6 JUNI 2024. - Besluit van de Waalse regering betreffende de toelating tot arbeid van buitenlandse werknemers
TITEL 1. - Definities
Art. 1
TITEL 2. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Voorwaarden voor de toelating tot arbeid
Afdeling 1. - Toelating tot arbeid
Art. 2-3
Afdeling 2. - Gecombineerde vergunning
Art. 4
Onderafdeling 1. - Gecombineerde vergunning voor beperkte duur
Art. 5-7
Onderafdeling 2. - Gecombineerde vergunning voor onbeperkte duur
Art. 8-9
Afdeling 3. - Arbeidskaart B
Art. 10-11
HOOFDSTUK 2. - De aanvraag voor toelating tot arbeid indienen
Art. 12-17
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing van de toelating tot arbeid
Art. 18-21
TITEL 3. - Specifieke werknemerscategorieën
Art. 22
HOOFDSTUK 1. - De hooggekwalificeerde persoon
Art. 23-24
HOOFDSTUK 2. - Onderdanen van derde landen die een Europese blauwe kaart aanvragen
Art. 25-27
HOOFDSTUK 3. - Mensen in verantwoordelijke posities
Art. 28-30
HOOFDSTUK 4. - De persoon die krachtens een internationaal verdrag wordt tewerkgesteld
Art. 31
HOOFDSTUK 5. - Professionele sportbeoefenaars, scheidsrechters en trainers
Art. 32-33
HOOFDSTUK 6. - De kunstwerker
Art. 34
HOOFDSTUK 7. - De bedienaar van een eredienst en de afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie
Art. 35
HOOFDSTUK 8. - De journalist
Art. 36
HOOFDSTUK 9. - De gespecialiseerde technicus
Art. 37
HOOFDSTUK 10. - De zeeman
Art. 38
HOOFDSTUK 11. - Personeel belast met het onderhoud van graven van militairen met buitenlandse nationaliteit
Art. 39
HOOFDSTUK 12. - Langdurig ingezetenen in een andere EU-lidstaat
Art. 40
HOOFDSTUK 13. - Seizoenarbeiders
Art. 41-47
HOOFDSTUK 14. - Werknemers in opleiding
Art. 48-49
HOOFDSTUK 15. - De werknemer als onderdeel van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep
Art. 50-56
HOOFDSTUK 16. - Stagiairs, au pairs en vrijwilligers
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 57-58
Afdeling 2. - De stagiair
Art. 59
Afdeling 3. - De vrijwilliger
Art. 60
Afdeling 4. - De au pair
Art. 61
HOOFDSTUK 17. - Lerenden
Art. 62-63
HOOFDSTUK 18. - De mobiele leraar
Art. 64
TITEL 4. - Vrijstellingen, ontheffingen en collectieve besluiten
HOOFDSTUK 1. - Individuele vrijstellingen en ontheffingen
Art. 65-66
HOOFDSTUK 2. - Collectieve besluiten
Art. 67-68
TITEL 5. - Procedure
Art. 69
HOOFDSTUK 1. - Beslissing over een aanvraag voor toelating tot arbeid
Art. 70-74
HOOFDSTUK 2. - Weigering, intrekking en verlies van geldigheid
Art. 75-77
HOOFDSTUK 3. - Beroepsmiddelen
Art. 78
TITEL 6. - Bezoldiging
Art. 79-82
TITEL 7. - Gegevensverwerking
Art. 83-85
TITEL 8. - Intrekkende, overgangs- en slotbepalingen
Art. 86-90
TITEL 1. - Definities
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt bedoeld met:
1° de wet van 15 december 1980: de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet van 30 april 1999: de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
4° het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
5° het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021: het samenwerkingsakkoord houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake het toelatingen tot arbeid en het beleid inzake verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten en wat betreft de oprichting van een elektronisch platform in het kader van de gecombineerde verblijfsaanvraagprocedure met het oog op tewerkstelling;
6° de minister: de minister bevoegd voor werkgelegenheid;
7° de afgevaardigde ambtenaar: de Direction de l'Emploi et des Permis de travail [Directie Werkgelegenheid en Arbeidsvergunningen] van het Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle [Departement Werkgelegenheid en Beroepsopleiding] van de Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Waalse overheidsdienst Economie, Werkgelegenheid en Onderzoek] met gedelegeerde bevoegdheden overeenkomstig het besluit van de Waalse regering met betrekking tot de delegaties van bevoegdheden aan de Service public de Wallonie [Overheidsdienst van Wallonië];
8° wettig verblijf: de verblijfsstatus van de vreemdeling die is toegelaten of gemachtigd om in het Koninkrijk te verblijven overeenkomstig de wet van 15 december 1980;
9° akte van tewerkstelling: de juridische overeenkomst die de prestaties regelt die de werknemer voor de werkgever verricht en die ook naar de vorm wordt beheerst door de bepalingen van:
a) de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaars;
b) de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten;
c) voor uitzendarbeid, de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
d) in geval van detachering, de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan;
e) de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
f) een ambtenarenstatuut;
g) een opleidingsschema;
h) elke andere regeling waarbij personen, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, onder het gezag van een andere persoon arbeid verrichten tegen betaling;
i) dit besluit;
10° opleiding: onderricht georganiseerd door een aan de onderneming externe of interne opleidingsverstrekker om de kennis en vaardigheden te verwerven of te verbeteren die nodig zijn om een beroep uit te oefenen;
11° diploma hoger onderwijs: elk door een bevoegde instantie afgeleverd document waaruit blijkt dat met succes een postsecundair studieprogramma van hoger onderwijs van ten minste drie jaar werd gevolgd, d.w.z. een geheel van cursussen dat wordt verstrekt door een onderwijsinstelling die als hogeronderwijsinstelling wordt erkend door de staat waar dit diploma wordt opgesteld, op voorwaarde dat de voor het behalen van het diploma hoger onderwijs vereiste studies ten minste drie jaar hebben geduurd, of hebben geleid tot een kwalificatie van niveau 6 van het Europees kwalificatiekader;
12° gastovereenkomst: de overeenkomst bedoeld in artikel 37, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
13° gastentiteit: de entiteit waarnaar de onderdaan van een derde land die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep tijdelijk wordt overgeplaatst, ongeacht haar rechtsvorm, gevestigd in het Franse taalgebied;
14° groep van vennootschappen: het geheel van de geassocieerde of verbonden vennootschappen bedoeld in de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gevestigd in ten minste drie verschillende landen;
15° detachering: de situatie waarin een gedetacheerde werknemer zich bevindt, in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, wanneer de gebruiker gevestigd is in een Franstalig gebied;
16° internationale docent: een onderdaan van een derde land met ten minste kwalificatieniveau 7 van het Europees kwalificatiekader, die lesgeeft aan een erkende instelling voor hoger onderwijs;
17° postdoctorale mandaathouder: de houder van een doctoraat of een kwalificatie van niveau 8 van het Europees kwalificatiekader die in het kader van de internationale mobiliteit wetenschappelijk onderzoek uitvoert aan een gastuniversiteit om de wetenschappelijke kennis die hij in het kader van zijn doctoraat heeft verworven, optimaal te benutten;
18° lasthebber: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in naam en voor rekening van de werkgever, die handelingsbekwaam is en wiens maatschappelijke zetel, bedrijfszetel of hoofdverblijfplaats zich in België bevindt;
19° gemeenschappelijk platform: het digitale platform dat werd opgericht door het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021;
20° werknemer: de onderdaan van een derde land die tot arbeid toegelaten is of die een toelating tot arbeid heeft aangevraagd;
21° werkgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een werknemer tewerkstelt of tewerk wil stellen;
22° onderzoeker: de onderdaan van een derde land die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) in het bezit zijn van een doctoraat of een kwalificatie van niveau 8 van het Europees kwalificatiekader of een passend diploma van hoger onderwijs dat toegang geeft tot doctoraatsprogramma's;
b) geselecteerd zijn door een onderzoeksinstelling die erkend is overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden gesloten;
c) toegelaten zijn tot het Belgische grondgebied om een onderzoeksactiviteit uit te oefenen waarvoor dergelijke diploma's in het algemeen vereist zijn;
23° stagiair: de onderdaan van een derde land die houder is van een diploma van het hoger onderwijs of die in een derde land een opleiding volgt die leidt tot een hogeronderwijsdiploma en die tot arbeid toegelaten is teneinde een opleidingsprogramma te volgen met het oog op het verwerven van kennis, praktijk en ervaring in een professionele omgeving;
24° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 die wordt toegelaten om te werken teneinde deel te nemen aan een vrijwilligersprogramma in het kader van het Europees Vrijwilligerswerk;
25° jonge au pair: de onderdaan van een derde land die tot arbeid wordt toegelaten om tijdelijk in een gezin te worden opgenomen met als doel de eigen talenkennis en kennis van Wallonië te verbeteren, in ruil voor licht huishoudelijk werk en kinderopvang;
26° gastinstelling: de onderzoeksinstelling, de instelling voor hoger onderwijs, de onderwijsinstelling, de organisatie belast met een vrijwilligersprogramma of de instelling die stagiairs ontvangt waartoe de onderdaan van een derde land behoort en die gevestigd is in een Franstalig gebied;
27° gastgezin: het gezin dat de jonge au pair tijdelijk opneemt en hem laat delen in het dagelijkse gezinsleven in een Franstalig gebied op basis van een overeenkomst gesloten tussen een vertegenwoordiger van dat gezin en de jonge au pair;
28° kwalificatie: het diploma of de beroepscertificatie zoals bedoeld in artikel 1.10° van het samenwerkingsakkoord van 26 februari 2015 tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de oprichting en het beheer van een Franstalig kwalificatiekader, afgekort "C.F.C. ", goedgekeurd bij het decreet van 7 mei 2015, ingedeeld van niveau 1 tot niveau 8 volgens het kwalificatiekader overeenkomstig titel V van hetzelfde samenwerkingsakkoord, of een kwalificatie die wordt verleend na succesvolle afronding van een programma dat is ingedeeld volgens de niveaus van de "International Standard Classification of Education 2011";
29° toelating tot arbeid: de beslissing die een toelating tot arbeid vormt in de zin van artikel 4 van de wet van 30 april 1999 en een arbeidsvergunning in de zin van artikel 5 van dezelfde wet;
30° onderdaan van een derde land: de persoon bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 30 april 1999.
TITEL 2. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Voorwaarden voor de toelating tot arbeid
Afdeling 1. - Toelating tot arbeid
Art.2. § 1. Onderdanen van derde landen worden tot arbeid toegelaten als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het is onmogelijk om binnen een redelijke termijn, onder de werknemers die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt van het Franse taalgebied, een werkzoekende te vinden die in staat is om, zelfs met behulp van een adequate beroepsopleiding, de beoogde betrekking op een bevredigende wijze te vervullen;
2° de onderdaan van een derde land en zijn werkgever zijn gebonden door een akte van tewerkstelling waarbij deze laatste zich ertoe verbindt:
a) eventuele reiskosten naar België te dekken;
b) de onderdaan van een derde land medische en farmaceutische hulp en, indien nodig, ziekenhuisopname te bieden totdat hij recht heeft op prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de voorwaarden bepaald in het eerste lid, wordt een onderdaan van een derde land die zich op het grondgebied van het Koninkrijk bevindt, in afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999, tot arbeid toegelaten wanneer hij overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet van 15 december 1980 voor een periode van ten hoogste negentig dagen of overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel III voor een periode van meer dan negentig dagen tot het grondgebied van het Koninkrijk wordt toegelaten of gemachtigd.
§ 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is automatisch vervuld wanneer aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
(1) de voorgestelde baan staat op de huidige lijst van banen waarvoor de minister een structureel tekort aan arbeidskrachten in het Franse taalgebied heeft vastgesteld;
2° het Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, hierna "Forem" genoemd, toont één van de volgende situaties aan:
a) de werkgever heeft gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf weken in de periode van één jaar direct voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor toelating tot arbeid via het Forem een vacature met betrekking tot de functie gepubliceerd en er heeft geen kandidaat gesolliciteerd die de functie naar tevredenheid kan vervullen;
b) de werkgever heeft een beroep gedaan op het actieve beheer door Forem van de wervingsbehoefte voor de functie waarop de aanvraag betrekking heeft en er heeft geen geschikte kandidaat voor de functie gesolliciteerd;
c) na een voorselectie van kandidaten door Forem met de werkgever stelt Forem vast dat zij geen kandidaat kan voordragen die de functie naar tevredenheid kan vervullen.
De regel bedoeld in het eerste lid, 2°, a), is niet van toepassing wanneer de vacature duidelijk beperkend is.
§ 3. Aan de voorwaarde, bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid, 1°, wordt geacht te zijn voldaan indien de werkgever bij zijn aanvraag het bewijs levert dat hij in het kader van Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013, gedurende ten minste vijf weken in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag een werkaanbieding met betrekking tot de functie heeft gepubliceerd en dat geen enkele kandidaat die geschikt is om de functie op bevredigende wijze te vervullen, naar de functie heeft gesolliciteerd.
De regel bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing wanneer de vacatureadvertentie duidelijk beperkend is.
§ 4. In andere dan de in de tweede en derde paragrafen bedoelde gevallen beoordeelt de afgevaardigde ambtenaar op basis van de door de aanvrager verstrekte bewijsstukken of aan de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde is voldaan. Hij houdt rekening met de specifieke aard van de beoogde baan, de zonder gevolg gebleven aanwervingsprocedures van de werkgever en het deel van het Franstalige gebied waar de baan zal worden uitgevoerd.
De minister deelt de lijst, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, mee aan de regering. Deze lijst is beschikbaar voor het publiek.
§ 5. Dit artikel is van toepassing op:
1) elke gecombineerde vergunning bedoeld in onderafdeling 1 van afdeling 2 van dit hoofdstuk;
(2) arbeidskaarten B, zoals bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk.
De in paragraaf 1, eerste lid bedoelde voorwaarde geldt niet voor de in artikel 5, tweede lid, en in titel 3 bedoelde werknemers.
De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, b), is niet van toepassing op gedetacheerde werknemers.
Art.3. De afgevaardigde ambtenaar kan alle nuttige informatie vermelden in het besluit tot aflevering van de toelating tot arbeid.
Afdeling 2. - Gecombineerde vergunning
Art.4. De toelating tot arbeid voor een periode van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, is vervat in de gecombineerde vergunning of een andere verblijfsvergunning die wordt afgeleverd met het oog op het opnemen van een baan voor een periode van meer dan negentig dagen.
De toelating tot arbeid is alleen geldig als deze wordt gecombineerd met een gunstige verblijfsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Deze verliest van rechtswege zijn geldigheid als de bevoegde federale instantie het verblijfsrecht beëindigt.
Onderafdeling 1. - Gecombineerde vergunning voor beperkte duur
Art.5. De initiële toelating tot arbeid wordt afgeleverd voor een beperkte periode van maximaal een jaar.
In afwijking van het eerste lid worden de volgende onderdanen van derde landen toegelaten om te werken voor de duur van de akte van tewerkstelling of van de opdracht met een maximumduur van zesendertig maanden op voorwaarde dat de individuele jaarrekeningen betreffende de bezoldigingen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten of, bij ontstentenis daarvan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin geen individuele afrekeningen kunnen worden voorgelegd, door de werkgever aan de afgevaardigde ambtenaar worden overgemaakt op de verjaardatum van de afgifte van de gecombineerde vergunning:
1° de hooggekwalificeerde persoon bedoeld in artikel 23;
2° de hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° de persoon die een verantwoordelijke functie uitoefent als bedoeld in de artikelen 28, 29 en 30;
4° de persoon die tewerkgesteld is krachtens een internationaal verdrag als bedoeld in artikel 31;
5° de beroepssporter, scheidsrechter of trainer als bedoeld in de artikelen 32 en 33;
6° de journalist als bedoeld in artikel 36;
7° de persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 51 tot en met 56.
Art.6. De toelating tot arbeid voor een beperkte periode is van toepassing op de tewerkstelling van een werknemer door één werkgever.
In afwijking van het eerste lid is de toelating tot arbeid niet beperkt tot de tewerkstelling van een werknemer bij één werkgever wanneer het gaat om:
1° een bijkomende activiteit uitgeoefend door een onderdaan van een derde land die tot arbeid is toegelaten op basis van de artikelen 23, 28 en 31, waarvan de duur korter is dan zijn hoofdbetrekking;
2° een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart en die:
a) werkt als internationale docent;
b) gedurende ten minste twaalf maanden in het bezit is geweest van een dergelijke kaart en mits het dienstverband voldoet aan de voorwaarden van artikel 25.
Art.7. § 1. Tijdens de tewerkstelling van de werknemer die is toegelaten om voor een beperkte periode te werken, informeert de werkgever de afgevaardigde ambtenaar in geval van verandering van werkgever, een verandering in een essentieel element van de arbeidsovereenkomst die een impact kan hebben op de toelating tot arbeid, een beëindiging van de arbeidsovereenkomst of het einde van de tewerkstelling in België.
Binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van een verandering van werkgever zoals bedoeld in § 2, tweede lid, 1°, a), of van een wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst, informeert de afgevaardigde ambtenaar de werkgever over de regels bepaald in paragraaf 2 en over het feit of het al dan niet nodig is om een nieuwe aanvraag in te dienen.
§ 2. Er moet een nieuwe aanvraag worden ingediend om tot de arbeid toegelaten te worden in geval van:
1° verandering van werkgever;
2° wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst.
2. In afwijking van het eerste lid is er geen nieuwe toelatingsaanvraag vereist indien:
1° de verandering van werkgever:
a) voortvloeit uit een fusie of een splitsing van een rechtspersoon, uit de inbreng van een geheel of een tak van bedrijvigheid, uit de overdracht van een geheel of een tak van bedrijvigheid of uit enige andere contractuele overdracht van een onderneming, in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement;
b) betrekking heeft op een hooggekwalificeerde persoon die houder is van een Europese blauwe kaart, plaatsvindt na twaalf maanden dienstverband en op voorwaarde dat het dienstverband bij de nieuwe werkgever voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel 3;
2° ondanks de wijziging van een essentieel element van de overeenkomst nog steeds voldaan is aan de voorwaarden van deze beschikking.
Onderafdeling 2. - Gecombineerde vergunning voor onbeperkte duur
Art.8. § 1. Een onderdaan van een derde land heeft voor onbepaalde tijd toelating tot arbeid als hij:
1° het bewijs levert, over een maximumperiode van tien jaar wettelijk en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag:
a) vier jaar te hebben gewerkt met een toelating tot arbeid of een arbeidskaart B; of
b) drie jaar te hebben gewerkt voor een onderdaan van een land waarmee België gebonden is door een internationaal verdrag of overeenkomst inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van een verordening tot omzetting van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, mits hij gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, op basis van een toelating om te werken is tewerkgesteld;
3° in België een Europese blauwe kaart heeft verkregen op voorwaarde dat hij op basis van een toelating tot arbeid gedurende een onderbroken periode van twaalf maanden wettelijk verblijf, tewerkgesteld is geweest.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, wordt de periode van vier jaar arbeid en de periode van drie jaar arbeid telkens met één jaar verminderd indien de echtgeno(o)t(e), de wettelijk samenwonende partner, het kind of de ouder van de onderdaan van een derde land legaal bij hem verblijft.
Bovendien wordt de arbeidsperiode geacht ononderbroken te zijn wanneer:
1° de onderbreking tussen twee opeenvolgende periodes wettelijk verblijf niet meer dan één jaar bedraagt;
2° de afwezigheid het gevolg is van een militaire dienstplicht indien de werknemer uiterlijk zestig dagen na het vervullen van de dienstplicht naar België is teruggekeerd.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld, mits de werknemer regelmatig in dienst was van een in België gevestigde werkgever:
1° periodes van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op weg naar het werk;
2° periodes van moederschapsbescherming, vaderschapsverlof en ouderschapsverlof;
3° periodes van verlof voor mantelzorgers, verlof voor medische bijstand of verlof voor palliatieve zorgen.
§ 4. Worden niet meegeteld de werkjaren met toelatingen tot arbeid of werkvergunningen die afgeleverd worden door de bevoegde autoriteiten, onder welke benaming dan ook, aan:
1° een onderdaan van derde landen die verbonden blijft door een akte van tewerkstelling met een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een onderdaan van derde landen die niet door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever verbonden is.
§ 5. Wanneer een aanvraag als bedoeld in artikel 5 of artikel 10 wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een toelating tot arbeid van beperkte duur ten behoeve van een onderdaan van een derde land die in het Franse taalgebied verblijft, en er aan de voorwaarden van de paragrafen 1 tot en met 4 is voldaan op basis van de gegevens die aan de werknemer zijn medegedeeld of die in zijn dossier zijn opgenomen, kan er aan de werknemer een vergunning voor onbepaalde duur worden afgeleverd, mits hij daar vooraf mee instemt. De afgevaardigde ambtenaar informeert de werkgever en de werknemer.
Art.9. De buitenlandse werknemer die is toegelaten om voor onbepaalde tijd te werken, mag van bezoldigd beroep of werkgever veranderen zonder een nieuwe aanvraag voor toelating tot arbeid in te dienen.
Afdeling 3. - Arbeidskaart B
Art.10. Een arbeidskaart B wordt toegekend aan een onderdaan van derde landen in de volgende arbeidssituaties:
1° de aanvraag voor toelating tot arbeid heeft betrekking op een periode van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
2° het gaat om een onderdaan van een derde land die wordt toegelaten om gedurende een beperkte periode te werken als grensarbeider zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art.11. De arbeidskaart B is geldig voor de tewerkstelling van een werknemer door één werkgever voor een periode van minder dan negentig dagen.
HOOFDSTUK 2. - De aanvraag voor toelating tot arbeid indienen
Art.12. § 1. Met het oog op de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land dient de werkgever bij de afgevaardigde ambtenaar een aanvraag voor toelating tot arbeid in overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de onderdaan van een derde land. Deze wijst de werkgever uitdrukkelijk aan als zijn vertegenwoordiger.
Deze aanwijzing wordt geacht te zijn vastgesteld:
1° door het sluiten van een akte van tewerkstelling door beide partijen;
2° in geval van detachering, door ondertekening van de detacheringsbrief door beide partijen;
3° in geval van een statutaire tewerkstelling, door het voorleggen van de aanstellingsakte van de werknemer.
De werkgever of zijn lasthebber vult het aanvraagformulier in, dateert het en ondertekent het als vertegenwoordiger van de werknemer.
De afgevaardigde ambtenaar stuurt de onderdaan van een derde land een kopie van elke mededeling die naar zijn vertegenwoordiger werd gestuurd.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 vraagt de onderdaan van een derde land aan de afgevaardigde ambtenaar de toelating tot arbeid bedoeld in de artikelen 8 en 9.
§ 3. De werkgever of zijn vertegenwoordiger en de onderdaan van een derde land dienen de aanvraag in:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
Indien er niet wordt voldaan aan de bepalingen van het eerste lid wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
Het aanvraagformulier bevat:
1° de persoonsgegevens en het e-mailadres van de werkgever of van zijn vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, van de diplomatieke of consulaire post die verantwoordelijk is voor het adres van de onderdaan van een derde land die in het buitenland verblijft op het ogenblik dat de werkgever de aanvraag indient;
2° de persoonsgegevens van de werknemer, met inbegrip van het e-mailadres;
3° de details van de betrekking die de werknemer zal uitoefenen.
Art.13. Om ontvankelijk te zijn, moet een eerste aanvraag voor de toelating tot arbeid de volgende documenten bevatten:
1° een kopie van het geldige paspoort van de werknemer en, in voorkomend geval, een kopie van het document dat het verblijf van de buitenlandse ingezetene in België dekt;
2° in geval van detachering, een kopie van het door de buitenlandse instelling afgeleverde document waaruit blijkt dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op Belgisch grondgebied of, bij ontstentenis van een internationale overeenkomst ter zake, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden om onderworpen te worden aan het Belgische stelsel voor werknemers in loondienst;
3° als de aanvraag betrekking heeft op de uitoefening van een gereglementeerd beroep, de documenten waaruit blijkt dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden om dit beroep uit te oefenen;
4° voor werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, een afschrift van de akte van tewerkstelling;
5° voor de werknemers die onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief waarin de duur van de detachering is vastgelegd, alsook de overeengekomen arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode en, in voorkomend geval, het paritair comité waaronder de arbeid valt;
6° voor de werknemers die niet onderworpen zijn aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, de documenten bedoeld in titel 3, volgens de specifieke categorie waartoe de arbeid behoort;
7° informatie die het mogelijk maakt de beroepskwalificaties van de werknemer te beoordelen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de diploma's.
Op straffe van onontvankelijkheid moeten de documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag voor toelating tot arbeid die wordt ingediend door middel van het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, wanneer deze aanvraag betrekking heeft op onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 1.
Art.14. Overeenkomstig artikel 25, lid 2, van de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2018 kan de onderdaan van een derde land of de werkgever tijdens de behandeling van de aanvraag worden verzocht binnen 15 dagen aanvullende informatie of documenten te verstrekken, voor zover dat strikt noodzakelijk is om na te gaan of aan de voorwaarden voor de toelating tot arbeid is voldaan. In dat geval vermeldt de afgevaardigde ambtenaar de toelatingsvoorwaarde die wordt geverifieerd door de aanvullende informatie of het document. Bij gebreke daarvan zijn alleen de in artikel 13 bedoelde documenten vereist.
In afwijking van het eerste lid kan de afgevaardigde ambtenaar, onder opgave van bijzondere redenen, de termijn verlengen als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de complexiteit van het verzoek, waarbij deze verlenging niet meer dan dertig dagen mag bedragen.
Art.15. Wanneer de aanvrager krachtens dit decreet een kopie van een arbeidsovereenkomst moet bijvoegen, bevat deze de persoonsgegevens van de werkgever en van de werknemer, de duur en de plaats van het werk, de werktijden, het salaris en het nummer van het paritaire comité waaronder de werkgever valt, de functie die de werknemer bekleedt en de indeling van de functie. Het moet naar behoren worden ingevuld, gedateerd en ondertekend door beide partijen.
Art.16. In het geval van een aanvraag voor toelating tot arbeid voor onbepaalde tijd, moeten op het aanvraagformulier worden vermeld:
1° de persoonsgegevens van de onderdaan van het derde land waaronder het e-mailadres;
2° de gegevens met betrekking tot vorige arbeidsperiodes in België.
De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
1° een kopie van de loonfiches of een individuele bezoldigingsrekening voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
2° een kopie van de op het ogenblik van de indiening van de aanvraag geldende akte van tewerkstelling.
De documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 worden gevoegd bij de eerste aanvraag tot toelating om voor onbepaalde duur te werken.
Art.17. De aanvrager voegt een vertaalde versie bij van de in dit besluit bedoelde documenten die niet in het Frans zijn opgesteld, onverminderd de mogelijkheid van de afgevaardigde ambtenaar om met aanvragers die in een ander taalgebied wonen, te corresponderen in de taal die de betrokken personen gebruiken.
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing van de toelating tot arbeid
Art.18. § 1. Wanneer de aanvankelijke toelating tot arbeid wordt verleend voor een periode van meer dan twaalf maanden, kan ze worden vernieuwd voor de duur van de akte van tewerkstelling, zonder een nieuwe maximumperiode van zesendertig maanden te overschrijden, op voorwaarde dat de werkgever aan de afgevaardigde ambtenaar de volgende documenten bezorgt op de verjaardatum van de toelating tot arbeid:
1° de individuele jaarlijkse bezoldigingsrekeningen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
2° of, bij gebrek daaraan, elk ander document dat het bewijs levert van een bijzondere situatie waarin de individuele rekeningen niet kunnen worden voorgelegd.
In geval van een voorlopige toelating tot arbeid als bedoeld in artikel 74, tweede lid, wordt automatisch aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden geacht te zijn voldaan indien de aanvraag tot hernieuwing betrekking heeft op dezelfde werkgever en dezelfde functie als die waarvoor de vorige toelating werd verleend.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toestemming heeft gekregen tot arbeid voor een periode van ten hoogste negentig dagen en die de duur van zijn verblijf met het oog op werk wenst te verlengen met een vaste periode die de totale periode van negentig dagen waarop de toelating(en) tot arbeid betrekking heeft, overschrijdt, dient een aanvraag in overeenkomstig de procedure die is vastgesteld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
Art.19. § 1. De aanvraag voor de hernieuwing van de toelating tot arbeid wordt ingediend:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per aangetekende brief, langs elektronische weg of op een andere wijze die in alle andere gevallen een zekere datum van verzending oplevert.
§ 2. De aanvraag voor vernieuwing mag niet eerder dan vier maanden en niet later dan één maand voor de vervaldatum van de vorige toelating tot arbeid worden ingediend.
In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor de hernieuwing van de toelating tot arbeid ingediend:
1° voor seizoenarbeiders ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige toelating;
2° voor een arbeidskaart B, ten vroegste twee maanden en ten laatste één maand voor het verstrijken van de vorige toelating.
Art.20. De aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid heeft betrekking op een tewerkstelling die rechtstreeks aansluit op de vorige toelating tot arbeid, bij dezelfde werkgever, onverminderd artikel 7, § 2, tweede lid, 1°, en voor dezelfde functies. Als dit niet mogelijk is, moet de houder een nieuwe aanvraag indienen.
Voor onderwijsgevende functies in het leerplichtig onderwijs, het hoger onderwijs of het onderwijs voor sociale promotie wordt de nieuwe toelating tot arbeid geacht rechtstreeks te volgen op de vorige toelating als de nieuwe toelating onmiddellijk na het einde van de schoolvakantie na de vorige toelating tot arbeid begint.
Art.21. Op de hernieuwingsaanvraag zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen, vermeld in artikel 13, eerste lid, 2°, 3° en 7°.
Voor een hernieuwingsaanvraag voor de toelating tot arbeid wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, automatisch geacht te zijn vervuld.
TITEL 3. - Specifieke werknemerscategorieën
Art.22. De voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op de in deze titel bedoelde werknemerscategorieën die met het oog op hun toelating tot arbeid aan bijzondere voorwaarden onderworpen zijn.
In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999 kan de in deze titel bedoelde werknemer België zijn binnengekomen om er te werken voordat de werkgever een toelating tot arbeid heeft gekregen
HOOFDSTUK 1. - De hooggekwalificeerde persoon
Art.23. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de hooggekwalificeerde persoon, op voorwaarde dat hij kan aantonen:
1° kwalificaties van ten minste niveau 6 van het Europees kwalificatiekader te hebben;
2° dat zijn jaarlijkse bezoldiging ten minste 50.310 euro bedraagt, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werknemer wordt geacht over de hogere beroepskwalificaties, bedoeld in het eerste lid, 1°, te beschikken als hij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:
1° houder zijn van een diploma hoger onderwijs;
2° een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën zijn;
3° ten minste drie jaar relevante beroepservaring hebben opgedaan in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een arbeidsvergunning.
Indien de hooggekwalificeerde op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt, bedraagt de vereiste bezoldiging ten minste 80% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, 2°.
Wanneer aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, 1°, is voldaan en het in het Franse taalgebied algemeen geldende loon voor de betrokken functie duidelijk hoger is dan de loongrens, bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de toelating tot arbeid enkel op basis van dit hoofdstuk worden verleend.
Art.24. De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald, in voorkomend geval vertaald, of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 23, tweede lid, 2° of 3°.
HOOFDSTUK 2. - Onderdanen van derde landen die een Europese blauwe kaart aanvragen
Art.25. § 1. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
Voor de toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent op basis van een Europese blauwe kaart de toelating tot arbeid aan de persoon die:
1° een akte van tewerkstelling voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd van ten minste zes maanden overlegt;
2° een jaarlijkse bezoldiging ontvangt van 65.053 euro of meer, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81;
3° aantoont dat hij over hogere beroepskwalificaties beschikt, verbonden aan een diploma uitgereikt door een onderwijsinstelling die als instelling voor hoger onderwijs erkend is door de staat waar die instelling gevestigd is.
Indien de onderdaan van een derde land op het ogenblik van de indiening van de aanvraag minder dan drie jaar geleden een diploma van hoger onderwijs heeft behaald, bedraagt de vereiste bezoldiging minstens 80% van het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°.
De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de houder van een Europese blauwe kaart die sinds ten minste twaalf maanden werd uitgereikt door een lidstaat van de Europese Unie en die voldoet aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, indien nodig, aangepast overeenkomstig het tweede lid.
§ 3. Ervaring wordt gelijkgesteld aan hogere beroepskwalificaties als tegelijk aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
1° de buitenlandse werknemer is een leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën of een specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën;
2° de buitenlandse werknemer heeft ten minste drie jaar relevante beroepservaring verworven in de zeven jaar voorafgaand aan de aanvraag van een Europese blauwe kaart.
Art.26. Wanneer de toelating tot arbeid op basis van de Europese blauwe kaart overeenkomstig artikel 6, tweede lid, niet beperkt is tot de tewerkstelling bij één enkele werkgever, brengt de nieuwe werkgever in geval van verandering van werkgever de afgevaardigde ambtenaar daarvan op de hoogte, met vermelding van zijn gegevens en die van de werknemer, alsook van de duur van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 25, § 2, eerste lid, 1°, en het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 25, § 2, eerste lid, 2°.
Deze vereiste schort het recht van de houder van de Europese blauwe kaart om de nieuwe baan te aanvaarden en uit te oefenen niet op.
Art.27. Voor de hooggekwalificeerde houder van een Europese blauwe kaart voegt de werkgever bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, de volgende documenten:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° een kopie van de door de werknemer behaalde diploma's van het hoger onderwijs of, bij ontstentenis daarvan, een bewijs van naleving van artikel 25, § 3.
HOOFDSTUK 3. - Mensen in verantwoordelijke posities
Art.28. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de betrokken directieleden op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging ten minste 83.936 euro bedraagt, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art.29. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer die een verantwoordelijke functie uitoefent in een luchtvaartmaatschappij met een vestiging in een Franstalig gebied.
Voor de in het eerste lid bedoelde werknemer voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
Art.30. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer in dienst die in zijn land van herkomst een verantwoordelijke functie bekleedt in een toerismebureau.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
HOOFDSTUK 4. - De persoon die krachtens een internationaal verdrag wordt tewerkgesteld
Art.31. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een onderdaan van een derde land die tewerkgesteld is in het kader van een internationaal verdrag dat door een federale, gewestelijke overheid of gemeenschapsoverheid is goedgekeurd binnen het kader van haar bevoegdheden.
Onverminderd de in het betrokken internationale verdrag bepaalde voorwaarden voegt de werkgever de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° als het gaat om een werknemer die is tewerkgesteld in het kader van internationale verdragen, een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° indien het een ambtenaar betreft die krachtens een internationaal verdrag is gedetacheerd, een afschrift van de akte van benoeming, vergezeld van een akte van detachering;
4° in het geval van een stagiair tewerkgesteld in het kader van een internationaal verdrag, een afschrift van de stageovereenkomst;
5° de verwijzing naar het internationale verdrag en de akte van bekrachtiging.
HOOFDSTUK 5. - Professionele sportbeoefenaars, scheidsrechters en trainers
Art.32. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan professionele sportbeoefenaars, scheidsrechters en trainers gebonden door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging niet lager is dan het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 23, eerste lid, 2°.
Een toelating tot arbeid voor een professionele sportbeoefenaar, scheidsrechter of trainer mag alleen worden verleend op basis van de voorwaarden die in dit hoofdstuk zijn voorzien.
§ 2. De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die hij krachtens de artikelen 13 en 14 moet voegen, een kopie van de arbeidsovereenkomst van de betaalde sportbeoefenaar bedoeld in de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
Art.33. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een trainer die niet gebonden is door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat zijn jaarlijkse bezoldiging niet lager is dan het in artikel 34, eerste lid, bedoelde bezoldigingsbedrag.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een kopie van de arbeidsovereenkomst.
HOOFDSTUK 6. - De kunstwerker
Art.34. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de kunstwerker op voorwaarde dat zijn bezoldiging niet minder bedraagt dan 41.969 euro, berekend en aangepast overeenkomstig artikel 81.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de kunstenaar;
2° een brief met toelichting van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot de arbeidsmarkt.
De akte van tewerkstelling, vermeld in het tweede lid, 1°, bevat de volgende gegevens:
1° een beschrijving van de diensten die door de kunstwerker zullen worden verleend;
2° de data en locaties van de voorstellingen waarvoor de kunstwerker werd aangeworven;
3° de gewerkte uren en hun verdeling per dag en per week;
4° het brutobedrag van het dag-, week- of maandloon;
5° de plaats, de wijze en de periode van betaling van het loon;
6° een clausule die voorziet in de tenlasteneming door de werkgever van de verplaatsingskosten tussen de woonplaats van de kunstenaar in het buitenland en de plaats van de artistieke uitvoering;
7° een clausule die bepaalt dat indien de kunstwerker geen recht heeft op uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkgever gedurende een periode van minstens één maand medische en farmaceutische bijstand verleent
HOOFDSTUK 7. - De bedienaar van een eredienst en de afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie
Art.35. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de bedienaar van een eredienst, evenals aan de afgevaardigde van niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties die door de federale overheid zijn erkend, op voorwaarde dat zijn activiteit betrekking heeft op het ambt binnen een plaatselijke geloofsgemeenschap, in de zin van artikel 2, 7° van het decreet van 18 mei 2017 betreffende de erkenning van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten.
De toelating tot arbeid voor een bedienaar van een erkende eredienst en een afgevaardigde van een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie kan enkel worden verleend op basis van de voorwaarden bepaald in dit artikel.
§ 2. De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° het bewijs dat het gaat om een plaatselijke religieuze gemeenschap van een erkende eredienst of een door de federale overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie, erkend overeenkomstig het decreet van 18 mei 2017 betreffende de erkenning en de verplichtingen van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten;
2° het bewijs dat de betrokkene een bedienaar van de eredienst of een afgevaardigde van een niet-confessionele levensbeschouwelijke organisatie is.
Het bewijs wordt geleverd door een kopie van de akte van benoeming door de federale overheid of door een bewijs van benoeming door het Belgische hoofd van de erkende eredienst of levensbeschouwelijke organisatie. De duur van de opdracht en de middelen van bestaan staan op dit bewijs vermeld.
HOOFDSTUK 8. - De journalist
Art.36. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een journalist die uitsluitend verbonden is aan een in het buitenland gevestigd medium en die regelmatig en rechtstreeks bijdraagt tot het verzamelen, schrijven, produceren of verspreiden van informatie ten behoeve van het publiek.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling;
2° in geval van detachering, een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de tijdelijke of permanente perskaart van de journalist, afgeleverd door de bevoegde Belgische autoriteiten.
HOOFDSTUK 9. - De gespecialiseerde technicus
Art.37. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de gespecialiseerde technicus wanneer:
1° hij door een akte van tewerkstelling verbonden is aan een in het buitenland gevestigde werkgever;
2° hij naar België komt om een door deze werkgever in het buitenland vervaardigde of geleverde installatie te monteren, in bedrijf te stellen of te herstellen of om de voormelde diensten te verlenen in het kader van een waarborg die verbonden is aan de oorspronkelijke levering,
3° hij naar België komt voor een periode van maximaal zes maanden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de leveringsbon waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus dient te monteren, in werking te stellen of te herstellen, werd vervaardigd of geleverd door zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitendomein van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
3° een kopie van de akte van tewerkstelling tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, eventueel vergezeld van een vertaalde versie;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
HOOFDSTUK 10. - De zeeman
Art.38. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de zeeman.
De werkgever voegt bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd, een exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden aan boord van zeeschepen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake tewerkstelling, gedateerd en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn lasthebber of de kapitein.
HOOFDSTUK 11. - Personeel belast met het onderhoud van graven van militairen met buitenlandse nationaliteit
Art.39. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan het personeel dat verantwoordelijk is voor het onderhoud van de graven van militairen met buitenlandse nationaliteit.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° elk document waaruit blijkt dat de werknemer in dienst is van een officiële instelling belast met het onderhoud van militaire graven, met het oog op het verzekeren van het onderhoud van de graven van militairen van buitenlandse nationaliteit;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
HOOFDSTUK 12. - Langdurig ingezetenen in een andere EU-lidstaat
Art.40. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een buitenlandse ingezetene die in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene heeft verkregen op grond van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de betrokkene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen en waarop uitdrukkelijk de gelijkwaardige vermelding van "langdurig EU-ingezetene" is aangebracht;
2° een kopie van de akte van tewerkstelling.
HOOFDSTUK 13. - Seizoenarbeiders
Art.41. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
Art.42. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Art.43. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan seizoenarbeiders op voorwaarde dat ze gebonden zijn door een akte van tewerkstelling aan een werkgever voor een activiteit die onderhevig is aan het ritme van de seizoenen. Onder een activiteit die onderhevig is aan het ritme van de seizoenen wordt verstaan een activiteit die gekoppeld is aan een bepaalde tijd van het jaar met een terugkerende situatie of een reeks terugkerende gebeurtenissen die verband houden met seizoensomstandigheden waarin de behoefte aan arbeidskrachten aanzienlijk groter is dan die welke nodig is voor normale activiteiten, d.w.z. activiteiten in de land- en tuinbouw en de horeca.
Art.44. In afwijking van artikel 5, eerste lid, mogen seizoenarbeiders maximaal vijf maanden per periode van twaalf maanden werken.
Art.45. Als de afgevaardigde ambtenaar de arbeidsvergunning intrekt door de fout van de werkgever, moet de werkgever een vergoeding betalen aan de seizoenarbeider. Deze compensatie dekt het salaris dat de seizoenarbeider had moeten ontvangen en alle andere verplichtingen die de werkgever niet is nagekomen en had moeten nakomen als de vergunning voor seizoenarbeid niet was ingetrokken.
Art.46. Voor de toepassing van artikel 45 wordt de intrekking van de tewerkstellingsvergunning toegeschreven aan de schuld van de werkgever wanneer:
1° hij werd bestraft voor zwartwerk;
2° zijn bedrijf het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een faillissements- of vereffeningsprocedure of er geen economische activiteit wordt uitgeoefend;
3° hij een sanctie opgelegd heeft gekregen krachtens de wet van 30 april 1999;
4° hij zijn verplichtingen op het vlak van sociale zekerheid, fiscaliteit, arbeidsrechten en welzijn op het werk niet is nagekomen;
5° hij zijn verplichtingen uit hoofde van de akte van tewerkstelling niet is nagekomen;
6° de aanvrager in de twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacature te creëren waarin hij met een beroep op dit hoofdstuk tracht te voorzien;
7° de door of via de werkgever verstrekte huisvesting niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 16 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.
Art.47. Ten minste om de vijf jaar informeert de minister de Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië over de maatregelen die de regering heeft genomen om de toelating tot arbeid te vergemakkelijken van onderdanen van derde landen die als seizoenarbeider zijn toegelaten tot een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op werk als seizoenarbeider.
HOOFDSTUK 14. - Werknemers in opleiding
Art.48. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een werknemer die gebonden is door een akte van tewerkstelling met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgt in een bedrijf waarvan de bedrijfseenheid gevestigd is in een Franstalig gebied, in het kader van een opleidingsovereenkomst die wordt toegevoegd aan een verkoopovereenkomst tussen dit bedrijf en het buitenlandse bedrijf, op voorwaarde dat de duur van deze opleiding niet langer is dan zes maanden.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de verkoopovereenkomst tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever, die ook voorziet in de opleiding van de gedetacheerde werknemers.
Art.49. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan een werknemer die in dienst is van een buitenlandse onderneming en die naar België komt om een opleiding te volgen op de Belgische hoofdzetel van de groep ondernemingen waartoe de onderneming behoort in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de ondernemingen van de groep.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° het bewijs dat de Belgische hoofdzetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst met vermelding van de duur van de opleiding;
4° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode.
HOOFDSTUK 15. - De werknemer als onderdeel van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep
Art.50. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel II van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Art.51. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de werknemer die het voorwerp is van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980 wanneer:
1° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
2° de overgeplaatste werknemer onmiddellijk vóór de datum van de overplaatsing ten minste drie opeenvolgende maanden als ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair in dienst is geweest van die vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de overgeplaatste werknemer beschikt over een kwalificatie van minstens niveau 6 van het Europees kwalificatiekader in het geval van een ICT-stagiair;
4° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige overplaatsingsduur binnen de onderneming niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
Art.52. § 1. De toelating tot arbeid voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend in overeenstemming met artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, wordt toegekend voor de duur van de overplaatsing, met een maximumduur van drie jaar voor ICT-managers en ICT-deskundigen en een maximumduur van één jaar voor ICT-stagiairs.
De in lid 1 bedoelde periode kan elke periode van mobiliteit naar andere lidstaten van de Europese Unie omvatten.
§ 2. Wanneer de maximale duur van de tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in paragraaf 1 is bereikt, kan voor dezelfde werknemer enkel een nieuwe aanvraag voor overplaatsing binnen een groep worden ingediend na het verstrijken van een termijn van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
Art.53. De toelating tot arbeid wordt verleend als onderdeel van een aanvraag voor een langlopende mobiliteitsvergunning als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° de onderdaan van een derde land is houder van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat tijdens de hele procedure;
2° de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land behoren tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen;
3° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer gedurende de volledige tijdelijke overplaatsing binnen de groep is niet minder gunstig dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de geldende wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
Art.54. Voor ICT-managers en ICT-deskundigen die het voorwerp uitmaken van een verzoek tot overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detacheringsperiode;
3° een kopie van de diploma's van hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
Art.55. Voor een ICT-stagiair die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep van meer dan negentig dagen, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een afschrift van de akte van tewerkstelling tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever;
2° een kopie van de stageovereenkomst, ondertekend door de werkgever en de werknemer, waarin de duur van de detachering, het opleidingsprogramma en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de periode van detachering zijn opgenomen;
3° een kopie van de universitaire diploma's die de betrokkene heeft behaald;
4° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
Art.56. Voor de ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair die het voorwerp uitmaakt van een aanvraag tot langetermijnmobiliteit, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3 en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgegeven door de eerste lidstaat en geldig voor de duur van de procedure;
2° een door de werkgever en de werknemer ondertekende detacheringsbrief met vermelding van de duur van de detachering, de functiebeschrijving, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens de detacheringsperiode;
3° het bewijs dat de gastentiteit en de vennootschap gevestigd in een derde land tot dezelfde vennootschap of groep van vennootschappen behoren.
HOOFDSTUK 16. - Stagiairs, au pairs en vrijwilligers
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art.57. Dit hoofdstuk vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
Art.58. Voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 zijn de bepalingen van hoofdstuk 5, titel II, van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 van toepassing.
Afdeling 2. - De stagiair
Art.59. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de stagiair als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de stagiair is aan het gastbedrijf gebonden door een stageovereenkomst met een maximale duur van twaalf maanden;
2° de stagiair levert het bewijs van hogere beroepskwalificaties op basis van een diploma van het hoger onderwijs behaald tijdens de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of toont aan dat hij een studieprogramma volgt dat tot een dergelijk diploma leidt;
3° de stage heeft betrekking op hetzelfde kwalificatieniveau en hetzelfde domein als het diploma bedoeld in 2°.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, die:
a) voorziet in theoretische en praktische opleiding;
b) een beschrijving van het stageprogramma bevat, met inbegrip van de onderwijsdoelstelling of de pedagogische onderdelen ervan;
c) de duur van de stage bepaalt, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;
d) de voorwaarden voor plaatsing en omkadering van de stagiair opnoemt;
e) de stage-uren vastlegt;
f) indien van toepassing, de voorziene bezoldiging;
2° een kopie van het diploma hoger onderwijs behaald in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag of een bewijs van inschrijving voor een studiecyclus die tot een diploma hoger onderwijs leidt;
3° de verbintenis van de stagiair om tijdens de duur van de stage in België geen andere betrekking te bekleden dan die waarvoor toelating tot arbeid wordt verleend.
Afdeling 3. - De vrijwilliger
Art.60. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de vrijwilliger van het Europees solidariteitskorps voor maximaal twaalf maanden.
De gastentiteit voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3, bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° de vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de gastorganisatie, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met daarin:
a) een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
b) de duur van de vrijwilligersdienst;
c) de voorwaarden voor plaatsing en toezicht in het kader van vrijwilligerswerk;
d) de vrijwilligersuren;
e) de middelen die beschikbaar zijn om de kosten van levensonderhoud en huisvesting van de stagiair te dekken, en een minimumbedrag als zakgeld voor de volledige duur van het verblijf;
f) indien van toepassing, de opleiding die aan de vrijwilliger wordt gegeven om hem of haar te helpen bij het uitvoeren van het vrijwilligerswerk;
2° een certificaat van het Agence nationale pour la mise en oeuvre du corps européen de solidarité [Nationale agentschap voor de invoering van het Europees solidariteitskorps] waarin wordt bevestigd dat de vrijwilliger bij de gastorganisatie is geplaatst in het kader van een goedgekeurd vrijwilligersprogramma van het Europees solidariteitskorps;
3° een door de vrijwilliger ondertekende verbintenis om tijdens de duur van het verblijf in België geen andere functie uit te oefenen dan die waarvoor toelating tot arbeid is verleend.
Afdeling 4. - De au pair
Art.61. § 1. De afgevaardigde ambtenaar verleent de toelating tot arbeid aan de jonge au pair die:
1° tussen achttien en dertig jaar oud is op de datum van toekenning van de toelating tot arbeid;
2° een basiskennis heeft van de taal die gewoonlijk door het gastgezin wordt gebruikt of zich ertoe verbindt deze basiskennis te verwerven door onmiddellijk na aankomst in een Franstalige regio een intensieve taalcursus te volgen;
3° een diploma secundair onderwijs heeft;
4° zich ertoe verbindt om tijdens de duur van de au pair plaatsing geen enkele andere activiteit uit te oefenen die enige vorm van arbeid of tewerkstelling voor rekening of onder leiding of toezicht van een werkgever inhoudt;
5° niet eerder een toelating heeft gekregen om in een Franstalig gebied te werken in welke hoedanigheid dan ook.
De vertegenwoordiger van het gastgezin voegt de volgende documenten bij het formulier bedoeld in artikel 12, § 3, en bij de documenten die moeten worden bijgevoegd krachtens de artikelen 13, 1°, 6° en 7°, en 14:
1° een overeenkomst gesloten tussen de jonge au pair en de vertegenwoordiger van het gastgezin, die de rechten en plichten van de partijen vastlegt, waaronder:
a) het ter beschikking stellen van een eenpersoonskamer aan de jonge au pair en van de vrije toegang tot de woning;
b) de maandelijkse betaling aan de jonge au pair, per bankoverschrijving, van een vast bedrag van ten minste 750 euro, bij wijze van zakgeld, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de jonge au pair;
c) de verbintenis van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een aanvullende verzekering af te sluiten die de risico's dekt van medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ongeval of ziekte;
d) een toezegging van de vertegenwoordiger van het gastgezin om een verzekering af te sluiten die een eventuele vroegtijdige repatriëring van de jonge au pair ten gevolge van ziekte of ongeval dekt;
e) de voorwaarden waaronder de jonge au pair lessen buiten het gezin kan volgen;
f) het maximale aantal uren dat de jonge au pair aan de taken van het gastgezin zal moeten besteden, zoals vastgelegd in een typisch weekrooster;
g) het aan de au pair aangeboden culturele programma;
h) het begrijpen door de jonge au pair van de taal waarin de overeenkomst is opgesteld of eventueel de vertaling ervan;
i) de beweegredenen van de jonge au pair;
2° voor elk lid van het gastgezin dat bij het begin van de verblijfsperiode van de jonge au pair ten minste achttien jaar oud is, een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
3° een verbintenis om de toegang tot de woning toe te laten aan de toezichthoudende ambtenaren;
4° indien het gezin een kind heeft dat jonger is dan vijf jaar, het bewijs dat de dagopvang is gepland voor een periode die overeenstemt met de maximale duur van het verblijf van de jonge au pair of voor de periode tot op het ogenblik dat het gezin geen kind meer heeft dat jonger is dan vijf jaar;
5° het bewijs dat het gezin over voldoende financiële middelen beschikt om de jonge au pair op te nemen.
§ 2. Het gastgezin heeft minstens één kind jonger dan dertien jaar wanneer de au pair wordt toegelaten.
De au pair mag niet meer dan vier uur per dag of twintig uur per week licht huishoudelijk werk doen en voor de kinderen zorgen. De au pair heeft minstens één volle dag per week vrij.
De jonge au pair behoudt de volledige vrijheid om zijn of haar filosofische of religieuze overtuigingen uit te oefenen.
§ 3. Naast de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde voorwaarden, is de toelating tot arbeid onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° het gastgezin ontvangt geen meerdere jonge au pairs tegelijk;
2° de toelating tot arbeid duurt niet langer dan één jaar;
3° de toelating tot arbeid kan slechts één keer verlengd worden, op voorwaarde dat de totale duur van de plaatsing niet langer is dan één jaar;
§ 4. Verandering van gastgezin is slechts één keer mogelijk, zolang de totale duur van het au pairverblijf niet meer dan een jaar bedraagt.
De vertegenwoordiger van het nieuwe gastgezin dient een nieuwe aanvraag voor toelating tot arbeid in, die onderworpen is aan de in dit artikel vermelde voorwaarden.
HOOFDSTUK 17. - Lerenden
Art.62. De afgevaardigde ambtenaar verleent de houder van een diploma hoger onderwijs die stage loopt om een eerdere opleiding voort te zetten of in het kader van een studiecyclus in een derde land die leidt tot het behalen van een diploma of getuigschrift van het hoger onderwijs, toelating tot de arbeid.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van het diploma hoger onderwijs van de betrokkene dat:
a) is verkregen in de twee jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
b) toelating geeft om de bijkomende opleiding te starten;
2° de stageovereenkomst gesloten met de bevoegde instelling, ondertekend door beide partijen, met vermelding van de begin- en einddatum en de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden.
Art.63. De afgevaardigde ambtenaar verleent toelating tot arbeid aan de stagiair die in dienst is van een Belgische overheidsdienst of van een in België gevestigde internationale publiekrechtelijke instelling waarvan het statuut geregeld is bij een in werking getreden verdrag, akkoord of overeenkomst, of die tewerkgesteld is in het kader van een door die instelling goedgekeurd programma.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en het bedrag van de vergoeding;
2° in het geval van een stagiair die wordt tewerkgesteld in het kader van een programma dat is goedgekeurd door een in België gevestigde publiekrechtelijke instelling van internationaal recht waarvan het statuut wordt beheerst door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door die internationale instelling;
3° in het geval van een uitwisselingsprogramma op basis van wederkerigheid, het bewijs van wederkerigheid.
HOOFDSTUK 18. - De mobiele leraar
Art.64. De afgevaardigde ambtenaar verleent toegang tot de arbeid aan een leerkracht uit een derde land die vreemde talen of cultuur geeft in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school, en die daartoe in België wordt ontvangen in het kader van een van kracht zijnde samenwerkingsakkoord of een samenwerkingsprogramma tussen een lid van de Regering of de Regering van de Franse Gemeenschap en een Staat of een in het buitenland gevestigde organisatie.
De werkgever voegt de volgende documenten bij het in artikel 12, § 3 bedoelde formulier en bij de documenten die krachtens de artikelen 13 en 14 moeten worden bijgevoegd:
1° een kopie van de akte van tewerkstelling van de leerkracht;
2° een kopie van het document dat de duur van de opleiding vreemde taal of cultuur bepaalt;
3° een kopie van de samenwerkingsovereenkomst of het samenwerkingsprogramma.
TITEL 4. - Vrijstellingen, ontheffingen en collectieve besluiten
HOOFDSTUK 1. - Individuele vrijstellingen en ontheffingen
Art.65. § 1. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien in internationale overeenkomsten, heeft een onderdaan van een derde land van wie de prestaties in België beperkt zijn tot maximum 90 dagen binnen elke periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980, en die voldoet aan een van de volgende voorwaarden, van rechtswege toelating tot arbeid:
1° hij is een gedetacheerde werknemer die niet onderworpen is aan een voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van hoofdstuk 8 van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is houder van een geldige Europese blauwe kaart uitgereikt door een andere lidstaat;
3° hij is een kind dat gemachtigd is om te werken overeenkomstig de artikelen 7.2 tot 7.14 van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
Het eerste lid, 2°, strekt tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
§ 2. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien door internationale overeenkomsten, worden de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid indien zij voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de wet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en indien hun arbeid beperkt is tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
1° een onderdaan van een derde land die zijn hoofdverblijfplaats niet in België heeft en die een van de volgende tijdelijke economische activiteiten uitoefent die verband houden met de economische belangen van de werkgever:
a) deelnemen aan:
(1) een conferentie of seminarie;
(2) een interne of externe zakelijke bijeenkomst;
(3) een beurs of tentoonstelling;
b) onderhandelen over een commerciële overeenkomst;
c) verkoop- of marketingactiviteiten ondernemen;
d) interne audits of audits bij klanten uitvoeren;
e) commerciële mogelijkheden verkennen;
f) opleidingen geven of volgen;
2° een persoon die naar het Franse taalgebied is gekomen om goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische industrie zijn geleverd voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming;
3° een in het buitenland verblijvende journalist die uitsluitend verbonden is aan een in het buitenland gevestigd mediabedrijf dat regelmatig en rechtstreeks bijdraagt tot het vergaren, schrijven, produceren of verspreiden van informatie ten behoeve van het publiek;
4° een werknemer in dienst van een buitenlandse onderneming die naar België komt om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische hoofdzetel van de groep ondernemingen waartoe zijn onderneming behoort in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de hoofdzetels van die groep;
5° een ICT-manager, ICT-deskundige of ICT-stagiair die zijn recht op kortdurende mobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat zijn bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of praktijken;
6° de onderdaan van een derde land die als gids of vertegenwoordiger van een hotel, reisbureau of reisorganisatie een congres of beurs bijwoont of eraan deelneemt of een toeristisch circuit begeleidt dat op het grondgebied van een derde land is begonnen;
7° een onderdaan van een derde land die als werknemer van een in een derde land gevestigde rechtspersoon vertaal- of tolkdiensten verricht;
8° het lid van een organisatie die een activiteit van sociale, culturele, ecologische of caritatieve aard uitoefent en die naar het Franse taalgebied komt om deel te nemen aan een Belgische organisatie die een gelijkaardige activiteit uitoefent, erkend of gesubsidieerd door een Belgische overheid in het kader van een programma van permanente vorming, professionele herscholing of uitwisselingen van goede praktijken;
9° een persoon in dienst van een in het buitenland gevestigde werkgever die naar een Franstalig gebied komt om prototypetests van voertuigen of door een onderzoeksorganisatie ontwikkelde prototypetests uit te voeren;
10° huishoudelijk personeel dat een toerist vergezelt die in een Franstalig gebied verblijft;
11° een kunstenaar die een overeenkomst van artistieke dienstverlening heeft gesloten met een operator gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
In het eerste lid, 5°, wordt onder kortdurende mobiliteit verstaan: het recht voor een onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep, afgeleverd door een andere lidstaat, om op Belgisch grondgebied te verblijven en te werken in elke in België gevestigde entiteit die deel uitmaakt van de onderneming of van dezelfde groep van ondernemingen, op voorwaarde dat zijn werkprestaties beperkt zijn tot maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, berekend overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980.
Voor de toepassing van het eerste lid, 9° betekent "prototype" het originele of eerste model van een product dat intensief experimenteel wordt gebruikt voordat het product in productie kan gaan.
§ 3. Onverminderd gunstigere bepalingen voorzien in internationale overeenkomsten wordt aan een werknemer die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet, van rechtswege toelating tot arbeid verleend:
1° hij voldoet aan de voorafgaande Limosa-aangifte overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2 van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen;
2° hij is geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
3° hij is in dienst van een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat;
4° hij begeeft zich tijdelijk naar België om er diensten te verlenen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a) hij verblijft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat, waar hij een verblijfsrecht of een verblijfsvergunning voor meer dan drie maanden heeft;
b) hij is legaal tewerkgesteld in de lidstaat waar hij woont, op voorwaarde dat zijn verblijfsvergunning geldig is voor ten minste de duur van het in België uit te voeren werk;
c) hij heeft een geldig arbeidscontract;
d) hij is in het bezit van een paspoort en een verblijfsvergunning voor een periode die ten minste gelijk is aan de duur van de verleende dienst, om zijn terugkeer naar het land van herkomst of verblijf te garanderen.
§ 4. De volgende categorieën personen hebben van rechtswege toelating om te werken:
1° een persoon, met inbegrip van een student die nog is ingeschreven aan een instelling in zijn derde land van herkomst, die naar België komt om een bezoldigde stage van ten hoogste twaalf maanden uit te voeren die is goedgekeurd door de bevoegde overheid in het kader van een ontwikkelingssamenwerking of een samenwerkingsakkoord als bedoeld in artikel 82 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hoger onderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, of door de minister;
2° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent tewerkgesteld in het kader van een gastovereenkomst;
3° een onderzoeker, assistent-docent of internationaal docent die deel uitmaakt van een door de overheid ondersteund samenwerkingsverband tussen een universiteit en een bedrijf;
4° een postdoctoraal onderzoeker die een toelage voor wetenschappelijk onderzoek of een beurs voor academisch onderzoek ontvangt.
Het eerste lid, 2° zet richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
Art.66. De minister kan in individuele gevallen afwijken van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1° en 2°, om redenen van economische, sociale, volksgezondheids-, openbare orde of openbare veiligheid die door de aanvrager worden aangevoerd.
HOOFDSTUK 2. - Collectieve besluiten
Art.67. De minister kan vaststellen dat er in een Franstalig gebied een tekort aan arbeidskrachten is als gevolg van een ernstige natuurlijke, gezondheids-, militaire, industriële of sociale crisis. In dat geval kan de minister vaststellen dat de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, vervuld is voor een categorie van werknemers, voor een hernieuwbare periode van maximaal zes maanden.
De minister stelt maandelijks een overzicht op van de op grond van dit artikel ingediende, ingewilligde en geweigerde aanvragen. Hij stuurt het door naar de regering.
Art.68. Overeenkomstig artikel 4, § 3, van de wet van 30 april 1999 verleent de afgevaardigde ambtenaar, met instemming van het bevoegde paritair comité, een collectieve afwijking van de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 1° en 2°, aan de werkgever die onderdanen van derde landen wenst aan te werven.
Collectieve afwijking ontslaat de werkgever niet van de verplichting om voor elke werknemer een aanvraag voor toelating tot arbeid in te dienen.
TITEL 5. - Procedure
Art.69. § 1. Deze titel vormt een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
De bepalingen van deze titel worden geïnterpreteerd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2018.
§ 2. De werkgever draagt de kosten die voortvloeien uit de in deze titel bedoelde procedure zonder deze door te rekenen aan de werknemer.
HOOFDSTUK 1. - Beslissing over een aanvraag voor toelating tot arbeid
Art.70. De afgevaardigde ambtenaar beslist of de aanvraag ontvankelijk is en stelt de aanvrager hiervan in kennis:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art.71. Indien de aanvraag onvolledig is, stelt de afgevaardigde ambtenaar de aanvrager in kennis van de lijst van ontbrekende documenten:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
De aanvrager zendt de ontbrekende documenten binnen vijftien werkdagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn verklaart de afgevaardigde ambtenaar de aanvraag onontvankelijk.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het besluit tot onontvankelijkheid:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art.72. Wanneer de aanvraag ontvankelijk is, kan de afgevaardigde ambtenaar de aanvrager overeenkomstig artikel 14 om aanvullende informatie verzoeken.
De aanvrager zendt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het in het eerste lid bedoelde verzoek toe aan de afgevaardigde ambtenaar. Na deze termijn zal de afgevaardigde ambtenaar het verzoek weigeren.
De afgevaardigde ambtenaar geeft kennis van het weigeringsbesluit:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° langs elektronische weg in alle andere gevallen.
Art.73. § 1. De afgevaardigde ambtenaar deelt zijn besluit over de toelating tot arbeid uiterlijk honderdtwintig dagen na de kennisgeving van het besluit over de ontvankelijkheid van de aanvraag mee.
In afwijking van het eerste lid wordt de termijn verkort tot:
1° dertig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op een aanvraag voor een persoon die houder is van een Europese blauwe kaart die werd uitgereikt door een andere lidstaat van de Europese Unie;
2° zestig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating als bedoeld in artikel 10;
b) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die in de loop van de laatste vijf jaar reeds minstens één keer als seizoenarbeider tot het Belgische grondgebied is toegelaten en die tijdens elk van deze verblijven heeft voldaan aan de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders;
3° negentig dagen wanneer de beslissing betrekking heeft op:
a) een aanvraag tot toelating op grond van de Europese blauwe kaart die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 1° ;
b) een aanvraag tot toelating van een ICT-manager, een ICT-deskundige of een ICT-stagiair;
c) een aanvraag tot toelating voor een seizoenarbeider die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 2°, b);
d) een aanvraag tot toelating voor een stagiair, vrijwilliger of au pair.
§ 2. Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het eerste lid niet van toepassing in de gevallen bedoeld in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst.
Art.74. § 1. De afgevaardigde ambtenaar deelt zijn besluit over de verlenging van de toelating tot arbeid uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van het besluit over de ontvankelijkheid van de aanvraag mee.
Overeenkomstig artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2028 wordt bij ontstentenis van een beslissing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, de toelating tot arbeid geacht te zijn verleend. In dat geval geeft de afgevaardigde ambtenaar een certificaat van impliciete toelating af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het tweede lid niet van toepassing op de in titel II van die uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar verleent een voorlopige toelating tot arbeid wanneer de vorige toelating tot arbeid vervalt tijdens het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing, op voorwaarde dat de aanvraag ontvankelijk is en ingediend werd binnen de in artikel 19, § 2, bedoelde termijnen. Tijdelijke toelatingen tot arbeid zijn 30 dagen geldig en kunnen één keer hernieuwd worden.
HOOFDSTUK 2. - Weigering, intrekking en verlies van geldigheid
Art.75. § 1. De afgevaardigde ambtenaar weigert de toegang tot arbeid indien:
1° de aanvraag gegevens, verklaringen of documenten bevat die onvolledig, onjuist, vervalst of onwettig zijn, gelet op de gewestelijke regels inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° de voorwaarden, vermeld in de artikelen 4, 4/1 of 5 van de wet van 30 april 1999 of in de uitvoeringsbesluiten ervan, niet vervuld zijn;
3° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
4° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt;
5° de werknemer niet voldoet aan de door de wet- of regelgeving opgelegde voorwaarden voor toegang tot het beoogde beroep;
6° het duidelijk is dat de onderdaan van een derde land niet over de vereiste vaardigheden beschikt voor de aangeboden betrekking;
7° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid;
8° de betrekking in strijd is met de normen die van toepassing zijn op de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers, zoals bepaald in wetten, reglementen en internationale verdragen;
9° de inkomsten uit de arbeid de werknemer niet in staat stellen zichzelf of zijn gezin te onderhouden, in de zin van artikel 79;
10° de onderneming of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van onderdanen van derde landen te vergemakkelijken, en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
11° de werkgever in een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een voltijdse betrekking heeft opgeheven om de vacante betrekking te creëren waarin hij door middel van deze aanvraag wenst te voorzien;
12° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
13° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
14° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming;
15° tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag de toelating tot arbeid reeds werd geweigerd of ingetrokken voor dezelfde functie in dezelfde categorie, indien de aanvrager geen nieuwe elementen voorlegt. ;
De weigeringsgronden, vermeld in het eerste lid, 9°, zijn niet van toepassing op de aanvraag, vermeld in hoofdstuk 16 van titel 3.
§ 2. De afgevaardigde ambtenaar kan de toegang tot arbeid weigeren indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever failliet, kennelijk insolvent is of er tegen hem een faillissementsprocedure loopt;
De weigeringsgronden, bedoeld in het eerste lid, 1°, zijn niet van toepassing op verzoeken betreffende:
1° de hooggekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 23;
2° de houder van een blauwe kaart als bedoeld in artikel 25;
3° het lid van het leidinggevend personeel als bedoeld in artikel 28;
4° een persoon die het voorwerp is van een tijdelijke overplaatsing binnen een groep als bedoeld in de artikelen 48 en 49.
§ 3. Bij elke beslissing om een verzoek te weigeren wordt rekening gehouden met de omstandigheden van elk individueel geval, met inbegrip van de belangen van de werknemer, en wordt het evenredigheidsbeginsel nageleefd.
Art.76. De afgevaardigde ambtenaar trekt de toelating tot arbeid in wanneer:
1° een frauduleuze praktijk, een onvolledige, onjuiste of vervalste aangifte of een onwettig uitgevoerde aanpassing, met betrekking tot de regels inzake tewerkstelling van buitenlandse werknemers werd vastgesteld;
2° de werkgever of gastentiteit niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen, met inbegrip van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn;
3° de betrekking in strijd is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, met internationale overeenkomsten of akkoorden over de aanwerving en tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
4° de rechtspersoon of gastentiteit werd opgericht of hoofdzakelijk functioneert om de toegang van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken en geen enkele economische of sociale activiteit uitoefent;
5° de werknemer het voorwerp uitmaakt van een negatieve beslissing betreffende zijn recht of toelating tot verblijf, die niet het voorwerp uitmaakt van een schorsend beroep en die niet door de rechter werd geschorst;
6° dit noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid op basis van het gedrag van de werknemer;
7° de bezoldiging minder gunstig is dan die van werknemers die dezelfde functie uitoefenen in dezelfde onderneming, rekening houdend met elk element dat hem ter kennis wordt gebracht;
8° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot arbeid, met inbegrip van de verplichting om individuele bezoldigingsrekeningen over te maken, zoals bepaald in artikel 5, tweede lid.
De afgevaardigde ambtenaar kan de toelating tot arbeid intrekken indien:
1° de werkgever of gastentiteit in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag strafrechtelijk of administratief werd gestraft overeenkomstig het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen;
2° de werkgever zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen met betrekking tot zijn beroepsactiviteit niet nakomt.
Elk besluit om de toelating tot arbeid in te trekken houdt rekening met de omstandigheden van elk individueel geval, inclusief de belangen van de werknemer, en respecteert het evenredigheidsbeginsel.
Art.77. De toelating tot arbeid voor een beperkte periode verliest van rechtswege zijn geldigheid als de houder niet langer legaal in België verblijft.
HOOFDSTUK 3. - Beroepsmiddelen
Art.78. § 1. De afgevaardigde ambtenaar brengt de beslissing tot weigering of intrekking ter kennis van de werkgever of zijn vertegenwoordiger en van de onderdaan van een derde land die voldoet aan de voorwaarden van artikel 9 van de wet van 30 april 1999.
De kennisgeving vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° in alle andere gevallen, met elk middel dat bewijskracht en een zekere datum van verzending en ontvangst verleent.
§ 2. Het besluit tot weigering of intrekking vermeldt de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de minister, evenals de formele vereisten en termijnen waaraan moet worden voldaan.
Het weigerings- of intrekkingsbesluit vermeldt ook welke overheidsinstanties op de hoogte werden gebracht van het besluit.
§ 3. Het beroep moet de door de eiser gedateerde en ondertekende motiveringsbrief bevatten samen met alle documenten die nodig zijn om te reageren op de redenen voor de weigering of intrekking.
De eiser kan aanvullende documenten indienen binnen maximaal een maand na het indienen van het beroep. De periode loopt van de dag nadat het beroep is ingesteld tot de dag voordat een maand vervallen is. Indien de vervaldag op een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag valt, zal deze uitgesteld worden tot de eerstvolgende werkdag.
Het beroep moet worden gericht aan de direction de l'Emploi et des Permis de travail du département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]. Het vindt plaats:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer het beroep binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° per post in alle andere gevallen.
Zolang het beroep bij de minister loopt, wordt een aanvraag die na het beroep wordt ingediend, onontvankelijk verklaard als deze wordt ingediend voor dezelfde werkgever en dezelfde werknemer.
§ 4. De minister kan de eiser om aanvullende informatie vragen. De eiser stuurt de aanvullende informatie binnen vijftien dagen na het verzoek naar de minister. Na het verstrijken van deze termijn neemt de minister een weigeringsbesluit en stelt hij de eiser hiervan op de hoogte.
De minister deelt zijn beslissing over het beroep uiterlijk twee maanden na ontvangst van het beroep mee.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen beslissing is genomen, wordt de toelating tot arbeid geacht te zijn bevestigd. In dat geval geeft de minister een certificaat van impliciete bevestiging af.
Overeenkomstig artikel 5/1 van de uitvoerende samenwerkingsovereenkomst van 6 december 2018 is het derde lid niet van toepassing op de in titel II van deze uitvoerende samenwerkingsovereenkomst bedoelde gevallen.
§ 5. De minister stuurt een kopie van het besluit naar de afgevaardigde ambtenaar die het besluit uitvoert.
Het besluit beschrijft de beroepsprocedures en de formele vereisten en deadlines waaraan moet worden voldaan.
De in dit artikel bedoelde kennisgevingen worden gedaan:
1° via het gemeenschappelijk platform wanneer de aanvraag binnen het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 valt;
2° met elk middel dat bewijskracht verleent en een zekere datum van verzending en ontvangst in andere gevallen.
TITEL 6. - Bezoldiging
Art.79. Het inkomen wordt geacht de voltijds of deeltijds tewerkgestelde werknemer in staat te stellen in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien indien het betaalde loon niet lager is dan het gewaarborgd gemiddeld maandinkomen voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborging van een gemiddeld minimummaandinkomen.
Het eerste lid is van toepassing onverminderd de toepassing van de bezoldigingsvoorwaarden verschuldigd krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning verbindend zijn verklaard overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Art.80. § 1. De in dit besluit genoemde bezoldigingsbedragen vormen de tegenprestatie voor de arbeidsprestaties of voor de opdracht en zijn vastgelegd of kunnen vastgelegd worden. Ze worden aan alle partijen en aan de afgevaardigde ambtenaar meegedeeld vóór de tewerkstelling van de werknemer in België.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor de gedetacheerde werknemer het begrip loon bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan.
In afwijking van paragraaf 1 geldt voor betaalde sportbeoefenaars het begrip loon bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
In afwijking van paragraaf 1 worden voor de in titel 3, hoofdstukken 16 tot en met 18, bedoelde personen middelen die afkomstig zijn van een toelage, een beurs, een garantstellingsverklaring van een organisatie die deelneemt aan een scholierenuitwisseling, een organisatie die stagiairs ontvangt, een organisatie die deelneemt aan een vrijwilligerswerkprogramma, een gastgezin of een organisatie die als tussenpersoon voor jonge au pairs optreedt, gelijkgesteld met loon.
Art.81. § 1. Onverminderd artikel 79 wordt, wanneer de werknemer deeltijds werkt, de salarisdrempel aangepast door deze te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller overeenkomt met het aantal uren tewerkstelling per week en de noemer met een voltijdse tewerkstelling bij de werkgever of, bij gebreke daarvan, in de activiteitensector.
§ 2. De bedragen van de salarisdrempels worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de index van de conventionele lonen van werknemers voor het derde kwartaal (basis 2010 = 100) volgens de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex. Het resultaat wordt afgerond tot op de euro.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° de index van de conventionele lonen van werknemers: de index vastgesteld door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van de gemiddelde lonen van volwassen werknemers in de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° de basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2024;
3° de nieuwe index: de index van het derde kwartaal (basis 2010 = 100) voor het jaar voorafgaand aan de indexering;
4° de initiële index: de index voor het derde kwartaal van 2023 (basis 2010 = 100).
Art.82. Krachtens artikel 65, § 2, eerste lid, 5°, artikel 51, 4° en artikel 53, 3°, wordt de bezoldiging geacht even gunstig te zijn als die welke in het Franse taalgebied wordt aangeboden aan werknemers die vergelijkbare functies uitoefenen, wanneer zij gelijk is aan of hoger is dan:
1° 65.053 euro in het geval van een ICT-kaderlid;
2° 52.042 euro in het geval van een ICT-deskundige;
3° 32.527 euro in het geval van een ICT-stagiair.
De in het eerste lid bedoelde bezoldigingsbedragen worden aangepast overeenkomstig artikel 81.
TITEL 7. - Gegevensverwerking
Art.83. De Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek] met een delegatie van bevoegdheden overeenkomstig het besluit van de Waalse regering van 23 mei 2019 met betrekking tot de delegatie van bevoegdheden aan de Service public de Wallonie [Overheidsdienst van Wallonië] komt tussen als enige verantwoordelijke voor de verwerking.
Op grond van titel 5 wisselt zij de nodige persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken.
Art.84. De Direction de l'Emploi et des Permis de travail du Département de l'Emploi et de la formation professionnelle du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche [Directie Tewerkstelling en Arbeidsvergunningen van het Departement Tewerkstelling en Beroepsopleiding van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek] bewaart de gegevens overeenkomstig artikel 25 van het samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021.
De bewaartermijn wordt verlengd in geval van gerechtelijke of administratieve procedures totdat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput.
Art.85. Krachtens het samenwerkingsakkoord tussen de federale, gewestelijke en gemeenschapsadministraties met het oog op het harmoniseren en op elkaar afstemmen van initiatieven om te komen tot een geïntegreerd e-government van 26 augustus 2013, worden de organisatie en coördinatie van de verschillende gegevensstromen toevertrouwd aan de service-integrator voor het Waal Gewest en de Federatie Wallonië-Brussel, de Banque carrefour d'Echanges de Données (BCED).
TITEL 8. - Intrekkende, overgangs- en slotbepalingen
Art.86. Het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en tot opheffing van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers wordt opgeheven.
Art.87. Afdeling 2 - van hoofdstuk VI van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.88. Tewerkstellingsvergunningen, arbeidskaarten en arbeidstoelatingen die worden afgeleverd krachtens de bepalingen die vóór 1 september 2024 van kracht waren, blijven geldig tot ze vervallen.
Op aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen, arbeidskaarten en arbeidstoelatingen die vóór 1 september 2024 zijn ingediend, blijven de bepalingen van toepassing die vóór die datum golden, tenzij die bepalingen voor de betrokkene minder gunstig zijn dan de bepalingen in dit besluit.
Onderdanen van derde landen die een vrijstelling van arbeidsvergunning genieten krachtens het Koninklijk Besluit van 9 juni 1999 of het Besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019 vóór 1 september 2024, blijven toegelaten om te werken tot hun verblijfsrecht vervalt.
Art.89. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2024, met uitzondering van artikel 12, § 1, vijfde lid, dat in werking treedt op een door de minister te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2027.
Art. 90. De minister is belast met de uitvoering van dit besluit.