sinds 1 januari 2019 gewijzigd in de “Waalse vervoersoperator” (“Opérateur de Transport de Wallonie”), afgekort OTW. Krachtens het besluit van de Waalse regering van 5 juli 2018 tot goedkeuring van de fusie van de vervoersmaatschappijen van de TEC-groep en van de gewijzigde en gecoördineerde statuten van de Waalse vervoersoperator “Opérateur de Transport de Wallonie”, werden de exploitatiemaatschappijen die verbonden zijn aan de Waalse Regionale Maatschappij voor Openbaar Personenvervoer, gefusioneerd door absorptie met ingang op 1 januari 2019. Het is dus niet langer nodig deze te vermelden in artikel 180, WIB 92. Dit artikel past artikel 180, eerste lid, 3° en 6, WIB 92 in die zin aan.

Art. 32 Sinds de vervanging van artikel 192, 5 1, eerste lid, WIB 92, door artikel 24, 1°, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt de voorwaarde “van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom” niet meer als zodanig in de wettekst uitgedrukt, maar blijft deze voorwaarde behouden door middel van een verwijzing: - voor wat de aandelen die overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen betreft, worden aangehouden, naar artikel 202, $ 2, eerste lid, 2°, WIB 92, die deze voorwaarde omvat; en - voor wat de andere aandelen dan deze vermeld in het eerste streepje betreft, naar artikel 202, WIB 92, in zijn geheel. De vervanging van artikel 192, $ 1, eerste lid, WIB 92, door artikel 24, 1°, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting is in werking getreden op 1 januari 2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018. Deze aanpassing kan echter normaal in werking treden op de tiende dag na de bekendmaking van de wet in de Belgisch Staatsblad.

Art. 33 en 34 Deze artikelen passen de verwijzing naar artikel 36, $ 2, WIB 92, in artikel 198, $ 1, 9° en 9°bis, WIB 92, aan in gevolge van de invoeging van drie leden in artikel 36, $ 2, WIB 92, bij de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting. Deze invoeging trad in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020. Het is daarom noodzakelijk om dezelfde inwerkingtreding te geven aan deze aanpassingen.

Art. 35 In artikel 207, tiende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de woorden “naar Belgisch recht” opgeheven. Sinds de invoering door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van de statutaire zetelleer in het vennootschapsrecht kan er gemakkelijker een dissociatie ontstaan tussen het recht dat een vennootschap beheerst en haar fiscale woonplaats. Aangezien vervolgens verzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België actief willen zijn, een erkenning nodig, hebben, stelt dit ontwerp voor om deze erkenning als enige criterium te handhaven voor de toepassing van artikel 207, tiende lid, (dat ingevolge de opheffing van het achtste lid, het negende lid wordt), WIB 92. Deze wijziging vermijdt dat verzekeringsondernemingen naar buitenlandsrecht ontsnappen aan de in artikel 207, WIB 92 opgenomen aftrekbeperkingen, louter op basis van het gegeven dat de vennootschap waaronder zij ressorteren een vennootschap naar buitenlands recht is.

Art. 36 en 38 Vennootschappen die erkend zijn als vennootschap voor huisvesting genieten overeenkomstig artikel 216, 2°, b, WIB 92, van een afwijkend tarief in de vennootschapsbelasting van 5 pct. Wanneer deze vennootschappen niet langer erkend zijn of deel uitmaken van het net van het beroepskrediet wordt er in hun hoofde overeenkomstig artikel 219bis, 8 2, WIB 92, een afzonderlijke aanslag gevestigd die ervoor moet zorgen dat de belastinglatentie (verschil tussen het in de vennootschapsbelasting van toepassing zijnde nominaal tarief op het moment dat de nog aanwezige belaste reserves zijn aangelegd en het afwijkend tarief) weggewerkt wordt. Ook bij dividenduitkeringen wordt er overeenkomstig artikel 219bis, $ 3, WIB 92, een afzonderlijke aanslag gevestigd, dit maal gelijk aan 20 pct. (verschil tussen het huidige nominaal tarief in de vennootschapsbelasting en het afwijkend tarief). Deze afzonderlijke aanslagen zijn destijds ingevoerd opdat reserves belast aan het afwijkend tarief van 5 pct. niet zouden worden aangewend voor andere activiteiten, dan deze uitgeoefend door erkende vennootschappen voor huisvesting. Wanneer een vennootschap dus haar erkenning verliest en verdergaat als niet-erkende vennoot schap, ofwel haar activiteiten stopzet en de resterende reserves uitkeert aan aandeelhouders die niet erkend zijn als vennootschap voor huisvesting, is de toepassing van de afzonderlijke aanslagen in overeenstemming met de ratio legis van artikel 219bis, WIB 92. Er zal naar de letter van artikel 219bis, WIB 92 echter ook een afzonderlijke aanslag worden gevestigd wanneer een vennootschap haar erkenning verliest en haar middelen overdraagt aan een andere erkende vennootschap of overgenomen wordt door een andere erkende vennootschap, terwijl in dergelijke gevallen de middelen wel degelijk aangewend blijven door erkende vennootschappen voor huisvesting. Bovendien zou dit er op termijn toe kunnen leiden dat dezelfde middelen twee keer of meer belast worden, namelijk een eerste keer in hoofde van de vennootschap die haar middelen overdraagt en een tweede of volgende keer op het moment dat de vennootschap die de middelen ontvangen heeft haar erkenning verliest. Om te vermijden dat dergelijke gevallen, die bij de invoeging van artikel 219bis, WIB 92 door de wetgever niet beoogd werden, ook aan de afzonderlijke aanslagen onderworpen worden, worden via artikel 38 de nodige wijzigingen aangebracht aan artikel 219bis, WIB 92. Paragraaf 2 van artikel 219bis, WIB 92 wordt aangevuld met twee leden (artikel 38, 2°) om de reserves die overgedragen worden naar een andere erkende vennoot schap uitte sluiten van de afzonderlijke aanslag. Indien bij bijvoorbeeld een fusieverrichting de overgenomen vennootschap een dividend uitkeert, zal dit dividend voor de toepassing van artikel 219bis, WIB 92 ook als, een overgedragen reserve worden beschouwd. Voor de eventuele latere toepassing van de afzonderlijke aanslag in hoofde van de vennootschap die de reserves verkregen heeft, zal de chronologische volgorde die deze reserves (incl. de reserves waarvan het uitgekeerde dividend is onttrokken) hadden bij de overdragende vennootschap behouden blijven. Een overgedragen reserve aangelegd in bijvoorbeeld aanslagjaar 2003 zal dan bij toepassing van artikel 219bis, WIB 92 in hoofde van de vennootschap die de reserves verkregen heeft, nog steeds aan 34 pct. belast worden, ook al heeft de fusieverrichting in een later aanslagjaar plaatsgevonden. Paragraaf 3 van artikel 219bís, WIB 92 wordt aangevuld met een id (artikel 38, 3°) om de dividenden die uitgekeerd worden aan andere erkende vennootschappen uit te sluiten van de afzonderlijke aanslag. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 219bis, $ 3, WIB 92, is afgestemd op het huidige nominaal tarief in de vennootschapsbelasting, ongeacht het aanslagjaar dat de reserves waarvan het dividend onttrokken worden, aangelegd zijn. Een behoud van chronologische volgorde, zoals voorzien bij de afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 219bis, 5 2, WIB 92, is hier dan ook niet nodig. Bij de verkrijgende vennootschap zal het dividend (al dan niet na inhouding van roerende voorheffing) voor de toepassing van artikel 219bis, 5 2, WIB 92, een reserve vormen aangelegd in het aanslagjaar dat het dividend verkregen is. Ook wanneer een dividend uitgekeerd wordt aan een niet-erkende vennootschap zal van de afzonderlijke aanslag afgezien worden wanneer de verkrijgende vennootschap dit dividend onmiddellijk inbrengt in het kapitaal van een erkende vennootschap. Wanneer deze laatste vennootschap later zou overgaan tot een kapitaalvermindering zal deze voor de toepassing van artikel 219bis, WIB 92, in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, WIB 92, als een dividenduitkering beschouwd worden met hetzelfde materieel toepassingsgebied. Via de artikelen 36 en 38, 1°, wordt de opsomming van de verschilende beoogde vennootschappen in artikel 216, 2°, b, en 219bis, $ 2, eerste lid, WIB 92 herordend en geactualiseerd op de wijze als voorheen gebeurd in artikel 105, eerste lid, 1°, k, KB/WIB 92, via het koninklijk besluit van 27 maart 2020 tot de actualisering van het KB/WIB 92 inzake de roerende voorheffing.

Art. 39 In artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, van hetzelfde Wetboek, respectievelijk vervangen en ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot negende lid” telkens vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot twaalfde lid. Door de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting werden immers in artikel 36, $ 2, WIB 92, drie nieuwe leden ingevoegd tussen het achtste en het negende lid, waardoor het negende lid thans het twaalfde lid is geworden.

Art. 43 Bij de programmawet van 20 december 2020, werd een fiscaal voordeel ingevoerd voor bedrijven die hun werknemers meer opleidingsuren toekennen dan wat reglementair is bepaald. Indien de werknemer gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen minstens 10 dagen opleiding volgt, dan moet de werkgever een bedrag gelijk aan 11,75 pct. van de bezoldiging van de betrokken werknemer niet doorstorten in de Schatkist. In die zin werd een nieuw artikel 275 ingevoegd in het Artikel 43 voert twee technische correcties door in de Nederlandse tekst van artikel 275:2, WIB 92. Deze wijzigingen hebben dezelfde inwerkingtreding als arti kel 275, WIB 92.

Art. 44 In afwijking van het beginsel van de éénjarigheid van de belasting, bepaalt artikel 362, WIB 92 uitdrukkelijk dat de kapitaalsubsidies, die tijdens een belastbaar tijdperk van overheidswege zijn verkregen om immateriële of materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, slechts gespreid belastbaar in verhouding tot de als beroepskosten aanvaarde afschrijvingen en waardeverminderingen op de gesubsidieerde activa en, in voorkomend geval, tot het bedrag van het nog niet belaste saldo bij de vervreemding of buitengebruikstelling van die activa. Die gespreide belastingheffing geldt momenteel enkel voor belastingplichtigen van wie de inkomsten als winst worden aangemerkt.

Artikel 44 van het ontwerp strekt ertoe deze regeling uit te breiden naar belastingplichtigen die baten verkrijgen en dit voor de kapitaalsubsidies die vanaf 1 januari 2021 worden ontvangen. In lijn met de principes inzake het tijdstip van belastbaarheid van baten (cf. artikel 27, tweede lid, 1°, WIB 92), wordt ook voor de toepassing van artikel 362, WIB 92 rekening gehouden met het tijdstip waarop de kapitaalsubsidie wordt ontvangen (en dus niet met het tijdstip waarop de kapitaalsubsidie wordt toegekend, zoals dat voor winst het geval is). De vordering die de belastingplichtige heeft op de overheid ingevolge een toegekende, maar nog niet ontvangen kapitaalsubsidie moet uiteraard wel reeds worden opgenomen in haar zijn boekhouding vanaf het ogenblik van de toekenning, doch wordt ten vroegste belastbaar vanaf het ogenblik van de ontvangst van deze subsidie. Dit geldt zowel in het geval dat de belastingplichtige een dubbele boekhouding voert als in het geval een vereenvoudigde boekhouding wordt gevoerd. Wanneer een vereenvoudigde boekhouding wordt gevoerd moet deze toegekende, nog niet ontvangen subsidie immers worden opgenomen in de jaarlijkse inventaris. De verplichting tot opmaak van een jaarlijkse inventaris en interne jaarrekening vloeit voort uit de artikelen 1.89 en 111.90 van het Wetboek van economisch recht (zie ook randnummer 17 van het CBN-advies 2019/10 - De boekhoudkundige en jaarrekeningrechtelijke verplichtingen van een beoefenaar van een vrij beroep) Art. 45 Sinds de invoering van de uitgestelde betaling van de exit-taks in artikel 413/1, WIB 92 zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd die nog niet werden geïntegreerd in het tweede lid van dat artikel 413/1, WIB 92 dat de berekeningswijze van de exit-taks vastlegt. ‘Ten eerste werd in de wet van 17 maart 2019 tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen mogelijkheid voorzien om de uitgestelde betaling toe te passen bij de overgang van de vennootschapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting om de vennootschap de mogelijkheid te bieden bij deze overgang, de betaling van de belasting uit te stellen. Vervolgens werden in de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting de verschil lende tarieven hervormd zodat de verwijzing ernaar in artikel 413/1, 5 1, tweede li, tweede streepje, WIB 92 niet meer accuraat is en moet worden aangepast. ‘Tot slot worden de regels voor het vaststellen van de belastbare basis van de vennootschapsbelasting in het WIB 92 geïntegreerd zodat het eenvoudiger wordt om ernaar te verwijzen. Dit artikel beoogt dan ook om de rekenregel die is opgenomen in artikel 413/1, $ 1, tweede lid, tweede streepje, WIB 92 bij te werken in functie van deze gewijzigde omstandigheden.

Art. 46 Artikel 46 van dit ontwerp regelt de inwerkingtreding van hoofdstuk

5.

HOOFDSTUK 6

Wijziging van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Art. 47 en 48 Artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers wordt gewijzigd ten gevolge van de intrekking van de artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en de invoeging van de artikelen 206/1 tot 207/2 in het WIB 92 door dit ontwerp. Deze wijziging treedt op hetzelfde ogenblik in werking als de door deze wet ingevoegde artikelen 206/1 tot 207/2,

HOOFDSTUK 7

Wijzigingen aan de programmawet van 2 augustus 2002 Deze maatregel in ontwerp was aanvankelijk voorbereid in het kader van het wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen, houdende oprichting van een commissie voor de erkenning van gespecialiseerde opleidingen met betrekking tot de reglementering inzake douane en accijnzen in België en betreffende de Koninklijke Muntschouwburg en het Nationaal Orkest van België. In dit verband dient er op gewezen dat over de maatregel reeds een advies van de Raad van State was uitgebracht (advies nr. 66.608/3-4 van 14 november 2019). Ondanks het feit dat het gelijknamig wetsontwerp, ingediend op 26 november 2019 in de Kamer (DOC 55 0792/00), in de plenaire vergadering van 28 november 2019 een spoedbestemming heeft gekregen, is, dat wetsontwerp nog steeds hangende in de Kamer. Bij de bespreking van dat wetsontwerp in de Kamercommissie is gebleken dat een verdere behandeling van het geheel van dat wetsontwerp op dat ogenblik niet langer aangewezen was waarop de toenmalige minister van Financiën beslist heeft om het wetsontwerp van de agenda te halen. De maatregel voorgesteld in dit hoofdstuk is een bijgewerkte versie van een van de maatregelen van voormeld wetsontwerp. Wat de inhoud betreft, zijn er slechts kleine wijzigingen aangebracht die betrekking hebben op de inwerkingtreding. Wat de vorm betreft, is, de formulering waar mogelijk enigszins vereenvoudigd (artikel 50).

Art. 49 tot 51 De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 116 en 124 van de programmawet van 2 augustus 2002 bij respectievelijk de artikelen 49 en 50 zijn bedoeld om de toepassing van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling (artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530, WIB 92) niet langer toe te staan tijdens de toepassing van de forfaitaire belastingheffing op basis van de tonnage voor wat betreft de winsten die belast worden op basis van deze laatste heffing. Het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat zou overblijven aan het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk afsluit op 31 december 2020 (hetzij voor belastingplichtigen wiens belastbare basis reeds wordt vastgesteld overeenkomstig het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage, hetzij voor de belastingplichtigen die dit stelsel voor het eerst toepassen vanaf het aanslagjaar met betrekking tot het belastbaar tijdperk dat eindigt uiterlijk op 30 december 2020) of later (voor belastingplichtigen die voor het eerst genieten van de forfaitaire belasting heffing op basis van tonnage vanaf het aanslagjaar met betrekking tot het aanslagjaar 2022 dat niet eerder begint dan 1 januari 2021), kan opnieuw worden verrekend bij de uittreding uit dit belastingstelsel. Er wordt ook gespecificeerd dat de overdracht van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling naar de vier volgende aanslagjaren bedoeld in artikel 292bis, $ 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, voortaan wordt geschorst tijdens de toepassing van het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage en vanaf het verlaten van dit belastingstelsel opnieuw kan worden verrekend. Het ontwerpartikel 51 maakt deze bepalingen van toepassing vanaf aanslagjaar 2022 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2021. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State nr. 66.608/3-4 van 14 november 2019, werd de bewoording van artikel 124, 5 1, tweede en derde lid, aangepast als antwoord op de opmerking over arti kel 3 in ontwerp. Daarnaast is er, als antwoord op de opmerking onder punt 2.3 van het advies van de Raad van State nr. 66.608/3-4 van 14 november 2019, een cijfervoorbeeld toegevoegd. ‘Tot slot is er van de gelegenheid gebruik gemaakt ‘om een aantal technische correcties aan te brengen Voorbeeld Om het mechanisme in zijn geheel zo goed als mogelijk te kunnen illustreren, vooral wat betreft de overdracht van het niet-verrekenbare belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling (artikel 292bis, WIB 92), werd ervoor gekozen om een voorbeeld uit te werken met een vennootschap die in geen enkel jaar belasting verschuldigd is. Veronderstel een dergelijke vennootschap die van het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage geniet en die sinds aanslagjaar 2017 ieder aanslagjaar een belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling ter bevordering van 200 euro heeft aangelegd (om de lectuur van wat volgt te vergemakkelijken, worden cijfergegevens hernomen in de tabel verder hieronder) De ieder jaar aangelegde belastingkredieten die niet verrekenbaar zijn, worden van jaar tot jaar aangegeven ‘om uiteindelijk in aanslagjaar 2021 een stock van nietterugbetaalbaar (overgedragen) belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling te vormen tbv. 600 euro. In aanslagjaar 2021 legt deze vennootschap een belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling t.b.v. 220 euro aan. Haar stock aan niet-terugbetaalbaar belas‘ingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, samengesteld uit de belastingkredieten voor onderzoek en ontwikke ling overgedragen van de aanslagjaren 2018 tot 2020, bedraagt nog 600 euro. Het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van aanslagjaar 2017 wordt volledig terugbetaald (200 euro). In aanslagjaar 2022 is de hier-bedoelde decumul van toepassing, wat als eerste gevolg heeft dat voor dat aanslagjaar, alsook voor ale volgende aanslagjaren waarvoor de vennootschap onder het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage valt, geen enkel belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling toegepast kan worden (zie de tabel hieronder, “belastingkrediet O&O van het jaar) ‘Ten tweede is het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van aanslagjaar 2018 ter bevordering van 200 euro niet verrekenbaar, en ook niet terugbetaalbaar. Dit bedrag blijft dus behouden in de stock aan niet-terugbetaalbaar belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling. ‘Ten derde wordt de overdracht van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van aanslagjaar 2021 (tbv. 220 euro) opgeschort. Dit bedrag wordt dus apart gehouden en niet aan de stock niet-terugbetaalbaar belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling toegevoegd zolang het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage toegepast wordt. Wat betreft de overgedragen belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling die zijn opgenomen in de niet-terugbetaalbare stock, wordt het tellen van hun opeenvolgende jaren van overdracht eveneens opgeschort. Het totaal van de niet-terugbetaalbare stock blijft dus op 600 euro staan. Wanneer de vennootschap het forfaitaire belasting stelsel op basis van tonnage eventueel zou verlaten, zal (1) zij opnieuw belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling kunnen aanleggen (dat in ons voorbeeld 230 euro bedraagt); (2) het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van aanslagjaar 2018 ter bevordering van 200 euro zal opnieuw verrekenbaar zijn (en in ons voorbeeld geheel terugbetaalbaar); (3) iedere opschorting van overdracht van belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling zal ingetrokken worden. Bijgevolg zal, rekening houdend met de voorgaande toepassing van de in dit ontwerp voorziene opschorting, dit aanslagjaar bij het telen van het aantal jaren waarin een overdracht als bedoeld in artikel 292bis, 5 1, tweede lid, WIB 92, heeft plaatsgevonden, als het jaar beschouwd worden dat het laatste jaar waarvoor het mechanisme van de overdracht werd toegepast, opvolgt. In ons voorbeeld wordt de 220 euro aan belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling aangelegd in aanslagjaar 2021 dus toegevoegd aan de stock niet-terugbetaalbaar belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, die dan 600 euro - 200 euro + 220 euro, hetzij 620 euro, bedraagt. Voor iedere schijf (of aanslagjaar) aangelegd belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, zal de som van het aantal opeenvolgende aanslagjaren dat het saldo aan belastingkrediet werd overgedragen opnieuw met 1 verhoogd worden. 2022 T 2023 Sortie / Verlate nTT ENEN ri”, Als antwoord op de opmerking onder punt 2.4 uit het voornoemde advies nr. 66.608/3-4 van de Raad van State van 14 november 2019, wordt verduidelijkt dat de opschorting van de in artikel 292bis, tweede lid, WIB 92, bedoelde overdracht van niet-verrekend belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, voorzien in de artikelen 116, derde lid, en 124, $ 1, derde lid, van de programmawet van 2 augustus 2002, in ontwerp, geen invloed heeft op het verbod tot overdracht voorzien in artikel 292bis, $ 2, WIB 92, in het geval van “verwerving van of wijziging van de controle over een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften”. In dergelijke gevallen blijft het verbod tot overdracht dus behouden. ‘Tot slot kan er als antwoord op de opmerkingen van de Raad van State in haar advies nr. 66.608/3-4 van 14 november 2019 nog op gewezen worden dat deze maatregel tot wijziging van de artikelen 116 en 124, S 1, van de programmawet van 2 augustus 2002, overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU, aan de Europese Commissie zal genotifieerd worden op datum van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Aangezien de artikelen 49 tot 51 van dit ontwerp slechts een beperking van de fiscale voordelen voortvloeiend uit een eventuele cumulatieve toepassing van het forfaitaire belastingstelsel op basis van tonnage met het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling beogen, zouden in dit verband de bepalingen in ontwerp geen bezwaren mogen doen laten rijzen wat betreft de verenigbaarheid van de steunregeling ten voordele van het zeevervoer in België met de interne markt.

HOOFDSTUK 8

Bekrachtiging van koninklijke besluiten Art. 52 Artikel 275, $ 3, WIB 92 bepaalt dat de koninklijke besluiten inzake bedrijfsvoorheffing door de wetgever moeten worden bekrachtigd. Het koninklijk besluit van 20 juni 2021 tot wijziging van de bijlage II van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid verlengt de maatregel waarbij het percentage van de bedrijfs voorheffing op de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid wordt verlaagd van 26,75 pct. naar 15 pct. met drie maanden, ic. tot 30 september 2021. Op die manier wordt de koopkracht van werknemers die al lang tijdelijk werkloos zijn ondersteund, vooral dan voor de werknemers met de laagste lonen. Het percentage bedrijfsvoorheffing dat op gewone bezoldigingen wordt ingehouden, is voor heel wat werknemers met een laag loon immers lager dan 26,75 pct. Om studenten aan te moedigen om te zorgen voor flexibele bijkomende arbeidskrachten en zo de heropstart te ondersteunen van de economie die ernstig werd geïmpacteerd door de gevolgen van de COVID19-crisis, worden de uren studentenarbeid die in het derde trimester van 2021 worden gepresteerd, niet in ‘aanmerking genomen voor de berekening van het jaarlijks contingent van 475 uren dat niet onderworpen is, aan sociale zekerheidsbijdragen. Het koninklijk besluit van 24 juli 2021 tot wijziging van de bijlage Il van het KB/ WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid ondersteunt die maatregel door de uitbreiding van het aantal uren studentenarbeid ook door te trekken naar de bedrijfsvoorheffing

TITEL

3 Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen Art. 53 Artikel 11, derde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen (hiema WDRT) wordt aangepast ten gevolge van de opheffing van artikel 9 van hetzelfde Wetboek bij de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen.

Art. 54 Artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek werd meermaals aangepast maar zonder systematisch rekening te houden met de verwijzingen naar dat artikel elders in de wetgeving. De voorgestelde wijziging van artikel 21, 4°, van het WDRT heeft tot doel dat recht te zetten. Aldus zal dat artikel niet meer verwijzen naar artikel 46, S 2, maar naar artikel 46, $ 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de bedoeling van die verwijzing wordt hersteld.

Artikel 120 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, heeft in artikel 21 van het WDRT een bepaling ingevoegd onder 13°.

Artikel 203 van dezelfde wet heeft, in hetzelfde artikel 21, een tweede bepaling ingevoegd onder 13°, dat dus vernummerd wordt tot 14°

TITEL

4 der successierechten Art. 55 De wet van 21 december 2013 heeft in de artikelen 96 en 97 van het Wetboek der successierechten (hierna W. Succ.) de mogelijkheid voor de Koning ingeschreven om op te leggen dat bepaalde door derden - voornamelijk de banken - te verschaffen inlichtingen op elektronische wijze moeten worden overgemaakt. Een koninklijk besluit van 22 juli 2019 en een ministerieel besluit van 23 juli 2019 hebben daaraan uitvoering gegeven. De voorgestelde wijziging van artikel 103' van hetzelfde Wetboek beoogt hetzelfde maar nu wat betreft de inlichtingen te verstrekken door de beroepsverzekeraars

TITEL

5 Registratie-, hypotheek- en griffierechten der registratie, hypotheek- en Art. 56, 57 en 61 De applicatie “DER” (Document Electroniquement Reconnaissable) maakt de elektronische overmaking mogelijk van akten aan de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie met het oog op de desgevallend gelijktijdige uitvoering van de formaliteiten van de registratie van de akte en van de hypothecaire openbaarmaking ervan. Het juridisch kader werd gecreëerd bij de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad 31 december 2009, Ed. 2) door een aantal wijzigingen aan het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten (hierna W. Reg) en aan de hypotheekwet van 16 december 1851 (hierna de Hypotheekwet) Met dit ontwerp worden aan dat juridische kader enkele verfijningen aangebracht. Ze betreffen in hoofdzaak het openstellen van het “DER'-platform voor vrijwillig aan de beide formaliteiten aangeboden akten en de verlenging van de termijn voor de aanbieding ter registratie van een aantal processen-verbaal in het kader van de openbare verkoop van een onroerend goed. De wijziging van artikel 5bis van het W. Reg. (artikel 56 van het ontwerp) is ingegeven door de vaststelling dat er in de praktijk diverse types niet verplicht over te schrijven akten betreffende in België gelegen onroerende goederen regelmatig door notarissen ter overschrijving worden aangeboden (bijvoorbeeld bepaalde pachtovereenkomsten, akten van legaatsaflevering.…). Deze akten worden niet geweigerd gelet op het belang voor derden om het bestaan van deze akten te kennen. De tekst is voortaan dus ook van toepassing op vrijwillig aangeboden akten. Het huidige eerste lid is van toepassing op de gedematerialiseerde akten en het huidige tweede lid op de papieren akten. Omdat dezelfde regel geldt voor de twee soorten van aanbiedingen werden die teksten tot een enkel lid versmolten. Het nieuwe tweede lid herneemt, beknopter geformuleerd, de bepaling opgenomen in het huidige derde lid. ‘Tenslotte wordt in een nieuw derde id een uitzondering voorzien in geval van een akte die uitsluitend de nietvatbaarheid voor beslag vaststelt van de woning van een zelfstandige bedoeld in de Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). Deze uitzondering wordt gemotiveerd door de programmatie in de betreffende applicatie. Zie ook het nieuwe artikel 39, 1°, W.Reg.

Artikel 32, eerste lid, 1° en 3°bis, van het W. Reg. (artikel 57 van het ontwerp) worden geherformuleerd om de tekst te verhelderen en worden gewijzigd om de uitzondering, zijnde de registratietermijn van twee maanden, uit te breiden tot de registratie van bepaalde processen verbaal van openbare verkoping van een onroerend goed. Deze termijn vormt een uitzondering op de normale termijn van 15 dagen. De termijn van twee maanden moet. toelaten een inschrijving van ambtswege te vermijden in de hierna vermelde bijkomende gevallen. Dit is het geval voor: 1° de processen-verbaal aangaande het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht in het kader van een procedure van openbare verkoop; 2° de processen-verbaal van het vaststellen van het bekomen van een financiering in het kader van een procedure van openbare verkoop. Het gaat hier ook om een harmonisatie van de termijnen voor de registratie en voor de hypothecaire openbaarmaking omdat het huidig artikel 32 W. Reg. restrictiever is dan artikel 2 van de Hypotheekwet Het opmaken van het PV tot vaststelling van het bekomen van financiering houdt ook de vaststelling in van de realisatie van een opschortende voorwaarde. Het opmaken ervan kan in geval van een gerechtelijke gedwongen openbare verkoop niet worden uitgesteld ‘omdat de betekening van dit PV termijnen doet lopen die dergelijke verkoop onaanvechtbaar maakt (zie de artikelen 1598 en 1622 van het Gerechtelijk Wetboek). Voor de toepassing van het W. Reg, stelt de administratie sinds 1983 de gemeenschappen en de gewesten gelijk met de Staat. Deze gelijkstelling die in een administratieve circulaire werd gedaan, wordt nu in het W. Reg. opgenomen door de vermelding van de gefedereerde entiteiten in het 6° van artikel 32 en in andere artikelen van het W. Reg. (artikel 35, eerste lid, 5°, artikel 39, 4e, artikel 161, 1°, artikel 162, 4°, en artikel 265, 3°; zie respectievelijk de art. 58, 61, b), 64, 65, a), en 66 van het ontwerp) Wat de wijzigingen aan artikel 39 W. Reg. betreft (art. 61 van het ontwerp) - het 1° wordt geherformuleerd om de tekst te verhelderen. Het wordt ook aangevuld met een lid dat het tweede lid niet van toepassing maakt op een akte die enkel de niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt van de woning van een zelfstandige bedoeld in de Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) Die aanvulling spoort met het nieuwe derde lid in het ontworpen artikel Sbis van hetzelfde Wetboek; - het 4° wordt ook geherformuleerd en aangevuld, rekening houdend met de gefedereerde entiteiten. Hierna volgen enkele voorbeelden die het mechanisme van het ontworpen artikel 39, 1°, W. Reg. illustreren: 1° akte van notaris X, met standplaats te Namen, houdende verkoop van onroerende goederen respectievelijk gelegen in Antwerpen en in Luik. De onroerende goederen zijn alle gelegen buiten het kantoor bevoegd voor de standplaats van de notaris. Vandaar registratie in Antwerpen (1° onroerend goed vermeld in de akte); overschrijving in Antwerpen en in Luik (huidige regel en van toepassing blijvend krachtens het nieuwe artikel 39, 1°, tweede lid, van het W.Reg); 2° akte van notaris Y, met standplaats te Doornik, houdende verklaring van niet-vatbaarheid voor beslag van de woning van een zelfstandige gelegen in Charleroi; de akte wordt tegelijkertijd aangeboden ter registratie en tot de hypothecaire formaliteit. Vandaar registratie in Doornik (kantoor bevoegd voor de standplaats van de notaris); overschrijving in Charleroi (verklaring van nietvatbaarheid voor beslag) (toepassing van de uitzondering in het nieuwe artikel 39, 1°, derde lid, van het W. Reg. 3° akte van notaris Y, met standplaats te Doornik, houdende, enerzijds respectievelijk de verkoop van onroerende goederen gelegen in Antwerpen en in Luik, en anderzijds de verklaring van niet-vatbaarheid voor beslag van de woning van de zelfstandige verkrijger gelegen in Charleroi. in de akte van verkoop + verklaring van niet-vatbaarheid voor beslag); overschrijving in Antwerpen en in Luik (voor de verkopen) alsook in Charleroi (verklaring van niet-vatbaarheid voor beslag) (toepassing van het nieuwe artikel 39, 1°, tweede lid; de uitzondering in het derde lid vindt geen toepassing omdat de akte niet beperkt is tot een verklaring van niet-vatbaarheid voor beslag maar ook een andere overschrijving vereist).

Art. 58 Artikel 35, eerste lid, 5°, van het W. Reg. wordt gewijzigd om de gefedereerde entiteiten erin op te nemen. Het wordt tevens aangevuld met een nieuw lid om rekening te houden met het geval waarin een belastingschuldige geen gekende woonplaats zou hebben Om te vermijden dat de latere procedure van inning en invordering van de rechten zou worden verlamd wanneer de schuldenaar van de rechten geen gekende woonplaats heeft in België of in het buitenland en om onnodige gerechtsdeurwaarderskosten te vermijden, wordt het betalingsbericht in dat geval geadresseerd aan de procureur des Konings te Brussel. Een dergelijke mogelijkheid voor de administratie om bij gebreke van een gekend adres van de belastingschuidige een akte te verzenden aan de procureur des Konings bestaat reeds in fiscale zaken (zie bijvoorbeeld artikel 13, $ 2, tweede lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna WGMI), artikel 85, $ 1, derde lid, van het btw-Wetboek, enz).

Art. 59 et 60 Deze artikelen passen de verwijzing naar artikel 32 van het W. reg. aan, gelet op de wijzigingen aangebracht bij het voorgestelde artikel 57.

Art. 62 Naar aanleiding van de aanpassing ervan in het kader van de overdracht van de bevoegdheid voor de inning en invordering aan een andere dienst van de FOD Financiën wordt het artikel 140octies op een dui delijkere en beknoptere wijze herschreven.

Art. 63 en 65, b) De Algemene Spaar- en Lifrentekas en de landbouwkantoren bestaan niet meer,. daarom wordt het artikel 159, 9°, van het W. Reg. opgeheven en het artikel 162, 29° van het W. Reg. aangepast.

Art. 64, 65, a) en 66 De verwijzing naar de Kolonie wordt geschrapt in de artikelen 161, 1°, 162, 4° en 265, 3° van het W. Reg. Wijzigingen van het Koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken Art. 67 en 68 Dit hoofdstuk heeft tot doel wijzigingen aan te brengen in de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken. Genoemde artikelen werden in dat koninklijk besluit opgenomen op grond van artikel 288 van het W. Reg. en overeenkomstig de bepalingen van dat artikel bekrachtigd bij artikel 8 van de wet van 28 april 2019 (Belgisch Staatsblad, 6 mei 2019). Voor de wijziging ervan is dus, de tussenkomst van de wetgever nodig. De voorgestelde wijziging van artikel 4 beoogt de termijn voor de betaling van de rolrechten te verlengen en die van artikel 6 beoogt de administratie toe te laten om de boete voor laattijdige betaling ervan te verminderen of kwijt te schelden. De termijn voor betaling van het rolrecht is nu bepaald op 15 kalenderdagen vanaf de ontvangst van het betalingsbericht. Die termijn blijkt voor veel schuldenaars van het rolrecht te kort en de boete die ermee samenhangt stelt bijkomend praktische problemen. Daarom wordt voorgesteld die termijn op 30 kalenderdagen te brengen. De nieuwe redactie van het eerste lid van artikel 6 van het koninklijk besluit is een eenvoudige opschoning van de huidige bepaling, aangezien het toepassingsgebied van het WMGI uitdrukkelijk, overeenkomstig het artikel 2, 7°, vi. ervan, de rolrechten omvat, zodat het dus niet langer nodig is naar de domaniale wet te verwijzen voor de invordering stricto sensu van de rolrechten, maar enkel nog voor de vaststelling van de uitvoerbare titel die de invordering ervan mogelijk maakt (welke niet door het WMGI wordt beheerst). De nieuwe redactie van het tweede lid van artikel 6 van het koninklijk besluit beoogt aan de bevoegde adviseur generaal van de Algemene Administratie van de inning en invordering (hierna AAI) of aan de door hem gemachtigde ambtenaar de bevoegdheid te geven om dadingen te treffen betreffende de boetes voor laattijdige betaling van de rolrechten zodat, met het oog op de harmonisatie van het invorderingsproces van de AAIl, de invordering van deze schulden op dezelfde wijze kan geschieden als voor de niet-fiscale schulden bedoeld in de domaniale wet. Gelet op het voorschrift van artikel 172 van de Grondwet dat de administratie niet toelaat om een vrijstelling of vermindering van belasting toe te kennen, is de mogelijkheid tot het treffen van een dading beperkt tot de boete voor laattijdige betaling van de rolrechten; ze strekt zich dus niet uit tot de verschuldigdheid van de rolrechten zelf, gezien daarover geen dading kan worden getroffen

TITEL

6 Fiscale procedure en invordering Ingevolge de opmerking van de Raad van State in zijn randnummer 3 aangaande de verwerking van de persoonsgegevens, moet worden opgemerkt dat er géén nieuwe verwerking van persoonsgegevens beoogd wordt met de betreffende bepalingen in titel 6. Advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit hierover is met andere woorden niet aan de orde, gelet op de eerdere adviezen die de Autoriteit al heeft gegeven op de onderliggende verwerkingen. Verbetering in de diverse fiscale wetboeken en wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van inkomende berichten ‘onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën Art. 69 tot 77 De artikelen met betrekking tot de scanning van de berichten dat worden verzonden onder gesloten omslag door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën kunnen momenteel niet volledig hun gevolgen sorteren vanwege de daarin gemaakte verwijzing naar het beveiligd elektronisch platform dat in werking zal treden, in overeenstemming met artikel 219, eerste ig, van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, op 1 januari 2025. Het globale project van de Federale Overheidsdienst Financiën met betrekking tot de scanning van “inkomende” berichten op papier dat werd geformuleerd, met name in de memorie van toelichting bij artikel 31 van voornoemde wet van 26 januari 2021, is niet gewijzigd. Elk “inkomend” bericht onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën wordt gescand/gedigitaliseerd, geregistreerd en bewaard op het beveiligd elektronisch platform. De reproductie van het aldus verkregen gedigitaliseerde beeld heeft een bewijswaarde, voor zover het voorzien is van een geavanceerde elektronische zegel, gewoonlijk “eSeal” genoemd. Uiteindelijk wordt het verkregen gedigitaliseerde beeld op het beveiligd elektronisch platform in de persoonlijke elektronische ruimte van de belastingplichtige ter beschikking gesteld, zodat het document desgevallend op elk moment door de belastingplichtige kan worden geraadpleegd. Hoewel de Federale Overheidsdienst Financiën op 1 april 2021 klaar was om elk “inkomend” bericht door de belastingplichtige of elke andere persoon verstuurd onder gesloten omslag, aan de Federale Overheidsdienst Financiën, in te scannen en te registreren, geldt dat niet voor het ter beschikking stellen van het verkregen gedigitaliseerde beeld op het beveiligd elektronisch platform van het “inkomende” bericht onder gesloten omslag in de persoonlijke elektronische ruimte van de belastingplichtige. Dit deel van het globale project van de Federale Overheidsdienst Financiën met betrekking tot de scanning van “inkomende” berichten op papier zal pas ef tectief zijn op 1 januari 2025 wanneer de voormelde wet van 26 januari 2021 in werking zal treden. Wanneer een “inkomend” bericht op papier momenteel wordt gescand/gereproduceerd door een van de ‘ambtenaren van het team die speciaal zijn opgeleid om “inkomende” berichten onder gesloten omslag te scannen, is het gescande beeld van dat originele “inkomende” bericht op papier alleen beschikbaar via de specifieke toepassing “Digital Mail Room” (DMR), die alleen toegankelijk is voor ambtenaren die door de administraties, van de Federale Overheidsdienst Financiën gemachtigd zijn om ze te raadplegen. Met deze applicatie kunnen ‘ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën de post digitaal ontvangen en verwerken. De wijzigingen die door de artikelen 69 à 77 worden aangebracht, hebben tot doel om in de artikelen met betrekking tot het scannen van “inkomende” berichten op papier de verwijzing naar het beveiligd elektronisch platform te schrappen. Modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen Art. 78 Deze bepaling voegt in het WIB 92 een nieuw artikel 304/1 in aangaande de modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het WIB 92 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen. Paragraaf 1 van dit ontwerpartikel 304/1 bepaalt de wijzen van terugbetaling: in regel worden alle in toepassing van het WIB 92 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, terugbetaald rekening houdend met de voor dit doel aan de administratie meegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, dat wil zeggen per overschrijving op de bankrekening aangeduid door de rechthebbende op de teruggave (in regel de belastingplichtige, maar het kan eveneens gaan om een schuldeiser die beslag onder derden heeft gelegd op de teruggave of in wiens voordeel de teruggave werd overgedragen) of door elke andere daartoe bevoegde persoon (bijvoorbeeld curator, conventionele bewindvoerder, schuldbemiddelaar, enz). Wanneer voor dit doel geen bankrekening werd meegedeeld aan de administratie en het gaat om een natuurlijke persoon, dan wordt de terugbetaling, per uitzondering, gedaan per postassignatie of per internationaal mandaat. Er wordt opgemerkt dat elke onderneming ertoe gehouden is een zichtrekening te openen bij een bank of een financiële instelling alvorens te starten met haar activiteiten (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 56 van 10 november 1967 tot bevordering van het gebruik van giraal geld). Bovendien vereist elke inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen de mededeling van de bankrekening of bankrekeningen van de onderneming (artikel II118, 8 1, 11°, van het Wetboek van economisch recht). Een dergelijke verplichting om een rekening te openen bij een bank of een financiële instelling bestaat daarentegen niet voor natuurlijke personen op zich. Zij kunnen evenwel genieten van een basisbankdienst, en hebben dus recht op een bankrekening, waardoor de gevallen dat iemand geen bankrekening zou hebben, quasi onbestaande zijn. Hoewel de meerderheid onder hen, via de verschillende kanalen die hen ter beschikking staan (belastingaangifte, MyMinfin, via een Infocenter, enz), aan de administratie een bankrekening meedelen waarop de terugbetalingen kunnen worden gedaan en die geldig zullen blijven in de toekomst tenzij anders vermeld, zijn er niettemin nog sommige personen die hun bankrekening niet wensen mee te delen aan de administratie of die er eenvoudigweg geen hebben. In deze gevallen wordt de terugbetaling gedaan per postassignatie of, zeldzamer, per internationaal mandaat. Het beheer van de terugbetalingen die niet kunnen worden verricht per overschrijving op een bankrekening brengt echter aanzienlijke kosten mee voor de administratie (verzendingskosten, personeelskosten, enz), en meer in het bijzonder voor wat betreft de uitgitte van postassignaties (of internationale mandaten) en hun opvolging (verloren of gestolen assignaties, adresveranderingen, enz.). Wanneer slechts een klein bedrag wordt terugbetaald, dat overigens lager ligt dan de kosten van die terugbetaling zelf, doen personen overigens niet steeds de moeite om zich aan te bieden op het postkantoor om het bedrag te innen. Daarnaast vormt de aanbieding op het postkantoor voor sommige mensen een te grote uitdaging en wordt de postassignatie om die reden niet geïnd. Ook in dat geval is het meer aangewezen dat de postassignatie verdwijnt omdat het een nodeloze kost betekent en de automati sche compensatie een verlaging van schulden inhoudt ten voordele van de burger zonder dat van die laatste nog een actie wordt verwacht. Vervolgens zullen deze beperkte bedragen ter beschikking zijn om te worden aangewend voor compensatie met openstaande fiscale en niet-fiscale schulden waarvan de inning door de FOD Financiën wordt behartigd. ‘Teneinde onevenredige administratieve kosten te vermijden bepaalt het nieuwe ontwerpartikel 304/1, $ 2, eerste lid, WIB 92 bijgevolg dat, in afwijking van paragraaf 1, wanneer het in toepassing van het WIB 92 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te betalen bedrag minder bedraagt dan 50 euro en voor zover aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of voor zover aan de administratie niet kenbaar werd gemaakt dat de belastingplichtige over geen enkele bankrekening beschikt, de terugbetaling gebeurt, tot het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, door aanwending overeenkomstig het artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004. De verwijzing naar bankgegevens “die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken” omvat derhalve ook de gevallen waarbij enkel gedateerde bankgegevens werden doorgegeven, maar waarbij bijvoorbeeld de sluiting van de rekening tot gevolg heeft dat de terugbetaling de facto niet mogelijk is. Met andere woorden gaat de administratie, in deze hypothese niet over tot de effectieve vereffening van de teruggave, maar zal zij het terug te geven bedrag bewaren om het overeenkomstig het voormelde artikel 334, tot het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, aan te wenden ter betaling van de door de rechthebbende verschuldigde bedragen, waarvan de inning en de invordering, door of overeenkomstig een bepaling met kracht van wet, worden verzekerd door de Federale Overheidsdienst Financiën of door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Wanneer op een gegeven moment gedurende deze periode een bankrekeningnummer wordt meegedeeld en het terug te geven bedrag nog niet geheel of gedeeltelijk werd aangewend overeenkomstig artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt dit bedrag of het saldo ervan uiteraard op dat ogenblik terugbetaald op de meegedeelde bankrekening. ‘Tenslotte, zoals het nieuwe ontwerpartikel 304/1, $ 2, tweede lid, WIB 92 bepaalt, wordt het terug te geven bedrag of het saldo ervan niet (meer) terugbetaald indien, bij het verstrijken van het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, aan de administratie voor dit doel nog steeds geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken of aan deze niet kenbaar werd gemaakt dat de belasting plichtige over geen enkele bankrekening beschikt en het terug te betalen bedrag niet, geheel of gedeeltelijk, kon worden terugbetaald via aanwending overeenkomstig artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004. Het gaat aldus om een afwijking van het artikel 304, WIB 92 dat bepaalt dat wordt overgegaan tot terugbetaling voor zover het terug te geven bedrag minstens 2,50 euro bedraagt.

Art. 79 Deze bepaling regelt de inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Wijziging van artikel 322, $ 1, derde lid, van het Wetboek Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register Art. 80 Het UBO-register ontleent zijn naam aan de Engelse term “Ultimate Beneficial Owner” en heeft tot doel te beschikken over een gecentraliseerde databank om te kunnen vaststellen wie de uiteindelijke begunstigde van een entiteit is om een echte transparantie van de eigendomsstructuren van deze juridische entiteiten te kunnen garanderen en daarmee meer efficiënter te strijden tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en de onderliggende misdrijven. Dit register vindt zijn oorsprong in de artikelen 30 en 31 van de Europese Richtlijn (EU) nr. 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015, inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn (EG) nr. 2005/60 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EG) nr. 2006/70 van de Commissie die in de oprichting van een dergelijk register in elke lidstaat van de EU voorziet. Deze richtlijn werd in België omgezet door de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. Deze wet stelt het UBO-register vast binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en bepaalt enerzijds dat de Algemene Administratie van de Thesaurie bevoegd is voor de oprichting en het beheer van het UBO-register en anderzijds dat de Koning belast is met het vaststellen van de werkingsmodaliteiten van dit register. Het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register vermeldt in het bijzonder: het soort informatie dat moet worden meegedeeld, de wijze van verzending en toegang tot deze informatie, de mogelijkheden om af te wijken van de openbaarheid van informatie, de toezichthoudende bevoegdheden van de Thesaurie, alsook de toepasselijke sancties en de maatregelen die genomen werden met betrekking tot verwerking van de persoonsgegevens. In het kader van de internationale uitwisseling van inlichtingen, specifieert artikel 338, $ 24/1, WIB 92, dat artikel 1 van de richtlijn (EU) nr. 2016/2258 van de Raad van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn (EU) nr. 2011/16 wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten heeft omgezet, dat de Belgische belastingadministratie, in hoedanigheid van bevoegde autoriteit, op verzoek de gegevens die worden gehouden in het register van de uiteindelijke begunstigden bezorgt aan de buitenlandse belastingautoriteiten. Deze internationale uitwisseling van antiwitwasinlichtingen, -procedures, -documenten en -mechanismen met betrekking tot de strijd tegen het witwassen zorgt ervoor dat de belastingautoriteiten beter gewapend zijn om hun verplichtingen bij het toezicht op de correcte toepassing van de geconsolideerde Richtlijn (EU) 2011/16 te vervul len en om belastingontduiking en -fraude doeltreffender te bestrijden. Zo bepaalt artikel 322, $ 1, derde lid, WIB 92 dat de administratie, met betrekking tot een bepaalde belastingplichtige, het UBO-register mag raadplegen om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De raadpleging van de gegevens die worden gehouden in het UBO-register kan ofwel op basis van artikelen 2, 17° en 6 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register ofwel op basis van artikel 322, $ 1, derde id, WIB 92 en van het koninklijk besluit van 12 mei 2019 tot uitvoering van artikel 322, $ 1, tweede lid (dat het derde lid wordt), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat de voorwaarden en modaliteiten bepaalt van de raadpleging van het register van de uiteindelijke begunstigden. Hoewel de raadpleging van de gegevens in het UBO-register op grond van artikelen 2, 17° en 6 van werkingsmodaliteiten van het UBO-register kan worden uitgevoerd door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, ongeacht zijn titel, bepaalt artikel 322, 8 1, derde lid, WIB 92 dat de raadpleging van het UBO-register door een ambtenaar belast met de vestiging van de inkomstenbelasting alleen kan worden uitgevoerd door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché, dat wil zeggen door een ambtenaar met ten minste de titel van adviseur. De door dit artikel voorgestelde wijziging heeft tot doel een einde te maken aan deze inconsistentie door deze titel vereiste te schrappen wanneer de raadpleging van de gegevens in het UBO-register door een ambtenaar belast met de vestiging van de inkomstenbelasting uitgevoerd wordt Deze wijziging is des te meer gerechtvaardigd aangezien het UBO-register ook onbeperkt toegankelijk is voor de entiteiten die onderworpen zijn aan de toezichtplicht ten aanzien van hun cliënten in het kader van de antiwitwaswetgeving zoals banken, advocaten, notarissen, boekhouders. Voor wat betreft de rechtspersonen, mag elke belastingplichtige (individueel) ook een hele reeks gegevens in het UBO-register raadplegen, zonder dat enig legitiem belang moet worden aangetoond. In de internationale context hebben andere landen, zoals Groot-Brittannië en Luxemburg, een register van de uiteindelijke begunstigde opgezet dat toegankelijk voor het publiek is. Wijziging van de artikelen 301 en 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering In het kader van de uitbouw van het shared service center bij de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering (hierna “AAI” genoemd) (beleidsverklaring van de minister van Financiën, K-55-1610-009, biz. 4 ev), worden steeds meer belastingen, taksen en rechten overgedragen aan de AAI wat betreft de aspecten inning, en invordering, in de optiek van een grotere efficiëntie en een kostenvermindering. Vanaf 1 januari 2022 zal de inning van de bedrijfsvoorheffing en belasting op de meerwaarde op de overdracht van bepaalde onroerende goederen gerealiseerd door personen onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, worden overgeheveld van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (hierna “AAPD” genoemd) naar de AAI.

Art. 81 De belasting van niet-inwoners bedoeld in artikel 301, WIB 92 en die verschuldigd is door natuurlijke personen en rechtspersonen die buiten het kader van hun beroepsactiviteiten een meerwaarde op de overdracht van bepaalde onroerende goederen realiseren, moet worden betaald bij de registratie van de akte. Deze betaling gebeurt voortaan op een rekening beheerd door de AAI. De AAPD blijft daarentegen de belasting van niet-inwoners vestigen en de betaling ervan controleren voor de registratie van de akte. Indien achteraf blijkt dat de meerwaarde groter is dan gekend op het moment dat de akte ter registratie werd aangeboden, is, de Algemene Administratie van de Fiscaliteit bevoegd ‘om een bijkomende aanslag in de belasting van nietinwoners te vestigen.

Art. 82 Belastingplichtigen niet-inwoners die in het kader van hun beroepsactiviteiten een meerwaarde realiseren op een onroerend goed, zijn gehouden hierop bedrifsvoorheffing te voldoen. Het is de notaris die instaat voor de aangifte en de betaling, gelijktijdig met de registratie van de verkoop. Voortaan moet de betaling niet langer gebeuren op een rekening van de AAPD maar op een rekening van de AAI. Het kantoor belast met de registratie blijft instaan voor de controle van de voorafgaande betaling.

Art. 83 De minister van Financiën, Vincent VAN PETEGHEM VOORONTWERP VAN WET ‘onderworpen aan het advies van de Raad van State Tielt ‘Algemene Bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet Tuel 2 Art.2. ‘Artikel 33 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hersteld bij de programmawet () van 24 december 2002, wordt aangevuld met een li, luidende: “zijn eveneens belastbaar als bezoldigingen van meewerkende echtgenoten, de vergoedingen van alle aard tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van de voormelde bezoldigingen”.

Art. 3. In artikel 174, 5° b, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bijde wet van 26 maart 2018, worden de woorden ‘en 32, weede ti, 2°7 vervangen door de woorden “, 32, tweede lid, 2°, en 33, derde lid. Arta. Dit noofdstuk is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022.

Art.5. ‘Artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020 en bij het artikel 3 van deze wet, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende “> tegen een aanslagvoet van 0 pet: de in 1° tot 7° vermelde inkomsten waarvoor de belasting bij toepassing van artikel 155 zou worden verminderd indien ze overeenkomstig artikel 130 werden belast.” Art.6. ‘Artikel 5 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. Bevrijdende bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders In de land- en Art.7. In artikel 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 1° ‘aangevuld met een bepaling onder c), luidende: “c) op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de landof tuinbouw, op voorwaarde dat de belastingplichtige en, desgevallend, zijn echtgenoot in het betrokken belastbare tidperk geen andere in artikel 232, vermelde inkomsten heeft of hebben behaald of verkregen” 2° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt de bepaling onder c}, ingevoegd bij het 1°, aangevuld met de woorden “en de belastingplichtige aan zijn werkgever een door de fiscale administratie van zijn woonstaat uitgereikte woonplaatsverklaring heeft bezorgd”; 3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, c, wordt verstaan onder bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw: - de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 Juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheld der arbeiders; - de eindejaarspremie en de getrouwheldspremie die door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste streepje bedoelde gelegenheidswerkers; - de bezoldigingen voor prestaties als arbeider in de land- of tuinbouw ingevolge een contract van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal 6 opeenvolgende kalenderweken onmiddelijk aansluitend op een tewerkstelling als gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw bij dezelfde werkgever; - het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in het derde streepje bedoelde periode van aansluitende tewerkstelling”; 4 paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De belastingplichtige bezorgt de in het tweede id, 1°,c, bedoelde woonplaatsverklaring aan zijn werkgever uiterlijk op de dag van de eerste betaling door die werkgever van bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw in het betrokken belastbare tijdperk. De werkgever bezorgt uiterlijk op [ …] via elektronische weg een afschrift van de woonplaatsverkdaring aan de fiscale administratie. De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de nadere modalteiten voor het bezorgen van de woonplaatsverklaring en bepaalt hoe op de in artikel 57 bedoelde fiche wordt vermeld dat de fiche bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw als bedoeld in het weede lid, 12, c, betreft”; 5* paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen die bezoldigingen hebben verkregen als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, c, en inwoners zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kunnen ervoor opteren om paragraaf 4, eerste lid, niet toe te passen”.

Art.8.

Artikel 7, 1°, 3° en 5°, is van toepassing vanaf Artikel 7,2" en 4°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2023 ‘Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen Art.9. In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling 5 vervangen als volgt: “Onderafdeling 5. - Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen” Art. 10. In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 5, van het‘zelfde Wetboek, wordt een artikel 206/1 ingevoegd, luidende: “Art. 206/1. Om het belastbare resultaat vast te stellen, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens dit Wetboek en de belastingwetten vrijgestelde gereserveerde winst, vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld: 1 reserves; 2° verworpen uitgaven; 9 dividenden. Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan: 1° onder “reserves”, het gereserveerde resultaat, verminderd met a) de winst die voortvloeit uit de minderwaarden die door de schuldenaar zijn opgetekend op bestanddelen van het passief ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan, door de rechtbank of ten gevolge van de vaststelling door de rechtbank van een minnelijk akkoord krachtens Boek XX, titel V van het Wetboek van economisch recht, voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is utgevoerd voor zover de overeenkomstig artikel 48/1 vastgestelde voorwaarden worden nageleefd; b) het gedeelte van de meerwaarde op de in artikel 65, vermelde voertuigen, andere dan die vermeld in artikel 66, 82, 1° tot 3°, dat nietin aanmerking wordt genomen krachtens, artikel 24, vierde lid €) de krachtens de artikelen 192 en 521 vrijgestelde meerwaarden op aandelen en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 5 1, 7°,als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk niet meer verantwoord zijn; d) de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van artikel 184, met uitsluting van de terugbetalingen van gestort Kapitaal ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennoot schappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, overeenkomstig het recht dat de vennootschap beheerst; e) de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die vroeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de regulariseringen van geraamde belastingschulden die voorheen als verworpen uitgaven zij belast, in zover de terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen worden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen die bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk moeten worden gevoegd; 1) de sommen die definitief werden vrijgesteld overeenkomstig artikelen 194ter, 194ter/1 of 194ter/3; 9) de sommen die overeenkomstig de artikelen 193bis,$ 1 en i9ater, 8 1, zijn vrijgesteld; hi het onder de belastingvrije winst van de inbrengende vennootschap opgenomen bedrag, naar aanleiding van een inbreng van een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen uitgevoerd in overeenstemming met artikel 46, 5 1, eerste ld, 2°, dat onder de voorwaarden van artikel 192, $ 2, wordt vrijgesteld en dat zijn oorsprong vindt in een herbelegging als bedoeld in artikel 47 of in een Kapitaalsubsidie als bedoeld in arikel 362, die deel uitmaakt van die inbreng; ì) de sommen die definitief vrijgesteld zijn krachtens artikel 194quinguies, $ 2; de winst ten belope van het inancieringskostensurplus, vrijgesteld krachtens artikel 194sexies en 194septies, weede streepje K) de winst ten belope van de vergoeding ontvangen in uitvoering van een groepsbijdrage-overeenkomst, vrijgesteld krachtens artikel 194septies, eerste streepje; Ide winst die voortkomt van de terugbetaling tijdens het belastbaar tijdperk van een gedeelte van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig artikel 292bis, $ 1, vide lid; m) het bedrag van de actualisering van de voorraad door erkende diamanthandelaars als vermeld in de wet van 26 november 2006 houdende een begeleidingsmaatregel voor een voorraadactualisering door de erkende diamanthandelaars waarvoor aan de voorwaarde van onaantastbaarheid tijdens het belastbare tijdperk niet langer is voldaan; ni) de definitief vrijgestelde sommen voor de terugneming van waardeverminderingen overeenkomstig artikel 184quinquies, tweede lid; ©) de delinitief vrijgestelde sommen voor de terugneming van waardeverminderingen die door een rechtspersoon bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 2018 tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrijven zijn erkend in de jaarrekening van een boekjaar dat werd afgesloten vóór het boekjaar dat betrekking heeft op het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon onderworpen is aan de vennootschapsbelasting; p) de winst die op basis van artikel 185, 2, b, wordt herzien; ‘en verhoogd met de bedragen in mindering gebracht van de begintoestand van de reserves; 2 onder ‘verworpen uitgaven” - de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen; - het bedrag, vóór aftrek van het vrijgestelde gedeelte, van de giften als zijn vermeld in artikel 145-2, 5 1, eerste lid, tetot4s,a; - de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt in de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze nietin het gereserveerde resultaat is begrepen; 3 onder ‘dividenden’, de dividenden vermeld in artikel 18-.

Art 11. In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/2 ingevoegd, luidende: “Art. 206/2. Het totale bedrag van het overeenkomstig artikel 206/1 vastgestelde resultaat wordt verminderd met het werkelijke resultaat van de activiteiten van de zeescheepvaart of van het beheer van zeeschepen voor rekening van derden, waarvoor de winst orlaitair wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de programmawet van 2 augustus 2002”.

Art 12. In dezelfde onderafdeling 6, wordt een artikel 206/3 inge“Art. 206/3. 1. Van het resultaat dat overeenkomstig art kel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van, het belastbare tijdperk, mag worden verricht

  • het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79;
  • de verkregen financiële voordelen of voordelen van alle aard vermeld in artikel 53, 24°,
  • de grondslag van de in artikel 219 bedoelde afzonderlijke aanslag;
  • het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgaven bedoeld in artikel 198, 5 1, 9, 9“bis en 12,
  • het gedeelte van de winst uit de niet-naleving van artikel 194quater, $ 2, vierde lid, en de toepassing van artikel 194quater, 5 4;
  • de in artikel 217, eerste lid, 4°, bedoelde kapitaal en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instelingen aan landbouwers wordt toegekend;
  • de grondslag van de in artikel 519ter, $ 1, bedoelde belasting.
  • het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van een wijziging van de aangifte bedoeld in artikel 346 of een aanslag van ambtswege bedoeld in artikel 351 waarvoor de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen tegen een percentage gelijk of hoger dan 10 pct. effectief worden toegepast:
  • het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, 5 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt.

Art. 13. In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/4 inge“Art. 206/4. Het totale bedrag van het overeenkomstig de arikelen 206/1 tot 206/3 vastgestelde resultaat wordt eventueel volgens oorsprong onderverdeeld in: 1° in België behaald resultaat, indien positief hierna te noemen “Belgische winst”; 2° in het buitenland behaald resultaat dat niet vrijgesteld Is krachtens dubbelbelastingverdragen, indien positief hierna te noemen “niet bij verdrag vrijgestelde winst”; 3° in het buitenland behaald resultaat dat van belasting is vrijgesteld krachtens dubbelbelastingverdragen, indien positief hierna te noemen “bij verdrag vrijgestelde winst” ‘Alvorens die onderverdeling wordt gedaan, worden de verliezen van het belastbare tijdperk die in een land worden geleden, achtereenvolgens op het totale bedrag van de winst uit andere landen aangerekend in de hierna aangegeven volgorde: a) verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bij verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de Belgische winst; b) verliezen geleden in een land waarvoor de winst niet bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de niet bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de Belgische winst; ©) in België geleden verliezen: eerst op de Belgische winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bi verdrag vrijgestelde winst Indien op basis van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting de winst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet is vrijgesteld, dient deze winst te worden opgenomen in de categorie “niet bij verdrag vrijgestelde winst”. In het geval in de categorie “niet bij verdrag vrijgestelde winst”, winst is begrepen waarvan de belasting op die winst bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van, dubbele belasting wordt verminderd, wordt bij de toepassing van het tweede lid, de verliezen eerst aangerekend op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, alvorens te worden aangerekend op de winst waarvan de belasting bi toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd”.

Art. 14. In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/5 inge“Art. 206/5. Van het saldo van de winst dat overeenkomstig de artikelen 206/1 tot 206/4 is vastgesteld en onderverdeeld, worden achtereenvolgens afgetrokken, in zover ze er nog in voorkomen: 1e de bi verdrag vrijgestelde winst; 2° in globe: a) het vrijgestelde gedeelte van giften als vermeld in arti kel 145%, 5 1, eerste id, 1° tot 3° en 4°, a; b) de andere niet-belastbare bestanddelen die in de winst voorkomen en niet in 1° of 2°, a), van dit artikel, zijn vermeld, in het bijzonder de in artikel 67quater, vermelde vrijsteling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, de inkomens‘compensatievergoedingen bedoeld in artikel 67quinquies en de terugbetalingen van de in artikel 53, 6°, beoogde boeten. De som van de in het eerste id, 2°, vermelde bedragen wordt bj voorrang van de Belgische winst van het belastbare tijdperk afgetrokken en, tot het eventuele overschot, van de niet bij verdrag vrijgestelde winst van dat tijdperk” Art. 15. In artikel 207 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) het eerste lid wordt vervangen als volgt: “De in de artikelen 201 tot 206, 536 en 543 bedoelde aftrek. ken worden vervolgens van de resterende winst die overblijft na toepassing van artikel 206/5 afgetrokken. Deze aftrekken gebeuren met inachtneming van de oorsprong van de winst en bij voorrang van de winst waarin die bedragen voorkomen” b) het tweede lid, eerste streepje, wordt opgeheven; ©) het zevende lid wordt vervangen als volgt “De aftrek van de vorige beroepsverliezen wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen uit arkel 206/4, tweede lid”; 9) het achtste lid wordt opgeheven.

Art. 16. In ülel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 5, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 207/1 ingevoegd, luidende: “Art. 2071. Het resultaat na toepassing van artikel 207 wordt verhoogd met de op forfaitaire wijze overeenkomstig 2 augustus 2002, vastgestelde winst uit zeescheepvaart en ui het beheer van zeeschepen voor rekening van derden”.

Art 17, In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 207/2 inge“Art. 207/2. Het in artikel 206/3, $ 1, eerste lid, vermelde gedeelte van het resultaat wordt opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikel 207/1 Het in artikel 206/3,$ 1, tweede Id, vermelde gedeelte van het resultaat wordt eveneens na aftrek van de resterende in artikel 205, $ 2, aftrekbare inkomsten, opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikei 2071 Art. 18. In artikel 208, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden, “183 tot 207/9” vervangen door de woorden “183 tot 2072.

Art. 19. ‘Artikel 217, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.

Art. 20. ‘Artikel Stater, 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 maart 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.

Art. 21. De artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 seplember 2017 tat voorkoming van het witwassen van, geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, worden ingetrokken.

Art. 22, De artikelen 9 tot 20 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. ‘Andere wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 23. In artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, wordt de bepaling in het eerste streepje, vervangen als volgt *- 40 pet. voor gebouwde onroerende goederen, alsmede voor materieel en de outilage, die van nature of door hun, bestemming onroerend zijn, zonder dat de vermindering, met betrekking tot de in artikel 7, 1, 2°, c, vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen dan twee derde van het kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met een coëificiënt die 4,23, bedraagt. Die revalorisatiecoëlficiënt wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex van het Rijk met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gezondheids indexcijfer van de maand december van twee jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door dat van de maand december 2013. De coëfficiënt die zo wordt bekomen, wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al ofniet 5 bereikt. De geïndexeerde revalorisatieeoërfiiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet 5 bereikt”.

Art. 24, In artikel 17, 8 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 22 december 1998, worden de woorden “de niet in 5° vermelde” worden ingevoegd vóór de woorden “inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen”.

Art. 25. In artikel 52 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij wet van 17 maart 2019, wordt een bepaling onder 13° ingevoegd, luidende: “13° de in rubriek A. ‘handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening, zoals omschreven in artikel 3:172 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en vereni gingen, te boeken handelsgoederen”.

Art. 26. In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd 4° in de bepaling onder 7° worden de woorden “onverminderd artikel 52, 13°,"ingevoegd voor de woorden “kosten voor kledi”; 2° in de bepaling onder 8* worden de woorden ‘onverminderd artikel 52, 13° ingevoegd voor de woorden “50 pct. van de”; 3° in de bepaling onder 8°bis worden de woorden “onverminderd artikel 52, 13° ingevoegd voor de woorden “31 pct”; 4° in de bepaling onder 9° worden de woorden “onver minderd artikel 52, 13°, ingevoegd voor de woorden “kosten van allerler” Art. 27. In titel I, hoofdstuk Il, afdeling IV, onderafdeling Il, van hetzelfde Wetboek, wordt een arikel 53/1 ingevoegd, luidende: “Art. 53/1. In afwijking van artikel 53 worden kosten of toekenningen als vermeld in artikel 53, 7° tot 9°, die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten of toeken ningen uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld, als beroepskosten aangemerkt”.

Art. 28. ‘Artikel 57, eerste id, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende: “4° inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, eerste lid, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°” Art. 29. In artikel 145%, 8 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden alsook samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid tussen enkel openbare centra voor maatschappelijk welzijn”; 2° in de bepaling onder k) worden de woorden ‘of in arti kel D.32 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek” ingevoegd tussen de woorden “in arikel 5 van de wet van 14 augustus, 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren” en de woorden “en die voldoen aan” Art. 30. In artikel 180, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: “3° de Delcredere”, 2° de bepaling onder 6* wordt vervangen als volgt “6° de Waalse vervoersoperator “Opérateur de Transport de Wallonie”; Art. at. In artikel 192, $ 1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012, worden de woor. den “de in het eerste lid bedoelde voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één, jaar in volle eigendom” vervangen door de woorden “de in arikel 202, $ 2, eerste id, 2°, vermelde voorwaarde”.

Art. 32. In arikel 198, $ 1, 9”, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011, gewijzigd bij de welten van 13 december 2012 en 25 december 2016 en gewijzigd bijde wet van 30 maart 2018 maar deze laatste wijziging geannuleerd bijhet arest 11/2020 van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, 5 2, eerste tot negende lid” vervangen door de woorden “over. eenkomstig artikel 36, 5 2, eerste tot twaalfde lig.

Art. 33. In artikel 198,5 1, 9*bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van, 30 maart 2018 maar deze laatste wijziging geannuleerd bijhet arrest 11/2020 van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, worden de woorden ‘overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot negende lid,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot waalide lid”.

Art. 34. In artikel 205, $ 2, eerste lid, 8°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, worden, de woorden “in artikel 198, 5 1, 4°, 6° en 8°” vervangen door de woorden “in artikel 198, 5 1, 4° en 6°7.

Art. 35. In artiket 207, tiende lid, van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de woorden “naar Belgisch recht” opgeheven.

Art. 36. In artikel 216, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2004, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt: “b) voor de hierna volgende vennootschappen voor huisvestingskrediet: - de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappi, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen of de door de bevoegde regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen; - het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familes nombreuses de Gewest, zomede de door het Vlaamse Gewest, het Brussels, Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest erkende vennootschappen of instellingen die tot doel hebben leningen, toe te staan voor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrichten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen”.

Art. 37. In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht 4° in het eerste lid worden de woorden “en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°* vervangen door de woorden ‘en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede id, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten als bedoeld in artikel 17, 8 1, 35, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°*; 2° in het tweede lid worden de woorden “inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”" ingevoegd tussen de woorden ‘voordelen van alle aard en de woorden “financiële voordelen en verdoken meerwinsten”, 9 in de derde lid worden de woorden “of van de voordelen en 32, tweede lid, 2°* vervangen door de woorden “van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lig, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten, betreft, en 5° 4 in de vierde lid worden de woorden “of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2, en 32, tweede lid, 2° vervangen door de woorden, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°,of van de inkomsten bedoeld in artikel 17,5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°* Art. 38. In artikel 219bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht 4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement” vervangen door de woorden “de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du logement”; 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met wee leden, luidende: “Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op de reserves die, worden overgedragen naar een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de toepassing van dit arikel worden deze reserves bij de vennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn aangelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een in artikel 210, $ 1, 1°, bedoelde verrichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor de toepassing van dit artikel ook als een overgedragen reserve beschouwd.” 3° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende: 2°,b, wordt deze aanslag niet gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere In artikel 216, 2°,b, bedoelde vennootschap. De aanslag wordt evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend onmiddelijk in het kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering doorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte kapitalen voort te komen. Voor de toepassing van dt artikel wordt de vermindering van deze ingebrachte kapitalen In afwijking van artikel 18, eerste id, 2°, als een dividend beschouwd.” Art. 39. In artikel 223, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1°in het eerste lid, 1°, worden de woorden ‘en voordelen van tweede lid, 2°” vervangen door de woorden *, voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede id, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en van inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°*; 2° in het tweede lid, 4° en 5°, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot negende lid,” telkens vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 36, 5 2, eerste tot twaalfde lid; 3° in het derde lid worden de woorden “het bedrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de kosten bedoeld in artikel 57” vervangen door de woorden “het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5”.

Art. 40. In artikel 225, tweede lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden “op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten en voordelen van alle aard” door de woorden ‘op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5 Art. 41. In artikel 233, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bijde wet van 19 december 2014, worden de woorden “en voordelen van alle aard” vervangen door de woorden *, voordelen van ale aard en inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 32, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5” Art. 42. In artikel 234, eerste id, 4°, van hetzelfde Wetboek, laatsteljk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de woorden “en de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede li, 2°, en 32, tweede lid, 2° vervangen door de woorden *, de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede id, 2°, en 32, weede lid, 2°, en de inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten ‘en naburige rechten betreft, en 5°”.

Art. 43. In artikel 275 van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 4° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden “in artikel 2° vervangen door de woorden “in het tweede id”; 2 in paragraaf 6, enig lid, wordt het woord “vermelden” vervangen door het woord “vermelde”.

Art. 44. In artikel 362 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen 4 in het eerste lid worden de woorden “of baten” ingevoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden ‘van het belastbare tijdperk” en worden de woorden “ze zijn toegekend” vervangen door de woorden “ze respectievelijk zijn toegekend of ontvangen”; 2 in het tweede lid worden de woorden “of baten” ingevoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden “werd aangemerkt Art. 45. In artikel 41/1, 8 1, tweede lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016, worden de woorden “de overeenkomstig artikelen 215, 216 en 218 berekende belastingen” vervangen door de woorden "de overeenkomstig artikelen 215 tot 218 berekende belastingen”, worden de woorden “de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inkomsten” vervangen door de woorden “de in het eerste lid, 1919, 2°, 3° en 6°, bedoelde inkomsten” en worden de woorden “het geheel van de in de artikelen 215, en 216 bedoelde inkomsten” vervangen door de woorden “het resultaat na toepassing van artikel 2071”.

Art. 46. Inwerkingtreding De artikelen 24, 28, 37, 39, 1° en 3°, 40 tot 42 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2021 betaalde of toegekende Inkomsten tijdens een belastbaar tijdperk dat ten vroegste verbonden is met het aanslagjaar 2022. De artikelen 25 tot 27 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. ‘Artikel 29, 1°, is van toepassing op giften gedaan vanaf 1 januari 2022.

Artikel 29, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019. ‘Artikel 38 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020, ‘Artikel 39, 2° heeft uiwerking met ingang van 1 januari 2021. ‘Artikel 44 is van toepassing op de kapitaalsubsidies die worden ontvangen vanaf 1 januari 2021

Hoofdstuk 6. Wijziging van de wet van 22 mel 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Art. 47. In artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot insteling van een winstpremie voor de werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “In afwijking van de artikelen 183 tot 207/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,” vervangen door de woorden “In afwijking van de artikelen 183 tot 207/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,” Art. 48. Dit hoofdstuk is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022 Art. 49. ‘Artikel 116 van de programmawet van 2 augustus 2002 wordt aangevuld met twee leden, luidende: “Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit de zeescheepvaart wordt vast gesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, 5 1, tweede li, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het vorige lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst op basis van tonnage wordt bepaald”.

Art. 50.

Artikel 124, 5 1, van dezelide programmawet, wordt aangevuld met twee leden, luidende: ‘en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald. uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op basis van tonnage wordt bepaald”.

Art. 51. De artikelen 49 en 50 zijn van toepassing vanaf het aan slagjaar 2022 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op í januari 2021 Art. 52. Worden bekrachtigd met ingang van hun respectieve datum van inwerkingtreding; 1e het koninklijk besluit van 20 Juni 2021 tot wijziging van de bijlage Il van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid; 2° het koninklijk besluit van … juli 2021 tot wijziging van de bijlage Il van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid Titel Art. 53. In artikel 1, derde lid van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 20 september 2018, worden de woorden “artikelen 3 tot 7, 8, 1°, 9 en 10” vervangen door de woorden “artikelen 3 tot 7,8, 1°, en 10”.

Art. 54. In artikel 21 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 Juli 2017, worden de volgende wijzigingen a) in de bepaling onder 4° worden de woorden “artikel 46, 8 2” vervangen door de woorden “artikel 46, 5 3°; b) de bepaling onder 13°, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vernummerd tot 14°. Wijzigingen van het Wetboek der successierechten Art. 55. ‘Artikel 103! van het Wetboek der successierechten, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, wordt ‘aangevuld met een id, luidende: “De Koning kan bepalen dat de lijst op elektronische wijze moet worden toegezonden en de nadere regels daarvan bepalen.” Registratie-, hypotheek: en griffierechten Wijzigingen van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten Art. 56. ‘Artikel Sbis van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2021, wordt vervangen als volgt: “Art. 5bis. Een akte die wordt aangeboden ter registratie en ter hypothecaire overschrijving, wordt tezelfdertijd tot de belde formaliteiten aangeboden, behalve indien de termijnen voor de aanbieding ervan verschillen. Bij gelijktijdige aanbieding tot de formaliteiten, wordt de registratie van de akte geweigerd zolang op dit kantoor de overschrijving wordt geweigerd. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de verklaringen van niet-vatbaarheid voor beslag van de woning van een zelfstandige bedoeld in de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)” Art. 57. In artikel 32 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 december 2020, worden de volgende wijzigingen a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt: “De termijnen voor de aanbieding ter registratie van verplicht te registreren akten zijn”; b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1 voor akten van notarissen, vijtien dagen; De termijn is evenwel: a) twee maanden, voor de in het kader van een openbare verkoop van een onroerende goed opgemaakte processen verbaal van: 1 het ontbreken van hoger bod; ï definitieve toewijs; im, het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht; Iv. het vaststellen van het bekomen van een financiering; b) vier maanden, te rekenen van het overlijden van de erflaters of schenkers voor: ide testamenten; ide schenkingen van toekomstige goederen gedaan tussen echtgenoten gedurende het huwelijk andere dan bij huwelijkscontract; im, de akten van herroeping van de onder en ii bedoelde akten; Iv. de verklaringen betreffende testamenten in de interna tionale vorm; v. de akten van bewaargeving van een testament door de erflater. Voor de akten die gelijktijdig worden aangeboden tot de formaliteiten van de registratie en van de hypothecaire overschrijving die bij de aanbieding ter registratie binnen de in het eerste id gestelde termijn niet werden geregistreerd wegens de weigering van de overschrijving, bedraagt de termijn zeven dagen te rekenen van de datum van de kennisgeving aan de notaris van deze weigering. Deze termijn verstrijkt niet voor het einde van de termijn bepaald, naargelang het geval, in het eerste lid of in het tweede lid, a)”; ©) de bepaling onder 3*bis wordt vervangen als volgt: “gebis voor akten van bestuursoverheden en ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten ‘en openbare instelingen die verplicht onderworpen zijn aan de formaliteit van de registratie en aan die van de hypothecaire overschrijving, vijftien dagen; De termijn is evenwel twee maanden voor de in het kader van een openbare verkoop van een onroerende goed opgemaakte processen-verbaal van: a) het ontbreken van hoger bod: b) definitieve toewijs; ©) het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht; d) het vaststellen van het bekomen van een financiering schrijving, die bij de aanbieding ter registratie binnen de in het dagen te rekenen van de datum van de kennisgeving van, deze weigering aan de bestuursoverheden of ambtenaren en openbare instellingen. Deze termijn verstrijkt niet voor het einde van de termijn bepaald, naargelang het geval, in het eerste lid of in het tweede lid”; 4) in de bepaling onder 6” worden de woorden “agenten van Staat, provinciën” vervangen door de woorden ‘ambtenaren, van de Staat, geledereerde entiteiten, provincies” Art. 58. In arikel 35 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2020, worden de volgende wijzi1° in het eerste lid, 5°, worden de woorden "agenten van van de Staat, geledereerde entiteiten, provincies”; 2° net artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Wanneer de schuldenaar van de rechten en, in voorkomend geval, van de boeten geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt het bericht aan de procureur des Konings te Brussel verzonden” Art. 59. In artikel 36 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 juni 1986, worden de woorden “tweede id, “vervangen door de woorden “tweede lid, by Art. 60. In artikel 37 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 juni 1986, worden de woorden “2de alinea” vervangen door de woorden “tweede lid, by.

Art. 61. In artikel 39 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bi de wet van 7 februari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht 2) de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt “1e de akten van notarissen en gerechtsdeurwaarders, op het kantoor bevoegd voor hun standplaats; ‘Op het kantoor bevoegd voor de ligging van het eerste erin vermelde onroerende goed wordt evenwel geregistreerd een akte die cumulatief 2) onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 houdende regeling van de aanbieding van, akten van bepaalde instrumenterende ambtenaren tot de registatieformaliteit en tot de hypothecaire openbaarmaking; b) onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn buiten, het ambtsgebied van het kantoor bevoegd voor de standplaats; ©) gelikijig ter overschrijving wordt aangeboden. Het tweede lid is niet van toepassing op een akte van nietvatbaarheid voor beslag van de woning van een zelfstandige bedoeld in de Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) b) de bepaling onder 4°, wordt vervangen als volgt: “4 De akten van bestuursoverheden en ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten en openbare instellingen, op het kantoor bevoegd voor hun zetel of standplaats; 'Op het kantoor bevoegd voor de ligging van het eerste erin akte die cumulatief: a) onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 houdende regeling van de aanbieding van registratieformalteit en tot de hypothecaire openbaarmaking; b) onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn buiten het ambtsgebied van het kantoor bevoegd voor de zetel of de standplaats; ©) gelijktijdig ter overschrijving wordt aangeboden;” Art. 62. ‘Artikel 140octies van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij zigd bij de wet van 7 februari 2021 wordt vervangen als volgt: “Art. 140octies. Indien artikel 140quinquies van toepassing Is worden het recht verschuldigd bij toepassing van de artikelen 131 tot 140 en de interesten vereffend op een verklaring die ter registratie wordt aangeboden op het kantoor waar het verlaagd recht werd vastgesteld, binnen de eerste vler maanden na het verstrijken van het jaar lijdens hetwelk de oorzaak van de opeisbaarheid van het recht zich heeft voorgedaan en dit op straffe van een boete gelijk aan dit recht. Indien artikel 140sexies van toepassing is, biedt de opvolger die het verlaagd recht heeft genoten op het voormelde kantoor een verklaring ter registratie aan waarin de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij het overeenkomstig de artikelen 131 tot 140 verschuldigde recht wenst te betalen wordt aangegeven, Deze verklaring wordt in dubbel gesteld en door de opvolger die het verlaagd recht heeft genoten ondertekend; één exemplaar ervan blijft berusten op het voormelde kantoor. Ze vermeldt de akte, de oorzaak van de opeisbaarheid van het verschuldigde recht en al de voor de vereffening van het recht vereiste gegevens.” Art. 63. ‘Artikel 159, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 64. In artikel 161, 1°, van hetzelde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 5 december 2001, worden de woorden “Staat, Kolonie en openbare Staatsinstelingen met uitzondering van de akten verleden in naam of ten gunste van de Algemene Spaar- en Lijrentekas voor de verrichtingen van de Spaarkas” vervangen door de woorden “de Staat, gefedereerde entiteiten en de openbare instellingen ervan” Art. 65. In artikel 162 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende a) in de bepaling onder 4°, gewijzigd bij de wet van 23 december 1958, worden de woorden “Staat, Kolonie, provinciën vervangen door de woorden “de Staat, geledereerde entiteiten, provincies”; b) in de bepaling onder 29°, vervangen bij de wet van 23 december 1958 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980 en bij de wet van 22 december 1989, worden de woorden “aan de Lijrentekas, de Verzekeringskas en de Rentekas voor arbeidsongevallen van de Algemene Spaar- en Lijrentekas,” opgeheven.

Art. 66. In artikel 265, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “genomen om de invordering te waarborgen van aan den Staat, aan de Kolonie, aan provinciën, aan gemeenten, aan polders en wateringen verschuldigde belastingen” vervangen door de woorden “tot zekerheid van de invordering van belastingen, verschuldigd aan de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten, polders en wateringen” Wijzigingen van koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registrate, hypotheek en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken Art. 67. In arikel 4 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie, hypotheek- en grifierechten en het houden van de registers in de gres van de hoven en rechtbanken wordt in het eerste lid het woord “vijftien” vervangen door het woord “dertig” Art. 68. ‘Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt “Art. 6. De rolrechten die niet tijdig worden betaald, alsook de administratieve boete wegens laatijdige betaling, worden opgenomen in een innings- en invorderingsregister, opgemaakt en uitvoerbaar verklaard en ter kennis gebracht van de schuldenaar overeenkomstig artikel 3, $$ 2 tot 4, van de domaniale wet van 22 december 1949. Voor de toepassing van artikel 3, 52, van die wet, wordt het verschuldigde rolrecht geacht niet het voorwerp uit te maken van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot de betaling ervan ‘Artikel 4 van de domaniale wet van 22 december 1949 is van toepassing op de invordering van de administratieve boete wegens laattijdige betaling” Tuel.

Hoofdstuk 1. Verbetering in de diverse fiscale wetboeken en wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van Inkomende berichten onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën Art. 69. In artikel 39/1, $ 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het arikel 31 van, de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialistie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse iscale wetboeken en wetten worden de volgende 1° de woorden “op het beveiligd elektronisch platform bedoeld in arikel 304ter, tweede lid” worden opgeheven; (2 de woorden “voor de administratie” worden vervangen door de woorden “door de administratie.

Art. 70. In artikel 53octies, $ 2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij het artikel 48 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen t° de woorden “op het in artikel 69bis, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform” worden opgeheven;

Art.71. In artikel 289septies, 1, eerste lid, van het Wetboek der registratie, hypotheek: en griflerechten, ingevoegd bij het artikel 84 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen 1° de woorden “op het in artikel 289octies, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden opgeheven; 2° in de Nederlandse tekst, de woorden “voor de administratie” worden vervangen door de woorden “door de administratie”.

Art. 72. In artikel 162ter, 5 1, eerste id, van het Wetboek der successierechten, hersteld bij het artikel 119 van dezelfde wet, 1 de woorden “op het in artikel 162quater, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform” worden opgeheven; 2° de woorden “voor de administratie” worden vervangen door de woorden “door de administratie”.

Art. 73. In artikel 2t1quater, $ 1, eerste lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij het artikel 145 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1e de woorden “op het in artikel 211quinguies, tweede lid, Art. 74. In artikel 81, 5 1, eerste id, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, vervangen bij het artikel 173 van dezelfde 1e de woorden “op het beveiligd elektronisch platform bedoeld in artikel 97, tweede lid," worden opgeheven;

Art. 75. In artikel 22/2, $ 1, eerste id, van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Aimentatievorderingen bij de Federale Overheidsdienst Financiën, hersteld bij het artikel 201 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen doeld in artikel 20, tweede lid” worden opgeheven;

Art. 76. In artikel 17/1, 5 2, eerste id, van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 ju 1977, ingevoegd bij het arti kel 206 van dezelfde wet, worden de woorden “op het beveiligd elektronisch platform,” opgeheven.

Art. 77. In artikel 213, 5 1, eerste lid, van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tat wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, worden de volgende wijzigingen t° de woorden “op het artikel 207, tweede id, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden opgeheven; 2” in de Franse tekst, worden de woorden ‘pour le Service Public Fédéral Finances” vervangen door de woorden “par le Service Public Fedéral Finances”; 3° in de Nederlandse tekst, worden de woorden “voor de Federale Overheidsdienst Financiën” ingevoegd tussen de woorden “gereproduceerd, geregistreerd, en bewaard” en de woorden “volgens een informatica- of telegeleidingstechniek”

Hoofdstuk 2. Modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen Art. 78. In titel Vi, hoofdstuk, van het Wetboek van de inkomsten belastingen 1992 wordt een artikel 304/1 ingevoegd, luidende: “Art. 3047. $ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, gebeurt de terugbetaling van de in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen rekening houdend met de voor dit doel aan de administratie meegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of, voor de natuurlijke personen en bi gebrek aan dergelijke bankgegevens, per postassignatie of internationaal mandaat 8 2. Wanneer het terug te betalen bedrag minder bedraagt dan 50 euro en voor zover aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of voor zover aan de administratie voor dit doel niet kenbaar werd gemaakt dat de belastingplichtige niet over een bankrekening beschikt, wordt de terugbetaling, in afwijking van paragraaf 1, tot het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, verricht door aanwending overeenkomstig het artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004. Wanneer bij het verstrijken van het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken of aan deze voor dit doel niet kenbaar werd gemaak! dat de belastingplichtige niet over een, bankrekening beschikt en het terug te betalen bedrag, geheel of gedeeltelijk, niet kon worden terugbetaald overeenkomstig het eerste id, wordt het terug te betalen bedrag of het saldo ervan, in afwijking van artikel 304, niet terugbetaald” Art. 79, Dit hoofdstui treedt in werking op 1 januari 2022.

Hoofdstuk 3. Wijziging van artikel 322, 1, derde lid, van het Wetboek Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register Art. 80. In artikel 322, $ 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 februari 2019, wordt de zin “Het recht om het UBO-register te consufteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere te dan die van attaché” opgeheven

Hoofdstuk 4. Wijziging van de artikelen 301 en 412bís van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimonlumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering Art. 1. In artikel 301, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het Koninklijk besluit van 20 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “gevestigd en ingevorderd door de ‘Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie® vervangen door de woorden “gevestigd en ingevorderd door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de invordering” Art. 82. In artikel 4t2bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 april 2020, worden de volgende wijzigingen @) in paragraaf 1, tweede lid, worden in de Franse tekst de woorden “visées par article 270, alinéa 1, 5 vervangen door de woorden ‘visées à article 270, alinéa 1, 5" en worden de woorden “het in artikel 49 van het Wetboek der registratie, hypotheek: en griffierechten vermelde kantoor” vervangen door de woorden “de bevoegde dienst van de Algemene ‘Administratie van de Inning en de Invordering”; b) in paragraaf 4, eerste id, worden de woorden “de ontvanger” vervangen door de woorden “het kantoor”; c) in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden “De ontvanger” vervangen door de woorden “Het kantoor belast met de registratie” d) in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “Na ontvangst van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing zal de ontvanger van de registratie” vervangen door de woorden “Na de bevestiging te hebben ontvangen dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing werd geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, zal het kantoor belast met de registratie”; e) in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “De ontvanger van de registratie” vervangen door de woorden “Het kantoor belast met de registratie”.

Art. 83. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2022. an consalidée avec amendements du gouvernement (v57) 25/10/2021 07-50 pact intégrée srnat@minfinfed.be ses - version consolidée avec amendemenis du on consoldée avec amendements du gouvernement (457) (une indemnié pour incapacité de travail invalt ou nies de toute nature en róparation totale ou pariele 5 (par exemple assurance complémentaire). In Belgique a condls une convention préventve dela, ,seraent mposés à un laux isinct en Belgique, de cete convention sans sene de progress. 4e application du coefficient de revalrsaion visé à si devait about au même résutat en terme de t itrodute à article 14, CIR 92 visant à oxchre la ubventon régional de bes nerts est déja ccroyée er une base légale à a producton de fiches. revenus waês à lartcle 17, ten 3° et 5”, CIR 92, elariele 39,5 2 CIR S2, avec le 21, afin de rêparer cal de certaines pensions êtrangères te régime belge le dêfiniive à a praique de tolérance administrative essionnels nt introduire à article 90, 2bis,CIR 92, un traitement ons sparives exoeptionneles Art 30 une mesure êlargissant la liste des institutions ag Art 31:une mesure mettant à jour la dénominati article 180, alinéa ter, CIR 32; Conformément à larticle 192, $ ter, alinéa 8, CIR Art 33 et 34: des adaptations de références cont alinèa ter, 8°, CIR 52 Art. 35 une mesure ant-abus modifiant article 2 d'assurance de dro étranger ne puissent échapp Art. 36 et 38; une mesure de consolidation légale Particle 216, 2°, b, CIR 92, pour rêgler \'étabiissen ‘sortie d'agrèment, que le lëgislateur n'avait inital Art. 38, 2°: une correction technique d'une référe Art 4212 (amendement): une mesure remplacant ‘suppression de lexigence de capital minimum de au nouveau Code des sociétés et des association Art 42/3 à 42/5 (amendements): des dispositions 92, en 3 sous-sections Art 4216 (amendement): une mesure insérant un gestion et le contrôle de diverses mesures de dis; 82 pour les subsides en capital percus à partir du Art 45 une mesure de remise à jour de la règle deuxième tiet, CIR 92 Art 46: Les entrées en vigueur spécifiques du pr. ‘amendement, des entrées en vigueur spécifiques

Chapitre 5/1. Régime fiscal applicable aux fonds Les dispositions du présent chapitre apportent les Impôts sur les revenus 1992 pour insérer institu un nouveau véhicule financier inroduit parle règ

Chapitre 5/2. Modifications la lot du 19 avril 2014. et â leurs gestionnaires (amendement) Les dispositions de ce chapitre apportent encore suite à Fintroduction du régime applicable aux EL

Chapitre 5/3. Libéralités et calamités à limpòt des Par ce chapitre, e plafond pour béralits faites p ‘sociétés de 500.000 EUR à 2.500.000 EUR. CMR AIR du 25-10-2021 (202142041.010)

Chapitre 6. Modification de la li du 22 mai 2001 sociétés el à établissement d'une prime bénéîic

Chapitre 7. Modifications à a loiprogramme du 2 Il s'agit de nouveau d'une correction du texte en

Chapitre 7/2. Modification à la loi du 15 juilet 202 de la pandémie du COVID-19 (CORONA Ii) (ame

Chapitre 8/1. Modifications à la loi du 20 décembr raison de la pandémie du COVID-19 (amendemer Il s'agit d'une mesure de prolongation de la valiit décembre 2020 précitée jusqu'au 30 septembre 2

Chapitre 8/2. Modification de la loi du 18 juilet 20: Il 'agit ie de corrections de références contenues

Chapitre 8. Confirmation d'arrêtés royaux Le présent chapitre contient deux arrêtés royaux confirmation du égislateur est nécessaire confom est ajouté encore Un autre arrêté royal à confrme 3) Tire 3- Modifications du Code des droits et ta lest apporté des corrections techniques aux arti 4) Tire 4 - Modifications du Code des droits des Il estintroduit la possibilté que le Roi exige la var foumir par les assureurs professionnels. 5) Tire 5 - Droits d'enregistrement, d'hypothèque Chapitre ter - Modifications du Code des droits d Des adaptations et corrections techniques sont ex application “DER”, suppression de la “Colonie’ daricles, ete.) Par amendement 'artile 161 du Code des droits afin de mainteni 'exonêration temporaire du dro des mesures Corona. En outre, une exonération contexte des inondations.

Chapitre 2

hoofdstuk 4

Hist 7 - Wijzigingen aan de programmawet van 2 De toepassing van het belastingkrediet O&O word gunstregime van de tonnagetaks. Het saldo aan & van zodra de vennootschap opnieuw aan het gen wordt Hist 7/1. Wijziging aan de wet van 29 mei 2020 h gevalge van de COVID-19 pandemie (amendeme Dit is opnieuw een correctie van de Franse tekst Hist 712. Wijziging aan de wet van 15 juli 2020 he gevalge van de COVID-19 pandemie (CORONA | Hist. 8/1. Wijzigingen aan de wet van 20 decembe ten gevolge van de COVID-19-pandemie (amend Het betreft hier een maatregel om de geldigheid voornoemde wet van 20 december 2020 te verlen Hist 8/2. Wijziging van de wet van 18 juli 2021 ho gevolge van de COVID-19-pandemie (amendeme Het betreft hier correcties van verwijzingen in de Hist. 8 - Bekrachtiging van koninklijke besluiten Dit hoofdstuk bevat twee koninklijke besluiten inze 275, $ 3, WIB 92, de bekrachtiging van de wetge te bekrachtigen koninklijk besluit aan toegevoegd 3) Titel 3- Wijzigingen van het Wetboek diverse Er worden technische correcties aangebracht in d ‘artikel 21 WORT aangepast om de in het kader van het recht op geschriften te bestendigen 4) Titel 4 - Wijzigingen van het Wetboek der succ De mogelijkheid wordt ingevoerd dat de Koning dE inlichtingen die door de beroepsverzekeraars mos 5) Titel 5 - Registratie, hypotheek- en grifierecht Hist 1 - Wijzigingen van het Wetboek der registra Er worden technische aanpassingen en correcties “DER'-applicaie, schrapping van “Kolonie”, invoe artikelen, enz) Via amendement wordt arikel 161 van het Wetbo ‘aangepast om de in het kader van de coronamaal algemeen vast registratierecht te bestendigen. Ve tijdelijke vrjsteling van het expediterecht ingevoe Hist. 2 - Wijziging van het koninklijk beslut van 2 CMR RIA van 25-10-2021 (202142041.010) wetboek der registratie, hypotheek. en grifierech hoven en rechtbanken De termijn voor betaling van het olrecht wordt ve kalenderdagen. 6) Titel 6 - Fiscale procedure en invordering Hist 1- Verbetering in de dwerse fiscale wetboek Scanning van inkomende berichten onder geslate andere persoon aan de Federale Overheidsdiens De wijzigingen hebben tot doel om in de artikelen berichten op papier de verwijzing naar het bevei Hist 2- Modaliteiten en voorwaarden van de teru inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoerin ‘Teneinde onevenredige administratieve kasten te minder bedraagt dan 50 euro. gebeurt de terugbe bankgegevens werden meegsdsela die de uitvoe aan de administratie voor dit doel kenbaar werd g bankrekening beschikt. De aanbieding op het pos uitdaging en dan wordt de postassignatie om de ‘aangewezen dat de postassignatie verdwijnt omd ‘compensatie een verlaging van schulden inhoudt nag een actie wordt verwacht. Hist. 3 - Wijziging van artikel 322, $ 1, derde lid, v betrekking tot de gemachtigden die toegang hebb Dit hoofdstuk heeft tot doel een einde te maken a schrappen wanneer de raadpleging van de gegev de vestging van de inkomstenbelasting uitgevoer Hist. 4 - Wijziging van de artikelen 301 en 412bis, met het oog on de overdracht van de inning van b van de Patimaniumdocumentatie naar de Algeme De inning van de bedrijsvoorheffng en belasting onroerende goederen gerealiseerd door personen warden overgeheveld van de Algemene Administ Algemene Administratie Inning en Invordering. Vi ‘zangebracht en wrdt de inwerkingtreding uitgest Hist 5- Technische oorrecte die moet worden aa toegevoegde waarde (amendement) De tekst van het oude artikel 5aocties, 5 2, van he Isaarden de bij aan vorgg wijziging was vervange con nieuwe gjrggggaf tbs HSL 8 - Vermindering van de administratieve last ©. red gga e vdogreep belastingnlichtige ie op het arandagbie Advies van de Inspecteur van Financiën, akkoord Raad van State Artikel 72 van de voornoemde wet van 24 decemt fiscale bepalingen in die wet mb da deeleconor D. Brofiient gebrURt om de Impactanalyse UR te sf mlehtn Kostelaze aflevaane enafwering van Federale Overheidsdienst Financiën in geval van Interne gegevens van de FOD Financiën nypamecare gewgsenrmen. Cruamsre ste SESSION DE LA 55e LieistATURE Welke impact heeft het ontwerp van rege 1. Kansarmoedebestrijding D Positieve impact] Negatieve impact | 2. Gelijke kansen en sociale cohesie D Positieve impact _T Negatieve impact | 3. Gelijkheid van vrouwen en mannen 1. Op welke persanen heef het ontwerp (rechstre geslacht utgespltste samensteling van deze groef U Erzijn personen betrokken. | WJ Persone Leg uit waarom: Het voorontwerp raakt geen van de bovengenoer 4. Gezondheid 5. Werkgelegenheid D Positieve impact CT Negatieve impact | 6. Consumptie- en productiepatronen 7. Economische ontwikkeling D Positieve impact _J Negatieve impact | 8. Investeringen U Positieve impact _[) Negatieve impact | 9. Onderzoek en ontwikkeling 10. Kmo's 1. Welke ondernemingen zin rechtstreeks of onree DD Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokk Leg uit waarom Het huidige ontwerp bevat geen enkele maatregel 11. Administratieve lasten |___C Ondernemingen of burgers zijn betrokken 12. Energie 13. Mobiliteit D Positieve impact CJ Negatieve impact | 14. Voeding 15. Klimaatverandering 16. Natuurlijke hulpbronnen 17. Buiten- en binnenlucht 18. Biodiversiteit D Positieve impact Negatieve impact | 19. Hinder 20. Overheid 21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkel 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrect ontwikkelingslanden op het vlak van: vaedselvelg waardig werk, lokale en internationale handel, inko mobiliteit van personen, eefmieu en Kimaatveran en veligheid. TJ impact op ontwikkelingslanden. | HJ Gee Er zijn in dit ontwerp geen maatregelen die betrek CMR RIA van 25-10-2021 (2021A2041,010) Crnamare ste SESSION DE LA Se LEEISLATURE ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 70.034/3 VAN 15 OKTOBER 2021 ‘Op 27 juli 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving. door de minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengdtot 10 september 2021,” een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet ‘houdende diverse fiscale bepalingen Het voorontwerp is door de derde kamer onderzocht op 5 oktober 2021. De kamer was samengesteld uit Wilfried Van Vasnenaenan, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenkove en Koen Muvuie, staatsraden, Jan Veusens en Bruno Peerens, assessoren, en ‘Annemie Goossens, griffier. De verslagen zijn uitgebracht door Kristine Baus, eerste auditeur-afdelingshoofd, en Frédéric Vanneste, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Vav Vaenensenon, kamervoorzitter. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op *) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, $ 1, eerste id, 2”, In fine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd ‘op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege wordt verlangd met vijtien dagen wanneer hij begint 1. Met toepassing van artikel 84, $ 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Sraekena van Het voorontwerp 2. Het voor advies voorgelegde voorontwerp van wet bevat uiteenlopende wijzigingen aan verschillende fiscale regelingen. Voor een meer gedetailleerde bespreking van de ontworpen wijzigingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting. Vonuvenesten 3. De Gegevensbeschermingsautoritet heeft op 10 september 2021 advies 142/2021 uitgebracht over het voorontwerp. Uit dat advies kan echter niet worden afgeleid dat het betrekking heeft op alle bepalingen die thans deel uitmaken van het voorontwerp (zie bijv. tel 6, hoofdstukken 1 en 3, van het voor ontwerp). Voor zover er bepalingen zijn die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens die nog niet zouden zijn voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, zal aït alsnog dienen te gebeuren. Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het inwinnen van dat advies nog wijzigingen zou ondergaan,” moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van arlikel 3, $ 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling ‘Wetgeving worden voorgelegd. Onnenzoek van De TEKST 4. Bij deze titel zijn geen opmerkingen te maken, *__Aangezien het om eon voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen. verstaan. *_ Namelijk andere wijzigingen dan diegene waarvan in dit advies melding wordt gemaakt of wijzigingen da ertoe stokken tegemoet te komen aan hetgeen in dt advies wordt opgemerk 5. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken.

Artikel 5, 6. De bij artikel 5 van het voorontwerp ontworpen bepaling strekt ertoe om in een andere staat verkregen inkomsten die, als ze niet zouden zijn vrijgesteld, in België aan een afzonderlijk tarief zouden worden belast, vrij te stellen, zonder progressievoorbehoud. Gevraagd of het in het licht van de rechtszekerheid geen aanbeveling verdient om in de, Nederlandse tekst van de ontworpen bepaling te schrijven “indien ze overeenkomstig artikel 130 zouden worden belast”, verklaarde de gemachtigde dat die formulering inderdaad beter aansluit bij de doelsteling van de bepaling en dat de tekst in die zin zal worden aangepast Hiermee kan worden ingestemd.

Artikel 7 7. In het ontworpen artikel 248, $ 1, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) (artikel 7, 4, van het voorontwerp) moet nog worden bepaald op welke datum de werkgever uiterlijk via elektronische weg een afschrift van de woonplaatsverklaring aan de fiscale administratie bezorgt. De gemachtigde verklaarde in dat verband dat: “fdle afschriften van de woonplaatsverklaringen (…) net als de inkomstenfiches, vóór 1 maart van het jaar volgend op het inkomstenjaar aan de administratie bezorgd moeten worden. De tekst zal in die zin worden aangevuld/aangepast:'De werkgever bezorg! vóór 1 maart van het jaar volgend op het Inkomstenjaar via elektronische weg een afschrift van de woonplaatsverkdaring aan de fiscale administratie”. Met het tekstvoorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd.

Artikel 8 8. Luidens artikel 8, tweede lid, van het voorontwerp is artikel 7, 2° en 4°, van het voorontwerp van toepassing vanaf aanslagjaar 2023. Wat dat betreft rijst de vraag op welke wijze toezicht wordt gehouden op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 7, 1°,3° en 5”, van het voorontwerp, dat van toepassing is vanaf het aanslagjaar 2022. De gemachtigde gaf dienaangaande de volgende toelichting: “Het is de bedoeling om op de fiche 281.10 voor het inkomstenjaar 2021 ook alte laten vermelden of de inkomsten op de fiche inkomsten zijn van seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw waarvoor in beginsel een bevrijdende voorheffing geldt. Op die manier kan worden nagegaan of de inkomsten In aanmerking komen voor het stelsel van de bevrijdende bedrijfsvoorheffing. De bepaling in verband met de vermelding op de fiches die nu opgenomen is in het id dat wordt ingevoegd door artikel 7, #, van het ontwerp, zal in een apart lid worden ondergebracht dat vanaf aanslagjaar 2022 van toepassing is.” Het verdient aanbeveling om die verduidelijking op te nemen In de memorie van toelichting.

Artikel 10 9. In het ontworpen artikel 206/1, eerste lid, van het WIB e2 wordt verwezen naar “het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens dit Wetboek en de belastingwetten vrijgestelde gereserveerde winst". De vraag rijst of het gebruik van het begrip “belastingwetten” in dat verband wel adequaat is, nu die wetten vaak programmawetten betreffen die naast fiscale bepalingen ook andere bepalingen bevatten. Het verdient daarom aanbeveling om in de plaats, daarvan te verwijzen naar “specifieke fiscale bepalingen”. In het belang van de transparantie van de regelgeving is het bovendien raadzaam om van die bepalingen een officieuze lijst op te stellen, bij voorkeur in de vorm van een (te actualiseren) ‘omzendbrief, zodat het voor de belastingplichtige duidelijk is, welke bepalingen precies worden bedoeld 10. Bij het ontworpen artikel 206/1, tweede lid, 1°, van het WIB 92 rijst de vraag of de daarin opgenomen lijst van, bestanddelen, waarmee het gereserveerde resultaat wordt verminderd, al dan niet exhaustief is. De gemachtigde stelde dienaangaande het volgende: “Het was ooit de bedoeling om in het KB/WIB 92 een exhaustieve opsomming te maken. Doordat dit artikel nu naar het WIB 92 wordt verplaatst hebben we de ambitie losgelaten ‘om exhaustief te zijn. We stellen voor om dit voortaan ook in de wettekst te laten blijken door het ontworpen artikel 206/1, tweede id, 1°, WIB 92 aan te vullen met een restcategorie: ‘q) overige vrijgestelde winst, andere dan deze bedoeld in artikel 206/5;” Met het voorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd, met dien verstande dat in de toe te voegen bepaling, gelet op het fiscaal legaïiteitsbeginsel, het best melding wordt gemaakt van de “overige bij wet vrijgestelde winst”. Wel verdient het voor de rechtszekerheid aanbeveling om een officieuze lijst op te stellen van de sub q) bedoelde bestanddelen, bij voorkeur In de vorm van een (te actualiseren) omzendbrief, ook indien die lijst niet uitputtend is. 11. In het ontworpen artikel 206/1, tweede lid, 2°, van het WIB 92 wordt het begrip ‘verworpen uitgaven’ omschreven. Na het eerste streepje wordt in zeer algemene bewoordingen verwezen naar de “niet als beroepskosten aftrekbare bedrager. De vraag rijst dan waarom voor sommige bestanddelen wordt geopteerd voor een nauwkeurige opsomming en voor andere bestanddelen, zoals de niet als beroepskosten aftrek bare bedragen, een algemene omschrijving lijkt te volstaan.

Artikel 12 12. Wat betreft het ontworpen artikel 206/3, 5 1, tweede lid, van het WIB 92 kan worden verwezen naar de opmerking die de Raad van State, afdeling Wetgeving, dienaangaande heeft gemaakt in advies 62.368/1/2/3/4 van 1 december 2017 In dat verband kan ook worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019 inzake Brussels Securities SA tegen de Belgische Staat“ Artikel 13 13. De categorie ‘niet bij verdrag vrijgestelde winst”, bedoeld in het ontworpen artikel 206/4, vierde id, van het WIB 92, omvat ook winst waarvoor het dubbelbelastingverdrag niet In een vrijstelling maar in een vermindering van de Belgische belasting op de betrokken winsten voorziet. 134. Gelet hierop rijst de vraag of de aanrekening van Belgische verliezen op winst waarvoor de Belgische belasting op grond van een dubbelbelastingverdrag wordt verminderd niet problematisch is (ontworpen artikel 206/4, tweede lid, ©), van het WIB 92), ondanks de prioritaire aanrekening op andere niet vrijgestelde winsten (ontworpen artikel 206/4, vierde lid, van het WIB 92). Een dergelijke aanrekening heeft Immers een impact op de verdragsmindering en vermindert aldus de waarde van de aftrek van de betrokken verliezen. In een zuiver nationale context worden de verliezen immers, altijd tegen volledig belastbare winst afgetrokken. >__ AduRVS 62.368/1/2/3/4 van 1 december 2017 over het voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 18 juli 2018 ‘betreffende de ‘economische relance en de versterking van de sociale cohesie’, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2839/001, 492-501. «_geLLeu:C:2019:1132 C-3ao/1s. Eenzelfde probleem zou zich kunnen voordoen wanneer verliezen geleden in niet-verdragsstaten (ontworpen artikel 206/4, tweede lid, b), van het WIB 92) aangerekend worden op winsten waarvoor een gedeeltelijke vermindering van de Belgische belasting geldt, wat het bedrag van deze laatste en dus ook de verdragsvermindering zou reduceren. Ook in dit geval blijf het effect beperkt door de prioritaire aanrekening van verliezen op andere winsten in de categorie niet-vrijgestelde winst. De gemachtigde verstrekte hierbij de volgende verduidelijking: “Bij de opmaak van deze regeling hebben we de in de vraag opgeworpen vaststelling ook gemaakt, en we hebben dat afgewogen tegen het feit dat er slechts een verwaarloosbaar aantal gevallen zijn (de laatste drie belastbare tijdperken werd er geen enkele aangifte ingediend waarop de codes bedoeld In het antwoord op vraag 4 werden ingevuld) en deze regeling uitsluitend betrekking heeft op dubbelbelastingverdragen gesloten met derde landen, waardoor het VWEU en de hierin opgenomen vrijheid van vestiging niet speelt. Door de prioritaire aanrekening te voorzien op andere niet vrijgestelde winsten, hebben we getracht om het aantal gevallen waarin dit zich daadwerkelijk kan voordoen zo beperkt mogelijk te houden. Vervolgens moet ook worden vastgesteld dat de dubbelbelastingverdragen de wijze waarop verliezen moeten worden behandeld niet regelen. Het interne fiscale recht kan dt ons, inziens dus autonoom regelen. ‘Tot slot moet ook worden opgemerkt dat een parallelle behandeling van winsten en verliezen ook in andere gevallen niet is gegarandeerd, bijvoorbeeld in het geval waarbij de PPT [de nieuwe principal purpose test die vanaf de inwerkingtreding van het Multlateraal Instrument (MLI) in de betrokken gedekte Belgische dubbelbelastingverdragen wordt opgenomen) de toepassing van de belastingvrijsteling heeft opgeschort.” Al kan deze verantwoording in beginsel worden bijgetreden, dent niettemin te worden nagegaan of het in het belang van de rechtszekerheid niet aangewezen is om voor deze uitzonderljke situaties toch in een regeling te voorzien. 13.2. De ontworpen regeling bepaalt per categorie van verliezen van het belastbare tijdperk in welke volgorde ze op de verschillende categorieën van winsten moeten worden aangerekend (ontworpen artikel 206/4, tweede lid, van het WIB 92), doch er wordt geen onderlinge prioriteit van aanrekening bepaald tussen de verschillende categorieën van verliezen op elk van de betrokken categorieën van winsten indien die winsten onvoldoende zijn. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarvoor de betrokken bepalingen echter niet voorzien In een duidelijke volgorde van aanrekening. Aangezien het voor het recapture regime (artikel 185, $ 3, Juncto artikel 206 $ 1, van het WIB 92) van belang is om te weten wanneer een verlies werkelijk is verrekend, rijst de vraag of naast de huidige Zie in dat verband W. Waucus en D. Berrens, “Grensoverschrijdende verllosverrekening in België anno 2021", AFT 2021, p. 32-39. aanrekeningsregels ook niet moet worden voorzien in een volgorde van prioriteit tussen de verschillende categorieën van verliezen. De gemachtigde stelde dienaangaande het volgende: “De administratie is van mening dat er in de huidige aanrekeningsregels wel degelijk een volgorde is ingebouwd en er dus wel degelijk een onderlinge prioriteit is voorzien. De woorden ‘In de hierna aangegeven volgorde’ uit de inleidende zin van het ontworpen artikel 2064, tweede lid, WIB 92, wijzen immers niet enkel op de volgorde binnenin elke bepaling, maar wijzen ‘ook op de volgorde tussen de bepalingen: (eerst aanrekening van a} verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag vrijgesteld, dan aanrekening van b): verliezen geleden, in een land waarvoor de winst niet bij verdrag vrijgesteld, dan aanrekening van c}: in België geleden verliezen). ‘Aangezien uit de vraagstelling blijkt dat er op het terrein onduidelijkheid over bestaat likt het aangewezen om dit standpunt aanvullend toe te lichten in de memorie van toelichting. Vervolgens zijn we het ermee eens dat het inderdaad ook wenselijk is in functie van de toepassing van de in artikel 185, $ 3 WIB 92, voorziene recapture om binnen elke categorie een volgorde te bepalen. Deze volgorde kan ofwel door de wetgever zelf worden vastgelegd ofwel door in een regel te voorzien die de belastingplichtige de mogelijkheid geeft om deze volgorde autonoom vast te leggen. In beide gevallen zijn Inderdaad nog aanvullende regels nodig.” Met de door de gemachtigde in het vooruitzicht gestelde ‘aanpassingen kan worden ingestemd. 14. De vraag rijst waarom in het ontworpen artikel 206/4 van het WIB 92 enkel sprake is van dubbelbelastingverdragen en niet van andere relevante internationale verdragen. De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt: “Het doel van deze verwijzing is om een onderscheid te kunnen maken tussen buitenlands resultaat dat is vrijgesteld en buitenlands resultaat dat niet is vrijgesteld. De opname van een verwijzing naar TIEA's is in deze context niet zinvol. TIEA's bevatten enkel afspraken omtrent het verlenen van wederzijdse bijstand, ze bevatten geen afspraken die het vermijd[en] van dubbele belasting beogen, waardoor ten gevolge van deze verdragen geen Belgische winst kan worden vrijgesteld. De enige andere relevante multilaterale overeenkomst die op dit ogenblik van toepassing is, is de zogenaamde ‘MLT waarmee werd ingestemd bij de wet van 7 april 2019 houdende instemming met de Multilaterale overeenkomst ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winst verschuiving en met de verklarende Nota, gedaan te Parijs op 24 november 2016 Deze multilaterale overeenkomst heeft op zich niet tot doel ‘om nieuwe bestanddelen van het in het buitenland behaald resultaat vrij te stellen, bovenop de bestanddelen die al krachtens de door België gesloten dubbelbelastingverdragen van de Belgische belasting werd vrijgesteld. Deze overeenkomst heeft wel tot doel om de bestaande dubbelbelastingverdragen op een zo efficiënt mogelijke wijze aan te passen aan de BEPS minimumstandaarden en aanbevelingen. Hierdoor is het strikt genomen niet echt nodig om in het ontworpen artikel 206/4 naar dit multlateraal verdrag te verwijzen. Maar vooroplopend op het waarschijnlijke toekomstscenario waarbij de internationale fiscale regels verder zullen worden vastgelegd middels multilateraal gesloten verdragen, stellen we voor om de term ‘dubbelbelastingverdragen’ te wijzigen In ‘ntenationale verdragen’ Met de door de gemachtigde voorgestelde aanpassing kan worden ingestemd.

Artikel 14 15. Aan de gemachtigde is de volgende vraag voorgelegd: “Bevat de rubriek aftrek van de bij verdrag vrijgestelde winst (ie het ontworpen artikel 206/5, eerste lid, 1°, WIB 92) ook de vermindering van de belasting die bedoeld is in het ontworpen artikel 206/4, vierde lid, WIB 92)? Zo dat niet het geval is, onder welke bewerking valt die vermindering dan wel? In de huidige regelgeving lijkt immers niet uitdrukkelijk te zijn vastgelegd hoe een dergelijke vermindering technisch moet worden toegepast en ook het aangifteformulier bevat hiervoor geen afzonderlijke code. De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt: “Het is correct dat er op de aangifte geen afzonderlijke code is voorzien, maar deze is wel aanwezig in de ‘backoffice van Biztax. Zie hiervoor de in bijlage toegevoegde aangifte VenB Biztax Beheer aj. 2019), waar op (biz. 17/19) in het vak “Buitenlandse winst belastbaar bij verlaagd tarief het bedrag van de winst waarvan de belasting wordt verminderd moet worden aangegeven (codes 9149, 9149 en 9149) De ‘bewerking’ gebeurt helemaal aan het einde van de berekening. Eerst wordt de vennootschapsbelasting berekend alsof de winst die in aanmerking komt om te worden verminderd, afkomstig is uit een land zonder verdrag. Vervolgens wordt deze belasting pro rata verdeeld tussen het deel dat overeenkomstig het verdrag moet worden verminderd en de overige winst (Belgische winst en niet bij verdrag vrijgestelde wins). Tot slot wordt de vermindering toegepast op het deel van de belasting dat ingevolge de pro rata betrekking heeft op de belasting die overeenkomstig het verdrag moet worden verminderd” Artikel 15 16. Het ontworpen artikel 207, zevende lid, van het WIB 92 (artikel 15, ©), van het voorontwerp) bepaalt dat “d]e aftrek van vorige beroepsverliezen wordt uitgevoerd in overeenstemming met de [ontworpen] bepalingen uit artikel 206/4, tweede lid”. De vraag rijst hoe deze wijze van aanrekening zich verhoudt tot de bepaling in artikel 206, $ 1, vierde lid, van het WIB 92 die betrekking heeft op de (vorige) definitieve beroepsverliezen bedoeld in artikel 185, $ 3, van het WIB 92. De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt: “Deze vorige definitieve beroepsverliezen zijn verliezen geleden in een land waarvoor de winst bi verdrag is vrijgesteld. Hierdoor moeten zij overeenkomstig het ontworpen artikel 206/4, tweede lid a), WIB 92, worden aangerekend eerst op de bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bi verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de Belgische winst” ‘Andere wijzigingen van het Wetboek Artikelen 37, 39 en 40 17, In artikel 37, 3° en 4°, van het voorontwerp dient te worden bepaald dat respectievelijk het vijfde en het zesde lid (niet: het derde en het vierde ig) van artikel 219 van het WIB 92 worden gewijzigd. De gemachtigde bevestigde dit en verklaarde daarnaast nog het volgende: Met die aanpassingen kan worden ingestemd. 18. Rekening houdend met de wijzigingen die bij artikel 39, 1°, 2° en 3°, van het voorontwerp worden aangebracht in respectievelijk het eerste, het tweede en het derde lid van artikel 223 van het WIB 92, rijst de vraag of niet eveneens het vierde lid van dat artikel dient te worden aangepast betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers 19. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. ‘Wijzigingen aan de programmawet 20.

Hoofdstuk 7

van titel 2 van het voorontwerp bevat bepalingen die eerder al waren opgenomen in het voorontwerp van wet waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 13 november 2019 advies 66.608/3-4 heeft uitgebracht.° Voor het onderzoek van die bepalingen wordt dan ook in eerste instantie verwezen naar dat advies. De (minieme) wijzigingen die aan de vroegere tekst zijn aangebracht, geven geen aanleiding tot bijkomende opmerkingen. 21. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Wijziging van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen 22. Bij deze titel zijn geen opmerkingen te maken.

Artikel 55 23. In het bij artikel 55 van het voorontwerp ontworpen artikel 103’, tweede lid, van het Wetboek der successierechten schrijve men in de Nederlandse tekst “dat de inlichtingen op elektronische wijze moeten worden toegezonden”. Registratie, hypotheek- en griffierechten Wijzigingen van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten Artikelen 56 en 61 24. De artikelen 56 en 61, a), van het voorontwerp beogen In het Wetboek der registratie-, hypotheek: en griffierechten bepalingen op te nemen die betrekking hebben op akten die tezelfdertijd ter registratie en ter hypothecaire overschrijving worden aangeboden (resp. het ontworpen artikel 5bis en het ontworpen artikel 39, 1°, van dat wetboek). Op die regeling *_Parl.St Kamer 2019-20, nr. 55-0828/001, 36-39, wordt telkens in een uitzondering voorzien voor ‘de verklaringen (akten) van niet-vatbaarheid voor beslag van de woning van een zelfstandige bedoeld in de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). Gevraagd naar een verantwoording voor die uitzondering in het licht van het gelijkheidsbeginsel, antwoordde de gemachtigde het volgende: “De uitzondering werd zo in de icttoepassing geprogrammeerd omdat er een onderscheid wordt gemaakt met betrekking tot de akten die onderworpen zijn aan lysische mutaties, die moeten worden behandeld door de administratie Opmetingen ‘en Waarderingen, en de akten die daar niet aan onderworpen zijn. Bij dit soort akten is er geen fysische mutatie, waardoor deze anders worden verwerkt. De wet voorziet in de wettelijke basis hiervoor” Het is evenwel niet duidelijk hoe die verantwoording moet worden betrokken op de ontworpen bepalingen. Hierover ondervraagd antwoordde de gemachtigde dat “Ja programmation de Fapplication n'a prévu d'exception que dans le cas mentionné dans le texte en projet, à savoir pour les déclarations d'insaisissabilité. Une formulation plus théorique du texte ne pourrait dès lors quïnduire confusion et en erreur”. Het verdient aanbeveling om in de memorie van toelichting een verantwoording op te nemen die nauwer aansluit bij de ontworpen bepalingen. De gemachtigde preciseerde bovendien dat in de ontworpen bepalingen telkens moet worden geschreven “de akten (verKlaringen) die enkel de niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt” Artikelen 57 en 62 25.

Artikel 57 van het voorontwerp wijzigt artikel 32 van het Wetboek der registratie, hypotheek. en griffierechten, dat ‘ook wordt gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 26 Januari 2021 ‘betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen personen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten’.

Artikel 62 van het voorontwerp vervangt artikel 140octies van hetzelfde wetboek, dat ook wordt gewijzigd bij artikel 68 van de voornoemde wet van 26 januari 2021. De voornoemde artikelen 65 en 68 treden ten laatste in werking op 1 januari 2025. Gevraagd hoe de artikelen 57 en 62 van het voorontwerp moeten worden begrepen in het licht van de inwerkingtreding van de voornoemde wijzigingen bij de wet van 26 januari 2021, antwoordde de gemachtigde dat de artikelen 65 en 68 van de voornoemde wet van 26 januari 2021 samen met andere bepalingen van die wet, in het licht van het voorliggende voorontwerp zullen worden aangepast bij een afzonderlijk wetsontwerp. Wijzigingen van koninklijk besluit van het wetboek der registratie, hypotheek: en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken 26. Bij dt hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Ties wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van inkomende berichten onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige ot elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën 27. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken Modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten ‘terug te geven bedragen Artikel 78 28. Het ontworpen artikel 304/1, 62, van het WIB 92 is niet helder geredigeerd en bijgevolg moelljk te begrijpen, hetgeen moet worden verholpen Wijziging van artikel 322, 5 1, derde id, 29. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene ‘Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering 30. Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Suorormenko 1. Het voorontwerp verdient nog een grondig nazicht op wetgevingstechnisch vlak. Zo wordt van meerdere artikelen de wetshistoriek niet correct weergegeven (zie bijvoorbeeld de artikelen 20, 35, 37, 39 en 42). Ook dient rekening te worden gehouden met de wijzigingen die recent door andere wetten zijn aangebracht in de te wijzigen teksten. Zo is bijvoorbeeld artikel 34 van het voorontwerp overbodig, omdat de wijziging waarin het voorziet al is doorgevoerd bij artikel 48 van de wet van 27 juni 2021 ‘houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten’.

Artikel 34 dent dan ook geschrapt te worden. De griffier, De voorziter, Annemie GOOSSENS _ Wilfried VAN VAERENBERGH FILIP, Konina ver Betoen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groer. Op de voordracht van de minister van Financiën, Heesen Wij BesLoren EN Besturen Wi: De minister van Financiën is ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Artikel 33 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hersteld bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt aangevuld met een lid, luidende: In artikel 171, 5°, b, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “en 32, tweede lid, 2°,” vervangen door de woorden“, 32, tweede lid, 2°, en 33, derde lid,” Dit hoofdstuk is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022.

Artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020 en bij het artikel 3 van deze wet, wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende: “8° tegen een aanslagvoet van 0 pct: de in 1° tot 7° vermelde inkomsten waarvoor de belasting bij toepassing van artikel 155 zou worden verminderd indien ze overeenkomstig artikel 130 zouden worden belast”.

Artikel 5 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. In artikel 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 1° aangevuld met een bepaling onder ©), luidende: “c) op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw, op voorwaarde dat de belastingplichtige en, desgevallend, zijn echtgenoot in het betrokken belastbare tijdperk geen andere in artikel 232, vermelde inkomsten heeft of hebben behaald of verkregen;”, 2° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt de bepaling onder c), ingevoegd bij het 1°, aangevuld met de woorden “en de belastingplichtige aan zijn werkgever een door de fiscale administratie van zijn woonstaat uitgereikte woonplaatsverklaring heeft bezorgd”; '3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: - de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel bis, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de eindejaarspremie en de getrouwheidspremie die door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste streepje bedoelde gelegenheidswerkers; land- of tuinbouw ingevolge een contract van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maxi maal 6 opeenvolgende kalenderweken onmiddellijk aansluitend op een tewerkstelling als gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw bij dezelfde werkgever; - het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in het derde streepje bedoelde periode van aansluitende tewerkstelling ”; 4° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt hoe op de in artikel 57 bedoelde fiche wordt vermeld dat de fiche bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw als bedoeld in het tweede lid, 1°, c, betreft”; 5° paragraaf 1, zoals aangevuld door het 4°, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De belastingplichtige bezorgt de in het tweede lid, t°, c, bedoelde woonplaatsverklaring aan zijn werkgever uiterlijk op de dag van de eerste betaling door die werkgever van bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw in het betrokken belastbare tijdperk. De werkgever bezorgt vóór 1 maart van het jaar volgend op het inkomstenjaar via elektronische weg een afschrift van de woonplaatsverklaring aan de fiscale administratie. De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de nadere modaliteiten voor het bezorgen van de woonplaatsverklaring”; 6° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: bezoldigingen hebben verkregen als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, c, en inwoners zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kunnen ervoor opteren om paragraaf 1, eerste lid, niet toe te passen”.

Artikel 7, 1°, 32, 4° en 6°, is van toepassing vanaf Artikel 7, 2° en 5°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2023. Gemene bepalingen en volgorde van toepassing In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling 5 vervangen als volgt: In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 5, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 206/1 ingevoegd, “Art. 206/1. Om het belastbare resultaat vast te stel en, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens dit Wetboek of de krachtens specifieke wettelijke bepalingen vrijgestelde gereserveerde winst, vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld 1° reserves; 2° verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat; 3° dividenden. 1° onder “reserves”, het gereserveerde resultaat, verminderd met: a) de winst die voortvloeit uit de minderwaarden die door de schuldenaar zijn opgetekend op bestanddelen van het passief ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan door de rechtbank of ten gevolge van de vaststelling door de rechtbank van een minnelijk akkoord krachtens Boek XX, titel V van het Wetboek van economisch recht, voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de overeenkomstig artikel 48/1 vastgestelde b) het gedeelte van de meerwaarde op de in artikel 65, vermelde voertuigen, andere dan die vermeld in artikel 66, $ 2, 1° tot 3°, dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, vierde lid; ©) de krachtens de artikelen 192 en 521 vrijgestelde meerwaarden op aandelen en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 5 1, 7°, als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk niet meer verantwoord zijn; d) de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van artikel 184, met uitsluiting van de terugbetalingen van gestort kapitaal ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, overeenkomstig het recht dat de vennootschap beheerst; e) de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die vroeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de regulariseringen van geraamde belastingschulden die voorheen als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen worden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen die bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk moeten worden gevoegd; 1) de sommen die definitief werden vrijgesteld overeenkomstig artikelen 194ter, 194ter/1 of 194terl3; 9) de sommen die overeenkomstig de artikelen 193bis, $ 1, en 193ter, S 1, zijn vrijgesteld; h) het onder de belastingvrije winst van de inbrengende een inbreng van een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen uitgevoerd in overeenstem ming met artikel 46, $ 1, eerste lid, 2°, dat onder de voorwaarden van artikel 192, 5 2, wordt vrijgesteld en dat zijn oorsprong vindt in een herbelegging als bedoeld in artikel 47 of in een kapitaalsubsidie als bedoeld in artikel 362, die deel uitmaakt van die inbreng: i) de sommen die definitief vrijgesteld zijn krachtens artikel 194quinquies, $ 2; }) de winst ten belope van het financieringskostensurplus, vrijgesteld krachtens artikelen 194sexies en 194septies, tweede streepje; I) de winst die voortkomt van de terugbetaling tijdens het belastbaar tijdperk van een gedeette van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig artikel 292bis, $ 1, vijfde lid; m) het bedrag van de actualisering van de voorraad door erkende diamanthandelaars als vermeld in de wet van 26 november 2006 houdende een begeleidingsmaatregel voor een voorraadactualisering door de erkende diamanthandelaars waarvoor aan de voorwaarde van onaantastbaarheid tijdens het belastbare tijdperk niet langer is voldaan; n) de definitief vrijgestelde sommen voor de terugneming van waardeverminderingen overeenkomstig artikel 184quinquies, tweede lid; ©) de definitief vrijgestelde sommen voor de terugneming van waardeverminderingen die door een rechtspersoon bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 2018 tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrijven zijn erkend in de jaarrekening van een boekjaar dat werd afgesloten vóór het boekjaar dat betrekking heeft op het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon onderworpen is aan de vennootschapsbelasting; p) de winst die op basis van artikel 185, $ 2, b, wordt herzien; q) overige bij wet vrijgestelde winst, andere dan deze bedoeld in artikel 206/5; 2° onder “verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat” - het bedrag, vóór aftrek van het vrijgestelde gedeelte, van de giften als zijn vermeld in artikel 145%, $ 1, eerste lid, 1° tot 4°, a; - de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt in de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze niet in het gereserveerde resultaat is begrepen; - de overige bij wet vastgestelde belastbare bestanddelen, die niet tot een andere categorie behoren; 3° onder “dividenden”, de dividenden vermeld in artikel 187.

Art. 11 “Art. 206/2. Het totale bedrag van het overeenkomstig artikel 206/1 vastgestelde resultaat wordt verminderd met het werkelijke resultaat van de activiteiten van de zeescheepvaart of van het beheer van zeeschepen voor rekening van derden, waarvoor de winst forfaitair wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de programmawet van 2 augustus 2002 Art 12 In dezelfde onderafdeling 6, wordt een artikel 206/3 in“Art. 206/3. $ 1. Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen af getrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht: ant - de verkregen financiële voordelen of voordelen van alle aard vermeld in artikel 53, 24°; - de grondslag van de in artikel 219 bedoelde af zonderlijke aanslag; - het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgaven bedoeld in artikel 198, $ 1, 9°, 9°bis en 12°; - het gedeelte van de winst uit de niet-naleving van artikel 194quater, $ 2, vierde lid, en de toepassing van artikel 194quater, 8 4; - de in artikel 217, eerste lid, 4°, bedoelde kapitaal en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers wordt toegekend; belasting; - het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, $ 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt. Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden eveneens de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht met uitzondering van de overeenkomstig artikel 205, $ 2, aftrekbare inkomsten: - het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van een wijziging van de aangifte bedoeld in artikel 346 of een aanslag van ambtswege bedoeld in artikel 351 waarvoor de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen tegen een percentage gelijk of hoger dan 10 pct. effectief worden toegepast. $ 2. Na toepassing van paragraaf 1 wordt vervolgens het totale bedrag van het resultaat vermeerderd met het bedrag van de verliezen die krachtens artikel 185, S 3, eerste of tweede lid buiten beschouwing worden gelaten”.

Art. 13 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/4 in“Art. 206/4. Het totale bedrag van het overeenkomstig de artikelen 206/1 tot 206/3 vastgestelde resultaat wordt eventueel volgens oorsprong onderverdeeld in: 1° in België behaald resultaat, indien positief hierna. “Belgische winst” te noemen; 2° in het buitenland behaald resultaat dat niet vrijgesteld is krachtens internationale verdragen, indien positief hierna “niet bij verdrag vrijgestelde winst” te noemen; 3° in het buitenland behaald resultaat dat van belasting is vrijgesteld krachtens internationale verdragen, indien positief hierna “bij verdrag vrijgestelde winst” te noemen. Alvorens die onderverdeling wordt gedaan, worden de verliezen van het belastbare tijdperk die in een land worden geleden, achtereenvolgens op het totale bedrag van de winst uit andere landen aangerekend in de hierna, aangegeven volgorde: winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bij verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de b) verliezen geleden in een land waarvoor de winst niet bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de niet bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de Belgische winst, ©) in België geleden verliezen: eerst op de Belgische niet bij verdrag vrijgestelde winst. Indien op basis van de internationale verdragen de winst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet is vrijgesteld, dient deze winst te worden opgenomen in de categorie “niet bij verdrag vrijgestelde winst” In het geval in de categorie ‘niet bij verdrag vrijgestelde winst”, winst is begrepen waarvan de belasting op die winst bij toepassing van de internationale verdragen wordt verminderd, worden bij de toepassing van het tweede lid: - ofwel de verliezen eerst aangerekend op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, alvorens te worden aangerekend op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd; - ofwel wanneer de belastingplichtige hier in een bijlage bij zijn aangifte op onherroepelijke wijze om verzoekt, de verliezen enkel aangerekend op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, zonder te worden dubbele belasting wordt verminderd. Verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag is vrijgesteld kunnen in toepassing van het tweede lid, a), enkel worden aangerekend op de Belgische winst of de niet bij verdrag vrijgestelde winst, indien de belastingplichtige in een bijlage bij zijn aangifte op onherroepelijke wijze het land vermeldt waarin deze verliezen werden geleden, evenals het bedrag van deze verliezen en het belastbare tijdperk waarin deze verliezen werden geleden”.

Art 14 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 206/5 in“Art. 208/5. Van het saldo van de winst dat overeenkomstig de artikelen 206/1 tot 206/4 is vastgesteld en onderverdeeld, worden achtereenvolgens afgetrokken, in zover ze er nog in voorkomen: 1° de bij verdrag vrijgestelde winst; 2° in globo: a) het vrijgestelde gedeelte van giften als vermeld in artikel 145, 5 1, eerste lid, 1° tot 3° en 4°, a; b) de andere niet-belastbare bestanddelen die in de winst voorkomen en niet in 1° of 2°, a) van dit artikel, zijn vermeld, in het bijzonder de in artikel 67quater, vermelde vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, de inkomenscompensatievergoedingen bedoeld in artikel 67quinquies en de terugbetalingen van de in artikel 53, 6°, beoogde boeten. De som van de in het eerste lid, 2°, vermelde bedragen wordt bij voorrang van de Belgische winst van het belastbare tijdperk afgetrokken en, tot het eventuele overschot, van de niet bij verdrag vrijgestelde winst van dat tijdperk”.

Art 15 “De in de artikelen 201 tot 206, 536 en 543 bedoelde aftrekken worden vervolgens van de resterende winst die overblijft na toepassing van artikel 206/5 afgetrokken. Deze aftrekken gebeuren met inachtneming van de oorsprong van de winst en bij voorrang van de winst waarin die bedragen voorkomen”; ©) het zevende lid wordt vervangen als volgt: “De aftrek van de vorige beroepsverliezen wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen uit artikel 206/4”; d) het achtste lid wordt opgeheven; e) in het tiende lid, dat het negende lid wordt, worden de woorden “het elfde lid,” vervangen door de woorden “het tiende lid”; #) in het elfde lid, dat het tiende lid wordt, worden de woorden "het tiende lid” vervangen door de woorden “het negende lid” Art. 16 hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 207/1 ingevoegd, “Art. 207/1. Het resultaat na toepassing van artikel 207 wordt verhoogd met de op forfaitaire wijze overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de programmawet van 2 augustus 2002, vastgestelde winst uit zeescheepvaart en uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden”.

Art 17 In dezelfde onderafdeling 5, wordt een artikel 207/2 in“Art. 207/2. Het in artikel 2063, $ 1, eerste lid, vermelde gedeelte van het resultaat wordt opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikel 207/1. Het in artikel 206/3, $ 1, tweede lid, vermelde gedeelte van het resultaat wordt eveneens na aftrek van de resterende in artikel 205, $ 2, aftrekbare inkomsten, opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikel 207/1.

Art. 18 In artikel 208, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “183 tot 207/9” vervangen door de woorden “483 tot 2071” Art. 19 Artikel 217, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.

Art. 20 In artikel 239/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “tiende en elfde lid,” vervangen door de woorden “negende en tiende lid.

Art. 21 Artikel 519ter, $ 2, eerst lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.

Art. 22 en tot beperking van het gebruik van contanten, worden ingetrokken.

Art. 23 De artikelen 9 tot 21 zijn van toepassing vanaf Andere wijzigingen van het Wetboek In artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, wordt de bepaling in het eerste streepje, vervangen als volgt: “- 40 pct. voor gebouwde onroerende goederen, alsmede voor materieel en de outillage, die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, zonder dat de vermindering, met betrekking tot de in artikel 7, $ 1, 2°, ©, vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen dan twee derde van het kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met een coëfficiënt die 4,23 bedraagt. Die revalorisatiecoëfficiënt wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex van het Rijk met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gezondheidsindexcijfer van de maand december van twee jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door dat van de maand december 2013. De coëfficiënt die zo wordt bekomen, wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt. De geïndexeerde revalorisatiecoëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet 5 bereikt”.

Art. 25 In artikel 17, $ 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 22 december 1998, worden de woorden “de niet in 5° vermelde” worden ingevoegd vóór de woorden “inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen” Art. 26 In artikel 52 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij wet van 17 maart 2019, wordt een bepaling onder 13° ingevoegd, luidende: “13° de in rubriek II.A. “handelsgoederen, gronden hulpstoffen” van de resultatenrekening, zoals omschreven in artikel 3:90 van het koninklijk besluit vennootschappen en verenigingen, te boeken inkopen van goederen en diensten” Art. 27 In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij zigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende 1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “onverminderd artikel 52, 13°" ingevoegd voor de woorden “kosten voor kledij” 2° in de bepaling onder 8° worden de woorden “onverminderd artikel 52, 13°” ingevoegd voor de woorden “50 pct. van de”; 3° in de bepaling onder 8°bis worden de woorden “onverminderd artikel 52, 13°" ingevoegd voor de woorden “31 pct”; 4° in de bepaling onder 9° worden de woorden “on“kosten van allerlei”.

Art. 28 In titel II, hoofdstuk I, afdeling IV, onderafdeling Il, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 53/1 ingevoegd, “Art. 53/1. In afwijking van artikel 53 worden kosten of toekenningen als vermeld in artikel 53, 7° tot 9°, die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten of toekenningen uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld, als beroepskosten aangemerkt.” Art. 29 Artikel 57, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatste lijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende: “4° inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, eerste lid, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”. In artikel 145%, $ 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, 1° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden "alsook samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid tussen enkel openbare centra voor maatschappelijk welzijn”, 2° in de bepaling onder k) worden de woorden “of in artikel D.32 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek” ingevoegd tussen de woorden “de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren” en de woorden “en die voldoen aan”. In artikel 180, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: “g° de Deleredere;”; 2° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt: *6° de Waalse vervoersoperator “Opérateur de ‘Transport de Wallonie”; ingevoegd bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden “de in het eerste lid bedoelde voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom” vervangen door de woorden “de in artikel 202, $ 2, eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde”.

Art. 33 In artikel 198, 5 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011, gewijzigd bij de wetten van 13 december 2012 en 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2018 maar deze laatste wijziging geannuleerd bij het arrest 11/2020 van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot negende lid,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot twaalfde lid;”.

Art. 34 In artikel 198, $ 1, 9°bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2018 maar deze laatste wijziging geannuleerd bij het arrest 11/2020 van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2020, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, 5 2, eerste tot negende lid” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot twaalfde lid. gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden Art. 36 In artikel 216, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2004, wordt de bepaling onder b) vervangen “E) voor de hierna volgende vennootschappen voor Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen of de door de bevoegde regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen; - het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie en het Woningfonds van het of het Waalse Gewest erkende vennootschappen of instellingen die tot doel hebben leningen toe te staan voor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrich ten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen”.

Art. 37 In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge1° in het eerste lid worden de woorden “en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de woorden “en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”; 2° in het tweede lid worden de woorden “inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°,” ingevoegd tussen de woorden “voordelen van alle aard,” en de woorden “financiële voordelen en verdoken meerwinsten”; 3° in het vijfde lid worden de woorden “of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de woorden “van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°; 4° in het zesde lid worden de woorden “of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°” vervangen door de woorden “, van de voordelen van alle aard bedoeld of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5”.

Art. 38 In artikel 219bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen 1° in paragraaf 2, eerste id, worden de woorden “de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement” vervangen door de woorden “de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du logement”; 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, “Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op de reserves die worden overgedragen naar een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de toepassing van dit artikel worden deze reserves bij de vennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn aangelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. verrichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor de toepassing van dit artikel ook als een overgedragen reserve beschouwd”; '3° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. De aanslag wordt evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend ‘onmiddelijk in het kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering doorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte kapitalen voort te komen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van deze ingebrachte kapitalen in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als een dividend beschouwd”. In artikel 223 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden “en voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede id, 2°, en 32, tweede lid, 2°" vervangen door de woorden *, voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en van inkomsten 2° in het tweede lid, 4° en 5°, worden de woorden “overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste tot negende lid,” artikel 36, $ 2, eerste tot twaalfde lid, 3° in het derde lid worden de woorden “het bedrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, ‘vervangen door de woorden “het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”; 4° in het vierde lid worden de woorden “het bedrag van bedoeld in artikel 57” vervangen door de woorden “het bedrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5”.

Art. 40 In artikel 225, tweede lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 19 december 2014, worden de woorden “op in artikel 223, eerste id, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten en voordelen van alle aard” door de woorden “op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”.

Art. 41 In artikel 233, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 19 december 2014, worden de woorden “en voordelen van alle aard” vervangen door de woorden “, voordelen van alle aard en inkomsten bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat Art. 42 In artikel 234, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, de woorden “en de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°" vervangen door de woorden *‚ de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede id, 2, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten bedoeld in artikel 17, 5 1, 37, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°”. In artikel 275° van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzi1° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden “in artikel 2” vervangen door de woorden “in het tweede id”; 2° in paragraaf 6, enig lid, wordt het woord “vermelden” In artikel 362 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “of baten” ingevoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden “van het belastbare tijdperk” en worden de woorden “ze zijn toegekend” vervangen door de woorden “ze respectievelijk zijn toegekend of ontvangen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “of baten” ingevoegd tussen de woorden “als winst” en de woorden “werd aangemerkt” In artikel 413/1, $ 1, tweede lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016, worden de woorden “de overeenkomstig artikelen 215, 216 en 218 berekende belastingen” vervangen door de woorden “de overeenkomstig artikelen 215 tot 218 berekende belastingen”, worden de woorden "de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inkomsten” vervangen door de woorden “de in het eerste id, 1°,1/1, 2°, 3° en 6°, bedoelde inkomsten” en worden de woorden “het geheel van de in de artikelen 215 en 216 bedoelde inkomsten” vervangen door de woorden “het resultaat na toepassing van artikel 207/2”. Inwerkingtreding De artikelen 25, 29, 37, 39, 1° en 3°, 40 tot 42 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2021 betaalde of toegekende inkomsten tijdens een belastbaar tijdperk dat ten vroegste verbonden is met het aanslagjaar 2022. De artikelen 26 tot 28 zijn van toepassing vanaf Artikel 30, 1°, is van toepassing op giften gedaan vanaf 1 januari 2022.

Artikel 30, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019. bonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020.

Artikel 39, 2° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 44 is van toepassing op de kapitaalsubsidies die worden ontvangen vanaf 1 januari 2021 in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie Art. 47 In artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 betreffende voor de werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden “In afwijking van de artikelen 183 tot 207/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,” vervangen door de woorden “In afwijking van de artikelen 183 tot 207/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,” Art. 48 Dit hoofdstuk is van toepassing vanaf aanslagjaar 2022.

Art. 49 Artikel 116 van de programmawet van 2 augustus 2002 wordt aangevuld met twee leden, luidende: overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit de zeescheepvaart wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald. De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, 5 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het vorige lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst op basis, van tonnage wordt bepaald” Art. 50 Artikel 124, $ 1, van dezelfde programmawet, wordt ‘aangevuld met twee leden, luidende: 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald. het verstrijken van de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op basis van tonnage wordt bepaald” Art. 51 De artikelen 49 en 50 zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2022 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2021 Worden bekrachtigd met ingang van hun respectieve datum van inwerkingtreding: 1° het koninklijk besluit van 20 juni 2021 tot wijziging wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid; 2° het koninklijk besluit van 24 juli 2021 tot wijziging bezoldigingen voor studentenarbeid. In artikel 11, derde id van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 20 september 2018, worden de woorden “artikelen 3 tot 7, 8, 1°, 9 en 10” vervangen door de woorden “artikelen 3 tot 7, 8, 1°, en 10”. In artikel 21 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende a) in de bepaling onder 4° worden de woorden “artikel 46, $ 2” vervangen door de woorden “artikel 46, 5 3; b) de bepaling onder 13°, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vernummerd tot 14°.

Artikel 103! van het Wetboek der successierechten, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De Koning kan bepalen dat de inlichtingen op elektronische wijze moeten worden toegezonden en de nadere regels daarvan bepalen” Registratie-, hypotheek- en griffierechten hypotheek- en griffierechten Art. 56 Artikel Sbis van het Wetboek der registratie, hypotheek: en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2021, wordt vervangen als volgt: “Art. Sbis. Een akte die wordt aangeboden ter registratie en ter hypothecaire overschrijving, wordt tezelfdertijd tot de beide formaliteiten aangeboden, behalve indien de termijnen voor de aanbieding ervan verschillen. Bij gelijktijdige aanbieding tot de formaliteten, wordt de registratie van de akte geweigerd zolang op dit kantoor de overschrijving wordt geweigerd. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een akte die enkel de niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt van de woning van een zelfstandige bedoeld in de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)” Art. 57 In artikel 32 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 december 2020, worden de volgende “De termijnen voor de aanbieding ter registratie van verplicht te registreren akten zijn”; b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt *1° voor akten van notarissen, vijftien dagen; De termijn is evenwel a) twee maanden, voor de in het kader van een openbare verkoop van een onroerende goed opgemaakte processen-verbaal van: Ì, het ontbreken van hoger bod; Ï, definitieve toewijs; ii, het al dan niet uitoefenen van een voorkooprecht; b) vier maanden, te rekenen van het overlijden van de erflaters of schenkers voor: Ï de schenkingen van toekomstige goederen gedaan tussen echtgenoten gedurende het huwelijk andere dan bij huwelijkscontract; ii. de akten van herroeping van de onder i en ii bedoelde akten; iv. de verklaringen betreffende testamenten in de internationale vorm; v. de akten van bewaargeving van een testament door de erflater. Voor de akten die gelijktijdig worden aangeboden tot de formaliteiten van de registratie en van de hypothecaire overschrijving die bij de aanbieding ter registratie binnen de in het eerste lid gestelde termijn niet werden geregistreerd wegens de weigering van de overschrijving, bedraagt de termijn zeven dagen te rekenen van de datum van de kennisgeving aan de notaris van deze weigering. Deze termijn verstrijkt niet voor het einde van de termijn bepaald, naargelang het geval, in het eerste lid of in het tweede lid, a)”; ©) de bepaling onder 3°bis wordt vervangen als volgt: “3°bis voor akten van bestuursoverheden en ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten en openbare instellingen die verplicht onderworpen zijn aan de formaliteit van de registratie en aan die van de hypothecaire overschrijving, vijftien dagen; d) het vaststellen van het bekomen van een financiering. caire overschrijving, die bij de aanbieding ter registratie de datum van de kennisgeving van deze weigering aan de bestuursoverheden of ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten en openbare instellingen. Deze termijn verstrijkt niet voor het einde van de termijn bepaald, naargelang het geval, in het eerste lid of in het tweede lid”; d) in de bepaling onder 6° worden de woorden “agenten van Staat, provinciën” vervangen door de woorden “ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies” In artikel 35 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2020, worden de volgende 1° in het eerste lid, 5°, worden de woorden “agenten van Staat, provinciën” vervangen door de woorden provincies’; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Wanneer de schuldenaar van de rechten en, in voorkomend geval, van de boeten geen gekende woonplaats, in België of in het buitenland heeft, wordt het bericht aan de procureur des Konings te Brussel verzonden” Art. 59 In artikel 36 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 juni 1986, worden de woorden “tweede lid, “vervangen door de woorden “tweede lid, b)”.

Art. 60 bij de wet van 19 juni 1986, worden de woorden “2de alinea” vervangen door de woorden “tweede lid, b)”.

Art. 61 In artikel 39 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij zigd bij de wet van 7 februari 2021, worden de volgende a) de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt: *1° de akten van notarissen en gerechtsdeurwaarders, op het kantoor bevoegd voor hun standplaats; Op het kantoor bevoegd voor de ligging van het eerste erin vermelde onroerende goed wordt evenwel geregistreerd een akte die cumulatief: a) onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 houdende regeling van de aanbieding van akten van bepaalde instrumenterende ambtenaren tot de registratieformaliteit en tot de hypothecaire, openbaarmaking; b) onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn buiten het ambtsgebied van het kantoor bevoegd voor ©) gelijktijdig ter overschrijving wordt aangeboden. Het tweede lid is niet van toepassing op een akte die enkel de van niet-vatbaarheid voor beslag vaststelt van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV);”; “4° De akten van bestuursoverheden en ambtenaren van de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten en openbare instellingen, op het kantoor bevoegd voor hun zetel of standplaats; ren tot de registratieformaliteit en tot de hypothecaire de zetel of de standplaats; ©) gelijktijdig ter overschrijving wordt aangeboden” Artikel 140octies van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2021 wordt vervangen als volgt “Art. 140octies. Indien artikel 140quinquies van toepassing is worden het recht verschuldigd bij toepassing van de artikelen 131 tot 140 en de interesten vereffend op een verklaring die ter registratie wordt aangeboden op het kantoor waar het verlaagd recht werd vastgesteld, binnen de eerste vier maanden na het verstrijken van het jaar tijdens hetwelk de oorzaak van de opeisbaarheid van het recht zich heeft voorgedaan en dit op straffe van een boete gelijk aan dit recht. Indien artikel 140sexies van toepassing is, biedt de opvolger die het verlaagd recht heeft genoten op het voormelde kantoor een verklaring ter registratie aan waarin de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij het overeenkomstig de artikelen 131 tot 140 verschuldigde recht wenst te betalen wordt aangegeven. Deze verklaring wordt in dubbel gesteld en door de opvolger die het verlaagd recht heeft genoten ondertekend; één exemplaar ervan blijft berusten op het voormelde kantoor. Ze vermeldt de akte, de oorzaak van de opeisbaarheid van het verschuldigde recht en al de voor de vereffening van het recht vereiste gegevens”.

Art. 63 Artikel 159, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 64 In artikel 161, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 5 december 2001, worden de woorden “Staat, Kolonie en openbare Staatsinstellingen met uitzondering van de akten verleden in naam of ten gunste van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas voor de verrichtingen van de Spaarkas” vervangen door de woorden “de Staat, gefedereerde entiteiten en de openbare instellingen ervan”.

Art. 65 In artikel 162 van hetzelfde Wetboek, worden de a) in de bepaling onder 4°, gewijzigd bij de wet van 23 december 1958, worden de woorden “Staat, Kolonie, provinciën,” vervangen door de woorden “de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies”; b) in de bepaling onder 29°, vervangen bij de wet van 23 december 1958 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980 en bij de wet van 22 december 1989, worden de woorden “aan de Lijfrentekas, de Verzekeringskas en de Rentekas voor arbeidsongevallen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas,” opgeheven.

Art. 66 In artikel 265, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “genomen om de invordering te waarborgen van aan den Staat, aan de Kolonie, aan provinciën, aan gemeenten, aan polders en wateringen verschuldigde belastingen” vervangen door de woorden “tot zekerheid van de invordering van belastingen, verschuldigd aan de Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, gemeenten, polders en wateringen” van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers Art. 67 In artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken wordt in het eerste lid het woord “vijftien” vervangen door het woord “dertig” Art. 68 Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: “Art. 6. De rolrechten die niet tijdig worden betaald, alsook de administratieve boete wegens laattijdige betaling, worden opgenomen in een innings- en invorderingsregister, opgemaakt en uitvoerbaar verklaard en ter kennis gebracht van de schuldenaar overeenkomstig artikel 3, 85 2 tot 4, van de domaniale wet van 22 december 1949. Voor de toepassing van artikel 3, 5 2, van die wet, wordt het verschuldigde rolrecht geacht niet het voorwerp uit te maken van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot de betaling ervan.

Artikel 4 van de domaniale wet van 22 december 1949 is van toepassing op de invordering van de administratieve boete wegens laattijdige betaling” onder gesloten omslag verzonden Art. 69 In artikel 339/1, 5 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het arti kel 31 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten worden de volgende wijzigingen bedoeld in artikel 304ter, tweede lid,” worden opgeheven;

Art. 70 In artikel 53octies, $ 2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij het artikel 48 van dezelfde wet, worden de volgende 1° de woorden “op het in artikel 69bis, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform” worden opgeheven;

Art. 71 In artikel 289septies, $ 1, eerste lid, van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij het artikel 84 van dezelfde wet, worden de volgende 1° de woorden “op het in artikel 289octies, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform,” worden Art. 72 In artikel 162ter, $ 1, eerste lid, van het Wetboek der successierechten, hersteld bij het artikel 119 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht 1° de woorden “op het in artikel 162quater, tweeArt.73 In artikel 211quater, $ 1, eerste lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij het arti kel 145 van dezelfde wet, worden de volgende wijzi1° de woorden “op het in artikel 211quinguies, tweeArt.74 In artikel 81, S 1, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, vervangen bij het artikel 173 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “op het bevelligd elektronisch platform bedoeld in artikel 97, tweede lid,” worden opgeheven;

Art. 75 In artikel 22/2, $ 1, eerste lid, van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor Alimentatie vorderingen bij de Federale Overheidsdienst Financiën, hersteld bij het artikel 201 van dezelfde wet, worden de bedoeld in artikel 20, tweede lid,” worden opgeheven;

Art. 76 In artikel 17/1, $ 2, eerste lid, van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, ingevoegd bij het artikel 206 van dezelfde wet, worden de woorden “op het beveiligd elektronisch platform,” opgeheven.

Art.77 In artikel 213, S 1, eerste lid, van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, 1° de woorden “op het arikel 207, tweede lid, bedoelde 2° in de Franse tekst, worden de woorden “pour le Service public fédéral Finances” vervangen door de woorden “par le Service public fédéral Finances”, 3° de woorden “voor de Federale Overheidsdienst Financiën” ingevoegd tussen de woorden “gereproduceerd, geregistreerd, en bewaard” en de woorden “volgens een informatica- of telegeleidingstechniek”. terug te geven bedragen In titel VII, hoofdstuk I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een artikel 304/1 inge“Art. 304/1. $ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, gebeurt de terugbetaling van de in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen rekening houdend met de voor dit doel aan de administratie meegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of, voor de natuurlijke personen en bij gebrek aan dergelijke bankgegevens, per postassignatie of internationaal mandaat. $ 2. Wanneer het terug te betalen bedrag aan een natuurlijke persoon minder bedraagt dan 50 euro en voor zover aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of voor zover aan de administratie niet kenbaar werd gemaakt dat de belastingplichtige over geen enkele bankrekening beschikt, wordt de terugbetaling, in afwijking van paragraaf 1, tot het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, verricht door aanwending overeenkomstig het artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004. Wanneer bij het verstrijken van het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die plichtige over geen enkele bankrekening beschikt en dat het terug te betalen bedrag, geheel of gedeeltelijk, niet kon worden terugbetaald overeenkomstig het eerste lid, wordt het terug te betalen bedrag of het saldo ervan, in afwijking van artikel 304, niet terugbetaald”. In artikel 322, 5 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, wordt de zin “Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché.” opgeheven. 1992 met het oog op de overdracht In artikel 301, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “gevestigd en ingevorderd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie” vervangen door de woorden “gevestigd en ingevorderd door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering”. In artikel 412bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 april 2020, worden de volgende wijzi a) in paragraaf 1, tweede lid, worden in de Franse tekst de woorden “visées par l'article 270, alinéa 1=, 5°” vervangen door de woorden ‘visées à l'article 270, alinéa 19, 5°” en worden de woorden “het in artikel 39 van, het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten vermelde kantoor” vervangen door de woorden “de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering’; b) in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “de ontvanger” vervangen door de woorden “het kantoor”; ©) in paragraaf 4, tweede id, worden de woorden “De ontvanger” vervangen door de woorden “Het kantoor belast met de registratie”; d) in paragraaf 5, eerste id, worden de woorden “Na ontvangst van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing zal de ontvanger van de registratie” vervangen door de woorden “Na de bevestiging te hebben ontvangen dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing werd geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, zal het kantoor belast met de registratie”; e) in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “De ontvanger van de registratie” vervangen door de woorden “Het kantoor belast met de registratie”. Gegeven te Brussel, 28 november 2021 FILIP Van Koninasweoe

COORDINATION

Titre 2 - Modifications relatives aux Impôts sur les revenus

Chapitre 1

- Revenus de remplacement de conjoints aidants Article 33, CIR 92 Article 171, 5°, b, CIR 92 Par dérogation aux articles 130 à 145, et 146 à 156, sont imposables distinctement, sauf si Timpöt ainsi calculé, majoré de Fimpôt 1451, 1452, 1452, 1452, 1453 à 1453, 1454, 1454 et 154bis: b)__ les indemnités en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de revenus professionnels visées aux articles Fattribution ma eu lieu, par le fat d'une autorité publique ou de 'existence d'un litige, aw'après Fexpiration de la période imposable à laquelle elles se rapportent effectivement; 1°___par dérogation à farticle 232: ‘en raison de activité exercée à bord d'un navire marchand par un marin qui n'est pas résident d'un Etat membre de Espace 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;

Chapitre 4

- Dispositions communes et ordre d'application des dispositions légales en vue de la détermination du revenu imposable ‘Dans le tre 3, chapitre 2, section 4, 'sous-section 5, CIR 92 ‘Sous-section V Dispositions communes ‘aux déductions visées aux articles 199 à 206. ‘Article 2087, CIR 92 (Nouveau) ‘Article 2067, CIR 92 (Nouveau) ‘Article 206/4, CIR 92 (Nouveau) Article 207, CIR 92 Les déductions visées aux articles =__les déductions visées à lartide 199, autres que la déduction pour investissement: =___la déduction visée aux articles 202 à =____la déduction pour revenus de brevets visée à l'article 543; =___la déduction pour investissement; -__la déduction des transferts inraroupe visée à l'article 205/5. ‘subsistant après application de l'alinéa 2 -___la déduction pour capital à risque visée aux articles 205bis à 205octies; -_les pertes antérieures visées à article 206 -___la dêduction visée à Farticle 536, alinéa 3; -___la dêduction visée à Farticie 536, alinéas ter et 2 Le Roi détermine (1) les modalités suivant lesquelles s'opèrent les déductions prévues aux articles 199 à 206 et 536. 2. La déduction ainsi limitée s'opère dans Fordre défini à l'alinéa 3. Le Roi détermine les modalités suivant lesquelles s'opèrent ces déductions. $ er, alinéas 3 et 4 -___par dérogation à farticle 536, la déduction pour capital à risque non accordée = par dérogation à l'article 206, les pertes professionnelles antérieures. [contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance qui exercent leurs activités en 1°___ la déduction visée à Farticle 206; 2_a déduction visée aux articles 202 à Le montant de la réduction visée à alinéa 10 est égal: -___au montant total figurant aux postes ©. "Provisions techniques” (code 14) et D. (Chapitre ler, Section re) de arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes ‘annuels des entreprises d'assurance: -____multiplé par un pourcentage de 3,88 pc. et à nouveau; =___multiplë par le taux de la déduction pour capital à risque d'application pour Yexercice d'imposition correspondant. ‘Article 207/1, CIR 92 (Nouveau) ‘Article 207/2, CIR 92 (Nouveau) Article 208, CIRB 92 Les sociétés en Iiquidation restent assujetties à Fimpôt des sociétés selon les dispositions des articles 183 à 207. Leurs bénéfices comprennent aussi les plus-values réalisées ou constatées à Foccasion du partage de l'avoir social ‘Article 217, alinéa 3, CIR 92 Article 239/1, CR 92 entreprises d'assurance ou de réassurance, sont habites à exercer leurs activités en Belgique, soit par voie d'installation d'une succursale, soit sous le régime de la libre estation de services. Article 519ter, $ 2, CIR 92 Articles 56 à 65 de la loi du 27 juin 2021

Chapitre 5

- Autres modifications du Article 13, CIR 92 A partir de l'exercice dîmposition 2022, la phrase liminaire de article 13, est rédigée comme suit =___10p.c. pourles biens immobilers non bâtis. ‘Article 17, CIR 92 1°___ les dividendes; Des intérêts; Fles revenus de la location, de taffermage, de l'usage et de la concession de biens mobilers; Xl du Code de droit économique ou par des dispositions analogues de droit étranger. ‘Article 52, CIR 92 Sous réserve des dispositions des articles 53 à 66bis, constitwent notamment des frais professionnel: Article 53, CIR 92 Ne constituent pas des frais ofessionnels 850 p.c. de la quot professionnelle des frais de réception et de cadeaux d'affaires, à exclusion toutefois des articles publictaires portant de manière apparente et durable la dénomination de l'entreprise donatrice; 8'bis 31 p.c. de la quot professionnelle des frais de restaurant, à 'exclusion toutefois des frais de restaurant des représentants du secteur alimentaire, dont la nécessité dans Article 53/1, CIR 92 (Nieuw) ‘Article 57, alinéa Ter, CIR 92 Les frais ci-après ne sont considérés 1°___ commissions, courtages, ristournes ‘exonérés dans le chef des bénéficiaires; 3°__indemnités forfaitaires alouées aux membres du personnel en remboursement de frais effectifs propres à 'employeur. ‘Article 145%, $ 1, alinéa fer, 1°, CIR 92 Communauté flamande du 20 décembre b) _ aux académies royales, au “Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWOIFFRS”, au “Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen - FWO’, au ‘Fonds de la ‘communautés ou au pays tout entier, ou aux institutions culturelles établies dans un autre Baudouin, au Centre européen pour Enfants, disparus et Sexuellement exploités Belgique - Fondation de droit belge, au Palais des Beaux-Arts, au Théâtre royal de la Monnaie et à Orchestre national de Belgique 9) _ à la Caisse nationale des Calamités au profit du Fonds national des Calamités publiques ou du Fonds national des Calamités agricoles, aux Fonds provinciaux des Calamités, ainsi qu'aux Institutions qui sont créées en vue de venir en aide aux victimes de calamités justinant Vagréation prévue par l'article 5 de la loi du ‘Article 180, alinéa ter, CIR 92 Ne sont pas assujetts à Fimpôt des, sociétés -___ exploitent une institution qui assiste des victimes de la guerre, des handicapés, des personnes âgées, des mineurs d'âge protégés ou des indigents; 3__TOffice national du ducrokre; 47 la Compagnie belge pour le Financement de FIndustrie; 5 B 5'bis_le Fonds de participation, le Fonds de participation - Flandre, le Fonds de participation - Wallonie et le Fonds de rticipation - Bruxelles: 6°__ la Sociëté régionale wallonne de transport public de personnes etles (sociétés d'exploitation qui ui sont liées 7°__ la Sociëté des Transports flamande et les unités d'exploitation autonome existant en son sein; 8°__ la Sociëté des transports intercommunaux de Bruxelles; 10° 11°_ la sociêté de droit pub à finalté ‘sociale Enabel, Agence belge de Développement; 12°__la sociêté anonyme de droit public Infrabel; 13°_ la sociëté de droit public à finalté sociale APETRA. Article 192, $ 1, CIR 92 ‘opération exonérée en application de article ‘Article 198, $ 1, CIR 92 8 ler. Ne sont pas considérés ‘comme des frais professionnels: 9°__ es frais de véhicules visés à Farticle 65, mis, gratuitement ou non, à disposition à des fins personnelles, à concurrence de 17 1°___ la déduction visée à larticle 208, Za déduction visée aux articles 202 à 205, par laquelle la réduction est appliquée vertu de "article 205, $ 3; 3°___ la déduction visée aux articles 205bis à 205novies: C. “Provisions techniques” (code 14) et D. ‘opérations liées à un fonds d'investissement (Chapitre ler, Section lre) de 'arrêté royal du ‘annuels des entreprises d'assurance; =____ _multplié par un pourcentage de 3,68 p.c. et à nouveau =____mullipi par le taux de la déduction Fexercice d'imposition correspondant Le taux de Fimpöt des socités est 1 _à 215 pc. pour le Bureau d'intervention et de Restilution belge: 2 asp. Article 219, CIR 92 53, 24°. Cette cotisation est égale à 100 pc. Yarticle 24, alinéa ler, 2° à 4° Lorsque le montant des dépenses visées à larticle 57 ‚ des avantages de toute nature visés aux articles 31, alinéa ‘Article 219bis, CIR 92 S.A. Crédit agricole, une cotisation distincte en cas d'exclusion ou de démission de ce réseau, ou en cas de retrait ou de renoncement à leur agrément Fagrément est retiré, soit il a été renoncé à cet agrément 1993. Vlaamse __Huisvestingsmaatschappij,_ la Société régionale wallonne du logement, la Société régionale bruxelloise du logement ou la Vlaamse Landmaatschappij, soit par la Région flamande, la Région de BruxellesCapitale ou la Région walonne, une cotisation distincte est établie en cas exclusion ou de démission du réseau du erédit professionnel ou en cas de retrait ou de renonciation à kagrément. Yexercice d'imposition 2017. Cette cotisation est égale à 28 p‚c. de ces dividendes distribuês. ‘Article 223, CIR 92 Les personnes morales visées à article 220, 2° et 3°, sont également imposables à raison 59 et à la condition de régularité visée à article 195, $ ter, alinéa 2, en ce qui ‘concerne les primes visées à l'article 195, 5 59 et des capitaux visés à l'article 53, 23°; 3°___des avantages financiers ou de toute nature visés à article 53, 24°; 31, alinéa 2, 2°, et 32, alinéa 2, 2° est La cotisation visée à Falinéa ter, 1°, west pas applicable si le bénéficiaire a été identié de manière univoque au plus tard dans un délai de 2 ans et 6 mois à partir du fer janvier de lexercice d'imposition 2, et 358. ‘Article 225, alinéa 2, 4°, CIR 92 L'impôtest calculé 7°_au taux de 20 pc. sur les revenus visés aux articles 222, 1° à 3°; 2 au taux de 33 pc. ou de 16,5 pc suivant la distinction prévue à article 171, Fau taux de 16,5 p.c. sur les plusvalues visées à l'article 222, 5 et 6°; 6“ ___au taux de 25 p.c. sur les dvidendes visés à l'article 224. Article 233, CIR 92 Pour es contribuables visés à'artice En outre, une cotisation distincte est 21dter. Article 234, alinéa Ter, 4°, CIR 92 Article 2757, CIR 92 3 500 euros imposable par travailleur. Ce montant s'applique au travalleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à fentreprise concemée. Il est réduit proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné. Il west pas indexé conformément à article 178. Article 362, CIR 92 ‘échéant, à concurrence du solde subsistant lors de faliénation ou de la mise hors ‘d'usage desdites immobilisations 289quater à 295, qui correspond à la partie de limpôt calculé conformément aux articles 215, 216 et 218 en proportion de la part que reprêsentent les revenus visés à lalinéa ‘er, 246, alinéa ler, 1°

Chapitre 6

- Modification de la loi du 22 mai 2001 relative à la participation des travailleurs au capital des sociétés et à Fétablissement d'une prime bénéficiaire our les travailleurs ‘Artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 ‘Art 28. Par dérogation aux articles 183 à 1992, le revenu imposable des sociétés ‘Coopératives de participation est égal au montant formé par le total: b) des dépenses visées aux articles 57 et

Chapitre 7

- Modifications à la loi programme du 2 août 2002 ‘Artikel 124, $ 1, van de programmawet - 1,00 EUR pour la tranche jusqu'à 1 000 tonnes nettes:; - 0,60 EUR pour la tranche entre 1 000 tonnes nettes et 10 000 tonnes nettes; - 0,40 EUR pour la tranche entre 10 000 tonnes nettes et 20 000 tonnes nettes; - 0,20 EUR pour la tranche entre 20 000 tonnes nettes et 40 000 tonnes nettes; - 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes. Le taux de 0,05 EUR pour la tranche audessus de 40 000 tonnes nettes n'est applicable qu'à la gestion de navires pour compte de tiers lorsque: - soit ces navires sont acquis à Fétat neuf r le propriétaire; ‘conformément à alinéa ‘er; - soit ces navires ayant un âge d'au moins Titel 3 - Wijzigingen van het Wetboek Code des droits et taxes divers Art. 11, alinéa 3 Les actes et écrits tariës par les articles 3à ‘Sont exemptés du droit: 4 les exploits dhuissier de justice dressós en remplacement d'un pli judiciaire dans le cas prévu à larticle 46, 8 2, du Code judiciaire. 13 (inséré par la loi du 6 juïlet 2017) la procuration authentique visée à article 9, $ 3, de la loi du 25 ventöse an Xl contenant anisation du notariat. Titre 4 - Modifications du Code des droits des droits de succession Code des droits de succession Art. 1037 Les assureurs professionnels qui ont en Titre 5 - Droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe Code des droits d'enregistrement, Art. Sbis Le bureau compêtent_de Administration générale de la Documentation patrimoniale refuse lenregistrement de l'acte tant que ce bureau refuse d'exécuter la formalté de la transcription pour un acte visé à article 3.30, 15,du Code civil Toutefois, ce délai est fxé à quatre mois à Pour les actes visés à Tarticle Sbis, alinéas par__lAdministration générale de la Documentation patrimoniale au notaire, du refus de transcrire l'acte. Ce nouveau dëtai wexpire en aucun cas avant le délai fxé à Falinéa 1= Pour les actes visés à Tarüicle Sbis, alinéas Documentation patrimoniale aux autorités administratives ou agents de Etat, des provinces, des __communes__et des établissements publics, du refus de transcrire acte Ce nouveau délai n'expire ‘en aucun cas avantle délai ixé à l'alinéa 1; ba) ‘communes et des êtablissements publics; Lartice 35, alinéa 1%, n'est pas applicable aux testaments et autres actes visés à Lorsque les droits se rapportant aux testaments et autres actes visés à Les actes et déclarations sont enregistrés, savoir: 1 Les actes des notaires et des huissiers de justice, au bureau compétent de LAdministration __générale de - la Documentation patrimoniale en fonction de leur résidence Immeuble qui mentionne, Facte qui, ‘cumulativement: En cas d'application de Varticle MIS | soumis au droit fixe général: A 161 1° Les actes amiables passés au nom ou en faveur de l'Etat, des entités fédéróes et de leurs établissements publics.

Art. 162 ‘Sous la rserve indiquêe à Tarticle 163, sont exemplés de la fomallé de Tenregistrement 4° Les actes, jugements et arrêts relais à exécution des lois et règlements en matière d'impôts au profit de Etat, des entités fédérées, des provinces, des communes, des polders et wateringues Dette publique belge, […] ainsi qu'aux sociétés mutwalistes, caisses d'épargne, de retraite, de prévoyance ou de secours reconnues par le gouvernement, instituées avec l'approbation de Tautorlé administrative ou soumises au contrôle de celle-ci;

Art. 265 ‘Sont exemptés du droit d'hypothèque: ‘communes, aux polders et wateringues, et les renouvellements de ces inscriptions;

Art 4 ‘condamnation à son paiement. Par dérogation à Talinéa_1°, Tarticle 15, alinéa 2, de la loi domaniale du 22 décembre 1949 n'est pas applicable au recouvrement des droits de mise au rôle Titre 6. Procédure fiscale et recouvrement Finances 8 1*. Chaque message transmis sous pii fermé par le contribuable ou par toute autre Limage ainsi numérisée du message transmis, au Senice Public Fédéral Finances obtenue au moyen d'une technique de linformatique ou de la télématique, a, pour application du présent (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et. &lectroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE. Dans ce cas, la destruction de original papier est autorisée, Art. 53octies, $ 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée L'image ainsi numérisée du message transmis au Senice Public Fédéral (LE) n°910/2014 du Parlement européen et électroniques au sein du marché intérieur et Dans ce cas, la destruction de toriginal Art. 289septies, $ 1“, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe 8 1x. Chaque message transmis par le contribuable sous pii fermé au Service Public, transmis au Service Public Fédérale (UE) 910/2014 du Parlement européen et du 1999/03/CE. Dans ce cas, la destruction de foriginal papier est autorisée.

Art. 162ter, S 1#, du Code des droits de succession Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur identification électronique et transactions électroniques au sein du Fartiele 211quinquies, alinéa 2, pour administration gui a les droits et taxes divers de Finformatique ou de la télématique. dispositions légales particulières relatives aux droits et taxes divers ou dans les arrêtés. amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales fermé au Service public fédéral Finances Fadministration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, selon une technique de informatique ou de la télématique. transmis au Service public fédéral Finances Fapplication du présent Code ou des arrêtés. pris pour son exécution, des lois fiscales ou des dispositions légales ou réglementaires. afférentes aux créances non fiscales, force mentionnée à l'article 36 du règlement (UE) ‚n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive Art. 22/2, $ 1“, de la loi du 21 février 2003 créant un Service des Créances Alimentaires au sein du Service public fédéral Finances ‘dans le cadre de Tapplication de la présente ‘exécution, force probante pour autant qu'elle exigences mentionnées à l'article 36 du Art. 1711, 8 2, de la loi générale sur les ‘douanes et accises du 18 juillet 1977 Varticle 207, alinéa 2, pour le Service Public Reglement (UE) n° 910/2014 du Parlement confiance ur les __ transactions &lectroniques au sein du marché intérieur et. papier est autorisée

CHAPITRE 3. Modification de l'article 322, Art. 322, 8 1“ CIR 92 renseignements qu'elle juge nécessaires à effet d'assurer la juste perception de Fimpôt L'administration peut, en ce qui concerne un contribuable déterminé, consulter le registre. 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme. et à la limitation de Futilisation des espèces, afin d'assurer la juste perception de 'impôt ‘supérieur à celui d'attaché.

CHAPITRE 5. Modification des articles Documentation _patrimoniale _ vers Perception et du Recouvrement Art. 301 A7, 1°,b,et4°, dete. Le Roi règle l'exécution du présent article.

Art. 412bis situês en Belgique ou de droits réels portant ‘sur ces biens immobiliers. aux alinéas 1° et 2, payable lors de fenregistrement de lacte ou de la déclaration. 270, alinéa 1“, 5°, sont tenus d'établir Pour Fapplication de la présente disposition, tidentité de rexpditeur comprend les nom, prênom, qualité, adresse et numéro d'entreprise. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit van de eigenaar of houder van een zakelijk recht: a) pour les personnes physiques: les nom, prénoms et le numéro d'identification du Registre National, ou à défaut, le numéro ddentfication de la Banque L'avis visé à falinéa fer doit être ‘communiqué avant Fenregistrement 1° au Service d'encadrement Technologie de tinformation et de la Communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° au receveur compétent, lorsque la ‘comme non-avenu Technologie de information et de la Communication du Service public fédéral Finances. 2°, Favis établi conformément à alinéa 6, 2°, prévaut uniquement lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date dexpédition de l'avis établi conformément à l'alinéa 6, 1° 84. Le débiteur du précompte professionnel remet la notfication visée au paragraphe 3, avant l'enregistrement, au receveur chargé de l'enregistrement de l'acte ou de la déclaration constatant la cession Le _receveur peut __subordonner déclaration à la production d'un certficat un contribuable visé à article 227, 1° ou 2°. 8 5. Après avoir pergu le précompte professionnel dû, le receveur de Fenregistrement complète la notification visée au paragraphe 3 et en remet deux exemplaires au debiteur du précompte professionnel. Celui-ci remet un exemplaire. Le receveur de Fenregistrement envoie un exemplaire de la notification visée à l'aliéna 8 6. Le Roi fixe les mentions devant figurer ‘dans 'avis visé au paragraphe 2, alinéa

1. COÖRDINATIE V Voorontwerp van wet houdende dive fiscale bepalingen Titel 2 - Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen

Hoofdstuk 1

- Vervangingsinkomsten meewerkende echtgenoten Artikel 33, WIB 92 Bezoldigingen _ van _ meewerker echtgenoten zijn alle toekenningen van een C van de winst en de baten aan de meewerke echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdp geen beroepsactiviteit uitoefent die voor h rechten opent op uitkeringen in een verplic regeling voor pensioenen, kinderbijslagen ziekte- en invaliditeitsverzekering die minst gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal sta van zelfstandigen, noch een uitkering ge binnen het raam van de sociale zekerheid voor hem dergelijke eigen rechten opent. Deze bezoldigingen moeten overe stemmen met de normale bezoldiging van prestaties van de meewerkende echtgen doch mogen niet hoger zijn dan 30 pct. van netto bedrag van de inkomsten van beroepswerkzaamheid die met de hulp van echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens inc de prestaties van de meewerkende echtger hem kennelijk recht geven op een groter deel ‘Artikel 171, 5°, b, WIB 92 In afwijking van de artikelen 130 tot en 146 tot 158, zijn afzonderlijk belast: behalve wanneer de aldus berekende belast vermeerderd met de belasting Staat op andere inkomsten, meer bedraagt dan overeenkomstig de voormelde artike bepaalde belasting op de in de artikelen 17, 1° tot 3° en 90, eerste lid, 6° en 9, verme inkomsten en op de meerwaarden op roere waarden en titels die op grond van artikel eerste lid, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd de belasting Staat met betrekking tot het get van de andere belastbare inkomsten 5°_ tegen de gemiddelde aanslagvoet betrekking tot het geheel van de belastb inkomsten van het laatste vorige jaar waarin are | belastingplichtige twaalf maanden belastbare rdt | beroepsinkomsten heeft gehad die wordt bepaald ie | op baai van de belang di verschuldigd bj len |tdapscaing van de arken 130 ot 145 en 146 tl bn | 150 verminderd met de de artkelen ST tat 20 | haaien HAede 1ASZE MES lot AAE, bis | 1454, 1454 on 15tbis vermelde belasing: verminderingen: of b)__ vergoedingen tot volledig of „5 | gedeeltelijk herst van den delijke de van 25, | Beroepsinkomsten als bedoeld Inde arikeen 25, 2°, | 6°, b, 27, tweede lid, 4°, b, 32, tweede lid, 2°, en of | 33, derde lid, en bezoldigingen, pensioenen, 34, | renten of toelagen als vermeld in de artikelen 31 oor |en 34, waarvan de uitbetaling of de toekenning jan | door toedoen van de overheid of wegens het het | bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad a het verstrijken vanhet belastbare. tjdpork Waarop zij in werkelijke berekkdng hebben. Vernel mima waaar de balacing Hi ensesing van ral Ve zo werden vermeden, bege gered ende bij de 8 1. De belasting betreffende de niet in de | ariketen 232 tt 234 vermelde Inkomsten gel jan | aan de verschillende voorheffingen en aan de in ie | that z0t vermelde bijzondere zanlag. die op de omsten betrekking heuben zn Rei betrekking tt de balasingpichigen lid | vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste lid Tof a) __op de winst of de baten behaald of gen | verkregen door vennoten of leden van een der | vennen ot cen” verenging zonder jan | hoofde van een werkzaamheid uitgeoefend aan tari | eerste lid, 1°, van de besluitwet van 7 februari 1945 eid | betreffende de maatschappelijke veiligheid van de €) op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw, op voorwaarde dat de heeft of hebben behaald of verkregen; door de fiscale administratie van zijn heeft bezorgd; rde | 2° op de inkomsten van onroerende goederen Voor de toepassing van het tweede Id, 1°, c, seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw: gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als besluitwet van 28 december 1944 betreffende Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf arbeider in de land- of tuinbouw ingevolge een ‘contract van bepaalde duur of voor een gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw = het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in De minister bevoegd voor Financiën of zijn bedoelde fiche wordt vermeld dat de fiche betreft. lid, 1°, c, bedoelde woonplaatsverklaring aan van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw in werkgever bezorgt vóór 1 maart van het jaar elektronische weg een afschrift van de woonplaatsverklaring aan de fiscale Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de 7, 8 2. Evenwel kunnen de in artikel 227, 1°, 8° | verkrijgen als bedoeld in ofwel artikel 228, $ 2, 8° 32, | en 9°, k, met uitsluiting van de in artikel 232, eerste | in | lid, 2°, c‚, vermelde inkomsten, ofwel in artikel 229, lid, | S 3, ervoor opteren om $ 1, eerste lid, niet toe te oor | definitief, onherroepelijk en bindend voor de het | 232, eerste lid, 2°, vermelde inkomsten om het De in artikel 227, 1°, vermelde verkregen als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, c‚ en inwoners zijn van een lidstaat van ervoor opteren om paragraaf 1, eerste lid, niet jde S 3. De in artikel 227 beoogde bok | bedoeld in artikel 228, $ 3, kunnen er ook voor te | opteren om $ 1 niet op die inkomsten toe te en | passen. Die keuze is definitief, onherroepelijk en } of | naargelang het geval, in artikel 232, 233 of 234 ’ En Onderafdeling V- Gemene bepalingen betreffende de in de artikelen 199 tot 206 omschreven aftrekken ‘Artikel 206/1, WIB 92 (Nieuw) ‘Artikel 2067, WIB 92 (Nieuw) ‘Artikel 206/4, WIB 92 (Nieuw) ‘Artikel 207, WIB 92 De in de artikelen 199 tot 206, 536 en bedoelde aftrekken worden als volgt van de w van het belastbare tijdperk afgetrokken. In eerste orde en in de hiema bepaa volgorde, ten belope van het resterende se van de winst van het belastbare tijdperk: =___de in artikel 199 bedoelde aftrekk andere dan de investeringsaftrek; -___de in de artikelen 202 tot 205 bedoe aftrek, met uitsluiting van het deel van deze af dat betrekking heeft op de in artikel 205, £ bedoelde inkomsten van een voorga belastbaar tijdperk die in dat tijdperk niet van winst konden worden afgetrokken: -___de in artikel 543 bedoelde aftrek v octrooi-inkomsten: - de in de artkelen 205/1 tot 20 bedoelde aftrek, met uitsluiting van het deel deze aftrek dat betrekking heeft op de in art 205/1, $ 1, tweede lid, bedoelde inkomsten een voorgaand belastbaar tijdperk die in tijdperk niet van de winst konden wor afgetrokken; =de investeringsaftrek; -___ dein artikel 205/5 bedoelde aftrek var roepsbijdra In tweede orde en in de hierna bepaa volgorde, ten belope van het na toepassing het tweede lid resterende saldo van de winst: het belastbare tijdperk. -____de in de artikelen 205bis tot 205oc bedoelde aftrek voor risicokapitaal; -____de aftrek van de in artikel 205, 5 belastbaar tijdperk die in dat of in een l - de aftrek van de in artikel 205/1, S tweede lid, bedoelde inkomsten van voorgaand belastbaar tijdperk die in dat of in later tijdperk niet van de winst konden wor - de in arikel 206 bedoelde vo beroepsverliezen; =de in artikel 536, derde lid, bedoe aftrek: =de in artikel 536, eerste en tweede bedoelde aftrek. De Koning regelt (1) de wijze waarop in de artkelen 19 tot 206 en 536 bepa aftrekken worden verricht Het totale bedrag van de in het derde bedoelde aftrekken wordt voor het belastb tijdperk beperkt tot 1 000 000 euro, vermeer met 70 pct. van het gedeelte van de toepassing van de in het tweede lid bedoe aftrekken overblijvende winst die het bedrag 1 000 000 euro overstijgt. De aldus bepe aftrek wordt uitgevoerd in de in het derde bepaalde volgorde. De Koning regelt de w waarop deze aftrekken worden verricht. Ten name van een vennootschap die grond van artikel 1:24, SS 1 tot 6, van Wetboek van vennootschappen en verenigin als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is vijfde id niet van toepassing op de in artikel bedoelde verliezen, gedurende de eerste belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zc bedoeld in artikel 1452, $ 1, derde en vierde Geen van deze aftrekken ni compensatie met het verlies van het belastb üidperk mag worden verricht op het gedeelte het resultaat dat voortkomt van abnormale goedgunstige voordelen vermeld in artikel noch op verkregen financiële voordelen voordelen van alle aard vermeld in artikel 53, noch op de grondslag van de bijzond afzonderlijke aanslag op niet verantwoo kosten of voordelen van alle aard_ingevc artikel 219. noch op het gedeelte van de winst bestemd is voor de uitgaven bedoeld in art 198, 5 1,9, 9° bis en 12°, noch op het gede van de winst uit de niet-naleving van ar 194quater, 8 2, vierde id en de toepassing artikel 19dquater, S 4, noch op het gedeelte het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van wijziging van de aangifte bedoeld in artikel 34 een aanslag van ambtswege bedoeld in art 351 waarvoor de in arikel 444 bedoe belastingverhogingen tegen een percent gelijk of hoger dan 10_pct_ effectief wor toegepast, met uitzondering in dit laatste ge van de overeenkomstig artikel 205, & aftrekbare inkomsten, 06, | opgeheven Jen ing In geval van verwerving of van wijziging van | tijdens het belastbaar tijdperk van de controle van zan | een vennootschap die niet beantwoordt aan she | rechtmatige financiële of economische behoeften, van | zijn, noch aftrekbaar van de winst van dat tijdperk, ter | noch van deze van enig later belastbaar tijdperk: iet |-____inafwijking van artikel 72, de nietverleende of | investeringsaftrek wegens geen of onvoldoende cen | winst van de belastbare tijdperken weke ;_| voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk; de |-___ in afwijking van artikel 205, $ 3, de wegens de | geen of onvoldoende winst van de belastbare het | tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde de | tijdperk niet-verleende in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek; de |- in afwijking van artikel 205/1, 5 1, tweede [de | id, de wegens geen of onvoldoende winst van de het | belastbare tijdperken die voorafgaan aan het rek | eerstgenoemde tijdperk niet-verleende aftrek voor innovatie-inkomsten: iet |- in afwijking van artikel 536, de net zen | verleende aftrek voor risicokapitaal wegens geen are | of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken md | welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk; ge|- in afwijking van artikel 206, de vorige beroepsverliezen, van Ten name van cht | verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht 13 | die zijn erkend overeenkomstig de wet van 13 ‘op | maart 2016 op het statuut van en het toezicht op er-| de verzekerings- of herverop | zekeringsondenemingen die hun activiteiten op de | het Belgisch grondgebied uitoefenen, worden de tot | aftrek die bij toepassing van de artikelen 202 tot de | 205 werkelijk wordt toegepast, evenals de tot aftrekken bedoeld in de artkelen 205bis tot het | 205novies en in artikel 206 verminderd met het 1d, | bedrag vastgesteld overeenkomstig het tiende lid, ons | waarbij deze vermindering achtereenvolgens kte | wordt toegepast op het werkelijk gebruikte bedrag van | rekening houdend met de toepassing van het vijfde de |en zesde lid, vóór de toepassing van de vermindering vervat in dit id, van jde|2°___de in artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek, rdt | waarbij de vermindering bij voorrang wordt ste |toegepast op de afrekbare definitief belaste rek zonder dat de vermindering van de aftrek jan | bedoeld in 2° er toe kan leiden dat het bedrag aan aal | werkelijk afgetrokken aftrek voor risicokapitaal de | zoals vastgesteld voorafgaand aan de toepassing 14) | C. “Technische voorzieningen” (code 14) en D. de | “Technische voorzieningen betreffende de sen | verrichtingen verbonden aan een beleggingsfonds gl) | (Hoofdstuk 1, Afdeling I) bij het koninklijk besluit de [- ‘vermenigvuldigd met het tarief van de het | aftrek voor risicokapitaal van toepassing voor het jen Vennootschappen in vereffening blijven ‘tot | volgens de bepalingen van de artikelen 183 tot 207/2. aar | worden verwezenlijkt of vastgesteld naar statuut van en het toezicht op de verzekerings- of grondgebied uitte oefenen ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kad van het vrij verrichten van diensten Artikel 519ter, $ 2, WIB 92 $ 2. Geen van de bj de artikelen 199 206 bepaalde aftrekken noch compensatie het verlies van het belastbaar tijdperk n worden verricht op de grondslag van de in vermelde belastin In afwijking van artikel 276 mag voorheffing, noch forfaïtair gedeelte buitenlandse belasting, noch belastingkre worden verrekend op de in $ 1 verme ‘Artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni Hoofstuk 5 - Andere wijzigingen van he Wetboek van de inkomstenbelastingen 19 ‘Artikel 13, WIB 92 Met betrekking tot de huurwaarde, huurprijs en de huurvoordelen van onroere goederen wordt onder netto-inkomen verst het brutobedrag van de inkomsten, uit hoofde: onderhouds- en herstelingskosten vermind met Vanaf aanslagjaar 2022, luidt inleidende zin van artikel 13, als volgt: Met betrekking tot de huurprijs en huurvoordelen van onroerende goederen we onder netto-inkomen verstaan het brutobed van de inkomsten, uit hoofde van onderhouds herstellingskosten verminderd met =_4Û pct. voor gebouwde onroere goederen, alsmede voor materieel _en outilage, die van nature of door hun bestem onroerend zijn, zonder dat de vermindering, betrekking tot de in artikel 7, 8 1, 2°, c, verme onroerende goederen, meer mag bedragen weederde van het _kadastraal_ inkom gerevaloriseerd met een door de Kor bepaalde coëfficiënt (I); de coëfficiënt w verkregen door de gemiddelde waarde van handelshuurprijzen_en _huurvoordelen_op januari van het jaar vóór dat waarnaar aanslagjaar wordt genoemd te delen door gemiddelde waarde van de huurprijzen voordelen_op het in arikel 486 bepac referentietidstip. revalorisatiecoëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet 5 bereikt; en 8 1. Inkomsten uit roerende goederen en ok, | vermogen aangewend uit welken hoofde ook, ng, [3° de niet in 5° vermelde inkomsten van vof | 4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of } of | ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. 2gd | De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met tis | afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, als | met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, der | $ 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend jen | pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel zijn | 34, 8 1, 2°bis en 2°ter, zijn geen pensioenen; of [5 __de inkomsten verkregen uit de cessie of de ige | economisch recht of in overeenkomstige de '$ 2. Wanneer het bedrag van de inkomsten de | omgezet naar de wisselkoers bij de betaling of de de ‘Onder voorbehoud van het bepaalde in de 13° de in rubrieklLA. “handelsgoederen, grond. en _ hulpstoffen” van de eke |7°__onverminderd artikel 52, 13°, kosten voor Kledij, tenzij het specifieke beroepskledij betreft, de a) _ die door de reglementering op de eve | arbeidsbescherming of door een collectieve gd, | arbeidsovereenkomst als werkkledij wordt opgelegd, het B) die als bizondere Kedj bij het rdt | uitoefenen van de beroepswerkzaamheid wordt ard | gedragen, daaraan is aangepast en wegens de aard van lijk | de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijkis, die in beide gevallen met uitsluiting van kledij die nd, |in het privéleven doorgaans als stads, avond, rkt | ceremonie, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt ‘of als zodanig dient; ane |8°__onverminderd artikel 52, 13°, 50 pct. van de. oor | beroepsmatig gedane receptiekosten en van de kosten van | voor relatiegeschenken, met uitsluiting evenwel van de |reclameartikelen die opvallend en blijvend de ‚n; | benaming van de schenkende onderneming dragen; ane | 8'bis onverminderd artikel 52, 13°, 31 pct. van de van | beroepsmatig gedane restaurantkosten, met uitsluiting de | evenwel van restaurantkosten van vertegenwoordigers js | van de voedingssector waarvan de belastingplichtige de bewijst dat zij bij het uitoefenen van de der | beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn in het kader van | van een mogelijke of werkelijke relatie van leverancier tot klant; tot |9°___ onverminderd artikel 52, 13°, kosten van gen | allerlei aard met betrekking tot jacht, visvangst, de | yachten of andere pleziervaartuigen en lusthuizen, nen | behalve indien en in zover de belastingplichtige bewijst | de | dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid de | en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk gde |zijn, of in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen;

Art. 53/1. In afwijking van artikel 53 worden kosten of toekenningen als vermeld in artikel 53, 7° tot 9°, die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten of toekenningen uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld, als beroepskosten aangemerkt. als De volgende kosten worden slechts als len | beroepskosten aangenomen wanneer ze worden sen | verantwoord door individuele fiches en een din | samenvattende opgave die worden overgelegd in bepaalt (1 -of | 1° ‘commissies, makelaarslonen, handels- of ige | andere restorno's, toevallige of niet-toevallige es, |vacatiegelden of erelonen, _ gratificaties, oor | vergoedingen of voordelen van alle aard die voor are |de verkrijgers al dan niet in België belastbare kel | beroepsinkomsten zijn, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen; als |2°__ bezoldigingen, pensioenen, renten of als gan (zodanig geldende toelagen, betaald aan so- | personeelsleden, aan gewezen perso-neelsleden net | of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering ten |van de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld; de|3° vaste vergoedingen toegekend aan de van [leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever. 4° inkomsten als bedoeld in artikel 17, 8 1, eerste lid, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°. ing 8 1. Er wordt een belastingvermindering aar |verleend voor de volgende in het belastbaar tidperk werkelijk betaalde uitgaven: het a) __aan de instellingen die binnen het 12 | toepassingsgebied vallen van het decreet van 12 de |juni 1991 betreffende de universiteiten in de van | Vlaamse Gemeenschap, of van het decreet van 5 de | september 1994 tot regeling van de universitaire jen | studies en de academische graden van de Franse de | Gemeenschap, aan de hogescholen die binnen het ied | toepassingsgebied vallen van het decreet van de nse | Vlaamse Gemeenschap van 20 december 2013 tot tot | bekrachtiging van de decretale bepalingen jen | betreffende het hoger onderwijs, gecodificeerd op erd | 11 oktober 2013, of van het decreet van de Franse de | Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling tot | van het hogeronderwijslandschap en de de | academische organisatie van de studies, of van vanhet bijzonder decreet van de Duitstalige ige | Gemeenschap van 21 februari 2005 houdende nde | oprichting van een autonome hogeschool, aan de de [erkende universitaire ziekenhuizen of aan zan | gelijkwaardige instelingen uit een andere lidstaat aat | van de Europese Economische Ruimte alsook aan jok [de rechtspersonen onder de vorm van een zen | stichting, die door voormelde erkende universitaire ade | ziekenhuizen of gelijkwaardige instellingen uit een ige | andere lidstaat van de Europese Economische de | Ruimte specifiek worden opgericht voor het beheer jen |van de gelden ontvangen in het kader van jen | liefdadigheid, waaronder de giften in geld; ontvangen in het kader van Tiefdadigh waaronder de giften in geld b) aan koninklijke academiën,: het “Federaal Fonds voor Wetenschapp Onderzoek - Fonds fédéral de la Recher scientifique - FFWOIFFRS”, aan het “Fo voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaande - FWO”, aan het ‘Fonds de la Recher scientifique - FNRS - FRS-FNRS', alsmede: instellingen voor wetenschappelijk onderzoek erkend zijn door de minister van Financiën of afgevaardigde en door de minister tot wi bevoegdheid het beleid en de programm inzake wetenschap behoren of: gelijkwaardige instelingen uit een andere lids van de Europese Economische Ruimte die een vergelijkbare wijze zijn erkend, uitgezond de instelingen die rechtstreeks verbonden met een politieke part of ist; c) aan openbare centra v maatschappelijk welzijn; daan door de minister | Financiën of zijn afgevaardigde erkende cultu instelingen die in België zijn gevestigd waarvan het invloedsgebied één van gemeenschappen of het gehele land bestrijk! aan culturele instelingen die in een and lidstaat van de Europese Economische Rui gevestigd zijn, waarvan het invloedsgebied deelstaat of een gewest van de betrokken S of het gehele land bestrijkt en die op vergelijkbare wijze zijn erkend; e) aan instelingen die oorlogsslachtoffers, de mindervaliden, bejaarden, de beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaan en die, na advies van raadgevende instellingen van de Staat of van Gemeenschappen tot wiens bevoegdheid bijstand behoort, worden erkend door bevoegde organen van de Staat of van Gemeenschappen waaronder die instellin ressorteren en, voor de toepassing van belastingwet, door de minister van Financiër zijn afgevaardigde of aan gelijkwaarc instelingen uit een andere lidstaat van Europese Economische Ruimte die op f)____aan het Rode Kruis van Belg aan een nationale afdeling van het Rode Krui een andere lidstaat van de Europ Economische Ruimte, aan de Kor Boudewijnstichting, aan het Europees Cent n-| Uitgebuite Kinderen - Belgë - Stichting naar het | Belgisch recht, aan het Paleis voor Schone jke | Kunsten, aan de Koninklijke Muntschouwburg en est | aan het Nationaal Orkest van België; oor 9) aan de Nationale Kas voor aal | Rampenschade ten bate van het Nationaal Fonds het | voor Algemene Rampen of van het Nationaal de | Fonds voor Landbouwrampen, aan de provinciale jan | rampenfondsen, evenals aan instelingen voor ers | hulpverlening aan slachtoffers van rampen die de jen | toepassing rechtvaardigen van de wet betreffende ade | het herstel van schade veroorzaakt aan private oor | goederen door natuurrampen, en die hiertoe zijn de | erkend door de minister van Financiën of zijn of | afgevaardigde of aan gelijkwaardige instelingen ere |uit een andere lidstaat van de Europese nte | Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend; je, h)___aan beschutte werkplaatsen die, ter de | uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale en, | reclassering van de mindervaliden, opgericht of ing | erkend zijn door de gewestregering of door de jan | bevoegde insteling of aan gelijkwaardige aat |instelingen uit een andere lidstaat van de op | Europese Economische Ruimte die op een ich ian instelingen de _ zich de | bezighouden met het natuurbehoud of de als | bescherming van het leefmilieu en die als dusdanig van | erkend zijn door de minister van Financiën of zijn tot | afgevaardigde en de minister tot wiens jan | bevoegdheid het leefmilieu behoort of aan aat | gelijkwaardige instelingen uit een andere lidstaat op | van de Europese Economische Ruimte die op een jof j)___aan instelingen die het behoud of ten | de zorg voor monumenten en landschappen ten het | doel hebben, waarvan het invloedsgebied het de | gehele land, één van de gewesten of de Duitstalige de | Gemeenschap bestrijkt en die door de minister van jde | Financiën of zijn afgevaardigde erkend zijn of aan uit | gelijkwaardige instelingen uit een andere lidstaat ‚se | van de Europese Economische Ruimte die op een are | vergelijkbare wijze zijn erkend; rin k)__aan vzw's waarvan het doel erin ‘de | bestaat dierenasielen te beheren, die de erkenning 1 5 | hebben gekregen bedoeld in artikel 5 van de wet ‘de | van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming die | en het welzijn der dieren of in artikel D.32 van het ing | Waalse Dierenwelzijnwetboek en die voldoen van | aan de voorwaarden door de Koning vastgesteld uit | op voorstel van de minister van Financiën of aan ‚se | gelijkwaardige verenigingen uit een andere lidstaat atie | de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie me |van het federale beleid inzake duurzame jde | de minister van Financiën of zijn afgevaardigde en jan | Ontwikkeling behoort of aan gelijkwaardige 12 in het tweede lid bedoelde hoofdzakelijk ord - ‘een ziekenhuis zoals gedefinieerd „_ | oorlogsslachtoffers, mindervaliden, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaat, 4°__de Belgische Maatschappij voor de 5°*bis het Participatiefonds, het Participatiefonds - Vlaanderen, het Participatiefonds - Wallonië en het Participatiefonds - Brussel; or | 6° de Waalse vervoersoperator “Opérateur de je |7°__de Vlaamse Vervoermaatschappi en de 8°__de Maatschappij voor het Intercommunaal t_ [11° __ de vennootschap van publiek recht met Ontwikkelingsagentschap; 12°__de naamloze vennootschap van pubi recht Infrabel 13°__ de vennootschap van publiek recht m sociaal oogmerk APETRA. ‘Artikel 192, $ 1, WIB 92 8 1. De nietin artikel 45, 5 1, eerste lid, bedoelde meerwaarden op aande verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling het vermogen van een ontbonden vennootscth zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate de eventuele inkomsten van deze aandeler aanmerking komen om krachtens de artike 202 en 203, van de winst te worden afgetrok of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel van de wet van 13 maart 2016 op het statuut: en het toezicht op verzekerings herverzekeringsondernemingen _ aangehou aandelen, krachtens de artikelen 202, $ 1 en eerste id, 2°, en 203, van de winst te wor afgetrokken. De vrijstelling is slechts van toepassin zover het belastbare bedrag van meerwaarden hoger is dan het totaal van vroeger op de overgedragen aande aangenomen waarde-verminderinc verminderd met het totaal van de meerwaar die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, werden belast In afwijking van het eerste lid wordt v de meerwaarden gerealiseerd op aandelen delen verkregen in ruil ten gevolge van verrichting die is vrijgesteld met toepassing artikel 45, S 1, eerste lid, 2°, omdat op ogenblik van de ruil de eventuele inkomsten de geruilde aandelen niet in aanmerking kwan ‘om krachtens de artikelen 202, $ 1, en 203 de winst te worden afgetrokken, het toepassing van dit artikel vrijgestelde bec beperkt tot het verschi tussen vervreemdingsprijs en de werkelijke waarde de aandelen of delen op het ogenblik van inbrengverrichtin De vrijstelling bepaald in het eerste i niet van toepassing op de ondernemin waarvoor het koninklijk besluit van 23 septem 1992 op de jaarrekening van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en beheervennoot-schappen van instellingen v collectieve belegging, geldt, voor gerealiseerde verrichtingen op de effecten behoren tot de handelsportefeuille, zoals bed in artikel Ster, 8 1, tweede id, a, van hetze beslui. Voor de ondernemingen bedoeld in vorige lid wordt de inteme overdracht aandelen van of naar de handelsportefet beschouwd als een vervreemding. uitgedrukte doch niet _ verwezen meerwaarden en de latente meerwaarden deze aandelen worden beschouwd als winst: het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk d aandelen de handels-portefeuile verlaf Daarentegen worden de uitgedrukte doch verwezenlikte meerwaarden en de late meerwaarden op aandelen beschouwd vrijgestelde winst van het belastbaar tjdr tijdens hetwelk deze aandelen deel begin uitmaken van de handelsportefeuile als onderneming ze gedurende tenminste één behouden heeft, of als belastbare winst als onderneming ze gedurende minder dan een behouden heeft Voor de berekening van de meerwaa die krachtens het vierde en het vijfde belastbaar is, zal de waarde van de aande bepaald op 31 december 2011 beschot worden als de __aanschaffingsbeleggingswaarde verminderd met de voorh aangenomen waardevermin-deringen als betreffende aandelen reeds in de boekhouc van de vennootschap zijn opgenomen op december 2011 Voor de toepassing van het eerste worden de in ruil ontvangen aandelen gevolge van belastingneutrale verrichtin bedoeld in artikel 46, 5 1, eerste id, 2°, 211, 2 8 1, en 231, SS 2 en 3, die, naargelang het ge beantwoorden aan het bepaalde in artikel 163 geacht te zijn verkregen op de datum waarop geruilde aandelen zijn verkregen om vast Stelen of aan de voorwaarde van beh gedurende een ononderbroken periode van minste één jaar in volle eigendom is voldaan. ‘Om vastte stellen of aan de in het eef lid bedoelde voorwaarde van behoud gedure een ononderbroken periode van ten minste aar in volle eigendom is voldaan in hoofde de overmemende of verkrijgende vennootsch worden de overgedragen aandelen ten geve van belastingneutrale verrichtingen. bedoelc artikel 46, 8 1, eerste lid, 2°, 211, 214, 8 1, 231, 88 2 en 3, die, naargelang het ge zijn verkregen door de inbrenger of omgevormde, overgenomen of gespi vennootschay ‘Artikel 198, $ 1, WIB 92 Ide | 9° de kosten van in artikel 65 bedoelde als | belope van 17 %. van het bedrag zoals bepaald tot | overeenkomstig artikel 36, & 2, eerste tot twaalfde lid; de | 9*bis in afwijking van de bepaling onder 9°, de 9%. | beschikking zijn gesteld, ten belope van 40 %. van de | 36, $ 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer de lijk | brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk de | gebruik geheel of gedeeltelijk door de op | statuut van en het toezicht op de verzekerings- of de | uitoefenen, worden de aftrek die bij toepassing van de | evenals de aftrekken bedoeld in de artikelen lid, \vifde lid, waarbij deze vermindering van | toepassing van het vijfde en zesde lid, vóór de Ide | 2° de in artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek, ste |toegepast op de aftrekbare definitief belaste 3, |inkomsten die krachtens artikel 205, 8 3, de "Technische voorzieningen betreffende de 15) | onderneming” (code 15) van de balans, zoals die gl) | (Hoofdstuk

I, Afdeling I) bij het koninklijk besluit ing Het tarief van de vennootschapsbelasting. zis: | b) voor de hierna volgende vennootschappen voor - de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke _Huisvestingsmaatschappij. de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen of de het Vlaams Woningfonds, de Sociêt wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie en het Woningfonds van door het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest erkende vennootschappen of instelingen die tot doel hebben leningen toe te staan voor de ‘aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrichten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uïvoering van _ energiebesparende maatregelen” rdt Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd ‘en | op kosten als bedoeld in artikel 57, op voordelen de | van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, 2°, | tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de ele | inkomsten als bedoeld in artikel 17, $ 1, 3°, wat „de | auteursrechten en naburige rechten betreft, en de | 5”, die niet worden verantwoord door individuele de | fiches en een samenvattende opgave alsmede op de |de verdoken meerwinsten die niet onder de len |bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard die Die aanslag is gelijk aan 100 pct. van die le | kosten, voordelen van ale aard, inkomsten als an |bedoeld in artikel 17, S 1, 3°, wat die | auteursrechten en naburige rechten betreft, en die | 5°, financiële voordelen en verdoken meerwinsen, in | tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard en die financiële voordelen een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct. iet Als verdoken meerwinsten worden niet kel | aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4” ide Bovendien worden de voormelde verdoken zan | meerwinsten slechts onderworpen aan deze ijn | aanslag in het geval zij niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten jen Deze aanslag wordt niet toegepast indien van | de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de | de kosten, vermeld in artikel 57, van de voordelen 2°, | tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de ger | inkomsten als bedoeld in artikel 17, 5 1, 3°, wat ite | auteursrechten en naburige rechten betreft, en and | 5“, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. ten Wanneer het bedrag van de kosten alie | bedoeld in artikel 57 van de voordelen van alle ‘en | aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, oor | 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten 305 |als bedoeld in artikel 17, 8 1, 3°, wat ger | auteursrechten en naburige rechten betreft, en In het buftenand ingediende geljkaarc aangifte, wordt deze aanslag in hoofde van belastingplichtige niet toegepast indien verkrijger op ondubbelzinnige wijze w geïdentificeerd uiterlijk. binnen 2 jaar er maanden volgend op 1 januari van het betreff aanslagjaar. ‘Artikel 219bis, WIB 92 8 1. Ten name van de kredietverenigin en van de maatschappijen voor onderlì borgstelling die lid zijn van het net van beroepskrediet en van de kredietkassen erk door de NV. Landbouwkrediet, wordt afzonderlijke aanslag gevestigd bij uitgesloten worden of de ontslagname uit dat. of bij de intrekking of de afstand van erkenning. Die aanslag wordt gevestigd voor belastbaar tijdperk tijdens hetwelk d vereniging, maatschappij of kas wordt uitgeslc of ontslag neemt uit het net van beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenr wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan de erkennin Die aanslag is gelijk aan 34 pct. van totaal bedrag van de belaste reserves zoals bestonden op het einde van de belastb jeriode verbonden aan het aanslagjaar 1993 $ 2. Ten name van de vennootschap; als vermeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit best voor de opheffing door artikel 49 van de wet 18 december 2015, en van de vennootschap als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend he door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappi Sociëté régionale wallonne du logement Brusselse gewestel Huisvestingsmaatschappij of de Vlaar Landmaatschappij, hetzij door het Vlac het Waals Gewest, wordt een afzonder aanslag gevestigd bij het uitgesloten worder de ontslagname ut het net van beroepskrediet, of bij de intrekking of de afst van die erkenning. belastbaar tijdperk tijdens _ hetwelk vennootschap of vereniging wordt uitgesloter ontslag neemt uit het net van het beroepskre of tjdens hetwelk de erkenning van vennootschap wordt ingetrokken of afstand we gedaan van de erkenning. Deze aanslag is gelijk aan 34 pct. van totale bedrag van de belaste reserves bij Jen | van het belastbaar tijdperk, die werden aangelegd erk | gedurende een belastbaar tijdperk verbonden aan ge, | de aanslagjaren 2003 en vorige, en aan 28 pct. van de | het totale bedrag van de belaste reserves bij het aar | begin van het belastbaar tijdperk, die werden sen | aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk de | verbonden aan de aanslagjaren 2004 en volgende. gen Ten name van de vennootschappen and | bedoeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor van | de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 die | december 2015, worden enkel de reserves die erk | werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk aar | verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. ‘Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op de reserves die worden overgedragen naar een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de toepassing van dit artikel worden deze reserves bij de vennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn aangelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een in artikel 210, 8 1, 1°, bedoelde verrichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor de toepassing van dit artikel ook als een overgedragen reserve beschouwd. zen 8 3. Ten name van de vennootschappen als jen | bedoeld in artikel 216, 2°, wordt een afzonderlijke de | aanslag gevestigd op de dividenduitkering. die Die aanslag is gelijk aan 28 pct. van die dividenduitkering zijn Het eerste en het tweede lid zijn eveneens de |van toepassing, ten name van de a, | vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, a, kei | zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 dit | van de wet van 18 december 2015. In dit geval die | worden enkel de dividenden die voortkomen uit gd | reserves die werden aangelegd tijdens een aan | belastbaar tjdperk verbonden aan een aanslagjaar )17 | dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. De aanslag wordt ‘evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend onmiddellijk in het EE] kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de Inbrengverkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering doorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte kapitalen voort te komen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van deze ingebrachte kapitalen in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als een dividend beschouwd. kel 8 4. Voor de toepassing van dit artikel cht | worden de oudst gevormde reserves geacht eerst te zijn aangetast in: | 2° en 3°, zijn eveneens belastbaar ter zake van: en [1 kosten als bedoeld in de ariikelen 57 en als | 195, $ 1, eerste lid, voordelen van alle aard als 32, | bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, oor | tweede lid, 2°,en van inkomsten als bedoeld in ave | artikel 17, 8 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave; kel | 2°___de bijdragen en premies bedoeld in artikel en, | 52, 3°, b, en 195, $ 2, in zover zij niet voldoen, 2°, | ofwel aan de grens bedoeld in artikel 53, 22°, ofwel ons | aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in 5, $ | artikel 59 en, wat de in artikel 195, $ 2, bedoelde jen | premies betreft, aan de voorwaarden van 1, | regelmatigheid bedoeld in artikel 195, $ 1, tweede als | id, de pensioenen, renten en andere als zodanig 52, | geldende toelagen bedoeld in artikel 52, 5°, in jen | zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en in | de grens bedoeld in artikel 59 en de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen le |3° _ de in artikel 53, 24”, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard het |4° _ een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag 36, | zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, 5 2, 65 | eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 oor | bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor d;_| persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld; zen | 5°__ in afwijking van de bepaling onder 4°, een als | bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals tot | bepaald overeenkomstig artikel 36, $ 2, eerste ide | tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde lijk | voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk eer | gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de de |gebruik geheel of gedeelelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen; ers De in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders net | worden voor de toepassing van het eerste lid met werknemers gelijkgesteld. 7, De aanslag bedoeld in het eerste Ïid, 1°, is on rit van denandng ae da bemsingelchige | Ae da Ve beng an de keten bedonld EE es A ene bedoe de len rede, 5 in | 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten 305 | bedoeld in artikel 17, 8 1, 3°, wat ige |5° opgenomen is in een door de verkrijger ‘overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of Den en jg hat Balad sande aika de Kg 7, De aanslag bedoeld in het eerste Id, 1°, Ee wordt oat ren den de venige B erd | ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk 5 Bean an daa and on ant ien | van het betreffend aanslagjaar of indien het Ke | rag van de vaardolen SOR ae aard beseard 32, | in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede kel | lid, 2°, van de kosten bedoeld in artikel 57, ord | eerste lid, of van de inkomsten bedoeld in artikel me | 17, $ 1, 3°, wat auteursrechten en naburige } in | rechten betreft, en 5°, begrepen is in een aanslag eat akrd van de elanden veeleer Da nae nd gevan Lan de Leen enne aken dee a an lunet ke pee zer - be eng mat beren ll ez vamele omsten ace aan de Telen oer vanen vermeld in artikelen 222, 1° tot 3°; Det. | 2° tegen het tarief van 33 pct. of van 16,5 pct. en, |op in artikel 222, 4°, vermelde meerwaarden, en | volgens het onderscheid in artikel 171, 1°, b, en 4°, 222, 5° en 6°, vermelde meerwaarden; kel|4°___tegen het tarief van 100 pct. op in artikel rde | 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde KE Kn voordelen van se aard aa Takelen len|als bedoeld in artikel 17, 8 1, 3°, wat jen | auteursrechten en naburige rechten betreft, en die | 5°, en op in artikel 223, eerste lid, 3°, vermelde ële | financiële voordelen of voordelen van alle aard, he | aerden vangt dat eva en keen dealer vn financiële voordelen een rechtspersoon is, in welke dealen de ane ve en 15, [5° tegen het tarief bedoeld in artikel 215, 2°, | eerste lid, op de in artikel 223, eerste lid, 2°, a | Betanias bagen: amen Daanen, anda 3°, | en toelagen, op de in artikel 223, eerste lid, 3°, van | bedoelde financiële voordelen of voordelen van en | ale aard en op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragen; kel|6°__ tegen het tarief van 25 pct. op in artikel 224 vermelde dividenden. kel Voor belastingplichtigen vermeld in artikel het | 227, 2°, wordt de belasting gevestigd op het totale oor | bedrag van de winst, opgebracht door bemiddeling in | van Belgische inrichtingen, en de in artikel 228, 5 die |2, 3°, a en e‚ vermelde winst die zonder is | bemiddeling van zulke inrichtingen is opgebracht. jke Daarenboven wordt een afzonderlijke lin | aanslag gevestigd volgens de regels bepaald in en |artikel 219 op de niet verantwoorde kosten *, cen | voordelen van alle aard en inkomsten bedoeld of | in artikel 17, S 1, 3°, wat auteursrechten en 19, | naburige rechten betreft, en 5°, op de verdoken meerwinsten en op de financiële voordelen of voordelen van alle aard als vermeld in artikel 219. jke Daarnaast wordt een afzonderlijke aanslag ien | vastgesteld volgens de regels voorzien in artikel 21oter. kel Voor belastingpiichtigen vermeld in artikel 227, 3", wordt de belasting gevestigd en |4°__ op de kosten als bedoeld in artikel 57 ‚ de de | voordelen van alle aard als bedoeld in de 2°, | artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, ele | en de inkomsten bedoeld in artikel 17, 8 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, tenzij: dat -__de belastingpîichtige aantoont dat van | het bedrag van die kosten of de voordelen van alle ger |aard begrepen is in een door de verkrijger ite | overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of and |in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte; rin -__of, wanneer het niet is begrepen in op|een dergelijke aangifte, de verkrijger op p 1 | binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari, van het betreffend aanslagjaar: ing 8 4. De in paragraaf 1 bedoelde vrijsteling de | wordt berekend met inachtneming van al de are | tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare Jen |die niet aan de bedrijfsvoorheffing worden oor | onderworpen of bij verdrag zijn vrijgesteld. Voor de sze | toepassing van deze paragraaf, worden deze sin | bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in het die | deel uit te maken van de bedrijfsvoorheffing die ing 8 5. De niet te storten bedrijfsvoorheffing in | paragraaf 4 bedoelde bezoldigingen van alle in els 'S 6. De Koning bepaalt de nadere regels en de | indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing dat | het bewijs wordt geleverd dat aan de in paragrafen den | 2 tot 4 vermelde voorwaarden voldaan is. te | vaste activa aan te schaffen of tot stand te are | brengen, worden als winst of baten van het in | toegekend of ontvangen en van ieder volgend die | de afschrijvingen en waardeverminderingen op die die | vervreemding of de buitengebruikstelling van die 2°,|als vermeld in artikel 46, $ 1, eerste lid, 2°, de | gesubsidieerde activa deel uitmaken van de de | inbreng wordt het gedeelte van de kapitaalsubsidie de | dat, op het ogenblik van de verrichting, nog niet als rkt | winst of baten werd aangemerkt ten name van de ige | vroegere belastingplichtige volledig vrijgesteld, ing | onverminderd de toepassing van het eerste lid ten de | name van de inbrengverkrigende vennootschap. Het |Het boekhoudkundig uitdrukken van die die |kapitaalsubsidie ten name van de inbrengng- | verkrijgende vennootschap blif zonder invloed op ed | de vaststeling van het resultaat van het belastbaar het | tijdperk. jze 8 1. De in paragraaf 2 beoogde keuze ide | tussen de onmiddellijke betaling en de gespreide and | betaling is enkel van toepassing op het resterend de | verschuldigd gedeelte van de de | inkomstenbelastingen gevestigd op basis van de volgende inkomsten: Tia Voor de toepassing van het eerste id wordt de |het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen als volgt bepaald: Ide|- _ in hoofde van de in artikel 3 bedoelde 1og | belastingplichtigen, het bedrag dat nog kel | verschuldigd is na toepassing van de in artikel 444 in | bedoelde belastingverhogingen en de in artikel 466 en | bedoelde aanvullende belastingen en na 177 | verrekening van de in artikelen 175 tot 177 tot | bedoelde bonificatie, de in de artikelen 157 tot 168 en, |en 175 tot 177 bedoelde voorafbetalingen, het ise | forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, de | de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorhef-fing, als | de belastingkredieten als bedoeld in de artikelen nde | 134, S 3 en 1453, tiende lid, 289bis, 289ter en jke | 289ter!1, en de gewestelijke belastingkredieten, de | vermenigvuldigd met de verhouding tussen, aat | enerzijds, de belasting Staat op de in het eerste id, ten | 1°, bedoelde inkomsten en, anderzijds, de som van en | de belasting Staat en de belasting op de in de tot | artikelen 17, 5 1, 1° tot 3°, en 90, eerste lid, 6°, 9° delen 13°, bedoelde inkomsten en op de nde | meerwaarden op roerende waarden en titels die op 90, | grond van artikel 90, eerste id, 1°, belastbaar zijn. sen |In geval van een gemeenschappelijke aanslag 1og | wordt het nog verschuldigde bedrag en de hiervoor Ide | bedoelde verhouding voor de beide echtgenoten ren | samen bepaald; Ide |-__in hoofde van de In artikel 179 bedoelde kel | verschuldigd is, na toepassing van de in artikel 444. ‚na | bedoelde belastingverhogingen en na verrekening en | van de in de artikelen 276 tot 289 en 289quater tot 289quater tot 295 bedoelde voorafbetaling voorheffingen en andere elementen, overeenstemt met het gedeelte van overeenkomstig artikelen 215, 216 en berekende belastingen naar verhouding tot evenredige aandeel van de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde inkomsten ten opzichte het geheel van de in de artikelen 215 en bedoelde inkomsten; - in hoofde van de in artikel 227, bedoelde belastingplichtigen, het bedrag dat verschuldigd is na toepassing van de in art 444 bedoelde belastingverhogingen en de in. bedoelde opcentiemen en na verrekening var in artikelen 175 tot 177 bedoelde bonificate, in de artkelen 157 tot 168 en 175 tot bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair gede van de buitenlandse belasting, de roere voorheffing, de bedrijfsvoorheff belastingkredieten als bedoeld in de artike 134, 8 3 en 1453, tiende lid, 289bis, 289ter 289ter/1, en, desgevallend, de gewestel belastingkredieten, vermenigvuldigd met verhouding tussen, enerzijds, de overeenkom de artikelen 130 tot 144 en 171 bereke belasting op de in het eerste lid, 1°, bedoe inkomsten en, anderzijds, de overeenkom diezelfde artikelen berekende belasting op overeenkomstig de artikelen 232, eerste lid, en 248, 5 2 en $ 3, aan de belasting onderwon inkomsten. In geval van een gemeenschappel aanslag wordt het nog verschuldigde bedrag de hiervoor bedoelde verhouding voor de be echtgenoten samen bepaald; -___in hoofde van de in artikel 227, verschuldigd is, na toepassing van de in art 444 bedoelde belastingverhogingen en verrekening van de in artikel 276 tot 289 289quater tot 296 bedoelde voorafbetaling overeenkomstig artikel 246, eerste lid, evenredige aandeel van de in het eerste Ïid, 4 5°, bedoelde inkomsten ten opzichte van geheel van de in de artikelen 246, eerste id bedoelde inkomsten,

Hoofdstuk 6

-Wijziging van de wet van 22. 2001 betreffende de werknemersparticip: instelling van een winstpremie voor 207 | Art. 28. In afwijking van de artikelen 183 tot jen | 207/2 van het Wetboek van de de | inkomstenbelastingen 1992, is het belastbaar lijk | inkomen van de ‘coöperatieve participatievennootschappen gelijk aan het bedrag ‘gevormd door het totaal van: zijn |_a) de uitgaven en kosten die niet aftrekbaar zijn de|als beroepskosten, andere dan de op | waardeverminderingen en de minderwaarden op 98, | aandelen of deelbewijzen bedoeld in artikel 198, eerste lid, 7°, van hetzelfde Wetboek; en |_b) de uitgaven bedoeld in de artikelen 57 en 195, die |$ 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek die niet zen | gestaafd zijn door individuele fiches en een samenvattende opgave. jse|Art. 116. Met betrekking tot binnenlandse van | vennootschappen en Belgische inrichtingen van op | buitenlandse vennootschappen wordt, op verzoek ing | van de belastingplichtge, in afwijking van de 33, | artikelen 183, 185, 189 tot 207, 233, eerste lid, en van | 235 tot 240 van het Wetboek van de gië |inkomstenbelastingen 1992, de in België ire | belastbare winst uit zeescheepvaart op forfaitaire de | wijze vastgesteld op basis van de tonnage van de j._| zeeschepen waarmee die winst wordt behaald Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit de zeescheepvaart wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald. De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ‘ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, 5 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het vorige lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst op basis van tonnage de | Art. 124. $ 1. Op verzoek van de belastingplichtige de | wordt, in afwijking van de artikelen 183, 185, 189 en |tot 207, 233, eerste lid, en 235 tot 240 van het de | Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de nst | belastbare winst uit het beheer van zeeschepen van | voor rekening van derden op forfaitaire wijze sis | vastgesteld op basis van de tonnage van de het | zeeschepen waarover het beheer wordt gevoerd. gedurende de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald. periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op basis van tonnage wordt bepaald. rdt |S 2. Het verzoek als vermeld in $ 1, wordt de |ingediend door de belastingplichtge bij de ing | belastingadministratie die hierover een beslissing na | neemt binnen een termijn van drie maanden na >ze | datum van ontvangst van het verzoek. Deze de |termijn kan in onderling overleg tussen de tie | belastingplichtige en de belastingadministratie sen | verlengd worden. De administratie zal beslissen are | over het verzoek bij een voor beroep vatbare beschikking $ 3. Bij inwiliging van hetin $ 1 vermelde verz treedt het stelsel inzake de vaststelling van winst uit zeescheepvaart aan de hand tonnage, overeenkomstig dit artikel in wert met ingang van het belastbaar tijdperk dat v op dat waarin het verzoek werd ingedie (Hogervermeld) stelsel kan door belastingplichtige worden opgezegd ten laa drie maanden voor het verstrijken van belastbaar tijdperk dat afgesloten wordt ijd het tiende kalenderjaar, of een veelvoud daan na dat waarin het verzoek werd ingediend. $ 4. (Per schip, per dag en per 100 nettoton we de winst van het belastbaar tijdperk uit het beh van zeeschepen voor rekening van der vastgesteld aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde bedragen - 1,00 EUR voor de schijf tot 1 000 nettoton; -0,60 EUR voor de schijf van 1 000 nettotor 10 000 nettoton; - 0,40 EUR voor de schijf van 10 000 nette tot 20 000 nettoton; - 0,20 EUR voor de schijf van 20 000 nette tot 40 000 nettoton: - 0,05 EUR voor de schijf boven 40 nettoton. Het tarief van 0,05 EUR voor de schijf boven 000 nettoton is slechts van toepassing op beheer van zeeschepen voor rekening derden wanneer: - ofwel die zeeschepen door de eigena nieuwe staat zijn verkregen; - ofwel die zeeschepen met een ouderdom minder dan vijf jaar die vanaf de opleve gedurende de gehele periode die onmidde voorafgaat aan het belastbaar tijdperk wa voor het eerst de in België belastbare w overeenkomstig het eerste id op forfaitaire w wordt vastgesteld, onder de viag van een land geen Lidstaat is van de Europese Unie eregistreerd; - ofwel die zeeschepen met een ouderdom. tenminste vif jaar gedurende de vijf jaar onmiddellijk. voorafgaan aan het belastb tijdperk waarin voor het eerst de in Be belastbare winst overeenkomstig het eerste ic forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de van een land dat geen Lidstaat is van Europese Unie zijn geregistreerd. $ 5. Het eventuele niet verrekende gedeelte de verliezen uit het beheer van zeeschepen v rekening van derden zoals het bestaat op ogenblik dat de winst voor de eerste keer we vastgesteld aan de hand van de tonnage, kar het verstrijken van de periode waarvoor de w aldus wordt vastgesteld, opnieuw in minde worden gebracht. $ 6. De regeling zoals bepaald in dit artike voorbehouden voor belastingplichtigen die derden verzorgen waarbij ten minste 75 pct het aantal voor derden beheerde zeesche dient ingeschreven te zin in het scheepsregister van een lidstaat van Europese Economische _ Ruimte)! ondernemingen die wensen gebruik te ma van de regeling vermeld in dit artikel mo uitsluitend het beheer van zeeschepen activiteit hebben Art. 11, derde lid De bij de artikelen 3 tot 7,8, 1,9 e getarifeerde akten en geschriften zijn aan recht onderworpen van zodra zij opgemaakt en ondertekend of geparafeerd, hetzij met hand, hetzij via elektronische handtekening i zin van artikel 3.10. van Verordening (EU) 910/2014 van het Europees Parlement en Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronis identificatie en vertouwensdiensten elektronische transacties in de interne mark tot intrekking van Richtijn 1999/93/EG of gekwalificeerde elektronische handtekening ir zin van artikel 3.12. van dezelfde Verorden door de persoon of door één van de perso van wie die akten en geschriften uitgaan. Worden van het recht vrijgesteld: 4° de exploten van gerechtsdeurwaarc opgesteld ter vervanging van een gerechtsbri het geval bepaald bij artikel 46, S 2, van Gerechtelijk Wetboek. 13° (ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017) de authentieke volmacht bedoeld in artikel 9, van de wet van 25 ventöse jaar Xl op notarisambt. Titel 4 - Wijzigingen van het Wetboek successierechten Wetboek der successierechten Art. 1031 De beroepsverzekeraars die in België | voomaamste insteling, een bijhuis, vertegenwoordiger of een om 't even welke z van verrichtingen hebben, zijn er toe gehou binnen de maand na de dag waarop zi ker hebben van het overlijden van een persoor van de echtgenoot van een persoon, met wi een der verzekeringscontracten _ heb afgesloten waarover het gaat in artikel 46, aar daartoe aangewezen ambtenaar bericht te ge door middel van het in artikel 162quater, we lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform het bestaan van het contract dat werd afgeslc hetzij met de overledene, hetzij met de echtgenoot, met aanduiding van: Titel 5 - Registratie, hypotheek- en Wetboek der registratie, hypotheek- en riffierechten Wanneer een akte die op gedematerialisee wijze wordt aangeboden, verplicht onderwor is aan zowel de formaliteit van de registratie aan die van de hypothecaire overschrijving, w deze akte tezelfdertijd en onder de wettel voorwaarden _ aan - beide - formalte onderworpen. behalve indien de termijnen v beide formaliteiten van elkaar verschillen De in het eerste id bepaalde regel geldt tev voor een akte die op een papieren drager we aangeboden en verplicht onderworpen is zowel de formaliteit van de registratie als aan van de hypothecaire overschrijving bijtoepass van artikel 3.30, $ 1, van het Burgerlijk Wetbc Het bevoegde kantoor van de Algem Administratie van de Patrimoniumdocument weigert de registratie van de akte zolang op kantoor de vervuling van de formaliteit van overschrijving voor een akte bedoeld in art 330, 8 1, van het Burgerlijk Wetboek, we eweigerd Art 32 De termijnen, binnen welke de aanbieding registratie moet plaatshebben van verplicht aan de formaliteit der registratie onderwon akten, zijn 1” voor akten van notarissen, vijtien dac behalve in geval van openbare verkoop van onroerend goed, voor processen-verbaal van ontbreken van hoger bod en die van defini toewijs, voor dewelke deze termijn h maanden is Evenwel is deze termijn gesteld op vier maand ingaande met de dag van het overlijden erflaters of schenkers, voor testamenten en v daarmede bij artikel 141, 3°, tweede_ali gelijkgestelde schenkingen, voor akten derzelver__ herroeping, _voor __verklarin betreffende testamenten_in_de_intematior vorm en voor akten van bewaargeving van testament door de erflater. Voor de in artikel 5bis, eerste en tweede bedoelde akten die bij de aanbieding registratie binnen de in het eerste lid geste termijn niet werden geregistreerd ingevolge toepassing van artikel 5bis, derde lid, bedre de termijn zeven dagen te rekenen van de dat van de kennisgeving door de Algem aan de notaris van de weigering om de akte c te schrijven. Deze nieuwe termijn verstrik geen geval vóór het einde van de termijn ges in het eerste lid: 3'bis voor akten van bestuursoverheden agenten van de Staat. provincies, gemeenten openbare instellingen die verplicht onderwon zin aan de formaliteit van de registratie en _ die van de hypothecaire overschrijving, vil dagen, behalve in geval van openbare verk van een onroerend goed, voor process verbaal van het ontbreken van hoger bod en van definitieve toewijs, voor dewelke de ter (wee maanden is; c) het al dan nietuitoefenen van een ter | aangeboden tot de formaliteiten van de are | de bestuursoverheden of ambtenaren van de rie | Staat, gefedereerde entiteiten, provincies, eerste lid of in het tweede lid; are |6° Voor processen-verbaal van openbare ten |opgemaakt door bestuursoverheden en are |ambtenaren van de Staat, gefedereerde jes | akten of verklaringen en tot betaling van de des en, | betreffende rechten en gebeurlijk de geldboeten, of | waarvan de vorderbaarheid uit bewuste akten of van | 5“ Op de bestuursoverheden en ambtenaren are van de Staat, gefedereerde entiteiten, de | één maand, te rekenen vanaf de dag van de gekende woonplaats in België of in het LAB | lid, | akten als bedoeld in artikel 32, 1°, tweede lid, b), en | Wanneer de rechten betreffende testamenten en jde | andere in artikel 32, 1°, tweede lid, b), bedoelde de | erfgenamen, legatarissen of begiftigden zomede AMB en|1° de akten van notarissen en valt | Op het kantoor bevoegd voor de ligging van 30 | cumulatief: a) onder de toepassing valt van het koninklijk registratieformaliteit en tot de hypothecaire b) onroerende goederen betreft die alle e) gelijktijdig tot de formaliteit van de vaststelt van de woning van een zelfstandige &_de akten van bestuursoverheden en ager van Staat, provincies, gemeenten en openb instellingen, ten kantore in welks gebied hun z of de zetel van hun functies gelegen is; Wanneer een akte die onder de toepassing, van het koninklijk besluit genomen ter uitvoe van artikel 2, derde lid, en bovendien _m worden overgeschreven, krachtens artikel £ van __het_Burgerlijk_ Wetboek, _onroere goederen betreft die alle gelegen zijn buiten ambtsgebied __van het __ bovenverme kantoor. wordt zij evenwel geregistreerd op kantoor bevoegd voor de ligging van het goed als eerste in de akte wordt vermeld: deze regel geldt voor een akte bedoeld in artikel 5 tweede lid; Ge) Art. 14Docties. Indien artikel 140quinquies van toepassing worden het recht en de interesten vereffend een verklaring die ter registratie moet wor aangeboden op het kantoor waar het verlaa techt werd geheven, binnen de eerste maanden na het verstrijken van het jaar tijd hetwelk één van de oorzaken van opeisbaart van het overeenkomstig de artikelen 131 tot verschuldigde recht zich heeft voorgedaan er op straf van een boete gelijk aan dit recht. Indien artikel 140sexies van toepassing is, m de beaîftigde die de toepassing van verlaagde recht heeft genoten op het voorme reaistratiekantoor_een_ verklaring ter reaistr aanbieden waarin de samensteling en waarde van de goederen waarvoor hi overeenkomstig de artikelen 131 tot verschuldigde recht wenst te betalen we aangegeven. De bij dit artikel voorgeschreven verkdarina welke door de begiftigde die de toepassing. het verlaagde recht heeft genoten, wer ondertekend, worden in dubbel gesteld, waar één exemplaar op het registratiekantoor b Deze verklaringen vermelden de akte, hetniet feit_waaruit__de__ opeisbaarheid _ van overeenkomstig _de_artikelen 131 tot verschuldigde recht voortvloeit en al de voor vereffening van het recht vereiste gegevens.

Art. 159 Worden van het evenredig recht vrijgesteld aan het algemeen vast recht onderworpen: 97 De contracten tussen de Algemene- Spaar Liftentekas en de leden __ van landbouwkantoren verleden, met betrekking de waarborg door deze laatsten verstrekt.

Art 161 Worden kosteloos geregistreerd: 1° Akten in der minne verleden ten name of bate van Staat, Kolonie en_openb Staatsinstelingen met uitzondering van de ak verleden in naam of ten gunste van de Algem Spaar- en Lijfrentekas voor de verrichtingen de Spaarkas. Zin onder het inarikel 163 aangewe voorbehoud, van de formaliteit der registr vrijgesteld: 4° Akten, vonnissen en arresten betreffende uitvoering van wetten en reglementen inz belastingen ten bate van Staat Kolo provinciën, gemeenten, polders en wateringe 29° Getuigschriften, akten van bekendh volmachten, machtigingen met inbegrip van verzoekschriften die er zouden verband m houden, wanneer die stukken opgemaakt uitgereikt worden om te worden overgelegd de diensten van het Grootboek van Rijksschuld aan de Deposito- en Consignatiek aan de Lijfrentekas, de Verzekeringskas en Rentekas voor _arbeidsongevallen_van Algemene Spaar. en Lifrentekas, zomede de mutaliteitsverenigingen, spaar-, lifren voorzorgs- en onderstandskassen erkend d de regering, ingesteld met goedkeuring van bestuursoverheid of aan dezer cont onderworpen: Ga) Zin vrijgesteld van hypotheekrecht: 3° inschrijvingen genomen om de invorderin waarborgen van aan den Staat, aan de Kolo aan provinciën, aan gemeenten, aan polders wateringen _ verschuldigde _ belastingen, vernieuwingen van die inschrijvingen:

Hoofdstuk 2

- Wijzigingen van koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie hypotheek- en griffierechten en het houde van de registers in de griffies van de hove en rechtbanken Koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek registratie, hypotheek- en griffierechten e het houden van de registers ín de griffies \ de hoven en rechtbanken De Federale Overheidsdienst Financiën verze onverwijld aan elk van de belastingschuld een bericht waarin ze worden verzocht belasting te betalen binnen _ vi kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvar ervan, De __rolrechten die _niet__tidig__ won betaald, worden ingevorderd op de wijze die ir artikelen 3 en volgende van de domaniale van 22 december 1949 is bepaald voor invordering van __ de __nietfis schuldvorderingen. Voor de toepassing artikel 3, $ 2, van de wet, wordt verschuldigde rolrecht geacht niet het voors uit te maken van een in kracht van gewij gegane __ rechterlijke - beslissing __houde veroordeling _tot de betaling _ em In afwijking van het eerste lid is artikel tweede lid, van de domaniale wet van december 1949 niet van toepassing bi invordering van de rolrechten. De administratieve boete wegens laattic betaling wordt ingevorderd zoals de rolrechte Titel 6. Fiscale procedure en invordering

HOOFDSTUK 1. Verbetering in de dive fiscale wetboeken en wetten van de artike met betrekking tof de scanning inkomende berichten onder gesloten oms verzonden door de belastingplichtige of « andere persoon aan de Fede Art. 339/1, $ 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 1. Elk bericht dat door de belastingplichtige loor een andere persoon wordt verzonden on esloten omslag aan de Federale Overheidsdi inanciën in het kader van de toepassing van etgeving inzake de inkomstenbelastingen, ijzondere wetsbepalingen in het kader van Inkomstenbelastingen of de besluiten genomen itvoering ervan, wordt voor de administratie je inkomstenbelastingen vestigt, gereproduce jeregistreerd en bewaard op het bevei slektronisch platform bedoeld in artikel 304 eede lid, volgens een informatica lelegeleidingstechniek et aldus gedigitaliseerd beeld van het ber jerzonden aan de Federale Overheidsdie inanciën, verkregen door middel van Informatica- of telegeleidingstechniek heeft, v le toepassing van de bepalingen van dit Wetbc le bijzondere wetsbepalingen in het kader var itvoering ervan, bewijskracht voor zover het jetrouwe en duurzame kopie is van het gesc jaarvan het afkomstig is en het voorzien is en geavanceerd elektronisch zegel dat aan d tikel 36 van de Verordening (EU) nr. 910/2 an het Europees Parlement en de Raad van ii 2014 betreffende elektronische identificatie ertrouwensdiensten _voor _ elektonis ransacties in de interne markt en tot intrekking ichtljn 199/93/EG vermelde eisen voldoet. In dat geval is de vernietiging van het papie rigineel toegestaan. je Koning bepaalt welke papieren documer jewaard moeten worden, ook na digitalisering. Art. S3octies, $ 2, van het Wetboek van belasting over de toegevoegde waarde 2. Elk bericht dat door de belastingplichtig: Ike andere persoon onder gesloten omslag we ronden aan de Federale Overheidsdie tgeving inzake de belasting over foegevoegde waarde, van de bijzonc tsbepalingen op het stuk van de belasting c le toegevoegde waarde of van de tot uitvoe: rvan genomen besluten, wordt voor dministratie die de belasting over de toegevoe: vaarde vestigt, gereproduceerd, geregistreerd jewaard op het in artikel 69bis, tweede edoelde beveiligd elektronisch platform volg en informatica- of telegeleidingstechniek. let aldus gedigitaliseerde beeld van het ber rzonden aan de Federale Overheidsdie nformatica- of telegeleidingstechniek, heeft, \ an de bijzondere wetsbepalingen op het stuk le belasting over de toegevoegde waarde of le tot uitvoering ervan genomen beslui ewijskracht voor zover het de getrouwe juurzame kopie is van het geschrift waarvan {komstig is en het voorzien is van jeavanceerd elektronische zegel dat voldoet le eisen vermeld in artikel 36 van Verorder EU) nr. 10/2014 van het Europees Parlement le Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronis dentficatie en _vertrouwensdiensten \ lektronische transacties in de interne markt er Intrekking van Richtlijn 1999/93/EG. je Koning bepaalt welke papieren documen voeten worden bewaard, zelfs na digitalisering Art. 289septies, 8 1, van het Wetboek 1. Elk bericht verzonden onder gesloten oms an de Federale Overheidsdienst Financiën, in der van de toepassing van dit Wetboek, ijzondere wetsbepalingen met betrekking tot registratie, hypotheek en griffierechten of de itvoering ervan genomen besluiten, wordt voor dministratie die bevoegd is voor de registra ypotheek- en grifierechten, gereproduces jeregistreerd en bewaard op het in art BOocties, (weede lid, bedoelde bevel lektronisch platform, volgens een informatica felegeleidingstechniek let aldus gedigitaliseerd beeld van het ber le toepassing van bepalingen van dit Wetboek 'egistratie, hypotheek en griffierechten of de itvoering ervan genomen besluiten, bewijskra r zover het de getrouwe en duurzame kopi an het geschrift waarvan het afkomstig is en rzien is van een geavanceerd elektronis egel dat aan de in artikel 36 van de Verorder ntrekking van Richtijn 1999/93/EG verme isen voldoet. ArtA62ter, S 1, van het Wetboek ijzondere wetsbepalingen op het stuk van successierechten of de tot uitvoering er jenomen besluiten, wordt voor de administratie le successierechten vestigt, gereproduces 62quater, tweede ld, bedoelde bevei inanciën verkregen door middel van le bijzondere wetsbepalingen op het stuk van jenomen besluiten, bewijskracht voor zover het vaarvan het afkomstig is en het voorzien is en geavanceerd elektronische zegel vermek tikel 36 van Verordening (EU) nr. 910/2014 et Europees Parlement en de Raad van 23 014 betreffende elektronische identificatie rtrouwensdiensten __voor _ elektronis ichtljn 1999/93/EG.

Art. 211quater, $ 1, van het Wetboek dive rechten en taksen inanciën, in het kader van de toepassing van tgeving inzake de diverse rechten taksen, we r de administratie die de diverse rechten ksen vestigt, gereproduceerd, geregistreerd jewaard op het in artikel 21 1quinguies, tweede jedoelde beveiligd elektronisch platform, volg le bijzondere wetsbepalingen op het stuk verse rechten en taksen of | itvoeringsbesluiten, bewijskracht voor zover le getrouwe en duurzame kopie is van jeschrift waarvan het afkomstig is en het voorz 's van een geavanceerd elektronisch zegel doet aan de eisen vermeld in artikel 36 ferordening (EU) nr. 910/2014 van het Europ Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffe lektronische identficatie en vertrouwensdiens r elektronische transacties in de interne m n tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.

Art. 81,5 1, van het Wetboek van de minnel en gedwongen invordering van fiscale niet-fiscale schuldvorderingen $ 1. Elk bericht dat onder gesloten omslag we verzonden aan de Federale Overheidsdie Financiën in het kader van de toepassing var Wetboek of de ter uitvoering ervan genor besluiten, de fiscale wetten of de wettelijke reglementaire bepalingen met betrekking tot fiscale schuldvorderingen wordt voor administratie van de Federale Overheidsdie Financiën belast met de inning en de invorde en, | van fiscale en nietfiscale schuldvorderingen, op | gereproduceerd, geregistreerd en bewaard op in | het beveiligd elektronisch platform bedoeldin of | artikel-97-tweede lid, volgens een informaticaof telegeleidingstechniek. cht | Het aldus gedigitaliseerd beeld van het bericht nst | verzonden aan de Federale Overheidsdienst sen | Financiën, verkregen door middel van een oor | informatica- of telegeleidingstechniek, heeft, voor dit|de toepassing van de bepalingen van dit ten | Wetboek of de ter uitvoering ervan genomen of | besluiten, de fiscale wetten of de wettelijke of iet- | reglementaire bepalingen met betrekking tot nietoor | fiscale schuidvorderingen, bewijskracht voor van | zover het de getrouwe en duurzame kopie is van het | het geschrift waarvan het afkomstig is en het she | voorzien is van een geavanceerd elektronische kel | zegel dat voldoet aan de eisen vermeld in artikel het | 36 van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het )14 | Europees parlement en de raad van 23 juli 2014 en | betreffende elektronische identficatie en he | vertrouwensdiensten voor elektronische ing | transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/03/EG. ren | In dat geval is de vernietiging van het papieren origineel toegestaan. ten | De Koning bepaalt welke papieren documenten 9. | moeten worden bewaard, zelfs na digitalisering. j03 | Art. 22/2, $ 1, van de wet van 21 februari 2003 oor |tot oprichting van een Dienst voor ale | Alimentatievorderingen bij de Federale rdt | $ 1. Elk bericht dat onder gesloten omslag wordt van | Financiën in het kader van de toepassing van ten | deze wet of de ter uitvoering ervan genomen de | besluiten wordt door de administratie van de net | Federale Overheidsdienst Financiën belast met en‚|de Dienst voor _alimentatievorderingen, -of | artikel-20,tweede lid; volgens een informaticavet, | de toepassing van de bepalingen van deze wet, en, | of de ter uitvoering ervan genomen besluiten, en | bewijskracht voor zover het de getrouwe en het | duurzame kopie is van het geschrift waarvan het sen | afkomstig is en het voorzien is van een jan | geavanceerd elektronisch zegel dat voldoet aan ing | de eisen vermeld in artikel 36 van de verordening ent | (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement de |en de raad van 23 juli 2014 betreffende en | elektronische, identificatie en he | vertrouwensdiensten voor _ elektronische ke | Art. 17/1, $ 2, van de algemene wet inzake ‘douane en accijnzen van 18 juli 1977 van | $ 2. Schriftelijke berichten die in het kader van ker | administratieve doeleinden van een gebruiker rd, | worden ontvangen, worden gereproduceerd, igd | geregistreerd en bewaard op-het-beveiligd of | elektronisch platform, volgens een informaticajen | Het gedigitaliseerd beeld van het ontvangen en | bericht, verkregen door middel van een seft | informatica- of telegeleidingstechniek, heeft ‘en | bewijskracht voor zover het de getrouwe en oet | geavanceerde elektronische zegel dat voldoet de |aan de eisen vermeld in artikel 36 van de ses | Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees )14 | parlementen de raad van 23 juli 2014 betreffende en | elektronische identificatie en van Richtlijn 1999/93/EG. 21 | Art. 213, $ 1, van de wet 26 januari 2021 de | betreffende de dematerialisatie van de nst | relaties tussen de Federale Overheidsdienst en | Financiën, de burgers, rechtspersonen en rse | bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten ale |S 1. Wat de bevoegdheden van de Federale zijn | Overheidsdienst Financiën betreft die niet zijn de |opgenomen in het Wetboek van de de | Inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de het | belasting over de toegevoegde waarde, het jen | Wetboek van minnelijke en gedwongen ale invordering van fiscale en nietfiscale ie-, | schuldvorderingen, het Wetboek der registratie, der | hypotheek. en griffierechten, het Wetboek der ten | successierechten, het Wetboek diverse rechten en | en taksen en de algemene wet inzake douane en der | accijnzen van 18 juli 1977 wordt elk bericht onder jon | gesloten omslag, dat door de natuurlijke persoon ale|of de rechtspersoon aan de Federale in | Overheidsdienst Financiën wordt verzonden in Jen | het kader van bovenvermelde bevoegdheden op | gereproduceerd, geregistreerd, en bewaard voor igd | de Federale Overheidsdienst Financiën op het “of | artikel 207, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch-platform, volgens een informatica cht | Elk aldus gedigitaliseerd beeld van het bericht of | verzonden door de natuurlijke persoon of en | rechtspersoon, verkregen door middel van een seft |informatica- of telegeleidingstechniek heeft zen | afkomstig is en het voorzien is van een ; in | geavanceerd elektronische zegel dat aan de in )14 | artikel 36 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 23 | van het Europees Parlement en de Raad van 23 tie | juli 2014 betreffende elektronische identificatie en she | vertrouwensdiensten _voor _ elektronische et. | van richtlijn 1999/93/EG vermelde eisen voldoet. j._| bewaard moeten worden, ook na digitalisering. Jen | HOOFDSTUK 2. Modaliteiten en voorwaarden van | van de terugbetaling van de in toepassing van jen | het Wetboek van de inkomstenbelastingen jen | 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen wonen er $ 1. Onverminderd de toepassing van artikel eenen Ee ee Wetboek of van de ter uitvoering ervan mn enen maken, of, voor de natuurlijke personen en bij postassignatie of internationaal mandaat. $ 2. Wanneer het terug te betalen bedrag aan tper eeen terugbetaling mogelijk maken, of voor zover ane ee terugbetaling, in afwijking van paragraaf 1, tot ne ee eden Ee: enn en eek png maken of aan deze niet kenbaar werd gemaakt ne Ke betalen bedrag, geheel of gedeeltelijk, niet eerste lid, wordt het terug te betalen bedrag of het saldo ervan, in afwijking van artikel 304, 5 1, | HOOFDSTUK 3. Wijziging van artikel 322, $ 1, pek|derde lid, van het Wetboek tot | Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot het | de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register 92 | Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 322, $ 1 WIB 92 lde |$1. De administratie mag, wat een bepaalde ten | belastingplichtige betreft, geschreven attesten pek |inzamelen, derden horen, een onderzoek lde |instellen, en binnen de door haar bepaalde van | termijn, welke wegens wettige redenen kan of |worden verlengd, van natuurlijke of der | rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder ren | rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen de | die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. zen | Het recht om derden te horen en om een Jen | onderzoek in te stellen mag slechts worden de | uitgeoefend door ambtenaren die minstens de en, |graad van financieel deskundige bezitten, ast | voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast sen | met het verrichten van een controle of een de | onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen. lde |De administratie mag wat een bepaalde de | belastingplichtige betreft, het register van de 3O- | uiteindelijke begunstigden, genaamd UBOne |register, gehouden binnen de Algemene bij | Administratie van de Thesaurie en opgericht bij tot | artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot de | voorkoming van het witwassen van geld en de van | financiering van terrorisme en tot beperking van rde | het gebruik van contanten, raadplegen teneinde en. | de juiste heffing van de belasting te verzekeren, en |De Koning bepaalt de voorwaarden en om | modaliteiten van deze raadpleging. Het rechtom nis | het UBO-register te-consulteren.mag slechts sen | worden-uitgeoefend-door een-ambtenaar met een-hogere titel-dan-die van attaché.

HOOFDSTUK 4. Wijziging van de artikelen. en 412bis van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 met het oog op overdracht van de inning van bepaa belastingen van de Algemene Administr. van de Patrimoniumdocumentatie naar ‘Algemene Administratie van de Inning en Ten name van de in artikel 227, 1° en vermelde belastingplichtigen wordt de belas van niet-inwoners met betrekking tot de in art 228, 5 2, 9°, g en i, vermelde meerwaarden geen betrekking hebben op in artikel 44, S vermelde ongebouwde onroerende goeder gevestigd en ingevorderd door de Algem tegen de tarieven en volgens het ondersct bepaald in artikel 171, 1°, ben 4°, den e. De Koning regelt de uitvoering van dit artikel $ 1. In afwijking van artikel 412, tweede lid, is bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in art 272, tweede lid, vermelde meerwaar betaalbaar bi de registratie van de in artikel eerste lid, 5°, vermelde akten of verklaringen. De in artikel 270, eerste lid, 5°, verme personen zijn gehouden om, bij de registratie: de akte of van de verklaring waarbij overdracht is vastgesteld, op het in artikel 39 het Wetboek der registratie, hypotheekgriffierechten _ vermelde _kantoor, bedrijfsvoorheffing, bepaald overeenkom hoofdstuk V, afdeling 8, van de bijlage Il van koninklijk besluit van 27 augustus 1993 uitvoering van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, te betalen betrekking tot de meerwaarden die begrepen in de in artikel 228, 5 2, 3, a en 4°, verme winst of baten, en die verwezenlijkt zijn bij overdracht onder bezwarende titel van in Be gelegen onroerende goederen of van zakel rechten met betrekking tot zulke onroere goederen, door aan de belasting van inwoners onderworpen belastingplichtigen Artikel 169ter van het Wetboek der registr hypotheek- en griffierechten is van toepassinc de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in eerste lid en het tweede lid bedoe meerwaarden, die bij de registratie van de akt van de verklaring moet worden betaald 8 2. Wanneer paragraaf 1 moet wor toegepast om de inning van bedrifsvoorheffing met betrekking tot meerwaarden te verzekeren, zijn de in art 270, eerste lid, 5°, vermelde schuldenaars bedrijfsvoorheffing verplicht, het bericht verm naargelang het geval, in artikel 433 of in art 35 van het Wetboek van de minnelijke gedwongen invordering van fiscale en niet-isc schuldvorderingen op te stelen dat bovenc melding moet maken van alle gegevens die nc zijn voor de berekening van bedrijfsvoorheffing met betrekking tot verwezenlikte meerwaarden en eventueel kosten en uitgaven te verantwoorden die overdrager vraagt van de overdrachtprijs a trekken of bij de verkrijging sprijs te voegen Het bericht vermeldt eveneens de identiteit de afzender, het goed dat het voorwerp is var akte of de verklaring bedoeld in artikel 2 eerste lid, 5°, en de identiteit van de eigenaa houder van een zakelijk recht op dat goed. Voor de toepassing van deze bepaling omva identiteit van de afzender, de naam, voorna hoedanigheid, adres en ondernemingsnumm de | Voor de toepassing van deze bepaling omvat de zen | identiteit van de eigenaar of houder van een zakelijk recht: am, |a) voor natuurlijke personen: de naam, het | voornamen en het identficatienummer van het het | Rijksregister, of bij gebreke daaraan het de | identficatienummer bij de Kruispuntbank van de Ike | Sociale Zekerheid, of bij gebreke aan zulke nummers, hun geboortedatum; rm | b) voor rechtspersonen: de naam, de rechtsvorm en het ondernemingsnummer. van | identificatie van het goed dat het voorwerp is van f 1, | de akte of de verklaring bedoeld in paragraaf 1, van | de aard van het goed, zijn adres, het nummer van ans | de kadastrale legger, en indien deze gegevens ire | gekend zijn, de verkoopprijs en de hypothecaire toestand öór | Het bericht bedoeld in het eerste lid moet, vóór registratie, worden meegedeeld aan: en|1° de Stafdienst Informatie- en ale | Communicatietechnologie van de Federale op | Overheidsdienst Financiën, en dt op elektronische wijze: de|2° de bevoegde ontvanger wanneer de ren | mededeling van het bericht niet kan gebeuren zen | overeenkomstig 1° omwille van overmacht of een cht | technische storing. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending meegedeeld eis | Indien de akte of de verklaring waarvan sprake is rie |in paragraaf 1 niet verleden wordt binnen drie het | maanden te rekenen van de verzending van het rde | bericht, wordt het bericht als niet bestaande is| Wanneer het bericht meegedeeld is de | overeenkomstig het zesde lid, 1°, wordt onder de de | verzendingsdatum van het bericht verstaan de oor | datum van ontvangstmelding meegedeeld door en | de Stafdienst Informatie- en Overheidsdienst Financiën. ans | Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens ien | wordt verstuurd volgens de procedures voorzien zal | respectievelijk in het zesde id, 1° en 2°, dan zal sde | het bericht opgesteld overeenkomstig het zesde de |lid, 2°, slechts primeren wanneer de um | verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum het | van het bericht opgesteld overeenkomstig het zesde lid, 1°, voorafgaat. in|S 3. Door de ontvangers wordt aan de in de | paragraaf 2 vermelde schuldenaars, binnen de kel | termijn gesteld, naargelang het geval, in artikel de | 434 of in artikel 36 van het Wetboek van de ale | minnelijke en gedwongen invordering van fiscale bijlen _nietfiscale _schuldvorderingen, bij het | aangetekende zending kennis gegeven van het 2°,|bedrag van de krachtens artikel 273, 2°, ing | verschuldigde bedrifsvoorheffing met betrekking de |tot de meerwaarden verwezenlijkt op de de | goederen welke het voorwerp van de akte of de verklaring bedoeld in paragraaf 1 zijn de |in geval van openbare verkoop zulen de de | ontvangers, in afwijking van het eerste id, aan de de | betrokken schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing het | enkel kennis geven van het totale bedrag dat van oet | de overdrachtprijs moet worden afgetrokken om de | het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde te dat |bekomen zodat deze, evenals de erop jde | verschuldigde _bedrijfsvoorheffing, _door aar | voormelde schuldenaar zelf kan berekend worden. ing | $ 4. De schuldenaar van de bedrifsvoorheffing ide | legt, vóór registratie, de in paragraaf 3 vermelde net | kennisgeving voor aan het kantoor belast met de ing | registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld de | Het kantoor belast met de registratie kan de ing | registratie van de akte of de verklaring afhankelijk de | stellen van de overlegging van een getuigschrift ast | dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de en, | administratie belast met de vestiging van de sen | inkomstenbelastingen, waarbij is vastgesteld dat 27, | de overdrager geen belastingplichtige is zoals bedoeld in artikel 227, 1° of 2“ jde | $ 5. Na de bevestiging te hebben ontvangen de |dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing ide | werd geïnd door de bevoegde dienst van de van | Algemene Administratie van de Inning en de ing | Invordering, zal het kantoor belast met de de |registratie de in paragraaf 3 vermelde de | kennisgeving vervolledigen en in tweevoud aan jed | de schuldenaar van de bedrifsvoorheffing zijn | uitreiken. Deze laatste zal een exemplaar aan de te | overdrager van het onroerend goed of van de zakelijke rechten met betrekking tot dat goed overhandigen om hem in staat te stellen zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners in te vullen. sen | Het kantoor belast met de registratie stuurt een Ide | exemplaar van de in het eerste lid vermelde de | kennisgeving aan de bevoegde dienst van de de | administratie belast met de vestiging van de die |$ 6. De Koning bepaalt de vermeldingen die f2, | voorkomen in het bericht bedoeld in paragraaf 2, eerste id n des données ngsautoriteit Avis n° 142/2021 du 10 septembre 2021 je loi portant des dispositions fiscales diverses otection des données (c-après Autorité"), en présence pexandra Jaspar et de Messieurs Yves-Alexandre de mn de autorit de protection des données, en particulier nt européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la du tratement des données à caractère personnel et àla vant la Directive 95/A6/CE (Règlement général sur la, ction des personnes physlques à Tégard des traltements LTD”); Van Peteghem, Vice-premier Ministre et Ministre des e contre la fraude, recue le 02/07/2021; (ao21A2041.010) ue L_OBJET DE LA DEMANDE D'AV 1. Le 02/07/2021, Monsieur Vincent Van Pe chargé de la Coordination de la lutte cor de FAutorité concernant un avant-projet A3, A4, BL et C3) (c-après: le projet). ‘d'une Banque-carrefour de la sécurité so 3. Lartide B1 du projet mode article 10: La modification vise à permettre au Ro certaines informations que doivent fo dsignés à cette fin. Une même obligat principalement des banques et organisr des dispositions fiscales et financiëres dh à renvoi électronique des informations € succession, déterminant des modalités. 15 janvier 1990, au fonctionnaire désign contrat d'assurance détermin tel que vis et Fassureur professionnel. 4. Carte C3 du projet modifie article 35 greffe (c-après:

C. Ear). La modificat redevable maurait pas de domicile connu: de perception et de recouvrement ultéri redevable des droits (et/ou amendes) 1 Cameemant et am royal ef cet arrêté ministériel sim atrkeprtechandomees befpvblkcatins/ CMR Avis Organismes consultatifs externes du 25-10-2021 étranger, et d'évter des frais d'huisier adressé au procureur du Roi à Bruveles. 7. Comme déjà expliqué c-avant, la fnalté du COTD consiste à garantir une iden percevoircorrectement les impêts. L'Aute IÉgitime au sens de "article 5.1.5) du RG 8. En ce qui concerne la proportionnalitá dì dterminer les modalités de la déciarati 10. En ce qui concerne Vopportunité d'util PAutorité estime dans ce contexte quis’ correcte du contribuable. L'Autorité soul LCA de soumettre également à son avis 11. Conformément à Varticle 2 de la lot du 3 de données à caractère personnel réalise ‘ses missions (c-après: la loi du 3 août. au sens de article 4.7) du RGPD. L'Auto 13. Tout traitement de données à caractère sens de article 6 du RGPD. Les assureur 14, Pour autant que l'Autorité puisse en juge SPF Finances se fondent sur lartide 6.1: accomplir une mission d'intérêt public. 15. Comme déjà expliqué au point 6, confor le considérant 41, le traitement de donn d'une obligation légale et/ou à lexécuti Vor dgalement les dispositions sido aux arches réglementation caire et précise dort concemées. En outre, selon article 22 essenties du traitement de données soie 16, Le chapitre Xl du C: Succ. est intitulé perception des droits de succession dus, 17. Il ressort de ce tire que le but de la dé Impôts. Ces impôts reviennent ensuite 2 18. En ce qui concerne la proportionnaïté du 103 du C: Succ. détermine quelles donné suivantes: "le nom ou la rakson sociak national du défunt et de son conjoint ou ‘en appleation de farte 4, $.2, dela lot 21. En ce qui concere la désignation du conservation maximal, VAutorité renvoie €. Modification du Code des drofts “ans ce conteste, omvient également de mentine numéro de Regizre natens u da numéro dis Lass ov ne 12520) permet dot repr ar un onderen hide au abe 'Autorité puisse en juger, les tratements réalisés. arques particulières au regard du traitement de données En, q 5 5 A Ar Sr Toma (2021A2041.010) 6/6 | Ke, BEM Autorité de protectio an | Gegevensbeschermij Betreft: Advies m.b.t. een voorontwer En artikelen A3, A4, B1 en C3 (CO-A-2021Het Kenniscentrum van de Gegevensbes mevrouw Marie-Hélène Descamps en mey Montjoye, Bart Preneel en Frank Robben; Gelet op de wet van 3 december 2017 inzonderheid op artikelen 23 en 26 (hierna Gelet op de Verordening (EU) 2016/67 van betreffende de bescherming van. natuur persoonsgegevens en betreffende het vrije 95/46/EG (hierna “AVG”; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende tot de verwerking van persoonsgegevens (hì Gelet op het verzoek om advies van de hee van Financiën, bevoegd voor de Coördinatie Gelet op het verslag van Alexandra Jaspar; brengt op 10 september 2021 het volgend a CMR Advies Externe Adviesorganen van 25-10-2021 (2021 oven vaan AANVRAAG nt Van Peteghen, Vice-eersteminister en Minister van van de fraudebestijding, (hierna: de Aanvrager) het tot een voorontwerp van wet houdende diverse (scale hierna: het ontwerp) vijigen respectievelijk de artkelen 201/9/2 en 201/9/3 an (hierna: WDRT). De wijziging heeft tot doel de koning dat in de aangiften van de jaarlijkse taks op de gedaan van het identificatienummer in het Rijksregister st identficatienummer in het bisregister (hierna: bis ng van artikel 4, 52 van de wet van 15 januari 1990 een Kruispuntbank van de sociale zekerheid (hierna: de 103 van het Wetboek der successierechten (hierna: W. ng te machtigen om voor te schrijven dat bepaalde daor lichtingen op elektronische wijze moeten worden mbtenaren. Eenzelfde verplichting werd reeds opgelegd melijk banken en verzekeringsinstelingen - door de wet se fiscale en financiële bepalingen, uitgevoerd bij het fende de elektronische verzending van de berichten en an het Wetboek der successierechten, houdende nadere audende wijziging van artikel 7 van het koninkijk besluit element van de successierechten enen het ministerieel ling van de nadere regels betreffende de elektronische n 97 van het Wetboek der successierechten bedoelde paalt het ontworpen artikel 103 W Succ: voortaan dat toe gemachtigd zijn, tevens het ijksregisternummer van. vet bisnummer, dat hum is toegekend bij toepassing van. 1990, dienen over te maken aan de daartoe bevoegde bestaan van een bepaald verzekeringscontract zoals t werd afgesloten tussen de overledene en de set belt et ches ar. 1257201 van de Atta, teracpegen vin teit bepabientinsaiee ar 200 dt A2041,010) 27 4. Artikel C3 van het ontwerp wijzigt artik oriffierechten (hierna:

W. Reg.). De wijz waarin de belastingschuldige geen geke te vermijden dat de latere procedure van worden verlamd wanneer de schuldenaar heeft in België of in het buitenland, en wordt het betalingsbericht in dat geval dergelijke mogelijkheid voor de admini belastingschuldige een akte te verzende zaken (in die zin wijst de aanvrager op art en gedwongen invordering van fiscale e lid van het Wetboek van de belasting op IL

ONDERZOEK TEN GRONDE

a. Wijziging Wetboek diverse recht 5. Elke verwerking van persoonsgegevens n 6 AVG. Voor zover de Autoriteit kan beo Financiën worden gedaan, gestoeld op wordt geacht voor de vervulling van een de identficatie van de belastingplichti belastingen”. 6. De verwerking van persoonsgegevens d van algemeen belang moet overeenkon overweging 41, worden geregeld door toepassing voor de betrokkenen voorz Grondwet noodzakelijk dat de wezenlijke een formele wettelijke norm wordt vastg 7. Zoals hierboven reeds toegelicht bestaa 201/9/2 en 201/9/3 WORT erin een ui vaststeling en heffing van de belastinge welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en Ave. en meer bepaald de jaak tak op de feta haver vana -A7 king stelt de Autoriteit vast dat het de taak is van de fte vast te stellen. De artikelen A3 en A4 van het ontwerp s kan bepalen “dat de aangifte melding maakt van het or van het identicatienummer ín het bisregister dat is 2 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting n de sochle zekerheid.” ternummer alleen mag worden gebruikt/verwerkt onder 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een (hierna: de wet van 8 augustus 1983). In die zin neemt A3 en Ad voorzien in een formele wettelijke machtiging ruik van het ijksregisternummer, dan wel bis-nummer, el dat het een gepast middel is om de juiste identificatie jen. Desalniettemin wijst de Autoriteit op de verplichting koninklijk besluit dat desgevallend uitvoering geeft aan leggen aan de Autoriteit augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van van 3 augustus 2012) is de FOD Finandên an artikel 4.7. AVG. De Autoriteit neemt er akte van. nde wet van 3 augustus 2012° bepaalt dat de door de ens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor erkt, met een maximale bewaartermijn die één jaar na lijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures, rking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het werschrijden. De Autoriteit neemt er akte van. 172 en 11/2 van de wet van 3 aogusts 2012 A2041.010) 47 haver varaan -S7 uceessierechten voet steunen op een rechtsgrondslag in de zin van artikel ericht zoals bedoeld in artikel 103 W. Succ toesturen aan de FOD Financiën, verwerken persoonsgegevens. Die ©) van de AVG, namelijk de wettelijke verplichting, voor net het oog op het invullen en verzenden van dat bericht. jn de verwerkingen welke uit hoofde van FOD Financiën artikel 6.1.8) AVG, waarbij de verwerking noodzakelijk taak van algemeen belang. 6 moet de verwerking van persoonsgegevens die n wettelijke verplichting en voor de uitoefening van een, vomstig artikel 6.3. van de AVG, gelezen in het licht van duidelijke en nauwkeurige regelgeving, waarvan de nbaar moet zijn. Bovendien is het volgens artikel 22 elementen van de gegevensverwerking door middel van gesteld in derden opgelegde verplichtingen ten einde de juiste van vijksinvoners verschuldigde successierechten te angite erin bestaat het mogelijk maken van een juiste nggelden komen vervolgens ten bate van de schatkist. even en gerechtvaardigd doeleinde in de zin van artikel geviseerde verwerking stelt de Autoriteit vast dat het t welke gegevens in het bericht opgenomen moeten n domialie van de verzekeraar; de Rijksregistermummers. tof het identifcatienummer ín het bisregister, dat hun is m de sociale zekerheid, wanneer zij gemachtigd zijn dat e nummers, de naam, voornamen en de woonplaats van van de verzekerde of van zijn echtgenoot; de datum, polis of polissen en de waarde waarvoor de voorwerpen A2041.010) 5/7 verzekerd zijn, en, in geval van meerde medeverzekeraars.” 19, Inzake het gebruik van het rijksregister ontwerp voorziet in een formele wettelijk van de wet van 8 augustus 1983'. 20. Voor het overige is de Autoriteit van oor persoonsgegevens toereikend en ter zak verwerkt en als zodanig geen aanleiding de Autoriteit op de verplichting overeer desgevallend uitvoering geeft aan deze Autoriteit. 21. Voor wat betreft de aanduiding van de \ maximale bewaartermijn verwijt de Aut dit advis. c. Wijziging van het Wetboek der r 22. Elke verwerking van persoonsgegevens n van een belasting genaamd registratiere 23.

Artikel 35 W. Reg. specieert op welk registratie van akten of verklaringen en de geldboeten, waarvan de vorderbaarh van het ontwerp vult het desbetreffende ‘de schuldenaar van de rechten en, in voo in België of in het buitenland heeft, wo verzonden.” In deze cotect moet erook gewezen warden op de vanhet rijaregstr of tie nummer. De uitvoerings van de Altor (aries mr 15/2019) “ze are 1 Wi Res. 24. De Autoriteit is van oordeel dat deze onderhavige verwerking, met name de voorkomend geval, de geldboeten, teme reeds bestaat in fiscale zaken. 25. Betreffende de proportionalteit van de overeenkomstig artikel C3 van het or persoonsgegevens die worden verwerkt. 26. Voor wat betreft de aanduiding van de \ OM DEZE REDENEN, de Autoriteit is van oordeel dat het ontwerp geen aar verwerking van persoonsgegevens. Voor het Kenniscentrum, (oet) Alexandra Jasper, Directeur Ze de toeiing onde randnummer 4