Naar hoofdinhoud

ARR:BM 1142.044

🏛️ Hof van Beroep Antwerpen 📅 2025-10-08 🌐 FR

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 18 december 1986, 19 maart 2017

Volledige tekst

Hof van beroep Antwerpe n - -p. 2 2024/PGA/3438- 2024/VJll/1294 Het OPENBAAR MINISTERIE tegen 1. rijksregisternummer geboren wonende te van Belgische nationaliteit beklaagde in persoon aanwezig en bijgestaan door mr. 2. ondernemingsnummer met maatschappeli jke zetel te beklaagde vertegenwoordigd door mr. 1. Ten laste gelegde feiten r, advocaat bij de balie Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek; Op het perceel aldaar gelegen gekadastreerd als: met een oppervlakte van 57a 32ca eigendom var ingevolge akte verleden door notari! ') : d.d. 08/03/1990 advocaat bij de balie Hof van beroep Antwerpen - 1 -p. 3 A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk het plaatsen van een tentconstructie (incl. betonverharding} van 7,5 x 125 m, (art. 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, l°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te : tussen 1 augustus 2021 en 7 september 2021 door B gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk het gewoonlijk gebruik van het bovenvermelde perceel voor de opslag van scheepscontainers voor de stockage van materialen, (art. 4.2.1., 5°, a}, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °1 a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de om gevi ngsve rgu n n ing) te data door : tussen 1 augustus 2021 en 25 april 2023, meermaals. op niet nader bepaalde Hof van beroep Antwerpen - -p. 4 C niet naleven maatregelen opzettelijk de opgelegde bestuurlijke maatregelen, bestuurlijke geldboeten, voordeelontnemingen, veiligheidsmaatregelen of de door de rechter opgelegde maatregelen niet te hebben uitgevoerd, betaald of te hebben genegeerd, namelijk, (art. 16.6.1. § 2, l O Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieu beleid) 1 te : in de periode van 1 maart 2022 tot en met 6 december 2022 door l, de niet-naleving van artikel 1 punt 1 van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen meer bepaald het niet tijdig verwijderen van het houtafval en brandhout (bielzen en verbrande balken) uit het bosperceel 2 te . in de periode van 1 november 2022 tot en met 6 december 2022 door de niet-naleving van artikel 1 punt 3 van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen 7, meer bepaald het niet tijdig verwijderen van de tenthangaar en de scheepscontainers Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid Ref.: Bedrag: 285,00 euro (get.) 2. Bestreden beslissing 2.1. d.d. 5 februari 2024 Bij het vonnis. op tegenspraak gewezen op 7 oktober 2024 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. kamer ACl, werd als volgt beslist: Op strafgebied Past de omschrijving van tenlastelegging A aan als volgt: Hof van beroep Antwerpen - -p. s "namelijk het plaatsen van een tentconstructie (incl. betonverharding) van 7,5 x 25 m" Past de incriminat ieperiode van tenlastelegging C.1 aan als volgt: "te op 1 maart 2022" Past de incriminatieperiode van tenlastelegging C.2 aan als volgt: "te op 1 november 2022" Ten aanzien van • • r, eerste beklaagde Veroordeelt • voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A -met aangepaste omschrijving -, B, Cl -met aangepaste incriminatieperiode -en C2 -met aangepaste incriminatieperiode -: tot een geldboete van 4.800,00 EUR, zijnde 600,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 2.400,00 EUR, zijnde 300,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Veroordeelt tot betaling van: een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24100 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijns bijstand; een vaste vergoeding voor beheerskoste n in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 383,11 = 191,56 EUR. Hof van beroep Antwerpen - -p. 6 .. .,._ ~-------------------- -- Ten aanzien var beklaagde Veroordeelt tweede voor de vermengde feiten van de tenlastelegg ingen A -met aangepaste omschrijving-, B, C1 -met aangepaste incriminatieperiode- en C2 -met aangepaste incriminatieperiode-: tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar. Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor een bedrag van 25.000 euro. Veroordeelt van: tot betaling -een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvorder ing tot op heden begroot op 1/2 x 383,11 = 191,56 EUR. Op burgerlijk gebied Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan. Hof van beroep Antwerpen - -p. 7 2,2. Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 7 oktober 2024 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen: op 6 november 2024 door de raadsman van de beklaagden • tegen alle beschikkingen, en op 6 november 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden en tegen alle beschikkingen op strafgebied. 2.3. Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen: op 6 novembe r 2024 door de raadsman van de beklaagden en op 6 november 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden 3. Rechtspleging voor het hof De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 10 september 2025. Het hof heeft hierbij gehoord: mevrouw de Voorzitter in haar verslag, het Openbaar Ministerie in zijn uiteenzett ing van de zaak en in zijn vordering, -de beklaagde in zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door hemzelf en door zijn raadsman, voornoemd, de beklaagde in hun middelen van verdediging, ontwikkeld door haar raadsman, voornoemd. De neergelegde conclusie en stukken werden in het beraad betrokken. Hof van beroep Antwerpen -2024/CO1239 -p. 8 4. Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen 4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen 1. De verklaringen van hoger beroep van beklaagden 'en van het Openbaar Ministerie werden tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen. 2. Het verzoekschrift van beklaagder zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de schuldigve rklaring aan alle tenlasteleggingen en de straf (de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ) zijn nauwkeurig. 3. Het verzoekschrift van het Openbaar Ministerie ten opzichte van beklaagden zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig Ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf (inclusief verbeurdverk laring} is nauwkeurig. 4. De hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie zijn regelmatig naar vorm en termijn en zijn ontvankelijk, gelet op het bovenstaande. 4.2. Omvang van de hogere beroepen Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering . Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het hof zich uit tot de beoordeling van de beschikkingen van het bestreden vonnis die betrekking hebben op de schuldigverklaring van beide beklaagden aan de feiten onder tenlasteleggingen A, B, C.1 en C.2 en de straf ten aanzien van beide beklaagden, daarin inbegrepen de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen . Hof van beroep Antwerpen - -p. 9 •• --·--------------- --------- 5. Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de schuld De eerste rechter heeft terecht de omschrijving van tenlastelegging A aangepast als volgt: "namelijk het plaatsen van een tentconstructie (incl. betonverharding} van 7,5 x 25 m". Tevens heeft de eerste rechter terecht de tijdsbepaling voor het feit onder tenlastelegging C.1 beperkt tot "te • op 1 maart 2022" en voor het feit ,onder tenlastelegging C.2 "te • op 1 november 2022". Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter terechtzitting door het hof is de schuld van de beklaagder aan de feiten onder tenlasteleggingen A (met aangepaste omschrijving), 8, C.1 (met aangepaste tijdsbepaling) en C.2 (met aangepaste tijdsbepaling) bewezen gebleven. Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op bladzijden 4 en 5 van het bestreden vonnis, die door de beklaagden in hoger beroep niet wordt weerlegd en door het hof integraal wordt beaamd en overgenomen, en in antwoord op de beroepsconclusie als volgt wordt aangevuld. Onder tenlastelegging A (zoals aangepast) worden de beklaagden ervan verdacht een tentconstructie geplaatst te hebben, inclusief betonverharding, zonder geldige omgevingsvergunning. Onder tenlastelegging B worden de beklaagden ervan verdacht een perceel gewoonlijk te gebruiken voor de opslag van zeecontainers . dienstig voor de stockage van materialen. Onder tenlasteleggingen C.1 en C.2, beiden met aangepaste tijdsbepaling, worden de beklaagden ervan verdacht opzettelijk een opgelegde bestuurlijke maatregel te hebben miskend, door het niet tijdig verwijderen van het houtafval en brandhout uit het bosperceel (C.1) en door het niet tijdig verwijderen van de tenthangaar en de scheepscontainers (C.2). Het staat niet ter discussie dat de feiten zich voordeden in parkgebied, hetwelk overeenkomstig artikel 1.1.2. 10° 11) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (verder VCRO) ruimtelijk kwetsbaar gebied betreft. Met betrekking tot de feiten vervat onder tenlastelegging A (zoals aangepast) zette de eerste rechter oordeelkundig uiteen waarom de tent te beschouwen is als een constructie in de zin van artikel 4.1.1 3° VCRO, en waarom artikel 7.1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (verder Vrijstellingsbesluit) niet van toepassing is, gezien dit artikel een specifieke situatie beoogt, dewelke niet aan de orde Is. Hof van beroep Antwerpen p. 10 ___ ,,, ..... ...,.__ ... , ___________________ _ Evenmin is artikel 3.1, 2° van het Vrijstellingsbesluit van toepassing hetwelk bepaalt dat geen stedenbouwkundige vergunning vereist is voor handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels en daken, in, aan of bij hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, die geen woningen zijn. Luidens artikel 3.2 van het Vrijstellingsbesluit is deze vrijstelling van toepassing op voorwaar de dat de handelingen worden uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, geen vergunningsplichtige functiewijziging met zich meebrengen, en niet gesitueerd zijn in een oeverzone of in de vijfmeterstrook langs waterlopen. De beklaagden stellen dat aan al de voorwaarden zou voldaan zijn nu de tent werd geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van bestaande vergunde bedrijfsgebouwen van beklaagde , ruim binnen een straal van 30 meter en er geen stabiliteitswerken werden uitgevoerd, nu de tent verplaatsbaar was en louter rustte op een vlakke verwijderbare ondergrond dewelke niet als fundering kan aangemerkt worden, maar louter functione el was om modder en verzakking te vermijden. Het hof verwijst naar de vaststellingen en foto's In het strafdossier. Op 6 augustus 2021 kwam de natuurinspecteur ter plaatse en stelde deze onder meer vast dat: " ... in het midden van het zuidelijke gedeelte is een grote hangaar tent opgetrokken, dewelke volgens • moet dienen als tijdelijke stockageruimte voor zijn bedrijf. Wij stellen vast dat de constructie rust op betonnen funderingen en er voor het bouwen van de constructie bomen werden gekapt. De constructie is tevens voorzien van elektrische verlichting" (aanvankelijk proces-verbaal ). Uit het fotodossier bij deze vaststellingen blijkt dat er zand werd aangevoer d met een bulldozer (sporern in het zand) en is er een foto van de betonnen fundering die werd gegoten. Gezien deze duidelijke vaststellingen werden wel degelijk stabiliteitswerken uitgevoerd en vallen de beklaagden evenmin onder artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit . Het gegeven dat de tent werd geplaatst omdat een hangar was ingestort, en de beklaagden ingevolge de sanitaire crisis besloten om meer stock aan te leggen en derhalve dringend stockageruimte nodig hadden, ontslaat hen geenszins van de verplichting de reglementering te respecteren. Tevens hadden de beklaagden een externe opslagruimte kunnen zoeken. Hof van beroep Antwerpen - , _ p. 11 Voor wat betreft de feiten vervat onder tenlasteleggingen B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast), heeft de eerste rechter op omstandige en volledige wijze uiteengezet waarom de beklaagden schuldig zijn aan deze feiten en de beklaagden hebben in hoger beroep geen middelen aangebracht die het hof tot een ander besluit kunnen brengen. Wat betreft de feiten onder tenlastelegging B, het gewoonlijk gebruik van de terreinen voor de opslag van zeecontainers dienstig voor stockage, stipt het hof nog aan dat noch een aanslepende verzekeringskwestie, noch een bouwgeschil, noch de pandemie redenen zijn om de stedenbouwkundige voorschriften in ruimtelijk kwetsbaar gebied gewoonweg naast zich neer te leggen. Het hof stipt eveneens nog aan dat het gegeven dat aan de tweede bestuurlijke maatregel werd voldaan door de beklaagden, noch het feit dat de tweede bestuurlijke maatregel de eerste heeft opgeheven, afbreuk doet aan het feit dat de beklaagden wetens geen tijdige invulling gaven inzake de feiten vervat onder tenlasteleggingen C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoa Is aangepast). De materialiteit van de feiten blijkt uit de hercontrole waarbij werd vastgesteld dat het houtaval en brandhout er nog lag, alsook waren de tent en de scheepscontainers nog ter plaatse; de tent werd nog steeds gebruikt als opslagruimte door beklaagde dienste van beklaagde Niettegenstaande de kennis van beide beklaagden over de inhoud van de hen opgelegde bestuurlijke maatregel (Besluit ---, en de duidelijke timing vervat in deze maatregel, waren zij er zich van bewust, of dienden ze zich er minstens bewust van te zijn, dat de bovenvermelde handelingen in strijd waren met de opgelegde maatregel, zodat ook aan het moreel element is voldaan in hoofde van beide beklaagden. De constitutieve elementen van het misdrijf van de tenlasteleggingen C.1 (zoals aangepas t) en C.2 (zoals aangepast) voltrokken zich immers voor de opheffing van de eerste bestuurlijke maatregel door de tweede. Het gegeven dat de pandemie het één en ander bemoeilijkte, houdt geen onmogelijkhe id in voor beide beklaagden om tijdig gevolg te geven aan de opgelegde maatregel en de moeilijke omstandigheden alsook de aanpassingen inzake de bedrijfsvoering veroorzaakt door de pandemie, golden voor elke ondernemer . Hof van beroep Antwerpen - -p. 12 6. Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de straf De bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen A (met aangepaste omschrijving), B, C.1 (met aangepaste tijdsbepa ling) en C.2 (met aangepaste tijdsbepaling) waren voor de beide beklaagden de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat ten aanzien van elk van hen slechts één straf dient te worden uitgesproken, namelijk deze die het feit bestraft waarvoor de wet de zwaarste straf voorziet. Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met: de omstandigheden, de aard en de ernst van de feiten, die blijk geven van een eigengereid optreden, waarbij de eigen commerciële en financiële belangen werden geprevaleerd boven het algemeen maatschappelijk belang hetwelk gebaat is door een goede ruimtelijke ordening; de beide beklaagden maakten zonder vergunning gebruik van een groenzone in parkgebied voor de opslag van materialen, hetwelk kwetsbaar gebied betreft, en legden een bestuurlijke maatregel naast zich neer, daar waar het openbaar belang gebaat is met de bescherming van dit ruimtelijk kwetsbaar gebied; het strafrechtelijk verleden van beklaagde dewelke naast twee veroordelingen door de politierechtbank ook reeds twee correctionele veroordelingen opliep, met name een geldboete voor inbreuken gerelateerd aan het neerleggen van de jaarrekening en een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel voor drie jaar alsook een geldboete van 1.000,00 euro, waarvan de helft met uitstel voor drie jaar wegens faillissementsmisdr ijven; het tijdsverloop sedert de feiten zonder dat er een schending van de redelijke termijn in strafzaken voorligt en waarbij de beklaagden afdoende tijd werd gegeven om zich in regel te stellen; de vaststelling dat de beklaagden inmiddels wel het nodige hebben gedaan om de toestand ter plaatse te regulariseren. Om al deze redenen heeft de eerste rechter om oordeelkundige redenen, die worden beaamd en overgenomen door het hof, een wettige en passende bestraffing opgelegd aan beklaagde onder de vorm van een geldboete van 4.800,00 euro, dit is 600,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen en aan beklaagde onder de vorm van een geldboete van 8.000,00 euro, dit is 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen. Hof van beroep Antwerpen - -p.13 Deze straffen zijn aangepast aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zijn nodig om de beklaagden het ontoelaatbare van hun handelen te doen inzien en moeten hen ertoe aanzetten om zich in de toekomst van zulke gedragingen te onthouden. De duur van de vervangende gevangenisstraf voor beklaagde t is aangepast aan de omvang van de geldboete die hem wordt opgelegd. Nu de beklaagden inmiddels de toestand ter plaatse hebben geregulariseerd, en beide beklaagden daartoe aan de voorwaarden voldoen, gelast het hof uitstel van de tenuitvoerlegging van de hen opgelegde geldboete, doch evenwel slechts voor de helft van de hen opgelegde geldboete. Dit uitstel en een proeftermijn van drie jaar moeten een maximale preventieve werking van de uitgestelde straffen waarborgen. Het hof gaat niet in op het ondergeschikt verzoek van de beklaagden hen een straf volledig met uitstel op te leggen, nu dit hen onvoldoende zou wijzen op hun maatschappelijke beperkingen en verplichtingen, en een onvoldoende en ongepaste reactie naar hun persoon zou uitmaken, gelet op de aard, de duur en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Verder werden de beide beklaagden door de eerste rechter terecht veroordeeld tot betaling van een bijdrage aan het slachtofferfonds, een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze laatste bijdrage en vergoeding dienen weliswaar te worden geïndexeerd zoals verder bepaald. Voor de eerste rechter vorderde het Openbaar Ministerie op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek schriftelijk de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die de beklaagden uit de misdrijven onder tenlasteleggingen A (zoals aangepas t), B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast) zouden hebben verkregen, dewelke werden geraamd op 41.600,00 euro. Deze berekening is gesteund op de berekening van een maandelijkse huurprijs voor een vergelijkbare stockageruimte gedurende de incriminatieperlode. De gevorderde verbeurdverklaring is facultatief. De eerste rechter ging deels op deze vordering in en bepaalde de vermogensvoordelen in billijkheid op een bedrag van 25.000,00 euro, dat volledig ten laste van beklaagde verbeurd werd verklaard. Hof van beroep Antwerpen - -p.14 • -·•~ ~----------------------- Net als de eerste rechter leidt het hof uit het strafdossier af dat het enkel de rechtspersoon is geweest die opbrengsten uit de vermelde misdrijven heeft verworven. Deze beklaagde is haar activiteit van verkoop, onderhoud en herstelling van wijnkasten wederrechtelijk blijven exploiteren door het oprichten van een tentconstructie dienstig voor opslag van goederen zonder omgevingsvergunning, alsook werd een groenzone gewoonlijk gebruikt voor de opslag van scheepscontainers, dienstig voor de stockage van materialen, zonder omgevingsvergunning, om zich te verzekeren van inkomsten uit haar activiteit. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat beklaagde / in het bezit zou blijven van de illegale opbrengsten van deze misdrijven, nu zij do-or op deze wijze te handelen kosten bespaarde en oneerlijke concurrent ie voerde ten aanzien van eventuele concurrenten die zich wel aan de regels hielden. Net als de eerste rechter stelt het hof vast dat het niet mogelijk is de kostenbesparing met mathematische precisie te berekenen en raamt het hof net als de eerste rechter de kostenbesparing in redelijkheid en billijkheid op 25.000,00 euro. Het hof baseert zich hierbij op de stukken van het strafdossier voor wat betreft de omvang van de opslag, de duur van de incriminatieperiode en de gangbare huurprijzen. Hiermee wordt aan beklaagde • •• ••• ·-- geen onredelijk zware straf opgelegd, rekening houdend met de aard, de ernst, de duur van de bewezen misdrijven en de rechtspersoonlijkhe id van beklaagde Uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring van dit bedrag disproportioneel zou zijn. Er ligt geen grond voor om tot verdere matiging van deze verbeurdverklaring over te gaan. Louter volledigheidshalve onderstreept het hof hierbij nog dat beklaagde -• • hoe dan ook in gebreke blijft aannemelijk te maken dat de opgelegde verbeurdverklaring dermate afbreuk zou doen aan haar financiële toestand dat ze een schending van het eigendomsrecht zou inhouden. De verkregen vermogensvoordelen konden niet worden gevonden in het vermogen van deze beklaagde, zodat de verbeurdverk laring betrekking heeft op de geldwaarde die ermee overeenstemt. 7. Op burgerrechtelijk gebied De beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering , wordt bevestigd door het hof. Hof van beroep Antwerpen - 1-p. 15 8. Wettelijke bepalingen Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artiikelen: 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 152, 162, 182, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 209bis, 210, 211 en 211bis van het Wetboek van Strafvordering 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 38, 40, 41bis, 42, 43bis, 50, 65 en 66 van het Strafwetboek 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., l°, a), 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening 5, 1 °, a), en 6 lid 1 van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning 16.6.1. § 2, 1 ° van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid 1 van de wet van 5 maart 1952 -59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016 1, 8 en 18bis van de wet van 29 juni 1964 58 van het KB van 18 december 1986 -28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985 -4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017 6 van het KB van 26 april 2017 -91 van het KB van 28 december 1950 1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020 -4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) 9. Beslissing Het hof, Rechtdoende op tegenspraak en met eenparigheid van stemmen; Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen zoals hiervoor bepaald, als volgt: Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden Openbaar Ministerie ontvankelijk; en van het Hof van beroep Antwerpen - -p. 16 Op strafrechtelijk gebied Bevestigt de door de eerste rechter aangebrachte omschrijving van de feiten vervat onder tenlastelegging A alsook de aanpassing van de tijdsbepaling van de feiten vervat onder tenlasteleggingen C.1 en C.2; Ten aanzien van bek/aaqdE Verklaart beklaagde schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen A (zoals aangepast), B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast); Veroordeelt beklaagde voor al deze feiten samen tot een geldboete van 4.800,00 euro, dit is 600,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen; Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de hel~; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagde tot betaling van: • werd veroordeeld -een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro; Ten aanzien van beklaagde Verklaart beklaagde • schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen A (zoals aangepast), B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast); Veroordeelt beklaagde ' voor al deze feiten samen tot een geldboete van 8.000,00 euro, dit is 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; Hof van beroep Antwerpen - -p.17 Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de helft; Bevestigt het bestreden vonnis In zoverre lastens beklaagde de verbeurdverklaring bij equivalent werd bevolen van de door haar genoten wederrechtelijke vermogensvoordelen van 25.000,00 euro; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagde betaling van: werd veroordeeld tot een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro; Op burgerrechtelijk gebied Bevestigt de beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering; Met betrekking tot de kosten Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre elk van beide beklaagden werden verwezen in de kosten van de strafvordering in eerste aanleg ten belope van de helft; Verwijst de beklaagden hoofdelijk in de kosten van de strafvordering in hoger beroep, deze voorgeschoten door de openbare partij en in totaal begroot op 112,90 euro. Hof van beroep Antwerpen - -p.18 Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit: Kamervoorzitter Raadsheer Raadsheer die aan de beraadslaging hebben deelgenomen en in openbare terechtzitting van 8 oktober 2025 uitgesproken door , Kamervoorzitter in aanwezigheid van , Substituut -procureur-gene raal met bijstand van Griffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot