ADB:handhavingscollege-brussel-22-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2026-01-22
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Milieu
Natuur en Bos
Geciteerde wetgeving
decreet van 4 april 2014; decreet van 5 april 1995; decreet van 13 juni 1990; wet van 27 februari 2019; wet van 29 juli 1991; wet van 5 februari 2016
Samenvatting
HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 22 januari 2026 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaten en , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en La...
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 22 januari 2026 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
vertegenwoordigd door advocaten
en
, met woonplaatskeuze te
Verwerende partij
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse
regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
, met
woonplaatskeuze te
I.
Voorwerp van het beroep
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 14 januari 2025 de vernietiging
van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 30 augustus 2024 met nummer
,
waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 14.925 euro
wegens schending van de artikelen 81 en 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna:
Bosdecreet). Er wordt haar met name verweten dat ze twee percelen bos, in strijd met de
daarvoor verleende kapmachtigingen, na de kap van het bos niet binnen een termijn van drie
jaar heeft heraangeplant.
II.
Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in.
HHC - 1
Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 4 december 2025. Ze stemmen in
met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het
besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige
Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit).
III.
Feiten
1.
Op 22 augustus 2022 stelt een natuurinspecteur O.G.P./ gewestelijke toezichthouder voor het
Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) (hierna: verbalisant), op een terrein van verzoekende
partij in agrarisch gebied nabij
kadastrale omschrijving
vast:
“…
Vastellingen: …
, met
het volgende
Wij ontvangen, in augustus 2021, via onze collega's van AVES een kapmachtiging met referentie
… Hierin stond als voorwaarde om ten laatste 3 jaar na de kap een
herbebossing uit te voeren en dit met inheems loofhout. Deze kapmachtiging heeft enkel betrekking
op perceel met nummer
. De bosbeheerder was … Het bos is in periode 2015-2016 gekapt.
Op vrijdag 6 augustus 2021 gaan wij ter plaatse … Wij stellen vast dat er werkzaamheden bezig
zijn om een omheining rond de percelen te zetten. … Ter hoogte van het bovengenoemde perceel
zien wij geen aanplanting of anderen. .. Er werd geen heraanplanting of poging tot uitgevoerd. Wij
begeven ons naar de werkmannen dewelke ons de gegevens bezorgen van hun opdrachtgever
(verzoekende partij). Zij geven mee dat deze persoon even verder woont. Wij begeven ons naar
het adres en worden aangesproken door de vrouw van (verzoekende partij). Wij stellen ons voor
en geven mee dat er een heraanplanting moest gebeuren. Eveneens geven wij informatie omtrent
het bosdecreet. De dame laat vallen dat deze percelen zullen dienen om te wandelen en spelen
met de hond. Wij delen mee dat er een aanmaning zal worden opgesteld waarin de voorwaarden
van de kapmachtiging zullen herhaald worden. …
Op 26 augustus 2021 maken wij een aanmaning op met referentie
… Hierin
geven wij (aan) dat herbebossing verplicht is en moet uitgevoerd worden. Hiervoor geven wij een
termijn tot eind maart 2022.
Op maandag 8 augustus 2022 gaan wij terug naar het betrokken perceel De omheining is volledig
af en er is een poortje aanwezig. … Het perceel achter de omheining is niet herbebost. Het
aanwezige gras is kort en goed onderhouden met een machine … Wij stellen duidelijk vast dat er
HHC - 2
geen twijgen of aanplanten aanwezig zijn, de stronken zijn weg, noch boompalen of anderen zijn
aanwezig. …
Ten burele controleren wij de documenten. Wij bevragen ons bij collega's van AVES dewelke niets
meer gehoord hebben omtrent dit perceel. Er werd geen hulp gevraagd omtrent de aanplantingen
of er zijn geen andere vragen gekomen. Wij zoeken de gegevens van de eigenaars. De
oorspronkelijke aanvrager van de machtiging, bosbeheerder … staat niet meer als één van de
eigenaars. (Verzoekende partij) is de enige eigenaar van dit perceel. De aankoop van dit perceel
moet ergens in 2016-2017 gebeurd zijn. De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping
circa 5.295 m 2 De kapping werd uitgevoerd in circa 2016. …
Bij het opzoeken voor dit perceel ontdekken wij ook dat een perceel in de buurt in bezit is van
(verzoekende partij). Dit perceel met nummer
was bebost over de volledige oppervlakte van
9.271 m². Op 7/04/2015 ontving AVES een aanvraag van Bosgroep
voor bossen
beheerd door … Dit is exact dezelfde persoon dewelke in 2015 een kapmachtiging kreeg voor
perceel met nummer
(noot opsteller: deze percelen liggen langs dezelfde straat en zijn maar
88 meter van elkaar verwijderd). De kapmachtiging met referentie
werd in 2015
afgeleverd. … Eén van de voorwaarden was dat 'andere ingrepen dan deze vermeld in de
kapmachtiging zijn niet toegestaan'. Ook dit perceel werd in dezelfde periode, circa 2016, als
bovengenoemd perceel
gekapt. … Dit perceel
is ook in bezit van (verzoekende partij)
sinds 2016-2017.
Wij gaan op dinsdag 23 augustus 2022 ter plaatse en stellen vast dat ook hier geen aanplanting
werd uitgevoerd. Ook op dit perceel is gras ingezaaid dewelk goed onderhouden wordt. … Wij zien
nergens stronken, twijgen, boompalen of anderen …
Op dinsdag 13 september 2022 nodigen wij (verzoekende partij) uit tot verhoor te politiekantoor
… Wij vragen hem aanwezig te zijn op dinsdag 27/09/2022 … Deze brief komt op 14/09/2022
aan bij BPOST en wordt op 15/09/2022 afgeleverd bij (verzoekende partij). Opsteller en een collega
gaan naar politiekantoor
op afgesproken datum. Op het afgesproken tijdstip komt er niemand
opdagen en hebben wij geen telefoon of bericht ontvangen van verdachte. Wij wachten tot 11u00
en besluiten te vertrekken. Wij gaan omstreeks 11u35 naar woonplaats van (verzoekende partij)
en bellen aan. Wij worden te woord gestaan door de vrouw van (verzoekende partij) en volgens
haar is hij op dat moment thuis. Hij zou pas uit de douche zijn verklaart zij tegen ons. Aangezien
(verzoekende partij) niet antwoordt op haar gaat zij naar boven. Even later komt zij terug en zegt
dat hij in bad ligt. Bijkomend heeft hij geen tijd voor ons want hij zou een afspraak hebben om
13u00. Wij geven mee dat wij een verhoor hadden ingepland met hem en een schriftelijke
uitnodiging hadden opgestuurd. Zij verklaart van niets te weten en overhandigt ons zijn gsm-
nummer. Wij delen mee dat wij eventueel een andere afspraak zullen inplannen en dat hij de aktes
van beide percelen zeker niet mag vergeten. …
HHC - 3
Ten burele bekomen wij op 29/09/2022 bijkomende gegevens. Op 17 juli 2017 ontving dienst AVES
van ANB een schrijven van een notarismedewerker … In het schrijven vragen zij naar een
eventueel goedgekeurd beheerplan voor 4 percelen landbouwgrond en bos. Twee van deze
percelen zijn bovengenoemde percelen
… Bij perceel
staat bij vermeld: een
perceel bos. Op vrijdag 28 juli 2017 wordt er een antwoord verstuurd naar betrokken
notarismedewerker … Op bladzijde 2 staat er dat voor perceel
een aparte
kapmachtiging is opgesteld. Wij bekomen eveneens de informatie dat het antwoord van AVES
integraal is doorgestuurd naar de koper voor de verkoop werd afgerond. We kunnen dus stellen
dat (verzoekende partij) voor de aankoop van de percelen al wist dat hier een kapmachtiging met
voorwaarde op zat. We kunnen eveneens concluderen dat percelen
hetzelfde
behandeld werden. Er werd eerst apart een kapmachtiging aangevraagd … Kort daarna volgde
de verkoop aan (verzoekende partij) en de kapping op beide percelen en sindsdien worden beide
percelen gemaaid. We kunnen stellen dat circa 14.566 m² feitelijk ontbost is.
Bestuurlijke maatregel:
Op 29 september 2022 wordt er een Besluit Houdende Bestuurlijke Maatregel opgelegd aan
(verzoekende partij) als doel het herstel van het bos op de betrokken percelen. Deze BHBM met
wordt per aangetekende zending overgemaakt aan de verdachte.
als referentie
…
Verklaring/Verhoor:
Verdachte is niet komen opdagen en liet niets weten op voorhand.
…”
Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nummer
, dat op 29 september 2022 wordt afgesloten (hierna: PV) en op 30
september 2022 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met
een aangetekende brief.
2.
Op 16 november 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des
Konings van 27 oktober 2023 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld.
3.
Op 9 maart 2023 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar
voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze nodigt haar ook uit om
een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, en
biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief dossier.
HHC - 4
Verzoekende partij gaat niet over tot betaling, bezorgt geen schriftelijk verweer en vraagt niet
om te worden gehoord.
4.
Op 9 maart 2023 vraagt de gewestelijke entiteit ook bijkomende inlichtingen aan de
verbalisant, met name in hoeverre verzoekende partij ondertussen uitvoering gaf aan de haar
opgelegde bestuurlijke maatregel. De verbalisant antwoordt op dezelfde datum dat tijdens een
controle op donderdag 2 maart 2023 bleek dat er op de percelen
geen enkele
aanplant is gebeurd en het gras ter plaatse goed is onderhouden, naar aanleiding waarvan er
een nieuw proces-verbaal is opgemaakt wegens het niet uitvoeren van de opgelegde
bestuurlijke maatregelen, waaraan er ook een dwangsom is gekoppeld.
Op 19 augustus 2024 vraagt de gewestelijke entiteit nogmaals bijkomende inlichtingen aan de
verbalisant, met name in hoeverre verzoekende partij ondertussen uitvoering gaf aan de haar
opgelegde bestuurlijke maatregel. De verbalisant antwoordt op 20 augustus 2024 dat er tijdens
zijn laatste bezoek op 4 april 2024, in functie van het verbeuren van de dwangsom, nog geen
enkele aanplant was gebeurd.
5.
Op 30 augustus 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende
partij op 30 september 2024 via haar eBox in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden
beslissing.
6.
Op 19 november 2024 wordt verzoekende partij aangemaand om het openstaande
boetebedrag alsnog te betalen. In navolging hiervan vraagt de bij beschikking van de
Vrederechter van het kanton
van 15 februari 2024 aangestelde bewindvoerder van
verzoekende partij op 13 december 2024 aan de gewestelijke entiteit om hem te informeren
over deze openstaande schuld. Hierop maakt de gewestelijke entiteit de bestreden
boetebeslissing met een mailbericht van 17 december 2024 ook over aan de bewindvoerder
van verzoekende partij.
IV.
Ontvankelijkheid van het beroep
A. Hoedanigheid
Standpunt van de partijen
HHC - 5
1.
Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoek tot vernietiging omdat dit
blijkens het verzoekschrift wordt aangetekend namens verzoekende partij in eigen naam,
terwijl verzoekende partij bij beschikking van het Vredegerecht van het kanton Diest van 15
februari 2024 onbekwaam is verklaard en haar goederen onder bewind zijn geplaatst van een
andere advocaat dan zijn raadslieden in voorliggende procedure. Ze meent dat verzoekende
partij hierdoor onbekwaam is om in voorliggende procedure in rechte op te treden als eiser.
2.
Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat ze als overtreder, aan wie de
bestreden bestuurlijke geldboete is opgelegd, beschikt over het vereiste belang om
voorliggende procedure in te stellen. Ze wijst op de opdracht van haar bewindvoerder om
voorliggende procedure te voeren via haar eigen raadslieden, zodat deze feitelijk door haar
bewindvoerder zijn aangeduid om haar in rechte te vertegenwoordigen. Ze wijst ook op de
vaststelling dat ze als beschermde persoon, mits toelating van haar bewindvoerder, nog altijd
rechtshandelingen kan stellen waartoe ze in staat is, terwijl deze rechtshandelingen
rechtsgeldig blijven als de bewindvoerder daarvan niet de nietigheid inroept.
Beoordeling door het College
1.
De persoon aan wie de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt kan
tegen de boetebeslissing schorsend beroep indienen bij het Handhavingscollege (hierna:
College) (artikel 16.4.39 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen
inzake milieubeleid - hierna: DABM). Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke
entiteit met de bestreden beslissing een geldboete oplegt aan verzoekende partij als
overtreder en haar daarvan ook in kennis stelt, nadat ze haar eerder op de hoogte bracht van
haar voornemen om een geldboete op te leggen op basis van het PV dat lastens haar was
opgemaakt. Dit betekent dat in beginsel enkel verzoekende partij in persoon een beroep kan
indienen tegen de bestreden boetebeslissing.
2.
Ongeacht de vaststelling, dat uit de voorliggende stukken blijkt dat de als bewindvoerder over
de goederen van verzoekende partij aangestelde advocaat verzoekende partij heeft
gemachtigd om voorliggende procedure op te starten via haar persoonlijke advocaat, doet de
vaststelling dat een overtreder onbekwaam is verklaard voor het optreden in rechte voor wat
HHC - 6
betreft zijn goederen geen afbreuk aan zijn mogelijkheid om voorliggende procedure voor het
Handhavingscollege op te starten. De exceptie van hoedanigheid wordt dan ook verworpen.
Zoals blijkt uit het dossier en door partijen niet wordt betwist, heeft de Vrederechter van het
kanton Diest, bij beschikking van 15 februari 2024 overeenkomstig artikel 488/2 Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW), verzoekende partij onbekwaam verklaard om de daarin bepaalde
handelingen met betrekking tot haar goederen te stellen. De Vrederechter heeft daarbij,
conform artikel 492/1, §2 BW, een overzicht gegeven van de handelingen of categorieën van
handelingen in verband met de goederen van verzoekende partij, waarvoor deze onbekwaam
is. Daaruit blijkt dat de rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen
van verzoekende partij onder meer betrekking heeft op ‘het optreden in rechte als eiser en
verweerder’, zodat ze hiervoor moet worden bijgestaan door de bewindvoerder over haar
goederen. Daaruit blijkt ook dat die bijstand inhoudt dat verzoekende partij deze handelingen
wel zelf, maar niet zelfstandig kan stellen, en dat de bewindvoerder de rechtsgeldigheid van
de door verzoekende partij gestelde handeling moet vervolmaken, onder meer door de
voorafgaande schriftelijke toestemming tot het verrichten van de handelingen waarvoor
verzoekende partij onbekwaam is verklaard.
De vaststelling, dat verzoekende partij door de Vrederechter onbekwaam is verklaard voor het
optreden in rechte als eiser en verweerder wat betreft haar goederen, doet geen afbreuk aan
haar mogelijkheid om voorliggende procedure voor het Handhavingscollege in te leiden als
overtreder, aan wie een bestuurlijke geldboete is opgelegd wegens het plegen van een
milieumisdrijf. Dergelijke geldboete is een punitieve sanctie met een persoonsgebonden
karakter, en het opleggen hiervan wordt beschouwd als een strafvervolging in de zin van artikel
6, lid 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). Het betwisten
van de geldboete kan dan ook niet worden beschouwd als een handeling die betrekking heeft
op de bescherming van de goederen van de beschermde persoon, in functie waarvan de
bewindvoerder moet tussenkomen. De bewindvoerder heeft verzoekende partij, na de
kennisname van de geldboete, bovendien gevraagd om voorliggende procedure op te starten
via haar persoonlijke advocaat, zodat ze hiervoor minstens impliciet is gemachtigd.
B. Tijdigheid
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij stelt dat haar beroepstermijn van dertig dagen pas is beginnen lopen nadat
de gewestelijke entiteit de bestreden beslissing met een mailbericht van 17 december 2024
HHC - 7
ook op regelmatige wijze heeft overgemaakt aan haar bewindvoerder, zoals vereist
overeenkomstig artikel 499/12 BW.
2.
Verwerende partij betwist de tijdigheid van voorliggend beroep. Ze stelt dat dit niet is ingesteld
binnen 30 dagen na kennisgeving van de bestreden boetebeslissing, maar binnen 30 dagen
nadat de bewindvoerder van verzoekende partij hiervan ook kennis kreeg via mailbericht van
de gewestelijke entiteit van 17 december 2024, in antwoord op zijn mailbericht van 13
december 2024 om hem te informeren over de openstaande boeteschuld. Ze stelt dat deze
beslissing op 3 september 2024 aan verzoekende partij is betekend via haar eBox, en dat mag
worden verwacht dat de bewindvoerder over de goederen van verzoekende partij hiertoe ook
toegang had. Ze merkt in dit kader op dat de aanmaning om de bestreden boete te betalen,
naar aanleiding waarvan de bewindvoerder van verzoekende partij hierover via een mailbericht
op 13 december 2024 informatie vroeg aan de gewestelijke entiteit, blijkbaar wel goed is
ontvangen.
3.
Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat verwerende partij, ter ondersteuning
van haar bewering dat de bewindvoerder van verzoekende partij kennis kon nemen van de
bestreden beslissing, door de betekening hiervan op 3 september 2024 via de eBox van
verzoekende partij, geen verzendingsbewijs voorlegt van deze betekening via de eBox van
verzoekende partij, en ook geen bewijs dat de bewindvoerder van verzoekende partij haar
eBox kon consulteren. Ze merkt op dat uit het mailbericht van de bewindvoerder van
verzoekende partij van 13 december 2024 duidelijk blijkt dat deze op dat ogenblik nog geen
kennis had van de bestreden boetebeslissing.
Beoordeling door het College
1.
De persoon aan wie de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt kan
tegen deze beslissing, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen
na de kennisgeving hiervan schorsend beroep indienen bij het College. De kennisgeving met
een aangetekende brief met of zonder ontvangstbewijs wordt daarbij geacht plaats te vinden
op de werkdag die valt na de datum van de poststempel hiervan, tenzij de geadresseerde het
tegendeel bewijst, waarbij alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten geldt en
niet de feitelijke kennisneming van deze brief op een later tijdstip (artikel 18 van het decreet
van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse
HHC - 8
bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC-decreet, in samenlezing met artikel 4 Procedurebesluit
en met artikel 16.4.39 DABM).
De gewestelijke entiteit kan (als onderdeel van de Afdeling Handhaving van het Departement
Omgeving) de eBox (in de zin van artikel 2, 3° van de wet van 27 februari 2019 inzake
elektronische uitwisseling van berichten via de eBox - hierna: eBox-wet) gebruiken voor de
elektronische uitwisseling van berichten (artikel 12 eBox-wet, in samenlezing met artikel
II.23/1, §§1 en 2, lid 1 Bestuursdecreet). De uitwisseling van berichten via de eBox geldt als
een uitwisseling binnen hetzelfde informatiesysteem en in die optiek geldt een elektronisch
bericht als een aangetekende zending (artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet, in
samenlezing met artikel II.23, §2, lid 1 Bestuursdecreet). Het tijdstip van verzending en
ontvangst bij uitwisselingen via de eBox en de berekening van de termijnen worden daarbij
bepaald overeenkomstig de eBox-wet, in afwijking van artikel II.23, §2, leden 3 en 4
Bestuursdecreet (artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet). Wat betreft het tijdstip van
verzending en ontvangst, stelt de eBox-wet dat als tijdstip van elektronische verzending aan
de bestemmeling het tijdstip geldt waarop de gebruiker het bericht heeft toevertrouwd aan een
informatiesysteem voor de elektronische uitwisseling van berichten, op een wijze die de
gebruiker niet langer toelaat om het bericht te herroepen of te wijzigen, terwijl als tijdstip van
elektronische ontvangst door de bestemmeling het tijdstip geldt waarop het bericht toegankelijk
is voor de bestemmeling (artikel 5, leden 2 en 3 eBox-wet). Wat betreft de berekening van de
termijnen stelt de eBox-wet dat als de verzending of de ontvangst van een bericht een termijn
doet lopen, deze termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag na het tijdstip van
elektronische verzending, respectievelijk van elektronische ontvangst (artikel 5, lid 4 eBox-
wet). Als een systeemfout verhindert dat een bericht wordt verzonden of ontvangen, geldt de
informatie, die daarover met toepassing van artikel 4, lid 2 van de eBox-wet ter beschikking is
gesteld, als bewijs van de systeemfout, die kan worden ingeroepen als bewijs van overmacht
(artikel II.23/1, §2, lid 3 Bestuursdecreet). In die optiek begint de beroepstermijn van dertig
dagen in beginsel te lopen vanaf de eerste werkdag die volgt op het tijdstip waarop het bericht
via de eBox toegankelijk wordt voor de geadresseerde.
Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd,
zoals verzoekende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing, worden overeenkomstig
artikel 499/12 BW gedaan aan deze personen zelf en aan de woonplaats of verblijfplaats van
de bewindvoerder, voor zover de betekening of de kennisgeving verband houdt met de
opdracht van de bewindvoerder. Het Grondwettelijk Hof (GwH 11 oktober 2018, nr.
)
heeft met betrekking tot de vereiste van deze dubbele betekening in het strafrecht geoordeeld
als volgt:
HHC - 9
“…
B.4.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de systematische dubbele betekening van de
dagvaarding voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank wenselijk werd geacht, opdat
de bewindvoerder tijdig kennis kan nemen van een strafzaak ten aanzien van de beschermde
persoon, wegens de mogelijke ernstige vermogensrechtelijke gevolgen van een veroordeling …
Tevens werd erop gewezen dat de regeling inzake betekening en kennisgeving in het specifieke
kader van het bewind, zoals vervat in het Burgerlijk Wetboek, enkel betrekking heeft op burgerlijke
zaken en niet op strafzaken …
B.5. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het recht op een eerlijk proces wordt geschonden
doordat noch bij de betekening van een verstekvonnis, noch bij de kennisgeving van een verval
van het recht tot sturen aan een persoon aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, voorzien is in
een soortgelijke verplichting tot dubbele betekening of kennisgeving aan zowel de beschermde
persoon als aan zijn bewindvoerder.
B.6. Teneinde het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beschermde
persoon onder bewind te waarborgen, in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, dient rekening te worden gehouden met het feit dat die persoon
wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk niet in staat is zonder gerechtelijke
beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard
zelf behoorlijk waar te nemen of dat die persoon zich in een staat van verkwisting bevindt (zie in
die zin: EHRM, 30 januari 2011, Vaudelle t. Frankrijk, §§ 50-53). Bijzondere procedurele
waarborgen kunnen dan ook vereist zijn om de belangen van beschermde personen te vrijwaren,
zeker wanneer het recht op vrijheid in het geding is (ibid., §§ 60-61). Daarenboven kan een
veroordeling een belangrijke financiële weerslag hebben op het vermogen van de beschermde
persoon (ibid., § 63). Minstens dient de wetgever dan ook te voorzien in bijkomende procedurele
waarborgen die toelaten dat de beschermde persoon volledig geïnformeerd kan zijn over de aard
en de oorzaak van de strafzaak tegen hem (ibid., § 65).
B.7.1. De dagvaarding van de beschermde persoon voor de politierechtbank of voor de
correctionele rechtbank dient te worden betekend aan de beschermde persoon en aan de
woonplaats of verblijfplaats van zijn bewindvoerder, overeenkomstig de artikelen 145 en 182 van
het Wetboek van strafvordering. Een geldige beslissing bij verstek veronderstelt dat de verstek
latende partij regelmatig werd gedagvaard om te verschijnen …
B.7.2. Het bewind houdt geen vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder bij
de strafvordering
in, aangezien artikel 185 van het Wetboek van strafvordering die
vertegenwoordiging aan de advocaat voorbehoudt … Een strafrechtelijke veroordeling kan
niettemin een weerslag hebben op het vermogen van de beschermde persoon.
HHC - 10
B.7.3. De omstandigheid dat de opdracht van de bewindvoerder zich niet uitstrekt tot de
vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder bij de strafvordering en het
algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf kunnen evenwel niet
verantwoorden dat aan de bewindvoerder enkel de dagvaarding van de beschermde persoon voor
de politierechtbank of voor de correctionele rechtbank wordt betekend, maar niet het vonnis bij
verstek gewezen jegens die persoon. Deze laatste zou immers kunnen worden veroordeeld zonder
dat de bewindvoerder daarvan op de hoogte is en zonder dat hij de weerslag van de veroordeling
op het vermogen van de beschermde persoon, die mogelijk aanzienlijk kan zijn, heeft kunnen
ondervangen.
Aldus ontbreken de procedurele waarborgen om het recht op een eerlijk proces van de beschermde
persoon te vrijwaren.
B.7.4. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, zoals van
toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 5 februari 2016, niet bestaanbaar is met de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, in zoverre het niet voorziet in de verplichting om een vonnis bij
verstek gewezen jegens de beschermde persoon eveneens aan de bewindvoerder te betekenen.
Aangezien de vastgestelde lacune zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, staat het aan
de verwijzende rechter, wanneer hij uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het verzet, een
einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid, aangezien die vaststelling wordt uitgedrukt
in voldoende duidelijke en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde
bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zowel
de gewone als de buitengewone termijn van verzet vereisen immers een regelmatige betekening
van het verstekvonnis …
…”
Gelet op de huidige regelgeving in het DABM met betrekking tot de bestuurlijke beboeting,
bestaat de mogelijkheid dat de gewestelijke entiteit een bestuurlijke boeteprocedure opstart
lastens een verkwister en dat een verkwister door de gewestelijke entiteit wordt beboet, zonder
dat zijn bewindvoerder daarvan door de gewestelijke entiteit op de hoogte wordt gesteld en de
mogelijk aanzienlijke financiële weerslag hiervan op het vermogen van de beschermde
persoon kan ondervangen.
2.
Ongeacht de discussie in hoeverre de kennisgeving door de gewestelijke entiteit van de
bestreden boetebeslissing aan verzoekende partij via haar eBox op 3 september 2024, zonder
HHC - 11
dat deze beslissing op dat ogenblik ook is betekend aan haar bewindvoerder, kan worden
beschouwd als een regelmatige kennisgeving, die de vervaltermijn van dertig dagen in artikel
16.4.39 DABM om daartegen jurisdictioneel beroep aan te tekenen bij het College doet ingaan,
was deze termijn op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift met een
aangetekende brief van 14 januari 2025 nog niet verstreken omdat de kennisgeving de termijn
waarbinnen jurisdictioneel beroep kan worden aangetekend bij het College niet vermeldt. De
exceptie van laattijdigheid wordt dan ook verworpen.
De gewestelijke entiteit dient haar boetebeslissing in beginsel binnen een (orde)termijn van
tien dagen na de dag waarop ze is genomen ter kennis te brengen aan de geadresseerde
hiervan, waarbij deze beslissing minstens onder meer de beroepsmogelijkheden en de
voorwaarden van het beroep moet vermelden (artikel 16.4.37 DABM). Bij de kennisgeving van
deze beslissing van individuele strekking, die rechtsgevolgen heeft voor de persoon aan wie
de boete wordt opgelegd, dient te worden vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden
ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn, bij gebreke waarvan de beroepstermijn
pas vier maanden na de kennisgeving start (artikel II.21 Bestuursdecreet ).
Uit het administratief dossier blijkt niet dat het bericht van de gewestelijke entiteit van 3
september 2024, waarmee verzoekende partij via haar eBox in kennis wordt gesteld van de
bestreden boetebeslissing, voldoet aan de vereisten in artikel II.21, lid 1 Bestuursdecreet. Het
blijkt met name niet dat dit bericht vermeldt dat er tegen de boetebeslissing beroep kan worden
ingesteld bij het College ‘binnen een vervaltermijn van dertig dagen’. Het bericht beoogt
nochtans rechtsgevolgen tot stand te brengen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire
bepalingen in de zin van artikel II.19 Bestuursdecreet, terwijl het begrip ‘bericht’ in deze
bepalingen ruim moet worden geïnterpreteerd (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1656/1, 46).
Hoewel de kennisgeving van de boetebeslissing van 3 september 2024 hierdoor niet ongeldig
is, wordt als sanctie opgelegd dat de beroepstermijn wordt opgeschort (Parl.St. Vl.Parl. 2017-
2018, nr. 1656/1, 46-47) en pas vier maanden na deze kennisgeving begint te lopen. De termijn
om jurisdictioneel beroep in te stellen tegen de bestreden boetebeslissing van de gewestelijke
entiteit was op 14 januari 2025 dus nog niet verstreken, ongeacht de discussie of deze
beslissing op 3 september 2024, overeenkomstig artikel 499/12 BW, tegelijkertijd diende te
worden betekend aan de bewindvoerder van verzoekende partij. De vaststelling dat de
bestreden boetebeslissing de beroepsmodaliteiten wel vermeldt doet hieraan geen afbreuk
omdat deze niet (ook) zijn vermeld in het bericht aan de geadresseerde, waarmee deze via
zijn eBox in kennis wordt gesteld van de boetebeslissing, waarna deze beslissing ook nog
afzonderlijk moet worden geopend.
HHC - 12
V.
Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij stelt dat de bestuurlijke boeteprocedure is behept met een procedurefout,
waardoor deze nietig is en de bestreden beslissing onwettig. Ze betwist met name de
regelmatigheid van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure, doordat de gewestelijke
entiteit de brief van 9 maart 2023, met haar voornemen om aan verzoekende partij een
alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, waarbij verzoekende partij ook de
mogelijkheid is geboden om zich te verweren, enkel heeft betekend aan verzoekende partij
zelf en niet ook aan haar bewindvoerder, zoals vereist overeenkomstig artikel 499/12 BW. Ze
stelt dat verzoekende partij zich hierdoor niet adequaat kon verdedigen en geen schriftelijk
verweer heeft ingediend, waardoor haar een aanleg is ontnomen en waardoor ze de
voormalige eigenaars van de bospercelen, die verantwoordelijk zijn voor de schending van de
door hen verkregen kapmachtigingen, niet bij de bestuurlijke boeteprocedure kon betrekken.
2.
Verwerende partij betwist dat de bestuurlijke boeteprocedure is behept met een procedurefout.
Ze merkt op dat verzoekende partij, op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke
boeteprocedure door de gewestelijke entiteit met een brief van 9 maart 2023, nog niet onder
bewind was gesteld, vermits haar bewindvoerder pas is aangesteld met een beschikking van
de Vrederechter van het kanton
van 15 februari 2024. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit
hierdoor op dat ogenblik alleszins niet was gehouden om de opstart van de bestuurlijke
boeteprocedure
lastens verzoekende partij, als vermoedelijke overtreder van een
milieumisdrijf, overeenkomstig artikel 499/12 BW ook ter kennis te brengen aan haar
bewindvoerder.
3.
Verzoekende partij erkent dat het verzoekschrift bij het Vredegerecht tot voorlopig bewind van
30 november 2023, en de daaropvolgende beschikking houdende aanstelling van een
bewindvoerder van 15 februari 2024, dateren van na de opstart van de bestuurlijke
boeteprocedure op 9 maart 2023, die heeft geleid tot de bestreden boetebeslissing. Ze meent
dat er echter niet kan worden voorbijgegaan aan het feit, dat het handelen van verzoekende
partij reeds geruime tijd voordien al was behept met een wilsgebrek en dat een tussenkomst
van de Vrederechter pas is verantwoord als er een ernstige noodzaak tot bescherming bestaat.
HHC - 13
Ze stelt ook dat verzoekende partij op het ogenblik van de bestreden boetebeslissing van 30
augustus 2024 al een half jaar onder bewind stond, zodat de gewestelijke entiteit hierover
voordien inlichtingen diende in te winnen via het Centraal Curatele- en Bewindsregister. Ze
merkt daarbij op dat de gewestelijke entiteit op het ogenblik van de bestreden beslissing nog
altijd de mogelijkheid had om de onderzoeksfase te heropenen en verzoekende partij alsnog
te horen en rekening te houden met haar standpunt.
Beoordeling door het College
1.
Als de gewestelijke entiteit het voornemen heeft om een alternatieve bestuurlijke geldboete op
te leggen, moet ze de vermoedelijke overtreder hiervan, binnen een ordetermijn van 30 dagen
na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings om het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk te behandelen, met een beveiligde zending (artikel 16.1.2, 3° en 3°bis DABM)
op de hoogte brengen. Deze wordt daarbij uitgenodigd om schriftelijk zijn verweer mee te
delen, waarbij hij er ook op wordt gewezen dat hij de documenten waarop dit voornemen steunt
kan inzien en hiervan kopieën kan krijgen en dat hij mits een aanvraag ook mondeling zijn
schriftelijke verweer kan toelichten (artikel 16.4.36, §1 DABM). In de parlementaire
voorbereiding van deze bepaling wordt gesteld dat ‘het met het oog op een degelijke
rechtsbescherming essentieel is dat de vermoedelijke overtreder weet wat tegen hem wordt
ingebracht en op welke gronden’; dat ‘het bericht voorts enkele specifieke vermeldingen moet
omvatten vanuit de bekommernis om de rechten van de vermoedelijke overtreder maximaal
te beschermen’; en dat ‘waar het om gaat is dat de vermoedelijke overtreder in staat moet
worden gesteld om zich adequaat te kunnen verdedigen’ (Parl.St. Vl.Parl., 2006-07, nr.1249/1,
62-63).
De bestuurlijke boeteprocedure voorziet dus in een normatieve hoorplicht, waarvan de
invulling door de gewestelijke entiteit moet worden getoetst aan de verplichtingen voor het
bestuur en de waarborgen voor de belanghebbende op basis van de hoorplicht als algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur. Dit impliceert dat er tegen niemand een ernstige maatregel
kan worden genomen, die is gesteund op zijn persoonlijk gedrag en van aard is om zijn
belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de mogelijkheid wordt geboden om zijn
standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Kenmerkend voor de hoorplicht is dat de
belanghebbende de mogelijkheid moet krijgen om opmerkingen te formuleren op het dossier,
zoals het ter beoordeling voorligt van het bestuur, om op die wijze een voor hem ongunstige
beslissing te proberen om te zetten in een gunstige beslissing. Aan de zijde van het bestuur
strekt de hoorplicht tot een zorgvuldig onderzoek van de zaak en het inwinnen van alle
HHC - 14
relevante gegevens. Dit impliceert dat het horen van de vermoedelijke overtreder, hetzij
schriftelijk, hetzij mondeling, nuttig moet gebeuren. Toegepast op de normatieve hoorplicht
van de gewestelijke entiteit in het kader van de bestuurlijke boeteprocedure betekent dit dat
aan de vermoedelijke overtreder vooraf de feitelijke en juridische grondslag van de boete wordt
meegedeeld, en in het bijzonder dat hij in kennis wordt gesteld van de milieumisdrijven die
hem ten laste worden gelegd, en dat hij de gelegenheid krijgt om tijdig kennis te nemen van
alle relevante gegevens en stukken waarop de gewestelijke entiteit haar beoordeling zal
steunen. Deze werkwijze ligt in de lijn met de waarborgen voor een behoorlijke rechtsbedeling,
die worden geboden door artikel 6, lid 3, a EVRM.
2.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat de boeteprocedure niet regelmatig is opgestart met de
kennisgeving door de gewestelijke entiteit aan verzoekende partij op 9 maart 2023 van haar
voornemen om een boete op te leggen. Ze stelt tevergeefs dat ze door de ontstentenis van
kennisgeving van de opstart, dan wel van het bestaan van deze boeteprocedure aan haar
bewindvoerder, niet in staat was om tijdens de bestuurlijke boeteprocedure voor de
gewestelijke entiteit nuttig voor haar standpunt op te komen en zich adequaat te verdedigen.
2.1.
Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke entiteit verzoekende partij met een
aangetekende brief van 9 maart 2023 op de hoogte brengt van het voornemen om haar
eventueel, op basis van de vaststellingen in het PV, een alternatieve bestuurlijke geldboete op
te leggen. De gewestelijke entiteit verwijst daarbij naar het in het PV opgenomen milieumisdrijf,
met name het ‘niet naleven van de verleende kapmachtigingen door het niet uitvoeren van de
verplichte heraanplant en bijgaande ontbossing’. Ze verwijst vervolgens ook naar de in het PV
weerhouden schending van het Bosdecreet. Verzoekende partij wordt daarbij uitgenodigd om
haar schriftelijk verweer mee te delen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van
deze brief, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl ze ook de mogelijkheid
krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier.
Verzoekende partij betwist op zich niet dat ze deze brief daadwerkelijk heeft ontvangen. Ze
betwist op zich ook niet dat ze met de daarin opgenomen informatie in beginsel afdoende in
kennis is gesteld van de feitelijke en juridische grondslag van de boete, en dat ze wist welk
milieumisdrijf haar ten laste werd gelegd, zodat ze in beginsel in staat was om haar standpunt
hierover redelijkerwijze op afdoende nuttige wijze aan de gewestelijke entiteit kenbaar maken.
Ze stelt enkel dat de ontstentenis van kennisgeving van deze brief aan haar bewindvoerder
HHC - 15
tijdens de bestuurlijke boeteprocedure tot gevolg had dat ze zich als beschermde persoon niet
adequaat heeft verweerd.
2.2.
Verzoekende partij stelt tevergeefs dat de brief van de gewestelijke entiteit van 9 maart 2023
houdende de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure ten onrechte niet ook is overgemaakt
aan haar bewindvoerder, en dat ze zich daardoor als beschermde persoon tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure niet adequaat kon verweren. Zoals blijkt uit de voorliggende
stukken en door partijen op zich niet wordt betwist, is verzoekende partij bij beschikking van
de Vrederechter van het kanton
van 15 februari 2024 onbekwaam verklaard om
welbepaalde handelingen met betrekking tot haar goederen te stellen omdat ze zich bevond
in een staat van verkwisting, zodat haar bewindvoerder pas dan is aangesteld. Verzoekende
partij was als meerderjarige persoon tot op dat ogenblik, in het licht van het eigendomsrecht,
vrij om over haar goederen te beschikken, terwijl ze niet aantoont dat er ter zake sprake was
van enig wilsgebrek en dat dit aan de basis lag van haar bescherming. Ongeacht de discussie
of de gewestelijke entiteit de kennisgeving van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure
overeenkomstig artikel 499/12 BW ook moet betekenen aan de bewindvoerder van de
vermoedelijke overtreder, en of de boeteprocedure bij gebreke hiervan onregelmatig is
opgestart, kan de gewestelijke entiteit in voorliggend dossier alleszins niet worden verweten
dat ze dit niet deed. De bewindvoerder van verzoekende partij was op het ogenblik van de
kennisgeving door de gewestelijke entiteit aan verzoekende partij van de opstart van de
bestuurlijke boeteprocedure immers nog niet aangesteld. Er was in functie hiervan zelfs nog
geen verzoekschrift neergelegd bij het Vredegerecht. Ook na het verstrijken van de termijn
van dertig dagen na ontvangst van de brief van 9 maart 2023 houdende de opstart van de
bestuurlijke boeteprocedure, waarbinnen verzoekende partij inzage kon vragen in het
administratief dossier, een schriftelijk verweer kon indienen en een hoorzitting kon vragen, was
haar bewindvoerder nog niet aangesteld en was er in functie hiervan nog geen verzoekschrift
neergelegd bij het Vredegerecht. De gewestelijke entiteit kan tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure bezwaarlijk rekening houden met een rechterlijke beschermingsmaatregel
met betrekking tot de goederen van de vermoedelijke overtreder, als er ter zake nog geen
beschikking voorligt van de Vrederechter, waarmee onder meer een bewindvoerder wordt
aangesteld, en al zeker niet als de Vrederechter hierover op dat ogenblik zelfs nog niet is
gevat. Er wordt voor de categorie van onbekwamen waartoe verzoekende partij behoort, en
die zich met name bevinden in staat van verkwisting in de zin van artikel 488/2 BW, overigens
ook niet voorzien in de mogelijkheid overeenkomstig artikel 493/2 BW tot vernietiging van
handelingen, die zijn verricht voordat de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen had.
HHC - 16
De vaststelling dat er op het ogenblik van de bestreden beslissing wel al een bewindvoerder
voor verzoekende partij was aangesteld doet hieraan geen afbreuk. Zoals hierboven
geoordeeld, is het verzoek tot vernietiging van de boetebeslissing ontvankelijk, terwijl het
College bij de behandeling van het jurisdictioneel beroep beschikt over een eigen
beoordelingsbevoegdheid en oordeelt met volle rechtsmacht. Het kan na gehele of
gedeeltelijke vernietiging van de boetebeslissing immers zelf een beslissing nemen over het
bedrag van de boete en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt
(artikel 44 DBRC-decreet). Verzoekende partij kan, hierin bijgestaan door haar bewindvoerder,
in voorliggende procedure nog steeds betwisten dat er een milieumisdrijf voorligt, dat haar kan
worden toegerekend en waarvoor haar een boete kan worden opgelegd, terwijl ze ook de
proportionaliteit van de boete kan betwisten, zoals ze ook doet in het twee en derde middel.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat het milieumisdrijf haar kan worden toegerekend en
er haar hiervoor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voert dus
feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen rechtsbeginsel van
het vermoeden van onschuld, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing
geschonden artikelen 81 en 90bis Bosdecreet. Ze stelt dat het milieumisdrijf feitelijk is
gepleegd door de vorige eigenaars van de percelen, die de voorwaarde in de hen verleende
kapmachtigingen, om binnen een termijn van drie jaar na de kap over te gaan tot een
heraanplant, niet hebben nageleefd, en de percelen na de ontbossing hiervan aan haar
hebben verkocht. Ze stelt dat ze zich dan ook niet opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het
milieumisdrijf en dat er haar ter zake ook geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan
worden verweten. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat beide percelen op het ogenblik
van hun verkoop eind 2017 al meer dan één jaar waren ontbost en dat ze er van uitging dat
dit hooilandpercelen waren en deze ook om die reden heeft gekocht, temeer ze zijn gelegen
in agrarisch gebied en conform deze gewestplanbestemming worden gebruikt. Ze wijst ook op
de vaststelling dat ze nooit in kennis is gesteld van de geschonden kapmachtigingen, waardoor
ze geen kennis had van de daarin opgenomen verplichting tot heraanplant, terwijl ze deze
percelen in andersluidend geval nooit zou hebben gekocht. Ze stelt dat het loutere feit dat ze
heden eigenaar is van deze percelen, die door de vorige eigenaars op basis van een aan hen
HHC - 17
verleende kapmachtiging zijn ontbost, onvoldoende is om haar te beschouwen als overtreder,
aan wie een punitieve sanctie kan worden opgelegd.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij ten onrechte voorbijgaat aan de overwegingen
in de bestreden beslissing met betrekking tot de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf. Ze
merkt op dat verzoekende partij op zich niet betwist dat er voor beide percelen
kapmachtigingen zijn verleend, waarin de verplichting is opgenomen om uiterlijk drie jaar na
de kapping over te gaan tot herbebossing met inheems loofhout, maar dat er na de ontbossing
van deze percelen nooit tot heraanplant is overgegaan. Ze stelt dat verzoekende partij
tevergeefs aanvoert dat er haar met betrekking tot het milieumisdrijf, dat bestaat in het niet
herbebossen van de percelen waarvan ze eigenaar is binnen drie jaar na de kapping van het
daarop voorkomende bos, geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
Ze wijst op de vaststelling dat uit de PV blijkt dat verzoekende partij, op basis van de informatie
die door het ANB aan de instrumenterende notaris is overgemaakt in het licht van artikel 91
Bosdecreet, al voor de aankoop van de percelen, die op dat ogenblik sinds ongeveer een jaar
waren ontbost, wist dat er hiervoor twee onderscheiden kapmachtigingen waren verleend. Ze
wijst ook op de vaststelling dat deze kapmachtigingen als bijlage bij het PV zijn gevoegd en
dat verzoekende partij hiervan ook in kennis is gesteld. Ze wijst tenslotte op de vaststelling dat
er aan verzoekende partij ook een bestuurlijke maatregel is opgelegd om de percelen te
herbebossen, waarbij opnieuw is gewezen op deze kapmachtigingen, maar waaraan er nooit
gevolg is gegeven. Ze meent dat verzoekende partij in het licht van deze vaststellingen
bezwaarlijk kan aanvoeren dat enkel de vroegere eigenaars van de percelen, die de
kapmachtigingen hebben verkregen en op basis daarvan tot ontbossing zijn overgegaan,
moeten worden beschouwd als overtreders.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Ze herhaalt dat de twee kapmachtigingen voor de twee percelen, met
inbegrip van het gebod tot heraanplant, zijn verleend aan de vorige eigenaars van de percelen,
die de kap hebben uitgevoerd en die in die optiek ook verantwoordelijk blijven voor de
heraanplant. Ze meent dat uit de briefwisseling tussen het ANB en de instrumenterende notaris
niet duidelijk blijkt dat er voor de toen reeds ontboste percelen een kapmachtiging was
verleend, op basis waarvan deze opnieuw, binnen een termijn van drie jaar na de kap, dienden
te worden bebost, waarbij deze verplichting tot herbebossing overgaat op de nieuwe eigenaar,
en dat ze hiervan zelf kennis had.
HHC - 18
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die,
naargelang de keuze van de procureur des Konings, ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft
overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3ter, 16.6.3quater en 16.6.3quinquies
DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn
dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1, 14° DABM). Elke opzettelijke of door gebrek
aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde regelgeving is in
beginsel strafbaar (de artikelen 16.6.1, §1 DABM en 16.6.3quinquies DABM). De geldboete
kan enkel worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of
die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25,
lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid
hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid
van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf
en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap
kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken,
in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering
betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende
feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf
aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en
in het bijzonder het
zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel
6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en
inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt
in de bestreden beslissing, onder de
titel
‘de
toerekenbaarheid aan de overtreder’, met betrekking
tot het milieumisdrijf en de
toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder, het volgende:
“…
HHC - 19
Artikel 4, 15° van het Bosdecreet definieert ontbossen als “iedere handeling waardoor een bos
geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt
gegeven.”
Een ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van een omgevingsvergunning of een
individueel toegestane ontheffing (artikel 90bis Bosdecreet).
Het niet naleven van de voorwaarden van een kapmachtiging is verboden (artikel 81 Bosdecreet).
Vermoedelijke overtreder is sedert 2017 eigenaar van de percelen kadastraal gekend als
Voor het perceel
werd op 4 september 2015 een kapmachtiging met referentie
bekomen voor de kaalkap van fijnsparren, berken en wilgen. Volgens artikel 4
van de kapmachtiging was herbebossing met inheems loofhout verplicht ten laatste drie jaar na de
kapping. Andere ingrepen dan deze vermeld in de kapmachtiging waren niet toegestaan. Dit bos
is in de periode 2015-2016 gekapt. De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping circa
5.295 m².
Voor onder meer het perceel
werd op 27 april 2015 een kapmachtiging met referentie
bekomen. Volgens artikel 4 van de kapmachtiging was herbebossing met
inheems loofhout verplicht ten laatste drie jaar na de kapping. Andere ingrepen dan deze vermeld
in de kapmachtiging waren niet toegestaan. Dit bos is eveneens in de periode 2015-2016 gekapt.
De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping circa 9.271 m²
Op 6 augustus 2021 stelde de verbalisant vast dat men bezig was een omheining rond de percelen
te zetten. Ter hoogte van perceel
zag men geen aanplanting. De echtgenote
van vermoedelijke overtreder gaf aan dat beide percelen zouden dienen om in te wandelen en te
spelen met de hond.
Bij schrijven van 26 augustus 2021 met referentie
maande de verbalisant
vermoedelijke overtreder aan om ten laatste eind maart 2022 een heraanplant met inheems
loofhout en in een plantverband niet wijder dan 2,5 x 2,5 meter uit te voeren voor onder meer
perceel
Tijdens een hercontrole op 8 augustus 2022 stelde de verbalisant vast dat de omheining volledig
af was en er een poortje aanwezig was. Het perceel achter de omheining was niet herbebost.
Daarentegen was het aanwezige gras kort en goed onderhouden met een machine. Er waren geen
sporen van een aanplant of stronken waarneembaar.
HHC - 20
Tijdens een controle op 23 augustus 2022 stelde verbalisant vast dat ook op het perceel
een
kap was uitgevoerd, maar dat geen heraanplant conform de kapmachtiging was uitgevoerd. Er was
eveneens gras ingezaaid dat goed onderhouden werd. De verbalisant zag op beide percelen
nergens stronken, twijgen, boompalen of andere.
Alle vaststellingen zijn uitvoering gedocumenteerd met foto's, opgenomen in bijlage 1 bij het
aanvankelijk proces-verbaal.
De totale oppervlakte van de ontbossing bedraagt 14.566 m².
Uit communicatie tussen de dienst adviezen en vergunningen (hierna: "AVES") van het ANB en de
bevoegde notarismedewerker in juli 2017 blijkt dat vermoedelijke overtreder naar aanleiding van
de aankoop van beide percelen op de hoogte werd gesteld van het bestaan van de kapmachtiging.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van: Bosdecreet: artikel 81; artikel 90bis.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2,
2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van
artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden.
Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder.
…”
3.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde
feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. Ze
laat na om de overwegingen hierover in de bestreden beslissing concreet bij haar beoordeling
te betrekken, en beperkt zich feitelijk tevergeefs tot de bewering dat ze niet op de hoogte is
gesteld van de plicht om de aangekochte percelen te herbebossen, conform de voorwaarde
hierover in de daarvoor aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen, en ze deze
percelen in andersluidend geval nooit zou hebben aangekocht.
3.1.
De gewestelijke entiteit steunt haar oordeel op de met foto’s onderbouwde vaststellingen van
de verbalisant in het PV. Deze materiële vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde,
vermits uit het PV blijkt dat dit binnen een termijn van veertien dagen na de afsluiting hiervan
met een aangetekende brief is overgemaakt aan verzoekende partij, die niet betwist en
HHC - 21
alleszins niet weerlegt dat ze dit PV in goede orde heeft ontvangen (artikel 16.3.25, lid 1
DABM). De vaststellingen worden door verzoekende partij bovendien op zich niet betwist,
terwijl hun bewijswaarde enkel ongedaan kan worden gemaakt als er een beslissend bewijs
van onjuistheid hiervan wordt voorgelegd, zodat een loutere ontkenning van of twijfel over deze
vaststellingen niet volstaat.
3.2.
Verzoekende partij betwist tevergeefs dat het milieumisdrijf haar niet kan worden verweten
omdat ze onwetend was dat de percelen, die zijn gelegen in agrarisch gebied en die op het
ogenblik dat ze deze aankocht door de vorige eigenaar al waren ontbost, moest herbebossen,
conform de voorwaarde hierover in de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen.
Zoals gesteld, vereist het milieumisdrijf waarvoor de boete wordt opgelegd als moreel element
enkel een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, opdat de schending van de gehandhaafde
regelgeving strafbaar is. Verzoekende partij maakt niet redelijkerwijze aannemelijk dat elke
normaal redelijk en vooruitziend persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook niet op
de hoogte zou zijn geweest van de herbebossingsplicht als nieuwe eigenaar. Ze kan zich dan
ook niet zonder meer verschuilen achter de bewering dat ze geen kennis had van de plicht om
de percelen te herbebossen en ter goeder trouw handelde, en maakt niet aannemelijk dat er
in haar hoofde sprake is van een schulduitsluitingsgrond en met name onoverkomelijke
(rechts)dwaling.
Uit de voorliggende stukken blijkt met name dat verzoekende partij, voor de aankoop van de
percelen, degelijk is geïnformeerd over de plicht als nieuwe eigenaar om de percelen te
herbebossen binnen een termijn van drie jaar na de kapping van het bos, conform de
voorwaarde hierover in de respectievelijke kapmachtigingen. Ze toont niet aan de hand van
stukken, in het bijzonder de notariële aankoopakte van de percelen, aan dat de overweging in
de bestreden beslissing, dat ‘uit communicatie tussen de dienst adviezen en vergunningen
van het ANB en de bevoegde notarismedewerker in juli 2017 blijkt dat (ze) naar aanleiding van
de aankoop van beide percelen op de hoogte werd gesteld van het bestaan van de
kapmachtiging’, foutief is, terwijl deze overweging steun vindt in het PV en de bijlagen. De
betreffende communicatie tussen het ANB en de instrumenterende notaris steunt op artikel 91
Bosdecreet, dat voorziet dat de rechten en plichten uit hoofde van het Bosdecreet, bij de
overdracht van een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, overgaan op de
verwerver, in de mate dat hij daarbij het beheer van het bos verkrijgt. De overdrager dient de
verwerver in het licht hiervan, voor het sluiten van de overeenkomst, op de hoogte te stellen
van de verplichtingen die krachtens het Bosdecreet op het onroerend goed rusten. De
instrumenterende ambtenaar, die de akte van dergelijke overdracht verlijdt, dient daartoe in
HHC - 22
de akte, in een aparte rubriek ‘Bosdecreet’, de verklaring op te nemen van de overdrager, dat
hij zijn informatieplicht ten opzichte van de verwerver heeft nageleefd en, in voorkomend geval,
de nodige stukken heeft overgedragen. Verzoekende partij laat na om de notariële koopakte
van de percelen voor te leggen en toont niet aan dat ze in het kader van de aankoop hiervan
door de vorige eigenaar, die het daarop voorkomende bos conform de hem verleende
kapmachtiging heeft gekapt, niet afdoende in kennis is gesteld van de daarop rustende
verplichtingen uit hoofde van het Bosdecreet. Ze stelt dan ook tevergeefs dat de
herbebossingsplicht enkel rust op de vorige eigenaar van de percelen en haar niet
tegenstelbaar is. Uit de voorliggende stukken blijkt overigens dat verzoekende partij ook voor
de opmaak van het PV degelijk is geïnformeerd over haar plicht als nieuwe eigenaar om de
voorwaarde in de kapmachtigingen tot herbebossing na te leven. Ze is hiertoe, wat betreft
perceel
op 26 augustus 2021 door de verbalisant aangemaand, terwijl ze niet betwist
dat ze deze aanmaning in goede orde heeft ontvangen. Ze heeft echter niet gereageerd op
deze aanmaning, hoewel daarin duidelijk is gewezen op de herbebossingsplicht, terwijl ook
niet blijkt dat ze naar aanleiding hiervan de vorige eigenaar van het perceel heeft
aangesproken in vrijwaring.
Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie de degelijkheid van de begroting door de gewestelijke
entiteit in de bestreden beslissing van het boetebedrag. Ze betwist daarbij de beoordeling van
de waarderingscriteria van de ernst van de feiten, de frequentie en de omstandigheden waarin
het milieumisdrijf is gepleegd of beëindigd. Ze vraagt om de boete minstens te herleiden tot
een symbolische euro. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en
16.4.29 DABM en van het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel als algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Wat betreft de ernst van de feiten, stelt ze dat de
betreffende percelen conform het gewestplan zijn gelegen in agrarisch gebied, terwijl ze bij
een herbebossing niet langer, conform hun bestemming, als hooiland kunnen worden gebruikt,
in functie waarvan ze ook zijn aangekocht. Ze merkt daarbij op dat het hooiland ook ten dienste
staat van de omliggende natuurgebieden, die een dicht bebost karakter hebben, waardoor de
aanwezigheid van hooi de biodiversiteit ten goede komt. Wat betreft de frequentie, stelt ze dat
ze zich nog nooit eerder schuldig heeft gemaakt aan een milieumisdrijf of -inbreuk. Wat betreft
de omstandigheden, herhaalt ze, in navolging van het tweede middel, dat ze bij de aankoop
HHC - 23
van de op dat ogenblik al door de vorige eigenaars ontboste percelen in agrarisch gebied niet
wist dat ze deze percelen hooiland moest herbebossen, conform de daarvoor aan de vorige
eigenaar verleende kapmachtigingen, en dat ze deze percelen in andersluidend geval niet zou
hebben aangekocht.
2.
Verwerende partij stelt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gewestelijke entiteit op
foutieve of kennelijk onredelijke wijze toepassing heeft gemaakt van de waarderingscriteria om
het boetebedrag te bepalen. Wat betreft de ernst van de feiten, stelt ze dat het agrarische
gebruik van de percelen conform hun gewestplanbestemming, dat ook dienstig is voor de
omliggende natuurgebieden, en de onwetendheid in hoofde van verzoekende partij van de
herbebossingsplicht, geen uitstaans hebben met hun ernst. Wat betreft de frequentie, stelt ze
dat de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing rekening houdt met het eenmalig
karakter van de schending, waardoor dit waarderingscriterium geen aanleiding geeft tot een
hogere geldboete. Wat betreft de omstandigheden, herhaalt ze, in navolging van de
weerlegging van het tweede middel, dat verzoekende partij voor de aankoop van de percelen
wel degelijk kennis had van de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Ze stelt nog dat de bestreden beslissing is gemotiveerd met stijlformules
en bovendien tegenstrijdigheden bevat. Ze wijst daarbij met name op het feit dat de beweerde
ernst van de feiten tegenstrijdig is met de vaststelling dat de bevoegde overheden haar pas
medio 2022 als nieuwe eigenaar zijn beginnen te viseren, terwijl de kap van het bos op de
percelen door de vorige eigenaar dateert van 2015-2016, en de heraanplant hiervan volgens
de kapmachtigingen in beginsel moest gebeuren binnen drie jaar na deze kap. Wat betreft de
ernst van de feiten, herhaalt ze dat de percelen zijn gelegen in agrarisch gebied en dat de
ontstentenis van bos ertoe leidt dat ze conform hun bestemming als hooiland kunnen worden
gebruikt. Ze meent dat verwerende partij moet streven naar een bestemmingswijziging, als ze
wil dat de percelen worden ingericht als een bos met een ecologische functie.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er
geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan
ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten.
HHC - 24
Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete
wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden
met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd
(artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij, in het licht van het
maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM),
over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in
beginsel ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel
van tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM).
Het College zal bij het toezicht hierop, aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in
het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd, nagaan of de gewestelijke entiteit is
uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op
grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk
onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name moeten blijken uit de juridische en feitelijke
motieven, die aan de boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en
afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert
onder de wet van 29
juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen. De beslissing moet dus een concrete, precieze en pertinente of
draagkrachtige motivering bevatten waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit voor een
boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis
van zaken kan opkomen.
2.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover onder de titel
‘de hoogte van de geldboete’ het volgende:
“…
4.2.1. De ernst van de feiten
Het Bosdecreet heeft het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en
het regelen van hun natuurlijk milieu tot doel. De overheid tracht de weerbaarheid van bossen te
vergroten en verder in te zetten op biodiversiteit.
Bossen hebben een duidelijke ecologische functie, door onder meer de groei van inheemse boom-
of struikvegetaties te bevorderen. Dit komt het behoud, de ontwikkeling of het herstel van de
biologische diversiteit van populaties van zeldzame soorten ten goede en draagt bij tot de
HHC - 25
instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van habitats en natuurlijke ecosystemen. De
soortenrijkdom in goed ontwikkelde bossen kan tot in de duizenden oplopen. Niet alleen bossoorten
maar ook andere soorten zoeken steeds meer hun toevlucht in bossen als gevolg van een steeds
intensiever gebruikt buitengebied.
Naast de ecologische functie vervullen bossen ook cruciale diensten voor mens en maatschappij.
Het zijn ook essentiële steunpilaren van onze economie, onder andere omdat het producenten zijn
van hout, een van de meest duurzame grondstoffen van onze planeet.
Bij de behandeling van de aanvraag tot het verkrijgen van een kapmachtiging weegt het ANB de
effecten van de kapping op de natuurwaarden af. Indien een machtiging wordt toegestaan, legt het
ANB voorwaarden op die gericht zijn op het beperken van de te verwachten natuurschade. Bij het
niet naleven van de opgelegde voorwaarden wordt deze doelstelling miskend.
Om de achteruitgang van de bossen in Vlaanderen
te stoppen geldt een algemeen
ontbossingsverbod. Slechts in een aantal gevallen wordt een vergunning verleend voor een
ontbossing. Elke vergunde ontbossing moet bovendien worden gecompenseerd.
De overtreder voerde zonder omgevingsvergunning een ontbossing van circa 14.566 m² uit,
bovendien in strijd met de verleende kapmachtigingen.
Beide percelen zijn op de Biologische Waarderingskaart als biologisch waardevol
naaldhoutbestand gekarteerd.
De overtreder werd reeds eerder schriftelijk aangemaand om zich in regel te stellen, maar liet na
heraanplant binnen de gestelde termijn uit te voeren.
Deze feiten zijn dus voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke
geldboete van 17.181 euro.
4.2.2. De frequentie
Het betreft een eenmalige schending. Er zijn minstens geen indicaties die erop wijzen dat bij
overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft
derhalve geen aanleiding tot een hogere geldboete.
4.2.3. De omstandigheden
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de bereidheid van
de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen.
HHC - 26
Bij besluit houdende bestuurlijke maatregelen
van 29 september 2022 werd
vermoedelijke overtreder verplicht om beide percelen te herbebossen tegen uiterlijk 28 februari
2023. Uit bijkomende informatie van verbalisant blijkt dat deze op 4 april 2024 - dit is op het einde
van het plantseizoen 2023-2024 - vaststelde dat er nog geen heraanplant heeft plaatsgevonden.
Derhalve kan herstel niet worden meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen
van de hoogte van de geldboete.
De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 9 maart 2023 over tot kennisgeving van het
voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een
voordeelontneming. De boetebeslissing moet binnen een termijn van honderdtachtig dagen na
deze kennisgeving genomen worden (artikel 16.4.37 DABM). Deze termijn van honderdtachtig
dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Deze
beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De gewestelijke entiteit is evenwel van oordeel dat de
feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen en acht het, wegens
de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn en rekening houdende met de concrete
elementen in het dossier, passend en redelijk om het boetebedrag te verlagen tot 14.925 euro.
Ten slotte zijn er, wat dit misdrijf betreft, geen verdere bijzondere omstandigheden die in rekening
worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete.
De feiten zijn voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van
14.925 euro.
…”
3.
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de geldboete ontoereikend zijn,
en dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding
bestaat tussen de feiten en de opgelegde geldboete. Ze maakt ten onrechte abstractie van de
gemotiveerde en pertinente overwegingen hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden
beslissing, terwijl haar kritiek feitelijk opportuniteitskritiek vormt op de noodzaak van
herbebossing conform de voorwaarde hierover in de aan de vorige eigenaar van de percelen
verleende kapmachtigingen.
3.1
Wat betreft het eerste waarderingscriterium van de ernst van de feiten, toont verzoekende
partij niet aan dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk
onredelijk is. Ze voert met name geen betwisting over de juistheid van de vaststelling dat ze
HHC - 27
feitelijk, ondanks een aanmaning om zich in regel te stellen, twee eertijds beboste percelen
van ongeveer 14.566 m², die volgens de Biologische Waarderingskaart zijn gekarteerd als
biologisch waardevol naaldhoutbestand, zonder vergunning heeft ontbost, waardoor de
doelstellingen van het Bosdecreet en de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen
zijn miskend. In die optiek verwijst ze tevergeefs naar de situering van deze percelen volgens
het gewestplan in agrarisch gebied en hun bestemmingsconform gebruik als hooiland, vermits
dit geen afbreuk doet aan de toepassing van het Bosdecreet en in het bijzonder de plicht tot
herbebossing hiervan conform de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen, en
feitelijk kritiek op het Bosdecreet betreft. In zoverre ze in haar wederantwoordnota voor het
eerst wijst op de lange periode tussen de kap van het bos op de percelen in 2015-2016 en de
opmaak van het PV in 2022, gaat ze ten onrechte voorbij aan de vaststelling dat de
heraanplant volgens de kapmachtigingen in beginsel pas binnen drie jaar na deze kap moest
gebeuren, terwijl ze binnen deze driejarige periode in oktober 2017 eigenaar van de percelen
is geworden en vanaf dat ogenblik verantwoordelijk is geworden om de herbebossingsplicht
na te leven. Ze maakt daarbij ook ten onrechte abstractie van het feit dat ze voor de opmaak
van het PV, wat betreft perceel
halverwege 2021 door de verbalisant eerst is
aangemaand om zich alsnog in regel te stellen, maar dat ze daaraan bewust geen gevolg gaf.
3.2
Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de
frequentie van het milieumisdrijf, toont verzoekende partij ook niet aan de hand van concrete
en pertinente argumenten aan dat de gewestelijke entiteit de haar
toegekende
appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. Ze stelt enkel dat er slechts
sprake is van een eenmalige schending, terwijl de gewestelijke entiteit in de bestreden
beslissing in dezelfde zin oordeelt en op basis daarvan besluit dat het criterium frequentie geen
aanleiding geeft tot een hogere geldboete. Het oordeel van de gewestelijke entiteit, om het
waarderingscriterium van de frequentie bij het bepalen van het boetebedrag enkel als
boeteverzwarende omstandigheid in aanmerking te nemen, als vaststaat dat de overtreder al
eerder gelijkaardige feiten pleegde, ligt in de lijn van de parlementaire voorbereiding van artikel
16.4.29 DABM (Parl. St., Vl. P., 2006-07, nr. 1249/1, 59). Daarin wordt gesteld dat ‘het vanuit
het proportionaliteitsbeginsel belangrijk is om bij de bepaling van de bestuurlijke geldboeten
rekening te houden met zowel positieve (de omstandigheden waarin de vermoedelijke
overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven pleegt of beëindigt) als negatieve factoren
(ernst van de milieu-inbreuk of de milieumisdrijffrequentie van de gepleegde feiten)’.
Verzoekende partij betrekt dit oordeel niet in haar argumentatie en toont niet aan dat dit foutief
of kennelijk onredelijk is.
HHC - 28
3.3.
Wat betreft het waarderingscriterium van de omstandigheden waarin het milieumisdrijf is
gepleegd of beëindigd, toont verzoekende partij opnieuw niet aan dat de beoordeling hiervan
door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is in het licht van de concrete situatie.
Ze voert met name geen betwisting over de juistheid van de vaststelling, dat ze sinds de
aankoop van de percelen geen enkele bereidheid heeft getoond om zich in regel te stellen.
Zoals gesteld bij de beoordeling van het tweede middel, is ze in het kader van deze aankoop
degelijk in kennis gesteld van de herbebossingsplicht conform de kapmachtigingen, maar heeft
ze hieraan geen spontaan gevolg gegeven. Ze is hiertoe vervolgens, wat betreft perceel
door de verbalisant aangemaand, maar bleef opnieuw stilzitten, hoewel ze alleszins vanaf dat
ogenblik niet meer kon voorhouden dat ze niet wist dat ze moest herbebossen. Ook na de
opmaak van het PV en de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure is ze blijven stilzitten.
Ze heeft vervolgens ook geen tijdig gevolg gegeven aan de bestuurlijke herstelmaatregel van
de verbalisant van 29 september 2022, om de percelen tegen uiterlijk 28 februari 2023 te
herbebossen, terwijl uit de voorliggende stukken niet blijkt dat ze daaraan ondertussen wel
gunstig gevolg gaf.
Het middel wordt verworpen.
HHC - 29
VI.
Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 22 januari 2026 door de eerste kamer.
De griffier,
De voorzitter van de eerste kamer,
HHC - 30