Amendement Opzoeken in documenten en databanken
Documentdetails
📁 Dossier 56-0420 (2 documenten)
🗳️ Stemmingen
Betrokken partijen
Volledige tekst
18 december 2024 Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Amendementen Zie: Doc 56 0420/ (2024/2025): 001: Wetsvoorstel van mevrouw Beels. tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat het toekennen van kosteloze rechtsbijstand aan slachtoffers van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel betreft WETSVOORSTEL
Nr. 1 van de heer Aouasti en mevrouw Meunier Art. 2 Dit artikel vervangen door: “Art. 2. In artikel 508/13/1 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2020, wordt paragraaf 2 aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende: “12° de persoon die slachtoffer is van mensenhandel als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of van mensensmokkel als bedoeld in artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in de omstandigheden als bedoeld in artikel 77quater, 1° tot 5°, van dezelfde wet, voor bijstand aan die persoon in het raam van een strafprocedure met het oog op specifiek burgerlijkepartijstelling, op overlegging van een verklaring van een erkend gespecialiseerd opvangcentrum.””
VERANTWOORDING
In zijn advies over wetsvoorstel DOC 55 2568/001 is het College van procureurs-generaal van mening dat het wetsvoorstel een onweerlegbaar vermoeden van behoeftigheid creëert ten gunste van de slachtoffers van mensenhandel of mensensmokkel en bijgevolg leidt tot een verschil in behandeling tussen de voormelde categorie van personen en de personen opgesomd in artikel 508/13/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, voor wie het vermoeden van behoeftigheid kan worden weerlegd door het bureau voor juridische bijstand.
Dit amendement beoogt dit pijnpunt aan te pakken en kritiek inzake de grondwettigheid van het wetsvoorstel te voorkomen door slachtoffers van mensenhandel of mensensmokkel op te nemen in de opsomming van artikel 508/13/1, § 2. Bovendien vinden Myria en de OVB dat de formulering van het wetsvoorstel, dat enkel de burgerlijkepartijstelling beoogt, geen mogelijkheid laat voor bijstand door een advocaat van bij
de aanvang van het onderzoek. Volgens de indieners dient de bijstand doorheen de hele strafprocedure te worden beoogd.
Nr. 2 van de heer El Yakhloufi Dit artikel vervangen als volgt: “Art. 2. In artikel 508/13/1 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 31 juli 2020, wordt paragraaf 2 aangevuld met een bepaling onder 12, “12° de slachtoffers van mensenhandel bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek en de slachtoffers van mensensmokkel bedoeld in artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 1° tot 5°, van dezelfde wet; deze slachtoffers leggen daartoe een verklaring van een erkend gespecialiseerd opvangcentrum voor aan het bureau voor juridische bijstand; indien de bijzondere beschermingsprocedure of de begeleiding door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum wordt beëindigd, maakt dit centrum daarvan onverwijld melding aan het bureau voor juridische bijstand.”” Het College van procureurs-generaal is van mening dat, door de aanvulling van artikel 508/13/1 van het Gerechtelijk Wetboek met een vijfde paragraaf, dit voorstel een discriminatie dreigt te creëren tussen verschillende categoriëen van slachtoffers van mensenhandel; enerzijds de slachtoffers van bepaalde verzwarende vormen van mensenhandel (de slachtoffers zouden in alle omstandigheden rechtsbijstand genieten) en anderzijds de slachtoffers bedoeld in artikel 508/13/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek (de slachtoffers zouden rechtsbijstand genieten tenzij er wordt aangetoond dat zij beschikken over voldoende bestaansmiddelen).
Deze zienswijze wordt ook gevolgd door de OVB. Daartoe is het College van procureurs-generaal van mening dat het Gerechtelijk Wetboek moet worden gewijzigd om bovengenoemde slachtoffers op te nemen in de lijst van personen die worden geacht te beschikken over onvoldoende middelen (artikel 508/13/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). De hoedanigheid van slachtoffer zou, zoals voorgesteld in het
wetsvoorstel, kunnen worden aangetoond met een certificaat van zorg dat door een gespecialiseerd opvangcentrum wordt afgegeven en dat aan het bureau voor rechtsbijstand wordt toegezonden. Met dit amendement komen we dus tegemoet aan deze adviezen en stellen wij dus voor om deze categorie van slachtoffers van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel toe te voegen aan de lijst van personen die worden verondersteld te beschikken over onvoldoende middelen (zoals bepaald in artikel 508/13/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek; dus weerlegbaar vermoeden).
Achraf El Yakhloufi (Vooruit)