Naar hoofdinhoud

Details

Numac
FISCONET_2
Bron
Fisconet Plus
Taal
Nederlands
Type
KB/WIB 92
Status
Van kracht
Artikelen
257

Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92)

Art. 1. De in artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde revalorisatie- coëfficiënt voor kadastrale inkomens wordt per aanslagjaar vastgesteld zoals in de volgende tabel is aangegeven :
Aanslagjaar
Exercice d'imposition
1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 Aanslagjaar
Exercice d'imposition
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022

Art. 2. Om voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in aanmerking te komen, moeten de in dat artikel vermelde spaardeposito's aan de volgende vereisten voldoen :

1° de spaardeposito's moeten in euro zijn uitgedrukt ;

2° van de spaardeposito's kunnen, rechtstreeks of via een zichtrekening, slechts opvragingen worden gedaan voor volgende verrichtingen :
a) terugbetaling in specie ;
b) transfer of overschrijving, niet krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, naar een rekening op naam van de titularis van het spaardeposito ;
c) transfer naar een spaardeposito bij dezelfde instelling, op naam van de echtgeno(o)t(e) of van een familielid tot en met de tweede graad van de titularis van het spaardeposito ; d) betaling van sommen, door de titularis van het spaardeposito verschuldigd in kapitaal, interesten of bijhorigheden wegens leningen of kredieten toegekend door dezelfde instelling of door een inrichting die door dezelfde instelling wordt vertegenwoordigd ;
e) betaling, aan de instelling-depositaris, van verzekeringspremies en kosten betreffende het spaardeposito, van de prijs voor aankoop van of inschrijving op effecten, van de huur voor een safe en van een bewaarloon voor effecten in open bewaargeving ;

3° de opvragingsvoorwaarden dienen te voorzien in de mogelijkheid voor de instelling-depositaris de opvragingen afhankelijk te stellen van een opzeggingstermijn van 5 kalenderdagen wanneer zij 1.250 EUR overtreffen en ze te beperken tot 2.500 EUR per halve maand ;

4° a) de vergoeding van de spaardeposito's bestaat verplicht maar ook uitsluitend uit :
- een basisrente ; en
- een getrouwheidspremie ;
b) de basisrente en de getrouwheidspremie worden berekend tegen een rentevoet uitgedrukt op jaarbasis.
De deposito's brengen een basisrente op ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de kalenderdag van de storting en brengen geen rente meer op vanaf de kalenderdag van de opvraging.
Stortingen en opvragingen op dezelfde kalenderdag worden gecompenseerd voor de berekening van de basisrente en de getrouwheidspremie. De verworven basisrente wordt eens per kalenderjaar gestort op het deposito om, in afwijking van het tweede lid, een basisrente op te brengen vanaf 1 januari van het jaar.
Aan de titularis van een spaardeposito mag geen debetrente worden gevraagd.
De getrouwheidspremie wordt toegekend voor de deposito's die gedurende twaalf opeenvolgende maanden op dezelfde rekening ingeschreven blijven.
In geval van overdracht van een spaardeposito naar een ander spaardeposito geopend op naam van dezelfde titularis bij dezelfde instelling, anders dan krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, blijft de premieverwervingsperiode voor het eerste spaardeposito verworven, op voorwaarde dat het bedrag van de overdracht minimaal 500 euro bedraagt en de betrokken titularis tijdens hetzelfde kalenderjaar nog geen drie soortgelijke overdrachten vanop hetzelfde spaardeposito heeft uitgevoerd.
Wanneer eenzelfde instelling over verschillende bankmerken beschikt, komen enkel de binnen eenzelfde bankmerk uitgevoerde overdrachten in aanmerking voor de toepassing van het vorige lid. Het begrip "bankmerk" verwijst naar een afzonderlijk georganiseerd distributienetwerk binnen eenzelfde juridische entiteit.
Bij een in de vorige leden bedoelde overdracht wordt de getrouwheids- premie pro rata temporis berekend op basis van de voor elk spaardeposito geldende rentevoet van de getrouwheidspremie. Onverminderd de vorige leden begint de getrouwheidspremie te lopen ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de kalenderdag van de storting. Opvragingen worden toegerekend aan de bedragen waarvoor de premie- verwervingsperiode het minst gevorderd is. Als verschillende bedragen eenzelfde premieverwer- vingsperiode hebben, wordt de opvraging in de eerste plaats toegerekend aan het bedrag met de laagste rentevoet van de getrouwheidspremie.
Driemaandelijks worden de verworven getrouwheidspremies in rekening gebracht. De getrouwheids- premies verworven tijdens het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal brengen respectievelijk vanaf 1 april, 1 juli, 1 oktober en 1 januari volgend op dat kwartaal een basisrente op.
c) de basisrentevoet die een instelling voor de ontvangen spaardeposito's toekent, mag het hoogste van de volgende twee percentages niet overschrijden :
- 3 pct. ;
- het percentage voor basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank dat van toepassing is op de tiende van de maand die het lopende kalendersemester voorafgaat.
Elke stijging van de basisrentevoet wordt gedurende een periode van minstens drie maanden behouden, behalve bij een daling van het percentage voor basisherfinanciering- transacties van de Europese Centrale Bank.
De aangeboden rentevoet van de getrouwheidspremie mag, onverminderd het bepaalde onder littera e) hierna, - niet hoger liggen dan 50 pct. van de maximale basisrentevoet waarvan sprake in het eerste lid. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de maximale rentevoet van de getrouwheidspremie op het lagere tiende percent afgerond ;
- niet lager liggen dan 25 pct. van de aangeboden basisrentevoet. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de minimale rentevoet van de getrouwheidspremie afgerond op het lagere tiende percent ;
d) per spaardeposito is, op hetzelfde ogenblik, slechts één basisrentevoet van toepassing ;
e) de getrouwheidspremie die op een bepaald ogenblik wordt toegekend, is dezelfde voor nieuwe stortingen en voor spaartegoeden waarvoor een nieuwe getrouwheidsperiode begint te lopen. Onverminderd de toepassing van de bepaling onder 4°, b), zevende lid, blijft de getrouwheidspremie die van toepassing is op het ogenblik van de storting of bij het begin van een nieuwe getrouwheidsperiode, van toepassing voor de volledige getrouwheidsperiode ;

5° de instelling-depositaris gaat na of de in artikel 21, 5°, WIB 92, voorziene grens is bereikt telkens de basisrente en de getrouwheidspremie in rekening worden gebracht en neemt daarbij alle bedragen in aanmerking die tijdens de belastbare periode werden toegekend. beroepswerkzaamheid van de kredietgever afgesloten leningen.
artikel 21, tweede lid)

Art. 2bis. De in artikel 21, eerste lid, 13°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde ondernemingen moeten, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de beoogde lening werd afgesloten, jaarlijks vóór 31 maart een document opstellen dat:
a) het bedrag vermeldt van de gedurende het vorige jaar betaalde interesten;
b) bevestigt of de onderneming al dan niet gedurende het volledige voorafgaande jaar of, indien de lening in de loop van het voorafgaande jaar werd afgesloten, gedurende het volledige gedeelte van dit jaar vanaf de datum waarop de lening werd afgesloten, voldeed aan de voorwaarden opgenomen in artikel 21, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek.
Het in het eerste lid bedoelde document moet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn worden overhandigd aan de kredietgever.
Een afschrift van het in het eerste lid bedoelde document moet langs elektronische weg aan de administratie worden bezorgd binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.
De kredietgever moet zijn exemplaar van de bedoelde documenten ter beschikking houden van de administratie. lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden

Art. 2ter. In uitvoering van artikel 21, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek vermelde bedrag op 510 euro gebracht voor de inkomsten die vanaf 1 januari 2019 worden betaald of toegekend.
aftrekbaar zijn van het bruto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik, concessie van roerende goederen en auteursrechten
artikel 22, § 3)

Art. 3.

Art. 3 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 1 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Om het netto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik, concessie van roerende goederen en auteursrechten te bepalen, worden de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens forfaitair vastgesteld op 15 % van het brutobedrag, wanneer de verkrijger:

1° een rijksinwoner is of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die in België haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft, en die goederen niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt;

2° een niet-inwoner is als vermeld in artikel 227, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en gezegde goederen door die niet-inwoner niet voor de beroepswerkzaamheid worden gebruikt die hij in een in België gelegen inrichting uitoefent.​​

Art. 4. Het in artikel 3 vermelde forfait wordt gebracht op :

1° 50% van de eerste schijf van 10.000 euro en 25% van de schijf van 10.000 euro tot 20.000 euro indien het auteursrechten betreft ;

2° 50 % wanneer het verhuring betreft van :
a) toneeldecors en -kostuums ;
b) roerende goederen die gemeubileerde woningen, kamers of appartementen stofferen ; ingeval een gezamenlijke huurprijs voor de roerende en onroerende goederen is bedongen, wordt het brutobedrag van de belastbare inkomsten van de roerende goederen geacht 2/5 van die huurprijs te bedragen ;

3° 85 % wanneer het gaat om :
a) verhuring van partituren, libretto's en andere gelijkaardige voorwerpen die
voor schouwburgvoorstellingen ;
b) concessie van het recht handelsgrammofoonplaten te persen ;
c) concessie van het recht om bioscoopfilms en gelijksoortige audiovisuele werken te distribueren of te vertonen en concessie van het recht om radio- en televisieprogramma's uit te zenden of gelijktijdig en onverkort door te geven.
De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden overeenkomstig artikel 129/1 van het Wetboek van de inkomstenbeastingen 1992 verminderd wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar.

Art. 5. De normaal ten laste van de verkrijger van de inkomsten vallende kosten die, al of niet volgens overeenkomst, door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen, moeten bij de werkelijk verleende of toegekende sommen worden gevoegd om het brutobedrag te bepalen.
In het in artikel 4, 3°, c, vermelde geval worden kosten van kopieën, van onderschriften en van nasynchronisatie van films en van voorfilms, kosten voor vervoer van films naar het buitenland, tolgelden, belasting op roerende verhuring en transferkosten op huurgelden, zomede alle andere gelijkaardige kosten, aan het belastbare brutobedrag toegevoegd ingeval zij door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen.
de beroepsinkomsten.
artikelen 23, § 3, en 77)

Art. 6. De aftrekken bedoeld in de artikelen 23, § 2, en 68 tot 80 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, worden verricht volgens de in de artikelen 7 tot 10 vastgestelde wijze en in de hierna vermelde volgorde :

1° de bijdragen bedoeld in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek, ingehouden door de schuldenaar van de beroepsinkomsten en de sommen bedoeld in artikel 52, 8°, van hetzelfde Wetboek, gestort door de belastingplichtige ;

2° de andere beroepskosten dan de in 1° vermelde bijdragen en sommen, die op de beroepsinkomsten drukken ; 3° de investeringsaftrek ;

4° de gedurende het belastbare tijdperk geleden beroepsverliezen ;

5° de tijdens de vorige belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen ;

6° de tijdens latere belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, van hetzelfde Wetboek.

Art. 7.

§ 1. De bijdragen en sommen vermeld in artikel 6, 1°, worden afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.

§ 2. De andere werkelijke beroepskosten die met een bepaalde beroepswerkzaamheid verband houden, worden van de inkomsten van die beroepswerkzaamheid afgetrokken.

§ 3. Wanneer de belastingplichtige uit eenzelfde beroepswerkzaamheid inkomsten behaalt in verschillende landen, worden de ermede verband houdende werkelijke beroepskosten, per land, afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.

§ 4. Werkelijke beroepskosten die gemeen zijn aan verschillende beroepswerkzaamheden of die tegelijkertijd op in verschillende landen behaalde inkomsten drukken, worden op een verantwoorde wijze omgedeeld.

§ 5. De niet in § 1 vermelde werkelijke beroepskosten worden, per beroepswerkzaamheid en per land, eerst afgetrokken van de beroepsinkomsten die niet vermeld zijn in artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en vervolgens evenredig van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171. § 6. Wanneer de belastingplichtige verschillende werkzaamheden uitoefent waarvan de inkomsten tot eenzelfde in de artikelen 24 tot 27 en 31 tot 33, van hetzelfde Wetboek vermelde inkomstencategorie behoren, worden de ermede verband houdende forfaitaire beroepskosten berekend op het geheel van de uit die werkzaamheden voortkomende inkomsten, maar met uitzondering van de vergoedingen waarvan sprake in artikel 51, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.

§ 7. De overeenkomstig § 6 vastgestelde forfaitaire beroepskosten worden evenredig afgetrokken van de verschillende bestanddelen van het inkomen, die de berekeningsgrondslag van het forfait hebben gevormd.

§ 8. Wanneer de beroepskosten in verband met één of meer bestanddelen van het inkomen overeenkomstig artikel 51 van hetzelfde Wetboek forfaitair worden bepaald, worden de in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek vermelde sociale bijdragen die niet zijn ingehouden, in afwijking van § 5, evenredig afgetrokken van die bestanddelen van het inkomen.

§ 9. De investeringsaftrek vermeld in de artikelen 68 tot 77 van hetzelfde Wetboek komt eerst in mindering van de winst of de baten van Belgische oorsprong die niet vermeld zijn in artikel 171 van hetzelfde Wetboek en vervolgens evenredig in mindering van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171.

Art. 8.

§ 1. Wanneer een beroepswerkzaamheid in verschillende landen wordt uitgeoefend, worden de overeenkomstig artikel 7 berekende nettoresultaten van het belastbare tijdperk in 3 groepen ingedeeld :

1° die behaald in België ;

2° die behaald in landen waarmede België geen overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten ;

3° die behaald in andere landen. § 2. Binnen elk van de groepen worden de negatieve resultaten eerst afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep ; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep.

§ 3. Wanneer het eindresultaat van groep 1 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 2 en 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

§ 4. Wanneer het eindresultaat van groep 2 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 1 en 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

§ 5. Wanneer het eindresultaat van groep 3 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 1 en 2 ; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

Art. 9. Het tijdens het belastbare tijdperk in een bepaalde beroepswerkzaamheid geleden beroeps- verlies wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten uit de andere beroepswerk- zaamheden die gezamenlijk worden belast; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

Art. 10. De tijdens vorige belastbare tijdperken of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, latere belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen worden evenredig aangerekend op de overblijvende beroeps-inkomsten van de verschillende beroepswerkzaamheden die gezamenlijk worden belast; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

Art. 11. erkend als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die de rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.
artikel 29, § 2, 2°)

Art. 12.

Art. 12 is van toepassing vanaf 01.05.2019 op de erin vermelde vennootschappen vanaf de dag waarop de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die betrekking hebben op deze vennootschappen op hen van toepassing worden (art. 3, 1°, en 39, 2de lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

Art. 12 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 3, 2°, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


De vennootschappen erkend als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die de rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap mogen voor de rechtspersoonlijkheid en voor het stelsel van de vennootschapsbelasting kiezen wanneer zij op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie wordt uitgeoefend, tenminste 3 vennoten tellen en wanneer het kapitaal op diezelfde datum tenminste 30.950 euro bedraagt.​

Art. 13. De optie kan slechts geldig worden uitgeoefend indien de beslissing daartoe met eenparigheid van stemmen is genomen door de personen die op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben, vennoten waren en, in geval van overlijden van één hunner, door hun rechthebbenden.

Art. 14. Om het optierecht te kunnen uitoefenen, moet de vennootschap een afschrift van de in artikel 13 vermelde beslissing inzenden.
Dat document moet alle gegevens bevatten die voor het beoordelen van de geldigheid van de beslissing nodig zijn en moet worden ondertekend door alle personen die hebben medebeslist.
Het moet, op straffe van nietigheid, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap worden gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben.

Art. 15.

Art. 15 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 4, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Onverminderd de toepassing van artikel 16, is het optiestelsel onherroepelijk voor een cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken in de vennootschapsbelasting. Het wordt telkens ambtshalve hernieuwd voor een nieuwe cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken, behalve:

1° wanneer de in artikel 13 vermelde personen onder de daarin bepaalde voorwaarden een nieuwe beslissing treffen die een einde aan de optie maakt, en wanneer een afschrift van die beslissing, waarin alle voor de beoordeling van de geldigheid ervan nodige gegevens voorkomen, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap wordt gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie uitwerking heeft gehad; dat afschrift wordt ondertekend door alle personen die hebben medebeslist;

2° wanneer aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal vennoten en het bedrag van het kapitaal, op de datum van het verstrijken van het belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie laatst uitwerking heeft gehad, sinds ten minste 1 jaar niet meer is voldaan.

Art. 16.

Art. 16 is van toepassing vanaf 01.05.2019 op de erin vermelde vennootschappen vanaf de dag waarop de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die betrekking hebben op deze vennootschappen op hen van toepassing worden (art. 5, en 39, 2de lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Ingeval de vennootschap niet langer erkend wordt als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of de rechtsvorm van een besloten vennootschap of een coöperatieve vennootschap heeft aangenomen, neemt het optiestelsel ambtshalve een einde met ingang van het belastbaar tijdperk waarin de erkenning ophoudt of de nieuwe rechtsvorm is aangenomen. De vennootschap blijft aan de vennootschapsbelasting onderworpen.​

Art. 17. De belastbare brutobezoldiging van volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigde werknemers, mag niet minder bedragen dan de forfaitaire bezoldiging die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van de bijdragen welke die werknemers en hun werkgevers verschuldigd zijn ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid. ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers
artikelen 32/1, § 8, eerste lid, en 32/2, § 8, eerste lid)

Art. 17/1.

§ 1. De in artikel 32/1, § 8, eerste en tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvragen voor de toepassing en eventuele verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen worden ingediend aan de hand van de formulieren die op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking worden gesteld

§ 2. Het formulier voor de in artikel 32/1, § 8, eerste lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belasting- stelsel voor ingekomen belastingplichtigen wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever of de vennootschap die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de datum van de indiensttreding of terbeschikkingstelling in België;

4° het bedrag van de bruto jaarbezoldiging voor de in België geleverde prestaties evenals de berekening van die bezoldiging;

5° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belastingstelsel wordt gevraagd, een ingekomen belastingplichtige is als bedoeld in artikel 32/1, § 2, WIB 92;

6° een verklaring dat voldaan wordt aan de in artikel 32/1, § 3, eerste lid, 1° en 2°, WIB 92 vermelde voorwaarden; 7° de vermelding of de belastingplichtige in het verleden reeds heeft genoten van het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen of ingekomen onderzoekers en, desgevallend, de periode waarin dit het geval was;

8° een inventaris van de stukken die in bijlage bij de aanvraag worden gevoegd:
a) desgevallend, ter staving van het in 2° bedoelde mandaat;
b) desgevallend, met betrekking tot de berekening van de bruto bezoldiging;
c) tot staving van de in 5° en 6° bedoelde verklaringen;
d) in toepassing van artikel 32/1, § 8, derde lid, WIB 92 en, desgevallend, van artikel 240ter, eerste lid, WIB 92.

§ 3. Het formulier voor de in artikel 32/1, § 8, tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever of de vennootschap die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de einddatum van de eerste periode van vijfjarige activiteit in België;

4° de bevestiging dat aan de bruto inkomstenvoorwaarden van de jaar- bezoldiging is voldaan op het moment van de verlenging;

5° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel wordt gevraagd, een ingekomen belastingplichtige is als bedoeld in artikel 32/1, § 2, WIB 92; 6° in bijlage de stukken tot staving van de in 5° bedoelde verklaring.

§ 4. Er kan worden gevraagd dat de stukken die nodig zijn om de administratie in staat te stellen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing of verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen, verplicht bij de aanvraag worden gevoegd.
De modellen van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde formulieren worden vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen. Het in artikel 32/1, § 8, derde lid, WIB 92 bedoelde attest kan hierbij worden geïntegreerd in de formulieren.

Art. 17/2.

§ 1. De in artikel 32/2, § 8, eerste en tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvragen voor de toepassing en eventuele verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers worden ingediend aan de hand van de formulieren die op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking worden gesteld.

§ 2. Het formulier voor de in artikel 32/2, § 8, eerste lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de datum van indiensttreding of terbeschikkingstelling in België; 4° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie de aanvraag wordt gedaan een ingekomen onderzoeker is als bedoeld in artikel 32/2, § 2, WIB 92;

5° een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 32/2, § 3, eerste lid, 1°, WIB 92 vermelde voorwaarden;

6° de vermelding of de belastingplichtige in het verleden reeds heeft genoten van het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen of ingekomen onderzoekers en, desgevallend, de periode waarin dit het geval was;

7° een inventaris van de stukken die in bijlage bij de aanvraag worden gevoegd:
a) desgevallend, tot staving van het in 2° bedoelde mandaat;
b) tot staving van de in 4° en 5° bedoelde verklaringen;
c) in toepassing van artikel 32/2, § 8, derde lid, WIB 92 en, desgevallend, van artikel 240quater, eerste lid, WIB 92.

§ 3. Het formulier voor de in artikel 32/2, § 8, tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de einddatum van de eerste periode van vijfjarige activiteit in België;

4° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie de aanvraag voor verlenging wordt gedaan een ingekomen onderzoeker is als bedoeld in artikel 32/2, § 2, WIB 92; 5° in bijlage de stukken tot staving van de in 4° bedoelde verklaring.

§ 4. Er kan worden gevraagd dat de stukken die nodig zijn om de administratie in staat te stellen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing of verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers, verplicht bij de aanvraag worden gevoegd.
De modellen van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde formulieren worden vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen. Het in artikel 32/2, § 8, derde lid, WIB 92 bedoelde attest kan hierbij worden geïntegreerd in de formulieren.
in geld verkregen voordelen van alle aard.
artikel 36, § 1, tweede lid)

Art. 18.

§ 1. De anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard en vermeld in de §§ 2 en 3, worden forfaitair geraamd volgens de in die paragrafen bepaalde regels.

§ 2. Voor de voordelen waarvan de waarde wordt vastgesteld door een sociale of economische reglementering, is de in aanmerking te nemen waarde gelijk aan de door die reglementering vastgestelde waarde.

§ 3. Bij gebrek aan een dergelijke sociale of economische reglementering, wordt met betrekking tot de hierna vermelde voordelen de in aanmerking te nemen waarde als volgt forfaitair vastgesteld :
1. Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet : a) Het voordeel wordt berekend op basis van het verschil tussen :
- eensdeels, de referentierentevoet die hierna per type van lening is aangegeven ;
- anderdeels, de rentevoet aan de ontlener aangerekend, de renteverlaging wegens kinderlast buiten beschouwing gelaten.
b) Voor hypothecaire leningen geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten :
In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte
1950 en/et 1951 1952 en/et 1953 1954 tot/à 1956 1957 1958 1959 en/et 1960 1961 en/et 1962 1963 1964 1965 en/et 1966 1967 1968 1969 1970 1971 1972 1973 In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte 1974 1975 1976 en/et 1977 1978 en/et 1979 1980 1981 1982 1983 1984 (tot/jusqu'au 31.5.1984) 1984 (vanaf/à partir du 1.6.1984) 10,75 1985 9,50 1986 7,50 1987 7,25 1988 7,25 1989 7,25 1990 9,50 1991 10,25 1992 9,25 1993 8 1994 7,25 1995 7 1996 6,50 1997 6,00 1998 5,75 1999 5,75 2000 5,75 2001 5,60 2002 5,75 2003 4,85 2004 4,95 2005 4,89 2006 4,94 In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte 2007 5,46 2008 5,58 2009 5,19 2010 4,69 2011 5,14 2012 4,63 2013 4,45 2014 4,16 2015 2,47 2016 1,65 2017 2,13 2018 1,80 2019 1,70 2020 1,41 2021 1,34 2022 1,77 2023 2024 2025
In afwijking van het vorige lid wordt de in aanmerking te nemen referentierentevoet vastgesteld :

1° wat de in 1980, 1981, 1982 en 1983 en in 1984 tot 31 mei 1984 toegestane hypothecaire leningen betreft : op 9 %, behalve voor de eerste schijf van 37.184,03 EUR, vrijgesteld krachtens artikel 41, § 3, van de wet van 31 juli 1984 ;

2° wat de vanaf 1 juni 1984 tot 31 december 1985 toegestane hypothecaire leningen betreft :
- op 8 %, wanneer de terugbetaling ervan gewaarborgd is door een gemengde levensverzekering ;
- op 9 % in de andere gevallen.

3° wat de vanaf 1 januari 1995 toegestane hypothecaire leningen betreft waarin overeenkomstig artikel 9 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet een veranderlijke rentevoet is bedongen : op de referteïndex die slaat op de oorspronkelijke rentevoet en die in de vestigingsakte van de lening is vermeld ; bij elke latere aanpassing van de rentevoet van de lening is de referentierentevoet gelijk aan de referteïndex die volgens de bepalingen van voormelde vestigingsakte voor die aanpassing in aanmerking moet worden genomen ;
De lijst van de in het vorige lid vermelde referteïndexen, welke maandelijks door toedoen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, is opgenomen onder afdeling I van bijlage I.
c) Voor niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd geldt de referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst gesloten is en wordt die referentierentevoet vastgesteld :

1° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is tijdens de jaren 1981 tot 1984 en een looptijd heeft van meer dan 60 maanden :
- ofwel op 60 % van het maandelijkse lastenpercentage zoals dit percentage, rekening houdend met het bedrag van de lening, voor het betreffende jaar blijkt uit de tabel van bijlage I van dit besluit ; - ofwel op 60 % van het reële jaarlijkse lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de in 2°, tweede gedachtenstreep, vermelde formule ;

2° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is na 31 december 1984 :
- ofwel op basis van het hierna voor het betreffende jaar aangegeven maandelijks lastenpercentage, waarbij voor de vanaf 1 januari 1986 gesloten leningen onderscheid wordt gemaakt tussen de leningen gesloten om de aankoop van een wagen te financieren en de andere :
Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen om de aankoop van een Année au cours de laquelle le contrat wagen te financieren de prêt est conclu Prêts en vue de financer l'acquisition d'une voiture 1985 0,62 1986 0,44 1987 0,40 1988 0,38 1989 0,38 1990 0,45 1991 0,55 1992 0,46 1993 0,42 1994 0,40 1995 0,35 1996 0,30 1997 0,25 1998 0,25 Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen om de aankoop van een Année au cours de laquelle le contrat wagen te financieren de prêt est conclu Prêts en vue de financer l'acquisition d'une voiture 1999 0,23 2000 0,28 2001 0,26 2002 0,26 2003 0,26 2004 0,23 2005 0,22 2006 0,21 2007 0,24 2008 0,25 2009 0,22 2010 0,20 2011 0,17 2012 0,14 2013 0,12 2014 0,10 2015 0,09 2016 0,06 2017 0,06 2018 0,05 2019 0,04 2020 0,04 2021 0,05 2022 0,06 2023 0,25 2024 0,28 2025 0,26 - ofwel, voor de leningsovereenkomst gesloten tot 31 december 2022, op basis van het reële jaarlijks lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de formule :
I = p x 24 x n n + 1
waarin : i = reëel jaarlijks lastenpercentage p = maandelijks lastenpercentage n = terugbetalingstermijn in maanden - ofwel, voor de leningsovereenkomst gesloten vanaf 1 januari 2023, op basis van het reële jaarlijks lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de formule:
I = (1 + p)12 - 1 waarin: i = reëel jaarlijks lastenpercentage; p = maandelijks lastenpercentage."; d) Voor niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt :
Jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt Année au cours de laquelle l’emprunteur a disposé des sommes empruntées
1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 Jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt Année au cours de laquelle l’emprunteur a disposé des sommes empruntées 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
e) De ontlener wordt geacht het voordeel te verkrijgen :

1° wat de hypothecaire leningen en de niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd betreft die periodiek worden afgelost : bij elke aflossing ; het voordeel wordt dan telkens berekend op het vóór de aflossing nog terug te betalen kapitaal ;

2° wat de in 1° vermelde leningen betreft waarvan het kapitaal ineens wordt terugbetaald op het einde van de looptijd van de lening : bij elke rentevervaldag indien de lening tegen verminderde rentevoet is toegestaan en bij het einde van elke kalendermaand indien de lening renteloos is toegestaan ; het voordeel wordt in deze gevallen telkens berekend op het aanvangsbedrag van de lening ;

3° wat de niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd betreft : bij het einde van elke kalendermaand waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt ; het voordeel wordt dan per maand berekend volgens de gemiddelde stand van de lening.
2. Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/90 van het kadastrale inkomen van ongebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan.
Voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het kadastrale inkomen, vermenigvuldigd met 2.
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet, bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt. (1)
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt, behalve voor de beoordeling van de in het tweede lid vermelde grens van 745 EUR, het kadastrale inkomen in aanmerking genomen nadat het is geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
3. Kosteloze beschikking over één enkele kamer :
Het voordeel (huisvesting, verwarming, verlichting) wordt vastgesteld op 0,74 EUR per dag of 266,40 EUR per jaar.
4. Kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming :
Het voordeel van de kosteloze verstrekking van verwarming en/of van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming wordt enkel forfaitair geraamd op het overeenkomstig het tweede en derde lid bepaalde bedrag wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, ter beschikking stelt.
In het in het eerste lid bedoelde geval wordt het voordeel geraamd op:
a) wanneer het wordt verleend aan leidinggevend personeel en bedrijfsleiders :
- verwarming : 1.245 EUR per jaar ;
- elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : 620 EUR per jaar ;
b) wanneer het wordt verleend aan andere verkrijgers :
- verwarming : 560 EUR per jaar ;
- elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : 280 EUR per jaar.
De in het tweede lid vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2° en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
5. Kosteloze beschikking over dienstboden, huispersoneel, hoveniers, chauffeurs, enz.
Het jaarlijkse voordeel wordt geraamd op 5.950 EUR per werkman, dienstmeisje, werkster, enz., die voltijds tewerkgesteld zijn.
6. Voordelen verkregen door huispersoneel :
De waarde van de voordelen wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de voordelen
Nature des avantages
Eerste maaltijd (ontbijt) Premier repas (déjeuner)
Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd) Deuxième repas (repas principal)
Derde maaltijd (avondmaal) Troisième repas (souper)
Huisvesting, verwarming, verlichting Logement, chauffage, éclairage
Totaal Total De forfaitaire raming van de huisvesting, verwarming, verlichting geldt evenwel slechts voor het huispersoneel dat over één enkele kamer beschikt.
Wanneer de belanghebbenden het genot hebben van verscheidene woonvertrekken, wordt het voordeel vastgesteld zoals bepaald sub 2 en 4.
7. Kosteloze verstrekking van voeding aan zeelieden en aan bouwvakarbeiders wegens de verwijdering van de werf :
Het voordeel wordt forfaitair op 2,48 EUR per dag effectieve vaart of per effectieve werkdag geraamd.
8. Kosteloze verstrekking van sociale maaltijden :
Voor de maaltijden die kosteloos worden verstrekt, dienen de sub 6 vermelde bedragen als
9. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
De referentie-CO2-uitstoot wordt jaarlijks vastgesteld zoals in de volgende tabel is aangegeven: Referentie-CO2-uitstoot
Emission de référence-CO2
Voertuigen met een benzine-, LPG- Kalenderjaar of aardgasmotor Année civile Véhicules à moteur alimenté à l'essence, au LPG ou au gaz naturel
2012 115 g/km
2013 116 g/km
2014 112 g/km
2015 110 g/km
2016 107 g/km
2017 105 g/km
2018 105 g/km
2019 107 g/km
2020 111 g/km
2021 102 g/km
2022 91 g/km
2023 82 g/km
2024 78 g/km
2025 71 g/km
2026 70 g/km
10. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC, tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op :
- 72 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC; - 36 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld tablet of een mobiele telefoon;
- 60 EUR per jaar voor de kosteloos ter beschikking gestelde internetaansluiting, ongeacht of het vaste aansluiting is of een mobiele en ongeacht het aantal toestellen dat gebruik kan maken van die internetaansluiting;
- 48 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement.

§ 4. In de gevallen als vermeld in § 3, punten 2 tot 10, en wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, is het in aanmerking te nemen voordeel datgene dat overeenkomstig § 3, punten 2 tot 10, is vastgesteld verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel.
artikelen 36, § 2, elfde lid, en 66, § 1, vijfde lid)

Art. 19. Als overeenstemmend voertuig bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangemerkt het voertuig dat, op basis van het Europees gelijkvormigheidsattest, categoriseert onder:




Vanaf 1 januari 2026, luidt artikel 19, 1e lid, als volgt :
Als overeenstemmend voertuig bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, 66, § 1, derde lid, en 550, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangemerkt het voertuig dat, op basis van het Europees gelijkvormigheidsattest, categoriseert onder:




- hetzelfde merk; - hetzelfde model;
- hetzelfde koetswerktype;
- en waarvan de verhouding tussen zijn vermogen, uitgedrukt in kW, en het vermogen van het hybride voertuig, uitgedrukt in kW, het dichtst de één benadert, op voorwaarde dat deze begrepen is tussen 0,75 en 1,25.
In de veronderstelling dat meerdere voertuigen in aanmerking komen om als overeenstemmend voertuig gekwalificeerd te worden, wordt het voertuig met de hoogste CO2- uitstoot als overeenstemmend voertuig in aanmerking genomen.
De fabrikant die in het Rijk gevestigd is, of bij gebreke hiervan de auto-invoerder, moet het overeenstemmend voertuig van ieder hybride voertuig zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepalen en deze informatie, alsook alle hierbij noodzakelijk gebleken technische gegevens aan de FOD Financiën doen toekomen bij de marktintroductie van een voormeld hybride voertuig. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt welke technische gegevens, alsook de wijze waarop die technische gegevens bij de FOD Financiën moeten toekomen.
Het overeenstemmend voertuig wordt bepaald op het moment van de marktintroductie van het hybride voertuig zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De lijst met de overeenstemmende voertuigen voor de verschillende hybride voertuigen zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt bekendgemaakt op de webstek van de FOD Financiën.
VIII/1. - Sociale en culturele vrijstellingen als bedoeld in artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 19/1. In uitvoering van artikel 38, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, van dat Wetboek vermelde bedrag op 0,178 euro per kilometer gebracht voor de vergoedingen die vanaf 1 januari 2024 worden toegekend.

Art. 19/2. In uitvoering van artikel 38, § 5/1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt de in artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van het voormelde Wetboek bedoelde vrijstelling van toepassing gemaakt op de bezoldigingen voor prestaties door werknemers die onder het toepassingsgebied van de flexi-jobregeling worden gebracht door de hierna vermelde artikelen van het koninklijk besluit van 18 april 2024 tot uitvoering van artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, met betrekking tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs:
- artikel 1/1, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 31 januari 2025;
- artikel 2;
- artikel 2/1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 2024
gerealiseerd op bepaalde bedrijfsvoertuigen

Art. 20.

§ 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging beantwoorden aan de volgende ecologische normen : 1° wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering ;

2° wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn ;

3° wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan één van de volgende alternatieve voorwaarden :
a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh ;
b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering ;
c) het voertuig is voor minstens 25 % uit recycleerbare materialen opgebouwd ;
d) het koetswerk van het voertuig is gespoten in een niet-milieubelastende laklaag ;
e) het voertuig maakt voor de transmissie gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak ;
f) het voertuig is uitgerust met een dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder ;
g) in het geval van autocars en autobussen zijn alle zetels voorzien van veiligheidsgordels ; 4° wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn.

§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3°, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

§ 3. De in de eerste paragraaf vastgestelde ecologische normen moeten verantwoord worden door bewijsstukken afgeleverd door de constructeur, invoerder of installateur.
meerwaarden gerealiseerd op bepaalde binnenvaartuigen
artikel 44ter, § 2, 1°)

Art. 21.

§ 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart als bedoeld in artikel 44ter van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling verkrijgen waarin dat artikel voorziet, moeten de binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart die zijn verkregen via herbelegging, beantwoorden aan één van de volgende ecologische normen :

1° het binnenschip is uitgerust met een typegoedgekeurde voortstuwingsmotor conform het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen of het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende normen inzake verontreinigende gasvormige en deeltjesemissies van inwendige verbrandingsmotoren voor mobiele niet voor de weg bestemde machines ;

2° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire technische inrichting ter voorkoming van het uitstromen van brandstof aan boord bij het vullen van de brandstoftanks ; 3° het binnenschip is uitgerust met een actieve boegbesturing, bedienbaar vanuit het stuurhuis ;

4° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire radar en een éénmans- radarstuurstand ;

5° het binnenschip is uitgerust met een schroefasafdichting die het instromen van water of smeermiddelen in het schip onmogelijk maakt en het uitstromen van waterverontreinigende smeermiddelen vermijdt ;

6° het binnenschip is zodanig gebouwd of aangepast dat de bodem en de wanden van de ruimen bestaan uit gladde stalen oppervlakten, waarbij de spanten zich niet in het ruim bevinden.

§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in § 1 een verplichte norm wordt, moet het binnenschip aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

§ 3. De in § 1 vastgestelde ecologische normen moeten worden verantwoord door een vermelding ervan in de verplichte technische certificaten of door een verklaring van een klasseringmaatschappij.
belastingvrijstelling van waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten.
artikel 48)

Art. 22.

§ 1. Uit de winst van het krachtens artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, onder de voorwaarden die hierna volgen :

1° de verliezen, ter bestrijding waarvan die waardeverminderingen bestemd zijn, moeten uiteraard als beroepsverliezen aftrekbaar zijn en uitsluitend betrekking hebben op niet in obligaties of andere gelijkaardige effecten op naam of aan toonder of gedematerialiseerde effecten verdeelde vorderingen ;

2° die verliezen moeten scherp omschreven zijn en de waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere tijdens het belastbare tijdperk voorgekomen en op het einde daarvan nog bestaande omstandigheden, en niet uit een louter algemeen risico ;

3° de waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in een of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen ;

4° het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, moet per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld ; die staat moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte worden gevoegd ;

5° ...

6° ...

§ 2. ...

§ 3. ...

Art. 23. Werkelijk geleden verliezen op de vordering, waarop een overeenkomstig artikel 22 geboekte waardevermindering betrekking heeft, moeten op die waardevermindering worden aangerekend wanneer zij uit fiscaal oogpunt definitief aanneembaar worden.
Vrijgestelde waardeverminderingen op vorderingen die niet meer aan de in artikel 22 gestelde voorwaarden beantwoorden moeten worden teruggenomen.

Art. 24. Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer :

1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ;

2° de voorzieningen voldoen aan de voorwaarden die in artikel 22, § 1, 3° en 4°, ten aanzien van waardeverminderingen gesteld zijn.

Art. 25. Voor de toepassing van artikel 24 worden geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die het gevolg zijn van de in dat tijdperk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of van alsdan voorgekomen gebeurtenissen, of die bij voorbaat gedekt zijn door tijdens hetzelfde tijdperk verkregen vergoedingen wegens schadegevallen, onteigeningen, opeisingen in eigendom of andere gelijkaardige gebeurtenissen, of die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, betrekking hebben op grote herstellingen aan gebouwen, materieel en outillage die periodiek met regelmatige tussenpozen van niet meer dan 10 jaar worden uitgevoerd, met uitsluiting van enige vernieuwing.
Worden eveneens geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, inherent zijn aan de ontmanteling van kerncentrales en aan de ontsmetting van de vestigingsplaatsen ervan.

Art. 26. De kosten waarop een overeenkomstig artikel 24 aangelegde voorziening betrekking heeft, moeten op die voorziening worden afgeboekt op het ogenblik dat zij werkelijk worden gedragen.

Art. 27. De vrijstelling van elke in de artikelen 22 tot 26 vermelde waardevermindering of voorziening blijft behouden zolang de belastingplichtige aantoont dat het verlies of de kost waaraan die waardevermindering of voorziening beantwoordt, waarschijnlijk blijft ; bij gebrek aan verantwoording bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk wordt de waardevermindering of voorziening als een winst van dat tijdperk beschouwd.
voortvloeit uit minderwaarden die zijn opgetekend ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan of ten gevolge van de vaststelling van een minnelijk akkoord.
artikel 48/1)

Art. 27/1.

§ 1. De in artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling is van toepassing voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de belastingplichtige een afschrift overlegt van het in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakte vonnis dat in uitvoering van artikel XX.79 van het Wetboek van economisch recht, het reorganisatieplan homologeert of dat in uitvoering van artikel XX.65 van het Wetboek van economisch recht het minnelijk akkoord vaststelt en hij aantoont dat dit plan of dit akkoord volledig is uitgevoerd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de in artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling van toepassing voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het vonnis dat in uitvoering van de artikelen XX.65 of XX.79 van hetzelfde het Wetboek van economisch recht in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt en wordt die vrijstelling behouden voor de volgende aanslagjaren voor zover :

1° de vrijgestelde winst geboekt is en blijft op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans tot op de datum waarop het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd;

2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag voor de berekening van enige beloning of toekenning dient tot op de datum waarop het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd;

3° de belastingplichtige die aanspraak maakt op de vrijstelling, een afschrift van het in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakte desbetreffend vonnis overlegt;

4° de belastingplichtige die voor enig belastbare tijdperk aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waaruit blijkt dat het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord nog niet volledig is uitgevoerd en nog steeds wordt nageleefd bij het afsluiten van het desbetreffende belastbare tijdperk.
Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk.
De sommen die overeenkomstig het eerste lid tijdelijk zijn vrijgesteld, zijn definitief vrijgesteld onder de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd.

§ 3. De in paragraaf 1 en in paragraaf 2, eerste lid, 3° en 4°, bedoelde documenten moeten worden toegevoegd aan de in artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingplichtige de vrijstelling wenst te bekomen of te behouden. beroepskosten ten gevolge van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.
artikel 51, vierde lid)

Art. 28. Het in artikel 51, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedrag wordt vastgesteld op respectievelijk 75 EUR, 125 EUR of 175 EUR, naargelang de afstand tussen de woonplaats van de belastingplichtige en de plaats van zijn tewerkstelling op 1 januari van het aanslagjaar 75 km tot 100 km, 101 km tot 125 km of meer dan 125 km bedraagt.

Art. 30.

§ 1. Bij het einde van elk jaar moeten de schuldenaars van de in artikel 57, eerste lid, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten voor iedere verkrijger van inkomsten, waarvan de inkomsten de 250 euro per jaar overschrijden, langs elektronische weg de fiches en samenvattende opgave waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde. Bij het einde van elk jaar moeten de schuldenaars van de in artikel 57, eerste lid, 4° van hetzelfde Wetboek vermelde inkomsten voor iedere verkrijger ervan langs elektronische weg de fiches waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. De in § 1 bedoelde schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde fiches namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze fiches geschieden op papier of op elektronische informatiedrager.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de fiches vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot hun indiening.

§ 3. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde schuldenaars moeten de fiches vóór 30 juni van het jaar na dat waarop deze documenten betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst.
De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde schuldenaars moeten de fiches vóór 1 maart van het jaar na dat waarop deze documenten betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst.

Art. 31. De in artikel 30 bedoelde schuldenaars die ingevolge de vrijstelling van § 2 van dat artikel de fiches op papier indienen, kunnen kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze fiches aanvragen.
Deze schuldenaars mogen bovendien exemplaren gebruiken die afwijken van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen, op voorwaarde dat deze exemplaren al dezelfde vermeldingen bevatten en van hetzelfde formaat zijn als de modellen.

Art. 32. De individuele fiches met betrekking tot de in artikel 57, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten zijn die waarvan in de artikelen 92 en 93 sprake is.

Art. 33. De in artikel 57, eerste lid, 3° en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten moeten worden vermeld in de daartoe voorziene rubriek van de individuele fiches waarvan in artikel 32 sprake is.
bedoeld in artikel 52, 3°, b
artikel 59, § 1, 4° en § 5)

Art. 34.

Art. 34, het opschrift van afdeling XIII is van toepassing op de bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01.01.2004 en op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die zijn betaald vanaf 01.01.2004 (art. 1, KB 01.03.2005 - B.S. 09.03.2005; Numac: 2005003087)


Voor de toepassing van de artikelen 52, 3°, b en 5°, en 59, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van deze afdeling, wordt verstaan:

1° onder normale brutojaarbezoldiging: het totale brutobedrag van al de sommen die, vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut, aan de werknemer anders dan uitzonderlijk of toevallig toegekend of betaald zijn gedurende een bepaald jaar;

2° onder laatste normale brutojaarbezoldiging: de brutojaarbezoldiging die gelet op de vorige bezoldigingen van de werknemer als normaal kan worden beschouwd en die hem betaald of toegekend werd gedurende het laatste jaar vóór zijn oppensioenstelling waarin hij een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad;

3° onder normale duur van een beroepswerkzaamheid: 40 jaar of, voor beroepen waarvoor de betrokken werkgever en werknemer aantonen dat de volledige loopbaan minder of meer dan 40 jaar bestrijkt, het aantal jaren van die volledige loopbaan.

Art. 35.

Art. 35 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 6, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden:

1° die werkgeversbijdragen en -premies moeten worden gestort aan een verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of aan een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde inrichting van een dergelijke onderneming of instelling met voornaamste inrichting buiten de Europese Economische Ruimte;

2° die bijdragen en premies moeten betaald worden ter uitvoering van:

- ofwel een reglement van groepsverzekering dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke reglementen;

- ofwel een verzekeringscontract betreffende de toekenning van extra-wettelijke voordelen aan werknemers bedoeld bij de reglementering inzake het rust- en overlevingspensioen der werknemers;

- ofwel het reglement van een pensioenfonds opgericht ten bate van het personeel van de onderneming en ingeschreven op de Controledienst voor de Verzekeringen of erkend bij koninklijk besluit;

- ofwel een aanvullende pensioentoezegging die beantwoordt aan de voorwaarden die zijn gesteld door de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;

- ofwel een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;

3° de persoonlijke bijdragen en premies vermeld in artikel 1451, 1°, van hetzelfde Wetboek, die door de werkgever op de bezoldigingen van de werknemer zijn ingehouden, moeten jaarlijks worden ingeschreven op de individuele loonfiches vermeld in artikel 92, § 1, onder een afzonderlijke rubriek, met vermelding van de naam en het adres van de onderneming of instelling waaraan ze zijn gestort;

4° (...)

5° de overdraagbaarheidscoëfficiënt van de toekenningen waarin de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen voorzien ten gunste van de langstlevende echtgenoot, mag niet meer bedragen dan 80 %.

§ 2. De werkgeversbijdragen en -premies vermeld in § 1 mogen slechts als beroepskosten worden afgetrokken tijdens de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en voor zover per werknemer die bijdragen en premies, verhoogd met de persoonlijke bijdragen en premies genoemd in artikel 1451, 1°, van hetzelfde Wetboek:

1° jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen die verschuldigd zijn krachtens het reglement van groepsverzekering, het verzekeringscontract, het pensioenreglement, de aanvullende pensioentoezegging of de solidariteitstoezegging en die, wat de collectieve toezeggingen betreft, op eenzelfde en niet discriminerende wijze voor het gehele personeel van de onderneming of voor een bijzondere categorie van dat personeel toegankelijk zijn;

2° recht geven op toekenningen, winstdeelnemingen inbegrepen, waarvan het bedrag, in jaarlijkse lijfrente of omgezet in jaarlijkse lijfrente, verhoogd met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 % van de normale jaarlijkse brutobezoldiging van de werknemer tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid.

§ 3. Voor werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, mag in de teller van de in § 2, 2°, bedoelde breuk rekening gehouden worden met een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat de in § 2, 2°, bedoelde toekenningen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen totaal aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft. In een dergelijk geval moeten de in § 1, 2°, bedoelde reglementen, contracten, aanvullende pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen bovendien uitdrukkelijk vermelden onder welke voorwaarden dergelijke bijdragen en premies worden toegekend.

Om na te gaan of de in § 2, 2°, bepaalde begrenzing in acht genomen is, moeten toekenningen in kapitaal in rente worden omgezet met de gegevens van de volgende tabel, zo nodig aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang.

Tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of indexering van de rente, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro.
Leeftijd bij de aanvang van de renteKapitaal in frank nodig voor een jaarrente van 1 euro
40 jaar en minder17,7063
41 jaar17,5247
42 jaar17,3371
43 jaar17,1434
44 jaar16,9436
45 jaar16,7376
46 jaar16,5254
47 jaar16,3069
48 jaar16,0821
49 jaar15,8510
50 jaar15,6137
51 jaar15,3701
52 jaar15,1203
53 jaar14,8644
54 jaar14,6025
55 jaar14,3347
56 jaar14,0612
57 jaar13,7820
58 jaar13,4974
59 jaar13,2077
60 jaar12,9130
61 jaar12,6137
62 jaar12,3100
63 jaar12,0023
64 jaar11,6908
65 jaar en meer11,3761

​§ 4. De in § 2, 2°, bepaalde grens geldt niet voor bijdragen of premies die gestort zijn om een verhoging toe te staan van de lopende renten, zonder dat die verhoging meer bedraagt dan die welke wordt verkregen door de renten te indexeren overeenkomstig de regeling die geldt voor de indexering van de pensioenen van de overheidssector.

§ 5. De verzekeringsondernemingen, de voorzorgsinstellingen of de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen leveren op basis van de door de belastingplichtige meegedeelde gegevens een attest af bij de onderschrijving en bij elke wijziging van de in § 1, 2° vermelde contracten waaruit blijkt dat de wettelijke en extrawettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten en berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid, overeenkomstig artikel 59 van hetzelfde Wetboek, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale bruto jaarbezoldiging.

Verder leveren de in het eerste lid bedoelde ondernemingen en instellingen tevens een attest af telkens wanneer de hiervoor bedoelde begrenzing tot 80 % wordt overschreden.

Het model van het in het eerste en tweede lid bedoelde attest wordt door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgesteld.

§ 6. De werkgever levert uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de in § 2, 1°, vermelde contracten, reglementen of toezeggingen in werking treden, een informatiefiche af waarvan het model is vastgelegd door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde. Die informatiefiche bevat alle gegevens met betrekking tot de in § 1, 2°, vermelde aanvullende pensioenstelsels die aanleiding geven tot een fiscale aftrek of belastingvermindering in de zin van de artikelen 52, 3°, b, 59, 60, 1451, 1° en 1453 van hetzelfde Wetboek.​

Art. 36. Wanneer een belastingplichtige die onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet- inwoners, gekozen heeft voor het stelsel van degressieve afschrijving vermeld in artikel 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuïteit met betrekking tot elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die als beroepskost aanneembaar is, bepaald :

1° voor het belastbare tijdperk dat loopt op de datum van het verkrijgen of tot stand brengen van die vaste activa, door, ongeacht die datum, op de aanschaffings- of beleggingswaarde een percent toe te passen dat niet meer bedraagt dan tweemaal het met de normale gebruiksduur van dezelfde vaste activa overeenstemmende lineaire afschrijvingspercent ;

2° voor ieder volgend belastbaar tijdperk, door het overeenkomstig 1° vastgestelde percent toe te passen op de residuwaarde van de voormelde vaste activa, met andere woorden op de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de tot op het einde van het vorige belastbare tijdperk gedane en aangenomen afschrijvingen.

Art. 37. Voor de toepassing van artikel 36 wordt het lineaire afschrijvingspercent verkregen door het cijfer 100 te delen door het aantal jaren normale gebruiksduur van de afschrijfbare vaste activa. De lineaire afschrijvingsannuïteit is die welke tegen dat percent op de aanschaffings- of beleggingswaarde berekend is.

Art. 38. Met ingang van het belastbare tijdperk waarin de op een groep vaste activa toepasselijke degressieve afschrijvingsannuïteit de lineaire afschrijvingsannuïteit niet meer overtreft, heeft de belastingplichtige de mogelijkheid, tot wanneer de aanschaffings- of beleggingswaarde is bereikt, jaarlijks een lineaire toe te passen berekend overeenkomstig artikel 37.

Art. 39. Afschrijvingstekorten die voor enig belastbaar tijdperk betrekking hebben op een aan degressieve afschrijving onderworpen groep vaste activa, kunnen worden gecompenseerd door aanwending van voorheen belaste afschrijvingsexcedenten die op dezelfde groep vaste activa betrekking hebben.

Art. 40. Afschrijvingstekorten die tijdens de normale gebruiksduur niet zijn gecompenseerd op de in artikel 39 bepaalde wijze, kunnen na het verstrijken van die duur worden gecompenseerd door een of meer jaarlijkse afschrijvingen te doen die niet meer mogen bedragen dan de overeenkomstig artikel 37 berekende lineaire afschrijving.

Art. 41. Belastingplichtigen die het stelsel van degressieve afschrijving kiezen voor tijdens enig belastbaar tijdperk verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, moeten die keuze aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied betekenen binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de personenbelasting, de vennootschaps- belasting of de belasting van niet-inwoners over dat tijdperk ; de betekening moet bij de aangifte worden gevoegd en vergezeld gaan van een opgave waarin voor elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard die tijdens gezegd tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht, de volgende vermeldingen moeten voorkomen :

1° de aard van de verschillende aldus gegroepeerde vaste activa ; 2° hun aanschaffings- of beleggingswaarde ;

3° hun normale vermoedelijke gebruiksduur ;

4° het degressieve afschrijvingspercent.

Art. 42. De uitgedrukte keuze is onherroepelijk ten aanzien van elke groep vaste activa die tijdens het in artikel 41 vermelde belastbare tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht ; hetzelfde geldt met betrekking tot de groepen naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die tijdens de daaropvolgende belastbare tijdperken zijn verkregen of tot stand gebracht, behalve wanneer de belastingplichtige vóór het verstrijken van een van die tijdperken aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied zijn beslissing betekent dat hij van degressieve afschrijving afziet met betrekking tot alle groepen of tot een wel bepaald gedeelte van de bedoelde groepen vaste activa die met ingang van hetzelfde tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht.
Deze verzaking blijft geldig zolang de belastingplichtige geen nieuwe keuze betekent in de vorm en binnen de termijnen bepaald in artikel 41.

Art. 43. Het keuzestelsel van degressieve afschrijving is niet van toepassing op de volgende vaste activa :

1° personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen, behoudens wanneer het voertuigen betreft die uitsluitend worden gebruikt voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen zijn vrijgesteld ;

2° vaste activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan door de belastingplichtige die de vaste activa afschrijft.
tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling
artikel 66bis, tweede en vierde lid)

Art. 45.

§ 1. …

§ 2. Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1 en 2, 211, § 1 en 214, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, zijn de bepalingen van artikel 67 van voormeld Wetboek, van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.

§ 3. Er wordt voor de toepassing van artikel 67, § 1 van hetzelfde Wetboek, geen rekening gehouden met de tewerkstelling die het gevolg is van een overname van personeelsleden die voorheen waren tewerkgesteld door een belastingplichtige hetzij waarmee de onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, hetzij waarvan zij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 2.

Art. 46.

§ 1. Voor elk van de belastbare tijdperken waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, moeten de belastingplichtigen aan hun aangifte in de inkomstenbelastingen, per soort van vrijstelling, een nominatieve opgave toevoegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd.

§ 2. …

§ 3. Betreffende de betrekking van diensthoofd voor de uitvoer, moeten de belastingplichtigen voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken van het Agentschap voor Buitenlandse Handel, waarvan het model en de toeken- ningsvoorwaarden worden vastgelegd door de Minister die de Buitenlandse Handel onder zijn bevoegdheid heeft.

§ 4. Betreffende de betrekking van diensthoofd van de dienst Integrale kwaliteitszorg, moeten de belastingplichtigen, voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken, hetzij van de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft of van zijn gedelegeerde, hetzij van de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft of van zijn gedelegeerde voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers. Het model en de toekenningsvoorwaarden van het attest worden door de voormelde ministers vastgelegd.

§ 5. De in §§ 3 en 4 bedoelde attesten, moeten bij de bevoegde Minister of dienst op straffe van verval worden aangevraagd binnen de drie maanden te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbare tijdperk. De belastingplichtigen moeten deze attesten voorleggen, hetzij tot staving van hun aangifte in de inkomstenbelastingen, hetzij, zo dit niet mogelijk is, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van verzending van deze attesten.
artikel 67bis, tweede lid)

Art. 46bis. Om de in artikel 67bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling te kunnen verkrijgen, moeten de belastingplichtigen de volgende documenten ter beschikking van de administratie houden :

1° het bewijs dat zij gedurende het belastbare tijdperk voor elke tewerkgestelde stagiair een stagebonus hebben verkregen ;

2° een nominatieve lijst van de tewerkgestelde stagiaires met, voor elke stagiair, vermelding van :
- de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer ;
- de bruto belastbare bezoldigingen die aan de stagiairs zijn betaald of toegekend, met inbegrip van de wettelijke sociale lasten, de werkgeversbijdragen en premies alsmede de andere sociale bijdragen verschuldigd krachtens contractuele verplichtingen.
eenheidsstatuut
artikel 67quater)

Art. 46quater. Om de in artikel 67quater, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde vrijstelling te kunnen verkrijgen, moet de belastingplichtige jaarlijks langs elektronische weg volgens de door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde vastgestelde modaliteiten (1), de nominatieve lijst van de tewerkgestelde werknemers voorleggen, alsook voor elke werknemer:
- de volledige identiteit alsmede het nationaal nummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
- de datum van indiensttreding;
- de anciënniteit verworven binnen het eenheidsstatuut;
- het bedrag van de vrijstelling;
- in voorkomend geval, de datum van de einddatum van de arbeidsovereenkomst;
- in voorkomend geval, het bedrag dat, overeenkomstig artikel 67quater, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, is opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk;
- de bruto belastbare bezoldigingen die aan de werknemer zijn betaald of toegekend met inbegrip van de sociale werknemers- bijdragen, in voorkomend geval te beperken tot het bedrag vastgelegd in artikel 46ter.


(1) MB 24.06.2019 - BS 04.07.2019
artikelen 69, § 2, derde lid en 77)

Art. 46ter.

​Art. 46ter, tweede lid, treedt in werking op 01.01.2019 (art. 1 en 2, KB 04.04.2019 - B.S. 18.04.2019; Numac: 2019011851​)


Het maximumbedrag van de in artikel 67quater, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bezoldiging wordt bepaald op:

- 100 % van de schijf van 0,01 euro tot 1.500,00 euro;

- 30 % van de schijf van 1.500,01 euro tot 2.600,00 euro.

Het aldus vastgestelde maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer kan, in overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, vanaf 2018 worden aangepast, rekening houdend met de gezondheidsindex, de evolutie van de lonen en de eventuele wijzigingen van de fiscale wetgeving, en met dien verstande dat de jaarlijkse maximum kost 50 miljoen euro in 2019, 100 miljoen euro in 2020, 150 miljoen euro in 2021, 200 miljoen euro in 2022 en 250 miljoen euro vanaf 2023 zal zijn.

Om binnen de in het tweede lid genoemde enveloppe te blijven, die vanaf 2020 wordt geïndexeerd, wordt zo nodig de coëfficiënt van 30 % aangepast. Met het oog op die indexatie wordt de genoemde enveloppe gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van januari 2019. Het geïndexeerde bedrag van de enveloppe wordt afgerond op het hoger of lager veelvoud van een miljoen euro naargelang het cijfer van de honderdduizendtallen al dan niet 5 bereikt.

Deze coëfficiënt zal jaarlijks na overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties door Ons worden bepaald.​

Art. 47. Om de in de artikelen 68 tot 77 en 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde investeringsaftrek te kunnen verkrijgen moeten de belastingplichtigen :

1° bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht, de volgende documenten voegen:
a) een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd;
b) in het geval van toepassing van de investeringsaftrek bedoeld in artikel 69/1 van hetzelfde Wetboek, het attest waarvan sprake in artikel 69/3 van hetzelfde Wetboek;
c) in het geval van toepassing van de investeringsaftrek bedoeld in artikel 69/2, 2°, van hetzelfde Wetboek, het attest waarvan sprake in artikel 48, § 4, 5°, van dit besluit;

2° per categorie van de in de artikelen 69 tot 77 en 201 van hetzelfde Wetboek vermelde vaste activa, een opgave ter beschikking van de Administratie houden die voor elk activum vermeldt :
a) de datum van aanschaffing of totstandkoming ;
b) de juiste benaming ;
c) de aanschaffings- of beleggings- waarde ;
d) de normale gebruiksduur en de afschrijvingsduur.

Art. 47bis. Wat de in artikel 69/2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde octrooien betreft, dienen de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 47, 2°, vermelde opgave te staven door :

1° een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het octrooi of het recht tot exploitatie ervan heeft aangeschaft ;

2° het bewijs dat het octrooi of het recht tot exploitatie ervan nooit door een onderneming voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.

Art. 48.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 69/2, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden beschouwd als gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën :
A. Met betrekking tot materiële vaste activa : 1° die welke worden gebruikt bij de exploitatie van onderzoekscentra die een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vormen in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek en waarvoor een afzonderlijk stel rekeningen wordt gehouden, in zover ze niet dat overtreffen wat noodzakelijk is voor de goede werking van die centra ;

2° die welke niet voor de exploitatie van de sub 1° vermelde onderzoekscentra worden gebruikt maar die voldoen aan een van de navolgende voorwaarden :
a) het voorwerp zijn of geweest zijn van een tegemoetkoming verleend :
- door de Staat krachtens hetzij de artikelen 3, a, vierde lid, of 7, van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, hetzij de artikelen 7, eerste lid, derde streepje, of 25 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, hetzij artikel 4, b, van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering met het oog op de financiering van andere investeringen dan markt- en organisatiestudies en commercialisatiemethodes, hetzij een contract voor opzoeking gesloten door de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid ;
- door het Agentschap Innoveren en Ondernemen of de Direction générale opérationnelle de l'Economie, de l'Emploi et de la Recherche (DGO6) ;
b) worden gebruikt voor :
- het tot stand brengen of het ontwikkelen van nieuwe produktietechnieken, nieuwe apparatuur, nieuwe fabricatie- procédés, nieuwe produkten of grondstoffen ;
- het verbeteren van bestaande technieken, apparatuur en fabricatieprocédés ;
- uitbreiding van ontdekkingen die voortvloeien uit onder- zoekingen en theorieën van wetenschappelijke of tech- nische aard, tot praktische toepassingen met experimentele en bewijsvoerende doeleinden, met inbegrip van de experimentele produktie en het nemen van proeven met nieuwe toestellen, apparatuur, mate- rialen en procédés.
Worden hier in het bijzonder bedoeld :
- de apparaten of uitrustingen die aangewend worden voor het meten van fysische grootten ;
- de proeftoestellen waarvan het produktievermogen a priori niet kan volstaan om een normaal rendement te geven ;
- de prototypes ;
- proefserie-bestanddelen die bestemd zijn om het onderzoeksprodukt te testen en definitief af te werken vóór zijn commercialisatie.
Daarentegen zijn uitgesloten, de apparaten of uitrustingen die, in het kader van de normale produktie van de onderneming, voor routinewerkzaamheden of steeds terugkerende werkzaamheden dienen die zich als dusdanig in het produktieproces inschakelen, zoals : proeven, werkzaamheden van studie- en tekenbureaus en kwaliteitscontrole ;
c) wanneer niet aangetoond is dat ze aan de ene of de andere van de hierboven in a of b vermelde voorwaarden voldoen, gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing ;

3° de onroerende goederen die nodig zijn om, eensdeels, de in 2° vermelde vaste activa, en, anderdeels, de vorsers en het rechtstreeks eraan verbonden personeel in onder te brengen.
B. Met betrekking tot immateriële vaste activa : de kosten van onderzoek en ontwikkeling, licenties en know-how, alsmede de vooruitbetalingen op deze vaste activa.
Het bedrag van de afschrijvingen met betrekking tot de in A vermelde materiële vaste activa, dat eventueel als immateriële vaste activa op het actief van de balans voorkomt, komt niet in aanmerking om de investeringsaftrek te berekenen.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling die een onderneming doet buiten een onderzoekscentrum als vermeld in A, 1°, komen slechts in aanmerking in zover zij ofwel in aanmerking zijn gekomen voor de tegemoetkoming die door de Staat of door het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw is verleend, ofwel gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing.

§ 2. Materiële vaste activa en van derden verkregen immateriële vaste activa andere dan octrooien die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen en waarvoor op grond van dat gebruik de investeringsaftrek is verkregen, moeten gedurende de gehele afschrijvingsduur van die activa voor dat gebruik aangewend blijven door de belastingplichtige die de investeringsaftrek heeft verkregen of door de belastingplichtige die de activa heeft verworven ingevolge verrichtingen als vermeld in de artikelen 46 en 211 tot 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Voor activa waarvoor de door de bepalingen van § 2 opgelegde verplichting niet wordt nageleefd, wordt een gedeelte van de verleende investeringsaftrek belast als winst of baat van het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich heeft voorgedaan ; dat gedeelte is gelijk aan 1 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde van het betreffende vaste activum, vermenigvuldigd met het produkt van de volgende 2 factoren vastgesteld volgens de regels vermeld in a en b :
a) - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1989 of aan een vorig aanslagjaar : 15 of 7 naargelang het gaat om meubels en kantoormaterieel enerzijds, of andere bestanddelen anderzijds ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1990 of aan een later aanslagjaar : 10 ;
b) een breuk :
- met als noemer het aantal van de belastbare tijdperken waarover de afschrijvingsduur van het betreffende vaste activum zich uitstrekt ;
- met als teller het aantal van die tijdperken die nog niet verstreken zijn op het ogenblik waarop het niet naleven van de verplichting zich voordoet.
Voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1991 waarvoor de investeringsaftrek is verleend met toepassing van artikel 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de factor die vermeld is in het eerste lid, a, tweede streepje, gelijk aan 10,5. § 4. De belanghebbende belastingplichtigen moeten de in artikel 47, 2°, vermelde opgave staven door :

1° indien het materiële vaste activa betreft :
- ofwel een rechtvaardigende nota die, met verwijzing naar § 1, A, 1°, 2°, a of b, of 3°, aantoont dat de vaste activa voldoen aan de ene of de andere van de gestelde voorwaarden ;
- ofwel een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, A, 2°, c, vermelde erkenning ; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden die nodig zijn om over de gegrondheid ervan te oordelen.
Voor de in § 1, A, 2°, b en c, vermelde vaste activa moeten bovendien de onderzoeksdoeleinden waarvoor die activa noodzakelijk zijn, worden omschreven door het verstrekken van de volgende bijzonderheden :
a) het doel van de werkzaamheden waarvoor het vaste activum wordt gebruikt ;
b) de beginselen of hypothesen die aan de basis liggen van die werkzaamheden ;
c) de technische moeilijkheden die met die werkzaamheden moeten worden overwonnen ;
d) het innoverend karakter van die werkzaamheden voor de onderneming ;
e) de technische en economische voordelen die de onderneming uit die werkzaamheden denkt te kunnen halen ;
f) de kenmerken van het vaste activum.

2° indien het van derden verworven immateriële vaste activa andere dan octrooien betreft :
a) de verantwoording van het potentiële vermogen van die activa om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten of van toekomstgerichte technologieën te bevorderen ; op dat stuk kan de Minister van Financiën een gezamenlijk attest eisen dat uitgaat van de Minister van Economische Zaken of van de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en van de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid ;
b) een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het vaste activum heeft aangeschaft ;
c) het bewijs dat het vaste activum een immaterieel goed is dat nooit door een onderneming voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.

3° indien het immateriële vaste activa betreft die de onderneming in een onderzoekscentrum heeft tot stand gebracht :
a) het in § 1, A, 1°, vermelde afzonderlijk stel rekeningen dat het mogelijk maakt de kosten van dat onderzoekscentrum te bepalen ; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen ;
b) de uiteenzetting van de regelen die de onderneming ertoe gebracht hebben haar kosten voor onderzoek te behandelen als immateriële vaste activa ;
c) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.

4° indien het immateriële vaste activa betreft die door de onderneming buiten een onderzoekscentrum zijn tot stand gebracht :
a) het bewijs dat de kosten voor onderzoek die onder de vaste activa zijn opgenomen, in aanmerking zijn genomen voor een in § 1, A, 2°, a, vermelde tegemoetkoming ;
b) een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, B, laatste lid, vermelde erkenning ; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden om over de gegrondheid ervan te oordelen ;
c) de rekeningen die het mogelijk maken het bedrag van de gedane kosten te bepalen ; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen ;
d) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.

5° een attest van de bevoegde Gewestregering waaruit blijkt dat de nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die resulteren uit het onderzoek en de ontwikkeling waarvoor de desbetreffende vaste activa worden gebruikt, geen effect hebben op het leefmilieu of het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk beogen te beperken.

Art. 49.

§ 1. Voor vaste activa bedoeld in artikel 69/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vraagt de belastingplichtige schriftelijk of elektronisch bij de volgens artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek, bevoegde minister het attest aan:
- op straffe van verval binnen de drie maanden na de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht;
- door middel van het, al dan niet elektronisch, ingevuld, gedagtekend en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. Het gemotiveerde attest of de gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt aan de belastingplichtige overgemaakt binnen de zes maanden na de aanvraag ervan.

§ 3. De aanvraag voor het attest waarvan sprake in § 1 bevat, onverminderd hetgeen bepaald in het samenwerkingsakkoord waarvan sprake in artikel 69/3 van hetzelfde Wetboek, minimaal de volgende gegevens:
- de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de belastingplichtige;
- een gedetailleerde technische beschrijving van de investeringen, met verwijzing naar het vast actief op de investeringslijst;
- de afschriften van de gedetailleerde facturen.

§ 4. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om voor vaste activa waarvan sprake in § 1 die uitmaken van een investeringsproject dat over meer dan één belastbaar tijdperk loopt ook een investeringscertificaat aan te vragen op basis van de in dat belastbaar tijdperk geldende investeringslijsten.
Voor vaste activa die deel uitmaken van een investeringsproject met een goedgekeurd investeringscertificaat wordt voor het verkrijgen van het attest de conformiteit beoordeeld op basis van de lijsten die van kracht zijn op het moment van de aanvraag van het investeringscertificaat.

§ 5. De belastingplichtige vraagt schriftelijk of elektronisch bij de instantie gedelegeerd door de volgens artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek bevoegde minister het investeringscertificaat waarvan sprake in § 4 aan, binnen de drie maanden na de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin het investeringsproject wordt aangevat, op straffe van onontvankelijkheid:
- door middel van het, al dan niet elektronisch, ingevuld, gedagtekend en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld; - een gedetailleerde technische beschrijving van de geplande investeringen, met verwijzing naar het vast actief op de investeringslijst;
- met bijgevoegd een financieringsplan met een gemotiveerde raming van de totale kostprijs van het investeringsproject;
- en de gemotiveerde geschatte duur van het investeringsproject.
De bevoegde instantie levert het gemotiveerde investeringscertificaat of de gemotiveerde weigering voor het verlenen van het investeringscertificaat af binnen de termijn van zes maanden na de aanvraag ervan, met daarin de geldigheidstermijn waarvoor het investeringscertificaat wordt gegeven.

§ 6. Wanneer het investeringsproject vaste activa omvat die onder verschillende investeringslijsten vallen, moet per betrokken investeringslijst apart een investeringscertificaat worden aangevraagd voor dat deel van het investeringsproject bij de in artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek aangeduide instanties.

§ 7. Pour les immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025 au 30 juin 2026, par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, premier tiret, le contribuable demande l'attestation sous peine de déchéance endéans les douze mois qui suivent le dernier jour de la période imposable au cours de laquelle les immobilisations sont acquises ou constituées.
Pour les projets d'investissements entamés avant le 1er juillet 2026, par dérogation au § 5, alinéa 1er, le contribuable demande le certificat d'investissement sous peine de déchéance endéans les douze mois qui suivent le dernier jour de la période imposable au cours de laquelle le projet d'investissement est entamé.
Pour les immobilisations visées à ce paragraphe, la dernière échéance possible pour l'introduction d'une demande d'attestation ou un certificat d'investissement est en tout état de cause le 30 juin 2026, sans que le délai puisse être plus court que celui déterminé au paragraphe 1er, alinéa 1er, premier tiret, pour l'attestation, et § 5, alinéa premier, pour le certificat d'investissement.

Art. 49/1.

§ 1. De in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, beoogde vaste activa betreffen de volgende categorieën :
A. Met betrekking tot digitale vaste activa die dienen voor de integratie en exploitatie van digitale betalings- en facturatiesystemen :

1° investeringen in systemen (software of apparatuur) die de elektronische betaling vergemakkelijken;

2° investeringen in systemen (software of apparatuur) voor elektronische facturatie, handtekening of archivering.

3° investeringen in een geregistreerd kassasysteem en meer bepaald de gecertificeerde kassa en de gecertificeerde fiscale datamodule zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 30 juli 2013 met betrekking tot de certificatie van een geregistreerd kassasysteem in de horecasector.
B. Met betrekking tot investeringen in systemen die dienen voor de beveiliging van informatie- en communicatietechnologie (ICT) :

1° investeringen in systemen (software of apparatuur) voor de beveiliging van informatie, netwerken en ICT- installaties;

2° investeringen in monitoring- en auditinstrumenten voor de beveiligingssystemen van ICT;

3° investeringen in systemen (software of apparatuur) die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken.

4° de digitale investeringen noodzakelijk om de onderneming in regel te stellen met de verplichtingen uit de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
C. Investeringen in systemen (software en apparatuur) die het boekhoudkundige en financiële beheer van de onderneming mogelijk maken.
D. Met betrekking tot investeringen in digitale vaste activa die gedaan worden met het oog op klantenwerving en het digitaal beheer van de contractuele en commerciële relaties van de belastingplichtige:

1° investeringen in systemen (software en apparatuur) die de reputatie, de zichtbaarheid en de online aanwezigheid van de belastingplichtige verzekeren, alsook die welke klantenwerving en verkoop mogelijk maken;

2° investeringen in systemen (software en apparatuur) die het beheer van de commerciële, contractuele en administratieve klantenrelaties van de belastingplichtige mogelijk maken.
E. Aanvullende investeringen nuttig bij de uitvoering van de onder punt A tot D bedoelde investeringen :

1° de kosten voor softwareontwikkeling die verband houden met de investeringen onder punt A, 1° tot D, 2°, en die samen met de vaste activa waarop zij betrekking hebben, worden afgeschreven;

2° investeringen in systemen (software of apparatuur) die de interfacing van de in punten A, 1° tot E, 1°, beoogde systemen met systemen van de onderneming of naar systemen buiten de onderneming mogelijk maken, met inbegrip van de investeringen voor interfaces tussen systemen voor facturatie, betaling en boekhoud¬kundige programma's.

§ 2. De dienstverrichtingen betreffende de in § 1 vermelde vaste activa moeten worden verstrekt en gefactureerd aan de belastingplichtige.

§ 3. Wanneer de in § 1 vermelde vaste activa opgenomen zijn in een globale factuur die componenten bevat die niet bedoeld worden in § 1, is de in het kader van deze aftrek in aanmerking te nemen waarde van de investering of de prijs van de vaste activa gelijk aan de reële waarde van deze apart op de factuur vermelde vaste activa.

§ 4. De leverancier van de in §§ 2 en 3 bedoelde dienstverrichtingen garandeert de conformiteit van de goederen of diensten op basis van de technische criteria die voorkomen in bijlage IIter/1.
Tot dat doeleinde moet de door de leverancier van goederen of diensten uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de in § 1 bedoelde categorie van investering vermelden.
b) de volgende formule bevatten :
"Verklaring met toepassing van artikel 49/1 van het KB/WIB 92 betreffende de investeringsaftrek voor digitale investeringen bedoeld in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
Ik, ondergetekende ........., bevestig dat :
- ... (per categorie de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage IIter/1 van het KB/WIB 92)
- ...
... (datum)
... (naam)
... (handtekening).".

§ 5. De belastingplichtige die de investeringsaftrek voor digitale investeringen bedoeld in artikel 69, derde lid, van het voornoemd Wetboek vraagt, moet de facturen over de investeringen in de vaste activa bedoeld in § 1 ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Art. 49quater. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan voor de schade die definitief is vastgesteld aan de hand van een formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld. (1)
Het formulier bevat de onderstaande gegevens:

1° de naam en voornaam van de belastingplichtige indien deze een natuurlijke persoon is of de benaming van de belastingplichtige indien deze een vennootschap is;

2° het fiscaal nummer indien de belastingplichtige een natuurlijke persoon is, het ondernemingsnummer indien de belastingplichtige een vennootschap is;

3° de datum waarop de schade werd geleden;

4° het definitieve en door het gewest vastgestelde bedrag van de geleden schade;

5° de datum waarop het gewest de schade definitief heeft vastgesteld;

6° indien de belastingplichtige een vennootschap is, het bedrag van de landbouwverliezen die voortkomen uit ongunstige weersomstandigheden waarvoor de vennootschap de toepassing vraagt van de achterwaartse verliesaftrek.
Het formulier bevat tevens een verklaring waaruit de keuze voor de achterwaartse verliesaftrek en het definitieve en onherroepelijke karakter ervan blijkt.
Het in dit artikel bedoelde formulier dat werd ingevuld overeenkomstig de voormelde aanduidingen, wordt gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend ingediend bij het centrum waaronder de belastingplichtige ressorteert voor het aanslagjaar verbonden met het belastbaar tijdperk waarin de schade definitief door het gewest is vastgesteld en dit binnen de indieningstermijn van de aangifte in de inkomstenbelasting van dat aanslagjaar.
(1) MB 16.11.2022 – BS 25.11.2022, Ed. 2
Art. 50 tot / à 52 …
en subsidies betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars.
artikel 90, 2°, tweede lid)

Art. 49ter. Voor de toepassing van de artikelen 78, § 2 en 206, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt de datum van ondertekening van het proces-verbaal bedoeld in artikel 4, § 5, van het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2017 tot uitvoering van Titel X/1 betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door landbouwrampen van het Waalse Landbouwwetboek, aangemerkt als het tijdstip waarop de schade van de in het Waalse gewest erkende landbouwrampen definitief is vastgesteld.

Art. 53.

§ 1. Zijn vrijgesteld bij toepassing van artikel 90, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de prijzen en subsidies die aan alle hierna vermelde voorwaarden voldoen :

1° uitzonderlijke verdiensten belonen of uitzonderlijke inspanningen mogelijk maken op het stuk van het wetenschappelijk onderzoek, de kunsten of de letteren ;

2° toegekend zijn in omstandigheden die aan de geleerden, aan de schrijvers en aan de kunstenaars ruime mogelijkheden bieden tot persoonlijk initiatief op het gebied van de voortzetting of de uitvoering van hun studies, opzoekingen, werken of kunstuitingen ;

3° belangeloos worden toegekend, derwijze dat iedere staat van afhankelijkheid van de verkrijger tegenover de schenker en elke compensatie ten voordele van deze laatste uitgesloten is ;

4° noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks gefinancierd worden door Belgische of buitenlandse nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die op één of andere wijze voordeel kunnen halen uit de beloonde of gesubsidieerde werken, opzoekingen, studies of kunstuitingen.

§ 2. Zijn erkend bij toepassing van hetzelfde artikel :
- de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommisie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscom- missie, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten ;
- de koninklijke academiën ;
- de universiteiten ;
- het Nationaal fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ;
- het Instituut voor Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw ;
- de Geneeskundige Stichting Koningin Elisabeth ; - het Francqui-Fonds ;
- de Universitaire Stichting ;
- de Studerende Jeugd ;
- de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth ;
- de Nobelstichting te Stockholm ;
- de Fondation Alexandre et Gaston Tytgat ;
- het Institut européen de Recherches et d'Etudes supérieures en Management ;
- de Fondation rurale de Wallonie ;
- de Stichting Balzan-Prijs te Milaan ;
- het Belgische Werk tegen Kanker ;
- de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie ;
- de Wolf-Stichting te Herzlia (Israël) ;
- de Vereniging voor Economie ;
- de Fondation économique et sociale du Brabant wallon ;
- de Vereniging voor Kankerbestrijding ;
- de Stichting van Gysel ;
- de Stichting Nany Philippart ;
- de Fondation Rik & Nel Wouters Stichting ;
- de Fondation René De Cooman ;
- de European Organisation for Research and Treatment of Cancer Foundation ;
- de Robert Koch Stiftung ;
- de Heineken Stichting ;
- de Stichting Alfred Heineken Fondsen ;
- het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie ;
- Fondation Prix Willy et Marcy De Vooght ; - het Centrum voor Studie en Behandeling van Gezwelziekten te Gent ;
- de Fondation Philippe Wiener – Maurice Anspach ;
- de wetenschappelijke Stichting van het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola ;
- de Belgische Federatie tegen Kanker ;
- de Belgische Stichting Roeping ;
- de V.Z.W. Interbrew - Baillet Latour ;
- Vlaams Fonds voor de Letteren ;
- de Stichting Bernheim, wat de beurzen "Esprit Européen" betreft ;
- het Vlaams Audiovisueel Fonds, wat de subsidies voor scenario-ontwikkeling betreft ;
- het Fonds voor Wetenschappelijk onderzoek - Vlaanderen ;
- het Fonds de la Recherche scientifique ;
- de Stichting tegen Kanker ;
- de Académie Française;
- de Fondation ULB;
- de Stichting voor Toekomstige Generaties, wat de subsidies voor HERA betreft;
- de VZW Les Amis des Instituts Pasteur voor wat de "Prix Jules Bordet" en de onderzoeksbeurzen betreft;
- de IVZW de Duve Institute;
- de Stichting Prins Bernhard Cultuurfonds voor wat de "Martin Nijhoff Vertaalprijs" (voorheen de "Martinus Nijhoff Prijs") betreft;
- Sciences, Art, Culture en Wallonie - Fondation Désiré Jaumain ;
- de VZW Vlaamse Literatuurprijs voor wat zijn jaarlijkse literatuurprijzen betreft - de Einstein Stiftung Berlin voor wat de "Einstein Foundation Award for Promoting Quality in Research" in de categorieën "Individual Award" en "Early Career Award" betreft.
- de Fondation Docteurs Désiré et Maurice Jaumain.
tot toekenning en behoud van de erkenning van elektronische platformen - Jaarlijks door de erkende elektronische platformen op te stellen document
artikel 90, tweede lid)

Art. 53/1.

Art. 53/1 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 7, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Elektronische platformen kunnen worden erkend voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 1°bis, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wanneer ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

1° het platform is ingericht binnen een vennootschap of een VZW die is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of met de wetgeving van een staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen;

2° de voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer van de in 1° bedoelde vennootschap of VZW is gevestigd in de Europese Economische Ruimte of in een staat waarmee België door een in 1° bedoeld internationaal akkoord verbonden is;

3° de vennootschap of de VZW is voor die werkzaamheid, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van een handels- of ambachtonderneming, of ingeschreven in het handelsregister overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen, waar de vennootschap of de VZW is gevestigd;

4° de vennootschap of de VZW beschikt over een door de Kruispuntbank van Ondernemingen toegekend ondernemingsnummer dat geldt als btw identificatienummer en de letters BE bevat, of beschikt, bij gebrek aan het voormelde ondernemingsnummer, voor zover het bestaat, over een identificatienummer btw-doeleinden in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen, waar ze is gevestigd.

§ 2. De bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de VZW te verbinden moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

1° geen personen zijn aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 of gelijkaardige bepalingen van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

2° niet in staat van faillissement verkeren, tenzij in geval van verschoonbaarheid of rehabilitatie, noch het voorwerp zijn van een procedure tot faillietverklaring of analoge procedures van buitenlands recht.​​​

Art. 53/2.

§ 1. De in artikel 53/1, § 1, 1°, bedoelde vennootschap of VZW waarbinnen het elektronisch platform is ingericht, dient de aanvraag tot erkenning van het elektronisch platform in per brief of per e-mail gericht aan de voorzitter van de Federale Overheidsdienst Financiën, of aan de hand van het elektronische formulier dat op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën beschikbaar is.
Het model van de aanvraag tot erkenning wordt vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen.
De aanvraag is enkel ontvankelijk wanneer :

1° de onderstaande documenten zijn toegevoegd :
a) een afschrift van de oprichtingsakte zoals die tot op de datum van de aanvraag is gewijzigd of een afschrift van de gecoördineerde statuten;
b) een document waaruit blijkt dat voldaan is aan de in artikel 53/1, § 1, 2°, bedoelde voorwaarde;
c) een afschrift van de inschrijving in het handelsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land waar de vennootschap of de VZW gevestigd is;
d) een lijst met de namen van de bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de VZW te verbinden;
e) een verklaring waarbij de vennootschap of de VZW de verbintenis aangaat om bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter het in artikel 53/3 bedoelde document op te stellen en te bezorgen aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie;

2° ze is ondertekend door een wettelijke of statutaire lasthebber van de vennootschap of de VZW.

§ 2. De erkenning wordt ingetrokken wanneer de begunstigde van de erkenning vrijwillig zijn in de artikelen 53/3 en 90, § 1, eerste lid, vermelde verplichtingen tweemaal niet nakomt binnen een periode van drie jaar te rekenen vanaf het jaar waarin de eerste tekortkoming plaats heeft gevonden.
De intrekking wordt bekendgemaakt op de webstek van de FOD Financiën. Ze heeft uitwerking vanaf de dertigste dag na haar bekendmaking.
De erkenning kan eveneens worden ingetrokken op vraag van de begunstigde van de erkenning.

§ 3. Een lijst van de erkende platformen wordt bijgehouden op de webstek van de FOD Financiën.

Art. 53/3.

§ 1. Bij het einde van elk jaar stelt de vennootschap of VZW waarbinnen een overeenkomstig de artikelen 53/1 en 53/2, § 1, erkend platform is ingericht, met inbegrip van de vennootschap of VZW waarbinnen een platform werd ingericht waarvan de erkenning overeen- komstig artikel 53/2, § 2, gedurende dat jaar werd ingetrokken, voor iedere verkrijger van in artikel 90, eerste lid, 1° bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten een fiche op waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en waarin de volgende gegevens worden vermeld:

1° de identiteit van de verkrijger van de inkomsten en zijn fiscaal nummer;

2° de datum van aanvang of van stopzetting van zijn activiteit;

3° de omschrijving van de door de verkrijger geleverde diensten;

4° het bruto bedrag van de vergoedingen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het hiervoor vermelde Wetboek, desgevallend opgesplitst volgens de aard van de verrichte dienst;

4°/1 het bedrag van de op de onder 4° vermelde vergoedingen ingehouden bedrijfsvoorhef- fing;

5° desgevallend, het bedrag en de aard van eventuele andere dan in 4°/1 bedoelde ingehouden sommen, desgevallend opgesplitst volgens de aard van de verrichte dienst.
De verkrijger van de inkomsten wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a) zijn fiscaal nummer, zijnde het rijksregisternummer van de verkrijger of, voor niet-inwoners die geen rijksregisternummer hebben, het bis- identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
b) wanneer de verkrijger niet over een fiscaal nummer beschikt, zijn geboortedatum, voornaam en naam en volledige adres.
Voor de in het eerste lid, 3°, bedoelde omschrijving van de geleverde diensten, worden één of meer omschrijvingen gebruikt die in een lijst zijn vermeld die door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. De in paragraaf 1 vermelde fiches worden vóór 1 maart van het jaar na het inkomstenjaar langs elektronische weg ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.

§ 3. De in paragraaf 1 vermelde fiches voor het inkomstenjaar 2018 vermelden tevens het bedrag van de bedrijfsvoorheffing die overeenkomstig de artikelen 86, tweede lid en 87, 2° bis zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij het koninklijk besluit van [datum van dit besluit] en hoofstuk VII, afdeling 1/1 van de bijlage III bij dit besluit, zoals dat bestond vooraleer het werd vervangen bij het koninklijk besluit van 7 december 2018 werd ingehouden op de in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bedoelde vergoedingen die voor dat inkomstenjaar werden betaald of toegekend.
In afwijking van paragraaf 2, kunnen de in het eerste lid vermelde fiches met betrekking tot de in artikel 90, eerste lid, 1° bis van het voormelde Wetboek vermelde inkomsten tot 14 augustus 2019 langs elektronische weg worden ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier worden bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.

Art. 53/5. (…)
van de beloningen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op te maken document
artikel 90, vierde lid)

Art. 53/6.

§ 1. Bij het einde van elk jaar stelt de schuldenaar van de in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beloningen voor iedere verkrijger een fiche op waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en waarin de volgende gegevens worden vermeld:

1° de identiteit van de verkrijger van de beloningen en zijn fiscaal nummer;

2° de sector waarin de verkrijger van de beloningen prestaties heeft geleverd;

3° het aantal door de verkrijger van de beloningen gepresteerde uren, per kwartaal;

4° het bruto bedrag van de beloningen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het hiervoor vermelde Wetboek die in het betrokken jaar zijn betaald of toegekend, desgevallend opgesplitst in het bruto bedrag van de beloningen voor prestaties geleverd in het jaar zelf en het bruto bedrag van de beloningen voor prestaties geleverd in vorige jaren;

5° desgevallend, het bedrag van de terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever.
De verkrijger van de inkomsten wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a) zijn fiscaal nummer, zijnde het rijksregisternummer van de verkrijger of, voor niet-inwoners die geen rijksregisternummer hebben, het bis- identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
b) wanneer de verkrijger niet over een fiscaal nummer beschikt, zijn geboortedatum, voornaam en naam en volledige adres.
Voor de in het eerste lid, 2°, bedoelde vermelding van de sector, wordt een omschrijving gebruikt die is opgenomen in een lijst die door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. De in paragraaf 1 vermelde fiches worden vóór 1 maart van het jaar na het inkomstenjaar langs elektronische weg ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.
rapporterende platformexploitanten zoals omschreven in artikel 321quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 53/7. De rapportages bedoeld in artikel 321sexies, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden elektronisch ingediend, door middel van een XML-bestand, via een door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.
Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de rapporterende platformexploitant vrijgesteld is om de inlichtingen bedoeld in § 5 mee te delen, deelt deze laatste aan de bevoegde Belgische overheid, door middel van een XML- bestand voorzien voor de aangifte, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform, de identiteit van de platformexploitant die reeds overgegaan is tot de aangifte alsook de staat in dewelke de aangifte is gebeurd, mee. Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de rapporterende platformexploitant geen enkele inlichting mee te delen heeft, brengt deze laatste de bevoegde Belgische overheid, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform, op de hoogte dat hij hen geen enkele inlichting mee te delen heeft, door het voorziene vakje aan te vinken op het elektronisch platform ter beschikking gesteld door de FOD Financiën.
Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de platformexploitant beslist zijn rapportageverplichtingen te vervullen in een andere lidstaat dan België, brengt deze laatste de bevoegde Belgische overheid op de hoogte van zijn keuze en van de Lidstaat in dewelke hij gekozen heeft zijn verplichtingen te vervullen, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.

Art. 53/8. De platformexploitant die meent gekwalificeerd te moeten worden als uitgesloten platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, stuurt zijn aanvraag via het elektronische platform ter beschikking gesteld door de FOD Financiën naar de bevoegde dienst van de FOD Financiën ten laatste op 15 januari van het kalenderjaar dat volgt op dat waarop de rapportage die hij diende in te dienen betrekking heeft en verstrekt alle noodzakelijke inlichtingen om te bepalen dat, met betrekking tot zijn bedrijfsmodel, hij moet worden uitgesloten en dat hij niet over te rapporteren verkopers beschikt.
De platformexploitant die meent gekwalificeerd te moeten worden als uitgesloten, moet met name vermelden:
- het jaar waarvoor hij vraagt te worden uitgesloten;
- zijn juridische benaming;
- zijn btw-nummer of het kbo-nummer;
- het volledige adres van de maatschappelijke zetel;
- de naam van de contactpersoon alsook zijn gegevens, volledig adres daarin begrepen het land, telefoonnummer en e-mailadres;
- de commerciële naam van het platform;
- de internetsite van het platform;
- een gedetailleerde beschrijving van het bedrijfsmodel zodat kan aangetoond worden dat de voorwaarden van uitsluiting zijn vervuld of de bevestiging dat het bedrijfsmodel niet gewijzigd werd en dat hij nog steeds de voorwaarden van uitsluiting vervult in het geval waarin de platformexploitant reeds als uitgesloten platformexploitant gekwalificeerd werd in het voorgaande jaar.

Art. 53/9. De rapporterende platformexploitant die één van de in artikel 321quater, 4°, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genoemde voorwaarden vervult en die beslist de verplichtingen bedoeld in artikel 321sexies, § 1, van hetzelfde wetboek te voldoen in België, brengt de FOD Financiën hiervan op de hoogte door de aangifte bedoeld in artikel 321sexies, § 5, in te dienen door middel van een XML-bestand, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.
goederen.
artikel 101, § 3)

Art. 54.

§ 1. In gevallen als vermeld in artikel 101, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en onverminderd §§ 1 en 2 van dat artikel, wordt de meerwaarde die ter gelegenheid van een overdracht onder bezwarende titel is verwezenlijkt op in België gelegen onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die onroerende goederen, vastgesteld met inachtneming van volgende bepalingen.

§ 2. Bij overdracht van de blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik, van het vruchtgebruik of van het recht van gebruik van een goed, is de eerste grootheid van het verschil, dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen, de prijs waartegen het recht is overgedragen, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend. Bij overdracht van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik door de overdrager, is de eerste grootheid van het verschil de prijs van overdracht of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de volle eigendom die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.
Wanneer een zakelijk recht vermeld in het vorige lid als zodanig door de vervreemder is verkregen, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed op de datum van verkrijging vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller de verkoopwaarde is van het zakelijk recht op de datum van de vervreemding en de noemer de verkoopwaarde van de volle eigendom op dezelfde datum.
Is alleen de blote eigendom van een goed verkregen en is, nadat het vruchtgebruik is geëindigd, de volle eigendom van dat goed overgedragen, dan wordt als tweede grootheid van het verschil voor dat goed de verkoopwaarde in aanmerking genomen van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom is verkregen.
Slaat de overdracht op de blote eigendom of op het vruchtgebruik van een goed of wordt op een goed een ander zakelijk recht gevestigd, dan wanneer de vervreemder het onroerend goed in volle eigendom verkreeg, dan is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de prijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van dat goed bij de verkrijging, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de eerste grootheid van het verschil vastgesteld op de wijze bepaald in onderhavige paragraaf, en de noemer aan de verkoopwaarde van de volledige eigendom van het goed op de dag van de overdracht of vestiging van gezegd recht. Als waarde van die tweede grootheid mag evenwel nooit een bedrag in aanmerking worden genomen dat de kostprijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed bij de verkrijging overtreft.

§ 3. Voor goederen overgedragen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen.
Wanneer de goederen zijn verkregen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die bij de verkrijging tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal was bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel, indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen op het tijdstip van de verkrijging.
Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in deze paragraaf op de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik, dan gelden dezelfde regels, mits de verkoopwaarde van het goed te verminderen met die van het vruchtgebruik op de datum van de verkrijging berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.

§ 4. Bij ruiling van goederen, wanneer de ruilverrichting niet is vermeld in artikel 93, 1°en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :

1° is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de overgedragen goederen, of bij gebreke daarvan aan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen verhoogd met de ontvangen of verminderd met de betaalde opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen goederen ;

2° is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de in ruil verkregen goederen, of, bij gebreke daarvan, aan de verkoopwaarde van de bij ruiling overgedragen goederen, verhoogd met de alsdan betaalde of verminderd met de alsdan ontvangen opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen op het tijdstip van de verkrijging.
Wanneer bij een ruilverrichting als vermeld in artikel 93, 2°, van hetzelfde Wetboek, de geruilde loten niet gelijk zijn, is in principe alleen de meerwaarde met betrekking tot het verschil tussen de loten belastbaar en is zij gelijk aan het verschil tussen :
- eensdeels, de opleg of, indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en
- anderdeels, de verkrijgingsprijs van het overgedragen goed, of de verkoopwaarde ervan op dat tijdstip, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de opleg, of indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en de noemer aan de overeengekomen waarde, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van het overgedragen goed op de dag van de overdracht.

§ 5. Bij verdeling van goederen is de eerste grootheid van het verschil voor elk van de eigenaars in onverdeeldheid gelijk aan de overeengekomen waarde van zijn deel in de goederen die aan een of meerdere van zijn medeeigenaars zijn toegekend of aan de verkoopwaarde die voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW aan dat deel is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen of indien die waarde lager was dan de verkoopwaarde.
Bij overdracht van goederen waarvan de overdrager gedeeltelijk eigenaar is geworden ingevolge verkrijging van onverdeelde delen en gedeeltelijk ingevolge een latere verdeling van de onverdeeldheid, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de som van de volgende twee bestanddelen :
- ten eerste, ofwel de prijs die voor de verkrijging van de onverdeelde delen is betaald, ofwel de verkoopwaarde ervan bij de verkrijging - bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval - in zover die prijs of waarde op de overgedragen goederen betrekking heeft ;
- ten tweede, de overeengekomen waarde die aan het overblijvende deel van deze goederen bij die latere verdeling is gegeven of aan de verkoopwaarde die aan dat deel voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen bij de verdeling of indien die waarde lager was dan de toenmalige verkoopwaarde.

§ 6. Bij inbreng van goederen in vennootschap is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die de vennootschap ten gunste van de inbrenger op zich neemt, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de ingebrachte goederen.
Wanneer het gaat om een overdracht door een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en die het goed voorheen heeft verkregen door inbreng in vennootschap, wordt de tweede grootheid van het verschil gevormd door de waarde die bij die inbreng tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die voormelde belastingplichtige ten gunste van de inbrenger op zich nam, of, indien die hoger was, de verkoopwaarde van de destijds ingebrachte goederen.

§ 7. Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in de §§ 4 tot 6 op de blote eigendom van een goed met voorbehoud van vruchtgebruik door de overlater, dan blijven de in die paragrafen vermelde regels van kracht, met dien verstande dat als verkoopwaarde van die blote eigendom, de verkoopwaarde van de volle eigendom op de datum van de overdracht in aanmerking wordt genomen verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.

§ 8. Bij overdracht van goederen die voorheen zijn verkregen ter gelegenheid van de ontbinding of de verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde waarvoor die goederen hebben bijgedragen tot de vaststelling van de bedragen die bij de ontbinding of bij de verdeling van het maatschappelijk vermogen van voormelde vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten werden uitgekeerd, of indien die hoger was, de verkoopwaarde van die goederen die naar aanleiding van die gebeurtenis gediend heeft tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW.

§ 9. In gevallen als vermeld in dit artikel wordt de meerwaarde bepaald met inachtneming van de kosten en uitgaven, van de verhoging met 5 % per jaar en van de vergoedingen die vermeld zijn in artikel 101, §§ 1 en 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
In gevallen als vermeld in § 5, tweede lid, wordt die verhoging met 5 % per jaar toegepast door, enerzijds, de verkrijging van de onverdeelde delen, en, anderzijds, de verdeling, afzonderlijk in beschouwing te nemen.
Art. 55 ... netto-inkomen aftrekbare bestedingen.
artikel 106)

Art. 55.

Afdeling XX en art. 55 zijn opgeheven vanaf aanslagjaar 2013

Art. 55 is van toepassing vanaf 01.01.2011

Art. 55 is van toepassing vanaf 23.04.2010

Art. 55 is van toepassing vanaf 09.11.2000

Art. 55, § 3, is opgeheven vanaf 01.01.1992

Art. 55 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992

 

 

Afdeling XX en art. 55 zijn opgeheven vanaf aanslagjaar 2013 (art. 1 en 8, KB 30.06.2014 - B.S. 10.07.2014; Numac: 2014003284)

 

(...)

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 01.01.2011 (art. 1 en 10, KB 21.02.2011 - B.S. 25.02.2011; Numac: 2011003063)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van voor het publiek toegankelijke gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen en die beschermd zijn overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen of een gelijkaardige wetgeving in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de uitgaven die met een voorafgaande toelating van de bevoegde overheid zijn gedaan om die goederen of delen ervan in stand te houden, in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij als zodanig erkend zijn door de bevoegde overheid.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van het voormeld artikel 104, 8°, verzoeken, moeten de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën houden:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2°, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de bevoegde overheid blijkens hetwelk die werken stroken met haar toelating vermeld in § 1, 1°;

c) een verklaring op eer die vermeldt of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 23.04.2010 (art. 4, KB 06.04.2010 - B.S. 13.04.2010; Numac: 2010003220)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, 8, verzoeken, houden de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 09.11.2000 (art. 2 en 9, KB 16.10.2000 - B.S. 09.11.2000; Numac: 2000003682)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55, § 3, is opgeheven vanaf 01.01.1992 (art. 3 en 14, KB 12.08.1994 - B.S. 10.09.1994; Numac: 1994003527)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, eerste lid, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, eerste lid, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

§ 3. (...)

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 47sexies, KB/WIB; KB 27.08.1993 – B.S. 13.09.1993; Numac: 1993082751; art. 3, KB 12.08.1994 - B.S. 10.09.1994; Numac: 1994003527)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, eerste lid, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, eerste lid, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

§ 3. (...)

Art. 56. De krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het totale netto- inkomen aftrekbare bestedingen worden evenredig aangerekend op de verschillende inkomstencategorieën.
Art. 56/1 tot/à 60/3 …
Art. 61 …
Art. 62 …
van één van de echtgenoten op de inkomsten van de andere echtgenoot.
artikel 129)

Art. 63.

Art. 636 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 8 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Tot staving van de aanvraag die de beheersvennootschap indient om voor de toepassing van artikel 14516, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een Belgisch beleggingsfonds als pensioenspaarfonds te erkennen, moet die vennootschap verstrekken:

1° een attest uitgereikt door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen volgens hetwelk dit fonds is ingeschreven op de lijst van de Belgische instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend, overeenkomstig de artikelen 30 tot 33 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen dan wel de artikelen 197 tot 200 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

2° de, eventueel gecoördineerde, tekst van de statuten van de beheersvennootschap;

3° de lijst van de aandeelhouders van de beheersvennootschap en van ieders deelneming in het kapitaal;

4° indien zij bestaan, de drie laatste jaarrekeningen van de beheersvennootschap;

5° de naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de bestuurders, directeurs of andere personen die met het dagelijks bestuur van de beheersvennootschap zijn belast;

6° de verbintenis van de beheersvennootschap de activa van het fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de lasten, te beleggen, wanneer het fonds is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 33 van de voormelde wet van 3 augustus 2012, overeenkomstig deel 2 van diezelfde wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, dan wel, wanneer het fonds is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 200 van de voormelde wet van 19 april 2014, overeenkomstig deel II en deel III van diezelfde wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en met inachtneming van de verplichtingen van artikel 14511 van hetzelfde Wetboek;

7° de naam, voornamen en woonplaats van een commissaris-revisor die volledige toegang heeft tot om het even welke bescheiden en geschriften van de beheersvennootschap zomede tot die van de bewaarder die betrekking hebben op de bewaargevingen van effecten en waarden van het fonds, waarbij de bewaarder zich akkoord verklaart met die vrije toegang;

8° een attest van de bewaarder van het fonds waarbij:

- hij zich ertoe verbindt aan alle verplichtingen overeenkomstig onderafdeling 4, van afdeling 2, van hoofdstuk 2, van titel 2, van boek 2, van deel 2 van voormelde wet van 3 augustus 2012 en overeenkomstig C, van Onderafdeling I van Afdeling II, van hoofdstuk 3, van Titel I, van Boek I, van deel II van voormelde wet van 19 april 2014 te voldoen;

- hij de eventuele waarborgen omschrijft die hij aanvaard heeft aan de deelnemers te geven;

- hij de met de beheersvennootschap afgesloten overeenkomsten omschrijft;

- hij de verbintenis aangaat aan de Minister van Financiën alle wijzigingen die ter zake zouden intreden mede te delen.

§ 2. Om het erkenningsdossier doorlopend te kunnen bijwerken, licht de beheersvennootschap de Minister van Financiën onverwijld in over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de tot staving van de aanvraag medegedeelde stukken en zendt hem de jaarrekening zodra die door de algemene vergadering is goedgekeurd.

Art. 64. Overeenkomstig artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het vermeerderingspercentage vastgesteld in verhouding tot de basisrentevoet die in de tabel hierna is aangegeven :
Aanslagjaar Exercice d'imposition
1993
1996
2015
2016 2017

Art. 65. Voor de aan de personenbelasting of de overeenkomstig artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die winst, baten of bezoldigingen van bedrijfsleiders of meewerkende echtgenoot behalen en die voorafbetalingen doen als vermeld in de artikelen 157 tot 166 en 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek, worden die voorafbetalingen ten belope van het bedrag dat nodig is om de in voormeld artikel 157 bepaalde vermeerdering te vermijden, bij voorrang als in voormelde artikelen 157 tot 166 vermelde voorafbetalingen beschouwd.
Voor de berekening van die vermeerdering worden de in het vorige lid vermelde inkomsten geacht betrekking te hebben op een volledig kalenderjaar, zelfs wanneer het tijdperk van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid waaruit de inkomsten voortkomen niet volledig samenvalt met dat kalenderjaar.

Art. 66.

§ 1. Voor de aan de vennootschapsbelasting of de overeenkomstig artikel 246 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen van wie de inkomsten die de grondslag vormen voor de in de artikelen 157 tot 166 van hetzelfde Wetboek bepaalde vermeerdering, betrekking hebben op een tijdperk dat niet volledig samenvalt met het kalenderjaar, gelden de bijzondere regels van de §§ 2 tot 6, met dien verstande dat :
a) indien het boekjaar of de uitoefening van de werkzaamheid :
- niet aanvangt op de eerste dag van een maand, die maand niet wordt meegeteld ;
- niet eindigt op de laatste dag van een maand, die maand voor een volle wordt geteld ;
b) een begonnen kwartaal voor een vol kwartaal wordt geteld.

§ 2. Voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden en van wie het boekjaar 12 maanden telt, wordt het boekjaar gesplitst in delen van 3 maanden en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die om de 3 maanden uiterlijk de tiende dag van de vierde, de zevende en de tiende maand, en de twintigste dag van de laatste maand van het boekjaar bij voorafbetaling van een vierde is voldaan ; voor de toepassing van artikel 159 van hetzelfde Wetboek worden deze data geacht overeen te stemmen met die welke in datzelfde artikel zijn genoemd.

§ 3. Met betrekking tot boekjaren van meer dan 12 maanden worden de in artikel 159 van hetzelfde Wetboek genoemde of de in onderhavig artikel omschreven data van voorafbetaling en vermeerderingen bepaald alsof de winst is behaald tijdens de laatste 12 maanden van het boekjaar en gelden de bepalingen van datzelfde artikel 159 of van § 2 naargelang de boekhouding al dan niet per kalenderjaar wordt gevoerd.

§ 4. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en die de uitoefening van hun werkzaamheid volledig en definitief stopzetten, wordt die werkzaamheid geacht te zijn uitgeoefend gedurende :
a) het vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het eerste kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april van het jaar van de stopzetting bij voorafbetaling is voldaan ;
b) het derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het tweede kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april en 10 juli van het jaar van de stopzetting voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan ;
c) het tweede, derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het derde kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april, 10 juli en 10 oktober van het jaar van de stopzetting voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan ;
d) het volledige kalenderjaar wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het vierde kwartaal en gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek.
Dezelfde regels zijn van toepassing indien, ingevolge een wijziging van de afsluitingsdatum van het boekjaar, het boekjaar minder dan 12 maanden telt.

§ 5. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en de uitoefening van hun werkzaamheid aanvangen in :
a) het eerste kwartaal, gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek ;
b) het tweede kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 juli, 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan ;
c) het derde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan ;
d) het vierde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 20 december van het aanvangsjaar bij voorafbetaling is voldaan.

§ 6. Wanneer de belastingplichtige die zich in een van de in §§ 4 of 5 omschreven gevallen bevindt, anders dan per kalenderjaar boekhoudt, worden de in diezelfde §§ 4 of 5 genoemde data vervangen door de in § 2 omschreven data.

Art. 69.

Van de overeenkomstig de artikelen 65 tot 68 bepaalde winst worden de tijdens de vorige in artikel 114 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde belastbare tijdperken geleden bedrijfsverliezen afgetrokken in de mate dat die verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is voor de betreffende belastbare tijdperken, niet vroeger konden worden afgetrokken of voorheen niet door bij verdrag vrijgestelde winst waren gedekt of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld.

Die aftrek gebeurt volgens de regelen van artikel 66, tweede lid, met dien verstande dat verliezen die geleden zijn in landen waarvoor de winsten bij verdrag zijn vrijgesteld, slechts worden afgetrokken in de mate dat ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.

 

Gewijzigd bij art. 2 K.B. 2 januari 1985 (B.S., 19 april 1985), met ingang van het aanslagjaar 1986 (art. 5) en bij art. 9 K.B. 15 december 1989 (B.S., 22 december 1989), met ingang van het aanslagjaar 1988 (art. 20).       

Art. 70. Voor zover voorafbetalingen nog niet zijn verrekend met de inkomstenbelasting die verschuldigd is door de belastingplichtige op wiens naam zij zijn geboekt, of die niet zijn overgedragen aan de meewerkende echtgenoot bij toepassing van artikel 157, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kan de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen belast met het verzorgen van de inning van de voorafbetalingen uiterlijk op de laatste dag van de derde maand die volgt op het belastbare tijdperk:

1° alle materiële vergissingen gemaakt door derden, in voorkomend geval door terugbetaling, rechtzetten;

2° de door de belastingplichtige of zijn naar behoren gemachtigde gestorte of overgeschreven bedragen, in overeenstemming met de reglementaire bepalingen die zijn genomen in uitvoering van artikel 15/1 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ,terugbetalen, overschrijven naar een van de financiële rekeningen van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, om aan te rekenen op fiscale of niet-fiscale schulden, of overdragen naar het volgende belastbare tijdperk.
De verzoeken tot rechtzetting, terugbetaling, overschrijving of overdracht van voorafbetalingen worden ingediend via het elektronisch platform MyMinfin. De verzoeker die geen toegang heeft tot MyMinfin, waaronder de derde die bewijst een materiële vergissing te hebben begaan, dient zijn verzoek in bij de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen belast met het verzorgen van de inning van de voorafbetalingen.

Art. 71. Voor de toepassing van artikel 169, 3° , van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt het geheel van de gereserveerde winsten bepaald volgens artikel 65 en van de winsten die werden gereserveerd onder het stelsel van de wetgeving voorafgaande aan de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, in de onderstaande categorieën onderverdeeld:

reserves overeenstemmend met winsten die voorheen ten name van de vennoten zijn belast;
reserves overeenstemmend met bedragen die ingevolge artikel 111 van hetzelfde Wetboek of artikel 52, § 1, eerste lid, van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zijn afgetrokken van gereserveerde winsten die voor de aanslagjaren 1973 en vorige belastbaar waren;

reserves overeenstemmend met alle andere maatschappelijke winsten.

 

Enig lid, 1° vervangen bij art. 7 K.B. 5 juli 1988 (B.S., 19 juli 1988), met ingang van het aanslagjaar 1987 (art. 14).
Vervangen bij art. 1 K.B. 23 mei 1966 (B.S., 8 juni 1966, err., 21 juni 1966), met ingang van het aanslagjaar 1967 (art. 5, 1° ).


Art. 73.

Art. 737 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 11 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


De beheerder van het systeem die in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte noch zijn voornaamste inrichting, noch zijn zetel van bestuur of beheer heeft en die geen Belgische inrichting is in de zin van artikel 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 moet, voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, een in België verblijvende aansprakelijke vertegenwoordiger aanduiden die zich er persoonlijk toe verbindt aan alle verplichtingen die hem ten laste worden gelegd in hoofde van deze afdeling te zullen voldoen.​

Art. 74.

Art. 74, tweede lid, 1°, eerste streepje, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (09.11.2019) (art. 10, KB 03.10.2019 - B.S. 30.10.2019; Numac: 2019015101)


Art. 74 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 12 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]


Om het aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen resultaat vast te stellen, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens de artikelen 48, 190, 191 en 194 tot 194quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen of meerwaarden, vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld:

1° reserves;

2° verworpen uitgaven;

3° dividenden.

Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan:

1° onder "reserves", het gereserveerde resultaat, verminderd met:

- de winst die voortvloeit uit de minderwaarden die door de schuldenaar zijn opgetekend op bestanddelen van het passief ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan door de rechtbank of ten gevolge van de vaststelling door de rechtbank van een minnelijk akkoord krachtens Boek XX, titel V van het Wetboek van economisch recht, voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de in artikel 27/1 bedoelde voorwaarden worden nageleefd;

- het gedeelte van de meerwaarde op in artikel 66 van hetzelfde Wetboek vermelde voertuigen dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, derde lid, van hetzelfde Wetboek en artikel 40, § 1, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen;

- de krachtens de artikelen 192 en 521 van hetzelfde Wetboek vrijgestelde meerwaarden op aandelen en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 7°, van hetzelfde Wetboek als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk niet meer verantwoord zijn;

- de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van artikel 184 van hetzelfde Wetboek, met uitsluiting van de terugbetalingen van gestort kapitaal ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, overeenkomstig het recht dat de vennootschap beheerst;

- de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die vroeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de regulariseringen van geraamde belastingschulden die voorheen als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen worden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen die bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk moeten worden gevoegd;

- de sommen die overeenkomstig artikel 194ter, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek, tijdelijk zijn vrijgesteld, voor zover de in §§ 4 en 4bis van hetzelfde artikel bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

- de sommen die overeenkomstig artikel 193bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, zijn vrijgesteld;

2° onder "verworpen uitgaven":

- de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen;

- het bedrag - vóór aftrek van het vrijgestelde gedeelte - van de giften als zijn vermeld in artikel 104, 3° tot 4°bis en 5°, a, van hetzelfde Wetboek;

- de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt in de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze niet in het gereserveerde resultaat is begrepen;

3° onder "dividenden", de dividenden vermeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek.


Art. 78.

Art. 78 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2007 (art. 4, KB 17.09.2005 – B.S. 03.10.2005; Numac: 2005003705)


Van de overeenkomstig de artikelen 74 tot 77bis vastgestelde winst worden de in artikel 206 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vorige beroepsverliezen afgetrokken in zover die verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is voor de betreffende belastbare tijdperken, niet vroeger konden worden afgetrokken of voorheen niet door bij verdrag vrijgestelde winst waren gedekt of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld.

Die aftrek gebeurt volgens de regelen van artikel 75, tweede lid, met dien verstande dat verliezen die geleden zijn in landen waarvoor de winst bij verdrag is vrijgesteld, slechts worden afgetrokken in zover ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.


Art. 79/1. Verenigingen die niet worden bedoeld in artikel 220, 1° tot 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting, die geen winsten of baten verkrijgen en die beschikken over een in de statuten vastgelegde zetel, waarvan het adres zich in België bevindt, kunnen in de loop van het belastbare tijdperk aan de hand van een brief, opteren voor de rechtspersonenbelasting indien samen met deze brief de volgende gegevens worden overgemaakt:
- het adres van de zetel van de vereniging evenals de naam en het adres van het lid of van de leden van de vereniging die door de vereniging worden belast om de aangifte in de rechtspersonenbelasting in te dienen;
- de lijst van de leden van de vereniging, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen: de naam, voornamen en woonplaats van de leden of, ingeval het een rechtspersoon betreft, de naam, de rechtsvorm en het adres van de zetel van deze rechtspersoon;
- een afschrift van de statuten van de vereniging;
- een overzicht van alle onroerende goederen, roerende goederen en kapitalen en rekeningen van de vereniging, waarbij voor wat de onroerende goederen betreft, elk onroerend goed afzonderlijk wordt omschreven en het adres ervan wordt vermeld, waarbij voor wat de roerende goederen en kapitalen betreft, elk element afzonderlijk wordt omschreven en de lokalisering ervan wordt vermeld, en voor wat de rekeningen betreft, het adres van de financiële instelling wordt vermeld waarop de rekening gehouden wordt, evenals de roerende goederen of kapitalen van de vereniging die op deze rekening worden aangehouden.
De in het eerste lid bedoelde brief wordt enkel rechtsgeldig aan de administratie overgelegd indien deze door de gemachtigden van de vereniging is gedagtekend en indien deze brief aangetekend of via email wordt verstuurd aan de bevoegde directeur van de directe belastingen, voor de 60ste dag die de laatste dag van het belastbare tijdperk voorafgaat.
De administratie bevestigt de ontvangst van deze brief door de uitreiking van een ontvangsbevestiging, waarin desgevallend wordt bevestigd dat aan de in dit artikel bepaalde vormvereisten wordt voldaan.
De vereniging brengt haar leden op de hoogte van haar keuze om aan de rechtspersonenbelasting te worden onderworpen.

Art. 79/2. De in artikel 79/1 bedoelde verenigingen die overeenkomstig dat artikel hebben geopteerd voor de rechtspersonenbelasting blijven voor wat de vijf daaropvolgende belastbare tijdperken betreft onderworpen aan de rechtspersonenbelasting.
aftrek van onderhoudsgelden door bepaalde niet- inwoners
artikel 242, § 1/1, derde lid)

Art. 79/3.

§ 1. De in artikel 242, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde inkomensverklaring:

1° vermeldt het inkomstenjaar waarop de verklaring betrekking heeft;

2° vermeldt de volgende identificatiegegevens van de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen:
a) de naam en voornaam of voornamen;
b) de geboortedatum;
c) het volledige adres in de woonstaat;
d) het fiscaal identificatienummer in de woonstaat;

3° vermeldt de naam, de voornaam of voornamen en het volledige adres van de begunstigde van de onderhoudsuitkeringen;

4° vermeldt de gegevens van de dienst van de belastingautoriteit van de woonstaat die de verklaring aflevert, de naam en voornaam van de persoon die de verklaring in naam van die dienst ondertekent en de datum waarop de verklaring door die dienst wordt afgeleverd;

5° bevat de verklaring van de belastingautoriteit van de woonstaat:
a) dat de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen fiscaal inwoner is van de betrokken staat;
b) dat de woonstaat in beginsel een belastingvoordeel verleent voor de onderhoudsuitkeringen;
c) dat de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen en, desgevallend, diens echtgenoot het belastingvoordeel voor de onderhoudsuitkeringen voor het betrokken inkomstenjaar niet effectief kan (kunnen), genieten omwille van de geringe omvang van zijn (hun) in de woonstaat belastbare inkomsten;
d) dat het belastingvoordeel voor de onderhoudsuitkeringen in de woonstaat niet kan worden overgedragen naar een volgend inkomstenjaar;
e) inzake het totale bedrag van de onderhoudsuitkeringen die in het betrokken inkomstenjaar werkelijk werden betaald;
f) inzake het bedrag van de tijdens het inkomstenjaar werkelijk betaalde onderhoudsuitkeringen waarvoor geen fiscaal voordeel kan worden verleend in de woonstaat omwille van de geringe omvang van de inkomsten.
Wanneer de onderhoudsuitkeringen door beide echtgenoten verschuldigd zijn, vermeldt de inkomensverklaring de in het eerste lid, 2°, vermelde gegevens van elke echtgenoot.

§ 2. De minister bevoegd voor Financiën of zijn afgevaardigde legt de vorm van de inkomensverklaring vast.

§ 3. De belastingplichtige die in toepassing van artikel 242, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de aftrek van onderhoudsuitkeringen in zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners aanvraagt, houdt de inkomensverklaring ter beschikking van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.
De belastingplichtige die de voormelde aftrek van onderhoudsuitkeringen bij wege van bezwaar aanvraagt, voegt de inkomensverklaring bij zijn bezwaarschrift.
van niet-inwoners (natuurlijke personen)
artikel 245)

Art. 80. Het bedrag van de opcentiemen bedoeld in artikel 245, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt verhoogd tot 7 opcentiemen.
en ontwikkeling.
artikel 289novies)

Art. 81. Om het in de artikelen 289quater tot 289sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde belasting- krediet voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen verkrijgen moeten de belastingplichtigen :

1° bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht, een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd ;

2° per categorie van de in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a en b, en 70, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde vaste activa, een opgave ter beschikking van de Administratie houden, die dezelfde inlichtingen vermeldt als deze vastgelegd in artikel 47, 2°.

Art. 81bis. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde octrooien betreft, moeten de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 81, 2°, vermelde opgave staven door dezelfde documenten als deze vastgelegd in artikel 47bis.

Art. 82.

§ 1. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde vaste activa betreft, worden deze omgeschreven op dezelfde manier als in artikel 48, § 1.

§ 2. Materiële vaste activa en van derden verkregen immateriële vaste activa andere dan octrooien die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen en waarvoor op grond van dat gebruik het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling is verkregen, moeten gedurende de gehele afschrijvingsduur van die activa voor dat gebruik aangewend blijven door de belastingplichtige die het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling heeft verkregen of door de belastingplichtige die de activa heeft verworven ingevolge verrichtingen als vermeld in de artikelen 46 en 211 tot 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Voor activa waarvoor de door de bepalingen van § 2 opgelegde verplichting niet wordt nageleefd, wordt een gedeelte van het verleende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling terugbetaald onder de vorm van een aanvullende belasting voor het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich heeft voorgedaan ; dat gedeelte is gelijk aan 1 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van het betreffende vaste activum, vermenigvuldigd met het in artikel 289quater, tweede lid, van hetzelfde Wetboek voorziene tarief en met het product van de volgende 2 factoren vastgesteld volgens de regels vermeld in a en b :
a) - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1989 of aan een vorig aanslagjaar : 15 of 7 naargelang het gaat om meubels en kantoormaterieel enerzijds, of andere bestanddelen anderzijds ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1990 of 1991 maar vóór 1 januari 1991 : 10 ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1991 : 10,5 ;
b) een breuk :
- met als noemer het aantal van de belastbare tijdperken waarover de afschrijvingsduur van het betreffende vaste activum zich uitstrekt ;
- met als teller het aantal van die tijdperken die nog niet verstreken zijn op het ogenblik waarop het niet naleven van de verplichting zich voordoet.

§ 4. De belanghebbende belastingplichtigen moeten de in artikel 81, 2°, vermelde opgave staven door dezelfde documenten als deze vastgelegd in artikel 48, § 4. Voorheffingen en verrekening van voorheffingen.
artikelen 250, 300, § 1 en 312)

Art. 83. Voor de berekening van de roerende voorheffing wordt het bedrag van het belastbare inkomen in euro vastgesteld en afgerond op de cent.
De roerende voorheffing wordt in euro gevestigd en afgerond op de cent.

Art. 85. Bij iedere storting van roerende voorheffing of ten laatste binnen 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten, overhandigt de belastingschuldige aan de dienst aangeduid door de Minister of zijn gedelegeerde een aangifte van die inkomsten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
Tot staving van die aangifte kan de administratie der directe belastingen een tot bewijs strekkend uittreksel uit de boeken of rekeningen van de belastingschuldige, door hem of zijn vertegenwoordiger gedateerd, getekend en echt verklaard, doen overleggen.
artikelen 57, 250, 271, 275, §§ 1 en 2, 300 § 1, en 312)

Art. 86. Natuurlijke en rechtspersonen, zomede alle personen die geheel of ten dele, uit welken hoofde ook, de leiding of het beheer van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid waarnemen, moeten de bedrijfsvoorheffing die aan de bron verschuldigd is op de door hen betaalde of toegekende en in artikel 87 vermelde inkomsten, in de Schatkist storten.
De vennootschap of VZW waarbinnen een in artikel 90, eerste lid, 1° bis, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermeld erkend platform is ingericht, wordt geacht de in artikel 87, 2° bis, vermelde inkomsten met betrekking tot de overeenkomsten die door dat platform tot stand zijn gebracht, te betalen of toe te kennen.

Art. 87.

Art. 87 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 13 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

Art. 87, 2°bis, is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 01.01.2019 (art. 5 en 7, 2de lid, KB 03.07.2019 - B.S. 12.07.2019; Numac: 2019030643)

 

Behoudens de door de wet en door internationale overeenkomsten bepaalde vrijstellingen, is de bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd op:

a) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de in de artikelen 3, 179 of 220 van hetzelfde Wetboek vermelde personen als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland betalen of toekennen.

b) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van voormeld Wetboek die in de artikelen 227 van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoners in België of in het buitenland betalen of toekennen, voor wie die inkomsten beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek.

2° bezoldigingen die volledig of hoofdzakelijk bestaan uit fooien of dienstpercenten, door de cliënteel betaald aan personen die in België krachtens een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn door belastingschuldigen als vermeld in artikel 86;

3° prijzen, subsidies, renten of pensioenen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek;

4° uitkeringen of kapitalen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, van hetzelfde Wetboek, die rijksinwoners betalen of toekennen aan niet-rijksinwoners;

4°bis persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding, als vermeld in artikelen 90, eerste lid, 12°, en 228, § 2, 9°, k, van hetzelfde Wetboek, betaald of toegekend aan onderzoekers;

5° hierna vermelde inkomsten wanneer zij aan niet-inwoners als vermeld in artikel 227 van hetzelfde Wetboek, worden betaald of toegekend:

a) winst en baten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek;

b) commissielonen, provisies, vacatiegelden, toelagen, erelonen en alle andere vergoedingen wegens prestaties of diensten van welke aard ook, zomede auteurs-reproduktie- en andere gelijkaardige rechten, die in artikel 86 vermelde personen toevallig of niet in België, in het kader van hun beroepswerkzaamheid of van hun voorwerp, betalen of toekennen aan welke personen ook voor wie die retributies in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek vermelde baten zijn;

c) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, b, van hetzelfde Wetboek;

d) inkomsten vermeld in artikel 228, § 2, 8°, van hetzelfde Wetboek;

e) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, d, van hetzelfde Wetboek;

f) inkomsten vermeld in artikel 228, § 3, van hetzelfde Wetboek;

6° presentiegelden door in artikel 86 vermelde personen betaald of toegekend aan welke personen ook voor wie die presentiegelden baten zijn als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek;

7° het geheel van de winst en de baten die overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29, §1, en 364 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden geacht te zijn toegekend aan niet-inwonende vennoten of leden van vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 229, §3, van hetzelfde Wetboek.

8° meerwaarden die door niet-inwoners als vermeld in artikel 227, 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek worden verwezenlijkt bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, voor zover die meerwaarden begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a, en 4° van hetzelfde Wetboek vermelde winst of baten.

9° vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten, zelfs indien ze op een vorige beroepswerkzaamheid betrekking hebben.


Art. 88. Het bedrag van de aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de schalen en de erbij horende regels vermeld in bijlage III.

Art. 90.

§ 1. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde termijn langs elektronische weg een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen bij het kantoor aangeduid door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen volgens de regels van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en zijn uitvoeringsbesluit.
Door de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moet eveneens langs elektronische weg een aangifte worden ingediend ingeval :
- zij voor een bepaalde periode geen in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend ;
- zij in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend waarop echter volgens de schalen en de regels waarvan sprake in artikel 88 geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
De schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze aangiften geschieden op papier.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot haar indiening.

§ 2. (…)

§ 3. De werkgever of de hiermee gelijkgestelde vennootschap die in toepassing van de artikelen 2758, § 1, eerste lid, of 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing en die verzaakt aan de verplichting om aan te tonen dat één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen gedurende de voorgeschreven termijn behouden zijn gebleven en gedurende deze periode hebben voldaan aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2758, § 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, moet volgens de modaliteiten vastgelegd in § 1, eerste lid, een afzonderlijke aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen.
In afwijking van § 1 verstrijkt de termijn voor het indienen van deze afzonderlijke aangifte op respectievelijk:
- de 15de dag na het verstrijken van de 36ste maand volgend op de maand waarin de nieuwe arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing;
- de 15de dag na het verstrijken van de 60ste maand volgend op de maand waarin de nieuwe arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing.
Deze aangifte bevat:
a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;
b) in het vak "belastbare inkomsten": het totaal van de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen die verbonden zijn met één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen bedoeld in het eerste lid en waarvoor in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, of artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek een aangifte als bedoeld in artikel 952, § 3, is overgelegd;
c) in het vak "verschuldigde bedrijfs- voorheffing": het totaal van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing dat verbonden is met één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen bedoeld in het eerste lid;
d) in het vak "jaar en periode van betaling der inkomsten": de maand en het jaar waarin het vroegste van de twee volgende tijdstippen heeft plaatsgevonden:
- het tijdstip waarop de aangifte wordt overgelegd;
- voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing: het tijdstip waarop de 36ste maand volgend op de eerste invulling van de nieuwe arbeidsplaats, verstreken is;
- voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing: het tijdstip waarop de 60ste maand volgend op de eerste invulling van de nieuwe arbeidsplaats, verstreken is.

§ 4. Voor de toepassing van § 1 moeten de in vervangen door de woorden artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de in artikel 87, 7°, vermelde inkomsten overeenkomstig artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen bij de bevoegde ontvanger en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen volgens de regels van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en zijn uitvoeringsbesluit.

Art. 91. Ingeval vergoedingen in globo aan een in artikel 87, 5°, vermelde niet-inwoner die leider is van een orkest, gezelschap of ploeg en die alleen persoonlijk jegens de schuldenaar van de inkomsten gebonden is, worden betaald of toegekend ter beloning van de prestaties van het orkest, het gezelschap of de ploeg, rust de verplichting tot aangifte en storting van de bedrijfsvoorheffing op de schuldenaar van de totale vergoeding, zowel voor het
ploeg voor zich houdt, als voor het deel dat hij aan de leden daarvan afstaat.

Art. 92.

§ 1. Bij het einde van elk jaar moeten de in artikel 270, eerste lid, 1° tot 3° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing voor iedere verkrijger van inkomsten langs elektronische weg de fiches waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. De in § 1 bedoelde schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde fiches namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze fiches geschieden op papier of op elektronische informatiedrager.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de fiches vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot hun indiening.

§ 3. (…)

§ 4. Een vrijstelling om de in dit artikel vermelde fiches in te dienen, kan verleend worden door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde, op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag en binnen de grenzen en onder de voorwaarden die hij stelt, aan openbare machten, instellingen en lichamen, voor pensioenen en sociale toelagen waarvan het bedrag het belastingvrije minimum niet bereikt.
De instellingen die pensioenen betalen of toekennen die bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen, zijn ervan vrijgesteld om de in dit artikel vermelde fiches voor die pensioenen in te dienen wanneer er een fiche als bedoeld in artikel 321ter van het hetzelfde Wetboek voor wordt ingediend.

§ 5. De in artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten een bijzondere opgave opstellen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan de verplichting opleggen om deze bijzondere opgave, behoudens een eventueel door hem verleende vrijstelling, langs elektronische weg in te dienen en kan de modaliteiten met betrekking tot hun indiening bepalen.

Art. 93.

§ 1. Tot staving van de overeenkomstig de artikelen 90 en 91 ingediende aangiften moeten de in artikel 270, eerste lid, 1° tot 3° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing de fiches, bedoeld in artikel 92, vóór 1 maart van het jaar na dat waarop die fiches betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst
De in het eerste lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten vóór 1 maart een afschrift van de fiche, behoorlijk ingevuld, aan iedere verkrijger van inkomsten overhandigen om hem in staat te stellen eventueel zijn aangifte in de personenbelasting of in de belasting van niet- inwoners in te vullen.

§ 2. De in artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing, moeten tot staving van de overeenkomstig artikel 90, § 4, ingediende aangifte, de in artikel 92, § 5, vermelde bijzondere opgave uiterlijk vier maand na het verstrijken van de periode waarop die opgave betrekking heeft, indienen bij de overeenkomstig artikel 297 van hetzelfde Wetboek aangewezen controle "Buitenland".

§ 3. De in artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die beroepsinkomsten betalen of toekennen aan in artikel 171, 1°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingplichtigen, moeten een verklaring van de bedoelde belastingplichtigen ter beschikking houden van de Administratie waarin deze attesteren al dan niet te voldoen aan de voorwaarde voorzien in artikel 171, 1°, i, WIB 92.

Art. 94. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing kunnen :
- kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren van de in bijlage III neergelegde schalen en toepassingsregels aanvragen ;
- indien zij ingevolge de vrijstelling van artikel 90, § 1, derde lid, de aangifte in de bedrijfsvoorheffing op papier indienen, kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze aangiften aanvragen ;
- indien zij ingevolge de vrijstelling van artikel 92, § 2, de daarin bedoelde fiches op papier indienen, kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze fiches aanvragen.
- kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van de bijzondere opgave bedoeld in artikel 92, § 5 aanvragen ;
De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die ingevolge de vrijstelling van artikel 92, § 2 de daarin bedoelde fiches op papier indienen, mogen bovendien exemplaren van fiches gebruiken die afwijken van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen, op voorwaarde dat deze exemplaren al dezelfde vermeldingen bevatten en van hetzelfde formaat zijn als de modellen.

Art. 95.

Art. 952 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 14 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

Art. 952, § 1 en 3, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het besluit in het Belgisch Staatsblad (19.05.2019) (art. 2, KB 13.04.2019 - B.S. 09.05.2019; Numac: 2019012149)

Art. 952, § 1, derde lid, 11°, en § 3, b, 5°, en c, 12°, is van toepassing vanaf 01.03.2019 (art. 1 en 4, KB 13.04.2019 - B.S. 03.05.2019; Numac: 2019011574​)


§ 1. De in het derde lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in artikel 2757 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, die een deel van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk moeten besteden aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen, zijn er evenwel toe gehouden drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing over te leggen volgens het in de §§ 2, 3 en 3bis vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn:

1° de werkgevers omschreven in artikel 2751, tweede lid, van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door een werknemer gepresteerd overwerk;

2° de werkgevers beoogd in artikel 2752 van hetzelfde Wetboek die behoren tot de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector;

3° a) de universiteiten en hogescholen beoogd in artikel 2753, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistentonderzoekers en het Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - het Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen - FWO en het Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers;

b) de wetenschappelijke instellingen beoogd in artikel 2753, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers;

c) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die aan onderzoeksprojecten werken ter uitvoering van samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met in a) en b) bedoelde universiteiten of hogescholen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, of erkende wetenschappelijke instellingen;

d) de vennootschappen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, die onder de definitie van "Young Innovative Company" vallen en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan wetenschappelijk personeel dat als werknemer door deze vennootschap wordt tewerkgesteld;

e) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 1° of 2°, vermeld diploma hebben.

f) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, vermeld diploma hebben.

g ) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, vermeld diploma hebben, en die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald.

4° de werkgevers beoogd in artikel 2754 van hetzelfde Wetboek, die behoren tot de sector van de zeevisserij;

5° de ondernemingen beoogd in artikel 2755 van hetzelfde Wetboek, waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie of een systeemvaartpremie betalen of toekennen.

6° de schuldenaars beoogd in artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars;

7° de werkgevers omschreven in artikel 2757, tweede lid, van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen;

8° de in artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, de hiermee in toepassing van artikel 2758, § 1, negende lid, van hetzelfde Wetboek gelijkgestelde vennootschappen en de in artikel 2758, § 1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid, die bezoldigingen bedoeld in artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek betalen of toekennen;

9° de in artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, de hiermee in toepassing van artikel 2759, § 1, tiende lid, van hetzelfde Wetboek gelijkgestelde vennootschappen en de in artikel 2759, § 1, negende lid, van hetzelfde Wetboek beoogde ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid, die bezoldigingen bedoeld in artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek betalen of toekennen;

10° de werkgevers beoogd in artikel 27510, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen;

11° de werkgevers beoogd in artikel 27511 van hetzelfde Wetboek, die compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen.

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;

b) in het vak "belastbare inkomsten":

1° voor de in § 1, derde lid, 1°, bedoelde schuldenaars: de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;

2° voor de in § 1, derde lid, 2°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen aan hun werknemers die zij als communautaire zeelieden tewerkstellen aan boord van in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, derde lid, 3° tot 6° en 10°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

4° voor de schuldenaars bedoeld in § 1, derde lid, 7°:

- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

4°/1 voor de in § 1, derde lid, 8° tot 9°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek;

5° voor de in § 1, derde lid, 11°, bedoelde schuldenaars: het bedrag van de door de werkgever in die periode betaalde of toegekende compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing":

1° voor de in § 1, derde lid, 1°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan:

- 32,19 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 % is toegepast;

- 41,25 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % is toegepast;

2° voor de in § 1, derde lid, 2°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend aan hun werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, derde lid, 3°, a tot e, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 80 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

4° voor de in § 1, derde lid, 3°, f, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 40 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, evenwel beperkt tot 25 % van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's en die een in artikel 2753, § 2, 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek bedoeld diploma hebben;

5° voor de in § 1, derde lid, 3°, g, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 40 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffingop de belastbare bezoldigingen, evenwel beperkt tot 50 % van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de vennootschappen die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald;

6° voor de in § 1, derde lid, 4°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, volgens het volgende onderscheid:

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 2754, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, dan moet uitsluitend het positieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 2754, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, moet uitsluitend het negatieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

7° voor de in § 1, derde lid, 5°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 22,8 % of, voor de in artikel 2755, § 3, van hetzelfde Wetboek bedoelde ondernemingen, aan 25 % of, voor de in artikel 2755, § 5, van hetzelfde Wetboek bedoelde ondernemingen, aan 6 % van de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, vastgestelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies of systeemvaartpremies inbegrepen, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

8° voor de in § 1, derde lid, 6°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 80 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

9° voor de in § 1, derde lid, 7°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 0,12 % of, voor de in artikel 2757, tweede lid, b en c, van het voormelde Wetboek bedoelde werkgevers, een negatief bedrag gelijk aan 1 %, of, voor de in artikel 2757, derde lid, b, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde werkgevers, een negatief bedrag gelijk aan 1,12 % van:

- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

10° voor de in § 1, derde lid, 8° en 9° bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 25 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

11° voor de in § 1, derde lid, 10°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 10 % of, voor de in artikel 27510, vierde lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, gelijk aan 20 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

12° voor de in § 1, derde lid, 11°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de in die periode betaalde of toegekende compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die effectief in mindering worden gebracht van de voor die periode verschuldigde bedrijfsvoorheffing, desgevallend vermeerderd met de compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die werden betaald of toegekend in een vorige periode die tot hetzelfde kalenderjaar behoort en nog niet in mindering konden worden gebracht van de voor een vorige periode verschuldigde bedrijfsvoorheffing;

§ 3bis. De derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing van de in § 1, tweede lid, beoogde werkgevers heeft uitsluitend betrekking op het bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing dat onmiddellijk wordt besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen, en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak 'aard van de inkomsten': code 47;

b) in het vak "belastbare inkomsten": het deel van de in § 3, c, 9°, bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing dat uitsluitend betrekking heeft op de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een positief bedrag dat gelijk is aan drie vierden van de in b vermelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

§ 5. De in uitvoering van artikel 2753, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 erkende instellingen zijn opgenomen in bijlage IIIquater bij dit besluit.​

Art. 96.

§ 1. Voor de regelmatige inning van de roerende voorheffing zijn de instellingen en personen die zijn vermeld in de artikel 5 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, en die in België inkomsten van buitenlandse oorsprong uitbetalen of op enigerlei wijze bij de incassering van zulke inkomsten optreden, verplicht die verrichtingen, naarmate zij zich voordoen, te boeken in een bijzonder register.
Het register dat alle door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen moet bevatten, kan zowel op papier als op een elektronische informatiedrager worden bijgehouden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de inkomsten die zijn bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Wanneer het register op papier wordt bijgehouden, moet het op elk verzoek van de in artikel 101 aangewezen ambtenaren onmiddellijk worden voorgelegd.
Als het register wordt bijgehouden op een elektronische informatiedrager, moet de in § 1 bedoelde instelling of persoon :
- de passende maatregelen treffen die iedere wijziging, toevoeging of schrapping van geregistreerde gegevens op zijn elektronische informatiedrager beletten ;
- en, op elk verzoek van de in artikel 101 aangewezen ambtenaren, onmiddellijk toelaten om die gegevens te lezen en op zijn uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopieën te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
Art. 97 …

Art. 98. Elke zending binnen het land of naar het buitenland van coupons of middelen tot inning waarop verrichtingen als vermeld in artikel 96 betrekking hebben, moet vergezeld gaan van een uittreksel uit het bij § 1 van dat artikel voorgeschreven register, waarin de door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen voorkomen.

Art. 99. Tenzij de in artikel 98 gestelde formaliteiten vervuld zijn, is het verboden coupons of andere middelen tot inning van inkomsten van buitenlandse oorsprong, al dan niet afgeknipt van de effecten waartoe zij behoren, naar het buitenland te zenden.

Art. 100. De Minister van Financiën stelt het model van de in de artikelen 96 tot 99 vermelde registers, zegels en documenten vast en regelt het bijhouden of de gebruikswijze daarvan.

Art. 101. De ambtenaren van de administratie der directe belastingen en van de administratie der douane en accijnzen zijn bevoegd om de overtredingen van de artikelen 96 tot 99 vast te stellen.
voorheffing
artikel 264)

Art. 101bis.

Art. 101bis is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 15 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 2°bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten worden gelijkgesteld met de gereglementeerde markten bedoeld in artikel 2, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de gereglementeerde secundaire markten voor financiële instrumenten, al dan niet voor het publiek toegankelijk, die zijn geplaatst onder het toezicht van een toezichthouder welke een gewoon lid is van de "Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders" (IOSCO), indien de statutaire zetel van de marktonderneming welke de gereglementeerde secundaire markt organiseert, is gevestigd in een Staat, niet bedoeld in artikel 2, 6°, van voormelde wet van 2 augustus 2002:

- die een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met België;

- of waarvan de toezichthouder van de gereglementeerde markten met de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.​

Art. 101ter. De Federale overheidsdienst Financiën stelt elk jaar, voor de toepassing van artikel 101bis , een lijst (1) op van de landen waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede, op voorstel van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, een lijst van de toezichthouders welke gewoon lid zijn van de IOSCO en een lijst van de toezichthouders met dewelke de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.
Deze lijsten en alle tijdens het jaar daarin aangebrachte wijzigingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.



1) Bericht BS 17.01.2013 Bericht BS 29.05.2015, ed. 2 Bericht BS 21.02.2017, ed. 2 Bericht BS 23.05.2022

Art. 102.

Art. 102, inleidende zin, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 8, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 

Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het geheel van de reserves bepaald volgens artikel 206/1 van hetzelfde Wetboek en van de winst die is gereserveerd onder het stelsel van wetgevingen vóór de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, in de volgende categorieën onderverdeeld:

1° reserves overeenstemmend met winst die voorheen ten name van de vennoten is belast;

2° reserves overeenstemmend met bedragen die ingevolge artikel 202 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of artikel 52, § 1, eerste lid, van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zijn afgetrokken van gereserveerde winst die voor de aanslagjaren 1973 en vorige belastbaar was;

3° reserves overeenstemmend met alle andere maatschappelijke winst.


Art. 103. Wanneer op het einde van het belastbare tijdperk een vermindering van het totaal van de reserves wordt vastgesteld wordt de ermede overeenstemmende opneming achtereenvolgens aangerekend, eerst op de in artikel 102, 2°, vermelde reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de in 3° van dat artikel vermelde reserves en tenslotte op de in 1° vermelde reserves.

Art. 104. De opnemingen vermeld in artikel 103 worden geacht in de in dat artikel aangegeven volgorde te hebben gediend :

1° tot betaling van dividenden ;

2° tot alle andere doeleinden.
verzaking van de inning van roerende voorheffing.
artikel 266)

Art. 105.

Art. 105, eerste lid, 1°, k), eerste streepje, en eerste lid, 2°, b), is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 9, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 

Voor de toepassing van de artikelen 106 tot 119 verstaat men:

1° onder "financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen, behalve die welke voor 1 januari 1990 in vereffening zijn gesteld":

a) de in België gevestigde kredietinstellingen bedoeld in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen evenals de Nationale Bank van België;

b) de ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

- een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap zijn;

- die, voor het belastbaar tijdperk dat de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten voorafgaat, aandelen bezat die de aard van financiële vaste activa hebben waarvan de aanschaffingswaarde gemiddeld ten minste 50 % vertegenwoordigde van haar balanstotaal bij het afsluiten van het boekjaar dat met dat belastbaar tijdperk is verbonden;

- en waarvan de aandelen zijn genoteerd op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 264, eerste lid, 2°bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of die voor ten minste 50 %, rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn van een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard is onderworpen, die niet een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht of die niet een aanzienlijk gunstigere regeling geniet dan de Belgische vennootschapsbelasting, en waarvan de aandelen genoteerd zijn op een gereglementeerde markt als bedoeld in hetzelfde artikel. Voor de toepassing van deze voorwaarde worden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België;

c) de financiële ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

- een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap zijn;

- welke behoort tot een groep van verbonden of geassocieerde vennootschappen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;

- welke haar activiteiten uitsluitend uitoefent in het voordeel van de vennootschappen van de groep;

- welke zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard;

- welke zich uitsluitend financiert bij binnenlandse vennootschappen of rechtspersonen als bedoeld in de artikelen 220 en 227 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met als enig doel eigen verrichtingen of verrichtingen van verbonden of geassocieerde vennootschappen te financieren;

- en welke geen aandelen bezit waarvan de aanschaffingswaarde meer bedraagt dan 10 % van de fiscale nettowaarde van de financiële onderneming;

d) (...)

e) (...)

f) de in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet en krediegevers inzake consumentenkrediet die bij toepassing van boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, van het Wetboek economisch recht, gemachtigd zijn om het bedrijf van kredietgever inzake consumentenkrediet of van kredietgever inzake hypothecair krediet op het Belgisch grondgebied uit te oefenen;

g) (...)

h) (...)

i) de Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en de Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;

j) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen vallen, zomede die welke onder het Vlaams decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid vallen;

k) de hierna volgende vennootschappen voor huisvestingskrediet:

- de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij of andere gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, en de door hen of de door de bevoegde regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen;

- het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zomede de door het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest erkende vennootschappen of instellingen die tot doel hebben leningen toe te staan voor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrichten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen;

l) de Belgische inrichtingen van niet in a tot k vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend bestaat in het toestaan van kredieten en leningen;

2° onder "parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen":

a) de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die onder de toepassing vallen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, zomede alle andere inrichtingen of instellingen die krachtens de sociale wetgeving belast zijn met het inzamelen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de gelden bestemd voor het toekennen van door die wetgeving vastgestelde voordelen, en zich met geen andere exploitaties of verrichtingen van winstgevende aard dan de plaatsing van de vermelde gelden bezighouden;

b) het Federale Agentschap van de Schuld, de Nationale Kas voor Rampenschade, de Deposito- en Consignatiekas, (...) de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten afhangen, zomede de verenigingen zonder winstoogmerk Gezinsbond en Ligue des Familles in zover zij goedkope leningen aan hun leden verstrekken;

c) de internationale of supranationale instellingen naar publiek recht of de Belgische inrichtingen van dergelijke instellingen die krachtens internationale overeenkomsten of krachtens bijzondere, voor de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende wettelijke bepalingen, van belasting op hun in België verkregen inkomsten zijn vrijgesteld;

3° onder "beroepsbeleggers":

a) de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die de rentegevende roerende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;

b) de binnenlandse vennootschappen die niet vermeld zijn in 1° van dit artikel;

c) de niet in 1° van dit artikel vermelde inrichtingen waarover niet-inwoners, die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232, 2°, a, en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in België beschikken;

4° onder "privé-spaarders", de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die hun rentegevende roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;

5° onder "spaarders niet-inwoners", de in artikel 227 van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen die hun roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België hebben gebruikt.

a) onder "vennootschap van een lid-Staat", de vennootschappen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 (2003/49/EG) betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lid-Staten, met dien verstande dat, voor wat de vennootschappen naar Belgisch recht betreft, de verwijzing naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" moet worden begrepen als een verwijzing naar de "besloten vennootschap";

b) onder "verbonden vennootschappen", twee vennootschappen die binnen de Europese Unie gevestigd zijn en aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

- ofwel bezit één van beide verbonden vennootschappen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in het kapitaal van de andere die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden;

- ofwel bezit een derde vennootschap die binnen de Europese Unie gevestigd is, een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in het kapitaal van elk van deze vennootschappen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 %, wordt er geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.


Art. 106.

Art. 106, § 5, derde lid, a), is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023)(art. 10, 1°, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de dividenden waarvan de schuldenaar een buitenlandse vennootschap is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een vennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Die verzaking blijft zonder uitwerking met betrekking tot dividenden vermeld in het eerste lid, die worden geïncasseerd ten voordele van een Belgisch beleggingsfonds of die begrepen zijn in inkomsten van certificaten van buitenlandse beleggingsfondsen.

§ 2. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden en op inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen waarvan de schuldenaar, hetzij een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die (...) haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, hetzij een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner bedoeld in artikel 227, 3°, van hetzelfde Wetboek waarvan het voorwerp uitsluitend bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, die zich uitsluitend zonder winstoogmerk toeleggen op verrichtingen bedoeld in artikel 182, 2°, van hetzelfde Wetboek, en die in het land waarvan hij inwoner is, vrijgesteld is van inkomstenbelastingen.

§ 3. (...)

§ 4. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner ertoe gehouden is, hetzij krachtens een contractuele verplichting de opbrengst van Belgische aandelen die hij in eigen naam beheert door te storten aan de uiteindelijke verkrijger, hetzij een inkomen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen die hij krachtens een ontlening bezit door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger eveneens een spaarder niet-inwoner is bedoeld in § 2 of, wat uitsluitend het tweede geval betreft, een in § 5 of 6 bedoelde moedervennootschap van de dividenduitkerende vennootschap.

§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is, die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming of moedermaatschappij een vennootschap:

a) die een van de rechtsvormen heeft die in de bijlage van de richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten worden genoemd of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, met dien verstande dat, voor wat de vennootschappen naar Belgisch recht betreft, de verwijzing naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", naar "coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid", en naar "gewone commanditaire vennootschap" moet worden begrepen als een verwijzing naar respectievelijk de "besloten vennootschap", de "coöperatieve vennootschap" en de "commanditaire vennootschap";

b) die, volgens de fiscale wetgeving van de Staat waar ze is gevestigd en de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting die deze Staat heeft gesloten met derde Staten, wordt beschouwd in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben;

c) die er is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6bis. De minimumdeelneming vermeld in § 5, tweede lid, , in § 6, tweede lid en in § 6ter, tweede lid, bedraagt:

- 25 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2005;

- 20 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2005;

- 15 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007;

- 10 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2009.

§ 6ter. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een binnenlandse vennootschap is en waarvan de verkrijger een alternatieve instelling voor collectieve belegging is, die opgericht is in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, en die in het buitenland erkend is als Europese langetermijnbeleggingsinstelling overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen. De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de vennootschap uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de binnenlandse vennootschap vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 7. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de dividenden waarvan de schuldenaar een beleggingsvennootschap bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, een beleggingsvennootschap bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, een Europese langetermijnbeleggingsinstelling of een gereglementeerde vastgoedvennootschap is, en waarvan de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.

Die verzaking is niet van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van inkomsten uit Belgisch vastgoed en dividenden die de beleggingsvennootschap, de Europese langetermijnbeleggingsinstelling of de gereglementeerde vastgoedvennootschap zelf heeft verkregen van een binnenlandse vennootschap. Dit lid is echter niet van toepassing indien deze binnenlandse vennootschap deel uitmaakt van de categorieën van vennootschappen zoals bedoeld in het eerste lid en indien de dividenden die zij uitkeert aan de beleggingsvennootschap, aan de Europese langetermijnbeleggingsinstelling of aan de gereglementeerde vastgoedvennootschap niet afkomstig zijn van dividenden die deze vennootschap heeft ontvangen van een binnenlandse vennootschap, of van inkomsten uit Belgisch vastgoed.

§ 8. (...)

§ 9. In de hierna aangegeven mate wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 8°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 met betrekking tot de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven of door een private privak als bedoeld in artikel 298, eerste lid, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders:

a) de roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door de beleggingsvennootschap;

b) wanneer de verkrijger een buitenlandse vennootschap is, is de roerende voorheffing daarnaast evenmin verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden uit aandelen die door buitenlandse vennootschappen zijn uitgegeven.

c) de roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden die onderworpen waren aan een roerende voorheffing die door de beleggingsvennootschap niet kon worden verrekend.


Art. 107.

Art. 107, § 2, 11°, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023)(art. 11, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten vermeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 , die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, wordt van de inning van roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 5 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot:

1° uitgiftepremies, ongeacht de verkrijger, van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten uitgegeven:

- ofwel door de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen of soortgelijke openbare entiteiten gevestigd in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte,

- ofwel bij openbare intekening door binnenlandse vennootschappen, Belgische verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht gevestigd in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte,

voor zover die premies, over de volle duur van de effecten verdeeld, niet ten gevolge hebben het werkelijke jaarlijkse rendement van deze laatste op een bedrag te brengen dat de nominale rentevoet met meer dan 75 centiem overtreft;

2° inkomsten van certificaten van leningen uitgegeven door het Federale Agentschap van de Schuld;

3° inkomsten van effecten van de speciale conversielening van 1962;

4° interest van dagleningen, ook 'callgeld' genoemd;

a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend:

- door de in artikel 105, 1°, a, vermelde kredietinstellingen aan in het buitenland gevestigde kredietinstellingen;

- door beroepsbeleggers aan kredietinstellingen die in het buitenland zijn gevestigd in een land van de Europese Economische Ruimte of waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten;

b) inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en de inkomsten van niet door effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door:

- de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten;

- de Belgische openbare inrichtingen of instellingen voor zover die schuldvorderingen en leningen door de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen zijn gewaarborgd;

- de in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen;

- de in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden;

c) inkomsten van niet door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die, ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 1 maart 1968 tot en met 31 december 1971 door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën zijn erkend als bijzonder de financiering te beogen van verrichtingen die beantwoorden aan het algemeen economische belang en die rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van Belgische inrichtingen van de ontlenende ondernemingen;

- die ondernemingen de bepalingen van § 4 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

d) inkomsten van niet door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die ter uitvoering van overeenkomsten gesloten tijdens het tijdperk gaande van 1 maart 1977 tot en met 31 december 1978, door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen gebruikt worden tot de financiering van verrichtingen die, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën erkend zijn als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;

- die ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

e) inkomsten van schuldvorderingen en leningen, niet vertegenwoordigd door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten of vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier, die ter uitvoering van tijdens het tijdperk van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1983 gesloten overeenkomsten aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen worden aangewend tot financiering van investeringen die door de Minister van Financiën, en naar het geval, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Middenstand, de Minister van de Vlaamse Gemeenschap, de Minister van het Waalse Gewest of de Minister van het Brusselse Gewest zijn erkend als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;

- die rechtspersonen of ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

f) interest van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en van leningen met betrekking tot financiële instrumenten zoals beoogd door het artikel 19, § 1, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 toegekend of betaalbaar gesteld door een beursvennootschap naar Belgisch recht of door een Belgische inrichting van een beleggingsonderneming naar buitenlands recht die dezelfde categorieën van diensten inzake beleggingen mag verlenen als de beursvennootschappen naar Belgisch recht aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.

6° inkomsten van schuldvorderingen en leningen vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier die worden verleend of toegekend, ofwel door de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen ofwel, ter uitvoering van vóór 1 januari 1967 gesloten overeenkomsten, door binnenlandse vennootschappen, Belgische verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht, aan spaarders niet-inwoners;

7° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die worden verleend of toegekend aan:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

c) beroepsbeleggers;

d) privé-spaarders;

8° niet in 1° tot 3° of in § 3 vermelde inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

9° niet in 4° tot 7° vermelde inkomsten van schuldvorderingen en leningen welke niet zijn vertegenwoordigd door effecten of zijn vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

c) beroepsbeleggers;

10° inkomsten van Belgische obligaties die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door niet in 5°, b, vermelde schuldenaars.

De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien de verkrijger:

- ofwel een in artikel 227, 1° of 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is;

- ofwel een in artikel 227, 2° van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoner is die, in het land waarvan hij inwoner is, onderworpen is aan een inkomstenbelasting waarvan de bepalingen niet aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, ofwel waarvan de aandelen niet voor ten minste de helft in het bezit zijn van rijksinwoners;

- ofwel een beleggingsvennootschap is die een openbaar beroep heeft gedaan op het spaarwezen.

11° de inkomsten, andere dan bedoeld in 9°, van leningen aan de Schatkist die niet vertegenwoordigd worden door effecten die toegekend of toegewezen zijn aan rechtspersonen die deel uitmaken van de sector overheid in de zin van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR) voor de toepassing van de Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten;

§ 3. De roerende voorheffing wordt, ongeacht de verkrijgers van de inkomsten, geheven tegen een tarief van 20 % op loten van Belgische oorsprong met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die ter uitvoering van vóór 1 maart 1990 gesloten overeenkomsten worden verleend of toegekend.

§ 4. Nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die de in § 2, 5°, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.

Die verzoekschriften moeten bevatten:

a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen belegging tot financiering waarvoor de lening is bestemd;

b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, c;

c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.

§ 5. Rechtspersonen naar Belgisch publiek recht en nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die de in § 2 ,5°, d en e, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.

Die verzoekschriften moeten bevatten:

a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen verrichtingen tot financiering waarvoor de lening is bestemd;

b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, d en e;

c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.

§ 6. Onverminderd de verzakingen bepaald ingevolge de §§ 1 tot 5, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten uit vastgoedcertificaten, voor wat de toekenningen of betaalbaarstellingen van inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verwezenlijking van het onderliggend onroerend goed, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten en waarvan de gerechtigde wordt geïdentificeerd als:

- een in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschap van een lid-Staat,

- een binnenlandse vennootschap, niet vermeld onder het eerste gedachtestreepje,

op voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn in de zin van artikel 105, 6°, b.

Voor de toepassing van het eerste lid, mogen de rechten, schuldvorderingen of leningen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald, gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, begrepen zijn onder de activa van een inrichting waarover de gerechtigde buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.


Art. 108. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de schuldenaar een niet-inwoner is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

Art. 109. Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten uit certificaten van Belgische beleggingsfondsen, met uitsluiting van de inkomsten verleend of toegekend door Belgische fondsen voor belegging in schuldvorderingen als bedoeld in artikel 271/9 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen.
Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende waarden van buitenlandse oorsprong gedeponeerd in België en op inkomsten bekomen als gevolg van transacties met die waarden, toegekend of betaalbaar gesteld aan collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.

Art. 110. Met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's die, ofwel vóór of vanaf 1 december 1962 zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, ofwel vanaf 1 december 1962 met een overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot :

1° inkomsten van deposito's als vermeld in artikel XX.144 van het Wetboek van economisch recht, verleend of toegekend door de Deposito en Consignatiekas, ongeacht de verkrijgers, voor zover die inkomsten betrekking hebben op een periode na 31 december 1988 ;

2° inkomsten, ongeacht het bedrag, van in artikel 21, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

3° inkomsten verleend of toegekend aan haar leden door een instelling als bedoeld in artikel 22, § 1, 1° of 2° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uit hoofde van deposito's die als dekking worden neergelegd voor de transacties welke zij heeft geregistreerd overeenkomstig het marktreglement ;

4° inkomsten van deposito's, zelfs als vermeld in artikel 21, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend :
a) aan in het buitenland gevestigde banken, door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen ;
b) aan spaarders niet-inwoners door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen alsmede door in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden ;
c) …
d) door beursvennootschappen aan spaarders niet-inwoners ; 5° inkomsten van niet in 1° tot 3° vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

6° …

Art. 111.

Art. 111,tweede lid en derde lid, is van toepassing op inkomsten die betaald of toegekend worden vanaf de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad (01.11.2025) (art. 1 en 3, KB 21.10.2025 - B.S. 31.10.2025; Numac: 2025008225)

 

Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, en inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, zomede met betrekking tot opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien indien de verkrijgers:

a) aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn;

b) binnenlandse vennootschappen zijn;

c) internationale of supranationale instellingen zijn als vermeld in artikel 105, 2°, c.

d) in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschappen van een lid-Staat, andere dan binnenlandse vennootschappen, zijn op voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn in de zin van artikel 105, 6°, b.

Voor de toepassing van het eerste lid, d, mogen de rechten of goederen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald, gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, begrepen zijn onder de activa van een inrichting waarover de gerechtigde buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.

Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van lichamelijke roerende goederen, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien voor zover de verkrijger geïdentificeerd wordt als een in artikel 227, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige en waarbij de schuldenaar een binnenlandse vennootschap, een rijksinwoner die de lichamelijke roerende goederen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt of een Belgische inrichting is.

Indien de inkomsten bedoeld in het derde lid evenwel worden betaald of toegekend aan verkrijgers waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling die aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België , wordt de verzaking bedoeld in het derde lid slechts toegestaan wanneer de betaling of toekenning van de inkomsten kadert binnen een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Een belastingregeling wordt niet beschouwd als aanzienlijk voordeliger indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.


Art. 111bis.

Art. 111bis is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 19 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, andere dan degene bedoeld in artikel 265, tweede lid, van hetzelfde wetboek, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of als een belastingplichtige onderworpen aan de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek, die de financiële instrumenten, die het voorwerp uitmaken van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de lening, voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten die zijn betaald of toegekend in uitvoering van een lening met een looptijd die gelijk is aan of langer is dan één jaar met betrekking tot deze financiële instrumenten.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, verkregen uit financiëleinstrumenten en die ten laste zijn van een leningnemer, een cessionaris of een pandnemer zijnde een rijksinwoner, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België, de Belgische Staat of de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan, of een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner die aanspraak kan maken op de toepassing van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting gesloten tussen België en de Staat waarvan hij inwoner is.​​

Art. 112. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten die begrepen zijn in de in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde lijfrenten of tijdelijke renten waarvan de verkrijgers aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn.

Art. 113.

§ 1. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten vermeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, zomede tot inkomsten van effecten van het Belgisch- Kongolees fonds voor delging en beheer en van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot :

1° inkomsten verleend of toegekend aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen ;

2° a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen aan in het buitenland gevestigde banken ;
b) inkomsten van niet door effecten aan toonder of door gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuld- vorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen, aan spaarders niet- inwoners ;

3° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die, zelfs ter uitvoering van een overeenkomst die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van die interest of inkomsten legt, worden verleend of toegekend aan :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;
c) beroepsbeleggers ;
d) privéspaarders.

§ 3. Met betrekking ofwel tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die zijn uitgegeven door de Staat, de provincies, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen of door internationale of supranationale instellingen naar publiek recht waarvan België lid is, die van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld krachtens de samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen of krachtens vóór de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende bijzondere wettelijke bepalingen, ofwel tot inkomsten van effecten van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer ofwel tot inkomsten van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien op :
a) loten en premies, ongeacht de verkrijgers ;
b) de interest van de lening 3,5 % 1965-2005 van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, wie ook de verkrijgers zijn ; c) de interest van de 2,5 % schuld van de Belgische Staat waarvan de verkrijgers spaarders niet-inwoners zijn.

§ 4. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens de voorgaande §§ 2 en 3 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 %.

§ 5. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten en van schuldvorderingen en leningen, die niet van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeen- komstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.

§ 6. De in §§ 2 tot 5 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van lening bedongen opzeggingstermijn ; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.

§ 7. Onverminderd de verzakingen bepaald ingevolge de §§ 1 tot 6, zijn de bepalingen voorzien in artikel 107, § 6 eveneens van toepassing op de in § 1 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten.

Art. 114.

§ 1. Met betrekking tot inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die vóór 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van deposito's, die worden verleend of toegekend :
a) aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen ;
b) door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen aan in het buitenland gevestigde banken ; c) door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen, aan spaarders niet- inwoners.

§ 3. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens voorgaande § 2 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 %.

§ 4. Met betrekking tot inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeenkomstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.

§ 5. De in §§ 2 tot 4 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van deposito bedongen opzeggingstermijn ; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.

§ 6. Worden niet als opzeggingstermijn in de zin van dit artikel aangemerkt, de wettelijke of overeengekomen termijnen die slechts een waarborg uitmaken die de depositaris wenst aan te voeren.

Art. 115.

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, eerste lid, 6° en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan ter uitvoering van artikel 14516, 1°, van hetzelfde Wetboek erkende pensioenspaarfondsen.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, eerste lid, 6° en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan houders van een in artikel 14516, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde individuele spaarrekening, met betrekking tot de in die rekening begrepen activa.

Art. 116. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17 en 90, eerste lid, 6°, en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten, andere dan dividenden van Belgische oorsprong, die worden verleend of toegekend aan beleggingsvennootschappen, aan Europese langetermijnbeleggingsinstellingen of aan gereglementeerde vastgoedvennootschappen:

1° als bedoeld in de artikelen 15, 148 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;

2° als bedoeld in de artikelen 190, 195, 257, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

2°bis als bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, i), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of zijnde een alternatieve instelling voor collectieve belegging, die opgericht is in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, en die in het buitenland erkend is als Europese langetermijnbeleggingsinstelling overeen- komstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijn- beleggingsinstellingen;

3° als bedoeld in bepalingen van buitenlands recht gelijkaardig aan deze in 1° en 2° en
- die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en
- die hun rechten van deelneming niet openbaar aanbieden in België;

4° als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 november 2016 met betrekking tot gespecialiseerde vastgoedbeleggings- fondsen.

Art. 116bis. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten, waarvan de verkrijgers deel uitmaken van een van de volgende categorieën :

1° binnenlandse vennootschappen ;

2° (…)

3° de in artikel 105, 2° vermelde parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

4° de in artikel 105, 5°, vermelde spaarders niet-inwoners ;

5° de in artikel 115 vermelde beleggingsfondsen ;

6° de in artikel 227, 2° van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen, die volgens artikel 233 van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen zijn en die de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken ;

7° collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.

Art. 117.

Art. 117, § 13, is van toepassing op inkomsten die betaald of toegekend worden vanaf de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad(01.11.2025) (art. 2 en 3, KB 21.10.2025 - B.S. 31.11.2025; Numac: 2025008225)

 

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Geen voorwaarde is gesteld met betrekking tot de volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing op:

1° inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, vermeld in:

a) artikel 107, § 2, 1° tot 5°, a en 11°;

b) de artikelen 107, § 2, 7° en 113, § 2, 2°, a, en 3°;

c) de artikelen 107, § 3, en 113, § 3, a en b, en § 4;

2° inkomsten van certificaten van Belgische beleggingsfondsen vermeld in artikel 109,eerste lid;

3° inkomsten van deposito's vermeld in de artikelen 110, 1° en 4°, a, en 114, § 2, b, en § 3;

4° inkomsten vermeld in artikel 111, a tot c.

§ 2. De in artikel 106, § 2, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) spaarders niet-inwoners zijn bedoeld in artikel 227, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een voorwerp dat uitsluitend bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, die zich uitsluitend zonder winstoogmerk toeleggen op verrichtingen bedoeld in artikel 182, 2°, van hetzelfde Wetboek, en die in het land waarvan ze inwoner zijn, vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen;

c) niet gehouden zijn de opbrengst van aandelen of winstbewijzen aan de uiteindelijke verkrijger krachtens een contractuele verplichting door te storten of een inkomen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot Belgische aandelen die ze krachtens een overeenkomst bezitten door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger eveneens een niet-inwoner is bedoeld in artikel 106, § 2, of, wat uitsluitend het tweede geval betreft, een moedervennootschap bedoeld in artikel 106, § 5 of § 6, van de dividenduitkerende vennootschap.

§ 3. (...)

§ 4. De in artikel 106, § 5, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een moedermaatschappij is in de zin van artikel 106, § 5;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming behouden heeft gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden het in § 5bis vermelde minimum is gedaald.

§ 5. De in artikel 106, § 6, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis heeft behouden in het kapitaal van de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden het in § 5bis vermelde minimum is gedaald.

§ 5bis. De minimumdeelneming vermeld in § 4, eerste lid, b en tweede lid, a en c, en in § 5, eerste lid, b en tweede lid, a en c, bedraagt:

- 25 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 januari 2005;

- 20 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2005;

- 15 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007;

- 10 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2009.

§ 6. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge de artikelen, 107, § 2, 5°, b tot f, en 6°, 110, 4°, b en d, 113, § 2, 2°, b, en § 3, c, en 114, § 2, c, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.

§ 6/1. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolgde de artikelen 106, § 7, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.

De verzaking wordt bovendien slechts toegestaan indien de schuldenaar van de roerende voorheffing opgeeft in welke mate dat de uitgekeerde dividenden al dan niet voortkomen uit de in het tweede lid bedoelde dividenden en inkomsten.

§ 6bis. De in de artikelen 107, § 6, 111, d, en 113, § 7, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd:

a) dat de gerechtigde een binnenlandse vennootschap of een in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschap van een lidstaat is;

b) dat desgevallend de in artikel 105, 6°, b, vermelde derde vennootschap een vennootschap van een lid-Staat van de Europese Unie is;

c) dat, naargelang het geval, de schuldenaar, de gerechtigde of de derde vennootschap, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, gedurende een ononderbroken periode van ten minste een jaar een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in volle eigendom behouden heeft respectievelijk in het kapitaal van de gerechtigde of van de schuldenaar of in het kapitaal van de ene en de andere van deze vennootschappen;

d) dat de gerechtigde tot de inkomsten eigenaar of vruchtgebruiker is van de effecten, rechten of goederen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald en dat deze effecten, rechten of goederen gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, voorkomen onder de activa van een inrichting waarover hij buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.

Indien op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, de in littera c van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger of de derde vennootschap aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat de naleving ervan onmiddellijk ter kennis van de schuldenaar van de inkomsten zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de schuldenaar van de inkomsten zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.

6ter. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 107, § 2, 10°, wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijger:

a) eigenaar of vruchtgebruiker is van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoner is die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruikt;

c)

- ofwel een in artikel 227, 1° of 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is;

- ofwel een in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is die, in het land waarvan hij inwoner is, onderworpen is aan een inkomstenbelasting waarvan de bepalingen niet aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, ofwel waarvan de aandelen niet voor ten minste de helft in het bezit zijn van rijksinwoners;

- ofwel een beleggingsvennootschap is die een openbaar beroep doet op het spaarwezen.

§ 7. De in artikel 115, § 1, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het beleggingsfonds aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van collectieve spaarrekeningen als vermeld in artikel 14516, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 8. De in artikel 115, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de instelling, de onderneming of de beursvennootschap waarbij de rekening is geopend, aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa begrepen in een individuele spaarrekening als vermeld in artikel 14516, van hetzelfde Wetboek.

§ 9. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116 is slechts van toepassing indien de beleggingsvennootschap aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa waarvan zij eigenares is.

§ 10. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de wijze waarop de schuldenaar van lijfrenten of tijdelijke renten vermeld in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie der directe belastingen de identiteit van de verkrijgers en het bedrag van de verleende of toegekende interesten laat kennen.

§ 11. In niet in §§ 1 tot 10 vermelde gevallen is de in de artikelen 106 en 107, 110, 113 en 114 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger en de schuldenaar van de inkomsten of, met betrekking tot inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste Belgische tussenpersoon, zomede, eventueel, de depositaris van de rentegevende effecten, de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde uitgevaardigde voorschriften tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten naleven.

§ 12. De in artikel 108 gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

§ 13. De in artikel 111, derde lid bedoelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten een eenmalig attest opstelt waarin het volgende wordt opgenomen:

- de volledige identiteit van de gebruiker van het lichamelijk roerende goed, in het bijzonder zijn naam, rechtsvorm voor rechtspersonen, adres en KBO-nummer;

- de volledige identiteit van de gebruiksrechtgever van het lichamelijk roerende goed, in het bijzonder zijn naam, rechtsvorm, adres, land van maatschappelijk zetel of inrichting, en fiscaal identificatienummer in dat land;

- een beschrijving van het lichamelijk roerend goed waarop de gebruiksvergoeding betrekking heeft;

- de bevestiging dat de betaling of toekenning van de inkomsten kadert binnen een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 111, vierde lid;

- de financiële rekening van de gebruiksrechtgever waarop de betalingen gebeuren.

Indien de op dit attest vermelde informatie wijzigt, dient de schuldenaar een nieuw attest op te stellen.

§ 14. De in artikel 109, tweede lid, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat:

1° de verkrijger van de inkomsten een collectieve beleggingsinstelling naar buitenlands recht is, die een onverdeeld vermogen is dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van de deelnemers, en dat de rechten van deelneming van die instelling in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld;

2° de rentegevende waarden niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.

§ 15. In de gevallen bedoeld in het tweede lid van de §§ 4, 5 en 6bis, dient de schuldenaar van de inkomsten zich ertoe te verbinden op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, op die inkomsten ten voorlopigen titel een bedrag in te houden dat overeenstemt met de roerende voorheffing die daarop in de regel verschuldigd zou zijn, en dit bedrag ten definitieven titel als roerende voorheffing te zullen betalen, verhoogd met de eventuele verschuldigde nalatigheidsinteresten, indien niet is voldaan aan de voorwaarde dat de minimumdeelneming als vermeld in § 5bis of in § 6bis gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar moet zijn behouden.

§ 16. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116bis, wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem een attest wordt overhandigd door de deelnemer aan het systeem die hem de geleende financiële instrumenten overdraagt, waarin wordt bevestigd dat de inkomsten zijn verkregen door personen behorende tot de in dit artikel bedoelde categorieën.

§ 17. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 111bis, § 1, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige is onderworpen aan de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek, die de financiële instrumenten, die het voorwerp uitmaken van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de lening, voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt;

b) eigenaar is van de geleende financiële instrumenten.

§ 18. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 111bis, § 2, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten, of de in België gevestigde tussenpersoon een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een spaarder niet-inwoner is die om de toepassing kan verzoeken van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting gesloten tussen België en de Staat waarvan hij inwoner is;

b) eigenaar is van de geleende financiële instrumenten.


Art. 118.

§ 1. Met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten van Belgische oorsprong, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien onder de volgende voorwaarden :

1° voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 5°, b, en 10° :
- de schuldenaar van de inkomsten moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 6 of § 6ter, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ;

2° voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 8°, a :
- de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ;

3° voor inkomsten vermeld in de artikelen 107, § 2, 8°, b en 113, § 2, 1° :
- de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling of een spaarkas die aan de controle van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten is onderworpen, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effectenrekening bij een vereffenings- instelling of gemachtigde erkende rekeninghouder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

4° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 1 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 7, vermelde attest ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de beleggingen van het pensioen- spaarfonds begrepen zijn ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een in artikel 14515, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onder- neming of beursvennootschap, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden en die bovendien is bedoeld in artikel 14515, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effecten- rekening bij een vereffeningsinstelling of gemachtigde erkende rekening- houder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

5° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 2 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 8, vermelde attest ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de activa van dezelfde individuele spaarrekening begrepen zijn ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een in artikel 14515, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onder- neming of beursvennootschap, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden en die bovendien is bedoeld in artikel 14515, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effecten- rekening bij een vereffeningsinstelling of gemachtigde erkende rekening- houder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

6° voor inkomsten vermeld in artikel 116 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 9, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) …
c) in België of in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effectenrekening bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten.

§ 1bis. Met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien voor inkomsten vermeld in de artikelen 107, § 6, en 113, § 7, onder de volgende voorwaarden :
- de schuldenaar van de inkomsten moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 6bis, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid, stemt het tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben, voor door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd of voor effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van de effecten gekapitaliseerde interest, overeen met de periode die aanvangt op het ogenblik van de uitgifte van de effecten en eindigt op de dag van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten.

§ 2. Met betrekking tot niet in § 1, 3° tot 6°, vermelde effecten aan toonder en gedematerialiseerde effecten, kunnen parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, pensioenspaarfondsen, houders van een individuele spaarrekening of beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of vermeld in de artikelen 190, 195 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, overeenkomstig artikel 119 teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing op de desbetreffende inkomsten.

Art. 119.

§ 1. Mits daartoe, in de vormen en termijnen die zijn voorgeschreven in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een bezwaarschrift in te dienen bij de directeur van de directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de roerende voorheffing is gestort, kan de teruggave van de bij de bron geïnde roerende voorheffing worden verkregen door :

1° parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven zonder te letten op de hoedanigheid van de verkrijgers ;

2° spaarders niet-inwoners, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

3° pensioenspaarfondsen vermeld in artikel 115, § 1, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

4° houders van individuele spaarrekeningen vermeld in artikel 115, § 2, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

5° beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen en in de artikelen 190, 195 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en Europese langetermijnbeleggingsinstel- lingen.
Wanneer de in artikel 118 vermelde effecten zijn verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, kunnen de koper en de verkoper teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de brutointeresten waarvan elk van hen werkelijk het genot of de beschikking heeft gehad.
Wanneer het evenwel gaat om effecten vermeld in artikel 118, § 1, 1°, is de teruggave van de roerende voorheffing in voorkomend geval beperkt tot de voorheffing die betrekking heeft op de interest van de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam bij de uitgever.

§ 2. Met betrekking tot de in artikel 118, § 1, 1°, vermelde effecten, uitgegeven door de Staat of door het Wegenfonds en vervreemd of verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, is de administratie der thesaurie gemachtigd, voor de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam in het Grootboek der Staatsschuld, aan de verkoper en aan de verkrijger een bedrag te storten dat gelijk is aan de roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de bruto- interest dat elk van hen werkelijk heeft verkregen of waarover hij werkelijk heeft kunnen beschikken.
De in het eerste lid vermelde storting wordt uitgevoerd op voorwaarde dat de betrokken spaarder niet-inwoner de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde voorschriften naleeft.
gegeven aandelen of aandelen op een effectenrekening in België, uitgegeven vanaf 1 januari 1994 -Voorwaarden en toepassingswijze voor het verkrijgen van een verlaagd tarief inzake roerende voorheffing.
artikel 269, derde lid, b)

Art. 119bis.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 269, derde lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de aandelen aan toonder of gedematerialiseerde aandelen vanaf hun uitgifte hetzij permanent in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten is onderworpen, hetzij gedematerialiseerd worden aangehouden op naam van de eigenaar of de houder bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden.
Aan de voorwaarde van permanente open bewaargeving is voldaan indien :

1° de aandelen, met het oog op hun open bewaargeving en vanaf hun materiële uitgifte, door de emitterende vennootschap werden overhandigd aan een in het eerste lid vermelde instelling die door de bewaargever bij de inschrijving op de aandelen werd aangewezen, en

2° de open bewaargeving ononderbroken gehandhaafd is gebleven tot op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.
De omzetting van aandelen aan toonder die vanaf hun uitgifte in open bewaring zijn gegeven bij een in het eerste lid bedoelde bank, openbare instelling, beursvennootschap of spaarkas, in gedematerialiseerde aandelen overeenkomstig de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder blijft zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanente inschrijving in België op naam van de eigenaar of de houder op een effectenrekening ingeschreven bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden.
Aan de voorwaarde van permanente inschrijving op een effectenrekening is voldaan indien de aandelen vanaf hun uitgifte erop zijn ingeschreven.

§ 2. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, tweede gedachtenstreepje, van voormeld Wetboek heeft de emitterende vennootschap bij de materiële uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de bewaarnemende instellingen die erom vragen.

§ 2bis. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, derde gedachtenstreepje, van voormeld Wetboek moet de emitterende vennootschap bij de uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de rekeninghouders die erom vragen.

§ 3. Bij de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend moeten de in § 1, eerste lid, vermelde instellingen :
- per emitterende vennootschap een globaal attest opstellen waarin het aantal aandelen opgegeven wordt dat voldoet aan de hogervermelde voorwaarde van permanente open bewaargeving of permanente inschrijving op een effectenrekening ;
- dit attest bezorgen aan de emitterende vennootschap.
De emitterende vennootschap moet de voormelde attesten als bewijs bij haar aangifte in de roerende voorheffing voegen.

§ 4. In geval de aandelen van bewaarnemende of rekeninghoudende instelling veranderen, wordt voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, of vierde lid, geacht dat de open bewaargeving of de inschrijving op een effectenrekening niet onderbroken wordt indien deze verrichting gebeurt tussen instellingen als vermeld in § 1 en voor zover :
- de verrichting plaats heeft zonder de afgifte van de aandelen aan de bewaargever voor wat de aandelen aan toonder betreft die nog niet gedematerialiseerd worden aangehouden op een effectenrekening ;
- de eerste instelling aan de nieuwe instelling een attest uitreikt waarin zij bevestigt dat de betrokken aandelen tot op de dag van de voormelde verrichting het voorwerp hebben uitgemaakt van een open bewaargeving of een inschrijving op een effectenrekening als vermeld in § 1.
Art. 120 …
artikel 284)

Art. 121.

§ 1. De te verrekenen fictieve roerende voor- heffing met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvoor geheel of gedeeltelijk van de inning van roerende voorheffing is afgezien, is gelijk aan :

1° vijfentwintig vijfenzeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag van premies van Belgische overheidsfondsen die vóór 1 december 1962 zijn uitgegeven en waarop, overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing ;

2° het verschil tussen vijfentwintig vijfen- zeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing voor :
a) premies en interest van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen en inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten waarop, overeenkomstig artikel 113, § 4, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 % ;
b) inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die vóór 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, waarop overeenkomstig artikel 114, § 3, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 % ;

3° vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen nettobedrag met betrekking tot :
a) inkomsten van overheidsfondsen als vermeld in artikel 113, § 3, b ;
b) loten van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheids- fondsen waarop overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing ;

4° het verschil tussen vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing met betrekking tot niet in 3°, b, vermelde loten van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen.

§ 2. Wanneer de overeenkomstig artikel 126 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 samengevoegde belastbare inkomsten, interest omvatten van verschillende in § 1, 2°, b, vermelde deposito's, wordt geen fictieve roerende voorheffing verrekend voor de schijf van het totale bedrag van de toegekende interest waarop de roerende voorheffing tegen 25 % zou zijn geheven indien die interest door een enkel deposito was voortgebracht.

§ 3. Onder geïnd of verkregen nettobedrag als vermeld in § 1 wordt verstaan het nettobedrag van de inkomsten na aftrek van de werkelijk ingehouden roerende voorheffing maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten.

Art. 122. Artikel 121 is van toepassing op de in § 1 van dat artikel vermelde inkomsten die in de belastbare grondslag van de inkomstenbelastingen zijn opgenomen. artikel 295)

Art. 123. De roerende voorheffing, de fictieve roerende voorheffing en het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting worden, in de mate bepaald in de artikelen 276 tot 294 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners verrekend voor zover zij betrekking hebben op inkomsten die in de belastbare grondslag van die belastingen zijn opgenomen.
De roerende voorheffing die is ingehouden op dividenden waarvoor overeenkomstig artikel 307, § 1/1, derde lid, en § 1/5, eerste lid, van het voormelde Wetboek de toepassing van artikel 21, eerste lid, 14°, van datzelfde Wetboek wordt gevraagd, wordt eveneens verrekend met de personenbelasting en de belasting van niet-inwoners.

Art. 123bis. De verrekening van de roerende voorheffing bedoeld in artikel 283, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger van de inkomsten in het bezit wordt gesteld van een attest waarbij is bevestigd :
a) hetzij dat de leninggever van de aandelen waarvoor de verrekening wordt gevraagd, zonder een lening met betrekking tot die aandelen, de voorwaarden zou hebben vervuld om de verzaking aan de inning van de roerende voorheffing te bekomen overeenkomstig de artikelen 106 tot 119bis op het ogenblik van de toekenning en de betaalbaarstelling van de dividenden die betrekking hebben op de geleende aandelen ;
b) hetzij dat de leninggever zonder een lening met betrekking tot die aandelen de voorwaarden zou hebben vervuld om een vermindering van de roerende voorheffing te bekomen overeenkomstig de bepalingen van een overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting, op het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die betrekking hebben op de geleende aandelen.
Art. 124 …

Art. 125. Het in artikel 290, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deel van de belasting Staat dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten, is gelijk aan de som van : 1° de belasting Staat die betrekking heeft op de overeenkomstig artikel 171 van het voormelde Wetboek afzonderlijk belaste nettoberoepsinkomsten, en

2° het produkt van:
a) het bedrag van de belasting Staat dat betrekking heeft op het overeenkomstig artikel 130 van het voormelde Wetboek belaste belastbare inkomen, en
b) een breuk waarvan de teller het bedrag is van de overeenkomstig het voormelde artikel 130 belaste nettoberoepsinkomsten en de noemer het totaal van de overeenkomstig datzelfde artikel belaste netto- inkomsten. Vestiging en invordering van de belasting.
artikelen 297, 300, § 1, 307, § 1 en § 1/4).

Art. 125bis. Het controlecentrum Brussel 4 is belast met het onderzoek van de aangifte in de personenbelasting van de personen vermeld in artikel 27, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 126. De bepalingen van de artikelen 305, 307, §§ 2 en 3 en 307bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet- inwoners, zijn van toepassing op de aangiften inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 85, 90 en 91 van dit besluit.

Art. 127. De gemeenten moeten :

1° periodiek en tenminste eenmaal per jaar, vóór 15 januari, aan de controleur van de directe belastingen van het ambtsgebied een opgave verstrekken van de in het vorige jaar in de bevolking opgetreden veranderingen : binnengekomen en vertrokken personen, veranderingen binnen de gemeente zelf ; die opgave mag worden vervangen door fiches ad hoc of door duplicaten van de bij de bevolkingsdienst gedane aangiften ;

2° op aanvraag een uitvoerige lijst verstrekken van de personen die door hun bemiddeling bepaalde formaliteiten hebben vervuld welke ook fiscaal van belang zijn ;

3° de plaatselijke politie gelasten eventueel, tegen vergoeding, deel te nemen aan de uitreiking en de inzameling van de aangiften in de directe belastingen ;

4° een behoorlijk lokaal, zo nodig verwarmd en verlicht, ter beschikking van de ambtenaren van de belastingen stellen op de zitdagen die, voor de vestiging en inning van de directe belastingen, nu en dan noodzakelijk zijn in de gemeenten waar de belastingdienst over geen voldoende ruim kantoor beschikt.
De agglomeraties zijn verplicht tot het verstrekken, op aanvraag, van de lijst vermeld in 2° van het eerste lid.

Art. 127/0. De aangiften bedoeld in artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden uitgereikt door de dienst die daartoe is aangewezen door de administrateur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.
Art. 127/0/0 In het geval in de aangifte in de personenbelasting of in de rechtspersonenbelasting het bestaan wordt vermeld van één of meerdere juridische constructies, moet voor elke juridische constructie waarvan het bestaan moet worden vermeld, een in artikel 307, § 1/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bijlage aan die aangifte worden toegevoegd, waarvan het model werd vastgelegd door het koninklijk besluit van 16 juni 2024 tot vastlegging van het model van de in artikel 307, § 1/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting en maken deze bijlagen integraal deel uit van die aangifte.
De bevoegdheid om het model van de in het eerste lid bedoelde bijlage te wijzigen, wordt toegewezen aan de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn gedelegeerde.
indiening van de aangifte in de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting, de belasting niet- inwoners/vennootschappen en de belasting niet- inwoners/rechtspersonen.
artikel 307bis, § 3, derde lid)

Art. 127/1. Om de aangifte via elektronische weg in te dienen, maken de belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, gebruik van de toepassing Biztax die hen door de administratie ter beschikking wordt gesteld op de internetsite van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De toepassing Biztax is toegankelijk via een elektronische identiteitskaart of een door een certificatieautoriteit erkend certificaat klasse 3.
De aangifte wordt ingediend, door ze te ondertekenen met behulp van een elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening.
Een PDF-ontvangstbewijs met het elektronisch zegel in de zin van artikel 3.25. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.27. van dezelfde verordening van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt uitgereikt als bewijs dat de aangifte werd ingediend.
Na indiening kunnen de belastingplichtigen of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, met hun certificaat of elektronische identiteitskaart, de PDF-bestanden van het ontvangstbewijs, de

Art. 127/2. Indien de belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken, dienen zij jaarlijks een ondertekende schriftelijke verklaring in bij het bevoegde controlekantoor.
Na ontvangst van de verklaring reikt het bevoegde controlekantoor aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen een aangifteformulier uit.
artikelen 251 en 300, § 1)

Art. 128. De kohieren mogen afzonderlijk per soort van belasting of voorheffing of ineens voor verschillende soorten van belastingen of voorheffingen worden aangelegd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 129. Zo nodig mogen de kohieren voor verscheidene aanslagjaren opgemaakt worden mits zij jaarlijks met een nieuwe uitvoerbaarverklaring worden bekleed.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 130. Kohieren met aanslagen van belastingen of voorheffingen worden verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard ; de belastingtarieven en eventueel de opcentiemen in verband met de respectieve aanslagjaren zijn van toepassing.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 131. De kohieren van de directe belastingen worden opgemaakt per gemeente, per groep gemeenten of per ontvangkantoor.

Art. 132. De kohieren worden op door de administratie of door haar gedelegeerden bepaalde tijdstippen opgemaakt.

Art. 133.

§ 1. De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht.

§ 2. Aanslagen ten laste van overleden belastingschuldigen worden ten kohiere gebracht op hun naam voorafgegaan van het woord "Nalatenschap" en eventueel gevolgd van de vermelding van de persoon of personen die zich aan de administratie der directe belastingen hebben bekend gemaakt als erfgenaam, legataris, begiftigde of bijzondere lasthebber.
De identiteit van die personen wordt omstandig vermeld. Wanneer een van de erfgenamen formeel is aangewezen om de nalatenschap te vertegenwoordigen, geschiedt het ten kohiere brengen als volgt : "Nalatenschap X ..., de erfgenamen vertegenwoordigd door ...".
In geval van aanslag van ambtswege, moet de naam van de overleden belastingschuldige (Nalatenschap X ...) slechts gevolgd worden door de vermelding van een van de erfgenamen die aan de controleur van de belastingen bekend is.

§ 3. Als een onroerend goed in onverdeeldheid toebehoort aan meerdere eigenaars, wordt de aanslag in de onroerende voorheffing ten kohiere gebracht op naam van één of meer mede- eigenaars, gevolgd door de woorden "in onverdeeldheid".

§ 4. Aanslagen ten laste van vereffende vennootschappen, vereffende verenigingen of vereffende stichtingen worden ten kohiere gebracht op naam van de vennootschap, vereniging of stichting, gevolgd door de woorden "vereffend, vertegenwoordigd door de vereffenaar(s) q.q.".
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMS GEWEST Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 133, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.2.1.0.3 en 3.2.3.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
B. WAALS GEWEST
Tekst : KB/WIB 92 – Historische versie – Waals Gewest

Art. 134. Voor de berekening van de aanslagen in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet- inwoners wordt de belastbare grondslag in euro vastgesteld en afgerond op de cent.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 135. De verschillende aanslagen, met inbegrip van de opcentiemen, worden in elk stadium van de berekening in euro vastgesteld en afgerond op de cent. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 136. Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet gezonden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.4.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
voorstellen van vereenvoudigde aangifte door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt.
artikel 302, derde lid)

Art. 136/1.

§ 1. Wanneer de belastingplichtige vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd met de elektronische uitwisseling van berichten door de activatie van de eBox, ingesteld door de wet van 27 februari 2019 inzake elektronische uitwisseling van berichten via de eBox, geldt dit als het uitdrukkelijk akkoord met de procedure uiteengezet in artikel 302, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Deze instemming heeft als gevolg dat de in de voormelde bepaling bedoelde documenten uitsluitend worden aangeboden op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheid.
Wanneer er een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en slechts één van beide echtgenoten vooraf heeft ingestemd met de uitwisseling van berichten via de eBox, worden de documenten ook overeenkomstig artikel 302, eerste lid, van hetzelfde wetboek overgemaakt.

§ 2. De belastingplichtige zal via de eBox een bericht ontvangen wanneer hem een document ter beschikking wordt gesteld op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheid.

§ 3. De verzending van een bericht via de eBox wordt beëindigd wanneer:

1° de belastingplichtige overlijdt;

2° de belastingplichtige of in het geval van een gemeenschappelijke aanslag, één van de echtgenoten, zijn instemming met de uitwisseling van berichten via de eBox intrekt door de desactivering van de eBox. Dit kan op elk moment plaats vinden en treedt onmiddellijk in werking;
Vanaf dit moment worden de documenten overeenkomstig artikel 302, eerste lid, van hetzelfde wetboek overgemaakt. In het geval van een gemeenschappelijke aanslag blijft de echtgenoot die de eBox niet gedesactiveerd heeft, gebruik maken van deze dienst.

Art. 137. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 138. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 139. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 139, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.4.3.0.1, 3.4.4.0.1. en 3.4.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 141. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.3.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2https://gcloudbelgium.sharepoint.co m/sites/minfin-fisconet_public/fiscal- discipline/federated-entities/flemish- autority/flemish-code-of-taxation/0a007bbc-c168- 464a-8f7f-b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 142. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 142, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.6.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 144/1. Het aandeel van iedere belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 144/2 tot 144/7.

Art. 144/2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : 1° het aandeel van een belastingplichtige in de ingekohierde aanslag: de personenbelasting op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige zoals dit inkomen is bepaald in de ingekohierde aanslag, waarbij onder personenbelasting moet worden verstaan:
- de totale belasting van de belastingplichtige,
verhoogd met de in de artikelen 1457, - § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, en 157 tot 168/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in artikel 15, § 3, vierde en achtste lid, van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) en in artikel 12, § 5, tweede en zesde lid, van de wet van 2 april 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19- pandemie vermelde vermeerderingen en verminderd met de in de artikelen 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek vermelde bonificatie die bij hem werden toegepast;
- verminderd met de op zijn naam gedane voorafbetalingen als bedoeld in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek, en met het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting, de voorheffingen, de belastingkredieten bedoeld in de artikelen 134, §§ 3 en 4, 289bis, 289ter en 289ter/1, van hetzelfde Wetboek en in hoofdstuk 5 van de wet van 20 november 2022 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen en de gewestelijke belastingkredieten waarop de hij recht heeft ;
- verhoogd met zijn aandeel in de belastingverhogingen vermeld in artikel 444 van hetzelfde Wetboek berekend overeenkomstig de bepaling onder 3°;
- verhoogd met de aanvullende belastingen vastgesteld overeenkom- stig de artikelen 466 en 466bis van hetzelfde Wetboek;
- en verhoogd met zijn aandeel in de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid berekend overeenkomstig de bepaling onder 4° en verminderd met de inhoudingen verricht overeenkomstig artikel 109 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en het supplement bedoeld in artikel 125, 1°, van dezelfde wet, die werden verrekend;
- en verhoogd met zijn aandeel in de bijzondere bijdrage energie berekend overeenkomstig de bepaling onder 5° ;

2° het aandeel van een belastingplichtige in de fictieve aanslag : de personenbelasting op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige zoals dit inkomen is bepaald in de ingekohierde aanslag, vastgesteld overeenkomstig de bepaling onder 1°, maar met toepassing van een correctie vermeld in de artikelen 144/3, 144/4 of 144/5;

3° het aandeel van een belastingplichtige in de belastingverhogingen : de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde verhogingen geprorateerd in functie van het aandeel van de belastingplichtige in het belastingverschil dat aan de berekeningsbasis ligt van de verhogingen;

4° het aandeel van een belastingplichtige in de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid : de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde bijzondere bijdrage geprorateerd in functie van het aandeel van de belastingplichtige in het gezinsinkomen zoals gedefinieerd in artikel 107, 2°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

5° het aandeel van een belastingplichtige in de bijzondere bijdrage energie: de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde bijzondere bijdrage geprorateerd in functie van het aandeel van het inkomen van de belastingplichtige zoals omschreven in de artikelen 57, 6° van de wet van 30 oktober 2022 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis en 24, 6°, van de wet van 19 december 2022 houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie in de som van het inkomen van de beide belastingplichtigen.

Art. 144/3. Indien krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderhoudsuitkeringen werden afgetrokken door een belastingplichtige voor één of meer kinderen ten laste die op 1 januari van het aanslagjaar enkel
belastingplichtige, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, evenwel zonder voor het bepalen van de toeslagen op de belastingvrije som als bedoeld in artikel 132 van hetzelfde Wetboek, rekening te houden met voornoemde kinderen.
Het fiscaal voordeel voor kinderen ten laste verkregen door de belastingplichtige die de onderhoudsuitkeringen heeft betaald, is gelijk aan het verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid;

2° en zijn aandeel in de ingekohierde aanslag.

Art. 144/4. Indien de belastingvrije som als bedoeld in artikel 131 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt verhoogd door toepassing van artikel 132 of 132bis van hetzelfde Wetboek, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, evenwel zonder toepassing van de toeslagen op de belastingvrije som als bedoeld in de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek.
Het fiscaal voordeel verkregen door iedere belastingplichtige is gelijk aan de helft van het verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid;

2° en zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig artikel 144/3 of, wanneer artikel 144/3 niet van toepassing is, zijn aandeel in de ingekohierde aanslag.

Art. 144/5. Indien een deel van de beroepsinkomsten van één van de belastingplichtigen wordt toegerekend aan de andere belastingplichtige overeenkomstig de artikelen 87 of 88 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, maar zonder toepassing van de artikelen 87 en 88, noch de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek.
Het fiscaal nadeel geleden door de belastingplichtige aan wie beroepsinkomsten worden toegerekend overeenkomstig de artikelen 87 of 88 van hetzelfde Wetboek, is gelijk aan het positieve verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig artikel 144/4 of in de ingekohierde aanslag indien artikel 144/4 niet van toepassing is;

2° en zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid.

Art. 144/6.

§ 1. Het aandeel van iedere belasting- plichtige in de gemeenschappelijke aanslag is gelijk aan :

1° zijn aandeel in de ingekohierde aanslag;

2° eventueel vermeerderd met, voor de belastingplichtige die onderhoudsuitkeringen heeft afgetrokken voor één of meer kinderen ten laste die op 1 januari van het aanslagjaar enkel deel uitmaakten van het gezin van de andere belastingplichtige, het fiscaal voordeel berekend overeenkomstig artikel 144/3, tweede lid;

3° eventueel verminderd met, voor de andere dan in 2° bedoelde belastingplichtige, het fiscaal voordeel berekend overeenkomstig artikel 144/3, tweede lid, dat de andere belastingplichtige heeft verkregen;

4° eventueel vermeerderd met het fiscaal voordeel dat hij heeft verkregen ten gevolge van de toepassing van de artikelen 132 en 132bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en berekend overeenkomstig artikel 144/4, tweede lid;

5° eventueel verminderd met het fiscaal voordeel dat de andere belastingplichtige heeft verkregen ten gevolge van de toepassing van de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/4, tweede lid;

6° eventueel verminderd met het fiscaal nadeel dat hij heeft geleden ten gevolge van de toerekening van beroepsinkomsten van de andere belastingplichtige op basis van artikel 87 of 88 van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/5, tweede lid;

7° eventueel vermeerderd met het fiscaal nadeel dat de andere belastingplichtige heeft geleden ten gevolge van de toerekening van een deel van zijn beroepsinkomsten aan de andere belastingplichtige op basis van artikel 87 of 88 van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/5, tweede lid.

§ 2. Indien het aandeel van een belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig paragraaf 1 resulteert in een terug te geven belasting, wordt het bedrag van de terugbetaling beperkt tot het totaal van :

1° zijn voorafbetalingen en terug te betalen voorheffingen;

2° het belastingkrediet verrekend overeen- komstig artikel 134, §§ 3 en 4, van hetzelfde Wetboek, beperkt tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 134, § 3, tweede lid, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek vermenigvuldigd met het totaal van :
- het aantal kinderen bedoeld in artikel 144/3, eerste lid, die op 1 januari van het aanslagjaar enkel deel uitmaakte van zijn gezin;
- de helft van het aantal niet in artikel 144/3, eerste lid, bedoelde kinderen ten laste voor wie artikel 132bis van hetzelfde Wetboek niet wordt toegepast;
- één vierde van het aantal niet in artikel 144/3, eerste lid, bedoelde kinderen voor wie artikel 132bis van hetzelfde Wetboek wordt toegepast;

3° de andere verrekenbare en terugbetaalbare elementen waarop de belastingplichtige recht heeft.
Het verschil tussen de terug te geven bedragen aan de belastingplichtige berekend overeenkomstig paragraaf 1 en het eerste lid, wordt toegerekend aan het aandeel van de andere belastingplichtige in de gemeenschappelijke

§ 3. Indien het aandeel van een belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 resulteert in een terug te geven belasting en het aandeel van de andere belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 overeenstemt met een te betalen belasting, vindt er een correctie plaats :
- indien het resultaat van de ingekohierde aanslag een terug te geven belasting is, wordt het aandeel van de belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en resulterende in een terug te geven belasting, beperkt tot het resultaat van de ingekohierde aanslag en het aandeel van de andere belastingplichtige wordt herleid tot nul euro;
- indien het resultaat van de ingekohierde aanslag een te betalen belasting is, wordt het aandeel van de belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en resulterende in een terug te geven belasting, herleid tot nul euro en het aandeel van de andere belastingplichtige wordt beperkt tot het resultaat van de ingekohierde aanslag.

Art. 144/7. Het aandeel van iedere belastingplichtige in de aanvullende aanslag wordt verminderd met het aandeel van ieder van hen in de aanslag waarmee de aanvullende aanslag verbonden is.
artikel 300, § 1)
Art. 145 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 145, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
artikel 300, § 1)
Art. 146 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 147 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 148 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
A. Dwangbevel
Art. 149 …
Art. 150 …
B. Uitvoerend beslag op roerend goed Art. 151 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 152…
Art. 153 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 154 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. Art. 155 …
Art. 156 …
C. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten
Art. 157…
D. Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen
Art. 158 …
E. Uitvoerend beslag op onroerend goed
Art. 159 …
Art. 160 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 160, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Art. 161 … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.5. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated- entities/flemish-autority/flemish-code-of- taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van
G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten gemene bepalingen
Art. 162 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.6. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 163 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.7. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
A. Vervolgingen tegen derden-houders
Art. 164 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 164, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 165 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 165, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
B. Aanwending van sommen die aan een belastingschuldige moeten worden teruggegeven of betaald
Art. 166 …
personen
Art. 167 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.5.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 168 …
Art. 169 …
Art. 170 …
Art. 171 …
Art. 172 … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 173 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 174 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. Art. 175 …
artikel 300, § 1)

Art. 145. Art. 145 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 145,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).

Art. 146. Art. 146 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 147. Art. 147 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 148. Art. 148 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.
A. Dwangbevel

Art. 151. Art. 151 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 153. Art. 153 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.3.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 154. Art. 154 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.4.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 160. Art. 160 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 160,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).

Art. 161. Art. 161 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.5.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi
n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated-
entities/flemish-autority/flemish-code-of-
taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f-
b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van
toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed
en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten
gemene bepalingen

Art. 162. Art. 162 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.6.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 163. Art. 163 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.7.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 164. Art. 164 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 164,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 165. Art. 165 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 165,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.
B. Aanwending van sommen die aan een
belastingschuldige moeten worden teruggegeven
of betaald

Art. 167. Art. 167 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.5.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 172. Art. 172 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 173. Art. 173 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 174. Art. 174 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.3.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 176. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen.
Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren ; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld.
De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiën zijn aangewezen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.2.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen
artikel 301)

Art. 177.

§ 1. Bij overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen , zijn de personen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, verplicht zijn de akte of een verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, ter registratie aan te bieden en de desbetreffende rechten te betalen, verplicht, bij de registratie van die akte of van die verklaring, op de financiële rekening van de bevoegde dienst, de belasting van niet-inwoners te betalen met betrekking tot de meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Artikel 169ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de belasting van niet-inwoners die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.

§ 2. Wanneer § 1 moet worden toegepast, zijn de personen die verplicht zijn tot registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld verplicht, vóór registratie, aan de ontvanger van de registratie een aangifte in tweevoud voor te leggen waarbij kennis wordt gegeven van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarde en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
Hangt de in de belasting van niet-inwoners belastbare grondslag geheel of gedeeltelijk af van de waardering van een levenslang recht, dan moet de aangifte de naam, voornamen, woonplaats, geboorte -plaats en -datum vermelden van de personen die gezegd levenslang recht genieten.
Bij overdracht van een gebouwd onroerend goed als bedoeld in artikel 91 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 moet, wanneer de ontvanger van de registratie erom verzoekt, een verklaring de verkoopwaarde vermelden van de los van de grond beschouwde gebouwen.
Het registratiekantoor kan de registratie van de akte afhankelijk stellen van de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen en waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is als vermeld in artikel 227, 1° of 3°, van hetzelfde Wetboek.

§ 3. De belasting van niet-inwoners verschuldigd op meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde Wetboek gevestigd door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, en wordt overeenkomstig het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ingevorderd wanneer die belasting, om welke reden ook, niet is betaald overeenkomstig paragraaf 1, of wanneer het als gezegde belasting overeenkomstig paragraaf 1 betaalde bedrag lager is dan het verschuldigde bedrag.

§ 4. De bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn van toepassing op de belasting van niet- inwoners die wordt geheven bij de registratie van een akte of van een verklaring waarbij de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen is vastgesteld.
personenbelasting
artikel 306)

Art. 178.

Art. 178, § 2, 19° (toevoeging) en 20° (toevoeging), § 3, 3°, § 3, 9°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024 (art. 1, 1°, 2° en 3°, en art. 2, KB 13.03.2024 - B.S. 19.03.2024; Numac: 2024002423)

Art. 178, § 2, 17°, 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 17, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 ​​

§ 1. De belastingplichtigen zijn, krachtens artikel 306, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vrijgesteld van aangifteplicht in de personenbelasting en ze ontvangen, krachtens artikel 306, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, een voorstel van vereenvoudigde aangifte voor het aanslagjaar waarvan het belastbaar tijdperk volgt op een kalenderjaar waarin ze geen andere belastbare inkomsten en elementen hebben aangegeven dan die als bedoeld in § 2, en voor zover ze niet worden uitgesloten van de vrijstelling krachtens § 3.

§ 2. Belastingplichtigen worden van aangifteplicht in de personenbelasting vrijgesteld en ontvangen een door de administratie opgesteld voorstel van vereenvoudigde aangifte, wanneer ze geen andere belastbare inkomsten en elementen moeten aangeven dan:

1° wettelijke pensioenen verkregen vanaf de wettelijke pensioenleeftijd en de achterstallen daarvan;

2° overlevingspensioenen en de achterstallen daarvan;

3° andere pensioenen, renten, omzettingsrenten, als renten of pensioenen geldende kapitalen, afkoopwaarden en als zodanig geldende toelagen en de achterstallen daarvan;

3°/1 uitkeringen, toelagen, renten en omzettingsrenten van kapitalen voortvloeiend uit de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten wegens blijvende ongeschiktheid en de achterstallen daarvan;

3°/2 sommen die afkomstig zijn van een in het kader van het pensioensparen geopende spaarrekening of spaarverzekering;

4° werkloosheidsuitkeringen en de achterstallen daarvan;

5° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de achterstallen daarvan;

6° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen;

7° uitgaven betaald voor prestaties betaald met dienstencheques;

8° bedrijfsvoorheffing en voorafbetalingen;

9° persoonlijke gegevens en gezinslasten;

10° niet ingehouden persoonlijke sociale bijdragen;

11° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten, die na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van een in België of in het buitenland gevestigde onderneming of rechtspersoon.

12° giften.

13° bezoldigingen;

14° in artikel 90, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde onderhoudsuitkeringen die niet hoger zijn dan de belastingvrije som wanneer de belastingplichtige een minderjarige jonger dan 16 jaar is.

15° uitgaven gedaan in uitvoering van een hypothecaire leningsovereenkomst, die betrekking hebben op een belastingvermindering voor de eigen woning, tenzij de gegevens die erop betrekking hebben, niet op elektronische wijze in het bezit zijn van de administratie of indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte.

16° premies gestort in uitvoering van een contract van een individuele levensverzekering, die betrekking hebben op een belastingvermindering voor het langetermijnsparen, tenzij de gegevens, die erop betrekking hebben, niet op elektronische wijze in het bezit zijn van de administratie of indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte.

17° de inkomsten van onroerende goederen gelegen in België zoals bepaald in artikel 7, § 1, 1°, tweede streepje; 2°, a), tweede streepje en 2°, bbis), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, behoudens indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte of als de belastingplichtige eveneens de kosten aangeeft die zijn gemaakt bij de uitvoering van een hypothecaire leningsovereenkomst bedoeld in 15°;

18° de premies betaald ter uitvoering van een contract van rechtsbijstandverzekering.

19° inkomsten van een deeleconomie of van verenigingswerk, wanneer deze laatsten de voorwaarden vervullen om gekwalificeerd te kunnen worden als diverse inkomsten en niet gekwalificeerd zijn als beroepsinkomsten door de administratie, tijdens het vorige aanslagjaar of het lopende aanslagjaar;

20° uitgaven voor kinderoppas, tenzij deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte;

§ 3. In afwijking van § 2 geldt de vrijstelling van aangifteplicht niet voor de belastingplichtigen die:

1° inkomsten van buitenlandse oorsprong moeten aangeven;

2° een of meer rekeningen of individuele levensverzekeringsovereenkomsten in het buitenland bezitten;

3° in de loop van het belastbare tijdperk overleden zijn. De vrijstelling geldt dan evenmin voor hun erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden die de aangifte van de overledene moeten indienen, met uitzondering van de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van een overledene die als alleenstaande beschouwd wordt, zowel voor het belastbare tijdperk voorafgaand aan het overlijden als voor dit in de loop waarvan het overlijden is voorgekomen;

4° van ambtswege uit de bevolkingsregisters geschrapt zijn;

5° hun woonplaats in het buitenland hebben;

6° geen gekend adres hebben;

7° beroepsinkomsten hebben die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op hun andere inkomsten;

8° echtgenoot van een in 3° of 7° bedoelde belastingplichtige zijn;

9° hun ondernemingsnummer moeten aangeven, winst voortkomend uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten, winst voortkomend uit vrije beroepen, posten of andere winstgevende activiteiten, baten, winsten, bezoldigingen van bedrijfsleiders, bezoldigingen van meewerkende echtgenoten en wettelijk samenwonende partners, voorheffingen met betrekking tot een zelfstandige beroepsactiviteit, winsten en baten van een vroegere beroepswerkzaamheid, een eerste inrichting als zelfstandige, diverse inkomsten of die moeten voldoen aan de daarop betrekking hebbende codes, met uitzondering van inkomsten uit de deeleconomie of verenigingswerk die de limieten bepaald in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 niet hebben overschreden en onderhoudsuitkeringen;

10° zelf of hun echtgenoot of wettelijk samenwonende evenals de kinderen waarover ze het ouderlijk gezag uitoefenen, hetzij een oprichter zijn van een juridische constructie zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hetzij een derde begunstigde zijn zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 14°/1, van hetzelfde Wetboek;

11° in artikel 21, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek bedoelde leningen hebben toegekend, waarvan de looptijd nog niet is verstreken.

§ 4. Voor zover ze niet worden uitgesloten van de vrijstelling krachtens § 3 blijven de belastingplichtigen die bij toepassing van de §§ 1 en 2 of van deze paragraaf voor het voorgaand aanslagjaar van aangifteplicht in de personenbelasting waren vrijgesteld en een voorstel van vereenvoudigde aangifte hadden ontvangen, en die op grond van de aangebrachte wijzigingen aan dat voorstel van vereenvoudigde aangifte in beginsel niet meer aan de voorwaarden van § 2 voldoen om voor het daaropvolgende aanslagjaar van aangifteplicht te worden vrijgesteld, voor dat aanslagjaar toch vrijgesteld van aangifteplicht in de personenbelasting en blijven zij een voorstel van vereenvoudigde aangifte ontvangen op voorwaarde dat zij geen andere aan te geven belastbare inkomsten hebben dan de inkomsten als bedoeld in § 2, 1° tot 5° en 11°.



Art. 178/1.

§ 1. Krachtens artikel 306, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is de administratie er niet toe gehouden een voorstel van vereenvoudigde aangifte te sturen aan de door artikel 178 van aangifteplicht vrijgestelde belastingplichtigen van wie de belastbare inkomsten minder bedragen dan :

1° de belastingvrije som indien het gaat om belastingplichtigen die alleen worden belast ;

2° de samengetelde belastingvrije sommen van de beide belastingplichtigen wanneer een gemeenschappelijke aanslag moet worden gevestigd.

§ 2. …
van de aanvraag tot verrekening van de roerende voorheffing die is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden
artikel 307, § 1/1, derde lid, en § 1/5)

Art. 178/2. De belastingplichtige die bij toepassing van artikel 307, § 1/1, derde lid, of § 1/5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling vraagt van de roerende voorheffing die overeenkomstig artikel 261 van hetzelfde Wetboek is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek bedoelde eerste schijf van dividenden, houdt de documenten ter beschikking van de administratie waaruit de onderstaande gegevens blijken:
- de naam van de vennootschap die de dividenden heeft toegekend;
- het bruto bedrag van de dividenden;
- voor de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen, desgevallend, het land van oorsprong van de dividenden en het bedrag van de buitenlandse belasting;
- het tarief van de roerende voorheffing, desgevallend, voor de belastingplichtigen onderworpen aan de belasting van niet- inwoners, rekening houdende met verminderingen op grond van een verdrag tot vermijden van dubbele belasting;
- het bedrag van de ingehouden roerende voorheffing, desgevallend opgesplitst per tarief;
- wat de inkomsten van Belgische oorsprong betreft, de datum waarop de dividenden door de vennootschap zijn betaald of toegekend;
- de datum waarop de dividenden door de belastingplichtige zijn geïnd.
De in het eerste lid bedoelde documenten zijn afgeleverd door de financiële instelling waarbij de belastingplichtige de rekening aanhoudt waarop de dividenden zijn gestort, door een andere financiële instelling die als tussenpersoon tussenbeide is gekomen bij de uitbetaling van de dividenden of door de vennootschap die de dividenden heeft toegekend. betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in Staten zonder of met een lage belasting.
artikel 307)

Art. 179. De in artikel 307, § 1,vijfde lid, b, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, bedoelde lijst van Staten zonder of met een lage belasting is de hiernavolgende :

1° Abu Dhabi ;

2° Ajman ;

3° Anguilla ;

4° Bahama’s ;

5° Bahrein ;

6° Bermuda ;

7° Britse Maagdeneilanden ;

8° Kaaimaneilanden ;

9° Dubai ;

10° Fujairah ;

11° Guernsey ;

12° Jersey ;

13° Eiland Man ;

14° Marshalleilanden;

15° Micronesië (Federatie van) ;

16° Monaco ;

17° Montenegro ;

18° Nauru ;

19° Oezbekistan; 20° Palau;

21° Pitcairneilanden

22° Ras al Khaimah ;

23° Saint-Barthelemy ;

24° Sharjah ;

25° Somalië;

26° Turkmenistan;

27° Turks en Caicos Eilanden;

28° Umm al Qaiwain;

29° Vanuatu ;

30° Wallis-en-Futuna.
mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang.
artikel 314, § 4)

Art. 180.

Art. 180, § 1, is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 21 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]


§ 1. De naamloze vennootschap naar Belgisch recht Joos, nr. BE 0449.689.723 waarvan de statutaire zetel is gevestigd te 2300 Turnhout, Everdongenlaan 14, wordt aangewezen om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens als vermeld in artikel 314, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Die mededeling staat niet gelijk met het recht van toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen.​

Art. 181.

§ 1. De naamloze vennootschap Joos gebruikt de in artikel 180, § 1, vermelde gegevens uitsluitend in haar werkplaatsen waar de werken worden uitgevoerd voor het adresseren van de aangifteformulieren inzake personenbelasting en met inachtneming van de bepalingen van artikel 314, § 4, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Op straffe van toepassing van de bepalingen van artikel 314, § 5, van hetzelfde Wetboek neemt de naamloze vennootschap Joos de nodige maatregelen met het oog op de naleving van de voorschriften van § 1.
artikel 321ter)

Art. 181/1.

§ 1. De individuele fiche die pensioeninstellingen in toepassing van artikel 321ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bezorgen aan de administratie die belast is met de vestiging van de personenbelasting, vermeldt de volgende gegevens met betrekking tot elk pensioen dat bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het voormelde Wetboek werd vrijgesteld:

1° het jaar waarin het pensioen werd betaald of toegekend;

2° de volgende gegevens met betrekking tot de uitkerende instelling:
a) de naam en de rechtsvorm;
b) het adres;
c) het ondernemingsnummer;

3° de volgende gegevens met betrekking tot de verkrijger van de inkomsten:
a) de naam en voornaam;
b) het adres van de fiscale woonplaats;
c) het buitenlands identificatienummer, hetzij:
- een fiscaal identificatienummer; - een sociale zekerheidsnummer;
- een ander identificatienummer;
evenals het land van uitgifte van het identificatienummer;
d) de geboortedatum;

4° de volgende gegevens met betrekking tot uitkering:
a) het unieke contract- of polisnummer, of bij gebrek daaraan, het unieke nummer waarmee de aangeslotene wordt geïdentificeerd;
b) de aanleiding van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "pensionering";
- "vervroegde pensionering";
- "overlevingspensioen";
- "invaliditeit of arbeids- ongeschiktheid";
- "andere";
c) de reden van de betaling van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "betaling op eindvervaldag";
- "afkoop zonder voorwaarde";
- "afkoop ingevolge invaliditeit of medische situatie";
- "afkoop onder andere omstandigheden";
- "betaling wegens andere oorzaak";
- "overdracht ingevolge erfenis";
- "overdracht ingevolge schenking";
- "overdracht ingevolge verkoop";
- "overdracht ingevolge een andere oorzaak";
d) de periodiciteit van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "éénmalige uitkering van het kapitaal";
- "meervoudige uitkeringen";
e) het bedrag van de uitkering:
- het totale bedrag van de uitkering, na inhouding van verplichte sociale bijdragen en vóór inhouding van belastingen of voorheffingen;
- de munteenheid waarin het bedrag is uitgekeerd;

5° de volgende gegevens met betrekking tot de opbouw van het pensioen:
a) de naam, de rechtsvorm en het adres van de ondernemingen en de vennootschappen die aan de pensioeninstelling premies en bijdragen hebben betaald voor het pensioen;
b) ingeval het pensioen geheel of gedeeltelijk bestaat uit overgedragen pensioenreserves:
- de naam, de rechtsvorm en het adres van de pensioeninstelling vanwaar die reserves werden overgedragen;
- de naam, de rechtsvorm en het adres van de ondernemingen en de vennootschappen die aan de overdragende pensioen- instelling premies en bijdragen hebben betaald voor het pensioen; c) ingeval het een overlevingspensioen of uitkering naar aanleiding van overlijden betreft, of in geval er in het kader van een echtscheiding een deel van de pensioenrechten naar de andere echtgenoot werd overgeheveld: de naam van de persoon in hoofde van wie de pensioenrechten werden opgebouwd.

§ 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de modaliteiten van de elektronische indiening van de fiches.

§ 3. De fiches worden afgeleverd met het oog op de controle van de in artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vrijstelling en op het nakomen van de verplichtingen inzake internationale gegevensuitwisseling.
Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), bewaart de administratie de persoonsgegevens die voorkomen op de fiches niet langer dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die één jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die betrekking hebben op het afleveren van de fiches, het verlenen van de vrijstelling of de internationale gegevensuitwisseling, niet mag overschrijden.
andere fiscale administraties die bevoegd zijn om onderzoekingen uit te voeren.
artikel 334bis)

Art. 181bis. De onderzoekingen bedoeld in hoofdstuk III van VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen worden verricht door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen die bij toepassing van het koninklijk besluit van 7 december 1992 ter beschikking van de administratie der directe belastingen zijn gesteld.
baten van ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep.
artikel 342, § 2)

Art. 182.

§ 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, alsmede, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen wordt bepaald als volgt :

1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belasting- plichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen ;

2° ondernemingen behorend tot de :
a) scheikundige nijverheid : 22.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
b) voedingsnijverheid : 12.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, onderne- mingen die niet-energetische delf- stoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en onder- nemingen : 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;

3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :
a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
b) tussenpersonen in handel en vervoer : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 14.500 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
c) banken, krediet- en wissel- instellingen : 24.000 EUR per perso- neelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
d) verzekeringen : 2,50 EUR per 25 EUR geïnde premies ;
e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

§ 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan 19.000 EUR.
Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte is het minimumbedrag vastgelegd in het eerste lid ook van toepassing op de belastbare baten van beoefenaars van een vrij beroep.

§ 2/1. In het geval van niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet- inwoners overeenkomstig artikel 227,2°, van hetzelfde wetboek, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld met toepassing van artikel 342, § 4, van hetzelfde Wetboek, verhoogd met:
- 25 pct. in geval van een tweede inbreuk;
- 50 pct. in geval van een derde inbreuk;
- 100 pct. in geval van een vierde inbreuk;
- 200 pct. in geval van een vijfde inbreuk of een daaropvolgende inbreuk.

§ 2/2. Voor de vaststelling van het verhogingspercentage van het minimum van de belastbare winst in toepassing van § 2/1, worden de vorige inbreuken niet in aanmerking genomen wanneer geen enkel inbreuk is bestraft voor de laatste 4 aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe inbreuk van niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte wordt begaan.

§ 3. De overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, van hetzelfde Wetboek vermelde meerwaarden.
Art. 183 tot / à 198 …
voor de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting van niet-inwoners en voorheffingen, en van de inkomsten die daartoe behoren.
artikel 360, tweede lid)

Art. 199. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
a) van de onroerende voorheffing ; b) van de roerende voorheffing ;
c) van de bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 270 tot 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 200. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
a) van de personenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 243 tot 244, 245 en 248 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 wordt gevestigd ;
b) van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 233 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen niet of per kalenderjaar boekhouden ;
c) van de rechtspersonenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 234 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd.

Art. 201. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar vóór het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennoot- schapsbelasting en van de belasting van niet- inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer het boekjaar loopt over een tijdperk dat korter of langer is dan een jaar en de betrokkenen hun boekhouding afsluiten op 31 december van het jaar.

Art. 202. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar, afgesloten in het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen anders dan per kalenderjaar boekhouden.

Art. 203.

§ 1. Met betrekking tot belastingplichtigen voor wie de gronden voor belastbaarheid overeenkomstig artikel 200 slechts na 1 januari aanwezig zijn of vóór 31 december zijn weggevallen, stemt het belastbare tijdperk overeen met het gedeelte van het jaar waarin die gronden aanwezig zijn geweest.
In afwijking van gezegd artikel 200 wordt het aanslagjaar genoemd naar het jaar waarin de gronden voor belastbaarheid weggevallen zijn, om een andere reden dan overlijden van de belastingplichtige.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 :

1° zijn de gronden voor belastbaarheid in een inkomstenbelasting slechts na 1 januari aanwezig indien de persoon op een later tijdstip dan 1 januari de hoedanigheid van belastingplichtige in die inkomstenbelasting verkrijgt;

2° vallen de gronden voor belastbaarheid in een inkomstenbelasting weg voor 31 december indien de persoon op een tijdstip vroeger dan 31 december de hoedanigheid van belastingplichtige in die inkomstenbelasting niet meer bezit.

Art. 204. Inkomsten van het in de artikelen 199 tot 203 vermelde belastbare tijdperk zijn :

1° inkomsten van gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die op dat tijdperk betrekking hebben ;

2° inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die overeenkomstig de artikelen 261, 2°, 263, eerste lid, en 267 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de roerende voorheffing onderworpen zijn en tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend ; 3° beroepsinkomsten, bestaande uit :
a) vastgestelde of vermoede winst of baten, andere dan vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten, van dat tijdperk ;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen en vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten ;
c) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende pensioenen, renten en toelagen ;

4° diverse inkomsten, bestaande uit :
a) vastgestelde of vermoede winst of baten van dat tijdperk, vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek ;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende sommen vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 7°, van hetzelfde Wetboek ;
b/1) …
c) vastgestelde of vermoede meer- waarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 8°, van hetzelfde Wetboek ;
d) meerwaarden vermeld in artikel 90, eerste lid, 9°, van hetzelfde Wetboek ;
e) vastgestelde of vermoede meer- waarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek ;
f) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek ;
g) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 12°, van hetzelfde Wetboek ;

5° de kosten, bijdragen, pensioenen, renten en toelagen vermeld in de artikelen 222 en 223, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, die door de belastingplichtige tijdens dat tijdperk zijn betaald of toegekend.

Art. 205. Voor de toepassing :

1° van artikel 204, 3°, a, worden winst of baten die uit een boekhouding blijken, geacht verkregen te zijn op de datum van afsluiting van het boekjaar waarop zij betrekking hebben ;

2° van artikel 204, 3°, b, wordt het bedrag vermeld in artikel 31, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geacht te zijn betaald of toegekend op de datum waarop de aandelen zijn overgedragen ;

3° ...

Art. 206. De bijzondere aanslag in de vennootschaps- belasting vermeld in artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de bijzondere aanslag in de belasting van niet-inwoners gevestigd volgens artikel 246, 2°, en de aanslagen vermeld in artikel 247, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek, worden verbonden aan het aanslagjaar betreffende het belastbare tijdperk bepaald overeenkomstig de artikelen 200 tot 203, in de loop waarvan de omstandigheid, waarin gezegde aanslagen hun grond vinden, zich heeft voorgedaan.
de roerende voorheffing die is ingehouden op in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden
artike 376/1)

Art. 206/1.

§ 1. De belastingplichtige die bij toepassing van artikel 376/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de terugbetaling wil bekomen van de roerende voorheffing die overeenkomstig artikel 261 van hetzelfde Wetboek is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek bedoelde eerste schijf van dividenden dient hiertoe een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende schriftelijke aanvraag in bij de adviseur-generaal van het Centrum Buitenland.

§2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag vermeldt:
- de naam, de voornaam, de geboortedatum en het volledige adres van de belastingplichtige;
- het buitenlands fiscaal identificatienummer van de belastingplichtige;
- het inkomstenjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
- het nummer van de financiële rekening op naam van de belastingplichtige waarop de terugbetaling moet worden gestort, evenals de naam en het adres van financiële instelling waarbij die rekening wordt aangehouden.
Bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:

1° een attest van het statuut van niet-inwoner;

2° de documenten waaruit de volgende gegevens blijken:
- de naam van de vennootschap die de dividenden heeft toegekend;
- het bruto bedrag van de dividenden;
- het tarief van de roerende voorheffing, rekening houdende met de verminderingen op grond van een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting;
- het bedrag van de ingehouden roerende voorheffing, desgevallend opgesplitst per tarief; - de datum waarop de dividenden door de vennootschap zijn betaald of toegekend;
- de datum waarop de dividenden door de belastingplichtige zijn geïnd.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde documenten zijn afgeleverd door de financiële instelling waarbij de belastingplichtige de rekening aanhoudt waarop de dividenden zijn gestort, door een andere financiële instelling die als tussenpersoon tussenbeide is gekomen bij de uitbetaling van de dividenden of door de vennootschap die de dividenden heeft toegekend.
voor de fiscale en niet-fiscale schulden van een aannemer of onderaannemer
artikelen 403, 404 en 406)
Art. 207 …
Art. 208 …
Art. 209 …

Art. 210. Wanneer de in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgelegde storting niet is verricht, wordt de in artikel 393 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde administratieve boete, voor ten hoogste drie overtredingen, verminderd tot een achtste, een vierde of de helft van die boete naargelang het respectievelijk een eerste, een tweede of een derde overtreding betreft, op voorwaarde dat degene die de storting niet heeft verricht, een overeenkomst had afgesloten met een aannemer die op het ogenblik van het afsluiten ervan geen fiscale en niet-fiscale schulden had, en dat die aannemer op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding :

1° ofwel, geen fiscale en niet-fiscale schulden meer heeft; 2° ofwel, nog steeds fiscale en niet-fiscale schulden heeft en degene die de storting niet heeft verricht, op verzoek van de administratie alsnog de vereiste storting heeft uitgevoerd binnen de door haar opgelegde termijn en het bewijs van storting wordt overgelegd.
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de bedrijfsvoorheffing op meerwaarden verwezenlijkt op onroerende goederen door niet- inwoners
artikel 412bis)

Art. 210ter. De vermeldingen die moeten voorkomen in het bericht bedoeld in artikel 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn opgenomen in bijlage 4 van het koninklijk besluit van 22 juni 2020 tot uitvoering van de artikelen 93ter tot 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 412bis, 433 tot 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 35 tot 37, 43 tot 45 en 47 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen en de artikelen 157 tot 159 en 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake het e-notariaat.
persoonlijke borgstelling.
artikel 420, § 1)

Art. 211. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 213.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 214.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 215.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 217.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.5. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 218. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.6. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated- entities/flemish-autority/flemish-code-of- taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van

Art. 219.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.7. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
kredietinstellingen of -inrichtingen.
artikel 443)

Art. 220.

Art. 220 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 22 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

De ambtenaar vermeld in artikel 443 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is:

1° de ontvanger van de directe belastingen in wiens ambtsgebied de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een in dat artikel vermeld krediet, lening of voorschot wordt toegekend, zijn woonplaats (...) of zijn voornaamste inrichting van bestuur heeft;

2° de ontvanger van de directe belastingen belast met de inning van de belasting van niet-inwoners indien de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn woonplaats (...) of zijn voornaamste inrichting van bestuur in het buitenland heeft.


Art. 221. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 222.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 223.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 224. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
belastingverhogingen.
artikel 444)

Art. 225. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte of laattijdige aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Niet-aangifte of laattijdige aangifte te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Absence de déclaration ou déclaration tardive due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Niet-aangifte of laattijdige aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding (zonder inachtneming van de in A vermelde gevallen van niet- aangifte of laattijdige aangifte) : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Absence de déclaration ou déclaration tardive sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction (sans tenir compte des absences de déclaration ou des déclarations tardives visées sub A) : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Niet-aangifte of laattijdige aangifte met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding en volgende overtredingen : C. Absence de déclaration ou déclaration tardive avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction et infractions suivantes : D. Niet-aangifte of laattijdige aangifte gepaard gaande met ofwel onjuistheid of verzwijging door valsheid of gebruik van valse stukken tijdens de verificatie van de belastingtoestand, ofwel met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Absence de déclaration ou déclaration tardive accompagnée soit d'une inexactitude ou omission par faux ou d'un usage de faux au cours de la vérification de la situation fiscale, soit d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :

Art. 226. De schaal van de belastingverhogingen bij onvolledige of onjuiste aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Onvolledig of onjuiste aangifte te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige : A. Déclaration incomplète ou inexacte due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding (zonder inachtneming van de in A vermelde gevallen) : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Déclaration incomplète ou inexacte sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction (compte non tenu des cas visés sub A) : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Onvolledige of onjuiste aangifte met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding en volgende overtredingen : C. Déclaration incomplète ou inexacte avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction et infractions suivantes : D. Onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Déclaration incomplète ou inexacte accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : Dans tous les cas :

Art. 227. Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C van de artikelen 225 en 226 niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte in de inkomstenbelastingen is bestraft voor de laatste 4 aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft.

Art. 228. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte, bij laattijdige aangifte of bij onvolledige of onjuiste aangifte inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, gepaard gaande met niet-betaling of ontoereikende betaling van de voormelde voorheffingen, wordt als volgt vastgesteld : Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingschuldige : A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable : B. Overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : -4e en 5e overtreding : Vanaf de 6e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Infraction sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : -4e et 5e infraction : A partir de la 6e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Overtreding met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e en 3e overtreding : -4e en 5e overtreding : -6e en 7e overtreding : -8e overtreding en volgende overtredingen : C. Infraction avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e et 3e infractions : -4e et 5e infractions : -6e et 7e infractions : -8e infraction et infractions suivantes : D. Overtreding gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Infraction accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :
Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor 4 opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 228/1. In afwijking van artikel 228, de schaal van de belastingverhogingen in geval van een onjuiste aangifte die aanleiding heeft gegeven tot een in titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingschuldige : A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable : B. Overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Infraction sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Overtreding met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e en 3e overtreding : -4e en 5e overtreding : -6e en 7e overtreding : -8e overtreding en volgende overtredingen : C. Infraction avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e et 3e infractions : -4e et 5e infractions : -6e et 7e infractions : -8e infraction et infractions suivantes : D. Overtreding gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Infraction accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :
Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van de bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor 4 opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 229. Voor de vaststelling van het krachtens de artikelen 225, 226, 228 en 228/1 toe te passen percent van de belastingverhogingen, is een tweede of een volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de verhoging die de vorige overtreding heeft bestraft. geldboetes en hun toepassingsmodaliteiten
artikel 445)

Art. 229/1. De schaal van de administratieve geldboetes bij overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 evenals van de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, andere dan niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, of niet-betaling, een laattijdige betaling of een ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Overtreding niet toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : -4e overtreding : Volgende overtredingen : B. Infraction non imputable à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : -4e infraction : Infractions suivantes : C. Overtreding toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken (daaronder begrepen het indienen van vrijwillig onvolledige of onjuiste aangiften) :
C. Infraction due à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder l'impôt (y compris la remise de déclarations volontairement incomplètes ou inexactes) :

Art. 229/2. De schaal van de administratieve geldboetes bij niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, of bij niet-betaling, een laattijdige betaling of een ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing: 1. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige : 2. Andere overtreding : -1e overtreding : -2e overtreding tot 4e overtreding : -5e overtreding tot 7e overtreding : -8e overtreding tot 10e overtreding : 11e overtreding en volgende overtredingen : A. Absence de déclaration ou déclaration tardive en matière de précomptes professionnel et mobilier 1. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : 2. Autre infraction : -1ère infraction : -2e infraction à 4e infraction : -5e infraction à 7e infraction : -8e infraction à 10e infraction :: 11e infraction et infractions suivantes : B. Niet-betaling, laattijdige betaling of ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing : -1e overtreding : Volgende overtredingen :
B Absence de paiement, paiement tardif ou paiement insuffisant en matière de précomptes professionnel et mobilier :
-1ère infraction : Infractions suivantes :

Art. 229/3. De vorige overtredingen die bedoeld zijn in punt B van artikel 229/1 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het toe te passen bedrag van de geldboetes :

1° betreffende de overtredingen andere dan inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing : wanneer geen enkele overtreding werd bestraft voor de laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft;

2° betreffende de overtredingen inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing andere dan diegene bedoeld in artikel 229/2 : wanneer geen enkele overtreding, bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing afzonderlijk beschouwd, werd bestraft voor vier opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.
De vorige overtredingen die bedoeld zijn in de punten A en B, afzonderlijk beschouwd, van artikel 229/2 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het toe te passen bedrag van de geldboetes wanneer geen enkele overtreding, bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing afzonderlijk beschouwd, werd bestraft voor vier opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 229/4. Voor de vaststelling van het krachtens de artikelen 229/1 en 229/2 toe te passen bedrag van de geldboetes, is een tweede of volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de geldboete die de vorige overtreding heeft bestraft.

Art. 229/5. De schaal van de administratieve geldboetes bij overtredingen bedoeld in artikel 445, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable :
B. Overtreding niet toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken: -1e overtreding: -2e overtreding: -3e overtreding: -4e overtreding: Volgende overtredingen : B. Infraction non imputable à la mauvaise foi ou à l’intention d’éluder l’impôt : -1ère infraction : -2e infraction: -3e infraction : -4e infraction: Infractions suivantes : C. Overtreding toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken (daaronder begrepen het indienen van vrijwillig onvolledige of onjuiste aangiften): -1e overtreding : Volgende overtredingen : C. Infraction due à la mauvaise foi ou à l’intention d’éluder l’impôt (y compris la remise de déclarations volontairement incomplètes ou inexactes) -1ère infraction : Infractions suivantes :

Art. 229/6. [De Raad van State vernietigt het KB van 20.05.2020 ‘tot uitvoering van de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de wet van 20.12.2019 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25.05.2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (arrest nr 256.480 van 10.05.2023)]

Art. 229/7. De schaal van administratieve geldboetes betreffende inbreuken bedoeld in artikel 445, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt als volgt vastgesteld: Nature de l'infraction - Aard van de overtredingen
A. Infraction à l'article 473 du Code des impôts sur les revenus 1992 due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable :
A. Overtreding op artikel 473 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige:
B. Déclaration tardive ou absence de déclaration des événements mentionnés à l'article 473, § 1er, alinéa 1er, tirets 1 à 3, du Code des impôts sur les revenus 1992:
B. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van de gebeurtenissen vermeld in artikel 473, § 1, eerste lid, streepjes 1 tot en met 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:
C. Déclaration tardive ou absence de déclaration de la mise en usage de matériel ou d'outillage nouveaux ou ajoutés ainsi que de la modification ou de la désaffectation définitive de matériel ou d'outillage (art. 473, § 1er, alinéa 1er, 4ème tiret, du Code des impôts sur les revenus 1992) : C. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van de ingebruikstelling van nieuw of toegevoegd materieel of outillage, alsook van de wijziging of van de definitieve buitengebruikstelling van materieel en outillage (art. 473, § 1, eerste lid, vierde streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992):
D. Déclaration tardive ou absence de déclaration d'acquisition et/ou d'aliénation d'un droit réel sur un bien immobilier sis à l'étranger ou déclaration tardive ou absence de déclaration de l'existence d'un droit réel sur un bien sis à l'étranger au 31.12.2020 (art. 473, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992) :
D. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van verwerving en/of vervreemding van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed of laattijdige aangifte of niet-aangifte van het bestaan van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed, op 31.12.2020 (art. 473, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992): Het kadastraal inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor het vaststellen van het bedrag van de boete bij niet-naleving van de verplichtingen voorzien in artikel 473, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is datgene dat werd vastgesteld bij toepassing van artikel 494 van hetzelfde Wetboek, met andere woorden het geschat of herschat kadastraal inkomen op basis van de nieuwe toestand die laattijdig werd aangegeven door de belastingplichtige of die door de administratie werd vastgesteld.
In geval van laattijdige aangifte of niet- aangifte worden de boetes toegepast per betrokken kadastraal perceel. Belastingwezen van de provincies, de agglomeraties en de gemeenten.
artikelen 300 en 469)

Art. 230.

§ 1. Voor zover zij niet inzonderheid de inkomstenbelastingen betreffen, zijn de bepalingen van de artikelen 126, 127 en 128 tot 176, van

§ 2. In afwijking van artikel 139 mogen niet ten kohiere gebrachte provinciale belastingen waarvoor een plaat, penning of ander kenteken wordt uitgereikt, ook betaald worden in munten of bankbiljetten die in België wettig betaalmiddel zijn.
gemeentebelastingen.

Art. 231. De kohieren van de aanvullende agglomera- tiebelasting op de personenbelasting en de kohieren van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting worden opgemaakt volgens de door de directeur-generaal van de directe belastingen gestelde regelen.
Die aanvullende belastingen worden opgenomen in kohieren verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard ; toegepast worden de tarieven in verband met de desbetreffende aanslagjaren.

Art. 233. Het bepaalde in de artikelen 133, 136 tot 144/7, 210ter en 225 tot 230 is op de in artikel 231 vermelde aanvullende belastingen van toepassing.

Art. 233/1. Het tarief bedoeld in artikel 469, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt verhoogd tot 7 pct. Bijzondere regels omtrent de invordering en de informatieverstrekking inzake de toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten en de voorschotten aan de gemeenten
artikelen 470/1 en 470/2)

Art. 233/2.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 470/1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve inhouding moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
Voor de toepassing van artikel 470/1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve debitering moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen geeft aan de kredietinstelling belast met het houden van de financiële rekening van het betrokken bestuur, kennis van het bedrag van haar schuldvordering opdat deze het bedrag daarvan ambtshalve zou inhouden op de financiële rekening van het betrokken bestuur.

§ 2. Wanneer de schuldenaar van de vordering een provincie is, wordt de kennisgeving gedaan aan de bestendige deputatie van die provincie.
Wanneer de schuldenaar van de vordering de Brusselse Agglomeratie is, wordt de kennisgeving gedaan aan de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Wanneer de schuldenaar van de vordering een gemeente is, wordt kennisgeving gedaan aan het College van Burgemeester en Schepenen van die gemeente.

§ 3. De in § 1 vermelde kennisgevingen worden langs fotografische, magnetische, electronische of optische weg aan het betrokken bestuur of zijn kredietinstelling toegezonden en hebben bewijskracht voor zover zij binnen acht kalenderdagen worden bevestigd bij ter post aangetekende brief.

Art. 233/3.

§ 1. De Federale Overheidsdienst Financiën deelt elke gemeente de ramingen mee van de opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting over eenzelfde begrotingsjaar. De initiële raming wordt medegedeeld in het laatste trimester van het kalenderjaar dat het begrotingsjaar waarop de raming betrekking heeft, voorafgaat. Zo nodig wordt een herraming medegedeeld in het tweede trimester van het kalenderjaar dat overeenstemt met het lopende begrotingsjaar. De vermoedelijke ontvangsten worden medegedeeld in het laatste trimester van hetzelfde jaar.
Deze mededeling gebeurt elektronisch of bij gewone brief, en wordt gestuurd aan het betreffende College van Burgemeester en Schepenen.

§ 2. De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen stuurt maandelijks elektronisch of bij gewone brief, aan het College van Burgemeester en Schepenen van elke gemeente een overzicht van de voor rekening van de gemeente werkelijk geïnde ontvangsten betreffende de opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting na aftrek van de ontheffingen die voor haar rekening werden uitbetaald, voor de maand die aan deze van het versturen van het overzicht voorafgaat. Dit overzicht vermeldt ook de administratiekosten in verband met de geïnde ontvangsten, bedoeld in artikel 470 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Overeenkomstig artikel 470/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zendt de Federale Overheidsdienst Financiën in de maand mei van elk jaar, elektronisch of bij gewone brief, het overzicht bedoeld in het genoemde artikel aan het College van Burgemeester en Schepenen van elke gemeente.

§ 4. De aanzuivering van een negatief saldo zoals vastgesteld in de loop van de maanden mei, juni of juli en de werkelijke toekenningen, bedoeld in artikel 470/2, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vindt plaats zonder formaliteiten.

§ 5. Voor de toepassing van artikel 470/2, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen, bij aangetekende brief, aan het College van Burgemeester en Schepenen kennis van het bedrag van haar schuldvordering op de eerste werkdag die volgt deze waarop het vastgesteld wordt dat er dient gedebiteerd te worden.
De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen geeft kennis van het bedrag van haar schuldvordering, bij aangetekende brief, aan de kredietinstelling belast met het houden van de financiële rekening van de betreffende gemeente teneinde ambtshalve het bedrag van deze te debiteren van de financiële rekening van de betreffende gemeente. Overgangsbepalingen.
roerende voorheffing.
artikel 507, derde lid)

Art. 234. Wanneer de last van de mobiliënbelasting of van de roerende voorheffing, krachtens vóór 1 december 1962 of vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 gesloten overeenkomsten, op de schuldenaar van de inkomsten is gelegd, heeft deze het recht, op vanaf 1 januari 1967 verleende of toegekende belastbare inkomsten, het verschil in te houden tussen de roerende voorheffing die ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van dit besluit is verschuldigd en die waarvan hij vóór die laatste datum de last op zich nam.
Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, worden de door de schuldenaar van het inkomen gedragen roerende voorheffing en de aan de bron in te houden roerende voorheffing bepaald als volgt :

1° met betrekking tot interest van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen die niet van mobiliën- belasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeen- komsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
a) is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98 van het bedrag van het bedongen nettoinkomen ;
b) is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10,5 % van hetzelfde bedrag.

2° met betrekking tot andere inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van : a) vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
- is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98, 3/97, 4/96, 6/94 of 8/92 van het bedrag van het bedongen netto- inkomen, naargelang dit inkomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 juli 1966 tot wijziging van het Wetboek van de inkomsten- belastingen, aan de roerende voor- heffing was onderworpen tegen een tarief van respectievelijk 2,4 %, 3 %, 4 %, 6 % of 8 % ;
- is de aan bron in te houden roerende voorheffing respectievelijk gelijk aan 10,5/98, 9,5/97, 8,5/96, 6,5/94 of 4,5/92 van hetzelfde bedrag, volgens het onderscheid dat hierboven wordt gemaakt met betrekking tot het tarief van de roerende voorheffing ;
b) overeenkomsten die vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 zijn gesloten en de last van de roerende voorheffing op de schuldenaar leggen :
- is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 15/85 van het bedrag van het bedongen nettoinkomen ;
- is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10/85 van hetzelfde bedrag. de afschrijving van bepaalde activa die zijn verkregen of tot stand gebracht vóór de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 en die nog in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.
artikel 511, § 2)

Art. 235. Voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252, worden onder aanschaffings- of beleggingswaarde van de activa de kosten van aankoop of oprichting verstaan, met inbegrip van de rechten en taksen die er betrekking op hebben, de eventuele kosten van vervoer, van montage en andere gelijkaardige.

Art. 236. Als activa waarvan de aanschaffings- of beleggingswaarde voor de berekening van de vrij van belasting toegestane afschrijving mag worden herschat, gelden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, dat wil zeggen al dan niet vaste machines, werktuigen en toestellen met toebehoren, zomede nijverheidsgebouwen en tot nijverheids- en handelsdoeleinden gebruikt meubilair, die als het ware deel uitmaken van de outillage en aan snelle slijtage of verval onderhevig zijn.
De outillage omvat inzonderheid de in handelsbedrijven gebezigde voorwerpen die door intensief gebruik, of onder invloed van technische vooruitgang, mode en gewoonten, aan snelle slijtage blootstaan of vaak moeten worden vervangen.

Art. 237. Van het voordeel van afschrijving op de herschatte aanschaffings- of beleggingswaarde zijn over het algemeen de terreinen uitgesloten, zomede gebouwen die geen met outillage gelijkgestelde nijverheidsgebouwen zijn en inzonderheid tot woning of kantoor dienen ; dit geldt eveneens voor het meubilair waarvan woningen en kantoren voorzien zijn, voor portefeuille, octrooien, fabrieksmerken, handelsfonds, cliënteel en firma. De afschrijving van die activa moet uit fiscaal oogpunt verder op grond van de niet herziene aanschaffings- of beleggingswaarde geschieden.

Art. 238.

§ 1. De herschatting mag slechts slaan op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, die de belastingplichtige heeft verkregen of tot stand gebracht vóór de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 en die nog werkelijk in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.
Met betrekking tot outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen van ondernemingen die zijn opgericht door omzetting, fusie, opslorping, splitsing of overname van vroeger bestaande ondernemingen of bedrijfsafdelingen van zulke ondernemingen, wordt evenwel met de datum van verkrijging of totstandbrenging van die activa door de omgezette, overgenomen of gesplitste ondernemingen rekening gehouden, voor zover die mutaties niet ten gevolge hebben gehad de tijdens de bezetting van het land gebruikte produktiemiddelen in hun geheel te verhogen. Onder hetzelfde voorbehoud worden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen die zijn geleverd of opgericht ter uitvoering van contracten of overeenkomsten gesloten vóór de uiterste datum van verkrijging of totstandbrenging bepaald in het eerste lid, voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als verkregen of tot stand gebracht op de datum van gezegde contracten of overeenkomsten.
De bovenbedoelde activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten verloren, vernield of buiten gebruik gesteld zijn, worden voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252 gelijkgesteld met activa die nog werkelijk in gebruik waren op de uiterste datum bepaald op het einde van het eerste lid.

§ 2. Degene van gezegde activa die na de uiterste datum vermeld in § 1 van dit artikel zijn verkregen of tot stand gebracht, worden verder afgeschreven volgens de werkelijke aanschaffings- of beleggingswaarde bepaald in artikel 235.

Art. 239. Eventueel kan slechts een nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde worden toegekend aan het deel van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen dat met eigen middelen van de belastingplichtige is verkregen of tot stand gebracht.
Dat deel wordt bepaald met inachtneming van de gegevens van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 of, in gevallen als vermeld in artikel 238, § 1, tweede lid, in de openingsbalans van de nieuwe onderneming.

Art. 240. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde van iedere categorie activa vermeld in de artikelen 236, 238, § 1, en 239, mag niet meer bedragen dan twee en een halve maal hun waarde geschat naar de per 31 augustus 1939 geldende normale prijzen en met inachtneming van hun toestand van stoffelijke slijtage en van hun werkelijke waardevermindering op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 of, in voorkomend geval, op de datum van opeising in eigendom of van verlies, vernieling, of buitengebruikstelling ingevolge oorlogsfeiten.
De aan elk herschat activum toegekende nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde mag niet meer bedragen dan zijn industriële- of handelswaarde op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.

Art. 241. Om het bepaalde in de artikelen 236 tot 252 te genieten, stelt de belastingplichtige, per categorie of per boekhoudrubriek, een omstandige inventaris op van de te herschatten activa.
Voorwerpen van geringe waarde worden in een post "allerlei voorwerpen" begrepen voor een benaderende en te goeder trouw vastgestelde waarde in ronde cijfers.
De inventaris vermeldt respectievelijk :
a) de aard van elk geïnventariseerd activum ;
b) voor zover mogelijk de datum van verkrijging of van totstandbrenging, behalve voor de post "allerlei voorwerpen" ;
c) voor elk geïnventariseerd activum en voor elke categorie activa, de waarde 1939 vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 240, eerste lid ;
d) de industriële of handelswaarde van elk activum op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946, voor zover gezegde waarde meer of minder bedraagt dan twee en een halve maal de waarde vermeld in c ;
e) de nieuwe aanschaffings- of beleggings- waarde voor de berekening van de afschrijving, zijnde maximaal voor elke categorie activa twee en een halve maal de waarde vermeld in c, en voor elk activum de waarde vermeld in d.
De activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten vernield, verloren of buiten gebruik gesteld zijn, worden afzonderlijk in gezegde inventaris ingeschreven.

Art. 242. De in artikel 241 vermelde inventaris wordt in duplo opgesteld en een exemplaar ervan wordt aan de controleur van de directe belastingen of aan de taxatiedienst van het ambtsgebied overhandigd tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het boekjaar in de balans waarvan de herschatting is opgenomen, of ten laatste op 24 januari 1948 ingeval de afschrijving op die grondslag is berekend met ingang van het aanslagjaar 1947 ; hij moet ondertekend zijn door de gedelegeerde bestuurders en door de commissarissen in kapitaalvennootschappen en door de verschillende personen die de vennootschap, firma of vereniging kunnen verbinden in anders dan in de vorm van kapitaalvennootschappen geëxploiteerde onder- nemingen.

Art. 243. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen moet opgenomen worden in de boeken of balansen die van 31 december 1947 af en ten laatste op 30 december 1948 zijn afgesloten ; zij moet afzonderlijk in het actief en in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de volgende rubrieken of onder enige andere soortgelijke benaming :
- in het actief :
"Outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen (herschatting)" ;
- in het passief :
"Meerwaarde van herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen". Deze meerwaarde mag evenwel in rekening "Kapitaal" ingelijfd worden.

Art. 244. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde, bepaald overeenkomstig de artikelen 235 tot 240 en in het actief opgenomen, dient tot grondslag voor de berekening van de afschrijving ; deze mag vrij van belasting gedaan worden tot die waarde volledig bereikt is - eventueel verminderd met de opeisings- of herstel- vergoedingen betreffende herschatte activa -en dit ongeacht de datum van verkrijging van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen of ongeacht de reeds op die activa vóór de normale afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 gedane afschrijving.

Art. 245. De belastingplichtige verdeelt de herschatte activa in 3 of 4 categorieën naar hun vermoedelijke gebruiksduur.
Gemiddelde jaarlijkse afschrijvings- percenten worden in overleg tussen de belanghebbende en de bevoegde ambtenaren van de administratie der directe belastingen vastgesteld ; die percenten kunnen inzonderheid verschillen naar de aard van de activa, de intensiteit van het gebruik ervan en hun staat van slijtage of van economische efficiëntie bij de herschatting. Behoudens herziening van gezegde percenten op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag van de belastingplichtige, dienen deze tot grondslag voor de berekening van de vrij van belasting toe te passen jaarlijkse afschrijving.
De aldus in overleg vastgestelde regelen worden bevestigd in een door beide partijen ondertekend stuk ; dat stuk wordt bij het fiscaal dossier van de belanghebbende gevoegd, die er een afschrift kan van verkrijgen.

Art. 246. Afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet bij het afsluiten van elk boekjaar geschieden.
Bij gebreke van afschrijvingen of bij ontoereikende afschrijvingen voor één of meer boekjaren ten gevolge van verlies of van ontoereikende brutowinst, kan het tijdperk van afschrijving verlengd worden tot de af te schrijven waarde volledig bereikt is.

Art. 247. Ingeval een herschat activum tijdens een boekjaar is vervreemd, vernield of definitief buiten gebruik gesteld, kan het op de herschatte waarde van dat activum nog af te schrijven saldo, onder eventuele aftrek van de realisatieprijs, slechts vrij van belasting worden afgeschreven tot aan de afsluiting van gezegd boekjaar.

Art. 248. Met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde, onder aftrek van de opeisings- of herstelvergoedingen betreffende die activa, niet geschieden dan na definitieve vaststelling van het bedrag van gezegde vergoedingen.
Met betrekking tot activa die ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde niettemin vrij van belasting vóór de definitieve vaststelling van de herstelvergoeding geschieden, zo de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
Die afschrijving dient te geschieden volgens de gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingspercenten die in gewone omstandigheden voor activa van dezelfde aard toegepast worden. Bedoelde percenten worden in overleg tussen de belastingplichtige en de administratie der directe belastingen vastgesteld en bevestigd zoals bepaald is in artikel 245, derde lid.
Wanneer de aldus gedane en aangenomen afschrijvingen meer bedragen dan het nadelig verschil tussen de herschatte waarde en de herstelvergoeding, of wanneer de herstelvergoeding gelijk is aan of meer bedraagt dan de herschatte waarde, is het gedeelte van de som van die afschrijvingen dat gezegd verschil overtreft, of de som van die afschrijvingen, een belastbaar inkomen van het jaar waarin het bedrag van de herstelvergoeding definitief is vastgesteld.

Art. 249. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet afzonderlijk in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de rubriek "Afschrijving van de herschatte waarde van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen" of onder enige andere soortgelijke benaming.

Art. 250. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde wordt slechts vrij van inkomstenbelastingen toegestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij niet wordt gebruikt voor enigerlei opneming, uitkering of verdeling en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enigerlei beloning of toekenning.

Art. 251. De uit de herschatting van outillage of ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen voortvloeiende meerwaarde is vrijgesteld van belasting onder de voorwaarden bepaald in artikel 190 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Evenwel kunnen, bij vervreemding van overeenkomstig de artikelen 236 tot 250 van dit besluit herschatte activa, op aanvraag van de belastingplichtige of indien hij in gebreke blijft de nodige verduidelijkingen te verstrekken, voor de toepassing van artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, beschouwd worden als verkregen of tot stand gebracht op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 en voor een prijs gelijk aan de herschatte waarde.

Art. 252. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen mag voor de berekening van de afschrijving slechts in aanmerking komen indien de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
Mits bewijskrachtige bescheiden worden voorgelegd, zoals die welke gediend hebben voor de definitieve vaststelling van de opeisings- of herstelvergoedingen, is deze voorwaarde echter niet gesteld voor de toepassing van artikel 251 en van dit artikel met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld.

Art. 253. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1930, tot berekening van de afschrijvingen op een herschatte kostprijs inzake inkomstenbelastingen blijft van toepassing voor het vaststellen van de vrij van belasting aanvaardbare afschrijving op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheids- gebouwen waarvan de kostprijs, herschat overeenkomstig het bepaalde in dat besluit en opgenomen in de balansen afgesloten sedert 1931, niet opnieuw herschat is overeenkomstig de artikelen 235 tot 252.
van hypothecaire leningen aangegaan voor het vernieuwen van een woning
artikel 526, § 1, tweede lid, voorzover het artikel 115, 2°, b, van hetzelfde Wetboek zoals het bestond alvorens te zijn vervangen bij de wet van 27 december 2004, van toepassing maakt op bepaalde leningen)

Art. 254. De dienstverrichtingen als bedoeld in artikel 115, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het krachtens artikel 526, § 1, tweede lid, van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. een belastingvermindering omgevormde aftrek voor enige woning
artikel 539, § 1, tweede lid, voor zover het artikel 115, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals het bestond alvorens te zijn opgeheven bij de wet van 8 mei 2014, van toepassing maakt op bepaalde leningen en verzekeringscontracten)

Art. 255. Wanneer een belastingplichtige de toepassing vraagt van de in een belastingvermindering omgevormde aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing is gebleven, voor interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening alsmede de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, moeten ter staving van die vraag, naar gelang het geval, het volgende attest of de volgende attesten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en die worden uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie het levensverzekeringscontract is gesloten, ter beschikking worden gehouden van de Federale Overheidsdienst Financiën:
A. wat de interesten en de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van de hypothecaire lening betreft : 1° voor de herfinancieringsleningen gesloten vanaf 1 januari 2016 : een jaarlijks attest (1) waarin de instelling het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane betalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het genoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden zijn vervuld;



1)Bericht 19.11.2021

2° voor de andere dan in 1° bedoelde leningen :
a) een eenmalig basisattest waarin de instelling gegevens meedeelt waaruit moet blijken dat het leningscontract in aanmerking kan komen voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft;
b) een jaarlijks attest (1) waarin de instelling het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane betalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden nog steeds zijn vervuld;



1)Bericht 19.11.2021
B. wat de levensverzekeringspremies betreft : 1° voor de contracten gesloten vanaf 1 januari 2016 : een jaarlijks attest waarin de verzekeraar het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane premiebetalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het genoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

2° voor de andere dan in 1° bedoelde contracten :
a) een eenmalig basisattest waarin de verzekeraar gegevens meedeelt waaruit moet blijken dat het levensverzekeringscontract in aanmerking kan komen voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft;
b) een jaarlijks attest waarin de verzekeraar het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane premiebetalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden nog steeds zijn vervuld.

Art. 256. Premies betreffende een contract met kosteloze of betalende deelneming in de winst, worden tot hun nominale bedrag in aanmerking genomen voor de in een belastingvermindering omgezette aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft. artikel 533)

Art. 257. Opdat de tussenkomst van de werkgever in het kader van een PC-privé-plan in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, 17°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond alvorens te zijn vervangen bij de wet van 6 mei 2009, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° het aanbod van de werkgever waarmee hij zich ertoe verbindt om tussen te komen in de aankoopprijs van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software, wordt beschreven in het PC-privé- plan;

2° de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen moeten gelijk en niet- discriminerend zijn voor alle werknemers of een bijzondere categorie ervan;

3° de minimumvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen zijn de volgende :
a) het plan moet de beschrijving geven van het geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internet- abonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
b) het plan bepaalt dat het de werknemer vrij staat het geheel of slechts een gedeelte van het beschreven materieel te kiezen;
c) de tussenkomst van de werkgever moet per onderdeel van het aanbod worden opgegeven;
d) de tussenkomst kan enkel geschieden bij aankoop van materieel in nieuwe staat; e) de tussenkomst door de werkgever geschiedt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs op naam van de werknemer;
f) wat de materiëlen betreft, die een werknemer voorheen in het kader van een PC-privé-plan heeft aangeschaft, moet het plan bepalen dat slechts in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van aanschaf opnieuw mag worden ingegaan op een aanbod van de werkgever.
energiezuinige woningen
artikel 535)

Art. 258.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 14524, § 2, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het krachtens artikel 535 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, zijn de volgende instellingen erkend:
"VZW Passiefhuis-Platform"
"Plate-forme Maison Passive ASBL".
De "kwaliteitsverklaring passiefhuis" en de "déclaration de qualité de Maison passive" die gedurende de kalenderjaren 2007, 2008 en 2009 werden uitgereikt door de in het eerste lid erkende instellingen, gelden als certificaat bedoeld in artikel 14524, § 2, vijfde lid, van het voormelde Wetboek zoals het krachtens artikel 535 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft.
De certificaten die vanaf 1 januari 2010 worden uitgereikt moeten beantwoorden aan de modellen zoals ze door de gedelegeerde van de Minister van Financiën zijn vastgesteld in uitvoering van artikel 6311bis, § 1, derde lid, van dit besluit zoals het bestond alvorens te worden opgeheven door artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 september 2014. § 2. De in paragraaf 1, eerste lid, erkende instellingen en de bevoegde gewestelijke administraties bezorgen aan de administratie die bevoegd is voor de vestiging van de inkomstenbelastingen binnen de twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de certificaten als bedoeld in paragraaf 1, derde lid, werden uitgereikt, een elektronisch afschrift van de voormelde certificaten.
Wanneer het in paragraaf 1, derde lid, vermelde certificaat is uitgereikt door een gelijkaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, houdt de belastingplichtige dit certificaat ter beschikking van de administratie.

§ 3. Voor de toepassing van de compensatie als bedoeld in artikel 14524, § 2, vierde lid, van het voormelde Wetboek zoals het bestond alvorens het werd opgeheven door artikel 41 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt onder "opwekking van hernieuwbare energie" verstaan de opwekking van energie door: 1° een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie;

2° zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie;

3° warmtepompen die gebruik maken van energie die in de vorm van warmte is opgeslagen:
- in de omgevingslucht;
- onder het vaste aardoppervlak;
- in het oppervlaktewater.
Het eventuele energieverbruik van de in het eerste lid vermelde systemen moet eveneens worden gecompenseerd door ter plaatse opgewekte hernieuwbare energie. Het aantal kWh opgewekte hernieuwbare energie wordt berekend aan de hand van de berekeningsmodaliteiten, met inbegrip van de formules voor de opwekking van hernieuwbare energie en de eventuele correctieparameters, die zijn opgenomen in de door de Richtlijn CE/2006/32 voorziene EPB-methode die op de woning van toepassing is.
Wanneer de EPB-reglementering die lokaal van toepassing is, niet voorziet in een waardering van de productie van hernieuwbare energie, wordt de omzettingsefficiëntie en de verhouding tussen input en output van de systemen en de apparatuur voor de opwekking van hernieuwbare energie beoordeeld aan de hand van de door de Europese Unie vastgestelde procedures of, bij gebrek daaraan, van internationale procedures. BIJLAGE I VAN HET KB/WIB 92
Maandelijkse referteïndexen voor hypothecaire leningen, toegestaan vanaf 1 januari 1995, waarin een veranderlijke rentevoet is bedongen. (Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 18, § 3, 1, b, 3e lid). Belgische Periode Staatsblad Index A
Période Moniteur Indice A belge Juli/Juillet 1994 30.07.1994 5,979 Augustus/Août 1994 31.08.1994 5,958 September/Septembre 1994 30.09.1994 6,293 Oktober/ Octobre 1994 29.10.1994 6,391 November/Novembre 1994 30.11.1994 6,068 December/Décembre 1994 31.12.1994 5,989 Januari/Janvier 1995 31.01.1995 6,153 Februari/ Février 1995 28.02.1995 6,234 Maart/Mars 1995 31.03.1995 6,454 April/Avril 1995 29.04.1995 6,210 Mei/Mai 1995 31.05.1995 6,047 Juni/Juin 1995 30.06.1995 5,533 Juli/Juillet 1995 29.07.1995 5,057 Augustus/Août 1995 31.08.1995 4,826 September/Septembre 1995 30.09.1995 4,629 Oktober/Octobre 1995 31.10.1995 4,460 November/Novembre 1995 31.11.1995 4,345 December/Décembre 1995 30.12.1995 4,076 Januari/Janvier 1996 31.01.1996 3,782 Februari/Février 1996 29.02.1996 3,486 Maart/Mars 1996 30.03.1996 3,334 April/Avril 1996 30.04.1996 3,356 Mei/Mai 1996 31.05.1996 3,306 Juni/Juin 1996 29.06.1996 3,266 Juli/Juillet 1996 31.07.1996 4,439 Augustus/Août 1996 31.08.1996 3,578 September/Septembre 1996 28.09.1996 3,480 Oktober/Octobre 1996 31.10.1996 3,262 November/Novembre 1996 30.11.1996 3,157 December/Décembre 1996 31.12.1996 3,153 Januari/Janvier 1997 31.01.1997 3,151 Februari/Février 1997 28.02.1997 3,115 Maart/Mars 1997 29.03.1997 3,200 April/Avril 1997 30.04.1997 3,394 Mei/Mai 1997 31.05.1997 3,420 Juni/Juin 1997 28.06.1997 3,378 Juli/Juillet 1997 31.07.1997 3,376 Augustus/août 1997 30.08.1997 3,478 September/Septembre 1997 30.09.1997 3,697 Oktober/Octobre 1997 31.10.1997 3,866 err. 5.11.1997 November/Novembre 1997 29.11.1997 4,074 December/Décembre 1997 31.12.1997 4,169 Januari/Janvier 1998 31.01.1998 4,019 Februari/Février 1998 28.02.1998 3,821 Maart/Mars 1998 31.03.1998 3,733 April/Avril 1998 30.04.1998 3,777 Belgische Periode Staatsblad Index A
Période Moniteur Indice A belge Mei/Mai 1998 30.05.1998 3,889 Juni/Juin 1998 30.06.1998 3,932 Juli/Juillet 1998 31.07.1998 3,891 Augustus/août 1998 29.08.1998 3,849 September/Septembre 1998 30.09.1998 3,729 Oktober/Octobre 1998 31.10.1998 3,569 November/Novembre 1998 28.11.1998 3,478 December/Décembre 1998 31.12.1998 3,391 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Januari/janvier 1999 20.01.1999 + err. 03.02.1999
Februari/février 1999 27.02.1999
Maart/mars 1999 31.03.1999 Ed. 2
April/avril 1999 30.04.1999
Mei/Mai 1999 29.05.1999
Juni/juin 1999 30.06.1999 Ed. 2
Juli/juillet 1999 20.07.1999
Augustus/août 1999 26.08.1999
September/septembre 1999 21.09.1999
Oktober/octobre 1999 20.10.1999
November/novembre 1999 20.11.1999
December/décembre 1999 21.12.1999
Januari /janvier 2000 20.01.2000
Februari /février 2000 22.02.2000
Maart/Mars 2000 21.03.2000 Ed. 2
April/avril 2000 20.04.2000 Ed. 2
Mei/mai 2000 20.05.2000 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Juni/juin 2000 20.06.2000
Juli/juillet 2000 20.07.2000
Augustus /Août 2000 22.08.2000
September/Septembre 2000 20.09.2000
October/Oktobre 2000 20.10.2000 + err. 25.10.2000 Ed. 2
November/Novembre 2000 18.11.2000
December/Décembre 2000 20.12.2000
Januari/Janvier 2001 20.01.2001
Februari/Février 2001 20.02.2001 Ed. 2
Maart/Mars 2001 20.03.2001
April/Avril 2001 20.04.2001
Mei/Mai 2001 22.05.2001
Juni/Juin 2001 20.06.2001 Ed. 2
Juli/Juillet 2001 20.07.2001 + err. 04.08.2001
Augustus/Août 2001 21.08.2001
September/Septembre 2001 20.09.2001
October/Octobre 2001 20.10.2001
November/Novembre 2001 20.11.2001 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge December/Décembre 2001 5.01.2002
Januari/Janvier 2002 23.01.2002
Februari/Février 2002 20.02.2002
Maart/Mars 2002 20.03.2002
April/Avril 2002 20.04.2002
Mei/Mai 2002 18.05.2002
Juni/Juin 2002 20.06.2002
Juli/Juillet 2002 20.07.2002
Augustus/Août 2002 20.08.2002 Ed. 2
September/Septembre 2002 20.09.2002
Oktober/Octobre 2002 22.10.2002 Ed. 2
November/Novembre 2002 20.11.2002
December/Décembre 2002 20.12.2002 + err. 25.12.2002
Januari/Janvier 2003 20.01.2003
Februari/Février 2003 20.02.2003 Ed. 3
Maart/Mars 2003 20.03.2003 Ed 3
April/Avril 2003 22.04.2003
Mei/Mai 2003 20.05.2003 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Juni/Juin 2003 20.06.2003 Ed 3
Juli/Juillet 2003 22.07.2003
Augustus/Août 2003 20.08.2003
September/Septembre 2003 19.09.2003
Oktober/Octobre 2003 20.10.2003 Ed 3
November/Novembre 2003 20.11.2003 Ed 2
December/Décembre 2003 19.12.2003 Ed 2
Januari/Janvier 2004 20.01.2004 Ed. 3
Februari/Février 2004 20.02.2004 Ed. 2
Maart/Mars 2004 22.03.2004
April/Avril 2004 20.04.2004 Ed. 3
Mei/Mai 2004 21.05.2004
Juni/Juin 2004 21.06.2004 Ed. 3
Juli/Juillet 2004 20.07.2004 Ed. 3
Augustus/Août 2004 20.08.2004 Ed. 2
September/Septembre 2004 20.09.2004 Ed. 2
Oktober/Octobre 2004 20.10.2004 Ed. 2
November/Novembre 2004 19.11.2004 Ed. 3 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge December/Décembre 2004 20.12.2004 Ed. 2
Januari/Janvier 2005 20.01.2005 – Ed. 2
Februari/Février 2005 21.02.2005
Maart/Mars 2005 21.03.2005
April/Avril 2005 20.04.2005 – Ed. 2
Mei/Mai 2005 20.05.2005 – Ed. 2
Juni/Juin 2005 20.06.2005 – Ed. 2
Juli/Juillet 2005 20.07.2005 – Ed. 2
Augustus/Août 2005 22.08.2005
September/Septembre 2005 20.09.2005
Oktober/Octobre 2005 20.10.2005 – Ed. 2
November/Novembre 2005 21.11.2005
December/Décembre 2005 20.12.2005 – Ed. 2
Januari/Janvier 2006 25.01.2006
Februari/Février 2006 20.02.2006 - Ed. 2
Maart/Mars 2006 20.03.2006 - Ed. 2
April/Avril 2006 20.04.2006 - Ed. 2
Mei/Mai 2006 22.05.2006 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Juni/Juin 2006 20.06.2006 - Ed. 2
Juli/Juillet 2006 20.07.2006 - Ed. 2
Augustus/Août 2006 21.08.2006
September/Septembre 2006 20.09.2006
Oktober/Octobre 2006 20.10.2006 - Ed. 3
November/Novembre 2006 20.11.2006 - Ed. 3
December/Décembre 2006 20.12.2006 - Ed. 2
Januari/Janvier 2007 22.01.2007
Februari/Février 2007 20.02.2007 - Ed. 3
Maart/Mars 2007 20.03.2007 - Ed. 2
April/Avril 2007 20.04.2007 - Ed. 2
Mei/Mai 2007 21.05.2007
Juni/Juin 2007 20.06.2007 - Ed. 3
Juli/Juillet 2007 25.07.2007
Augustus/Août 2007 20.08.2007 - Ed. 2
September/Septembre 2007 20.09.2007 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2007 19.10.2007 - Ed. 2 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge November/Novembre 2007 21.11.2007
December/Décembre 2007 20.12.2007 - Ed. 4
Januari/Janvier 2008 21.01.2008
Februari/Février 2008 20.02.2008 - Ed. 2
Maart/Mars 2008 14.03.2008 - Ed. 2
April/Avril 2008 18.04.2008 - Ed. 2
Mei/Mai 2008 20.05.2008 - Ed. 2
Juni/Juin 2008 20.06.2008 - Ed. 2
Juli/Juillet 2008 22.07.2008
Augustus/Août 2008 20.08.2008 - Ed. 2
September/Septembre 2008 19.09.2008 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2008 20.10.2008
November/Novembre 2008 20.11.2008 - Ed. 2
December/Décembre 2008 19.12.2008 - Ed. 2
Januari/Janvier 2009 20.01.2009 - Ed. 2
Februari/Février 2009 20.02.2009 - Ed. 2
Maart/Mars 2009 20.03.2009 - Ed. 2
April/Avril 2009 20.04.2009 - Ed. 4 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mei/Mai 2009 20.05.2009 - Ed. 2
Juni/Juin 2009 19.06.2009 - Ed. 3
Juli/Juillet 2009 20.07.2009 - Ed. 2
Augustus/Août 2009 20.08.2009 - Ed. 3
September/Septembre 2009 21.09.2009 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2009 20.10.2009 - Ed. 2
November/Novembre 2009 20.11.2009 - Ed. 2
December/Décembre 2009 21.12.2009 - Ed. 1
Januari/Janvier 2010 25.01.2010 - Ed. 2
Februari/Février 2010 19.02.2010 - Ed. 3
Maart/Mars 2010 22.03.2010
April/Avril 2010 19.04.2010
Mei/Mai 2010 20.05.2010 - Ed. 3
Juni/Juin 2010 21.06.2010
Juli/Juillet 2010 20.07.2010 - Ed. 2
Augustus/Août 2010 20.08.2010 - Ed. 3
September/Septembre 2010 20.09.2010 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2010 20.10.2010 - Ed. 2 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge November/Novembre 2010 22.11.2010
December/Décembre 2010 20.12.2010 - Ed. 2
Januari/Janvier 2011 14.01.2011 - Ed. 2
Februari/Février 2011 16.02.2011
Maart/Mars 2011 21.03.2011 - Ed. 3
April/Avril 2011 20.04.2011 - Ed. 2
Mei/Mai 2011 20.05.2011 - Ed. 3
Juni/Juin 2011 20.06.2011 - Ed. 2
Juli/Juillet 2011 20.07.2011 - Ed. 2
Augustus/Août 2011 22.08.2011
September/Septembre 2011 23.09.2011 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2011 20.10.2011 - Ed. 2
November/Novembre 2011 21.11.2011
December/Décembre 2011 20.12.2011 - Ed. 2
Januari/Janvier 2012 20.01.2012 - Ed. 2
Februari/Février 2012 20.02.2012 - Ed. 3
Maart/Mars 2012 20.03.2012 - Ed. 2
April/Avril 2012 20.04.2012 - Ed. 2 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mei/Mai 2012 16.05.2012 - Ed. 1
Juni/Juin 2012 14.06.2012 - Ed. 1
Juli/Juillet 2012 20.07.2012 - Ed. 3
Augustus/Août 2012 20.08.2012 - Ed. 2
September/Septembre 2012 20.09.2012 - Ed. 2
Oktober/Octobre 2012 24.10.2012 - Ed. 2
November/Novembre 2012 22.11.2012 - Ed. 2
December/Décembre 2012 14.12.2012 - Ed. 2
Januari/Janvier 2013 21.01.2013
Februari/Février 2013 20.02.2013 - Ed. 3
Maart/Mars 2013 27.03.2013
April/Avril 2013 22.04.2013
Mei/Mai 2013 21.05.2013 - Ed. 4
Juni/Juin 2013 20.06.2013 - Ed. 2
Juli/Juillet 2013 15.07.2013
Augustus/Août 2013 16.08.2013
September/Septembre 2013 17.09.2013
Oktober/Octobre 2013 16.10.2013 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge November/Novembre 2013 14.11.2013 - Ed. 2
December/Décembre 2013 16.12.2013 - Ed. 2
Januari/Janvier 2014 17.01.2014 - Ed. 1
Februari/Février 2014 20.02.2014 - Ed. 1
Maart/Mars 2014 20.03.2014 - Ed. 1
April/Avril 2014 17.04.2014 - Ed. 1
Mei/Mai 2014 21.05.2014 - Ed. 1
Juni/Juin 2014 25.06.2014 - Ed. 1
Juli/Juillet 2014 16.07.2014 - Ed.1
Augustus/Août 2014 14.08.2014 - Ed. 2
September/Septembre 2014 16.09.2014- Ed. 1
Oktober/Octobre 2014 16.10.2014 - Ed. 1
November/Novembre 2014 14.11.2014 - Ed. 2
December/Décembre 2014 15.12.2014 - Ed. 1
Januari/Janvier 2015 15.01.2015 - Ed. 1
Februari/Février 2015 20.02.2015 - Ed. 2
Maart/Mars 2015 16.03.2015 - Ed. 1
April/Avril 2015 16.04.2015 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mei/Mai 2015 13.05.2015 - Ed. 1
Juni/Juin 2015 17.06.2015 - Ed. 2
Juli/Juillet 2015 15.07.2015 - Ed. 1
Augustus/Août 2015 14.08.2015 - Ed. 2
September/Septembre 2015 15.09.2015 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2015 16.10.2015 - Ed. 1
November/Novembre 2015 17.11.2015 - Ed. 1
December/Décembre 2015 18.12.2015 - Ed. 2
Januari/Janvier 2016 15.01.2016 - Ed. 1
Februari/Février 2016 24.02.2016 - Ed. 1
Maart/Mars 2016 17.03.2016 - Ed. 2
April/Avril 2016 15.04.2016 - Ed. 2
Mei/Mai 2016 13.05.2016 - Ed. 1
Juni/Juin 2016 16.06.2016 - Ed. 1
Juli/Juillet 2016 13.07.2016 - Ed. 1
Augustus/Août 2016 22.08.2016 - Ed. 1
September/Septembre 2016 19.09.2016 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2016 13.10.2016 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge November/Novembre 2016 18.11.2016 - Ed. 2
December/Décembre 2016 14.12.2016 - Ed. 3
Januari/Janvier 2017 18.01.2017 - Ed. 1
Februari/Février 2017 15.02.2017 - Ed. 1
Maart/Mars 2017 16.03.2017 - Ed. 1
April/Avril 2017 14.04.2017 - Ed. 1
Mei/Mai 2017 22.05.2017 - Ed. 1
Juni/Juin 2017 14.06.2017 - Ed. 1
Juli/Juillet 2017 14.07.2017 - Ed. 1
Augustus/Août 2017 18.08.2017 - Ed. 2
September/Septembre 2017 13.09.2017 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2017 20.10.2017 - Ed. 2
November/Novembre 2017 17.11.2017 - Ed. 1
December/Décembre 2017 18.12.2017 - Ed. 1
Januari/Janvier 2018 17.01.2018 - Ed. 1
Februari/Février 2018 15.02.2018 - Ed. 1
Maart/Mars 2018 15.03.2018 - Ed. 1
April/Avril 2018 18.04.2018 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mei/Mai 2018 17.05.2018 - Ed. 1
Juni/Juin 2018 19.06.2018 - Ed. 1
Juli/Juillet 2018 19.07.2018 - Ed. 1
Augustus/Août 2018 17.08.2018 - Ed. 1
September/Septembre 2018 14.09.2018 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2018 17.10.2018 - Ed. 1
November/Novembre 2018 21.11.2018 - Ed. 1
December/Décembre 2018 19.12.2018 - Ed. 1
Januari/Janvier 2019 16.01.2019 - Ed. 1
Februari/Février 2019 14.02.2019 - Ed. 1
Maart/Mars 2019 18.03.2019 - Ed. 1
April/Avril 2019 23.04.2019 - Ed. 1
Mei/Mai 2019 17.05.2019 - Ed. 1
Juni/Juin 2019 14.06.2019 - Ed. 1
Juli/Juillet 2019 17.07.2019 - Ed. 1
Augustus/Août 2019 16.08.2019 - Ed. 1
September/Septembre 2019 13.09.2019 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2019 22.10.2019 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge November/Novembre 2019 18.11.2019 - Ed. 1
December/Décembre 2019 16.12.2019 - Ed. 1
Januari/Janvier 2020 16.01.2020 - Ed. 1
Februari/Février 2020 18.02.2020 - Ed. 1
Maart/Mars 2020 23.03.2020 - Ed. 1
April/Avril 2020 17.04.2020 - Ed. 1
Mei/Mai 2020 18.05.2020 - Ed. 1
Juni/Juin 2020 15.06.2020 - Ed. 1
Juli/Juillet 2020 17.07.2020 - Ed. 1
Augustus/Août 2020 13.08.2020 - Ed. 1
September/Septembre 2020 17.09.2020 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2020 15.10.2020 - Ed. 1
November/Novembre 2020 20.11.2020 - Ed. 1
December/Décembre 2020 18.12.2020 - Ed. 1
Januari/Janvier 2021 15.01.2021 - Ed. 1
Februari/Février 2021 17.02.2021 - Ed. 1
Maart/Mars 2021 16.03.2021 - Ed. 2
April/Avril 2021 14.04.2021 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mei/Mai 2021 19.05.2021 - Ed. 1
Juni/Juin 2021 15.06.2021 - Ed. 1
Juli/Juillet 2021 16.07.2021 - Ed. 1
Augustus/Août 2021 19.08.2021 - Ed. 1
September/Septembre 2021 17.09.2021 - Ed. 1
Oktober/Octobre 2021 20.10.2021 - Ed. 1
November/Novembre 2021 20.11.2021 - Ed. 1
December/Décembre 2021 17.12.2021 - Ed. 1
Janvier/januari 2022 21.01.2022 - Ed. 1
Février/februari 2022 18.02.2022 - Ed. 1
Mars/maart 2022 18.03.2022 - Ed. 1
Avril/april 2022 21.04.2022 - Ed. 1
Mai/mei 2022 19.05.2022 - Ed. 1
Juin/juni 2022 17.06.2022 - Ed. 1
Juillet/juli 2022 14.07.2022 - Ed. 1
Août/augustus 2022 18.08.2022 - Ed. 2
Septembre/september 2022 26.09.2022 - Ed. 1
Octobre/oktober 2022 17.10.2022 - Ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Novembre/november 2022 21.11.2022 - Ed. 1
Décembre/december 2022 23.12.2022 - Ed. 1
Janvier/januari 2023 18.01.2023 - ed. 1
Février/februari 2023 17.02.2023 - ed. 2
Mars/maart 2023 17.03.2023 - ed. 2
Avril/april 2023 19.04.2023 - ed. 1
Mai/mei 2023 25.05.2023 - ed. 1
Juin/juni 2023 30.06.2023 - ed. 2
Juillet/juli 2023 14.07.2023 - ed. 1
Août/augustus 2023 22.09.2023 - ed. 1
Septembre/september 2023 25.09.2023 - ed. 1
Octobre/oktober 2023 30.10.2023 - ed. 1
Novembre/november 2023 05.01.2024 - ed. 1
Décembre/december 2023 05.01.2024 - ed. 1
Janvier/januari 2024 23.01.2024 - ed. 1
Février/februari 2024 20.02.2024 - ed. 1
Mars/maart 2024 15.03.2024 - ed. 1
Avril/april 2024 17.04.2024 - ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Mai/mei 2024 27.05.2024 - ed. 1
Juin/juni 2024 27.06.2024 - ed. 1
Juillet/juli 2024 19.07.2024 - ed. 1
Août/augustus 2024 23.09.2024 - ed. 1
Septembre/september 2024 25.09.2024 - ed. 1
Octobre/oktober 2024 16.10.2024 - ed. 1
Novembre/november 2024 14.11.2024 - ed. 1
Décembre/december 2024 13.12.2024 - ed. 1
Janvier/januari 2025 17.01.2025 - ed. 1
Février/februari 2025 14.02.2025 - ed. 1
Mars/maart 2025 17.03.2025 - ed. 1
Avril/april 2025 17.04.2025 - ed. 1
Mai/mei 2025 16.05.2025 - ed. 1
Juin/juni 2025 16.06.2025 - ed. 1
Juillet/juli 2025 16.07.2025 - ed. 1
Août/augustus 2025 18.08.2025 - ed. 1
Septembre/september 2025 19.09.2025 - ed. 1
Octobre/oktober 2025 30.10.2025 - ed. 1 Periode Belgisch Staatsblad Période Moniteur belge Novembre/november 2025 14.11.2025 - ed. 1
Décembre/december 2025 09.01.2026 - ed. 1 Maandelijks lastenpercentage voor niet- hypothecaire leningen gesloten tijdens de jaren 1981 tot 1984 met een vaste looptijd van meer dan 60 maanden.
Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Bedrag van de lening Année au cours de laquelle le contrat de prêt a été conclu Montant du prêt 1981
Tot/ 123,95 EUR 1,05 jusqu'à Van/de 123,96 EUR 1,03 Tot/à 371,84 EUR Van/de 371,85 EUR 0,96 Tot/à 619,73 EUR Van/de 619,74 EUR 0,92 Tot/à 1.239,47 EUR Van/de 1.239,48 EUR 0,88 Tot/à 2.478,94 EUR Van/de 2.478,95 EUR 0,86 Tot/à 3.718,40 EUR Van/de 3.718,41 EUR 0,84 Tot/à 5.577,60 EUR Van/de 5.577,61 EUR 0,83 Tot/à 7.436,81 EUR Van/de 7.436,82 EUR 0,82 Tot/à 9.915,74 EUR Van/de 9.915,75 EUR 0,81 Tot/à 14.873,61 EUR Meer dan/ 14.873,61 EUR 0,81 plus de
(Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 18, § 3, 1, c, 1°) … BIJLAGE II VAN HET KB/WIB 92
Lijst van activa die bedoeld zijn in artikel 69/1, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en die dienen voor de productie van hernieuwbare energie en het efficiënt verbruik van energie
(KB/WIB 92, artikel 49)
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
- "bestaande" gebouwen: de gebouwen waarvan de bouw op het einde van het belastbaar tijdperk waarin de in categorieên 1 en 3 vermelde investeringen zijn gedaan, sedert meer dan 10 jaar is voltooid;
- "bestaande" of "in gebruik zijnde" apparatuur, processen, systemen en andere installaties: de apparatuur, processen, systemen enzovoort die op het einde van het belastbaar tijdperk waarin de in de categorieên 2, 4, 5 en 6 vermelde investeringen zijn gedaan:
- sedert meer dan vijf jaar in gebruik zijn genomen, voor vaste activa die bedoeld zijn voor een aanpassing van de installatie uit energetische overwegingen;
- sedert meer dan tien jaar in gebruik zijn genomen, voor activa die bedoeld zijn voor de vervanging van de installatie uit energetische overwegingen; - "energiestudie of -audit": een studie of audit die een berekening maakt van het huidig energieverbruik van een proces of een installatie en het toekomstig energieverbruik na aanpassing of vervanging van de installatie. Deze studie of audit mag maximum 4 jaar oud zijn. Deze studie of audit omvat, behoudens voor kleine vennootschappen, de berekening van de interne rentabiliteit (IRR), op basis van het door de bevoegde overheden overeengekomen sjabloon. Het IRR- percentage, berekend met de thematische investeringsaftrek inbegrepen, mag 13 pct. na belastingen niet overschrijden.
Energiestudies en -plannen uitgevoerd in het kader van een wettelijke verplichting of voor toetreding tot een convenant komen eveneens in aanmerking.
Voor de toepassing van deze bijlage zijn uitgesloten:
- de investeringen met een in aanmerking te nemen waarde van minder dan 1.000 euro;
- de investeringen die een terugverdientijd hebben van minder dan drie jaar;
- de investeringen in vaste activa die tot stand zijn gebracht door een vennootschap die niet als een kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de investeringen worden verricht en een interne-rentevoet (IRR) hebben van meer dan 13 pct.
In het geval dat de som van het fiscale voordeel van de investeringsaftrek die wordt aangevraagd voor een van de in deze bijlage vermelde investeringen en het voordeel van overige aangevraagde overheidssteun voor de betrokken investering meer bedraagt dan 30 miljoen euro, het drempelbedrag vermeld in artikel 4, lid 1, s), van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieen steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, zal de aanvraag voor investeringsaftrek ter voorafgaande goedkeuring als verenigbare staatssteun bij de Europese Commissie worden aangemeld. GROEP 1 : BEPERKING VAN DE ENERGIEVERLIEZEN
Categorie 1.- Beperking van de energieverliezen in bestaande gebouwen.
Voor zover ze niet door een wettelijke of reglementaire bepaling zijn opgelegd en mits voor de berekening van de Rd-waarde, lambdawaarden worden bepaald volgens de richtlijnen van NBN B 62-002 of ETG (Europese Technische Goedkeuring) of voorkomend op de CE-markering of de bijhorende DOP (Verklaring van Prestatie) van het product:
a) isoleren van daken die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en de buitenlucht, zodanig dat de Rd-waarde van de isolatie minstens 4,0 m2K/W bedraagt, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen;
b) isoleren van buitenmuren en muren die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en een niet-verwarmd vertrek, zodanig dat de Rd-waarde van de isolatie minstens 3,0 m2K/W bedraagt in geval van isolatie langs de buitengevel en 2,0 m2K/W bedraagt in geval van isolatie langs de binnenkant, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen; c) na-isoleren van de spouwmuur, zodanig dat de dikte van het isolatiemateriaal minstens 5 cm bedraagt, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen. Net na-isoleren van spouwmuren die al gedeeltelijk voorzien zijn van spouwmuurisolatie, komt niet in aanmerking;
d) isoleren van vloeren en/of kelderplafond die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en de buitenlucht, zodanig dat de Rd- waarde minstens 2,0 m2K/W bedraagt, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen;
e) vervangen van buitendeuren en van deuren die de scheiding vormen tussen een verwarmd en een niet-verwarmd vertrek, met een Ud- waarde van maximum 2,0 W/m2K, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen;
f) Vervangen van ramen en aanbrengen van hoogrendementsbeglazing met een Ug-waarde van maximaal 1,1 W/m2K of lichtkoepels met een U-waarde van maximaal 1,1 W/m2K, waarbij:
- de Ug-waarde van het geplaatste glas moet berekend zijn volgens de norm NBN EN 673 in overeenstemming met de CE- markering;
- de U-waarde van van de lichtkoepel, moet bepaald zijn volgens de norm NBN EN 1873, in overeenstemming met de CE- markering. Categorie 2.- Beperking van de energieverliezen door in gebruik zijnde apparaten, leidingen, afsluiters en kanalen te isoleren, in gebruik zijnde warme of koude vloeistofbaden af te dekken of in bestaande ovens.
Investeringen waarbij isolatiemateriaal is gebruikt, volgens de Belgische normen NBN van de reeks B 62 of volgens bijzondere Belgische normen of dito technische goedkeuringen, en die vermeld zijn in een energiestudie of -audit, komen in aanmerking.
Categorie 3.- Beperking van het ventilatieverlies in bestaande gebouwen.
De volgende investeringen die vermeld zijn in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit, komen in aanmerking:
a) het aanbrengen van tochtsluizen, tochtgordijnen of automatisch sluitende deuren en poorten tussen de binnen- en buitenkant van een verwarmd en/of gekoeld gebouw of tussen een verwarmd en een gekoeld of niet-verwarmd gedeelte van het gebouw;
b) het aanbrengen van automatisch sluitende deuren tussen koel- of diepvrieskamers en de rest van het gebouw.
GROEP 2 : TERUGWINNEN VAN ENERGIE EN ENERGIEDELEN
Categorie 4.- Opvang, terugwinnen en levering aan derden van warmte of -koude.
De volgende investeringen, die vermeld zijn in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit met uitzondering van het materieel en de uitrustingen die bestemd zijn voor warmtekrachtkoppeling, komen in aanmerking wanneer zij het in een bestaand systeem mogelijk maken energie (warmte of koude) op te vangen, zelf te recupereren en/of te leveren aan derden op energie-efficiënte wijze zoals bepaald in verordening (EU) 651/20141:
a) plaatsen van recuperatietoestellen op thermische afvalstromen of uitstoten; b) plaatsen van warmtepompen, die geen andere energiebron dan elektriciteit gebruiken, voor de levering van energie (warmte of koude);
c) plaatsen van warmte- of koude- opvangapparatuur nodig om restenergie (warmte of koude) terug te winnen, met uitzondering van productietoestellen die de teruggewonnen energie (warmte of koude) gebruiken;
d) plaatsen van geïsoleerde leidingen en circulatiepompen voor het transport van de opgenomen of teruggewonnen energie (warmte of koude);
e) plaatsen van geïsoleerde opslagvaten die uitsluitend dienen voor het opslaan van de opgenomen of teruggewonnen energie (warmte of koude);
f) plaatsen van apparatuur voor het opvangen en naverdampen van stoomcondensaat, evenals de installatie van spuikranen voor de aflaat van gecondenseerd water;
g) de verlenging van continu-ovens voor een verdere recuperatie van de in de rookgassen aanwezige warmte, bij gelijkblijvende productiecapaciteit.
1 Overeenkomstig de definitie van energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling (nr. 124) in de algemene groepsvrijstellingsverordening (VERORDENING (EU) Nr. 651/2014 VAN DE COMMISSIE van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard) - geconsolideerde versie van 1 juli 2023
2 Conformément à la définition de réseau de chaleur et de froid efficace (n° 124) du règlement général d'exemption par catégorie (RÈGLEMENT (UE) N° 651/2014 DE LA COMMISSION du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité) - version consolidée du 1er juillet 2023
Categorie 5.- Aanwenden van expansie-energie die vrijkomt bij bestaande productieprocessen of bij de ontspanning van vloeistoffen onder druk gebracht voor transport.
In aanmerking komen, de investeringen vermeld in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit, om bestaande installaties en systemen voor het aanwenden van die expansie-energie aan te passen door het plaatsen van: a) tegendrukturbines;
b) expansieturbines;
c) generatoren, met inbegrip van snelheidsreductoren, waarin de opgewekte mechanische energie wordt omgezet in elektriciteit.
GROEP 3 : AANPASSING VAN APPARATUUR, INSTALLATIES EN INDUSTRIËLE PROCESSEN
Categorie 6.- Apparatuur en industriële productieprocessen.
De volgende investeringen, vermeld in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit, komen in aanmerking:
a) de investeringen die uitsluitend worden verwezenlijkt met het oog op de vermindering van het energieverbruik van bestaande verbrandings-, verwarmings- en klimatiseringsapparatuur, met name meet- en regelapparatuur (detectoren en sensoren inbegrepen) en hun software;
b) de investeringen in nieuwe klimatiseringsapparatuur ter vervanging van bestaande apparatuur met het oog op energiebesparing;
c) de investeringen met het oog op een vermindering van het energieverbruik door het aanpassen of vervanging van bestaande apparatuur, installaties of industriéle processen;
d) de investeringen in commerciéle en industriéle koelapparatuur, bestaande uit:
- implementatie van een CO2- of NH4-installatie;
- centralisatie van positieve en negatieve koude productie;
- warmteterugwinning en consumenten-koppeling (VRV); - regulering en automatisering;
- vervangen van koelmeubilair om energieverlies te voorkomen en/of met het oog op energiebesparing.
De investeringen in de nodige apparatuur voor de elektrificatie van processen komen niet in aanmerking binnen deze categorie. Deze vallen onder categorie 7.
Categorie 7.- Elektrificatie van industriële productieprocessen ter vervanging van processen op fossiele brandstoffen.
De volgende investeringen, vermeld in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit, komen in aanmerking:
- de investeringen voor de elektrificatie van industriële processen;
- de investeringen voor de installatie van warmtepompen, die geen andere energiebron dan elektriciteit gebruiken, bestemd voor industriële processen.
GROEP 4 : FLEXIBILITEIT
Categorie 8.- Tijdelijke opslag van elektrische en thermische energie.
In aanmerking komen de noodzakelijke investeringen om elektrische of thermische energie op te slaan en later af te geven, vermeld in een voorafgaandelijke energiestudie of -audit.
Deze investeringen omvatten:
- opslagsystemen voor het opslaan van elektrische en/of thermische energie;
- bijhorende omvormers;
- alle meet- en regelapparatuur om de opslag en afgifte van elektrische en/of thermische energie en te optimaliseren.
GROEP 5 : HERNIEUWBARE ENERGIEEN Categorie 9.- Productie van hernieuwbare energie.
In aanmerking komen, de nodige apparatuur voor de productie van chemische, mechanische, thermische of elektrische energie of van een reductie-agent door aanwending of door omzetting van hernieuwbare energie of van fatale gassen, desgevallend met inbegrip van de elektrotechnische apparatuur voor aansluiting op het interne elektriciteitsnet. BIJLAGE IIbis VAN HET KB/WIB 92
Lijst van activa die bedoeld zijn in artikel 69/1, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en die vervoersmiddelen betreffen die geen CO2 uitstoten
(KB/WIB 92, artikel 49)
Voor de toepassing van deze bijlage zijn de investeringen met een in aanmerking te nemen waarde van minder dan 1.000 euro uitgesloten.
In het geval dat de som van het fiscale voordeel van de investeringsaftrek die wordt aangevraagd voor een van de in deze bijlage vermelde investeringen en het voordeel van overige aangevraagde overheidssteun voor de betrokken investering meer bedraagt dan 30 miljoen euro, het drempelbedrag vermeld in artikel 4, lid 1, s), van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, zal de aanvraag voor investeringsaftrek ter voorafgaande goedkeuring als verenigbare staatssteun bij de Europese Commissie worden aangemeld.
GROEP 1 : SPOORVERVOER
Categorie 1.- Rangeerlocomotief
Worden bedoeld, de investeringen:
a) die de ombouw van een dieselaangedreven rangeerlocomotief (first & last mile) naar een locomotief zonder CO2-uitstoot mogelijk maken;
b) met betrekking tot de aanschaf en werking van een rangeerlocomotief (last mile & first mile) die uitsluitend rijdt op elektriciteit geleverd door een batterij.
In beide gevallen mag de locomotief geen CO2 uitstoten via de uitlaatpijp.
In beide gevallen is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt beperkt tot 1.000.000 euro per investering.
GROEP 2 : WEGVERVOER Categorie 2.- Actieve mobiliteit
Worden bedoeld, de investeringen met betrekking tot:
a) de aanschaf van rijwielen, gemotoriseerde rijwielen, speed pedelecs, voortbewegingstoestellen, bromfietsen, driewielers en vierwielers met motor, en motorfietsen zoals gedefinieerd in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, evenals hun complementaire cyclo-logistieke en transport accessoires (tassen, bakken, aanhangwagens, enz.);
b) de aanschaf, bouw of verbouwing van onroerende goederen bestemd voor de opslag van de onder a) vermelde voertuigen, ongeacht of deze laatsten al dan niet het voorwerp zijn geweest van investeringsaftrek;
c) de inrichting van een kleedkamer of sanitaire voorzieningen, met of zonder douches, met als doel deze ter beschikking te stellen van de personeelsleden die deze voertuigen gebruiken;
d) de fiets- en voetgangersinfrastructuur die toegankelijk is voor het publiek en gelinkt met bestaande voetgangers- en/of fietsinfrastructuur.
Voor de toepassing van punt a) stoten de motorvoertuigen geen CO2 uit via de uitlaatpijp en:
i) zijn ze uitsluitend bestemd voor logistieke diensten, goederenvervoer, vervoer van gereedschappen nuttig voor de uitoefening van een beroepsactiviteit of het vervoer van passagiers; of
ii) worden ze aangeschaft ter vervanging van voertuigen die CO2 uitstoten via de uitlaatpijp.
Voor de toepassing van punt b) worden alleen investeringen die rechtstreeks verband houden met deze onroerende goederen in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van punt d) is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt beperkt tot 1.000.000 euro per investering. Categorie 3.- Andere voertuigen op wielen
Op voorwaarde dat de betrokken voertuigen niet worden gebruikt voor het vervoer van fossiele brandstoffen, worden bedoeld de investeringen met betrekking tot:
a) de aanschaf van emissievrije voertuigen voor goederenvervoer;
b) de aanschaf van emissievrije autobussen en autocars.
Voor de toepassing van punt a) wordt onder emissievrij vrachtvoertuig verstaan:
i) wat zware voertuigen betreft, worden bedoeld de emissievrije zware bedrijfsvoertuigen in de zin van artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242 tot vaststelling van CO2- emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die minder dan 1 g CO2/kWh uitstoten, zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan;
ii) wat lichte voertuigen betreft, worden bedoeld de lichte bedrijfsvoertuigen zonder interne verbrandingsmotor of met een interne verbrandingsmotor die minder dan 1 g CO2/km uitstoot, zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan.
Voor de toepassing van punt b) worden bedoeld de autobussen en autocars die minder dan 1g CO2/kWh uitstoten.
Voor de toepassing van punten a) en b) is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt beperkt tot 500.000 euro per investering.
GROEP 3 : ZEE- EN BINNENVAART Op voorwaarde dat ze betrekking hebben op schepen die de Belgische vlag voeren of vaartuigen die in het bezit zijn van een verklaring Belgische vloot of Rijnvaart, en op voorwaarde dat deze schepen of vaartuigen niet bestemd zijn voor recreatief gebruik, worden bedoeld:
a) investeringen gekoppeld aan de conversie van thermische, mechanische en elektrische energie samen met de aansturing ervan (Power Management Systems);
b) investeringen gekoppeld aan de aanschaf van zeilschepen en door wind aangedreven technologie, zoals kites, stijve vleugels, vrachtzeilboten, rotors en turbozeilen;
c) investeringen met betrekking tot de aanschaf van een zeeschip;
d) investeringen met betrekking tot de aanschaf van een binnenschip.
Wat punten a) tot d) betreft, moet het schip of vaartuig waarop deze investeringen betrekking hebben aan de volgende voorwaarden voldoen:
i) het stoot geen CO2 uit via de uitlaatpijp;
ii) het wordt gebruikt voor commercieel personen- of goederenvervoer, andere zee of binnenvaartactiviteiten, havenactiviteiten of neven-activiteiten.
Voor de toepassing van punten a) tot d), worden onder andere zee- of binnenvaartactiviteiten in het bijzonder de volgende activiteiten bedoeld:
- het slepen van vaartuigen of schepen (sleepboten);
- het transport naar de windmolenparken met onderdelen van de windmolens (offshore vaartuigen);
- zandwinning (baggervaartuigen);
- het uitleggen van boeien in de zee; - het installeren van kabels op de zeebodem om de connectie te maken tussen land en de windmolenparken.
Wat punt a) betreft, is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt, beperkt tot 500.000 euro per investering.
Wat punt b) betreft, is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt, beperkt tot 1.000.000 euro per investering.
Wat punten c) en d) betreft, is het bedrag dat voor investeringsaftrek in aanmerking komt, beperkt tot 2.000.000 euro per investering.
GROEP 4 : LAADINFRASTRUCTUUR
Worden bedoeld de investeringen met betrekking tot de installatie van:
a) laadinfrastructuur voor groene waterstof voor de voertuigen bedoeld in punt c) van groep 3;
b) elektrische laadinfrastructuur voor de voertuigen bedoeld:
- in categorie 3 van groep 2;
- in punten c) en d) van groep 3. BIJLAGE IIter van het KB/WIB 92
Vermeldingen die verplicht moeten voorkomen op de factuur betreffende de uitgaven opgesomd in artikel 14531 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op het beveiligen van een woning tegen diefstal of brand
(KB/WIB 92, artikelen 6315 tot 6318)
Maatregel 1 : Beveiliging tegen diefstal
A. Aangaande de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van inbraakvertragende gevelelementen :

1° betreffende de beveiligingssystemen voor deuren, ramen, luiken, garagepoorten, lichtkoepels, dakvensters, keldergaten en hekken : de aannemer bevestigt dat de beveiligingssystemen en de plaatsing ervan daadwerkelijk de weerstand verzekeren of versterken van de gevelelementen van de woning zodat een minimale weerstand wordt gewaarborgd van drie minuten aan de inbraakpogingen die worden uitgevoerd met behulp van volgende instrumenten : een schroevendraaier, een tang en een wig.
Om de weerstand van de geïnstalleerde gevelelementen te waarborgen, kan de aannemer refereren aan de klasse 2 van de Europese voornormen ENV 1627 tot 1630 of elk ander voorgeschreven document dat hetzelfde prestatieniveau waarborgt in termen van inbraakwerendheid in afwachting van de publicatie van de toekomstige Europese normen EN 1627 tot 1630. De aannemer zal naar deze laatste normen kunnen refereren om de weerstand van de geïnstalleerde gevelelementen te waarborgen ; 2° in het bijzonder, betreffende het specifiek inbraakwerend glas : de aannemer bevestigt dat het glas minstens een gelaagde kant heeft (geplaatst aan de binnenkant) conform met de klasse P4A van de Europese norm EN 356. Het glas moet worden geplaatst volgens de richtlijnen van de norm NBN S 23-002 (STS 38) of volgens de instructies van de glasfabrikanten.
B. Aangaande de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van alarmsystemen en de componenten ervan : de erkende beveiligingsonderneming bevestigt dat het geïnstalleerde materieel wordt gecertifieerd volgens het kwaliteitslabel INCERT of volgens een gelijkaardige kwaliteitsnorm voorgesteld door de sector van de veiligheidsondernemingen.
C. Betreffende de kosten die gepaard gaan met het alarmbeheer : de vergunde alarmcentrale bevestigt de aansluiting van het alarmsysteem door het ondertekenen van een schriftelijke overeenkomst.
Maatregel 2 : Beveiliging tegen brand
Aangaande de uitgaven betreffende de deuren met een brandweerstand van "een half uur" : de aannemer bevestigt dat deze geplaatst zijn op basis van een proefprocesverbaal, waarvan alle details worden gerespecteerd. De proef is uitgevoerd volgens NBN 713-020 "Brandweerstand van bouwelementen" of EI1 30 volgens NBN EN 13501-2 "Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel 2 : classificatie gebruik makend van gegevens van brandweerstandsproeven met uitsluiting van producten voor gebruik in ventilatiesystemen". BIJLAGE IIter/1 bij het KB/WIB 92
Vermeldingen die verplicht moeten voorkomen op de factuur betreffende de vaste activa opgesomd in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake investe- ringsaftrek voor digitale investeringen.
(KB/WIB 92, artikel 49/1)
Categorie A - Digitale vaste activa die dienen voor de integratie en exploitatie van digitale betalings- en facturatiesystemen
1. Wat de software betreft, zoals bedoeld in artikel 49/1, A, 1°, KB/WIB 92, die de elektronische betaling vergemakkelijken, verklaart de installateur dat :
de software (naam van de software) (softwareversie) geïnstalleerd met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor het vergemakkelijken van de elektronische betaling.
2. Wat de apparatuur betreft, bedoeld in artikel 49/1, A, 1°, KB/WIB 92, die de elektronische betaling vergemakkelijken, verklaart de installateur dat :
de apparatuur (naam van de apparatuur) (merk van de apparatuur) geïnstalleerd op (datum van de installatie), met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor het vergemakkelijken van de elektronische betaling.
3. Wat de software betreft, bedoeld in artikel 49/1, A, 2°, KB/WIB 92, voor elektronische facturatie, handtekening of archivering, verklaart de installateur dat :
de software (naam van de software) (softwareversie) geïnstalleerd met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor (aankruisen wat van toepassing is) : - de elektronische facturatie
- de elektronische handtekening
- de elektronische archivering.
4. Wat de apparatuur betreft, bedoeld in artikel 49/1, A, 2°, KB/WIB 92, voor elektronische facturatie, handtekening of archivering, verklaart de installateur dat :
de apparatuur (naam van de apparatuur) (merk van de apparatuur) geïnstalleerd op (datum van de installatie), met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor (aankruisen wat van toepassing is) :
- de elektronische facturatie
- de elektronische handtekening
- de elektronische archivering.
Categorie B - investeringen in systemen die dienen voor de beveiliging van informatie- en communicatietechnologie (ICT)
1. Wat de software betreft, bedoeld in artikel 49/1, B, 1°, KB/WIB 92, voor de beveiliging van data, netwerken en ICT-toepassingen, verklaart de installateur dat :
de software (naam van de software) (softwareversie) geïnstalleerd met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor de beveiliging van (aankruisen wat van toepassing is) :
- data (encryptie-software)
- netwerken (firewall-software, ...)
- ICT-toepassingen (software voor toegangscontrole tot de toepassingen).
2. Wat de apparatuur betreft, bedoeld in artikel 49/1, B, 1°, KB/WIB 92, voor de beveiliging van data, netwerken en ICT-toepassingen, verklaart de installateur dat : de apparatuur (naam van de apparatuur) (merk van de apparatuur) geïnstalleerd op (datum van installatie) met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor de beveiliging van (aankruisen wat van toepassing is) :
- data (encryptie-apparatuur)
- netwerken (apparatuur voor netwerkbeveiliging)
- ICT-toepassingen (apparatuur voor toegangscontrole tot de toepassingen).
3. Wat de instrumenten betreft, bedoeld in artikel 49/1, B, 2°, KB/WIB 92, die de ICT- beveiligingssystemen monitoren en auditen, verklaart de leverancier dat :
het instrument (naam van het instrument) geleverd op (leveringsdatum) met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor het monitoren en het auditen van (aankruisen wat van toepassing is) :
- de databescherming
- de netwerkbeveiliging
- de beveiliging van ICT-toepassingen.
4. Wat de software betreft, bedoeld in artikel 49/1, B, 3°, KB/WIB 92, die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken, verklaart de installateur dat :
de software (naam van de software) (softwareversie) geïnstalleerd met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient om de conformiteit van de databehandeling door de onderneming conform de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens te garanderen. 5. Wat de apparatuur betreft, bedoeld in artikel 49/1, B, 3°, KB/WIB 92, die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken, verklaart de installateur dat :
de apparatuur (naam van de apparatuur) (merk van de apparatuur) geïnstalleerd op (datum van installatie) met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient om de conformiteit van de databehandeling door de onderneming conform de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens te garanderen.
Categorie C - Investeringen betreffende de uitvoering van de vaste activa vermeld in categorie A en B
1. Wat de diensten voor softwareontwikkeling betreft, bedoeld in artikel 49/1, C, 1°, KB/WIB 92, nuttig bij de uitvoering van systemen, zoals bedoeld in artikel 49/1, A, 1° tot B, 3°, KB/WIB 92, verklaart de dienstverlener dat :
De diensten voor softwareontwikkeling (naam van de software) (softwareversie) de implementatie van het (de) syste(e)m(en) bedoeld in artikel 49/1, (verduidelijk de exact bedoelde categorie(ën)) tot uiteindelijk doel hebben en de volgende fases omvatten (aankruisen wat van toepassing is) :
- Analyse
- Ontwerp
- Testing
- Implementatie
- Onderhoud.
2. Wat de software betreft, bedoeld in artikel 49/1, C, 2°, KB/WIB 92, die de interfacing van de systemen bedoeld in artikel 49/1, A, 1° tot C, 1°, KB/WIB 92, met systemen van de onderneming of naar systemen buiten de onderneming mogelijk maken, met inbegrip van de systemen voor facturatie, betaling en boekhoudkundige programma's, verklaart de installateur dat :
de software (naam van de software) (softwareversie) geïnstalleerd met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor het verzekeren van de interfacing tussen de volgende systemen :
(naam van de systemen bedoeld in artikel 49/1, A, 1° t.e.m. C, 1° ) (verduidelijk de exact bedoelde categorie(ën))
en/of (naam van de externe systemen) (verduidelijk of het systemen voor facturatie, betaling of boekhoudkundige programma's betreft).
3. Wat de apparatuur betreft, bedoeld in artikel 49/1, C, 2°, KB/WIB 92, die de interfacing van de systemen bedoeld in artikel 49/1, A, 1° tot C, 1°, KB/WIB 92, met systemen van de onderneming of naar systemen buiten de onderneming mogelijk maken, met inbegrip van de systemen voor facturatie, betaling en boekhoudkundige programma's, verklaart de installateur dat :
de apparatuur (naam van de apparatuur) (merk van de apparatuur) geïnstalleerd op (datum van installatie) met een minimale garantie van (minimale duurtijd van de garantie) uitsluitend dient voor het verzekeren van de interfacing tussen de volgende systemen :
(naam van de systemen bedoeld in artikel 49/1, A, 1° t.e.m. C, 1° ) (verduidelijk de exact bedoelde categorie(ën))
en/of (naam van de externe systemen) (verduidelijk of het systemen voor facturatie, betaling of boekhoudkundige programma's betreft).
BIJLAGE IIter/2 bij het KB/WIB 92
Lijst van activa die bedoeld zijn in artikel 69/1, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en die een gunstige milieu-impact hebben buiten de in artikel 69/1, §§ 2 en 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde specifieke gevallen
(KB/WIB 92, artikel 49)
Voor de toepassing van deze bijlage zijn de investeringen met een in aanmerking te nemen waarde van minder dan 1.000 euro uitgesloten.
In het geval dat de som van het fiscale voordeel van de investeringsaftrek die wordt aangevraagd voor een van de in deze bijlage vermelde investeringen en het voordeel van overige aangevraagde overheidssteun voor de betrokken investering meer bedraagt dan 30 miljoen euro, het drempelbedrag vermeld in artikel 4, lid 1, s), van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, zal de aanvraag voor investeringsaftrek ter voorafgaande goedkeuring als verenigbare staatssteun bij de Europese Commissie worden aangemeld.
Voor de toepassing van deze bijlage zijn de volgende definities van toepassing:
- "reparatie" of "herstelling" wordt gedefinieerd zoals in de Verordening (EU) 2024/1781 als een of meer handelingen waarbij een gebrekkig product of afval wordt teruggebracht in een staat waarin het geschikt is voor het beoogde gebruik ervan;
- "hergebruik" wordt gedefinieerd zoals in Richtlijn 2008/98/EG als elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;
- "voorbereiding voor hergebruik" wordt gedefinieerd zoals in Richtlijn 2008/98/EG als elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is; - "recycling" of "recyclage" wordt gedefinieerd zoals in Richtlijn 2008/98/EG als elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
- "kunststof" wordt gedefinieerd als een materiaal bestaande uit een polymeer zoals bedoeld in artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, waaraan mogelijk additieven of andere stoffen zijn toegevoegd, en dat als een structureel hoofdbestanddeel van eindproducten kan worden gebruikt, met uitzondering van natuurlijke polymeren die niet chemisch gewijzigd zijn;
- "afvalhiërarchie": hiërarchie voor de preventie en het beheer van afvalstoffen zoals omschreven in artikel 4 van richtlijn 2008/98/EG.
GROEP 1 : GRONDSTOFFENBEHEER
Investeringen voor de inzameling, sortering, verwerking of behandeling van producten, grondstoffen of afval komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan de afvalhiërarchie op basis van de best beschikbare technieken voor het product, de grondstof of de afvalstroom in kwestie.
De investeringen moeten voldoen aan de criteria voor de transitie naar een circulaire economie zoals omschreven in artikel 13 van de Verordening (EU) 2020/852.
Categorie 1.- Vermindering van het gebruik van grondstoffen / afvalvermindering.
1.1. Waterbesparende toestellen: waterfonteinen aangesloten op drinkwater en waterterugwinningssystemen voor grijs water.
1.2. Apparatuur of installaties die bijdragen aan de vermindering van eenmalige producten en de omslag naar herbruikbare producten:
a) apparatuur of installaties die technisch noodzakelijk zijn om herbruikbare producten terug in te zamelen en die het volgende kunnen omvatten: verpakkingen, (openbare) inzamelbakken, technische retoursystemen, sorteersystemen, inspectielijnen, vulapparatuur, met uitzondering van gebouwen, transportmiddelen en interne transportapparatuur;
b) industriële reinigingsapparatuur of - installaties voor het reinigen en drogen van herbruikbare producten die garanderen dater wasmiddelen worden gebruikt die niet toxisch zijn voor het leefmilieu en de biodiversiteit en waarbij het waswater wordt gerecupereerd en hergebruikt;
c) desinfectie-installaties voor medische hulpmiddelen met oog op hergebruik.
1.3. Apparatuur of installaties voor herstel, sortering of demontage ten behoeve van hergebruik, voorbereiding voor hergebruik of recycling:
- bestemd voor: het herstellen of in onderdelen uiteen nemen van producten, waarbij de onderdelen van de producten kunnen worden hergebruikt, gebruikt in een nieuw product of gerecycleerd tot grondstoffen;
- bestaande uit: apparatuur of installaties, met uitzondering van standaardgereedschap, om fietsen, meubels, textiel, elektrische en elektronische apparaten en zonnepanelen klaar te maken voor hergebruik, voor gebruik in nieuwe producten of voor recyclage.
1.4. Apparatuur om te kammen, spinnen, weven en breien, specifiek gemaakt om gerecycleerde textielvezels te verwerken tot een (onderdeel van) een textielproduct op voorwaarde dat:
- de gerecycleerde textielvezels afkomstig zijn van mechanische of thermische recyclage,
- het (onderdeel van) het textielproduct minimaal 50 gewichtsprocent gerecycleerde vezels bevat, en
- het textielproduct in de afvalfase ten minste even hoogwaardig recycleerbaar is als gangbaar is voor vergelijkbare producten.
GROEP 2: KLIMAAT
Categorie 2.- Broeikasgasemissies verminderen.
2.1. Middenspanningsschakelsysteem zonder fluorhoudende gassen (voor het doorschakelen of transporteren van middenspanning met een schakelsysteem dat geen SF6 bevat, maar geïsoleerd is door vaste stof of een fluorvrij isolatiegas);
2.2. Middenspanningsschakelsysteem zonder fluorhoudende gassen (aanpassen bestaande situatie) voor het voortijdig vervangen van een SF6-houdend schakelsysteem voor het doorschakelen van middenspanning met een schakelsysteem dat geen SF6 bevat, maar geïsoleerd is door vaste stof of met een fluorvrij isolatiegas (het vervangen van het SF6-houdend schakelsysteem dient te worden uitgevoerd door een SF6 gecertificeerd monteur, en er dient te worden aangetoond dat het SF6 is opgevangen en milieuverantwoord wordt verwerkt);
2.3. Hoogspanningsschakelsysteem of gasgeïsoleerde leiding (hoger dan 52 kV) met een laag GWP-isolatiegas (voor het doorschakelen of transporteren van hoogspanning met een schakelsysteem of gasgeïsoleerde leiding dat geen SF6 bevat, maar geïsoleerd is met een vaste stof, of een fluorvrij isolatiegas, of met een gefluorideerd gas met een GWP van minder dan 1.000 CO2-equivalenten);
2.4. Hoogspanningsschakelsysteem of gasgeïsoleerde leiding (hoger dan 52 kV) met een laag GWP-isolatiegas (aanpassen bestaande situatie) voor het voortijdig vervangen van een SF6-houdend schakelsysteem voor het doorschakelen van hoogspanning of een SF6-geïsoleerde leiding met een schakelsysteem of gasgeïsoleerde leiding dat geen SF6 bevat, maar geïsoleerd is door vaste stof, met een fluorvrij isolatiegas, of een gefluorideerd gas met een GWP van minder dan 1.000 CO2- equivalenten (het vervangen van het SF6- houdend schakelsysteem dient te worden uitgevoerd door een SF6 gecertificeerd monteur, en er dient te worden aangetoond dat het SF6 is opgevangen en milieuverantwoord wordt verwerkt).
2.5. Decarbonisatie van industriële productieprocessen door één van de volgende methodes:
a) directe reductie van ertsen met aardgas en/of waterstof, waarbij de volgende onderdelen in aanmerking komen: oven, procesgasverhitter, behandelingsinstallatie voor de gassen die vrijkomen en neveninstallaties voor aanvoer van gas, koeling en elektriciteitsvoorziening.
De investeerder toont aan de hand van een transitieplan met concrete tussentijdse CO2-uitstoot reductiedoelstellingen aan dat het gebruik van aardgas of fossiele waterstof voor deze investering een overgangsmaatregel is en er een omschakeling naar hernieuwbare waterstof voorzien is die in lijn ligt met klimaatneutraliteit in 2050;
b) vervanging van reductiemiddelen/procesgas van fossiele oorsprong door synthetische reductiemiddelen/gassen afkomstig van afvalstoffen die niet mechanisch recycleerbaar zijn en die zijn verhit door elektrische energie of door een gedeelte van het in het proces opgewekte gas, waarbij de volgende onderdelen in aanmerking komen: installatie voor de productie en behandeling van de synthetische gassen, aan- en afvoersystemen voor de afvalstoffen en gassen, voorzieningen voor toevoer van elektriciteit;
c) afvangen, transporteren, opslaan en gebruiken van CO2 die vrijkomt bij een industrieel productieproces, waarbij:
- de CO2-uitstoot onlosmakelijk verbonden is met het productieproces;
- de CO2 niet het gevolg is van energieproductie uit fossiele brandstoffen of afvalstoffen en niet afkomstig is van een WKK-installatie;
- de CO2 niet afkomstig is van de productie van single use plastics, virgin plastics of kunstmest;
- de CO2 die wordt afgevangen in een biovergister, niet afkomstig is van een fossiele bron, maar enkel de emissies uit het vergistingsproces in aanmerking komen;
- "opslaan" wordt gedefinieerd als het permanent opslaan van afgevangen CO2;
- "gebruiken" wordt gedefinieerd als het permanent chemisch binden van de afgevangen CO2 tot een stabiel product, al dan niet na tussentijdse opslag, zuivering of chemische omzetting, waarbij bij normaal gebruik, zo ook normale activiteiten die plaatsvinden na het einde van de levensduur van het product, de emissies niet in de atmosfeer terechtkomen. Net produceren van synthetische brandstoffen op basis van de afgevangen CO2 komt niet in aanmerking;
- "afvangen" en "transporteren" geïntegreerd zijn in een volledige CCU- of CCS-keten;
- en waarbij volgende apparatuur in aanmerking komt: apparatuur voor het afvangen van CO2, apparatuur om CO2 te binden, apparatuur voor het transport van CO2, CO2- reinigingsapparatuur, CO2- compressoren, transportleidingen naar de opslaglocatie, wassers, drogers, koeling, CO2-buffers voor tijdelijke opslag
De midden- en hoogspanningsschakelsystemen uit punt 2.1 tot 2.4 komen in aanmerking voor de investeringsaftrek tot:
- 1 januari 2026 voor schakelsystemen van maximaal 24 kV;
- 1 januari 2030 voor schakelsystemen groter dan 24kV maar van maximaal 52kV;
- 1 januari 2028 voor schakelsystemen groter dan 52kV maar van maximaal 145kV en maximaal 50kA;
- 1 januari 2032 voor schakelsystemen groter dan 145kV of groter dan 50kA.
Een investering onder punt c) komt niet in aanmerking indien ze reeds financiële overheidssteun ontvangt van de Europese overheid. Indien een investering geen financiële overheidssteun ontvangt van de Europese overheid, komt maximaal 33 pct. van het totale investeringsbedrag in aanmerking voor de investeringsaftrek. Financiële overheidssteun wordt ruim begrepen, met inbegrip van steun van fiscale aard en steun in de vorm van subsidies.
Categorie 3.- Bevorderen van adaptatie.
3.1. Vergroening van de niet-openbare delen van een vestigingseenheid, waaronder het parkeerterrein, en van een tuin, inclusief de verharde delen (aanpassen van een bestaande situatie):
a) vervangen van bestaande verharding door:
i. vegetatie bestaande uit een gevarieerde soortensamenstelling die aansluit op natuurlijke vegetatie, in volle grond; of
i.i. een waterpartij, die indien deze in directe verbinding staat met een oppervlaktewatersysteem, eerst door een beplant systeem moet passeren; of
i.i.i. waterdoorlatende of waterpasserende verhardingen, al dan niet in combinatie met de volgende onderdelen: infiltratiekanalen, waterbufferende en doorlatende onderfundering, slimme kolken, een helofytensloot, een vegetatiestuw of het verwijderen van bestaande aansluitingen op het riool; of
i.v. een combinatie van bovenstaande maatregelen.
b) in de gevallen bedoeld in de punten i. tot iv.:
- de vestigingseenheid maakt geen deel uit van een landbouwbedrijf en is gesitueerd in een stedelijke ontwikkelingszone volgens de stedenbouwkundige voorschriften die erop van toepassing zijn; en
- ten minste 50 pct. van de dichte bestrating voor parkeerterreinen, zij- en achteropritten (exclusief wegen) van de desbetreffende vestigingseenheid wordt vervangen; en
- ten minste 50 pct. van de totale dichte verharding van de desbetreffende vestigingseenheid wordt vervangen.
3.2. Installaties voor het beschermen van natuurlijke personen en bedrijven tegen de schadelijke gevolgen van overstromingen en het vermijden van het terechtkomen van verontreiniging in overstromingswater.
Hieronder worden volgende investeringen verstaan:
- het voorzien van waterwerende constructies voor openingen zoals toegangspoorten, ramen, deuren en dergelijke, langs waar water het gebouw kan binnendringen;
- het voorzien van terugslagkleppen op de riolering om overstroming door terugstuwing vanuit de riolering, waterloop of andere afwateringsinfrastructuur te vermijden;
- het waterdicht maken van muren onder het overstromingspeil om het indringen van water via de muren te vermijden.
Komen niet in aanmerking: investeringen in nieuwe installaties in overstromingsrisicogebieden overeenkomstig artikel 129 van de verzekeringswet van 4 april 2014.
GROEP 3 : Investeringen ter bevordering van het leefmilieu
Categorie 4.- Chemische stoffen in een circulaire economie.
Investeringen die de vervanging van het gebruik van zorgwekkende chemische stoffen mogelijk maken. De te vervangen stoffen moeten als zodanig op de markt worden gebracht (in de zin van artikel 3 van de REACH-verordening), geïdentificeerd door een uniek CAS-nummer, geproduceerd in de in subbijlage 1 vermelde sectoren, met uitzondering van stoffen die buiten het toepassingsgebied vallen en voor dit doel ook in subbijlage 1 zijn opgenomen. De volgende voorwaarden moeten worden voldaan:
a) de investering moet leiden tot een substantiële verbetering van de intrinsieke veiligheid van de op de markt gezette stoffen, producten die deze stoffen bevatten of processen waarin deze stoffen gebruikt worden;
b) de investering mag niet leiden tot een significante impact op het klimaat, water, bodems, mariene hulpbronnen, de transitie naar een circulaire economie, biodiversiteit en ecosystemen, zoals omschreven in artikel 17 van Verordening 2020/852.
De definities en voorwaarden voor de toepassing van deze categorie worden in detail beschreven in de subbijlagen 1, 2, 3 en 4.
SUBBIJLAGE 1
Bijzonderheden over investeringen voor de vervanging van zorgwekkende chemische stoffen
1.1 Productieactiviteiten waarop de investeringen betrekking hebben
De activiteiten moeten aan elk van de volgende criteria voldoen:
a) Investeringen in de productie van stoffen die verband houden met NACE C.20-activiteiten - met uitzondering van NACE 20.15, 20.16, 20.17, 20.2, 20.4, 20.51.
b) De investering moet een substantiële verbetering van de intrinsieke veiligheid van in de handel gebrachte stoffen mogelijk maken, in overeenstemming met 1.4.
c) Deze activiteiten moeten ook aantonen dat zij de beste praktijken zijn met betrekking tot emissies van chemische stoffen, zoals gedefinieerd in subbijlage 2.
d) De activiteiten mogen ook geen significante gevolgen hebben voor het klimaat, het water, de mariene hulpbronnen, de transitie naar een circulaire economie, de biodiversiteit en de ecosystemen, zoals gedefinieerd in subbijlage 3.
1.2 Definitie van zorgwekkende chemische stoffen
Een stof wordt als zorgwekkend beschouwd indien zij voldoet aan een of meer van de bepalende criteria van de volgende gevarenklassen overeenkomstig de CLP-verordening (Verordening (EG) nr. 1272/2008), aangezien deze stoffen onderworpen indeling3 zijn aan een geharmoniseerde of zelfindeling zoals gerapporteerd op de ECHA- website4, of er een intentie tot indeling5 is, of deze stoffen voor een van deze gevaren in het ECHA- PACT6 worden vermeld. Hieronder vallen ook stoffen met gelijkwaardige gevaarlijke eigenschappen op basis van testgegevens, QSAR's en/of kruislezingen. Stoffen die afbraak- of transformatieproducten kunnen genereren die aan deze kenmerken voldoen, worden ook opgenomen.
a Gekende en veronderstelde kankerverwekkendheid (Kank. 1A & 1B) (CLP H3 50)11
b gekende en veronderstelde mutageniteit in geslachtscellen (Muta. 1A & 1B) (CLP H340)
c gekende en veronderstelde voortplantingstoxiciteit (Voortpl. 1A & 1B) (CLP H360)
d Persistent, biocumulatief, toxisch (PBTs), of zeer persistent zeer biocumulatief (vPvBs) (geïdentificeerd overeenkomstig artikel 59 van het REACH regelement, overeenkomstig de criteria uit de bijlage XIII; criteria die in de CLP-verordening moeten worden opgenomen)
e Persistent, mobiel, toxisch (PMT), of zeer persistent zeer mobiel (vPvM) (wanneer de criteria worden ontwikkeld en opgenomen in de CPL- verordening)
3. https://echa.europa.eu/nl/information-on-chemicals/annex-vi-to-clp
4. https://echa.europa.eu/nl/regulations/clp/cl-inventory
5. https://echa.europa.eu/nl/registry-of-clh-intentions-until-outcome
6. https://echa.europa.eu/pact
7. https://echa.europa.eu/fr/information-on-chemicals/annex-vi-to-clp
8. https://echa.europa.eu/fr/regulations/clp/cl-inventory
9. https://echa.europa.eu/fr/registry-of-clh-intentions-until-outcome
10. https://echa.europa.eu/pact
11. https://echa.europa.eu/nl/regulations/clp/legislation 12. https://echa.europa.eu/fr/regulations/clp/legislation
f Hormoonontregelende stoffen voor mens of milieu, categorie 1 + 2 (ED)
g sensibilisatie van de luchtwegen Cat. 1 (CLP H334)
h specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling Cat. 1 & 2 (CLP H370 & H371)
i specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling Cat. 1 & 2 (CLP H372 & 373)
j gevaarlijk voor de ozonlaag (CLP H420)
k chronisch gevaar voor het aquatisch milieu Cat. 1, 2, 3 & 4 (CLP H410- 413)
l sensibilisatie van de huid Cat. 1 (CLP H317)
m veronderstelde kankerverwekkendheid (Cat. 2) (H351)
n veronderstelde mutageniteit in geslachtscellen (Cat. 2) (H341)
o vermoedelijke voortplantingstoxiciteit (Cat. 2) (H361)
p acute toxiciteit voor de gezondheid (Cat. 1-3)
q ernstig oogletsel (Cat. 1)
r huidcorrosie (Cat. 1, 1A, 1B, 1C)
s acuut gevaar voor het aquatisch milieu Cat. 1 (H400)
1.3 Stoffen uitgesloten van het toepassingsgebied
Investeringen in gelinkt aan de productie van de volgende stoffen als substituent komen niet in aanmerking:
- Enzymen en de productie van enzymen, geclassificeerd als sensibilisatoren voor de luchtwegen;
PFAS13, - hormoonontregelende stoffen14, nanomaterialen15 en stoffen die in België als prioritair voor vervanging worden beschouwd16;
- · Vervanging van werkzame stoffen en/of formuleringshulpstoffen in biociden, gewasbeschermingsmiddelen, geneesmiddelen en diergeneesmiddelen is uitgesloten. Levensmiddelenadditieven in levensmiddelen, aroma’s in levensmiddelen en (additieven voor) diervoeders zijn eveneens uitgesloten.
13. https://echa.europa.eu/nl/hot-topics/perfluoroalkyl-chemicals-pfas
14. stoffen die door deskundigen van het ECHA en de lidstaten zijn beoordeeld en als hormoonontregelende stoffen worden beschouwd. Zie de beoordelingslijst https://www.echa.europa.eu
15. definitie van nanomaterialen volgens de aanbeveling van de Europese Commissie van 10 juni 2022:
16. 123-77-3 204-650-8 Diazene-1,2-dicarboxamide (C,C,-azodi(formamide)) (ADCA) ; 121158-58-5 310-154¬3 Phenol, dodecyl, branched; 85535-85-9 287-477-0 Alkanes, C14-17, chloro; 540-97-6 208-762-8 Dodecamethylcyclohexasiloxane ; 75-56-9 200-879-2 Methyloxirane (Propylene oxide) 127-19-5 204-826-4 N,N-dimethylacetamide; 109-86-4 203-713-7 2-methoxyethanol; 10043-35-3 233-139-2 Boric acid; 85535-85-9 287-477-0 Alkanes, C14-17, chloro ; - 701-028-2 tris(4-nonylphenyl, branched) phosphite; 98-54-4 202-679-0 4- tert-butylphenol; 61788-32-7 262-967-7 Terphenyl, hydrogenated; 84-61-7 201-545-9 Dicyclohexyl phthalate
17. https://echa.europa.eu/fr/hot-topics/perfluoroalkyl-chemicals-pfas
18. substances ayant fait l’objet d’une évaluation par des experts de l’ECHA et des États membres et considérées comme des perturbateurs endocriniens. Voir la liste d’évaluation des perturbateurs endocriniens - voir sur https://www.echa.europa.eu 19. Définition des nanomatériaux selon la recommandation de la Commission européenne du 10 juin 2022: https://ec.europa.eu/environment/chemicals/nanotech/pdf/C_2022_3689_1_EN_ACT_part1_v6.pdf
20. 123-77-3 204-650-8 Diazene-1,2-dicarboxamide (C,C,-azodi(formamide)) (ADCA) ; 121158-58-5 310-154¬3 Phenol, dodecyl, branched; 85535-85-9 287-477-0 Alkanes, C14-17, chloro; 540-97-6 208-762-8 Dodecamethylcyclohexasiloxane ; 75-56-9 200-879-2 Methyloxirane (Propylene oxide) 127-19-5 204-826-4 N,N-dimethylacetamide; 109-86-4 203-713-7 2-methoxyethanol; 10043-35-3 233-139-2 Boric acid; 85535-85-9 287-477-0 Alkanes, C14-17, chloro ; - 701-028-2 tris(4-nonylphenyl, branched) phosphite; 98-54-4 202-679-0 4- tert-butylphenol; 61788-32-7 262-967-7 Terphenyl, hydrogenated; 84-61-7 201-545-9 Dicyclohexyl phthalate
Investeringen in verband met de vervanging van de volgende stoffen komen niet in aanmerking: - Stoffen waarvoor al wettelijke substitutieverplichtingen gelden binnen twee jaar of minder (inclusief overgangsperioden) op het moment van de investering, zoals die welke voortvloeien uit termijnen die zijn toegekend in REACH-beperkingen en -autorisaties.
1.4 Definiëren van een significante bijdrage van een investering aan de intrinsieke veiligheid van chemische stoffen
De investering moet rechtstreeks en technisch bijdragen aan de vervaardiging van een stof die een minder gevaarlijk substituut is voor een andere bestaande tot bezorgdheid aanleiding gevende chemische stof. Deze voorwaarde moet worden aangetoond door te voldoen aan elk van de volgende eisen A1, A2 en A3:
A1. De als substituent geproduceerde stof bezit geen van de gevaarlijke eigenschappen die zijn gespecificeerd in de lijst van gevarenklassen hierboven in 1.2;
A2. De geproduceerde stof wordt gebruikt als substituut (is een substituut voor een andere stof). Daarom moet de exploitant aantonen dat momenteel een gelijkwaardige stof met vergelijkbare technische functionaliteit wordt geproduceerd die een of meer van de gevaarlijke eigenschappen bezit die zijn opgenomen in de gevarenklassen hierboven in 1.2;
A3. Bij het productieproces mogen geen stoffen als zodanig, in mengsels of in een voorwerp worden gebruikt die voldoen aan de criteria van artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006, tenzij is aangetoond dat het gebruik ervan essentieel is voor de samenleving (zoals gedefinieerd in subbijlage 4) en dat het productieproces onder strikt gecontroleerde omstandigheden plaatsvindt.
In België zijn er drie groepen prioritaire stoffen voor vervanging:
- PFAS (perfluoralkyl- en polyfluoralkylstoffen);
- Hormoonontregelende stoffen; - naast deze twee groepen stoffen is er een lijst van stoffen die prioritair moeten worden behandeld, aangezien zij van groot belang zijn voor de industrie en/of relevant zijn voor het grote publiek.
Deze drie groepen vormen geen exhaustieve lijst maar moeten gezien worden als prioriteiten.
1.5 Documenten die als bewijs worden gebruikt
- Identificatie van de te vervangen stof en de substituerende stof (ICUPA- namen, CAS-nummer(s), link naar REACH-registratie indien aanwezig, link naar classificatie of zelfclassificatie op de ECHA- website), wetenschappelijke gegevens over de gevaren van de genoemde stof die binnen het toepassingsgebied vallen;
- Identificatie van de substituerende stof (CAS-nummer, link naar REACH-registratie indien aanwezig, link naar classificatie of zelfclassificatie op de ECHA- website). Indien aanwezig, ook het volgende ter beschikking stellen: experimentele gegevens over de zuiverheid van de stof/het mengsel (%), aanwezige onzuiverheden, analytische gegevens, chromatogrammen. Wetenschappelijke gegevens over de gevaren van de stof waarnaar wordt verwezen om binnen het toepassingsgebied te vallen;
- Bewijs dat de stof in de deelneming daadwerkelijk zal dienen als een veilige vervanging voor een tot bezorgdheid aanleiding gevende chemische stof: Analyse van alternatieven overeenkomstig de richtsnoeren van ECHA21, uitgevoerd door een instantie die onafhankelijk is van de entiteit die de investering doet. Dit bewijs heeft betrekking op hetgeen hierover in subbijlage 1 is vermeld; - Bewijs van maatregelen ter beheersing van de emissies van chemische stoffen (dit betreft de vermeldingen in de subbijlagen 2 en 3, met inbegrip van strikt gecontroleerde voorwaarden);
- Bewijs dater geen significante effecten zijn (dit betreft subbijlage 3);
- Bewijs dat het gebruik van een stof in het productieproces essentieel is voor de samenleving (subbijlage 4).
21. 3.3 van het document:
22. §3.3 du document :
https://echa.europa.eu/documents/10162/17229/apply_for_authorisation_en.pdf/bd1c2842-4c90-7a1a-3e48- f5eaf3954676?t=1612886216792
SUBBIJLAGE 2
Beste praktijken inzake emissies van chemische stoffen
Voldoen aan de eisen B1, B2 en B3 met betrekking tot verontreinigingsemissies in de inrichting.
B1. De exploitant moet emissieniveaus aantonen die lager zijn dan het middelpunt van de BBT-GEN- bandbreedtes* (oflager dan de BBT-GEN-waarde indien slechts één waarde wordt gegeven), zoals uiteengezet in het volgende (volgens het specifieke toepassingsgebied van de activiteit waarop een investering betrekking heeft):
a) het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën - vast en overig (LVIC-S);
b) het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën - ammoniak, zuren en kunstmest (LVIC-AAF); c) de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (CWW);
d) de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector (WGC);
e) de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali (CAK);
f) het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van organische bulkchemicaliën (LVOC).
Er treden geen significante mediaoverschrijdende effecten op. Deze beoordeling moet er met name voor zorgen dat installaties binnen het (de) BBT- GEN-bereik(en) die overgaan op de middellangetermijnambitie geen significante media- overschrijdende effecten teweegbrengen, waardoor de substantiële bijdrage van de vastgestelde technische screeningcriteria teniet wordt gedaan.
Installaties waaraan overeenkomstig de procedure van artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU een afwijking is toegestaan, worden niet geacht aan de criteria te voldoen.
B2. Indien technisch van toepassing, past de exploitant systemen voor continue emissiemonitoring (CEMS), systemen voor continue monitoring van de kwaliteit van effluenten (Continuous Effluent Quality Monitoring Systems - CEQMS) en andere maatregelen toe om ervoor te zorgen dat regelmatig wordt gecontroleerd of het milieu niet verslechtert.
B3. De exploitant moet scheiding van oplosmiddelafval toe voor terugwinning van oplosmiddelen uit geconcentreerde afvalstromen toepassen, indien technisch van toepassing. Het maximale verlies van oplosmiddelen uit de totale input bedraagt niet meer dan 3 %. De totale efficiëntie van de terugwinning van vluchtige organische stoffen (VOS) bedraagt ten minste 99 %.
De exploitant verifieert of er geen diffuse VOS- emissie plaatsvindt boven de hieronder gespecificeerde criteria met betrekking tot de drempelwaarden voor volumedelen per miljoen (ppmv) door ten minste om de drie jaar lekdetectie- en - reparatiecampagnes (LDAR-campagnes) uit te voeren. Investeringen voor het gebruik van zeer betrouwbare apparatuur worden aanbevolen, mits die in bestaande installaties wordt geïnstalleerd voor de gevallen die worden genoemd in BBT 23, punt b, van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector, terwijl de drempelwaarde voor de druk op 200 bar wordt vastgelegd. Het minimale verificatieschema kan worden beperkt in gevallen waarin de kwantificering van de totale VOS-emissies van de installatie periodiek wordt gekwalificeerd met "tracer correlation" (TC) of met optische absorptietechnieken, zoals DIAL "differential absorption light detection and ranging" of "solar occultation flux" (SOF) of andere metingen van gelijkwaardige prestaties.
Diffuse emissies van als carcinogeen, mutageen of reproductietoxisch (CMR) 1A of 1B ingedeelde stoffen of mengsels uit lekkende apparatuur bedragen niet meer dan 100 ppmv.
Dergelijke LDAR-campagnes hebben de kenmerken als beschreven in BBT 19 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector, waaronder het opsporen, herstellen en onderhouden van lekken binnen dertig dagen na detectie en een lekdrempelwaarde van ten hoogste 5 000 ppmv voor andere stoffen of mengsels dan die welke zijn ingedeeld als CMR 1A of 1B, die zullen worden geévalueerd en geactualiseerd met het oog op de voortdurende verbetering van de installatie. De oplosmiddelverliezen en de terugwinningsefficiëntie van VOS worden gemonitord op basis van een oplosmiddelenboekhouding met behulp van een massabalans voor de verificatie van de naleving, overeenkomstig hoofdstuk VII van de Richtlijn Industriele Emissies 2010/75/EU.
* De vereisten onder B1 hebben betrekking op de verontreinigende stoffen die zijn geïdentificeerd in het kader van de belangrijkste milieukwesties van elk BREF-document of het BBT-GEN van de desbetreffende BBT-conclusies van de uitvoeringsbesluiten van de Commissie. Wanneer het BBT-GEN een onderscheid maakt tussen "bestaande" en "nieuwe installaties", moeten exploitanten aantonen dat zij voldoen aan het BBT- GEN voor nieuwe installaties. Wanneer er geen BBT-GEN-bereik maar één waarde is, moeten de emissieniveaus onder die waarde liggen. Wanneer het BBT-GEN-bereik als volgt wordt uitgedrukt: "<x-y eenheid" (d.w.z. het onderste BBT-GEN van het bereik wordt uitgedrukt als "lager dan"), het middelpunt wordt berekend met behulp van x en y. De middelingsperioden moeten dezelfde zijn als in het BBT-GEN van de hierboven beschreven BREF- documenten.
SUBBIJLAGE 3
Criteria voor het ontbreken van significante effecten van chemische activiteiten
(C.1) Klimaatmitigatie
Wanneer de vervangen activiteiten zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, zijn de broeikasgasemissies tCO2e per ton product uit het productieproces van de vervanging (berekend overeenkomstig Verordening (EU) 2019/331) lager dan de mediaanwaarde van de gegevens die zijn verzameld (jaren 2016-2017) in het kader van de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 van de Commissie, bepaald op basis van geverifieerde informatie over de broeikasgasefficiëntie van installaties die overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2003/87/EG zijn gerapporteerd.
(C.2) Klimaatadaptatie
DNSH zoals beschreven in aanhangsel A bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852.
(C.3) Duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen De drie criteria met betrekking tot water moeten worden toegepast (C.3.1, C.3.2 en C.3.3).
C.3.1 Afvalwaterbehandeling
De prestaties van afvalwaterbehandelingsprocessen die door of namens de productiefaciliteit worden uitgevoerd, leiden niet tot de aantasting van waterlichamen en mariene hulpbronnen.
Verontreiniging van stoffen die als onzuiverheden in een van de hierboven in punt 1.2 vermelde gevaarlijke klassen vallen, moet aan de bron worden geëlimineerd onder het detectieniveau van de bepaalbaarheidsgrens zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 (om in overeenstemming te zijn met criterium A1 voor een substantiéle bijdrage).
Wanneer activiteiten binnen hun toepassingsgebied vallen, moeten deze voldoen aan de eisen van:
- Richtlijn Behandeling Stedelijk Afvalwater (91/271/EEC);
- Richtlijn 2008/105/EC inzake milieukwaliteitsnormen (geamendeerd door 2013/39/EU), meer bepaald de Maximaal Aanvaardbare Concentraties;
- Grondwaterrichtlijn 2006/118/EC;
- Richtlijn Industriéle Emissies 2010/75/EU;
- Kaderrichtlijn Water 2000/60/EC;
- Richtlijn 2020/2184 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water;
- Richtlijn 76/160/EEC betreffende de kwaliteit van zwemwater;
- JRC Beste Milieu Management Praktijken voor de Publiek Administratieve Sector. 2019;
- Kaderrichtlijn mariene strategie (MFSD) 2008/56/EU;
- Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
Wanneer de afvalwaterbehandeling voor de productiefaciliteit door een stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt uitgevoerd, wordt ervoor gezorgd dat:
a) de hoeveelheid verontreinigende stoffen die uit de productiefaciliteit vrijkomt, geen negatief effect heeft op het behandelingsproces van de stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b) de hoeveelheid en de kenmerken van de verontreinigende stoffen geen risico vormen voor of schade berokkenen aan de gezondheid van het personeel van de afvalwaterzuiveringsinstallaties;
c) de stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallatie zodanig is ontworpen en uitgerust dat de vrijgekomen verontreinigende stoffen kunnen worden verminderd;
d) de totale belasting van de betrokken verontreinigende stoffen die in het waterlichaam worden geloosd, niet groter is dan de situatie waarin de emissies van de betrokken faciliteit in overeenstemming bleven met de emissiegrenswaarden voor directe lozingen;
e) de bruikbaarheid van het zuiveringsslib voor recycling van nutriénten niet wordt beïnvloed.
Voor faciliteiten die een milieuvergunning hebben waarin aanvullende grenswaarden voor verontreinigende stoffen of strengere voorwaarden zijn opgenomen in vergelijking met de eisen van de bovengenoemde wetgeving (bijvoorbeeld strengere voorwaarden vereist overeenkomstig Artikel 18 van Richtlijn 2010/75/EU), zijn deze strengere voorwaarden van toepassing.
C.3.2 Bescherming van de bodem en het grondwater
Er zijn passende maatregelen getroffen om emissies naar de bodem te voorkomen en er wordt regelmatig toezicht gehouden om lekken, verliezen, incidenten of ongevallen tijdens het gebruik van de apparatuur en tijdens opslag te voorkomen.
C.3.3 Waterverbruik
Exploitanten beoordelen de watervoetafdruk van de chemische productieprocessen in overeenstemming met ISO 14046:2014 en zorgen ervoor dat zij niet bijdragen tot waterschaarste. Op basis van deze beoordeling verstrekken exploitanten een verklaring dat zij niet bijdragen aan waterschaarste, hetgeen door een onafhankelijke derde wordt geverifieerd.
(C.4) Transitie naar een circulaire economie
Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:
a) het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;
b) het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;
c) afvalbeheer waarbij recycling voorrang krijgt op verwijdering tijdens het productieproces;
d) informatie over de ingrediënten van het product in de hele toeleveringsketen.
(C.5) Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen
De activiteit voldoet aan de DNSH criteria zoals bepaald in Appendix D van Bijlage 1 van de gedelegeerde Richtlijn (EU) 2021/2139 van 4 juni 2021 ter aanvulling van Richtlijn (EU) 2020/852. SUBBIJLAGE 4
Definitie van het essentiële gebruik van een stof voor de samenleving in het productieproces
Essentieel gebruik wordt als volgt gedefinieerd:
Een gebruik van een stof of een groep zorgwekkende stoffen in een product of toepassing kan tijdelijk als essentieel voor de samenleving worden beschouwd (totdat alternatieven beschikbaar zijn) in het kader van een stoffenverbod indien:
1. Er is geen alternatief, EN
2. het strikt noodzakelijk is om een hoog niveau van bescherming van het milieu of de gezondheid te waarborgen OF de stopzetting van dat gebruik kritieke gevolgen heeft voor het functioneren van de samenleving.
Een stopzetting van een bepaald gebruik heeft kritieke gevolgen voor de werking van de samenleving als het zeer waarschijnlijk is dat het systeem op grote schaal negatieve effecten zal hebben (d.w.z. systeemrisico):
- over de huidige samenleving (bv. verstoring van openbare diensten);
- over de verwezenlijking van belangrijke beleidsdoelstellingen voor de toekomst van de samenleving (bv. SDG).
Systeemrisico verwijst naar de waarschijnlijkheid/waarschijnlijkheid van storingen van een volledig systeem, in tegenstelling tot storingen in afzonderlijke onderdelen of componenten, zoals blijkt uit gezamenlijke bewegingen tussen alle onderdelen. Het is de totaliteit van de dreiging (de waarschijnlijkheid dat het hele systeem kan instorten) die systemisch onderscheidt van andere soorten risico,s. Het gaat gepaard met complexiteit, onzekerheid en ambiguïteit.
Alternatieven moeten zo breed mogelijk worden geinterpreteerd, dus met inbegrip van alternatieve praktijken en technologieen. BIJLAGE IIquater BIJ HET KB/WIB 92
Lijst van activa die bedoeld zijn in artikel 75, eerste lid, 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en waarvoor de in artikel 69, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde basisaftrek niet van toepassing is
(KB/WIB 92, artikel 49)
De in artikel 69, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde basisaftrek is niet van toepassing op investeringen in vaste activa:

1° die fossiele brandstoffen:
- distribueren,
- opslaan, of
- gebruiken voor raffinage;

2° die fossiele brandstoffen gebruiken:
- voor de productie van elektriciteit,
- voor het produceren van warmte; of
- voor hun aandrijving, beperkt tot de volgende voertuigen:
a) voortbewegingstoestellen, gemotoriseerde rijwielen, bromfietsen en motorfietsen, zoals gedefinieerd in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
b) de in artikel 4, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, bedoelde lichte vrachtauto’s die zijn aangeschaft vanaf 1 januari 2027; 3° voor de productie van pesticiden of tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen, zoals gedefinieerd in verordening 1107/2009, of van producten waaraan deze stoffen intentioneel worden toegevoegd;

4° voor de extractie van mineralen uit de diepzee;

5° die worden gebruikt voor een activiteit die leidt tot de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van stoffen die voldoen aan de vPvM- criteria (zeer persistent, zeer mobiel) of PMT (persistent, mobiel, giftig), zoals gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/707 van de Commissie van 19 december 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wat betreft gevarenklassen en criteria voor de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

6° die bedoeld zouden zijn voor visserijmethoden die verboden zijn in Verordening (EU) 2019/1241 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen;

7° die worden gebruikt voor een project waarvoor een negatieve passende beoordeling is gegeven op basis van artikel 6, derde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;

8° die worden gebruikt in het kader van grensoverschrijdende handel in afval of afvalproducten, met uitzondering van ongevaarlijk afval dat bestemd is voor recycling. BIJLAGE III VAN HET KONINKLIJK BESLUIT TOT UITVOERING VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Toepassingsregels en berekeningswijze voor de vaststelling van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd bij de bron op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2026
(Koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992, artikel 88)
Gewijzigd bij KB 14.02.2026 (BS 20.02.2026)
ALGEMENE BEPALINGEN
VOORAFGAANDE BEGRIPPEN
1. Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit
Gehuwden en echtgenoten – wettelijk samenwonenden
2. De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
Personen met een handicap
3. Volgende personen worden als personen met een handicap aangemerkt:
3.1. Kind met een handicap
Onder " kind met een handicap" wordt verstaan :
a) het kind dat tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen; b) het kind van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vôôr de leeftijd van 65 jaar:  ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;  ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;  ofwel, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 87 van de gecoôrdineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoôrdineerde wet;  ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard.
3.2. Andere persoon met een handicap Onder "andere persoon met een handicap" wordt verstaan : a) diegene van wie vôôr 1 januari 1989 is vastgesteld dat hij tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen; b) diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vôôr de leeftijd van 65 jaar:  ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;  ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;  ofwel, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 87 van de gecoôrdineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoôrdineerde wet;  ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard.
Gezinstoestand
4. Er wordt verstaan:
4.1. onder echtgenoten: de gehuwden die zich niet in een van de in nr. 4.2 vermelde gevallen bevinden ;
4.2. onder alleenstaanden :
a) de ongehuwde personen; b) de gehuwde personen :  voor het jaar van het huwelijk of van de verklaring van wettelijke samenwoning ;  voor het jaar waarin de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, worden zij als gehuwden aangemerkt, tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning tijdens hetzelfde jaar is afgelegd ;  vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt ;  voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beéindiging van de wettelijke samenwoning ;  die rijksinwoners zijn, indien de echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 13.790 euro per jaar die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten van het gezin;  die niet-inwoners zijn, indien slechts één van de echtgenoten in Belgié aan de belasting onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot binnenlandse beroepsinkomsten die bij overeenkomst zijn vrijgesteld of buitenlandse beroepsinkomsten heeft van meer dan 13.790 euro per jaar.
5. In aanmerking te nemen gezinstoestand
5.1. Om de vermindering van de bedrijfsvoorheffing wegens gezinslasten vast te stellen, moet de gezinstoestand van de verkrijger van de inkomsten in aanmerking worden genomen zoals die zich voordoet op 1 januari van het jaar waarin de inkomsten worden betaald of toegekend.
5.2. De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing : a) mag echter, bij wijziging van de gezinstoestand in de loop van het jaar, de nieuwe toestand in aanmerking nemen zodra hij daarover is ingelicht ; b) moet evenwel rekening houden met de gezinstoestand die hem door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit zou zijn medegedeeld en zulks vanaf de eerste betaling of toekenning van inkomsten tijdens de tweede maand die op de mededeling volgt.
Gezinslasten
6. Toekenning
Wanneer beide echtgenoten beroepsinkomsten verkrijgen, worden de verminderingen wegens gezinslasten, behalve die voor de echtgenoot met een handicap aan de door hen gekozen echtgenoot toegekend.
Die keuze moet worden uitgedrukt door middel van een attest waarvan het model is vastgesteld door de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
7. Echtgenoot met een handicap
De vermindering voor de echtgenoot met een handicap, wordt aan de betrokkene zelf toegekend.
8. Andere personen met een handicap
Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt een kind ten laste met een handicap, evenals een andere personen ten laste met een handicap, met uitzondering van de persoon vermeld onder nr. 9, voor twee gerekend.
9. Persoon ten laste die zorgbehoevend is
9.1. Wordt als zorgbehoevend aangemerkt, de persoon voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
9.2. De zorgbehoevendheid wordt vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
10. Overlijden van een persoon ten laste
Wanneer een kind ten laste of een in artikel 136, 2° tot 4°, WIB 92 vermelde persoon ten laste overlijdt, wordt de vermindering voor dat kind of die persoon verder toegestaan tot het einde van het jaar van overlijden.
11. Afwijking of vermindering wanneer de echtgenoot van de verkrijger van het inkomen over beperkte eigen beroepsinkomsten beschikt.
11.1. Vaststelling van het bedrag van: a) de grens van 174 euro netto voor de toekenning van de afwijking vermeld in nr. 33; b) de grens van 290 euro netto voor de toekenning van de vermindering vermeld in nr. 2 van de tabel vermeld in nr. 40; c) de grens van 579 euro netto voor de toekenning van de vermindering vermeld nr. 3 van de tabel vermeld in nr. 40.
11.2. Deze grenzen worden vastgesteld door: a) de bruto beroepsinkomsten te verminderen met de verplichte inhoudingen of bijdragen gedaan ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut ; b) vervolgens het verschil te verminderen met 20 pct.
Afronding
12. Voor de toepassing van deze volledige bijlage, met inbegrip van nrs. 4 en 11 hierboven, worden alle bedragen, in voorkomend geval in elke stap, afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
Fooien
13. Voor werknemers wier bezoldiging geheel of gedeeltelijk uit fooien bestaat, moet, voor de toepassing van
13.1. wanneer de fooien worden berekend op de ontvangsten, ongeacht of die fooien al dan niet begrepen zijn in de door de klanten betaalde prijs: het bedrag van de vaste bezoldiging verhoogd met het aandeel van de werknemer in de fooien (waarbij het totaal van die fooien ten minste gelijk moet zijn aan het product verkregen door vermenigvuldiging van de ontvangsten die aanleiding gaven tot de inning van fooien met het percent dat in de onderneming gewoonlijk wordt toegepast) of, indien dit hoger is, het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de bijdragen welke door die werknemers en hun werkgever ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid verschuldigd zijn;
13.2. in de andere gevallen : het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de bijdragen welke die werknemers en hun werkgever ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid verschuldigd zijn.
Voordelen van alle aard
14. De waarde van de voordelen van alle aard wordt aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid :
14.1. de voordelen worden door de werkgever of door diens tussenkomst aan de verkrijger toegekend of geacht toegekend te zijn: de waarde van de voordelen wordt: a) toegevoegd aan het bedrag van de bezoldigingen wanneer zij gelijktijdig met de betaling of toekenning van bezoldigingen worden toegekend of geacht worden toegekend te zijn; b) behandeld als in nr. 53, vermelde exceptionele vergoedingen in het andere geval ;
14.2. de voordelen worden, zonder tussenkomst van de werkgever, door een derde persoon aan de verkrijger toegekend of geacht toegekend te zijn: de waarde van de voordelen wordt aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels en het tarief vermeld in nr. 66.
15. Voordelen wegens leningen tegen gunstvoorwaarden worden voor het jaar waarin de lening begint te lopen, voor het vaststellen van de bedrijfsvoorheffing en zolang de Koning de voor dat jaar in aanmerking te nemen referentierentevoeten niet heeft bepaald, berekend op basis van het verschil tussen de referentierentevoet die geldt voor het laatste vorige jaar en de werkelijk aangerekende rentevoet.
16. Vrijstelling woon-werkverkeer 16.1. De werkgever houdt rekening met de volgende vrijstellingen voorzien in artikel 38, §1, eerste lid, 9°, WIB 92 om de verschuldigde bedrijfsvoorheffing te bepalen.
16.1.1. De werknemer gebruikt het openbaar gemeenschappelijk vervoer
Voor zover de werkgever kan vaststellen dat de vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met één of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen, mag het bedrag van de vergoeding worden vrijgesteld.
16.1.2. De werknemer gebruikt het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
Voor zover de werkgever kan vaststellen dat de vergoeding betrekking heeft op woon- werkverplaatsingen met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, mag het bedrag van de vergoeding worden vrijgesteld in de mate dat die vergoeding de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand niet overschrijdt.
16.1.3. In de andere gevallen mag een bedrag van maximum 41,70 euro per maand worden vrijgesteld.
16.2. De werkgever houdt rekening met de vrijstellingen voorzien in artikel 38, §1, eerste lid, 14°, a), WIB 92, met een maximumbedrag van 3.690 euro per jaar, en in artikel 38, §1, eerste lid, 14°, b), WIB 92, om de verschuldigde bedrijfsvoorheffing te bepalen.
Bezoldigingen van bedrijfsleiders
17. Periodieke bezoldigingen zijn de belastbare inkomsten die:
 regelmatig en ten minste één keer per maand zijn betaald of toegekend;  vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende prestaties zijn geleverd;  en die de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk heeft aangerekend.
18. Niet-periodieke bezoldigingen zijn alle bezoldigingen die niet overeenkomstig nr. 17 zijn betaald of toegekend.
Pensioenen
Cumulatie van bepaalde pensioenen of renten (deel 5, hoofdstukken 1 tot 5)
19. In geval van cumulatie van pensioenen of renten verleend ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut ten laste van eenzelfde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing, wordt de bedrijfsvoorheffing per verkrijger overeenkomstig de regels van deel 5, hoofdstukken 1 tot 5 vastgesteld op het totaalbedrag van de gecumuleerde pensioenen of renten.
20. In geval van cumulatie van pensioenen of renten als vermeld in nr. 19 betaald :  ofwel door de Federale Pensioendienst ;  ofwel door de Federale Pensioendienst en door een andere instelling vermeld in artikel 68, § 1, l, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt het percentage van de per verkrijger op elk pensioen of rente in te houden bedrijfsvoorheffing vastgesteld en medegedeeld door de Federale Pensioendienst, naar analogie van de artikelen 68 tot 68quinquies van voormelde wet. 21. In geval van cumulatie van een of meerdere pensioenen of renten verleend ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut, waarvan ten minste een wordt betaald door de Federale Pensioendienst, met één of meerdere pensioenen of renten die niet worden verleend ter uitvoering van dergelijk statuut, is nr. 20 eveneens van toepassing voor de vaststelling van het percentage van de per verkrijger op elk pensioen of rente verleend ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut in te houden bedrijfsvoorheffing.
22. Vaststelling van het percentage van de bedrijfsvoorheffing
22.1. Het percentage wordt berekend op grond van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing verkregen door toepassing van deel 5, hoofdstukken 1 tot 5 op het verschil tussen : a) eensdeels, het totale brutobedrag van de wettelijke pensioenen en aanvullende voordelen als vermeld in artikel 68, § 1, a en c, van voormelde wet van 30 maart 1994, met uitzondering kapitaal uitbetaalde voordelen, zoals dat bedrag voor de toepassing van de artikelen 68 tot 68quinquies van dezelfde wet werd medegedeeld ; b) anderdeels, de verplichte sociale inhoudingen vermeld in nr. 25.1.
22.2. Dit percentage wordt afgerond tot het hogere of lagere tiende van een punt naargelang het cijfer van de honderdsten van een punt al dan niet 5 bereikt.
23. Bij wijziging van het percentage moet de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing de nieuwe toestand in aanmerking nemen zodra hij daarover is ingelicht.
Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend (gezinspensioenen)
24. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing worden pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, aangemerkt als inkomsten van de echtgenoot in wiens beroepswerkzaamheid zij voor het geheel of voor het grootste gedeelte hun oorsprong vinden.
Sociale inhoudingen
25. De sociale inhoudingen worden als volgt in mindering gebracht:
25.1. De bedrijfsvoorheffing op maandelijkse beroepsinkomsten, andere dan vermeld onder nr. 25.2, wordt vastgesteld op grondslag van de werkelijk betaalde of toegekende bruto-inkomsten, verminderd met de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut.
25.2. De bedrijfsvoorheffing op maandelijkse bezoldigingen van bedrijfsleiders die onderworpen zijn aan het sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld op grondslag van de werkelijk betaalde of toegekende bruto-inkomsten, verminderd zoals aangegeven in de onderstaande tabel:
BRUTOBEDRAG VAN DE MAANDELIJKSE BEZOLDIGINGEN Tot 1.465 EUR 385,00 EUR Van 1.465,01 EUR tot 6.310 385,00 EUR + 21,50 pct. op de schijf boven 1.465 EUR EUR Van 6.310,01 EUR tot 9.290 1.426,68 EUR + 14,50 pct. op de schijf boven 6.310,00 EUR EUR Boven 9.290,00 EUR 1.858,78 EUR
Vaststelling van het jaarlijks brutobedrag van de belastbare grondslag 26. Het maandelijks bedrag bekomen na aftrek van de sociale inhoudingen vermeld onder afdeling 5 wordt vermenigvuldigd met 12 om te komen tot het jaarlijks brutobedrag van de belastbare grondslag.
27. Van het jaarlijks brutobedrag van de belastbare grondslag vermeld in nr. 26 worden de forfaitaire beroepskosten afgetrokken naar het volgende onderscheid.
Bezoldigingen (wedden en lonen) van werknemers
28. De forfaitaire beroepskosten van toepassing op bezoldigingen van werknemers worden als volgt bepaald:
JAARLIJKS BRUTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
tot 20.233,33 EUR 30 pct.
boven 20.233,33 EUR 6.070,00 EUR (maximum)
Bezoldigingen van bedrijfsleiders
29. De forfaitaire beroepskosten van toepassing op periodieke bezoldigingen van bedrijfsleiders worden als volgt bepaald:
JAARLIJKS BRUTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
Tot 106.666,67 EUR
boven 106.666,67 EUR
Jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag
30. Het verschil bekomen na de toepassing van de afdelingen 1 en 2 vormt het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag.
DE JAARLIJKSE BASISBELASTING
DE BASISSCHAAL
31. De belasting wordt berekend met behulp van onderstaande basisschaal.
JAARLIJKS NETTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
van 0,01 EUR tot van 16.710 EUR 26,75 pct.
van 16.710,01 EUR tot van 29.500 EUR 4.469,93 EUR + 42,80 pct. op de schijf boven 16.710 EUR 9.944,05 EUR + 48,15 pct. van 29.500,01 EUR tot 51.050 EUR
20.320,38 EUR + 53,50 pct. boven 51.050 EUR EUR
DE BASISBELASTING
De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande of de echtgenoot van de verkrijger van het inkomen heeft eveneens beroepsinkomsten
32. Behoudens de in nr. 33 vermelde afwijking wordt de belasting bekomen volgens hoofdstuk 1, verminderd met 2.987,98 euro (zijnde de belasting op het basisbedrag van de belastingvrije som ten bedrage van 11.170 euro). Het bekomen verschil vormt de basisbelasting.
33. Wanneer de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten persoonlijke beroepsinkomsten heeft die uitsluitend bestaan uit pensioenen, renten of ermede gelijkgestelde inkomsten waarvan het bedrag niet hoger is dan 174 euro NETTO per maand, wordt in afwijking van nr. 32 de basisbelasting berekend overeenkomstig afdeling 2 alsof die echtgenoot geen eigen beroepsinkomsten zou hebben.
De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen eigen beroepsinkomsten
34. Wanneer de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten zelf geen eigen beroepsinkomsten heeft in de in nr. 33 beoogde situatie wordt de belasting als volgt berekend:
34.1. Huwelijksquotiënt
34.1.1. Aan de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten wordt een beroepsinkomen toegekend dat gelijk is aan 30 pct. van het nettobedrag van de belastbare grondslag.
Het toegekende inkomen mag echter niet meer bedragen dan 13.790 euro (maximum bereikt bij een nettobedrag van de belastbare grondslag van 45.966,67 euro).
34.1.2. Vervolgens wordt de belasting op het aldus toegekende inkomen berekend met behulp van de onder
34.1.3. Daarna wordt de belasting op dezelfde wijze berekend op het verschil tussen:
a) het nettobedrag van de belastbare grondslag en b) het aan de andere echtgenoot toegekende inkomen.
34.2. Basisbelasting
De basisbelasting is gelijk aan de som van de overeenkomstig nrs. 34.1.2 en 34.1.3 bekomen resultaten verminderd met 5.975,96 euro (zijnde tweemaal de belasting op het basisbedrag van de belastingvrije som ten bedrage van 11.170 euro).
BEZOLDIGINGEN EN ERMEDE GELIJKGESTELDE INKOMSTEN, MET UITZONDERING VAN DE VERVANGINGSINKOMSTEN
TOEPASSINGSGEBIED 35. Dit deel is van toepassing op bezoldigingen, met uitzondering van de bezoldigingen vermeld in deel 7,
35.1. werknemers en aan
35.2. bedrijfsleiders
36. De bedrijfsvoorheffing wordt berekend overeenkomstig de hiernavolgende regels indien die werknemers of bedrijfsleiders de hoedanigheid hebben van :
36.1. rijksinwoners
36.2. niet-inwoners die bezoldigingen verkrijgen :
 die belastbaar zijn in België;  ingevolge één of meerdere arbeidsovereenkomsten die het volledige kalenderjaar bestrijken ;  en voor zover die arbeidsprestaties ten minste 75 pct. van de wettelijk voorziene arbeidsduur per overeenkomst bedragen.
VERMINDERINGEN
37. Van de jaarlijkse basisbelasting vastgesteld overeenkomstig deel 2 mogen vervolgens de volgende verminderingen worden afgetrokken.
Vermindering voor kinderen ten laste
38. De vermindering voor kinderen ten laste bedraagt (rekening houdend met nr. 8):
AANTAL KINDEREN TEN LASTE V 1
2
3
4
5
6
7
8 meer dan 8 : de basisbelasting wordt verminderd met een vast bedrag van 21.996 EUR, verhoogd met 3.864 EUR per kind ten laste boven het achtste, d.w.z. :
a) voor 9 kinderen : 21.996 + (1 x 3.864) = 25.860 EUR b) voor 10 kinderen : 21.996 + (2 x 3.864) = 29.724 EUR enz.
Vermindering voor andere gezinslasten 39. Wanneer de basisbelasting werd vastgesteld overeenkomstig:
 eveneens beroepsinkomsten) of  beroepsinkomsten),
mogen vervolgens de volgende verminderingen (rekening houdend met nrs. 8 en 9) worden afgetrokken:
GROND VAN DE VERMINDERING
1. de verkrijger van de inkomsten is zelf gehandicapt :
2. de verkrijger van de inkomsten heeft in artikel 136, 2° en 3°, WIB92 bedoelde personen ten laste die de leeftijd van 66 jaar hebben bereikt en zorgbehoevend zijn, per persoon: 3. de verkrijger van de inkomsten heeft in artikel 136, 2° tot 4°, WIB 92 bedoelde personen, andere dan diegenen vermeld onder punt 2 hiervoor, ten laste, per persoon: (1) alle verminderingen mogen worden samengevoegd.
40. Wanneer de basisbelasting werd vastgesteld overeenkomstig deel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1 (alleenstaanden of de echtgenoot van de verkrijger van het inkomen heeft eveneens beroepsinkomsten) mogen vervolgens de volgende verminderingen (rekening houdend met nr. 11) worden afgetrokken:
GROND VAN DE VERMINDERING
1. de verkrijger van de inkomsten is een niet hertrouwde weduwnaar (weduwe), een ongehuwde vader (moeder), of een echtgescheiden, feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden ouder, met één of meer kinderen ten laste :
2. de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft persoonlijke beroepsinkomsten, andere dan pensioenen, renten of ermede gelijkgestelde inkomsten, die niet meer bedragen dan 290 EUR NETTO per maand:
3. de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft persoonlijke beroepsinkomsten die uitsluitend bestaan uit pensioenen, renten of ermede gelijkgestelde inkomsten en die niet meer bedragen dan 579 EUR NETTO per maand: (1) alle verminderingen mogen worden samengevoegd.
41. Wanneer de basisbelasting werd vastgesteld overeenkomstig deel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2 (de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen eigen beroepsinkomsten) mag na de toepassing van nr. 39 vervolgens de volgende vermindering worden afgetrokken:
GROND VAN DE VERMINDERING de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten is gehandicapt :
VASTSTELLING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING PER MAAND
42. Om de per maand verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen, wordt de basisbelasting desgevallend verminderd overeenkomstig hoofdstuk 2, gedeeld door 12.
BIJKOMENDE VERMINDERINGEN
43. Van de maandelijkse verschuldigde bedrijfsvoorheffing vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 3 mogen, naar gelang van het geval, achtereenvolgens volgende verminderingen nog in mindering worden gebracht:
Vermindering voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood
44. De bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers wordt verminderd met 30 pct. van :  de verplichte inhoudingen ter uitvoering van een groepsverzekeringscontract ;  de verplichte inhoudingen ter uitvoering van een extra-wettelijke voorzorgsregeling van verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood ;  de inhoudingen die betrekking hebben op de individuele voortzetting van een pensioentoezegging overeenkomstig artikel 1453, derde lid, WIB 92;  de inhoudingen die betrekking hebben op een vrij aanvullend pensioen voor werknemers overeenkomstig artikel 1453, vierde lid, WIB 92.
Vermindering voor bezoldigingen toegekend aan werknemers ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag
45. Toepassingsgebied
45.1. Er wordt een vermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag en die:

1° hetzij onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en tewerkgesteld door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

2° hetzij als contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door één van de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;

3° hetzij als contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.
45.2. Grondslag Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 130 uren per jaar die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.
Het in het eerste lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.
Het in het eerste lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 360 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf.
Het in het eerste lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde en in de mate dat die werknemers daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken hebben uitgevoerd tijdens de overuren die voor die werkgevers worden gepresteerd.
45.3. Uitzondering
De vermindering is niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, WIB 92.
45.4. Bedrag van de vermindering
De vermindering wordt berekend op het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vôôr aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag en bedraagt: - voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.; - voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.
Werkbonus
46. Vermindering van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers en bedrijfsleiders met een laag inkomen die recht hebben op de werkbonus
46.1. Er wordt een vermindering verleend aan de werknemers die recht hebben op een werkbonus overeenkomstig artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid.
46.2. De vermindering bedraagt :
46.2.1. 33,14 pct. van het bedrag van het luik A van de werkbonus dat daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/1, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid;
46.2.2. 52,54 pct. van het bedrag van het luik B van de werkbonus dat daadwerkelijk is verleend met
Lage activiteitsinkomsten overheidssector
47. Vermindering van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers met een laag inkomen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector
47.1. Er wordt een vermindering verleend aan personen die als statutair, stagiair of tijdelijke in dienst zijn bij de overheid, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, inrichtingen die aan de provincies ondergeschikt zijn, de gemeenten en inrichtingen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, en die niet in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn aangeworven, en een belastbare bezoldiging verkrijgen van minstens 742,26 euro en maximum 2.722,91 euro.
47.2. De vermindering bedraagt 7,50 euro.
ANDERS DAN PER MAAND BETAALDE BEZOLDIGINGEN
Betalingen per veertien dagen
48. Voor de per veertien dagen betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing de helft van de voorheffing die volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4 per maand verschuldigd is op tweemaal de bezoldiging per veertien dagen.
Betalingen per week
49. Voor de per week betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing het vierde van de voorheffing die volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4 per maand verschuldigd is op viermaal de bezoldiging per week.
Betalingen per werkdag
50. Voor de per werkdag betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing het twintigste van de voorheffing die volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4 per maand verschuldigd is op twintigmaal de bezoldiging per werkdag.
51. Voor periodieke bezoldigingen (zie nr. 17) die anders dan per maand worden betaald, bedraagt de bedrijfsvoorheffing het twintigste van het product, verkregen door vermenigvuldiging van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing die volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2, 3 en 4, afdelingen 1 en 3, verschuldigd is op de overeenstemmende maandbezoldiging, met het aantal werkdagen van het tijdperk waarop de bezoldiging betrekking heeft. 52. De bedrijfsvoorheffing op niet-periodieke bezoldigingen (zie nr. 18) is gelijk aan twaalf maal het verschil tussen:
 eensdeels, de voorheffing die volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2, 3 en 4, afdelingen 1 en 3, verschuldigd is op een inkomen gelijk aan de periodieke bezoldigingen van de maand waarin de niet- periodieke bezoldiging wordt betaald of toegekend, verhoogd met een twaalfde van de niet-periodieke bezoldiging;  anderdeels, de voorheffing die volgens dezelfde regels verschuldigd is op de periodieke bezoldigingen van de maand waarin de niet-periodieke bezoldiging wordt betaald of toegekend.
BIJZONDERE REGELS
Exceptionele vergoedingen
Tarief
53. Voor andere exceptionele vergoedingen en toelagen dan opzeggingsvergoedingen die een werkgever, buiten de normale bezoldigingen aan leden van zijn personeel betaalt (toevallige commissielonen op een geheel van verrichtingen, bijzondere en exceptionele vergoedingen, vakantiegeld, enz.), wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens onderstaand tarief, gelet op het jaarbedrag van de normale brutobezoldigingen van de verkrijger van de inkomsten.
JAARBEDRAG VAN DE NORMALE BRUTO BEZOLDIGINGEN
tot 10.675 EUR van 10.675,01 EUR tot 13.660 EUR van 13.660,01 EUR tot 17.375 EUR van 17.375,01 EUR tot 20.840 EUR van 20.840,01 EUR tot 23.580 EUR van 23.580,01 EUR tot 26.340 EUR van 26.340,01 EUR tot 31.830 EUR van 31.830,01 EUR tot 34.640 EUR van 34.640,01 EUR tot 45.860 EUR van 45.860,01 EUR tot 59.900 EUR boven , 59.900,00 EUR
Vrijstelling voor kinderen ten laste
54. Wanneer echter het jaarbedrag van de normale brutobezoldiging niet meer bedraagt dan het grensbedrag dat volgens het aantal kinderen ten laste vermeld is in onderstaande tabel (rekening houdend met nr. 8), wordt de exceptionele vergoeding vrijgesteld ten belope van het verschil tussen het voornoemde grensbedrag en het jaarbedrag van de normale brutobezoldiging. AANTAL KINDEREN TEN LASTE 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Vermindering voor kinderen ten laste
55. Wanneer de verkrijger van een exceptionele vergoeding niet meer dan vijf kinderen ten laste heeft en het jaarbedrag van zijn normale brutobezoldiging niet hoger is dan het bedrag dat -volgens het aantal kinderen ten laste- in kolom 3 van onderstaande tabel vermeld is, wordt (rekening houdend met nr. 8) een vermindering toegekend op de bedrijfsvoorheffing die volgens onderafdeling 1 en 2 op de exceptionele vergoeding is verschuldigd ; die vermindering wordt volgens het aantal kinderen ten laste berekend met het percent vermeld in kolom 2 van onderstaande tabel.
AANTAL PERCENT VAN DE KINDEREN TEN BEZOLDIGINGEN WAARBOVEN GEEN VERMINDERING VERMINDERING LASTE 1 2 1 7,5 2 20 3 35 4 55 5 75
Afwijking
56. In afwijking van onderafdelingen 1 tot 3 wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig op 16,15 pct. (zonder vrijstelling) vastgesteld voor de eindejaarspremies die in één keer worden uitbetaald en afhankelijk zijn van prestaties die per stuk of taak worden bezoldigd.
57. In afwijking van onderafdelingen 1 tot 3 is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer het twaalfde van het totaal van het jaarbedrag van de normale bruto bezoldigingen en de exceptionele vergoedingen en toelagen volgens de regels van de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4 inzake per maand betaalde bezoldigingen geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing
Achterstallen
Tarief 58. Voor achterstallige bezoldigingen van werknemers (onder meer bezoldigingen waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben) wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens onderstaand tarief, gelet op de referentiebezoldiging, d.w.z. het jaarbedrag van de normale brutobezoldiging die onmiddellijk vôôr het jaar waarop de achterstallen betrekking hebben aan de verkrijger van de inkomsten is betaald.
59. In afwijking van hetgeen voorafgaat, is de referentiebezoldiging gelijk aan de normale brutobezoldigingen van het laatste jaar van normale activiteit dat het jaar van de betaling van de achterstallen voorafgaat, mits de verkrijger hiervan het bewijs levert.
REFERENTIEBEZOLDIGING tot 11.860 EUR van 11.860,01 EUR tot 14.235 EUR van 14.235,01 EUR tot 15.810 EUR van 15.810,01 EUR tot 18.980 EUR van 18.980,01 EUR tot 20.565 EUR van 20.565,01 EUR tot 22.935 EUR Van 22.935,01 EUR tot 26.885 EUR Van 26.885,01 EUR tot 34.790 EUR Van 34.790,01 EUR tot 42.695 EUR van 42.695,01 EUR tot 55.355 EUR van 55.355,01 EUR tot 62.465 EUR van 62.465,01 EUR tot 71.160 EUR van 71.160,01 EUR tot 83.020 EUR van 83.020,01 EUR tot 99.630 EUR van 99.630,01 EUR tot 124.925 EUR van 124.925,01 EUR tot 143.905 EUR van 143.905,01 EUR tot 169.205 EUR Boven 169.205 EUR
Vrijstelling voor kinderen ten laste
60. Wanneer echter de referentiebezoldiging niet meer bedraagt dan het grensbedrag dat volgens het aantal kinderen ten laste (rekening houdend met nr. 8) vermeld is in de tabel onder nr. 54, worden de achterstallige bezoldigingen vrijgesteld ten belope van het verschil tussen het voornoemde grensbedrag en de referentiebezoldiging.
Afwijking
61. In afwijking van onderafdelingen 1 en 2 is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer het twaalfde van de referentiebezoldiging volgens de regels van de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4 inzake per maand betaalde bezoldigingen geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing.
Opzeggingsvergoedingen.
62. De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de regels van nrs. 58 tot 60, met dien verstande dat voor het bepalen van het tarief van de bedrijfsvoorheffing de in aanmerking te nemen referentiebezoldiging die is welke tot grondslag diende voor het vaststellen van de vergoeding of, bij gebreke daaraan, de bezoldiging die de verkrijger heeft ontvangen tijdens de laatste periode van normale activiteit in dienst van de werkgever die de vergoeding uitbetaalt.
63. In afwijking van hetgeen voorafgaat, is de referentiebezoldiging gelijk aan de normale brutobezoldiging van het laatste jaar van normale activiteit dat het jaar van de betaling van de opzeggingsvergoedingen voorafgaat, mits de verkrijger hiervan het bewijs levert.
Inschakelingsvergoedingen
64. De bedrijfsvoorheffing op inschakelingsvergoedingen bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk 5, Afdeling 2 en 3, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, wordt vastgesteld volgens de regels van nrs. 58 tot 60, met dien verstande dat voor het bepalen van het tarief van de bedrijfsvoorheffing de in aanmerking te nemen referentiebezoldiging die is welke tot grondslag diende voor het vaststellen van de vergoeding of, bij gebreke daaraan, de bezoldiging die de verkrijger heeft ontvangen tijdens de laatste periode van normale activiteit in dienst van de werkgever die de vergoeding uitbetaalt.
65. In afwijking van hetgeen voorafgaat, is de referentiebezoldiging gelijk aan de normale brutobezoldiging van het laatste jaar van normale activiteit dat het jaar van de betaling van de inschakelingsvergoedingen voorafgaat, mits de verkrijger hiervan het bewijs levert.
Toevallig of periodiek en bijkomstig betaalde vergoedingen en toelagen
66. Niet in de afdelingen 1 tot 4 vermelde vergoedingen en toelagen die een schuldenaar van bedrijfsvoorheffing uitbetaalt aan personen die slechts toevallig of periodiek en bijkomstig door hem of door zijn tussenkomst worden bezoldigd (toevallige commissielonen, vergoedingen, presentiegelden, enz.) zijn volgens onderstaand tarief (zonder verminderingen) aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen:
BEDRAG VAN DE VERGOEDINGEN EN VERSCHULDIGD OP HET TOTAALBEDRAG VAN DE TOELAGEN 1 tot 500,00 EUR van 500,01 EUR tot 650,00 EUR boven 650,00 EUR
Schuldvorderingen die de hoedanigheid van bezoldigingen hebben en vermeld zijn in artikel 270, eerste lid, 6°, WIB 92
67. Voor de schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92 die worden gehonoreerd door curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of personen die gelijkaardige functies uitoefenen, wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig (zonder vermindering) vastgesteld op 26,75 pct.
Bezoldigingen voor stukwerk
68. De bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen toegekend aan werklieden die stukwerk verrichten en van wie de onregelmatige en door de werkgever niet gecontroleerde prestaties niet worden uitgedrukt in dagen, weken, veertien dagen of maanden arbeid, wordt berekend volgens de regels van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 2 tot 4, met inachtneming van de duur van het tijdperk waarop de bezoldigingen betrekking hebben. De bedrijfsvoorheffing mag in deze gevallen echter nooit minder bedragen dan 11,11 pct. van de bezoldigingen.
Vakantiegeld betaald door verlofkassen 69. De vakantiegelden die zonder tussenkomst van de werkgever door de kassen voor jaarlijks verlof worden betaald of toegekend, zijn volgens het onderstaande tarief (zonder vermindering) aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen :
PERCENT ALS BEDRIJFSVOORHEFFING VERSCHULDIGD OP BEDRAG VAN HET VAKANTIEGELD HET TOTALE BEDRAG VAN HET VAKANTIEGELD Tot 1.740 EUR Boven 1.740 EUR
Eindejaars- en getrouwheidspremies betaald door Fondsen voor Bestaanszekerheid
70. De eindejaars- en getrouwheidspremies die door Fondsen voor Bestaanszekerheid worden betaald of toegekend, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 23,22 pct. (zonder vermindering).
Studenten
71. In afwijking van de vorige regels is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of toegekend aan studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedurende 650 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar en die overeenkomstig artikel 17bis, §1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet aan de sociale zekerheidsbijdragen onderworpen zijn.
Jonge werknemers
72. In afwijking van de vorige regels is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of toegekend tijdens de maanden oktober, november of december aan jonge werknemers die voldoen aan de in artikel 36, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering gestelde voorwaarden en wier tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst aanvangt tijdens voornoemde maanden oktober, november of december, op voorwaarde dat het bedrag van die bezoldigingen 5.000 euro bruto per maand niet overschrijdt.
Gelegenheidsarbeiders in de horeca
73. In afwijking van de vorige regels wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig (zonder vermindering) vastgesteld op 33,31 pct. op de bezoldigingen voor prestaties geleverd tijdens maximaal 50 dagen per kalenderjaar en die worden betaald of toegekend aan gelegenheidswerknemers die worden tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen en waarvoor de sociale bijdragen worden berekend op een uur- of dagforfait zoals bepaald in artikel 31ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Artiesten en musici
74. De bedrijfsvoorheffing wordt eenvormig (zonder vermindering) bepaald op 11,11 pct. voor de bezoldigingen die door ondernemingen voor vertoningen en vermakelijkheden worden betaald aan artiesten en musici die niet tot het vast personeel van de ondernemingen behoren en niet kunnen worden beschouwd als zijnde door de ondernemingen bijkomstig bezoldigd.
Personen behorend tot andere categorieën
75. Bepaalde categorieën van belastingplichtigen worden, gelet op de omstandigheden waarin zij hun beroepswerkzaamheid uitoefenen, geacht volgens bijzondere regels te worden bezoldigd.
76. Het betreft de volgende inkomsten betaald of toegekend aan de betrokken belastingplichtigen:
76.1. de vergoedingen van voetballers die geen vaste bezoldigingen hebben en die niet onderworpen zijn aan de regels van deel 7, hoofdstuk 6;
76.2. de exceptionele vergoedingen die niet onderworpen zijn aan de regels van deel 7, hoofdstuk 6 en die bij bepaalde bijzondere gelegenheden (belangrijke bekermatch, overwinnings- of rangschikkingspremies enz.) worden betaald aan basketbaltrainers, -verzorgers, -spelers en -speelsters die een periodieke beloning verkrijgen, zomede de sommen en belastbare voordelen van alle aard die worden betaald aan hen die geen dergelijke periodieke beloning verkrijgen;
76.3. de commissielonen van verzekeringen toegekend aan personen die door een bediendencontract verbonden zijn tegenover een verzekeringsonderneming, een makelaar of een verzekeringsagent en die, buiten hun gewone prestaties, verzekeringszaken voor rekening van hun werkgever behandelen wegens een verplichting die uit dat contract voortvloeit;
76.4. de sommen die aan bezoldigde uitzendkrachten worden betaald of toegekend;
76.5. de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die door de werkgever worden betaald of toegekend.
77. De bedrijfsvoorheffing wordt eenvormig (zonder vermindering) bepaald op 11,11 pct. van de in nr. 76 vermelde inkomsten.
VERVANGINGSINKOMSTEN
SCHADELOOSSTELLING VAN TIJDELIJKE DERVING VAN BEZOLDIGINGEN, WINST OF BATEN, met uitzondering van de werkloosheidsuitkeringen
78. Wettelijke of extra-wettelijke vergoedingen betaald of toegekend als schadeloosstelling van een tijdelijke derving van bezoldigingen, winst of baten, bijvoorbeeld ingevolge ongeval, ziekte, invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
78.1. wanneer de vergoedingen door de werkgever, door de vennootschap of door hun tussenkomst worden betaald of toegekend:
78.1.1. volgens de regels van nr. 53 gelet op de referentiebezoldiging, d.w.z. de normale jaarbezoldiging die tot grondslag voor het berekenen van de schadeloosstelling heeft gediend; 78.1.2. bij gebreke aan voormelde referentiebezoldiging bedraagt de bedrijfsvoorheffing 32,10 pct. (zonder vermindering) ;
78.2. wanneer die vergoedingen, zonder tussenkomst van de werkgever of vennootschap, door een verzekeringsinstelling of door een andere private of openbare instelling of door een andere tussenpersoon aan de verkrijger worden betaald: tegen het tarief van 11,11 pct. of 22,20 pct. (zonder vermindering) naargelang het gaat om wettelijke of om extra-wettelijke vergoedingen.
78.3. Afwijkingen inzake ziekte- en invaliditeitsuitkeringen
78.3.1. In afwijking van nr. 78.2 zijn wettelijke ziekte-uitkeringen die worden betaald of toegekend gedurende de eerste 6 maanden van een periode van primaire arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 87, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoôrdineerd op 14 juli 1994 en die aansluit op een periode van volledige of gedeeltelijke werkloosheid als bedoeld in nr. 79.1, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering). Deze afwijking is niet van toepassing op de toeslag als bedoeld in artikel 96 van de voormelde wet.
78.3.2. In afwijking van nrs. 78.2 en 78.3.1 is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op:

1° de wettelijke ziekte-uitkeringen die worden betaald of toegekend gedurende de eerste 6 maanden van een periode van primaire arbeidsongeschiktheid als bedoeld in nr. 78.3.1 aan volledig werkloze werknemers als vermeld in nr. 79.2.1;

2° de invaliditeitsuitkeringen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling II van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoôrdineerd op 14 juli 1994 en in de artikelen 10 en 12bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten en dit tot 31 december 2026;

3° de toeslag als bedoeld in artikel 96 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 wanneer die betrekking heeft op een gedeelte van een kalendermaand die aanvangt na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, en dit tot 31 december 2026;

4° de premie en de forfaitaire tegemoetkoming bedoeld in artikel 215sexies van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
78.3.3. De overeenkomstig nrs. 78.2 en 78.3.1 berekende bedrijfsvoorheffing mag er evenwel niet toe leiden dat:

1° Het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde ziekte- en invaliditeitsuitkeringen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdelingen I en II van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoôrdineerd op 14 juli 1994 minder bedraagt dan het bedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering vermeld in artikel 93bis van voormelde gecoôrdineerde wet, behalve wanneer die uitkering wordt gecumuleerd met inkomsten als vermeld in artikel 104 van dezelfde wet of wanneer prestaties worden verminderd krachtens artikel 136, § 2, van dezelfde wet.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdens de eerste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid evenwel enkel rekening gehouden met het bedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering voor een gerechtigde met gezinslast, vermeld in artikel 93bis van voormelde gecoôrdineerde wet.

2° Het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde uiteindelijk verschuldigde ziekte- en invaliditeitsuitkeringen als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten minder bedraagt dan het bedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering vermeld in artikel 93bis van de gecoôrdineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, behalve wanneer die uitkering wordt verminderd krachtens artikel 28 of artikel 29, § 1, 1° tot 4°, 6° en 7°, van het voormelde koninklijk besluit.
78.3.4. In afwijking van nr. 78.1:

1° zijn de wachtgelden die krachtens artikel 57 van hoofdstuk IX van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, worden betaald of toegekend aan ambtenaren in disponibiliteit wegens ziekte, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 11,11 pct. (zonder vermindering);

2° zijn de wachtgelden die krachtens artikel 58 van hoofdstuk IX van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, worden betaald of toegekend aan ambtenaren in disponibiliteit wegens ziekte, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels van

3° is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die worden betaald of toegekend aan jonge werknemers bedoeld onder nr. 72, op voorwaarde dat de bezoldigingen die ze vervangen voldoen aan de voorwaarden om vrijgesteld te worden van bedrijfsvoorheffing overeenkomstig dit nr. 72;

4° zijn de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die aan de in nr. 76 bedoelde werknemers worden betaald of toegekend, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 11,11 pct. (zonder vermindering);

5° zijn de uitkeringen ingevolge een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte die door een werkgever die onderworpen is aan de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector of door zijn tussenkomst worden betaald of toegekend aan een verkrijger waarop de voormelde wet van toepassing is, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels vastgelegd in de nummers 35 tot 50, met uitzondering van nr. 47, waarbij desgevallend rekening wordt gehouden met het totale bedrag van de gewone bezoldigingen en de beoogde uitkeringen.
78.4. Afwijkingen inzake wettelijke onderbrekingsuitkeringen
In afwijking van nr. 78.2 worden de wettelijke onderbrekingsuitkeringen aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
78.4.1. Wettelijke onderbrekingsuitkeringen betaald of toegekend aan werknemers die voltijds hun beroepsloopbaan onderbreken, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,13 pct. (zonder vermindering); 78.4.2. Wettelijke onderbrekingsuitkeringen betaald of toegekend aan werknemers die deeltijds hun beroepsloopbaan onderbreken, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 17,15 pct. (zonder vermindering). Dit tarief van 17,15 pct. wordt verhoogd:

1° tot 35 pct. in geval van : a) een 1/5de loopbaanvermindering, in toepassing van de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, die aanvangt vanaf 1 juni 2007, of eenzelfde loopbaanvermindering in toepassing van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 10 juni 2002 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van de overheidsbedrijven die in toepassing van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bestuursautonomie verkregen hebben. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers in 1/5de loopbaanvermindering die uitsluitend samenwonen met één of meerdere kinderen die zij ten laste hebben;
b) halftijds tijdskrediet of halftijdse loopbaanonderbreking dat ingaat vanaf 1 januari 2009 voor de belastingplichtigen die 50 jaar of ouder dan 50 jaar zijn. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers die alleen wonen of die uitsluitend samenwonen met één of meer kinderen die zij ten laste hebben en voor de belastingplichtigen die genieten van een thematisch verlof (ouderschapsverlof, medische bijstand, palliatief verlof).

2° tot 30 pct. in geval van halftijds tijdskrediet of halftijdse loopbaanonderbreking dat ingaat vanaf 1 januari 2009 voor de belastingplichtigen van minder dan 50 jaar. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers die alleen wonen of die uitsluitend samenwonen met één of meer kinderen die zij ten laste hebben en voor de belastingplichtigen die genieten van een thematisch verlof (ouderschapsverlof, medische bijstand, palliatief verlof).
78.4.3. Wettelijke premies toegekend aan de personeelsleden van overheidsdiensten ter gelegenheid van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar of de vierdagenweek, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 17,15 pct. (zonder vermindering).
78.5. Afwijking inzake het overbruggingskrediet
In afwijking van nr. 78.2 is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de financièle uitkering bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN
Werkloosheidsuitkeringen zonder bedrijfstoeslag
79. De wettelijke werkloosheidsuitkeringen zonder bedrijfstoeslag worden als volgt aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen: 79.1. Wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen van alle aard, inschakelingsvergoedingen inbegrepen, verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van beroepsinkomsten ten gevolge van volledige of gedeeltelijke werkloosheid en niet vermeld in de afdelingen 2 en 3, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering).
79.2. Afwijkingen
79.2.1. In afwijking van nr. 79.1 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden op de wettelijke werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen van volledig werkloze werknemers die generlei inkomen uit beroepswerkzaamheid verkrijgen en die in de zin van de reglementering inzake werkloosheid de hoedanigheid hebben: - ofwel van samenwonende met recht op een toeslag voor het verlies van een enig inkomen ; - ofwel van samenwonende die noch recht heeft op een toeslag voor het verlies van een enig inkomen noch op een aanpassingstoeslag, en, indien de werknemer samenwoont met een echtgenoot, op voorwaarde dat de beroepsinkomsten van die echtgenoot uitsluitend uit vervangingsinkomsten bestaan; - ofwel van samenwonende die slechts over werkloosheidsuitkeringen beschikt, bestaande uit het al of niet verhoogde wettelijk forfait ; - ofwel van alleenwonende ; - ofwel van werknemer die recht heeft op een inschakelingsuitkering ; - ofwel van werknemer die een vrijstelling geniet wegens sociale en familiale redenen.
79.2.2. In afwijking van nr. 79.1 zijn de wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen die worden betaald of toegekend aan tijdelijk werklozen zoals bedoeld in artikel 27, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 26,75 pct. (zonder vermindering).
Werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag
80. De bedrijfsvoorheffing op de wettelijke werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag wordt vastgesteld als volgt:
80.1. de bedrijfsvoorheffing wordt volgens de regels van deel 5, hoofdstukken 1 tot 5 berekend op het totaalbedrag van de vergoedingen;
80.2. van de aldus berekende bedrijfsvoorheffing mag vervolgens de vermindering voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood vermeld in nr. 44 worden afgetrokken.
81. In afwijking van nr. 80 worden de aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag buiten het stelsel van werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid.
81.1. De gewezen werknemer heeft de leeftijd van 50 jaar bereikt:
81.1.1. De aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag die de voormelde werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
a) de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 10,09 pct. (zonder vermindering);
b) de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is niet opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 26,75 pct. (zonder vermindering).
81.2. De gewezen werknemer heeft de leeftijd van 50 jaar niet bereikt : 81.2.1. De aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag die de voormelde werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens nr. 78.1.2.
Pseudo-werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag
82. In afwijking van afdeling 2 worden de pseudo-werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag bovenop werkloosheidsuitkeringen aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid.
82.1. Wanneer de gewezen werknemer de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en de desbetreffende overeenkomst geen sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is die is afgesloten vôôr 30 september 2005 of geen sectorale overeenkomst die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking verlengt, worden de aanvullende vergoedingen die voormelde werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledige werkloze verkrijgt of zou kunnen verkrijgen indien hij het werk niet had hervat, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid :
82.1.1. de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 10,09 pct. (zonder vermindering);
82.1.2. de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is niet opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 26,75 pct. (zonder vermindering).
82.2. Wanneer de gewezen werknemer, hetzij de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt, hetzij de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt EN de desbetreffende overeenkomst is een sectorale overeenkomst die is afgesloten vôôr 30 september 2005 of een sectorale overeenkomst die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking verlengt, worden de aanvullende vergoedingen bovenop de werkloosheidsuitkering na ontslag die de gewezen werknemer in één van deze gevallen heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen aan het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering).
PENSIOENEN, RENTEN, KAPITALEN, AFKOOPWAARDEN EN ERMEDE GELIJKGESTELDE INKOMSTEN
JAARLIJKS NETTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
83. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag wordt als volgt vastgesteld:
83.1. Het brutobedrag van de belastbare grondslag vaststellen overeenkomstig deel 1, hoofdstuk 2, afdelingen 4 tot 6.
83.2. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag is gelijk aan het brutobedrag vermeld in nr. 83.1.
DE BASISBELASTING
84. De basisbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig deel 2. DE VERMINDERINGEN VOOR KINDEREN TEN LASTE EN ANDERE GEZINSLASTEN
85. Van de basisbelasting vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 mogen vervolgens worden afgetrokken :
85.1. de vermindering voor kinderen ten laste vermeld in nr. 38;
85.2. de verminderingen voor andere gezinslasten naar gelang van het geval vermeld nrs. 39 tot 41.
DE BIJZONDERE VERMINDERING VOOR PENSIOENEN
86. Na toepassing van hoofdstuk 3 wordt de basisbelasting verminderd met de bijzondere vermindering voor pensioenen. Deze vermindering bedraagt 2.334 euro per jaar.
87. De toepassing van die bijzondere vermindering is afhankelijk van hetjaarbedrag van het pensioen, dit is het bedrag desgevallend na aftrek van het toegerekende inkomen van de andere echtgenoot vermeld in nr. 34.1.1.
88. Die bijzondere vermindering wordt als volgt afgetrokken :
88.1. volledig wanneer het jaarbedrag van het pensioen niet hoger is dan 29.480 euro;
88.2. voor een gedeelte wanneer het jaarbedrag van het pensioen begrepen is tussen 29.480 euro en 58.960 euro; dat gedeelte wordt berekend met de volgende formule :
(1/3 x 2.334) + (2/3 x 2.334 x 58.960 – jaarbedrag pensioen)
88.3. voor 1/3 wanneer het jaarbedrag van het pensioen 58.960 euro of meer bedraagt.
VASTSTELLING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING PER MAAND
89. Om de per maand verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen, wordt de basisbelasting verminderd overeenkomstig hoofdstuk 4 gedeeld door 12.
ANDERS DAN PER MAAND BETAALDE PENSIOENEN
90. Voor anders dan per maand betaalde pensioenen of renten, bedraagt de bedrijfsvoorheffing het dertigste van het product verkregen door vermenigvuldiging van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hoofdstuk 1 tot 5 zou verschuldigd zijn op het overeenstemmende maandelijks pensioen of rente, met het aantal dagen van het tijdperk waarop het pensioen of de rente betrekking heeft.
BIJZONDERE REGELS
Achterstallen
91. Pensioen- of renteachterstallen (d.w.z. pensioenen of renten waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben) zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels vermeld in nrs. 58 tot 60, met dien verstande dat het toe te passen tarief mutatis mutandis bepaald wordt volgens het jaarbedrag van de normale brutopensioenen of -renten die onmiddellijk vôôr het jaar waarop de achterstallen betrekking hebben aan de verkrijger zijn betaald of, bij gebreke daarvan, volgens het jaarbedrag van de normale brutobezoldigingen, verhoogd met de eventuele pensioen- of rentevoorschotten, die de verkrijger tijdens zijn laatste jaar van normale activiteit heeft ontvangen.
Vakantiegeld
92. De bedrijfsvoorheffing op vakantiegeld toegekend aan personen die een rust- of overlevingspensioen verkrijgen ten laste van het pensioenstelsel voor loontrekkers, wordt vastgesteld volgens het in de tabellen hierna vermelde tarief, gelet op het totaal van het belastbare maandbedrag van de pensioenen van de verkrijger van de inkomsten.
92.1. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft eveneens beroepsinkomsten.
P BELASTBARE MAANDBEDRAG VAN HET PENSIOEN tot 1.499,99 EUR van 1.500 EUR tot 1.649,99 EUR van 1.650 EUR tot 1.699,99 EUR van 1.700 EUR tot 1.749,99 EUR van 1.750 EUR tot 1.849,99 EUR van 1.850 EUR tot 2.049,99 EUR van 2.050 EUR tot 2.399,99 EUR van 2.400 EUR tot 2.699,99 EUR van 2.700 EUR tot 3.199,99 EUR van 3.200EUR tot 4.449,99 EUR van 4.450 EUR tot 4.599,99 EUR vanaf 4.600,00 EUR
92.2. De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen beroepsinkomsten.
PERCENT ALS BEDRIJFSVOORHEFFING VERSCHULDIGD BELASTBARE MAANDBEDRAG VAN HET PENSIOEN tot 2.299,99 EUR van 2.300 EUR tot 2.399,99 EUR van 2.400 EUR tot 2.499,99 EUR van 2.500 EUR tot 2.549,99 EUR van 2.550 EUR tot 3.099,99 EUR van 3.100 EUR tot 3.399,99 EUR van 3.400 EUR tot 3.899,99 EUR van 3.900 EUR tot 4.699,99 EUR van 4.700 EUR tot 5.449,99 EUR van 5.450 EUR tot 6.599,99 EUR van 6.600 EUR tot 6.799,99 EUR Vanaf 6.800 EUR
Pensioenen en renten niet verleend in het kader van het pensioensparen, noch ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut 93. Rust- en overlevingspensioenen of -renten die niet worden verleend in het kader van het pensioensparen, noch ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen uit het toepassingsgebied van de sociale wetgeving sluit, eensdeels, en ouderdoms- en weduwrenten die verzekeringsinstellingen verlenen als tegenwaarde van stortingen die vrij zijn verricht in het kader van de wetgeving betreffende het bediendepensioen, anderdeels, zijn volgens het onderstaande tarief (zonder vermindering) aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen :
JAARBEDRAG VAN HET PENSIOEN OF DE RENTE
tot 1.790 EUR van 1.790,01 EUR tot 2.990 EUR van 2.990,01 EUR tot 8.900 EUR van 8.900,01 EUR tot 14.820 EUR van 14.820,01 EUR tot 29.640 EUR van 29.640,01 EUR tot 44.460 EUR boven 44.460 EUR
94. In afwijking van nr. 93 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden :
94.1. op de pensioenen en renten indien en in zoverre die pensioenen of renten zijn verleend ter uitvoering van contracten die het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in Boek II,
94.2. wanneer de verkrijger van de pensioenen of renten aantoont dat het twaalfde van het totale jaarbedrag van zijn wettelijk en zijn aanvullend pensioen volgens hoofdstuk 1 tot hoofdstuk 5 geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing.
Toelagen of renten verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte of een invaliditeit
95. Toelagen of renten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4°, WIB 92 vermelde beroepswerkzaamheid of die het herstel van een bestendige derving van bezoldigingen, winst of baten uitmaken en die worden verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte, een invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
95.1. wanneer die toelagen of renten door de werkgever of door diens tussenkomst aan de verkrijger worden betaald: volgens de regels van nr. 53, met dien verstande dat het toe te passen tarief bepaald wordt volgens het jaarbedrag van de normale brutobezoldigingen die tot grondslag dienden voor het berekenen van die toelagen of renten;
95.2. wanneer die toelagen of renten zonder tussenkomst van de werkgever, door een verzekeringsinstelling of door een andere instelling of een tussenpersoon aan de verkrijger worden betaald: tegen het tarief van 11,11 pct. of van 22,20 pct. (zonder vermindering) naargelang het gaat om wettelijke of extra-wettelijke toelagen of renten. In dit geval moet echter geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden wanneer de verkrijger van de renten of toelagen aantoont dat het twaalfde van de jaarbezoldiging die tot grondslag diende voor de berekening van de schadeloosstelling volgens de regels van hoofdstuk 1 tot hoofdstuk 5 geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing.
Kapitalen en afkoopwaarden niet verleend in het kader van het pensioensparen
96. Kapitalen en afkoopwaarden, of de schijven daarvan, die krachtens artikel 169, § 1, of 515bis, vierde en zevende lid, WIB 92 volgens het omzettingsstelsel in de personenbelasting worden belast, worden voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die voortvloeit uit hun omzetting volgens de in artikel 73 van dit besluit bepaalde coëfficiënten.
De rente wordt tegen 11,11 pct. (zonder vermindering) aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen.
97. Op kapitalen en afkoopwaarden die krachtens artikel 171, 2°, b tot d, of 515quater, § 1, b, WIB 92 afzonderlijk in de personenbelasting worden belast, is een bedrijfsvoorheffing verschuldigd van 10,09 pct. (zonder vermindering).
98. Op kapitalen en afkoopwaarden, op kapitalen geldend als renten of pensioenen en op de afkoop van de gekapitaliseerde waarde van een deel van het wettelijk rust- of overlevingspensioen die krachtens artikel 171, 4°, f tot h; 515bis, vijfde lid, of 515octies, WIB 92 of krachtens artikel 104, tweede lid, van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiéle en diverse bepalingen afzonderlijk in de personenbelasting worden belast, is een bedrijfsvoorheffing verschuldigd van 16,66 pct. (zonder vermindering).
99. Kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in artikel 171, 4°, f, WIB 92 worden aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
99.1. Een bedrijfsvoorheffing van 18,17 pct. (zonder vermindering) is verschuldigd in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd aan de werknemer of bedrijfsleider op de leeftijd van 61 jaar;
99.2. Een bedrijfsvoorheffing van 20,19 pct. (zonder vermindering) is verschuldigd in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd:
99.2.1. aan de werknemer of bedrijfsleider op de leeftijd van 60 jaar;
99.2.2. aan de werknemer naar aanleiding van de pensionering als bedoeld in artikel 27, § 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, zoals en voor zover het krachtens artikel 104, tweede en derde lid, van de programmawet van 27 december 2021 van kracht blijft, vôôr het bereiken van de leeftijd van 61 jaar.
100. Een bedrijfsvoorheffing van 33,31 pct. (zonder vermindering) is verschuldigd op :
100.1. kapitalen en afkoopwaarden die krachtens artikel 171, 1°, d, f, h, of j, of 515quater, § 1, a, WIB 92 afzonderlijk in de personenbelasting worden belast;
100.2. kapitalen, afkoopwaarden en op kapitalen geldend als renten of pensioenen, of op de schijven daarvan, die niet worden bedoeld onder nrs. 96 tot 100.1.
101. In afwijking van nrs. 97 tot 100.2 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden indien en in zoverre de kapitalen, afkoopwaarden en de kapitalen geldend als renten of pensioenen zijn verleend ter uitvoering van contracten die het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen of in artikel 119, 1°, van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen.
Pensioensparen
102. Pensioenen en renten van een spaarverzekering worden volgens het onderstaande tarief (zonder vermindering) aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen :
JAARBEDRAG VAN HET PENSIOEN OF DE RENTE tot 1.500,00 EUR van 1.500,01 EUR tot 2.500,00 EUR boven 2.500,00 EUR
103. Spaartegoeden van spaarrekeningen en kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die krachtens de artikelen 171, 1°bis, 174 en 515ter WIB 92 en krachtens artikel 105 van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen afzonderlijk in de personenbelasting worden belast, worden aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 8,08 pct. (zonder vermindering), met dien verstande dat voor spaartegoeden het belastbare bedrag moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 34, § 3, en 515bis, derde lid, WIB 92.
104. Spaartegoeden van spaarrekeningen en kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die krachtens de artikelen 515bis, vijfde lid, en 515ter WIB 92 en krachtens artikel 104, tweede lid, van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen afzonderlijk in de personenbelasting worden belast, worden aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 16,66 pct. (zonder vermindering), met dien verstande dat voor spaartegoeden het belastbare bedrag moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 34, § 3, en 515bis, derde lid, WIB 92.
Het vorige lid is eveneens van toepassing op spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in artikel 9, § 4, van het koninklijk besluit van 22 december 1986 tot invoering van een stelsel van derdeleeftijds- of pensioensparen.
105. Een bedrijfsvoorheffing van 33,31 pct. (zonder vermindering) is verschuldigd op :
105.1. spaartegoeden van spaarrekeningen en op kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die krachtens artikel 171, 1°, g, WIB 92 afzonderlijk in de personenbelasting worden belast, met dien verstande dat voor spaartegoeden het belastbare bedrag moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 34, § 3, en 515bis, derde lid, WIB 92;
105.2. spaartegoeden van spaarrekeningen en op kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die niet bedoeld zijn onder nrs. 103 tot 105.1 hiervoor. Bovendien moet voor spaartegoeden het belastbare bedrag worden bepaald overeenkomstig artikel 515bis, derde lid, WIB 92; 105.3. de overdrachten als vermeld in artikel 34, § 2, 3°, WIB 92.
106. In afwijking van nrs. 103 tot 105.3 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden indien en in zoverre de spaartegoeden van spaarrekeningen en de kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen zijn verleend ter uitvoering van contracten die het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen, met uitzondering van de vervroegde inning van de taks bepaald bij artikel 185, § 4, van dat Wetboek, of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiéle en diverse bepalingen.
INKOMSTEN VAN ANDERE NIET-INWONERS DAN DIEGENEN VERMELD IN nr. 36.2
JAARLIJKS NETTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
107. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag wordt, na aftrek van de sociale inhoudingen vermeld in deel 1, hoofdstuk 2, afdeling 5, vastgesteld overeenkomstig deel 1, hoofdstuk 3, afdelingen 1, 2, 4 en 5.
DE BASISBELASTING 108. De basisbelasting wordt berekend met behulp van de basisschaal opgenomen in nr. 31.
Het aldus bekomen resultaat vormt de jaarlijkse basisbelasting.
VASTSTELLING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING PER MAAND
109. Om de per maand verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen, wordt de basisbelasting gedeeld door 12.
BEZOLDIGINGEN EN ERMEDE GELIJKGESTELDE INKOMSTEN, MET UITZONDERING VAN DE WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN MET BEDRIJFSTOESLAG
Toepassingsgebied
110. Dit hoofdstuk is van toepassing op bezoldigingen, met uitzondering van de bezoldigingen vermeld in
110.1. werknemers;
110.2. bedrijfsleiders.
Verminderingen
111. Van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld in hoofdstuk 3 mogen vervolgens, naar gelang van het geval, de volgende verminderingen worden afgetrokken:
111.1. de vermindering voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood (cf. nr. 44);
111.2. de vermindering voor bezoldigingen toegekend aan werknemers ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag (cf. nr. 45).
Anders dan per maand betaalde bezoldigingen
112. Voor de per veertien dagen betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing de helft van de voorheffing die volgens de regels van hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 en 2 per maand verschuldigd is op tweemaal de bezoldiging per veertien dagen.
113. Voor de per week betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing het vierde van de voorheffing die volgens de regels van hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 en 2 per maand verschuldigd is op viermaal de bezoldiging per week.
114. Voor de per werkdag betaalde bezoldigingen bedraagt de bedrijfsvoorheffing het twintigste van de voorheffing die volgens de regels van hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 en 2 per maand verschuldigd is op twintigmaal de bezoldiging per werkdag. 115. Periodieke betalingen anders dan per maand
Voor periodieke bezoldigingen (zie nr. 17) die anders dan per maand worden betaald, bedraagt de bedrijfsvoorheffing het twintigste van het product, verkregen door vermenigvuldiging van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing die volgens de regels van de hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 en 2 verschuldigd is op de overeenstemmende maandbezoldiging, met het aantal werkdagen van het tijdperk waarop de bezoldiging betrekking heeft.
116. Niet-periodieke bezoldigingen
De bedrijfsvoorheffing op niet-periodieke bezoldigingen (zie nr. 18) is gelijk aan twaalf maal het verschil tussen:
 eensdeels, de voorheffing die volgens de regels van de hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 en 2 verschuldigd is op een inkomen gelijk aan de periodieke bezoldigingen van de maand waarin de niet- periodieke bezoldiging wordt betaald of toegekend, verhoogd met een twaalfde van de niet-periodieke bezoldiging;  anderdeels, de voorheffing die volgens dezelfde regels verschuldigd is op de periodieke bezoldigingen van de maand waarin de niet-periodieke bezoldiging wordt betaald of toegekend.
Bijzondere regels
Exceptionele vergoedingen
117. Voor de exceptionele vergoedingen (commissielonen, vakantiegeld, eindejaarspremies, enz.) die een werkgever, buiten de normale bezoldigingen aan leden van zijn personeel betaalt, wordt de bedrijfsvoorheffing (zonder vermindering) vastgesteld volgens het onderstaande tarief, gelet op het jaarbedrag van de normale in België betaalde of toegekende brutobezoldigingen van de verkrijger van de inkomsten.
JAARBEDRAG VAN DE NORMALE BRUTOBEZOLDIGINGEN van 0,01 EUR tot van 25.030,01 EUR tot van 39.530,01 EUR tot boven 63.970 EUR
Achterstallen en opzeggingsvergoedingen
118. Voor achterstallige bezoldigingen (onder meer bezoldigingen waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben) en voor de opzeggingsvergoedingen, wordt de bedrijfsvoorheffing (zonder vermindering) vastgesteld volgens het onderstaande tarief, gelet op de referentiebezoldiging, d.w.z. :
 ofwel het jaarbedrag van de normale in België betaalde of toegekende brutobezoldiging die onmiddellijk vôôr de herziening die tot de uitbetaling van de achterstallen aanleiding gaf aan de verkrijger van de inkomsten werd betaald;  ofwel de bezoldiging die tot grondslag diende voor het vaststellen van de opzeggingsvergoeding of, bij gebreke daaraan, de bezoldiging die de verkrijger heeft ontvangen tijdens de laatste periode van normale activiteit in dienst van de werkgever die de vergoeding uitbetaalt.
REFERENTIEBEZOLDIGING van 0,01 EUR tot van 22.780,01 EUR tot van 35.570,01 EUR tot boven 57.120 EUR
Bezoldigingen voor stukwerk
119. De bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen toegekend aan werklieden die stukwerk verrichten en van wie de onregelmatige en door de werkgever niet gecontroleerde prestaties niet worden uitgedrukt in dagen, weken, veertien dagen of maanden arbeid, wordt berekend volgens de regels van de hoofdstukken 1 tot 3 en van de afdelingen 1 tot 3, onderafdeling 1, met inachtneming van de duur van het tijdperk waarop de bezoldigingen betrekking hebben.
Gelegenheidsarbeiders in de horeca
120. In afwijking van de vorige regels wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig (zonder vermindering) vastgesteld op 33,31 pct. op de bezoldigingen voor prestaties geleverd tijdens maximaal 50 dagen per kalenderjaar en die worden betaald of toegekend aan gelegenheidswerknemers die worden tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen en waarvoor de sociale bijdragen worden berekend op een uur- of dagforfait zoals bepaald in artikel 31ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw
121. In afwijking van alle vorige regels, wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig (zonder vermindering) vastgesteld op 18,725 pct. op de hierna vermelde bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land-en tuinbouw:  de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;  de eindejaarspremie en de getrouwheidspremie die door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste streepje bedoelde gelegenheidswerkers;  de bezoldigingen voor prestaties als arbeider in de land- of tuinbouw ingevolge een contract van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal 6 opeenvolgende kalenderweken onmiddellijk aansluitend op een tewerkstelling als gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw bij dezelfde werkgever;  het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in het derde streepje bedoelde periode van aansluitende tewerkstelling.
WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN MET BEDRIJFSTOESLAG
Toepassingsgebied
122. Het betreft de werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag van werknemers betaald of toegekend aan andere niet-inwoners dan diegenen vermeld in de nr. 36.2.
Jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag 123. Het brutobedrag van de belastbare grondslag wordt vastgesteld overeenkomstig deel 1, hoofdstuk 2, afdelingen 5 tot 6.
124. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag is gelijk aan het in nr. 123 vermelde brutobedrag.
De basisbelasting
125. De basisbelasting wordt berekend met behulp van de basisschaal opgenomen in nr. 31.
Het aldus bekomen resultaat vormt de jaarlijkse basisbelasting.
De bijzondere vermindering voor werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag
126. Na toepassing van afdeling 3 mag de basisbelasting enkel worden verminderd met de vermindering (geheel of gedeeltelijk) voor werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag. Deze vermindering bedraagt 2.334 euro per jaar.
127. De toepassing van die vermindering werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag.
128. Die vermindering wordt als volgt afgetrokken :
128.1. volledig wanneer het jaarbedrag van de werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag niet hoger is dan 29.480 euro;
128.2. voor een gedeelte wanneer het jaarbedrag van de werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag begrepen is tussen 29.480 euro en 58.960 euro; dat gedeelte wordt berekend met de volgende formule:
jaarbedrag werkloosheids-
(1/3 x 2.334) + [(2/3 x 2.334) x 58.960 –uitkeringen met bedrijfstoeslag)
128.3. voor 1/3de wanneer het jaarbedrag van de werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag 58.960 euro of meer bedraagt.
Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing per maand
129. Om de per maand verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen, wordt de basisbelasting verminderd overeenkomstig afdeling 4 gedeeld door 12.
NIET IN DEEL 3 TOT DEEL 6 VERMELDE INKOMSTEN
ONDERHOUDSUITKERINGEN EN KAPITALEN VERMELD IN ARTIKEL 90, EERSTE LID, 3° EN 4°, WIB 92, DIE AAN NIET-INWONERS WORDEN BETAALD
130. Uitkeringen
Op het bedrag van de in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, WIB 92 vermelde uitkeringen die rijksinwoners aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland betalen, is een bedrijfsvoorheffing verschuldigd van 26,75 pct. op 80 pct. van het bedrag van die uitkeringen. Vanaf 20 februari 2026, luidt nummer 130 van de toepassingsregels, als volgt :
Op het bedrag van de in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, WIB 92 vermelde uitkeringen die rijksinwoners aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland betalen, is een bedrijfsvoorheffing verschuldigd van 26,75 pct. op 70 pct. van het bedrag van die uitkeringen.
131. Kapitalen
Wanneer in nr. 130 vermelde uitkeringen worden vervangen door een kapitaal dat wordt betaald aan een inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, bedraagt de bedrijfsvoorheffing 26,75 pct. van 60 pct. van dat kapitaal.
IN ARTIKEL 87, 5°, A TOT C, E EN F, VAN DIT BESLUIT VERMELDE INKOMSTEN, BETAALD OF TOEGEKEND AAN NIET-INWONERS VERMELD IN DIE BEPALING
132. Voor de inkomsten vermeld in artikel 87, 5°, a tot c, e en f, van dit besluit, betaald of toegekend aan aldaar vermelde niet-inwoners, moet de bedrijfsvoorheffing onderscheidenlijk als volgt worden berekend :
132.1. voor de winst en baten vermeld in artikel 87, 5°, a, van dit besluit: 30,28 pct. van het brutobedrag;
132.2. volgens de regels en het tarief van nr. 66 voor de inkomsten vermeld in artikel 87, 5°, b, van dit besluit;
132.3. voor de premies betreffende de in België gedane verrichtingen voor de winst vermeld in artikel 87, 5°, c, van dit besluit: 2,50 pct. van het brutobedrag;
132.4. voor de winst vermeld in artikel 87, 5°, e, van dit besluit: 24,25 pct. van het brutobedrag;
132.5. voor de inkomsten vermeld bedoeld in artikel 87, 5°, f, van dit besluit: 25 pct. van de inkomsten (na aftrek van een forfaitair bedrag voor kosten dat gelijk is aan 50 pct. van het brutobedrag van de inkomsten). Het bedrag van die voorheffing wordt evenwel beperkt tot het maximumbedrag aan bronheffing waarin het van toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag voorziet.
INKOMSTEN VAN PODIUMKUNSTENAARS DIE NIET-INWONERS ZIJN
133. In afwijking van de bepalingen van deel 3 en 6, hoofdstukken 1 tot 4, en van nrs. 132.1 en 132.2, wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig vastgesteld op 18 pct. van het brutobedrag van de inkomsten vermeld in artikel 228, § 2, 8°, WIB 92, verminderd met een forfaitair bedrag voor kosten opgenomen in onderstaande tabel:
AARD VAN DE KOSTEN 1. verplaatsingskosten : 2. voeding en andere kleine uitgaven : 3. logementskosten : Totaal :
134. Het forfait wordt per schuldenaar van bedrijfsvoorheffing vastgesteld naargelang van de in België door de podiumkunstenaar gepresteerde dagen waarvoor hij wordt vergoed. Het aantal gepresteerde dagen dient evenwel per schuldenaar van bedrijfsvoorheffing voor elke podiumkunstenaar te worden beperkt tot 10 dagen per kalenderjaar.
135. Volgende bedragen mogen in aanmerking genomen worden :  400 euro voor de eerste dag, per kunstenaar ;  100 euro voor elke volgende gepresteerde dag, per kunstenaar.
WINST EN BATEN VAN NIET-INWONENDE VENNOTEN OF LEDEN VAN VENNOOTSCHAPPEN OF VAN VERENIGINGEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID ALS BEDOELD IN ARTIKEL 29 WIB 92, VERMELD IN ARTIKEL 229, § 3, WIB 92
136. De in artikel 87, 7°, van dit besluit vermelde inkomsten van iedere vennoot of ieder lid zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid :
136.1. Inkomsten die worden geacht te zijn toegekend aan niet-rijksinwoners vermeld in artikel 227, 1°, WIB 92 : de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens het onderstaande tarief (zonder vermindering) :
TOTAALBEDRAG VAN DE WINST OF DE BATEN VAN ELKE VENNOOT OF ELK LID van 0,01 EUR tot 16.710 EUR 26,75 pct. van 16.710,01 EUR tot 29.500 EUR 4.469,93 EUR + 42,80 pct. op de schijf boven van 29.500,01 EUR tot 51.050 EUR 9.944,05 EUR + 48,15 pct. op de schijf boven boven 51.050 EUR 20.320,38 EUR + 53,50 pct. op de schijf boven 51.050 EUR
136.2. Inkomsten die worden geacht te zijn toegekend aan niet-inwoners vermeld in artikel 227, 2°, WIB 92 : de bedrijfsvoorheffing wordt éénvormig vastgesteld op 25 pct.
IN ARTIKEL 87, 8°, VAN DIT BESLUIT VERMELDE MEERWAARDEN, VERWEZENLIJKT DOOR NIET-INWONERS IN HET KADER VAN HUN BEROEPSWERKZAAMHEID
137. De in artikel 87, 8°, van dit besluit vermelde meerwaarden, vastgesteld krachtens artikel 235, 1° of 2°, WIB 92, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid :
137.1. Meerwaarden verwezenlijkt door niet-inwoners vermeld in artikel 227, 1°, WIB 92, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het in nr. 136.1, vermelde tarief (zonder vermindering).
In afwijking van vorig lid worden meerwaarden verwezenlijkt op onroerende goederen die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 17,66 pct. (zonder vermindering).
137.2. Meerwaarden verwezenlijkt door niet-inwoners vermeld in artikel 227, 2°, WIB 92 zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 25 pct.
In afwijking van vorig lid worden meerwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed in een beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in een gereglementeerde vastgoedvennootschap voor zover ze genieten van de toepassing van het regime voorzien in artikel 185bis, WIB 92 aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 12,50 pct.
INKOMSTEN VAN SPORTBEOEFENAARS, SCHEIDSRECHTERS, OPLEIDERS, TRAINERS EN BEGELEIDERS 138. De inkomsten die sportbeoefenaars, scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders voor hun sportieve activiteiten, hun activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden of hun opleidende, omkaderende of ondersteunende activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars tijdens het belastbaar tijdperk verkrijgen, worden overeenkomstig de volgende regels aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen.
Rijksinwoners
139. Bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92 van sportbeoefenaars die op 1 januari 2026 de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, doch jonger zijn dan 23 jaar: zie afdeling 3, onderafdeling 1.
140. Bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92 van sportbeoefenaars die de leeftijd van 23 jaar op 1 januari 2026 hebben bereikt, en van scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders, op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de bezoldigingen die zij behalen uit het geheel van hun voornoemde activiteiten in de sector van de sport zoals bepaald in artikel 171, 1°, i, WIB 92: zie afdeling 3, onderafdeling 2.
141. Bezoldigingen van rijksinwoners die niet zijn bedoeld in nrs. 139 of 140 : deze bezoldigingen zijn onderworpen aan de bepalingen van deel 2 en deel 3, hoofdstukken 1 tot 6.
142. De eerste schijf van 61.750 euro premies als vermeld in artikel 90, eerste lid, 2°bis, WIB 92: de bedrijfsvoorheffing bedraagt 18 pct. van het brutobedrag van de premies.
Niet-inwoners
niet-inwoners sportbeoefenaars
143. Inkomsten die persoonlijk zijn verkregen door niet-inwoners die in België persoonlijk een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen gedurende niet meer dan 30 dagen, te berekenen per tijdperk van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van de inkomsten: zie hoofdstuk 3, met dien verstande dat het brutobedrag van de eerste schijf van premies als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 2°bis, WIB 92 niet wordt verminderd met een forfaitair bedrag voor kosten.
144. Niet-inwoners die in België persoonlijk een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen gedurende meer dan 30 dagen, te berekenen per tijdperk van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van de inkomsten:
144.1. bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, WIB 92 die persoonlijk zijn verkregen door sportbeoefenaars die op 1 januari 2026 de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 23 jaar: zie afdeling 3,
144.2. beroepsinkomsten die persoonlijk zijn verkregen door sportbeoefenaars die minstens 23 jaar oud zijn op 1 januari 2026, op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten, met uitzondering van de bezoldigingen van bedrijfsleiders, uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun activiteit als sportbeoefenaar zoals bepaald in artikel 171, 1°, i, WIB 92: zie afdeling 3, onderafdeling 2.
145. Inkomsten uit een in België persoonlijk verrichte activiteit als sportbeoefenaar, ongeacht de duur en toegekend aan een andere natuurlijke persoon of een rechtspersoon: zie hoofdstuk 3, met dien verstande dat het brutobedrag van de eerste schijf van premies als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 2°bis, WIB 92 niet wordt verminderd met een forfaitair bedrag voor kosten.
146. Inkomsten van sportbeoefenaars die niet zijn bedoeld in nrs. 142, 143 of 144 : zie, wat de bezoldigingen betreft en rekening houdend met de gelijkstelling vermeld in nr. 36.2 of niet als rijksinwoner, betreft, nr. 66.
niet-inwoners scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders
147. Beroepsinkomsten, met uitzondering van de bezoldigingen van bedrijfsleiders, van scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders, op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit het geheel van hun voornoemde activiteiten in de sector van de sport zoals bepaald in artikel 171, 1°, i, WIB 92: zie afdeling 3, onderafdeling 2.
148. Beroepsinkomsten van niet in nr. 147 bedoelde scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders: zie, wat de bezoldigingen betreft, en rekening houdend met de gelijkstelling vermeld in nr. 36.2 of niet als rijksinwoner, deel 2, deel 3, hoofdstukken 1 tot 5 en deel 6, hoofdstukken 1 tot 4, afdeling 3, en, wat de andere inkomsten betreft, nr. 66.
Vaststelling van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing
Bezoldigingen vermeld in nrs. 139 en 144.1
149. De bedrijfsvoorheffing wordt als volgt vastgesteld:
149.1. Het jaarlijks inkomen bedraagt maximum 25.320 euro
De basisbelasting is gelijk aan 16,66 pct. van dat bedrag (zonder vermindering).
Om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de basisbelasting gedeeld door 12.
149.2. Het jaarlijks inkomen bedraagt meer dan 25.320 euro
149.2.1. Bezoldigingen van rijksinwoners en ermede gelijkgestelde niet-inwoners zoals bedoeld in nr. 36.2 :
a) de basisbelasting op de eerste schijf van 25.320 euro is gelijk aan 4.218,31 euro ; b) op het verschil tussen het jaarlijks inkomen en 25.320 euro wordt de jaarlijkse basisbelasting berekend overeenkomstig deel 2 ; c) de totale jaarlijkse basisbelasting is gelijk aan de som van a en b ; d) op die basisbelasting mogen nog de volgende verminderingen worden toegepast : - voor kinderen ten laste vermeld in nr. 38; - voor andere gezinslasten naar gelang van het geval vermeld in nrs. 39 tot 41; e) om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de aldus verminderde basisbelasting gedeeld door 12.
Van de maandelijks verschuldigde verminderingen worden afgetrokken: - voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood vermeld in nr. 44; - voor bezoldigingen van werknemers met een laag inkomen die recht hebben op de werkbonus vermeld in nr. 46; - voor bezoldigingen van natuurlijke personen met een laag inkomen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector vermeld in nr. 47.
149.2.2. Bezoldigingen van de andere niet-inwoners : a) De basisbelasting op de eerste schijf van 25.320 euro is gelijk aan 4.218,31 euro; b) Op het verschil tussen het jaarlijks inkomen en 25.320 euro wordt de basisbelasting berekend overeenkomstig deel 6, hoofdstukken 1 en 2; c) De totale jaarlijkse basisbelasting is gelijk aan de som van a en b; d) Om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de jaarlijkse basisbelasting gedeeld door 12.
Bezoldigingen vermeld in nr. 140 en beroepsinkomsten vermeld in nrs. 144.2 en 147
150. De bedrijfsvoorheffing wordt als volgt vastgesteld:
150.1. Het jaarlijks inkomen bedraagt maximum 25.320 euro
De basisbelasting is gelijk aan 33,31 pct. van dat bedrag (zonder vermindering);
Om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de basisbelasting gedeeld door 12.
150.2. Het jaarlijks inkomen bedraagt meer dan 25.320 euro
150.2.1. Bezoldigingen van rijksinwoners en ermede gelijkgestelde niet-inwoners zoals bedoeld in nr. 36.2.
a) De basisbelasting op de eerste schijf van 25.320 euro is gelijk aan 8.434,09 euro; b) Op het verschil tussen het jaarlijks inkomen en 25.320 euro wordt de jaarlijkse basisbelasting berekend overeenkomstig deel 2; c) De totale jaarlijkse basisbelasting is gelijk aan de som van a en b; d) Op die jaarlijkse basisbelasting mogen nog de volgende verminderingen worden toegepast : - voor kinderen ten laste vermeld in nr. 38; - voor andere gezinslasten vermeld in nrs. 39 tot 41; e) Om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de aldus verminderde basisbelasting gedeeld door 12.
Van de maandelijks verschuldigde verminderingen worden afgetrokken: - voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood vermeld in nr. 44; - voor bezoldigingen van werknemers met een laag inkomen die recht hebben op de werkbonus vermeld in nr. 46; - voor bezoldigingen van natuurlijke personen met een laag inkomen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector vermeld in nr. 47.
150.2.2. Bezoldigingen van de andere niet-inwoners :
a) De basisbelasting op de eerste schijf van 25.320 euro is gelijk aan 8.434,09 euro; b) Op het verschil tussen het jaarlijks inkomen en 25.320 euro wordt de basisbelasting berekend overeenkomstig deel 6, hoofdstukken 1 en 2; c) De totale jaarlijkse basisbelasting is gelijk aan de som ba a en b; d) Om de maandelijks verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen wordt de jaarlijkse basisbelasting gedeeld door 12. 151. Presentiegelden betaald of toegekend aan personen voor wie die presentiegelden baten zijn als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, WIB 92 (leden van provincie- en gemeenteraden, van agglomeratieraden, van raden voor maatschappelijk welzijn, van beheerscomités van openbare instellingen of lichamen, enz.) zijn voor hun brutobedrag aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het in nr. 66 vermelde tarief.
DIVERSE INKOMSTEN
Winst of baten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis, WIB 92
152. De bedrijfsvoorheffing bedraagt 10,70 pct. van het brutobedrag, d.w.z. het bedrag dat door het erkend elektronisch platform of door tussenkomst van dat platform daadwerkelijk is betaald of toegekend, verhoogd met alle sommen die door het platform of door tussenkomst van het platform zijn ingehouden.
Prijzen, subsidies, renten of pensioenen vermeld in artikel 90, eerste lid, 2°, WIB 92
Grondslag en tarief
153. De bedrijfsvoorheffing bedraagt 18,17 pct. van het brutobedrag voor de prijzen, subsidies, renten of pensioenen die Belgische of buitenlandse openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerken in België betalen of toekennen aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, met uitzondering van de sommen die zijn betaald of toegekend als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn.
154. Evenwel bedraagt de bedrijfsvoorheffing 26,75 pct. van het brutobedrag voor de prijzen, subsidies, renten of pensioenen die Belgische openbare machten of openbare instellingen betalen of toekennen aan geleerden, schrijvers of kunstenaars die niet-inwoner zijn, met uitzondering van de sommen die betaald of toegekend zijn als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn.
Vrijstelling
155. Met betrekking tot de prijzen en de gedurende twee jaar betaalde of toegekende subsidies is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eerste schijf van 5.150 euro.
156. Bovendien zijn de prijzen en subsidies niet aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen, indien zij overeenkomstig artikel 53 van dit besluit zijn vrijgesteld.
Persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding als vermeld in artikelen 90, eerste lid, 12°, en 228, § 2, 9°, k, WIB 92
157. De bedrijfsvoorheffing bedraagt 33,31 pct. van het nettobedrag (dit is het bruto belastbaar bedrag verminderd met een forfaitaire kost van 10 pct.) van de persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding als vermeld in artikelen 90, eerste lid, 12°, en 228, § 2, 9°, k, WIB 92.
AANVULLENDE INHOUDINGEN
ALGEMEEN
158. Ten laatste vanaf de eerste betaling tijdens de tweede maand na de datum van de schriftelijke aanvraag die de verkrijger van de inkomsten daartoe tot de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing richt, MOET deze laatste, boven de inhoudingen volgens de berekeningsregels vermeld in deel 2 tot 7 aanvullende inhoudingen van bedrijfsvoorheffing doen. Deze aanvullende inhoudingen moeten bij elke betaling of toekenning van inkomsten gebeuren volgens een vast bedrag dat door de verkrijger zelf in zijn aanvraag wordt voorgesteld.
De verkrijger van de inkomsten is door zijn aanvraag gebonden tot hij ze herroept. De herroeping heeft slechts uitwerking vanaf de eerste betaling tijdens de derde maand die op de herroeping volgt.
159. Buiten de regeling van nr. 158 MOGEN de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing op de inkomsten die zij betalen of toekennen en op aanvraag van de verkrijgers daarvan, hogere bedragen inhouden dan die welke volgen uit de toepassing van de berekeningsregels vermeld in deel 2 tot 7.
BEDRIJFSVOORHEFFING VERMELD IN ARTIKEL 158 WIB 92
160. Om als bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 158 WIB 92 in aanmerking komen voor de berekening van de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan, moeten de in
a) gedaan worden op alle vaste en veranderlijke bezoldigingen die de werkgever in de loop van het jaar aan de verkrijgers betaalt of toekent;
b) binnen de gestelde termijn bij de ontvanger van de belastingen worden gestort;
c) bovendien, wanneer het aanvullende inhoudingen betreft als vermeld in nr. 158 :  ofwel een eenvormig gedeelte vertegenwoordigen van de bedrijfsvoorheffing berekend volgens deel 2 en
 ofwel het verschil vertegenwoordigen tussen het bedrag dat voor het hele jaar wordt berekend tegen een forfaitair percent en de bedrijfsvoorheffing berekend volgens deel 2 en deel 3. ANNEXE III A L'ARRETE ROYAL D'EXECUTION DU CODE DES IMPOTS SUR LES REVENUS 1992
Règles applicables et mode de calcul afin de déterminer le montant du précompte professionnel dû à la source sur les revenus payés ou attribués à partir du 1
(Arrêté royal d'exécution du CIR 92, article 88)
Modifié par AR 11.12.2025 (MB 29.12.2025)
DISPOSITIONS GÉNÉRALES
NOTIONS PRÉALABLES
1. Pour l'application du précompte professionnel, dans le présent chapitre.
Personnes mariées et conjoints – cohabitants légaux
2. Les cohabitants légaux sont assimilés aux personnes mariées et un cohabitant légal est assimilé à un conjoint.
Handicapés
3. Les personnes suivantes sont considérées comme des personnes handicapées :
3.1. Enfant handicapé
Par "enfant handicapé", il faut entendre :
a) l'enfant atteint à 66 p.c. au moins d'une insuffisance ou diminution de capacité physique ou psychique du chef d'une ou de plusieurs affections ;
b) l'enfant dont il est établi, indépendamment de son âge, qu'en raison de faits survenus et constatés avant l'âge de 65 ans :  soit son état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail ;  soit son état de santé provoque un manque total d'autonomie ou une réduction d'autonomie d'au moins 9 points, mesurés conformément aux guide et échelle médico-sociale applicables dans le cadre de la législation relative aux allocations aux handicapés ;  soit, après la période d'incapacité primaire prévue à l'article 87 de la loi coordonnée relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, sa capacité de gain est réduite à un tiers ou moins comme prévu à l'article 100 de la même loi coordonnée ;  soit, par une décision administrative ou judiciaire, qu'il est handicapé physiquement ou psychiquement ou en incapacité de travail de façon permanente pour au moins 66 p.c.
3.2. Autre personne handicapée
Par "autre personne handicapée", il faut entendre : a) celle dont il a été établi, avant le 1er janvier 1989, qu'elle est atteinte de 66 p.c. au moins d'une insuffisance ou diminution de capacité physique ou psychique du chef d'une ou de plusieurs affections ; b) celle dont il est établi, indépendamment de son âge, qu'en raison de faits survenus et constatés avant l'âge de 65 ans :  soit son état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail ;  soit son état de santé provoque un manque total d'autonomie ou une réduction d'autonomie d'au moins 9 points, mesurés conformément aux guide et échelle médico-sociale applicables dans le cadre de la législation relative aux allocations aux handicapés ;  soit, après la période d'incapacité primaire prévue à l'article 87 de la loi coordonnée relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, sa capacité de gain est réduite à un tiers ou moins comme prévu à l'article 100 de la même loi coordonnée ;  soit, par une décision administrative ou judiciaire, qu'elle est handicapée physiquement ou psychiquement ou en incapacité de travail de façon permanente pour au moins 66 p.c.
Situation de famille
4. Il faut entendre :
4.1. par conjoints : les personnes mariées qui ne se trouvent pas dans une des situations visées au n° 4.2 ;
4.2. par isolés :
a) les personnes non mariées ;
b) les personnes mariées :  pour l'année du mariage ou de la déclaration de cohabitation légale ;  pour l'année au cours de laquelle les cohabitants légaux contractent mariage, ils restent considérés comme conjoints, sauf si la déclaration de cohabitation légale a été faite la même année ;  à partir de l'année qui suit celle au cours de laquelle une séparation de fait est intervenue, pour autant que cette séparation soit effective durant toute la période imposable ;  pour l'année de la dissolution du mariage ou de la séparation de corps, ou de la cessation de la cohabitation légale ;  qui sont des habitants du Royaume, lorsque le conjoint recueille des revenus professionnels qui sont exonérés conventionnellement et qui n'interviennent pas pour le calcul de l'impôt afférent aux autres revenus du ménage, pour un montant supérieur à 13.790 euros par an ;  qui sont des non-résidents, lorsqu'un seul des conjoints recueille en Belgique des revenus soumis à l'impôt et que l'autre conjoint a des revenus professionnels de source belge qui sont exonérés conventionnellement ou des revenus professionnels de source étrangère, d'un montant supérieur à 13.790 euros par an.
5. La situation familiale à prendre en considération
5.1. Pour déterminer le montant de la réduction du précompte professionnel pour charges de famille, la situation de famille à envisager dans le chef du bénéficiaire des revenus est celle qui existe au 1 de l'année du paiement ou de l'attribution des revenus.
5.2. Le débiteur du précompte professionnel :
a) peut toutefois, en cas de modification de la situation de famille dans le courant de l'année, tenir compte de la nouvelle situation à partir du moment où le changement lui est signalé ;
b) doit cependant tenir compte de la situation de famille qui lui serait communiquée par l'Administration générale de la fiscalité et ce, à partir du premier paiement ou de la première attribution de revenus au cours du deuxième mois qui suit la communication.
Charges de famille
6. Attribution
Quand les deux conjoints bénéficient de revenus professionnels, de celle pour le conjoint handicapé, sont accordées à l'époux choisi par eux.
Ce choix doit être exprimé au moyen d'une attestation conforme au modèle arrêté par l'administration compétente du Service public fédéral Finances.
7. Le conjoint handicapé
La réduction pour le conjoint handicapé est accordée à la personne elle-même concernée.
8. Autres personnes handicapées
Pour le calcul du précompte professionnel, l'enfant handicapé à charge, ainsi que toute autre personne handicapée à charge, est comptée pour deux, à l'exception de la personne visée au n° 9.
9. Personne à charge étant en situation de dépendance
9.1. Est considérée comme étant en situation de dépendance la personne pour laquelle le degré d'autonomie est évalué à au moins 9 points conformément à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration.
9.2. La situation de dépendance est constatée par la Direction générale Personnes handicapées du SPF Sécurité sociale, Medex ou le médecin-conseil auprès de la mutualité, ou une institution ou personne similaire d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
10. Décès d’une personne à charge
Lorsqu'un enfant à charge ou une personne à charge visée à l'article 136, 2° à 4°, CIR 92 décède, la réduction pour cet enfant ou cette personne est consentie jusqu'à la fin de l'année du décès.
11. Exception ou réduction lorsque le conjoint du bénéficiaire des revenus recueille des revenus professionnels propres limités
11.1. Détermination du montant de: a) la limite des 174 euros nets pour l'application de l'exception mentionnée au n° 33 ; b) la limite des 290 euros nets pour l'attribution de la réduction mentionnée au 2. du tableau visé au n° 40 ; c) la limite des 579 euros nets pour l'attribution de la réduction mentionnée au 3. du tableau visé au n° 40.
11.2. Ces limites sont déterminées de la façon suivante : a) diminuer les revenus professionnels bruts des retenues ou des cotisations obligatoires effectuées en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire y assimilé ; b) diminuer ensuite la différence de 20 p.c. 12. Pour l'application de toute la présente annexe, en ce compris le n°11 ci-dessus, tous les montants sont, le cas échéant à chaque étape du calcul, arrondis au cent supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes atteint ou non 5.
Pourboires
13. En ce qui concerne les travailleurs dont la rémunération est totalement ou partiellement constituée par des pourboires, pour l'application de la section 5, il faut entendre par "revenus bruts" :
13.1. lorsque les pourboires sont calculés en fonction des recettes, que ces pourboires soient ou non compris dans le prix payé par la clientèle : le montant de la rémunération fixe majoré de la quote-part du travailleur dans les pourboires (le total de ces derniers devant être au moins égal au produit obtenu en multipliant les recettes ayant donné lieu à la perception de pourboires par le pourcentage habituellement pratiqué dans l'entreprise) ou, si celui-ci est plus élevé, le montant des rémunérations forfaitaires qui ont servi de base au calcul des cotisations dues par ces travailleurs et par leur employeur en exécution de la législation concernant la sécurité sociale ;
13.2. dans les autres cas : le montant des rémunérations forfaitaires qui ont servi de base au calcul des cotisations dues par ces travailleurs et par leur employeur en exécution de la législation concernant la sécurité sociale.
Avantages de toute nature
14. La valeur des avantages de toute nature est soumise au précompte professionnel en tenant compte de la distinction suivante :
14.1. les avantages sont octroyés ou censés l'être au bénéficiaire par l'employeur ou à son intervention : la valeur des avantages est : a) ajoutée au montant des rémunérations lorsque ces avantages sont octroyés ou censés l'être en même temps que le paiement ou l'attribution des rémunérations ; b) traitée comme des allocations exceptionnelles visées au n° 53, dans les autres cas ;
14.2. les avantages sont octroyés ou censés l'être au bénéficiaire, sans intervention de l'employeur, par une tierce personne : la valeur des avantages est soumise au précompte professionnel conformément aux règles et taux prévus au n° 66.
15. Pour la détermination du précompte professionnel, les avantages résultant de prêts consentis sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit sont calculés, pour l'année au cours de laquelle le prêt est accordé et aussi longtemps que le Roi n'a pas fixé le taux d'intérêt de référence à prendre en considération pour cette année, sur la base de la différence entre le taux d'intérêt de référence applicable pour la dernière année antérieure et le taux d'intérêt effectivement accordé.
16. Exonération des déplacements domicile - lieu de travail
16.1. L’employeur tient compte des exonérations prévues à l'article 38, § 1 déterminer le précompte professionnel dû.
16.1.1. Le travailleur utilise les transports publics en commun Pour autant que l'employeur puisse établir que les indemnités se rapportent au paiement ou au remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué en utilisant un ou plusieurs moyen(s) de transports publics en commun, le montant de l'indemnité peut être exonéré.
16.1.2. Le travailleur utilise un transport collectif organisé Pour autant que l'employeur puisse établir que l'indemnité se rapporte aux déplacements du domicile au lieu de travail effectués au moyen d'un transport collectif organisé, le montant de l'indemnité peut être exonéré dans la mesure où il n'excède pas le prix d'un abonnement première classe en train pour cette distance.
16.1.3. Dans les autres cas, un montant maximum de 41,70 euros par mois peut être exonéré.
16.2. Pour déterminer le précompte professionnel dû, l'employeur tient compte de l'exonération prévue à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, a), CIR 92, jusqu'à un montant maximum de 3.690 euros par an, et de l'exonération prévue à l'article 38, § 1er, alinéa 1er
Rémunérations des dirigeants d'entreprise
17. Les rémunérations périodiques sont les revenus imposables :
 qui sont payés ou attribués régulièrement et au moins une fois par mois ;  avant la fin de la période imposable au cours de laquelle les prestations y donnant lieu ont été fournies ;  et qui sont imputés par la société sur les résultats de cette période.
18. Les rémunérations non périodiques sont toutes les rémunérations qui ne respectent pas les conditions du n° 17.
Pensions
Sous-section 1re. Cumul de certaines pensions ou rentes (partie 5, chapitres 1
19. En cas de cumul de pensions ou rentes octroyées en exécution d'un statut légal ou réglementaire à charge d'un même débiteur de précompte professionnel, le précompte professionnel dû est établi par bénéficiaire sur le montant total des pensions ou rentes conformément aux chapitres 1 à 5 de la partie 5.
20. En cas de cumul de pensions ou rentes visées au n° 19, payées :  soit par le Service Fédéral des Pensions ;  soit par le Service Fédéral des Pensions et par une autre institution visée à l'article 68, § 1 mars 1994 portant des dispositions sociales, le pourcentage du précompte professionnel à retenir par bénéficiaire sur chaque pension ou rente est déterminé et communiqué par le Service Fédéral des Pensions, par analogie avec les dispositions des articles 68 à 68quinquies de la loi précitée.
21. En cas de cumul d'une ou de plusieurs pensions ou rentes octroyées en exécution d'un statut légal ou réglementaire, dont une au moins est payée par le Service Fédéral des Pensions, avec une ou plusieurs pensions ou rentes qui ne sont pas octroyées en vertu d'un tel statut, le n° 20 est également applicable pour déterminer le pourcentage du précompte professionnel à retenir par bénéficiaire sur chaque pension ou rente octroyée en vertu d'un statut légal ou réglementaire.
22. Détermination du pourcentage du précompte professionnel 22.1. Le pourcentage est calculé sur la base du montant du précompte professionnel obtenu en appliquant les chapitres 1 à 5 de la partie 5, à la différence entre : a) d'une part, le montant total brut des pensions légales et avantages complémentaires visé à l'article 68, § 1er, a et c, de la loi du 30 mars 1994 précitée, à l'exception des avantages versés sous forme de capital, montant tel que communiqué pour l'application des articles 68 à 68quinquies de la même loi ; b) d'autre part, les retenues sociales obligatoires visées au n° 25.1.
22.2. Ce pourcentage est arrondi au dixième supérieur ou inférieur d'un point selon que le chiffre des centièmes d'un point atteint ou non 5.
23. En cas de modification du pourcentage, le débiteur du précompte professionnel doit tenir compte de la nouvelle situation à partir du moment où le changement lui est signalé.
Sous-section 2. Les pensions, rentes et allocations en tenant lieu qui sont payées ou attribuées globalement aux deux conjoints (pensions de ménage)
24. Pour le calcul du précompte professionnel, les pensions, rentes et allocations en tenant lieu qui sont payées ou attribuées globalement aux deux conjoints sont considérées comme des revenus du conjoint dans l'activité professionnelle de laquelle elles trouvent leur origine pour la totalité ou la majeure partie.
Retenues sociales
25. Les retenues sociales sont déduites de la façon suivante :
25.1. Le précompte professionnel dû sur les revenus professionnels autres que les revenus visés au n° 25.2, est établi sur la base des revenus bruts effectivement payés ou attribués, diminués des retenues obligatoires effectuées en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire y assimilé.
25.2. Le précompte professionnel dû sur les rémunérations des dirigeants d'entreprise qui sont soumises au statut social des travailleurs indépendants est établi sur la base des revenus bruts effectivement payés ou attribués, diminués de la réduction sur base mensuelle reprise dans le tableau ci-après :
MONTANT BRUT DES RÉMUNÉRATIONS MENSUELLES jusqu'à 1.465 EUR 385 EUR de 1.465,01 EUR à 6.310 EUR 385 EUR + 21,5 p.c. de la tranche au-delà de 1.465 EUR de 6.310,01 EUR à 9.290 EUR 1.426,68 EUR + 14,50 p.c. de la tranche au-delà de 6.310 EUR supérieur à 9.290 EUR 1.858,78 EUR
26. Le montant mensuel obtenu après la déduction des retenues sociales visées à la section 5 est multiplié par 12 afin d'arriver au montant annuel brut de la base imposable.
27. Les frais professionnels forfaitaires peuvent être déduits du montant annuel brut de la base imposable mentionné au n° 26. Ces frais professionnels forfaitaires sont fixés comme suit :
Rémunérations des travailleurs (traitements et salaires) 28. Les frais professionnels forfaitaires applicables aux rémunérations des travailleurs sont déterminés de la façon suivante :
FRAIS PROFESSIONNELS FORFAITAIRES MONTANT ANNUEL BRUT DE LA BASE IMPOSABLE
jusqu'à 20.233,33 EUR 30 p.c.
supérieur à 20.233,33 EUR 6.070 EUR (maximum)
Rémunérations des dirigeants d'entreprise
29. Les frais professionnels forfaitaires applicables aux rémunérations périodiques des dirigeants d'entreprise sont déterminés de la façon suivante :
REVENU ANNUEL BRUT
jusqu'à 106.666,67 EUR 3 p.c.
supérieur à 106.666,67 EUR 3.200 EUR (maximum)
Montant annuel net de la base imposable
30. La différence obtenue après l’application des sections 1 et 2 représente le montant annuel net de la base imposable.
L’IMPOT DE BASE ANNUEL
LE BAREME DE BASE
31. L'impôt est calculé à l'aide du barème de base repris ci-dessous.
MONTANT ANNUEL NET DE LA BASE IMPOSABLE
de 0,01 EUR à 16.710 EUR 26,75 p.c.
4.469,93 EUR + 42,80 p.c. de la tranche au-delà de 16.710 de 16.710,01 EUR à 29.500 EUR EUR
9.944,05 EUR + 48,15 p.c. de la tranche au-delà de 29.500 de 29.500,01 EUR à 51.050 EUR EUR
20.320,38 EUR + 53,50 p.c. de la tranche au-delà de 51.050 supérieur à 51.050 EUR EUR Le bénéficiaire des revenus est un isolé ou le conjoint du bénéficiaire des revenus a également des revenus professionnels
32. A l’exception de la dérogation visée au n° 33, l'impôt obtenu suite à l'application du chapitre ter est diminué de 2.987,98 euros (c.-à-d. l'impôt sur la quotité du revenu exemptée d'impôt, qui s'élève à 11.170 euros). La différence est égale à l'impôt de base. 33. Lorsque le conjoint du bénéficiaire des revenus recueille des revenus professionnels propres qui sont exclusivement constitués de pensions, rentes ou revenus y assimilés et qui ne dépassent pas 174 euros NETS par mois, l'impôt de base est calculé, par dérogation au n° 32, comme si ce conjoint ne disposait pas de revenus professionnels propres, conformément à la section 2.
Le conjoint du bénéficiaire des revenus n'a pas de revenus professionnels propres
34. Lorsque le conjoint du bénéficiaire des revenus ne dispose pas lui-même de revenus professionnels propres et dans la situation visée au n° 33, l'impôt est calculé de la façon suivante :
34.1. Quotient conjugal
34.1.1. Au conjoint du bénéficiaire des revenus, un revenu professionnel égal à 30 p.c. du revenu annuel net de la base imposable est imputé.
Le revenu imputé ne peut toutefois pas dépasser le montant de 13.790 euros (ce montant maximum est atteint avec un revenu annuel net de la base imposable de 45.966,67 euros).
34.1.2. Puis, à l'aide du barème de base repris au chapitre 1 conjoint.
34.1.3. Ensuite, à l'aide du barème de base repris au chapitre 1 a) le revenu annuel net de la base imposable, et b) le revenu qui a été imputé à l'autre conjoint
34.2. Impôt de base
L’impôt de base est égal à la somme des résultats obtenus conformément aux nos 34.1.2 et 34.1.3, diminuée 5.975,96 euros (étant deux fois l'impôt sur la quotité du revenu exemptée d'impôt s'élevant à 11.170 euros).
RÉMUNÉRATIONS DES TRAVAILLEURS ET REVENUS Y ASSIMILÉS, à l’exception des revenus de remplacement
CHAMP D’APPLICATION
35. Ce chapitre s’applique aux rémunérations, à l’exception des rémunérations visées au chapitre 6 de la partie 7, payées ou attribuées :
35.1. aux travailleurs, et ;
35.2. aux dirigeants d’entreprise.
36. Le précompte professionnel est calculé conformément aux règles suivants pour autant que ces travailleurs et dirigeants d’entreprise aient la qualité : 36.1. d’habitants du Royaume ;
36.2. de non-résidents qui ont bénéficié de rémunérations :  imposables en Belgique;  en exécution d’un ou de plusieurs contrats de travail couvrant l’année civile complète;  et pour autant que les prestations de travail atteignent contrat.
37. Les réductions suivantes sont ensuite déduites de l’impôt de base annuel déterminé conformément à la partie 2.
Réduction pour enfants à charge
38. La réduction pour enfants à charge s’élève à (en tenant compte du n° 8):
NOMBRE D'ENFANTS À CHARGE 1
2
3
4
5
6
7
8 plus de 8 : l'impôt de base est réduit d'un montant fixe de 21.996 EUR, majoré de 3.864 EUR par enfant à charge au-delà du huitième, c-à-d :
a) pour 9 enfants : 21.996 + (1 x 3.864) = 25.860 EUR b) pour 10 enfants: 21.996 + (2 x 3.864) = 29.724 EUR etc.
Réductions pour autres charges de famille
39. Lorsque l’impôt de base est déterminé conformément :  la partie 2, chapitre 2, section 1re (personne isolée ou le conjoint du bénéficiaire des revenus a également des revenus professionnels) ou  la partie 2, chapitre 2, section 2 (le conjoint du bénéficiaire des revenus n'a pas de revenus professionnels propres),
les réductions suivantes peuvent ensuite être déduites (en tenant compte des numéros 8 et 9) :
MOTIF DE LA RÉDUCTION 1. le bénéficiaire des revenus est lui-même handicapé :
2. le bénéficiaire des revenus a à sa charge des personnes visées à l'article 136, 2° et 3°, CIR 92 qui sont dans une situation de dépendance et qui ont atteint l'âge de 66 ans, par personne : 3. le bénéficiaire des revenus a à sa charge des personnes visées à l'article 136, 2° à 4°, CIR 92 autres que celles visées aux points 2 ci-avant, par personne: (1) toutes les réductions peuvent être cumulées.
40. Lorsque l’impôt de base est déterminé conformément à la partie 2, chapitre 2, section 1 conjoint du bénéficiaire des revenus a également des revenus professionnels) les réductions suivantes peuvent ensuite être déduites (en tenant compte du n° 11):
MOTIF DE LA RÉDUCTION
1. le bénéficiaire des revenus est un veuf (une veuve) non remarié(e), un père (une mère) célibataire, ou un parent divorcé ou séparé de fait, avec un ou plusieurs enfants à charge : 2. le conjoint du bénéficiaire des revenus a des revenus professionnels propres, autres que des pensions, rentes ou revenus y assimilés, qui ne dépassent pas 290 EUR NETS par mois: 3. le conjoint du bénéficiaire des revenus a des revenus professionnels propres qui sont exclusivement constitués de pensions, rentes ou revenus y assimilés, qui ne dépassent pas 579 EUR NETS par mois : (1) toutes les réductions peuvent être cumulées.
41. Après l’application du n° 39 et lorsque l'impôt de base est déterminé conformément à la partie 2, chapitre 2,
peut ensuite être déduite :
MOTIF DE LA RÉDUCTION
le conjoint du bénéficiaire des revenus est handicapé :
42. Pour déterminer le montant du précompte professionnel dû sur les rémunérations payées mensuellement, le montant de l'impôt de base diminué conformément au chapitre 2 est divisé par 12.
43. Le montant du précompte professionnel dû mensuellement et déterminé conformément au chapitre 3, peut le cas échéant encore être diminué par les réductions suivantes : Réduction pour assurance de groupe et pour assurance extra-légale contre la vieillesse et le décès prématuré
44. Le précompte professionnel dû sur les rémunérations des travailleurs est diminué à concurrence de 30 p.c. :
 des retenues obligatoires effectuées en exécution d'un contrat d'assurance de groupe ;  des retenues obligatoires effectuées en exécution d'un règlement de prévoyance extra-légal d'assurance contre la vieillesse et le décès prématuré ;  des retenues qui ont trait à la continuation à titre individuel d'un engagement de pension visée à l’article 1453, alinéa 3, CIR 92 ;  des retenues qui ont trait à une pension libre complémentaire pour les travailleurs salariés visée à l’article 1453, alinéa 4, CIR 92 .
Réduction pour rémunérations suite à la prestation de travail supplémentaire donnant droit à un sursalaire
45. Champ d’application
45.1. Il est accordé une réduction aux travailleurs qui ont presté, pendant la période imposable, un travail supplémentaire qui donne droit à un sursalaire en vertu de l'article 29 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 ou de l'article 7 de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction et qui :

1° soit sont soumis à la loi sur le travail du 16 mars 1971 et occupés par un employeur soumis à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires ; 2° soit sont occupés, sous statut ou avec un contrat de travail, par une des entreprises publiques autonomes suivantes : la société anonyme de droit public Proximus, la société anonyme de droit public bpost, la société anonyme de droit public SNCB et la société anonyme de droit public Infrabel ; 3° soit sont occupés, sous statut ou avec un contrat de travail, par la société anonyme de droit public HR Rail.
45.2. Base de perception
Cette réduction s'applique seulement sur la base de calcul du sursalaire relatif aux 130 premières heures par an de travail supplémentaire que le travailleur a prestées.
Le maximum de 130 heures de travail supplémentaire déterminé à l'alinéa 1er est porté à 180 heures pour les travailleurs employés par des employeurs qui exécutent des travaux immobiliers à condition que ces derniers utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Le maximum de 130 heures de travail supplémentaire déterminé à l'alinéa 1er est porté à 360 heures pour les travailleurs employés par des employeurs qui ressortent de la commission paritaire de l'industrie hôtelière ou de la commission paritaire du travail intérimaire si l'utilisateur ressort de la commission paritaire de l'industrie hôtelière.
Le maximum de 130 heures de travail supplémentaire déterminé à l'alinéa 1er est porté à 280 heures pour les travailleurs occupés par des employeurs qui effectuent principalement des travaux routiers, à l'exclusion des travaux de pose de canalisations souterraines et de câbles, ou des travaux ferroviaires et pour lesquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit, à condition que ces employeurs utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à condition que et dans la mesure où ces travailleurs aient effectivement effectué des travaux routiers ou ferroviaires pour lesquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit pendant les heures supplémentaires prestées pour ces employeurs.
45.3. Exception
La réduction d’impôt n'est pas applicable au travail supplémentaire qui entre en considération pour l'application de l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 30°, CIR 92.
45.4. Montant de la réduction
La réduction est calculée sur le "montant brut social" des rémunérations (donc avant déduction des retenues obligatoires effectuées en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire y assimilé), qui a servi de base de calcul pour établir le sursalaire et est égale à : - pour une heure prestée à laquelle s’applique un sursalaire légal de 50 ou 100 p.c. : 57,75 p.c. ; - pour une heure prestée à laquelle s’applique un sursalaire légal de 20 p.c. : 66,81 p.c.
Bonus à l'emploi
46. Réduction du précompte professionnel sur les rémunérations des travailleurs et des dirigeants d'entreprise à bas revenus qui ont droit au bonus à l'emploi
46.1. Il est accordé une réduction aux travailleurs et des dirigeants d'entreprise qui ont droit au bonus à l'emploi en vertu de l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale.
46.2. La réduction est égale à :
46.2.1. 33,14 p.c. du montant du volet A du bonus à l'emploi réellement accordé en application de l'article 2, § 1/1, de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale ; 46.2.2. 52,54 p.c. du montant du volet B du bonus à l'emploi réellement accordé en application de l'article 2, § 1/2, de la loi du 20 décembre 1999 précitée.
Prestations de travail à bas revenus dans le secteur public
47. Réduction du précompte professionnel sur les rémunérations des travailleurs à bas revenus, autres que les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail dans le secteur public
47.1. Il est accordé une réduction aux personnes qui sont comme statutaires, stagiaires ou temporaires au service de l'Etat, des Communautés, des Régions, provinces, établissements subordonnés aux provinces, communes et établissements subordonnés aux communes, qui ne sont pas engagés en vertu d'un contrat de travail, et qui obtiennent au moins une rémunération imposable de 742,26 euros et 2.722,91 euros maximum.
47.2. La réduction est égale à 7,50 euros. Sous-section 1re. Paiements par quinzaine
48. Pour les rémunérations payées par quinzaine, le précompte professionnel est fixé à la moitié du précompte qui est dû, suivant les règles applicables aux rémunérations payées par mois et prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4, sur le montant qui correspond à deux fois la rémunération par quinzaine.
Sous-section 2. Paiements par semaine
49. Pour les rémunérations payées par semaine, le précompte professionnel est fixé au quart du précompte qui est dû, suivant les règles applicables aux rémunérations payées par mois et prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4, sur le montant qui correspond à quatre fois la rémunération par semaine.
Sous-section 3. Paiements par journée de travail
50. Pour les rémunérations payées par journée de travail, le précompte professionnel est fixé au vingtième du précompte qui est dû, suivant les règles applicables aux rémunérations payées par mois et prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4, sur le montant qui correspond à vingt fois la rémunération par journée de travail.
Sous-section 1re. Paiements périodiques effectués autrement que par mois
51. Pour les rémunérations périodiques (voir n° 17) payées autrement que par mois, le précompte professionnel s'élève au vingtième du produit obtenu en multipliant le montant du précompte professionnel dû, suivant les règles reprises aux parties 2 et 3, chapitres 2, 3 et 4, sections 1 correspondante par le nombre de journées de travail de la période à laquelle se rapporte la rémunération.
Sous-section 2. Rémunérations non périodiques
52. Le précompte professionnel dû sur les rémunérations non périodiques (voir n° 18) est égal à douze fois la différence entre :
 d'une part, le précompte qui, suivant les règles prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2, 3 et 4, section 1 3, est dû sur un revenu égal aux rémunérations périodiques du mois au cours duquel la rémunération non périodique est payée ou attribuée, augmenté d'un douzième de la rémunération non périodique ;  d'autre part, le précompte qui, suivant les mêmes règles, est dû sur les rémunérations périodiques du mois au cours duquel la rémunération non périodique est payée ou attribuée.
Allocations exceptionnelles
Sous-section 1re. Taux
53. En ce qui concerne les indemnités et allocations exceptionnelles autres que les indemnités de dédit, payées par un employeur à des membres de son personnel en dehors des rémunérations normales (commissions occasionnelles sur un ensemble d'opérations, gratifications spéciales et exceptionnelles, pécules de vacances, etc.), le précompte professionnel est fixé suivant les taux prévus dans le tableau ci-dessous, eu égard au montant annuel des rémunérations brutes normales du bénéficiaire des revenus.
MONTANT ANNUEL DES RÉMUNÉRATIONS BRUTES NORMALES jusqu'à 10.675 EUR de 10.675,01 EUR à 13.660 EUR de 13.660,01 EUR à 17.375 EUR de 17.375,01 EUR à 20.840 EUR de 20.840,01 EUR à 23.580 EUR de 23.580,01 EUR à 26.340 EUR de 26.340,01 EUR à 31.830 EUR de 31.830,01 EUR à 34.640 EUR de 34.640,01 EUR à 45.860 EUR de 45.860,01 EUR à 59.900 EUR supérieur à 59.900 EUR
Sous-section 2. Exonération pour enfants à charge
54. Toutefois, lorsque le montant annuel de la rémunération brute normale n'excède pas le montant limite qui, suivant le nombre d'enfants à charge (en tenant compte du n° 8), est mentionné dans le tableau repris ci- dessous, l'indemnité exceptionnelle est exonérée à concurrence de la différence entre le montant limite précité et le montant annuel de la rémunération brute normale.
NOMBRE D'ENFANTS À CHARGE 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Sous-section 3. Réduction pour enfants à charge
55. Lorsque le bénéficiaire d'une allocation exceptionnelle n'a pas plus de cinq enfants à charge et que le montant annuel de sa rémunération brute normale n'excède pas le montant qui -suivant le nombre d'enfants à charge- est mentionné dans la colonne 3 du tableau repris ci-dessous, une réduction est attribuée sur le précompte professionnel qui est dû conformément aux sous-sections 1 et 2 sur l'allocation exceptionnelle ; cette réduction est calculée, suivant le nombre d'enfants à charge (en tenant compte du n° 8), à l'aide du pourcentage mentionné dans la colonne 2 du tableau repris ci-dessous.
NOMBRE D'ENFANTS POURCENTAGE DE À CHARGE LA RÉDUCTION 1 2 1 7,5 2 20 3 35 4 55 5 75
Sous-section 4. Dérogation
56. Par dérogation aux sous-sections 1 à 3, le précompte professionnel est fixé uniformément à 16,15 p.c. (sans exonération) en ce qui concerne les primes de fin d'année qui sont payées en une fois et sont rattachées à des prestations rémunérées à la pièce ou à la tâche.
57. Par dérogation aux sous-sections 1 à 3, le précompte professionnel n'est pas dû lorsque le douzième du total du montant annuel des rémunérations brutes normales et des indemnités et allocations exceptionnelles ne donnent pas lieu au précompte professionnel suivant les règles prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4, applicables aux rémunérations payées par mois.
Arriérés
Sous-section 1re. Taux
58. En ce qui concerne les arriérés de rémunérations de travailleurs (entre autres les rémunérations dont le paiement ou l'attribution n'a eu lieu, par le fait de l'autorité publique ou de l'existence d'un litige, qu'après l'expiration de la période imposable à laquelle elles se rapportent effectivement), le précompte professionnel est fixé suivant les taux prévus dans le tableau ci-dessous, eu égard à la rémunération de référence, c.-à-d. le montant annuel de la rémunération brute normale allouée au bénéficiaire des revenus immédiatement avant l'année à laquelle les arriérés se rapportent.
59. Par dérogation à ce qui précède, la rémunération de référence est égale à la rémunération brute normale de la dernière année d'activité normale précédant celle du paiement des arriérés, pour autant que le bénéficiaire en apporte la preuve.
RÉMUNÉRATION DE RÉFÉRENCE
jusqu'à 11.860 EUR de 11.860,01 EUR à 14.235 EUR de 14.235,01 EUR à 15.810 EUR de 15.810,01 EUR à 18.980 EUR de 18.980,01 EUR à 20.565 EUR de 20.565,01 EUR à 22.935 EUR de 22.935,01 EUR à 26.885 EUR de 26.885,01 EUR à 34.790 EUR de 34.790,01 EUR à 42.695 EUR de 42.695,01 EUR à 55.355 EUR de 55.355,01 EUR à 62.465 EUR de 62.465,01 EUR à 71.160 EUR RÉMUNÉRATION DE RÉFÉRENCE
de 71.160,01 EUR à 83.020 EUR de 83.020,01 EUR à 99.630 EUR de 99.630,01 EUR à 124.925 EUR de 124.925,01 EUR à 143.905 EUR de 143.905,01 EUR à 169.205 EUR supérieure à 169.205 EUR
Sous-section 2. Exonération pour enfants à charge
60. Toutefois, lorsque la rémunération de référence n'excède pas le montant limite qui, suivant le nombre d'enfants à charge (en tenant compte du no 8), est mentionné dans le tableau visé au n°54, les arriérés de rémunérations sont exonérés à concurrence de la différence entre le montant limite précité et la rémunération de référence.
Sous-section 3. Dérogation
61. Par dérogation aux sous-sections 1 et 2, aucun précompte professionnel n'est dû lorsque le douzième du montant de la rémunération de référence ne donne pas lieu au précompte professionnel suivant les règles prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4 applicables aux rémunérations payées par mois.
Indemnités de dédit.
62. Le précompte professionnel est déterminé suivant les règles prévues aux nos 58 à 60, étant entendu que la rémunération de référence à prendre en considération pour déterminer le taux du précompte professionnel est celle qui a servi de base à la fixation de l'indemnité ou, à défaut de telle référence, la rémunération qui a été perçue par le bénéficiaire pendant sa dernière période d'activité normale au service de l'employeur qui paie l'indemnité.
63. Par dérogation à ce qui précède, la rémunération de référence est égale à la rémunération brute normale de la dernière année d'activité normale précédant celle du paiement des indemnités de dédit, pour autant que le bénéficiaire en apporte la preuve.
Indemnités de reclassement
64. Le précompte professionnel sur les indemnités de reclassement visées au Titre IV, Chapitre 5, sections 2 et 3, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte entre les générations, est établi selon les règles aux nos 58 à 60, étant entendu que pour la détermination du taux du précompte professionnel, la rémunération de référence à prendre en considération est celle qui a servi de base à la détermination de l'indemnité ou, à défaut, la rémunération que le bénéficiaire a reçue pendant la dernière période d'activité normale au service de l'employeur qui paye l'indemnité.
65. Par dérogation à ce qui précède, la rémunération de référence est égale aux rémunérations brutes normales de la dernière année d'activité normale qui précède l'année de paiement des indemnités de reclassement, pour autant que le bénéficiaire en apporte la preuve.
Indemnités et allocations payées occasionnellement ou périodiquement et en ordre subsidiaire
66. Les indemnités et allocations non visées aux sections 1 à 4, payées par un débiteur du précompte professionnel à des personnes qui ne sont rétribuées qu'occasionnellement ou périodiquement et en ordre subsidiaire par lui- même ou à son intervention (commissions occasionnelles, rétributions, jetons de présence, etc.) sont soumises au précompte professionnel suivant les taux prévus ci-après (sans réduction) :
P MONTANT DES INDEMNITÉS ET ALLOCATIONS
jusqu'à 500,00 EUR de 500,01 EUR à 650,00 EUR supérieur à 650,00 EUR
Créances ayant le caractère de rémunérations visées à l'article 270, alinéa 1
67. En ce qui concerne les créances ayant le caractère de rémunérations au sens de l'article 30, 1° et 2°, CIR 92 honorées par des curateurs de faillites, liquidateurs de concordats judiciaires, liquidateurs de sociétés ou des personnes qui exercent des fonctions analogues, le précompte professionnel est fixé uniformément (sans réduction) à 26,75 p.c.
Rémunérations pour travail à la pièce
68. Le précompte professionnel dû sur les rémunérations allouées aux ouvriers travaillant à la pièce et dont les prestations irrégulières et non contrôlées par l'employeur ne sont pas exprimées en journées, semaines, quinzaines ou mois de travail, est déterminé d'après les règles prévues aux parties 2 et 3, chapitres 2 à 4, compte tenu de la période à laquelle les rémunérations se rapportent. Dans ce cas, le précompte professionnel ne peut cependant jamais être inférieur à 11,11 p.c. des rémunérations.
Pécules de vacances payés par les caisses de vacances
69. Les pécules de vacances payés ou attribués par les caisses de vacances annuelles sans intervention de l'employeur sont soumis au précompte professionnel suivant les taux ci-après (sans réduction):
POURCENTAGE DE PRÉCOMPTE PROFESSIONNEL DÛ MONTANT DU PÉCULE DE VACANCES SUR LE MONTANT TOTAL DU PÉCULE DE VACANCES jusqu'à 1.740 EUR supérieur à 1.740 EUR
Primes de fin d'année et de fidélité pavées et octroyées par les fonds de sécurité d'existence
70. Les primes de fin d’année et de fidélité payées ou octroyées par les Fonds de sécurité d’existence sont soumises au précompte professionnel au taux de 23,22 p.c. (sans réduction).
Etudiants
71. Par dérogation aux règles précédentes, aucun précompte professionnel n'est dû sur les rémunérations payées ou attribuées aux étudiants engagés dans le cadre d'un contrat d'occupation d'étudiants, visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, pour 650 heures déclarées d'occupation d'étudiants par année civile et qui, conformément à l'article 17bis, §1er, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ne sont pas soumises aux cotisations de sécurité sociale.
Jeunes travailleurs
72. Par dérogation aux règles précédentes, aucun précompte professionnel n'est dû sur les rémunérations payées ou attribuées durant les mois d'octobre, novembre ou décembre aux jeunes travailleurs qui satisfont aux conditions visées à l'article 36, § 1er, alinéa 1, 1° à 3°, de l'arrêté royal 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage engagés dans le cadre d'un contrat de travail entamé au cours des mois d'octobre, novembre ou décembre précités et à la condition que le montant brut mensuel de ces rémunérations n'excède pas 5.000 euros.
Travailleurs occasionnels dans le secteur horeca
73. Par dérogation aux règles précédentes, le précompte professionnel est fixé uniformément (sans réduction) à 33,31 p.c. sur les rémunérations pour des prestations faites durant au maximum 50 jours par année civile et qui sont payées ou attribuées aux travailleurs occasionnels occupés chez un employeur ressortissant de la commission paritaire de l'industrie hôtelière ou ressortissant de la commission paritaire pour le travail intérimaire si l'utilisateur relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière est, pour l'application de cet article, considéré comme un travailleur occasionnel pour autant que l'employeur et le travailleur concluent un contrat de travail pour une durée déterminée ou un contrat de travail pour un travail nettement défini pour un maximum de 2 jours consécutifs et pour lesquelles les cotisations sociales sont calculées sur un forfait horaire ou journalier tel que visé à l'article 31ter, alinéa 2, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Artistes et musiciens
74. Le précompte professionnel est fixé uniformément à 11,11 p.c. (sans réduction) en ce qui concerne les rémunérations payées aux artistes et aux musiciens par des entreprises de spectacles ou de divertissements, lorsque les intéressés n'appartiennent pas en titre au personnel de ces entreprises et qu'ils ne peuvent pas être considérés comme étant rémunérés par elles en ordre subsidiaire.
Personnes qui appartiennent à d’autres catégories
Sous-section 1re. Contribuables visés
75. Certaines catégories de contribuables qui, eu égard aux conditions dans lesquelles ils exercent leur activité professionnelle, sont à considérer comme rémunérés selon des modalités spéciales.
76. Il s’agit des revenus suivants payés ou attribués aux contribuables concernés:
76.1. les rétributions payées aux joueurs de football qui ne perçoivent pas de rémunération fixes et qui ne sont pas visées au chapitre 6 de la partie 7 ;
76.2. les allocations exceptionnelles qui ne sont pas visées au chapitre 6 de la partie 7 et qui sont payées à certaines occasions spéciales (match important de coupe, primes de victoire ou de classement, etc.) aux entraineurs, soigneurs, joueurs et joueuses de basket-ball, qui bénéficient des rémunérations périodiques, ainsi que les sommes et avantages imposables de toute nature octroyés à ceux qui ne bénéficient pas de telles rémunérations ;
76.3. les commissions d’assurances allouées aux personnes liées par un contrat de travail d'employé à une entreprise d'assurances, à un courtier ou à un agent d'assurances et qui traitent, en dehors de leurs prestations normales, des affaires d'assurances pour le compte de leur employeur en vertu d'une obligation découlant de ce contrat ;
76.4. les rétributions payés ou attribués aux travailleurs intérimaires salariés.
76.5. les allocations pour des prestations en tant que travailleur occasionnel dans l'horticulture ou l'agriculture telles que visées à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, payées ou octroyées par l'employeur. Sous-section 2. Base de perception et taux
77. Le précompte professionnel est fixé uniformément à 11,11 p.c. (sans réduction) des revenus mentionnés au n° 76.
REVENUS DE REMPLACEMENT
RÉPARATION DE PERTES TEMPORAIRES DE RÉMUNÉRATIONS, DE BÉNÉFICES OU DE PROFITS, à l'exception des allocations de chômage
78. Les indemnités légales ou extra-légales payées ou attribuées en réparation d'une perte temporaire de rémunérations, de bénéfices ou de profits résultant par exemple d'un accident, d'une maladie, d'une invalidité ou d'autres événements analogues, sont soumises au précompte professionnel en tenant compte de la distinction suivante :
78.1. lorsque les indemnités sont payées ou attribuées au bénéficiaire par l'employeur, par la société ou à leur intervention :
78.1.1. suivant les règles prévues au n° 53, eu égard à la rémunération de référence, c.-à-d., la rémunération annuelle normale qui a servi de base au calcul de l'indemnisation;
78.1.2. à défaut de la rémunération de référence, le précompte professionnel s'élève à 32,10 p.c. (sans réduction) ;
78.2. lorsque ces indemnités sont payées au bénéficiaire, sans intervention de l'employeur, par un organisme d'assurance ou par une autre institution ou par un autre intermédiaire : au taux de 11,11 p.c. ou 22,20 p.c. (sans réduction) suivant qu'il s'agit d'indemnités légales ou d'indemnités extra-légales.
78.3. Dérogations relatives aux indemnités de maladie et d’invalidité.
78.3.1. Par dérogation au n° 78.2 les indemnités légales d'assurance en cas de maladie ou d'invalidité payées ou attribuées pendant les six premiers mois de la période d'incapacité de travail primaire définie à l'article 87, alinéa 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 et qui font suite à une période de chômage complet ou partiel visée au n° 79.1, sont soumises au précompte professionnel au taux de 10,09 p.c. (sans réduction). Cette dérogation n'est pas applicable au complément visé à l'article 96 de la loi précitée.
78.3.2. Par dérogation aux n°s 78.2 et 78.3.1., le précompte professionnel n'est pas dû sur :

1° les indemnités légales d'assurance en cas de maladie ou d'invalidité payées ou attribuées aux chômeurs complets mentionnés au n° 79.2.1, pendant les six premiers mois de la période d'incapacité de travail primaire visée au n° 78.3.1;

2° les indemnités légales d'assurance en cas d'invalidité visées au titre IV, chapitre III, section II de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 et aux articles 10 et 12bis de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, et ce jusqu'au 31 décembre 2026 ;

3° le complément tel que visé à l'article 96 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 lorsqu'il porte sur une partie d'un mois qui commence après la période d'incapacité primaire, et cela jusqu'au 31 décembre 2026 ; 4° la prime et l'allocation forfaitaire visées à l'article 215sexies de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
78.3.3. Le précompte professionnel calculé conformément n°s 78.2 et 78.3.1. ne peut pas avoir pour effet que :

1° Le montant des indemnités d'assurance en cas de maladie ou d'invalidité visées au titre IV,
indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, soit inférieur à l'indemnité d'invalidité minimum visée à l'article 93bis de la loi coordonnée précitée, sauf lorsque cette indemnité est cumulée avec des revenus visés à l'article 104 de la même loi ou lorsque des prestations sont diminuées en vertu de l'article 136, § 2, de la même loi.
Pour l'application de l'alinéa 1er ; pendant les six premiers mois de l'incapacité de travail primaire, on tient cependant compte uniquement du montant de l'indemnité d'invalidité minimum pour un titulaire avec charge de famille, visé à l'article 93bis de la loi coordonnée précitée.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux indemnités complémentaires payées ou attribuées en exécution de la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire. Il est également fait abstraction de ces indemnités complémentaires pour l'application des alinéas 1er et 2.

2° Le montant des indemnités d'assurance en cas de maladie ou d'invalidité visées aux articles 9 et 10 de l'arrêté royal du 20 juillet 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants qui est finalement dû, soit inférieur à l'indemnité d'invalidité minimum visée à l'article 93bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, sauf lorsque cette indemnité est diminuée en vertu de l'article 28 ou 29, §1 et 7°, de l'arrêté royal précité.
78.3.4. Par dérogation au n° 78.1 :

1° les indemnités payées ou attribuées en vertu de l'article 57 du chapitre IX de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat aux agents en disponibilité pour maladie, sont soumises au précompte professionnel au taux de 11,11 p.c. (sans réduction) ; 2° les indemnités payées ou attribuées en vertu de l'article 58 du chapitre IX de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat aux agents en disponibilité pour maladie, sont soumises au précompte professionnel conformément aux règles de la partie 3, à l'exception du n° 47 ; 3° le précompte professionnel n'est pas dû sur les indemnités en cas de maladie ou d'invalidité payées ou attribuées aux jeunes travailleurs visés au n° 72, à la condition que les rémunérations qu'elles remplacent remplissent les conditions pour être exonérées de précompte professionnel en vertu de ce n° 72 ; 4° les indemnités en cas de maladie ou d'invalidité payées ou attribuées aux travailleurs visés au n°76, sont soumises au précompte professionnel au taux de 11,11 p.c. (sans réduction). 5° les indemnités suite à un accident du travail, un accident survenu sur le chemin du travail ou une maladie professionnelle, payées ou attribuées par un employeur qui est assujetti à la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, ou à son intervention, à un bénéficiaire auquel s'applique la loi précitée, sont soumises au précompte professionnel suivant les règles prévues aux nos 35 à 50, à l'exception du n° 47, en tenant compte, le cas échéant, du montant total des rémunérations normales et des indemnités dont il s'agit.
78.4. Dérogations relatives aux allocations légales d’interruption
Par dérogation au n° 78.2 les allocations légales d'interruption sont soumises au précompte professionnel en tenant compte de la distinction suivante :
78.4.1. Les allocations légales d'interruption payées ou attribuées aux travailleurs qui interrompent leur carrière professionnelle à temps plein sont soumises au précompte professionnel au taux de 10,13 p.c. (sans réduction) ;
78.4.2. Les allocations légales d'interruption payées ou attribuées aux travailleurs qui interrompent leur carrière professionnelle à temps partiel sont soumises au précompte professionnel au taux de 17,15 p.c. (sans réduction). Ce taux de 17,15 p.c. est porté :

1° à 35 p.c. dans le cas : a) d'une diminution de carrière d'1/5 12 décembre 2001 pris en exécution du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie concernant le système du crédit-temps, la diminution de carrière et la réduction des prestations de travail à mi-temps, qui prend cours à partir du 1er juin 2007, ou d'une même diminution de carrière en application des articles 5 et 6 de l'arrêté royal du 10 juin 2002 relatif à l'octroi d'allocation d'interruption aux membres du personnel des entreprises publiques qui ont obtenu une autonomie de gestion en application de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. Cette mesure ne s'applique pas aux travailleurs en diminution de carrière d'1/5ème qui cohabitent exclusivement avec un ou plusieurs enfants à charge ;
b) b) d'un crédit-temps à mi-temps ou d'une interruption de carrière à mi-temps qui prend cours à partir du 1er janvier 2009 pour les contribuables âgés de 50 ans et plus. Cette mesure ne s'applique pas aux travailleurs qui habitent seuls ou qui cohabitent exclusivement avec un ou plusieurs enfants à charge et aux contribuables bénéficiant d'un congé thématique (congé parental, assistance médicale, soins palliatifs. 2° à 30 p.c. dans le cas d'un crédit-temps à mi-temps ou d'une interruption de carrière à mi- temps qui prend cours à partir du 1er janvier 2009 pour les contribuables de moins de 50 ans. Cette majoration ne s'applique pas aux travailleurs qui habitent seuls ou qui cohabitent exclusivement avec un ou plusieurs enfants à charge et aux contribuables qui bénéficient d'un congé thématique (congé parental, assistance médicale, soins palliatifs) ;
78.4.3. Les primes légales octroyées aux membres du personnel des services publics à l'occasion du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans ou de la semaine de quatre jours, sont soumises au précompte professionnel au taux de 17,15 p.c. (sans réduction).
78.5. Dérogations relatives le droit passerelle
Par dérogation au n° 78.2, le précompte professionnel n'est pas dû sur la prestation financière visée à l'article 3, 1°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants. Allocations de chômage sans complément d'entreprise
79. Les allocations de chômage légales sans complément d'entreprise sont soumises au précompte professionnel en tenant compte de la règle suivante.
79.1. Les allocations légales et extra-légales de toute nature, allocations d'insertion comprises, obtenues en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de rémunérations résultant d'un chômage complet ou partiel et non visées aux sections 2 et 3, sont soumises au précompte professionnel au taux de 10,09 p.c. (sans réduction).
79.2. Dérogations
79.2.1. Par dérogation au n° 79.1, aucun précompte professionnel ne doit être retenu sur les allocations légales de chômage ou les allocations légales d'insertion des travailleurs, chômeurs complets, qui ne perçoivent aucun revenu d'activité professionnelle et qui, au sens de la réglementation en matière de chômage, ont la qualité :  soit de cohabitant ayant droit au complément pour perte de revenu unique ;  soit de cohabitant qui n'a droit ni au complément pour perte de revenu unique ni au complément d'adaptation, et, si le travailleur cohabite avec un conjoint, à condition que les revenus professionnels de ce conjoint consistent uniquement en revenus de remplacement;  soit de cohabitant qui ne dispose que d'allocations de chômage constituées du forfait légal, majoré ou non;  soit d'isolé;  soit de travailleur ayant droit à une allocation d'insertion;  soit de travailleur qui bénéficie d'une dispense pour raisons sociales et familiales.
79.2.2. Par dérogation au n° 79.1, les allocations légales et extra-légales payées ou attribuées aux chômeurs temporaires visés à l'article 27, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant la réglementation du chômage, sont soumises au précompte professionnel au taux de 26,75 p.c. (sans réduction).
Allocations de chômage avec complément d'entreprise
80. Le précompte professionnel dû sur les allocations de chômage avec complément d'entreprise est établi comme suit :
80.1. le précompte professionnel est calculé suivant les règles prévues à la partie 5, chapitres 1 à 5 sur le montant total des indemnités ;
80.2. le précompte professionnel ainsi calculé est ensuite diminué de la réduction pour assurance de groupe et pour assurance extra-légale contre la vieillesse et le décès prématuré reprise au n° 44.
81. Par dérogation au n° 80, les indemnités complémentaires en sus des allocations de chômage avec complément d'entreprise hors règlement d'allocations de chômage avec complément d'entreprise sont soumises au précompte professionnel en tenant compte de la distinction suivante.
81.1. L'ancien travailleur a atteint l'âge de 50 ans :
81.1.1. Les indemnités complémentaires en sus des allocations de chômage avec complément d'entreprise que le travailleur précité a reçues pendant une période d'inactivité, de reprise du travail chez un autre employeur ou de reprise du travail en tant qu'indépendant, sont soumises au précompte professionnel selon la distinction suivante :
a) l'obligation pour l'ancien employeur de poursuivre le paiement de ces indemnités après reprise du travail est mentionnée dans une convention collective de travail ou dans une convention individuelle prévoyant le paiement de l'indemnité complémentaire : précompte professionnel de 10,09 p.c. (sans réduction) ;
b) l'obligation pour l'ancien employeur de poursuivre le paiement de ces indemnités après reprise du travail n'est pas mentionnée dans une convention collective de travail ou dans une convention individuelle prévoyant le paiement de l'indemnité complémentaire : précompte professionnel de 26,75 p.c. (sans réduction).
81.2. L'ancien travailleur n'a pas atteint l'âge de 50 ans :
81.2.1. Les indemnités complémentaires en sus des allocations de chômage avec complément d'entreprise que le travailleur précité a reçues pendant une période d'inactivité, de reprise du travail chez un autre employeur ou de reprise du travail en tant qu'indépendant, sont soumises au précompte professionnel selon n° 78.1.2.
Pseudo-allocations de chômage avec complément d'entreprise en sus d'allocations de chômage
82. Par dérogation à la section 2, les pseudo-allocations de chômage avec complément d'entreprise en sus d'allocations de chômage sont soumises au précompte professionnel selon la distinction suivante.
82.1. L’ancien travailleur a atteint l'âge de 50 ans et la convention dont il s'agit n'est pas une convention collective de travail sectorielle conclue avant le 30 septembre 2005 ou une convention sectorielle qui prolonge une telle convention sans interruption, les indemnités complémentaires que le travailleur précité qui perçoit des allocations de chômage en tant que chômeur à temps plein ou pourrait les recevoir s'il n'avait pas repris le travail, qu'il a reçues directement ou indirectement, sont soumises au précompte professionnel selon la distinction suivante :
82.1.1. l'obligation pour l'ancien employeur de poursuivre le paiement de ces indemnités après reprise du travail est mentionnée dans une convention collective de travail ou dans une convention individuelle prévoyant le paiement de l'indemnité complémentaire : précompte professionnel de 10,09 p.c. (sans réduction) ;
82.1.2. l'obligation pour l'ancien employeur de poursuivre le paiement de ces indemnités après reprise du travail n'est pas mentionnée dans une convention collective de travail ou dans une convention individuelle prévoyant le paiement de l'indemnité complémentaire: précompte professionnel de 26,75 p.c. (sans réduction).
82.2. Soit l’ancien travailleur n'a pas atteint l'âge de 50 ans, soit l'ancien travailleur a atteint l'âge de 50 ans ET la convention dont il s'agit est une convention collective de travail sectorielle conclue avant le 30 septembre 2005 ou une convention sectorielle qui prolonge une telle convention sans interruption, les indemnités complémentaires en sus d'une allocation de chômage après licenciement que l'ancien travailleur a reçues pendant une période d'inactivité, de reprise du travail chez un autre employeur ou de reprise du travail en tant qu'indépendant, sont soumises au précompte professionnel au taux de 10,09 p.c. (sans réduction) .
PENSIONS, RENTES, CAPITAUX, VALEURS DE RACHAT ET REVENUS Y ASSIMILÉS
83. Le montant annuel net de la base imposable est établi comme suit : 83.1. Etablir le montant annuel brut de la base imposable conformément à la partie 1re, chapitre 2, sections 4 à 6.
83.2. Le montant annuel net de la base imposable est égal au montant annuel brut mentionné au n° 83.1.
84. L’impôt de base est établi conformément à la partie 2.
FAMILLE
85. De l’impôt de base déterminé conformément au chapitre 2, les réductions suivantes peuvent être déduites :
85.1. la réduction pour enfants à charge reprise au n° 38 ;
85.2. la réduction pour autres charges de famille reprise selon le cas aux n
86. Après application du chapitre 3, l'impôt de base est diminué avec la réduction spéciale pour pensions. Cette réduction s'élève à 2.334 euros par an.
87. L’application de la réduction spéciale dépend du montant annuel de la pension, qui est le montant, le cas échéant, après déduction du revenu attribué à l'autre conjoint comme visé au n° 34.1.1.
88. Cette réduction spéciale est déduite comme suit :
88.1. en totalité, lorsque le montant annuel de la pension n'excède pas 29.480 euros ;
88.2. en partie, lorsque le montant annuel de la pension est compris entre 29.480 euros et 58.960 euros ; cette
(1/3 x 2.334) + (2/3 x 2.334 x 58.960 - montant annuel de la pension)
88.3. à concurrence de 1/3 lorsque le montant annuel de la pension atteint ou dépasse 58.960 euros.
89. Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base diminué conformément au
90. Pour les pensions ou les rentes payées autrement que par mois, le précompte professionnel s'élève au trentième du produit obtenu en multipliant le montant du précompte professionnel qui serait conformément aux chapitres 1er à 5 dû sur la pension ou la rente mensuelle correspondante par le nombre de jours de la période à laquelle se rapporte la pension ou la rente. Arriérés
91. Les arriérés de pensions ou rentes (c.-à-d. les pensions ou les rentes dont le paiement ou l'attribution n'a eu lieu, par le fait de l'autorité publique ou de l'existence d'un litige, qu'après l'expiration de la période imposable à laquelle elles se rapportent effectivement) sont soumis au précompte professionnel suivant les règles prévues aux nos 58 à 60, étant entendu que le taux à appliquer est déterminé mutatis mutandis eu égard au montant annuel des pensions ou des rentes brutes normales allouées au bénéficiaire immédiatement avant l'année à laquelle les arriérés se rapportent ou, à défaut de telle référence, eu égard au montant annuel des rémunérations brutes normales, majorées des avances éventuelles sur pensions ou rentes, perçues par le bénéficiaire pendant la dernière année d'activité normale.
Pécules de vacances
92. Le précompte professionnel sur le pécule de vacances attribué aux personnes qui bénéficient d'une pension de retraite ou de survie à charge du régime de pension pour travailleurs salariés est établi conformément au taux mentionné dans les tableaux ci-après, sur le total imposable mensuel des pensions du bénéficiaire des revenus.
92.1. Le bénéficiaire des revenus est un isolé ou le conjoint du bénéficiaire des revenus a également des revenus professionnels.
POURCENTAGE DE PRÉCOMPTE PROFESSIONNEL DU SUR LE MONTANT MENSUEL IMPOSABLE DE LA PENSION jusqu'à 1.499,99 EUR de 1.500 EUR à 1.649,99 EUR de 1.650 EUR à 1.699,99 EUR de 1.700 EUR à 1.749,99 EUR de 1.750 EUR à 1.849,99 EUR de 1.850 EUR à 2.049,99 EUR de 2.050 EUR à 2.399,99 EUR de 2.400 EUR à 2.699,99 EUR de 2.700 EUR à 3.199,99 EUR de 3.200 EUR à 4.449,99 EUR de 4.450 EUR à 4.599,99 EUR à partir de 4.600 EUR
92.2. Le conjoint du bénéficiaire des revenus n'a pas de revenus professionnels.
MONTANT MENSUEL IMPOSABLE DE LA POURCENTAGE DE PRÉCOMPTE PROFESSIONNEL DU SUR LE PENSION jusqu'à 2.299,99 EUR de 2.300 EUR à 2.399,99 EUR de 2.400 EUR à 2.499,99 EUR de 2.500 EUR à 2.549,99 EUR de 2.550 EUR à 3.099,99 EUR de 3.100 EUR à 3.399,99 EUR de 3.400 EUR à 3.899,99 EUR de 3.900 EUR à 4.699,99 EUR de 4.700 EUR à 5.449,99 EUR de 5.450 EUR à 6.599,99 EUR de 6.600 EUR à 6.799,99 EUR À partir de 6.800 EUR
Pensions et rentes qui ne sont octroyées, ni dans le cadre de l'épargne-pension, ni en exécution d'un statut légal ou réglementaire
93. Les pensions ou les rentes de retraite et de survie qui ne sont octroyées ni dans le cadre de l'épargne-pension, ni en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire excluant les intéressés du champ d'application de la législation sociale, d'une part, et les rentes de vieillesse et les rentes de veuves octroyées par les organismes d'assurances en contrepartie de versements opérés librement dans le cadre de la législation relative à la pension des employés d'autre part, sont soumises au précompte professionnel suivant les taux (sans réduction) repris ci-après :
POURCENTAGE DE PRECOMPTE PROFESSIONNEL DU MONTANT ANNUEL DE LA PENSION OU DE LA SUR LE MONTANT TOTAL DE LA PENSION OU RENTE jusqu'à 1.790 EUR de 1.790,01 EUR à 2.990 EUR de 2.990,01 EUR à 8.900 EUR de 8.900,01 EUR à 14.820 EUR de 14.820,01 EUR à 29.640 EUR de 29.640,01 EUR à 44.460 EUR supérieur à 44.460 EUR
94. Par dérogation au n° 93, aucun précompte professionnel ne doit être retenu :
94.1. sur les pensions et rentes dans l'éventualité et la mesure où ces pensions ou rentes ont été octroyées en exécution de contrats qui ont fait l'objet d'une taxe sur l'épargne à long terme telle qu'elle est fixée au Livre II, Titre VIII du Code des droits et taxes divers ;
94.2. lorsque le bénéficiaire des pensions ou rentes établit que le douzième du total du montant annuel de sa pension légale et complémentaire ne donne pas lieu à débition de précompte professionnel eu égard aux règles prévues aux chapitres 1er à 5.
Allocations ou rentes octroyées à la suite d'un accident, d'une maladie ou d'une invalidité
95. Les allocations ou les rentes qui se rattachent directement ou indirectement à une activité professionnelle visée à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, CIR 92 ou qui constituent la réparation d'une perte permanente de rémunérations, bénéfices ou profits et qui sont octroyées à la suite d'un accident, d'une maladie, d'une invalidité ou d'autres événements analogues, sont soumises au précompte professionnel en tenant compte de la distinction suivante :
95.1. quand ces allocations ou ces rentes sont payées aux bénéficiaires par leur employeur ou à son intervention : suivant les règles prévues au n° 53, étant entendu que le taux à prendre en considération est déterminé eu égard au total annuel des rémunérations brutes normales qui ont servi de base de calcul des allocations ou des rentes;
95.2. quand ces allocations ou ces rentes sont payées aux bénéficiaires sans intervention de l'employeur, par un organisme d'assurances ou par une autre institution ou par un intermédiaire : au taux de 11,11 p.c. ou de 22,20 p.c. (sans réduction) suivant qu'il s'agit d'allocations ou de rentes légales ou d'allocations ou de rentes extra-légales. Toutefois, aucun précompte professionnel ne doit être retenu lorsque le bénéficiaire des rentes ou des allocations établit que le douzième de la rémunération annuelle qui a servi de base au calcul de l'indemnisation ne donne pas lieu à débition de précompte professionnel suivant les règles prévues aux chapitres 1 à 5.
Capitaux et valeurs de rachat qui ne sont pas octroyés dans le cadre de l'épargne-pension
96. Les capitaux et valeurs de rachat, ou les tranches de ceux-ci, qui, conformément à l'article 169, § 1er, ou à l'article 515bis, alinéas 4 et 7, CIR 92, sont taxés à l'impôt des personnes physiques selon le régime de conversion, n'interviennent, pour le calcul du précompte professionnel, qu'à concurrence du montant de la rente viagère résultant de leur conversion suivant les coefficients déterminés par l'article 73 du présent arrêté.
La rente est soumise au précompte professionnel au taux de 11,11 p.c. (sans réduction).
97. Un précompte professionnel de 10,09 p.c. (sans réduction) est dû sur les capitaux et valeurs de rachat qui, conformément à l'article 171, 2°, b à d, ou 515quater, § 1er, b, CIR 92, sont taxés distinctement à l'impôt des personnes physiques.
98. Un précompte professionnel de 16,66 p.c. (sans réduction) est dû sur les capitaux et valeurs de rachat, les capitaux tenant lieu de rentes ou pensions et le rachat de la valeur capitalisée d'une partie de la pension légale de retraite ou de survie qui, conformément à l'article 171, 4°, f à h ; 515bis, alinéa 5 ; ou 515octies, CIR 92, ou conformément à l'article 104, alinéa 2, de la loi du 28 décembre 1992 portant des dispositions fiscales, financières et diverses, sont taxés distinctement à l'impôt des personnes physiques.
99. Les capitaux et valeurs de rachat visés à l'article 171, 4°, f, CIR 92 sont soumis au précompte professionnel selon la distinction suivante :
99.1. Un précompte professionnel au taux de 18,17 p.c. (sans réduction ) est dû dans la mesure où il s’agit de capitaux constitués au moyen de cotisations de l’employeur ou de l’entreprise et liquidés en cas de vie au travailleur ou au dirigeant d’entreprise à l’âge de 61 ans ;
99.2. Un précompte professionnel de 20,19 p.c. (sans réduction ) est dû, dans la mesure où il s’agit de capitaux constitués au moyen de cotisations de l’employeur ou de l’entreprise et liquidés en cas de vie :
99.2.1. au travailleur ou au dirigeant d’entreprise à l’âge de 60 ans ;
99.2.2. au travailleur à l’occasion de la mise à la retraite visée à l'article 27, §3, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale, tel et pour autant qu'il reste en vigueur en vertu de l'article 104, alinéas 2 et 3, de la loi-programme du 27 décembre 2021, avant d'atteindre l'âge de 61 ans.
100. Un précompte professionnel de 33,31 p.c. (sans réduction) est dû sur :
100.1. les capitaux et valeurs de rachat qui, conformément à l'article 171, 1°, d, f, h, ou j ou 515quater, § 1er, a, CIR 92, sont taxés distinctement à l'impôt des personnes physiques ;
100.2. les capitaux, valeurs de rachat et capitaux tenant lieu de rentes ou pensions, ou sur les tranches de ceux-ci, qui ne sont pas visés aux n°s 96 à 100.1.
101. Par dérogation aux n°s 97 à 100.2, aucun précompte professionnel ne doit être retenu dans l'éventualité et la mesure où les capitaux, les valeurs de rachat et les capitaux tenant lieu de rentes ou pensions ont été octroyés en exécution de contrats qui ont fait l'objet d'une taxe sur l'épargne à long terme telle qu'elle est fixée au Livre II,
dispositions fiscales, financières et diverses.
Epargne-pension 102. Les pensions et les rentes d'une assurance-épargne sont soumises au précompte professionnel suivant les taux (sans réduction) repris ci-après :
P MONTANT ANNUEL DE LA PENSION OU DE LA RENTE jusqu'à 1.500,00 EUR de 1.500,01 EUR à 2.500,00 EUR supérieur à 2.500,00 EUR
103. L'épargne de comptes-épargne et les capitaux et valeurs de rachat d'assurances-épargne qui, en vertu des articles 171, 1°bis, 174 et 515ter, CIR 92 et en vertu de l'article 105 de la loi du 28 décembre 1992 portant des dispositions fiscales, financières et diverses, sont taxés distinctement à l'impôt des personnes physiques, sont soumis au précompte professionnel au taux de 8,08 p.c. (sans réduction), étant entendu qu'en ce qui concerne l'épargne, le montant imposable doit être déterminé conformément aux articles 34, § 3 et 515bis, alinéa 3, du même Code.
104. L'épargne de comptes-épargne et les capitaux et valeurs de rachat d'assurances-épargne qui, en vertu des articles 515bis, alinéa 5 et 515ter, CIR 92 et en vertu de l'article 104, alinéa 2, de la loi du 28 décembre 1992 portant des dispositions fiscales, financières et diverses, sont imposés distinctement à l'impôt des personnes physiques, sont soumis au précompte professionnel au taux de 16,66 p.c. (sans réduction), étant entendu qu'en ce qui concerne l'épargne, le montant imposable doit être déterminé conformément aux articles 34, § 3 et 515bis, alinéa 3, CIR 92.
L'alinéa précédent est également applicable à l'épargne, aux capitaux et valeurs de rachat qui sont visés à l'article 9, § 4, de l'arrêté royal du 22 décembre 1986 instaurant un régime d'épargne du troisième âge ou d'épargne-pension.
105. Un précompte professionnel de 33,31 p.c. (sans réduction) est dû sur :
105.1. l'épargne de comptes-épargne et sur les capitaux et valeurs de rachat d'assurances-épargne qui, conformément à l'article 171, 1°, g, CIR 92, sont taxés distinctement à l'impôt des personnes physiques, étant entendu qu'en ce qui concerne l'épargne, le montant imposable doit être déterminé conformément aux articles 34, § 3, et 515bis, alinéa 3, du même Code ;
105.2. l'épargne de comptes-épargne et sur les capitaux et valeurs de rachat d'assurances-épargne qui ne sont pas visés aux n°s 103 à 105.1, ci-dessus. En outre, en ce qui concerne l'épargne, le montant imposable doit être déterminé conformément à l'article 515bis, alinéa 3, du même Code;
105.3. les transferts visés à l'article 34, § 2, 3°, du même Code.
106. Par dérogation aux n°s 103 à 105.3, aucun précompte professionnel ne doit être retenu dans l'éventualité et la mesure où l'épargne de comptes-épargne et les capitaux et valeurs de rachat d'assurances-épargne ont été octroyés en exécution de contrats qui ont fait l'objet d'une taxe sur l'épargne à long terme telle qu'elle est fixée au Livre II, Titre VIII du Code des droits et taxes divers, à l'exception de la perception anticipée de la taxe visée à l'article 185, § 4, du même Code, ou à l'article 119 de la loi du 28 décembre 1992 portant des dispositions fiscales, financières et diverses.
REVENUS DES NON-RÉSIDENTS AUTRES QUE CEUX REPRIS AU N° 36.2 107. Après déduction des retenues sociales visées à la partie 1 base imposable est établi conformément à la partie 1, chapitre 3, sections 1
L’IMPÔT DE BASE
108. L’impôt de base est établi à l’aide du barème de base repris au n° 31.
Le résultat ainsi obtenu est égal à l’impôt annuel de base.
DETERMINATION DU PRECOMPTE PROFESSIONNEL MENSUEL
109. Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base est divisé par 12.
RÉMUNÉRATIONS DES TRAVAILLEURS ET REVENUS Y ASSIMILÉS, à l’exception des allocations de chômage avec complément d’entreprise
Champ d’application
110. Ce chapitre s’applique aux rémunérations payées ou attribuées, à l'exception des rémunérations visées au
110.1. aux travailleurs, et ;
110.2. aux dirigeants d’entreprise.
Réductions
111. Du précompte professionnel déterminé conformément au chapitre 3, les réductions suivantes sont déduites :
111.1. Réduction pour assurance de groupe et pour assurance extra-légale contre la vieillesse et le décès prématuré (cf. n° 44) ;
111.2. Réduction pour rémunérations suite à la prestation de travail supplémentaire donnant droit à un sursalaire (cf. n° 45).
Les rémunérations payées autrement que par mois
Sous-section 1re. Rémunérations de travailleurs
112. Pour les rémunérations payées par quinzaine, le précompte professionnel est fixé à la moitié du précompte qui est dû, suivant les règles applicables aux rémunérations payées par mois et prévues aux chapitres 1 à 3 et des sections 1re et 2, sur le montant qui correspond à deux fois la rémunération par quinzaine.
113. Pour les rémunérations payées par semaine, le précompte professionnel est fixé au quart du précompte qui est dû, suivant la règle applicable aux rémunérations payées par mois et prévues aux chapitres 1 à 3 et des sections 1re et 2, sur le montant qui correspond à quatre fois la rémunération par semaine.
114. Pour les rémunérations payées par journée de travail, le précompte professionnel est fixé au vingtième du précompte qui est dû, suivant les règles applicables aux rémunérations payées par mois et prévues aux chapitres 1 à 3 et des sections 1re et 2, sur le montant qui correspond à vingt fois la rémunération par journée de travail.
Sous-section 2. Rémunérations de dirigeants d’entreprise 115. Paiements périodiques effectués autrement que par mois
Pour les rémunérations périodiques (voir n° 17) payées autrement que par mois, le précompte professionnel s'élève au vingtième du produit obtenu en multipliant le montant du précompte professionnel dû, suivant les règles prévues aux chapitres 1 à 3 et des sections 1re et 2, sur la rémunération mensuelle correspondante par le nombre de journées de travail de la période à laquelle se rapporte la rémunération.
116. Rémunérations non périodiques
Le précompte professionnel dû sur les rémunérations non périodiques (voir n° 18) est égal à douze fois la différence entre :  d'une part, le précompte qui, suivant les règles prévues aux chapitres 1 à 3 et des sections 1re et 2, est dû sur un revenu égal aux rémunérations périodiques du mois au cours duquel la rémunération non périodique est payée ou attribuée, augmenté d'un douzième de la rémunération non périodique ;  d'autre part, le précompte qui, suivant les mêmes règles, est dû sur les rémunérations périodiques du mois au cours duquel la rémunération non périodique est payée ou attribuée.
Règles particulières
Sous-section 1re Allocations exceptionnelles
117. En ce qui concerne les allocations exceptionnelles (commissions, pécules de vacances, primes de fin d'année, etc.) payées par un employeur à des membres de son personnel en dehors des rémunérations normales, le précompte professionnel (sans réduction) est fixé suivant les taux prévus ci-après, eu égard au montant annuel des rémunérations brutes normales qui sont payées ou attribuées en Belgique au bénéficiaire des revenus.
MONTANT ANNUEL DES RÉMUNÉRATIONS BRUTES NORMALES de 0,01 EUR à 25.030 EUR de 25.030,01 EUR à 39.530 EUR de 39.530,01 EUR à 63.970 EUR supérieur à 63.970 EUR
Sous-section 2 Arriérés et indemnités de dédit
118. En ce qui concerne les arriérés de rémunérations (entre autres les rémunérations dont le paiement ou l'attribution n'a eu lieu, par le fait de l'autorité publique ou de l'existence d'un litige, qu'après l'expiration de la période imposable à laquelle elles se rapportent effectivement) et les indemnités de dédit, le précompte professionnel (sans réduction) est fixé suivant les taux prévus ci-après, eu égard à la rémunération de référence, c.-à-d. :  soit le montant annuel de la rémunération brute normale payée ou attribuée en Belgique qui a été allouée au bénéficiaire des revenus immédiatement avant la révision qui a entraîné le paiement des arriérés ;  soit la rémunération qui a servi de base à la fixation de l'indemnité de dédit ou, à défaut de telle référence, la rémunération qui a été perçue par le bénéficiaire pendant sa dernière période d'activité normale au service de l'employeur qui paie l'indemnité.
RÉMUNÉRATION DE RÉFÉRENCE
de 0,01 EUR à 22.780 EUR de 22.780,01 EUR à 35.570 EUR de 35.570,01 EUR à 57.120 EUR supérieure à 57.120 EUR
Sous-section 3 Rémunérations pour travail à la pièce 119. Le précompte professionnel dû sur les rémunérations allouées aux ouvriers travaillant à la pièce et dont les prestations irrégulières et non contrôlées par l'employeur ne sont pas exprimées en journées, semaines, quinzaines ou mois de travail, est déterminé d'après les règles prévues aux chapitres 1 à 3 et aux sections 1 à 3, sous-section 1re, compte tenu de la période à laquelle les rémunérations se rapportent.
Sous-section 4 Travailleurs occasionnels dans le secteur horeca
120. Par dérogation aux règles précédentes, le précompte professionnel est fixé uniformément (sans réduction) à 33,31 p.c. sur les rémunérations pour des prestations faites durant au maximum 50 jours par année civile et qui sont payées ou attribuées aux travailleurs occasionnels occupés chez un employeur ressortissant de la commission paritaire de l'industrie hôtelière ou ressortissant de la commission paritaire pour le travail intérimaire si l'utilisateur relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière est, pour l'application de cet article, considéré comme un travailleur occasionnel pour autant que l'employeur et le travailleur concluent un contrat de travail pour une durée déterminée ou un contrat de travail pour un travail nettement défini pour un maximum de 2 jours consécutifs et pour lesquelles les cotisations sociales sont calculées sur un forfait horaire ou journalier tel que visé à l'article 31ter, alinéa 2, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs s'applique.
Sous-section 5 Travailleurs saisonniers dans l'agriculture et l'horticulture
121. Par dérogation à toutes les règles précédentes, le précompte professionnel est fixé uniformément (sans réduction) à 18,725 p.c. sur les rémunérations des travailleurs saisonniers dans l'agriculture et l'horticulture mentionnées ci- après :  les rémunérations pour les prestations en tant que travailleur occasionnel dans l'agriculture ou l'horticulture visé à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;  la prime de fin d'année et la prime de fidélité octroyées par le Fonds social et de garantie pour les entreprises horticoles aux travailleurs saisonniers visés au premier tiret ;  les rémunérations pour les prestations en tant qu'ouvrier dans l'agriculture ou l'horticulture effectuées dans le cadre d'un contrat à durée déterminée ou pour un travail nettement défini de maximum 6 semaines d'affilée à la suite immédiate d'une occupation en tant que travailleur occasionnel dans l'agriculture ou l'horticulture auprès du même employeur ;  le pécule de vacances relatif à la période d'occupation consécutive visée au troisième tiret.
ALLOCATIONS DE CHÔMAGE AVEC COMPLÉMENT D'ENTREPRISE
Champ d’application
122. Il s’agit des allocations de chômage avec complément d'entreprise des travailleurs, payées ou attribuées à d'autres non-résidents que ceux mentionnés au n° 36.2.
Montant annuel net de la base imposable
123. Le montant brut de la base imposable est établi conformément à la partie 1
124. Le montant annuel net de la base imposable est égal au montant brut visé au n° 123.
L’impôt de base
125. L’impôt de base est établi à l’aide du barème de base repris au n° 31.
Le résultat ainsi obtenu est égal à l’impôt de base annuel. Reduction pour allocations de chômage avec complément d’entreprise
126. Après l’application de la section 3, l'impôt de base peut seulement être diminué de la réduction (totale ou partielle) pour allocations de chômage avec complément d'entreprise. Cette réduction s'élève à 2.334 euros par an.
127. L’application de cette réduction dépend du montant annuel de l’allocation de chômage avec complément d’entreprise.
128. Cette réduction est déduite comme suit :
128.1. en totalité, lorsque le montant annuel des allocations de chômage avec complément d'entreprise n'excède pas 29.480 euros ;
128.2. en partie, lorsque le montant annuel des allocations de chômage avec complément d'entreprise est compris entre 29.480 euros et 58.960 euros ; cette partie est déterminée au moyen de la formule suivante :
montant annuel des allocations de chômage (1/3 x 2.2334) + [(2/3 x 2.334) x (58.960 avec complément d’entreprise) - 29.480]
128.3. à concurrence de 1/3 lorsque le montant annuel de la pension atteint ou dépasse 58.960 euros.
Détermination du précompte professionnel mensuel
129. Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base diminué conformément à la section 4 est divisé par 12.
LES REVENUS NON REPRIS AU PARTIES 3 A 6
92, VERSÉS À DES NON-RÉSIDENTS
130. Rentes
Le précompte professionnel dû sur le montant des rentes visées à l'article 90, alinéa 1 habitants du Royaume versent à des résidents d'un État membre de l'Espace économique européen ou de la Suisse, est égal à 26,75 p.c. des 80 p.c. du montant de ces rentes.
A partir du 20 février 2026, le numéro 130 des règles d'application, est rédigé comme suit :
Le précompte professionnel dû sur le montant des rentes visées à l'article 90, alinéa 1er, 3° et 4°, CIR 92, que des habitants du Royaume versent à des résidents d'un État membre de l'Espace économique européen ou de la Suisse, est égal à 26,75 p.c. des 70 p.c. du montant de ces rentes.
131. Capitaux
Lorsque les rentes visées au n° 130 sont remplacées par un capital payé à un résident d'un État membre de l'Espace économique européen ou de la Suisse, le précompte professionnel est dû au taux de 26,75 p.c. sur les 60 p.c. de ce capital. REVENUS MENTIONNÉS À L'ARTICLE 87, 5°, A À C, E ET F, DU PRÉSENT ARRÊTÉ, PAYÉS OU ATTRIBUÉS À DES NON-RÉSIDENTS VISÉS À LA MÊME DISPOSITION
132. En ce qui concerne les revenus mentionnés à l'article 87, 5°, a à c, e et f du présent arrêté, payés ou attribués à des non-résidents visés au même article, le précompte professionnel dû est fixé suivant la distinction établie ci-après :
132.1. à 30,28 p.c. de leur montant brut en ce qui concerne les bénéfices et profits mentionnés à l'article 87, 5°, a, de cet arrêté ;
132.2. conformément aux règles et aux taux prévus au n° 66, en ce qui concerne les revenus mentionnés à l'article 87, 5°, b, de cet arrêté ;
132.3. à 2,50 p.c. du montant brut des primes relatives aux opérations traitées en Belgique en ce qui concerne les bénéfices mentionnés à l'article 87, 5°, c, de cet arrêté ;
132.4. à 24,25 p.c. de leur montant brut en ce qui concerne les bénéfices mentionnés à l'article 87, 5°, e, de cet arrêté ;
132.5. 25 p.c. des revenus visés à l'article 87, 5°, f, de cet arrêté ( après déduction d'un montant forfaitaire de frais égal à 50 p.c. du montant brut des revenus). Le montant de ce précompte est toutefois limité au montant maximum de la retenue à la source prévue par une convention préventive de la double imposition applicable.
REVENUS DES ARTISTES DU SPECTACLE NON-RÉSIDENTS
133. Par dérogation aux dispositions des parties 3 et 6, chapitres 1er à 4, et du nos 132.1 et 132.2, le précompte professionnel est fixé uniformément à 18 p.c. du montant brut des revenus mentionnés à l'article 228, § 2, 8°, CIR 92, diminué d'un montant forfaitaire de frais repris dans le tableau ci-après :
NATURE DES FRAIS 1. frais de déplacement : 2. frais de nourriture et autres menues dépenses : 3. frais de logement : Total :
134. Le forfait est déterminé par redevable du précompte professionnel en fonction des jours de prestation en Belgique pour lesquels l'artiste du spectacle est rétribué. Le nombre de jours de prestation doit toutefois être limité par redevable du précompte professionnel pour chaque artiste du spectacle à 10 jours par année civile.
135. Les montants suivants peuvent être pris en considération :  400 euros pour le premier jour, par artiste ;  100 euros pour chaque jour de prestation suivant, par artiste.
BÉNÉFICES ET PROFITS DES ASSOCIÉS OU MEMBRES NON-RÉSIDENTS DE SOCIÉTÉS OU ASSOCIATIONS SANS PERSONNALITÉ JURIDIQUE VISÉES À L'ARTICLE 29 DU CIR 92, MENTIONNÉS À L'ARTICLE 229, § 3, DU MÊME CODE
136. Les revenus de chaque associé ou membre visés à l'article 87, 7°, du présent arrêté sont soumis au précompte professionnel suivant les distinctions suivantes :
136.1. Les revenus qui sont considérés comme attribués à des non-habitants du Royaume visés à l'article 227, 1°, CIR 92 : le précompte professionnel est fixé suivant les taux ci-après (sans réduction) : MONTANT TOTAL DES BÉNÉFICES OU PROFITS DE CHAQUE ASSOCIE OU MEMBRE de 0,01 EUR à 16.710 EUR 26,75 pc. de 16.710,01 EUR à 29.500 EUR 4.469,93 EUR + 42,80 p.c. de la tranche au-delà de 16.710 EUR de 29.500,01 EUR à 51.050 EUR 9.944,05 EUR + 48,15 p.c. de la tranche au-delà de 29.500 EUR supérieur à 51.050 EUR 20.320,38 EUR + 53,50 p.c. de la tranche au-delà de 51.050 EUR
136.2. Les revenus qui sont considérés comme attribués à des non-résidents visés à l'article 227, 2°, CIR 92 : le précompte professionnel est fixé uniformément à 25 p.c.
PLUS-VALUES VISÉES À L'ARTICLE 87, 8°, DU PRÉSENT ARRÊTÉ, RÉALISÉES PAR DES NON- RÉSIDENTS, DANS LE CADRE DE LEUR ACTIVITÉ PROFESSIONNELLE
137. Les plus-values visées à l'article 87, 8°, du présent arrêté, déterminées conformément à l'article 235, 1° ou 2°, CIR 92 sont soumises au précompte professionnel, selon les distinctions suivantes :
137.1. Les plus-values réalisées par des non-résidents visés à l'article 227, 1°, CIR 92, sont soumises au précompte professionnel aux taux fixés au n° 136.1 (sans réduction).
Par dérogation à l'alinéa précédent, les plus-values réalisées sur des biens immobiliers affectés à l'exercice de l'activité professionnelle depuis plus de 5 ans au moment de leur aliénation, sont soumises au précompte professionnel au taux de 17,66 p.c. (sans réduction).
137.2. Les plus-values réalisées par des non-résidents visés à l'article 227, 2°, CIR 92 sont soumises au précompte professionnel au taux de 25 p.c.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les plus-values réalisées à l'occasion de l'apport rémunéré exclusivement par des actions ou parts nouvelles d'un bien immobilier dans une société d'investissement à capital fixe en biens immobiliers ou dans un société immobilière réglementée pour autant qu'elles bénéficient de l'application du régime prévu à l'article 185bis, CIR 92, sont soumises au précompte professionnel au taux de 12,50 p.c.
REVENUS DES SPORTIFS, ARBITRES, FORMATEURS, ENTRAÎNEURS ET ACCOMPAGNATEURS
138. Les revenus que les sportifs, arbitres, formateurs, entraîneurs et accompagnateurs perçoivent pendant la période imposable pour leurs prestations sportives ou arbitrales ou pour leurs activités de formation, d'encadrement ou de soutien des sportifs, sont soumis au précompte professionnel conformément aux règles suivantes.
Habitants du Royaume
139. Les rémunérations visées à l'article 30, 1°, CIR 92 des sportifs qui ont atteint l'âge de 16 ans mais qui ont moins de 23 ans au 1er janvier 2026 : voir section 3, sous-section 1re.
140. Les rémunérations visées à l'article 30, 1°, CIR 92 des sportifs qui ont 23 ans au 1er janvier 2026 et des arbitres, formateurs, entraîneurs et accompagnateurs, à condition qu'ils perçoivent d'une autre activité professionnelle des revenus professionnels qui atteignent un montant brut imposable total plus élevé que le montant brut imposable total des rémunérations perçues de la totalité de leurs activités précitées dans le secteur du sport tel qu'il est déterminé à l'article 171, 1°, i, CIR 92 : voir section 3, sous-section 2. 141. Les rémunérations des habitants du Royaume qui ne sont pas visés aux n°s 139 ou 140 : ces rémunérations sont soumises aux dispositions des parties 2 et 3, chapitres 1 à 6.
142. La première tranche de 61.750 euros des primes visées à l'article 90, alinéa 1er, 2°bis, CIR 92 : le précompte professionnel s'élève à 18 p.c. du montant brut des primes.
Non-résidents
Sous-section 1re Sportifs non-résidents
143. Les revenus perçus personnellement par des non-résidents qui exercent personnellement en Belgique une activité de sportif, durant 30 jours au maximum, à calculer par période de 12 mois successifs et par débiteur de revenus: voir chapitre 3, étant entendu que le montant brut de la première tranche des primes visé à l'article 90, alinéa 1er, 2°bis, CIR 92 n'est pas diminué d'un montant forfaitaire de frais.
144. Non-résidents qui exercent personnellement en Belgique une activité de sportif, durant plus de 30 jours, à calculer par période de 12 mois et par débiteur de revenus :
144.1. les rémunérations visées à l'article 30, 1°, CIR 92 perçues personnellement par des sportifs qui ont atteint l'âge de 16 ans mais qui ont moins de 23 ans au 1er janvier 2026 : voir section 3, sous-section 1re ;
144.2. les revenus professionnels, à l'exception des rémunérations de dirigeants d'entreprise, perçus personnellement par des sportifs qui ont au moins 23 ans au 1er janvier 2026, à condition qu'ils perçoivent d'une autre activité professionnelle des revenus professionnels qui atteignent un montant brut imposable total plus élevé que le montant brut imposable total des revenus professionnels perçus de leur activité de sportif tel qu'il est déterminé à l'article 171, 1°, i, CIR 92 : voir section 3, sous-section 2.
145. Les revenus d'une activité exercée personnellement en Belgique en tant que sportifs, indépendamment de la durée et attribués à une autre personne physique ou à une personne morale : voir chapitre 3, étant entendu que le montant brut de la première tranche des primes visé à l'article 90, alinéa 1er , 2°bis, CIR 92 n'est pas diminué d'un montant forfaitaire pour frais.
146. Les revenus des sportifs non visés aux n°s 142, 143 ou 144 : voir, en ce qui concerne les rémunérations et en tenant compte de l'assimilation visée au n° 36.2 ou non à un habitant du Royaume, la partie 2, la partie 3, chapitres 1 à 5 et la partie 6, chapitres 1 à 4, section 3, et, en ce qui concerne les autres revenus, le numéro n° 66.
Sous-section 2 Arbitres, formateurs, entraîneurs et accompagnateurs non-résidents
147. Les revenus professionnels, à l'exception des rémunérations de dirigeants d'entreprise, des arbitres, formateurs, entraîneurs et accompagnateurs, à condition qu'ils perçoivent d'une autre activité professionnelle des revenus professionnels qui atteignent un montant brut imposable total plus élevé que le montant brut imposable total des revenus professionnels perçus de la totalité de leurs activités précitées dans le secteur du sport tel qu'il est déterminé à l'article 171, 1°, i, CIR 92 : voir section 3, sous-section 2.
148. Les revenus professionnels des arbitres, formateurs, entraîneurs et accompagnateurs non visés au n° 147 : voir, en ce qui concerne les rémunérations et en tenant compte de l'assimilation visée au n° 36.2 ou non à un habitant du Royaume, la partie 2, la partie 3, chapitres 1 à 5 et la partie 6, chapitres 1 à 4, section 3, et, en ce qui concerne les autres revenus, le n° 66.
Détermination du précompte professionnel
Sous-section 1re Rémunérations des sportifs visés aux n
149. Le précompte professionnel est établi comme suit : 149.1. Le revenu annuel ne dépasse pas 25.320 euros
L’impôt de base est égal à 16,66 p.c. de ce montant (sans réduction).
Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base est divisé par 12.
149.2. Le revenu annuel est supérieur à 25.320 euros
149.2.1. Rémunérations des résidents et des non-résidents, compte tenu de l'assimilationvisée au n°36.2
a) l’impôt de base sur la première tranche de 25.320 euros est égal à 4.218,31 euros ; b) sur la différence entre le le revenu annuel et 25.320 euros, l'impôt de base annuel est fixé conformément à la partie 2 ; c) l’impôt de base annuel est égal à la somme de a et b ; d) de cet impôt de base, les réductions suivantes sont déduites :  pour enfants à charges visés à n° 38;  pour autres charges de famille visés selon le cas aux n° e) afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base ainsi diminué est divisé par 12.
Sur ce précompte professionnel dû mensuellement, les réductions suivantes peuvent encore être déduites :  assurance de groupe et assurance extra-légale contre la vieillesse et le décès prématuré visée au n° 44 ;  les rémunérations des travailleurs à bas revenus qui ont droit au bonus à l'emploi visé au n° 46;  les rémunérations des personnes physiques à bas revenus, autres que les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail dans le secteur public visé au n° 47.
149.2.2. Rémunérations des autres non-résidents:
a) l’impôt de base sur la première tranche de 25.320 euros est égal à 4.218,31 euros ; b) sur la différence entre le revenu annuel et 25.320 euros, l'impôt de base annuel est fixé conformément à la partie 6, chapitres 1er en 2 ; c) L’impôt de base annuel est égal à la somme de a et b. d) Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base ainsi diminué est divisé par 12.
Sous-section 2 Rémunération mentionnées au n° 140 et revenus professionnels mentionnés aux n
150. Le précompte professionnel est établi comme suit :
150.1. Le revenu annuel ne dépasse pas 25.320 euros
L’impôt de base est égal à 33,31 p.c. de ce montant (sans réduction).
Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base est divisé par 12.
150.2. Le revenu annuel est supérieur à 25.320 euros
150.2.1. Rémunérations des résidents et des non-résidents, compte tenu de l'assimilationvisée au n° 36.2 : a) l’impôt de base sur la première tranhce de 25.320 euros est égal à 8.434,09 euros; b) sur la différence entre le revenu annuel et 25.320 euros, l'impôt de base annuel est fixé conformément à la partie 2 ; c) L’impôt de base annuel est égal à la somme de a et b ; d) De cet impôt de base les réductions suivantes sont déduites :  pour enfants à charges visés à n° 38 ;  pour autres charges de famille visés selon le cas aux n° e) Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base ainsi diminué est divisé par 12.
Sur ce précompte professionnel dû mensuellement, les réductions suivantes peuvent encore être déduites :  assurance de groupe et et assurance extra-légale contre la vieillesse et le décès prématuré visée au n° 44 ;  les rémunérations des travailleurs à bas revenus qui ont droit au bonus à l'emploi visé au n° 46 ;  les rémunérations des personnes physiques à bas revenus, autres que les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail dans le secteur public visé au n° 47.
150.2.2. Rémunérations des autres non-résidents:
a) l’impôt de base sur la première tranche de 25.320 euros est égal à 8.434,09 euros ; b) sur la différence entre le revenu annuel et 25.320 euros, l'impôt de base annuel est fixé conformément à la partie 6, chapitres 1er en 2 ; c) L’impôt de base annuel est égal à la somme de a et b ; d) Afin d’établir le précompte professionnel dû mensuellement, l'impôt de base ainsi diminué est divisé par 12.
JETONS DE PRÉSENCE CONSTITUANT DES PROFITS VISÉS À L'ARTICLE 23, § 1ER, 2°, DU CIR 92
151. Les jetons de présence payés ou attribués à des personnes pour lesquelles ces jetons de présence constituent des profits visés à l'article 23, § 1er, 20, CIR 92 (membres des conseils provinciaux et communaux, des conseils d'agglomération, des conseils d'aide sociale, des comités de gestion d'établissements ou organismes publics, etc.), sont soumis au précompte professionnel, pour leur montant brut, aux taux repris au n° 66.
REVENUS DIVERS
Bénéfices ou profits visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du CIR 92
152. Le précompte professionnel s'élève à 10,70 p.c. du montant brut, c'est-à-dire le montant qui a effectivement été payé ou attribué par la plateforme électronique agréée ou par l'intermédiaire de cette plateforme, majoré de toutes les sommes qui ont été retenues par la plateforme ou par l'intermédiaire de la plateforme.
Prix, subsides, rentes ou pensions visés à l'article 90, alinéa 1er , 2°, du CIR 92
Sous-section 1re Base de perception et taux
153. Le précompte professionnel est dû au taux de 18,17 p.c. sur le montant brut des prix, subsides, rentes ou pensions payés ou attribués, en Belgique, à des savants, écrivains ou artistes, par des pouvoirs publics ou par des organismes publics sans but lucratif, belges ou étrangers, à l'exclusion des sommes payées ou attribuées à titre de rémunérations pour services rendus et qui constituent des revenus professionnels. 154. Toutefois, le précompte professionnel est dû au taux de 26,75 p.c. sur le montant brut des prix, subsides, rentes ou pensions payés ou attribués à des savants, écrivains ou artistes non-résidents, par des pouvoirs publics ou par des organismes publics belges, à l'exclusion des sommes payées ou attribuées à titre de rémunérations pour services rendus et qui constituent des revenus professionnels.
Sous-section 2 Exonération
155. En ce qui concerne les prix et subsides payés ou attribués pendant deux ans, aucun précompte professionnel n'est dû sur la première tranche de 5.150 euros.
156. En outre, les prix et subsides exonérés en vertu de l'article 53 du présent arrêté ne sont pas soumis au précompte professionnel.
Indemnités personnelles provenant de l'exploitation d'une découverte visées aux articles 90, alinéa 1er, 12°, et 228, § 2, 9°, k, du CIR 92
157. Le précompte professionnel s'élève à 33,31 p.c. du montant net (c.à.d. le montant brut imposable diminué d'un forfait de 10 p.c. de frais) des indemnités personnelles provenant de l'exploitation d'une découverte visées aux articles 90, alinéa 1er, 12°, et 228, § 2, 9°, k, CIR 92.
RETENUES COMPLÉMENTAIRES
158. Les débiteurs du précompte professionnel DOIVENT, au plus tard à partir du premier paiement effectué au cours du deuxième mois qui suit la date de la demande écrite qui leur en est faite par le bénéficiaire des revenus, effectuer sur ceux-ci des retenues de précompte professionnel complémentaires à celles qui sont visées aux parties 2 à 7.
Ces retenues complémentaires doivent être faites, lors de chaque paiement ou attribution de revenus et elles doivent consister en une somme fixe proposée par le bénéficiaire lui-même dans sa demande.
La demande précitée lie le bénéficiaire des revenus jusqu'à révocation de celle-ci. Une révocation n'aura d'effet qu'à partir du premier paiement effectué au cours du troisième mois qui suit cette révocation.
159. Outre ce qui est prévu au n° 158, les débiteurs du précompte professionnel ONT LA FACULTE, sur demande des bénéficiaires, de retenir sur les revenus qu'ils paient ou attribuent, des montants supérieurs à ceux déterminés suivant les règles des parties 2 à 7.
PRÉCOMPTE PROFESSIONNEL VISÉ À L'ARTICLE 158 DU CIR 92
160. Afin d’être considérées comme du précompte professionnel conformément à l'article 158, CIR 92 pour le calcul de la majoration en cas d'absence ou d'insuffisance de versement anticipé, les retenues complémentaires visées au
a) être opérées sur toutes les rémunérations fixes et variables que l'employeur paie ou attribue aux bénéficiaires, au cours de l'année ; b) être versées au receveur des contributions dans le délai imparti ; c) en outre, lorsqu'il s'agit de retenues complémentaires visées au n° 158 :  soit, représenter une quotité uniforme du précompte professionnel dû, calculé comme il est indiqué aux
 soit, représenter la différence entre le montant calculé à un taux forfaitaire pour l'année entière et le précompte professionnel calculé conformément aux parties 2 et 3. BIJLAGE IIIbis bij het KB/WIB 92
Lijst van de codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikelen 90, § 3 en 952, § 3, a, KB/WIB 92
01 koopvaardij (Art. 2752, WIB 92)
02 bagger (Art. 2752, WIB 92)
03 zeesleepvaart (Art. 2752, WIB 92)
04 zeevisserij (Art. 2754, WIB 92)
05 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 1ste lid, WIB 92)
06 ploegenpremies en nachtpremies (Art. 2755, WIB 92)
06 …
07 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 2de lid, WIB 92)
09 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 1°, WIB 92)
31 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 2°, WIB 92)
32 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 3°, WIB 92) – diploma’s art. 2753, § 2, 1°, WIB 92
33 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 3°, WIB 92) – diploma’s art. 2753, § 2, 2°, WIB 92
34 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 6de lid, WIB 92) – diploma’s art. 2753, § 2, 3° en 4°, WIB 92
41 sportbeoefenaars (Art. 2756, 1ste lid, WIB 92)
42 sportbeoefenaars (Art. 2756, 2de lid, WIB 92)
43 … (opgeheven) 44 overwerk - eerste 130 uren - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en zesde lid, WIB 92)
45 overwerk - eerste 130 uren - 20 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje, en zesde lid, WIB 92)
46 algemene regel (Art 2757, derde lid, b, 1° en c, WIB 92)
48 sportbeoefenaars – niet inwoner (Art. 2756, 1ste en 7de lid, WIB 92)
49 sportbeoefenaars – niet inwoner (Art. 2756, 2de en 7de lid, WIB 92)
51 overwerk - werk in onroerende staat - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje en achtste lid, eerste streepje, WIB 92)
52 overwerk - werk in onroerende staat - 20 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje en achtste lid, eerste streepje, WIB 92)
53 volcontinu ploegenarbeid (Art. 2755, § 3, WIB 92)
54 algemene regel (Art. 2757, derde lid, b, 2°, WIB 92)
55 overwerk - hotelbedrijf - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en negende lid, WIB 92)
56 algemene regel (Art. 2757, 3de lid, a, WIB 92)
57 ploegenarbeid werken in onroerende staat (Art. 2755, § 5, WIB 92)
58 overwerk - optrekking tot 180 uren - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en zevende lid, WIB 92)
59 overwerk - optrekking tot 180 uren - 20 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje, en zevende lid, WIB 92)
60 starters (Art. 27510, 1e lid, WIB 92)
61 starters (Art. 27510, 4de lid, WIB 92)
62 starterjobs voor jongeren (Art. 27511, WIB 92)
63 ploegenarbeid systeemvaart (Art. 2755, § 4, WIB 92)
64 opleiding van werknemers (Art. 27512, § 1, WIB 92)
74 ploegenarbeid (Art. 2755, § 1, WIB 92)
75 nachtarbeid (Art. 2755, § 2, WIB 92)
76 gelegenheidsarbeid fruit- en groenteteelt (art. 27513, WIB 92)
77 werkgevers die schade hebben geleden ten gevolge van een natuurramp (art. 2759/1, § 2, WIB 92)
80 steunzone- niet behoud van arbeidsplaats gedurende de minimale behoudsduur (Art. 2758, § 1, zesde lid, WIB 92)
81 steunzone (Art. 2758, § 1, eerste lid, WIB 92)
82 overwerk - wegen- of spoorwerkwerken - 20 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje en achtste lid, tweede streepje, WIB 92)
83 overwerk - wegen- of spoorwerkwerken - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje en achtste lid, tweede streepje, WIB 92)
90 steunzone - niet behoud van arbeidsplaats gedurende de minimale behoudsduur (Art. 2759, § 1, zesde lid, WIB 92)
91 steunzone (Art. 2759, § 1, eerste lid, WIB 92) Bijzondere regels met betrekking tot de toepassing van de codes voor overwerk
De in artikel 2751, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde werkgever kan in geval van overwerk gepresteerd door zijn werknemer de toepassing van de in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel vragen door middel van:
de overlegging van een in artikel 952, § 3, - bedoelde aangifte met vermelding van de code '51', '52', '55', '58' of '59', wanneer deze werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer reeds de toepassing heeft gevraagd van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 130 uren aan overwerk door middel van de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '44' of '45';
de overlegging van een in artikel 952, § 3, - bedoelde aangifte met vermelding van de code '82' of '83', indien deze werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer nog geen toepassing heeft gevraagd van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk door middel van de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '44', '45', '51', '52', '55', '58' of '59'. BIJLAGE IIIter VAN HET KB/WIB 92
Modaliteiten na te leven door de in artikel 952, § 1, KB/WIB 92 bedoelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing
De in artikel 952, § 1, derde lid, 1°, I. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag, de berekeningsgrondslag van deze overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 2°, II. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten de volgende documenten ter beschikking houden van de administratie :
1. wat de in België geregistreerde schepen betreft :
- een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt ;
- een nominatieve lijst per schip met de vermelding van :

1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing ;
voor elke in artikel 2752, § 2, van het 2° Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 vermelde werk- nemer : a) de volledige identiteit, met inbegrip van het volledige adres van zijn woonplaats alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer ;
b) de functie aan boord van het schip of een omschrijving van de aan boord verrichte werkzaamheden ;
c) in voorkomend geval, de data van aan- en afmonstering ;
d) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen ;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing ;
f) in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoor- heffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is;

3° wat de bagger- of sleepvaartsector betreft, alle dienstige informatie waaruit blijkt dat de betrokken werknemer gedurende de periode waarop de aangifte in de bedrijfsvoorheffing betrekking heeft, was tewerkgesteld op een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde zeewaardige boot of schip met eigen voorstuwing die ingericht is voor het vervoer van lading over zee, of voor het verlenen van bijstand op zee en die ten minste gedurende 50 pct. van de bedrijfstijd in dezelfde periode, de in artikel 2752, § 4, derde en vierde lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde werkzaamheden op zee heeft verricht;

4° …



5° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing ;
2. wat de in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen betreft :
- een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt of een document vergelijkbaar met die zeebrief, waaruit onomstotelijk blijkt dat het betreffende schip in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is geregistreerd ;
- een nominatieve lijst per schip met daarop dezelfde gegevens als vermeld onder punt 1, tweede streepje.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, III. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst per instelling ter beschikking van de administratie houden met vermelding van :
a) de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing ;
a/1) voor de ondernemingen beoogd in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, g, het bewijs dat zij op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschappen kunnen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald;
bovendien voor elke in artikel 952, § 1, derde b) lid, 3°, bedoelde werknemers :
- de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer ; - in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld ;
- de bevestiging dat een arbeidsovereenkomst werd afgesloten of een tewerkstellingsbesluit werd getroffen ;
- het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen ;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing ;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, a c) en b, bedoelde werknemers het bewijs dat de betrokken werknemer, naargelang het geval, een assistent-onderzoeker of een postdoctorale onderzoeker is ;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, c, d) bedoelde werknemer, het bewijs dat de betrokken werknemer, als onderzoeker tewerkgesteld is in een onderzoeksproject ;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, d, e) bedoelde werknemer, het bewijs dat de betrokken werknemer, naargelang het geval, onderzoeker, onderzoekstechnicus of projectbeheerder inzake onderzoek en ontwikkeling is ;
Onder onderzoeker wordt verstaan, wetenschappers of ingenieurs die werken aan de ontwikkeling of de uitvinding van kennis, producten, processen, nieuwe methoden of systemen. Zijn gelijkgesteld met ingenieurs, de bezoldigden die zonder het diploma te hebben, deze kwalificatie hebben behaald in de schoot van hun onderneming ; Onder onderzoekstechnicus wordt verstaan, de personen die in nauwe samenwerking werken met de onderzoekers om de noodzakelijk technische ondersteuning te leveren bij experimenteel onderzoeks- en ontwikkelingswerk ;
Onder projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling wordt verstaan, de personen die de leiding hebben over organisatie, coördinatie en planning van het project zowel op administratief, juridisch, financieel als technologisch vlak.
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, e, f) bedoelde werknemer :
- het bewijs dat de betrokken werknemer, onderzoeker is die een diploma heeft voorzien in artikel 2753, § 2, 1° of 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ;
- het bewijs dat hij tewerkgesteld is in onderzoeks- en ontwikkelings- programma's ;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, f, f/1) bedoelde werknemer :
- het bewijs dat de betrokken werknemer, onderzoeker is die een diploma heeft voorzien in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
- het bewijs dat hij tewerkgesteld is in onderzoeks- en ontwikkelings- programma's;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, g, f/2) bedoelde werknemer:
- het bewijs dat de betrokken werknemer, onderzoeker is die een diploma heeft voorzien in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
- het bewijs dat hij tewerkgesteld is in onderzoeks- en ontwikkelings- programma's; g) het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
g/1) in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is;
voor elke in artikel 952, § 1, derde lid, 3°, c, h) d en e, bedoelde schuldenaar, het bewijs van aanmelding van de projecten of programma's bij de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, zoals voorzien bij artikel 2753, § 3, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 4°, IV. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten de volgende documenten ter beschikking houden van de administratie :
1. wat de in België geregistreerde schepen betreft :
- ter gelegenheid van de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing die ter uitvoering van deze bepalingen wordt ingediend, een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt ;
- een nominatieve lijst per schip met de vermelding van :

1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing ;
voor elke in artikel 2754, eerste 2° lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer ; b) de functie aan boord van het schip of een omschrijving van de aan boord verrichte werkzaam- heden ;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld ;
d) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen ;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoor- heffing ;
f) een gedetailleerde berekening van de in artikel 2754, tweede lid van het voormelde Wetboek bedoelde fictieve bedrijfsvoorheffing ;

3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoor- heffing ;

4° het totaal bedrag van de forfaitaire bezoldigingen en van de fictieve bedrijfsvoorheffing ;
2. wat de in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen betreft :
- een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt of een document vergelijkbaar met die zeebrief, waaruit onomstotelijk blijkt dat het betreffende schip in een lidstaat van de Europese Unie is geregistreerd. Dit document moet steeds worden toegevoegd ; - een nominatieve lijst per schip met daarop dezelfde gegevens als vermeld onder 1, tweede streepje hiervoor.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 5°, a) en c) V. bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin per maand, voor elke werknemer die ploegenarbeid heeft verricht:
- de volledige identiteit;
- het aantal effectief in ploegenarbeid gepresteerde arbeidsuren waarvoor de werknemer eveneens een ploegenpremie heeft verkregen;
- in voorkomend geval, het aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkom- stig zijn arbeidsregeling, zou tewerkgesteld zijn in ploegenarbeid en hiervoor eveneens een ploegenpremie zou hebben verkregen;
- het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren;
- in voorkomend geval, het totaal aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald;
- de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vastgestelde belastbare bezoldigingen die aan de werknemer wordt betaald of toegekend, met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaars- premie en de achterstallige bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing; - het bedrag van de ploegenpremie die voor de geleverde prestaties van die maand werd betaald of toegekend.
Indien de schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid, houdt deze de in artikel 954/2, tweede lid, bedoelde overeenkomst evenals de in artikel 954/2, tweede lid, eerste streepje, bedoelde verklaringen ter beschikking van de administratie.
V/1. De in artikel 952, § 1, derde lid, 5°, b, bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin per maand, voor elke werknemer die nachtarbeid heeft verricht:
- de volledige identiteit;
- het aantal effectief in nachtarbeid gepresteerde arbeidsuren waarvoor de werknemer eveneens een nachtpremie heeft verkregen;
- het aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkom- stig zijn arbeidsregeling, zou tewerkgesteld zijn in nachtarbeid en hiervoor eveneens een nachtpremie zou hebben verkregen;
- het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren;
- het totale aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereen- komst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald; - de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vastge- stelde belastbare bezoldigingen die aan de werknemer wordt betaald of toegekend, met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaars- premie en de achterstallige bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- het bedrag van de nachtpremie die voor de geleverde prestaties van die maand werd betaald of toegekend.
Indien de schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid, houdt deze de in artikel 954/2, tweede lid, bedoelde overeenkomst evenals de in artikel 954/2, tweede lid, eerste streepje bedoelde verklaringen ter beschikking van de administratie.
V/2. De in artikel 952, § 1, derde lid, 5°, d), bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin per maand, voor elke werknemer die in de systeemvaart is tewerkgesteld:
- de volledige identiteit;
- het percentage van de werktijd waarin de werknemer in het regime van de systeemvaart is tewerkgesteld;
- de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vastgestelde belastbare bezoldigingen die aan de werknemer wordt betaald of toegekend, met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaars- premie en de achterstallige bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing; - het bedrag van de systeemvaartpremie die voor de geleverde prestaties van die maand werd betaald of toegekend.
Indien de schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid, houdt deze de in artikel 954/2, tweede lid, bedoelde overeenkomst evenals de in artikel 954/2, tweede lid, eerste streepje bedoelde verklaringen ter beschikking van de administratie.
V/3. De in artikel 952, § 1, derde lid, 5°, e), bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin per maand, voor elke werknemer die in ploegverband werken in onroerende staat op locatie heeft verricht:
- de volledige identiteit;
- het aantal effectief gepresteerde arbeidsuren waarin in ploegverband werken in onroerende staat op locatie werden verricht;
- in voorkomend geval, het aantal uur waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkom- stig zijn arbeidsregeling, werken in onroerende staat op locatie zou hebben verricht, en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald;
- het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren;
- in voorkomend geval het totale aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald;
- de identificatie van de locatie of locaties waar de werknemer in ploegverband de werken in onroerende staat op locatie heeft verricht; - de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vastge- stelde belastbare bezoldigingen die aan de werknemer wordt betaald of toegekend, met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaars- premie en de achterstallige bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- het bedrag van het betaalde of toegekende bruto-uurloon, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage.
Deze schuldenaars houden voor elke locatie waar in ploegverband de werken in onroerende staat worden verricht, het bewijs ter beschikking van de administratie dat:
- ofwel de aanmelding bij de Rijksdienst van Sociale Zekerheid werd gedaan overeenkomstig artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
- ofwel artikel 30bis van de voormelde wet van 27 juni 1969 geen aanmelding vereist.
Indien de schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid, houdt deze de in artikel 954/2, tweede lid, bedoelde overeenkomst evenals de in artikel 954/2, tweede lid, eerste streepje bedoelde verklaringen ter beschikking van de administratie.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 6°, VI. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten ter beschikking houden van de administratie :

1° wat de sportbeoefenaars betreft die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt : - de volledige identiteit ;
- in voorkomend geval, het nationaal nummer ;
- het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen ;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing ;
- het bewijs dat gedurende de periode waarop de vrijstelling betrekking heeft, de sportbeoefenaars aan wie die bezoldigingen werden betaald of toegekend, sportprestaties hebben geleverd voor de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing.
- in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is;

2° wat de niet in 1° bedoelde sportbeoefenaars betreft :
- de volledige identiteit ;
- in voorkomend geval, het nationaal nummer ;
- het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen ;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing ;
- het bewijs dat gedurende de periode waarop de vrijstelling betrekking heeft, de sportbeoefenaars aan wie die bezoldigingen werden betaald of toegekend, sportprestaties hebben geleverd voor de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing;
- het bewijs dat 55 pct. van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing werd besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars zoals omschreven in artikel 2756, tweede en derde lid, van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992;
- in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is.
VII. De in artikel 952, § 1, derde lid, 7°, bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer :
- de volledige identiteit ;
- het nationaal nummer ;
- het totaal bedrag van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen ;
- het totaal bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen.
In voorkomend geval moeten deze schuldenaars de nominatieve lijst opsplitsen in een lijst met de werknemers beoogd in artikel 952, § 1, tweede lid, en een lijst met de andere werknemers.
VIII. De in artikel 952, § 1, derde lid, 8° en 9°, bedoelde werkgevers, hiermee gelijk- gestelde vennootschappen en onderne- mingen die erkend zijn voor uitzendarbeid:
De werkgevers, de hiermee gelijkgestelde vennootschappen, evenals de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die in de plaats van de werkgever de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing verkrijgen, houden voor elke investering waarvoor een formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is overgelegd de volgende gegevens en documenten ter beschikking van de administratie:
a) de volledige identiteit van de werkgever of in voorkomend geval de hiermee gelijkgestelde vennootschap met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing;
b) een kopie van het geldig overgelegde formulier, bedoeld in artikel 2758, § 5, van het hetzelfde Wetboek;
c) een overzicht van het gemiddelde aantal werknemers, uitgedrukt in voltijds equivalenten, die zijn tewerkgesteld in de inrichting waar de investering is verricht, met inbegrip van de uitzendkrachten die door een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid in deze inrichting worden tewerkgesteld, voor elk belastbaar tijdperk dat werd afgesloten vanaf de 12de maand voorafgaand aan de overlegging van het in artikel 2758, § 5, van hetzelfde Wetboek, bedoelde formulier.
De werkgevers, de hiermee gelijkgestelde vennootschappen en de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid houden een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie met daarin voor elke werknemer die een door hen betaalde of toegekende in artikel 952, § 1, derde lid, 8° en 9°, bedoelde bezoldiging ontvangt:
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) de datum van indiensttreding en in voorkomend geval de datum van uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
c) een verwijzing naar één van de nieuwe arbeidsplaatsen vermeld op het door de werkgever op geldige wijze overgelegde formulier bedoeld in artikel 2758, § 5, van hetzelfde Wetboek, die door deze werknemer wordt ingevuld, evenals de datum van de eerste invulling van deze arbeidsplaats.
het bedrag van de in artikel 2758, § 4, van d) hetzelfde Wetboek, bedoelde betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing;
f) in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is.
De werkgevers, de hiermee gelijkgestelde vennootschappen en de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid houden voor elke werknemer aan wie zij een in artikel 952, § 1, derde lid, 8° en 9°, bedoelde bezoldiging betalen of toekennen, de volgende documenten ter beschikking van de administratie:
a) …
b) een kopie van de arbeidsovereenkomst gesloten tussen deze werknemer en de werkgever of de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid;
c) een door de werknemer ondertekende taakbeschrijving;
d) een document, aangevuld met de nodige bewijsstukken, waarin het verband wordt aangetoond tussen de door de werkgever verrichte investering die werd vermeld op het in artikel 2758, § 5, van hetzelfde Wetboek bedoelde formulier en de ten gevolge van deze investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die wordt ingevuld door deze werknemer.
VIII/1. De in artikel 952, § 1, derde lid, 9° /1, bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer aan wie een bezoldiging wordt betaald of toegekend waarvan de ingehouden bedrijfsvoorheffing op grond van 2759/1 artikel van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gedeeltelijk niet aan de Schatkist wordt doorgestort: - de volledige identiteit;
- het nationaal nummer;
- de in de arbeidsovereenkomst voorziene plaats van tewerkstelling;
- de plaats waar de prestaties daadwerkelijk werden geleverd, indien deze afwijkt van de in de arbeidsovereenkomst voorziene plaats van tewerkstelling;
- het bedrag van de in aanmerking komende betaalde of toegekende bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 10°, IX. bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer :
- de volledige identiteit;
- het nationaal nummer;
- het bedrag van de betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
- in voorkomend geval, het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal op deze bezoldigingen verschuldigd is.
Deze schuldenaars moeten tevens het bewijs ter beschikking van de administratie houden dat ze voldoen aan de voorwaarden als vermeld in artikel 27510, tweede en, desgevallend, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De in artikel 952, § 1, derde lid, 11°, X. bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke jonge werknemer aan wie een compenserende toeslag als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid wordt betaald of toegekend:
- de volledige identiteit;
- het nationaal nummer;
- het bedrag van de betaalde of toegekende compenserende toeslag.
De in artikel 952, § 1, derde lid, 12°, XI. bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke betrokken werknemer:
- de volledige identiteit;
- het nationaal nummer;
- de gevolgde opleiding;
- de data waarop de opleiding werd gevolgd;
- het bedrag van de betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen van de kalendermaand als vermeld in artikel 27512, § 4;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing.
XII. De in artikel 952, § 1, derde lid, 13°, bedoelde schuldenaars:
Deze schuldenaars moeten de volgende documenten ter beschikking houden van de administratie:

1° documenten die aantonen dat de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighoudt met fruitteelt of groenteteelt;

2° een nominatieve lijst met daarin per maand voor elke gelegenheidsarbeider:
- de volledige identiteit van de gelegenheidsarbeider alsmede, naar gelang het geval, zijn nationaal nummer of bis- identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
- het bedrag van de aan de gelegenheidsarbeider betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- het totaal aantal uren gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt waarvoor in de betrokken maand voor het eerst bezoldigingen worden betaald of toegekend. BIJLAGE IIIquater VAN HET KB/WIB 92
Lijst van de erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
(artikel 2753, tweede lid, WIB 92)
Erkenning met ingang van 1 juli 2004 :
- Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch Onderzoek ; - Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provincies ; - Association pour la Recherche avancée en Microélectronique et Intégration de Systèmes ; - Babbage Institute for Knowledge and Information Technology ; - Koninklijke Bibliotheek van België ; - Biomed ; - Born-Bunge Stichting v.z.w. ; - Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG ; - Centre d'économie rurale de Marloie ; - Centrum voor onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie ; - Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij ; - Studiecentrum voor Kernenergie - Mol ; - Centre de Recherches argonomiques de Gembloux ; - Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek der Belgische Keramische Nijverheid ; - Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw ; - Centrum voor het Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Metaalverwerkende Nijverheid ; - Centrum voor Technisch en Wetenschappelijk Onderzoek van de Leerlooierijen, Schoen-, Pantoffel- en andere Lederverwerkende nijverheden ; - Internationaal Centrum voor de Studie van de Middeleeuwse Schilderkunst in het Schelde- en het Maasbekken ; - Centre international de Recherches et d'Information sur l'Economie publique, sociale et coopérative ; - Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Cementnijverheid ; - Centre provincial d'Essais industriels ; - Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant ; - Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid ; - Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf ; - Centrum voor het Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Groentenconserven ; - Technisch Centrum van de Houtnijverheid ; - Technisch en Wetenschappelijk Centrum van de Brouwerij, de Mouterij en Aanverwante Nijverheden ; - Centrum voor Technisch en Wetenschappelijk Onderzoek der Springstoffennijverheid ; - Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën ; - Instituut voor landbouw en visserijonderzoek; - Eigen vermogen van het instituut voor landbouw en visserijonderzoek; - European Organisation for Research and Treatment of Cancer ; - Fondation universitaire luxembourgeoise ; - … ; - Afrika-instituut/Afrikaans studie- en documen- tatiecentrum ; - Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie ; - Europees Instituut voor Management- wetenschappen ; - Nationaal Geografisch Instituut ; - Institut international de Chimie-Physique- Solvay ; - Ludwig Instituut voor Onderzoek tegen Kanker ; - Nationaal Instituut voor Criminalistiek ; - Nationaal Instituut voor Radio-Elementen ; - Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen ; - Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium ; - Koninklijk Meteorologisch Instituut van België ; - Wetenschappelijk instituut Volksgezondheid ; - Institut scientifique de Service public ; - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek ; - … ; - Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek ; - Instituut voor ontwikkelingsbeleid en -beheer ; - International Institute of Cellular and Molecular Pathology-AIBS ; - Interuniversitair Centrum voor Micro- Electronica ; - Nationale Plantentuin van België ; - Koninklijk Museum voor Schone Kunsten- Antwerpen ; - Koninklijk Maatschappij voor Dierkunde ; - Langzaam Verkeer ; - Koninklijk Museum voor Midden-Afrika ; - Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis ; - Musée royal de Mariemont ; - Koninklijk Musea voor Kunst en Geschiedenis ; - Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België ; - Koninklijke Sterrenwacht van België ; - Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen ; - Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde te Antwerpen ; - Provinciaal Centrum voor Opsporing van Metabole aandoeningen ; - Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw ; - Station de Recherches forestières ; - Stichting Technologie Vlaanderen ; - Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie ; - Vlaamse Compostorganisatie ; - Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek ; - Von Karman Institute for Fluid Dynamics ; - Centrum voor Research in de Metallurgie ; - Researchinstituut voor Bekledingen, Verven en Inkten ; - Belgisch Instituut voor Lastechniek ; - Meurice R & D v.z.w. Erkenning met ingang van 1 januari 2006 :
- Agro Food Valley ;
- Centre d'Etude et de Documentation de l'Environnement (CEBEDEAU) ; - Centre d'Etudes wallon de l'Assemblage et du Contrôle des matériaux (CEWAC) ; - Centre d'Excellence en Technologie de l'Information et de la Communication (CETIC) ; - Centre de Recherche en Aéronautique (CENAERO) ; - Centre de Recherche en Défense sociale ; - Centre de Recherche et de Contrôle Textile, Environnement, Agro-Alimentaire et Papetier (CELABOR) ; - Centre de Ressources technologiques en Chimie (CERTECH) ; - Centre technologique de la Terre et de la Pierre ; - College of Europe ; - D. Collen Research Foundation ; - Flanders Drive ; - Flanders Material Centre (Flamac) ; - Flanders' Mechatronics Technology Centre ; - Interuniversitair Instituut voor Breedbandtechnologie (IBBT) ; - Institut national interuniversitaire des Silicates, Sols et Matériaux (INISMa) ; - Institut wallon de l'Evaluation, de la Prospective et de la Statistique (IWEPS) ; - International Bureau for Environmental Studies (IBES) ; - De Vrienden van het Instituut Pasteur van Brussel ; - Materia Nova ; - Multitel ; - Universitair Ziekenhuis Gent ; - Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) ; - Vlaams Instituut voor de Zee ; - Vlaams Kunststof Centrum.
Erkenning met ingang van 1 april 2007 :
- Biovallée ; - Federaal Planbureau ; - Centre de Recherche et d'Information socio- politiques (CRISP) ; - Centre de Recherche sur l'Enseignement des Mathématiques ; - Centre d'Economie rurale ; - Cluster van Staalplaatproducenten en Verwerkers (CLUSTA) ; - Flanders Food ; - Fraunhofer-Gesellschaft zur Farderung der angewandten Forschung e.V (Duitsland) ; - Incubatiepunt Geoinformatie (INCGEO) ; - Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid ; - Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet (KBIVB) ; - Kind en Samenleving ; - La Cambre (Inst. Supérieur d'Architecture) ; - Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek- TNO (Nederland) ; - PC Fruit ; - Research in Advanced medical Informatics and Telematics (Ramit) ; - Vlaams Electro en Innovatiecentrum (VEI) ; - Vlaams Innovatiecentrum voor Grafische Communicatie (VIGC) ; - Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed ; - Universitair Ziekenhuis Antwerpen ; - Anti-Persoonsmijnen Ontmijnende Productontwikkeling (APOPO) ; - KaHo Sint-Lieven R&D. Erkenning met ingang van 1 juli 2008 :
- Centre hospitalier universitaire de Liège ; - Cliniques universitaires Saint-Luc ; - Musée juif de Belgique - Joods Museum van België ; - Fondation de la Mémoire contemporaine - Stichting voor de Eigentijdse Herinnering ; - Centre d'Etude, de Recherche et d'Action en Architecture-Saint-Luc de Bruxelles ; - Proefcentrum voor Sierteelt ; - Proefstation voor de Groenteteelt ; - Proefcentrum Hoogstraten ; - L'Observatoire du Crédit et de l'Endettement ; - Institut de Pathologie génétique ; - Institut de Recherche de l'Institut supérieur industriel de Bruxelles ; - Centre de Recherche et de Développement de l'ECAM ; - Société des Bollandistes.
Erkenning met ingang van 1 januari 2009 :
- Ziekenhuisvereniging van Brussel en van Schaarbeek - Universitair Verplegingscentrum Brugmann ; - Kristelijke Mutualistische Solidariteit VZW.
Erkenning met ingang van 1 april 2010 :
- Centre d’expertise et de Ressources pour l’Enfance (CERE) ASBL; - Vormingscentrum voor de begeleiding van het jonge kind (VBJK) VZW; - Association internationale de la Savonnerie, de la Détergence et des Produits d’Entretien (AISE) ASBL; - Centrum voor Innovatie en Stimulatie van Medicijnontwikkeling Leuven (CISTIM Leuven) VZW; - Bodemkundige Dienst van België VZW.
Erkenning met ingang van 1 januari 2012 :
- Nationale Proeftuin voor Witloof ; - BB-consult ; - Provinciaal Proefcentrum voor de Groententeelt Oost-Vlaanderen ; - Passiefhuis-Platform.
Erkenning met ingang van 1 januari 2013 :
- Natuurpunt Studie ; - Natagora ; - Brussels Heart Center ; - Dierengezondheidszorg Vlaanderen ; - Vlaams Centrum voor Bewaring van Tuinbouwproducten ; - Inagro ; - Vlaams Gebarentaalcentrum ; - Amsab - Instituut voor Sociale Geschiedenis ; - Observatoire social européen - Association pour le droit des Etrangers ; - Belgische Rode Kruis - Transfusion Research Center.
Erkenning met ingang van 1 mei 2013 :
- Centre de Documentation et de Coordination Sociales - Centrum voor Maatschappelijke Documentatie en Coördinatie ; - Agrobeheercentrum Ecokwadraat. BIJLAGE IV VAN HET KB/WIB 92
Bijlage IV van het KB/WIB 92 werd opgeheven vanaf 28.12.2006 door het KB van 11.12.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 tot uitvoering van de wet van 23.12.2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de wet van 25.06.2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal (BS 18.12.2006 – V 3599 - Bull. 876)
BIJLAGE V VAN HET KB/WIB 92
Bijlage V van het KB/WIB 92 werd opgeheven m.b.t. de vanaf 1.1.1992 betaalde of toegekende interesten door het KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92 (BS 29.10.1993 - V 2273 – B 733). OVEREENSTEMMINGSTABELLEN - TABLES DE CONCORDANCES
KB/WIB en andere bepalingen
AR/CIR et autres dispositions
Artikel KB/WIB Article AR/CIR
1 1bis 2 3 3bis 4 5 6 7 8 9 9bis 9ter 9quater 10 11 12 12bis 12ter 12quater Artikel KB/WIB Article AR/CIR
12quinquies 12sexies 12septies 12octies 12novies 13 13bis 13ter 13quater 13quinquies 13sexies 13septies 14 14bis 14ter 14quater 14quinquies 14sexies 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
33 33bis 33ter 33quater 33quinquies 33sexies 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 47bis 47ter 47quater 47quinquies 47quinquies/1 47sexies 47septies 47octies 47novies 48 48bis 49 49bis 49ter 50 51 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
52 53 54 55 56 57 57bis 58 59 60 61 62 63 64 64bis 64ter 64quater 64quinquies 64sexies 64septies 64octies 65 66 67 68 69 69bis 70 71 72 73 74 75 76 77 78 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 89bis 90 91 92 93 94 95 96 96bis 97 97bis 97ter 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
111 112 113 114 115 116 116bis 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
145bis 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 164bis 165 166 167 168 169 170 170bis 171 172 173 174 175 176 177 178 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 202 203 204 205 206 207 208 209 210 211 212 213 214 Artikel KB/WIB Article AR/CIR
215 216 217 217bis 218 219 220 221 222 223 224 225 226 227 227bis 227ter 227quater 227quinquies 228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 237bis 237ter 237quater 237quinquies 238 238bis 238ter 238quater Artikel KB/WIB Article AR/CIR
238quinquies 238sexies 239 240 241 242 243 244 245 246 247 247bis 247ter 247quater 247quinquies 247sexies 247septies 247octies 247nonies 248 249 250 Bijlage KB/WIB Annexe AR/CIR
I II III IV V VI VII VIII IX X Andere bepalingen Autres dispositions
KB/AR 17.1.1989, art. 1
KB/AR 17.4.1990
KB/AR 6.2.1989, art. 1
KB/AR 6.2.1989, art. 2 KB/WIB 1992  KB/WIB en andere bepalingen
AR/CIR 1992  AR/CIR et autres dispositions
KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
1 1 2 3bis 3 1bis 4 2 5 3 6 13 7 13bis 8 13ter 9 13quater 10 13quinquies 11 13sexies 12 64ter 13 64quater 14 64quinquies 15 64sexies 16 64septies 17 14 18 9quater 19 10 20 11 21 12 22 4 23 5 24 6 25 7 26 8 27 9 28 43 29 42 30 14bis 31 14ter KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
32 14quater 33 14quinquies 34 33quinquies 35 33sexies 36 34 37 35 38 36 39 37 40 38 41 39 42 40 43 41 44 12bis 45 12ter 46 12quater 47 12sexies 48 12octies 49 12septies 50 44 51 45 52 46 53 47 54 47bis 55 47sexies 56 47octies 57 47ter 58 47quinquies 59 47quater 60 47quinquies/1 61 62 47septies 63 47novies 64 48bis 65 49 66 49bis 67 50 68 51 69 52 70 53 KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
71 54 72 55 73 57 74 65 75 66 76 67 77 68 78 69 79 69bis 80 74 81 75 82 76 83 98 84 99 85 100 86 112 87 113 88 114 89 115 90 116 91 117 92 118 93 119 94 120 95 124 96 79 97 80 98 81 99 82 100 83 101 86 102 71 103 72 104 73 105 87 106 88 107 89 108 89bis 109 90 KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
110 91 111 92 112 93 113 94 114 95 115 96 116 96bis 117 97 118 97bis 119 97ter 120 125 121 132 122 133 123 137 124 138 125 141 126 142 127 143 128 171 129 172 130 173 131 174 132 175 133 176 134 177 135 178 136 180 137 181 138 182 139 183 140 184 141 185 142 186 143 187 144 188 145 194 146 195 147 196 148 197 KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
149 198 150 199 151 200 152 201 153 202 154 203 155 205 156 206 157 207 158 208 159 209 160 210 161 211 162 212 163 213 164 215 165 216 166 217bis 167 218 168 220 169 221 170 222 171 223 172 224 173 225 174 226 175 227 176 238 177 170bis 178 144 179 145bis 180 181 182 146 183 147 184 148 185 149 186 150 187 151 KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
188 152 189 153 190 154 191 155 192 156 193 157 194 158 195 159 196 160 197 161 198 162 199 163 200 164 201 164bis 202 165 203 166 204 167 205 168 206 170 207 227bis 208 227ter 209 227quater 210 227quinquies 211 228 212 229 213 230 214 231 215 232 216 233 217 234 218 235 219 236 220 237 221 237bis 222 237ter 223 237quater 224 237quinquies 225 238bis 226 238ter KB/WIB 1992 KB/WIB AR/CIR 1992 AR/CIR
227 238quater 228 238quinquies 229 238sexies 230 239 231 240 232 241 233 242 234 247bis 235 15 236 16 237 17 238 18 239 19 240 20 241 21 242 22 243 23 244 24 245 25 246 26 247 27 248 28 249 29 250 30 251 31 252 32 253 33 Bijlage KB/WIB 1992 Annexe AR/CIR 1992
I II III IV V HISTORIEK PER ARTIKEL VAN HET KB/WIB 92
Deze tabel vermeldt in :
kolom 1 : het art. (of de bijlage) van het KB/WIB 92 dat werd aangepast;
de basistekst van de artikelen is de tekst zoals vermeld in de bijlage van het KB van 27.08.1993 tot uitvoering van het WIB 92 (BS 13.09.1993 - V 2265); (met inbegrip van voormeld KB van 27.08.1993) aangepast werden opgenomen
kolom 2 :
de datum van het KB dat het art. KB/WIB 92, vermeld in kolom 1, heeft aangepast
kolom 3 :
de datum van het BS waarin het KB, dat in kolom 2 is vermeld, werd gepubliceerd
kolom 4 :
het nr. van de Bestuurlijke Verzameling waarin het KB, dat in kolom 2 is vermeld, werd gepubliceerd (tot 31.12.2006)
kolom 5 :
het art. van het KB, vermeld in kolom 2, dat het in kolom 1 vermelde art. heeft aangepast
kolom 6 :
het voorwerp van de bijwerking
kolom 7 :
de inwerkingtreding van de bijwerking ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 1 22.10.1993 29.10.1993 2273
18.02.1994 26.02.1994 2294 20.03.1995 13.05.1995 2384 06.03.1996 19.03.1996 2446 26.02.1997 13.03.1997 2497 17.12.1998 26.01.1999 2650 err. 05.03.1999 29.10.1999 17.12.1999 2772 23.11.2000 12.12.2000 2879 04.02.2002 13.02.2002 3015 23.01.2003 06.02.2003 3117 ed. 2 30.07.2003 29.08.2003 3211 ed. 3 16.06.2004 24.06.2004 3344 ed. 2 13.06.2005 17.06.2005 3452 ed. 2 19.05.2006 29.05.2006 3558 12.02.2007 19.02.2007 11.03.2008 18.03.2008 05.02.2009 13.02.2009 ed. 2 11.02.2010 19.02.2010 ed. 3 09.02.2011 16.02.2011 12.03.2012 16.03.2012 18.07.2013 24.07.2013 ed. 2 19.05.2014 26.05.2014 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 29.10.2015 06.11.2015 ed. 2 17.11.2016 29.11.2016 18.07.2017 04.08.2017 24.06.2018 03.07.2018 03.04.2019 19.04.2019 ed. 2 15.03.2020 23.03.2020 18.07.2021 23.07.2021 ed. 3 1bis 05.08.2006 18.08.2006 3575 ed. 2 err. 12.09.2006 22.04.2019 07.05.2019 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
2 13.10.1997 30.10.1997 2535
13.10.1997 30.10.1997 2535
31.12.1999 11.01.2000 2794
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
01.07.2006 10.07.2006 3567
30.07.2008 05.08.2008 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 07.12.2008 22.12.2008 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 21.09.2013 27.09.2013 ed. 2
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
2bis 28.04.2017 09.05.2017
28.06.2019 08.07.2019 2ter 23.03.2019 05.04.2019 ed. 2 3 W 16.07.2008 30.07.2008 ed. 2 29.08.2019 13.09.2019
4 12.08.1994 10.09.1994 2336
W 16.07.2008 30.07.2008 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 PW 26.12.2022 30.12.2022
5 W 16.07.2008 30.07.2008 ed. 2 6 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
7 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
8 01.01.2022 01.03.2022
9 01.01.2022 01.03.2022 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 10 20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
01.01.2022 01.03.2022 11 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 12 13.07.2001 11.08.2001 2959
29.08.2019 13.09.2019
15 29.08.2019 13.09.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 16 29.08.2019 13.09.2019
17/1 05.03.2022 10.03.2022
01.09.2022 19.09.2022
17/2 05.03.2022 10.03.2022
01.09.2022 19.09.2022
18 22.10.1993 29.10.1993 2273 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
18.02.1994 26.02.1994 2294
07.03.1995 16.03.1995 2372
05.04.1995 13.05.1995 2386
06.03.1996 19.03.1996 2446 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 17.03.1997 27.03.1997 2501
20.05.1997 10.06.1997 2509
12.06.1997 21.08.1997 2523
02.06.1998 20.06.1998 2577
07.12.1998 23.12.1998 2626
07.12.1998 23.12.1998 2626
21.04.1999 07.05.1999 2687 ed. 2
25.04.2000 09.05.2000 2817
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 16.03.2001 10.04.2001 2923 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
08.03.2002 19.03.2002 3028 ed. 3
21.02.2003 06.03.2003 3128 ed. 2
25.03.2003 31.03.2003 3212 ed. 2
25.03.2003 04.04.2003 3140 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 19.02.2004 27.02.2004 3312 ed. 3
16.02.2005 24.02.2005 3418
17.03.2006 24.03.2006 3537
01.09.2006 15.09.2006 3581 11.12.2006 18.12.2006 3599
13.02.2007 23.02.2007 ed. 2
25.02.2008 29.02.2008
03.02.2009 10.02.2009 ed. 2
03.12.2009 10.12.2009
10.01.2010 15.01.2010 10.02.2010 22.02.2010
07.02.2011 11.02.2011 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 03.03.2011 09.03.2011 23.02.2012 28.02.2012
04.03.2012 08.03.2012
01.03.2013 07.03.2013
03.04.2013 08.04.2013
24.01.2014 29.01.2014 ed. 2 err. 04.02.2014 21.02.2014 26.02.2014 ed. 2
16.12.2014 22.12.2014 ed. 2 22.02.2015 02.03.2015
09.12.2015 17.12.2015
22.02.2016 25.02.2016 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 24.11.2016 05.12.2016
20.02.2017 03.03.2017
02.11.2017 13.11.2017
13.12.2017 19.12.2017
26.01.2018 30.01.2018
07.12.2018 27.12.2018
19.12.2018 27.12.2018
17.03.2019 01.04.2019
03.12.2019 11.12.2019
17.02.2020 21.02.2020 err. 03.03.2020
20.12.2020 24.12.2020
24.02.2021 01.03.2021
07.12.2021 13.12.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 19.12.2021 27.12.2021
06.02.2022 14.02.2022 ed. 2
17.02.2023 03.03.2023 ed. 2
12.01.2024 25.01.2024
05.02.2024 08.02.2024
08.12.2024 12.12.2024
24.01.2025 05.02.2025
17.12.2025 24.12.2025 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 08.02.2026 17.02.2026
19 12.08.1994 10.09.1994 2336
25.03.2003 04.04.2003 3140 22.02.2006 03.03.2006 3534 ed. 2 27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010 05.09.2019 17.09.2019 20.12.2020 29.12.2020 ed. 2 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2 19/1 09.04.2024 15.04.2024 19/2 25.07.2024 01.08.2024
25.07.2024 02.08.2024 12.06.2025 23.06.2025 20 12.08.1994 10.09.1994 2336 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 03.04.2003 30.04.2003 3157 ed. 2
21 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.05.2007 24.05.2007
22 20.12.1995 28.12.1995 2425
07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008 23 20.12.1995 28.12.1995 2425 06.03.1996 19.03.1996 2446 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 27/1 09.07.2010 16.07.2010
03.10.2019 30.10.2019
28 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
29 22.10.1993 29.10.1993 2273
30 03.05.1999 04.06.1999 2698 03.06.2007 14.06.2007 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
10.04.2022 26.04.2022
13.03.2023 17.03.2023 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
31 03.06.2007 14.06.2007 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
13.03.2023 17.03.2023
32 13.03.2023 17.03.2023
33 13.03.2023 17.03.2023
34 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 35 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 25.03.2003 31.03.2003 3212 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 01.03.2005 09.03.2005 3422 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
07.12.2008 12.12.2008
02.06.2010 08.06.2010
03.03.2011 09.03.2011 29.08.2019 13.09.2019
43 19.03.2007 30.03.2007 ed.3 431 22.08.2002 05.09.2002 3077 12.05.2004 27.05.2004 3336 ed. 2 09.04.2024 15.04.2024 44 22.12.1995 19.01.1996 2429 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.06.1999 08.07.1999 2721 12.03.2007 20.03.2007 ed.2
45 09.06.1999 08.07.1999 2722 12.03.2007 20.03.2007 ed.2
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2 46 22.12.1995 19.01.1996 2429 09.06.1999 08.07.1999 2722 25.04.2000 06.05.2000 2816 12.03.2007 20.03.2007 ed.2
27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010
46bis 11.12.2006 18.12.2006 3599
46ter 25.04.2014 14.05.2014 ed.2
04.04.2019 18.04.2019 46quater 25.04.2014 14.05.2014 ed.2
13.06.2019 04.07.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 47 11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2024 30.12.2024
47bis 31.01.1996 12.03.1996 2444 21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2024 30.12.2024
48 31.01.1996 12.03.1996 2444
21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 11.12.2006 18.12.2006 3599
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
20.12.2024 30.12.2024
49 21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 11.12.2006 18.12.2006 3599
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
25.02.2024 01.03.2024
20.12.2024 30.12.2024
28.07.2025 12.08.2025
49/1 02.12.2015 08.12.2015 20.12.2024 30.12.2024
20.12.2024 31.12.2024
491 12.05.2003 20.05.2003 3173 01.09.2006 08.09.2006 3580 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 11.12.2006 18.12.2006 3599
17.08.2007 30.08.2007 err. 26.10.2007 ed. 2 err. 12.11.2007
06.04.2010 13.04.2010
14.12.2010 24.12.2010
15.06.2012 02.07.2012
20.12.2024 30.12.2024
49bis 21.09.2000 17.10.2000 2865 22.05.2017 06.06.2017
20.12.2024 30.12.2024
49ter 11.01.2021 19.01.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 49quater 16.11.2022 25.11.2022 ed. 2 50 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 51 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 52 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 53 13.12.1993 24.12.1993 2278
28.03.1994 19.04.1994 2300
07.10.1994 25.10.1994 2342
17.10.1996 21.11.1996 2474
09.06.1999 07.07.1999 2717
05.09.2001 28.09.2001 2982
26.06.2002 05.07.2002 3061 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 10.03.2003 25.03.2003 3134
18.02.2004 01.03.2004 3313 err. 04.03.2004
28.02.2005 08.03.2005 3421 ed. 2
15.09.2006 21.09.2006 3584 ed. 3
09.04.2007 18.04.2007
07.06.2007 13.06.2007 err. 19.06.2007
17.07.2012 30.07.2012
11.02.2013 21.02.2013 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 24.10.2013 31.10.2013
26.03.2014 11.04.2014 ed. 2
27.06.2016 04.07.2016
31.01.2017 10.02.2017
31.01.2017 10.02.2017
22.05.2017 06.06.2017
21.02.2022 11.03.2022
20.11.2024 28.11.2024
12.12.2024 17.12.2024 ed. 2
53/1 12.01.2017 24.01.2017
29.08.2019 13.09.2019
53/2 12.01.2017 24.01.2017 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 03.07.2019 12.07.2019
01.02.2022 21.02.2022
53/3 03.07.209 12.07.2019
23.12.2021 30.12.2021
53/4 18.04.202 26.04.2021
25.12.2023 29.12.2023 ed. 2 53/5 18.04.202 26.04.2021
25.12.2023 29.12.2023 ed. 2 53/6 19.12.2022 22.12.2022
53/7 25.12.2023 29.12.2023 ed. 2 err. 15.01.2024 53/8 25.12.2023 29.12.2023 ed. 2 err. 15.01.2024 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 53/9 25.12.2023 29.12.2023 ed. 2 err. 15.01.2024 54 20.05.1997 10.06.1997 2509
55 12.08.1994 10.09.1994 2336 16.10.2000 09.11.2000 2872
06.04.2010 13.04.2010
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 56/1 26.12.2013 31.12.2013 ed. 2
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 57 16.10.2000 09.11.2000 2872
27.01.2009 03.02.2009
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 58 16.10.2000 09.11.2000 2872
27.01.2009 03.02.2009
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 59 16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59bis 29.10.1998 17.11.1998 2615
16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59ter 09.01.1996 06.02.1996 2436
29.10.1998 17.11.1998 2615
16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59quater 04.03.2001 14.03.2001 2914 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59quinquies 04.03.2001 14.03.2001 2914
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59sexies 12.07.2005 29.07.2005 3469 ed. 2
21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60 22.10.1993 29.10.1993 2273 20.01.1994 09.02.1994 2293 09.01.1996 06.02.1996 2436
29.10.1998 17.11.1998 2615 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 04.03.2001 14.03.2001 2914
12.07.2005 29.07.2005 3469 ed. 2 21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 26.12.2013 31.12.2013 ed. 2
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/1 21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/2 21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/3 21.02.2011 25.02.2011 ed. 3 err. 03.03.2011 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 61 27.01.2000 03.02.2000 2795 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 11.12.2006 18.12.2006 3599
30.09.2014 06.10.2014 62 12.08.1994 10.09.1994 2336
10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014 63 20.05.1997 10.06.1997 2509
11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
01.01.2022 01.03.2022 63bis 12.08.1994 06.09.1994 2332 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 63ter 24.08.1994 06.09.1994 2333 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 631 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.03.2005 09.03.2005 3422 ed. 2
631/1 02.05.2019 13.05.2019 632 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 10.06.2006 19.06.2006 3562 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 633 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 30.01.2001 28.02.2001 2909
23.10.2003 31.10.2003 3225 err. 13.11.2003 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 10.06.2006 19.06.2006 3562 27.01.2009 03.02.2009
06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 634 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 634bis 10.11.2005 18.11.2005 3498 ed. 3 22.05.2017 06.06.2017
635 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 28.06.2019 08.07.2019 636 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011 22.05.2017 06.06.2017
25.12.2017 29.12.2017 err. 15.01.2018
29.08.2019 13.09.2019
637 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 01.09.2006 15.09.2006 3581 22.05.2017 06.06.2017
25.12.2017 29.12.2017 err. 15.01.2018 638 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.09.2006 15.09.2006 3581
03.03.2011 09.03.2011
639 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 6310 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 02.04.2002 25.04.2002 3039 6311 20.12.2002 28.12.2002 3102 ed. 2 23.06.2004 07.07.2004 3352
27.01.2009 03.02.2009
08.02.2010 12.02.2010 ed. 2 06.04.2010 13.04.2010 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 10.09.2010 22.09.2010 err. 04.10.2010
15.06.2012 02.07.2012
30.09.2014 09.10.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
6311bis 19.12.2007 27.12.2007 28.11.2008 04.12.2008
10.08.2009 18.08.2009 10.09.2010 22.09.2010 err. 04.10.2010 30.09.2014 09.10.2014 6311ter 12.07.2009 17.07.2009 ed. 2 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6312 12.05.2003 20.06.2003 3187 27.01.2009 03.02.2009
15.06.2012 02.07.2012 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 6312/1 01.04.2016 12.04.2016
18.04.2017 27.04.2017
28.06.2019 08.07.2019 6312/2 28.06.2019 08.07.2019 6312/3 28.06.2019 08.07.2019 6313 16.12.2004 30.12.2004 3398 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 14.02.2007 23.02.2007 ed. 2
27.01.2009 03.02.2009
08.03.2010 12.03.2010 ed. 2
6314 25.02.2007 12.03.2007 28.02.2007 12.03.2007
12.06.2009 18.06.2009 15.06.2012 02.07.2012
6315 25.02.2007 02.03.2007 ed. 4 27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 15.06.2012 02.07.2012
6316 25.02.2007 02.03.2007 ed. 4 27.01.2009 03.02.2009
15.06.2012 02.07.2012
6317 25.02.2007 02.03.2007 ed. 4 15.06.2012 02.07.2012
6318 25.02.2007 02.03.2007 ed. 4 6318/1 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 07.04.2019 29.04.2019
12.05.2024 29.05.2024
6318/2 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014
6318/3 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 6318/4 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014
6318/5 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 07.04.2019 29.04.2019
12.05.2024 29.05.2024
6318/6 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 12.05.2024 29.05.2024
6318/7 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 6318/8 30.09.2014 06.10.2014 23.12.2021 31.12.2021 err. 25.01.2022 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
6318/9 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 6318/10 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6318/10/1 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6318/11 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6318/12 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6318/12/1 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 6318/13 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 6318/14 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 6318/15 30.06.2014 10.07.2014 ed. 2 6318/16 02.05.2019 14.05.2019 6318/17 16.07.2019 29.07.2019 20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
6318/18 28.06.2019 12.07.2019
02.05.2021 07.05.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.06.2022 23.06.2022
25.04.2023 11.05.2023 25.02.2024 01.03.2024 17.05.2025 30.05.2025 6319 03.06.2007 19.06.2007
22.05.2017 06.06.2017
64 13.03.1995 16.03.1995 2373 24.02.2014 27.02.2014 ed. 2 02.03.2015 06.03.2015 07.03.2016 09.03.2016 ed. 2 65 20.05.1997 10.06.1997 2509
22.05.2017 06.06.2017
67 12.08.1994 10.09.1994 2336 03.01.1995 17.01.1995 2356 09.11.1999 17.12.1999 2777 ed. 3
21.11.2018 03.12.2018 17.12.2024 24.12.2024 68 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 70 11.12.2006 18.12.2006 3599
21.11.2018 03.12.2018 17.12.2024 24.12.2024
71 03.01.1995 17.01.1995 2356 21.11.2018 03.12.2018 72 20.05.1997 10.06.1997 2509 731 13.05.1999 08.07.1999 2720 732 13.05.1999 08.07.1999 2720 733 13.05.1999 08.07.1999 2720 734 13.05.1999 08.07.1999 2720 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/1 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2
27.01.2017 31.12.2017 ed. 4 err. 26.03.2018 06.11.2022 23.11.2022 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/2 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2
27.01.2017 31.12.2017 ed. 4 err. 26.03.2018 29.08.2019 13.09.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.11.2022 23.11.2022 ed. 2
734/3 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/4 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/5 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2
06.11.2022 23.11.2022 ed. 2
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/6 19.12.2014 31.12.2014 ed. 2
734/7 27.01.2017 31.12.2017 ed. 4 err. 26.03.2018 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.11.2022 23.11.2022 ed. 2
734/7bis 06.11.2022 23.11.2022 ed. 2
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
734/7ter 06.11.2022 23.11.2022 ed. 2
734/8 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
734/9 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
07.06.2021 17.06.2021 734/10 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
07.06.2021 17.06.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 734/11 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
07.06.2021 17.06.2021
734/12 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
734/13 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
734/14 20.12.2019 27.12.2019 ed. 2
734bis 06.02.2003 14.02.2003 3120 ed. 2 734ter 27.03.2003 16.04.2003 3150 29.01.2007 niet gepubliceerd 15.06.2009 22.06.2009 22.05.2017 06.06.2017
734quater 13.02.2003 21.02.2003 3124 err. 07.03.2003 11.05.2004 27.05.2004 3335 ed. 2
14.10.2005 25.10.2005 3497 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 01.03.2016 10.03.2016
734quater/1 02.10.2019 17.10.2019
734quater/2 02.10.2019 17.10.2019
734quater/1 20.12.2019 27.12.2019 nummering foutief ed. 2
20.01.2020 28.01.2020
734quater/3 20.01.2020 28.01.2020
734quinquies 17.09.2005 03.10.2005 3488 11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 PW 26.12.2022 30.12.2022
734sexies 17.09.2005 03.10.2005 3488 PW 26.12.2022 30.12.2022
734septies 17.09.2005 03.10.2005 3488 29.08.2019 13.09.2019
PW 26.12.2022 30.12.2022
735 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
30.07.2010 16.08.2010
736 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
737 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 30.07.2010 16.08.2010
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
29.08.2019 13.09.2019
738 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
739 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
30.07.2010 16.08.2010 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
7310 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
7311 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
30.07.2010 16.08.2010
22.05.2017 06.06.2017 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 7312 29.11.2000 23.12.2000 2885 ed. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
30.07.2010 16.08.2010
74 29.10.1998 17.11.1998 2615 29.10.1998 17.11.1998 2615
17.09.2005 03.10.2005 3488
11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.07.2010 16.07.2010
29.08.2019 13.09.2019
03.10.2019 30.10.2019
09.12.2019 20.12.2019
W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 74/1 09.12.2019 20.12.2019 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 74/2 09.12.2019 20.12.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 75 09.12.2019 20.12.2019
W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 76 29.10.1998 17.11.1998 2615 29.10.1998 17.11.1998 2615
11.12.2006 18.12.2006 3599
12.03.2007 20.03.2007 ed.2
09.12.2019 20.12.2019
W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 77 09.12.2019 20.12.2019
W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 77/1 11.01.2009 15.01.2009 ed. 2
09.12.2019 20.12.2019 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 77bis 17.09.2005 03.10.2005 3488 11.01.2009 15.01.2009 ed. 2 09.12.2019 20.12.2019 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 78 17.09.2005 03.10.2005 3488 09.12.2019 20.12.2019 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 79 09.12.2019 20.12.2019 W 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3 err. 12.07.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 79/1 06.05.2019 14.06.2019
79/2 06.05.2019 14.06.2019
79/3 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2 80 12.08.1994 10.09.1994 2336
04.12.2003 17.12.2003 3260 81 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599 81bis 11.12.2006 18.12.2006 3599 82 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599 83 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 84 03.05.1999 04.06.1999 2698 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 85 10.05.2010 14.05.2010 ed. 2 86 12.01.2017 24.01.2017
03.07.209 12.07.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 26.01.2021 29.01.2021
87 27.08.1993 13.09.1993 2265
22.10.1993 29.10.1993 2273
10.01.1997 11.02.1997 2492
20.05.1997 10.06.1997 2509
05.12.1997 31.12.1997 2547 err. 04.02.1998 24.06.1999 14.08.1999 2733
15.12.2003 23.12.2003 3261 ed. 2 23.01.2004 04.02.2004 3304 ed. 2 14.04.2009 20.04.2009 ed. 4 04.03.2013 08.03.2013
12.01.2017 24.01.2017
22.05.2017 06.06.2017 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 03.07.209 12.07.2019
29.08.2019 13.09.2019
26.01.2021 29.01.2021
13.11.2022 25.11.2022 ed. 2
88 19.12.2022 30.12.2022 ed. 2 89 19.12.2022 30.12.2022 ed. 2 23.06.2023 30.06.2023
11.12.2023 15.12.2023
90 22.10.1993 29.10.1993 2273
03.01.1995 17.01.1995 2356
10.01.1997 11.02.1997 2492
03.05.1999 04.06.1999 2698 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.11.1999 17.12.1999 2777 ed. 3
05.12.2000 16.12.2000 2881
21.10.2002 31.10.2002 3090
03.04.2003 22.04.2003 3156
28.09.2003 01.10.2003 3219 ed. 2 16.06.2004 24.06.2004 3343 ed. 2 11.03.2005 18.03.2005 3425 ed. 3
04.08.2005 12.08.2005 3474 ed. 2 err. 18.08.2005
08.01.2006 16.01.2006 3523
22.08.2006 28.08.2006 3578
03.06.2007 14.06.2007 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
28.04.2015 30.04.2015 ed.2 17.02.2019 08.03.2019
13.04.2019 09.05.2019
19.12.2022 30.12.2022 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 13.03.2023 17.03.2023
17.12.2024 24.12.2024
92 22.10.1993 29.10.1993 2273
20.01.1994 09.02.1994 2293
10.01.1997 11.02.1997 2492
20.05.1997 10.06.1997 2509
03.06.2007 14.06.2007 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 13.03.2023 17.03.2023
92/1 12.01.2017 24.01.2017
03.07.209 12.07.2019
93 22.10.1993 29.10.1993 2273
20.01.1994 09.02.1994 2293 10.01.1997 10.02.1997 2492
03.05.1999 04.06.1999 2698 03.06.2007 14.06.2007 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
07.12.2007 17.12.2007 err. 27.12.2007 13.03.2023 17.03.2023 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
94 03.06.2007 14.06.2007 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
19.12.2022 30.12.2022 ed. 2 13.03.2023 17.03.2023 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 95 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 951 22.08.2006 28.08.2006 3578
21.12.2006 29.12.2006 3608 ed. 7
12.03.2007 20.03.2007 ed.2
03.06.2007 19.06.2007
20.12.2007 31.12.2007 ed. 4 27.01.2009 03.02.2009
31.07.2009 07.08.2009
15.12.2013 20.12.2013 ed. 4 W 02.05.2019 15.05.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 PW 27.12.2021 31.12.2021
952 22.08.2006 28.08.2006 3578
11.12.2006 18.12.2006 3599
21.12.2006 29.12.2006 3608 ed. 7
12.03.2007 20.03.2007 ed.2
08.06.2007 19.06.2007 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 27.01.2009 03.02.2009
31.07.2009 07.08.2009 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
21.02.2014 26.02.2014 ed. 2
28.04.2015 30.04.2015 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.08.2015 28.08.2015
19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019
13.04.2019 09.05.2019
29.08.2019 13.09.2019
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
14.03.2021 18.03.2021
16.02.2022 11.03.2022
19.05.2022 30.05.2022
09.04.2024 17.04.2024
16.09.2024 23.09.2024 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.12.2024 31.12.2024
953 23.03.2014 31.03.2014 954 23.03.2014 31.03.2014 954/1 03.04.2019 16.04.2019
24.04.2020 30.04.2020
954/2 16.09.2024 23.09.2024
955 13.06.2014 26.06.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 17.07.2014 31.07.2014
W 24.03.2015 02.04.2015
13.04.2019 09.05.2019
956 13.04.2019 09.05.2019
957 01.10.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.12.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025
05.03.2025 02.04.2025
05.03.2025 02.04.2025 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 19.03.2025 02.04.2025
958 20.10.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025 err. 24.01.2025
05.03.2025 02.04.2025 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 96 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
97 21.12.2006 29.12.2006 3611 ed. 2 101bis 04.04.2003 18.04.2003 3153 ed. 2
01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011 29.08.2019 13.09.2019
101ter 04.04.2003 18.04.2003 3153 ed. 2
01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011 102 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
105 12.08.1994 10.09.1994 2336 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 07.04.1995 29.04.1995 2382
23.12.1996 31.12.1996 ed. 3 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366
20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
01.09.2006 15.09.2006 3581 22.02.2010 01.03.2010 03.03.2011 09.03.2011 22.04.2019 07.05.2019 29.08.2019 13.09.2019
27.03.2020 03.04.2020
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
106 22.10.1993 29.10.1993 2273 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 10.04.1995 13.05.1995 2387
06.07.1997 30.07.1997 2518
09.01.1998 06.02.1998 2557
04.12.2000 23.12.2000 2886 ed. 2
15.05.2003 12.06.2003 3176
20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
18.04.2005 03.05.2005 3433 ed. 2
21.12.2006 29.12.2006 3608 ed. 7
23.05.2007 12.06.2007 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 31.07.2009 21.08.2009 (ed. 2)
22.02.2010 01.03.2010
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2 20.12.2012 28.12.2012 ed. 2
27.12.2012 31.12.2012 ed. 2 err. 11.01.2013 30.04.2013 08.05.2013
09.11.2016 18.11.2016 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
08.05.2018 22.05.2018
29.08.2019 13.09.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 05.07.2022 15.07.2022
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
107 26.05.1994 09.06.1994 2309
11.12.1996 14.12.1996 2478
04.12.2000 23.12.2000 2886 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 13.08.2004 07.09.2004 3366
09.01.2005 19.01.2005 3405 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
03.07.2005 14.07.2005 3464 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008 31.07.2009 21.08.2009 (ed. 2)
22.04.2019 07.05.2019 29.08.2019 13.09.2019
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
109 30.05.1995 21.07.1995 2411 17.12.1996 31.12.1996 2481 ed. 2 22.05.2017 06.06.2017
110 16.05.2003 05.06.2003 3179 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
22.02.2010 01.03.2010 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2 03.10.2019 30.10.2019
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
18.04.2022 01.06.2022 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 111 22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366
21.10.2025 31.10.2025
111bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
29.08.2019 13.09.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
113 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366
07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008 114 16.05.2003 05.06.2003 3179 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 115 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
116 22.10.1993 29.10.1993 2273
04.12.2000 23.12.2000 2886 ed. 2 15.05.2003 12.06.2003 3176 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
27.09.2015 01.10.2015
09.11.2016 18.11.2016 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
05.07.2022 15.07.2022
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 116bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
117 26.05.1994 09.06.1994 2309
30.05.1995 21.07.1995 2411
01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 11.12.1996 14.12.1996 2478
17.12.1996 31.12.1996 2481 ed.2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.07.1997 30.07.1997 2518
04.12.2000 23.12.2000 2886 ed. 2
22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2
20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
18.04.2005 03.05.2005 3433 ed. 2
21.12.2006 29.12.2006 3608 ed. 7
22.02.2010 01.03.2010 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2 20.12.2012 28.12.2012 ed. 2
27.12.2012 31.12.2012 ed. 2 err. 11.01.2013 09.11.2016 18.11.2016 ed. 2
22.05.2017 06.06.2017
29.08.2019 13.09.2019
05.07.2022 15.07.2022
21.10.2025 31.10.2025
118 22.10.1993 29.10.1993 2273 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 26.05.1994 09.06.1994 2309
01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
15.05.2003 12.06.2003 3176
22.12.2003 31.12.2003 3265 ed. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
01.09.2006 15.09.2006 3581 07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008
03.03.2011 09.03.2011
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
27.09.2015 01.10.2015 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
05.07.2022 15.07.2022
119 22.10.1993 29.10.1993 2273
26.05.1994 03.06.1994 2306
01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
15.05.2003 12.06.2003 3176
22.05.2017 06.06.2017
05.07.2022 15.07.2022
119bis 01.09.1995 28.09.1995 2415 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 01.09.2006 15.09.2006 3581 07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008
03.03.2011 09.03.2011 120 30.09.2014 09.10.2014 123 30.09.2014 09.10.2014 28.04.2019 09.05.2019
123bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 ed. 2
124 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
30.09.2014 09.10.2014 125 30.09.2014 09.10.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 125bis 06.07.1997 19.07.1997 2513
126 10.05.2010 14.05.2010 ed. 2 127/0 11.03.2018 16.03.2018
127/0/0 16.06.2024 21.06.2024
127/1 07.02.2014 14.02.2014
25.09.2018 10.10.2018
127/2 07.02.2014 14.02.2014
133 26.09.2011 04.10.2011
12.12.2021 21.12.2021 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 134 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 135 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 136/1 07.02.2014 14.02.2014
23.06.2019 25.09.2019
11.09.2019 25.09.2019 136/2 07.02.2014 14.02.2014
23.06.2019 25.09.2019
11.09.2019 25.09.2019 137 03.05.1999 04.06.1999 2698 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 138 17.12.2024 24.12.2024 139 12.08.1994 10.09.1994 2336 09.11.1999 17.12.1999 2777 ed. 3
01.02.2010 12.02.2010 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
17.02.2019 08.03.2019 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 17.12.2024 24.12.2024 140 12.08.1994 10.09.1994 2336 03.01.1995 17.01.1995 2356 09.11.1999 17.12.1999 2777 ed. 3
16.10.2000 09.11.2000 2872
17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 141 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 142 12.08.1994 10.09.1994 2336 01.02.2010 12.02.2010 ed. 2 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
17.02.2019 08.03.2019 143 17.02.2019 08.03.2019 144 17.02.2019 08.03.2019 144/1 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 144/2 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
04.04.2014 14.04.2014 30.09.2014 09.10.2014 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
144/3 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 144/4 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 144/5 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
144/6 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
04.04.2014 14.04.2014 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
144/7 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 145 03.05.1999 04.06.1999 2698
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
146 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 147 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 148 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 149 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 150 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 151 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 152 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 153 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 154 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 155 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 156 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 157 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 158 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 159 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 160 17.09.2005 23.09.2005 3490
09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 161 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 162 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 163 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 164 20.05.1997 10.06.1997 2509
03.12.2005 27.02.2006 3531 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.11.2006 30.11.2006 3591 ed. 2 18.03.2011 28.03.2011
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
07.11.2013 14.11.2013 ed. 2
22.05.2017 01.06.2017
W 13.04.2019 30.04.2019
165 03.12.2005 27.02.2006 3531 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 07.11.2013 14.11.2013 ed. 2
22.05.2017 01.06.2017
W 13.04.2019 30.04.2019
166 03.05.1999 04.06.1999 2698 W 13.04.2019 30.04.2019
167 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 168 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 169 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 170 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 171 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 172 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 173 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 174 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 175 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 177 20.05.1997 10.06.1997 2509
09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 23.11.2021 02.12.2021
178 09.05.1994 19.05.1994 2305 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
11.12.2006 18.12.2006 3599
02.03.2010 09.03.2010 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.03.2011 30.03.2011 err. 08.04.2011 22.04.2012 25.04.2012 ed. 2
19.04.2013 26.04.2013
21.02.2014 26.02.2014 ed. 2 22.05.2017 06.06.2017
10.07.2017 17.07.2017
06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 30.04.2020 11.05.2020 17.07.2023 26.07.2023 ed. 2
11.03.2024 19.03.2024
178/1 23.03.2011 30.03.2011 err. 08.04.2011 19.04.2013 26.04.2013 30.04.2020 11.05.2020 178/2 28.04.2019 09.05.2019
179 09.05.1994 19.05.1994 2305 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 06.05.2010 12.05.2010 01.03.2016 11.03.2016
180 24.03.2005 07.04.2005 3429
01.04.2007 06.04.2007 29.08.2019 13.09.2019
181 24.03.2005 07.04.2005 3429
01.04.2007 06.04.2007 181/1 14.10.2019 28.10.2019 ed. 2
181bis 04.04.1995 13.05.1995 2385 182 20.05.1997 10.06.1997 2509
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 13.07.2001 11.08.2001 2959
02.09.2005 21.09.2005 3486
21.12.2006 29.12.2006 3608 ed. 7 29.07.2019 26.08.2019 err. 03.09.2019
183 11.12.2006 18.12.2006 3599
184 11.12.2006 18.12.2006 3599
185 11.12.2006 18.12.2006 3599
186 11.12.2006 18.12.2006 3599
187 11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 188 11.12.2006 18.12.2006 3599
189 11.12.2006 18.12.2006 3599
190 11.12.2006 18.12.2006 3599
191 11.12.2006 18.12.2006 3599
192 11.12.2006 18.12.2006 3599
193 11.12.2006 18.12.2006 3599
194 11.12.2006 18.12.2006 3599
195 11.12.2006 18.12.2006 3599
196 11.12.2006 18.12.2006 3599
197 11.12.2006 18.12.2006 3599
198 11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 200 30.09.2014 09.10.2014 203 22.12.2010 07.01.2011
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
11.11.2024 22.11.2024
204 20.05.1997 10.06.1997 2509
11.12.2006 18.12.2006 3599
27.01.2009 03.02.2009
22.05.2017 06.06.2017 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 19.04.2018 25.04.2018
28.04.2019 09.05.2019
01.02.2022 21.02.2022
19.12.2022 22.12.2022
205 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 206/1 28.04.2019 09.05.2019
207 15.09.1994 01.10.1994 2340 10.02.1995 07.03.1995 2370
10.02.1995 07.03.1995 2370 10.02.1995 07.03.1995 2370 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 08.01.1996 17.01.1996 2430
28.02.1997 27.03.1997 2500
01.03.1998 02.04.1998 2565
26.12.1998 31.12.1998 2641 ed. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 ed. 4 10.06.2009 18.06.2009
20.12.2019 24.12.2019 208 26.12.1998 31.12.1998 2641 ed. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 ed. 4 20.12.2019 24.12.2019 209 26.12.1998 31.12.1998 2641 ed. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 ed. 4 20.12.2019 24.12.2019 210 26.12.1998 31.12.1998 2641 ed. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 ed. 4 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 210bis 10.01.1997 11.02.1997 2492
31.03.2003 23.04.2003 3154
25.02.2007 28.02.2007 ed. 2 22.06.2020 26.06.2020
210ter 10.01.1997 11.02.1997 2492
25.02.2007 28.02.2007 ed. 2 22.06.2020 26.06.2020
211 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
W 13.04.2019 30.04.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 212 W 13.04.2019 30.04.2019
213 W 13.04.2019 30.04.2019
214 W 13.04.2019 30.04.2019
215 12.08.1994 10.09.1994 2336
W 13.04.2019 30.04.2019
216 07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008 W 13.04.2019 30.04.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 217 W 13.04.2019 30.04.2019
218 W 13.04.2019 30.04.2019
219 07.12.2007 12.12.2007 ed. 2 err. 11.04.2008 W 13.04.2019 30.04.2019
220 W 13.04.2019 30.04.2019
29.08.2019 13.09.2019
221 W 13.04.2019 30.04.2019 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 222 W 13.04.2019 30.04.2019
223 W 13.04.2019 30.04.2019
224 W 13.04.2019 30.04.2019
229/1 24.09.2013 30.09.2013
229/2 24.09.2013 30.09.2013
229/3 24.09.2013 30.09.2013
229/4 24.09.2013 30.09.2013
229/5 29.06.2018 09.07.2018
229/6 20.05.2020 04.06.2020 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 229/7 20.09.2023 12.10.2023 ed. 2
232 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 ed. 2 233 09.12.2019 16.12.2019 ed. 2 22.06.2020 26.06.2020
2331 04.12.2003 17.12.2003 3260 wordt 233/1 18.02.2018 26.02.2018
233bis 10.03.1999 17.04.1999 2683 wordt 233/2 18.02.2018 26.02.2018
233/3 18.02.2018 26.02.2018
254 10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014 255 10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014 06.03.2018 20.03.2018 ed. 2 256 10.06.2006 19.06.2006 3562 ART. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 27.01.2009 03.02.2009
30.09.2014 09.10.2014 257 06.04.2010 13.04.2010 258 30.09.2014 09.10.2014 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 I 06.03.1996 19.03.1996 2446
17.03.1997 27.03.1997 2501
02.06.1998 20.06.1998 2577
07.12.1998 23.12.1998 2626
07.12.1997 23.12.1998 2626
21.04.1999 07.05.1999 2687 ed. 2 27.01.2000 09.02.2000 2796
25.04.2000 09.05.2000 2817
02.02.2001 16.02.2001 2907
16.03.2001 10.04.2001 2923 ed. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
04.03.2002 19.03.2002 3027 ed.3 err. 09.04.2002 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 08.03.2002 19.03.2002 3028 ed. 3 21.02.2003 06.03.2003 3128 ed. 2 28.02.2003 06.03.2003 3129 ed. 2 10.02.2004 18.02.2004 3310
19.02.2004 27.02.2004 3312 ed. 3 21.01.2005 03.02.2005 3415
16.02.2005 24.02.2005 3418
17.02.2006 23.02.2006 3530
17.03.2006 24.03.2006 3537
31.01.2007 09.02.2007 err. 15.02.2007 13.02.2007 23.02.2007 ed. 2 10.02.2008 14.02.2008
25.02.2008 29.02.2008
20.01.2009 26.01.2009
03.02.2009 10.02.2009 ed. 2 10.01.2010 15.01.2010 10.02.2010 22.02.2010 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 07.02.2011 11.02.2011
04.03.2012 08.03.2012
01.03.2013 07.03.2013
21.02.2014 26.02.2014 ed. 2 22.02.2015 02.03.2015
22.02.2016 25.02.2016
20.02.2017 03.03.2017
26.01.2018 30.01.2018
17.03.2019 01.04.2019
17.02.2020 21.02.2020 err. 03.03.2020 24.02.2021 01.03.2021
06.02.2022 14.02.2022 ed. 2 err. 09.03.2022 17.02.2023 03.03.2023 ed. 2 12.01.2024 25.01.2024
24.01.2025 05.02.2025
08.02.2026 17.02.2026 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 II 21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 20.12.2024 31.12.2024 IIbis 20.12.2002 28.12.2002 3102 ed. 2 23.06.2004 07.07.2004 3352
01.09.2006 08.09.2006 3580
11.12.2006 18.12.2006 3599
12.07.2009 17.07.2009 ed. 2
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
15.06.2012 02.07.2012
30.09.2014 09.10.2014 20.12.2024 31.12.2024 IIter 25.02.2007 02.03.2007 ed. 4 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 15.06.2012 02.07.2012
IIter/1 02.12.2015 08.12.2015 20.12.2024 31.12.2024 IIter/2 20.12.2024 31.12.2024 IIquater 17.08.2007 30.08.2007 err. 26.10.2007 ed. 2 err. 12.11.2007
27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010
14.12.2010 24.12.2010
15.06.2012 02.07.2012
20.12.2024 31.12.2024 III 27.08.1993 13.09.1993 2265
22.10.1993 29.10.1993 2273 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 22.10.1993 29.10.1993 2273
30.12.1993 31.12.1993 2281 ed. 4 30.07.1994 23.08.1994 2331
21.12.1994 28.12.1994 2351
14.12.1995 29.12.1995 2427
30.06.1996 12.07.1996 2457
10.01.1997 11.02.1997 2492 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.05.1997 10.06.1997 2509
05.12.1997 31.12.1997 2547 err. 04.02.1998 04.12.1998 24.12.1998 2627 ed. 2 30.03.1999 17.04.1999 2684
24.06.1999 14.08.1999 2733
15.12.1999 29.12.1999 2784 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 24.06.2000 30.06.2000 2833
19.09.2000 27.09.2000 2860 err. 21.10.2000 18.12.2000 29.12.2000 2887 ed. 2 21.11.2001 06.12.2001 2985 ed. 1 err. 22.01.2002 21.11.2001 06.12.2001 2985 ed. 1 err. 22.01.2002 19.06.2002 04.07.2002 3061
25.10.2002 14.11.2002 3092 err. 20.02.2003 ed. 3 12.12.2002 31.12.2002 3104 ed. 3
09.01.2003 05.02.2003 3116
11.07.2003 12.08.2003 3209 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 15.12.2003 23.12.2003 3261 ed. 2 23.01.2004 04.02.2004 3304 ed. 2
26.11.2004 15.12.2004 3392 err. 17.12.2004 28.06.2005 04.07.2005 3463 err. 06.07.2005 ed. 2
12.07.2005 22.07.2005 3465 24.08.2005 07.09.2005 3484
15.12.2005 28.12.2005 3510
02.02.2006 14.02.2006 3528 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 29.11.2006 05.12.2006 3595 éd. 2
18.12.2006 22.12.2006 3602
09.04.2007 18.04.2007
21.04.2007 27.04.2007
03.06.2007 19.06.2007 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
07.12.2007 17.12.2007 err. 27.12.2007 18.03.2008 25.03.2008
08.04.2008 15.04.2008 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 18.06.2008 23.06.2008
09.09.2008 15.09.2008 ed. 2 05.12.2008 09.12.2008 ed. 2 err. 18.12.2008 02.02.2009 06.02.2009
06.04.2009 10.04.2009 ed. 2
14.04.2009 20.04.2009 ed. 4 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
22.06.2009 26.06.2009 ed. 2
03.12.2009 11.12.2009
10.01.2010 15.01.2010 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
06.04.2010 09.04.2010
02.07.2010 09.07.2010
01.12.2010 10.12.2010 err. 16.12.2010 err. 20.01.2011 ed. 2 err. 05.05.2011 28.02.2011 07.03.2011
15.03.2011 21.03.2011 ed. 3 05.12.2011 09.12.2011
06.06.2012 14.06.2012 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 11.12.2012 14.12.2012
04.03.2013 08.03.2013
23.05.2013 30.05.2013
15.12.2013 18.12.2013
21.02.2014 26.02.2014 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 18.06.2014 23.06.2014
10.12.2014 16.12.2014 ed. 2 err. 24.12.2014 err. 14.01.2015 err. 21.01.2015 err. 01.10.2015 20.01.2015 27.01.2015 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.08.2015 28.08.2015
16.12.2015 21.12.2015 ed.2 12.12.2016 16.12.2016
12.01.2017 20.01.2017 ed.2
10.12.2017 15.12.2017
25.03.2018 29.03.2018
07.12.2018 13.12.2018 err. 24.12.2018 06.06.2019 19.06.2019
29.08.2019 13.09.2019
11.12.2019 20.12.2019 err. 11.02.2020 18.05.2020 26.05.2020 W 29.05.2020 11.06.2020 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.07.2020 15.07.2020
27.09.2020 02.10.2020
30.11.2020 09.12.2020
16.12.2020 22.12.2020
26.01.2021 29.01.2021
21.03.2021 25.03.2021
29.03.2021 31.03.2021 ed. 2
21.04.2021 28.04.2020 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.06.2021 23.06.2021
24.07.2021 03.08.2021
29.09.2021 01.10.2021
09.12.2021 23.12.2021
17.12.2021 28.12.2021
19.12.2021 27.12.2021 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.12.2021 31.12.2021
23.03.2022 31.03.2022
28.03.2022 31.03.2022
06.06.2022 23.06.2022
13.11.2022 28.11.2022 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 27.11.2022 02.12.2022
30.11.2022 08.12.2022
19.12.2022 30.12.2022 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.06.2023 30.06.2023 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 30.08.2023 06.09.2023
11.12.2023 15.12.2023
11.03.2024 19.03.2024
15.05.2024 28.05.2024
12.12.2024 18.12.2024 ed.2 17.05.2025 26.05.2025
18.08.2025 22.08.2025
11.12.2025 29.12.2025
14.02.2026 20.02.2026 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 IIIbis 22.08.2006 28.08.2006 3578
12.03.2007 20.03.2007 ed.2
08.06.2007 19.06.2007 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
07.08.2007 14.08.2007
19.12.2007 27.12.2007
31.07.2009 07.08.2009 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 21.02.2014 26.02.2014 ed. 2
28.04.2015 30.04.2015 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.08.2015 28.08.2015
19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019 29.08.2019 16.09.2019
20.12.2020 29.12.2020 ed. 2
14.03.2021 18.03.2021
17.12.2021 24.12.2021
19.05.2022 30.05.2022
09.04.2024 17.04.2024 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 20.12.2024 31.12.2024
IIIter 22.08.2006 28.08.2006 3578 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 11.12.2006 18.12.2006 3599
12.03.2007 20.03.2007 ed.2
08.06.2007 19.06.2007
31.07.2009 07.08.2009
23.03.2014 31.03.2014 28.04.2015 30.04.2015 ed. 2 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 23.08.2015 28.08.2015
19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019 13.04.2019 09.05.2019
29.08.2019 13.09.2019
14.03.2021 18.03.2021
16.02.2022 11.03.2022
19.05.2022 30.05.2022 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3
09.04.2024 17.04.2024
16.09.2024 23.09.2024
20.12.2024 31.12.2024
IIIquater 22.08.2006 28.08.2006 3578 BIJL. DATUM DATUM BS KB/WIB 92 KB 1 2 3 09.04.2007 14.05.2007 err. 26.10.2007 ed. 2
10.12.2008 30.12.2008
13.05.2009 02.06.2009
26.08.2010 10.09.2010
25.04.2014 02.06.2014
IV 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599
V 22.10.1993 29.10.1993 2273 OORSPRONGSTABEL VAN HET KB/WIB 92 NAAR TIJDSORDE
Deze tabel vermeldt in :
kolom 1 : gerangschikt naar tijdsorde, de KB's die het KB/WIB 92 hebben gewijzigd
kolom 2 :
de datum van het BS waarin het KB, dat in kolom 1 is vermeld, werd gepubliceerd
kolom 3 :
het nr. van de Bestuurlijke Verzameling waarin het KB, dat in kolom 1 is vermeld, werd gepubliceerd (tot 31.12.2006)
kolom 4 :
het nr. van het Bulletin der Belastingen waarin het KB, dat in kolom 1 is vermeld, werd gepubliceerd (tot 31.12.2006) DATUM KB 1 KB 27.08.1993 tot uitvoering van het WIB 92
KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 13.12.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 30.12.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.01.1994 tot wijziging, wat het gebruik van magnetische informatiedragers betreft, van het KB/WIB 92
KB 18.02.1994. tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
KB 28.03.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 09.05.1994 tot wijziging, ter zake van de vrijstelling van aangifteplicht, van het KB/WIB 92
KB 26.05.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de roerende voorheffing
KB 30.07.1994 tot wijziging, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, van het KB/WIB 92
KB 12.08.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvermindering voor uitgaven betaald aan een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap
KB 12.08.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 DATUM KB 1 KB 24.08.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvermindering voor uitgaven betaald voor in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen te verrichten prestaties
KB 15.09.1994 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB/WIB 92
KB 07.10.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 21.12.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 03.01.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 10.02.1995 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB/WIB 92
KB 07.03.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
KB 13.03.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van voorafbetalingen
KB 20.03.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficient voor kadastrale inkomens
KB 04.04.1995 tot wijziging, wat het onderzoeks- en controlerecht betreft, van het KB/WIB 92
KB 05.04.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
KB 07.04.1995 tot wijziging van de wet van 17.06.1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaat- rechtelijke financiële vennootschappen en houdende diverse andere bepalingen inzake de verkoop van activa DATUM KB 1 KB 10.04.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de roerende voorheffing
KB 30.05.1995 tot wijziging KB/WIB 92, op het stuk van de onroerende voorheffing
KB 01.09.1995 tot wijziging KB/WIB 92, op het stuk van de open bewaargeving van sommige aandelen die vanaf 01.01.1994 zijn uitgegeven
KB 01.09.1995 tot wijziging KB/WIB 92, inzonderheid op het vlak van het lange termijnsparen.
KB 14.12.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.12.1995 tot wijziging KB/WIB 92, op het stuk van de waardeverminderingen op vorderingen
KB 22.12.1995 tot wijziging, op het stuk van belastingvrijstelling voor bijkomend personeel dat in België voor wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld, WIB 92 en KB/WIB 92
KB 08.01.1996 houdende wijziging van het KV van 10.02.1995 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB/WIB 92
KB 09.01.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling van sommige giften
KB 31.01.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92, met betrekking tot de investeringsaftrek
KB 06.03.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 30.06.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 17.10.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars DATUM KB 1 KB 11.12.1996 tot wijziging, op het stuk van de roerende voorheffing, van het KB/WIB 92 en van het koninklijk besluit van 26.05.1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 06.08.1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten
KB 17.12.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de roerende voorheffing
KB 23.12.1996 tot wijziging van de wet van 17.06.1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaat- rechtelijke financiële vennootschappen en houdende diverse andere bepalingen, wat betreft de Nationale Kas voor Beroepskrediet
KB 10.01.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 26.02.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revaloristatiecoëfficient voor kadastrale inkomens
KB 28.02.1997 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 10.02.1995 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB/WIB 92
KB 17.03.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 20.05.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 12.06.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 06.07.1997 tot uitvoering van artikel 297, tweede lid, WIB 92
KB 06.07.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de roerende voorheffing
KB 13.10.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de inkomsten uit spaar- deposito’s DATUM KB 1 KB 05.12.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 09.01.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de roerende voorheffing
KB 01.03.1998 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 10.02.1995 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB/WIB 92
KB 02.06.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 29.10.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling van sommige giften
KB 04.12.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 07.12.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 17.12.1998 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 26.12.1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het WIB 92 en van artikel 30bis van de wet van 27/06/1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
KB 10.03.1999 tot aanvulling van het KB/WIB 92 op het vlak van de bijzondere invorderings- regels inzake de toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten
KB 30.03.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 21.04.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard DATUM KB 1 KB 03.05.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 13.05.1999 tot uitvoering van artikel 194bis WIB 92 en tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de technische voorzieningen
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat in België voor wetenschappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer of integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat als hooggekwalificeerd onderzoeker in België voor wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld
KB 24.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 29.10.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 09.11.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 en het koninklijk besluit van 08.07.1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat het codenummer van de postrekeningen voor de storting van voorafbetalingen, van de bedrijfsvoorheffing en van de verkeersbelasting op autovoertuigen betreft
KB 15.12.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 31.12.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van spaardeposito’s
KB 27.01.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, met betrekking tot het hoogst aftrekbare bedrag van de uitgaven voor kinderoppas DATUM KB 1 KB 27.01.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 25.04.2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat in België voor weten- schappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer of integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld
KB 25.04.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 24.06.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.07.2000 tot invoering van de euro in de koninklijke besluiten die ressorteren onder het Ministerie van Financiën en tot uitvoering van de wet van 30.10.1998 betreffende de euro
KB 19.09.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 21.09.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de investeringsaftrek
KB 16.10.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk belastingvrijstelling van sommige giften en inzake betaling van bedrijfsvoorheffing
KB 23.11.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 29.11.2000 tot uitvoering van artikel 203, § 2, 6 KB/WIB 92 terzake van de erkenningsvoorwaarden waaraan een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen dat geïntegreerd is in een betalings- en afwikkelingssysteem van effectenverrichtingen moet voldoen en de periode gedurende dewelke de erkenning kan worden verleend DATUM KB 1 KB 04.12.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de roerende voorheffing op de inkomsten van leningen van aandelen
KB 05.12.2000 tot uitvoering van artikel 4, derde lid en artikel 12, tweede lid van de wet van 24.12.1999 houdende fiscale en diverse bepalingen en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 18.12.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 30.01.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorwaarden die gelden inzake de toekenning van de vermindering voor het lange termijnsparen met betrekking tot betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen
KB 02.02.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 04.03.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van sommige giften
KB 16.03.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 13.07.2001 tot invoering van de euro in de koninklijke besluiten die ressorteren onder het Ministerie van Financiën en tot uitvoering van de wet van 30.10.1998 betreffende de euro
KB 05.09.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 21.11.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 04.02.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens DATUM KB 1 KB 04.03.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 08.03.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 02.04.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de belastingvermindering voor uitgaven betaald voor prestaties betaald met dienstencheques
KB 19.06.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 26.06.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 22.08.2002 tot aanvulling van het KB/WIB 92 op het vlak van de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling
KB 21.10.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de aangifte van de bedrijfsvoorheffing betreft
KB 25.10.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.12.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.12.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning
KB 09.01.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 23.01.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens DATUM KB 1 KB 06.02.2003 tot uitvoering van art. 194quater, § 6, 1 modaliteiten in het kader van de investeringsreserve, in geval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen, of in geval van fusie of splitsing
KB 13.02.2003 tot uitvoering van art. 203, § 1, 3e lid, WIB 92 betreffende de lijst van de landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
KB 21.02.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 28.02.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 10.03.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 25.03.2003 tot uitvoering van art. 45, § 2, van de wet van 2.8.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
KB 25.03.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van art. 396 van de programmawet van 24.12.2002
KB 27.03.2003 tot uitvoering van art. 202 , § 2, tweede lid, WIB 92 inzake de vaststelling van de aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben ten name van de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen en de beursvennootschappen
KB 31.03.2003 tot wijziging van art. 210bis van het KB/WIB 92
KB 03.04.2003 tot uitvoering van art. 388 van de programmawet van 24.12.2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing KB 03.04.2003 tot uitvoering van de art. 2 en 8, van de wet van 14.01.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen DATUM KB 1 KB 04.04.2003 tot uitvoering van art. 264, 1e lid, 2°bis, WIB 92 inzake de met gereglementeerde markten als bedoeld in art. 2, 5° en 6°, van de wet van 02.08.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, gelijkgestelde andere gereglementeerde markten KB 12.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake investeringen in beveiliging
KB 12.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid
KB 15.05.2003 met betrekking tot de private privak en tot wijziging van het KB van 18.04.1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en groeibedrijven
KB 16.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de roerende voorheffing
KB 11.07.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 30.07.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 28.09.2003 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 385 van de programmawet (I) van 24.12.2003
KB 23.10.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorwaarden en wijze waarop de vermindering voor het lange termijnsparen wordt toegepast met betrekking tot betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen
KB 04.12.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van opcentiemen op de belasting der niet-inwoners (natuurlijke personen) en van de toepassing van de aanvullende belastingen op de personenbelasting
KB 15.12.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 22.12.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 ter verzaking aan de inning van roerende voorheffing op interest en royalty’s verleend of betaalbaar gesteld aan verbonden vennootschappen
KB 23.01.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 10.02.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 18.02.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 19.02.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 11.05.2004 tot wijziging art. 734quater van het KB/WIB 92 betreffende de lijst van landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
KB 12.05.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het vlak van de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling KB 16.06.2004 tot uitvoering van de artikelen 301, § 1, 3 22.12.2003 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoor- heffing KB 16.06.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens KB 23.06.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning KB 13.08.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92 ter verzaking aan de inning van de roerende voorheffing op interest en royalty’s verleend of betaalbaar gesteld aan verbonden vennoot- schappen DATUM KB 1 KB 26.11.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 16.12.2004 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO KB 09.01.2005 tot wijziging, op het stuk van de roerende voorheffing, van het KB/WIB 92, en van het KB van 26.05.1994 betreffende de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 06.08.1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten KB 20.01.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake roerende voorheffing op inkomsten betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten KB 21.01.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 16.02.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 28.02.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 01.03.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de werkgeversbijdragen en – premies en persoonlijke bijdragen en premies voor de vorming van pensioenen of aanvullende pensioenen
KB 11.03.2005 houdende uitvoering van art. 385, 5 24.12.2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing
KB 24.03.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de aanwijzing van derden om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang DATUM KB 1 KB 18.04.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 met het oog op de omzetting, inzake roerende voorheffing, van de richtlijn van 22.12.2003 tot wijziging van de richtlijn van 23.7.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-Staten
KB 13.06.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 28.06.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 03.07.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake roerende voorheffing
KB 12.07.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.07.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van sommige giften
KB 04.08.2005 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275 92 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing
KB 24.08.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 02.09.2005 tot wijziging van art. 182 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 17.09.2005 houdende opheffing van art. 160 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 17.09.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 tot uitvoering van de wet van 22.06.2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal DATUM KB 1 KB 14.10.2005 tot wijziging art. 734quater van het KB/WIB 92 betreffende de lijst van de landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
KB 10.11.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van het pensioensparen
KB 03.12.2005 tot wijziging van de artikelen 164 en 165 KB/WIB 92
KB 15.12.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 08.01.2006 tot uitvoering van art. 2752, § 5, WIB 92 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 02.02.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 17.02.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 22.02.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de PC-privé-plannen
KB 17.03.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 19.05.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 10.06.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot de belastingvoordelen voor hypothecaire leningen en individuele levensverzekeringscontracten
KB 01.07.2006 tot wijziging van artikel 2 van het KB/WIB 92 DATUM KB 1 KB 05.08.2006 ter nadere bepaling van het percentage per jaar beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, van het WIB 92
KB 22.08.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 01.09.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de investeringsaftrek en inzake de belastingvermindering voor energiebesparende maatregelen
KB 01.09.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzonderheid inzake het pensioensparen
KB 15.09.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 23.11.2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 2004 ter uitvoering van artikelen 1409, § 1, vierde lid, en 1409, § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek inzake de beperking van de inbeslagneming wanneer er kinderen ten laste zijn, alsmede van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92
KB 29.11.2006 tot toekenning van een aanvullende vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor beroepskosten
KB 11.12.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 tot uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het WIB 92 en van de wet van 25 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal
KB 18.12.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing en tot invoering van de Vlaamse forfaitaire vermindering van de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 21.12.2006 tot omvorming van de algemene verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen tot het uitvoeringsbesluit van het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het regentbesluit tot uitvoering van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wijzigingen aan uitvoeringsbesluiten
KB 21.12.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het vlak van de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en het minimum van de belastbare winst of baten van ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep
KB 31.01.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 12.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 13.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 14.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor de verwerving van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter
KB 25.02.2007 tot wijziging van artikelen 210bis en 210ter van het KB/WIB 92
KB 25.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het vlak van de belastingvermindering voor uitgaven voor beveiliging van een privéwoning tegen inbraak of brand
KB 25.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de aard van de dienstverrichtingen betreft, verricht in het kader van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen
KB 28.02.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen betreft DATUM KB 1 KB 12.03.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing en houdende diverse bepalingen
KB 19.03.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de vaste activa uitgesloten van het keuzestelsel van degressieve afschrijving
KB 01.04.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de aanwijzing van derden om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang
KB 09.04.2007 tot toekenning van een aanvullende vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor beroepskosten
KB 09.04.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 09.04.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de erkenning van de wetenschappelijke instellingen bedoeld in artikel 2753, § 1, tweede lid van het WIB 92
KB 21.04.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 11.05.2007 tot uitvoering van artikel 44ter, § 2, 1°, van het WIB 92 en artikel 114 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)
KB 23.05.2007 met betrekking tot de private privak
KB 03.06.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 tot invoering van de verplichte indiening langs elektronische weg van fiches, samenvattende opgaven en aangiften in de bedrijfsvoorheffing
KB 03.06.2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis , derde lid, en 275 WIB 92 DATUM KB 1 KB 03.06.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 07.06.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 08.06.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 07.08.2007 tot wijziging van bijlage IIIbis van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 17.08.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de investeringsaftrek
KB 07.12.2007 tot aanpassing van de fiscale wetgeving en de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België aan de bepalingen van de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder
KB 07.12.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing en de Vlaamse forfaitaire vermindering van de bedrijfsvoorheffing
KB 19.12.2007 tot wijziging van bijlage IIIbis van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
KB 19.12.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake belastingvermindering voor passiefhuizen
KB 20.12.2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 in uitvoering van artikel 275 het WIB 92 DATUM KB 1 KB 27.12.2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
KB 10.02.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 25.02.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 11.03.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 18.03.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 08.04.2008 tot toekenning van een aanvullende vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor beroepskosten
KB 18.06.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 16.07.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing en de Vlaamse forfaitaire vermindering van de bedrijfsvoorheffing
W 16.07.2008 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot instelling van een forfaitaire belastingregeling inzake auteursrechten en naburige rechten
KB 30.07.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de basisrentevoet toegekend op spaardeposito's als bedoeld in artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 09.09.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 28.11.2008 tot wijziging van artikel 6311bis van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor passiefhuizen DATUM KB 1 KB 05.12.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 07.12.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van werkgeversbijdragen en - premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 07.12.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de voorwaarden tot vrijstelling van de inkomsten uit de spaardeposito's als bedoeld in artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 10.12.2008 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de erkenning van de wetenschappelijke instellingen bedoeld in artikel 2753, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 11.01.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de aftrek voor octrooi-inkomsten
KB 11.01.2009 tot toekenning van de Vlaamse forfaitaire vermindering op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.01.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 27.01.2009 houdende wijziging van sommige bepalingen van het KB/WIB 92
KB 02.02.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 03.02.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 05.02.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens DATUM KB 1 KB 06.04.2009 tot toekenning van een aanvullende vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor beroepsinkomsten
KB 14.04.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 13.05.2009 tot wijziging. van het KB/WIB 92 inzake de erkenning van de wetenschappelijke instellingen bedoeld in artikel 2753, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 10.06.2009 tot wijziging van artikel 207 van het KB/WIB 92 inzake de verplichte vermeldingen op stortings- of overschrijvingsbewijzen
KB 12.06.2009 houdende wijziging van het KB/WIB 92 wat de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen betreft
KB 15.06.2009 tot uitvoering van artikel 202, § 2, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vaststelling van de aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben ten name van de verzekeringsondernemingen
KB 22.06.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.07.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake energie in uitvoering van het economische herstelplan
KB 31.07.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
KB 31.07.2009 tot aanpassing van het KB/WIB 92 inzake het afzien van de inning van de roerende voorheffing DATUM KB 1 KB 10.08.2009 tot wijziging van artikel 63 belastingvermindering voor passiefhuizen
KB 03.12.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 03.12.2009 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 10.01.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 10.01.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 01.02.2010 tot wijziging van artikel 139, §§1 en 3, en artikel 142, § 1, van het KB/WIB 92, inzake het gebruik van betaalterminals in de ontvangkantoren voor de betaling van de belasting
KB 08.02.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de aanrekeningsregels voor de belastingverminderingen voor energiebesparende uitgaven
KB 10.02.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 11.02.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 22.02.2010 tot aanpassing van het KB/WIB 92 inzake de verzaking van de inning van de roerende voorheffing
KB 02.03.2010 tot wijziging van artikel 178 van het KB/WIB 92 met betrekking tot het voorstel van aanslag
KB 08.03.2010 tot wijziging van het KB/WIB92 inzake de belastingvermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving in nieuwe staat van een elektrisch voertuig DATUM KB 1 KB 06.04.2010 tot toekenning van een aanvullende vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor beroepsinkomsten
KB 06.04.2010 tot wijziging van sommige bepalingen van het KB/WIB 92
KB 06.05.2010 ter uitvoering van artikel 307, § 1, derde tot zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de lijst van Staten zonder of met een lage belasting
KB 10.05.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de aangifte inzake roerende voorheffing betreft
KB 02.06.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de begrenzing van de als beroepskosten aftrekbare bijdragen en –premies voor de vorming van een aanvullend pensioen
KB 02.07.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 09.07.2010 betreffende de toepassingsmodaliteiten van de vrijstelling van de minderwaarden bedoeld in artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 30.07.2010 tot aanpassing van het KB/WIB 92 betreffende de aanduiding van een aansprakelijke vertegenwoordiger in het kader van gecentraliseerde systemen voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten
KB 26.08.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de erkenning van de wetenschappelijke instellingen bedoeld in artikel 2753, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 10.09.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning DATUM KB 1 KB 01.12.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 14.12.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de investeringsaftrek met betrekking tot de beveiliging van bedrijfsvoertuigen
KB 22.12.2010 tot uitvoering van artikel 394, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 22.12.2010 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de bepaling van het belastbare tijdperk betreft
KB 07.02.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 09.02.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 21.02.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de aftrek van uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen en de erkenning van instellingen die in aanmerking komen om giften te ontvangen
KB 28.02.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 03.03.2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector
KB 15.03.2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28.02.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 18.03.2011 tot wijziging van artikel 164 van het KB/WIB 92 betreffende het bericht van beslag
KB 23.03.2011 tot wijziging van artikel 178 van het KB/WIB 92
KB 26.09.2011 tot aanvulling van artikel 133 van het KB/WIB 92 betreffende de onroerende goederen die in onverdeeldheid toebehoren aan meerdere eigenaars
KB 05.12.2011 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 05.12.2011 houdende diverse bepalingen tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 23.02.2012 tot wijziging van artikel 18, § 3, KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire waardering van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen en de kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit
KB 04.03.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 12.03.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 22.04.2012 tot wijziging van artikel 178 het KB/WIB 92 inzake het voorstel van vereenvoudigde aangifte
KB 06.06.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB15.06.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92, met betrekking tot de afschaffing van de voorwaarde betreffende de registratie als aannemer DATUM KB 1 KB 17.07.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 11.12.2012 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.12.2012 tot aanpassing van het KB/WIB 92 inzake de verzaking van de inning van de roerende voorheffing met betrekking tot de dividenden die worden toegekend aan pensioenfondsen niet-inwoners
KB 27.12.2012 tot aanpassing van het KB/WIB 92 inzake de verzaking van de inning van de roerende voorheffing met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd door vastgoedbeleggingsvennootschappen met vast kapitaal
KB 11.02.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 01.03.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 04.03.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 03.04.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard
KB 19.04.2013 tot wijziging van de artikelen 178 en 178/1 van het KB/WIB 92 inzake het voorstel van vereenvoudigde aangifte
KB 30.04.2013 tot aanpassing van artikel 106, § 7, eerste lid, van het KB/WIB 92 inzake de bedoelde beleggingsvennootschappen
KB 23.05.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 18.07.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens DATUM KB 1 KB 21.09.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de voorwaarden tot vrijstelling van de spaardeposito's beoogd in artikel 21, 5°, van het WIB 92, en de voorwaarden van het aanbod van tarieven op deze laatste
KB 24.09.2013 tot uitvoering van artikel 445 van het WIB 92 inzake de vastlegging van de schaal van de administratieve geldboetes en hun toepassingsmodaliteiten
KB 24.10.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 07.11.2013 tot wijziging van de artikelen 164 en 165 van het KB/WIB 92
KB 15.12.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 15.12.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 2757, vierde lid, van het WIB 92
KB 26.12.2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de instellingen die giften ontvangen
KB 24.01.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 07.02.2014 tot uitvoering van artikel 307bis, § 3, derde lid, WIB 92 betreffende de modaliteiten voor de elektronische indiening van de aangiften in de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting, de belasting niet-inwoners vennootschappen en de belasting niet- inwoners/rechtspersonen
KB 07.02.2014 tot uitvoering van artikel 302, derde lid, WIB 92 betreffende de aanbieding van aanslagbiljetten door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt DATUM KB 1 KB 21.02.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 21.02.2014 tot wijziging van artikel 178 van het KB/WIB 92 inzake het voorstel van vereenvoudigde aangifte
KB 21.02.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 24.02.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorafbetalingen
KB 23.03.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 2753, §§2 en 3, van het WIB 92
KB 26.03.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 04.04.2014 tot wijziging van de artikelen 144/2 en 144/6 van het KB/WIB 92 inzake de bepaling van het aandeel van iedere belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag
KB 25.04.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot het vaststellen van het maximumbedrag van de vrijstelling inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
KB 25.04.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
KB 25.04.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de erkenning van wetenschappelijke instellingen bedoeld in artikel 2753, § 1, tweede lid van het WIB 92
KB 19.05.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens DATUM KB 1 KB 13.06.2014 tot uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance en van artikelen 275 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 18.06.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 30.06.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingverminderingen met betrekking tot de in artikel 5/5, § 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoelde uitgaven
KB 17.07.2014 tot wijziging van artikel 4 van het koninklijk besluit van 13 juni 2014 tot uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance en van artikelen 275 de inkomstenbelastingen 1992
KB 04.08.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat betreft de omzetting van de aftrek van giften in een belastingvermindering en wat betreft de bepalingen inzake de erkenning van instellingen die giften kunnen ontvangen
KB 30.09.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de omzetting betreft van de aftrek voor uitgaven voor kinderoppas in een belastingvermindering
KB 30.09.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingverminderingen voor energiebesparende uitgaven in een woning en voor energiezuinige woningen en ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting en de wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners DATUM KB 1 KB 10.12.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 16.12.2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 19.12.2014 tot uitvoering van artikel 194ter van het WIB 92 en ter bepaling van de modaliteiten en de voorwaarden van de erkenningsprocedure van productievennootschappen en van de in aanmerking komende tussenpersonen
KB 20.01.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op uitkeringen in het kader van het pensioensparen
KB 22.02.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 02.03.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorafbetalingen
W 24.03.2015 houdende aanpassing van titel 3 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance en van de artikelen 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard
KB 28.04.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van de artikelen 275 Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 DATUM KB 1 KB 23.08.2015 tot wijziging de bijlage III van het KB/WIB 92, op het stuk van de werkbonus
KB 23.08.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van inkomstenbelastingen 1992
KB 27.09.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de verzaking van de inning van de roerende voorheffing
KB 29.10.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 02.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de investeringsaftrek voor digitale investeringen betreft
KB 09.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 16.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 22.02.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 01.03.2016 tot wijziging van artikel 734quater landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
KB 01.03.2016 tot wijziging van artikel 179 van het KB/WIB 92 betreffende de lijst van Staten zonder of met een lage belasting DATUM KB 1 KB 07.03.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorafbetalingen
KB 01.04.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de belastingvermindering voor de verwerving van nieuwe aandelen van startende ondernemingen in uitvoering van artikel 14526, § 6, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 27.06.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 09.11.2016 met betrekking tot gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen
KB 17.11.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 24.11.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 12.12.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.01.2017 tot bepaling van de bedrijfsvoorheffing op de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 12.01.2017 tot uitvoering van artikel 90, tweede lid, van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, inzake de voorwaarden tot erkenning van elektronische platformen van deeleconomie en tot onderwerping van de in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten aan de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 27.01.2017 tot uitvoering van de artikelen 194ter/1 en 194ter/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de modaliteiten en voorwaarden van de erkenningsprocedure van productievennootschappen en van de in aanmerking komende tussenpersonen betreft en tot aanwijzing van de in artikel 194ter/2, van hetzelfde Wetboek bedoelde bevoegde Instantie van de Federale Staat
KB 31.01.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 31.01.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 20.02.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 18.04.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de belastingvermindering voor de verwerving van nieuwe aandelen van startende ondernemingen in uitvoering van artikel 145 § 6, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 28.04.2017 met betrekking tot de vrijstelling voor interesten uit leningen aan startende ondernemingen
KB 22.05.2017 tot wijziging van de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake het vereenvoudigd elektronisch beslag onder derden
KB 22.05.2017 houdende diverse bepalingen tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 10.07.2017 tot wijziging van artikel 178 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op het uitsluiten van bepaalde categorieën van belastingplichtigen van de vrijstelling van aangifteplicht in de personenbelasting DATUM KB 1 KB 18.07.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 02.11.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC, tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement
KB 10.12.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 13.12.2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 25.12.2017 tot wijziging van de artikelen 636 en 63
KB 26.01.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 18.02.2018 tot wijziging en aanvulling van het KB/WIB 92 in uitvoering 470/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 06.03.2018 tot wijziging van artikel 178, § 2, 13°, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op het afschaffen van de voorwaarde van het maximum bedrag van bezoldigingen van de criteria krachtens dewelke belastingplichtigen vrijgesteld zijn van de aangifteverplichting in de personenbelasting
KB 06.03.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de attesten die ter beschikking dienen te worden gehouden voor de toepassing van bepaalde belastingverminderingen voor hypothecaire leningen en individuele levensverzekeringen
KB 11.03.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de aanduiding van de dienst belast met het uitreiken van de aangiften inzake inkomstenbelastingen DATUM KB 1 KB 25.03.2018 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92
KB 19.04.2018 tot wijziging van artikel 204, 3°, van het KB/WIB 92 inzake het belastbare tijdperk waartoe de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten behoren
KB 08.05.2018 tot tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2007 met betrekking tot de Private Privak en het KB/WIB 92 betreffende de verzaking van de inning van roerende voorheffing
KB 24.06.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 29.06.2018 tot uitvoering van artikel 445, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vastlegging van de schaal van de administratieve boetes wat de verrekenprijzen betreft en hun toepassingsmodaliteiten
KB 19.07.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van de artikelen 275 inkomstenbelastingen 1992
KB 25.09.2018 tot harmonisatie van de begrippen elektronische handtekening en duurzame gegevensdrager
KB 21.11.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de modaliteiten inzake de betaling, de rechtzetting, de overdracht en de terugbetaling van de voorafbetalingen, alsook de erop betrekking hebbende mededelingsmodaliteiten
KB 07.12.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 07.12.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen
KB 19.12.2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 17.02.2019 tot uitvoering van diverse wetten en tot aanpassing van diverse koninklijke besluiten met het oog op onder meer de harmonisatie van de betalingsmodaliteiten binnen de administratie van de federale overheidsdienst financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
KB 17.03.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 23.03.2019 houdende uitvoering van artikel 21, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 03.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 275 inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring
KB 03.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 04.04.2019 tot wijziging van artikel 46ter, van het KB/WIB 92, met betrekking tot het vaststellen van het maximumbedrag van de vrijstelling inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
KB 07.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de erkenningsprocedure om giften te krijgen die recht geven op de belastingvermindering bedoeld in artikel 145 van de inkomstenbelastingen 1992 DATUM KB 1 W 13.04.2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
KB 13.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 275 inkomstenbelastingen 1992
KB 13.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing als bedoeld in de artikelen 275 inkomstenbelastingen 1992 KB 22.04.2019 tot wijziging van de wettelijke en reglementaire bepalingen verwijzende naar het Rentenfonds KB 28.04.2019 tot wijziging van artikel 204, 4°, van het KB/WIB 92 inzake het belastbare tijdperk waartoe de inkomsten uit het verenigingswerk en uit occasionele diensten tussen burgers behoren
KB 28.04.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de aanvraag tot verrekening en de terugbetaling van de roerende voorheffing op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden
KB 02.05.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 in uitvoering van artikel 145 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
W 02.05.2019 houdende diverse fiscale bepalingen 2019-I
KB 02.05.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvermindering voor uitgaven verricht in het kader van een adoptieprocedure als bedoeld in artikel 145 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 06.06.2019 tot invoering van een optiestelsel voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid DATUM KB 1 KB 06.06.2019 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92
KB 13.06.2019 tot wijziging van artikel 46quater, van het KB/WIB 92, met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
KB 23.06.2019 tot wijziging van de artikelen 136/1 en 136/2 van het Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 betreffende de elektronische aanbieding van aanslagbiljetten
KB 28.06.2019 tot uitvoering van artikelen 145 inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het transmissiemiddel van bepaalde informatie naar de FOD Financiën
KB 28.06.2019 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 03.07.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de inkomsten uit de deeleconomie
KB 16.07.2019 met betrekking tot de attesten voor de belastingvermindering voor premies voor een rechtsbijstandsverzekering
KB 29.07.2019 tot vaststelling van de schaal van de verhogingen van het minimum van de belastbare winst voorzien in artikel 342, § 4, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in geval van niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet- inwoners
KB 29.08.2019 tot aanpassing van sommige federale bepalingen aan het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en aan het koninklijk besluit van 29.04.2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen DATUM KB 1 KB 29.08.2019 tot wijziging van de bijlage IIIbis van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275 inkomstenbelastingen 1992
KB 05.09.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van het begrip overeenstemmend voertuig
KB 11.09.2019 tot wijziging van de artikelen 136/1 en 136/2 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 betreffende de elektronische aanbieding van aanslagbiljetten
KB 02.10.2019 tot uitvoering van artikel 205/4, § 2, van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992
KB 03.10.2019 tot aanpassing van de terminologie in de fiscale wetboeken en in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan deze in het Wetboek van economisch recht
KB 14.10.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de individuele fiches die pensioen- instellingen in toepassing van artikel 321ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 via elektronische weg aan de fiscale administratie moeten bezorgen
KB 03.12.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
KB 09.12.2019 tot wijziging of opheffing van diverse uitvoeringsbesluiten als gevolg van de invoering van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen
KB 09.12.2019 tot aanpassing van de bepalingen van het KB/WIB 92 betreffende de vaststelling van het belastbare inkomen inzake vennootschapsbelasting DATUM KB 1 KB 11.12.2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.12.2019 tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
KB 20.12.2019 tot aanpassing van het KB/WIB 92 ingevolge de invoering van de aftrek van de groepsbijdrage en van de beperking op de aftrek van interesten
KB 20.01.2020 tot remediëring van het dubbelgebruik van artikel 73
KB 17.02.2020 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 15.03.2020 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 27.03.2020 tot actualisering van het KB/WIB 92 inzake de roerende voorheffing
KB 24.04.2020 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen door de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring KB 30.04.2020 tot wijziging van de artikelen 178 en 178/1 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de wijziging van bepaalde bepalingen met betrekking tot de vrijstelling van de aangifteplicht in de personenbelasting KB 18.05.2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen voor studentenarbeid DATUM KB 1 KB 20.05.2020 tot uitvoering van de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de wet van 20 december 2019 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies W 29.05.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie KB 22.06.2020 tot uitvoering van de artikelen 93ter tot 93quinquies van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 412bis, 433 tot 435 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 35 tot 37, 43 tot 45 en 47 van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en de artikelen 157 tot 159 en 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake het e-notariaat KB 09.07.2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van werknemers KB 27.09.2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfs- voorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen KB 30.11.2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfs- voorheffing op bezoldigingen voor studentenarbeid KB 16.12.2020 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 20.12.2020 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig KB 20.12.2020 tot wijziging van diverse koninklijke besluiten inzake inkomstenbelastingen
KB 11.01.2021 tot vastlegging van het tijdstip waarop de schade definitief is vastgesteld voor de toepassing van het stelsel van de achterwaartse verliesaftrek in het Waalse gewest KB 26.01.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de inkomsten uit de deeleconomie KB 26.01.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92 met het oog op de herinrichting van de verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden op de inkomsten uit de deeleconomie KB 24.02.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet DATUM KB 1 KB 14.03.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 275 belastingen KB 21.03.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken KB 29.03.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid
KB 18.04.2021 tot uitvoering van artikel 321quater, § 1, eerste lid, 2° en § 2 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 KB 21.04.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid KB 02.05.2021 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het aanslagjaar 2022 KB 07.06.2021 houdende uitvoering van de wet houdende dringende diverse fiscale en fraudebestrijding bepalingen KB 20.06.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid W 27.06.2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
KB 18.07.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
KB 27.07.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid KB 29.09.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid DATUM KB 1 KB 23.11.2021 tot wijziging van verschillende koninklijke besluiten betreffende de overdracht van de bevoegdheid inzake de inning en de invordering van verschillende rechten en retributies van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie aan de Algemene administratie van de inning en de invordering; tot uitbreiding van het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 28 november 2008 tot uitvoering van artikel 8bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wat de exploten en processen-verbaal van de gerechtsdeurwaarders betreft; en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 tot vaststelling van de openingsuren van de kantoren van de Administratie Rechtszekerheid KB 07.12.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig KB 09.12.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.12.2021 tot wijziging van artikel 133 van het KB/WIB 92
KB 17.12.2021 tot wijziging van de bijlage IIIbis van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275 van de inkomstenbelastingen 1992 KB 17.12.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de vermindering voor overwerk KB 19.12.2021 tot wijziging van artikel 18, § 3, van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit KB 19.12.2021 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de vermindering voor overwerk KB 23.12.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de inhoud van de fiche voor de inkomsten uit de deeleconomie KB 23.12.2021 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 23.12.2021 ter uitvoering van de artikelen 145 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot bepaling van de te communiceren gegevens door de in het artikel 14535, tweede lid, 3°, van hetzelfde Wetboek bedoelde instanties Programmawet van 27.12.2021 DATUM KB 1 KB 01.02.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de inkomsten uit de deeleconomie en uit het verenigingswerk KB 01.02.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vaststelling van het nettobedrag van de beroepsinkomsten KB 06.02.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 16.02.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 2756 1992 KB 21.02.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars KB 05.03.2022 tot vastlegging van de vorm en inhoud van het formulier voor de aanvraag van het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers KB 23.03.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid gepresteerd in het eerste kwartaal van 2022 en van de vermindering voor overwerk KB 28.03.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid KB 10.04.2022 tot uitvoering van artikel 57, vierde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 18.04.2022 tot uitvoering van artikel 74 van de wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XX, en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek XX, in boek I van het Wetboek van economisch recht KB 19.05.2022 tot wijziging van de bepalingen inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het KB/WIB 92 KB 06.06.2022 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het aanslagjaar 2023 DATUM KB 1 KB 06.06.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid gepresteerd in het tweede kwartaal van 2022
KB 05.07.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de roerende voorheffing
KB 01.09.2022 tot vastlegging van de vorm en inhoud van het formulier voor de aanvraag tot verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers KB 13.09.2022 tot wijziging van de artikelen 225, 228, 229 en tot invoeging van een artikel 228/1 in het KB/WIB 92 KB 21.09.2022 besluit tot uitstel van de overdracht van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie aan de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de bevoegdheid om de bedrijfsvoorheffing, de rechten en de retributies te innen KB 06.11.2022 houdende wijzigingen aan de modaliteiten en voorwaarden van het Tax Shelter- stelsel ter uitvoering van de artikelen 194ter tot en met 194ter/3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 13.11.2022 tot invoering van de verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden op de in artikel 90, eerste lid, 2° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde premies die aan Rijksinwoners worden betaald of toegekend en tot regeling van een specifieke ficheverplichting KB 13.11.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op inkomsten van sporters als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 2°bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 16.11.2022 tot vastlegging van het formulier voor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek voor het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden KB 27.11.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bezoldigingen voor studentenarbeid gepresteerd in de zorgsector in het derde en vierde kwartaal van 2022 KB 30.11.2022 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid betaald of toegekend in de periode van november 2022 tot en met maart 2023 DATUM KB 1 KB 19.12.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de beloningen voor verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 19.12.2022 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
Programmawet van 26.12.2022
KB 17.02.2023 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
KB 13.03.2023 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de verantwoording van sommige beroepskosten KB 15.03.2023 tot toelating van de elektronische verzending van de voorstellen van vereenvoudigde aangifte aan de belastingplichtigen KB 25.04.2023 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het aanslagjaar 2024
KB 23.06.2023 tot wijziging van de bedrijfsvoorheffing
KB 17.07.2023 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de inkomensverklaring als bedoeld in artikel 242, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 17.07.2023 houdende diverse bepalingen tot wijziging van het KB/WIB 92
KB 30.08.2023 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de vermindering voor overwerk KB 20.09.2023 tot uitvoering van artikel 445, § 5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vastlegging van de schaal van de administratieve boetes en hun toepassingsmodaliteiten KB 11.12.2023 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing DATUM KB 1 KB 25.12.2023 tot bepaling van de rapportagemodaliteiten voor de platformexploitanten bedoeld in titel VII, hoofdstuk III, afdeling Iquater, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
KB 12.01.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet KB 05.02.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig KB 25.02.2024 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het aanslagjaar 2025 KB 25.02.2024 tot aanpassing van het artikel 49 KB/WIB 92 met betrekking tot de attestering van vaste activa voor rationeler energieverbruik gelegen in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid KB 11.03.2024 tot wijziging van de bedrijfsvoorheffing
KB 11.03.2024 tot wijziging van artikel 178 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 09.04.2024 houdende uitvoering van de artikelen 38, § 1, zesde lid, en 66bis, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 09.04.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt als bedoeld in artikel 27513 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 15.05.2024 tot wijziging van de bedrijfsvoorheffing
KB 12.05.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de voorwaarden voor het toekennen van een belastingvermindering voor giften KB 16.06.2024 tot vastlegging van het model van de in artikel 307, § 1/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting KB 25.07.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92 met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vrijstelling van de bezoldigingen voor prestaties in het kader van een flexi-job DATUM KB 1 KB 25.07.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92 met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vrijstelling van de bezoldigingen voor prestaties in het kader van een flexi-job tot de binnenscheepvaart KB 16.09.2024 tot vastlegging van de wijze waarop de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid het akkoord moeten aantonen voor de toepassing van de in artikel 275 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing en tot correctie van artikel 952 KB 11.11.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de bepaling van het belastbare tijdperk betreft KB 20.11.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars KB 08.12.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig KB 12.12.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
KB 12.12.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 17.12.2024 genomen met het oog op het integreren van de inningsregels in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en het bepalen van de werking van de Provisierekening btw KB 01.10.2024 tot opname van de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 14 tot 16 juli 2021 en op 24 juli 2021 in het toepassingsgebied van artikel 275 inkomstenbelastingen 1992 KB 20.12.2024 tot wijziging van de termijnen die werden vastgelegd door het koninklijk besluit van 1 oktober 2024 tot opname van de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 14 tot 16 juli 2021 en op 24 juli 2021 in het toepassingsgebied van artikel 275 inkomstenbelastingen 1992 KB 20.12.2024 tot aanpassing van de artikelen met betrekking tot de investeringsaftrek in het KB/WIB 92 DATUM KB 1 KB 20.12.2024 ter invoering van de investeringslijsten en de klimaat- en milieu-uitsluitingslijst bedoeld in de artikelen 69/1 en 75, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ter vastlegging van de digitale investeringen die in aanmerking komen voor de in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verhoogde basisaftrek KB 20.12.2024 tot wijziging van de bepalingen inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het KB/WIB 92 KB 24.01.2025 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet KB 05.03.2025 tot wijziging van de termijnen en de delegatie die werden vastgelegd door het koninklijk besluit van 1 oktober 2024 tot opname van de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 14 tot 16 juli 2021 en op 24 juli 2021 in het toepassingsgebied van artikel 2759/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 KB 19.03.2025 tot uitstel van de termijnen die werden vastgelegd door het koninklijk besluit van 1 oktober 2024 tot opname van de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 14 tot 16 juli 2021 en op 24 juli 2021 in het toepassingsgebied van artikel 275 inkomstenbelastingen 1992 KB 17.05.2025 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van studentenarbeid KB 17.05.2025 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het aanslagjaar 2026 KB 12.06.2025 tot wijziging van het KB/WIB 92 met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vrijstelling van de bezoldigingen voor prestaties in het kader van een flexi-job naar de sector van de zeevisserij KB 28.07.2025 tot eenmalige verlenging van de aanvraagtermijn voor het attest van de verhoogde thematische investeringsaftrek KB 18.08.2025 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 inzake overwerk
KB 21.10.2025 tot invoering van een verzaking aan de roerende voorheffing voor betalingen inzake gebruik van lichamelijke roerende goederen in het KB/WIB 92 KB 17.12.2025 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig DATUM KB 1 KB 11.12.2025 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
KB 08.02.2026 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet KB 14.02.2026 inzake de bedrijfsvoorheffing op onderhoudsuitkeringen die in 2025 werden betaald of toegekend aan niet-inwoners Historiek van de Gewestelijke bepalingen
1) Vlaams Gewest
Opmerking:
Vanaf aj. 2014 is het Besluit van 20.12.2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (BS 31.12.2013 Ed. 1, err. 27.01.2014)(Bijlage 1) van toepassing.
ART. KB/WIB 92 1 6310
6318/9 6318/13 6318/15 133
139
142
145 ART. KB/WIB 92 1 160
164
165
2) Waals Gewest
ART. KB/WIB 92 1 6310
133
3) Brussels Hoofdstedelijk Gewest
NIHIL HISTORIQUE PAR ARTICLE DE L'AR/CIR 92
Cette table mentionne à la :
colonne 1 : l'art. (ou l'annexe) de l'AR/CIR 92 qui a été adapté;
le texte de base des articles est le texte tel qu'il figure dans l'annexe de l'AR du 27.08.1993 d'exécution du CIR 92 (MB 13.09.1993 – R 2265); le tableau ci-après ne reprend que les articles qui ont été adaptés par un AR (y compris par l'AR du 27.08.1993 précité)
colonne 2 :
la date de l'AR qui a adapté l'art. AR/CIR 92, mentionné à la colonne 1
colonne 3 :
la date du MB dans lequel l'AR, mentionné à la colonne 2, a été publié
colonne 4 :
le n° du recueil administratif dans lequel l'AR, mentionné à la colonne 2, a été publié (jusqu'au 31.12.2006)
colonne 5 :
l'art. de l' AR, mentionné à la colonne 2, qui a adapté l' art., mentionné à la colonne 1
colonne 6 :
l’objet de la mise à jour
colonne 7 :
l’entrée en vigueur de la mise à jour ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 1 22.10.1993 29.10.1993 2273
18.02.1994 26.02.1994 2294
20.03.1995 13.05.1995 2384 06.03.1996 19.03.1996 2446
26.02.1997 13.03.1997 2497 17.12.1998 26.01.1999 2650 err. 05.03.1999 29.10.1999 17.12.1999 2772 23.11.2000 12.12.2000 2879 04.02.2002 13.02.2002 3015 23.01.2003 06.02.2003 3117 éd. 2 30.07.2003 29.08. 2003 3211 éd. 3 16.06.2004 24.06.2004 3344 éd. 2 13.06.2005 17.06.2005 3452 éd. 2 19.05.2006 29.05.2006 3558 12.02.2007 19.02.2007 11.03.2008 18.03.2008 05.02.2009 13.02.2009 éd. 2 11.02.2010 19.02.2010 éd. 3 09.02.2011 16.02.2011 12.03.2012 16.03.2012 18.07.2013 24.07.2013 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.05.2014 26.05.2014 éd. 2 29.10.2015 06.11.2015 ed. 2 17.11.2016 29.11.2016 18.07.2017 04.08.2017 24.06.2018 03.07.2018 03.04.2019 19.04.2019 éd. 2 15.03.2020 23.03.2020 18.07.2021 23.07.2021 éd. 3 1bis 05.08.2006 18.08.2006 3575 éd. 2 err. 12.09.2006 22.04.2019 07.05.2019 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
2 13.10.1997 30.10.1997 2535
13.10.1997 30.10.1997 2535
31.12.1999 11.01.2000 2794
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959 13.07.2001 11.08.2001 2959
01.07.2006 10.07.2006 3567
30.07.2008 05.08.2008 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 07.12.2008 22.12.2008 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 21.09.2013 27.09.2013 éd. 2
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
2bis 28.04.2017 09.05.2017
28.06.2019 08.07.2019 2ter 23.03.2019 05.04.2019 éd. 2 3 L 16.07.2008 30.07.2008 éd. 2 29.08.2019 13.09.2019 4 12.08.1994 10.09.1994 2336
L 16.07.2008 30.07.2008 éd. 2 LP 26.12.2022 30.12.2022 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 5 L 16.07.2008 30.07.2008 éd. 2 6 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
7 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
8 01.02.2022 01.03.2022
9 01.02.2022 01.03.2022 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 10 20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
01.02.2022 01.03.2022 11 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 12 13.07.2001 11.08.2001 2959
29.08.2019 13.09.2019
15 29.08.2019 13.09.2019 16 29.08.2019 13.09.2019
17/1 05.03.2022 10.03.2022 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.09.2022 19.09.2022
17/2 05.03.2022 10.03.2022
01.09.2022 19.09.2022
18 22.10.1993 29.10.1993 2273
18.02.1994 26.02.1994 2294 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
07.03.1995 16.03.1995 2372
05.04.1995 13.05.1995 2386
06.03.1996 19.03.1996 2446
17.03.1997 27.03.1997 2501 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.05.1997 10.06.1997 2509
12.06.1997 21.08.1997 2523
02.06.1998 20.06.1998 2577
07.12.1998 23.12.1998 2626
07.12.1998 23.12.1998 2626
21.04.1999 07.05.1999 2687 éd. 2
25.04.2000 09.05.2000 2817
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 16.03.2001 10.04.2001 2923 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
08.03.2002 19.03.2002 3028 éd. 3
21.02.2003 06.03.2003 3128 éd. 2
25.03.2003 31.03.2003 3212 éd. 2
25.03.2003 04.04.2003 3140 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.02.2004 27.02.2004 3312 éd. 3
16.02.2005 24.02.2005 3418
17.03.2006 24.03.2006 3537
01.09.2006 15.09.2006 3581 11.12.2006 18.12.2006 3599
13.02.2007 23.02.2007 éd. 2
25.02.2008 29.02.2008
03.02.2009 10.02.2009 éd. 2
03.12.2009 10.12.2009
10.01.2010 15.01.2010 10.02.2010 22.02.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 07.02.2011 11.02.2011
03.03.2011 09.03.2011
23.02.2012 28.02.2012
04.03.2012 08.03.2012
01.03.2013 07.03.2013
03.04.2013 08.03.2013
24.01.2014 29.01.2014 éd. 2 err. 04.02.2014 21.02.2014 26.02.2014 éd. 2
16.12.2014 22.12.2014 éd. 2 22.02.2015 02.03.2015 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 09.12.2015 17.12.2015
22.02.2016 25.02.2016
24.11.2016 05.12.2016
20.02.2017 03.03.2017
02.11.2017 13.11.2017
13.12.2017 19.12.2017
26.01.2018 30.01.2018
07.12.2018 27.12.2018
19.12.2018 27.12.2018
17.03.2019 01.04.2019
03.12.2019 11.12.2019
17.02.2020 21.02.2020 err. 03.03.2020
20.12.2020 24.12.2020 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 24.02.2021 01.03.2021
07.12.2021 13.12.2021
19.12.2021 27.12.2021
06.02.2022 14.02.2022 éd. 2
17.02.2023 03.03.2023 éd. 2
12.01.2024 25.01.2024
05.02.2024 08.02.2024
08.12.2024 12.12.2024 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 24.01.2025 05.02.2025
17.12.2025 24.12.2025
08.02.2026 17.02.2026
19 12.08.1994 10.09.1994 2336
25.03.2003 04.04.2003 3140 22.02.2006 03.03.2006 3534 éd. 2 27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010 05.09.2019 17.09.2019 20.12.2020 29.12.2020 éd. 2 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2 19/1 09.04.2024 15.04.2024 19/2 25.07.2024 01.08.2024
25.07.2024 02.08.2024 12.06.2025 23.06.2025 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20 12.08.1994 10.09.1994 2336
03.04.2003 30.04.2003 3157 éd. 2
21 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.05.2007 24.05.2007
22 20.12.1995 28.12.1995 2425
07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008 23 20.12.1995 28.12.1995 2425
06.03.1996 19.03.1996 2446 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 27/1 09.07.2010 16.07.2010
03.10.2019 30.10.2019
28 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
29 22.10.1993 29.10.1993 2273
30 03.05.1999 04.06.1999 2698 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
10.04.2022 26.04.2022 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.03.2023 17.03.2023
31 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
13.03.2023 17.03.2023
32 13.03.2023 17.03.2023
33 13.03.2023 17.03.2023
34 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 35 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 25.03.2003 31.03.2003 3212 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.03.2005 09.03.2005 3422 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
07.12.2008 12.12.2008
02.06.2010 08.06.2010
03.03.2011 09.03.2011
29.08.2019 13.09.2019 43 19.03.2007 30.03.2007 éd.3 431 22.08.2002 05.09.2002 3077 12.05.2004 27.05.2004 3336 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 09.04.2024 15.04.2024 44 22.12.1995 19.01.1996 2429 09.06.1999 08.07.1999 2721 12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
45 09.06.1999 08.07.1999 2722
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 46 22.12.1995 19.01.1996 2429 09.06.1999 08.07.1999 2722
25.04.2000 06.05.2000 2816 12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010
46bis 11.12.2006 18.12.2006 3599
46ter 25.04.2014 14.05.2014 ed.2
04.04.2019 18.04.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 46quater 25.04.2014 14.05.2014 ed.2
13.06.2019 04.07.2019 47 11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2024 30.12.2024
47bis 31.01.1996 12.03.1996 2444 21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2024 30.12.2024
48 31.01.1996 12.03.1996 2444
21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173
11.12.2006 18.12.2006 3599
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
20.12.2024 30.12.2024
49 21.09.2000 17.10.2000 2865 12.05.2003 20.05.2003 3173 11.12.2006 18.12.2006 3599
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
25.02.2024 01.03.2024
20.12.2024 30.12.2024
28.07.2025 12.08.2025
49/1 02.12.2015 08.12.2015 20.12.2024 30.12.2024 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.12.2024 31.12.2024
491 12.05.2003 20.05.2003 3173 01.09.2006 08.09.2006 3580
11.12.2006 18.12.2006 3599
17.08.2007 30.08.2007 err. 26.10.2007 éd. 2 err. 12.11.2007
06.04.2010 13.04.2010
14.12.2010 24.12.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 15.06.2012 02.07.2012
20.12.2024 30.12.2024
49bis 21.09.2000 17.10.2000 2865 22.05.2017 06.06.2017
20.12.2024 30.12.2024
49ter 11.01.2021 19.01.2021
49quater 16.11.2022 25.11.2022 éd. 2 50 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 51 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 52 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 53 13.12.1993 24.12.1993 2278
28.03.1994 19.04.1994 2300
07.10.1994 25.10.1994 2342
17.10.1996 21.11.1996 2474
09.06.1999 07.07.1999 2717
05.09.2001 28.09.2001 2982
26.06.2002 05.07.2002 3061
10.03.2003 25.03.2003 3134
18.02.2004 01.03.2004 3313 err. 04.03.2004
28.02.2005 08.03.2005 3421 éd. 2 15.09.2006 21.09.2006 3584 éd. 3 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 09.04.2007 18.04.2007
07.06.2007 13.06.2007 err. 19.06.2007
17.07.2012 30.07.2012
11.02.2013 21.02.2013 éd. 2 24.10.2013 31.10.2013
26.03.2014 11.04.2014 éd. 2 27.06.2016 04.07.2016
31.01.2017 10.02.2017
31.01.2017 10.02.2017
22.05.2017 06.06.2017
21.02.2022 11.03.2022
20.11.2024 28.11.2024
12.12.2024 17.12.2024 ed. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 53/1 12.01.2017 24.01.2017
29.08.2019 13.09.2019 53/2 12.01.2017 24.01.2017
03.07.2019 12.07.2019
01.02.2022 21.02.2022
53/3 03.07.2019 12.07.2019
23.12.2021 30.12.2021
53/4 18.04.2021 26
25.12.2023 29.12.2023 éd. 2 53/5 18.04.2021 26
25.12.2023 29.12.2023 éd. 2 53/6 19.12.2022 22.12.2022
53/7 25.12.2023 29.12.2023 éd. 2 err. 15.01.2024 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 53/8 25.12.2023 29.12.2023 éd. 2 err. 15.01.2024 53/9 25.12.2023 29.12.2023 éd. 2 err. 15.01.2024 54 20.05.1997 10.06.1997 2509
55 12.08.1994 10.09.1994 2336
16.10.2000 09.11.2000 2872
06.04.2010 13.04.2010
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 56/1 26.12.2013 31.12.2013 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 57 16.10.2000 09.11.2000 2872
27.01.2009 03.02.2009
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 58 16.10.2000 09.11.2000 2872
27.01.2009 03.02.2009
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 59 16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59bis 29.10.1998 17.11.1998 2615
16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59ter 09.01.1996 06.02.1996 2436
29.10.1998 17.11.1998 2615
16.10.2000 09.11.2000 2872
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59quater 04.03.2001 14.03.2001 2914 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59quinquies 04.03.2001 14.03.2001 2914
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 59sexies 12.07.2005 29.07.2005 3469 éd. 2
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60 22.10.1993 29.10.1993 2273 20.01.1994 09.02.1994 2293 09.01.1996 06.02.1996 2436
29.10.1998 17.11.1998 2615 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 04.03.2001 14.03.2001 2914
21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 26.12.2013 31.12.2013 éd. 2
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/1 21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011
04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/2 21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 60/3 21.02.2011 25.02.2011 éd. 3 err. 03.03.2011 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 61 27.01.2000 03.02.2000 2795 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 11.12.2006 18.12.2006 3599
30.09.2014 06.10.2014 62 12.08.1994 10.09.1994 2336
10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014
63 20.05.1997 10.06.1997 2509 11.12.2006 18.12.2006 3599
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
01.02.2022 01.03.2022 63bis 12.08.1994 06.09.1994 2332 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 63ter 24.08.1994 06.09.1994 2333 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 631 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.03.2005 09.03.2005 3422 éd. 2
631/1 02.05.2019 13.05.2019 632 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 10.06.2006 19.06.2006 3562 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 633 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 30.01.2001 28.02.2001 2909 23.10.2003 31.10.2003 3225 err. 13.11.2003 10.06.2006 19.06.2006 3562 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 27.01.2009 03.02.2009
06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 634 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 634bis 10.11.2005 18.11.2005 3498 éd. 3 22.05.2017 06.06.2017
635 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 28.06.2019 08.07.2019 636 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011
22.05.2017 06.06.2017
25.12.2017 29.12.2017 err. 15.01.2018
29.08.2019 13.09.2019 637 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 01.09.2006 15.09.2006 3581 22.05.2017 06.06.2017
25.12.2017 29.12.2017 err. 15.01.2018 638 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 01.09.2006 15.09.2006 3581
03.03.2011 09.03.2011
639 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 6310 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 02.04.2002 25.04.2002 3039 6311 20.12.2002 28.12.2002 3102 éd. 2 23.06.2004 07.07.2004 3352
27.01.2009 03.02.2009
08.02.2010 12.02.2010 éd. 2 06.04.2010 13.04.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 10.09.2010 22.09.2010 err. 04.10.2010
15.06.2012 02.07.2012
30.09.2014 09.10.2014 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
6311bis 19.12.2007 27.12.2007 28.11.2008 04.12.2008
10.08.2009 18.08.2009 10.09.2010 22.09.2010 err. 04.10.2010 30.09.2014 09.10.2014
6311ter 12.07.2009 17.07.2009 éd. 2 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 6312 12.05.2003 20.06.2003 3187 27.01.2009 03.02.2009
15.06.2012 02.07.2012 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 6312/1 01.04.2016 12.04.2016
18.04.2017 27.04.2017
28.06.2019 08.07.2019 6312/2 28.06.2019 08.07.2019 6312/3 28.06.2019 08.07.2019 6313 16.12.2004 30.12.2004 3398 éd. 2
14.02.2007 23.02.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 27.01.2009 03.02.2009
08.03.2010 12.03.2010 ed. 2
6314 25.02.2007 12.03.2007 28.02.2007 12.03.2007
12.06.2009 18.06.2009 15.06.2012 02.07.2012
6315 25.02.2007 02.03.2007 éd. 4 27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010
15.06.2012 02.07.2012
6316 25.02.2007 02.03.2007 éd. 4 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 27.01.2009 03.02.2009
15.06.2012 02.07.2012
6317 25.02.2007 02.03.2007 éd. 4 15.06.2012 02.07.2012
6318 25.02.2007 02.03.2007 éd. 4 6318/1 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 07.04.2019 29.04.2019
12.05.2024 29.05.2024
6318/2 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014
6318/3 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 6318/4 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 6318/5 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 07.04.2019 29.04.2019
12.05.2024 29.05.2024
6318/6 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 12.05.2024 29.05.2024
6318/7 04.08.2014 18.08.2014 err. 04.09.2014 6318/8 30.09.2014 06.10.2014 23.12.2021 31.12.2021 err. 25.01.2022 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
6318/9 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 6318/10 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 6318/10/1 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 6318/11 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 6318/12 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 6318/12/1 06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 6318/13 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 6318/14 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 6318/15 30.06.2014 10.07.2014 éd. 2 6318/16 02.05.2019 14.05.2019 6318/17 16.07.2019 29.07.2019 20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
6318/18 28.06.2019 12.07.2019
02.05.2021 07.05.2021
06.06.2022 23.06.2022
25.04.2023 11.05.2023 25.02.2024 01.03.2024 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 17.05.2025 30.05.2025 6319 03.06.2007 19.06.2007
22.05.2017 06.06.2017
64 13.03.1995 16.03.1995 2373 24.02.2014 27.02.2014 éd. 2 02.03.2015 06.03.2015 07.03.2016 09.03.2016 éd. 2 65 20.05.1997 10.06.1997 2509 22.05.2017 06.06.2017
67 12.08.1994 10.09.1994 2336 03.01.1995 17.01.1995 2356 09.11.1999 17.12.1999 2777 éd. 3
21.11.2018 03.12.2018 17.12.2024 24.12.2024 68 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 70 11.12.2006 18.12.2006 3599
21.11.2018 03.12.2018 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 17.12.2024 24.12.2024
71 03.01.1995 17.01.1995 2356 21.11.2018 03.12.2018 72 20.05.1997 10.06.1997 2509
731 13.05.1999 08.07.1999 2720 732 13.05.1999 08.07.1999 2720 733 13.05.1999 08.07.1999 2720 734 13.05.1999 08.07.1999 2720 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/1 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2
27.01.2017 31.01.2017 éd. 4 err. 26.03.2018 06.11.2022 23.11.2022 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/2 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2
27.01.2017 31.01.2017 éd. 4 err. 26.03.2018 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 06.11.2022 23.11.2022 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/3 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/4 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2
29.08.2019 13.09.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/5 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2
06.11.2022 23.11.2022 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
734/6 19.12.2014 31.12.2014 éd. 2
734/7 27.01.2017 31.01.2017 éd. 4 err. 26.03.2018 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 06.11.2022 23.11.2022 éd. 2
734/7bis 06.11.2022 23.11.2022 éd. 2
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
734/7ter 06.11.2022 23.11.2022 éd. 2
734/8 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
734/9 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
07.06.2021 17.06.2021 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 734/10 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
07.06.2021 17.06.2021 734/11 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
07.06.2021 17.06.2021
734/12 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
734/13 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
734/14 20.12.2019 27.12.2019 éd. 2
734bis 06.02.2003 14.02.2003 3120 éd. 2 734ter 27.03.2003 16.04.2003 3150 29.01.2003 non publié
15.06.2009 22.06.2009 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
734quater 13.02.2003 21.02.2003 3124 err. 07.03.2003 11.05.2004 27.05.2004 3335 éd. 2 14.10.2005 25.10.2005 3497
01.03.2016 10.03.2016
734quater/1 02.10.2019 17.10.2019
734quater/2 02.10.2019 17.10.2019
734quater/1 20.12.2019 27.12.2019 numérotation fautive éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.02.2020 28.01.2020
734quater/3 20.02.2020 28.01.2020
734quinquies 17.09.2005 03.10.2005 3488 11.12.2006 18.12.2006 3599
LP 26.12.2022 30.12.2022
734sexies 17.09.2005 03.10.2005 3488 LP 26.12.2022 30.12.2022
734septies 17.09.2005 03.10.2005 3488 29.08.2019 13.09.2019 LP 26.12.2022 30.12.2022
735 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
30.07.2010 16.08.2010
736 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
737 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 30.07.2010 16.08.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
29.08.2019 13.09.2019 738 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
739 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 30.07.2010 16.08.2010
22.05.2017 06.06.2017
7310 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
7311 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
30.07.2010 16.08.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
7312 29.11.2000 23.12.2000 2885 éd. 2 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
30.07.2010 16.08.2010
74 29.10.1998 17.11.1998 2615
29.10.1998 17.11.1998 2615 17.09.2005 03.10.2005 3488
11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 09.07.2010 16.07.2010
29.08.2019 13.09.2019 03.10.2019 30.10.2019
09.12.2019 20.12.2019
L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 74/1 09.12.2019 20.12.2019 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 74/2 09.12.2019 20.12.2019 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 75 09.12.2019 20.12.2019
L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 76 29.10.1998 17.11.1998 2615
29.10.1998 17.11.1998 2615 11.12.2006 18.12.2006 3599
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
09.12.2019 20.12.2019
L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 77 09.12.2019 20.12.2019
L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 77/1 11.01.2009 15.01.2009 éd. 2
09.12.2019 20.12.2019
09.12.2019 20.12.2019 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 77bis 17.09.2005 03.10.2005 3488 11.01.2009 15.01.2009 éd. 2 09.12.2019 20.12.2019 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 78 17.09.2005 03.10.2005 3488 09.12.2019 20.12.2019 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 79 09.12.2019 20.12.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 L 27.06.2021 30.06.2021 ed. 3, err. 12.07.2021 79/1 06.06.2019 14.06.2019
79/2 06.06.2019 14.06.2019
79/3 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2, 80 12.08.1994 10.09.1994 2336
04.12.2003 17.12.2003 3260 81 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599
81bis 11.12.2006 18.12.2006 3599
82 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599
83 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 84 03.05.1999 04.06.1999 2698 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 85 10.05.2010 14.05.2010 éd. 2 86 12.01.2017 24.01.2017 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 03.07.2019 12.07.2019
26.01.2021 29.01.2021
87 27.08.1993 13.09.1993 2265
22.10.1993 29.10.1993 2273
10.01.1997 11.02.1997 2492
20.05.1997 10.06.1997 2509
05.12.1997 31.12.1997 2547 err. 04.02.1998 24.06.1999 14.08.1999 2733
15.12.2003 23.12.2003 3261 éd. 2 23.01.2004 04.02.2004 3304 éd. 2 14.04.2009 20.04.2009 éd. 4 04.03.2013 08.03.2013
12.01.2017 24.01.2017 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
03.07.2019 12.07.2019
29.08.2019 13.09.2019 26.01.2021 29.01.2021
13.11.2022 25.11.2022 éd. 2
88 19.12.2022 30.12.2022 éd. 2 89 19.12.2022 30.12.2022 éd. 2 23.06.2023 30.06.2023
11.12.2023 15.12.2023
90 22.10.1993 29.10.1993 2273
03.01.1995 17.01.1995 2356
10.01.1997 11.02.1997 2492 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 03.05.1999 04.06.1999 2698 09.11.1999 17.12.1999 2777 éd. 3
05.12.2000 16.12.2000 2881
21.10.2002 31.10.2002 3090
03.04.2003 22.04.2003 3156
28.09.2003 01.10.2003 3219 éd. 2 16.06.2004 24.06.2004 3343 éd. 2 11.03.2005 18.03.2005 3425 éd. 3
04.08.2005 12.08.2005 3474 éd. 2 err. 18.08.2005
08.01.2006 16.01.2006 3523 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.08.2006 28.08.2006 3578 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 28.04.2015 30.04.2015 éd. 2 17.02.2019 08.03.2019
13.04.2019 09.05.2019
19.12.2022 30.12.2022 éd. 2 13.03.2023 17.03.2023
17.12.2024 24.12.2024
92 22.10.1993 29.10.1993 2273
20.01.1994 09.02.1994 2293
10.01.1997 11.02.1997 2492
20.05.1997 10.06.1997 2509 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.03.2023 17.03.2023
92/1 12.01.2017 24.01.2017
03.07.2019 12.07.2019
93 22.10.1993 29.10.1993 2273
20.01.1994 09.02.1994 2293 10.01.1997 10.02.1997 2492
03.05.1999 04.06.1999 2698 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
07.12.2007 17.12.2007 err. 27.12.2007 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.03.2023 17.03.2023
94 03.06.2007 14.06.2007 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.12.2022 30.12.2022 éd. 2 13.03.2023 17.03.2023
95 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 951 22.08.2006 28.08.2006 3578
21.12.2006 29.12.2006 3608 éd. 7
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
03.06.2007 19.06.2007
20.12.2007 31.12.2007 éd. 4 27.01.2009 03.02.2009
31.07.2009 07.08.2009
15.12.2013 20.12.2013 éd. 4 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 L 02.05.2019 15.05.2019
LP 27.12.2021 31.12.2021
952 22.08.2006 28.08.2006 3578
11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 21.12.2006 29.12.2006 3608 éd. 7
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
08.06.2007 19.06.2007 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
27.01.2009 03.02.2009
31.07.2009 07.08.2009 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 21.02.2014 26.02.2014 éd. 2
28.04.2015 30.04.2015 éd. 2
23.08.2015 28.08.2015 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019
13.04.2019 09.05.2019
29.08.2019 13.09.2019
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
14.03.2021 18.03.2021
16.02.2022 11.03.2022
19.05.2022 30.05.2022
09.04.2024 17.04.2024
16.09.2024 23.09.2024 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.12.2024 31.12.2024
953 23.03.2014 31.03.2014 954 23.03.2014 31.03.2014 954/1 03.04.2019 16.04.2019
24.04.2020 30.04.2020
954/2 16.09.2024 23.09.2024
955 13.06.2014 26.06.2014 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 17.07.2014 31.07.2014
L 24.03.2015 02.04.2015
13.04.2019 09.05.2019
956 13.04.2019 09.05.2019
957 01.10.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.12.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025 err. 24.01.2025
05.03.2025 02.04.2025
05.03.2025 02.04.2025 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.03.2025 02.04.2025
958 01.10.2024 30.12.2024 err. 03.01.2025
05.03.2025 02.04.2025 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 96 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
97 21.12.2006 29.12.2006 3611 éd. 6 101bis 04.04.2003 18.04.2003 3153 éd. 2
01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011
29.08.2019 13.09.2019 101ter 04.04.2003 18.04.2003 3153 éd. 2
01.09.2006 15.09.2006 3581 03.03.2011 09.03.2011
102 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 105 12.08.1994 10.09.1994 2336 07.04.1995 29.04.1995 2382
23.12.1996 31.12.1996 éd. 3 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
01.09.2006 15.09.2006 3581 22.02.2010 01.03.2010 03.03.2011 09.03.2011
22.04.2019 07.05.2019 29.08.2019 13.09.2019
27.03.2020 03.04.2020
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 106 22.10.1993 29.10.1993 2273
10.04.1995 13.05.1995 2387
06.07.1997 30.07.1997 2518
09.01.1998 06.02.1998 2557
04.12.2000 23.12.2000 2886 éd. 2
15.05.2003 12.06.2003 3176 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
18.04.2005 03.05.2005 3433 éd. 2
21.12.2006 29.12.2006 3608 éd. 7 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 23.05.2007 12.06.2007
31.07.2009 21.08.2009 éd. 2
22.02.2010 01.03.2010
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 20.12.2012 28.12.2012 éd. 2
27.12.2012 31.12.2012 éd. 2 err. 11.01.2013 30.04.2013 08.05.2013 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 09.11.2016 18.11.2016 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
08.05.2018 22.05.2018
29.08.2019 13.09.2019
05.07.2022 15.07.2022
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
107 26.05.1994 09.06.1994 2309
11.12.1996 14.12.1996 2478
04.12.2000 23.12.2000 2886 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.08.2004 07.09.2004 3366
09.01.2005 19.01.2005 3405 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
03.07.2005 14.07.2005 3464 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008 31.07.2009 21.08.2009 (éd. 2)
22.04.2019 07.05.2019 29.08.2019 13.09.2019
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
109 30.05.1995 21.07.1995 2411 17.12.1996 31.12.1996 2481 éd. 2 22.05.2017 06.06.2017
110 16.05.2003 05.06.2003 3179 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
22.02.2010 01.03.2010 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 03.10.2019 30.10.2019
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
18.04.2022 01.06.2022 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 111 22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366
21.10.2025 31.10.2025
111bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
29.08.2019 13.09.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 113 16.05.2003 05.06.2003 3179
22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366
07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008 114 16.05.2003 05.06.2003 3179 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 115 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
116 22.10.1993 29.10.1993 2273
04.12.2000 23.12.2000 2886 éd. 2 15.05.2003 12.06.2003 3176 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
27.09.2015 01.10.2015
09.11.2016 18.11.2016 éd. 2
05.07.2022 15.07.2022
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 116bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
117 26.05.1994 09.06.1994 2309
30.05.1995 21.07.1995 2411
01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 11.12.1996 14.12.1996 2478 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 17.12.1996 31.12.1996 2481 éd.2 06.07.1997 30.07.1997 2518
04.12.2000 23.12.2000 2886 éd. 2
22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2
20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
18.04.2005 03.05.2005 3433 éd. 2
21.12.2006 29.12.2006 3608 éd. 7
22.02.2010 01.03.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 20.12.2012 28.12.2012 éd. 2
27.12.2012 31.12.2012 éd. 2 err. 11.01.2013 09.11.2016 18.11.2016 éd. 2
22.05.2017 06.06.2017
29.08.2019 13.09.2019 05.07.2022 15.07.2022
21.10.2025 31.10.2025
118 22.10.1993 29.10.1993 2273
26.05.1994 09.06.1994 2309 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
15.05.2003 12.06.2003 3176
22.12.2003 31.12.2003 3265 éd. 2
13.08.2004 07.09.2004 3366 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3
01.09.2006 15.09.2006 3581 07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008
03.03.2011 09.03.2011
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
27.09.2015 01.10.2015 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 22.05.2017 06.06.2017
05.07.2022 15.07.2022
119 22.10.1993 29.10.1993 2273
26.05.1994 03.06.1994 2306
01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
15.05.2003 12.06.2003 3176
22.05.2017 06.06.2017
05.07.2022 15.07.2022
119bis 01.09.1995 28.09.1995 2415 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.09.2006 15.09.2006 3581 07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008
03.03.2011 09.03.2011
120 30.09.2014 09.10.2014
123 30.09.2014 09.10.2014
28.04.2019 09.05.2019
123bis 20.01.2005 01.02.2005 3414 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 124 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995
30.09.2014 09.10.2014
125 30.09.2014 09.10.2014
125bis 06.07.1997 19.07.1997 2513
126 10.05.2010 14.05.2010 éd. 2 127/0 11.03.2018 16.03.2018
127/0/0 16.06.2024 21.06.2024
127/1 07.02.2014 14.02.2014
25.09.2018 10.10.2018 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 127/2 07.02.2014 14.02.2014
133 26.09.2011 04.10.2011
12.12.2021 21.12.2021
134 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 135 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 136/1 07.02.2014 14.02.2014
23.06.2019 25.09.2019
11.09.2019 25.09.2019 136/2 07.02.2014 14.02.2014
23.06.2019 25.09.2019
11.09.2019 25.09.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 137 03.05.1999 04.06.1999 2698 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 138 17.12.2024 24.12.2024 139 12.08.1994 10.09.1994 2336 09.11.1999 17.12.1999 2777 éd. 3
01.02.2010 12.02.2010 éd. 2
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
17.02.2019 08.03.2019 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 17.12.2024 24.12.2024 140 12.08.1994 10.09.1994 2336 03.01.1995 17.01.1995 2356 09.11.1999 17.12.1999 2777 éd. 3
16.10.2000 09.11.2000 2872
17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 141 17.02.2019 08.03.2019 17.12.2024 24.12.2024 142 12.08.1994 10.09.1994 2336 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.02.2010 12.02.2010 éd. 2 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
17.02.2019 08.03.2019 143 17.02.2019 08.03.2019 144 17.02.2019 08.03.2019 144/1 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 144/2 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
04.04.2014 14.04.2014 30.09.2014 09.10.2014
17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
144/3 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 144/4 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 144/5 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
144/6 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
04.04.2014 14.04.2014 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
144/7 22.12.2010 07.01.2011 err. 13.05.2011 145 03.05.1999 04.06.1999 2698
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
146 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 147 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 148 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 149 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 150 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 151 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 152 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 153 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 154 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 155 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 156 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 157 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 158 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 159 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 160 17.09.2005 23.09.2005 3490
09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 161 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 162 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 163 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 164 20.05.1997 10.06.1997 2509
03.12.2005 27.02.2006 3531
23.11.2006 30.11.2006 3591 éd. 2 18.03.2011 28.03.2011
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 07.11.2013 14.11.2013 éd. 2
22.05.2017 01.06.2017
L 13.04.2019 30.04.2019
165 03.12.2005 27.02.2006 3531
07.11.2013 14.11.2013 éd. 2
22.05.2017 01.06.2017 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 L 13.04.2019 30.04.2019
166 03.05.1999 04.06.1999 2698 L 13.04.2019 30.04.2019
167 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 168 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 169 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 170 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 171 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 172 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 173 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 174 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 175 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 177 20.05.1997 10.06.1997 2509
09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 23.11.2021 02.12.2021
178 09.05.1994 19.05.1994 2305 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
11.12.2006 18.12.2006 3599
02.03.2010 09.03.2010 éd. 2 23.03.2011 30.03.2011 err. 08.04.2011 22.04.2012 25.04.2012 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.04.2013 26.04.2013
21.02.2014 26.02.2014 éd. 2 22.05.2017 06.06.2017
10.07.2017 17.07.2017
06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 30.04.2020 11.05.2020 17.07.2023 26.07.2023 éd. 2
11.03.2023 19.03.2024
178/1 23.03.2011 30.03.2011 err. 08.04.2011 19.04.2013 26.04.2013 30.04.2020 11.05.2020 178/2 28.04.2019 09.05.2019
179 09.05.1994 19.05.1994 2305 06.05.2010 12.05.2010 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 01.03.2016 11.03.2016
180 24.03.2005 07.04.2005 3429
01.04.2007 06.04.2007 29.08.2019 13.09.2019 181 24.03.2005 07.04.2005 3429
01.04.2007 06.04.2007 181/1 14.10.2019 28.10.2019 éd. 2
181bis 04.04.1995 13.05.1995 2385 182 20.05.1997 10.06.1997 2509
20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 13.07.2001 11.08.2001 2959
02.09.2005 21.09.2005 3486
21.12.2006 29.12.2006 3608 éd. 7 29.07.2019 26.08.2019 err. 03.09.2019
183 11.12.2006 18.12.2006 3599
184 11.12.2006 18.12.2006 3599
185 11.12.2006 18.12.2006 3599
186 11.12.2006 18.12.2006 3599
187 11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 188 11.12.2006 18.12.2006 3599
189 11.12.2006 18.12.2006 3599
190 11.12.2006 18.12.2006 3599
191 11.12.2006 18.12.2006 3599
192 11.12.2006 18.12.2006 3599
193 11.12.2006 18.12.2006 3599
194 11.12.2006 18.12.2006 3599
195 11.12.2006 18.12.2006 3599
196 11.12.2006 18.12.2006 3599
197 11.12.2006 18.12.2006 3599 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 198 11.12.2006 18.12.2006 3599
200 30.09.2014 09.10.2014
203 22.12.2010 07.01.2011
05.12.2011 12.12.2011 ed. 2
11.11.2024 22.11.2024
204 20.05.1997 10.06.1997 2509
11.12.2006 18.12.2006 3599
27.01.2009 03.02.2009
22.05.2017 06.06.2017 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 19.04.2018 25.04.2018
28.04.2019 09.05.2019
01.02.2022 21.02.2022
19.12.2022 22.12.2022
205 01.09.1995 05.10.1995 2416 err. 20.10.1995 206/1 28.04.2019 09.05.2019
207 15.09.1994 01.10.1994 2340 10.02.1995 07.03.1995 2370
10.02.1995 07.03.1995 2370 10.02.1995 07.03.1995 2370 08.01.1996 17.01.1996 2430 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 28.02.1997 27.03.1997 2500
01.03.1998 02.04.1998 2565
26.12.1998 31.12.1998 2641 éd. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 éd. 4 10.06.2009 18.06.2009
20.12.2019 24.12.2019 208 26.12.1998 31.12.1998 2641 éd. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 éd. 4 20.12.2019 24.12.2019 209 26.12.1998 31.12.1998 2641 éd. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 éd. 4 20.12.2019 24.12.2019 210 26.12.1998 31.12.1998 2641 éd. 2 err. 05.05.1999 27.12.2007 31.12.2007 éd. 4 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 210bis 10.01.1997 11.02.1997 2492
31.03.2003 23.04.2003 3154
25.02.2007 28.02.2007 éd. 2 22.06.2020 26.06.2020
210ter 10.01.1997 11.02.1997 2492
25.02.2007 28.02.2007 éd. 2 22.06.2020 26.06.2020
211 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
L 13.04.2019 30.04.2019
212 L 13.04.2019 30.04.2019 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 213 L 13.04.2019 30.04.2019
214 L 13.04.2019 30.04.2019
215 12.08.1994 10.09.1994 2336 L 13.04.2019 30.04.2019
216 07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008 L 13.04.2019 30.04.2019
217 L 13.04.2019 30.04.2019
218 L 13.04.2019 30.04.2019
219 07.12.2007 12.12.2007 éd. 2 err. 11.04.2008 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 L 13.04.2019 30.04.2019
220 L 13.04.2019 30.04.2019
29.08.2019 13.09.2019 221 L 13.04.2019 30.04.2019
222 L 13.04.2019 30.04.2019
223 L 13.04.2019 30.04.2019
224 L 13.04.2019 30.04.2019
229/1 24.09.2013 30.09.2013
229/2 24.09.2013 30.09.2013
229/3 24.09.2013 30.09.2013 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 229/4 24.09.2013 30.09.2013
229/5 29.06.2018 09.07.2018
229/6 20.05.2020 04.06.2020
229/7 20.09.2023 12.10.2023 éd. 2
232 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 20.07.2000 30.08.2000 2852 err. 08.03.2001 éd. 2 233 09.12.2019 16.12.2019 éd. 2 22.06.2020 26.06.2020
2331 04.12.2003 17.12.2003 3260 devient 233/1 18.02.2018 26.02.2018
233bis 10.03.1999 17.04.1999 2683 devient 233/2 18.02.2018 26.02.2018
233/3 18.02.2018 26.02.2018 ART. DATE DATE MB AR/CIR AR 1 2 3 254 10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014
255 10.06.2006 19.06.2006 3562 30.09.2014 09.10.2014
06.03.2018 20.03.2018 éd. 2 256 10.06.2006 19.06.2006 3562 27.01.2009 03.02.2009
30.09.2014 09.10.2014
257 06.04.2010 13.04.2010 258 30.09.2014 09.10.2014 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 I 06.03.1996 19.03.1996 2446
17.03.1997 27.03.1997 2501
02.06.1998 20.06.1998 2577
07.12.1998 23.12.1998 2626
07.12.1997 23.12.1998 2626
21.04.1999 07.05.1999 2687 éd. 2 27.01.2000 09.02.2000 2796
25.04.2000 09.05.2000 2817
02.02.2001 16.02.2001 2907
16.03.2001 10.04.2001 2923 éd. 2 13.07.2001 11.08.2001 2959
13.07.2001 11.08.2001 2959
04.03.2002 19.03.2002 3027 ed.3 err. 09.04.2002 08.03.2002 19.03.2002 3028 éd. 3 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 21.02.2003 06.03.2003 3128 éd. 2 28.02.2003 06.03.2003 3129 éd.2 10.02.2004 18.02.2004 3310
19.02.2004 27.02.2004 3312 éd. 3 21.01.2005 03.02.2005 3415
16.02.2005 24.02.2005 3418
17.02.2006 23.02.2006 3530
17.03.2006 24.03.2006 3537
31.01.2007 09.02.2007 err. 15.02.2007 13.02.2007 23.02.2007 éd. 2 10.02.2008 14.02.2008
25.02.2008 29.02.2008
20.01.2009 26.01.2009
03.02.2009 10.02.2009 éd. 2 10.01.2010 15.01.2010 10.02.2010 22.02.2010
07.02.2011 11.02.2011 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 04.03.2012 08.03.2012
01.03.2013 07.03.2013
21.02.2014 26.02.2014 éd. 2 22.02.2015 02.03.2015
22.02.2016 25.02.2016
20.02.2017 03.03.2017
26.01.2018 30.01.2018
17.03.2019 01.04.2019
17.02.2020 21.02.2020 err. 03.03.2020 24.02.2021 01.03.2021
06.02.2022 14.02.2022 éd. 2 err. 09.03.2022 17.02.2023 03.03.2023 éd. 2 12.01.2024 25.01.2024
24.01.2025 05.02.2025
08.02.2026 17.02.2026
II 21.09.2000 17.10.2000 2865 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 12.05.2003 20.05.2003 3173 20.12.2024 31.12.2024 IIbis 20.12.2002 18.12.2002 3102 éd. 2 23.06.2004 07.07.2004 3352
01.09.2006 08.09.2006 3580
11.12.2006 18.12.2006 3599
12.07.2009 17.07.2009 éd. 2
05.12.2011 12.12.2011 éd. 2
15.06.2012 02.07.2012
30.09.2014 09.10.2014
20.12.2024 31.12.2024 IIter 25.02.2007 02.03.2007 éd. 4 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 15.06.2012 02.07.2012
IIter/1 02.12.2015 08.12.2015 20.12.2024 31.12.2024 IIter/2 20.12.2024 31.12.2024 IIquater 17.08.2007 30.08.2007 err. 26.10.2007 éd. 2 err. 12.11.2007
27.01.2009 03.02.2009
06.04.2010 13.04.2010
14.12.2010 24.12.2010
15.06.2012 02.07.2012
20.12.2024 31.12.2024 III 27.08.1993 13.09.1993 2265
22.10.1993 29.10.1993 2273 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 22.10.1993 29.10.1993 2273
30.12.1993 31.12.1993 2281 éd. 4 30.07.1994 23.08.1994 2331
21.12.1994 28.12.1994 2351
14.12.1995 29.12.1995 2427
30.06.1996 12.07.1996 2457
10.01.1997 11.02.1997 2492 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 20.05.1997 10.06.1997 2509
05.12.1997 31.12.1997 2547 err. 04.02.1998 04.12.1998 24.12.1998 2627 éd. 2 30.03.1999 17.04.1999 2684
24.06.1999 14.08.1999 2733
15.12.1999 29.12.1999 2784 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 24.06.2000 30.06.2000 2833
19.09.2000 27.09.2000 2860 err. 21.10.2000
18.12.2000 29.12.2000 2887 éd. 2 21.11.2001 06.12.2001 2985 éd. 1 err. 22.01.2002 21.11.2001 06.12.2001 2985 éd. 1 err. 22.01.2002 19.06.2002 04.07.2002 3061
25.10.2002 14.11.2002 3092 err. 20.02.2003 éd. 3 12.12.2002 31.12.2002 3104 éd. 3
09.01.2003 05.02.2003 3116
11.07.2003 12.08.2003 3209
15.12.2003 23.12.2003 3261 éd. 2 23.01.2004 04.02.2004 3304 éd. 2 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
26.11.2004 15.12.2004 3392 err. 17.12.2004 28.06.2005 04.07.2005 3463
err. 06.07.2005 éd. 2
12.07.2005 22.07.2005 3465
24.08.2005 07.09.2005 3484
15.12.2005 28.12.2005 3510
02.02.2006 14.02.2006 3528 éd. 2 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 29.11.2006 05.12.2006 3595 éd. 2
18.12.2006 22.12.2006 3602
09.04.2007 18.04.2007
21.04.2007 27.04.2007
03.06.2007 19.06.2007 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
07.12.2007 17.12.2007 err. 27.12.2007 18.03.2008 25.03.2008
08.04.2008 15.04.2008 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 18.06.2008 23.06.2008
09.09.2008 15.09.2008 éd. 2 05.12.2008 09.12.2008 ed. 2 err. 18.12.2008 02.02.2009 06.02.2009
06.04.2009 10.04.2009 éd. 2
14.04.2009 20.04.2009 éd. 4 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
22.06.2009 26.06.2009 ed. 2
03.12.2009 11.12.2009
10.01.2010 15.01.2010 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
06.04.2010 09.04.2010
02.07.2010 09.07.2010
01.12.2010 10.12.2010 err. 16.12.2010 err. 20.01.2011 éd. 2 err. 05.05.2011 28.02.2011 07.03.2011 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 15.03.2011 21.03.2011 éd. 3 05.12.2011 09.12.2011
06.06.2012 14.06.2012
11.12.2012 14.12.2012
04.03.2013 08.03.2013
23.05.2013 30.05.2013
15.12.2013 18.12.2013 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 21.02.2014 26.02.2014 éd. 2
18.06.2014 23.06.2014 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
10.12.2014 16.12.2014 éd. 2 err. 24.12.2014 err. 14.01.2015 err. 21.01.2015 err. 01.10.2015 20.01.2015 27.01.2015
23.08.2015 28.08.2015
16.12.2015 21.12.2015 éd. 2 12.12.2016 16.12.2016
12.01.2017 20.01.2017 éd. 2
10.12.2017 15.12.2017
25.03.2018 29.03.2018 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 07.12.2018 13.12.2018 err. 24.12.2018 06.06.2019 19.06.2019
29.08.2019 13.09.2019
11.12.2019 20.12.2019 err. 11.02.2020 18.05.2020 26.05.2020
L 29.05.2020 11.06.2020
09.07.2020 15.07.2020
27.09.2020 02.10.2020
30.11.2020 09.12.2020
16.12.2020 22.12.2020
26.01.2021 29.01.2021 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 21.03.2021 25.03.2021
29.03.2021 31.03.2021 éd. 2
21.04.2021 28.04.2021
20.06.2021 23.06.2021
24.07.2021 03.08.2021
29.09.2021 01.10.2021
09.12.2021 23.12.2021
17.12.2021 28.12.2021 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 19.12.2021 27.12.2021
23.12.2021 31.12.2021
23.03.2022 31.03.2022
28.03.2022 31.03.2022
06.06.2022 23.06.2022 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 13.11.2022 28.11.2022 éd. 2
27.11.2022 02.12.2022
30.11.2022 08.12.2022
19.12.2022 30.12.2022 éd. 2 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 23.06.2023 30.06.2023 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 30.08.2023 06.09.2023
11.12.2023 15.12.2023
11.03.2024 19.03.2024
15.05.2024 28.05.2024
12.12.2024 18.12.2024 ed.2 17.05.2025 26.05.2025
18.08.2025 22.08.2025
11.12.2025 29.12.2025
14.02.2026 20.02.2026 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 IIIbis 22.08.2006 28.08.2006 3578
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 08.06.2007 19.06.2007
07.08.2007 14.08.2007 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
19.12.2007 27.12.2007
31.07.2009 07.08.2009 21.02.2014 26.02.2014 éd. 2 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
28.04.2015 30.04.2015 éd. 2 23.08.2015 28.08.2015
19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019 29.08.2019 16.09.2019
20.12.2020 29.12.2020 éd. 2
14.03.2021 18.03.2021
17.12.2021 24.12.2021 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 19.05.2022 30.05.2022
09.04.2024 17.04.2024
20.12.2024 31.12.2024 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 IIIter 22.08.2006 28.08.2006 3578
11.12.2006 18.12.2006 3599
12.03.2007 20.03.2007 éd. 2
08.06.2007 19.06.2007 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 31.07.2009 07.08.2009
23.03.2014 31.03.2014 28.04.2015 30.04.2015 éd. 2 23.08.2015 28.08.2015
19.07.2018 25.07.2018
13.04.2019 03.05.2019 13.04.2019 09.05.2019
29.08.2019 13.09.2019 14.03.2021 18.03.2021
16.02.2022 11.03.2022
19.05.2022 30.05.2022 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3
09.04.2024 17.04.2024
16.09.2024 23.09.2024
20.12.2024 31.12.2024
IIIquater 22.08.2006 28.08.2006 3578 ANN. DATE DATE MB AR/CIR 92 AR 1 2 3 09.04.2007 14.05.2007 err. 26.10.2007 éd. 2
10.12.2008 30.12.2008
13.05.2009 02.06.2009
26.08.2010 10.09.2010
25.04.2014 02.06.2014
IV 12.08.1994 10.09.1994 2336
11.12.2006 18.12.2006 3599
V 22.10.1993 29.10.1993 2273 TABLE D'ORIGINE CHRONOLOGIQUE DE L'AR/CIR 92
Cette table mentionne à la :
colonne 1 : rangés par ordre chronologique, les AR qui ont modifié l'AR/CIR 92
colonne 2 :
la date du MB dans lequel l'AR, mentionné à la colonne 1, a été publié
colonne 3 :
le n° du recueil administratif dans lequel l'AR, mentionné à la colonne 1, a été publié (jusqu'au 31.12.2006)
colonne 4 :
le n° du Bulletin des Contributions dans lequel l'AR, mentionné à la colonne 1, a été publié (jusqu'au 31.12.2006) DATE AR
1 AR 27.08.1993 d'exécution du CIR 92
AR 22.10.1993 modifiant l'AR/CIR 92
AR 13.12.1993 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 30.12.1993 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.01.1994 modifiant, en ce qui concerne l'utilisation de supports magnétiques, l'AR/CIR 92
AR 18.02.1994 modifiant l'AR/CIR en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux et l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 28.03.1994 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.05.1994 modifiant en matière de dispense de l'obligation de déclaration, l'AR/CIR 92
AR 26.05.1994 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 30.07.1994 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.08.1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses payées à une agence locale pour l'emploi, l'AR/CIR 92
AR 12.08.1994 modifiant l'AR/CIR 92
AR 24.08.1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour des prestations à fournir dans le cadre des agences locales pour l'emploi, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 15.09.1994 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 07.10.1994 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'immunisation des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 21.12.1994 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.01.1995 modifiant l'AR/CIR 92
AR 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 07.03.1995 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 13.03.1995 modifiant, en matière de versements anticipés, l'AR/CIR 92
AR 20.03.1995 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux
AR 04.04.1995 modifiant en ce qui concerne les droits d'investigation et de contrôle, l'AR/CIR 92
AR 05.04.1995 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 07.04.1995 modifiant la loi du 17.06.1991 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financières de droit privé et portant diverses autres dispositions en matière de vente d'actifs
AR 10.04.1995 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 30.05.1995 modifiant, en matière de précompte immobilier, l'AR/CIR 92
AR 01.09.1995 modifiant, en matière de dépôt à découvert de certaines actions ou parts émises à partir du 01.01.1994, l'AR/CIR 92
AR 01.09.1995 modifiant, notamment en matière d'épargne à long terme, l'AR/CIR 92
AR 14.12.1995 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.1995 modifiant, en matière de réductions de valeur sur créances, l'AR/CIR 92
AR 22.12.1995 modifiant, en matière d'exonération pour personnel supplémentaire affecté à la recherche scientifique en Belgique, le CIR 92 et l'AR/CIR 92
AR 08.01.1996 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 09.01.1996 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités
AR 31.01.1996 modifiant, en ce qui concerne la déduction pour investissement, l'AR/CIR 92
AR 06.03.1996 modifiant l'AR/CIR 92
AR 30.06.1996 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 17.10.1996 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 11.12.1996 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92 et l'arrêté royal du 26.05.1994 relatif à la perception et à la bonification du précompte mobilier conformément au DATE AR
1 AR 17.12.1996 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 23.12.1996 modifiant, en ce qui concerne la Caisse nationale de Crédit professionnel, la loi du 17.06.1991 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financiers de droit privé et portant diverses autres dispositions
AR 10.01.1997 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 26.02.1997 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.02.1997 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 17.03.1997 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 20.05.1997 modifiant l'AR/CIR 92
AR 12.06.1997 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 06.07.1997 portant exécution de l'article 297, alinéa 2, du CIR 1992
AR 06.07.1997 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le précompte mobilier
AR 13.10.1997 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de revenus de dépôts d'épargne
AR 05.12.1997 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 09.01.1998 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le précompte mobilier DATE AR
1 AR 01.03.1998 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 02.06.1998 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 29.10.1998 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération fiscale de certains libéralités
AR 04.12.1998 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.12.1998 modifiant en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 17.12.1998 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 26.12.1998 portant exécution des articles 400, 401, 403, 404 et 406 du CIR 92 et de l'article 30bis de la loi du 27.06.1969 révisant l'arrêté-loi du 28.12.1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
AR 10.03.1999 complétant l'AR/CIR 92 en matière de règles particulières de recouvrement en ce qui concerne les attributions aux provinces, aux agglomérations et aux communes
AR 30.03.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 21.04.1999 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 03.05.1999 modifiant l'AR/CIR 92
AR 13.05.1999 portant exécution de l'article 194bis, CIR 92 et modifiant, en matière de provisions techniques, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique, au potentiel technologique, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, l'AR/CIR 92
AR 09.06.1999 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique en tant que chercheur hautement qualifié, l'AR/CIR 92
AR 24.06.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 29.10.1999 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 09.11.1999 modifiant l'AR/CIR 92 et l'arrêté royal du 08.07.1970 portant règlement général des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, en ce qui concerne le numéro de code des comptes postaux pour le paiement des versements anticipés, du précompte professionnel et de la taxe de circulation des véhicules automobiles
AR 15.12.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 31.12.1999 modifiant, en matière de dépôts d'épargne, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2000 modifiant, en ce qui concerne le montant maximum déductible des dépenses pour garde d'enfant, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2000 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 25.04.2000 modifiant l'arrêté royal du 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique, au potentiel technologique, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 25.04.2000 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 24.06.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.07.2000 portant introduction de l'euro dans les arrêtés royaux qui relèvent du Ministère des Finances et en exécution de la loi du 30.10.1998 relative à l'euro
AR 19.09.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 21.09.2000 modifiant, en matière de déduction pour investissement, l'AR/CIR 92
AR 16.10.2000 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités et en ce qui concerne le paiement du précompte professionnel
AR 23.11.2000 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 29.11.2000 portant exécution de l'article 203, § 2, alinéa 6, 2°, CIR 92 et complétant sur le plan des conditions d'agrément auxquelles doit satisfaire un système centralisé de prêts d'actions ou parts intégré dans un système de paiement et de règlement des opérations sur titres et la période durant laquelle l'agrément peut être octroyé, l'AR/CIR 92
AR 04.12.2000 modifiant, en matière de précompte mobilier sur les revenus de prêts d'actions ou parts, l'AR/CIR 92
AR 05.12.2000 portant exécution de l'art. 4, alinéa 3 et de l'art. 12, alinéa 2 de la loi du 24.12.1999 portant des dispositions fiscales et diverses et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.12.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 30.01.2001 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions applicables pour l'attribution de la réduction pour épargne à long terme afférente aux sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires
AR 02.02.2001 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2001 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités, l'AR/CIR 92
AR 16.03.2001 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 13.07.2001 portant introduction de l'euro dans les arrêtés royaux qui relèvent du Ministère des Finances et en exécution de la loi du 30.10.1998 relative à l'euro
AR 05.09.2001 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 21.11.2001 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 04.02.2002 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2002 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 08.03.2002 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 02.04.2002 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour dépenses payées pour des prestations payées avec des titres-services, l'AR/CIR 92
AR 19.06.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 26.06.2002 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 22.08.2002 complétant, en matière de frais professionnels afférents entre le domicile et le lieu de travail, l'AR/CIR 92
AR 21.10.2002 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la déclaration au précompte professionnel
AR 25.10.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.12.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2002 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation, l'AR/CIR 92
AR 09.01.2003 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 23.01.2003 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 06.02.2003 pris en exécution de l'art. 194quater, § 6, al. 1er, CIR 92 relatif aux modalités d'investissement dans le cadre de la réserve d'investissement en cas d'apport d'une branche d'activité ou d'une universalité de biens, ou en cas de fusion ou de scission
AR 13.02.2003 pris en exécution de l'art. 203, § 1er, al. 3, CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 21.02.2003 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 28.02.2003 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 10.03.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 25.03.2003 portant exécution de l'art. 45, §2, de la loi du 2.8.2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
AR 25.03.2003 modifiant l'AR/CIR 92 et fixant la date d'entrée en vigueur de l'art. 396 de la loi– programme du 24.12.2002
AR 27.03.2003 pris en exécution de l'art. 202, §2, al. 2, CIR 92 relatif à la détermination des actions ou parts qui ont la nature d'immobilisations financiers dans le chef des établissements de crédit, des entreprises d'assurances et des sociétés de bourse
AR 31.03.2003 modifiant l'art. 210bis AR/CIR 92
AR 03.04.2003 portant exécution de l'art 388 de la loi-programme du 24.12.2002 et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.04.2003 pris en exécution des articles 2 et 8, de la loi du 14.01.2003 concernant les plus- values à l'occasion de l'aliénation des véhicules d'entreprises
AR 04.04.2003 pris en exécution de l'art. 264, al.1er, 2°bis, CIR 92, en ce qui concerne les autres marchés réglementés équivalents aux marchés réglementés visés à l'art. 2, 5° et 6°, de la loi du 02.08.2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
AR 12.05.2003 modifiant, en matière d'investissements en sécurisation, l'AR/CIR 92
AR 12.05.2003 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations situées dans une zone d'action positive des grandes villes, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 15.05.2003 relatif à la pricaf privée et modifiant l'AR du 18.4.1997 relatif aux organismes de placement investissant dans des sociétés non cotées et dans des sociétés en croissance
AR 16.05.2003 modifiant en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 11.07.2003 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 30.07.2003 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.09.2003 fixant les modalités d'application prévues à l'article 385 de la loi-programme (I) du 24.12.2003
AR 23.10.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de conditions et modalités d'application de la réduction pour épargne à long terme en ce qui concerne les sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires
AR 04.12.2003 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les centimes additionnels à l'impôt des non-résidents (personnes physiques) et l'application des taxes additionnelles à l'impôt des personnes physiques
AR 15.12.2003 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 22.12.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de renoncer à la perception du précompte mobilier sur intérêts et les redevances alloués ou mis en paiement à des sociétés associés
AR 23.01.2004 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.02.2004 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 18.02.2004 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes DATE AR
1 AR 19.02.2004 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.05.2004 modifiant l'art. 734quater de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 12.05.2004 modifiant, en matière de frais professionnels afférents aux déplacements entre le domicile et le lieu de travail, l'AR/CIR 92
AR 16.06.2004 portant exécution des articles 301, § 1 22.12.2003 et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.06.2004 modifiant , en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 23.06.2004 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation, l'AR/CIR 92
AR 13.08.2004 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de renoncer à la perception du précompte mobilier sur les intérêts et les redevances alloués ou mis en paiement à des sociétés associées
AR 26.11.2004 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.12.2004 modifiant, en matière de réduction d'impôts pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule qui émet au maximum 115 grammes de CO
AR 09.01.2005 modifiant, en matière de précompte mobilier , l'AR/CIR 92 et l'AR du 26.05.1994 relatif à la perception et à la bonification du précompte mobilier conformément au chapitre I la loi du 06.08.1993 relative aux opérations sur certaines valeurs mobilières DATE AR
1 AR 20.01.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier sur les revenus payés ou attribués en exécution de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers
AR 21.01.2005 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 16.02.2005 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 28.02.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 01.03.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de cotisations et primes patronales et de cotisations et primes personnelles pour la constitution de pensions ou de pensions complémentaires
AR 11.03.2005 portant exécution de l'art. 385, al. 5, de la loi-programme (I) du 24.12.2002 et modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération de versement de précompte professionnel
AR 24.03.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'habilitation de tiers à obtenir communication des informations nécessaires pour l'exécution d'une mission d'intérêt général
AR 18.04.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de transposer, en matière de précompte mobilier, la directive du 22.12.2003 modifiant la directive du 23.7.1990 concernant le régime fiscal commun applicable aux sociétés mères et filiales d'Etats membres différents
AR 13.06.2005 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.06.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 03.07.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 12.07.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.07.2005 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités, l'AR/CIR 92
AR 04.08.2005 fixant les modalités d'application prévues à l'article 275 matière d'exonération de versement de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 24.08.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 02.09.2005 portant modification de l'art. 182 de l'arrêté royal d'exécution du CIR 92
AR 17.09.2005 portant abrogation de l'art. 160 de l'arrêté royal d'exécution du CIR 92
AR 17.09.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de la loi du 22.06.2005 instaurant une déduction fiscale pour capital à risque
AR 14.10.2005 modifiant l'art. 734quater AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 10.11.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'épargne-pension
AR 03.12.2005 modifiant les articles 164 et 165 de l'AR/CIR 92
AR 15.12.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 08.01.2006 pris en exécution de l'art. 2752, § 5, du CIR/92 et modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 02.02.2006 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 17.02.2006 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les plans PC privés
AR 17.03.2006 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 19.05.2006 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 10.06.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les modalités d'application relatives aux avantages fiscaux pour les emprunts hypothécaires et les contrats d'assurance-vie individuelle
AR 01.07.2006 modifiant l'article 2 de l'AR/CIR 92
AR 05.08.2006 définissant le taux annuel visé à l'article 19bis,§ 2, alinéa 1
AR 22.08.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 01.09.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement et de réduction d'impôt pour des mesures favorisant l'économie d'énergie
AR 01.09.2006 modifiant, notamment en matière d'épargne-pension, l'AR/CIR 92
AR 15.09.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 23.11.2006 modifiant l'arrêté royal du 27 décembre 2004 portant exécution des articles 1409, § 1er, alinéa 4, et 1409, § 1erbis, alinéa 4, du Code judiciaire relatif à la limitation de la saisie lorsqu'il y a des enfants à charge ainsi que l'arrêté royal d'exécution du CIR 92 DATE AR
1 AR 29.11.2006 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 11.12.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, de diverses dispositions du CIR 92 et de la loi du 22 juin 2005 instaurant une déduction fiscale pour capital à risque
AR 18.12.2006 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et instaurant la réduction forfaitaire flamande au précompte professionnel
AR 21.12.2006 transformant le règlement général sur les taxes assimilées au timbre en arrêté d'exécution du Code des droits et taxes divers, abrogeant l'arrêté du Régent relatif à l'exécution du Code des droits de timbre et portant diverses autres modifications à des arrêtés d'exécution
AR 21.12.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte professionnel, de précompte mobilier et de minimum des bénéfices ou des profits imposables des entreprises ou des titulaires d'une profession libérale DATE AR
1
AR 31.01.2007 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 12.02.2007 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 13.02.2007 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 14.02.2007 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule diesel équipé d'un filtre à particules, l'AR/CIR 92
AR 25.02.2007 modifiant les articles 210bis et 210ter de l'AR/CIR 92
AR 25.02.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue de sécuriser une habitation contre le vol ou l'incendie
AR 25.02.2007 modifiant, en ce qui concerne la nature des prestations effectuées dans le cadre de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 28.02.2007 modifiant, en ce qui concerne les modalités d'application de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 12.03.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de dispense de versement du précompte professionnel et portant des dispositions diverses
AR 19.03.2007 modifiant, en ce qui concerne les immobilisations exclues du régime d'amortissements dégressifs, l'AR/CIR 92
AR 01.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'habilitation de tiers à obtenir communication des informations nécessaires pour l'exécution d'une mission d'intérêt général DATE AR
1 AR 09.04.2007 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 09.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées par l'article 2753 , § 1er, alinéa 2, du CIR 92
AR 21.04.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 11.05.2007 pris en exécution de l'article 44ter, § 2, 1°, du CIR 92 et de l'article 114 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses
AR 23.05.2007 relatif à la pricaf privée
AR 03.06.2007 modifiant l'AR/CIR 92 instaurant l'introduction obligatoire par voie électronique des fiches, des relevés récapitulatifs et des déclarations au précompte professionnel
AR 03.06.2007 portant exécution des articles 154bis, alinéa 3, et 275
AR 03.06.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.06.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 08.06. 2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 07.08.2007 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel DATE AR
1 AR 17.08.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement
AR 07.12.2007 adaptant la législation fiscale et la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique aux dispositions de la loi du 14 décembre 2005 portant suppression des titres au porteur
AR 07.12.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et la réduction forfaitaire flamande du précompte professionnel
AR 19.12.2007 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 19.12.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 20.12.2007 modifiant, en exécution de l'article 275
AR 27.12.2007 portant exécution des articles 400, 401, 403, 404 et 406 du CIR 92 et de l'article 30bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
AR 10.02.2008 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 25.02.2008 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.03.2008 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 18.03.2008 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 08.04.2008 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 18.06.2008 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.07.2008 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et la réduction forfaitaire flamande du précompte professionnel
L 16.07.2008 modifiant le Code des impôts sur les revenus 1992 et organisant une fiscalité forfaitaire des droits d'auteur et des droits voisins
AR 30.07.2008 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de taux d'intérêt de base alloué aux dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du Code des impôts sur les revenus
AR 09.09.2008 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 28.11.2008 modifiant l'article 6311bis de l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 05.12.2008.modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.12.2008 modifiant, en matière de cotisations et primes patronales visées à l'article 52, 3°, b, du Code des impôts sur les revenus 1992, l'AR/CIR 92
AR 07.12.2008 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions d'exonérations des revenus des dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.12.2008 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 11.01.2009 accordant la réduction forfaitaire flamande en matière de précompte professionnel
AR 11.01.2009 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour revenus de brevet
AR 20.01.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2009 modifiant certaines dispositions de l'AR/CIR 92
KB 02.02.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR
AR 03.02.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 05.02.2009 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 06.04.2009 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 14.04.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR
AR 13.05.2009 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.06.2009 modifiant l'article 207 de l'AR/CIR 92 en matière des mentions obligatoires sur les bulletins de versement ou de virement DATE AR
1 AR 12.06.2009 modifiant, en ce qui concerne les modalités d'application de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 15.06.2009 pris en exécution de l'article 202, § 2, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la détermination des actions ou parts qui ont la nature d'immobilisations financières dans le chef des entreprises d'assurances
AR 22.06.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.07.2009 modifiant, en matière d'énergie, l'AR/CIR 92 en exécution du plan de relance économique
AR 31.07.2009 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 31.07.2009 adaptant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 10.08.2009 modifiant l'article 6311bis de l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 03.12.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 03.12.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.01.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.01.2010 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 01.02.2010 modifiant l'article 139, §§1er et 3, et l'article 142, § 1 concerne l'usage de terminaux de paiement dans les bureaux de recettes pour le paiement d'impôt
AR 08.02.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles d'imputation des réductions d'impôt relatives aux dépenses faites en vue d'économiser l'énergie
AR 10.02.2010 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.02.2010 modifiant,en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2010 adaptant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 02.03.2010 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la proposition d'imposition
AR 08.03.2010 modifiant, en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'acquérir à l'état neuf un véhicule électrique, l'AR/CIR 92
AR 06.04.2010 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 06.04.2010 modifiant certaines dispositions de l'AR/CIR 92
AR 06.05.2010 pris en exécution de l'article 307, § 1er, alinéas 3 à 6, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée
AR 10.05.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déclaration en matière de précompte mobilier DATE AR
1 AR 02.06.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de limitation des cotisations et primes pour la constitution d'une pension complémentaire déductibles à titre de frais professionnels
AR 02.07.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 09.07.2010 relatif aux modalités d'application de l'exonération de moins-values visées à l'article 48/1 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 30.07.2010 adaptant l'AR/CIR 92 quant à la désignation d'un représentant responsable dans le cadre des systèmes centralisés de prêts d'instruments financiers
KB 26.08.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.09.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation
AR 01.12.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 14.12.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement relative à la sécurisation des véhicules d'entreprise
AR 22.12.2010 pris en exécution de l'article 394, § 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 22.12.2010 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la détermination de la période imposable DATE AR
1 AR 07.02.2011 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 09.02.2011 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 21.02.2011 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la déduction des dépenses d'entretien et de restauration d'immeubles classés et l'agrément des institutions pouvant bénéficier de libéralités
AR 28.02.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.03.2011 mettant en œuvre l'évolution des structures de contrôle du secteur financier
AR 15.03.2011 modifiant l'arrêté royal du 28.02.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.03.2011 modifiant l'article 164 de l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'avis de saisie
AR 23.03.2011 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92
AR 26.09.2011 complétant l'article 133 de l'AR/CIR 92 concernant les immeubles appartenant à plusieurs propriétaires en indivision
AR 05.12.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 05.12.2011 portant des dispositions diverses modifiant l'AR/CIR 92
AR 23.02.2012 modifiant l'article 18, § 3, AR/CIR 92 en ce matière d'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature pour la disposition gratuite d'immeubles et la fourniture gratuite du chauffage et de l'électricité DATE AR
1 AR 04.03.2012 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 12.03.2012 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 22.04.2012 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92 en ce matière de déclaration simplifiée
AR 06.06.2012 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 15.06.2012 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la suppression de la condition relative à l'enregistrement comme entrepreneur
AR 17.07.2012 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 11.12.2012 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2012 adaptant l’AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier sur les dividendes attribués à des fonds de pensions non-résidents
AR 27.12.2012 adaptant l’AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier sur les dividendes distribués par des sociétés d’investissement immobilières à capital fixe
AR 11.02.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 01.03.2013 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 03.04.2013 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 19.04.2013 modifiant les articles 178 et 178/1 de l'AR/CIR 92 en matière de proposition de déclaration simplifiée
AR 30.04.2013 adaptant l’article 106, § 7, alinéa 1er, de l’AR/CIR 92 quant aux sociétés d’investissement visées
AR 23.05.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.07.2013 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 21.09.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les critères d'exonérations des revenus des dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du CIR 92 ainsi que les conditions de l'offre de taux sur ces derniers
AR 24.09.2013 d'exécution de l'article 445 du CIR 92 en ce qui concerne la détermination de l'échelle des amendes administratives et leur modalités d'application
AR 24.10.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 07.11.2013 modifiant les articles 164 et 165 de l'AR/CIR 92
AR 15.12.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 15.12.2013 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 2757, alinéa 4, du CIR 92 DATE AR
1 AR 26.12.2013 modifiant, en ce qui concerne les institutions bénéficiant de libéralités, l'AR/CIR 92
AR 24.01.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 07.02.2014 portant exécution de l'article 307bis, § 3, alinéa 3, du CIR 92 relative aux modalités pour l'introduction électronique des déclarations à l'impôt des sociétés, à l'impôt des personnes morales, à l'impôt des non-résidents/sociétés et à l'impôt des non-résidents/personnes morales
AR 07.02.2014 portant exécution de l'article 302, alinéa 3, du CIR 92 concernant la réception des avertissements-extraits de rôle au moyen d'une procédure utilisant les techniques informatiques
AR 21.02.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 21.02.2014 modifiant l`article 178 de l'AR/CIR 92 en matière de proposition de déclaration simplifiée
AR 21.02.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 24.02.2014 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés
AR 23.03.2014 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 2753, §§2 et 3, du CIR 92
AR 26.03.2014 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes DATE AR
1 AR 04.04.2014 modifiant les articles 144/2 et 144/6 de l'AR/CIR 92 relatifs à la détermination de la quote-part de chaque contribuable dans l'imposition commune
AR 25.04.2014 modifiant, l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la détermination du montant maximum de l'exonération relative au passif social en vertu du statut unique
AR 25.04.2014 modifiant, l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les modalités d'application relatives au passif social en vertu du statut unique
AR 25.04.2014 modifiant, en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du CIR 92, l'AR/CIR 92
AR 19.05.2014 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 13.06.2014 portant exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 275 les revenus 1992
AR 18.06.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 30.06.2014 modifiant, en matière des réductions d'impôt relatives aux dépenses visées à l'article 5/5, § 4, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, l'AR/CIR 92
AR 17.07.2014 modifiant l'article 4 de l'arrêté royal du 13 juin 2014 portant exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 2758 et 2759 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 04.08.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la transformation de la déduction des libéralités en une réduction d'impôt et en ce qui concerne les dispositions relatives à l'agrément d'institutions pouvant bénéficier de libéralités DATE AR
1 AR 30.09.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la transformation de la déduction des dépenses pour garde d'enfants en une réduction d'impôt
AR 30.09.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de réductions d'impôt pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation et pour des habitations économes en énergie, et à la suite de l'introduction de la taxe additionnelle régionale à l'impôt des personnes physiques et de la modification des règles en matière de l'impôt des non-résidents
AR 10.12.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.12.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 19.12.2014 portant exécution de l’article 194ter du CIR 92 et déterminant les modalités et conditions de la procédure d’agrément des sociétés de production et des intermédiaires éligibles
AR 20.01.2015 modifiant, en matière de précompte professionnel sur les prestations dans le cadre de l’épargne-pension, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2015 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 02.03.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés DATE AR
1 L 24.03.2015 visant l'adaptation du titre 3 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 275 revenus 1992 au Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité
AR 28.04.2015 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92 en exécution des articles 2751, 2753, 275 revenus
AR 23.08.2015 modifiant l’annexe III de l'AR/CIR 92, sur le plan du bonus emploi
AR 23.08.2015 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92 en exécution de l’article 27510 du Code des impôts sur les revenus
AR 27.09.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 29.10.2015 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 02.12.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déduction pour investissement pour les investissements numériques
AR 09.12.2015 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 16.12.2015 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2016 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit DATE AR
1 AR 01.03.2016 modifiant l'article 734quater de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 01.03.2016 modifiant l'article 179 de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée
AR 07.03.2016 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés
AR 01.04.2016 modifiant, en ce qui concerne la réduction d’impôt pour les sommes affectées à l’acquisition de nouvelles actions ou parts d’entreprises qui débutent, l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 14526, § 6, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus
AR 27.06.2016 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.11.2016 relatif aux fonds d’investissement immobiliers spécialisés
AR 17.11.2016 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 24.11.2016 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 12.12.2016 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.01.2017 déterminant le précompte professionnel pour les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 12.01.2017 portant exécution de l'article 90, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, en ce qui concerne les conditions d'agrément des plateformes électroniques de l'économie collaborative, et soumettant les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992, au précompte professionnel
AR 27.01.2017 portant exécution des articles 194ter/1 et 194ter/2 du Code des impôts sur les revenus 1992 en ce qui concerne les modalités et conditions de la procédure d'agrément des sociétés de production et des intermédiaires éligibles et désignant l'Autorité compétente de l'Etat fédéral visée à l'article 194ter/2 du même Code
AR 31.01.2017 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 31.01.2017 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 20.02.2017 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 18.04.2017 modifiant, en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les sommes affectées à l'acquisition de nouvelles actions ou parts d'entreprises qui débutent, l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 14526, § 6, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 28.04.2017 relatif à l'exonération pour des intérêts de prêts à des entreprises qui débutent
AR 22.05.2017 modifiant les articles 164 et 165 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en matière de saisie-arrêt simplifiée par voie électronique
AR 22.05.2017 portant dispositions diverses modifiant l’AR/CIR 92 AR 10.07.2017 modifiant l'article 178 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en vue d'exclure certaines catégories de contribuables de la dispense de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques DATE AR
1 AR 18.07.2017 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 02.11.2017 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les avantages de toute nature résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un PC, d’une tablette, d’une connexion internet, d’un téléphone mobile ou d’un abonnement de téléphonie fixe ou mobile mis gratuitement à disposition
AR 10.12.2017 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 13.12.2017 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 25.12.2017 portant modification des articles 636
AR 26.01.2018 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 18.02.2018 modifiant et complétant l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 470/2 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 06.03.2018 modifiant l'article 178 § 2, 13°, de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en vue de supprimer la condition liée à un montant maximum de rémunération des critères en vertu desquels les contribuables sont dispensés de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques
AR 06.03.2018 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'attestations qui doivent être tenues à la disposition pour l'application de certaines réductions d'impôt pour emprunts hypothécaires et assurances-vie individuelles DATE AR
1 AR 11.03.2018 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la désignation du service chargé de délivrer les déclarations en matière d'impôts sur les revenus
AR 25.03.2018 modifiant l’annexe III de l'AR/CIR 92
AR 19.04.2018 modifiant l'article 204, 3°, de l'AR/CIR 92 concernant la période imposable à laquelle les indemnités en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de bénéfices ou de profits se rapportent
AR 08.05.2018 modifiant l'arrêté royal du 23 mai 2007 relatif à la pricaf privée et l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 24.06.2018 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 29.06.2018 d’exécution de l’article 445, § 3, du Code des impôts sur les revenus relatif à la détermination de l’échelle des amendes administratives en ce qui concerne les prix de transfert et leurs modalités d’application
AR 19.07.2018 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92, en exécution des articles 2751, 2753 et 275 1992
AR 25.09.2018 visant à harmoniser les concepts de signature électronique et de support durable
AR 21.11.2018 portant modification de l'AR/CIR 92 concernant les modalités de paiement, de rectification, de transfert et de remboursement des versements anticipés, ainsi que les modalités d'information s'y rapportant
AR 07.12.2018 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 07.12.2018 modifiant l’AR/CIR 92, en ce qui concerne les avantages de toute nature résultant de la disposition gratuite d'immeubles ou de parties d'immeubles
AR 19.12.2018 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 17.02.2019 exécutant diverses lois et adaptant divers arrêtés royaux en vue notamment de l’harmonisation des modalités de paiement au sein de l’administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales
AR 17.03.2019 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 23.03.2019 portant exécution de l'article 21, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles et modalités d'introduction de l'attestation visée à l'article 2755, § 4, alinéa 7, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.04.2019 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 04.04.2019 modifiant l’article 46ter, l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le détermination du montant maximum de l’exonération relative au passif social en vertu du statut unique
AR 07.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la procédure d'agrément pour recevoir des libéralités donnant droit à la réduction d'impôt visée à l'article 145 revenus 1992
L 13.04.2019 introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales DATE AR
1 AR 13.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement de précompte professionnel en application de l'article 27511 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 13.04.2019 modifiant, en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée aux articles 2758 et 2759 du Code des impôts sur les revenus 1992, l'AR/CIR 92
AR 22.04.2019 modifiant les dispositions légales et réglementaires se référant au Fonds des rentes
AR 28.04.2019 modifiant l'article 204, 4°, de l'AR/CIR 92 concernant la période imposable à laquelle les revenus issus du travail associatif et des services occasionnels entre les citoyens se rapportent
AR 28.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la demande d'imputation et de remboursement du précompte mobilier retenu sur la première tranche de dividendes visée à l'article 21, alinéa 1er, 14°, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 02.05.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 145 des impôts sur les revenus 1992
L 02.05.2019 portant des dispositions fiscales diverses
AR 02.05.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les dépenses exposées dans le cadre d'une procédure d'adoption visée à l'article 145 les revenus 1992
AR 06.06.2019 introduisant un régime d’option pour les associations sans personnalité juridique
AR 06.06.2019 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92
AR 13.06.2019 modifiant l'article 46quater, de l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les modalités d'application relatives au passif social en vertu du statut unique DATE AR
1 AR 23.06.2019 modifiant les articles 136/1 et 136/2 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 relatifs à l'envoi électronique des avertissement-extrait de rôle
AR 28.06.2019 portant exécution des articles 14526/1 1992, et modifiant le moyen de transmission de certaines informations au SPF Finances
AR 28.06.2019 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.07.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l'économie collaborative
AR 16.07.2019 en matière des attestations pour la réduction d’impôt pour primes pour une assurance assistance juridique
AR 29.07.2019 établissant l’échelle des majorations du minimum de bénéfices imposables prévue à l’article 342, § 4, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 en cas d’absence de déclaration ou de remise tardive de celle-ci par une entreprise soumise à l’impôt des sociétés des non-résidents
AR 29.08.2019 adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au Code des sociétés et des associations et à l’arrêté royal du 29.04.2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations et portant des dispositions diverses
AR 29.08.2019 modifiant l’annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l’article 2751 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 05.09.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la notion de véhicule correspondant
AR 11.09.2019 modifiant les articles 136/1 et 136/2 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 relatifs à l'envoi électronique des avertissement-extrait de rôle
AR 02.10.2019 portant exécution de l’article 205/4, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 03.10.2019 adaptant la terminologie dans les codes fiscaux et dans l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 à celle du Code de droit économique
AR 14.10.2019 modifiant l'AR/CIR 92 concernant les fiches individuelles que les institutions de pension doivent remettre par voie électronique à l'administration fiscale en application de l'article 321ter du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.12.2019 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 09.12.2019 modifiant pou abrogeant divers arrêtés d’exécution du code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
AR 09.12.2019 adaptant les dispositions de l'AR/CIR 92 relatives à la détermination du revenu imposable en matière d'impôts des sociétés
AR 11.12.2019 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2019 portant exécution du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
AR 20.12.2019 portant adaptation de l'AR/CIR 92 suite à l'introduction de la déduction des transferts intra-groupe et de la limitation de la déduction d'intérêts
AR 20.01.2020 remédiant au double emploi de l’article 73
AR 17.02.2020 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 15.03.2020 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 27.03.2020 actualisant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 24.04.2020 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles et modalités d'introduction par les entreprises agréées pour le travail intérimaire de l'attestation visée à l'article 275 alinéa 7, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 30.04.2020 modifiant les articles 178 et 178/1 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 du 27 août 1993 en vue d'adapter certaines dispositions relatives à la dispense de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques
AR 18.05.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière de précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant
AR 20.05.2020 d'exécution des articles 18, 31, 33 et 47 de la loi du 20 décembre 2019 transposant la Directive (UE) 2018/822 du Conseil du 25 mai 2018 modifiant la Directive 2011/16/UE en ce qui concerne l'échange automatique et obligatoire d'informations dans le domaine fiscal en rapport avec les dispositifs transfrontières devant faire l'objet d'une déclaration
L 29.05.2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19 AR 22.06.2020 portant exécution des articles 93ter à 93quinquies du code de la taxe sur la valeur ajoutée, des articles 412bis, 433 à 435 du code des impôts sur les revenus 1992, des articles 35 à 37, 43 à 45 et 47 du code du recouvrement amiable et force des créances fiscales et non fiscales, et des articles 157 à 159 et 161 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, en matière d'e-notariat AR 09.07.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs salariés AR 27.09.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs indépendants AR 30.11.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant AR 16.12.2020 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 20.12.2020 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 20.12.2020 modifiant divers arrêtés royaux en matière d’impôts sur les revenus
AR 11.01.2021 portant fixation du moment auquel le dommage est définitivement constaté pour l’application du régime de rétro-déduction de pertes en Région wallonne AR 26.01.2021 modifiant l’annexe III de l’AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l’économie collaborative AR 26.01.2021 modifiant l’AR/CIR 92 en vue de réintroduire l’obligation de retenir du précompte professionnel sur les revenus issus de l’économie collaborative AR 24.02.2021 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 14.03.2021 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92, en exécution de l’article 27512 du Code des impôts sur les revenus AR 21.03.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations des non- résidents qui travaillent dans le secteur de l'agriculture et l'horticulture en tant que travailleurs saisonniers AR 29.03.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire
AR 18.04.2021 portant exécution de l'article 321quater, § 1er, alinéa 1er, 2° et § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 21.04.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant AR 02.05.2021 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2022 AR 07.06.2021 portant exécution de la loi portant des dispositions fiscales diverses et de lutte contre la fraude urgentes AR 20.06.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire DATE AR
1 L 27.06.2021 portant des dispositions fiscales diverses et modifiant la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces
AR 18.07.2021 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 24.07.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant AR 29.09.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire AR 23.11.2021 portant modification de plusieurs arrêtés royaux relative au transfert de la compétence en matière de perception et de recouvrement de différents droits et rétributions par l'Administration générale de la Documentation patrimoniale à l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement; étendant le champ d'application de l'arrêté royal du 28 novembre 2008 portant exécution de l'article 8bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe en ce qui concerne les exploits et procès-verbaux des huissiers de justice; et modifiant l'arrêté royal du 22 juillet 2019 fixant les heures d'ouverture des bureaux de l'Administration Sécurité juridique AR 07.12.2021 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 09.12.2021 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.12.2021 modifiant l'article 133 de l'AR/CIR 92
AR 17.12.2021 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'article 2751 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 17.12.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire AR 19.12.2021 modifiant l'article 18, § 3, de l'AR/CIR 92 en matière d'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature pour la disposition gratuite du chauffage et de l'électricité AR 19.12.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire DATE AR
1 AR 23.12.2021 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne le contenu de la fiche pour les revenus issus de l'économie collaborative AR 23.12.2021 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 23.12.2021 portant exécution des articles 14535, alinéa 2, 4° et 323/2, § 3 du Code des impôts sur les revenus 1992 et déterminant les données à communiquer par les organismes visés à l'article 14535, alinéa 2, 3° du même Code Loi-programme du 27.12.2021
AR 01.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l’économie collaborative et du travail associatif AR 01.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 à propos de la détermination du montant net des revenus professionnels AR 06.02.2022 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 16.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'article 2756 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 21.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 05.03.2022 fixant la forme et le contenu du formulaire de demande d'accord pour l'application du régime spécial d'imposition pour les contribuables impatriés et les chercheurs impatriés AR 23.03.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté au cours du premier trimestre de 2022 et de réduction pour travail supplémentaire AR 28.03.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire AR 10.04.2022 d'exécution de l'article 57, alinéa 4 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 18.04.2022 portant exécution de l'article 74 de la loi du 11 août 2017 portant insertion du Livre XX « Insolvabilité des entreprises », dans le Code de droit économique, et portant insertion des définitions propres au livre XX, et des dispositions d'application au livre XX, dans le livre I du Code de droit économique DATE AR
1 AR 19.05.2022 modifiant les dispositions en matière de la dispense de versement de précompte professionnel dans l'AR/CIR 92 AR 06.06.2022 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2023 AR 06.06.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté soins au cours du deuxième trimestre de 2022 AR 05.07.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 01.09.2022 fixant le contenu et la forme du formulaire pour demander la prolongation de l'application du régime d'imposition pour les impatriés et pour les chercheurs impatriés AR 13.09.2022 modifiant les articles 225, 228, 229 et introduisant un article 228/1 dans l'AR/CIR92 AR 21.09.2022 reportant le transfert de la compétence de percevoir le précompte professionnel, les droits et les rétributions, de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale à l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement AR 06.11.2022 portant des modifications aux modalités et conditions du régime du Tax Shelter en exécution des articles 1947ter à 194ter/3 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 13.11.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'introduire l'obligation de retenir du précompte professionnel sur les primes visées à l'article 90, alinéa 1er, 2° bis du Code des impôts sur les revenus 1992 payées ou attribuées à des habitants du Royaume et réglant une obligation de fiche spécifique AR 13.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière du précompte professionnel retenu sur les revenus de sportifs visés à l'article 90, alinéa 1er, 2°bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 16.11.2022 déterminant le formulaire pour l'application de la rétro-déduction de la partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables AR 27.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté dans le secteur des soins au cours du troisième et quatrième trimestre de 2022 AR 30.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations de chômage temporaire payées ou attribuées dans la période allant de novembre 2022 à mars 2023 AR 19.12.2022 modifiant l'AR/CIR92 en matière des rétributions pour des activités d'association visées à l'article 90, alinéa 1er, 1° ter, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 19.12.2022 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
Loi-programme du 26.12.2022
AR 17.02.2023 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 13.03.2023 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de justification de certains frais professionnels
AR 15.03.2023 visant à permettre l'envoi électronique des propositions de déclarations simplifiées aux contribuables AR 25.04.2023 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2024 AR 23.06.2023 apportant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 17.07.2023 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déclaration de revenus visée à l'article 242, § 1er/1, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 17.07.2023 portant des dispositions diverses modifiant l'AR/CIR 92
AR 30.08.2023 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire AR 20.09.2023 d'exécution de l'article 445, § 5 du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la détermination de l'échelle des amendes administratives et leurs modalités d'application AR 11.12.2023 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 25.12.2023 déterminant les modalités de déclaration pour les opérateurs de plateformes visés au titre VII, chapitre III, section Iquater, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 12.01.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 05.02.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition DATE AR
1 AR 25.02.2024 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2025 AR 25.02.2024 adaptant l'article 49 AR/CIR 92 en ce qui concerne l'attestation des immobilisations pour une utilisation plus rationnelle de l'énergie situées dans les espaces marins sous la compétence juridictionnelle de la Belgique AR 11.03.2024 portant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 11.03.2024 modifiant l'article 178 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 09.04.2024 portant exécution des articles 38, § 1er, alinéa 6, et 66bis, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 09.04.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la dispense de versement du précompte professionnel pour les travailleurs occasionnels dans la fruiticulture et la culture maraîchère visée à l'article 27513 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 15.05.2024 portant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 12.05.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions d'attribution d'une réduction d'impôt pour des libéralités AR 16.06.2024 déterminant le modèle de l'annexe de la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales visée à l'article 307, § 1/4, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 25.07.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job AR 25.07.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job à la batellerie AR 16.09.2024 fixant la manière dont les entreprises agréées pour le travail intérimaire doivent établir l'accord pour l'application de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'article 2755 du Code des impôts sur les revenus 1992 et corrigeant l'article 95 AR 11.11.2024 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la détermination de la période imposable AR 20.11.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes DATE AR
1 AR 08.12.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 12.12.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 12.12.2024 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 17.12.2024 visant à intégrer les règles de perception dans l'arrêté royal portant exécution du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et à déterminer le fonctionnement du Compte-provisions T.V.A. AR 01.10.2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 275 1992 AR 20.12.2024 modifiant les délais déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 20.12.2024 adaptant les articles relatifs à la déduction pour investissement dans le AR/CIR 92
AR 20.12.2024 introduisant les listes d'investissements et la liste d'exclusion climatique et environnementale visées aux articles 69/1 et 75, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 et déterminant les investissements numériques pris en compte pour la déduction de base majorée visée à l'article 69, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 20.12.2024 modifiant les dispositions en matière de la dispense de versement de précompte professionnel dans l'AR/CIR 92 AR 24.01.2025 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 05.03.2025 modifiant les délais et la délégation déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 19.03.2025 reportant les délais déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR DATE AR
1 1 AR 17.05.2025 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de travail étudiant AR 27.08.1993 d'exécution du CIR 92 AR 17.05.2025 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus AR 22.10.1993 modifiant l'AR/CIR 92 1992 pour l'exercice d'imposition 2026 AR 12.06.2025 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération AR 13.12.1993 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job au secteur de la pêche ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes maritime AR 28.07.2025 portant prolongation unique du délai de demande pour l'attestation de la déduction pour investissement majorée thématique AR 18.08.2025 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'heures supplémentaires
AR 21.10.2025 introduisant une renonciation du précompte mobilier pour les paiements relatifs à l’utilisation de biens mobiliers corporels dans l’AR/CIR92 AR 17.12.2025 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 11.12.2025 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 08.02.2026 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 14.02.2026 en matière de précompte professionnel sur les rentes alimentaires payées ou attribuées en 2025 à des non-résidents DATE AR
1 AR 30.12.1993 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.01.1994 modifiant, en ce qui concerne l'utilisation de supports magnétiques, l'AR/CIR 92
AR 18.02.1994 modifiant l'AR/CIR en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux et l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 28.03.1994 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.05.1994 modifiant en matière de dispense de l'obligation de déclaration, l'AR/CIR 92
AR 26.05.1994 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 30.07.1994 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.08.1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses payées à une agence locale pour l'emploi, l'AR/CIR 92
AR 12.08.1994 modifiant l'AR/CIR 92
AR 24.08.1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour des prestations à fournir dans le cadre des agences locales pour l'emploi, l'AR/CIR 92
AR 15.09.1994 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 07.10.1994 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'immunisation des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 21.12.1994 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 03.01.1995 modifiant l'AR/CIR 92
AR 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 07.03.1995 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 13.03.1995 modifiant, en matière de versements anticipés, l'AR/CIR 92
AR 20.03.1995 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux
AR 04.04.1995 modifiant en ce qui concerne les droits d'investigation et de contrôle, l'AR/CIR 92
AR 05.04.1995 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature obtenus autrement qu'en espèces
AR 07.04.1995 modifiant la loi du 17.06.1991 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financières de droit privé et portant diverses autres dispositions en matière de vente d'actifs
AR 10.04.1995 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 30.05.1995 modifiant, en matière de précompte immobilier, l'AR/CIR 92
AR 01.09.1995 modifiant, en matière de dépôt à découvert de certaines actions ou parts émises à partir du 01.01.1994, l'AR/CIR 92
AR 01.09.1995 modifiant, notamment en matière d'épargne à long terme, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 14.12.1995 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.1995 modifiant, en matière de réductions de valeur sur créances, l'AR/CIR 92
AR 22.12.1995 modifiant, en matière d'exonération pour personnel supplémentaire affecté à la recherche scientifique en Belgique, le CIR 92 et l'AR/CIR 92
AR 08.01.1996 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 09.01.1996 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités
AR 31.01.1996 modifiant, en ce qui concerne la déduction pour investissement, l'AR/CIR 92
AR 06.03.1996 modifiant l'AR/CIR 92
AR 30.06.1996 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 17.10.1996 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 11.12.1996 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92 et l'arrêté royal du 26.05.1994 relatif à la perception et à la bonification du précompte mobilier conformément au
AR 17.12.1996 modifiant, en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 23.12.1996 modifiant, en ce qui concerne la Caisse nationale de Crédit professionnel, la loi du 17.06.1991 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financiers de droit privé et portant diverses autres dispositions DATE AR
1 AR 10.01.1997 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 26.02.1997 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.02.1997 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 17.03.1997 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 20.05.1997 modifiant l'AR/CIR 92
AR 12.06.1997 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 06.07.1997 portant exécution de l'article 297, alinéa 2, du CIR 1992
AR 06.07.1997 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le précompte mobilier
AR 13.10.1997 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de revenus de dépôts d'épargne
AR 05.12.1997 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 09.01.1998 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le précompte mobilier
AR 01.03.1998 modifiant l'arrêté royal du 10.02.1995 modifiant, en ce qui concerne les activités des pourvoyeurs de main-d'œuvre, l'AR/CIR 92
AR 02.06.1998 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 29.10.1998 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération fiscale de certains libéralités DATE AR
1 AR 04.12.1998 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.12.1998 modifiant en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 17.12.1998 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 26.12.1998 portant exécution des articles 400, 401, 403, 404 et 406 du CIR 92 et de l'article 30bis de la loi du 27.06.1969 révisant l'arrêté-loi du 28.12.1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
AR 10.03.1999 complétant l'AR/CIR 92 en matière de règles particulières de recouvrement en ce qui concerne les attributions aux provinces, aux agglomérations et aux communes
AR 30.03.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 21.04.1999 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 03.05.1999 modifiant l'AR/CIR 92
AR 13.05.1999 portant exécution de l'article 194bis, CIR 92 et modifiant, en matière de provisions techniques, l'AR/CIR 92
AR 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique, au potentiel technologique, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, l'AR/CIR 92
AR 09.06.1999 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique en tant que chercheur hautement qualifié, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 24.06.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 29.10.1999 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 09.11.1999 modifiant l'AR/CIR 92 et l'arrêté royal du 08.07.1970 portant règlement général des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, en ce qui concerne le numéro de code des comptes postaux pour le paiement des versements anticipés, du précompte professionnel et de la taxe de circulation des véhicules automobiles
AR 15.12.1999 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 31.12.1999 modifiant, en matière de dépôts d'épargne, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2000 modifiant, en ce qui concerne le montant maximum déductible des dépenses pour garde d'enfant, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2000 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 25.04.2000 modifiant l'arrêté royal du 09.06.1999 modifiant, en matière d'exonération pour personnel affecté en Belgique à la recherche scientifique, au potentiel technologique, à l'exportation ou à la gestion intégrale de la qualité, l'AR/CIR 92
AR 25.04.2000 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 24.06.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.07.2000 portant introduction de l'euro dans les arrêtés royaux qui relèvent du Ministère des Finances et en exécution de la loi du 30.10.1998 relative à l'euro
AR 19.09.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 21.09.2000 modifiant, en matière de déduction pour investissement, l'AR/CIR 92
AR 16.10.2000 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités et en ce qui concerne le paiement du précompte professionnel
AR 23.11.2000 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 29.11.2000 portant exécution de l'article 203, § 2, alinéa 6, 2°, CIR 92 et complétant sur le plan des conditions d'agrément auxquelles doit satisfaire un système centralisé de prêts d'actions ou parts intégré dans un système de paiement et de règlement des opérations sur titres et la période durant laquelle l'agrément peut être octroyé, l'AR/CIR 92
AR 04.12.2000 modifiant, en matière de précompte mobilier sur les revenus de prêts d'actions ou parts, l'AR/CIR 92
AR 05.12.2000 portant exécution de l'art. 4, alinéa 3 et de l'art. 12, alinéa 2 de la loi du 24.12.1999 portant des dispositions fiscales et diverses et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.12.2000 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 30.01.2001 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions applicables pour l'attribution de la réduction pour épargne à long terme afférente aux sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires
AR 02.02.2001 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2001 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités, l'AR/CIR 92
AR 16.03.2001 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 13.07.2001 portant introduction de l'euro dans les arrêtés royaux qui relèvent du Ministère des Finances et en exécution de la loi du 30.10.1998 relative à l'euro
AR 05.09.2001 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 21.11.2001 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 04.02.2002 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2002 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 08.03.2002 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 02.04.2002 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour dépenses payées pour des prestations payées avec des titres-services, l'AR/CIR 92
AR 19.06.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 26.06.2002 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 22.08.2002 complétant, en matière de frais professionnels afférents entre le domicile et le lieu de travail, l'AR/CIR 92
AR 21.10.2002 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la déclaration au précompte professionnel DATE AR
1 AR 25.10.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.12.2002 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2002 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation, l'AR/CIR 92
AR 09.01.2003 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 23.01.2003 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 06.02.2003 pris en exécution de l'art. 194quater, § 6, al. 1er, CIR 92 relatif aux modalités d'investissement dans le cadre de la réserve d'investissement en cas d'apport d'une branche d'activité ou d'une universalité de biens, ou en cas de fusion ou de scission
AR 13.02.2003 pris en exécution de l'art. 203, § 1er, al. 3, CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 21.02.2003 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 28.02.2003 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 10.03.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 25.03.2003 portant exécution de l'art. 45, §2, de la loi du 2.8.2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers DATE AR
1 AR 25.03.2003 modifiant l'AR/CIR 92 et fixant la date d'entrée en vigueur de l'art. 396 de la loi– programme du 24.12.2002
AR 27.03.2003 pris en exécution de l'art. 202, §2, al. 2, CIR 92 relatif à la détermination des actions ou parts qui ont la nature d'immobilisations financiers dans le chef des établissements de crédit, des entreprises d'assurances et des sociétés de bourse
AR 31.03.2003 modifiant l'art. 210bis AR/CIR 92
AR 03.04.2003 portant exécution de l'art 388 de la loi-programme du 24.12.2002 et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.04.2003 pris en exécution des articles 2 et 8, de la loi du 14.01.2003 concernant les plus- values à l'occasion de l'aliénation des véhicules d'entreprises
AR 04.04.2003 pris en exécution de l'art. 264, al.1er, 2°bis, CIR 92, en ce qui concerne les autres marchés réglementés équivalents aux marchés réglementés visés à l'art. 2, 5° et 6°, de la loi du 02.08.2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
AR 12.05.2003 modifiant, en matière d'investissements en sécurisation, l'AR/CIR 92
AR 12.05.2003 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations situées dans une zone d'action positive des grandes villes, l'AR/CIR 92
AR 15.05.2003 relatif à la pricaf privée et modifiant l'AR du 18.4.1997 relatif aux organismes de placement investissant dans des sociétés non cotées et dans des sociétés en croissance
AR 16.05.2003 modifiant en matière de précompte mobilier, l'AR/CIR 92
AR 11.07.2003 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 30.07.2003 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.09.2003 fixant les modalités d'application prévues à l'article 385 de la loi-programme (I) du 24.12.2003
AR 23.10.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de conditions et modalités d'application de la réduction pour épargne à long terme en ce qui concerne les sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires
AR 04.12.2003 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les centimes additionnels à l'impôt des non-résidents (personnes physiques) et l'application des taxes additionnelles à l'impôt des personnes physiques
AR 15.12.2003 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 22.12.2003 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de renoncer à la perception du précompte mobilier sur intérêts et les redevances alloués ou mis en paiement à des sociétés associés
AR 23.01.2004 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.02.2004 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 18.02.2004 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 19.02.2004 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.05.2004 modifiant l'art. 734quater de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique DATE AR
1 AR 12.05.2004 modifiant, en matière de frais professionnels afférents aux déplacements entre le domicile et le lieu de travail, l'AR/CIR 92
AR 16.06.2004 portant exécution des articles 301, § 1 22.12.2003 et modifiant, en matière de déclaration au précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.06.2004 modifiant , en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 23.06.2004 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation, l'AR/CIR 92
AR 13.08.2004 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de renoncer à la perception du précompte mobilier sur les intérêts et les redevances alloués ou mis en paiement à des sociétés associées
AR 26.11.2004 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.12.2004 modifiant, en matière de réduction d'impôts pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule qui émet au maximum 115 grammes de CO
AR 09.01.2005 modifiant, en matière de précompte mobilier , l'AR/CIR 92 et l'AR du 26.05.1994 relatif à la perception et à la bonification du précompte mobilier conformément au chapitre I la loi du 06.08.1993 relative aux opérations sur certaines valeurs mobilières
AR 20.01.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier sur les revenus payés ou attribués en exécution de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers
AR 21.01.2005 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 16.02.2005 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 28.02.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 01.03.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de cotisations et primes patronales et de cotisations et primes personnelles pour la constitution de pensions ou de pensions complémentaires
AR 11.03.2005 portant exécution de l'art. 385, al. 5, de la loi-programme (I) du 24.12.2002 et modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'exonération de versement de précompte professionnel
AR 24.03.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'habilitation de tiers à obtenir communication des informations nécessaires pour l'exécution d'une mission d'intérêt général
AR 18.04.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en vue de transposer, en matière de précompte mobilier, la directive du 22.12.2003 modifiant la directive du 23.7.1990 concernant le régime fiscal commun applicable aux sociétés mères et filiales d'Etats membres différents
AR 13.06.2005 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 28.06.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.07.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 12.07.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.07.2005 modifiant, en matière d'exonération fiscale de certaines libéralités, l'AR/CIR 92
AR 04.08.2005 fixant les modalités d'application prévues à l'article 275 matière d'exonération de versement de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 24.08.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 02.09.2005 portant modification de l'art. 182 de l'arrêté royal d'exécution du CIR 92
AR 17.09.2005 portant abrogation de l'art. 160 de l'arrêté royal d'exécution du CIR 92
AR 17.09.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de la loi du 22.06.2005 instaurant une déduction fiscale pour capital à risque
AR 14.10.2005 modifiant l'art. 734quater AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 10.11.2005 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'épargne-pension
AR 03.12.2005 modifiant les articles 164 et 165 de l'AR/CIR 92
AR 15.12.2005 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 08.01.2006 pris en exécution de l'art. 2752, § 5, du CIR/92 et modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 02.02.2006 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 17.02.2006 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les plans PC privés
AR 17.03.2006 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 19.05.2006 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 10.06.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les modalités d'application relatives aux avantages fiscaux pour les emprunts hypothécaires et les contrats d'assurance-vie individuelle
AR 01.07.2006 modifiant l'article 2 de l'AR/CIR 92
AR 05.08.2006 définissant le taux annuel visé à l'article 19bis,§ 2, alinéa 1
AR 22.08.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 01.09.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement et de réduction d'impôt pour des mesures favorisant l'économie d'énergie
AR 01.09.2006 modifiant, notamment en matière d'épargne-pension, l'AR/CIR 92
AR 15.09.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 23.11.2006 modifiant l'arrêté royal du 27 décembre 2004 portant exécution des articles 1409, § 1er, alinéa 4, et 1409, § 1erbis, alinéa 4, du Code judiciaire relatif à la limitation de la saisie lorsqu'il y a des enfants à charge ainsi que l'arrêté royal d'exécution du CIR 92
AR 29.11.2006 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 11.12.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, de diverses dispositions du CIR 92 et de la loi du 22 juin 2005 instaurant une déduction fiscale pour capital à risque
AR 18.12.2006 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et instaurant la réduction forfaitaire flamande au précompte professionnel DATE AR
1 AR 21.12.2006 transformant le règlement général sur les taxes assimilées au timbre en arrêté d'exécution du Code des droits et taxes divers, abrogeant l'arrêté du Régent relatif à l'exécution du Code des droits de timbre et portant diverses autres modifications à des arrêtés d'exécution
AR 21.12.2006 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte professionnel, de précompte mobilier et de minimum des bénéfices ou des profits imposables des entreprises ou des titulaires d'une profession libérale DATE AR
1
AR 31.01.2007 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 12.02.2007 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 13.02.2007 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 14.02.2007 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule diesel équipé d'un filtre à particules, l'AR/CIR 92
AR 25.02.2007 modifiant les articles 210bis et 210ter de l'AR/CIR 92
AR 25.02.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue de sécuriser une habitation contre le vol ou l'incendie
AR 25.02.2007 modifiant, en ce qui concerne la nature des prestations effectuées dans le cadre de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 28.02.2007 modifiant, en ce qui concerne les modalités d'application de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 12.03.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de dispense de versement du précompte professionnel et portant des dispositions diverses
AR 19.03.2007 modifiant, en ce qui concerne les immobilisations exclues du régime d'amortissements dégressifs, l'AR/CIR 92
AR 01.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'habilitation de tiers à obtenir communication des informations nécessaires pour l'exécution d'une mission d'intérêt général DATE AR
1 AR 09.04.2007 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 09.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.04.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées par l'article 2753 , § 1er, alinéa 2, du CIR 92
AR 21.04.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 11.05.2007 pris en exécution de l'article 44ter, § 2, 1°, du CIR 92 et de l'article 114 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses
AR 23.05.2007 relatif à la pricaf privée
AR 03.06.2007 modifiant l'AR/CIR 92 instaurant l'introduction obligatoire par voie électronique des fiches, des relevés récapitulatifs et des déclarations au précompte professionnel
AR 03.06.2007 portant exécution des articles 154bis, alinéa 3, et 275
AR 03.06.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.06.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 08.06. 2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 07.08.2007 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel DATE AR
1 AR 17.08.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement
AR 07.12.2007 adaptant la législation fiscale et la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique aux dispositions de la loi du 14 décembre 2005 portant suppression des titres au porteur
AR 07.12.2007 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et la réduction forfaitaire flamande du précompte professionnel
AR 19.12.2007 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de déclaration au précompte professionnel
AR 19.12.2007 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 20.12.2007 modifiant, en exécution de l'article 275
AR 27.12.2007 portant exécution des articles 400, 401, 403, 404 et 406 du CIR 92 et de l'article 30bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
AR 10.02.2008 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 25.02.2008 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.03.2008 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 18.03.2008 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 08.04.2008 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 18.06.2008 modifiant en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.07.2008 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 et la réduction forfaitaire flamande du précompte professionnel
L 16.07.2008 modifiant le Code des impôts sur les revenus 1992 et organisant une fiscalité forfaitaire des droits d'auteur et des droits voisins
AR 30.07.2008 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de taux d'intérêt de base alloué aux dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du Code des impôts sur les revenus
AR 09.09.2008 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 28.11.2008 modifiant l'article 6311bis de l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 05.12.2008.modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 07.12.2008 modifiant, en matière de cotisations et primes patronales visées à l'article 52, 3°, b, du Code des impôts sur les revenus 1992, l'AR/CIR 92
AR 07.12.2008 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions d'exonérations des revenus des dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.12.2008 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 11.01.2009 accordant la réduction forfaitaire flamande en matière de précompte professionnel
AR 11.01.2009 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour revenus de brevet
AR 20.01.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 27.01.2009 modifiant certaines dispositions de l'AR/CIR 92
KB 02.02.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR
AR 03.02.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 05.02.2009 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 06.04.2009 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 14.04.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR
AR 13.05.2009 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.06.2009 modifiant l'article 207 de l'AR/CIR 92 en matière des mentions obligatoires sur les bulletins de versement ou de virement DATE AR
1 AR 12.06.2009 modifiant, en ce qui concerne les modalités d'application de la réduction d'impôt pour des dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré, l'AR/CIR 92
AR 15.06.2009 pris en exécution de l'article 202, § 2, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la détermination des actions ou parts qui ont la nature d'immobilisations financières dans le chef des entreprises d'assurances
AR 22.06.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.07.2009 modifiant, en matière d'énergie, l'AR/CIR 92 en exécution du plan de relance économique
AR 31.07.2009 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 31.07.2009 adaptant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 10.08.2009 modifiant l'article 6311bis de l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour maisons passives
AR 03.12.2009 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 03.12.2009 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.01.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 10.01.2010 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 01.02.2010 modifiant l'article 139, §§1er et 3, et l'article 142, § 1 concerne l'usage de terminaux de paiement dans les bureaux de recettes pour le paiement d'impôt
AR 08.02.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles d'imputation des réductions d'impôt relatives aux dépenses faites en vue d'économiser l'énergie
AR 10.02.2010 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 11.02.2010 modifiant,en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2010 adaptant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 02.03.2010 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la proposition d'imposition
AR 08.03.2010 modifiant, en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'acquérir à l'état neuf un véhicule électrique, l'AR/CIR 92
AR 06.04.2010 accordant une réduction complémentaire de précompte professionnel pour frais professionnels
AR 06.04.2010 modifiant certaines dispositions de l'AR/CIR 92
AR 06.05.2010 pris en exécution de l'article 307, § 1er, alinéas 3 à 6, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée
AR 10.05.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déclaration en matière de précompte mobilier DATE AR
1 AR 02.06.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de limitation des cotisations et primes pour la constitution d'une pension complémentaire déductibles à titre de frais professionnels
AR 02.07.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 09.07.2010 relatif aux modalités d'application de l'exonération de moins-values visées à l'article 48/1 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 30.07.2010 adaptant l'AR/CIR 92 quant à la désignation d'un représentant responsable dans le cadre des systèmes centralisés de prêts d'instruments financiers
KB 26.08.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 10.09.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de réduction d'impôt pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation
AR 01.12.2010 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 14.12.2010 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de déduction pour investissement relative à la sécurisation des véhicules d'entreprise
AR 22.12.2010 pris en exécution de l'article 394, § 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 22.12.2010 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la détermination de la période imposable DATE AR
1 AR 07.02.2011 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 09.02.2011 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 21.02.2011 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la déduction des dépenses d'entretien et de restauration d'immeubles classés et l'agrément des institutions pouvant bénéficier de libéralités
AR 28.02.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 03.03.2011 mettant en œuvre l'évolution des structures de contrôle du secteur financier
AR 15.03.2011 modifiant l'arrêté royal du 28.02.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.03.2011 modifiant l'article 164 de l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'avis de saisie
AR 23.03.2011 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92
AR 26.09.2011 complétant l'article 133 de l'AR/CIR 92 concernant les immeubles appartenant à plusieurs propriétaires en indivision
AR 05.12.2011 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 05.12.2011 portant des dispositions diverses modifiant l'AR/CIR 92
AR 23.02.2012 modifiant l'article 18, § 3, AR/CIR 92 en ce matière d'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature pour la disposition gratuite d'immeubles et la fourniture gratuite du chauffage et de l'électricité DATE AR
1 AR 04.03.2012 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 12.03.2012 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 22.04.2012 modifiant l'article 178 de l'AR/CIR 92 en ce matière de déclaration simplifiée
AR 06.06.2012 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 15.06.2012 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la suppression de la condition relative à l'enregistrement comme entrepreneur
AR 17.07.2012 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 11.12.2012 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2012 adaptant l’AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier sur les dividendes attribués à des fonds de pensions non-résidents
AR 27.12.2012 adaptant l’AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier sur les dividendes distribués par des sociétés d’investissement immobilières à capital fixe
AR 11.02.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 01.03.2013 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 04.03.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 03.04.2013 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92
AR 19.04.2013 modifiant les articles 178 et 178/1 de l'AR/CIR 92 en matière de proposition de déclaration simplifiée
AR 30.04.2013 adaptant l’article 106, § 7, alinéa 1er, de l’AR/CIR 92 quant aux sociétés d’investissement visées
AR 23.05.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 18.07.2013 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 21.09.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les critères d'exonérations des revenus des dépôts d'épargne visés à l'article 21, 5°, du CIR 92 ainsi que les conditions de l'offre de taux sur ces derniers
AR 24.09.2013 d'exécution de l'article 445 du CIR 92 en ce qui concerne la détermination de l'échelle des amendes administratives et leur modalités d'application
AR 24.10.2013 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 07.11.2013 modifiant les articles 164 et 165 de l'AR/CIR 92
AR 15.12.2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 15.12.2013 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 2757, alinéa 4, du CIR 92 DATE AR
1 AR 26.12.2013 modifiant, en ce qui concerne les institutions bénéficiant de libéralités, l'AR/CIR 92
AR 24.01.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 07.02.2014 portant exécution de l'article 307bis, § 3, alinéa 3, du CIR 92 relative aux modalités pour l'introduction électronique des déclarations à l'impôt des sociétés, à l'impôt des personnes morales, à l'impôt des non-résidents/sociétés et à l'impôt des non-résidents/personnes morales
AR 07.02.2014 portant exécution de l'article 302, alinéa 3, du CIR 92 concernant la réception des avertissements-extraits de rôle au moyen d'une procédure utilisant les techniques informatiques
AR 21.02.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 21.02.2014 modifiant l`article 178 de l'AR/CIR 92 en matière de proposition de déclaration simplifiée
AR 21.02.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 24.02.2014 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés
AR 23.03.2014 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 2753, §§2 et 3, du CIR 92
AR 26.03.2014 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes DATE AR
1 AR 04.04.2014 modifiant les articles 144/2 et 144/6 de l'AR/CIR 92 relatifs à la détermination de la quote-part de chaque contribuable dans l'imposition commune
AR 25.04.2014 modifiant, l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la détermination du montant maximum de l'exonération relative au passif social en vertu du statut unique
AR 25.04.2014 modifiant, l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les modalités d'application relatives au passif social en vertu du statut unique
AR 25.04.2014 modifiant, en ce qui concerne l'agréation des institutions scientifiques visées à l'article 2753, § 1er, alinéa 2, du CIR 92, l'AR/CIR 92
AR 19.05.2014 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 13.06.2014 portant exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 275 les revenus 1992
AR 18.06.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 30.06.2014 modifiant, en matière des réductions d'impôt relatives aux dépenses visées à l'article 5/5, § 4, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, l'AR/CIR 92
AR 17.07.2014 modifiant l'article 4 de l'arrêté royal du 13 juin 2014 portant exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 2758 et 2759 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 04.08.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la transformation de la déduction des libéralités en une réduction d'impôt et en ce qui concerne les dispositions relatives à l'agrément d'institutions pouvant bénéficier de libéralités DATE AR
1 AR 30.09.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la transformation de la déduction des dépenses pour garde d'enfants en une réduction d'impôt
AR 30.09.2014 modifiant l'AR/CIR 92, en matière de réductions d'impôt pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation et pour des habitations économes en énergie, et à la suite de l'introduction de la taxe additionnelle régionale à l'impôt des personnes physiques et de la modification des règles en matière de l'impôt des non-résidents
AR 10.12.2014 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 16.12.2014 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 19.12.2014 portant exécution de l’article 194ter du CIR 92 et déterminant les modalités et conditions de la procédure d’agrément des sociétés de production et des intermédiaires éligibles
AR 20.01.2015 modifiant, en matière de précompte professionnel sur les prestations dans le cadre de l’épargne-pension, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2015 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 02.03.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés DATE AR
1 L 24.03.2015 visant l'adaptation du titre 3 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance et des articles 275 revenus 1992 au Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité
AR 28.04.2015 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92 en exécution des articles 2751, 2753, 275 revenus
AR 23.08.2015 modifiant l’annexe III de l'AR/CIR 92, sur le plan du bonus emploi
AR 23.08.2015 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92 en exécution de l’article 27510 du Code des impôts sur les revenus
AR 27.09.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 29.10.2015 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 02.12.2015 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déduction pour investissement pour les investissements numériques
AR 09.12.2015 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 16.12.2015 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 22.02.2016 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit DATE AR
1 AR 01.03.2016 modifiant l'article 734quater de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des pays dont les dispositions de droit commun en matière d'impôts sont notablement plus avantageuses qu'en Belgique
AR 01.03.2016 modifiant l'article 179 de l'AR/CIR 92 relatif à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée
AR 07.03.2016 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de versements anticipés
AR 01.04.2016 modifiant, en ce qui concerne la réduction d’impôt pour les sommes affectées à l’acquisition de nouvelles actions ou parts d’entreprises qui débutent, l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 14526, § 6, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus
AR 27.06.2016 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 09.11.2016 relatif aux fonds d’investissement immobiliers spécialisés
AR 17.11.2016 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 24.11.2016 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 12.12.2016 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.01.2017 déterminant le précompte professionnel pour les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 12.01.2017 portant exécution de l'article 90, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, en ce qui concerne les conditions d'agrément des plateformes électroniques de l'économie collaborative, et soumettant les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992, au précompte professionnel
AR 27.01.2017 portant exécution des articles 194ter/1 et 194ter/2 du Code des impôts sur les revenus 1992 en ce qui concerne les modalités et conditions de la procédure d'agrément des sociétés de production et des intermédiaires éligibles et désignant l'Autorité compétente de l'Etat fédéral visée à l'article 194ter/2 du même Code
AR 31.01.2017 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 31.01.2017 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes
AR 20.02.2017 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 18.04.2017 modifiant, en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les sommes affectées à l'acquisition de nouvelles actions ou parts d'entreprises qui débutent, l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 14526, § 6, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 28.04.2017 relatif à l'exonération pour des intérêts de prêts à des entreprises qui débutent
AR 22.05.2017 modifiant les articles 164 et 165 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en matière de saisie-arrêt simplifiée par voie électronique
AR 22.05.2017 portant dispositions diverses modifiant l’AR/CIR 92 AR 10.07.2017 modifiant l'article 178 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en vue d'exclure certaines catégories de contribuables de la dispense de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques DATE AR
1 AR 18.07.2017 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 02.11.2017 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les avantages de toute nature résultant de l’utilisation à des fins personnelles d’un PC, d’une tablette, d’une connexion internet, d’un téléphone mobile ou d’un abonnement de téléphonie fixe ou mobile mis gratuitement à disposition
AR 10.12.2017 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 13.12.2017 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 25.12.2017 portant modification des articles 636
AR 26.01.2018 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 18.02.2018 modifiant et complétant l'AR/CIR 92 en exécution de l’article 470/2 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 06.03.2018 modifiant l'article 178 § 2, 13°, de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 en vue de supprimer la condition liée à un montant maximum de rémunération des critères en vertu desquels les contribuables sont dispensés de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques
AR 06.03.2018 modifiant l'AR/CIR 92 en matière d'attestations qui doivent être tenues à la disposition pour l'application de certaines réductions d'impôt pour emprunts hypothécaires et assurances-vie individuelles DATE AR
1 AR 11.03.2018 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la désignation du service chargé de délivrer les déclarations en matière d'impôts sur les revenus
AR 25.03.2018 modifiant l’annexe III de l'AR/CIR 92
AR 19.04.2018 modifiant l'article 204, 3°, de l'AR/CIR 92 concernant la période imposable à laquelle les indemnités en réparation totale ou partielle d'une perte temporaire de bénéfices ou de profits se rapportent
AR 08.05.2018 modifiant l'arrêté royal du 23 mai 2007 relatif à la pricaf privée et l'AR/CIR 92 en matière de renonciation à la perception du précompte mobilier
AR 24.06.2018 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 29.06.2018 d’exécution de l’article 445, § 3, du Code des impôts sur les revenus relatif à la détermination de l’échelle des amendes administratives en ce qui concerne les prix de transfert et leurs modalités d’application
AR 19.07.2018 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l'AR/CIR 92, en exécution des articles 2751, 2753 et 275 1992
AR 25.09.2018 visant à harmoniser les concepts de signature électronique et de support durable
AR 21.11.2018 portant modification de l'AR/CIR 92 concernant les modalités de paiement, de rectification, de transfert et de remboursement des versements anticipés, ainsi que les modalités d'information s'y rapportant
AR 07.12.2018 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 07.12.2018 modifiant l’AR/CIR 92, en ce qui concerne les avantages de toute nature résultant de la disposition gratuite d'immeubles ou de parties d'immeubles
AR 19.12.2018 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 17.02.2019 exécutant diverses lois et adaptant divers arrêtés royaux en vue notamment de l’harmonisation des modalités de paiement au sein de l’administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales
AR 17.03.2019 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 23.03.2019 portant exécution de l'article 21, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles et modalités d'introduction de l'attestation visée à l'article 2755, § 4, alinéa 7, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.04.2019 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 04.04.2019 modifiant l’article 46ter, l'AR/CIR 92, en ce qui concerne le détermination du montant maximum de l’exonération relative au passif social en vertu du statut unique
AR 07.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la procédure d'agrément pour recevoir des libéralités donnant droit à la réduction d'impôt visée à l'article 145 revenus 1992
L 13.04.2019 introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales DATE AR
1 AR 13.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement de précompte professionnel en application de l'article 27511 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 13.04.2019 modifiant, en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée aux articles 2758 et 2759 du Code des impôts sur les revenus 1992, l'AR/CIR 92
AR 22.04.2019 modifiant les dispositions légales et réglementaires se référant au Fonds des rentes
AR 28.04.2019 modifiant l'article 204, 4°, de l'AR/CIR 92 concernant la période imposable à laquelle les revenus issus du travail associatif et des services occasionnels entre les citoyens se rapportent
AR 28.04.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la demande d'imputation et de remboursement du précompte mobilier retenu sur la première tranche de dividendes visée à l'article 21, alinéa 1er, 14°, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 02.05.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en exécution de l'article 145 des impôts sur les revenus 1992
L 02.05.2019 portant des dispositions fiscales diverses
AR 02.05.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la réduction d'impôt pour les dépenses exposées dans le cadre d'une procédure d'adoption visée à l'article 145 les revenus 1992
AR 06.06.2019 introduisant un régime d’option pour les associations sans personnalité juridique
AR 06.06.2019 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92
AR 13.06.2019 modifiant l'article 46quater, de l'AR/CIR 92, en ce qui concerne les modalités d'application relatives au passif social en vertu du statut unique DATE AR
1 AR 23.06.2019 modifiant les articles 136/1 et 136/2 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 relatifs à l'envoi électronique des avertissement-extrait de rôle
AR 28.06.2019 portant exécution des articles 14526/1 1992, et modifiant le moyen de transmission de certaines informations au SPF Finances
AR 28.06.2019 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.07.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l'économie collaborative
AR 16.07.2019 en matière des attestations pour la réduction d’impôt pour primes pour une assurance assistance juridique
AR 29.07.2019 établissant l’échelle des majorations du minimum de bénéfices imposables prévue à l’article 342, § 4, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 en cas d’absence de déclaration ou de remise tardive de celle-ci par une entreprise soumise à l’impôt des sociétés des non-résidents
AR 29.08.2019 adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au Code des sociétés et des associations et à l’arrêté royal du 29.04.2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations et portant des dispositions diverses
AR 29.08.2019 modifiant l’annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l’article 2751 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 05.09.2019 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la notion de véhicule correspondant
AR 11.09.2019 modifiant les articles 136/1 et 136/2 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 relatifs à l'envoi électronique des avertissement-extrait de rôle
AR 02.10.2019 portant exécution de l’article 205/4, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 03.10.2019 adaptant la terminologie dans les codes fiscaux et dans l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 à celle du Code de droit économique
AR 14.10.2019 modifiant l'AR/CIR 92 concernant les fiches individuelles que les institutions de pension doivent remettre par voie électronique à l'administration fiscale en application de l'article 321ter du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 03.12.2019 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition
AR 09.12.2019 modifiant pou abrogeant divers arrêtés d’exécution du code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
AR 09.12.2019 adaptant les dispositions de l'AR/CIR 92 relatives à la détermination du revenu imposable en matière d'impôts des sociétés
AR 11.12.2019 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 20.12.2019 portant exécution du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
AR 20.12.2019 portant adaptation de l'AR/CIR 92 suite à l'introduction de la déduction des transferts intra-groupe et de la limitation de la déduction d'intérêts
AR 20.01.2020 remédiant au double emploi de l’article 73
AR 17.02.2020 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 15.03.2020 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 27.03.2020 actualisant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 24.04.2020 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les règles et modalités d'introduction par les entreprises agréées pour le travail intérimaire de l'attestation visée à l'article 275 alinéa 7, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 30.04.2020 modifiant les articles 178 et 178/1 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 du 27 août 1993 en vue d'adapter certaines dispositions relatives à la dispense de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques
AR 18.05.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière de précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant
AR 20.05.2020 d'exécution des articles 18, 31, 33 et 47 de la loi du 20 décembre 2019 transposant la Directive (UE) 2018/822 du Conseil du 25 mai 2018 modifiant la Directive 2011/16/UE en ce qui concerne l'échange automatique et obligatoire d'informations dans le domaine fiscal en rapport avec les dispositifs transfrontières devant faire l'objet d'une déclaration
L 29.05.2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19 AR 22.06.2020 portant exécution des articles 93ter à 93quinquies du code de la taxe sur la valeur ajoutée, des articles 412bis, 433 à 435 du code des impôts sur les revenus 1992, des articles 35 à 37, 43 à 45 et 47 du code du recouvrement amiable et force des créances fiscales et non fiscales, et des articles 157 à 159 et 161 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, en matière d'e-notariat AR 09.07.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs salariés AR 27.09.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs indépendants AR 30.11.2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant AR 16.12.2020 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 DATE AR
1 AR 20.12.2020 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 20.12.2020 modifiant divers arrêtés royaux en matière d’impôts sur les revenus
AR 11.01.2021 portant fixation du moment auquel le dommage est définitivement constaté pour l’application du régime de rétro-déduction de pertes en Région wallonne AR 26.01.2021 modifiant l’annexe III de l’AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l’économie collaborative AR 26.01.2021 modifiant l’AR/CIR 92 en vue de réintroduire l’obligation de retenir du précompte professionnel sur les revenus issus de l’économie collaborative AR 24.02.2021 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 14.03.2021 modifiant, en matière de dispense de versement du précompte professionnel, l’AR/CIR 92, en exécution de l’article 27512 du Code des impôts sur les revenus AR 21.03.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations des non- résidents qui travaillent dans le secteur de l'agriculture et l'horticulture en tant que travailleurs saisonniers AR 29.03.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire
AR 18.04.2021 portant exécution de l'article 321quater, § 1er, alinéa 1er, 2° et § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 21.04.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant AR 02.05.2021 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2022 AR 07.06.2021 portant exécution de la loi portant des dispositions fiscales diverses et de lutte contre la fraude urgentes AR 20.06.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire DATE AR
1 L 27.06.2021 portant des dispositions fiscales diverses et modifiant la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces
AR 18.07.2021 modifiant, en ce qui concerne le coefficient de revalorisation pour les revenus cadastraux, l'AR/CIR 92
AR 24.07.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant AR 29.09.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire AR 23.11.2021 portant modification de plusieurs arrêtés royaux relative au transfert de la compétence en matière de perception et de recouvrement de différents droits et rétributions par l'Administration générale de la Documentation patrimoniale à l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement; étendant le champ d'application de l'arrêté royal du 28 novembre 2008 portant exécution de l'article 8bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe en ce qui concerne les exploits et procès-verbaux des huissiers de justice; et modifiant l'arrêté royal du 22 juillet 2019 fixant les heures d'ouverture des bureaux de l'Administration Sécurité juridique AR 07.12.2021 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 09.12.2021 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 12.12.2021 modifiant l'article 133 de l'AR/CIR 92
AR 17.12.2021 modifiant l'annexe IIIbis de l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'article 2751 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 17.12.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire AR 19.12.2021 modifiant l'article 18, § 3, de l'AR/CIR 92 en matière d'évaluation forfaitaire des avantages de toute nature pour la disposition gratuite du chauffage et de l'électricité AR 19.12.2021 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire DATE AR
1 AR 23.12.2021 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne le contenu de la fiche pour les revenus issus de l'économie collaborative AR 23.12.2021 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 23.12.2021 portant exécution des articles 14535, alinéa 2, 4° et 323/2, § 3 du Code des impôts sur les revenus 1992 et déterminant les données à communiquer par les organismes visés à l'article 14535, alinéa 2, 3° du même Code Loi-programme du 27.12.2021
AR 01.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière des revenus issus de l’économie collaborative et du travail associatif AR 01.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 à propos de la détermination du montant net des revenus professionnels AR 06.02.2022 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit
AR 16.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'article 2756 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 21.02.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 05.03.2022 fixant la forme et le contenu du formulaire de demande d'accord pour l'application du régime spécial d'imposition pour les contribuables impatriés et les chercheurs impatriés AR 23.03.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté au cours du premier trimestre de 2022 et de réduction pour travail supplémentaire AR 28.03.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations légales de chômage temporaire AR 10.04.2022 d'exécution de l'article 57, alinéa 4 du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 18.04.2022 portant exécution de l'article 74 de la loi du 11 août 2017 portant insertion du Livre XX « Insolvabilité des entreprises », dans le Code de droit économique, et portant insertion des définitions propres au livre XX, et des dispositions d'application au livre XX, dans le livre I du Code de droit économique DATE AR
1 AR 19.05.2022 modifiant les dispositions en matière de la dispense de versement de précompte professionnel dans l'AR/CIR 92 AR 06.06.2022 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2023 AR 06.06.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté soins au cours du deuxième trimestre de 2022 AR 05.07.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de précompte mobilier
AR 01.09.2022 fixant le contenu et la forme du formulaire pour demander la prolongation de l'application du régime d'imposition pour les impatriés et pour les chercheurs impatriés AR 13.09.2022 modifiant les articles 225, 228, 229 et introduisant un article 228/1 dans l'AR/CIR92 AR 21.09.2022 reportant le transfert de la compétence de percevoir le précompte professionnel, les droits et les rétributions, de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale à l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement AR 06.11.2022 portant des modifications aux modalités et conditions du régime du Tax Shelter en exécution des articles 1947ter à 194ter/3 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 13.11.2022 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'introduire l'obligation de retenir du précompte professionnel sur les primes visées à l'article 90, alinéa 1er, 2° bis du Code des impôts sur les revenus 1992 payées ou attribuées à des habitants du Royaume et réglant une obligation de fiche spécifique AR 13.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière du précompte professionnel retenu sur les revenus de sportifs visés à l'article 90, alinéa 1er, 2°bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 16.11.2022 déterminant le formulaire pour l'application de la rétro-déduction de la partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables AR 27.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière des rémunérations pour travail étudiant presté dans le secteur des soins au cours du troisième et quatrième trimestre de 2022 AR 30.11.2022 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'allocations de chômage temporaire payées ou attribuées dans la période allant de novembre 2022 à mars 2023 AR 19.12.2022 modifiant l'AR/CIR92 en matière des rétributions pour des activités d'association visées à l'article 90, alinéa 1er, 1° ter, du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 19.12.2022 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
Loi-programme du 26.12.2022
AR 17.02.2023 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 13.03.2023 modifiant l'AR/CIR 92 en matière de justification de certains frais professionnels
AR 15.03.2023 visant à permettre l'envoi électronique des propositions de déclarations simplifiées aux contribuables AR 25.04.2023 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2024 AR 23.06.2023 apportant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 17.07.2023 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la déclaration de revenus visée à l'article 242, § 1er/1, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 17.07.2023 portant des dispositions diverses modifiant l'AR/CIR 92
AR 30.08.2023 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de la réduction pour travail supplémentaire AR 20.09.2023 d'exécution de l'article 445, § 5 du Code des impôts sur les revenus 1992 relatif à la détermination de l'échelle des amendes administratives et leurs modalités d'application AR 11.12.2023 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 25.12.2023 déterminant les modalités de déclaration pour les opérateurs de plateformes visés au titre VII, chapitre III, section Iquater, du Code des impôts sur les revenus 1992
AR 12.01.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 05.02.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition DATE AR
1 AR 25.02.2024 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2025 AR 25.02.2024 adaptant l'article 49 AR/CIR 92 en ce qui concerne l'attestation des immobilisations pour une utilisation plus rationnelle de l'énergie situées dans les espaces marins sous la compétence juridictionnelle de la Belgique AR 11.03.2024 portant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 11.03.2024 modifiant l'article 178 de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 09.04.2024 portant exécution des articles 38, § 1er, alinéa 6, et 66bis, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 09.04.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne la dispense de versement du précompte professionnel pour les travailleurs occasionnels dans la fruiticulture et la culture maraîchère visée à l'article 27513 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 15.05.2024 portant des modifications en matière de précompte professionnel
AR 12.05.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne les conditions d'attribution d'une réduction d'impôt pour des libéralités AR 16.06.2024 déterminant le modèle de l'annexe de la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales visée à l'article 307, § 1/4, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 25.07.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job AR 25.07.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job à la batellerie AR 16.09.2024 fixant la manière dont les entreprises agréées pour le travail intérimaire doivent établir l'accord pour l'application de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'article 2755 du Code des impôts sur les revenus 1992 et corrigeant l'article 95 AR 11.11.2024 modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la détermination de la période imposable AR 20.11.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes DATE AR
1 AR 08.12.2024 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 12.12.2024 modifiant l'AR/CIR 92 en ce qui concerne l'exonération des prix et subsides payés ou attribués à des savants, des écrivains ou des artistes AR 12.12.2024 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 17.12.2024 visant à intégrer les règles de perception dans l'arrêté royal portant exécution du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et à déterminer le fonctionnement du Compte-provisions T.V.A. AR 01.10.2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 275 1992 AR 20.12.2024 modifiant les délais déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 20.12.2024 adaptant les articles relatifs à la déduction pour investissement dans le AR/CIR 92
AR 20.12.2024 introduisant les listes d'investissements et la liste d'exclusion climatique et environnementale visées aux articles 69/1 et 75, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 et déterminant les investissements numériques pris en compte pour la déduction de base majorée visée à l'article 69, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 20.12.2024 modifiant les dispositions en matière de la dispense de versement de précompte professionnel dans l'AR/CIR 92 AR 24.01.2025 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 05.03.2025 modifiant les délais et la délégation déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 AR 19.03.2025 reportant les délais déterminés par l'arrêté royal du 1er octobre 2024 portant l'inclusion des inondations survenues du 14 au 16 juillet 2021 et le 24 juillet 2021 dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 DATE AR
1 AR 17.05.2025 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière de travail étudiant
AR 17.05.2025 portant exécution de l'article 147, alinéa 4, du Code des impôts sur les revenus 1992 pour l'exercice d'imposition 2026 AR 12.06.2025 modifiant l'AR/CIR 92 en vue d'élargir le champ d'application de l'exonération des rémunérations pour des prestations fournies dans le cadre d'un flexi-job au secteur de la pêche maritime AR 28.07.2025 portant prolongation unique du délai de demande pour l'attestation de la déduction pour investissement majorée thématique AR 18.08.2025 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92 en matière d'heures supplémentaires
AR 21.10.2025 introduisant une renonciation du précompte mobilier pour les paiements relatifs à l’utilisation de biens mobiliers corporels dans l’AR/CIR92 AR 17.12.2025 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition AR 11.12.2025 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92
AR 08.02.2026 modifiant, en ce qui concerne les avantages de toute nature, l'AR/CIR 92 en cas d'un prêt consenti sans intérêt ou à un taux d'intérêt réduit AR 14.02.2026 en matière de précompte professionnel sur les rentes alimentaires payées ou attribuées en 2025 à des non-résidents Historique des dispositions régionales
1) Région flamande
Remarque:
L’Arrêté du 20 décembre 2013 du Gouvernement flamand portant exécution du Code flamand de la Fiscalité (MB 31.12.2013 Ed. 1, err. 27.01.2014)(Annexe 1) est d’application à partir de l’ex. d’imp. 2014.
ART. AR/CIR 92 1 ART. AR/CIR 92 1 6310
6318/9 6318/13 6318/15 133
139
142
145
160
164
165 2) Région wallonne
ART. AR/CIR 92 1 6310
133
3) Région Bruxelles Capitale
NIHIL