Wetsontwerp Opzoeken in documenten en databanken
Documentdetails
Volledige tekst
8 oktober 2024 Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers
SAMENVATTING
Teneinde onze samenleving te beschermen tegen vrijheidsbeperkende handelingen, beoogt dit voorstel tot herziening van de Grondwet een verbod in te stellen op rechtsmisbruik bij de uitlegging van de in titel II van de Belgische Grondwet opgesomde grondrechten. Voorstel tot herziening van artikel 11 van de Grondwet, teneinde er het verbod op rechtsmisbruik in op te nemen (verklaring van de wetgevende macht (ingediend door de heren Mathieu Bihet en Philippe Goffin) HERZIENING VAN DE GRONDWET
TOELICHTING
Dames en Heren, Dit voorstel neemt de tekst over van voorstel De indieners van dit voorstel tot herziening van de Grondwet beseffen terdege dat zij een kies onderwerp aansnijden wanneer zij in de Grondwet een zelfverwijzende bepaling willen opnemen die het onmogelijk maakt dat bij de Grondwet gewaarborgde rechten worden gebruikt op een manier die tegen die grondrechten indruist. De beoogde wijziging van artikel 11, dat deel uitmaakt van titel II van de Grondwet met als opschrift “De Belgen en hun rechten”, is met andere woorden bedoeld om de Belgen te beschermen tegen iedere vorm van misbruik van de fundamentele humanistische waarden voor vrijheidsbeperkende of antidemocratische doeleinden.
De recente gebeurtenissen in verband met fundamentalisme en aansporing tot radicalisme maken een dergelijke zelfverwijzende bepaling noodzakelijk. Groeperingen van personen die voormelde waarden openlijk verwerpen en ertegen strijden, trachten hun bestaan en activiteiten immers te rechtvaardigen door juist te verwijzen naar in de Grondwet opgenomen waarden, zoals de vrijheid van mening, de vrijheid van meningsuiting, het recht van vereniging en de vrijheid van eredienst.
Niet alleen in België worden de humanistische en democratische waarden tegen zichzelf ingezet. Zoals alle echte democratieën is België, zoals Karl Popper het definieert, een “open samenleving” en voorziet ons land met andere woorden in bij de Grondwet gewaarborgde rechten zoals de individuele vrijheid (artikel 12), de gelijkheid van alle Belgen voor de wet (artikel 10), de vrijheid van eredienst (artikelen 19 en 20) en de vrijheid van meningsuiting (artikel 25).
Tevens genieten alle burgers politieke rechten. De huidige evolutie naar een meer multiculturele samenleving en naar een grotere verscheidenheid aan religieuze opvattingen versterkt uiteraard de openheid van onze samenleving. Ook in België maken die nieuwe en intense ontwikkelingen de samenleving nog opener, maar tegelijk kunnen zij moeilijkheden en zelfs bedreigingen inhouden waaraan het beleid aandacht moet besteden en waarop vanuit het democratische bestel moet worden geanticipeerd.
Dat is precies de strekking van dit voorstel tot herziening van de Grondwet. In datzelfde verband heeft de filosoof Jürgen Habermas het met betrekking tot de Duitse wetgeving over een
“zeer bijzondere dialectiek” die eigen is aan de zelfbevestigende aard van een democratie die zich weerbaar moet opstellen. Verwijzend naar de artikelen 21, 18 en 9 van de Duitse Grondwet besluit hij dat wanneer de Grondwet tegenstand ondervindt van vijanden van de vrijheid die zij uitgerekend waarborgt, de vraag rijst naar de grenzen die aan die politieke vrijheid moeten worden gesteld door de Grondwet zelf: tot op welke hoogte mag een democratie de vijanden van die democratie op een verdraagzame manier bejegenen? Zijn antwoord daarop is dat de democratische Staat, wil hij zich niet bij de toestand neerleggen, genoopt is zich onverdraagzaam op te stellen1.
De democratie moet over de wettelijke instrumenten beschikken om haar grondbeginselen te beschermen tegen misbruik met antihumanistische en antidemocratische bedoelingen, maar die instrumenten moeten uiteraard zelf democratisch zijn. Om die reden moet de formulering van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als basis en inspiratie dienen voor de Grondwetgever. Die Verklaring telt, na de preambule, dertig artikelen.
Om precies te zijn, bevat ze negenentwintig artikelen die de rechten van de mens opsommen, en een artikel 30, dat geen recht vaststelt, maar dat bepaalt dat die rechten in restrictieve zin moeten worden geïnterpreteerd: “Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben”.
Christine Chanet, advocaat-generaal bij het hof van beroep te Parijs en adjunct-directrice voor mensenrechten en internationale burgerlijke en strafrechtelijke zaken, schrijft dienaangaande: “On doit saluer la lucidité et la perspicacité des rédacteurs de la Déclaration universelle qui ont su prévoir les armes destinées à faire échec aux tentatives de destruction des droits qu’ils venaient d’édicter et de leurs successeurs qui, en élaborant les traités de mise en œuvre des droits et libertés fondamentaux, ont systématiquement suivi la même voie”2.
Artikel 5, punt 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt immers het volgende: “Geen bepaling van dit Verdrag mag zodanig Jürgen HABERMAS, “De la tolérance religieuse aux droits culturels”, in Cités, hors-série, Voyages inédits dans la pensée contemporaine, Y.
C
ZARKA
(Ed.), Paris, Presses Universitaires de France, 2010, blz. 312-313. hristine CHANET, in La Déclaration universelle des droits de l’Homme. Textes rassemblés, Parijs, Gallimard/Folio, 1998, blz. 155.
worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten, die ten doel heeft de rechten en vrijheden welke in dit Verdrag zijn erkend, te vernietigen (…)”. Ook artikel 54 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het opschrift “Verbod van misbruik van recht”, geeft in ongeveer dezelfde bewoordingen de inhoud van artikel 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens weer.
Artikel 17 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden behelst eveneens een verbod op rechtsmisbruik: “Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten welke ten doel heeft de rechten of vrijheden welke in dit Verdrag zijn vermeld, In de inleiding van voormeld Europees Verdrag wordt aangegeven dat “[de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens] ten doel heeft de algemene en daadwerkelijke erkenning en toepassing van de Rechten welke daarin zijn nedergelegd te verzekeren”, en dat die Verklaring “opnieuw haar diep geloof (…) [bevestigt] in deze fundamentele vrijheden, welke de grondslag vormen voor rechtvaardigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn” (wij onderstrepen).
De indieners van dit voorstel leggen de nadruk op deze laatste woorden, die duidelijk maken dat er nood is aan een gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens, onder meer wat het gendergelijkheidsbeginsel betreft. Tot besluit strekt dit voorstel tot herziening van de Grondwet ertoe in de Grondwet het verbod op rechtsmisbruik op te nemen in het raam van de interpretatie van de in titel II van onze Grondwet vervatte grondrechten, teneinde de democratie te kunnen beschermen tegen wie de vrijheid wil slopen.
Deze herziening wordt voorgesteld in titel II van de Grondwet. Dat het Grondwettelijk Hof bevoegd is voor de grondwettigheidstoetsing van de wetten en decreten
ten aanzien van titel II van de Grondwet, versterkt de uitwerking van de met dit voorstel tot herziening beoogde bepaling.
Enig artikel Artikel 11 van de Grondwet wordt aangevuld met een lid, luidende: “Geen van de bepalingen van deze titel II mag worden uitgelegd als zou zij voor een groep of een persoon enig recht inhouden een activiteit aan de dag te leggen of een daad te verrichten welke ten doel heeft de erin vermelde rechten of vrijheden te vernietigen.”. 9 september 2024