Art. 6. Het agentschap kan aan organisaties een vergunning als bijstandsorganisatie toekennen als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de organisatie is een
[1 privaatrechtelijke vereniging of vennootschap met rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk]1;
2° de organisatie heeft statutaire doelstellingen om de bijstand aan budgethouders conform het decreet van 25 april 2014 te laten verlopen;
3° de organisatie bouwt een werking uit om uitvoering te geven aan de doelstellingen, vermeld in het decreet van 25 april 2014;
4° minstens twee derde van de leden van de raad van bestuur zijn budgethouders of wettelijke vertegenwoordigers van budgethouders;
5° de organisatie kan, uiterlijk na een opstartperiode van een jaar, de nodige ervaring en expertise voorleggen op het vlak van advisering, het geven van informatie, advies en bijstand aan personen met een handicap met betrekking tot zorg en ondersteuning;
6° de organisatie toont aan dat ze openstaat voor een ruime, diverse doelgroep van personen met een handicap;
7° de organisatie hangt niet af van organisaties die instaan voor de indicatiestelling of van organisaties die niet-rechtsreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aanbieden;
8° de organisatie voldoet aan de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, vastgestelde kwaliteitseisen;
9° de werking van de organisatie bestrijkt het volledige grondgebied van het Nederlands taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad.
[2 Om vergund te blijven moeten de bijstandsorganisaties beschikken over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat de gegevens bevat die opgenomen zijn in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers van de bijstandsorganisaties en van de budgethouders.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de kwaliteitseisen, vermeld in het eerste lid, 8°.
De zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 3, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, die de bijstandsorganisatie uitvoert, bevat minstens:
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
De zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de medewerkers en de budgethouders.
Bij de evaluatie, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
In het zevende lid wordt verstaan onder:
1° doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden;
2° doelmatigheid: de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen.
In het achtste lid, 2°, wordt verstaan onder middelen: personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Bij elk van de evaluaties, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, worden de vijf elementen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, doorlopen, telkens gedurende maximaal vijf jaar.
De bijstandsorganisaties moeten aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid, voldoen na afloop van een periode van twee jaar te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de vergunning.
In afwijking van het elfde lid moeten de bijstandsorganisaties die op 1 januari 2018 zijn vergund door het agentschap met ingang van 1 juli 2020 voldoen aan de voorwaarde, vermeld in derde lid.]2 Er worden maximaal vijf bijstandsorganisaties vergund. De vergunning, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor onbepaalde duur.