17 MAART 1998. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende steun aan de bedrijfsbegeleiding van land- en tuinbouwbedrijven in financiële moeilijkheden. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-05-1998 en tekstbijwerking tot 17-06-2000.)
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Erkenning van centra voor bedrijfsbegeleiding.
Art. 2-3
HOOFDSTUK III. - Steunverlening aan de erkende centra voor bedrijfsbegeleiding.
Art. 4-10
HOOFDSTUK IV. - Bedrijfsbegeleiding.
Art. 11-15
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 16-18
HOOFDSTUK I. - Definities.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° De minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid.
2° De afdeling : de afdeling Structuur en Investeringen van de administratie Land- en Tuinbouw.
3° Landbouwer : een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, landbouwer in hoofdberoep, in de zin van artikel 1, 1., 2., 3. van het besluit van de Vlaamse regering van 4 juli 1996 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw.
4° Erkend centrum : een centrum voor de begeleiding van bedrijven in financiële moeilijkheden, erkend overeenkomstig artikel 2 van dit besluit.
HOOFDSTUK II. - Erkenning van centra voor bedrijfsbegeleiding.
Art.2. Om als centrum voor bedrijfsbegeleiding erkend te kunnen worden, dient het centrum aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° minstens 3 jaar ervaring hebben in het verstrekken van technische en economische bedrijfsadviezen aan land- en tuinbouwbedrijven in het Vlaamse Gewest;
2° minstens 2 bedrijfsbegeleiders in dienst hebben die in het bezit zijn van een diploma van hogere studies in de landbouw, tuinbouw of een aanverwante discipline;
3° beschikken over een vestiging in het Vlaamse Gewest met een permanent secretariaat waar alle gegevens, nodig voor de controle op de uitvoering van de maatregel, ter beschikking zijn;
4° een natuurlijke- of rechtspersoon aanduiden verantwoordelijk voor de financiële verrichtingen van deze maatregel.
Art.3. Elke erkenning geschiedt door de minister na overlegging van de stukken waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 2 is voldaan.
HOOFDSTUK III. - Steunverlening aan de erkende centra voor bedrijfsbegeleiding.
Art.4. <BVR 2000-04-28/38, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-06-1999> De erkende centra kunnen binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten een vergoeding krijgen voor de begeleiding van landbouwers in financiële moeilijkheden ten gevolge van onvoldoende rendabiliteit van het landbouw- of tuinbouwbedrijf en die aan de volgende voorwaarden voldoen :
hetzij een achterstand hebben van meer dan 6 maanden op de aflossingen in kapitaal en intresten op hun lopende kredieten aangewend voor de financiering van het bedrijf of de bedrijfsactiviteiten, al dan niet met overheidstegemoetkoming of een betalingsregeling verkregen hebben die minimaal bestaat uit een uitstel van aflossing in kapitaal en een herschikking van de lopende kredieten voor de financiering van het bedrijf;
hetzij een beschikbaar inkomen hebben sedert minstens 2 jaar dat lager is dan het referentie-inkomen, bedoeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 4juli 1996 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw, vermenigvuldigd met een door de minister vastgestelde coëfficiënt. Deze coëfficiënt wordt bepaald rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten. De minister bepaalt de modaliteiten voor de berekening van het beschikbaar inkomen;
hetzij erkend als bedrijf in financiële moeilijkheden ten gevolge van door de Vlaamse regering erkende gevallen van overmacht en waarbij het normaal functioneren van de bedrijvigheid ernstig gestoord is of dreigt gestoord te worden.
Art.5. De achterstand op de lopende kredieten bedoeld in artikel 4 wordt aangetoond met een attest van de kredietinstelling.
Art.6. Het erkende centrum dat de uitbetaling van de vergoeding wenst te krijgen dient bij de afdeling een door de betrokken landbouwer ondertekend aanvraagformulier in, vergezeld van een verslag van de bedrijfsdoorlichting, van een streekplan waarin de nagestreefde evolutie van het bedrijf wordt gegeven en van een voorstel van intensieve begeleiding.
Art.7. De bij de aanvraag betrokken landbouwer machtigt de afdeling tot het opvragen van alle gegevens die nodig zijn om de juistheid van de aanvraag na te gaan.
Art.8. <BVR 2000-04-28/38, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-06-1999> Op het ogenblik van de aanvraag mag de betrokken landbouwer de leeftijd van 59 jaar niet bereikt hebben, behoudens in de gevallen waar de financiële moeilijkheden het gevolg zijn van door de Vlaamse regering erkende gevallen van overmacht en mogen de kredieten niet opgezegd zijn. Per bedrijf kan de steun slechts eenmaal toegekend worden, behoudens in de door de Vlaamse regering erkende gevallen van overmacht en behoudens de verlenging zoals bedoeld in artikel 15.
Art.9. Na onderzoek over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de aanvraag neemt de minister een beslissing over de steunverlening.
Art.10. De steun voor de bedrijfsbegeleiding zoals omschreven in artikel 11, bedraagt :
- 16 000 frank voor de doorlichting van het bedrijf;
- 4 000 frank per bezoek, met een maximum van 6 bezoeken, voor de intensieve begeleiding;
- 4 000 frank voor de evaluatie van de begeleiding.
HOOFDSTUK IV. - Bedrijfsbegeleiding.
Art.11. De bedrijfsbegeleiding omvat :
1° een doorlichting van het bedrijf, op economisch, financieel en technisch vlak;
2° het opstellen van een streefplan, waaruit blijkt dat de moeilijkheden van het bedrijf verholpen kunnen worden door het nemen van bepaalde maatregelen, dan wel dat de stopzetting van het bedrijf de meest aangewezen maatregel is;
3° een intensieve begeleiding door een bedrijfsbegeleider, ter uitvoering van het streefplan.
Art.12. De door het erkende centrum voorgestelde intensieve begeleiding kan van technische, economische of andere aard zijn en duurt maximum één jaar. Zij kan ook bestaan uit een begeleiding van de stopzetting van het bedrijf.
Art.13. De voorgestelde intensieve begeleiding moet een bijkomende begeleiding zijn bij die welke eventueel reeds op het bedrijf aanwezig is. Bestaande bedrijfsbegeleiding komt niet in aanmerking voor steunverlening. De begeleider moet over de nodige scholing beschikken en in de sector waarin het bedrijf actief is, een voldoende ervaring kunnen aantonen met het voorgestelde type van begeleiding.
Art.14. Na afloop van een periode van intensieve begeleiding wordt de toestand van het bedrijf geëvalueerd en getoetst aan het streefplan. Afwijkingen ten opzichte van het streefplan worden uitgelegd. Het centrum stuurt een evaluatieverslag aan de afdeling.
Art.15. Als uit de evaluatie blijkt dat een bijkomende periode van intensieve begeleiding nodig is, dan kan een tweede periode van intensieve begeleiding voorgesteld worden. Per kalenderjaar kan slechts steun verleend worden voor één periode van intensieve bedrijfsbegeleiding. Het aantal opeenvolgende perioden van intensieve bedrijfsbegeleiding is evenwel beperkt tot één voor de begeleiding van de stopzetting van het bedrijf en tot twee in de andere gevallen. De aanvraag dient te gebeuren overeenkomstig artikel 6 van dit besluit.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art.16. De artikelen 55 tot 58 van de wetten op de rijkscomptabiliteit zijn mede van toepassing op de steun, bedoeld in hoofdstuk III van dit besluit.
Art.17. Dit besluit houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2000. De Vlaamse regering kan de geldigheidsperiode verlengen.
Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 17 maart 1998.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media,
E. VAN ROMPUY