Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 maart 2021 houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op klein verlet ook toe te kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind naar een vaccinatieplaats zie.

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2342 Wetsontwerp 📅 2021-03-28 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (22/12/2021)
Commissie SOCIALE ZAKEN, WERK EN PENSIOENEN
Auteur(s) Regering
Rapporteur(s) Vanrobaeys, Anja (Vooruit)
Onderwerpen
KIND EPIDEMIE ZIEKTE VAN DE LUCHTWEGEN INFECTIEZIEKTE VOORKOMING VAN ZIEKTEN WERKLOOSHEIDSVERZEKERING VACCIN VACCINATIE CONJUNCTURELE WERKLOOSHEID

Volledige tekst

os7e1 bocss 2342/002 Nr. 1 VAN MEVROUW THÉMONT c.s. Opschrift Het opschrift vervangen als volgt: “Wetsontwerp houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie.” Nr. 2 VAN MEVROUW THÉMONT c.s. Art Vóór artikel 1, een

hoofdstuk 1

invoegen, met als opschrift “

Hoofdstuk 1

Algemene bepaling” en na artikel 1, een

hoofdstuk 2

invoegen, met als opschrift “Hoofdstuk 2. Wijziging van de wet van 28 maart 2021 ‘houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op klein verlet ook toe te ‘kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind naar een vaccinatieplaats”. Nr. 3 VAN MEVROUW THÉMONT c.s. Art. Zen 3 Na artikel 2, een

hoofdstuk 3

invoegen, met als opschrift “Hoofdstuk 3. Specifieke maatregelen voor de sector van de dienstencheques” en vóór artikel 3, een

hoofdstuk 4

invoegen, met als opschrift “Hoofdstuk 4. Inwerkingtreding van hoofdstuk 2”. Nr. 4 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 2/1(nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 3, een artikel 2/1 invoegen, luidende: “Art. 211. $ 1. Onverminderd de verplichtingen inzake preventie, veiligheid en bescherming op het werk, voorzien de werkgevers die werknemers tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst dienstencheques zoals ‘bedoeld in hoofdstuk Il van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, hun werknemers minstens van volgende materialen: 1° hetzij, per week, wegwerp mondmaskers waarvan het aantal minstens gelijk is aan het aantal werkplaatsen waar de werknemer gedurende één dag tewerkgesteld wordt, verhoogd met het aantal extra wegwerp mondmaskers per prestatie van meer dan 4 uur op dezelfde werkplaats; hetzij een set herbruikbare mondmaskers, waarvan waar de werknemer per week werkzaam is, verhoogd met het aantal extra herbruikbare mondmaskers per prestatie van meer dan 4 uur op dezelfde werkplaats. Herbruikbare mondmaskers worden ten minste om de 15 weken vernieuwd of, op verzoek van de werknemer, in geval van slijtage of verslechtering; 2° desinfecterende gel of een gelijkaardig product ‘om de handen te kunnen ontsmetten voor, tijdens en na de verschillende prestaties. $ 2. Wanneer de werknemer vaststelt dat hij het werk niet in veilige omstandigheden kan aanvatten of verderzetten omdat de preventiemaatregelen bedoeld in artikel 2, $ 2, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken niet worden toegepast, verwittigt hij zijn werkgever hiervan onmiddellijk en heeft hij het recht ‘om zijn prestaties op te schorten zolang de situatie ‘aanhoudt. Indien de situatie op korte termijn niet opgelost kan worden, heeft de werknemer, met het akkoord van zijn werkgever, het recht om de arbeidsplaats te verlaten. De werknemer heeft in elk geval het recht om de werkplaats te verlaten indien de situatie langer dan de helft van de voorziene prestatietijd duurt.” Nr. 5 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 2/2(nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 3, een artikel 2/2 “Art. 212. In artikel 238, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek wordt de eerste zin aangevuld met de vol‘gende woorden: “of artikel 2/1 van de wet van XXXXXX houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie” Nr. 6 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 2/9(nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 3, een artikel 2/3 “Art. 2/3. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt ‘bekendgemaakt en houdt op uitwerking te hebben op 31 januari 2022. De Koning kan de datum van uitwerkingtreding uitstellen via een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.” VERANTWOORDING Het overlegcomité van 25 oktober 2021 heeft specifieke maatregelen genomen om de verspreiding van het virus in de sector van de dienstencheques tegen te gaan. Werknemers die met een arbeldsovereenkomst dienstencheques worden tewerkgesteld, moeten zich omwille van de aard van hun functie in eenzelfde week naar een groot aantal verschillende werkplaatsen begeven. Hierdoor ontstaat een, hoger risico op besmetting, zowel van de gebruiker naar de werknemers toe, als van de werknemers naar de gebruikers, toe. Bijkomende preventiemaatregelen zijn in deze sector noodzakelijk om het aantal besmettingen te verminderen. ‘Om die reden worden de maatregelen die destijds werden opgenomen in

hoofdstuk 3

van tel 5 van de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, opnieuw ingevoerd toten met 31 januari 2022. De Koning kan deze maatregelen, indien nodig, verlengen via een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Nr. 7 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 3 Na artikel 3, een nieuw

hoofdstuk 5

invoegen, luidende: “Hoofdstuk 5. Tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in de gevallen waarin het onmogelijk is voor hun kind om naar het kinderdagverblijf, de school, of het centrum voor opvang voor personen met een handicap te gaan” Nr. 8 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 4 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5, een artikel 4 “Art. 4. De werknemer heeft het recht om, zonder loonbehoud, van het werk afwezig te zijn: 1° wanneer een minderjarig kind dat met hem samenwoont hetzij niet naar zijn kinderdagverblijf kan gaan, hetzij niet naar school kan gaan, omdat het kinderdagverblijf, de klas of de school waarvan het deel uitmaakt wordt gesloten als gevolg van een maatregel ‘om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, of omdat het minderjarig kind verplicht afstandsonderwijs moet volgen of omdat het kind omwille van een andere reden in quarantaine of in isolatie moet beperken; 2° wanneer hij een gehandicapt kind ten laste heeft, ‘ongeacht de leeftijd van dat kind, en dat kind niet naar een centrum voor opvang van gehandicapte personen kan gaan, of de intramurale of extramurale dienstverlening of behandeling georganiseerd of erkend door de Gemeenschappen niet langer kan genieten, als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. De werknemer heeft dit recht gedurende de gehele periode waarop het attest of de aanbeveling voorzien in het vierde lid betrekking heeft. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ‘ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend. De werknemer die gebruik maakt van dit recht dient zijn werkgever daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen. De werknemer dient onverwijld aan de werkgever een medisch certificaat tot bevestiging van quarantaine of isolatie van het kind, een aanbeveling tot quarantaine of isolatie afgegeven door de bevoegde instantie of een attest van het kinderdagverblif, van de Rij ‘school of het centrum voor opvang van gehandicapte personen te overhandigen, dat de sluiting bevestigt van de betrokken instelling of de klas als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. In dit attest staat de periode vermeld waarin de sluiting van toepassing is. De werknemer heeft, voor de periode waarin hij gebruik maakt van het recht dat hem door dit artikel wordt toegekend, ten laste van de RVA recht op tijdelijke werkloosheid wegens overmacht die het gevolg is van de COVID-19-epidemie en de eraan gekoppelde dagelijkse toeslag ten laste van de RVA, voor zover hij aan alle toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden voldoet die daartoe in de werkloosheidsreglementering worden gesteld. Nr. 9 VAN MEVROUW THÉMONT c.s.

Art. 5 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 5, een artikel 5 “Art. 5. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2021 en treedt buiten werking op 31 december 2021.” De Koning kan de datum van buitenwerkingtreding uitstellen.