Naar hoofdinhoud

ADB:handhavingscollege-brussel-22-01-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2026-01-22 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Milieu Natuur en Bos

Geciteerde wetgeving

decreet van 4 april 2014; decreet van 5 april 1995; decreet van 13 juni 1990; wet van 27 februari 2019; wet van 29 juli 1991; wet van 5 februari 2016

Samenvatting

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 22 januari 2026 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaten en , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en La...

Volledige tekst

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 22 januari 2026 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaten en , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 14 januari 2025 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 30 augustus 2024 met nummer , waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 14.925 euro wegens schending van de artikelen 81 en 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: Bosdecreet). Er wordt haar met name verweten dat ze twee percelen bos, in strijd met de daarvoor verleende kapmachtigingen, na de kap van het bos niet binnen een termijn van drie jaar heeft heraangeplant. II. Rechtspleging Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. HHC - 1 Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 4 december 2025. Ze stemmen in met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit). III. Feiten 1. Op 22 augustus 2022 stelt een natuurinspecteur O.G.P./ gewestelijke toezichthouder voor het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) (hierna: verbalisant), op een terrein van verzoekende partij in agrarisch gebied nabij kadastrale omschrijving vast: “… Vastellingen: … , met het volgende Wij ontvangen, in augustus 2021, via onze collega's van AVES een kapmachtiging met referentie … Hierin stond als voorwaarde om ten laatste 3 jaar na de kap een herbebossing uit te voeren en dit met inheems loofhout. Deze kapmachtiging heeft enkel betrekking op perceel met nummer . De bosbeheerder was … Het bos is in periode 2015-2016 gekapt. Op vrijdag 6 augustus 2021 gaan wij ter plaatse … Wij stellen vast dat er werkzaamheden bezig zijn om een omheining rond de percelen te zetten. … Ter hoogte van het bovengenoemde perceel zien wij geen aanplanting of anderen. .. Er werd geen heraanplanting of poging tot uitgevoerd. Wij begeven ons naar de werkmannen dewelke ons de gegevens bezorgen van hun opdrachtgever (verzoekende partij). Zij geven mee dat deze persoon even verder woont. Wij begeven ons naar het adres en worden aangesproken door de vrouw van (verzoekende partij). Wij stellen ons voor en geven mee dat er een heraanplanting moest gebeuren. Eveneens geven wij informatie omtrent het bosdecreet. De dame laat vallen dat deze percelen zullen dienen om te wandelen en spelen met de hond. Wij delen mee dat er een aanmaning zal worden opgesteld waarin de voorwaarden van de kapmachtiging zullen herhaald worden. … Op 26 augustus 2021 maken wij een aanmaning op met referentie … Hierin geven wij (aan) dat herbebossing verplicht is en moet uitgevoerd worden. Hiervoor geven wij een termijn tot eind maart 2022. Op maandag 8 augustus 2022 gaan wij terug naar het betrokken perceel De omheining is volledig af en er is een poortje aanwezig. … Het perceel achter de omheining is niet herbebost. Het aanwezige gras is kort en goed onderhouden met een machine … Wij stellen duidelijk vast dat er HHC - 2 geen twijgen of aanplanten aanwezig zijn, de stronken zijn weg, noch boompalen of anderen zijn aanwezig. … Ten burele controleren wij de documenten. Wij bevragen ons bij collega's van AVES dewelke niets meer gehoord hebben omtrent dit perceel. Er werd geen hulp gevraagd omtrent de aanplantingen of er zijn geen andere vragen gekomen. Wij zoeken de gegevens van de eigenaars. De oorspronkelijke aanvrager van de machtiging, bosbeheerder … staat niet meer als één van de eigenaars. (Verzoekende partij) is de enige eigenaar van dit perceel. De aankoop van dit perceel moet ergens in 2016-2017 gebeurd zijn. De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping circa 5.295 m 2 De kapping werd uitgevoerd in circa 2016. … Bij het opzoeken voor dit perceel ontdekken wij ook dat een perceel in de buurt in bezit is van (verzoekende partij). Dit perceel met nummer was bebost over de volledige oppervlakte van 9.271 m². Op 7/04/2015 ontving AVES een aanvraag van Bosgroep voor bossen beheerd door … Dit is exact dezelfde persoon dewelke in 2015 een kapmachtiging kreeg voor perceel met nummer (noot opsteller: deze percelen liggen langs dezelfde straat en zijn maar 88 meter van elkaar verwijderd). De kapmachtiging met referentie werd in 2015 afgeleverd. … Eén van de voorwaarden was dat 'andere ingrepen dan deze vermeld in de kapmachtiging zijn niet toegestaan'. Ook dit perceel werd in dezelfde periode, circa 2016, als bovengenoemd perceel gekapt. … Dit perceel is ook in bezit van (verzoekende partij) sinds 2016-2017. Wij gaan op dinsdag 23 augustus 2022 ter plaatse en stellen vast dat ook hier geen aanplanting werd uitgevoerd. Ook op dit perceel is gras ingezaaid dewelk goed onderhouden wordt. … Wij zien nergens stronken, twijgen, boompalen of anderen … Op dinsdag 13 september 2022 nodigen wij (verzoekende partij) uit tot verhoor te politiekantoor … Wij vragen hem aanwezig te zijn op dinsdag 27/09/2022 … Deze brief komt op 14/09/2022 aan bij BPOST en wordt op 15/09/2022 afgeleverd bij (verzoekende partij). Opsteller en een collega gaan naar politiekantoor op afgesproken datum. Op het afgesproken tijdstip komt er niemand opdagen en hebben wij geen telefoon of bericht ontvangen van verdachte. Wij wachten tot 11u00 en besluiten te vertrekken. Wij gaan omstreeks 11u35 naar woonplaats van (verzoekende partij) en bellen aan. Wij worden te woord gestaan door de vrouw van (verzoekende partij) en volgens haar is hij op dat moment thuis. Hij zou pas uit de douche zijn verklaart zij tegen ons. Aangezien (verzoekende partij) niet antwoordt op haar gaat zij naar boven. Even later komt zij terug en zegt dat hij in bad ligt. Bijkomend heeft hij geen tijd voor ons want hij zou een afspraak hebben om 13u00. Wij geven mee dat wij een verhoor hadden ingepland met hem en een schriftelijke uitnodiging hadden opgestuurd. Zij verklaart van niets te weten en overhandigt ons zijn gsm- nummer. Wij delen mee dat wij eventueel een andere afspraak zullen inplannen en dat hij de aktes van beide percelen zeker niet mag vergeten. … HHC - 3 Ten burele bekomen wij op 29/09/2022 bijkomende gegevens. Op 17 juli 2017 ontving dienst AVES van ANB een schrijven van een notarismedewerker … In het schrijven vragen zij naar een eventueel goedgekeurd beheerplan voor 4 percelen landbouwgrond en bos. Twee van deze percelen zijn bovengenoemde percelen … Bij perceel staat bij vermeld: een perceel bos. Op vrijdag 28 juli 2017 wordt er een antwoord verstuurd naar betrokken notarismedewerker … Op bladzijde 2 staat er dat voor perceel een aparte kapmachtiging is opgesteld. Wij bekomen eveneens de informatie dat het antwoord van AVES integraal is doorgestuurd naar de koper voor de verkoop werd afgerond. We kunnen dus stellen dat (verzoekende partij) voor de aankoop van de percelen al wist dat hier een kapmachtiging met voorwaarde op zat. We kunnen eveneens concluderen dat percelen hetzelfde behandeld werden. Er werd eerst apart een kapmachtiging aangevraagd … Kort daarna volgde de verkoop aan (verzoekende partij) en de kapping op beide percelen en sindsdien worden beide percelen gemaaid. We kunnen stellen dat circa 14.566 m² feitelijk ontbost is. Bestuurlijke maatregel: Op 29 september 2022 wordt er een Besluit Houdende Bestuurlijke Maatregel opgelegd aan (verzoekende partij) als doel het herstel van het bos op de betrokken percelen. Deze BHBM met wordt per aangetekende zending overgemaakt aan de verdachte. als referentie … Verklaring/Verhoor: Verdachte is niet komen opdagen en liet niets weten op voorhand. …” Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nummer , dat op 29 september 2022 wordt afgesloten (hierna: PV) en op 30 september 2022 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met een aangetekende brief. 2. Op 16 november 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 27 oktober 2023 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld. 3. Op 9 maart 2023 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze nodigt haar ook uit om een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief dossier. HHC - 4 Verzoekende partij gaat niet over tot betaling, bezorgt geen schriftelijk verweer en vraagt niet om te worden gehoord. 4. Op 9 maart 2023 vraagt de gewestelijke entiteit ook bijkomende inlichtingen aan de verbalisant, met name in hoeverre verzoekende partij ondertussen uitvoering gaf aan de haar opgelegde bestuurlijke maatregel. De verbalisant antwoordt op dezelfde datum dat tijdens een controle op donderdag 2 maart 2023 bleek dat er op de percelen geen enkele aanplant is gebeurd en het gras ter plaatse goed is onderhouden, naar aanleiding waarvan er een nieuw proces-verbaal is opgemaakt wegens het niet uitvoeren van de opgelegde bestuurlijke maatregelen, waaraan er ook een dwangsom is gekoppeld. Op 19 augustus 2024 vraagt de gewestelijke entiteit nogmaals bijkomende inlichtingen aan de verbalisant, met name in hoeverre verzoekende partij ondertussen uitvoering gaf aan de haar opgelegde bestuurlijke maatregel. De verbalisant antwoordt op 20 augustus 2024 dat er tijdens zijn laatste bezoek op 4 april 2024, in functie van het verbeuren van de dwangsom, nog geen enkele aanplant was gebeurd. 5. Op 30 augustus 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij op 30 september 2024 via haar eBox in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing. 6. Op 19 november 2024 wordt verzoekende partij aangemaand om het openstaande boetebedrag alsnog te betalen. In navolging hiervan vraagt de bij beschikking van de Vrederechter van het kanton van 15 februari 2024 aangestelde bewindvoerder van verzoekende partij op 13 december 2024 aan de gewestelijke entiteit om hem te informeren over deze openstaande schuld. Hierop maakt de gewestelijke entiteit de bestreden boetebeslissing met een mailbericht van 17 december 2024 ook over aan de bewindvoerder van verzoekende partij. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Hoedanigheid Standpunt van de partijen HHC - 5 1. Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoek tot vernietiging omdat dit blijkens het verzoekschrift wordt aangetekend namens verzoekende partij in eigen naam, terwijl verzoekende partij bij beschikking van het Vredegerecht van het kanton Diest van 15 februari 2024 onbekwaam is verklaard en haar goederen onder bewind zijn geplaatst van een andere advocaat dan zijn raadslieden in voorliggende procedure. Ze meent dat verzoekende partij hierdoor onbekwaam is om in voorliggende procedure in rechte op te treden als eiser. 2. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat ze als overtreder, aan wie de bestreden bestuurlijke geldboete is opgelegd, beschikt over het vereiste belang om voorliggende procedure in te stellen. Ze wijst op de opdracht van haar bewindvoerder om voorliggende procedure te voeren via haar eigen raadslieden, zodat deze feitelijk door haar bewindvoerder zijn aangeduid om haar in rechte te vertegenwoordigen. Ze wijst ook op de vaststelling dat ze als beschermde persoon, mits toelating van haar bewindvoerder, nog altijd rechtshandelingen kan stellen waartoe ze in staat is, terwijl deze rechtshandelingen rechtsgeldig blijven als de bewindvoerder daarvan niet de nietigheid inroept. Beoordeling door het College 1. De persoon aan wie de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt kan tegen de boetebeslissing schorsend beroep indienen bij het Handhavingscollege (hierna: College) (artikel 16.4.39 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - hierna: DABM). Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke entiteit met de bestreden beslissing een geldboete oplegt aan verzoekende partij als overtreder en haar daarvan ook in kennis stelt, nadat ze haar eerder op de hoogte bracht van haar voornemen om een geldboete op te leggen op basis van het PV dat lastens haar was opgemaakt. Dit betekent dat in beginsel enkel verzoekende partij in persoon een beroep kan indienen tegen de bestreden boetebeslissing. 2. Ongeacht de vaststelling, dat uit de voorliggende stukken blijkt dat de als bewindvoerder over de goederen van verzoekende partij aangestelde advocaat verzoekende partij heeft gemachtigd om voorliggende procedure op te starten via haar persoonlijke advocaat, doet de vaststelling dat een overtreder onbekwaam is verklaard voor het optreden in rechte voor wat HHC - 6 betreft zijn goederen geen afbreuk aan zijn mogelijkheid om voorliggende procedure voor het Handhavingscollege op te starten. De exceptie van hoedanigheid wordt dan ook verworpen. Zoals blijkt uit het dossier en door partijen niet wordt betwist, heeft de Vrederechter van het kanton Diest, bij beschikking van 15 februari 2024 overeenkomstig artikel 488/2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), verzoekende partij onbekwaam verklaard om de daarin bepaalde handelingen met betrekking tot haar goederen te stellen. De Vrederechter heeft daarbij, conform artikel 492/1, §2 BW, een overzicht gegeven van de handelingen of categorieën van handelingen in verband met de goederen van verzoekende partij, waarvoor deze onbekwaam is. Daaruit blijkt dat de rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen van verzoekende partij onder meer betrekking heeft op ‘het optreden in rechte als eiser en verweerder’, zodat ze hiervoor moet worden bijgestaan door de bewindvoerder over haar goederen. Daaruit blijkt ook dat die bijstand inhoudt dat verzoekende partij deze handelingen wel zelf, maar niet zelfstandig kan stellen, en dat de bewindvoerder de rechtsgeldigheid van de door verzoekende partij gestelde handeling moet vervolmaken, onder meer door de voorafgaande schriftelijke toestemming tot het verrichten van de handelingen waarvoor verzoekende partij onbekwaam is verklaard. De vaststelling, dat verzoekende partij door de Vrederechter onbekwaam is verklaard voor het optreden in rechte als eiser en verweerder wat betreft haar goederen, doet geen afbreuk aan haar mogelijkheid om voorliggende procedure voor het Handhavingscollege in te leiden als overtreder, aan wie een bestuurlijke geldboete is opgelegd wegens het plegen van een milieumisdrijf. Dergelijke geldboete is een punitieve sanctie met een persoonsgebonden karakter, en het opleggen hiervan wordt beschouwd als een strafvervolging in de zin van artikel 6, lid 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). Het betwisten van de geldboete kan dan ook niet worden beschouwd als een handeling die betrekking heeft op de bescherming van de goederen van de beschermde persoon, in functie waarvan de bewindvoerder moet tussenkomen. De bewindvoerder heeft verzoekende partij, na de kennisname van de geldboete, bovendien gevraagd om voorliggende procedure op te starten via haar persoonlijke advocaat, zodat ze hiervoor minstens impliciet is gemachtigd. B. Tijdigheid Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij stelt dat haar beroepstermijn van dertig dagen pas is beginnen lopen nadat de gewestelijke entiteit de bestreden beslissing met een mailbericht van 17 december 2024 HHC - 7 ook op regelmatige wijze heeft overgemaakt aan haar bewindvoerder, zoals vereist overeenkomstig artikel 499/12 BW. 2. Verwerende partij betwist de tijdigheid van voorliggend beroep. Ze stelt dat dit niet is ingesteld binnen 30 dagen na kennisgeving van de bestreden boetebeslissing, maar binnen 30 dagen nadat de bewindvoerder van verzoekende partij hiervan ook kennis kreeg via mailbericht van de gewestelijke entiteit van 17 december 2024, in antwoord op zijn mailbericht van 13 december 2024 om hem te informeren over de openstaande boeteschuld. Ze stelt dat deze beslissing op 3 september 2024 aan verzoekende partij is betekend via haar eBox, en dat mag worden verwacht dat de bewindvoerder over de goederen van verzoekende partij hiertoe ook toegang had. Ze merkt in dit kader op dat de aanmaning om de bestreden boete te betalen, naar aanleiding waarvan de bewindvoerder van verzoekende partij hierover via een mailbericht op 13 december 2024 informatie vroeg aan de gewestelijke entiteit, blijkbaar wel goed is ontvangen. 3. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat verwerende partij, ter ondersteuning van haar bewering dat de bewindvoerder van verzoekende partij kennis kon nemen van de bestreden beslissing, door de betekening hiervan op 3 september 2024 via de eBox van verzoekende partij, geen verzendingsbewijs voorlegt van deze betekening via de eBox van verzoekende partij, en ook geen bewijs dat de bewindvoerder van verzoekende partij haar eBox kon consulteren. Ze merkt op dat uit het mailbericht van de bewindvoerder van verzoekende partij van 13 december 2024 duidelijk blijkt dat deze op dat ogenblik nog geen kennis had van de bestreden boetebeslissing. Beoordeling door het College 1. De persoon aan wie de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt kan tegen deze beslissing, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving hiervan schorsend beroep indienen bij het College. De kennisgeving met een aangetekende brief met of zonder ontvangstbewijs wordt daarbij geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel hiervan, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst, waarbij alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten geldt en niet de feitelijke kennisneming van deze brief op een later tijdstip (artikel 18 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse HHC - 8 bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC-decreet, in samenlezing met artikel 4 Procedurebesluit en met artikel 16.4.39 DABM). De gewestelijke entiteit kan (als onderdeel van de Afdeling Handhaving van het Departement Omgeving) de eBox (in de zin van artikel 2, 3° van de wet van 27 februari 2019 inzake elektronische uitwisseling van berichten via de eBox - hierna: eBox-wet) gebruiken voor de elektronische uitwisseling van berichten (artikel 12 eBox-wet, in samenlezing met artikel II.23/1, §§1 en 2, lid 1 Bestuursdecreet). De uitwisseling van berichten via de eBox geldt als een uitwisseling binnen hetzelfde informatiesysteem en in die optiek geldt een elektronisch bericht als een aangetekende zending (artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet, in samenlezing met artikel II.23, §2, lid 1 Bestuursdecreet). Het tijdstip van verzending en ontvangst bij uitwisselingen via de eBox en de berekening van de termijnen worden daarbij bepaald overeenkomstig de eBox-wet, in afwijking van artikel II.23, §2, leden 3 en 4 Bestuursdecreet (artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet). Wat betreft het tijdstip van verzending en ontvangst, stelt de eBox-wet dat als tijdstip van elektronische verzending aan de bestemmeling het tijdstip geldt waarop de gebruiker het bericht heeft toevertrouwd aan een informatiesysteem voor de elektronische uitwisseling van berichten, op een wijze die de gebruiker niet langer toelaat om het bericht te herroepen of te wijzigen, terwijl als tijdstip van elektronische ontvangst door de bestemmeling het tijdstip geldt waarop het bericht toegankelijk is voor de bestemmeling (artikel 5, leden 2 en 3 eBox-wet). Wat betreft de berekening van de termijnen stelt de eBox-wet dat als de verzending of de ontvangst van een bericht een termijn doet lopen, deze termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag na het tijdstip van elektronische verzending, respectievelijk van elektronische ontvangst (artikel 5, lid 4 eBox- wet). Als een systeemfout verhindert dat een bericht wordt verzonden of ontvangen, geldt de informatie, die daarover met toepassing van artikel 4, lid 2 van de eBox-wet ter beschikking is gesteld, als bewijs van de systeemfout, die kan worden ingeroepen als bewijs van overmacht (artikel II.23/1, §2, lid 3 Bestuursdecreet). In die optiek begint de beroepstermijn van dertig dagen in beginsel te lopen vanaf de eerste werkdag die volgt op het tijdstip waarop het bericht via de eBox toegankelijk wordt voor de geadresseerde. Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, zoals verzoekende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing, worden overeenkomstig artikel 499/12 BW gedaan aan deze personen zelf en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder, voor zover de betekening of de kennisgeving verband houdt met de opdracht van de bewindvoerder. Het Grondwettelijk Hof (GwH 11 oktober 2018, nr. ) heeft met betrekking tot de vereiste van deze dubbele betekening in het strafrecht geoordeeld als volgt: HHC - 9 “… B.4.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de systematische dubbele betekening van de dagvaarding voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank wenselijk werd geacht, opdat de bewindvoerder tijdig kennis kan nemen van een strafzaak ten aanzien van de beschermde persoon, wegens de mogelijke ernstige vermogensrechtelijke gevolgen van een veroordeling … Tevens werd erop gewezen dat de regeling inzake betekening en kennisgeving in het specifieke kader van het bewind, zoals vervat in het Burgerlijk Wetboek, enkel betrekking heeft op burgerlijke zaken en niet op strafzaken … B.5. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het recht op een eerlijk proces wordt geschonden doordat noch bij de betekening van een verstekvonnis, noch bij de kennisgeving van een verval van het recht tot sturen aan een persoon aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, voorzien is in een soortgelijke verplichting tot dubbele betekening of kennisgeving aan zowel de beschermde persoon als aan zijn bewindvoerder. B.6. Teneinde het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beschermde persoon onder bewind te waarborgen, in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient rekening te worden gehouden met het feit dat die persoon wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk niet in staat is zonder gerechtelijke beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen of dat die persoon zich in een staat van verkwisting bevindt (zie in die zin: EHRM, 30 januari 2011, Vaudelle t. Frankrijk, §§ 50-53). Bijzondere procedurele waarborgen kunnen dan ook vereist zijn om de belangen van beschermde personen te vrijwaren, zeker wanneer het recht op vrijheid in het geding is (ibid., §§ 60-61). Daarenboven kan een veroordeling een belangrijke financiële weerslag hebben op het vermogen van de beschermde persoon (ibid., § 63). Minstens dient de wetgever dan ook te voorzien in bijkomende procedurele waarborgen die toelaten dat de beschermde persoon volledig geïnformeerd kan zijn over de aard en de oorzaak van de strafzaak tegen hem (ibid., § 65). B.7.1. De dagvaarding van de beschermde persoon voor de politierechtbank of voor de correctionele rechtbank dient te worden betekend aan de beschermde persoon en aan de woonplaats of verblijfplaats van zijn bewindvoerder, overeenkomstig de artikelen 145 en 182 van het Wetboek van strafvordering. Een geldige beslissing bij verstek veronderstelt dat de verstek latende partij regelmatig werd gedagvaard om te verschijnen … B.7.2. Het bewind houdt geen vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder bij de strafvordering in, aangezien artikel 185 van het Wetboek van strafvordering die vertegenwoordiging aan de advocaat voorbehoudt … Een strafrechtelijke veroordeling kan niettemin een weerslag hebben op het vermogen van de beschermde persoon. HHC - 10 B.7.3. De omstandigheid dat de opdracht van de bewindvoerder zich niet uitstrekt tot de vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder bij de strafvordering en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf kunnen evenwel niet verantwoorden dat aan de bewindvoerder enkel de dagvaarding van de beschermde persoon voor de politierechtbank of voor de correctionele rechtbank wordt betekend, maar niet het vonnis bij verstek gewezen jegens die persoon. Deze laatste zou immers kunnen worden veroordeeld zonder dat de bewindvoerder daarvan op de hoogte is en zonder dat hij de weerslag van de veroordeling op het vermogen van de beschermde persoon, die mogelijk aanzienlijk kan zijn, heeft kunnen ondervangen. Aldus ontbreken de procedurele waarborgen om het recht op een eerlijk proces van de beschermde persoon te vrijwaren. B.7.4. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 5 februari 2016, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet voorziet in de verplichting om een vonnis bij verstek gewezen jegens de beschermde persoon eveneens aan de bewindvoerder te betekenen. Aangezien de vastgestelde lacune zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, staat het aan de verwijzende rechter, wanneer hij uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het verzet, een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid, aangezien die vaststelling wordt uitgedrukt in voldoende duidelijke en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zowel de gewone als de buitengewone termijn van verzet vereisen immers een regelmatige betekening van het verstekvonnis … …” Gelet op de huidige regelgeving in het DABM met betrekking tot de bestuurlijke beboeting, bestaat de mogelijkheid dat de gewestelijke entiteit een bestuurlijke boeteprocedure opstart lastens een verkwister en dat een verkwister door de gewestelijke entiteit wordt beboet, zonder dat zijn bewindvoerder daarvan door de gewestelijke entiteit op de hoogte wordt gesteld en de mogelijk aanzienlijke financiële weerslag hiervan op het vermogen van de beschermde persoon kan ondervangen. 2. Ongeacht de discussie in hoeverre de kennisgeving door de gewestelijke entiteit van de bestreden boetebeslissing aan verzoekende partij via haar eBox op 3 september 2024, zonder HHC - 11 dat deze beslissing op dat ogenblik ook is betekend aan haar bewindvoerder, kan worden beschouwd als een regelmatige kennisgeving, die de vervaltermijn van dertig dagen in artikel 16.4.39 DABM om daartegen jurisdictioneel beroep aan te tekenen bij het College doet ingaan, was deze termijn op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift met een aangetekende brief van 14 januari 2025 nog niet verstreken omdat de kennisgeving de termijn waarbinnen jurisdictioneel beroep kan worden aangetekend bij het College niet vermeldt. De exceptie van laattijdigheid wordt dan ook verworpen. De gewestelijke entiteit dient haar boetebeslissing in beginsel binnen een (orde)termijn van tien dagen na de dag waarop ze is genomen ter kennis te brengen aan de geadresseerde hiervan, waarbij deze beslissing minstens onder meer de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep moet vermelden (artikel 16.4.37 DABM). Bij de kennisgeving van deze beslissing van individuele strekking, die rechtsgevolgen heeft voor de persoon aan wie de boete wordt opgelegd, dient te worden vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn, bij gebreke waarvan de beroepstermijn pas vier maanden na de kennisgeving start (artikel II.21 Bestuursdecreet ). Uit het administratief dossier blijkt niet dat het bericht van de gewestelijke entiteit van 3 september 2024, waarmee verzoekende partij via haar eBox in kennis wordt gesteld van de bestreden boetebeslissing, voldoet aan de vereisten in artikel II.21, lid 1 Bestuursdecreet. Het blijkt met name niet dat dit bericht vermeldt dat er tegen de boetebeslissing beroep kan worden ingesteld bij het College ‘binnen een vervaltermijn van dertig dagen’. Het bericht beoogt nochtans rechtsgevolgen tot stand te brengen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen in de zin van artikel II.19 Bestuursdecreet, terwijl het begrip ‘bericht’ in deze bepalingen ruim moet worden geïnterpreteerd (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1656/1, 46). Hoewel de kennisgeving van de boetebeslissing van 3 september 2024 hierdoor niet ongeldig is, wordt als sanctie opgelegd dat de beroepstermijn wordt opgeschort (Parl.St. Vl.Parl. 2017- 2018, nr. 1656/1, 46-47) en pas vier maanden na deze kennisgeving begint te lopen. De termijn om jurisdictioneel beroep in te stellen tegen de bestreden boetebeslissing van de gewestelijke entiteit was op 14 januari 2025 dus nog niet verstreken, ongeacht de discussie of deze beslissing op 3 september 2024, overeenkomstig artikel 499/12 BW, tegelijkertijd diende te worden betekend aan de bewindvoerder van verzoekende partij. De vaststelling dat de bestreden boetebeslissing de beroepsmodaliteiten wel vermeldt doet hieraan geen afbreuk omdat deze niet (ook) zijn vermeld in het bericht aan de geadresseerde, waarmee deze via zijn eBox in kennis wordt gesteld van de boetebeslissing, waarna deze beslissing ook nog afzonderlijk moet worden geopend. HHC - 12 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij stelt dat de bestuurlijke boeteprocedure is behept met een procedurefout, waardoor deze nietig is en de bestreden beslissing onwettig. Ze betwist met name de regelmatigheid van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure, doordat de gewestelijke entiteit de brief van 9 maart 2023, met haar voornemen om aan verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, waarbij verzoekende partij ook de mogelijkheid is geboden om zich te verweren, enkel heeft betekend aan verzoekende partij zelf en niet ook aan haar bewindvoerder, zoals vereist overeenkomstig artikel 499/12 BW. Ze stelt dat verzoekende partij zich hierdoor niet adequaat kon verdedigen en geen schriftelijk verweer heeft ingediend, waardoor haar een aanleg is ontnomen en waardoor ze de voormalige eigenaars van de bospercelen, die verantwoordelijk zijn voor de schending van de door hen verkregen kapmachtigingen, niet bij de bestuurlijke boeteprocedure kon betrekken. 2. Verwerende partij betwist dat de bestuurlijke boeteprocedure is behept met een procedurefout. Ze merkt op dat verzoekende partij, op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure door de gewestelijke entiteit met een brief van 9 maart 2023, nog niet onder bewind was gesteld, vermits haar bewindvoerder pas is aangesteld met een beschikking van de Vrederechter van het kanton van 15 februari 2024. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit hierdoor op dat ogenblik alleszins niet was gehouden om de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure lastens verzoekende partij, als vermoedelijke overtreder van een milieumisdrijf, overeenkomstig artikel 499/12 BW ook ter kennis te brengen aan haar bewindvoerder. 3. Verzoekende partij erkent dat het verzoekschrift bij het Vredegerecht tot voorlopig bewind van 30 november 2023, en de daaropvolgende beschikking houdende aanstelling van een bewindvoerder van 15 februari 2024, dateren van na de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure op 9 maart 2023, die heeft geleid tot de bestreden boetebeslissing. Ze meent dat er echter niet kan worden voorbijgegaan aan het feit, dat het handelen van verzoekende partij reeds geruime tijd voordien al was behept met een wilsgebrek en dat een tussenkomst van de Vrederechter pas is verantwoord als er een ernstige noodzaak tot bescherming bestaat. HHC - 13 Ze stelt ook dat verzoekende partij op het ogenblik van de bestreden boetebeslissing van 30 augustus 2024 al een half jaar onder bewind stond, zodat de gewestelijke entiteit hierover voordien inlichtingen diende in te winnen via het Centraal Curatele- en Bewindsregister. Ze merkt daarbij op dat de gewestelijke entiteit op het ogenblik van de bestreden beslissing nog altijd de mogelijkheid had om de onderzoeksfase te heropenen en verzoekende partij alsnog te horen en rekening te houden met haar standpunt. Beoordeling door het College 1. Als de gewestelijke entiteit het voornemen heeft om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, moet ze de vermoedelijke overtreder hiervan, binnen een ordetermijn van 30 dagen na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, met een beveiligde zending (artikel 16.1.2, 3° en 3°bis DABM) op de hoogte brengen. Deze wordt daarbij uitgenodigd om schriftelijk zijn verweer mee te delen, waarbij hij er ook op wordt gewezen dat hij de documenten waarop dit voornemen steunt kan inzien en hiervan kopieën kan krijgen en dat hij mits een aanvraag ook mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten (artikel 16.4.36, §1 DABM). In de parlementaire voorbereiding van deze bepaling wordt gesteld dat ‘het met het oog op een degelijke rechtsbescherming essentieel is dat de vermoedelijke overtreder weet wat tegen hem wordt ingebracht en op welke gronden’; dat ‘het bericht voorts enkele specifieke vermeldingen moet omvatten vanuit de bekommernis om de rechten van de vermoedelijke overtreder maximaal te beschermen’; en dat ‘waar het om gaat is dat de vermoedelijke overtreder in staat moet worden gesteld om zich adequaat te kunnen verdedigen’ (Parl.St. Vl.Parl., 2006-07, nr.1249/1, 62-63). De bestuurlijke boeteprocedure voorziet dus in een normatieve hoorplicht, waarvan de invulling door de gewestelijke entiteit moet worden getoetst aan de verplichtingen voor het bestuur en de waarborgen voor de belanghebbende op basis van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dit impliceert dat er tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen, die is gesteund op zijn persoonlijk gedrag en van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de mogelijkheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Kenmerkend voor de hoorplicht is dat de belanghebbende de mogelijkheid moet krijgen om opmerkingen te formuleren op het dossier, zoals het ter beoordeling voorligt van het bestuur, om op die wijze een voor hem ongunstige beslissing te proberen om te zetten in een gunstige beslissing. Aan de zijde van het bestuur strekt de hoorplicht tot een zorgvuldig onderzoek van de zaak en het inwinnen van alle HHC - 14 relevante gegevens. Dit impliceert dat het horen van de vermoedelijke overtreder, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, nuttig moet gebeuren. Toegepast op de normatieve hoorplicht van de gewestelijke entiteit in het kader van de bestuurlijke boeteprocedure betekent dit dat aan de vermoedelijke overtreder vooraf de feitelijke en juridische grondslag van de boete wordt meegedeeld, en in het bijzonder dat hij in kennis wordt gesteld van de milieumisdrijven die hem ten laste worden gelegd, en dat hij de gelegenheid krijgt om tijdig kennis te nemen van alle relevante gegevens en stukken waarop de gewestelijke entiteit haar beoordeling zal steunen. Deze werkwijze ligt in de lijn met de waarborgen voor een behoorlijke rechtsbedeling, die worden geboden door artikel 6, lid 3, a EVRM. 2. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat de boeteprocedure niet regelmatig is opgestart met de kennisgeving door de gewestelijke entiteit aan verzoekende partij op 9 maart 2023 van haar voornemen om een boete op te leggen. Ze stelt tevergeefs dat ze door de ontstentenis van kennisgeving van de opstart, dan wel van het bestaan van deze boeteprocedure aan haar bewindvoerder, niet in staat was om tijdens de bestuurlijke boeteprocedure voor de gewestelijke entiteit nuttig voor haar standpunt op te komen en zich adequaat te verdedigen. 2.1. Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke entiteit verzoekende partij met een aangetekende brief van 9 maart 2023 op de hoogte brengt van het voornemen om haar eventueel, op basis van de vaststellingen in het PV, een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. De gewestelijke entiteit verwijst daarbij naar het in het PV opgenomen milieumisdrijf, met name het ‘niet naleven van de verleende kapmachtigingen door het niet uitvoeren van de verplichte heraanplant en bijgaande ontbossing’. Ze verwijst vervolgens ook naar de in het PV weerhouden schending van het Bosdecreet. Verzoekende partij wordt daarbij uitgenodigd om haar schriftelijk verweer mee te delen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van deze brief, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl ze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij betwist op zich niet dat ze deze brief daadwerkelijk heeft ontvangen. Ze betwist op zich ook niet dat ze met de daarin opgenomen informatie in beginsel afdoende in kennis is gesteld van de feitelijke en juridische grondslag van de boete, en dat ze wist welk milieumisdrijf haar ten laste werd gelegd, zodat ze in beginsel in staat was om haar standpunt hierover redelijkerwijze op afdoende nuttige wijze aan de gewestelijke entiteit kenbaar maken. Ze stelt enkel dat de ontstentenis van kennisgeving van deze brief aan haar bewindvoerder HHC - 15 tijdens de bestuurlijke boeteprocedure tot gevolg had dat ze zich als beschermde persoon niet adequaat heeft verweerd. 2.2. Verzoekende partij stelt tevergeefs dat de brief van de gewestelijke entiteit van 9 maart 2023 houdende de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure ten onrechte niet ook is overgemaakt aan haar bewindvoerder, en dat ze zich daardoor als beschermde persoon tijdens de bestuurlijke boeteprocedure niet adequaat kon verweren. Zoals blijkt uit de voorliggende stukken en door partijen op zich niet wordt betwist, is verzoekende partij bij beschikking van de Vrederechter van het kanton van 15 februari 2024 onbekwaam verklaard om welbepaalde handelingen met betrekking tot haar goederen te stellen omdat ze zich bevond in een staat van verkwisting, zodat haar bewindvoerder pas dan is aangesteld. Verzoekende partij was als meerderjarige persoon tot op dat ogenblik, in het licht van het eigendomsrecht, vrij om over haar goederen te beschikken, terwijl ze niet aantoont dat er ter zake sprake was van enig wilsgebrek en dat dit aan de basis lag van haar bescherming. Ongeacht de discussie of de gewestelijke entiteit de kennisgeving van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure overeenkomstig artikel 499/12 BW ook moet betekenen aan de bewindvoerder van de vermoedelijke overtreder, en of de boeteprocedure bij gebreke hiervan onregelmatig is opgestart, kan de gewestelijke entiteit in voorliggend dossier alleszins niet worden verweten dat ze dit niet deed. De bewindvoerder van verzoekende partij was op het ogenblik van de kennisgeving door de gewestelijke entiteit aan verzoekende partij van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure immers nog niet aangesteld. Er was in functie hiervan zelfs nog geen verzoekschrift neergelegd bij het Vredegerecht. Ook na het verstrijken van de termijn van dertig dagen na ontvangst van de brief van 9 maart 2023 houdende de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure, waarbinnen verzoekende partij inzage kon vragen in het administratief dossier, een schriftelijk verweer kon indienen en een hoorzitting kon vragen, was haar bewindvoerder nog niet aangesteld en was er in functie hiervan nog geen verzoekschrift neergelegd bij het Vredegerecht. De gewestelijke entiteit kan tijdens de bestuurlijke boeteprocedure bezwaarlijk rekening houden met een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen van de vermoedelijke overtreder, als er ter zake nog geen beschikking voorligt van de Vrederechter, waarmee onder meer een bewindvoerder wordt aangesteld, en al zeker niet als de Vrederechter hierover op dat ogenblik zelfs nog niet is gevat. Er wordt voor de categorie van onbekwamen waartoe verzoekende partij behoort, en die zich met name bevinden in staat van verkwisting in de zin van artikel 488/2 BW, overigens ook niet voorzien in de mogelijkheid overeenkomstig artikel 493/2 BW tot vernietiging van handelingen, die zijn verricht voordat de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen had. HHC - 16 De vaststelling dat er op het ogenblik van de bestreden beslissing wel al een bewindvoerder voor verzoekende partij was aangesteld doet hieraan geen afbreuk. Zoals hierboven geoordeeld, is het verzoek tot vernietiging van de boetebeslissing ontvankelijk, terwijl het College bij de behandeling van het jurisdictioneel beroep beschikt over een eigen beoordelingsbevoegdheid en oordeelt met volle rechtsmacht. Het kan na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de boetebeslissing immers zelf een beslissing nemen over het bedrag van de boete en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt (artikel 44 DBRC-decreet). Verzoekende partij kan, hierin bijgestaan door haar bewindvoerder, in voorliggende procedure nog steeds betwisten dat er een milieumisdrijf voorligt, dat haar kan worden toegerekend en waarvoor haar een boete kan worden opgelegd, terwijl ze ook de proportionaliteit van de boete kan betwisten, zoals ze ook doet in het twee en derde middel. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij betwist in essentie dat het milieumisdrijf haar kan worden toegerekend en er haar hiervoor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voert dus feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing geschonden artikelen 81 en 90bis Bosdecreet. Ze stelt dat het milieumisdrijf feitelijk is gepleegd door de vorige eigenaars van de percelen, die de voorwaarde in de hen verleende kapmachtigingen, om binnen een termijn van drie jaar na de kap over te gaan tot een heraanplant, niet hebben nageleefd, en de percelen na de ontbossing hiervan aan haar hebben verkocht. Ze stelt dat ze zich dan ook niet opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het milieumisdrijf en dat er haar ter zake ook geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat beide percelen op het ogenblik van hun verkoop eind 2017 al meer dan één jaar waren ontbost en dat ze er van uitging dat dit hooilandpercelen waren en deze ook om die reden heeft gekocht, temeer ze zijn gelegen in agrarisch gebied en conform deze gewestplanbestemming worden gebruikt. Ze wijst ook op de vaststelling dat ze nooit in kennis is gesteld van de geschonden kapmachtigingen, waardoor ze geen kennis had van de daarin opgenomen verplichting tot heraanplant, terwijl ze deze percelen in andersluidend geval nooit zou hebben gekocht. Ze stelt dat het loutere feit dat ze heden eigenaar is van deze percelen, die door de vorige eigenaars op basis van een aan hen HHC - 17 verleende kapmachtiging zijn ontbost, onvoldoende is om haar te beschouwen als overtreder, aan wie een punitieve sanctie kan worden opgelegd. 2. Verwerende partij stelt dat verzoekende partij ten onrechte voorbijgaat aan de overwegingen in de bestreden beslissing met betrekking tot de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf. Ze merkt op dat verzoekende partij op zich niet betwist dat er voor beide percelen kapmachtigingen zijn verleend, waarin de verplichting is opgenomen om uiterlijk drie jaar na de kapping over te gaan tot herbebossing met inheems loofhout, maar dat er na de ontbossing van deze percelen nooit tot heraanplant is overgegaan. Ze stelt dat verzoekende partij tevergeefs aanvoert dat er haar met betrekking tot het milieumisdrijf, dat bestaat in het niet herbebossen van de percelen waarvan ze eigenaar is binnen drie jaar na de kapping van het daarop voorkomende bos, geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten. Ze wijst op de vaststelling dat uit de PV blijkt dat verzoekende partij, op basis van de informatie die door het ANB aan de instrumenterende notaris is overgemaakt in het licht van artikel 91 Bosdecreet, al voor de aankoop van de percelen, die op dat ogenblik sinds ongeveer een jaar waren ontbost, wist dat er hiervoor twee onderscheiden kapmachtigingen waren verleend. Ze wijst ook op de vaststelling dat deze kapmachtigingen als bijlage bij het PV zijn gevoegd en dat verzoekende partij hiervan ook in kennis is gesteld. Ze wijst tenslotte op de vaststelling dat er aan verzoekende partij ook een bestuurlijke maatregel is opgelegd om de percelen te herbebossen, waarbij opnieuw is gewezen op deze kapmachtigingen, maar waaraan er nooit gevolg is gegeven. Ze meent dat verzoekende partij in het licht van deze vaststellingen bezwaarlijk kan aanvoeren dat enkel de vroegere eigenaars van de percelen, die de kapmachtigingen hebben verkregen en op basis daarvan tot ontbossing zijn overgegaan, moeten worden beschouwd als overtreders. 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze herhaalt dat de twee kapmachtigingen voor de twee percelen, met inbegrip van het gebod tot heraanplant, zijn verleend aan de vorige eigenaars van de percelen, die de kap hebben uitgevoerd en die in die optiek ook verantwoordelijk blijven voor de heraanplant. Ze meent dat uit de briefwisseling tussen het ANB en de instrumenterende notaris niet duidelijk blijkt dat er voor de toen reeds ontboste percelen een kapmachtiging was verleend, op basis waarvan deze opnieuw, binnen een termijn van drie jaar na de kap, dienden te worden bebost, waarbij deze verplichting tot herbebossing overgaat op de nieuwe eigenaar, en dat ze hiervan zelf kennis had. HHC - 18 Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die, naargelang de keuze van de procureur des Konings, ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3ter, 16.6.3quater en 16.6.3quinquies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1, 14° DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (de artikelen 16.6.1, §1 DABM en 16.6.3quinquies DABM). De geldboete kan enkel worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen. Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en inhoudelijk vlak. 2. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel ‘de toerekenbaarheid aan de overtreder’, met betrekking tot het milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder, het volgende: “… HHC - 19 Artikel 4, 15° van het Bosdecreet definieert ontbossen als “iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven.” Een ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van een omgevingsvergunning of een individueel toegestane ontheffing (artikel 90bis Bosdecreet). Het niet naleven van de voorwaarden van een kapmachtiging is verboden (artikel 81 Bosdecreet). Vermoedelijke overtreder is sedert 2017 eigenaar van de percelen kadastraal gekend als Voor het perceel werd op 4 september 2015 een kapmachtiging met referentie bekomen voor de kaalkap van fijnsparren, berken en wilgen. Volgens artikel 4 van de kapmachtiging was herbebossing met inheems loofhout verplicht ten laatste drie jaar na de kapping. Andere ingrepen dan deze vermeld in de kapmachtiging waren niet toegestaan. Dit bos is in de periode 2015-2016 gekapt. De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping circa 5.295 m². Voor onder meer het perceel werd op 27 april 2015 een kapmachtiging met referentie bekomen. Volgens artikel 4 van de kapmachtiging was herbebossing met inheems loofhout verplicht ten laatste drie jaar na de kapping. Andere ingrepen dan deze vermeld in de kapmachtiging waren niet toegestaan. Dit bos is eveneens in de periode 2015-2016 gekapt. De oppervlakte bos op dit perceel bedroeg bij de kapping circa 9.271 m² Op 6 augustus 2021 stelde de verbalisant vast dat men bezig was een omheining rond de percelen te zetten. Ter hoogte van perceel zag men geen aanplanting. De echtgenote van vermoedelijke overtreder gaf aan dat beide percelen zouden dienen om in te wandelen en te spelen met de hond. Bij schrijven van 26 augustus 2021 met referentie maande de verbalisant vermoedelijke overtreder aan om ten laatste eind maart 2022 een heraanplant met inheems loofhout en in een plantverband niet wijder dan 2,5 x 2,5 meter uit te voeren voor onder meer perceel Tijdens een hercontrole op 8 augustus 2022 stelde de verbalisant vast dat de omheining volledig af was en er een poortje aanwezig was. Het perceel achter de omheining was niet herbebost. Daarentegen was het aanwezige gras kort en goed onderhouden met een machine. Er waren geen sporen van een aanplant of stronken waarneembaar. HHC - 20 Tijdens een controle op 23 augustus 2022 stelde verbalisant vast dat ook op het perceel een kap was uitgevoerd, maar dat geen heraanplant conform de kapmachtiging was uitgevoerd. Er was eveneens gras ingezaaid dat goed onderhouden werd. De verbalisant zag op beide percelen nergens stronken, twijgen, boompalen of andere. Alle vaststellingen zijn uitvoering gedocumenteerd met foto's, opgenomen in bijlage 1 bij het aanvankelijk proces-verbaal. De totale oppervlakte van de ontbossing bedraagt 14.566 m². Uit communicatie tussen de dienst adviezen en vergunningen (hierna: "AVES") van het ANB en de bevoegde notarismedewerker in juli 2017 blijkt dat vermoedelijke overtreder naar aanleiding van de aankoop van beide percelen op de hoogte werd gesteld van het bestaan van de kapmachtiging. Bovenvermelde feiten zijn een schending van: Bosdecreet: artikel 81; artikel 90bis. Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden. Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder. …” 3. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. Ze laat na om de overwegingen hierover in de bestreden beslissing concreet bij haar beoordeling te betrekken, en beperkt zich feitelijk tevergeefs tot de bewering dat ze niet op de hoogte is gesteld van de plicht om de aangekochte percelen te herbebossen, conform de voorwaarde hierover in de daarvoor aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen, en ze deze percelen in andersluidend geval nooit zou hebben aangekocht. 3.1. De gewestelijke entiteit steunt haar oordeel op de met foto’s onderbouwde vaststellingen van de verbalisant in het PV. Deze materiële vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, vermits uit het PV blijkt dat dit binnen een termijn van veertien dagen na de afsluiting hiervan met een aangetekende brief is overgemaakt aan verzoekende partij, die niet betwist en HHC - 21 alleszins niet weerlegt dat ze dit PV in goede orde heeft ontvangen (artikel 16.3.25, lid 1 DABM). De vaststellingen worden door verzoekende partij bovendien op zich niet betwist, terwijl hun bewijswaarde enkel ongedaan kan worden gemaakt als er een beslissend bewijs van onjuistheid hiervan wordt voorgelegd, zodat een loutere ontkenning van of twijfel over deze vaststellingen niet volstaat. 3.2. Verzoekende partij betwist tevergeefs dat het milieumisdrijf haar niet kan worden verweten omdat ze onwetend was dat de percelen, die zijn gelegen in agrarisch gebied en die op het ogenblik dat ze deze aankocht door de vorige eigenaar al waren ontbost, moest herbebossen, conform de voorwaarde hierover in de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen. Zoals gesteld, vereist het milieumisdrijf waarvoor de boete wordt opgelegd als moreel element enkel een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, opdat de schending van de gehandhaafde regelgeving strafbaar is. Verzoekende partij maakt niet redelijkerwijze aannemelijk dat elke normaal redelijk en vooruitziend persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook niet op de hoogte zou zijn geweest van de herbebossingsplicht als nieuwe eigenaar. Ze kan zich dan ook niet zonder meer verschuilen achter de bewering dat ze geen kennis had van de plicht om de percelen te herbebossen en ter goeder trouw handelde, en maakt niet aannemelijk dat er in haar hoofde sprake is van een schulduitsluitingsgrond en met name onoverkomelijke (rechts)dwaling. Uit de voorliggende stukken blijkt met name dat verzoekende partij, voor de aankoop van de percelen, degelijk is geïnformeerd over de plicht als nieuwe eigenaar om de percelen te herbebossen binnen een termijn van drie jaar na de kapping van het bos, conform de voorwaarde hierover in de respectievelijke kapmachtigingen. Ze toont niet aan de hand van stukken, in het bijzonder de notariële aankoopakte van de percelen, aan dat de overweging in de bestreden beslissing, dat ‘uit communicatie tussen de dienst adviezen en vergunningen van het ANB en de bevoegde notarismedewerker in juli 2017 blijkt dat (ze) naar aanleiding van de aankoop van beide percelen op de hoogte werd gesteld van het bestaan van de kapmachtiging’, foutief is, terwijl deze overweging steun vindt in het PV en de bijlagen. De betreffende communicatie tussen het ANB en de instrumenterende notaris steunt op artikel 91 Bosdecreet, dat voorziet dat de rechten en plichten uit hoofde van het Bosdecreet, bij de overdracht van een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, overgaan op de verwerver, in de mate dat hij daarbij het beheer van het bos verkrijgt. De overdrager dient de verwerver in het licht hiervan, voor het sluiten van de overeenkomst, op de hoogte te stellen van de verplichtingen die krachtens het Bosdecreet op het onroerend goed rusten. De instrumenterende ambtenaar, die de akte van dergelijke overdracht verlijdt, dient daartoe in HHC - 22 de akte, in een aparte rubriek ‘Bosdecreet’, de verklaring op te nemen van de overdrager, dat hij zijn informatieplicht ten opzichte van de verwerver heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen. Verzoekende partij laat na om de notariële koopakte van de percelen voor te leggen en toont niet aan dat ze in het kader van de aankoop hiervan door de vorige eigenaar, die het daarop voorkomende bos conform de hem verleende kapmachtiging heeft gekapt, niet afdoende in kennis is gesteld van de daarop rustende verplichtingen uit hoofde van het Bosdecreet. Ze stelt dan ook tevergeefs dat de herbebossingsplicht enkel rust op de vorige eigenaar van de percelen en haar niet tegenstelbaar is. Uit de voorliggende stukken blijkt overigens dat verzoekende partij ook voor de opmaak van het PV degelijk is geïnformeerd over haar plicht als nieuwe eigenaar om de voorwaarde in de kapmachtigingen tot herbebossing na te leven. Ze is hiertoe, wat betreft perceel op 26 augustus 2021 door de verbalisant aangemaand, terwijl ze niet betwist dat ze deze aanmaning in goede orde heeft ontvangen. Ze heeft echter niet gereageerd op deze aanmaning, hoewel daarin duidelijk is gewezen op de herbebossingsplicht, terwijl ook niet blijkt dat ze naar aanleiding hiervan de vorige eigenaar van het perceel heeft aangesproken in vrijwaring. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij betwist in essentie de degelijkheid van de begroting door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing van het boetebedrag. Ze betwist daarbij de beoordeling van de waarderingscriteria van de ernst van de feiten, de frequentie en de omstandigheden waarin het milieumisdrijf is gepleegd of beëindigd. Ze vraagt om de boete minstens te herleiden tot een symbolische euro. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM en van het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wat betreft de ernst van de feiten, stelt ze dat de betreffende percelen conform het gewestplan zijn gelegen in agrarisch gebied, terwijl ze bij een herbebossing niet langer, conform hun bestemming, als hooiland kunnen worden gebruikt, in functie waarvan ze ook zijn aangekocht. Ze merkt daarbij op dat het hooiland ook ten dienste staat van de omliggende natuurgebieden, die een dicht bebost karakter hebben, waardoor de aanwezigheid van hooi de biodiversiteit ten goede komt. Wat betreft de frequentie, stelt ze dat ze zich nog nooit eerder schuldig heeft gemaakt aan een milieumisdrijf of -inbreuk. Wat betreft de omstandigheden, herhaalt ze, in navolging van het tweede middel, dat ze bij de aankoop HHC - 23 van de op dat ogenblik al door de vorige eigenaars ontboste percelen in agrarisch gebied niet wist dat ze deze percelen hooiland moest herbebossen, conform de daarvoor aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen, en dat ze deze percelen in andersluidend geval niet zou hebben aangekocht. 2. Verwerende partij stelt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gewestelijke entiteit op foutieve of kennelijk onredelijke wijze toepassing heeft gemaakt van de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen. Wat betreft de ernst van de feiten, stelt ze dat het agrarische gebruik van de percelen conform hun gewestplanbestemming, dat ook dienstig is voor de omliggende natuurgebieden, en de onwetendheid in hoofde van verzoekende partij van de herbebossingsplicht, geen uitstaans hebben met hun ernst. Wat betreft de frequentie, stelt ze dat de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing rekening houdt met het eenmalig karakter van de schending, waardoor dit waarderingscriterium geen aanleiding geeft tot een hogere geldboete. Wat betreft de omstandigheden, herhaalt ze, in navolging van de weerlegging van het tweede middel, dat verzoekende partij voor de aankoop van de percelen wel degelijk kennis had van de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen. 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze stelt nog dat de bestreden beslissing is gemotiveerd met stijlformules en bovendien tegenstrijdigheden bevat. Ze wijst daarbij met name op het feit dat de beweerde ernst van de feiten tegenstrijdig is met de vaststelling dat de bevoegde overheden haar pas medio 2022 als nieuwe eigenaar zijn beginnen te viseren, terwijl de kap van het bos op de percelen door de vorige eigenaar dateert van 2015-2016, en de heraanplant hiervan volgens de kapmachtigingen in beginsel moest gebeuren binnen drie jaar na deze kap. Wat betreft de ernst van de feiten, herhaalt ze dat de percelen zijn gelegen in agrarisch gebied en dat de ontstentenis van bos ertoe leidt dat ze conform hun bestemming als hooiland kunnen worden gebruikt. Ze meent dat verwerende partij moet streven naar een bestemmingswijziging, als ze wil dat de percelen worden ingericht als een bos met een ecologische functie. Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten. HHC - 24 Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd (artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij, in het licht van het maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM), over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM). Het College zal bij het toezicht hierop, aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd, nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name moeten blijken uit de juridische en feitelijke motieven, die aan de boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert onder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing moet dus een concrete, precieze en pertinente of draagkrachtige motivering bevatten waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen. 2. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover onder de titel ‘de hoogte van de geldboete’ het volgende: “… 4.2.1. De ernst van de feiten Het Bosdecreet heeft het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en het regelen van hun natuurlijk milieu tot doel. De overheid tracht de weerbaarheid van bossen te vergroten en verder in te zetten op biodiversiteit. Bossen hebben een duidelijke ecologische functie, door onder meer de groei van inheemse boom- of struikvegetaties te bevorderen. Dit komt het behoud, de ontwikkeling of het herstel van de biologische diversiteit van populaties van zeldzame soorten ten goede en draagt bij tot de HHC - 25 instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van habitats en natuurlijke ecosystemen. De soortenrijkdom in goed ontwikkelde bossen kan tot in de duizenden oplopen. Niet alleen bossoorten maar ook andere soorten zoeken steeds meer hun toevlucht in bossen als gevolg van een steeds intensiever gebruikt buitengebied. Naast de ecologische functie vervullen bossen ook cruciale diensten voor mens en maatschappij. Het zijn ook essentiële steunpilaren van onze economie, onder andere omdat het producenten zijn van hout, een van de meest duurzame grondstoffen van onze planeet. Bij de behandeling van de aanvraag tot het verkrijgen van een kapmachtiging weegt het ANB de effecten van de kapping op de natuurwaarden af. Indien een machtiging wordt toegestaan, legt het ANB voorwaarden op die gericht zijn op het beperken van de te verwachten natuurschade. Bij het niet naleven van de opgelegde voorwaarden wordt deze doelstelling miskend. Om de achteruitgang van de bossen in Vlaanderen te stoppen geldt een algemeen ontbossingsverbod. Slechts in een aantal gevallen wordt een vergunning verleend voor een ontbossing. Elke vergunde ontbossing moet bovendien worden gecompenseerd. De overtreder voerde zonder omgevingsvergunning een ontbossing van circa 14.566 m² uit, bovendien in strijd met de verleende kapmachtigingen. Beide percelen zijn op de Biologische Waarderingskaart als biologisch waardevol naaldhoutbestand gekarteerd. De overtreder werd reeds eerder schriftelijk aangemaand om zich in regel te stellen, maar liet na heraanplant binnen de gestelde termijn uit te voeren. Deze feiten zijn dus voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 17.181 euro. 4.2.2. De frequentie Het betreft een eenmalige schending. Er zijn minstens geen indicaties die erop wijzen dat bij overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft derhalve geen aanleiding tot een hogere geldboete. 4.2.3. De omstandigheden Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de bereidheid van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. HHC - 26 Bij besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 29 september 2022 werd vermoedelijke overtreder verplicht om beide percelen te herbebossen tegen uiterlijk 28 februari 2023. Uit bijkomende informatie van verbalisant blijkt dat deze op 4 april 2024 - dit is op het einde van het plantseizoen 2023-2024 - vaststelde dat er nog geen heraanplant heeft plaatsgevonden. Derhalve kan herstel niet worden meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de geldboete. De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 9 maart 2023 over tot kennisgeving van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De boetebeslissing moet binnen een termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving genomen worden (artikel 16.4.37 DABM). Deze termijn van honderdtachtig dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Deze beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De gewestelijke entiteit is evenwel van oordeel dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen en acht het, wegens de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn en rekening houdende met de concrete elementen in het dossier, passend en redelijk om het boetebedrag te verlagen tot 14.925 euro. Ten slotte zijn er, wat dit misdrijf betreft, geen verdere bijzondere omstandigheden die in rekening worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete. De feiten zijn voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 14.925 euro. …” 3. Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de geldboete ontoereikend zijn, en dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten en de opgelegde geldboete. Ze maakt ten onrechte abstractie van de gemotiveerde en pertinente overwegingen hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, terwijl haar kritiek feitelijk opportuniteitskritiek vormt op de noodzaak van herbebossing conform de voorwaarde hierover in de aan de vorige eigenaar van de percelen verleende kapmachtigingen. 3.1 Wat betreft het eerste waarderingscriterium van de ernst van de feiten, toont verzoekende partij niet aan dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is. Ze voert met name geen betwisting over de juistheid van de vaststelling dat ze HHC - 27 feitelijk, ondanks een aanmaning om zich in regel te stellen, twee eertijds beboste percelen van ongeveer 14.566 m², die volgens de Biologische Waarderingskaart zijn gekarteerd als biologisch waardevol naaldhoutbestand, zonder vergunning heeft ontbost, waardoor de doelstellingen van het Bosdecreet en de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen zijn miskend. In die optiek verwijst ze tevergeefs naar de situering van deze percelen volgens het gewestplan in agrarisch gebied en hun bestemmingsconform gebruik als hooiland, vermits dit geen afbreuk doet aan de toepassing van het Bosdecreet en in het bijzonder de plicht tot herbebossing hiervan conform de aan de vorige eigenaar verleende kapmachtigingen, en feitelijk kritiek op het Bosdecreet betreft. In zoverre ze in haar wederantwoordnota voor het eerst wijst op de lange periode tussen de kap van het bos op de percelen in 2015-2016 en de opmaak van het PV in 2022, gaat ze ten onrechte voorbij aan de vaststelling dat de heraanplant volgens de kapmachtigingen in beginsel pas binnen drie jaar na deze kap moest gebeuren, terwijl ze binnen deze driejarige periode in oktober 2017 eigenaar van de percelen is geworden en vanaf dat ogenblik verantwoordelijk is geworden om de herbebossingsplicht na te leven. Ze maakt daarbij ook ten onrechte abstractie van het feit dat ze voor de opmaak van het PV, wat betreft perceel halverwege 2021 door de verbalisant eerst is aangemaand om zich alsnog in regel te stellen, maar dat ze daaraan bewust geen gevolg gaf. 3.2 Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de frequentie van het milieumisdrijf, toont verzoekende partij ook niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. Ze stelt enkel dat er slechts sprake is van een eenmalige schending, terwijl de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing in dezelfde zin oordeelt en op basis daarvan besluit dat het criterium frequentie geen aanleiding geeft tot een hogere geldboete. Het oordeel van de gewestelijke entiteit, om het waarderingscriterium van de frequentie bij het bepalen van het boetebedrag enkel als boeteverzwarende omstandigheid in aanmerking te nemen, als vaststaat dat de overtreder al eerder gelijkaardige feiten pleegde, ligt in de lijn van de parlementaire voorbereiding van artikel 16.4.29 DABM (Parl. St., Vl. P., 2006-07, nr. 1249/1, 59). Daarin wordt gesteld dat ‘het vanuit het proportionaliteitsbeginsel belangrijk is om bij de bepaling van de bestuurlijke geldboeten rekening te houden met zowel positieve (de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven pleegt of beëindigt) als negatieve factoren (ernst van de milieu-inbreuk of de milieumisdrijffrequentie van de gepleegde feiten)’. Verzoekende partij betrekt dit oordeel niet in haar argumentatie en toont niet aan dat dit foutief of kennelijk onredelijk is. HHC - 28 3.3. Wat betreft het waarderingscriterium van de omstandigheden waarin het milieumisdrijf is gepleegd of beëindigd, toont verzoekende partij opnieuw niet aan dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is in het licht van de concrete situatie. Ze voert met name geen betwisting over de juistheid van de vaststelling, dat ze sinds de aankoop van de percelen geen enkele bereidheid heeft getoond om zich in regel te stellen. Zoals gesteld bij de beoordeling van het tweede middel, is ze in het kader van deze aankoop degelijk in kennis gesteld van de herbebossingsplicht conform de kapmachtigingen, maar heeft ze hieraan geen spontaan gevolg gegeven. Ze is hiertoe vervolgens, wat betreft perceel door de verbalisant aangemaand, maar bleef opnieuw stilzitten, hoewel ze alleszins vanaf dat ogenblik niet meer kon voorhouden dat ze niet wist dat ze moest herbebossen. Ook na de opmaak van het PV en de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure is ze blijven stilzitten. Ze heeft vervolgens ook geen tijdig gevolg gegeven aan de bestuurlijke herstelmaatregel van de verbalisant van 29 september 2022, om de percelen tegen uiterlijk 28 februari 2023 te herbebossen, terwijl uit de voorliggende stukken niet blijkt dat ze daaraan ondertussen wel gunstig gevolg gaf. Het middel wordt verworpen. HHC - 29 VI. Beslissing 1. Het beroep wordt verworpen. 2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken op 22 januari 2026 door de eerste kamer. De griffier, De voorzitter van de eerste kamer, HHC - 30