Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de vrijstellingen van de belasting ter uitvoering van activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid binnen het Uniekader en betreffende tijdelijke vrijstellingen bij invoer en bepaalde leveringen van goederen en diensten in reactie op de COVID-19-pandemie

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2343 Wetsontwerp 📅 2021-12-08 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (16/12/2021)
Commissie FINANCIËN EN BEGROTING
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Vanden (Burre); Gilles (Ecolo-Groen)
Onderwerpen
FISCAAL RECHT EPIDEMIE BELASTINGVRIJSTELLING FISCALITEIT LEVERING ZIEKTE VAN DE LUCHTWEGEN INFECTIEZIEKTE EG-RICHTLIJN BTW

🗳️ Stemmingen

Betrokken partijen

N-VA PVDA-PTB VB

Sprekers (3)

Joy Donné (N-VA) Wouter Vermeersch (VB) Marco Van Hees (PVDA-PTB)
Stemdetail (2 stemmingen)
Art. 1 eenparig aangenomen
Art. 2 aangenomen met 13 stemmen en 2 onthoudingen

Volledige tekst

zieook: Gos: Takt aangenomen doer de commisie ossis pocss 2343/002 bi dert ve eran vene nn ee veran Baron Koraan ee ee Fen Toner Revan ite Len Sa Vane Aert Ke me Cn ie Park tT En a en neen We, Ee ee met ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van woensdag 8 december 2021 1, - INLEIDENDE UITEENZETTING De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, bevoegd voor de Coördinatie van de fraudebestrijding, stelt het voorliggende wetsontwerp tot wijziging van het btw-Wetboek, enerzijds, betreffende vrijstellingen van de belasting ter uitvoering van activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veligheids- en defensiebeleid binnen het Uniekader en, anderzijds, betreffende tijdelijke vrijstellingen bij invoer en bepaalde leveringen van goederen en diensten in reactie op de COVID-19-pandemie, voor. Dit ontwerp wijzigt het btw-Wetboek met betrekking tot de werkingssfeer en vrijstellingen van de belasting en is noodzakelijk in het kader van de omzetting van twee Europese richtlijnen die, wat de btw betreft, bepaalde activiteiten van openbaar belang door de strijdkrachten van de lidstaten en door bepaalde Europese instellin gen vergemakkelijken. België heeft de plicht om beide richtlijnen om te zetten in nationale wetgeving. De eerste om te zetten richtlijn die aan de basis ligt van dit ontwerp zorgt voor een identieke btw-behandeling van de defensie-inspanningen die worden geleverd binnen het Uniekader en die worden geleverd onder leiding van de NAVO. Deze richtlijn moet uiterlijk op 30 juni 2022 worden omgezet en treedt in werking op 1 juli 2022. De huidige bepalingen van de btw-richtlijn voorzien onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling van de btw voor leveringen van goederen en diensten aan, alsook de invoer van goederen door de strijdkrachten van de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, voor zover die strijdkrachten deelnemen aan een gemeenschappelijke defensie-inspanning buiten hun eigen staat. Op die vrijstellingen kan tot nu toe echter geen beroep worden gedaan wanneer de strijdkrachten van een lidstaat deelnemen aan activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU. De om te zetten richtlijn en dit wetsontwerp, maken een einde aan deze ongelijke btw-behandeling van aankopen bocss 2343/002 en invoeren met betrekking tot defensie-inspanningen in het kader van de NAVO en in het kader van de EU. De tweede om te zetten richtlijn die aan de basis ligt van dit wetsontwerp voorziet in een nieuwe btw-vrijstelling voor aankopen door organen van de Unie van goederen en diensten in reactie op de noodsituatie als gevolg van de COVID-19-pandemie, wanneer die kosteloos ter beschikking worden gesteld van de lidstaten of derden, zoals nationale autoriteiten of instellingen. Deze richtlijn moet uiterlijk op 31 december 2021 worden omgezet en zal, overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn, met terugwerkende kracht uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2021. Op grond van de huidige bepalingen van de btwrichtlijn verlenen de lidstaten, indien de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, al vrijstelling van btw voor de invoer van goederen door, en goederenleveringen en het verrichten van diensten aan onder meer de instellingen van de Europese Unie alsook door of aan bepaalde door de Unie opgerichte organen, voor zover deze vrijstelling niet leidt tot concurrentieverstoring. Deze vrijstelling is echter strikt beperkt tot aankopen voor officieel gebruik en geldt niet voor situaties waarin organen van de Unie goederen en diensten aankopen in reactie op de noodsituatie als gevolg van de COVID19-pandemie, met name wanneer die kosteloos ter beschikking worden gesteld van lidstaten of derden, zoals nationale autoriteiten of instellingen. Gezien de blijvende noodzaak van dringende maatregelen om de huidige gezondheidscrisis aan te pakken, moet de aankoop van goederen en diensten door de Europese Commissie of een krachtens Unierecht opgericht agentschap of orgaan bij de uitvoering van hun taken worden vrijgesteld om op die manier de Europese budgettaire ruimte voor dergelijke aankopen optimaal te kunnen aanwenden. Ingevolge dit wetsontwerp zal dus een btw-vrijstelling van toepassing zijn voor aankopen van goederen en diensten in het kader van officieel toegekende taken aan de Europese Unie op basis van het Europees recht, indien deze gedaan worden ter bestrijding van de COVID-19-pandemie.

II, - ALGEMENE BESPREKING

A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Joy Donné (N-VA) heeft een opmerking met betrekking tot

hoofdstuk 3

van het voorliggende wetsontwerp. De spreker heeft er geen probleem mee dat er een btw-vrijstelling wordt ingevoerd voor de Europese Commissie of een Europees agentschap. Hij vindt het echter wel een gemiste kans dat deze mogelijkheid niet gecreëerd wordt voor de EU-lidstaten zelf. De aankopen die door EU-lidstaten verricht worden zijn wel door de btw bezwaard. De spreker verwijst hierbij naar de aankopen van mondmaskers die de lokale overheden verricht hebben en die aanvankelijk bezwaard werden met een btw-heffing van 21 %. Deze heffing werd later wel verminderd tot 6 9%. Bovendien geldt deze bezwaring niet voor aankopen die buiten de Europese Economische Ruimte verricht wordt. De spreker wijst erop dat ook de nationale en lokale bestuursniveaus binnen de Europese Unie over dezelfde faciliteiten zouden moeten kunnen beschikken. Vandaar dat zijn fractie zal tegenstemmen wat

hoofdstuk 3

van het voorliggende wetsontwerp betreft. De heer Wouter Vermeersch (VB) merkt op dat de Raad van State zich in haar advies (DOC 55 2343/01, blz. 32) afvraagt waarom artikel 2 van de Richtlijn 2019/2235 niet werd omgezet in dit wetsontwerp. De regering merkt hierbij op dat deze omzetting wordt voorbereid door ander onderdeel van de administratie. Wanneer zal dat specifieke artikel dan wel worden omgezet? Met betrekking tot artikel 3 van het voorliggende wetsontwerp, stipt de spreker aan dat de formulering van de wettekst onduidelijk is. De Raad van State heeft hieromtrent eveneens haar bedenkingen geuit (DOC 55 2343/001, blz. 33). In zijn beleidsnota (DOC 55 2294/04) heeft de vice-eersteminister echter het streven opgenomen om meer eenvoudige en beter leesbare fiscale wetgeving te ontwikkelen. Dezelfde opmerking van de Raad van State wordt eveneens geformuleerd ten aanzien van artikel 6 (DOC 55 2343/001, blz. 34) De heer Marco Van Hees (PVDA-PTB) legt uit dat het wetsontwerp, afgezien van

hoofdstuk 1

dat de EUrichtlijnen vermeldt die het wetsontwerp beoogt om te zetten (voor één van de richtlijnen gaat het daarbij om een gedeeltelijke omzetting), twee totaal verschillende omvangrijke hoofdstukken bevat: -

hoofdstuk 2

betreft btw-vrijstellingen voor door strijdkrachten verrichte leveringen van goederen en diensten alsook de door hen gedane invoer van goederen in verband met activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van de Europese Unie; -

hoofdstuk 3

betreft de tijdelijke btw-vrijstelling voor invoer of leveringen van goederen of diensten in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie. De spreker begrijpt niet waarom in hetzelfde wetsontwerp de omzetting wordt bijeengebracht van twee richtlijnen die over twee volstrekt andere onderwerpen gaan. Dat is onbegrijpelijk, temeer daar de omzettingstermijn van beide richtlijnen verschilt - Richtlijn 2021/1159 betreffende de btw-vrijstelling in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie moet uiterlijk tegen 31 december 2021 zijn omgezet; het is dan ook heel begrijpelijk dat er enige spoedeisendheid mee gemoeid is; - Richtlijn 2019/2235 daarentegen, die btw-vrijstellingen beoogt voor goederen en diensten die verband houden met miltaire activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk velligheids- en defensiebeleid (GVDB) moet uiterlijk tegen 30 juni 2022 zijn omgezet. Bovendien beoogt het wetsontwerp slechts een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn. De omzetting van richtlijn 2019/2235 had dus kunnen gebeuren via een ander wetsontwerp dat voor de volledige omzetting van die richtlijn zou hebben gezorgd. In één en dezelfde wet volstrekt verschillende onderwerpen behandelen, is in democratisch opzicht voor kritiek vatbaar omdat het de bevattelijkheid van de politieke standpunten van de verschillende partijen over de behandelde onderwerpen in het gedrang brengt. De vice-eersteminister zal begrepen hebben dat zijn fractie ertoe wordt genoopt zich uit te spreken over een wetsontwerp dat zowel bepalingen bevat die zij wil steunen (de btw-vrijstellingen in het kader van de strijd tegen de pandemie) als bepalingen waartegen zij gekant is (btw-vrijstelling voor goederen en diensten in verband met militaire activiteiten). Waarom maakt de vice-eersteminister dit soort wetten met sterk uiteenlopende bepalingen? De vice-eersteminister zal hebben opgemerkt dat de richtlijnen waarvan dit wetsontwerp de omzetting beoogt verschillend zijn. Waarom gaat het binnen hetzelfde wetsontwerp niet over hetzelfde onderwerp? Dat is bevreemdend, tenzij de vice-eersteminister ervan uitgaat dat COVID-19 en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid twee plagen zijn en hij een gemeenschappelijke noemer ontwaart die de behandeling in hetzelfde wetsontwerp verantwoordt.

Hoofdstuk 2

heeft betrekking op btw-vrijstellingen voor door strijdkrachten verrichte leveringen van goederen en diensten alsook voor de door hen gedane invoer van goederen in verband met activiteiten in het kader van (GVDB) van de Europese Unie. Het gaat dus om een btw-vrijstelling voor de bezettingstroepenmacht op het grondgebied. Vanzelfsprekend betreft het een tijdelijke bezetting met de toestemming van de regering, maar het blif toch een vrijstelling voor een buitenlandse troepenmacht. Het betreft een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/2235 van de Raad van 16 december 2019 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en Richtlijn 2008/118/EG houdende een algemene regeling inzake accijns wat defensie-inspanningen binnen het Uniekader betreft. Richtlijn 2006/11 voorziet in een btw-vrijstelling voor de door de strijdkrachten van de NAVO-lidstaten verrichte leveringen van goederen goederen, voor zover die strijdkrachten deelnemen aan Die vrijstellingen golden niet wanneer de strijdkrachten van een lidstaat van de Europese Unie deelnamen aan activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Richtlijn 2019/2235 strekt tot harmonisering van de regels inzake btw en accijnsrechten die van toepassing zijn op de defensie-inspanningen in het raam van (GVDB) en van de NAVO. De spreker meent dat de regering de harmonisering op een andere manier had kunnen verwezenlijken. De harmoniseringsdoelstelling kon immers op twee wijzen worden bereikt, namelijk: - door de afschaffing van de uitzonderingsregeling voor de militaire activiteiten van de NAVO; - door de uitbreiding van die uitzonderingsregeling tot de militaire activiteiten in het kader van het GVDB. De tweede optie werd gekozen, hoewel volgens de spreker de eerste de voorkeur verdient. De PVDA-PTB-fractie meent dat defensie defensief moet zijn, in plaats van offensief. Ze is voorstander van samenwerking met de buurlanden, maar wel in het strikte kader van de verdediging van het grondgebied en niet voor offensieve activiteiten of met het oog op bewapening voor offensieve doeleinden. De PVDAPTB is tegen interventies in het buitenland, want die leiden tot chaos, vluchtelingengolven en terrorisme. De fractie wil de miltarisering van de begroting en van de samenleving een halt toeroepen. De NAVO en het GVDB beogen echter het tegendeel Het buitenlands beleid van de Verenigde Staten en van hun NAVO-bondgenoten heeft niets te maken met vrede, mensenrechten of democratie. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (VDB) is in hetzelfde bedje ziek, want: - de bedoeling ervan is de Europese Unie operationele capaciteit te geven, die berust op buiten de EU inzetbare burgerlijke en militaire middelen; - het GVDB beoogt de rol van de EU op het vlak van internationale crisisbeheersing uit te breiden, ter aanvulling van en in coördinatie met de NAVO.

Hoofdstuk 3

betreft de tijdelijke vrijstelling van btw op de invoer of de leveringen van goederen of diensten in het kader van de bestrijding van de COVID-19-pandemie. Dat hoofdstuk strekt tot omzetting van de Europese Richtlijn 2021/1159, die voorziet in een btw-vrijstelling van de COVID-19-pandemie, wanneer die goederen en diensten kosteloos ter beschikking worden gesteld van de lidstaten of van derden, zoals nationale overheden of instellingen. De fractie van de spreker steunt die maatregel. De PVDA-PTB-leden zullen zich echter onthouden bij de stemming over het gehele wetsontwerp, want ze steunen hoofdstuk 3, maar verzetten zich tegen hoofdstuk 2.

B. Antwoorden van de vice-eersteminister van de fraudebestrijding, merkt ten aanzien van de opmerking van de heer Donné op dat, aangezien de richtlijn niet in die mogelijkheid voorziet, er daaraan niet kan worden tegemoetgekomen in het kader van deze omzettingswet. In het kader van de omzetting van de accijnsbepaling, stipt de vice-eersteminister aan dat het onderdeel accijnzen in de loop van volgend jaar zal worden omgezet. Betreffende de leesbaarheid van de wettekst, geeft de vice-eersteminister aan dat de tekst geherformuleerd werd voor die artikelen waar de Raad van State een inhoudelijke opmerking heeft gemaakt. Het tekstvoorstel werd aan de Raad van State voorgelegd en goed bevonden. Met betrekking tot het artikel 3 stelde de Raad van State dat gelet op de toelichting van de gemachtigde kan worden ingestemd met de wijze waarop de ontworpen bepalingen zijn geformuleerd. Met betrekking tot artikel 6 stelde de Raad van State dat met het tekstvoorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd. De voorliggende tekst draagt dus de volledig goedkeuring weg van de diensten van de Raad van State. Uiteindelijk moet ook worden vastgesteld dat een complex artikel uit een btw-richtlijn helaas per definitie niet op een zeer eenvoudige manier kan worden omgezet. Met betrekking tot de opmerking van de heer Van Hees inzake de tweeledigheid van het voorliggende wetsontwerp, stipt de vice-eersteminister aan dat elk onderdeel wetgeving dat aan het Parlement wordt voorgelegd, een hele procedure moet doorlopen. Teneinde één en ander efficiënt te kunnen aanpakken, worden soms verschillende stukken wetgeving samengenomen en aan het Parlement voorgelegd. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook in het kader van wetten diverse fiscale bepalingen. Op die manier worden de tijd en middelen bij zijn administratie optimaal ingezet Met betrekking tot het voorbehoud van de heer Van Hees aangaande het militaire aspect van het onderhavige wetsontwerp, geeft de vice-eersteminister aan dat de vrijstelling in de twee richtingen geldt aangezien de richtlijn in kwestie ook door de andere lidstaten moet worden omgezet en dat deze vrijstelling dus ook zal gelden in het voordeel van de Belgische troepen die in andere lidstaten worden ingezet. Voor het overige stelt de vice-eersteminister dat dit wetsontwerp de omzetting van een richtlijn inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft en dat hij zich niet kan uitspreken over de vraag of het al dan niet wenselijk is Belgische troepen in te zetten buiten de Europese Unie, aangezien zulks de bevoegdheid van de minister van Defensie is.

C. Replieken

De heer Wouter Vermeersch (VB) stipt aan dat de viceeersteminister niet aan de ene kant in zijn beleidsbrief kan streven naar de ontwikkeling van meer eenvoudige en leesbare wetgeving en anderzijds simpelweg verwijst naar de reeds moeilijk leesbare Europese wetgeving als, excuus voor de ingewikkelde wettekst ten gevolge van de omzetting. Hij meent dat het belangrijk is voor de leesbaarheid en de rechtszekerheid dat de wetteksten opgesteld worden in een eenduidige en heldere taal. Het is daarom belangrijk dat de vice-eersteminister op dit punt de nodige inspanningen blijft leveren.

II. - ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen Art1 Dit artikel regelt de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot opmerkingen.

Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.

Art. 2 Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen, Artikel 2 wordt aangenomen met 13 stemmen en 2 onthoudingen.

HOOFDSTUK 2

Vrijstellingen voor leveringen van goederen en diensten alsook voor de invoer van goederen ter uitvoering van activiteiten binnen het Uniekader Art. 3tot 5 Deze artikelen geven geen aanleiding tot opmerkingen. De artikelen 3 tot 5 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 stemmen tegen 1 en 2 onthoudingen.

HOOFDSTUK 3

Tijdelijke vrijstellingen bij invoer en bepaalde leveringen van goederen en diensten In reactie op de COVID-19-pandemie Artikelen 6 en 7 De artikelen 6 en 7 worden achtereenvolgens aangenomen met 11 tegen 2 stemmen en 2 onthoudingen. Het gehele wetsontwerp wordt bij naamstemming aangenomen met 10 stemmen en 5 onthoudingen. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: Ecolo-Groen: Cecile Cornet, Dieter Vanbesien, Gilles Vanden Burre; PS: Hugues Bayet, Patrick Prévot, MR: Marie-Christine Marghem, Benoît Piedboeuf; CD&V: Steven Matheï, Open Vid: Christian Leysen; Vooruit: Melissa Depraetere. Hebben zich onthouden: N-VA: Joy Donné, Sander Loones; VB: Wouter Vermeersch, Kurt Ravyts:; PVDA-PTB: Marco Van Hees. Artikelen die uitvoeringsbepalingen vergen: niet meegedeeld De rapporteur, De voorzitster, Gilles Marie-Christine VANDEN BURRE MARGHEM imprmerecenrale-Cenraledrder