3 APRIL 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriele hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht
Art. 1-7
HOOFDSTUK 2. - Overgangs- en slotbepalingen
Art. 8-9
BIJLAGE.
Art. N
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriele hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht
Artikel 1. In artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, worden de woorden " , op de kandidaat-militairen van het statuut vrijwillige militaire inzet " ingevoegd tussen de woorden " op de kandidaat-hulpofficieren " en de woorden " en op de kandidaat-reservemilitairen ".
Art.2. In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, en paragraaf 2, worden vervangen als volgt :
" § 1. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat, met uitzondering van de kandidaat bedoeld in het tweede lid, worden beoordeeld, naast de momenten bedoeld in artikel 20sexies, § 2, van de wet of, naargelang van het geval, de momenten bedoeld in artikel 21, tweede lid, 3°, van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht :
1° op het einde van het vormingsgedeelte dat bestaat uit de militaire initiatiefase en het gedeelte van de fase militaire basisopleiding dat gemeenschappelijk is voor de verschillende personeelscategorieën;
2° op het einde van de deelperiode militaire basisvorming.
De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-beroepsofficier van de normale werving die wordt aanvaard in de Koninklijke Militaire School en van de kandidaat-beroepsonderofficier in schoolvorming worden beoordeeld, naast de momenten bedoeld in artikel 20sexies, § 2, van de wet, eenmaal tijdens of op het einde van het eerste semester van het eerste vormingsjaar.
§ 2. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-officier of -onderofficier worden bovendien trimestrieel beoordeeld gedurende de stage- of evaluatieperiode.
De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-vrijwilliger worden bovendien trimestrieel beoordeeld gedurende de stageperiode en semestrieel gedurende de evaluatieperiode. ";
2° paragraaf 3, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 december 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, en paragraaf 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden opgeheven;
3° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art.3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende :
" Art. 7 bis. § 1. Bij de aanvang van elk vormingsjaar van een periode van schoolvorming, evenals bij de aanvang van elke vormingsperiode en vormingsgedeelte bedoeld in bijlage bij dit besluit wordt de kandidaat schriftelijk ingelicht betreffende de volgende punten :
1° de tijdstippen en de al dan niet statutaire aard van de beoordelingen;
2° de competenties die beoordeeld worden, evenals de gedragsindicatoren die voor deze beoordeling gebruikt zullen worden;
3° de te behalen cijfers en vermeldingen om te slagen.
§ 2. Ten minste één functioneringsgesprek tussen de kandidaat en zijn beoordelaar vindt plaats :
1° voor de eerste statutaire beoordeling;
2° tussen twee opeenvolgende statutaire beoordelingen.
Tijdens het functioneringsgesprek worden de competenties van de kandidaat met hem besproken met behulp van de competenties en gedragsindicatoren bepaald in de bijlage bij dit besluit.
Een beknopt verslag van het functioneringsgesprek wordt opgesteld. Dit verslag omvat ten minste de sterke en zwakke punten van de kandidaat. Het wordt door de kandidaat ondertekend voor gezien en opgenomen in zijn vormingsdossier.
§ 3. Elke beoordeling wordt opgesteld na afloop van een evaluatiegesprek tussen de kandidaat en zijn beoordelaar.
Tijdens dit evaluatiegesprek worden de sterke en de zwakke punten van de kandidaat toegelicht.
Elke vermelding " zeer slecht ", " slecht ", " onvoldoende " of " te verbeteren " voor een competentie moet door de beoordelaar gemotiveerd worden aan de hand van de gedragsindicatoren bepaald in de bijlage bij dit besluit.
Elke beoordeling wordt schriftelijk aan de kandidaat betekend ten laatste vijf werkdagen volgend op de dag van het evaluatiegesprek. Ze wordt door de kandidaat ondertekend voor gezien en opgenomen in zijn vormingsdossier.
§ 4. De kandidaat kan zijn bezwaren uiten op de inhoud van het verslag van het functionerings- of evaluatiegesprek opgesteld door zijn beoordelaar.
De gemotiveerde bezwaren worden schriftelijk bij de beoordelaar ingediend ten laatste op de vijfde werkdag volgend op de kennisgeving aan de kandidaat van de inhoud van het betrokken verslag.
Indien de beoordelaar van mening is dat hij zijn verslag niet hoeft te wijzigen, noch beschouwingen hoeft toe te voegen aan het verweerschrift van de kandidaat, dagtekent en ondertekent hij het verweerschrift en voegt hij dit verweerschrift aan het vormingsdossier van de kandidaat toe.
Iedere beschouwing die de beoordelaar aan dit verweerschrift nodig mocht achten toe te voegen aan de inhoud van het betrokken verslag, evenals de punten waarop hij het eens is met de kandidaat, worden schriftelijk ter kennis van deze laatste gebracht, die eventueel nieuwe en laatste argumenten kan toevoegen. De kandidaat dagtekent en ondertekent deze documenten na de vermelding " gezien en voor kennisname ". Vervolgens worden deze documenten door de beoordelaar aan het vormingsdossier van de kandidaat toegevoegd. ".
Art.4. In artikel 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " artikel 7, met uitzondering van degene die in artikel 7, § 1, 2° en 3°, en § 3, 2°, bedoeld zijn " vervangen door de woorden " artikel 7, § 1 ";
2° artikel 8 wordt aangevuld met drie leden, luidende :
" Om de karakteriële hoedanigheden te bezitten, die vereist zijn van de leden van de personeelscategorie waarvoor hij gevormd wordt, mag de kandidaat bovendien, bij elke statutaire beoordeling :
1° geen vermelding " zeer slecht ", " slecht " of " onvoldoende " bekomen voor een generieke competentie;
2° geen vermelding " zeer slecht " of " slecht " bekomen voor een specifieke competentie.
De competenties, de gedragsindicatoren, evenals de vermeldingen en de overeenkomstige cijfers worden bepaald in de bijlage bij dit besluit.
Alle competenties en, binnen elke competentie, alle gedragsindicatoren hebben dezelfde weging. ".
Art.5. In artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, worden de woorden " het globale cijfer bedoeld in artikel 8 niet behaald heeft " telkens vervangen door de woorden " aan de criteria tot slagen bedoeld in artikel 8 niet voldaan heeft ".
Art.6. In artikel 8ter, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de woorden " of derde " opgeheven.
Art.7. In hetzelfde besluit worden de bijlage A, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 mei 2003, 21 december 2006 en 26 augustus 2010, en de bijlage B, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, vervangen door de bijlage gevoegd bij dit besluit.
HOOFDSTUK 2. - Overgangs- en slotbepalingen
Art.8. De kandidaat wordt bij de eerste statutaire beoordeling, die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit volgt, beoordeeld volgens de bepalingen die op hem van toepassing waren de dag vóór deze datum.
Art.9. De minister bevoegd voor de Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 april 2013.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
P. DE CREM
BIJLAGE.
Art. N. Tabellen.
TABEL 1 : BEOORDELINGSROOSTER VAN DE COMPETENTIES VAN DE KANDIDAAT
Omschrijving | Vermelding | Cijfer |
De competentie is totaal niet aanwezig. | Zeer slecht | 1 |
Geeft blijk van ernstige tekortkomingen voor de competentie. | Slecht | 2 |
Bezit de competentie in onvoldoende mate. | Onvoldoende | 3 |
Bezit de competentie mits een verbetering. | Te verbeteren | 4 |
Bezit de competentie in voldoende mate. | Voldoende | 6 |
Bezit de competentie in grote mate. | Goed | 7 |
Bezit de competentie in zeer grote mate. | Zeer goed | 8 |
Munt uit in de competentie. | Uitstekend | 9 |
<td colspan="4" valign="top">Gedragsindicatoren | |||||
Nr | Competenties | Deelperiode militaire basisvorming | Deelperiode gespecialiseerde professionele vorming | Stageperiode | Evaluatie- periode |
1. | Samenwerken | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
2. | Respecteren van anderen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
3. | Flexibel zijn | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
4. | Integer handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
5. | Organisatieloyaliteit tonen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
6. | Resultaatgericht handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
7. | Opvolgen van regels | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
8. | Communiceren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
9. | Tijd en stress beheren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
10. | Onafhankelijk handelen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
11. | Zichzelf ontwikkelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
<td colspan="7" valign="top">Gedragsindicatoren | ||||||||
Nr | Competenties | Militaire initiatiefase en gedeelte van de fase militaire basisopleiding dat gemeenschappelijk is voor de verschillende personeelscategorieën | Gedeelte van de fase militaire basisopleiding specifiek voor de onderofficieren | Eerste vormingsjaar | Tweede vormingsjaar | Deelperiode gespecialiseerde professionele vorming | Stage-periode | Evaluatie- periode |
1. | Samenwerken | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
2. | Respecteren van anderen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
3. | Flexibel zijn | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
4. | Integer handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
5. | Organisatieloyaliteit tonen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
6. | Resultaatgericht handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
7. | Opvolgen van regels | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
8. | Communiceren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
9. | Tijd en stress beheren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
10. | Onafhankelijk handelen | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
11. | Zichzelf ontwikkelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
12. | Anderen motiveren | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1** | Niveau 1 | Niveau 1 |
13. | Richting geven | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1** | Niveau 1 | Niveau 1 |
14. | Het voorbeeld geven | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
<td colspan="5" valign="top">Gedragsindicatoren | ||||||
Nr | Competenties | Militaire initiatiefase en gedeelte van de fase militaire basisopleiding dat gemeenschappelijk is voor de verschillende personeelscategorieën | Gedeelte van de fase militaire basisopleiding specifiek voor de onderofficieren | Deelperiode gespecialiseerde professionele vorming | Stageperiode | Evaluatie- periode |
1. | Samenwerken | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
2. | Respecteren van anderen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
3. | Flexibel zijn | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
4. | Integer handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
5. | Organisatieloyaliteit tonen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
6. | Resultaatgericht handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
7. | Opvolgen van regels | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
8. | Communiceren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
9. | Tijd en stress beheren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
10. | Onafhankelijk handelen | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
11. | Zichzelf ontwikkelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
12. | Anderen motiveren | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1** | Niveau 1 | Niveau 1 |
13. | Richting geven | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1** | Niveau 1 | Niveau 1 |
14. | Het voorbeeld geven | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
<td colspan="6" valign="top">Gedragsindicatoren | |||||||
Nr | Competenties | Militaire initiatiefase en gedeelte van de fase militaire basisopleiding dat gemeenschappelijk is voor de verschillende personeelscategorieën | Eerste vormingsjaar | Tweede vormingsjaar | Derde vormingsjaar | Vierde vormingsjaar | Vijfde vormingsjaar en volgende |
1. | Samenwerken | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
2. | Respecteren van anderen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
3. | Flexibel zijn | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
4. | Integer handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
5. | Organisatieloyaliteit tonen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
6. | Resultaatgericht handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
7. | Opvolgen van regels | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
8. | Communiceren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 | Niveau 2 |
9. | Tijd en stress beheren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
10. | Onafhankelijk handelen | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
11. | Zichzelf ontwikkelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
12. | Anderen motiveren | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
13. | Richting geven | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
14. | Het voorbeeld geven | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
<td colspan="5" valign="top">Gedragsindicatoren | ||||||
Nr | Competenties | Militaire initiatiefase en gedeelte van de fase militaire basisopleiding dat gemeenschappelijk is voor de verschillende personeelscategorieën | Gedeelte van de fase militaire basisopleiding specifiek voor de officieren | Deelperiode gespecialiseerde professionele vorming | Stageperiode | Evaluatie- periode |
1. | Samenwerken | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
2. | Respecteren van anderen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
3. | Flexibel zijn | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
4. | Integer handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
5. | Organisatieloyaliteit tonen | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 |
6. | Resultaatgericht handelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
7. | Opvolgen van regels | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
8. | Communiceren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 | Niveau 2 |
9. | Tijd en stress beheren | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 | Niveau 2 |
10. | Onafhankelijk handelen | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
11. | Zichzelf ontwikkelen | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
12. | Anderen motiveren | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
13. | Richting geven | Niet beoordeeld | Niet beoordeeld | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 1 |
14. | Het voorbeeld geven | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 |
15. | Oplossingsgericht denken | Niet beoordeeld* | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 2 | Niveau 2 |
Gedragsindicatoren | |||
Nr | Generieke competenties | Niveau 1 | Niveau 2 |
1. | Samenwerken : in staat zijn om samen te werken, zowel met medewerkers als met collega's en meerderen om objectieven te bereiken. | Geeft blijk van groepsgeest. Werkt samen zonder terughoudendheid. Staat open voor de ideeën van anderen. Neemt actief deel aan het werk van de groep. | Moedigt de deelname van eenieder aan. Deelt spontaan kennis en informatie. Stelt initiatieven voor. Moedigt gedachte-uitwisselingen aan. |
2. | Respecteren van anderen : respecteren van de gelijkwaardigheid van iedereen ongeacht geslacht, afkomst, leeftijd, levensvisie, geaardheid of fysieke eigenschappen. Werken in een sfeer van gelijke behandeling. | Houdt rekening met de eigenschappen van de anderen. Behandelt de anderen met respect. Geeft blijk van empathie naar de anderen toe. | Bevordert gelijkwaardigheid en tolerantie in de organisatie. Wijst op de meerwaarde van diversiteit. Neemt maatregelen bij intolerant gedrag. |
3. | Flexibel zijn : zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en open blijven staan voor suggesties en nieuwe ideeën. | Voert nieuwe taken uit. Voert een bijkomende opdracht uit als de omstandigheden daar om vragen. Reageert op onverwachte problemen. Past zijn werkwijze aan in functie van tijdsdruk, dringende vragen of behoeften. | Anticipeert op mogelijke veranderingen. Past zijn standpunt aan in functie van wijzigende omstandigheden. Verandert zijn agenda en planning in functie van gewijzigde prioriteiten en dringende problemen. |
4. | Integer handelen : respecteren van ethische normen zowel in de persoonlijke als in de professionele activiteiten. | Blijft eerlijk in alle omstandigheden, zelfs in geval van moeilijkheden. Respecteert het vertrouwelijk karakter van de hem toevertrouwde informatie. Geeft een eerlijk advies. Handelt correct, respectvol en ethisch zelfs in situaties waar een grote externe druk wordt uitgeoefend. Neemt verantwoordelijkheid voor het eigen handelen. | Zonder voorwerp |
5. | Organisatieloyaliteit tonen : zich verbonden tonen met zijn beroep en de organisatie en de belangen ervan verdedigen bij anderen door een gedrag aan te nemen passend bij de cultuur, behoeften, prioriteiten en doelen van de organisatie. | Toont belangstelling voor de organisatie. Stelt de organisatie in een positief maar eerlijk daglicht. Weet kritiek op de organisatie te relativeren. | Zonder voorwerp |
Gedragsindicatoren | |||
Nr | Specifieke competenties | Niveau 1 | Niveau 2 |
1. | Resultaatgericht handelen : actief gericht zijn op het behalen van resultaten en het realiseren van doelstellingen en de bereidheid vertonen om in te grijpen bij tegenvallende resultaten. Blijk geven van volharding en belang hechten aan zijn werk. | Controleert systematisch het eigen werk. Rapporteert spontaan over de voortgang van zijn werk. Verantwoordt de bijdrage van elke actie in het te behalen resultaat. Stuurt bij in geval van tegenvallende resultaten. Gaat regelmatig de deadlines van zijn werk na. | Zonder voorwerp |
2. | Opvolgen van regels : zich houden aan de gedragsregels en aan de procedures die gelden in de schoot van de organisatie en de anderen aansporen om hetzelfde te doen. | Respecteert de hiërarchische weg. Draagt zorg voor zijn kledij en uitrusting. Toont respect voor zijn oversten en collega's. Voert de beslissingen uit die binnen het team of door de chef genomen zijn. Respecteert de overeengekomen beloften en afspraken. Past zich aan de regels aan, zelfs indien deze strijdig zijn met de persoonlijke wensen. | Zonder voorwerp |
3. | Communiceren : in staat zijn ideeën en meningen met anderen uit te wisselen door gebruik te maken van duidelijke taal, gebaren of houdingen, met aanpassing van stijl en methode naargelang de situatie en het personeel. | Drukt zich verstaanbaar uit. Laat de anderen zich uitdrukken. Structureert zijn ideeën om de gewenste boodschap duidelijk over te brengen. Controleert of de andere hem goed begrepen heeft. Herformuleert de boodschap wanneer deze door de anderen niet goed begrepen is. Reageert op gepaste wijze op de gestelde vragen. | Past het niveau van zijn taal aan het publiek aan. Weet om te gaan met stiltes en gebruikt ze doeltreffend. Verdedigt zijn mening op een kalme en overtuigende manier. Bespreekt meningsverschillen zonder het conflict uit de weg te gaan. |
4. | Tijd en stress beheren : behouden van een doeltreffend gedrag in complexe situaties zelfs bij tijds- en werkdruk, bij tegenslag, teleurstelling of kritiek. | Kent zijn grenzen teneinde de termijnen te respecteren. Plant zijn werk efficiënt. Tracht tijdverlies te vermijden. Gaat door met doelmatig handelen onder tijdsdruk. | Blijft kalm en sereen wanneer hij onder druk komt te staan. Controleert de eigen emoties bij stresserende omstandigheden. Gaat op een gepaste manier om met verbale druk. Gaat op een gepaste manier om met fysieke druk. Neemt kritiek niet persoonlijk op en gaat door met werken op een constructieve manier. Blijft juiste beslissingen nemen in stresssituaties. |
5. | Onafhankelijk handelen : in staat zijn om bij gebrek aan speciale instructies of toezicht zijn functie uit te oefenen en initiatief te tonen. | Neemt het initiatief bij onverwachte omstandigheden. Neemt de juiste beslissingen op het juiste moment bij afwezigheid van de chef. Handelt op een zelfstandige en efficiënte manier in complexe situaties. Anticipeert op wat gedaan moet worden. | Zonder voorwerp |
6. | Zichzelf ontwikkelen : ondernemen van acties om eigen competenties te vergroten of te verbeteren, om beter te presteren. | Zoekt naar eigen sterktes en te verbeteren punten. Staat open voor feedback van zowel meerderen als medewerkers. Stelt zichzelf regelmatig in vraag om zijn kennis te verbeteren. | Zonder voorwerp |
7. | Anderen motiveren : aanmoedigen van anderen om een positieve instelling aan te nemen in de uitvoering van hun taak om zodoende de objectieven van de organisatie of van de groep te verwezenlijken. | Erkent de waarde van het werk van de medewerkers. Apprecieert medewerkers naar hun juiste waarde. Zegt duidelijk aan de medewerkers wat van hen verwacht wordt. Draagt het enthousiasme en de werkijver over op de collega's. Moedigt de medewerkers aan om door te zetten. | Zonder voorwerp |
8. | Richting geven : richting geven aan het personeel onder zijn verantwoordelijkheid in de uitvoering van hun taken, door stijl en methode aan te passen naargelang het betrokken personeel en de situatie. | Toont zijn kwaliteiten als chef door te voorzien, te bevelen en te controleren. Neemt als chef snel beslissingen. Geeft in alle omstandigheden duidelijke en precieze orders. Decentraliseert en delegeert zijn verantwoordelijkheden indien de situatie het vereist. Steunt zijn personeel. Dwingt respect en gehoorzaamheid af. | Zonder voorwerp |
9. | Het voorbeeld geven : vertegenwoordigen van de waarden, normen en regels van de organisatie, zich bewust zijn van de invloed van het eigen gedrag op anderen en ernaar handelen. | Is zich bewust van de impact van het eigen gedrag op de anderen. Durft zichzelf in vraag te stellen. Erkent zijn fouten. Maakt er werk van om persoonlijke zwakke punten te verbeteren. | Laat zich bij beslissingen leiden door de organisatiewaarden. Vertoont steeds gedrag dat door de organisatie wordt aanvaard. Krijgt via het eigen gedrag het respect van de anderen. |
10. | Oplossingsgericht denken : analyseren van de problemen op een logische wijze om een onderscheid te maken tussen oorzaak en gevolg waaruit conclusies getrokken worden met als doel een oplossing te vinden. | Verzamelt alle informatie in verband met het probleem. Onderscheidt de relevante van de irrelevante informatie. Pakt het probleem op een logische manier aan. Bekijkt een probleem vanuit verschillende invalshoeken. Omlijnt duidelijk de kern van het probleem. Formuleert een mening op basis van de verzamelde informatie. | Houdt rekening met de meningen van de anderen in zijn voorstellen. Formuleert oplossingen voor problemen waarover onvoldoende informatie beschikbaar is. Vergelijkt de verschillende voorgestelde oplossingen op grond van de voordelen en nadelen ervan. Plaatst de voorgestelde oplossing in een breder kader. |