Naar hoofdinhoud

Verslag tot het nemen van maatregelen ter preventie en eliminatie van zombiebedrijven

Documentdetails

đŸ›ïž KAMER Legislatuur 55 📁 2341 Verslag 📅 2022-10-05 🌐 NL
Status ⊘ VERVALLEN KAMER
Commissie ECONOMIE, CONSUMENTENBESCHERMING EN DIGITALISERING
Auteur(s) Katrien, Houtmeyers (N-VA); Bossuyt (N-VA); Michael, Freilich (N-VA); Björn, Anseeuw (N-VA); Donckt (N-VA); Sander, Loones (N-VA); Theo, Francken (N-VA)
Rapporteur(s) Prévot, Patrick (PS)
Onderwerpen
OVERHEIDSTOEZICHT VENNOOTSCHAPSRECHT ONDERNEMING FAILLISSEMENT ECONOMISCH BELEID OPHEFFING VAN DE ZAAK ONDERNEMING IN MOEILIJKHEDEN

📁 Dossier 55-2341 (3 documenten)

001 002 amendement
003 verslag ★

đŸ—łïž Stemmingen

Betrokken partijen

Ecolo-Groen N-VA PS PVDA-PTB VB Vooruit cd&v

Sprekers (12)

Katrien Houtmeyers (N-VA) Reccino Van Lommel (VB) Albert Vicaire (Ecolo-Groen) Roberto D'Amico (PVDA-PTB) Leen Dierick (cd&v) Sophie Heuskin (UCM) Loic Van Staey (UNIZO) Lynn Jonckheere (UNIZO) Christophe Wambersie (NSZ) Patrick Prévot (PS) Erik Gilissen (VB) Melissa Depraetere (Vooruit)

Volledige tekst

tot het nemen van maatregelen ter preventie en eliminatie van zombiebedrijven NAMENS DE COMMISSIE VOOR ECONOMIE, CONSUMENTENBESCHERMING EN DIGITALE AGENDA UITGEBRACHT DOOR DE HEER Patrick PRÉVOT 1_Procedure. 3 1 Bespreking. 4 Wi. Stemmingen 7 Bijlage: verslag van de hoorzitting 9 cot: Voorste van resolute van mevrouw Houtmeyers Gaz: Amendemenien oreag 2023 KAMER «se ZITTING VAN DE Sie ZITTINGSPERIODE pocss 2341/003 mm sena ags mannen eh rearange Kete ee in ocen terijn Bremen er Verdere EE Ee Kn edere has Vere A er ere En Dede EER ooo sorongae | AE atie tete rs Wee) Dawes en Heren, Uw commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 23 en 30 maart, 8 juni en 5 oktober 2022.

1 - PROCEDURE

Tijdens de vergadering van 23 maart 2022 heeft mevrouw Katrien Houtmeyers (N-VA) lezing gegeven van de schriftelijke toelichting bij het voorstel van resolutie. Tijdens de vergadering van 30 maart 2022 heeft de commissie beslist, met toepassing van artikel 28.1 van het Kamerreglement, het schriftelijk advies omtrent het voorstel van resolutie in te winnen van: de FOD Economie; de minister van Economie en Werk; de minister van Justitie en Noordzee; de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing; prof. Rudy Aernoudt; de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven; het ABVV; het ACV; en het Verbond van Belgische Ondernemingen. De adviezen van de vijf eerstgenoemde personen en organisaties werden ontvangen en ter beschikking gesteld van de leden. Tijdens diezelfde vergadering heeft de commissie eveneens beslist, met toepassing van hetzelfde artikel, een hoorzitting te houden over het voorstel van resolutie. Tijdens deze hoorzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022, werden gehoord: - mevrouw Leen Nuytinck, voorzitster van de ondernemingsrechtbank te Gent; - mevrouw Sophie Heuskin, adviseur belangenbehartiging, UCM; - mevrouw Lynn Jonckheere, juridisch adviseur, en de heer Loic Van Staey, fiscaal adviseur, UNIZO; - de heer Christophe Wambersie, algemeen secretaris WalloniĂ«-Brussel, NSZ; - de heer Eric Van den Broele, director research & development, Graydon Belgium. Het verslag van de hoorzitting gaat in bijlage bij onderhavig verslag. bocss 2341/003 Il. - BESPREKING Mevrouw Katrien Houtmeyers (N-VA) benadrukt dat het voorstel van resolutie in wezen geen nieuwe zaken vraagt, maar wel de toepassing van reeds bestaande instrumenten. De bedrijven waarop dit voorstel doelt zijn gedurende meerdere opeenvolgende jaren verlieslatend en behept met een negatief eigen vermogen; zij bestaan enkel nog bij de gratie van leningen of subsidies. Het is van groot belang dergelijke bedrijven op te sporen en te elimineren. Zij vormen immers een grote belasting voor de maatschappij. Zombiebedrijven verkwanselen kapitaal Ă©n arbeidskrachten - en vooral aan dat laatste is op dit moment een schrijnend tekort. Om de schulden te delgen en de vergrijzingskost te betalen moet onze economie groeien, wat veronderstelt dat arbeidskrachten productief worden ingezet. Zombiebedrijven dreigen bovendien gezonde bedrijven mee te sleuren in hun val. Dit moet absoluut vermeden worden In het kader van de energiecrisis werd opnieuw een tijdelijk moratorium ingesteld op faillissementen, zoals tijdens de coronacrisis. Naar mening van de N-VA is dat niet de juiste manier om ondernemingen door de huidige crisis te loodsen. Om tegemoet te komen aan de opmerkingen geuit in de schriftelijke adviezen en tijdens de hoorzitting, dient mevrouw Katrien Houtmeyers c.s. amendementen nrs. 1 tot 4 (DOC 55 2341/002) in De amendementen nrs. 1 tot 3 strekken ertoe nieuwe consideransen M tot O in te voegen, luidende: *M. gelet op het belang van het juist definiĂ«ren van zombiebedrijven en hen te onderscheiden van alle andere ondernemingen, zoals spookbedrijven (slapende vennootschappen) en ondernemingen die structureel gezond zijn, maar een moeilijke periode doormaken ten gevolge van een crisis of tegenslag; N. gelet op het gegeven dat zombiebedrijven voldoen aan twee mogelijke definities die wijzen op structurele problemen op lange termijn, namelijk ZEV-bedrijven, die ten minste vijf jaar oud zijn en de drie laatste opeenvolgende jaren een negatief eigen vermogen publiceerden, en OESO-Z-bedrijven, die ten minste tien jaar oud zijn en in de afgelopen drie boekjaren de interestlast niet dekken met het bedrifsresultaat; ©. gelet op het feit dat de twee definities van zombiebedrijven, zowel de ZEV- als de OESO-Z-definitie, veel vuldig gebruikt worden in de economische, juridische en academische wereld en het gebruik van deze definities, een digitale aanpak en identificatie van zombiebedrijven vereenvoudigt”. Deze amendementen beantwoorden aan de herhaaldelijk in de adviezen en tijdens de hoorzitting geformuleerde opmerking dat de definitie van een zombiebedrijf onvol doende duidelijk zou zijn. Volgens mevrouw Houtmeyers, is het onderscheid tussen een zombiebedrijf, een spookbedrijf en een onderneming in moeilijkheden wel duidelijk. In de nieuwe consideransen wordt het belang van de goede omschrijving van de term “zombiebedrijven” onderstreept en het onderscheid met andere begrippen verduidelijkt Amendement nr. 4 strekt ertoe een nieuw verzoek 1/1 in te voegen, luidende: “1/1. het Wetboek van vennootschappen en vereni gingen (WVV) aan te passen opdat het al dan niet toepassen van de alarmbelprocedure bij vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (BV, CV en NV), alsook de maatregelen die worden genomen of voorgesteld naar aanleiding van de toepassing van de alarmbelprocedure, worden vermeld in de jaarrekening van de vennootschap als bedoeld in artikel 3:1 WVV.” Dit amendement vloeit grotendeels voort uit de tussenkomst van mevrouw Leen Nuytinck, voorzitster van de ondernemingsrechtbank te Gent, tijdens de hoorzitting van 8 juni 2022. De alarmbelprocedure neergelegd in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (Wvv) vormt een krachtig instrument in de strijd tegen zombiebedrijven. Mevrouw Nuytinck gaf evenwel aan dat de Conferentie van de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken vaststelt dat in de praktijk de naleving van de alarmbelprocedure niet proactief kan worden opgespoord of gecontroleerd door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden (KOIM). Om de ondernemingsrechtbanken in staat te stellen meer gerichte acties te ondernemen, beoogt dit amendement de federale regering te vragen om ondernemingen (met rechtspersoonlijkheid) te verplichten om het al dan niet toepassen van de alarmbelprocedure te vermelden in de jaarrekening. Hetzelfde geldt voor de maatregelen die worden genomen of voorgesteld naar aanleiding van de toepassing van de alarmbelprocedure, zodat de KOIM gericht kan controleren. De heer Reccino Van Lommel (VB) onderkent de problematiek van de zombiebedrijven en meent dat deze de nodige aandacht verdient. Hoewel de ingediende amendementen daaraan beogen te verhelpen, blijft de spreker het verre van duidelijk vinden wat precies begrepen moet worden onder de term “zombiebedrijf”. De heer Van Lommel kan begrip opbrengen voor de schriftelijke adviezen van de verschilende ministers. De vertegenwoordiger van Graydon merkte op dat er op verschillende manieren een onderscheid kan worden gemaakt. Volgens de voorgestelde definitie kunnen zombiebedrijven worden omschreven als bedrijven die minstens vijf aar oud zijn en de laatste drie opeenvolgende jaren een negatief eigen vermogen publiceren. In tijden zoals, we die recentelijk gekend hebben, namelijk tijdens de coronapandemie, toen zeer snel maatregelen moesten worden genomen, is het erg moelijk om zulke parameters, vast te leggen en toe te passen. De spreker hecht veel waarde aan wetenschappelijk gebaseerde falingpredictiemodellen, die een betrouwbaarheid tot 95 % hebben. Hij heeft wel moeite met de situatie waarin de overheid het ene bedrijf als zombiebedrijf aanmerkt en het andere niet. Het is mogelijk dat een bedrijf in jaar x aan de omschrijving van een zombiebedrijf beantwoordt, maar niet meer in jaar x+1 Samengevat meent de heer Van Lommel dat het probleem van de definitie van zombiebedrijven niet is, opgelost, ook al bevat de tekst goede zaken en is de aanpak van zombiebedrijven een terechte bekommering. Mevrouw Kathleen Verhelst (Open Vld) deelt de bekommernis van de indieners, maar meent dat de alarmbelprocedure in het WVV niet het juiste instrument is om zombiebedrijven te bestrijden. Het initiatief is lovenswaardig, maar door de manier waarop het is uitgewerkt kan het niet op de steun van de Open Vld-fractie rekenen. De heer Albert Vicaire (Ecolo-Groen) sluit zich aan bij de vorige spreekster en meent ook dat de definitie van zombiebedrijven met te veel onduidelijkheden is, omgeven. Zijn fractie zal dit voorstel niet goedkeuren. De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) leidde uit de hoorzitting af dat er geen wetenschappelijke consensus bestond omtrent de definitie van zombiebedrijven. De PVDA-PTB-fractie steunt dit voorstel niet. Zelfstandigen of kmo's hoeven niet gestraft te worden omwille van economische omstandigheden waarop zij geen vat hebben, zoals de coronapandemie of de hoge energieprijzen. Mevrouw Leen Dierick (cd&v) gaf reeds tijdens de hoorzitting uiting aan haar bedenkingen bij de voorliggende tekst. Daaraan wordt onvoldoende tegemoetgekomen door de ingediende amendementen (DOC 55 2341/002). Daarnaast is mevrouw Dierick de mening toegedaan dat de alarmbelprocedure bedoeld in het WVV een andere finaliteit heeft dan het bestrijden van zombiebedrijven. De cdĂąv-fractie zal het voorstel dan ook niet goedkeuren. Mevrouw Katrien Houtmeyers (N-VA) merkt op dat verschillende instanties, zowel uit de academische, juridische als economische wereld, zich voortdurend buigen over de problematiek van de zombiebedrijven, en dit zowel op nationaal als op internationaal niveau. Er bestaat dus wel degelijk een behoorlijk duidelijke definitie van het begrip “zombiebedrijf". Tegelijk benadrukt de spreekster dat het voorstel ook tot doel heeft de regering ertoe te bewegen om de identificatie van zombiebedrijven te verbeteren. ledereen is het er immers over eens dat het probleem van de zombiebedrijven moet worden aangepakt. UI - STEMMINGEN A. Consideransen Consideransen A tot D Consideransen A tot D worden achtereenvolgens verworpen met 10 stemmen tegen 4. Consideransen E tot H Consideransen E tot H worden achtereenvolgens verworpen met 10 stemmen tegen 2 en 2 onthoudingen. Consideransen len J Consideransen | en J worden achtereenvolgens Consideransen Ken L Consideransen K en L worden achtereenvolgens Consideransen M tot O (nieuw) Amendementen nrs. 1 tot 3 strekkende tot invoeging van consideransen M tot O worden achtereenvolgens B. Verzoeken Verzoek 1 Verzoek 1 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 4. Verzoek 1/1 (nieuw) Amendement nr. 4 strekkende tot invoeging van verzoek 1/1 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 4. Verzoek 2 Verzoek 2 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 2 en 2 onthoudingen Verzoeken 3 tot 5 Verzoeken 3 tot 5 worden achtereenvolgens verworpen met 10 stemmen tegen 4. Derhalve wordt het gehele voorstel van resolutie geacht verworpen te zijn. De rapporteur, De voorzitter, Patrick PRÉVOT _ Stefaan VAN HECKE BIJLAGE

VERSLAG VAN DE HOORZITTING

De heer Stefaan Van Hecke, voorzitter, geeft lezing van artikel 28, 2bĂ­s, van het Kamerreglement' en nodigt de sprekers uit om hun uiteenzetting aan te vangen met het beantwoorden van de in deze bepaling opgenomen vragen. De sprekers beantwoorden beide vragen ontkennend.

II, - INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Leen Nuytinck, voorzitster van de ondernemingsrechtbank te Gent Mevrouw Leen Nuytinck (ondernemingsrechtbank Gent) begint haar uiteenzetting met enkele voorafgaande opmerkingen betreffende het voorliggende voorstel van resolutie. Het voorstel dateert van eind 2021 en is gebaseerd op feiten en verwachtingen die sinds het voorjaar van 2022 drastisch gewijzigd zijn, met name ingevolge het opheffen van de coronasteunmaatregelen, de oorlog in OekraĂŻne, de evolutie van de energieprijzen, de oplopende inflatie en het gewijzigde rentebeleid Voorts heeft het voorstel van resolutie wetenschappelijk een eerder beperkte onderbouw en hanteert het kennelijk als voornaamste bron de commerciĂ«le databank Graydon. Er bestaat op heden in het Belgisch recht geen eenduidige definitie van het begrip “zombiebedrijf” In het voorstel van resolutie worden overigens twee verschilende definities van het begrip “zombiebedrijf" gehanteerd, waarvan de afbakening met andere disfunctionerende ondernemingen niet duidelijk is. *_“Bij noorzitingen (
) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorziting duidelijk te vermolden of ze in een andere hoedanigheid betrokken zijn of geweest zijn bij initiatieven betreffende do vooriiggende wetgeving, en 2” betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie” Een laatste voorafgaande opmerking is dat de overheden door de coronacrisis zonder prealabele screening op grote schaal coronasubsidies hebben toegekend. De snelle en efficiĂ«nte terugvordering van mogelijk ten onrechte uitgekeerde coronasubsidies zal - eerder dan alle andere mogelijke maatregelen - een onmiddelijke en significante impact hebben op de economische gezondheid van bedrijven. De spreekster deelt vervolgens enkele ervaringen en verwachtingen van de ondernemingsrechtbank. Op basis van de gegevens van Regsol (de databank voor het beheer van insolventie) zijn sinds mei 2020 tweewekelijkse vergelijkende statistieken inzake faillissementen en gerechtelijke reorganisaties beschikbaar. Daaruit blijkt dat het aantal failissementen tijdens de coronacrisis in vergelijking met 2019 met ruim 30 % is gedaald. Het aantal faillissementen stijgt (pas) sinds het voorjaar 2022 gestaag, met een sterke stijging in mei 2022. Tot op heden is er nog steeds sprake van een inhaalbeweging en staat het aantal failissementen nog niet op het niveau van 2019. Het consumenten- en ondernemersvertrouwen staat onder toenemende druk door stijgende en onvoorspelbare energieprijzen, inflatie en een gewijzigd rentebeleid. ‘Tegelijk verhinderen toeleveringsproblemen de na de opheffing van de coronamaatregelen ingezette economische heropleving in de belangrijkste economische sectoren. Deze ongunstige economische signalen zullen wellicht een weerslag hebben op de insolventieproblematiek. In tegenstelling tot wat in het voorstel van resolutie wordt geponeerd, wordt in de praktijk wel aandacht besteed aan de procedure van gerechtelijke ontbinding en vereffening. Binnen de ondernemingsrechtbanken zijn de zogenaamde “kamers voor ondernemingen in moeilijkheden” (KOIM) zeer actief. Het is helemaal niet zo dat “personeelsinzet en middelen vooral naar failissementen en [GRP] [gaan]. Mevrouw Nuytinck gaat vervolgens nader in op de opmerkingen en suggesties van de Conferentie van de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken naar aanleiding van het voorstel van resolutie. Een eerste opmerking is dat de Conferentie bereid is haar expertise, inzichten, informatie en cijfermateriaal beschikbaar te stellen en te delen in het kader van elk (wetgevend) initiatief ter versterking van het juridisch arsenaal met het oog op een meer efficiĂ«nte aanpak van insolventie en ondernemingen in moeilijkheden Het voorstel van resolutie beoogt enkel “zombiebedrijven” die echter niet eenduidig worden gedefinieerd en conceptueel moelijk te onderscheiden zijn van andere problematische categorieĂ«n van ondernemingen, zoals, Slapende en marktverstorende vennootschappen. Het verdient aanbeveling om de met de resolutie beoogde doelgroep van ondernemingen precies te ‘omschrijven in relatie tot alle ondernemingen die hetzij slapend (gebrek aan economische activiteiten), hetzij marktverstorend (fraude, gebrek aan fundamentele bestuursvaardigheden of beroepsbekwaamheid), hetzij concurrentievervalsend (ingevolge structureel negatief eigen vermogen) zijn De spreekster overloopt het wettelijk instrumentarium in de strijd tegen zombiebedrijven waaraan aandacht wordt besteed in het voorstel van resolutie. Een eerste instrument is de alarmbelprocedure. Conform artikel 5:153 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) (BV) en artikel 7:228 WVV (nv) moet het bestuursorgaan in welomschreven omstandigheden het initiatief nemen tot oproeping van de algemene vergadering met het oog op een beslissing - in verband met de ontbinding van de vennootschap; - over maatregelen om de continuĂŻteit van de vennootschap te vrijwaren. Bij gebrek aan bijeenroeping van de algemene verga: dering wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht voort te vloeien uit het ontbreken van een bijeenroeping De procedure krachtens artikel 5:153 WVV en artikel 7:228 WVV (alarmbelprocedure) en de daarin opgenomen sanctie zijn geconcipieerd als een krachtig afschrikkingsmiddel in de strijd tegen (onder meer) zombiebedrijven. De praktijk leert echter dat de naleving van de alarmbelprocedure niet proactief kan worden opgespoord of gecontroleerd. In het stadium van het onderzoek van ondernemingen in moeilijkheden (artikelen XX.25 en volgende van het Wetboek van economisch recht, WER) heeft de KOIM geen concrete instrumenten om na te gaan of de alarmbelprocedure effectief werd nageleefd. Pas na het teloorgaan van de betrokken vennootschap kan de insolventierechter desgevallend vaststellen dat de alarmbelprocedure al dan niet werd nageleefd en kan hij eventueel overgegaan worden tot de toepassing van de sanctie bedoeld in artikel 5:153, $ 3, WVV of artikel 7:228, 5 5, WVV. De praktijk leert eveneens dat de voornoemde sanctie niet consequent wordt toegepast. Het initiatief ertoe dient uit te gaan van de curator die - mogelijk mede onder impuls van het huidige verdienmodel inzake faillissementen (op basis van het gerealiseerde actief) - niet steeds geneigd is om in failissementen met gering/ ontoereikend actief procedures op te starten jegens gewezen bestuursorganen. Het is aan de wetgever om initiatieven te nemen om hetzij het verdienmodel van curatoren te herschrijven dan wel om de curatoren in welbepaalde omstandigheden te verplichten om acties, te ondernemen tegen gewezen bestuursorganen die de alarmbelprocedure niet hebben nageleefd Bovendien zou de wetgever kunnen voorzien in een verplichting om in de jaarrekening te vermelden of de alarmbelprocedure werd toegepast en desgevallend wanneer. Dit zou de onderemingsrechtbanken in staat stellen om meer gerichte acties te ondernemen. Dit is, een quick-win. Bij gebrek aan wetgevende initiatieven dreigt de alarmbelprocedure grotendeels een maat voor niets te blijven. Een tweede instrument is de administratieve procedure ter invordering van onbetwiste geldschulden, de zogenaamde IOS-procedure (artikel 1394/20 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek). Deze procedure is thans voorbehouden voor B2B-relaties. De auteurs van het voorstel van resolutie stellen terecht dat de IOS-procedure een snel en kostenefficiĂ«nt alternatief is voor het verhalen van onbetwiste schuldvorderingen. De Conferentie van de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken ondersteunt voluit het voorstel van de auteurs om de IOS-procedure uit te breiden naar overheden. Wel merkt zij daarbij op dat de IOS-procedure thans bestaat als een volwaardig alternatief naast de “gewone” gerechtelijke invordering, waarbij een schuldenaar door de schuldeiser gedagvaard wordt voor de rechtbank. Het Hof van Cassatie aanvaardde dat er duidelijke verschillen bestaan tussen de IOS-procedure en de gerechtelijke weg, zoals interesten en schadebedingen die - in tegenstelling tot de gewone gerechtelijke procedure - in het kader van de IOS-procedure wettelijk beperkt zijn Wanneer de wetgever effectief de slagkracht van de IOS-procedure wenst te verhogen zal deze daartoe een duidelijke lijn moeten bepalen door bijvoorbeeld schuld eisers te verplichten de IOS-procedure in welbepaalde gevallen aan te wenden en de weg naar de gewone gerechtelijke procedure voor onbetwiste schuidvorderingen af te snijden. Het belangrijkste instrument dat aan bod komt in het voorstel van resolutie is de gerechtelijke ontbinding en vereffening. Conform de artikelen 2:74 WVV jo. XX.29 WER kan de rechtbank op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie, dan wel na mededeling door de KOIM, de ontbinding uitspreken van een vennootschap in een reeks welbepaalde gevallen, waaronder de niet-neerlegging van de jaarrekening, de ambtshalve schrapping van de onderneming of het - ondanks twee oproepingen daartoe - niet-verschijnen voor de KOIM. De jongste jaren zetten de rechtbanken in het kader van de werking van hun KOIM's sterk in op de screening van ondernemingen, onder meer met het oog op de eventuele ontbinding. Principieel is het ontegensprekelijk verdedigbaar om eerder voor een (gerechtelijke) ontbinding dan voor een failissement te opteren wanneer er weinig of geen perspectieven voorhanden zijn om actief te realiseren of bestuursorganen of vertegenwoordigers op hun verantwoordelijkheid aan te spreken. In de huidige wettelijke context is een faillissement immers kostelijk en tijdrovend en dikwijls frustrerend voor alle actoren. Afhankelijk van de grootstedelijke context enerzijds en de categorie van ondernemingen (rechtspersonen/ natuurlijk personen/vzw's) anderzijds, wordt een aanzienlijk aandeel van de geopende faillissementen gesloten bij gebrek aan actief, hetgeen zware financiĂ«le en maatschappelijke kosten vertegenwoordigt. De gerechtelijke ontbinding is een gemakkelijke weg ‘om slapende en marktverstorende vennootschappen uit de economie te weren. Dit heeft echter ook een keerzijde. De procedure kan ervoor zorgen dat een onderneming uit het rechtsverkeer verdwijnt, zonder dat daaraan een diepgaand onderzoek is voorafgegaan. Een en ander maakt de procedure vatbaar voor manipulatie. De procedure van gerechtelijke ontbinding kent inderdaad een aantal structurele valkuilen en onvolkomenheden Concreet kan de KOIM ondernemingen naar de rechtbank verzenden om uitspraak te doen over gerechtelijke ontbinding of gerechtelijke reorganisatie. Dit is evenzeer mogelijk ten aanzien van ondernemingen met schulden, waarvan de KOIM oordeelt dat er geen recuperatiemogelijkheden zijn. Het risico van een georganiseerde, uitgelokte ontbinding door malafide ondernemers is reĂ«el. Het volstaat immers om tweemaal opzettelijk een uitnodiging van de KOIM te negeren om als verantwoor delijke voor de schulden geen verantwoordelijkheid te moeten afleggen. Dit creĂȘert straffeloosheid en werkt fraude in de hand. Een ander probleem is het volstrekt gebrek aan publieke zichtbaarheid van een gerechtelijke ontbinding. Schuldeisers van een onderneming die op het punt staat ontbonden te worden, worden daarvan niet op de hoogte gesteld. Bovendien zijn er onvoldoende (laagdrempelige) instrumenten voor schuldeisers om zich te verzetten tegen een gerechtelijke (deficitaire) ontbinding dan wel daar achteraf tegen op te komen. Nog een manco van de procedure van gerechtelijke ontbinding is dat de desgevallend door de rechtbank aangestelde vereffenaar niet over dezelfde bevoegdheden beschikt als de curator (bijvoorbeeld aansprakelijk heidsvorderingen overeenkomstig de artikelen XX.224 en volgende WER). Deze valkuilen en onvolkomenheden leiden ertoe dat sommige magistraten een zekere terughoudendheid aan de dag leggen om over te gaan tot de gerechtelijke ontbinding van ondernemingen met schulden, en dit ongeacht de wettelijke mogelijkheid van deficitaire vereffening. Om de gerechtelijke ontbinding van slapende en/of zombiebedrijven maatschappelijk acceptabel(er) te maken en effectief in te zetten als instrument in de organisatie van het insolventiebeheer, is een wetgevend ingrijpen noodzakelijk. Dat wetgevend initiatief zou onder meer moeten voorzien in: - bijkomende garanties betreffende de publicatie of effectieve kennisgeving ten aanzien van schuldeisers van een nakende gerechtelijke ontbinding, zodat zij zich daartegen zouden kunnen verzetten; - de invoering van de mogelijkheid in hoofde van de procureur des Konings om in het kader van een procedure tot gerechtelijke ontbinding overeenkomstig artikel 2:74 WVV een beroepsverbod uit te lokken (thans is die mogelijkheid voorbehouden voor de failissementsprocedure); - een duidelijker taakverdeling tussen de KOIM en de rechtbank die zich uitspreekt over de ontbinding, en meer bepaald een versteviging van de positie van de KOIM als (enige) beoordelaar van de opportuniteit om - op basis van alle (vertrouwelijke) gegevens waarover zij beschikt - de zaak voor ontbinding door te zenden naar de rechtbank; - de uitbreiding van de bevoegdheden van de gerechtelijke vereffenaar, opdat die een volwaardige insolventieprocedure kan ontwikkelen (bijvoorbeeld de bevoegdheid om aansprakelijkheidsvorderingen in te stellen).

B. Inleidende uiteenzetting van de heer Eric Van den Broele, director research & development, Graydon Belgium De heer Eric Van den Broele (Graydon Belgium) licht de verschillen toe tussen spookbedrijven, zombiebedrijven en vennootschappen in moeilijkheden. Spookondernemingen staan binnen de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) genoteerd als actief. Ze zijn dus noch stopgezet, noch failliet. In de praktijk blijken ze echter nauwelijks of geen economische activiteit te ontwikkelen. Net door hun gebrek aan activiteit worden ze niet opgemerkt door traditionele modellen die erop gericht zijn het onderscheid te maken tussen bedrijven die al dan niet gezond zijn. Bovendien vormen deze spookorganismes een makkelijke prooi voor malafide individuen die ze omvormen tot fraudemachines. Op 12 juni 2017 trad de wet van 17 mei 2017 tot wijzi ging van diverse wetten met het oog op de aanvulling van de gerechterlijke (sic) ontbindingsprocedure van vennoot schappen in werking. Deze wet bepaalt spookbedrijven aan de hand van twee kenmerken: de vaststelling dat een vennootschap haar verplichting om een jaarrekening te publiceren niet is nagekomen en/of de vaststelling dat de bestuurders en zaakvoerders bezwaard zijn met een beroepsverbod. Eveneens in 2017 ontwikkelde Graydon een expert-based algoritme dat specifiek de “kans op inactiviteit” uitdrukt. Dit algoritme maakt niet enkel gebruik van de wettelijke parameters maar introduceert er ook andere, waaronder het al dan niet aanwezig zijn van een telefoonnummer en/of website, het al dan niet registreren van facturen op naam van de desbetreffende onderneming, het jaren na elkaar publiceren van identieke cijfers, enzovoort. In februari 2021 werden er zo binnen de populatie van alle ondernemingen (inclusief eenmanszaken) 289 842 spookbedrijven geteld, waarvan 11 969 publicatieplichtigen. Zombiebedrijven daarentegen ontplooien wel economische activiteiten, maar voldoen aan twee mogelijke definities die wijzen op structurele problemen op lange termijn. ZEV-bedrijven zijn minstens vij aar oud en hebben de drie laatste opeenvolgende jaren een negatief eigen vermogen gepubliceerd (2019: 36 595 bedrijven). OESO-Z-bedrijven zijn minstens tien jaar oud en konden in de afgelopen drie boekjaren de intrestlast niet dekken met het bedrijfsresuitaat (2019: 40 382 bedrijven). Er is relatief weinig overlapping tussen beide definities: slechts 10 428 ondernemingen dragen zowel de kenmerken van ZEV-bedrijven als die van OESO-Z-bedrijven. Noch de kenmerken van negatief eigen vermogen (wettelijke alarmbelprocedure), noch die verbonden aan de OESO-Z-definitie waren in het verleden belangrijke indicatoren die wijzen op een nakend failissement. Historisch gezien, zijn er twee soorten zombiebedrijven. Enerzijds zijn er de bedrijven die gedurende lange tijd niet rendabel zijn, vooral binnen de kmo's, en die op termijn niet enkel zorgen voor concurrentievervalsing, maar waarvan de kleinere ondernemer vaak ook vruch teloos zijn privĂ©vermogen uitput in plaats van het bedrij tijdig stop te zetten. Anderzijds zijn er de bedrijven die wel degelijk rendabel zijn vanuit hun bedrijfsactiviteit, maar die vaak door een buitenlandse aandeelhouder worden uitgeput. Hierbij worden de winsten zichtbaar of niet-zichtbaar versast naar een andere (buitenlandse) onderneming, hetzij via het overdadig uitkeren van di videnden, hetzij via de facturatie van diensten aan het dochterbedrijf Deze bedrijven zijn vaak totaal afhankelijk van de buitenwereld. Ten eerste van een (buitenlandse) moedermaatschappij, wat vragen doet rijzen met betrekking tot verankering en chantage naar de overheid toe. Ten tweede van allerhande subsidies, zeer vaak in het kader van het behoud of de versteviging van de werkgelegenheid. Ten derde van schokken of crisissen die het maatschappelijk weefsel hypothekeren. Geldverstrekkers. zijn uiterst terughoudend om dergelijke bedrijven over de kop te laten gaan omdat ze desgevallend hun ingezet vermogen verliezen. Internationale literatuur duidt dat zombiebedrijven weinig of niet innoverend zijn, niet bijdragen aan de economische groei, kapitaal onttrekken aan de productieve economie en ook gekwalificeerde arbeidskrachten vasthouden. Een studie wees uit dat een stijging van het aantal zombiebedrijven met 3,5 %, een daling van de productiviteit met 1,2 % tot gevolg heeft. Onderzoek van Graydon toont aan dat personeel van zombiebedrijven een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van burnouts en langdurige ziektes. Tegelijk toonde de huidige COVID-19-crisis dat dergelijke bedrijven, wier reserves vaak onbestaande zijn, als eerste in de rij staan om overheidssteun aan te vragen. ‘Ondernemingen in moeilijkheden vertonen verschil lende knipperlichten en kunnen via een financiĂ«le analyse eenvoudig worden opgespoord. Deze bedrijven maken reĂ«el kans om failiet te gaan, ook al kunnen ze vaak wel nog worden gered. Zij kenmerken zich door een verkeerd financieel beheer, door het onvoldoende inspelen op een veranderende markt en door een gebrek aan innovatie. Vaak zijn zij niet resistent aan plotse schokken, zoals het verlies van een grote klant, problemen in de logistieke keten, enzovoort. Onderstaande cijfers en statistieken (2019) helpen ‘om het probleem in kaart te brengen: - Ondernemingen ouder dan drie jaar zonder jaarrekening (geen zombie): 19 708. - Bedrijven met ZEV-kenmerken: « % op bedrijven van vijf jaar of ouder: 9,36 % (86 595 zombiebedrijven). « % op personeel in bedrijven van vijf jaar of ouder: 2,26 % (45 254 werknemers) « Vooral kleinere bedrijven, gesitueerd binnen de traditionele nijverheden. « Voor die bedrijven die in 2019 een negatief eigen vermogen hadden, geldt voor 63,1 % dat dit ook al zo was in 2018 en 2017, ondanks de alarmbelprocedure. « Gezamenlijke kapitaalinjectiebehoefte ten gevolge van de COVID-19-crisis: 5,4 miljard euro (02/2021), hetzij 7 % van de totale behoefte in BelgiĂ«. «3,21 % van de ZEV-ondernemingen met injectiebehoefte zijn bedrijven met een moederband naar het buitenland. « Zij staan in voor maar liefst 42,82 % van alle injectiebehoefte binnen de ZEV-bedrijven * Ze bieden 11,2 % van de werkgelegenheid binnen diezelfde populatie: dat staat gelijk met 0,17 % van alle werkgelegenheid binnen bedrijven die minstens vijf jaar oud zijn. - Bedrijven met OESO-Z-kenmerken: « % op bedrijven van tien jaar of ouder: 13,29 % (40 379 zombiebedrijven). « % op personeel in bedrijven van tien jaar of ouder: 9,44 % (171 717 werknemers). « Vooral grotere bedrijven, gesitueerd binnen de ruime financiĂ«le dienstverlening en immobiliĂ«n. van de COVID-19-crisis: 19,5 miljard euro (02/2021), hetzij 25 % van de totale behoefte in BelgiĂ«. « 3,70 % van de OESO-Z-ondernemingen met injectiebehoefte zijn bedrijven met moederband richting « Ze staan in voor maar liefst 58,30 % van alle injectiebehoefte binnen de OESO-Z-bedrijven. « Ze bieden 24,37 % van de werkgelegenheid binnen diezelfde populatie: dat staat gelijk met 0,57 % van alle werkgelegenheid binnen bedrijven die minstens tien jaar De heer Van den Broele concludeert dat niet elk ongezond bedrijf een zombiebedrijf is, en omgekeerd. 'Zombiebedrijven zijn echter redelijk makkelijk te identif ceren via data-analyse. Een zombiebedrjf kan op zich wel rendabel zijn, maar heeft een andere maatschappelijke belasting. Het probleem is structureel en is van all tijden, al wordt het elk jaar erger. De afgelopen jaren is men tot het besef gekomen dat bedrijven regelmatig met nietvoorspelbare schokken zullen worden geconfronteerd en dat er financiĂ«le spitstechnologieĂ«n zijn ontstaan die georiĂ«nteerd zijn op kortetermijnwinsten, ten koste van continuĂŻteit en duurzaamheid van ondernemingen. Daarom is het noodzakelijk om na te denken over manieren waarop bedrijven opnieuw verstevigd kunnen worden, door ze - al dan niet via fiscale initiatieven - te stimuleren om schokreserves op te bouwen.

C. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Sophie

Heuskin, adviseur economie bij de studiedienst, UCM Mevrouw Sophie Heuskin (UCM) stelt dat er naargelang de gekozen definitie tussen 36 000 en 40 000 “zombiebedrijven” bestaan. Deze zijn onder meer in leven gehouden dankzij de coronasteunmaatregelen. Zij zijn echter bijna failiet of niet rendabel. De overheid heeft met de coronasteunmaatregelen een deel van het onrendabele ondernemerschapsweefsel gesteund, dat zich niet zal ontwikkelen en geen welvaart zal scheppen binnen de economie. Volgens de spreekster geven deze ondernemingen inderdaad een foutief beeld van het ondernemingslandschap en vervalsen ze de concurrentie door een overaanbod te creĂ«ren. Zij stelt bovendien vast dat het aantal faillissementen blijft stijgen. Volgens een studie van Graydon hebben we een record bereikt met 988 faillissementen in de maand mei. Dit betreft vooral de bouwsector, de horeca en de transportsector. De jonge bedrijven en/of de startende ondernemingen zijn eveneens getroffen. Meerdere factoren verklaren deze stijging. Er is allereerst de stijging van het aantal dagvaardingen in failissement, die een rechtstreeks gevolg is van het einde van het feitelijk moratorium. Vervolgens zijn er de progressieve uitdoving van de COVID-19-steunmaatregelen en de verschuivingen van de lasten die moeten worden betaald. De zko's hebben ook meer gebruikgemaakt van hun privĂ©kapitaal, dat thans uitgeput is. Ten slotte hebben ook de recentere crises een weerslag: inflatie, indexering, energiekosten, schaarste aan materialen en arbeidskrachten, evolutie van het consumentengedrag, onzekerheid van de markten enzovoort. Een deel van de failissementen betreft zeker de “zombiebedrijven”, maar niet enkel deze: nieuwe bedrijven van minder dan vijf jaar oud vertonen de grootste stijging van het aantal failissementen. Op Belgisch niveau vertegenwoordigen zij in mei 2022 37 % van de bedrijven die hun deuren hebben gesloten, tegenover 32 % in mei 2021 Vlaanderen is het sterkst getroffen, met een stijging van 6 procentpunten. De UCM heeft meer bepaald het ITAA (Institute for Tax Advisors and Accountants) geraadpleegd om zijn standpunt over deze kwestie te kunnen bepalen. Mevrouw Heuskin herinnert eraan dat de definities die door Graydon en door de OESO worden gehanteerd zeer ruim en algemeen zijn. Het toepassingsgebied van het voorstel van resolutie is bijgevolg zeer uitgebreid. De bestaansduur schommelt tussen vijf en tien jaar en we weten niet welke motieven deze duurtijden rechtvaardigen. De UCM meent dat de criteria betreffende de bestaansduur en betreffende het aantal jaren met een negatief eigen vermogen slechts criteria zoals de andere zijn. Voor de UCM is het bijgevolg zeer belangrijk om deze definities te herwerken op basis van bijkomende eriteria en om een duidelijk onderscheid te maken tussen wat twee soorten van bedrijven lijken te zijn: 1) de zogenaamde “spookbedrijven” of “zombiebedrijven”; 2) de ondernemingen die structureel gezond zijn, maar die een moelljke periode doormaken ten gevolge van een crisis of een tegenslag. Wat de eerste categorie betreft, meent de spreekster dat deze “spook”. of “zombiebedrijven” inderdaad stelselmatig moeten worden ontbonden volgens de procedure tot gerechtelijke ontbinding. Dit zou een einde moeten maken aan het gebruik van schermbedrijven voor frauduleuze doeleinden. De criteria die het mogelijk moeten maken te bepalen of een onderneming een “spook”- of een “zombiebedrijf" is, moeten echter voldoende nauwkeurig zijn. Indien ze te vaag zijn en indien elke onderneming die haar jaarrekening voor één jaar niet heeft neergelegd, systematisch en eenzijdig zou worden ontbonden volgens de procedure tot gerechtelijke ontbinding, dan dreigen de ondernemingen die hun jaarrekeningen niet hebben neergelegd om een andere reden dan fraude of nalatigheid met nog meer moeilijkheden te worden geconfronteerd. De bijkomende criteria voor “spook”- of “zombiebedrijven” die de UCM voorstelt zouden kunnen betrekking hebben op een onderneming: - die haar jaarrekeningen niet meer neerlegt, geen algemene vergaderingen noch vergaderingen van de raad van bestuur meer houdt; - die haar winst- en verliesrekening over verschil lende boekjaren niet meer wijzigt; - die geen btw-aangifte of belastingaangifte meer indient; - die geen socialezekerheidsbijdragen betaalt als bedrijf, wegens gebrek aan activiteiten/omzet; - waarvan de maatschappelijke zetel “fictief” is (een zogenaamd postbusbedrijf); - waarvan de aandeelhouders en/of de bestuurders, niet meer bereikbaar zijn, verdwenen zijn of niet reageren op de bijeenroepingen; - waarvoor de berichten van beslag niet kunnen worden uitgevoerd; - die geen personeel heeft; - die geen activiteiten meer uitoefent, zoals bedrijven waarvan de btw-aangifte gedurende meerdere opeenvol gende maanden (maandaangevers) of kwartalen (kwartaalaangevers) geen cijfers bevat is of bedrijven zonder personeel en/of omzet in de neergelegde jaarrekening; - die ongunstige financiĂ«le ratio's boekt (negatieve ‘cash flow, negatieve bedrijfsresuitaten gedurende meerdere opeenvolgende jaren, onvoldoende eigen middelen in verhouding tot de activiteit, negatieve eigen middelen enzovoort); - waarvan de boekhouding niet bijgewerkt of zelfs onbestaande is, waarvan het budget onbestaande is. Daar kunnen ook meer subjectieve indicatoren bijkomen die het mogelijk zouden maken om een alomvattend beeld van het bedrij in kwestie te krijgen: verlies van vertrouwen van de banken, slecht beheer, geen perspectief, verlies van een belangrijke markt enzovoort. De spreekster vindt dat absoluut moet worden voorkomen dat structureel gezonde bedrijven die door een crisis of door tegenslag even een mindere periode doormaken, ten onrechte als spook- of zombiebedrijven worden beschouwd. Het feit dat een bedrijf een negatief eigen vermogen heeft, volstaat dus niet om het als een zombiebedrijf te beschouwen. Dat negatief eigen vermogen kan allerlei verklaringen hebben. Mevrouw Heuskin voegt eraan toe dat een bedrijf dat al meerdere jaren bestaat plotseling aanzienlijk verlies kan lijden, wat resulteert in een negatief eigen vermogen, zonder dat het daarvoor uitstaande schulden heeft omdat het voldoende kapitaalkrachtig is en wordt ondersteund door zijn schuldeisers of aandeelhouders. Er wordt vaak verwezen naar het “quasi-eigen vermogen”, wat de leningen omvat van de aandeelhouders die het bedrijf financieel ondersteunen. De spreekster licht toe dat het belangrijk is om rekening te houden met dat “quasi-eigen vermogen”. Een dergelijk bedrijf zou ten onrechte als een zombiebedrif kunnen worden beschouwd, eenvoudigweg omdat het meerdere jaren duurt om een eenmalige tegenslag te boven te komen. ‘Andere flankerende maatregelen zijn nodig om het toenemend aantal zombiebedrijven tegen te gaan. Het is essentieel dat de bedrijfsleiders een gepaste opleiding krijgen. Het is van het grootste belang dat zij vanaf het begin van hun activiteiten kennis hebben van bedrijfsbeheer. Gedurende de hele levensduur van het bedrijf moeten ze hun kennis op dit gebied ook voortdu rend bijspijkeren, gezien de snelle evolutie van de wet- en regelgeving. Een betere kennis van bedrijfsbeheer zal positieve gevolgen hebben voor het economisch leven van de ondernemingen Wat de echte spook of zombiebedrijven betreft, roept de UCM op tot een strengere en multidisciplinaire aanpak. De mogelijkheden moeten worden onderzocht om fiscale, sociale en milieufraude op te sporen en om aan economische datamining te doen, teneinde aanwijzingen van fraude in een zo vroeg mogelijk stadium te identi flceren en ter kennis te brengen van de Economische Inspectie of van de ondernemingsrechtbank. De UCM roept op tot een betere toepasbaarheid van de buitengerechtelijke invordering van onbetwiste geldschulden en tot doeltreffendere failissementsprocedures. Zij is dus voorstander van alles wat daartoe kan bijdragen. Inzake de termijnen voor de betaling van de consumentenschulden aan de ondernemers waarschuwt de spreekster voor de toevoeging van extra stappen met te veel regels. Zo is ze geen voorstander van een verplichte gratis aanmaning met een verplichte termijn, zoals de minister van Economie voorstelt. De zelfstandigen en de kmo's hebben hun liquide middelen nodig. De UCM is voorstander van de procedure tot gerechtelijke ontbinding en vereffening, in het bijzonder als middel om zombiebedrijven tegen te gaan. De ondernemingsrechtbank kan - ambtshalve (na onderzoek door de Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden) of op verzoek van de schuldeisers of van het openbaar ministerie - een vennootschap ontbinden die haar verplichting om een jaarrekening neer te leggen niet is nagekomen. De ondernemingsrechtbanken verzetten een aanzienlijke hoeveelheid werk en alleen al in Brussel hebben zij in twee jaar tijd enkele duizenden ondernemingen gerechtelijk ontbonden. Voorts roept de UCM op om de prioriteiten, de procedures en de werkmethoden van de verschillende Belgische ondernemingsrechtbanken beter op elkaar af te stemmen. Die afstemming betreft niet alleen de repressie, zoals de gerechtelijke ontbinding, maar ook de preventie, met onder meer het systeem ter identificatie van de ondernemers wanneer op de griffie van de ondernemingsrechtbank stukken worden neergelegd.

D. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Lynn Jonckheere, juridisch adviseur, en de heer Loïc Van Staey, fiscaal adviseur, UNIZO De heer Loic Van Staey (UNIZO) stelt dat de studie van Graydon belangrijke pijnpunten blootlegt. Zombiebedrjven zijn inderdaad een maatschappelijke belasting en werken concurrentieverstorend, en dus is het een belangrijke oefening om na te gaan hoe we dit probleem kunnen aanpakken. De spreker benadrukt dat er nood is aan een duidelijke definitie van “zombiebedrijf". Er bestaat thans geen eenduidige omschrijving. Zo richt het voorstel van resolutie zich vooral op bedrijven zonder maatschappelijke waarde, ook al verkeren ze niet in moeilijkheden. De term “zombiebedrijven” lijkt te suggereren dat het wel om bedrijven in moeilijkheden gaat. De spreker meent dat de term verwarrend is en kan zorgen voor een verkeerd begrip van het voorstel van resolutie. De huidige context verschilt danig van degene waarin het voorstel van resolutie tot stand kwam. Op dat moment waren er heel wat coronasteunmaatregelen van kracht en werd heel wat maatschappelijk kapitaal dat kon aangewend worden voor niet-zombiebedrijven, opgeslorpt door zombiebedrijven. Dat laatste probleem stelt zich thans niet meer zo scherp. De steunmaatregelen door de overheid lopen immers binnenkort af of zijn reeds afgelopen. Toch zijn gelijkaardige schokken in de toekomst niet uit te sluiten, dus blijft het relevant ‘om zombiebedrijven aan te pakken. Ook de problematiek dat bedrijven in moeilijkheden onder een stolp zitten en onterecht worden beschermd tegen failissement, is op dit moment minder acuut. We stellen momenteel een enorme stijging van het aantal faillissementen vast, en het einde is nog niet in zicht. Bedrijven met een geringe of onbestaande maatschappelijke waarde zullen wellicht als eerste omvallen. Het spreekt voor zich dat UNIZO pleit voor een idenficatie van zombiebedrijven. Zodanige ondernemingen moeten worden opgeruimd dan wel moet ervoor worden gezorgd dat ze maatschappelijke waarde genereren. Het is evenwel cruciaal dat de opsporing van zombiebedrijven niet uitsluitend aan de hand van kwantitatieve eriteria gebeurt (zoals het geval is met de OESO- en de Graydon-definities), maar ook op grond van een kwalitatieve maatstaf. Men moet zich ervoor hoeden structureel gezonde bedrijven die door een crisis of tegenslag een tijdelijk probleem hebben ten onrechte als spook- of zombiebedrijf te kwalificeren. Het feit dat een vennootschap een negatief eigen vermogen heeft, is niet voldoende om als zombie te worden beschouwd. Een negatief eigen vermogen kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan zware oprichtingskosten of ontwikkelingskosten waardoor er gedurende en bepaalde periode zware verliezen of beperkte winsten zijn. Het zou te verregaand zijn om zulke bedrijven alle steun te ontzeggen. De spreker gaat vervolgens in op de verschillende maatregelen die worden voorgesteld in de voorliggende tekst Een eerste, en wellicht meest relevante, maatregel is de versterking van de controle op de alarmbelprocedure. Deze maatregel kan op de steun van UNIZO rekenen. De alarmbelprocedure is een goede graadmeter om te bepalen of een bedrijf dreigt te verzeilen in “zombiestatus”. Zowel een balanstest (dreigt het netto-actief niet negatief te worden?) als een liquiditeitstest (zijn er voldoende middelen om de komende twaalf maanden de schulden te betalen?) zijn vereist sinds de invoering van het WVV en geven een goed beeld van de lange en korte termijn. Ondanks die wettelijke versterking blijft de procedure grotendeels dode letter, ze wordt amper nageleefd, er is amper controle op en de bestuurder die er niet aan voldoet heeft weinig te vrezen

UNIZO

is ook voorstander van het voorstel van mevrouw Nuytinck om de toepassing van de alarmbelprocedure verplicht te laten opnemen in de jaarrekening. Mevrouw Lynn Jonckheere (UNIZO) gaat nader in op een tweede verzoek van het voorstel van resolutie, namelijk om de IOS-procedure te verruimen tot overheden

UNIZO

stelt zich vragen bij de meerwaarde van de verruiming van die procedure. De schuldeisers die nu de IOS-procedure gebruiken, kunnen niet uitvoeren zonder over een vonnis van een rechtbank te beschikken. Via de IOS-procedure kunnen ze een uitvoerbare titel krijgen zonder een procedure voor de rechtbank. De overheid heeft geen vonnis nodig om een uitvoerbare titel ter beschikking te hebben, want ze kunnen uitvoeren via de betekening van een dwangbevel. Indien daaraan geen gevolg gegeven wordt, kan de deurwaarder uitvoeren. De overheid moet dus sowieso niet via de rechtbank passeren

UNIZO

gaat akkoord om nog meer in te zetten op de procedure van gerechtelijke ontbinding, de derde maatregel in het voorliggende voorstel. De zelfstandi genorganisatie pleit er wel voor om eerst de redenen in kaart te brengen voor het beperkte succes van deze procedure en de eventuele aanpassingen die doorgevoerd moeten worden om hieraan te verhelpen

UINZO

vraagt zich ook af of er cijfers beschikbaar zijn over hoe vaak de vordering tot gerechtelijke ontbinding is ingesteld sinds de inwerkingtreding in 2017. De spreekster waarschuwt dat er niet systematisch en eenzijdig tot gerechtelijke ontbinding mag worden overgegaan van elke vennootschap die een jaar lang zijn jaarrekening niet heeft neergelegd. Vennootschappen die door andere redenen dan fraude of nalatigheid hun jaarrekening niet gepubliceerd hebben, zouden zo in moeilijkheden kunnen komen. Veel kmo's kampen sinds de coronacrisis met een personeelstekort of langdurig ziekteverzuim. Gezien het tekort aan accountants op de arbeidsmarkt, is het voor ondernemingen niet altijd gemakkelijk om onmiddellijk personeel te vinden dat vertrouwd is met de boekhoudkundige en fiscale verplichtingen van ondernemingen. Bestuurders moeten in elk geval eerst gehoord worden door de KOIM alvorens tot de gerechtelijke ontbinding wordt overgegaan. Net als mevrouw Nuytinck wijst mevrouw Jonckheere op het risico dat een systematische en eenzijdige ontbinding ertoe zou kunnen leiden dat vennootschappen die hun activiteiten willen stopzetten en tot vrijwillige ontbinding wensen over te gaan, eenvoudigweg hun jaarrekening niet langer publiceren in afwachting van de gerechtelijke ontbinding, om zo de kosten van de veref fening (accountant, bedrijfsrevisor, notaris enzovoort) te beperken. ‘Tot slot is UNIZO ook voorstander van een efficiĂ«ntere afhandeling van failissementen, de laatste maatregel uit het voorstel van resolutie die de spreekster belicht. In dit verband verwijst mevrouw Jonckheere naar het wetsvoorstel (Koen Geens, Leen Dierick) houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen (DOC 55 1591/001). Dat voorstel biedt de rechter de keuze om de gerechtelijke ontbinding uit te spreken in plaats van het faillissement, indien de rechtspersoon in kwestie al jarenlang geen activiteiten, activa of werknemers heeft (zogenoemde “lege dozen”). Afgezien van enkele kleine opmerkingen op de tekst en mits naleving van de rechten van ondernemingen (bijvoorbeeld recht van verdediging), is UNIZO voorstander van de idee om de rechtbank die keuze te geven E. Inleidende uiteenzetting van de heer Christophe Wambersie, algemeen secretaris WalloniĂ«-Brussel, NSZ De heer Christophe Wambersie (NSZ) wijst erop dat de situatie van de ondernemingen in Europa complexer is; naast startups of gazellen die zich snel ontwikkelen en onmiskenbaar een meerwaarde creĂȘren, zijn er ook traditionele bedrijven die al lang bestaan en veel mensen een broodwinning bezorgen. Het is niet altijd eenvoudig ‘om met betrekking tot de economische spelers het kaf van het koren te scheiden. Het lijkt de spreker bijzonder driest om een situatie vast te stellen op grond van die term, want er bestaan tal van verschillende profielen. Dat zou een handicap kunnen vormen voor de kleinste ondernemingen (handelszaken, contactberoepen of bouwbedrijven), want die hebben veel concurrentie. Het NSZ is er voorstander van om spook- of zombiebedrijven te vervolgen (dus dekmantelvennootschappen, slapende vennootschappen of vennootschappen met criminele banden). De heer Wambersie benadrukt dat het belangrijk is dat de omschrijving wordt verfijnd zodat een en ander op de probleembedrijven slaat en de ondernemingen die niets te maken hebben met de voormelde kwesties buiten schot blijven. De COVID-19-steun heeft inderdaad buitenkansen gecreĂ«erd voor sommige ondernemingen, maar de uitzonderlijke toestand vergde uitzonderlijke maatregelen. De spreker herinnert eraan dat op bevel van de Staat een heel aantal sectoren voor onbepaalde tijd moest sluiten, zonder te weten wanneer ze terug mochten openen. De ondernemingen moesten steun krijgen om het hoofd te bieden aan die maatregelen. Eris gekozen voor vooruit vastgestelde steun, in plaats van elk geval afzonderlijk te benaderen. Het voordeel van die aanpak was dat een aantal economische spelers in moeilijkheden snel konden worden geholpen. De heer Wambersie herhaalt dat ondernemingen, indien ze konden kiezen, liever geen hulp nodig zouden hebben of zouden krijgen, omdat de administratieve rompslomp heel groot is. Mogelijk hebben sommige spookbedrijven steun gekregen, maar die ondernemingen kunnen volgens de spreker gemakkelijk worden opgespoord. Vóór de COVID-19-crisis heeft het NSZ in samenwerking met het Planbureau een onderzoek uitgevoerd; daaruit bleek dat de ondernemingen niet de meest optimale steun kregen, want ze hebben niet de reflex ‘om die steun aan te vragen en evenmin de technische geavanceerde vaardigheden om zulks te doen. Wat het aandeel onterecht betaalde premies betreft, stelt de heer Wambersie vast dat er verschillen tussen de gewesten zijn. Hij voegt daaraan toe dat men moet nadenken over de in de drie gewesten geldende toekenningsvoorwaarden, teneinde de ondernemingen opnieuw op gelijke voet te plaatsen, Vervolgens verdedigt de spreker het moratorium op faillissementen, want dat is tijdens de crisis nuttig gebleken. Hij betreurt dat thans het aantal faillissementen opnieuw toeneemt en pleit voor een instrument dat de toestand van de ondernemingen weergeeft. De spreker voorspelt dat de faillissementsgolf de ongezonde bedrijven van de markt zal doen verdwijnen en herinnert eraan dat de voornaamste schuldeiser van de ondernemingen vaak de Staat is (btw, belastingen, sociale bijdragen, bedrijfsvoorheffing). Hij wijst erop dat in het derde verzoek van het voorstel van resolutie wordt gevraagd om de buitengerechtelijke invordering van onbetwiste geldschulden tussen ondernemingen (B2B) te verruimen naar de overheid (B2G). Het NSZ is tegen een dergelijke maatregel. De spreker geeft er de voorkeur aan dat de overheid de bestaande instrumenten gebruikt, zoals de aflossingsplannen, de verwijlnteresten en toeslagen, de strafrechtelijke sancties en het optreden van de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden binnen de ondermemingsrechtbanken. Hij meent dat niet alles moet worden geregeld, maar dat sommige zaken op hun beloop moeten worden gelaten. De zogenoemde zombiebedrijven zonder daadwerkelijke activiteit moeten met chirurgische precisie worden aangepakt. Wat de beginselen betreft, wil het NSZ het volgende: - opdat de waaier niet te breed wordt, moet de ‘omschrijving van het begrip “zombiebedrijven” worden verfijnd met meerdere categorieĂ«n, teneinde de maatschappelijk schadelijke ondernemingen te viseren; - de ondernemingsrechtbanken en de kamers voor ondernemingen in moelljkheden moeten de mogelijkheid krijgen om hun taak volkomen te vervullen en nauwkeu rig toezicht te houden op de in het geding gebrachte aspecten en op de daadwerkelijke activiteiten van de onderneming (geen statutaire activiteiten, geen btw- of belastingaangifte enzovoort); - er moet worden nagegaan welke maatregelen in de andere Europese landen werden genomen; - er moet een instrument worden ingesteld dat de ondernemingsactiviteit meet. De heer Wambersie meent voorts dat de bedrijfsleider moet kunnen focussen op zijn knowhow, op zijn vaardigheden om zijn bedrijf te ontwikkelen en op zijn ondernemingszin, in plaats van een alleskunner te moeten zijn. Tegelijk pleit hij voor een denkoefening die ertoe moet leiden dat de kmo's zich doen begeleiden en instrumenten krijgen om performanter te kunnen zijn Daarnaast zou hij willen dat met de hulp van de overheid beter duidelijk wordt gemaakt wanneer een failissement nodig is, want een failissement wordt nog te vaak als een persoonlijk falen beschouwd.

II. - VRAGEN EN OPMERKINGEN

VAN DE LEDEN Mevrouw Katrien Houtmeyers (N-VA) is tevreden dat er consensus is om het probleem van de zombiebedrijven aan te pakken. Het is cruciaal om zombiebedrijven goed te definiĂ«ren en identificeren, zodat structureel gezonde bedrijven die door een crisis of tegenslag tijdelijk problemen ondervinden niet als zombiebedrijf zouden aangemerkt worden. Over een correcte definitie en identificatie bestaat nog veel discussie: zijn er andere, eruciale criteria die (al dan niet wettelijk) vastgelegd kunnen worden om tot een betere definiĂ«ring en identi ficatie van zombiebedrijven te komen? BelgiĂ« kent samen met landen als onder meer Spanje en ItaliĂ« het hoogst aantal zombiebedrijven in Europa. Wat zijn hiervan de oorzaken? Hoe wordt een zombiebedrijf gedefinieerd of geĂŻdentificeerd in andere landen? Zijn er lessen te trekken uit de landen die het wel beter doen op het vlak van zombiebedrijven? De langverwachte failissementsgolf komt er nu echt aan. In welke mate zullen zombiebedrijven nu wel failiet gaan? In welke mate zullen zij ook gezonde bedrijven meesleuren? Zijn daarover recente cijfers of prognoses bekend? Het instrument bij uitstek om zombiebedrijven te bestrijden is de procedure van de gerechtelijke ontbinding en vereffening. Is er tussen de verschillende ondernemingsrechtbanken veel verschil in de manier waarop deze procedure wordt gehanteerd? Is er een verschil in de identficatieprocedure door rechtbanken? Welke verbeteringen zijn mogelijk? Kan er dieper worden ingaan op de verschillen tussen de faillssementsprocedure enerzijds en de procedure van gerechtelijke ontbinding en vereffening anderzijds? Wanneer wordt welke procedure gekozen? Gebeurt de gerechtelijke ontbinding soms automatisch of worden de bestuurders, altijd eerst opgeroepen? De failissementsprocedure is complex en omslachtig. Op welke manier kan het insolventierecht in dezen worden verbeterd opdat de rechter de meest geschikte beĂ«indigingsprocedure kan kiezen? Zijn hierover cijfers, beschikbaar? De rechtbanken zijn de “ziekenhuizen” van onze economie. Wanneer wordt de keuze gemaakt voor herstructurering of genezing van een bedrijf in plaats van de faillissementsprocedure? Welke tools worden hiervoor aangereikt? Het Institute for Tax Advisors and Accountants (ITAA) geeft aan dat hun leden de rol van “poortwachter” aannemen in het kader van de anti-witwaswet (AWW) van 18 september 2017. Als een ITAA-lid tekent bij neerlegging van stukken, kan de rechtbank ervan uitgaan dat de oprichting van de vennootschap legitiem is, en er geen identificatie van de vennootschap door de rechtbank meer moet gebeuren. Kan er dieper worden ingegaan op deze procedure om, in samenwerking met bepaalde gereglementeerde beroepsbeoefenaars, de oprichting van zombiebedrijven te voorkomen via de AWW-cliĂ«ntenidentficatieprocedure? Een lage rente lijkt de levenslijn voor zombiebedrijven te zijn. Is er een rol weggelegd voor Europa en de Europese Centrale Bank (ECB) in het aanpakken en elimineren van (Europese) zombiebedrijven? Wat zijn de verwachtingen aangaande de aanstaande omzetting van de zogenoemde Richtlijn herstructurering en insolventie (Richtijn (EU) 2019/1023 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiĂ«ntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132)? Zal deze soelaas bieden? In weke mate kunnen de banken die blijven herfinancieren verantwoordelijk worden gesteld? Zijn daar cijfers of meer informatie over en is er een verschil waar te nemen tussen grote en kleine banken? Het ontbreken van ontbindingsincentive bij aandeel houders kan invloed hebben op het blijven bestaan van zombiebedrijven. Welke maatregelen zouden in dezen het meest raadzaam zijn? In Angelsaksische landen verloopt een failissement. makkelijker en lang niet altijd via een rechtbank. Zijn er op dit vlak ook mogelijkheden die inpasbaar zijn voor ons land? In het voorstel van resolutie worden enkele mogelijke maatregelen aangehaald om zombiebedrijven aan te pakken. Zijn er andere maatregelen die niet mogen ontbreken? Zijn er nog maatregelen die genomen kunnen worden om het ontstaan van zombiebedrijven (preventief) tegen te gaan? De heer Albert Vicaire (Ecolo-Groen) komt terug op de definitie van de zombiebedrijven, die van het grootste belang is. Hij stelt vast dat die definitie vaag blijft. Hij vraagt mevrouw Nuytinck te verduidelijken wat ze inzake de verdienmodellen voor de curatoren voorstelt, onder meer op grond van wat in andere landen gangbaar is. Hij benadrukt dat mevrouw Heuskin ervoor gewonnen is, de ondernemers op te leiden en het denkspoor voorstelt waarbij de accountants met de controle van een aantal verplichtingen zouden worden belast De spreker verwondert zich erover dat de verplichting ‘om op de verantwoordelijkheid van de bestuurders een beroep te doen ter gelegenheid van de algemene vergadering wanneer de helft van het kapitaal is aangesproken, niet algemeen wordt nageleefd. Hij vraagt zich af in hoeverre de bestuurders die een dergelijke beslissing moeten nemen, een en ander daadwerkelijk opvolgen. De heer Patrick PrĂ©vot (PS) had graag verduidelijkin gen over de volgende punten gekregen: - wat het tweede verzoek van het voorstel van resolutie betreft - te onderzoeken hoe de identificatie van zombiebedrijven te bevorderen, hen te elimineren van overheidssteun en efficiĂ«nt te laten verdwijnen - pleit hij ervoor dat naar een consensus wordt gezocht over het begrip “zombiebedrijf", die er vooralsnog niet is. Dat blijkt zeer duidelijk uit de Graydon-studie, waarin twee verschillende definities worden gehanteerd. Ook de FOD Economie en de minister die voor kmo's en de middenstand bevoegd is, zijn in hetzelfde bedje ziek. Hij vraagt zich dan ook af of het gegrond is een beleid te doen berusten op dat begrip “zombiebedrijven” waarover geen consensus bestaat; - inzake overheidssteun brengt hij vooreerst in herinnering dat hij er regelmatig voor heeft gepleit om de sectoren die het tijdens de pandemie moeilijk hadden, te ondersteunen. Hij vraagt aandacht te besteden aan de criteria om ondernemingen van overheidssteun uit te sluiten die een te ruim spectrum beslaan. De omschrij vingen die daartoe momenteel worden voorgesteld, impliceren niet altijd dat een onderneming niet actief is, wat ook gevolgen heeft voor de werkgelegenheid (het gaat om 171 000 banen); - wat het derde verzoek van het voorstel van resolutie betreft, had de heer PrĂ©vot graag de mening van mevrouw Nuytinck gekend over het geschreven advies van de FOD Economie, waarin wordt gesteld “qu'il est difficile de cerner le lien entre 'extension de la procĂ©dure de recouvrement extrajudiciaire de dettes d'argent non-contestĂ©es aux pouvoirs publics d'une part et la problĂ©matique des entreprises zombies d'autre part” De heer Erik Gilissen (VB) dankt de genodigden voor hun uiteenzettingen en stelt vast dat de definitie van een zombiebedrijf duidelijk een heikel punt vormt Mevrouw Leen Dierick (cd&v) wijst op het belang van een wettelijke definitie voor zombiebedrijven om gerichte maatregelen te kunnen voorstellen. Een van de aanbevelingen van mevrouw Nuytinck is de uitbreiding van de bevoegdheden van de vereffenaar: kan hierover meer toelichting worden gegeven? Volgens de spreekster van UCM ligt een van de oorzaken van zombiebedrijven bij de onvoldoende basiskennis van de ondernemers: wat ligt er aan de basis, hiervan? Zijn er te weinig opleidingen of moeten er meer attesten worden gevraagd? Zijn de overige sprekers het eens met deze stelling

UNIZO

stelde voorstander te zijn van een versterkte alarmbelprocedure waarbij deze maatregel openbaar wordt gemaakt en wordt opgenomen in de jaarrekening. Deze verplichting gaat dan in tegen het idee dat ondernemers niet extra administratief belast moeten worden. Kan hierover meer toelichting worden gegeven? De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) wijst erop dat achter de cijfers over de zombiebedrijven werknemers schuilgaan en dat ze zonder COVID-19-steun wellicht hun baan zouden zijn verloren. Hij had graag geweten welke elementen in de definitie van zombiebedrijven het meest polemisch zijn en bijgevolg een consensus over de definitie in de weg staan. Net als de vorige spreekster, benadrukt mevrouw Kathleen Verhelst (Open Vld) het belang van een correcte definiĂ«ring van zombiebedrijven. Kan de identificatie van dergelijke bedrijven worden geoptimaliseerd, bijvoorbeeld door het gebruik van digitalisering? Ligt de versoepeling van de vestigingswetgeving, en met name de afschaffing van de verplichting voor elke ondernemer om een aantal ondernemersvaardigheden te bewijzen, aan de oorzaak van het stijgende aantal zombiebedrijven? Mevrouw Melissa Depraetere (Vooruit) stelt zich ook vragen bij de administratieve last die een verplichte mel ding van de alarmbelprocedure met zich kan brengen. Kan de alarmbelprocedure ĂŒberhaupt de rol vervullen die haar door het voorstel van resolutie wordt toevertrouwd? Volgens het schriftelijk advies van de minister van Justitie dient de procedure om de schuldeisers te beschermen, en niet om zombiebedrijven te bestrijden. Zijn er andere instrumenten die de experts zien om dat wel te kunnen doen? Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) is in werking getreden op 1 mei 2019. Zal dit een invloed hebben op het aantal zombiebedrijven? In haar schriftelijk advies doet de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders twee suggesties met betrekking tot de rol van gerechtsdeurwaarders. Ten eerste zouden de gerechtsdeurwaarders, bij het vermoeden van een fictief adres, dit kunnen melden in het centraal dossier van inbeslagneming. Ten tweede zou een nieuwe procedure kunnen worden ingevoerd: een buitengerechtelijke bemiddelingsprocedure die vooral focust op de kleine ondernemer om deze meer ademruimte te geven en zo een failissement te voorkomen. Wat is volgens de genodigden de mogelijke impact van deze twee maatregelen?

IV. - ANTWOORDEN

VAN DE UITGENODIGDE SPREKERS Gent) geeft aan, in antwoord op de vraag van mevrouw Houtmeyers, dat er wellicht verschillen bestaan tussen de beslissingen van de verschillende ondernemingsrechtbanken. Recht wordt immers gesproken door autonome, onafhankelijke rechters. De gerechtelijke ontbinding is een zeer actueel onderwerp in de werking van de ondernemingsrechtbanken. De KOIM bij de ondernemingsrechtbank van Gent kent sinds begin dit jaar een nieuwe werking. Daarin komt de ontbinding zeer sterk aan bod. Bij de ondemnemingsrechtbanken merkt men dat de weerstand tegen de gerechtelijke ontbinding van ondernemingen met schulden erg groot is. Sinds een vijftal jaar voorziet de wet in de mogelijkheid tot gerechtelijke ontbinding van een onderneming waarvan éénmaal de jaarrekening niet wordt neergelegd. Deze mogelijkheid stuit op verzet, ‘omdat ze de deur voor fraude wagenwijd openzet. Wat de beschikbaarheid van statistieken betreft, herhaalt de spreekster haar bereidheid om cijfermateriaal - dat inderdaad wordt bijgehouden op het niveau van de ondernemingsrechtbanken - te delen met de commissie. Inzake toekomstige ontwikkelingen wijst mevrouw Nuytinck erop dat er vele initiatieven in de pijplijn zitten. Er is de geplande hervorming van het insolventierecht, waarin ook de aspecten faillissement en gerechtelijke ontbinding aan bod zullen komen. Het valt af te wachten hoe dit zal uitpakken. Bij de ondernemingsrechtbanken leeft wel de vrees dat de faillissementsprocedure nog complexer en daardoor (nog) moeilijker behapbaar zou De spreekster geeft vervolgens toelichting bij een project van de conferentie van de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken, dat ertoe strekt de poortwachtersrol van de ondernemingsrechtbanken te versterken. Mevrouw Nuytinck heeft op 5 april 2022 een dienstnota betreffende “Staatsbladfraude” uitgevaardigd. Die nota heeft betrekking op de neerlegging van alle akten, uittreksels, beslissingen en stukken waarvan het WVV de openbaarmaking beveelt. Krachtens artikel 2:7, 5 1, tweede lid, WVV hebben de ondememingsrechtbanken de plicht een dossier aan te leggen dat "elke belanghebbende in staat [moet stellen] de leden van de organen belast met het bestuur, het toezicht of de controle van rechtspersonen ter verantwoording te roepen”. Een rondzendbrief uit 2008 gaf aan de ondernemingsrechtbanken dienaangaande een beperkte, formele controleopdracht. De dienstnota staat een meer doorgedreven aanpak voor, zodat de ondernemingsrechtbanken een betere dienstverlening kunnen verzekeren. In de dienstnota worden richtlijnen uitgevaardigd inzake het voeren van een grondige identiteitscontrole, bekwaamheidscontrole en (in bepaalde gevallen) zetelcontrole. De nota kwam tot stand in samenwerking met het Parket-Generaal en de parketten van Oost- en West-Vlaanderen. De nota heeft nogal wat deining veroorzaakt bij onder meer accountants, notarissen en vzw's, die aangeven dat zij geconfronteerd worden met een bijkomende administratieve last. De spreekster ontkent dit niet, maar wijst op de finaliteit van die controles, die erin bestaat de performantie en de betrouwbaarheid van het vennootschapsdossier te versterken. De nota werd reeds voorgesteld aan het kabinet van de minister van Justitie. De spreekster drukt de hoop uit dat de nota breder zou uitgerold kunnen worden Op de vraag van mevrouw Houtmeyers naar het bestaan van criteria om te kiezen tussen failissement en gerechtelijke ontbinding antwoordt mevrouw Nuytinck dat in de wet criteria worden bepaald die, wanneer ze vervuld zijn, de KOIM de mogelijkheid geven - het betreft geen verplichting - de zaak naar de rechtbank te verwijzen om uitspraak te doen over de ontbinding of de reorganisatie. Binnen de KOIM wordt een afweging gemaakt, op basis van alle (vertrouwelijke) gegevens die beschikbaar zijn, of het zin heeft de zware fail lissementsprocedure al of niet in stelling te brengen. Daarbij worden ook maatschappelijke overwegingen in ogenschouw genomen (bijvoorbeeld. het uitlokken van beroepsverboden, cf. supra). Er kunnen vragen gesteld worden bij het verdienmodel van curatoren, dat gebaseerd is op het gerealiseerde actief. Dat alternatieven mogelijk zijn toont het Nederlandse voorbeeld aan. Een wijziging van dat verdienmodel noopt tot een bredere herdenking van het failissementsbeheer, waarvoor de politiek aan zet is. De spreekster bevestigt de opmerking inzake de rol van accountants bij controle. Zij verwijst naar de eerder vermelde dienstnota, krachtens dewelke professionele vertegenwoordigers (accountants, maar ook notarissen enzovoort) bij de neerlegging van de stukken moeten certificeren dat zij de identiteitsgegevens van de betrokkene gecontroleerd hebben en dat wat in de stukken staat strookt met de werkelijkheid. De heer Eric Van den Broele (Graydon Belgium) gaat niet akkoord met de stelling dat de definitie van zombiebedrijven niet duidelijk is. Er is echter wel verwarring omtrent het begrip en tussen de verschillende definities. Zowel spookbedrijven als zombiebedrijven zijn duidelijk gedefinieerd. Zowel de ZEV- als de OESO-Zdefinitie worden veelvuldig gebruikt in de economische, juridische en academische wereld. Het gebruik van deze definities maakt een digitale aanpak en identificatie eenvoudiger. Deze bedrijven moeten dan wel verder (digitaal) worden opgevolgd zodat zij weer gezond kunnen worden. De meeste Europese landen hebben in hun wetgeving bepalingen ingeschreven met betrekking tot het eigen vermogen, wat dus in grote lijnen overeenstemt met de ZEV-definitie. Als voorbeeld van een zombiebedrijf geeft de spreker Booking.com aan, een succesrijke organisatie met zetel in Nederland die daar meer dan 5 000 mensen tewerkstelt. Vanuit zijn bedrijfsvoering is Booking.com zeer rendabel. Het bedrijf werd echter enkel jaren geleden overgekocht door Priceline (nu Booking Holdings). Vlak voor de COVID-19-crisis had Booking.com een jaarwinst van 1,5 miljard euro, waarvan ongeveer 500 000 euro als, gevolg van subsidies. Bijhet uitbreken van de crisis bleek dat Booking.com in Nederland geen enkele reserve had en als eerste in de rij stond voor Nederlandse overheidssteun voor haar werknemers. Anderhalf jaar later hebben de drie hoofdaandeelhouders zichzelf een rijkelijke bonus uitgekeerd en een derde van het personeel op straat gezet. Dit is een zombiebedrijf, aldus de spreker. Zombiebedriven zijn dus niet bedrijven die failiet gaan, maar het zijn bedrijven die de maatschappij belasten. Bij het uitdelen van overheidssteun of het toekennen van steunmaatregelen in tijden van crisis moet sneller gefilterd worden wie wel of niet in aanmerking komt. De spreker benadrukt dat er moet nagedacht worden over manieren om de maatschappij crisisresistenter te maken door te vermijden dat zij wordt gehypothekeerd door bedrijven die groei, transitie en innovatie tegenhouden. Met betrekking tot de vraag over de evolutie van faillissementen, verwijst de heer Van den Broele naar de aflevering van 7 juli 2022 van “Pour info” op de nieuwszender LN24, waarin hij hierover in debat ging met onder meer Paul Dhaeyer, voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Brussel? De heer Loic Van Staey (UNIZO) merkt op, ter attentie van de dames Dierick en Depraetere, dat het versterken van de alarmbelprocedure noodzakelijk is, omdat dat ongeveer de enige manier is om een zombiebedrijf te identificeren. Het is duidelijk dat de omschrijving van dat *_nttpstwawIn24.be/2022-06-07pour-inf-lexplosion-du-nombre “do-failte-en-belgiaue. begrip moeilijkheden oplevert. De “Belgische definitie” refereert aan een negatief eigen vermogen. De alarmbelprocedure komt daarbij het dichtst in de buurt, ook al mag dat dan in sommige gevallen een pure formaliteit of een administratieve last blijken. Uiteraard is UNIZO tegen het verhogen van administratieve lasten voor ondernemingen, maar dit moet afgewogen worden tegen de maatschappelijke kosten die het niet-opleggen van dergelijke lasten met zich zouden brengen. Als die maatschappelijke kosten van het niet-identificeren van een zombiebedrijf zwaarder doorwegen dan de kosten verbonden aan bijkomende administratieve lasten voor (potentiĂ«le) zombiebedriven, dan is het nuttig die maatregel door te voeren, aldus de spreker, die eraan toevoegt dat deze maatregel niet alleenzaligmakend is. Mevrouw Sophie Heuskin (UCM) stelt vast dat de banken steeds vaker MVO-beginselen (maatschappe lijke verantwoordelijkheid van ondernemingen) hebben ingevoerd in de criteria voor de toekenning van leningen, met onder andere binnen die criteria een economische pijler. Een ondememing die draait en die een goede koers, vaart is dus vandaag de dag een belangrijk element. Ze stelt dat de gewestelijke structuren tijdens de COVID-19-crisis het tekortschieten van de banken hebben goedgemaakt, waarbij de overheid een maatschappelijke rol heeft gespeeld. De horecasector is een goed voorbeeld. Wat de definitie van de “zombiebedrijven” betreft, benadrukt zij dat het, a contrario, moeilijk is om een definitie te geven van een gezond bedrijf. Gedurende de periode van de COVID-19-steunmaatregelen werden bepaalde ondernemingen die investeringen hadden gedaan vóór de crisis en die niet volledig beantwoordden aan de criteria voor de toekenning van hulp (gebaseerd op de omzet), benadeeld. De spreekster roept bijgevolg op tot een zeer nauwgezette analyse van alle criteria ‘om na te gaan of een onderneming al dan niet als een “zombiebedrijf” kan worden beschouwd. Wat ten slotte de managementkennis betreft, merkt zij op dat sommige ondernemers een beroep doen op cijferdeskundigen, terwijl andere er minder regelmatig een beroep op doen. In die materie is de vrijheid de regel. Zij vraagt om de managementsopleidingen aan te passen aan de specifieke kenmerken van de activiteiten, die vaak erg verschillend zijn, en om gedurende het ganse “leven” van de onderneming de voorrang te geven aan opleiding. Zij pleit ook voor de toegankelijk heid van informatie omtrent het bedrijfsbeheer, wat niet voor allen het geval is. ‘De heer Christophe Wambersie (NSZ) geeft aan dat indien het de bedoeling is dat het wetgevend initiatief een instrument is van voorafgaande opsporing om te anticiperen op de problemen teneinde de beslissingen te individualiseren, hij er dan geen probleem in ziet. De echte kwestie is volgens hem om een individuele anaIyse te maken, wat gevolgen heeft op menselijk vlak en op vlak van de middelen om alle dossiers binnen een redelijke termijn te kunnen opvolgen. Hij pleit voor het gebruik van controlecriteria die digitaal bruikbaar zijn. Hij stelt dat de digitalisering nog niet in alle ondernemingen ingang heeft gevonden, en meer bepaald niet bij de kmo's. Het NSZ is voorstander van een instrument voor voorafgaande opsporing, maar zonder dat daardoor de bedrijven die een zekere zwakheid hebben, worden gebrandmerkt. Hij wenst dat dit instrument hen helpt ‘om het probleem te herkennen of om er weer bovenop te komen. Wat de kwestie van de COVID-19-steunmaatregelen betreft, geeft de heer Wambersie aan dat het tijdens de COVID-19-crisis in werkelijkheid ging om compensaties voor verplichte sluitingen die door de overheid aan de ondernemingen werden opgelegd, en niet om steun in de strikte zin van het woord Voor het overige is de nuttige en de meest succesvolle steun deze voor banen en voor opleidingen, gelet op de hoogte van de loonkosten in BelgiĂ«. Hij stelt dat de ondernemingen liever alle steun zouden afschaffen in ruil voor een vermindering van de administratieve last en voor een lager belastingtarief. Hij meent dat steun geen wondermiddel is.