ARR:BM 1142.044
🏛️ Hof van Beroep Antwerpen
📅 2025-10-08
🌐 FR
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 18 december 1986, 19 maart 2017
Volledige tekst
Hof van beroep Antwerpe n - -p. 2
2024/PGA/3438- 2024/VJll/1294
Het OPENBAAR MINISTERIE
tegen
1.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
beklaagde
in persoon aanwezig en bijgestaan door mr.
2.
ondernemingsnummer
met maatschappeli jke zetel te
beklaagde
vertegenwoordigd door mr.
1. Ten laste gelegde feiten r, advocaat bij de balie
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek;
Op het perceel aldaar gelegen
gekadastreerd als:
met een oppervlakte van 57a 32ca
eigendom var
ingevolge akte verleden door notari! ')
: d.d. 08/03/1990 advocaat bij de balie
Hof van beroep Antwerpen - 1 -p. 3
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk het plaatsen van een tentconstructie
(incl. betonverharding} van 7,5 x 125 m,
(art. 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, l°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te : tussen 1 augustus 2021 en 7 september 2021
door
B gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben
uitgevoerd, namelijk het gewoonlijk gebruik van het bovenvermelde perceel voor de opslag
van scheepscontainers voor de stockage van materialen,
(art. 4.2.1., 5°, a}, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1 °1 a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
om gevi ngsve rgu n n ing)
te
data
door : tussen 1 augustus 2021 en 25 april 2023, meermaals. op niet nader bepaalde
Hof van beroep Antwerpen - -p. 4
C niet naleven maatregelen
opzettelijk de opgelegde bestuurlijke maatregelen, bestuurlijke geldboeten,
voordeelontnemingen, veiligheidsmaatregelen of de door de rechter opgelegde maatregelen
niet te hebben uitgevoerd, betaald of te hebben genegeerd, namelijk,
(art. 16.6.1. § 2, l O Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake
milieu beleid)
1 te : in de periode van 1 maart 2022 tot en met 6 december 2022
door l,
de niet-naleving van artikel 1 punt 1 van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen
meer bepaald het niet tijdig verwijderen van het houtafval en
brandhout (bielzen en verbrande balken) uit het bosperceel
2 te . in de periode van 1 november 2022 tot en met 6 december 2022
door
de niet-naleving van artikel 1 punt 3 van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen
7, meer bepaald het niet tijdig verwijderen van de tenthangaar en de
scheepscontainers
Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
Ref.:
Bedrag: 285,00 euro
(get.)
2. Bestreden beslissing
2.1. d.d. 5 februari 2024
Bij het vonnis. op tegenspraak gewezen op 7 oktober 2024 door de rechtbank van eerste
aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. kamer ACl, werd als volgt beslist:
Op strafgebied
Past de omschrijving van tenlastelegging A aan als volgt:
Hof van beroep Antwerpen - -p. s
"namelijk het plaatsen van een tentconstructie (incl. betonverharding) van 7,5 x 25 m"
Past de incriminat ieperiode van tenlastelegging C.1 aan als volgt:
"te op 1 maart 2022"
Past de incriminatieperiode van tenlastelegging C.2 aan als volgt:
"te op 1 november 2022"
Ten aanzien van • • r, eerste beklaagde
Veroordeelt • voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A -met
aangepaste omschrijving -, B, Cl -met aangepaste incriminatieperiode -en C2 -met
aangepaste incriminatieperiode -:
tot een geldboete van 4.800,00 EUR, zijnde 600,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3
jaar, doch slechts voor een gedeelte van 2.400,00 EUR, zijnde 300,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 24100 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijns bijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskoste n in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90 EUR;
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 383,11 = 191,56 EUR.
Hof van beroep Antwerpen - -p. 6
.. .,._ ~-------------------- --
Ten aanzien var
beklaagde
Veroordeelt tweede
voor de
vermengde feiten van de tenlastelegg ingen A -met aangepaste omschrijving-, B, C1 -met
aangepaste incriminatieperiode- en C2 -met aangepaste incriminatieperiode-:
tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar.
Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor
een bedrag van 25.000 euro.
Veroordeelt
van: tot betaling
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90 EUR;
de kosten van de strafvorder ing tot op heden begroot op 1/2 x 383,11 = 191,56 EUR.
Op burgerlijk gebied
Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan.
Hof van beroep Antwerpen - -p. 7
2,2.
Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 7 oktober 2024 op de griffie van
de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen:
op 6 november 2024 door de raadsman van de beklaagden
• tegen alle beschikkingen, en
op 6 november 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden
en tegen alle beschikkingen op strafgebied.
2.3.
Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend
op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen:
op 6 novembe r 2024 door de raadsman van de beklaagden en
op 6 november 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden
3. Rechtspleging voor het hof
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 10 september 2025.
Het hof heeft hierbij gehoord:
mevrouw de Voorzitter in haar verslag,
het Openbaar Ministerie in zijn uiteenzett ing van de zaak en in zijn vordering,
-de beklaagde in zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door
hemzelf en door zijn raadsman, voornoemd,
de beklaagde in hun middelen van verdediging, ontwikkeld door haar
raadsman, voornoemd.
De neergelegde conclusie en stukken werden in het beraad betrokken.
Hof van beroep Antwerpen -2024/CO1239 -p. 8
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen
4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen
1. De verklaringen van hoger beroep van beklaagden 'en van het
Openbaar Ministerie werden tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die
het bestreden vonnis heeft gewezen.
2. Het verzoekschrift van beklaagder zoals bedoeld in artikel 204
Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank
die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot
de schuldigve rklaring aan alle tenlasteleggingen en de straf (de verbeurdverklaring van
vermogensvoordelen ) zijn nauwkeurig.
3. Het verzoekschrift van het Openbaar Ministerie ten opzichte van beklaagden
zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en
regelmatig Ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en
de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf (inclusief verbeurdverk laring} is
nauwkeurig.
4. De hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie zijn regelmatig
naar vorm en termijn en zijn ontvankelijk, gelet op het bovenstaande.
4.2. Omvang van de hogere beroepen
Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in
artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering .
Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het
hof zich uit tot de beoordeling van de beschikkingen van het bestreden vonnis die betrekking
hebben op de schuldigverklaring van beide beklaagden aan de feiten onder
tenlasteleggingen A, B, C.1 en C.2 en de straf ten aanzien van beide beklaagden, daarin
inbegrepen de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen .
Hof van beroep Antwerpen - -p. 9
•• --·--------------- ---------
5. Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de schuld
De eerste rechter heeft terecht de omschrijving van tenlastelegging A aangepast als volgt:
"namelijk het plaatsen van een tentconstructie (incl. betonverharding} van 7,5 x 25 m".
Tevens heeft de eerste rechter terecht de tijdsbepaling voor het feit onder tenlastelegging
C.1 beperkt tot "te • op 1 maart 2022" en voor het feit ,onder tenlastelegging C.2
"te • op 1 november 2022".
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting door het hof is de schuld van de beklaagder aan de
feiten onder tenlasteleggingen A (met aangepaste omschrijving), 8, C.1 (met aangepaste
tijdsbepaling) en C.2 (met aangepaste tijdsbepaling) bewezen gebleven.
Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op
bladzijden 4 en 5 van het bestreden vonnis, die door de beklaagden in hoger beroep niet
wordt weerlegd en door het hof integraal wordt beaamd en overgenomen, en in antwoord
op de beroepsconclusie als volgt wordt aangevuld.
Onder tenlastelegging A (zoals aangepast) worden de beklaagden ervan verdacht een
tentconstructie geplaatst te hebben, inclusief betonverharding, zonder geldige
omgevingsvergunning. Onder tenlastelegging B worden de beklaagden ervan verdacht een
perceel gewoonlijk te gebruiken voor de opslag van zeecontainers . dienstig voor de stockage
van materialen. Onder tenlasteleggingen C.1 en C.2, beiden met aangepaste tijdsbepaling,
worden de beklaagden ervan verdacht opzettelijk een opgelegde bestuurlijke maatregel te
hebben miskend, door het niet tijdig verwijderen van het houtafval en brandhout uit het
bosperceel (C.1) en door het niet tijdig verwijderen van de tenthangaar en de
scheepscontainers (C.2).
Het staat niet ter discussie dat de feiten zich voordeden in parkgebied, hetwelk
overeenkomstig artikel 1.1.2. 10° 11) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (verder
VCRO) ruimtelijk kwetsbaar gebied betreft.
Met betrekking tot de feiten vervat onder tenlastelegging A (zoals aangepast) zette de eerste
rechter oordeelkundig uiteen waarom de tent te beschouwen is als een constructie in de zin
van artikel 4.1.1 3° VCRO, en waarom artikel 7.1 van het Besluit van de Vlaamse Regering
van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen
omgevingsvergunning nodig is (verder Vrijstellingsbesluit) niet van toepassing is, gezien dit
artikel een specifieke situatie beoogt, dewelke niet aan de orde Is.
Hof van beroep Antwerpen p. 10
___ ,,, ..... ...,.__ ... , ___________________ _
Evenmin is artikel 3.1, 2° van het Vrijstellingsbesluit van toepassing hetwelk bepaalt dat geen
stedenbouwkundige vergunning vereist is voor handelingen zonder stabiliteitswerken en
zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels en daken, in, aan of
bij hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, die geen woningen zijn. Luidens
artikel 3.2 van het Vrijstellingsbesluit is deze vrijstelling van toepassing op voorwaar de dat
de handelingen worden uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk
vergund of vergund geacht gebouw, geen vergunningsplichtige functiewijziging met zich
meebrengen, en niet gesitueerd zijn in een oeverzone of in de vijfmeterstrook langs
waterlopen.
De beklaagden stellen dat aan al de voorwaarden zou voldaan zijn nu de tent werd geplaatst
in de onmiddellijke nabijheid van bestaande vergunde bedrijfsgebouwen van beklaagde
, ruim binnen een straal van 30 meter en er geen stabiliteitswerken werden
uitgevoerd, nu de tent verplaatsbaar was en louter rustte op een vlakke verwijderbare
ondergrond dewelke niet als fundering kan aangemerkt worden, maar louter functione el
was om modder en verzakking te vermijden.
Het hof verwijst naar de vaststellingen en foto's In het strafdossier. Op 6 augustus 2021
kwam de natuurinspecteur ter plaatse en stelde deze onder meer vast dat: " ... in het midden
van het zuidelijke gedeelte is een grote hangaar tent opgetrokken, dewelke volgens
• moet dienen als tijdelijke stockageruimte voor zijn bedrijf. Wij stellen vast dat de
constructie rust op betonnen funderingen en er voor het bouwen van de constructie bomen
werden gekapt. De constructie is tevens voorzien van elektrische verlichting" (aanvankelijk
proces-verbaal ). Uit het fotodossier bij deze vaststellingen blijkt
dat er zand werd aangevoer d met een bulldozer (sporern in het zand) en is er een foto van de
betonnen fundering die werd gegoten.
Gezien deze duidelijke vaststellingen werden wel degelijk stabiliteitswerken uitgevoerd en
vallen de beklaagden evenmin onder artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit .
Het gegeven dat de tent werd geplaatst omdat een hangar was ingestort, en de beklaagden
ingevolge de sanitaire crisis besloten om meer stock aan te leggen en derhalve dringend
stockageruimte nodig hadden, ontslaat hen geenszins van de verplichting de reglementering
te respecteren. Tevens hadden de beklaagden een externe opslagruimte kunnen zoeken.
Hof van beroep Antwerpen - , _ p. 11
Voor wat betreft de feiten vervat onder tenlasteleggingen B, C.1 (zoals aangepast) en C.2
(zoals aangepast), heeft de eerste rechter op omstandige en volledige wijze uiteengezet
waarom de beklaagden schuldig zijn aan deze feiten en de beklaagden hebben in hoger
beroep geen middelen aangebracht die het hof tot een ander besluit kunnen brengen.
Wat betreft de feiten onder tenlastelegging B, het gewoonlijk gebruik van de terreinen voor
de opslag van zeecontainers dienstig voor stockage, stipt het hof nog aan dat noch een
aanslepende verzekeringskwestie, noch een bouwgeschil, noch de pandemie redenen zijn
om de stedenbouwkundige voorschriften in ruimtelijk kwetsbaar gebied gewoonweg naast
zich neer te leggen.
Het hof stipt eveneens nog aan dat het gegeven dat aan de tweede bestuurlijke maatregel
werd voldaan door de beklaagden, noch het feit dat de tweede bestuurlijke maatregel de
eerste heeft opgeheven, afbreuk doet aan het feit dat de beklaagden wetens geen tijdige
invulling gaven inzake de feiten vervat onder tenlasteleggingen C.1 (zoals aangepast) en C.2
(zoa Is aangepast).
De materialiteit van de feiten blijkt uit de hercontrole waarbij werd vastgesteld dat het
houtaval en brandhout er nog lag, alsook waren de tent en de scheepscontainers nog ter
plaatse; de tent werd nog steeds gebruikt als opslagruimte door beklaagde
dienste van beklaagde
Niettegenstaande de kennis van beide beklaagden over de inhoud van de hen opgelegde
bestuurlijke maatregel (Besluit ---, en de duidelijke timing vervat in deze
maatregel, waren zij er zich van bewust, of dienden ze zich er minstens bewust van te zijn,
dat de bovenvermelde handelingen in strijd waren met de opgelegde maatregel, zodat ook
aan het moreel element is voldaan in hoofde van beide beklaagden.
De constitutieve elementen van het misdrijf van de tenlasteleggingen C.1 (zoals aangepas t)
en C.2 (zoals aangepast) voltrokken zich immers voor de opheffing van de eerste bestuurlijke
maatregel door de tweede.
Het gegeven dat de pandemie het één en ander bemoeilijkte, houdt geen onmogelijkhe id in
voor beide beklaagden om tijdig gevolg te geven aan de opgelegde maatregel en de
moeilijke omstandigheden alsook de aanpassingen inzake de bedrijfsvoering veroorzaakt
door de pandemie, golden voor elke ondernemer .
Hof van beroep Antwerpen - -p. 12
6. Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de straf
De bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen A (met aangepaste omschrijving), B,
C.1 (met aangepaste tijdsbepa ling) en C.2 (met aangepaste tijdsbepaling) waren voor de
beide beklaagden de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig
opzet, zodat ten aanzien van elk van hen slechts één straf dient te worden uitgesproken,
namelijk deze die het feit bestraft waarvoor de wet de zwaarste straf voorziet.
Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met:
de omstandigheden, de aard en de ernst van de feiten, die blijk geven van een
eigengereid optreden, waarbij de eigen commerciële en financiële belangen werden
geprevaleerd boven het algemeen maatschappelijk belang hetwelk gebaat is door
een goede ruimtelijke ordening; de beide beklaagden maakten zonder vergunning
gebruik van een groenzone in parkgebied voor de opslag van materialen, hetwelk
kwetsbaar gebied betreft, en legden een bestuurlijke maatregel naast zich neer, daar
waar het openbaar belang gebaat is met de bescherming van dit ruimtelijk kwetsbaar
gebied;
het strafrechtelijk verleden van beklaagde dewelke naast twee
veroordelingen door de politierechtbank ook reeds twee correctionele
veroordelingen opliep, met name een geldboete voor inbreuken gerelateerd aan het
neerleggen van de jaarrekening en een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel
voor drie jaar alsook een geldboete van 1.000,00 euro, waarvan de helft met uitstel
voor drie jaar wegens faillissementsmisdr ijven;
het tijdsverloop sedert de feiten zonder dat er een schending van de redelijke termijn
in strafzaken voorligt en waarbij de beklaagden afdoende tijd werd gegeven om zich
in regel te stellen;
de vaststelling dat de beklaagden inmiddels wel het nodige hebben gedaan om de
toestand ter plaatse te regulariseren.
Om al deze redenen heeft de eerste rechter om oordeelkundige redenen, die worden
beaamd en overgenomen door het hof, een wettige en passende bestraffing opgelegd aan
beklaagde onder de vorm van een geldboete van 4.800,00 euro, dit is
600,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van
negentig dagen en aan beklaagde onder de vorm van een geldboete van 8.000,00
euro, dit is 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen.
Hof van beroep Antwerpen - -p.13
Deze straffen zijn aangepast aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zijn nodig om
de beklaagden het ontoelaatbare van hun handelen te doen inzien en moeten hen ertoe
aanzetten om zich in de toekomst van zulke gedragingen te onthouden. De duur van de
vervangende gevangenisstraf voor beklaagde t is aangepast aan de omvang van de
geldboete die hem wordt opgelegd.
Nu de beklaagden inmiddels de toestand ter plaatse hebben geregulariseerd, en beide
beklaagden daartoe aan de voorwaarden voldoen, gelast het hof uitstel van de
tenuitvoerlegging van de hen opgelegde geldboete, doch evenwel slechts voor de helft van
de hen opgelegde geldboete. Dit uitstel en een proeftermijn van drie jaar moeten een
maximale preventieve werking van de uitgestelde straffen waarborgen.
Het hof gaat niet in op het ondergeschikt verzoek van de beklaagden hen een straf volledig
met uitstel op te leggen, nu dit hen onvoldoende zou wijzen op hun maatschappelijke
beperkingen en verplichtingen, en een onvoldoende en ongepaste reactie naar hun persoon
zou uitmaken, gelet op de aard, de duur en de ernst van de bewezen verklaarde feiten.
Verder werden de beide beklaagden door de eerste rechter terecht veroordeeld tot betaling
van een bijdrage aan het slachtofferfonds, een bijdrage aan het begrotingsfonds voor
juridische tweedelijnsbijstand en een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken.
Deze laatste bijdrage en vergoeding dienen weliswaar te worden geïndexeerd zoals verder
bepaald.
Voor de eerste rechter vorderde het Openbaar Ministerie op grond van de artikelen 42, 3°
en 43bis Strafwetboek schriftelijk de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die de
beklaagden uit de misdrijven onder tenlasteleggingen A (zoals aangepas t), B, C.1 (zoals
aangepast) en C.2 (zoals aangepast) zouden hebben verkregen, dewelke werden geraamd op
41.600,00 euro. Deze berekening is gesteund op de berekening van een maandelijkse
huurprijs voor een vergelijkbare stockageruimte gedurende de incriminatieperlode.
De gevorderde verbeurdverklaring is facultatief.
De eerste rechter ging deels op deze vordering in en bepaalde de vermogensvoordelen in
billijkheid op een bedrag van 25.000,00 euro, dat volledig ten laste van beklaagde
verbeurd werd verklaard.
Hof van beroep Antwerpen - -p.14
• -·•~ ~-----------------------
Net als de eerste rechter leidt het hof uit het strafdossier af dat het enkel de rechtspersoon
is geweest die opbrengsten uit de vermelde misdrijven heeft verworven. Deze
beklaagde is haar activiteit van verkoop, onderhoud en herstelling van wijnkasten
wederrechtelijk blijven exploiteren door het oprichten van een tentconstructie dienstig voor
opslag van goederen zonder omgevingsvergunning, alsook werd een groenzone gewoonlijk
gebruikt voor de opslag van scheepscontainers, dienstig voor de stockage van materialen,
zonder omgevingsvergunning, om zich te verzekeren van inkomsten uit haar activiteit.
Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat beklaagde / in het bezit zou blijven van
de illegale opbrengsten van deze misdrijven, nu zij do-or op deze wijze te handelen kosten
bespaarde en oneerlijke concurrent ie voerde ten aanzien van eventuele concurrenten die
zich wel aan de regels hielden.
Net als de eerste rechter stelt het hof vast dat het niet mogelijk is de kostenbesparing met
mathematische precisie te berekenen en raamt het hof net als de eerste rechter de
kostenbesparing in redelijkheid en billijkheid op 25.000,00 euro. Het hof baseert zich hierbij
op de stukken van het strafdossier voor wat betreft de omvang van de opslag, de duur van
de incriminatieperiode en de gangbare huurprijzen. Hiermee wordt aan beklaagde • •• ••• ·--
geen onredelijk zware straf opgelegd, rekening houdend met de aard, de ernst, de duur
van de bewezen misdrijven en de rechtspersoonlijkhe id van beklaagde
Uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring van dit bedrag disproportioneel zou zijn. Er ligt
geen grond voor om tot verdere matiging van deze verbeurdverklaring over te gaan. Louter
volledigheidshalve onderstreept het hof hierbij nog dat beklaagde -• • hoe dan ook in
gebreke blijft aannemelijk te maken dat de opgelegde verbeurdverklaring dermate afbreuk
zou doen aan haar financiële toestand dat ze een schending van het eigendomsrecht zou
inhouden.
De verkregen vermogensvoordelen konden niet worden gevonden in het vermogen van deze
beklaagde, zodat de verbeurdverk laring betrekking heeft op de geldwaarde die ermee
overeenstemt.
7. Op burgerrechtelijk gebied
De beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke
belangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering , wordt
bevestigd door het hof.
Hof van beroep Antwerpen - 1-p. 15
8. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artiikelen:
11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935
152, 162, 182, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 209bis,
210, 211 en 211bis van het Wetboek van Strafvordering
1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 38, 40, 41bis, 42, 43bis, 50, 65 en 66 van het Strafwetboek
4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., l°, a), 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en
6.3.1. § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
5, 1 °, a), en 6 lid 1 van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning
16.6.1. § 2, 1 ° van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen
inzake milieubeleid
1 van de wet van 5 maart 1952
-59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016
1, 8 en 18bis van de wet van 29 juni 1964
58 van het KB van 18 december 1986
-28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985
-4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017
6 van het KB van 26 april 2017
-91 van het KB van 28 december 1950
1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020
-4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering)
9. Beslissing
Het hof,
Rechtdoende op tegenspraak en met eenparigheid van stemmen;
Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen
zoals hiervoor bepaald, als volgt:
Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden
Openbaar Ministerie ontvankelijk; en van het
Hof van beroep Antwerpen - -p. 16
Op strafrechtelijk gebied
Bevestigt de door de eerste rechter aangebrachte omschrijving van de feiten vervat onder
tenlastelegging A alsook de aanpassing van de tijdsbepaling van de feiten vervat onder
tenlasteleggingen C.1 en C.2;
Ten aanzien van bek/aaqdE
Verklaart beklaagde schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen A
(zoals aangepast), B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast);
Veroordeelt beklaagde voor al deze feiten samen tot een geldboete van
4.800,00 euro, dit is 600,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling
binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf
van negentig dagen;
Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de
tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de hel~;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagde
tot betaling van: • werd veroordeeld
-een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde
25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan
het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na
indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro;
Ten aanzien van beklaagde
Verklaart beklaagde • schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen A (zoals
aangepast), B, C.1 (zoals aangepast) en C.2 (zoals aangepast);
Veroordeelt beklaagde ' voor al deze feiten samen tot een geldboete van 8.000,00
euro, dit is 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen;
Hof van beroep Antwerpen - -p.17
Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de
tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de helft;
Bevestigt het bestreden vonnis In zoverre lastens beklaagde de
verbeurdverklaring bij equivalent werd bevolen van de door haar genoten wederrechtelijke
vermogensvoordelen van 25.000,00 euro;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagde
betaling van: werd veroordeeld tot
een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde
25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan
het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na
indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro;
Op burgerrechtelijk gebied
Bevestigt de beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de
burgerlijke belangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Wetboek van
Strafvordering;
Met betrekking tot de kosten
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre elk van beide beklaagden werden verwezen in de
kosten van de strafvordering in eerste aanleg ten belope van de helft;
Verwijst de beklaagden hoofdelijk in de kosten van de strafvordering in hoger beroep, deze
voorgeschoten door de openbare partij en in totaal begroot op 112,90 euro.
Hof van beroep Antwerpen - -p.18
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit:
Kamervoorzitter
Raadsheer
Raadsheer
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openbare terechtzitting van 8 oktober 2025
uitgesproken door , Kamervoorzitter
in aanwezigheid van , Substituut -procureur-gene raal
met bijstand van Griffier