Wetsontwerp Opzoeken in documenten en databanken
Documentdetails
Volledige tekst
23 oktober 2024 Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers
SAMENVATTING
De wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties heeft zijn sporen verdiend door aan de gemeenten de middelen te geven om te strijden tegen overlast die de openbare orde verstoort. Uit de evaluatieverslagen van die wet blijkt echter reeds meerdere jaren dat de actoren op het terrein vragen om de regeling te versterken, de werking ervan te verbeteren en het systeem van de gemeentelijke administratieve sancties te harmoniseren, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan zogenaamde “lichte” misdrijven.
Het wetsvoorstel wil die wet dus bij de tijd te brengen door: — de regeling samenhangender te maken voor het hele nationale grondgebied; — de regeling aan te scherpen; — de slachtoffers beter te informeren; —de mogelijkheid in te stellen de maatschappelijke norm in herinnering te brengen via alternatieve en strengere opvoedkundige maatregelen; — de procedures te vereenvoudigen. tot wijziging van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (ingediend door de heer Denis Ducarme en mevrouw Catherine Delcourt) WETSVOORSTEL
TOELICHTING
Dames en Heren, 1. De aanpassing van het wettelijk kader voor de gemeentelijke administratieve sancties: een noodzaak Bij de aanpak van criminaliteit en overlast door de openbare macht draait het niet enkel om de belangrijke kwestie van de openbare veiligheid, maar ook, en in de eerste plaats, om het samenleven en de sociale cohesie. In 1999 werd in de Nieuwe Gemeentewet een artikel 119bis ingevoegd, dat de administratieve sancties invoerde.1 Om het hoofd te bieden aan de dagelijkse ongemakken die deze zogenaamde “lichte” misdrijven veroorzaken, heeft de wetgever de lokale overheden extra instrumenten willen aanreiken.2 Dankzij dit nieuwe wettelijk kader kunnen sancties worden opgelegd door de gemeente als administratieve overheid, in plaats van door een rechter, wanneer misdrijven werden gepleegd die strafbaar zijn volgens de gemeentelijke politiereglementen.
De nood aan doeltreffende sancties, ondanks het gebrek aan middelen voor Justitie, de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en de strijd tegen de straffeloosheid hebben de federale wetgever er in 2013 toe gebracht om, met het oog op daadwerkelijke openbare rust, een afzonderlijke wet aan te nemen die de gemeenten een specifieke regeling en bijkomende middelen aanreikt. De wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (hierna “de GAS-wet van 2013”) is in werking getreden op 1 januari 2014.
De rol van de gemeentelijke overheden als bewaker van de openbare orde werd bevestigd. De gemeenten kregen duidelijk nog meer verantwoordelijkheid en verplichtingen toebedeeld inzake overlast en misdrijven die Wet van 13 mei 1999 tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties. Zie Rondzendbrief OOP 30bis van 7 mei 2004, die het begrip “overlast” definieert: “De openbare overlast heeft betrekking op, voornamelijk individuele, materiële gedragingen die het harmonieuze verloop van de menselijke activiteiten kunnen verstoren en de levenskwaliteit van de inwoners van een gemeente, een wijk, een straat, kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt”.
manifest het sociale leven verstoren. Deze hervorming is er gekomen iets meer dan tien jaar na die welke heeft geleid tot de oprichting van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met als leidraad het containerbegrip community policing.3 Door die GAS-wet van 2013 werden de gemeentelijke administratieve sancties uitgebreid, waardoor er meer zogenaamde “gemengde” inbreuken4 konden worden gesanctioneerd, evenals minderjarigen vanaf 14 jaar.
Die wet definieert onder meer nieuwe categorieën van ambtenaren-vaststellers, versterkt de samenwerkingsmechanismen tussen de gemeenten en het parket en voorziet in een officieel register van de administratieve sancties. Bijna tien jaar later hebben de gemeentelijke administratieve sancties hun diensten bewezen.5 Bijna alle Belgische gemeenten hebben in hun algemeen politiereglement de mogelijkheid opgenomen om gemeentelijke administratieve sancties op te leggen.
Ze hebben hun diensten en hun deskundigheid uitgebreid op het stuk van de vaststelling6, de behandeling van de processen-verbaal en de uitspraak van de sanctie. Uit de evaluatieverslagen van die wet blijkt echter reeds meerdere jaren dat de actoren op het terrein vragen om de regeling aan te scherpen, de werking ervan administratieve sancties te harmoniseren, teneinde de zogenaamde “lichte” misdrijven te kunnen aanpakken.
Eind 2021 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers hoorzittingen georganiseerd met deskundigen inzake de gemeentelijke administratieve sancties, zoals GAS- ambtenaren, vertegenwoordigers van de politiediensten, de verenigingen van steden en gemeenten, bemiddelaars, alsook het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie.7 Zie Rondzendbrief CP 1 van 27 mei 2003 betreffende Community Policing, definitie van de Belgische interpretatie van toepassing op de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bekendgemaakt op 9 juli 2003.
Gepenaliseerde inbreuken (die dus zelfs kunnen worden gesanctioneerd zonder gemeentelijke administratieve sancties) waarvoor onder bepaalde voorwaarden een administratieve sanctie kan worden uitgesproken, met toepassing van artikel 23 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve Zoals blijkt uit het vijfjaarlijks evaluatieverslag – Verslag van 21 december 2020 over de toepassing van de GAS-wet, FOD Binnenlandse Zaken – Algemene Directie Veiligheid en Preventie.
Wet van 15 mei 2007 tot instelling van de functie van gemeenschapswacht, tot instelling van de dienst gemeenschapswachten en tot wijziging van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. Hoorzittingen over de wetgeving betreffende de gemeentelijke administratieve sancties in de Commissie voor Binnenlandse Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers (28 september 2021, 9 november 2021 en 16 november 2021).
Inmiddels werd de GAS-wet van 2013 meermaals gewijzigd8, met name bij de wet van 11 december 2023, die verscheidene GAS-bepalingen heeft gewijzigd om ze onder meer te doen sporen met de nieuwe regelgeving inzake bescherming van persoonsgegevens en gevolg te geven aan een arrest van het Grondwettelijk Hof inzake de onmogelijkheid om bij bepaalde inbreuken9 in een opschorting van de boete te voorzien.
Tot slot werd via de wet van 11 december 2023 eveneens van de gelegenheid gebruikgemaakt om het maximumbedrag van de boete te verhogen (tot 500 euro), teneinde hardleerse overtreders streng te bestraffen. De onveilige situaties, de verstoringen van de openbare orde, de aard van de gepleegde misdrijven alsook de leeftijd van de daders evolueren dermate dat ze de indieners van dit wetsvoorstel tot de vaststelling nopen dat het aanbevolen is de GAS-wet van 2013 op meerdere punten te herzien.
Vandaag moet immers niet alleen aan een aantal technische eisen worden voldaan, maar moet ook het kader voor de gemeentelijke administratieve sancties worden versterkt, met het oog op een meer geharmoniseerde toepassing over het nationale grondgebied, meer coherentie, een ruimer bereik en meer reactiviteit. Tevens moet worden ingespeeld op de evolutie van onze samenleving en van het sociaal evenwicht.
2. Doelstellingen van het wetsvoorstel Rekening houdend met het voorgaande worden met dit wetsvoorstel vijf hoofddoelen nagestreefd. Het is namelijk de bedoeling dat de regeling op heel het grondgebied meer samenhang zou vertonen en uitgebreider zou worden toegepast. Voorts moeten de slachtoffers beter worden geïnformeerd en moet het mogelijk worden op de maatschappelijke norm te wijzen via uitgebreidere alternatieve opvoedende maatregelen.
Tot slot wordt een vereenvoudiging van de procedures beoogd. Tussen 2014 en 2021 werden meerdere wijzigingen van de wet aangenomen. Ze behelzen vereenvoudigingen en verbeteringen van de procedure en van het raamwerk voor de vaststellingen (onder meer de wetten van 5 maart 2021, van 15 juli 2018 of van 9 november 2015). Voor de volgende overtredingen, zoals door de Koning bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op basis van de algemene reglementen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en met uitzondering van de overtredingen die op autosnelwegen plaatsvinden, in het bijzonder: – overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren; – de overtredingen van de bepalingen betreffende verkeersbord C3, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen als bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet.
2.1. Een regeling met meer samenhang over heel het grondgebied Via harmonisatie op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen kan een samenhangender sanctiebeleid worden gevoerd voor een volledige bevolkingsgroep. Concreet kan dat gebeuren middels een eengemaakt algemeen politiereglement en een identiek protocolakkoord dat de betrokken gemeenten met het parket zouden sluiten. Een dergelijke harmonisatie bevordert de bevattelijkheid en het begrip van de regels bij de bevolking en bij de overheid en vereenvoudigt de administratieve demarches tussen de gemeenten en het parket.
Dankzij deze wijziging zou de overheid bovendien krachtiger kunnen reageren op recidive, temeer daar het eveneens de bedoeling is dat alle gemeenten van eenzelfde gerechtelijk arrondissement gebruik zouden maken van een gemeenschappelijk register. Voorts kunnen de gemeenten thans op grond van de GAS-wet van 2013 administratieve boetes opleggen aan minderjarigen vanaf 16 of vanaf 14 jaar. Dat leidt tot eigenaardige situaties, want minderjarige overtreders van bijvoorbeeld 15 jaar kunnen in een welbepaalde gemeente een sanctie krijgen, maar niet in een buurgemeente.
Het jeugdbeschermingsbeleid streeft naar opvoeding en bewustmaking en valt momenteel vooral onder de gemeenschapsbevoegdheid inzake de bestrijding van jeugddelinquentie. Het lijkt dan ook nuttig te zorgen voor meer samenhang tussen dat gemeenschapsbeleid en de lokale aanpak. Dat is mogelijk via een eenvormige sanctieregeling, toepasbaar op jongeren vanaf 14 jaar, want vanaf die leeftijd kan een minderjarige een GAS- boete krijgen.
2.2. Aanscherping van de regeling Uit de evaluatieverslagen, uit de toestand in de gemeenten, alsook uit de talrijke getuigenissen van deskundigen, politiediensten en verantwoordelijken van de lokale besturen blijkt dat de regeling veel wordt gebruikt en fors opgang maakt. Het lokale en administratieve beleid ter preventie en bestrijding van overlast zal uiteraard altijd afhangen van de vastberadenheid die de politieke gezagsdragers van de gemeentelijke overheden aan de dag leggen.
Het staat niettemin vast dat de gemeentelijke administratieve sancties een centrale rol spelen in het overheidsoptreden ten bate van meer rust, meer veiligheid, meer netheid en minder sociale spanningen – stuk voor stuk onontbeerlijke aspecten op vele ontmoetingsplekken en openbare ruimten op ‘s lands grondgebied. Die vaststelling heeft de indieners van dit wetsvoorstel ertoe gebracht te opteren voor een bredere waaier van
gemengde inbreuken waarop dergelijke gemeentelijke administratieve sancties van toepassing kunnen zijn. Die uitbreiding betreft onder meer openbare dronkenschap, afzetterij en de inachtneming van de leerplicht. Voorts strekt het wetsvoorstel tot uitbreiding van de mogelijkheden inzake de onmiddellijke inning van de administratieve boete. Onmiddellijke betaling zou voortaan van elke meerderjarige kunnen worden geëist en niet langer uitsluitend van de natuurlijke personen die geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben.
Bovendien zouden de bovengrenzen van de boetes bij de tijd worden gebracht, door ze van 175 euro op 250 euro te brengen voor de minderjarige overtreders. Bij onmiddellijke inning zou de bovengrens van 25 euro per inbreuk op 50 euro worden gebracht, en van 100 euro op 200 euro wanneer wordt vastgesteld dat de overtreder zich schuldig heeft gemaakt aan meer dan vier inbreuken. 2.3. Informatie voor de slachtoffers Elk slachtoffer heeft recht op zo volledig mogelijke informatie.
In de GAS-wet krijgt het slachtoffer thans onvoldoende aandacht. Er zou in het bijzonder moeten worden verplicht dat het slachtoffer zijn toestemming geeft om over te gaan tot bemiddeling. Bovendien wordt het slachtoffer in de vigerende regeling onvoldoende geïnformeerd, al van bij de start van een administratieve procedure door de sanctionerend ambtenaar. Het is onaanvaardbaar dat zonder het akkoord van het slachtoffer bemiddeling wordt opgestart.
Het spreekt immers voor zich dat het slachtoffer vooraf moet instemmen met een bemiddelingsprocedure. Derhalve strekt dit wetsvoorstel ertoe dat het akkoord van het slachtoffer moet worden verkregen alvorens bemiddeling in te zetten. Daarnaast wordt voorgesteld dat het slachtoffer stelselmatig op de hoogte wordt gehouden van de opstart van een procedure tegen de dader van de overtreding die het slachtoffer schade heeft berokkend, alsook van de door de sanctionerend ambtenaar genomen eindbeslissing.
2.4. Herinnering aan de maatschappelijke norm, met het oog op bewustmaking en herstel van het maatschappelijke evenwicht Zoals alle sancties hebben de in de GAS-wet van 2013 opgenomen gemeentelijke boetes en alternatieve maatregelen niet alleen als doel de samenleving te beschermen en de maatschappelijke samenhang te bestendigen, maar ook de maatschappelijke norm in herinnering te brengen, via een opvoedende aanpak.
Als alternatieve maatregelen ter vervanging van een boete bestaan thans de gemeenschapsdienst en
de bemiddeling. De indieners zijn van oordeel dat de alternatieve maatregelen moeten worden aangevuld, om doeltreffender invulling te geven aan de doelstelling inzake maatschappelijke opvoeding die met de administratieve procedure tegen overlast wordt beoogd. Zo koppelt de GAS-wet van 2013 de opleidingen aan de gemeenschapsdienststraffen, terwijl een dergelijk aan de inbreuken van de dader gelieerd leertraject misschien een op zichzelf staande alternatieve maatregel kan zijn.
Dit wetsvoorstel strekt er derhalve toe vier getrapte alternatieve maatregelen te omschrijven, namelijk: — de terechtwijzing, i.e. een maatregel waarbij gewoon wordt gewezen op de norm, wanneer het een eerste inbreuk zonder schade of slachtoffer betreft; — de opleiding; deze zou dus een volledig aparte maatregel worden, bestaande uit een ad-hocleertraject dat direct verband houdt met de begane inbreuk; — de bemiddeling; deze maatregel kan leiden tot, ofwel een met het oog op moreel herstel gevoerd constructief gesprek met het slachtoffer dat zich daarmee akkoord heeft verklaard, ofwel een bijkomende maatregel; — de gemeenschapsdienst; dit is een gewichtige maatregel waarmee wordt beoogd de aan de gemeenschap berokkende schade te vergoeden via een gestructureerd engagement ten bate van het algemeen belang.
Die uitbreiding van de alternatieve maatregelen is cruciaal om de strijd tegen de recidive te winnen en het opvoedende aspect van de wetgeving in kwestie uit te diepen. Uit de evaluatieverslagen betreffende de GAS-wet van 2013 blijkt bovendien dat de gemeenschapsdienst doeltreffend is. Er moet ruimer gebruik kunnen worden gemaakt van die door de bemiddelaar in gang gezette en begeleide dienstverlening.
Derhalve wordt voorgesteld om de bovengrens van het aantal uren gemeenschapsdienst op te trekken van 15 tot 25 uur voor de minderjarige overtreders, en van 30 tot 50 uur voor de meerderjarige overtreders. Eveneens met het oog op die bewustmaking beoogt het wetsvoorstel de naleving van de leerplicht op te nemen in de lijst van gemengde inbreuken die tot administratieve sancties kunnen leiden en waarop dus toezicht moet worden uitgeoefend.
Daarnaast is uit bepaalde getuigenissen, uit de evaluatieverslagen van de GAS-wet van 2013 en uit het
rapport van het NICC10 gebleken dat de cruciale bemiddelingsfase in de gemeentelijke administratieve procedure doeltreffender kan worden ingevuld. Dit wetsvoorstel strekt er bijgevolg toe het actiegebied en de bevoegdheden van de bemiddelaar uit te breiden. Diens taak zou worden opgewaardeerd aan de hand van een met redenen omkleed schriftelijk verslag waarop de sanctionerend ambtenaar zijn beslissing zou baseren.
Het wetsvoorstel beoogt uitdrukkelijk te bepalen dat de bemiddelaar inspraak heeft in de keuze van de alternatieve maatregel die de sanctionerend ambtenaar oplegt en in de tenuitvoerlegging van de alternatieve maatregelen. Voorts is het de bedoeling dat de bemiddelaar ten behoeve van de minderjarigen om de vijf jaar informatie verstrekt over de bepalingen van de GAS-wet van 2013. Ten slotte is een aangepaste en effectieve sanctie voor minderjarigen een uitdaging die onder de verantwoordelijkheid van zowel de overheid als de ouders of de voogden valt.
Op grond van de huidige wet worden de ouders weliswaar betrokken bij een procedure ten aanzien van een minderjarige, maar die betrokkenheid is niet dwingend. Om die reden strekt het wetsvoorstel ertoe de ouderlijke betrokkenheid verplicht te maken via een oproeping door de sanctionerend ambtenaar. 2.5. Vereenvoudiging van de procedures Er werden methodologische moeilijkheden vastgesteld bij de uitwerking van de procedures en de besluitvormingsprocessen die moeten verzekeren dat de sancties worden uitgevoerd.
Teneinde op die moeilijkheden een antwoord te bieden, en met strikte naleving van de regels inzake de bescherming van de gegevens die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer, beoogt dit wetsvoorstel: — de regels inzake de verplichting tot het verzenden van aangetekende brieven met mededelingen over de procedure te wijzigen; van een kopie van de vaststellingen aan de procureur des Konings te versoepelen; — te specifiëren welke informatiedragers meer bepaald op het internet mogen worden gebruikt; — het inbreukenregister te uniformiseren; le cadre des sanctions administratives communales, Operationele Directie Criminologie – Eindrapport van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie – Januari 2021.
— de sanctionerend ambtenaar de mogelijkheid te bieden taken te delegeren; — het actiegebied van de bemiddelaar te verduidelijken; — meer mogelijkheden te bieden om toegang te krijgen tot de gegevens, meer bepaald ten behoeve van de politiediensten; — de wettelijke referenties over de verwerking van persoonsgegevens te actualiseren. Ten slotte houdt de wetgeving betreffende de gemeentelijke administratieve sancties in dat met de parketten wordt samengewerkt.
Thans zijn meerdere protocolakkoorden tussen de gemeenten en de parketten nodig alvorens de ambtenaren-vaststellers processen-verbaal tegen de daders van inbreuken kunnen opmaken. Er bestaat een apart protocol voor minderjarigen, een voor verkeersovertredingen en nog een ander voor gemengde inbreuken. Ter vereenvoudiging strekt dit wetsvoorstel ertoe één enkel protocol tussen de gemeenten en de parketten tot stand te brengen
TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
Art. 2 Wijziging van artikel 2 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (hierna “de wet”). Paragraaf 1 De wijziging strekt ertoe de gemeenteraad te verplichten straffen of administratieve sancties vast te leggen voor inbreuken op zijn reglementen of verordeningen. Paragraaf 2 De wijziging strekt ertoe een harmonisatie tot stand te brengen op het niveau van het gerechtelijk arrondissement (eenzelfde reglement in alle gemeenten van eenzelfde gerechtelijk arrondissement). Art. 3 Wijziging van artikel 3 van de wet.
De wijziging heeft tot doel de lijst van gemengde inbreuken uit te breiden met de volgende inbreuken: — openbare dronkenschap (als bedoeld in de artikelen 1 tot 4 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap); — de regels betreffende de aanpak van afzetterij en fraude (als bedoeld in de artikelen 508bis en 508ter van het Strafwetboek); — de naleving van de leerplicht (als bedoeld in artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht); — de naleving van de regels inzake de bevolkingsregisters en de identiteitsdocumenten (als bedoeld in artikel 7 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten); — de naleving van de regels voor de inbreuken betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen of antiseptica en van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Art. 4 Wijziging van artikel 4 van de wet. Verhoging van de bovengrenzen voor de geldboeten voor de minderjarigen (tot maximaal 250 euro). Wijziging waarbij de gemeenteraad zou worden verplicht te voorzien in alternatieve maatregelen. Toevoeging van de opleiding als volwaardige alternatieve maatregel. Toevoeging van een nieuwe alternatieve maatregel, namelijk de “terechtwijzing”, teneinde een antwoord van de overheid te waarborgen wanneer een overtreder bepaalde heel lichte feiten pleegt waarbij geen schade wordt veroorzaakt of slachtoffers vallen.
Art. 5 Vervanging van artikel 8 van de wet.
Aanvulling van het artikel met vier alternatieve maatregelen die de bemiddelaar kan nemen. Toevoeging van deze paragraaf, tot verduidelijking van de rol van de bemiddelaar bij de procedure voor de keuze van de alternatieve maatregel en bij de uitvoering ervan. Art. 6 Wijziging van artikel 10 van de wet. Eerste lid Verhoging van het maximale aantal uren gemeenschapsdienst; van 30 tot 50 uren voor meerderjarigen.
Tweede lid Wijziging waarbij de verwijzing naar de opleiding zou worden opgeheven, als gevolg van de toevoeging op grond waarvan de opleiding een volwaardige alternatieve maatregel wordt (zie artikel 4 tot wijziging van artikel 4 van de wet). Art. 7 Wijziging van artikel 11 van de wet. Paragrafen 1 en 2 Wijziging waarbij het de bedoeling is dat de bemiddelaar een schriftelijk en met redenen omkleed verslag uitbrengt.
Art. 8 Wijziging van artikel 12, § 1, van de wet. Wijziging waarbij het slachtoffer in het kader van de beoogde bemiddeling zijn formeel akkoord zou moeten geven. Art. 9 Wijziging van artikel 13, § 2, van de wet.
Art. 10 Na artikel 13 van de wet zou een onderafdeling 4 “Opleiding en terechtwijzing” worden ingevoegd. Art. 11 Invoeging van een artikel 13/1 in de wet. Dit artikel beoogt de procedure te verduidelijken met betrekking tot de in uitzicht gestelde alternatieve maatregelen “opleiding” en “terechtwijzing”. Art. 12 Wijziging van artikel 14, § 1, van de wet. Wijziging die het mogelijk maakt om de leeftijd vanaf wanneer de minderjarigen kunnen worden bestraft met een gemeentelijke administratieve sanctie, eenvormig vast te leggen op 14 jaar.
Art. 13 Vervanging van artikel 15 van de wet. een gemeentelijke administratieve sanctie eenvormig Wijziging die een vijfjaarlijkse informatieplicht oplegt aan de gemeenten, ten uitvoer gelegd door de bemiddelaar. Art. 14 Vervanging van artikel 17 van de wet. Wijziging die, met het oog op het horen van de minderjarige, de verplichte oproeping van de ouders en van de minderjarige behelst in het kader van de procedure van ouderlijke betrokkenheid.
Wijziging ter vereenvoudiging van de procedure: zowel de gewone als de elektronische zending zijn toegestaan in het kader van de procedure van ouderlijke betrokkenheid. Paragraaf 3 Wijziging ter verduidelijking van de rol van de sanctionerend ambtenaar en van de bemiddelaar in het kader van de procedure van ouderlijke betrokkenheid. Art. 15 Vervanging van artikel 18 van de wet. Wijziging ter bevestiging van de verplichting dat op de minderjarigen gerichte maatregelen moeten worden opgenomen in de gemeentereglementen.
Wijziging ter verduidelijking van de rol van de bemiddelaar in het kader van de bemiddelingsprocedure. Paragrafen 4 en 5 Wijziging die voorziet in een door de bemiddelaar op te stellen schriftelijk verslag. Art. 16 Wijziging van artikel 19, § 1, van de wet. Wijziging ter verduidelijking van de hoofdrol van de bemiddelaar in het kader van de alternatieve maatregelen en inzonderheid in het kader van de procedure die een gemeenschapsdienst beoogt op te leggen.
Het maximumaantal uren gemeenschapsdienst wordt opgetrokken; voor minderjarigen van 15 uur tot 25 uur. Art. 17 Wijziging van artikel 22 van de wet. Wijziging die voorziet in een verplicht protocolakkoord tussen de procureur des Konings en de gemeenten.
Inzake de inbreuken bedoeld in artikel 3, 1°, en 3, 2°, wordt het origineel van de vaststelling niet meer alleen naar de procureur des Konings gestuurd; het wordt overgezonden aan zowel de procureur des Konings als de sanctionerend ambtenaar. Wijziging die aangeeft dat zulks ook geldt voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°. Wijziging om te verduidelijken dat de zending ofwel het origineel van het proces-verbaal, ofwel het origineel van de vaststelling betreft.
Wijziging ter vereenvoudiging van de procedure, met de verplichting om afschriften van de vaststellingen naar de procureur des Konings te sturen. De wijziging zorgt ervoor dat alleen nog de gemengde inbreuken onder die verplichting vallen. Art. 18 Wijziging van artikel 23, § 1, van de wet. Wijziging tot verplichte opstelling van één enkel protocolakkoord betreffende de gemengde inbreuken, de inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°, en, tot slot, de door een minderjarige gepleegde inbreuken.
Wijziging tot toevoeging van de korpschef van de betrokken politiezone als ondertekenaar van dat ene protocol. Wijziging om, in lijn met de wijziging van artikel 2, § 2, te voorzien in een eenvormig protocol binnen eenzelfde gerechtelijk arrondissement. Wijziging ter vereenvoudiging van de informatiemedia (website van de gemeenten). Art. 19 Wijziging van artikel 25 van de wet. Paragrafen 2 en 5 Wijziging ter vereenvoudiging van de procedure: de gewone en elektronische zending zijn toegestaan.
Paragraaf 4 Wijziging die strekt tot verhoging van het grensbedrag waaronder de overtreder niet het recht heeft om te vragen zijn verweer mondeling uiteen te zetten: van 70 euro tot 150 euro. Paragraaf 6 (nieuw) Beoogt te waarborgen dat de slachtoffers op de hoogte worden gebracht van het openen van een administratieve procedure met het oog op het opleggen van een gemeentelijke administratieve sanctie.
Art. 20 Wijziging van artikel 26, § 2, van de wet. Wijziging om te verduidelijken dat de bepaling van toepassing is wanneer wordt beslist een van de vier alternatieve maatregelen toe te passen. Art. 21 Wijziging van artikel 27 van de wet. Wijziging die ertoe strekt de verwijzingen naar de wetgeving inzake de eerbiediging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de tijd te brengen, door te verwijzen naar de bepalingen van de wet van 30 juli 2018.
Art. 22 Vervanging van artikel 28 van de wet. Wijziging tot versterking van het recht op informatie van de slachtoffers. Art. 23 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Art. 24 Wijziging van artikel 29 van de wet.
Wijziging tot schrapping van het grensbedrag van 70 euro waarboven de overtreder het recht heeft te worden gehoord. Sluit aan bij het voorgestelde artikel 22, 3°, tot wijziging van artikel 25 van de wet. Paragraaf 4 (nieuw) Beoogt de verjaringstermijn na het opleggen van een administratieve boete te verduidelijken. Art. 25 Wijziging van artikel 32 van de wet. Wijziging om te verduidelijken dat een administratieve geldboete wegens een in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuk gedwongen kan worden uitgevoerd na het verstrijken van de termijn van 30 dagen.
Art. 26 Vervanging van artikel 34 van de wet. Wijziging die ertoe strekt de onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete te verplichten voor de Belgische overtreders met een vaste woon- of verblijfplaats in België. Wijziging tot uitbreiding van de onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete voor de misdrijven bedoeld in artikel 3, 1° en 2°. Wijziging die ertoe strekt dat het proces-verbaal wordt overgezonden voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 1° en 2°.
Art. 27 Vervanging van artikel 37 van de wet. Wijziging die strekt tot verhoging van de grensbedragen waaronder de onmiddellijke betaling kan worden geëist: 50 euro per inbreuk en 200 euro wanneer meer dan vier inbreuken ten laste van de overtreder werden vastgesteld. Art. 28 Vervanging van artikel 44, § 1, derde lid, van de wet.
Wijziging die ertoe strekt, overeenkomstig de wijzigingen van artikel 2, dat een gemeenschappelijk register wordt bijgehouden van de administratieve sancties die werden opgelegd door de verschillende gemeenten van hetzelfde gerechtelijk arrondissement. Wijziging die ertoe strekt de politiediensten toegang te verlenen tot het register.
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. In artikel 2 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “kan straffen of administratieve sancties bepalen” vervangen door de woorden “bepaalt straffen of administratieve sancties”;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door: “§ 2. De gemeenteraden van de gemeenten binnen eenzelfde gerechtelijk arrondissement beslissen, na een overleg waarvan de nadere regels door de Koning kunnen worden bepaald, om een identiek algemeen politiereglement aan te nemen.”. In artikel 3 van dezelfde wet wordt het bepaalde onder 2° vervangen door:
2° voor de inbreuken: a) bedoeld in de artikelen 461, 463, 508bis, 508ter, 526, 534bis, 534ter, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° en 3°, en 563bis van het Strafwetboek; b) bedoeld in de artikelen 1 en 4 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap; c) bedoeld in artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht; d) bedoeld in artikel 7 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten; e) bedoeld in artikel 18 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening, wat betreft de voorafgaande vergunning die krachtens het gemeentelijke reglement kan worden opgelegd;
f) die door de Koning worden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad krachtens de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, meer bepaald de inbreuken bedoeld in artikel 61, § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de inbreuken betrekking hebben op de bepalingen over de vergunningsplicht bedoeld in artikel 6, § 1, van datzelfde koninklijk besluit;”.
In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, 1°, wordt vervangen door: “1° een administratieve boete die maximaal 250 of 500 euro bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is;”;
2° in paragraaf 2: a) in de inleidende zin worden de woorden “kan in zijn reglementen of verordeningen voorzien” vervangen door de woorden “voorziet in zijn reglementen of verordeningen”; b) de paragraaf wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende: “3° de opleiding, zijnde een leermoment dat betrekking heeft op de gepleegde inbreuk;”; c) de paragraaf wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende: “4° de terechtwijzing, zijnde een maatregel waarmee op een snelle en evenredige manier een antwoord kan worden geboden op de eerste inbreuk van een overtreder, waarop een lichte boete staat en die noch schade heeft veroorzaakt, noch slachtoffers heeft gemaakt.”.
Artikel 8 van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt: “Art. 8. § 1. De bemiddeling en de andere alternatieve straffen als bedoeld in artikel 4, § 2, worden uitgevoerd door een bemiddelaar die beantwoordt aan de minimale
voorwaarden die door de Koning worden bepaald, hierna genoemd “de bemiddelaar”, of door een gespecialiseerde en door de gemeente erkende bemiddelingsdienst, overeenkomstig de door de Koning bepaalde voorwaarden en nadere regels. § 2. Wanneer de sanctionerend ambtenaar een alternatieve maatregel voorstelt en de overtreder het beginsel ervan aanvaardt, kiest de bemiddelaar de maatregel uit de vier alternatieve maatregelen als bedoeld in artikel 4, § 2, met naleving van een deontologische code waarvan de Koning de voorwaarden en nadere regels bepaalt, en legt die ten uitvoer.” In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “mag niet meer dan dertig uur bedragen” vervangen door de woorden “mag niet meer dan vijftig uur bedragen”;
2° het tweede lid wordt vervangen door: “Zij bestaat uit een onbetaalde prestatie onder toezicht van de gemeente of van een door de gemeente aangewezen bevoegde rechtspersoon en uitgevoerd ten behoeve van een gemeentedienst of een publiekrechtelijke rechtspersoon, een stichting of een vereniging zonder winstoogmerk die door de gemeente wordt aangewezen.”. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende 1° in paragraaf 1 worden de woorden “Wanneer de sanctionerend ambtenaar vaststelt dat de gemeenschapsdienst uitgevoerd werd” vervangen door de woorden “Wanneer de sanctionerend ambtenaar op basis van het schriftelijke en met redenen omklede verslag van de bemiddelaar vaststelt dat de gemeenschapsdienst werd uitgevoerd”;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door: “In geval van niet-uitvoering of weigering van de gemeenschapsdienst kan de sanctionerend ambtenaar op basis van het schriftelijke en met redenen omklede verslag van de bemiddelaar een administratieve geldboete opleggen.”.
In artikel 12, § 1, van dezelfde wet worden de woorden “, wanneer er een slachtoffer is geïdentificeerd en wanneer dat slachtoffer zijn toestemming heeft gegeven,” ingevoegd na de woorden “De sanctionerend ambtenaar kan”. In artikel 13, § 2, van dezelfde wet worden de woorden “In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar” vervangen door de woorden “In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling kan de sanctionerend ambtenaar, op basis van het schriftelijke en met redenen omklede verslag van de bemiddelaar,”.
Na artikel 13 van dezelfde wet wordt in titel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, een “Onderafdeling 4” ingevoegd, met als opschrift: “Onderafdeling 4 – Opleiding en terechtwijzing”. In dezelfde wet wordt, in de voormelde onderafdeling 4, een artikel 13/1 ingevoegd, luidende: “Art. 13/1. § 1. Wanneer de sanctionerend ambtenaar het welslagen van de opleiding als bepaald in artikel 4, § 2, 3°, vaststelt, mag hij niet langer een administratieve geldboete opleggen. § 2.
In geval van niet-uitvoering of weigering van de opleiding kan de sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete opleggen. § 3. Wanneer de sanctionerend ambtenaar in het kader van een terechtwijzing als bepaald in artikel 4, § 2, 4°, vaststelt dat de overtreder niet is ingegaan op de oproep waarvan hij in kennis werd gesteld op basis van artikel 26, § 2 en 3, kan hij een administratieve geldboete opleggen.”
In artikel 14, § 1, van dezelfde wet worden de woorden “kan het voorwerp uitmaken van een administratieve geldboete” vervangen door de woorden “maakt het voorwerp uit van een administratieve geldboete”. Artikel 15 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 15. De gemeenteraad bepaalt in zijn reglement dat de minderjarigen die op het moment van de feiten de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt, het voorwerp kunnen uitmaken van de administratieve geldboete bedoeld in artikel 4, § 1, 1°.
De gemeenteraad is verplicht om alle in de gemeente wonende minderjarigen van veertien jaar en ouder, alsook de vaders, moeders, voogden of personen die de hoede over hen hebben, via een van de door de bemiddelaar tot stand gebrachte communicatiemiddelen om de vijf jaar te informeren over de door minderjarigen gepleegde inbreuken die kunnen worden bestraft met administratieve sancties.” Artikel 17 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 17. § 1.
Voorafgaand aan het aanbod tot bemiddeling, het aanbod tot gemeenschapsdienst of, in voorkomend geval, de oplegging van een administratieve geldboete wordt een procedure van ouderlijke betrokkenheid aangevat. § 2. De sanctionerend ambtenaar informeert, bij gewone of elektronische zending, de vader en moeder, de voogd of de personen die de hoede hebben over de minderjarige, over de vastgestelde feiten.
Hij roept hen samen met de minderjarige op voor een verhoor over die feiten. Indien zij ongewettigd afwezig zijn, kunnen zij een administratieve geldboete krijgen. § 3. Naargelang van de informatie die werd verzameld bij de minderjarige overtreder en diens vader en moeder, voogd of personen die de hoede over hem hebben, kan de sanctionerend ambtenaar, indien hij tevreden is met de educatieve maatregelen die zij voorstellen, het dossier in dit stadium van de procedure afsluiten of een administratieve procedure opstarten en het dossier overdragen aan de bemiddelaar.”
Artikel 18 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 18. § 1. De gemeenteraad bepaalt in zijn reglement de nadere regels van de GAS-bemiddelingsprocedure als bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. § 2. De bemiddelaar kan een GAS-bemiddelingsaanbod doen indien dat betrekking heeft op minderjarigen die op het moment van de feiten de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt. § 3. De vader en moeder, voogd of personen die de hoede hebben over de minderjarige, kunnen op hun verzoek de minderjarige begeleiden bij de bemiddeling. § 4.
Wanneer de sanctionerend ambtenaar, op basis van het met redenen omklede verslag van de bemiddelaar, het welslagen van de bemiddeling vaststelt, kan hij geen administratieve geldboete meer opleggen. § 5. In geval van weigering van het bemiddelingsaanbod of falen van de bemiddeling kan de sanctionerend ambtenaar, op basis van het schriftelijke en met redenen omklede verslag van de bemiddelaar, ofwel een gemeenschapsdienst voorstellen, ofwel een administratieve In artikel 19, § 1, van dezelfde wet worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar een gemeenschapsdienst voorstellen” vervangen door de woorden “De bemiddelaar kan een gemeenschapsdienst voorstellen”;
2° in het tweede lid worden de woorden “mag niet meer dan vijftien uur bedragen” vervangen door de woorden “mag niet meer dan vijfentwintig uur bedragen”. In artikel 22 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door: “Voor de in artikel 3, 1° en 2°, bedoelde inbreuken wordt de originele vaststelling uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling overgezonden aan de procureur des
Konings of de sanctionerend ambtenaar, overeenkomstig het protocolakkoord dat de partijen hebben getekend. Dezelfde termijn en dezelfde nadere regels zijn van toepassing voor de inbreuken betreffende het stilstaan en het parkeren bedoeld in artikel 3, 3°.”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “wordt de originele vaststelling” vervangen door de woorden “worden het originele proces-verbaal of de originele vaststelling”;
3° in paragraaf 3 worden de woorden “een kopie over van de vaststellingen” vervangen door de woorden “een kopie over van de vaststellingen van gemengde inbreuken”. In artikel 23, § 1, van dezelfde wet worden de volgende 1° in het eerste lid worden de woorden “kan de gemeenteraad een protocolakkoord” vervangen door de woorden “moet de gemeenteraad een protocolakkoord”; “Dit protocolakkoord, waarvan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere voorwaarden en het model vastlegt, is een overeenkomst die werd opgesteld tussen het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, de korpschef van de betrokken politiezone en de procureur des Konings die bevoegd is voor de gemengde inbreuken, de inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°, en, ten slotte, de inbreuken gepleegd door een minderjarige.”;
3° het vierde lid wordt vervangen door: “Het moet identiek zijn voor alle gemeenten van eenzelfde gerechtelijk arrondissement.”;
4° het vijfde lid wordt opgeheven;
5° het zesde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt vervangen door: “Het protocolakkoord wordt bij de in de artikelen 3 en 4 bedoelde reglementen en verordeningen gevoegd en door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege bekendgemaakt op de intersite van de gemeente.”.
In artikel 25 van dezelfde wet worden de volgende 1° in paragraaf 2: a) worden in de inleidende zin de woorden “per aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij gewone of elektronische zending”; b) worden in de bepaling onder 2° de woorden “bij aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij gewone of elektronische zending”; 2° in paragraaf 4 wordt het getal “70” vervangen door het getal “150”; 3° in paragraaf 5 worden de woorden “per aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij gewone 4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende: “§ 6.
De sanctionerend ambtenaar stelt de eventuele slachtoffers in kennis van de opening van de administratieve procedure.”. In artikel 26, § 2, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden “en wordt ter kennis gebracht van de betrokkenen, indien er een gemeenschapsdienst en/of bemiddeling tussenkomt” vervangen door de woorden “en ter kennis gebracht van de betrokkenen, indien een alternatieve maatregel wordt toegepast”.
In artikel 27 van dezelfde wet worden de volgende 1° in het tweede lid worden de woorden “per aange- 2° in het derde lid worden de woorden “per aangeteof elektronische zending”.
Artikel 28 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 28. De sanctionerend ambtenaar zendt een kopie van het proces-verbaal of van de vaststelling opgesteld door de personen bedoeld in artikel 21, evenals een kopie van zijn beslissing over aan de eventuele slachtoffers en aan elke partij die hierbij een rechtmatig belang heeft en die hem voorafgaand een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek heeft overgezonden.” Na artikel 28 van dezelfde wet wordt in titel II, hoofdstuk 3, afdeling 3, het opschrift van onderafdeling 3 ver- “Onderafdeling 3. – Procedure in geval van gedepenaliseerde verkeersovertredingen”.
In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zin “De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek worden gehoord wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro.” opgeheven; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, “§ 4. Na het verstrijken van de in paragraaf 1 bedoelde termijn kan de sanctionerend ambtenaar geen administratieve geldboete meer opleggen.”.
In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden “termijn bedoeld in artikel 29, § 3,” vervangen door de woorden “termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 29, § 3,”. Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 34. Dit hoofdstuk is op de meerderjarige natuurlijke personen van toepassing voor de in de artikelen 2 en 3, 1° en 3, 2°, bedoelde feiten die zijn vastgelegd in een
protocolakkoord dat gesloten werd tussen de bevoegde procureur des Konings en het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, alsmede voor de feiten als bedoeld in artikel 3, 3°.” Artikel 37 van dezelfde wet wordt vervangen door: “Art. 37. De inbreuken waarvoor slechts een administratieve sanctie kan worden opgelegd, kunnen aanleiding geven tot de onmiddellijke betaling van een maximumbedrag van 50 euro per inbreuk en van een maximumbedrag van 200 euro wanneer er meer dan vier inbreuken ten laste van de overtreder zijn vastgesteld.” Artikel 44, § 1, derde lid, van dezelfde wet wordt vervangen door: “De gemeenten van eenzelfde gerechtelijk arrondissement houden samen één enkel register van de gemeentelijke administratieve sancties bij op basis van hun algemene politiereglementen.
In dat geval moeten zij, na overleg, de verantwoordelijken voor de verwerking bepalen. De politiediensten hebben tot het register toegang op tot de verantwoordelijken voor de verwerking gericht verzoek.”