Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004;
2° bijstandsorganisatie: een organisatie die budgethouders bijstaat bij de besteding van het cashbudget, de aanwending van de voucher en de organisatie van de zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 14 van het decreet van 25 april 2014;
3° budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: het budget, vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014;
4° budgethouders: de personen met een handicap die gebruik maken van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of hun wettelijke vertegenwoordigers, met uitzondering van minderjarigen die door de jeugdrechtbank overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 11 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, naar niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning zijn toegeleid, en van minderjarigen bij wie voor zorg en ondersteuning een gemandateerde voorziening als vermeld in artikel 2, § 1, 17°, van het voormelde decreet, is betrokken;
5° decreet van 7 mei 2004: het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
6° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
7° handicap: een handicap, als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;
8° leden: de leden van een bijstandsorganisatie die budgethouder zijn;
9° zorginspectie: [1 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]1.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
11 DECEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-01-2016 en tekstbijwerking tot 27-12-2024)
Titre
11 DECEMBRE 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisé(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-01-2016 et mise à jour au 27-12-2024)
Documentinformatie
Numac: 2016035015
Datum: 2015-12-11
Info du document
Numac: 2016035015
Date: 2015-12-11
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Besluit 2012/21/EU
HOOFDSTUK 3. - Vergunningsvoorwaarden en vergun...
HOOFDSTUK 4. - Opdrachten en taken van de bijst...
HOOFDSTUK 5. - Procedure om een vergunning aan ...
HOOFDSTUK 6. - Subsidiëring van de bijstandsorg...
HOOFDSTUK 7. - Toezicht
HOOFDSTUK 8. - Sancties
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Décision 2012/21/UE
CHAPITRE 3. - Conditions d'autorisation et pres...
CHAPITRE 4. - Missions et tâches des organisati...
CHAPITRE 5. - Procédure de demande d'autorisation
CHAPITRE 6. - Subventionnement des organisation...
CHAPITRE 7. - Contrôle
CHAPITRE 8. - Sanctions
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (35)
Texte (35)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", créée par le décret du 7 mai 2004 ;
2° organisation d'assistance : une organisation qui assiste les bénéficiaires d'enveloppe dans l'utilisation de l'enveloppe de liquidités, l'affectation du voucher et l'organisation des soins et de l'aide, visés à l'article 14 du décret du 25 avril 2014 ;
3° budget de soins et d'aide indirectement accessibles : le budget, visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 ;
4° bénéficiaires d'enveloppe : les personnes handicapées utilisant un budget de soins et d'aide indirectement accessibles ou leurs représentants légaux, à l'exception des mineurs que le tribunal de la jeunesse a orientés vers les soins et le soutien indirectement accessibles conformément aux dispositions du chapitre 11 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, et des mineurs liés pour leurs soins et aide à une structure mandatée, telle que visée à l'article 2, § 1er, 17° de l'arrêté précité ;
5° décret du 7 mai 2004 : le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
6° décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 portant financement personnalisé pour personnes handicapées et réforme du mode de financement des soins et du soutien aux personnes handicapées ;
7° handicap : un handicap, tel que visé à l'article 2, 2° du décret du 7 mai 2004 ;
8° membres : les membres de l'organisation d'assistance qui sont bénéficiaires d'enveloppe ;
9° Inspection des Soins : [1 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]1.
1° agence : la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", créée par le décret du 7 mai 2004 ;
2° organisation d'assistance : une organisation qui assiste les bénéficiaires d'enveloppe dans l'utilisation de l'enveloppe de liquidités, l'affectation du voucher et l'organisation des soins et de l'aide, visés à l'article 14 du décret du 25 avril 2014 ;
3° budget de soins et d'aide indirectement accessibles : le budget, visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 ;
4° bénéficiaires d'enveloppe : les personnes handicapées utilisant un budget de soins et d'aide indirectement accessibles ou leurs représentants légaux, à l'exception des mineurs que le tribunal de la jeunesse a orientés vers les soins et le soutien indirectement accessibles conformément aux dispositions du chapitre 11 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, et des mineurs liés pour leurs soins et aide à une structure mandatée, telle que visée à l'article 2, § 1er, 17° de l'arrêté précité ;
5° décret du 7 mai 2004 : le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
6° décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 portant financement personnalisé pour personnes handicapées et réforme du mode de financement des soins et du soutien aux personnes handicapées ;
7° handicap : un handicap, tel que visé à l'article 2, 2° du décret du 7 mai 2004 ;
8° membres : les membres de l'organisation d'assistance qui sont bénéficiaires d'enveloppe ;
9° Inspection des Soins : [1 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Besluit 2012/21/EU
CHAPITRE 2. - Décision 2012/21/UE
Art.2. Het agentschap kan aan bijstandsorganisaties subsidies toekennen voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit.
De subsidies worden toegekend met inachtname van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Vedrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
De subsidies worden toegekend met inachtname van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Vedrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Art.2. L'agence peut octroyer aux organisations d'assistance des subventions pour la prestation des services spécifiques, visés au présent arrêté.
Les subventions sont accordées en tenant compte de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe deux, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
Les subventions sont accordées en tenant compte de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe deux, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
Art.3. Zolang de bijstandsorganisatie voldoet aan de voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, geldt de subsidie voor een duur van tien jaar vanaf de eerste toekenning van de basissubsidie, vermeld in artikel 16.
Het agentschap en zorginspectie voeren op regelmatige basis, uiterlijk om de drie jaar, controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit.
Het agentschap en zorginspectie voeren op regelmatige basis, uiterlijk om de drie jaar, controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit.
Art.3. Tant que l'organisation d'assistance satisfait aux conditions pour la prestation de services spécifiques tels que visés dans le présent arrêté, la subvention vaut pour une durée de dix ans à compter du premier octroi de la subvention de base, visée à l'article 16.
L'agence et l'Inspection des Soins effectuent sur une base régulière, au plus tard tous les trois ans, des contrôles qui sont axés sur le respect des dispositions du présent arrêté.
L'agence et l'Inspection des Soins effectuent sur une base régulière, au plus tard tous les trois ans, des contrôles qui sont axés sur le respect des dispositions du présent arrêté.
Art.4. De bijstandsorganisatie maakt jaarlijks een begroting op met een overzicht van de voorzienbare inkomsten en de geraamde uitgaven voor het verlenen van de dienstverlening, vermeld in dit besluit.
De bijstandsorganisatie hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de dienstverlening, vermeld in dit besluit, voor de toerekening van kosten en inkomsten, transparant afzondert.
De bijstandsorganisatie hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de dienstverlening, vermeld in dit besluit, voor de toerekening van kosten en inkomsten, transparant afzondert.
Art.4. L'organisation d'assistance établit annuellement un budget reprenant un aperçu des recettes prévisibles et des dépenses estimées pour la prestation des services spécifiques, visés dans le présent arrêté.
L'organisation d'assistance utilise une comptabilité qui sépare de façon transparente les revenus et dépenses relatifs aux services, visés au présent arrêté, pour l'imputation des coûts et revenus.
L'organisation d'assistance utilise une comptabilité qui sépare de façon transparente les revenus et dépenses relatifs aux services, visés au présent arrêté, pour l'imputation des coûts et revenus.
Art.5. Een bijstandsorganisatie kan reserves aanleggen conform [1 artikel 72, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019]1, en die besteden conform artikel 7 en 8 [1 van het besluit van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring]1.
Art.5. Une organisation d'assistance peut créer des réserves conformément à [1 l'article 72, § 1er, de l'Arrêté relatif au Code flamand des Finances publiques du 17 mai 2019]1, et l'utiliser conformément aux articles 7 et 8 [1 de l'arrêté du 8 novembre 2013 relatif aux règles générales en matière de subventionnement]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Vergunningsvoorwaarden en vergunningsvoorschriften
CHAPITRE 3. - Conditions d'autorisation et prescriptions relatives à l'autorisation
Art.6. Het agentschap kan aan organisaties een vergunning als bijstandsorganisatie toekennen als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de organisatie is een [1 privaatrechtelijke vereniging of vennootschap met rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk]1;
2° de organisatie heeft statutaire doelstellingen om de bijstand aan budgethouders conform het decreet van 25 april 2014 te laten verlopen;
3° de organisatie bouwt een werking uit om uitvoering te geven aan de doelstellingen, vermeld in het decreet van 25 april 2014;
4° minstens twee derde van de leden van de raad van bestuur zijn budgethouders of wettelijke vertegenwoordigers van budgethouders;
5° de organisatie kan, uiterlijk na een opstartperiode van een jaar, de nodige ervaring en expertise voorleggen op het vlak van advisering, het geven van informatie, advies en bijstand aan personen met een handicap met betrekking tot zorg en ondersteuning;
6° de organisatie toont aan dat ze openstaat voor een ruime, diverse doelgroep van personen met een handicap;
7° de organisatie hangt niet af van organisaties die instaan voor de indicatiestelling of van organisaties die niet-rechtsreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aanbieden;
8° de organisatie voldoet aan de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, vastgestelde kwaliteitseisen;
9° de werking van de organisatie bestrijkt het volledige grondgebied van het Nederlands taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad.
[2 Om vergund te blijven moeten de bijstandsorganisaties beschikken over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat de gegevens bevat die opgenomen zijn in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers van de bijstandsorganisaties en van de budgethouders.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de kwaliteitseisen, vermeld in het eerste lid, 8°.
De zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 3, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, die de bijstandsorganisatie uitvoert, bevat minstens:
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
De zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de medewerkers en de budgethouders.
Bij de evaluatie, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
In het zevende lid wordt verstaan onder:
1° doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden;
2° doelmatigheid: de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen.
In het achtste lid, 2°, wordt verstaan onder middelen: personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Bij elk van de evaluaties, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, worden de vijf elementen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, doorlopen, telkens gedurende maximaal vijf jaar.
De bijstandsorganisaties moeten aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid, voldoen na afloop van een periode van twee jaar te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de vergunning.
In afwijking van het elfde lid moeten de bijstandsorganisaties die op 1 januari 2018 zijn vergund door het agentschap met ingang van 1 juli 2020 voldoen aan de voorwaarde, vermeld in derde lid.]2
Er worden maximaal vijf bijstandsorganisaties vergund. De vergunning, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor onbepaalde duur.
1° de organisatie is een [1 privaatrechtelijke vereniging of vennootschap met rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk]1;
2° de organisatie heeft statutaire doelstellingen om de bijstand aan budgethouders conform het decreet van 25 april 2014 te laten verlopen;
3° de organisatie bouwt een werking uit om uitvoering te geven aan de doelstellingen, vermeld in het decreet van 25 april 2014;
4° minstens twee derde van de leden van de raad van bestuur zijn budgethouders of wettelijke vertegenwoordigers van budgethouders;
5° de organisatie kan, uiterlijk na een opstartperiode van een jaar, de nodige ervaring en expertise voorleggen op het vlak van advisering, het geven van informatie, advies en bijstand aan personen met een handicap met betrekking tot zorg en ondersteuning;
6° de organisatie toont aan dat ze openstaat voor een ruime, diverse doelgroep van personen met een handicap;
7° de organisatie hangt niet af van organisaties die instaan voor de indicatiestelling of van organisaties die niet-rechtsreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aanbieden;
8° de organisatie voldoet aan de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, vastgestelde kwaliteitseisen;
9° de werking van de organisatie bestrijkt het volledige grondgebied van het Nederlands taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad.
[2 Om vergund te blijven moeten de bijstandsorganisaties beschikken over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat de gegevens bevat die opgenomen zijn in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers van de bijstandsorganisaties en van de budgethouders.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de kwaliteitseisen, vermeld in het eerste lid, 8°.
De zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 3, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, die de bijstandsorganisatie uitvoert, bevat minstens:
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
De zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de medewerkers en de budgethouders.
Bij de evaluatie, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
In het zevende lid wordt verstaan onder:
1° doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden;
2° doelmatigheid: de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen.
In het achtste lid, 2°, wordt verstaan onder middelen: personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Bij elk van de evaluaties, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, worden de vijf elementen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, doorlopen, telkens gedurende maximaal vijf jaar.
De bijstandsorganisaties moeten aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid, voldoen na afloop van een periode van twee jaar te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de vergunning.
In afwijking van het elfde lid moeten de bijstandsorganisaties die op 1 januari 2018 zijn vergund door het agentschap met ingang van 1 juli 2020 voldoen aan de voorwaarde, vermeld in derde lid.]2
Er worden maximaal vijf bijstandsorganisaties vergund. De vergunning, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor onbepaalde duur.
Art.6. L'agence peut octroyer une autorisation comme organisation d'assistance, aux organisations qui réunissent les conditions suivantes :
1° l'organisation est une [1 association ou société de droit privé sans but lucratif, dotée de la personnalité juridique]1 ;
2° l'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe conformément au décret du 25 avril 2014 est inscrite dans les statuts de l'organisation ;
3° l'organisation développe un fonctionnement visant à mettre en oeuvre les objectifs mentionnés dans le décret du 25 avril 2014 ;
4° au moins deux tiers des membres du conseil d'administration sont des bénéficiaires d'enveloppe ou leurs représentants légaux ;
5° au plus tard après une période de démarrage d'un an, l'organisation dispose de l'expérience et de l'expertise nécessaires en matière de soins et d'aide aux personnes handicapées sous forme de conseils, d'informations et d'assistance ;
6° l'organisation démontre qu'elle est ouverte à un groupe-cible large et divers de personnes handicapées ;
7° l'organisation ne dépend pas d'organisations chargées d'évaluer des besoins ou d'organisations offrant des soins et de l'aide indirectement accessibles ;
8° l'organisation répond aux exigences de qualité fixées par le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes ;
9° le fonctionnement de l'organisation couvre la totalité du territoire de la région de langue néerlandaise et la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
[2 Pour continuer de bénéficier d'un agrément, les organismes d'assistance doivent disposer d'un manuel de qualité visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'assistance sociale, qui contient les informations figurant à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Le manuel de qualité est à jour, forme un tout cohérent et s'inscrit dans la pratique. Il est en permanence à la disposition du personnel des organismes d'aide sociale et des bénéficiaires d'enveloppe.
Le manuel de qualité garantit les exigences de qualité et n'est pas en contradiction avec celles-ci visées à l'alinéa premier, 8°.
L'auto-évaluation, visée à l'article 5, § 3, du décret précité du 17 octobre 2003, effectuée par l'organisme d'assistance, comprend au minimum :
1° une évaluation des processus centrés sur l'utilisateur ;
2° une évaluation des processus organisationnels et des moyens mis en oeuvre.
L'auto-évaluation a lieu en consultation avec les employés et les bénéficiaires d'enveloppe.
Au cours de l'évaluation visée à l'alinéa cinq, 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et à l'efficience des processus.
A l'alinéa 7, il y a lieu d'entendre par :
1° efficacité : la mesure dans laquelle les objectifs sont atteints ;
2° efficience : la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens.
A l'alinéa huit, 2°, il y a lieu d'entendre par moyens : personnel, finances, bâtiments et installations, équipements, techniques et méthodes.
Pour chacune des évaluations visées à l'alinéa cinq, 1° et 2°, les cinq éléments visés à l'article 5, § 3, alinéa deux, 1° à 5°, du décret précité du 17 octobre 2003, se poursuivent, chaque fois pour une période maximale de cinq ans.
Les organismes d'assistance doivent remplir les conditions visées aux alinéas deux à dix après une période de deux ans à compter de la date de début de l'agrément.
Par dérogation à l'alinéa onze, à compter du 1er juillet 2020, les organismes d'assistance agréés par l'agence au 1er janvier 2018 doivent remplir la condition visée à l'alinéa trois.]2
Un maximum de cinq organisations d'assistance sont autorisées. L'autorisation, visée à l'alinéa 1er, est octroyée pour une durée indéterminée.
1° l'organisation est une [1 association ou société de droit privé sans but lucratif, dotée de la personnalité juridique]1 ;
2° l'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe conformément au décret du 25 avril 2014 est inscrite dans les statuts de l'organisation ;
3° l'organisation développe un fonctionnement visant à mettre en oeuvre les objectifs mentionnés dans le décret du 25 avril 2014 ;
4° au moins deux tiers des membres du conseil d'administration sont des bénéficiaires d'enveloppe ou leurs représentants légaux ;
5° au plus tard après une période de démarrage d'un an, l'organisation dispose de l'expérience et de l'expertise nécessaires en matière de soins et d'aide aux personnes handicapées sous forme de conseils, d'informations et d'assistance ;
6° l'organisation démontre qu'elle est ouverte à un groupe-cible large et divers de personnes handicapées ;
7° l'organisation ne dépend pas d'organisations chargées d'évaluer des besoins ou d'organisations offrant des soins et de l'aide indirectement accessibles ;
8° l'organisation répond aux exigences de qualité fixées par le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes ;
9° le fonctionnement de l'organisation couvre la totalité du territoire de la région de langue néerlandaise et la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
[2 Pour continuer de bénéficier d'un agrément, les organismes d'assistance doivent disposer d'un manuel de qualité visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'assistance sociale, qui contient les informations figurant à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Le manuel de qualité est à jour, forme un tout cohérent et s'inscrit dans la pratique. Il est en permanence à la disposition du personnel des organismes d'aide sociale et des bénéficiaires d'enveloppe.
Le manuel de qualité garantit les exigences de qualité et n'est pas en contradiction avec celles-ci visées à l'alinéa premier, 8°.
L'auto-évaluation, visée à l'article 5, § 3, du décret précité du 17 octobre 2003, effectuée par l'organisme d'assistance, comprend au minimum :
1° une évaluation des processus centrés sur l'utilisateur ;
2° une évaluation des processus organisationnels et des moyens mis en oeuvre.
L'auto-évaluation a lieu en consultation avec les employés et les bénéficiaires d'enveloppe.
Au cours de l'évaluation visée à l'alinéa cinq, 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et à l'efficience des processus.
A l'alinéa 7, il y a lieu d'entendre par :
1° efficacité : la mesure dans laquelle les objectifs sont atteints ;
2° efficience : la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens.
A l'alinéa huit, 2°, il y a lieu d'entendre par moyens : personnel, finances, bâtiments et installations, équipements, techniques et méthodes.
Pour chacune des évaluations visées à l'alinéa cinq, 1° et 2°, les cinq éléments visés à l'article 5, § 3, alinéa deux, 1° à 5°, du décret précité du 17 octobre 2003, se poursuivent, chaque fois pour une période maximale de cinq ans.
Les organismes d'assistance doivent remplir les conditions visées aux alinéas deux à dix après une période de deux ans à compter de la date de début de l'agrément.
Par dérogation à l'alinéa onze, à compter du 1er juillet 2020, les organismes d'assistance agréés par l'agence au 1er janvier 2018 doivent remplir la condition visée à l'alinéa trois.]2
Un maximum de cinq organisations d'assistance sont autorisées. L'autorisation, visée à l'alinéa 1er, est octroyée pour une durée indéterminée.
Art.7. De bijstandsorganisaties hebben minstens vijfhonderd aangesloten leden. De bijstandsorganisaties voldoen aan die verplichting binnen een periode van vijf jaar na de datum waarop de vergunning verleend is.
Art.7. Une organisation d'assistance compte au moins cinq cents affiliés. Les organisations d'assistance répondent à cette obligation dans les cinq ans de l'octroi de l'autorisation.
Art.8. De bijstandsorganisaties hebben een goede kennis van alle actoren die betrokken zijn bij de organisatie en het aanbieden van zorg en ondersteuning, zowel handicapspecifiek als regulier. De bijstandsorganisaties stellen de behoeften, wensen en de situatie van de budgethouders centraal bij het vervullen van hun opdrachten en taken en vertrekken daarbij vanuit de basisprincipes van zelfsturing, emancipatie en het krachtiger maken van de budgethouders. De bijstandsorganisaties hebben er, in samenwerking met het agentschap, oog voor of de toegekende budgetten voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ook werkelijk ten goede komen van de bestaanskwaliteit van de budgethouders en hun gezin.
De bijstandsorganisaties richten zich tot alle budgethouders, ongeacht de aard van hun handicap en ongeacht of de budgethouders hun budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning inzetten als cashbudget of als voucher.
De bijstandsorganisaties richten zich tot alle budgethouders, ongeacht de aard van hun handicap en ongeacht of de budgethouders hun budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning inzetten als cashbudget of als voucher.
Art.8. Les organismes possèdent une bonne connaissance de tous les acteurs organisant et offrant des soins et de l'aide, tant spécifiques au handicap que réguliers. Dans l'exécution de leurs missions et tâches, les organisations d'assistance se focalisent sur les besoins, les souhaits et la situation des bénéficiaires d'enveloppe. Ils se basent sur les principes d'autonomie, d'émancipation et de renforcement de ces derniers. Les organisations d'assistance veillent, en collaboration avec l'agence, à ce que les enveloppes accordées pour les soins et l'aide indirectement accessibles profitent réellement à la qualité de vie des bénéficiaires d'enveloppe et de leurs familles.
Les organisations d'assistance s'adressent à tous les bénéficiaires d'enveloppe, quelle que soit la nature de leur handicap et indépendamment de l'utilisation de leur enveloppe de soins et d'aide indirectement accessibles comme enveloppe de liquidités ou comme voucher.
Les organisations d'assistance s'adressent à tous les bénéficiaires d'enveloppe, quelle que soit la nature de leur handicap et indépendamment de l'utilisation de leur enveloppe de soins et d'aide indirectement accessibles comme enveloppe de liquidités ou comme voucher.
HOOFDSTUK 4. - Opdrachten en taken van de bijstandsorganisaties
CHAPITRE 4. - Missions et tâches des organisations d'assistance
Art.9. De bijstandsorganisaties hebben een collectieve opdracht, zowel voor de budgethouders als ten aanzien van het agentschap. De bijstandsorganisaties bieden laagdrempelige en meer hoogdrempelige individuele bijstand aan aan budgethouders.
Art.9. Les organisations d'assistance ont une mission collective, tant pour les bénéficiaires d'enveloppe qu'à l'égard de l'agence. Les organisations d'assistance offrent de l'assistance individuelle très accessible ou moins accessible aux bénéficiaires d'enveloppe.
Art.10. § 1. De collectieve opdracht van de bijstandsorganisaties voor de budgethouders bestaat uit de volgende taken:
1° communicatiekanalen ontwikkelen zodat budgethouders op een eenvoudige wijze informatie kunnen ontvangen over de opstart, de bestedingsmogelijkheden, de bestedingsvoorwaarden en de verantwoordingsregels van het persoonsvolgend budget, alsook over het bestaande zorgaanbod;
2° hulpmiddelen ontwikkelen die het beheer van het persoonsvolgend budget vereenvoudigen, zoals modelbrieven en modelcontracten;
3° initiatieven nemen die er toe bijdragen dat de ter beschikking gestelde persoonsvolgende budgetten ook werkelijk de bestaanskwaliteit van de persoon met een handicap en zijn gezin verhogen;
4° kennis opbouwen over de besteding en verantwoording van persoonsvolgende budgetten, zowel in de vorm van cash, voucher als de combinatie van beide;
5° kennis en expertise ontwikkelen over het intersectorale aanbod en een intersectorale samenwerking uitbouwen.
§ 2. De collectieve opdracht van de bijstandsorganisaties voor het agentschap bestaat uit de volgende taken:
1° feedback geven over de ontwikkeling van de markt van zorgaanbieders en voorstellen doen om het systeem van de persoonsvolgende financiering te optimaliseren;
2° meewerken aan een systeem waarbij oneigenlijk gebruik van persoonsvolgende budgetten snel gesignaleerd kan worden;
3° situaties melden waarin er sprake is van misbruik of fraude met een persoonsvolgend budget;
4° kennis en expertise delen met het agentschap over het beschikbare aanbod van zorg en ondersteuning en de kostprijs ervan.
§ 3. De bijstandsorganisaties richten zich bij de uitvoering van de taken, vermeld in paragraaf 1, tot alle budgethouders en vragen geen bijdrage om de taken, vermeld in paragraaf 1 en 2, uit te voeren.
Het agentschap kan de taken, vermeld in paragraaf 1 en 2, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
1° communicatiekanalen ontwikkelen zodat budgethouders op een eenvoudige wijze informatie kunnen ontvangen over de opstart, de bestedingsmogelijkheden, de bestedingsvoorwaarden en de verantwoordingsregels van het persoonsvolgend budget, alsook over het bestaande zorgaanbod;
2° hulpmiddelen ontwikkelen die het beheer van het persoonsvolgend budget vereenvoudigen, zoals modelbrieven en modelcontracten;
3° initiatieven nemen die er toe bijdragen dat de ter beschikking gestelde persoonsvolgende budgetten ook werkelijk de bestaanskwaliteit van de persoon met een handicap en zijn gezin verhogen;
4° kennis opbouwen over de besteding en verantwoording van persoonsvolgende budgetten, zowel in de vorm van cash, voucher als de combinatie van beide;
5° kennis en expertise ontwikkelen over het intersectorale aanbod en een intersectorale samenwerking uitbouwen.
§ 2. De collectieve opdracht van de bijstandsorganisaties voor het agentschap bestaat uit de volgende taken:
1° feedback geven over de ontwikkeling van de markt van zorgaanbieders en voorstellen doen om het systeem van de persoonsvolgende financiering te optimaliseren;
2° meewerken aan een systeem waarbij oneigenlijk gebruik van persoonsvolgende budgetten snel gesignaleerd kan worden;
3° situaties melden waarin er sprake is van misbruik of fraude met een persoonsvolgend budget;
4° kennis en expertise delen met het agentschap over het beschikbare aanbod van zorg en ondersteuning en de kostprijs ervan.
§ 3. De bijstandsorganisaties richten zich bij de uitvoering van de taken, vermeld in paragraaf 1, tot alle budgethouders en vragen geen bijdrage om de taken, vermeld in paragraaf 1 en 2, uit te voeren.
Het agentschap kan de taken, vermeld in paragraaf 1 en 2, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
Art.10. § 1er. La mission collective des organisations d'assistance à l'égard des bénéficiaires d'enveloppe comprend les tâches suivantes :
1° développer des canaux de communication afin d'optimiser l'accès des bénéficiaires d'enveloppe aux informations concernant le démarrage, les possibilités et conditions d'utilisation et les règles de justification du budget personnalisé, et concernant l'offre de soins existante ;
2° développer des outils simplifiant la gestion du budget personnalisé, tels que des lettres ou contrats types ;
3° prendre des initiatives pour faire en sorte que les budgets personnalisés mis à disposition améliorent effectivement la qualité de vie des personnes handicapées et de leur famille ;
4° développer des connaissances sur l'utilisation et la justification des budgets personnalisés, tant sous forme de liquidités que de voucher ou des deux ;
5° développer des connaissances et de l'expertise concernant l'offre intersectorielle ainsi qu'une coopération intersectorielle.
§ 2. La mission collective des organisations d'assistance à l'égard de l'agence comprend les tâches suivantes :
1° commenter sur l'évolution du marché des prestataires de soins de santé et formuler des propositions pour optimiser le système du financement personnalisé ;
2° contribuer à l'élaboration d'un système permettant de signaler rapidement une utilisation abusive des budgets personnalisés ;
3° notifier des cas d'abus ou de fraude concernant les budgets personnalisés ;
4° échanger avec l'agence les connaissances et l'expertise sur l'offre disponible en soins et en aide ainsi que sur leur coût.
§ 3. Dans l'exécution des tâches définies au § 1er les organisations d'assistance s'adressent à tous les bénéficiaires d'enveloppe. Ils ne demandent aucune contribution pour l'accomplissement des tâches, visées aux §§ 1er et 2.
L'agence peut fixer les tâches définies aux §§ 1er et 2 dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
1° développer des canaux de communication afin d'optimiser l'accès des bénéficiaires d'enveloppe aux informations concernant le démarrage, les possibilités et conditions d'utilisation et les règles de justification du budget personnalisé, et concernant l'offre de soins existante ;
2° développer des outils simplifiant la gestion du budget personnalisé, tels que des lettres ou contrats types ;
3° prendre des initiatives pour faire en sorte que les budgets personnalisés mis à disposition améliorent effectivement la qualité de vie des personnes handicapées et de leur famille ;
4° développer des connaissances sur l'utilisation et la justification des budgets personnalisés, tant sous forme de liquidités que de voucher ou des deux ;
5° développer des connaissances et de l'expertise concernant l'offre intersectorielle ainsi qu'une coopération intersectorielle.
§ 2. La mission collective des organisations d'assistance à l'égard de l'agence comprend les tâches suivantes :
1° commenter sur l'évolution du marché des prestataires de soins de santé et formuler des propositions pour optimiser le système du financement personnalisé ;
2° contribuer à l'élaboration d'un système permettant de signaler rapidement une utilisation abusive des budgets personnalisés ;
3° notifier des cas d'abus ou de fraude concernant les budgets personnalisés ;
4° échanger avec l'agence les connaissances et l'expertise sur l'offre disponible en soins et en aide ainsi que sur leur coût.
§ 3. Dans l'exécution des tâches définies au § 1er les organisations d'assistance s'adressent à tous les bénéficiaires d'enveloppe. Ils ne demandent aucune contribution pour l'accomplissement des tâches, visées aux §§ 1er et 2.
L'agence peut fixer les tâches définies aux §§ 1er et 2 dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
Art.11. De laagdrempelige individuele bijstand aan budgethouders bestaat minstens uit:
1° individueel advies verlenen vanop afstand over de opstart, de bestedingsmogelijkheden, de bestedingsvoorwaarden en de verantwoordingsregels van het persoonsvolgend budget, alsook over het bestaande zorgaanbod;
2° individueel advies verlenen over alle aspecten van het budgethouderschap, inclusief mogelijke beschermingsmaatregelen voor de persoon met een handicap;
3° een bemiddelende rol opnemen bij kortdurende geschillen op verzoek van de budgethouder;
4° vorming organiseren voor budgethouders om hen te versterken in verschillende aspecten van het budgethouderschap en werkgeverschap, inclusief het financieel-administratieve beheer, wensen en behoeften expliciteren, communiceren met aanbieders van zorg en ondersteuning en leiding en sturing geven aan assistenten.
Het agentschap kan de taken, vermeld in het eerste lid, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
[1 De bijstandsorganisaties mogen het aanbod, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, beperken tot leden voor wie ze conform artikel 16 subsidies ontvangen van het agentschap. Het aanbod, vermeld in het eerste lid, 4°, mag beperkt worden tot leden. De bijstandsorganisaties vragen geen bijkomende bijdrage van de budgethouders om het aanbod, vermeld in het eerste lid, te leveren]1.
1° individueel advies verlenen vanop afstand over de opstart, de bestedingsmogelijkheden, de bestedingsvoorwaarden en de verantwoordingsregels van het persoonsvolgend budget, alsook over het bestaande zorgaanbod;
2° individueel advies verlenen over alle aspecten van het budgethouderschap, inclusief mogelijke beschermingsmaatregelen voor de persoon met een handicap;
3° een bemiddelende rol opnemen bij kortdurende geschillen op verzoek van de budgethouder;
4° vorming organiseren voor budgethouders om hen te versterken in verschillende aspecten van het budgethouderschap en werkgeverschap, inclusief het financieel-administratieve beheer, wensen en behoeften expliciteren, communiceren met aanbieders van zorg en ondersteuning en leiding en sturing geven aan assistenten.
Het agentschap kan de taken, vermeld in het eerste lid, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
[1 De bijstandsorganisaties mogen het aanbod, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, beperken tot leden voor wie ze conform artikel 16 subsidies ontvangen van het agentschap. Het aanbod, vermeld in het eerste lid, 4°, mag beperkt worden tot leden. De bijstandsorganisaties vragen geen bijkomende bijdrage van de budgethouders om het aanbod, vermeld in het eerste lid, te leveren]1.
Art.11. L'assistance individuelle très accessible aux bénéficiaires d'enveloppe comprend au moins :
1° fournir des conseils individuels à distance concernant le démarrage, les possibilités et conditions d'utilisation et les règles de justification du budget personnalisé, et concernant l'offre de soins existante ;
2° fournir des conseils individuels sur tous les aspects de la qualité de bénéficiaire d'enveloppe, y compris les éventuelles mesures de protection des personnes handicapées ;
3° jouer un rôle médiateur dans les litiges de courte durée sur demande du bénéficiaire d'enveloppe ;
4° organiser des formations pour bénéficiaires d'enveloppe visant à les renforcer à plusieurs égards dans leur rôle de bénéficiaire d'enveloppe et d'employeur, y compris la gestion financière et administrative, expliciter des souhaits et besoins, communiquer avec les prestataires de soins et d'aide et diriger et orienter les assistants.
L'agence peut fixer les tâches définies à l'alinéa 1er dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
[1 Les organisations d'assistance peuvent limiter l'offre, visée à l'alinéa 1er, 1° à 3°, aux membres pour lesquels elles reçoivent des subventions de l'agence conformément à l'article 16. L'offre visée à l'alinéa 1er, 4°, peut être limitée aux membres. Les organisations d'assistance ne demandent aucune contribution supplémentaire des bénéficiaires d'enveloppe pour fournir l'offre visée à l'alinéa 1er]1.
1° fournir des conseils individuels à distance concernant le démarrage, les possibilités et conditions d'utilisation et les règles de justification du budget personnalisé, et concernant l'offre de soins existante ;
2° fournir des conseils individuels sur tous les aspects de la qualité de bénéficiaire d'enveloppe, y compris les éventuelles mesures de protection des personnes handicapées ;
3° jouer un rôle médiateur dans les litiges de courte durée sur demande du bénéficiaire d'enveloppe ;
4° organiser des formations pour bénéficiaires d'enveloppe visant à les renforcer à plusieurs égards dans leur rôle de bénéficiaire d'enveloppe et d'employeur, y compris la gestion financière et administrative, expliciter des souhaits et besoins, communiquer avec les prestataires de soins et d'aide et diriger et orienter les assistants.
L'agence peut fixer les tâches définies à l'alinéa 1er dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
[1 Les organisations d'assistance peuvent limiter l'offre, visée à l'alinéa 1er, 1° à 3°, aux membres pour lesquels elles reçoivent des subventions de l'agence conformément à l'article 16. L'offre visée à l'alinéa 1er, 4°, peut être limitée aux membres. Les organisations d'assistance ne demandent aucune contribution supplémentaire des bénéficiaires d'enveloppe pour fournir l'offre visée à l'alinéa 1er]1.
Wijzigingen
Art.12. De meer hoogdrempelige individuele bijstand aan budgethouders bestaat uit:
1° [1 collectieve bemiddeling als vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap, actief bijwonen]1;
2° het ondersteuningsplan vertalen in feitelijke zorg en ondersteuning;
3° concrete uitvoerings- en bijbehorende budgetplannen helpen opstellen;
4° mogelijke aanbieders van zorg en ondersteuning en assistenten zoeken, selecteren en met hen onderhandelen;
5° bijstand verlenen bij het sluiten van contracten;
6° bijstand verlenen bij het beheer van het persoonsvolgend budget;
7° bijstand verlenen bij het voldoen aan de verantwoordingsplicht voor de besteding van het persoonsvolgend budget ten aanzien van het agentschap;
8° een bemiddelende rol opnemen bij langlopende geschillen op verzoek van de budgethouder.
Het agentschap kan de taken, vermeld in het eerste lid, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
De bijstandsorganisaties mogen voor de uitvoering van de taken, vermeld in het eerste lid, een bijdrage vragen aan de budgethouders.
1° [1 collectieve bemiddeling als vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap, actief bijwonen]1;
2° het ondersteuningsplan vertalen in feitelijke zorg en ondersteuning;
3° concrete uitvoerings- en bijbehorende budgetplannen helpen opstellen;
4° mogelijke aanbieders van zorg en ondersteuning en assistenten zoeken, selecteren en met hen onderhandelen;
5° bijstand verlenen bij het sluiten van contracten;
6° bijstand verlenen bij het beheer van het persoonsvolgend budget;
7° bijstand verlenen bij het voldoen aan de verantwoordingsplicht voor de besteding van het persoonsvolgend budget ten aanzien van het agentschap;
8° een bemiddelende rol opnemen bij langlopende geschillen op verzoek van de budgethouder.
Het agentschap kan de taken, vermeld in het eerste lid, concretiseren in een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisatie.
De bijstandsorganisaties mogen voor de uitvoering van de taken, vermeld in het eerste lid, een bijdrage vragen aan de budgethouders.
Art.12. L'assistance individuelle moins accessible aux bénéficiaires d'enveloppe comprend :
1° [1 assister de manière active à la médiation collective telle que visée au chapitre 2, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures]1 ;
2° traduire le plan d'assistance en soins et aide concrets ;
3° aider à établir des plans concrets de mise en oeuvre et les plans budgétaires y afférents ;
4° chercher et sélectionner des prestataires de soins et d'aide et des assistants, et négocier avec eux ;
5° prêter assistance en vue de la conclusion de contrats ;
6° prêter assistance en vue de la gestion du budget personnalisé ;
7° prêter assistance en vue du respect de l'obligation de justification dans l'utilisation du budget personnalisé à l'égard de l'agence ;
8° jouer un rôle médiateur dans les litiges de longue durée sur demande du bénéficiaire d'enveloppe.
L'agence peut fixer les tâches définies à l'alinéa 1er dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
Les organisations d'assistance peuvent demander une contribution aux bénéficiaires d'enveloppe pour l'exécution des tâches visées à l'alinéa 1er.
1° [1 assister de manière active à la médiation collective telle que visée au chapitre 2, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures]1 ;
2° traduire le plan d'assistance en soins et aide concrets ;
3° aider à établir des plans concrets de mise en oeuvre et les plans budgétaires y afférents ;
4° chercher et sélectionner des prestataires de soins et d'aide et des assistants, et négocier avec eux ;
5° prêter assistance en vue de la conclusion de contrats ;
6° prêter assistance en vue de la gestion du budget personnalisé ;
7° prêter assistance en vue du respect de l'obligation de justification dans l'utilisation du budget personnalisé à l'égard de l'agence ;
8° jouer un rôle médiateur dans les litiges de longue durée sur demande du bénéficiaire d'enveloppe.
L'agence peut fixer les tâches définies à l'alinéa 1er dans un accord de coopération avec l'organisation d'assistance.
Les organisations d'assistance peuvent demander une contribution aux bénéficiaires d'enveloppe pour l'exécution des tâches visées à l'alinéa 1er.
Wijzigingen
Art.13. De bijstandsorganisaties zijn transparant over het lidgeld en de bijdragen die ze aanrekenen, en ze communiceren daarover op een eenduidige en voor iedereen toegankelijke en begrijpbare manier. De kostprijs van het lidgeld en de bijdragen wordt uitgedrukt in euro's en in personeelspunten als vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 april 2014.
De budgethouders betalen het lidgeld, vermeld in het eerste lid, rechtstreeks aan de bijstandsorganisatie. Als de budgethouder het lidgeld of de bijdragen, vermeld in het eerste lid, met een voucher als vermeld in artikel 1, 11°, van het decreet van 25 april 2014 betaalt, sluit de budgethouder een rechtstreekse overeenkomst met de bijstandsorganisatie, die deze overeenkomst bezorgt aan het agentschap.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan minimum- en maximumbedragen vaststellen die de bijstandsorganisaties voor de uitvoering van de prestaties, vermeld in artikel 12, mogen aanrekenen aan de budgethouders, en stelt het lidgeld dat de bijstandsorganisaties aanrekenen vast.
De budgethouders betalen het lidgeld, vermeld in het eerste lid, rechtstreeks aan de bijstandsorganisatie. Als de budgethouder het lidgeld of de bijdragen, vermeld in het eerste lid, met een voucher als vermeld in artikel 1, 11°, van het decreet van 25 april 2014 betaalt, sluit de budgethouder een rechtstreekse overeenkomst met de bijstandsorganisatie, die deze overeenkomst bezorgt aan het agentschap.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan minimum- en maximumbedragen vaststellen die de bijstandsorganisaties voor de uitvoering van de prestaties, vermeld in artikel 12, mogen aanrekenen aan de budgethouders, en stelt het lidgeld dat de bijstandsorganisaties aanrekenen vast.
Art.13. Dans un souci de transparence les organisations d'assistance communiquent de manière univoque, compréhensible et accessible à tous sur la cotisation des membres et les contributions qu'ils demandent. Le coût de la cotisation des membres et des contributions est exprimé en euros et en points de personnel, comme prévu à l'article 10 du décret du 25 avril 2014.
Les bénéficiaires d'enveloppe paient la cotisation de membre, visée à l'alinéa 1er, directement à l'organisation d'assistance. Si le bénéficiaire d'enveloppe paie la cotisation de membre ou les contributions, visée à l'alinéa 1er, avec un voucher, tel que visé à l'article 1er, 11° du décret du 25 avril 2014, il conclut un accord direct avec l'organisation d'assistance, qui le transmet à l'agence.
Le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes peut fixer des montants minimum et maximum que les organisations d'assistance peuvent demander aux bénéficiaires d'enveloppe pour l'exécution des tâches, visées à l'article 12, et fixe la cotisation de membre demandée par les organisations d'assistance.
Les bénéficiaires d'enveloppe paient la cotisation de membre, visée à l'alinéa 1er, directement à l'organisation d'assistance. Si le bénéficiaire d'enveloppe paie la cotisation de membre ou les contributions, visée à l'alinéa 1er, avec un voucher, tel que visé à l'article 1er, 11° du décret du 25 avril 2014, il conclut un accord direct avec l'organisation d'assistance, qui le transmet à l'agence.
Le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes peut fixer des montants minimum et maximum que les organisations d'assistance peuvent demander aux bénéficiaires d'enveloppe pour l'exécution des tâches, visées à l'article 12, et fixe la cotisation de membre demandée par les organisations d'assistance.
Art.14. [1 De bijstandsorganisaties registreren hun leden bij het agentschap op de wijze die het agentschap vaststelt. Ze rapporteren jaarlijks voor 1 maart aan het agentschap over hun werking in het voorbije jaar en de dienstverlening die ze hebben verleend in het voorbije jaar. Het agentschap stelt de modaliteiten en de wijze van rapportering vast.]1.
Het agentschap kan een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisaties sluiten om de informatie-uitwisseling tussen de bijstandsorganisaties en het agentschap efficiënt te laten verlopen.
Het agentschap kan een samenwerkingsovereenkomst met de bijstandsorganisaties sluiten om de informatie-uitwisseling tussen de bijstandsorganisaties en het agentschap efficiënt te laten verlopen.
Art.14. [1 Les organisations d'assistance inscrivent leurs membres auprès de l'agence selon les modalités déterminées par celle-ci. Elles rendent compte à l'agence, avant le 1 mars de chaque année, de leur fonctionnement au cours de l'année précédente et des services qu'elles ont fournis au cours de l'année précédente. L'agence établit les modalités et le mode de rapportage ]1.
L'agence peut conclure un accord de coopération avec les organisations d'assistance concernant un échange d'informations efficace entre eux
L'agence peut conclure un accord de coopération avec les organisations d'assistance concernant un échange d'informations efficace entre eux
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Procedure om een vergunning aan te vragen
CHAPITRE 5. - Procédure de demande d'autorisation
Art.15. § 1. Een organisatie die een vergunning als bijstandsorganisatie wil, dient een aanvraag in bij het agentschap. In de aanvraag wordt aangetoond dat de organisatie voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 6, eerste lid.
§ 2. De beslissing tot vergunning vermeldt de aanvangsdatum van de vergunning.
Bij weigering van de vergunning wordt de beslissing met redenen omkleed.
De beslissing tot vergunning of weigering van vergunning wordt in een aangetekende brief meegedeeld aan de aanvrager vóór het einde van de maand die volgt op de maand van de beslissing. Tegen een beslissing tot weigering van de vergunning kan beroep worden aangetekend conform de bepalingen van artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
§ 2. De beslissing tot vergunning vermeldt de aanvangsdatum van de vergunning.
Bij weigering van de vergunning wordt de beslissing met redenen omkleed.
De beslissing tot vergunning of weigering van vergunning wordt in een aangetekende brief meegedeeld aan de aanvrager vóór het einde van de maand die volgt op de maand van de beslissing. Tegen een beslissing tot weigering van de vergunning kan beroep worden aangetekend conform de bepalingen van artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art.15. § 1er. Une organisation désireuse d'obtenir une autorisation d'organisation d'assistance introduit une demande à cet effet auprès de l'agence. Dans cette demande elle démontre qu'elle réunit les conditions, visées à l'article 6, alinéa 1er.
§ 2. La décision d'autorisation mentionne la date de début de l'autorisation.
En cas de refus de l'autorisation, la décision est motivée.
La décision d'accorder ou de refuser l'autorisation est notifiée par lettre recommandée au demandeur avant la fin du mois suivant le mois de la décision. Un recours peut être exercé contre la décision de refuser l'autorisation conformément aux dispositions de l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ".
§ 2. La décision d'autorisation mentionne la date de début de l'autorisation.
En cas de refus de l'autorisation, la décision est motivée.
La décision d'accorder ou de refuser l'autorisation est notifiée par lettre recommandée au demandeur avant la fin du mois suivant le mois de la décision. Un recours peut être exercé contre la décision de refuser l'autorisation conformément aux dispositions de l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ".
HOOFDSTUK 6. - Subsidiëring van de bijstandsorganisaties
CHAPITRE 6. - Subventionnement des organisations d'assistance
Art.16. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting vastgelegde kredieten, kent het agentschap aan vergunde bijstandsorganisaties een jaarlijkse subsidie toe om de collectieve opdracht, vermeld in artikel 10, uit te voeren. [3 De jaarlijkse subsidie kan ook worden gebruikt voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11, eerste lid, 1° tot en met 3°. ]3
Per budgethouder die bij een bijstandsorganisatie is aangesloten conform de registraties, vermeld in artikel 14, eerste lid, op 1 januari van het kalenderjaar waarvoor een subsidie wordt toegekend, kent het agentschap een subsidie van [2 242,73 euro]2 toe aan de bijstandsorganisatie waarbij de budgethouder is aangesloten.
Als een budgethouder zich bij meer dan een bijstandsorganisatie aansluit als lid wordt de subsidie, vermeld in het tweede lid, toegekend aan de vergunde bijstandsorganisatie waarbij de budgethouder zich het eerst heeft aangesloten.
De subsidies, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks voor 1 april van het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben, uitbetaald.
75% van de subsidies die op jaarbasis worden toegekend conform dit artikel, wordt besteed aan personeelskosten ]1.
Per budgethouder die bij een bijstandsorganisatie is aangesloten conform de registraties, vermeld in artikel 14, eerste lid, op 1 januari van het kalenderjaar waarvoor een subsidie wordt toegekend, kent het agentschap een subsidie van [2 242,73 euro]2 toe aan de bijstandsorganisatie waarbij de budgethouder is aangesloten.
Als een budgethouder zich bij meer dan een bijstandsorganisatie aansluit als lid wordt de subsidie, vermeld in het tweede lid, toegekend aan de vergunde bijstandsorganisatie waarbij de budgethouder zich het eerst heeft aangesloten.
De subsidies, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks voor 1 april van het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben, uitbetaald.
75% van de subsidies die op jaarbasis worden toegekend conform dit artikel, wordt besteed aan personeelskosten ]1.
Art.16. [1 Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget, l'agence accorde une subvention annuelle aux organisations d'assistance agréées pour la réalisation de la mission collective visée à l'article 10. [3 La subvention annuelle peut également être utilisée pour l'exécution des missions, visées à l'article 11, alinéa 1er, 1° à 3°. ]3
Pour chaque gestionnaire de budget qui est affilié à une organisation d'assistance conformément aux enregistrements visés à l'article 14, alinéa premier, au 1 janvier de l'année civile au titre de laquelle une subvention est accordée, l'agence octroie une subvention de [2 242,73 euros]2 à l'organisation d'assistance à laquelle le gestionnaire de budget est affilié.
Si un gestionnaire de budget adhère à plus d'une organisation d'assistance en tant que membre, la subvention visée au deuxième alinéa est octroyée à l'organisation d'assistance agréée à laquelle le gestionnaire de budget a adhéré en premier.
Les subventions visées au deuxième alinéa sont versées annuellement avant le 1 avril de l'année civile à laquelle elles se rapportent.
75 % des subventions octroyées sur une base annuelle conformément au présent article sont affectés aux frais de personne ]1.
Pour chaque gestionnaire de budget qui est affilié à une organisation d'assistance conformément aux enregistrements visés à l'article 14, alinéa premier, au 1 janvier de l'année civile au titre de laquelle une subvention est accordée, l'agence octroie une subvention de [2 242,73 euros]2 à l'organisation d'assistance à laquelle le gestionnaire de budget est affilié.
Si un gestionnaire de budget adhère à plus d'une organisation d'assistance en tant que membre, la subvention visée au deuxième alinéa est octroyée à l'organisation d'assistance agréée à laquelle le gestionnaire de budget a adhéré en premier.
Les subventions visées au deuxième alinéa sont versées annuellement avant le 1 avril de l'année civile à laquelle elles se rapportent.
75 % des subventions octroyées sur une base annuelle conformément au présent article sont affectés aux frais de personne ]1.
Art.16/0. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder persoonlijke-assistentiebudget: een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 19/2 van het decreet van 7 mei 2004.
§ 2. Binnen de perken van de daarvoor op de begroting vastgelegde kredieten, kent het agentschap in de volgende gevallen aan vergunde bijstandsorganisaties subsidies toe voor het verlenen van bijstand aan budgethouders bij de opstart van de besteding van het persoonsvolgend budget of van het persoonlijke- assistentiebudget en voor de vergoeding van het lidgeld voor een jaar:
1° er is voor het eerst een persoonlijke-assistentiebudget toegekend;
2° er is voor het eerst een persoonsvolgend budget ter beschikking gesteld en er was geen persoonlijke-assistentiebudget toegekend. [3 ...]3
De bijstand, vermeld in het eerste lid, heeft tot doel om de besteding van het persoonlijke assistentiebudget of het persoonsvolgend budget tijdig en correct op te starten.
De bijstandsorganisaties hanteren voor het verlenen van bijstand als vermeld in het eerste lid, een methodiek die het agentschap in samenspraak met de vergunde bijstandsorganisaties vaststelt.
§ 3. Het agentschap kent een bedrag toe van 800 euro per budgethouder aan de vergunde bijstandsorganisatie bij wie een budgethouder zich als lid aansluit in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, binnen het jaar te rekenen vanaf de datum van de jeugdhulpverleningsbeslissing, vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, over de toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget of vanaf de datum van de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van een persoonsvolgend budget.
Voor alle budgethouders, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan maar één keer de subsidie, vermeld in het eerste lid, worden toegekend. Als budgethouders als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, zich bij meer dan één bijstandsorganisatie aansluiten als lid, wordt de subsidie toegekend aan de bijstandsorganisatie bij wie ze zich het eerst als lid hebben aangesloten.
Het agentschap betaalt de subsidie, vermeld in het eerste lid, op kwartaalbasis, voor het einde van de tweede maand die volgt op een afgelopen kwartaal.
De vergunde bijstandsorganisaties bezorgen een jaarverslag aan het agentschap voor 1 maart van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de subsidies, vermeld in het derde lid, betrekking hebben.
Het agentschap bepaalt de vorm en de inhoud van het jaarverslag, dat minstens de volgende elementen behandelt:
1° het aantal budgethouders aan wie bijstand als vermeld in paragraaf 2, is verleend;
2° de wijze waarop bijstand is verleend en de behaalde resultaten;
3° de mate waarin bijkomende hoogdrempelige individuele bijstand nodig is die door de budgethouder wordt betaald;
4° een resultatenrekening waarin alle kosten en opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten zijn opgenomen;
5° conclusies, tendensen en inzichten in verschillende snelheden van opstarten, die in samenspraak met de andere vergunde bijstandsorganisaties tot stand zijn gekomen.
Als het agentschap dat nodig acht, kan het overlegmomenten organiseren met de vergunde bijstandsorganisaties om de resultaten van de bijstand, vermeld in paragraaf 2, en de methodiek, vermeld in paragraaf 2, derde lid, tussentijds te evalueren.]1
[2 § 4. Het agentschap kent aan de vergunde bijstandsorganisatie voor de bedragen, vermeld in de overeenkomsten voor meer hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, die de budgethouders dat jaar conform artikel 17, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit hebben geregistreerd bij het agentschap, een bijkomende subsidie toe van 3,8% op de som van de voormelde bedragen.]2
§ 2. Binnen de perken van de daarvoor op de begroting vastgelegde kredieten, kent het agentschap in de volgende gevallen aan vergunde bijstandsorganisaties subsidies toe voor het verlenen van bijstand aan budgethouders bij de opstart van de besteding van het persoonsvolgend budget of van het persoonlijke- assistentiebudget en voor de vergoeding van het lidgeld voor een jaar:
1° er is voor het eerst een persoonlijke-assistentiebudget toegekend;
2° er is voor het eerst een persoonsvolgend budget ter beschikking gesteld en er was geen persoonlijke-assistentiebudget toegekend. [3 ...]3
De bijstand, vermeld in het eerste lid, heeft tot doel om de besteding van het persoonlijke assistentiebudget of het persoonsvolgend budget tijdig en correct op te starten.
De bijstandsorganisaties hanteren voor het verlenen van bijstand als vermeld in het eerste lid, een methodiek die het agentschap in samenspraak met de vergunde bijstandsorganisaties vaststelt.
§ 3. Het agentschap kent een bedrag toe van 800 euro per budgethouder aan de vergunde bijstandsorganisatie bij wie een budgethouder zich als lid aansluit in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, binnen het jaar te rekenen vanaf de datum van de jeugdhulpverleningsbeslissing, vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, over de toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget of vanaf de datum van de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van een persoonsvolgend budget.
Voor alle budgethouders, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan maar één keer de subsidie, vermeld in het eerste lid, worden toegekend. Als budgethouders als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, zich bij meer dan één bijstandsorganisatie aansluiten als lid, wordt de subsidie toegekend aan de bijstandsorganisatie bij wie ze zich het eerst als lid hebben aangesloten.
Het agentschap betaalt de subsidie, vermeld in het eerste lid, op kwartaalbasis, voor het einde van de tweede maand die volgt op een afgelopen kwartaal.
De vergunde bijstandsorganisaties bezorgen een jaarverslag aan het agentschap voor 1 maart van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de subsidies, vermeld in het derde lid, betrekking hebben.
Het agentschap bepaalt de vorm en de inhoud van het jaarverslag, dat minstens de volgende elementen behandelt:
1° het aantal budgethouders aan wie bijstand als vermeld in paragraaf 2, is verleend;
2° de wijze waarop bijstand is verleend en de behaalde resultaten;
3° de mate waarin bijkomende hoogdrempelige individuele bijstand nodig is die door de budgethouder wordt betaald;
4° een resultatenrekening waarin alle kosten en opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten zijn opgenomen;
5° conclusies, tendensen en inzichten in verschillende snelheden van opstarten, die in samenspraak met de andere vergunde bijstandsorganisaties tot stand zijn gekomen.
Als het agentschap dat nodig acht, kan het overlegmomenten organiseren met de vergunde bijstandsorganisaties om de resultaten van de bijstand, vermeld in paragraaf 2, en de methodiek, vermeld in paragraaf 2, derde lid, tussentijds te evalueren.]1
[2 § 4. Het agentschap kent aan de vergunde bijstandsorganisatie voor de bedragen, vermeld in de overeenkomsten voor meer hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, die de budgethouders dat jaar conform artikel 17, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit hebben geregistreerd bij het agentschap, een bijkomende subsidie toe van 3,8% op de som van de voormelde bedragen.]2
Art.16/0. [1 § 1. Au présent article, on entend par budget d'assistance personnelle un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/2 du décret du 7 mai 2004.
§ 2. Dans les limites des crédits inscrits au budget à cet effet, l'agence octroie des subventions à des organisations d'assistance agréées pour la fourniture d'une assistance aux gestionnaires de budget pour le lancement de l'affectation du budget personnalisé ou du budget d'assistance personnelle et pour le remboursement des cotisations pour un an, dans les cas suivants
1° un budget d'assistance personnelle a été octroyé pour la première fois ;
2° un budget personnalisé a été mis à disposition pour la première fois et aucun budget d'assistance personnelle n'a été octroyé. [3 ...]3
L'assistance visée à l'alinéa premier, a pour but de démarrer à temps et correctement l'affectation du budget d'assistance personnelle ou du budget personnalisé.
Les organisations d'assistance utilisent une méthodologie pour fournir l'assistance visée à l'alinéa premier, que l'agence détermine en consultation avec les organisations d'assistance agréées.
§ 3. L'agence octroie un montant de 800 euros par gestionnaire de budget à l'organisation d'assistance agréée auprès de laquelle un gestionnaire de budget s'affilie en tant que membre dans les cas visés au paragraphe 2, alinéa premier, dans l'année à compter de la date de la décision d'aide à la jeunesse visée à l'article 2, § 1, 28°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, relative à l'octroi d'un budget d'assistance personnelle ou à partir de la date de la décision de l'agence sur la mise à disposition d'un budget personnalisé.
Pour tous les gestionnaires de budget visés au paragraphe 2, alinéa premier, la subvention visée à l'alinéa premier ne peut être octroyée qu'une seule fois. Si les gestionnaires de budget visés au paragraphe 2, alinéa premier, adhèrent à plus d'une organisation d'assistance en tant que membres, la subvention sera octroyée à l'organisation d'assistance à laquelle ils ont adhéré en premier lieu en tant que membres.
L'agence verse la subvention visée à l'alinéa premier sur une base trimestrielle, avant la fin du deuxième mois suivant un trimestre achevé.
Les organisations d'assistance agréées soumettent un rapport annuel à l'agence avant le 1 mars de l'année civile suivant l'année civile à laquelle se rapportent les subventions visées au troisième alinéa.
L'agence détermine la forme et le contenu du rapport annuel, qui comprend au moins les éléments suivants :
1° le nombre de gestionnaires de budget auxquels l'assistance visée au paragraphe 2 a été fournie ;
2° les modalités de l'assistance et les résultats obtenus ;
3° la mesure dans laquelle une assistance individuelle supplémentaire, moins accessible, est nécessaire et est payée par le gestionnaire de budget ;
4° un compte de résultats reprenant l'ensemble des charges et produits des activités subventionnées ;
5° des conclusions, tendances et conceptions à différentes vitesses de démarrage, élaborées en concertation avec les autres organisations d'assistance agréées.
Si l'agence le juge nécessaire, elle peut organiser des moments de consultation avec les organisations d'assistance agréées afin d'évaluer dans l'intervalle les résultats de l'assistance visée au paragraphe 2 et de la méthodologie visée au paragraphe 2, troisième alinéa.]1
[2 § 4. L'agence accorde aux organisations d'assistance agréées, pour les montants visés aux contrats d'assistance individuelle plus accessible, tels que visés à l'article 4, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, que les gestionnaires de budget ont enregistrés auprès de l'agence pour l'année en question, conformément à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, une subvention supplémentaire de 3,8 % sur la somme des montants précités.]2
§ 2. Dans les limites des crédits inscrits au budget à cet effet, l'agence octroie des subventions à des organisations d'assistance agréées pour la fourniture d'une assistance aux gestionnaires de budget pour le lancement de l'affectation du budget personnalisé ou du budget d'assistance personnelle et pour le remboursement des cotisations pour un an, dans les cas suivants
1° un budget d'assistance personnelle a été octroyé pour la première fois ;
2° un budget personnalisé a été mis à disposition pour la première fois et aucun budget d'assistance personnelle n'a été octroyé. [3 ...]3
L'assistance visée à l'alinéa premier, a pour but de démarrer à temps et correctement l'affectation du budget d'assistance personnelle ou du budget personnalisé.
Les organisations d'assistance utilisent une méthodologie pour fournir l'assistance visée à l'alinéa premier, que l'agence détermine en consultation avec les organisations d'assistance agréées.
§ 3. L'agence octroie un montant de 800 euros par gestionnaire de budget à l'organisation d'assistance agréée auprès de laquelle un gestionnaire de budget s'affilie en tant que membre dans les cas visés au paragraphe 2, alinéa premier, dans l'année à compter de la date de la décision d'aide à la jeunesse visée à l'article 2, § 1, 28°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, relative à l'octroi d'un budget d'assistance personnelle ou à partir de la date de la décision de l'agence sur la mise à disposition d'un budget personnalisé.
Pour tous les gestionnaires de budget visés au paragraphe 2, alinéa premier, la subvention visée à l'alinéa premier ne peut être octroyée qu'une seule fois. Si les gestionnaires de budget visés au paragraphe 2, alinéa premier, adhèrent à plus d'une organisation d'assistance en tant que membres, la subvention sera octroyée à l'organisation d'assistance à laquelle ils ont adhéré en premier lieu en tant que membres.
L'agence verse la subvention visée à l'alinéa premier sur une base trimestrielle, avant la fin du deuxième mois suivant un trimestre achevé.
Les organisations d'assistance agréées soumettent un rapport annuel à l'agence avant le 1 mars de l'année civile suivant l'année civile à laquelle se rapportent les subventions visées au troisième alinéa.
L'agence détermine la forme et le contenu du rapport annuel, qui comprend au moins les éléments suivants :
1° le nombre de gestionnaires de budget auxquels l'assistance visée au paragraphe 2 a été fournie ;
2° les modalités de l'assistance et les résultats obtenus ;
3° la mesure dans laquelle une assistance individuelle supplémentaire, moins accessible, est nécessaire et est payée par le gestionnaire de budget ;
4° un compte de résultats reprenant l'ensemble des charges et produits des activités subventionnées ;
5° des conclusions, tendances et conceptions à différentes vitesses de démarrage, élaborées en concertation avec les autres organisations d'assistance agréées.
Si l'agence le juge nécessaire, elle peut organiser des moments de consultation avec les organisations d'assistance agréées afin d'évaluer dans l'intervalle les résultats de l'assistance visée au paragraphe 2 et de la méthodologie visée au paragraphe 2, troisième alinéa.]1
[2 § 4. L'agence accorde aux organisations d'assistance agréées, pour les montants visés aux contrats d'assistance individuelle plus accessible, tels que visés à l'article 4, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, que les gestionnaires de budget ont enregistrés auprès de l'agence pour l'année en question, conformément à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, une subvention supplémentaire de 3,8 % sur la somme des montants précités.]2
Art.16/1. [1 1Het gedeelte van de toegekende subsidies, vermeld in [2 artikel 16, vijfde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 16, vierde lid, en artikel 16/0, § 3, derde lid]2, dat de verantwoorde kosten overschrijdt, mag worden aangewend voor de aanleg van reserves tot maximaal 20 % van het subsidiebedrag, met uitzondering van het sociaal passief.
De totale gecumuleerde reserves, met uitzondering van het sociaal passief, kunnen maximaal 50 % van het subsidiebedrag van het laatst gesubsidieerde werkingsjaar bedragen.
Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.
Als het maximum, vermeld in het eerste en tweede lid, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan het agentschap, tenzij het agentschap na motivering beslist dat er van de maximumpercentages kan worden afgeweken.
Als de bijstandsorganisatie niet verder wordt gesubsidieerd, wordt het gecumuleerde bedrag van de reserves aan het agentschap teruggestort.
In afwijking van het vijfde lid hoeven de reserves die aangelegd zijn voor het sociaal passief, na expliciete goedkeuring door het agentschap, niet aan het agentschap te worden teruggestort. ]1
De totale gecumuleerde reserves, met uitzondering van het sociaal passief, kunnen maximaal 50 % van het subsidiebedrag van het laatst gesubsidieerde werkingsjaar bedragen.
Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.
Als het maximum, vermeld in het eerste en tweede lid, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan het agentschap, tenzij het agentschap na motivering beslist dat er van de maximumpercentages kan worden afgeweken.
Als de bijstandsorganisatie niet verder wordt gesubsidieerd, wordt het gecumuleerde bedrag van de reserves aan het agentschap teruggestort.
In afwijking van het vijfde lid hoeven de reserves die aangelegd zijn voor het sociaal passief, na expliciete goedkeuring door het agentschap, niet aan het agentschap te worden teruggestort. ]1
Art.16/1. [1 1La partie des subventions octroyées, visées à l'[2 article 16, alinéa quatre, et article 16/0, § 3, alinéa trois]2, qui dépasse les frais justifiés, peut être affectée à la constitution de réserves à concurrence d'au maximum 20 % du montant de subvention, à l'exception du passif social.
Les réserves totales cumulées, à l'exception du passif social, peuvent s'élever à au maximum 50 % du montant de subvention de la dernière année d'activité subventionnée.
Le passif social, visé aux alinéas premier et deux, est limité à 25 % des frais de personnel annuels.
En cas de dépassement du maximum, visé aux alinéas premier et deux, le montant dépassé est remboursé à l'agence, sauf si l'agence décide, moyennant une motivation, qu'il peut être dérogé aux pourcentages maximaux.
Lorsque l'organisation d'assistance n'est plus subventionnée, le montant cumulé des réserves sera remboursé à l'agence.
Par dérogation à l'alinéa cinq les réserves constituées pour le passif social ne doivent pas être restit1uées à l'agence, après approbation explicite de l'agence. ]
Les réserves totales cumulées, à l'exception du passif social, peuvent s'élever à au maximum 50 % du montant de subvention de la dernière année d'activité subventionnée.
Le passif social, visé aux alinéas premier et deux, est limité à 25 % des frais de personnel annuels.
En cas de dépassement du maximum, visé aux alinéas premier et deux, le montant dépassé est remboursé à l'agence, sauf si l'agence décide, moyennant une motivation, qu'il peut être dérogé aux pourcentages maximaux.
Lorsque l'organisation d'assistance n'est plus subventionnée, le montant cumulé des réserves sera remboursé à l'agence.
Par dérogation à l'alinéa cinq les réserves constituées pour le passif social ne doivent pas être restit1uées à l'agence, après approbation explicite de l'agence. ]
Art.17. [1 Het bedrag, vermeld in artikel 16, tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met het indexcijfer van de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in titel I, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, hierna de G-index te noemen, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.]1
Art.17. [1 Le montant visé à l'article 16, alinéa 2, est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de l'indice de l'indice santé lissé, visé au titre I, chapitre II, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, ci-après dénommé l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient. ]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 7. - Toezicht
CHAPITRE 7. - Contrôle
Art.18. De vergunde bijstandsorganisaties leggen op de door het agentschap vastgelegde wijze verantwoording af over de besteding van de ter beschikking gestelde middelen. Uit deze verantwoording moet blijken dat de ter beschikking gestelde middelen zijn aangewend voor de doelstellingen, vermeld in dit besluit.
Zorginspectie controleert ter plaatse of de kwaliteitseisen en de voorschriften, vermeld in dit besluit, worden nageleefd.
Zorginspectie controleert ter plaatse of de kwaliteitseisen en de voorschriften, vermeld in dit besluit, worden nageleefd.
Art.18. Les organisations d'assistance autorisées rendent compte, de la manière établie par l'agence, de l'utilisation des moyens mis à leur disposition. Cette justification doit démontrer que ces moyens ont été utilisés aux fins, visées au présent arrêté.
L'Inspection des Soins contrôle sur place le respect des exigences de qualité et des prescriptions du présent arrêté.
L'Inspection des Soins contrôle sur place le respect des exigences de qualité et des prescriptions du présent arrêté.
Art.18/1. [1 Als een budgethouder een klacht heeft ingediend bij een bijstandsorganisatie, maar het antwoord van de bijstandsorganisatie de klager geen voldoening schenkt, of als de bijstandsorganisatie de klacht niet afhandelt binnen de termijn die is vastgesteld in de interne klachtenprocedure, dan bestaat de mogelijkheid voor de budgethouder om klacht in te dienen bij het agentschap.]1
Art.18/1. [1 Si un bénéficiaire d'enveloppe a déposé une plainte auprès d'un organisme d'assistance et s'il estime que sa réponse n'est pas satisfaisante, ou si l'organisme d'assistance ne traite pas la plainte dans le délai fixé dans la procédure interne de traitement des plaintes, le bénéficiaire d'enveloppe peut soumettre une plainte à l'agence.]1
HOOFDSTUK 8. - Sancties
CHAPITRE 8. - Sanctions
Art.19. Als vastgesteld wordt dat een bijstandsorganisatie niet voldoet aan de kwaliteitseisen of andere voorschriften, vermeld in dit besluit, niet naleeft, kan het agentschap:
1° een vertegenwoordiger laten deelnemen aan de raad van bestuur van die bijstandsorganisatie. Die vertegenwoordiger van het agentschap heeft het recht om te spreken en aanbevelingen te doen;
2° de periodiciteit van de rapportering, vermeld in artikel 14, opdrijven en bijkomende elementen vaststellen waarover gerapporteerd moet worden;
3° de basissubsidie, vermeld in artikel 16, tweede lid, of de subsidie, vermeld in artikel 16, derde lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen;
4° de vergunning van de bijstandsorganisatie intrekken.
De bijstandsorganisaties nemen de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, 1°, op in hun statuten.
Het agentschap bepaalt welke sanctie het meest aangewezen is en betekent de beslissing aan de bijstandsorganisatie. De beslissing wordt met redenen omkleed en in een aangetekende brief meegedeeld.
De bijstandsorganisatie kan schriftelijk bezwaar indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, op straffe van verval binnen veertien dagen na de ontvangst van de betekening. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de minister de sanctie.
In afwijking van het vierde lid kan tegen een beslissing tot intrekking van de vergunning beroep worden aangetekend conform de bepalingen van artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
1° een vertegenwoordiger laten deelnemen aan de raad van bestuur van die bijstandsorganisatie. Die vertegenwoordiger van het agentschap heeft het recht om te spreken en aanbevelingen te doen;
2° de periodiciteit van de rapportering, vermeld in artikel 14, opdrijven en bijkomende elementen vaststellen waarover gerapporteerd moet worden;
3° de basissubsidie, vermeld in artikel 16, tweede lid, of de subsidie, vermeld in artikel 16, derde lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen;
4° de vergunning van de bijstandsorganisatie intrekken.
De bijstandsorganisaties nemen de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, 1°, op in hun statuten.
Het agentschap bepaalt welke sanctie het meest aangewezen is en betekent de beslissing aan de bijstandsorganisatie. De beslissing wordt met redenen omkleed en in een aangetekende brief meegedeeld.
De bijstandsorganisatie kan schriftelijk bezwaar indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, op straffe van verval binnen veertien dagen na de ontvangst van de betekening. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de minister de sanctie.
In afwijking van het vierde lid kan tegen een beslissing tot intrekking van de vergunning beroep worden aangetekend conform de bepalingen van artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art.19. Si l'organisation d'assistance ne respecte pas les exigences de qualité ou les autres prescriptions du présent arrêté, l'agence peut :
1° déléguer un représentant au conseil d'administration de cette organisation d'assistance. Ce représentant de l'agence a le droit de s'exprimer et d'émettre des recommandations ;
2° augmenter la fréquence des rapports, visés à l'article 14, et définir des éléments supplémentaires de rapport ;
3° réclamer le remboursement de tout ou une partie de la subvention de base, visée à l'article 16, alinéa 2, ou de la subvention, visée à l'article 16, alinéa 3 ;
4° retirer l'autorisation de l'organisation d'assistance.
Les organisations d'assistance incluent la possibilité, visée à l'alinéa 1er, dans leurs statuts.
L'agence détermine quelle sanction est la plus appropriée et signifie la décision à l'organisation d'assistance. La décision motivée est notifiée par lettre recommandée.
L'organisation d'assistance peut déposer une réclamation écrite auprès du Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes, à peine de déchéance dans les quatorze jours à compter de la réception de la notification. Après examen des objections le Ministre confirme ou infirme la sanction.
Par dérogation à l'alinéa 4, un recours peut être exercé contre la décision de retirer l'autorisation conformément aux dispositions de l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ".
1° déléguer un représentant au conseil d'administration de cette organisation d'assistance. Ce représentant de l'agence a le droit de s'exprimer et d'émettre des recommandations ;
2° augmenter la fréquence des rapports, visés à l'article 14, et définir des éléments supplémentaires de rapport ;
3° réclamer le remboursement de tout ou une partie de la subvention de base, visée à l'article 16, alinéa 2, ou de la subvention, visée à l'article 16, alinéa 3 ;
4° retirer l'autorisation de l'organisation d'assistance.
Les organisations d'assistance incluent la possibilité, visée à l'alinéa 1er, dans leurs statuts.
L'agence détermine quelle sanction est la plus appropriée et signifie la décision à l'organisation d'assistance. La décision motivée est notifiée par lettre recommandée.
L'organisation d'assistance peut déposer une réclamation écrite auprès du Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes, à peine de déchéance dans les quatorze jours à compter de la réception de la notification. Après examen des objections le Ministre confirme ou infirme la sanction.
Par dérogation à l'alinéa 4, un recours peut être exercé contre la décision de retirer l'autorisation conformément aux dispositions de l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ".
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art.20. Aan de organisaties die conform artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap op 30 december 2015 erkend zijn als budgethoudersvereniging, kent het agentschap bij voorrang een vergunning als bijstandsorganisatie toe, als de budgethoudersvereniging vóór 30 januari 2016 aantoont dat ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, eerste lid.
De personen met een handicap aan wie conform artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap een persoonlijke-assistentiebudget of conform artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende het opzetten van een experiment voor de toekenning van een persoonsgebonden budget aan bepaalde personen met een handicap een persoonsgebonden budget werd toegekend, worden beschouwd als budgethouder, vermeld in artikel 1, 4°.
In afwijking van artikel 14 rapporteren de bijstandsorganisaties in 2017 over het aantal leden op 1 januari van het lopende jaar en het aantal nieuw aangesloten leden in 2017. Beide aantallen worden in 2017 in aanmerking genomen voor de berekening van de subsidie, vermeld in artikel 16, derde lid.
De personen met een handicap aan wie conform artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap een persoonlijke-assistentiebudget of conform artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende het opzetten van een experiment voor de toekenning van een persoonsgebonden budget aan bepaalde personen met een handicap een persoonsgebonden budget werd toegekend, worden beschouwd als budgethouder, vermeld in artikel 1, 4°.
In afwijking van artikel 14 rapporteren de bijstandsorganisaties in 2017 over het aantal leden op 1 januari van het lopende jaar en het aantal nieuw aangesloten leden in 2017. Beide aantallen worden in 2017 in aanmerking genomen voor de berekening van de subsidie, vermeld in artikel 16, derde lid.
Art.20. L'agence accorde l'autorisation d'organisation d'assistance prioritairement aux organisations qui, au 30 décembre 2015, sont agréées en tant qu'association de bénéficiaires d'enveloppe conformément à l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, si l'association de bénéficiaires d'enveloppe démontre avant le 30 janvier 2016 qu'elle réunit les conditions, visées à l'article 6, alinéa 1er.
Les personnes handicapées disposant d'un budget d'assistance personnelle conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, ou d'un budget personnalisé conformément à l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 2008 relatif au lancement d'une expérience en matière d'octroi d'un budget personnalisé à certaines personnes handicapées, sont considérées comme bénéficiaire d'enveloppe, tel que visé à l'article 1er, 4°.
Par dérogation à l'article 14 les organisations d'assistance font rapport en 2017 du nombre de membres au 1er janvier de l'année en cours et du nombre de nouveaux membres en 2017. Ces deux nombres seront pris en compte en 2017 pour le calcul de la subvention, mentionnée à l'article 16, alinéa 3.
Les personnes handicapées disposant d'un budget d'assistance personnelle conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, ou d'un budget personnalisé conformément à l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 2008 relatif au lancement d'une expérience en matière d'octroi d'un budget personnalisé à certaines personnes handicapées, sont considérées comme bénéficiaire d'enveloppe, tel que visé à l'article 1er, 4°.
Par dérogation à l'article 14 les organisations d'assistance font rapport en 2017 du nombre de membres au 1er janvier de l'année en cours et du nombre de nouveaux membres en 2017. Ces deux nombres seront pris en compte en 2017 pour le calcul de la subvention, mentionnée à l'article 16, alinéa 3.
Art.21. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.
Art.21. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2016.
Art.22. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.22. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Art. N. [1 Bijlage 1. Gegevens voor het kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 6
Het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 6, bevat de volgende gegevens:
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de bijstandsorganisaties;
3° het kwaliteitsbeleid: missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat:
a) de organisatiestructuur;
b) de deelname aan externe overlegorganen;
c) het inzetten van de middelen;
d) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
e) de gebruikersgerichte processen, onder meer:
1) het beëindigen van de ondersteuning;
2) het afhandelen van klachten van gebruikers;
g) de organisatiegerichte processen, onder meer;
1) de vorming van de medewerkers;
2) de inzet van het personeel;
3) de deontologische code;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 6.]1
Het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 6, bevat de volgende gegevens:
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de bijstandsorganisaties;
3° het kwaliteitsbeleid: missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat:
a) de organisatiestructuur;
b) de deelname aan externe overlegorganen;
c) het inzetten van de middelen;
d) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
e) de gebruikersgerichte processen, onder meer:
1) het beëindigen van de ondersteuning;
2) het afhandelen van klachten van gebruikers;
g) de organisatiegerichte processen, onder meer;
1) de vorming van de medewerkers;
2) de inzet van het personeel;
3) de deontologische code;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 6.]1
Art. N. [1 Annexe 1er. Données pour le manuel de qualité visé à l'article 6
Le manuel de qualité, visé à l'article 6, comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité ;
2° la description de l'offre de l'organisation d'assistance ;
3° la politique qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit ;
4° le système de qualité, qui comporte les données suivantes :
a) l'organisation structurelle ;
b) la participation à des organes de consultation externes ;
c) l'utilisation des ressources ;
d) la gestion des documents du manuel de qualité ;
e) les processus axés sur l'utilisateur, y compris :
1) la fin du soutien ;
2) le traitement des plaintes des utilisateurs ;
g) les processus organisationnels, y compris :
1) la formation des collaborateurs ;
2) l'utilisation du personnel ;
3) le code déontologique ;
5° l'auto-évaluation visée à l'article 6.]1
Le manuel de qualité, visé à l'article 6, comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité ;
2° la description de l'offre de l'organisation d'assistance ;
3° la politique qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit ;
4° le système de qualité, qui comporte les données suivantes :
a) l'organisation structurelle ;
b) la participation à des organes de consultation externes ;
c) l'utilisation des ressources ;
d) la gestion des documents du manuel de qualité ;
e) les processus axés sur l'utilisateur, y compris :
1) la fin du soutien ;
2) le traitement des plaintes des utilisateurs ;
g) les processus organisationnels, y compris :
1) la formation des collaborateurs ;
2) l'utilisation du personnel ;
3) le code déontologique ;
5° l'auto-évaluation visée à l'article 6.]1