23 JULI 2012. - Ministerieel besluit tot wijziging van de artikelen 38bis, 54, 60, 70, 71 en 75bis van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen
Art. 1-8
Artikel 1. Artikel 38bis, § 1, vijfde lid, 3°, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 5 juli 2004, wordt opgeheven.
Art.2. Artikel 54, § 3, derde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 13 december 1996 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 13 juni 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De werkloze, jonger dan 45 jaar, die voldeed aan de vereisten inzake werkloosheidsduur en ingeschreven werd als kandidaat bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wordt verder geacht te voldoen aan deze vereisten, zolang hij geen uitkeringen geniet overeenkomstig de in artikel 114 van het koninklijk besluit voorziene eerste vergoedingsperiode.".
Art.3. Artikel 60 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 8 december 2010, wordt aangevuld met een zevende lid, luidende :
"Ter uitvoering van artikel 110, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit, wordt voor de werknemer die niet langer vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, in geval de toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat voor de beschouwde maand het statuut van werknemer met gezinslast geldt, doch dit statuut slechts kon worden bepaald na verloop van de beschouwde maand aangezien de partner een onregelmatig inkomen geniet, het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaald op het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, 1°, van het koninklijk besluit.".
Art.4. In artikel 70 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°) in § 1 wordt de inleidende zin vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Voor de toepassing van artikel 114, § 2, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende :";
2°) § 1, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"1° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;";
3°) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. Voor de toekenning van het variabel aantal maanden in functie van het beroepsverleden in toepassing van artikel 114, § 2, van het koninklijk besluit, kan het beroepsverleden bedoeld in § 1, dat reeds toegerekend werd, geen tweede maal worden toegerekend.
Ingeval de eerste vergoedingsperiode overeenkomstig artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit opnieuw wordt vastgesteld, wordt het naar boven afgerond aantal maanden dat gelegen is tussen de recentste uitkeringsdag als volledig werkloze en de voorheen vastgestelde ingangsdatum van de derde vergoedingsperiode, en dat samenvalt met het variabel gedeelte van de tweede vergoedingsperiode, geacht nog niet toegerekend te zijn.
Het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen dat ingevolge een gebeurtenis zoals bedoeld in § 1 in aanmerking wordt genomen, worden geacht bereikt te zijn de dag volgend op het einde van deze gebeurtenis.".
Art.5. De titel van Afdeling IV van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Afdeling IV. - De begrippen "periode van werkhervatting", "dagen van onderbreking van de tewerkstelling" en "arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in het hotelbedrijf"".
Art.6. In artikel 71 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 10 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°) de inleidende zin van § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Wordt voor de toepassing van artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit in rekening gebracht als periode van werkhervatting, elke ononderbroken periode die geheel is samengesteld uit : ";
2°) in § 1, eerste lid, worden het 3° en het 4° opgeheven;
3°) § 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Een periode kan slechts als periode van werkhervatting in de zin van artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit worden beschouwd, indien ze gelegen is na het tijdstip waarop de recentste eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het koninklijk besluit, is aangevangen.";
4°) § 1, derde lid, wordt opgeheven;
5°) § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Wordt voor de toepassing van artikel 116, § 2, van het koninklijk besluit beschouwd als een dag van onderbreking van de tewerkstelling, een dag niet bedoeld in § 1, eerste lid, 1° of 2°.";
6°) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. Voor de toepassing van artikel 116, § 3, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder een arbeidsdag de dagen bedoeld in § 1, eerste lid, 1° als werknemer in het hotelbedrijf en wordt verstaan onder gelijkgestelde dag, de dagen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, gelegen in een periode gedekt door een arbeidsovereenkomst als werknemer in het hotelbedrijf.";
7°) het wordt aangevuld met een § 4, luidende :
" § 4. Als de loon- en arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, en als de ligging van de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon binnen een kwartaal niet kan worden vastgesteld, worden de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en/of waarin de referteperiode eindigt, geacht gelegen te zijn in de referteperiode.".
Art.7. Artikel 75bis, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 27 mei 1993 en vervangen bij het ministerieel besluit van 27 april 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Voor de toepassing van het eerste lid wordt, gedurende de eerste twaalf maanden van werkloosheid vastgesteld overeenkomstig de artikelen 114 en 116 van het koninklijk besluit, het bedrag van de daguitkering slechts in aanmerking genomen ten belope van een percentage gelijk aan 100, verminderd met het percentage inzake bedrijfsvoorheffing dat krachtens de fiscale wetgeving geldt voor werkloosheidsuitkeringen, wanneer de aanvrager een samenwonende werknemer is in de zin van artikel 110, § 3, van het koninklijk besluit.".
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2012.
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK