Details





Titel:

1 SEPTEMBER 2023. - Ministerieel besluit van 1 september 2023 tot invoeging van bijlagen IV en V in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek



Inhoudstafel:


Art. 1-3
BIJLAGEN.
Art. N1-N2



Deze tekst heeft de volgende tekst(en) gewijzigd:

2007031309 



Uitvoeringsbesluit(en):



Artikels:

Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de uitvoeringsrichtlijn (EU) 2022/1647 van de Commissie van 23 september 2022 tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG wat betreft een afwijking voor biologische rassen van landbouwgewassen die geschikt zijn voor biologische teelt en de uitvoeringsrichtlijn (EU) 2022/1648 van de Commissie van 23 september 2022 tot wijziging van Richtlijn 2003/91/EG wat betreft een afwijking voor biologische rassen van groentegewassen die geschikt zijn voor biologische teelt.

Art.2. In het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, worden de bijlagen IV en V ingevoegd, die als bijlagen I en II bij dit besluit gaan.

Art.3. Dit besluit treedt in werking op 30 juni 2023.


BIJLAGEN.
Art. N1. Bijlage IV bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek
  DEEL A. - Lijst van de in artikel 1, paragraaf 4, bedoelde gewassen
  1° Landbouwgewassen
  Gerst
  Maïs
  Rogge
  Tarwe
  2° Groentegewassen
  Wortel
  Koolrabi
  DEEL B. - Specifieke bepalingen met betrekking tot tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
  1. Algemene regel
  Het volgende is van toepassing op biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt:
  1.1. wat betreft onderscheidbaarheid en bestendigheid moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven;
  1.2. wat betreft homogeniteit moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven, en is het volgende van toepassing voor de in punt 2 genoemde kenmerken:
  a) die kenmerken mogen minder streng worden beoordeeld;
  b) indien voor die kenmerken een afwijking van het desbetreffende technische protocol in punt 2 is voorzien, is het homogeniteitsniveau binnen het ras vergelijkbaar met het homogeniteitsniveau van vergelijkbare, algemeen bekende rassen in de Unie.
  2. Afwijking van technische protocollen
  2.1. Landbouwgewassen
  2.1.1. Gerst
  Voor de rassen van het gewas gerst (Hordeum vulgare L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-019/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
  CPVO nr. 5 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
  CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
  CPVO nr. 9 - kafnaalden: anthocyaankleuring van de toppen
  CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
  CPVO nr. 12 - graankorrel: anthocyaankleuring van de nerven van de lemma's
  CPVO nr. 16 - steriel aartje: stand
  CPVO nr. 17 - aar: vorm
  CPVO nr. 20 - kafnaald: lengte
  CPVO nr. 21 - aarspil: lengte van het eerste segment
  CPVO nr. 22 - aarspil: kromming van het eerste segment
  CPVO nr. 23 - middelste aartje: lengte van het kelkkafje en de kafnaald in verhouding tot de graankorrel
  CPVO nr. 25 - graankorrel: vertakking van de zijnerven aan de binnenkant van de dorsale zijde van de lemma's
  2.1.2. Maïs
  Voor de rassen van het gewas maïs (Zea mays L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-002/3 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
  CPVO nr. 1 - eerste blad: anthocyaankleuring van de bladschede
  CPVO nr. 2 - eerste blad: vorm van de top
  CPVO nr. 8 - pluim: anthocyaankleuring van het kelkkafje, met uitzondering van de basis
  CPVO nr. 9 - pluim: anthocyaankleuring van de helmknoppen
  CPVO nr. 10 - pluim: de hoek tussen de hoofdtak en de zijtakken
  CPVO nr. 11 - pluim: kromming van zijtakken
  CPVO nr. 15 - stengel: anthocyaankleuring van de steunwortels
  CPVO nr. 16 - pluim: dichtheid van de aartjes
  CPVO nr. 17 - blad: anthocyaankleuring van de bladschede
  CPVO nr. 18 - stengel: anthocyaankleuring van de stengelleden
  CPVO nr. 19 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de laagste zijtak
  CPVO nr. 20 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de hoogste zijtak
  CPVO nr. 21 - pluim: lengte van de zijtak
  2.1.3. Rogge
  Voor de rassen van het gewas rogge (Secale cereale L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/058/1 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
  CPVO nr. 3 - pluimschede (coleoptiel): anthocyaankleuring
  CPVO nr. 4 - pluimschede: lengte
  CPVO nr. 5 - eerste blad: lengte van de bladschede
  CPVO nr. 6 - eerste blad: lengte van de bladschijf
  CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
  CPVO nr. 10 - blad naast het vlagblad: lengte van de bladschijf
  CPVO nr. 11 - blad naast het vlagblad: breedte van de bladschijf
  CPVO nr. 12 - aar: mate van bedekking met een waas
  CPVO nr. 13 - stengel: beharing onder de aar
  2.1.4. Froment (blé)
  Voor de rassen van het gewas tarwe (Triticum aestivum L. subsp. aestivum) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/003/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
  CPVO nr. 3 - pluimschede: anthocyaankleuring
  CPVO nr. 6 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
  CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
  CPVO nr. 9 - vlagblad: mate waarin de bladspiegel met een waas is bedekt
  CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
  CPVO nr. 11 - halm: mate waarin de nek met een waas is bedekt
  CPVO nr. 20 - aar: vorm in zijaanzicht
  CPVO nr. 21 - bovenste segment aarspil: behaarde gebied op het convexe oppervlak
  CPVO nr. 22 - onderste kelkkafje: breedte van de schouder
  CPVO nr. 23 - onderste kelkkafje: vorm van de schouder
  CPVO nr. 24 - onderste kelkkafje: lengte van de punt
  CPVO nr. 25 - onderste kelkkafje: vorm van de punt
  CPVO nr. 26 - onderste kelkkafje: behaarde gebied op het binnenoppervlak
  2.2. Groentegewassen
  2.2.1. Wortel
  Voor de rassen van de soort "wortel" (Daucus carota L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/049/3 van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit:
  CPVO nr. 4 - Blad: vertakking
  CPVO nr. 5 - Blad: intensiteit van groene kleur
  CPVO nr. 19 - Wortels: diameter van kern in verhouding tot totale diameter
  CPVO nr. 20 - Wortels: kleur van kern
  CPVO nr. 21 - Met uitzondering van rassen met witte kern; Wortels: intensiteit van de kleur van de kern
  CPVO nr. 28 - Wortels: tijd van kleuring van de punt
  CPVO nr. 29 - Plant: hoogte van het primaire bloemscherm ten tijde van de bloei
  2.2.2. Koolrabi
  Voor de rassen van de soort "koolrabi" (Brassica oleracea L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/065/1 Rev. van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit van het desbetreffende technische protocol van het CPVO:
  CPVO nr. 2 - Kiemplant: intensiteit van de groene kleuring van de navelbladeren
  CPVO nr. 6 - Bladsteel: stand
  CPVO nr. 8 - Bladschijf: lengte
  CPVO nr. 9 - Bladschijf: breedte
  CPVO nr. 10 - Bladschijf: vorm van de punt
  CPVO nr. 11 - Bladschijf: vertakking tot aan de hoofdnerf (onderste deel van het blad)
  CPVO nr. 12 - Bladschijf: aantal inkepingen (bovenste deel van het blad)
  CPVO nr. 13 - Bladschijf: diepte van de inkepingen (bovenste deel van het blad)
  CPVO nr. 14 - Bladschijf: vorm in doorsnee
  CPVO nr. 19 - Koolrabi: aantal binnenbladeren
Art. N2. Bijlage V bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek
  DEEL A. - Lijst van de in artikel 2, tweede alinea, bedoelde gewassen
  Gerst
  Maïs
  Rogge
  Tarwe
  Voorwaarden waaraan moet worden voldaan - cultuur- en gebruikswaarde van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
  Het onderzoek naar cultuur- en gebruik wordt onder biologische omstandigheden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2018/848, en met name de algemene beginselen van artikel 5, punten d), e), f) en g), en de voorschriften voor de plantaardige productie uit hoofde van artikel 12.
  Bij het rassenonderzoek en bij de evaluatie van de onderzoeksresultaten wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften en doelstellingen van biologische landbouw. Er wordt onderzoek gedaan naar de weerstand tegen of de tolerantie voor ziekten en naar de aanpassing aan de verschillende plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden.
  Indien de bevoegde autoriteiten niet in staat zijn te voorzien in een onderzoek onder biologische omstandigheden of in het onderzoek van bepaalde kenmerken - waaronder de vatbaarheid voor ziekten - kunnen tests worden uitgevoerd overeenkomstig een van de volgende punten:
  a) onder toezicht van de bevoegde autoriteit bij bedrijven van biologische kwekers of biologische landbouwbedrijven;
  b) onder omstandigheden die weinig productiemiddelen en minimale behandelingen vergen;
  c) in een andere lidstaat, indien er bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten zijn gesloten om tests onder biologische omstandigheden te verrichten.
  Een ras bezit voldoende cultuur- of gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van de andere in de lijst van de betrokken lidstaat opgenomen voor biologische teelt geschikte biologische rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent, hetzij voor de teelt, hetzij voor de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Voor het onderzoek naar de cultuur- en gebruikswaarde worden superieure kenmerken voor de landbouwproductie - wat betreft landbouwpraktijken en de productie van levensmiddelen of diervoeders, die voordelen bieden voor biologische landbouw - als bijzonder waardevol beschouwd.
  4.De bevoegde autoriteit voorziet in verschillende onderzoeksomstandigheden die op de specifieke behoeften van de biologische landbouw zijn afgestemd, en onderzoekt afhankelijk van haar capaciteit, op verzoek van de aanvrager, specifieke eigenschappen en kenmerken, indien reproduceerbare methoden beschikbaar zijn.