Naar hoofdinhoud

Wetsontwerp Opzoeken in documenten en databanken

Documentdetails

đŸ›ïž KAMER Legislatuur 56 📁 0320 Wetsontwerp 📅 2024-10-08 🌐 NL

đŸ—łïž Stemmingen

Betrokken partijen

VB

Volledige tekst

8 oktober 2024 Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers

SAMENVATTING

Dit wetsvoorstel beoogt voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en voor het Europees Parlement de lijststem volledig te neutraliseren en het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers op te heffen. tot wijziging van het Kieswetboek en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement voor wat betreft de volledige neutralisering van de lijststem en de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en voor het Europees Parlement (ingediend door de heer Werner Somers c.s.) WETSVOORSTEL

TOELICHTING

Dames en Heren, Doelstelling en draagwijdte van het wetsvoorstel Dit wetsvoorstel beoogt om, voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en voor het Europees Parlement, de lijststem volledig te neutraliseren en het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers op te heffen. Daartoe moeten verschillende bepalingen van het Kieswetboek van 12 april 18941 worden gewijzigd, vervangen of opgeheven.

Ook een beperkt aantal bepalingen van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement2 moeten worden aangepast. Een groot aantal bepalingen van het Kieswetboek is door laatstgenoemde wet van toepassing verklaard op de verkiezingen voor het Europees Parlement, zodat de wijzigingen van de bepalingen van het Kieswetboek doorwerken ten aanzien van de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Dit wetsvoorstel beoogt geen gevolgen teweeg te brengen voor de verkiezingen voor de onderscheiden parlementen van de Gemeenschappen en de Gewesten. Wat het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Parlement van het Waals Gewest betreft, bepaalt artikel 118, § 2, eerste lid, van de Grondwet dat een bijzondere wet de aangelegenheden aanwijst die betrekking hebben op de verkiezing, de samenstelling en de werking van deze parlementen.

Deze aangelegenheden kunnen dan met een bijzonder decreet of bijzondere ordonnantie worden geregeld. De bovengenoemde parlementen kunnen – indien zij dat wensen – de lijststem voor de toewijzing van de door een lijst behaalde zetels aan de kandidaten van deze lijst neutraliseren alsook het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers opheffen door gebruik te maken van de constitutieve autonomie die hun is toegekend met artikel 29octies, derde lid, en artikel 29nonies, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen3 (wat de verkiezingen voor het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Parlement van Kieswetboek van 12 april 1894, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 april 1894.

Wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 1989. De bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980.

het Waals Gewest betreft) respectievelijk bij artikel 20, § 3, tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen4(wat de verkiezingen voor het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft). Voorts bepaalt artikel 118, § 2, derde lid, van de Grondwet dat een (gewone) wet de aangelegenheden aanwijst die betrekking hebben op de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en die door dit parlement zelf kunnen worden geregeld bij bijzonder decreet.

Krachtens artikel 45, § 2, derde lid, van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen5 beschikt dat parlement over de constitutieve autonomie om bij bijzonder decreet een einde te maken aan de devolutieve werking van de lijststem. Het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft van zijn constitutieve autonomie reeds gebruikgemaakt om het onderscheid tussen kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers op te heffen, met dien verstande dat de lijststemmen nog steeds voor de helft worden toegekend aan de niet-gekozen effectieve kandidaten in de volgorde van inschrijving op het stembiljet, totdat elk van hen het verkiesbaarheidscijfer voor de betrokken lijst haalt.

Hoger op de lijst geplaatste, niet als titularis gekozen kandidaten, maken aldus nog altijd meer kans om te worden gekozen. Voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap geldt een dergelijk stelsel reeds op grond van artikel 45, § 3, van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, zoals vervangen bij artikel 27, 3°, van de wet van 27 december 2000 tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap.

Volledige neutralisering van de lijststem Hoe hoger de plaats die een bepaalde kandidaat bij de verkiezingen inneemt, des te meer kans hij/zij maakt om gekozen te worden. De volgorde van voordracht drukt immers het vertrouwen uit dat de betrokken politieke partij heeft in de bekwaamheid, de ideologische Bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse 14 januari 1989. Wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 1990.

betrouwbaarheid en de integriteit van de individuele kandidaten. Een hogere plaats op de lijst kan tevens betekenen dat de betrokken kandidaat in het verleden reeds zijn sporen heeft verdiend in de partij. Heel wat kiezers houden dan ook rekening met de volgorde van voordracht bij hun keuze om al dan niet een naamstem uit te brengen op deze of gene kandidaat. Wie hoger op de lijst staat, geniet dus onvermijdelijk een voordeel ten opzichte van kandidaten die lager op de lijst staan.

Hoger op de lijst geplaatste kandidaten worden evenwel extra begunstigd door de zogenoemde devolutieve werking van de lijststem bij de parlementsverkiezingen. Lijststemmen – dat wil zeggen stembiljetten waarop de betrokken kiezer het stemvak bovenaan op de lijst heeft gekleurd – worden opgevat als stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht van de kandidaten. Dat wil zeggen dat de betrokken kiezer wordt geacht akkoord te gaan met de volgorde waarin de partij de kandidaten op haar lijst heeft geplaatst.

Hetzelfde geldt momenteel overigens ook voor de kiezer die enkel voor één of meerdere kandidaat-opvolgers heeft gestemd. Laatstgenoemde kiezer wordt immers geacht enkel verandering te willen brengen in de volgorde waarin de kandidaat-opvolgers zijn voorgedragen, aangezien hij – net zoals de kiezer die enkel een lijststem heeft uitgebracht – geen voorkeur heeft uitgesproken voor één of meerdere kandidaat-titularissen (“effectieve kandidaten”).

De devolutieve werking van de zogenoemde stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht van de kandidaten (“potstemmen”) – dat wil zeggen de lijststemmen en de stembiljetten waarop enkel een naamstem op één of meerdere kandidaat-opvolgers is uitgebracht – houdt in dat de stembiljetten in kwestie (deels) worden overgedragen aan de kandidaat-titularissen die een aantal naamstemmen hebben behaald dat lager is dan het specifieke verkiesbaarheidscijfer voor de betreffende lijst, en dit in de volgorde waarin die kandidaten zijn voorgedragen.

Eerst worden “potstemmen” toegevoegd aan de naamstemmen van de hoogst op de lijst geplaatste kandidaat die het verkiesbaarheidscijfer voor de lijst niet heeft bereikt. Hij krijgt zoveel “potstemmen” als nodig opdat dit verkiesbaarheidscijfer alsnog wordt bereikt. Een eventueel overschot aan “potstemmen” wordt op soortgelijke wijze toegekend aan de op één na hoogst geplaatste kandidaat die het verkiesbaarheidscijfer niet heeft gehaald, vervolgens aan de op twee na hoogst geplaatste kandidaat enzovoort, totdat er geen “potstemmen” meer overblijven.

De devolutieve werking van de lijststem is ten gevolge van de inwerkingtreding – op 20 januari 2003 – van de wet van 13 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek

evenals zijn bijlage6 afgezwakt doordat sindsdien nog slechts de helft van de stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht wordt overgedragen op de hierboven beschreven wijze. Met andere woorden, de “pot” is gehalveerd. Dit wetsvoorstel beoogt de lijststem volledig te neutraliseren en de devolutieve werking ervan dus teniet te doen. De “pot” maakt immers ondanks de halvering ervan nog steeds slachtoffers, waarbij kandidaten enkel wegens hun lagere plaats op de lijst niet gekozen zijn hoewel zij (veel) meer naamstemmen behaalden dan kandidaten die uiteindelijk wel gekozen zijn dankzij de overdracht van stembiljetten (“potstemmen”) ten gunste van de volgorde van voordracht.

Zo behaalden bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers van 9 juni 2024 in de kieskring Antwerpen zeven kandidaten meer naamstemmen dan één of meerdere kandidaten die op hun lijst werden gekozen. In de kieskringen West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant ging het respectievelijk om zes, vier, drie en vier kandidaten. Dat kandidaten met (veel) minder naamstemmen dan sommige lager op de lijst geplaatste kandidaten zitting hebben in het parlement, ondermijnt de legitimiteit van het Parlement en miskent de wil van de kiezer, die door middel van het uitbrengen van een naamstem op één of meerdere kandidaten te kennen geeft door wie hij in het Parlement vertegenwoordigd wenst te worden.

De devolutieve werking van de lijststem leidt ertoe dat de politieke partijen, doordat zij de volgorde van de kandidaten op de lijst bepalen, een te grote invloed uitoefenen op wie uiteindelijk gekozen wordt. Overigens mag worden aangenomen dat kiezers – precies wegens de devolutieve werking van de lijststem – eerder geneigd zijn om een naamstem uit te brengen op een hoger geplaatste kandidaat dan op een “kansloze” kandidaat lager op de lijst.

De devolutieve werking van de lijststem brengt dus waarschijnlijk – los van de directe gevolgen ervan – met zich mee dat lager op de lijst geplaatste kandidaten minder naamstemmen krijgen dan zonder die devolutieve werking het geval zou zijn geweest. Dat komt als het ware neer op een “concurrentievervalsing”. De neutralisering van de lijststem – dat wil zeggen de volledige afschaffing van de devolutieve werking ervan – respecteert in sterkere mate de wil van de kiezer en komt de band tussen kiezers en gekozenen ten goede, wat de legitimiteit van het Parlement vergroot.

Bovendien legt Wet van 13 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek evenals zijn bijlage, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 januari 2003.

zij de particratie aan banden en creëert zij een gelijker speelveld voor de verschillende kandidaten op een lijst. Er moet wel worden benadrukt dat dit wetsvoorstel de lijststem niet opheft, maar er enkel voor zorgt dat het aantal lijststemmen voor een bepaalde partij voortaan enkel nog invloed heeft op de verdeling van de zetels over de verschillende lijsten en niet langer op de toekenning van de door een lijst behaalde zetels aan de individuele kandidaten van die lijst.

Aldus wordt een lijststem niet meer opgevat als een stem ten gunste van de volgorde van voordracht van de kandidaten van de lijst in kwestie, maar als een stem waarmee de betrokken kiezer tot uitdrukking brengt dat hij een bepaalde lijst – om ideologische redenen – steunt zonder dat hij een voorkeur uitspreekt voor één of meerdere kandidaten. De kiezer die een lijststem uitbrengt, wordt na de neutralisering van de lijststem geacht a priori in te stemmen met de toekenning van de door de lijst van zijn voorkeur behaalde zetels aan de individuele kandidaten op basis van de door andere kiezers uitgebrachte naamstemmen.

Het hierboven voorgestelde systeem komt in wezen overeen met de regeling van artikel 169, § 2, 4°, van het Vlaams decreet van 8 juli 2011 houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen en houdende wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.7 Volgens deze bepaling worden de zetels bij de lokale en provinciale verkiezingen toegekend aan de kandidaten in afnemende grootte van het aantal stemmen dat zij hebben behaald en is bij gelijk stemmenaantal de volgorde van voordracht op de lijst beslissend.

Afschaffing van het onderscheid tussen kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers Volgens artikel 117, eerste lid, van het Kieswetboek moeten er gelijktijdig met de voordracht van kandidaten voor de mandaten van volksvertegenwoordiger kandidaatopvolgers worden voorgedragen. De kandidaat-opvolgers die de meeste stemmen hebben behaald, worden eerste, tweede, derde enzovoort opvolger verklaard. Het komt niet zelden voor dat de kandidaat-opvolger met de meeste naamstemmen minder stemmen heeft behaald dan één of meerdere kandidaat-titularissen die niet gekozen zijn.

Bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers van 9 juni 2024 gold dit in de kieskring Antwerpen voor vijf van de zeven lijsten die minstens Vlaams decreet van 8 juli 2011 houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen en houdende wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2011.

één zetel behaalden, in de kieskring Limburg voor alle zes de lijsten die minstens één zetel behaalden, en in de kieskringen Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant voor alle zeven de lijsten die minstens één zetel behaalden. Dit is des te onrechtvaardiger wanneer de betrokken niet-gekozen kandidaat-titularissen niet alleen meer naamstemmen hebben behaald dan de als eerste opvolger gekozen kandidaat-opvolger, maar ook meer naamstemmen hebben behaald dan één of meerdere kandidaat-titularissen die dankzij de devolutieve werking van de lijststem gekozen zijn.

In de kieskring Antwerpen deed dit geval zich voor op 9 juni 2024 bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers bij vijf van de zeven lijsten die minstens één zetel behaalden, in de kieskring Limburg bij twee van de zes lijsten die minstens één zetel behaalden, en in de kieskringen Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Vlaams Brabant bij respectievelijk twee, drie en twee van de lijsten die minstens één zetel behaalden.

De democratische legitimiteit van het Parlement wordt ondermijnd doordat een gekozen kandidaat-titularis wordt opgevolgd door een kandidaat-opvolger die minder naamstemmen heeft behaald dan één of meerdere niet-gekozen kandidaat-titularissen. Dat is a fortiori het geval wanneer het a priori de bedoeling van de betrokken partij was dat een bepaalde hoog op de lijst geplaatste kandidaat-titularis – die profiteert van de devolutieve werking van de lijststem – in geval van verkiezing zijn parlementair ambt niet zou opnemen, of wanneer het bij de lijstvorming reeds waarschijnlijk was dat bepaalde hoog op de lijst geplaatste kandidaat-titularissen tot minister zouden worden benoemd en om die reden voor de duur van hun ministerieel ambt zouden ophouden zitting te hebben in het parlement.

Net zoals de devolutieve werking van de lijststem brengt het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers met zich mee dat de politieke partijen een te grote invloed kunnen uitoefenen op wie uiteindelijk zitting heeft in het parlement. Daarbij komt dat de stembiljetten waarop enkel een naamstem op één of meerdere kandidaat-opvolgers is uitgebracht – evenals lijststemmen – worden beschouwd als stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht van de kandidaten, die ten goede komen aan de hoogst op de lijst geplaatste kandidaat-titularissen, eventueel ten koste van lager op de lijst geplaatste kandidaat-titularissen die ondanks een groter aantal naamstemmen niet gekozen raken.

Voor de kiezer is de werking van het hele systeem dat berust op het huidige onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers alleszins weinig doorzichtig.

Net zoals de neutralisering van de lijststem zorgt de opheffing van het onderscheid tussen kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers ervoor dat de wil van de kiezer in sterkere mate wordt geëerbiedigd, dat de particratie aan banden wordt gelegd en dat de legitimiteit van het Parlement wordt vergroot. Bovendien wordt het kiessysteem eenvoudiger en transparanter. Er dienen niet langer afzonderlijk kandidaat-opvolgers te worden voorgedragen, doch enkel kandidaten.

De niet-gekozen kandidaten worden in afnemende grootte van het door hen behaalde aantal naamstemmen eerste, tweede, derde enzovoort opvolger verklaard. Dit komt in wezen overeen met de regeling van artikel 169, § 2, 5°, van het Vlaams decreet houdende de organisatie de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepaling Artikel 1 De wetgeving waarvan de wijziging wordt beoogd met dit wetsvoorstel, betreft geen aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 77 of 78 van de Grondwet, zodat de federale wetgevende macht overeenkomstig artikel 74 van de Grondwet – in afwijking van artikel 36 van de Grondwet – gezamenlijk wordt uitgeoefend door de Koning en de Kamer van volksvertegenwoordigers. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het Kieswetboek Artikelen 2, 4, 6, 7, 8, 9 en 16 Deze wijzigingen van het Kieswetboek vloeien voort uit de opheffing van het onderscheid tussen kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers. Art. 3 Het huidige artikel 117 van het Kieswetboek veronderstelt dat er zowel kandidaat-titularissen als kandidaatopvolgers worden voorgedragen. Het artikel wordt aldus aangepast dat er voortaan geen aparte kandidaat-opvolgers meer worden voorgedragen. De voorgedragen kandidaten zijn in zekere zin steeds primair kandidaattitularis en subsidiair – voor het geval zij niet worden gekozen – kandidaat-opvolgers. Art. 5 Door de afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers is artikel 118, eerste lid, van het Kieswetboek – dat bepaalt dat niemand op een en dezelfde lijst tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger mag worden voorgedragen – zonder voorwerp, zodat het moet worden opgeheven. Van de gelegenheid wordt tevens gebruikgemaakt om het laatste lid van hetzelfde artikel op te heffen. Het betreft namelijk een inmiddels uitgewerkte bepaling die van toepassing was op de eerste federale parlementsverkiezingen na de inwerkingtreding van de wet van

13 december 2002 houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving. Art. 10 Met dit artikel wordt artikel 144 van het Kieswetboek gewijzigd omdat er – in verband met de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaatopvolgers – niet langer moet worden verwezen naar het geval waarin de kiezer een naamstem uitbrengt op één of meerdere kandidaat-opvolgers, al dan niet in combinatie met een lijststem en/of met een naamstem voor één of meerdere kandidaat-titularissen.

Daarnaast wordt artikel 144 van het Kieswetboek – in verband met de opheffing van de devolutieve werking van de lijststem – aldus gewijzigd dat de kiezer die met behulp van het daartoe bestemde potlood een merkteken aanbrengt in het vakje bovenaan op de lijst, niet langer wordt geacht in te stemmen met de volgorde waarin de kandidaten zijn voorgedragen, maar wel de lijst te willen steunen zonder dat hij zijn voorkeur wenst uit te spreken voor één of meerdere kandidaten.

Art. 11 Momenteel bepaalt artikel 156, § 1, van het Kieswetboek dat de geldige stembiljetten per lijst moeten worden verdeeld in vier (sub)categorieĂ«n. De opheffing van het opvolgers impliceert evenwel dat er slechts twee (sub) categorieĂ«n overblijven: stembiljetten met lijststemmen en stembiljetten waarop alleen naast de naam van één of meerdere kandidaten (thans: “kandidaat-titularissen”) is gestemd.

De overige twee (sub)categorieĂ«n – stembiljetten waarop alleen naast de naam van één of meerdere kandidaat-opvolgers is gestemd en stembiljetten waarop behalve naast de naam van één of meerdere kandidaattitularissen tevens naast de naam van één of meerdere kandidaat-opvolgers is gestemd – verdwijnen. Eveneens in verband met de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers dient in het derde en het vierde lid van artikel 156, § 1, van het Kieswetboek niet langer te worden verwezen naar stembiljetten waarop niet alleen een lijststem is uitgebracht, maar tevens een naamstem is uitgebracht op één of meerdere kandidaat-opvolgers van dezelfde lijst (al dan niet in combinatie met een naamstem voor één of meerdere kandidaat-titularissen van die lijst).

Met andere woorden, de regel dat bij een combinatie van een lijststem met één of meerdere naamstemmen, de naamstem of naamstemmen primeren – zodat de kiezer in dat geval niet wordt geacht in te stemmen met

de volgorde waarin de kandidaten op de lijst van zijn keuze zijn voorgedragen – is zonder voorwerp voor zover het gaat om naamstemmen voor één of meerdere kandidaat-opvolgers. Art. 12 In verband met de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers kunnen stembiljetten niet langer ongeldig zijn omdat op een stembiljet niet alleen een lijststem is uitgebracht maar tevens een naamstem is uitgebracht op één of meerdere kandidaat-opvolgers van een of meerdere andere lijsten, of op het feit dat op een stembiljet tegelijk een naamstem is uitgebracht op één of meerdere kandidaat-opvolgers van een bepaalde lijst en een naamstem is uitgebracht op één of meerdere kandidaat-titularissen of kandidaatopvolgers van één of meerdere andere lijsten.

Bovendien is de regel dat een stembiljet niet ongeldig is wanneer een kiezer niet alleen een lijststem heeft uitgebracht maar eveneens een naamstem heeft uitgebracht op een of meerdere kandidaten van dezelfde lijst, zonder voorwerp voor zover het gaat om een combinatie van een lijststem met een naamstem voor één of meerdere kandidaat-opvolgers van dezelfde lijst (en daarnaast eventueel één of meerdere kandidaat-titularissen van die lijst).

Artikel 157 van het Kieswetboek moet dienovereenkomstig worden aangepast. Art. 13, 14 en 15 Deze wijzigingen van het Kieswetboek houden verband met de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers en met de daaruit voortvloeiende vermindering van het aantal – in artikel 156, § 1, tweede lid, van het Kieswetboek genoemde – subcategorieĂ«n van geldige stembiljetten van vier naar twee.

Art. 17 De belangrijkste wijziging van artikel 172 van het Kieswetboek die bij artikel 17 van dit wetsvoorstel wordt doorgevoerd, betreft de opheffing van de derde tot en met de achtste volzin van het tweede lid. Deze opheffing heeft tot gevolg dat voortaan enkel het aantal door de kandidaten van een lijst behaalde naamstemmen beslissend is voor de vraag aan wie van deze kandidaten de aan die lijst toekomende zetels worden toegekend.

Het zal dus niet langer zo zijn dat de helft van de som van het aantal stembiljetten met lijststemmen en

het aantal stembiljetten waarop enkel voor één of meerdere kandidaat-opvolgers is gestemd (laatstgenoemde categorie verdwijnt hoe dan ook na de beoogde wetswijziging), toegekend wordt aan de hoogst op de lijst geplaatste kandidaat (thans: “kandidaat-titularis”) die een aantal naamstemmen heeft behaald dat lager is dan het specifieke verkiesbaarheidscijfer voor de betreffende lijst, waarbij hetgeen van de “pot” overblijft nadat daarvan zoveel stembiljetten aan de naamstemmen van die kandidaat zijn toegevoegd dat hij alsnog dat verkiesbaarheidscijfer bereikt, op soortgelijke wijze wordt overgedragen aan de op één na hoogst geplaatste kandidaat die minder naamstemmen dan het verkiesbaarheidscijfer heeft behaald, vervolgens aan de op twee na hoogst geplaatste kandidaat met minder naamstemmen dan het verkiesbaarheidscijfer enzovoort, totdat de “pot” leeg is.

De lijststem wordt met dit wetsvoorstel niet afgeschaft, maar zal enkel nog van invloed zijn op de verdeling van de zetels over de verschillende lijsten en niet langer op de toekenning van de door een lijst behaalde zetels aan de individuele kandidaten van die lijst. Aldus wordt de lijststem als het ware volledig geneutraliseerd, in die zin dat zij geen devolutieve werking meer sorteert. Voorts dient het eerste lid van artikel 172 van het Kieswetboek te worden opgeheven door de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers.

Eveneens door deze opheffing moet het vierde lid van dat artikel worden vervangen. Momenteel is het zo dat wanneer het aantal kandidaattitularissen van een lijst lager is dan het aantal zetels dat door die lijst is behaald, de overblijvende zetels in eerste instantie worden toegekend aan de kandidaat-opvolgers die overeenkomstig artikel 173 van het Kieswetboek als eerste, tweede, derde enzovoort opvolger zijn verkozen.

Wanneer er niet voldoende opvolgers zijn, wordt artikel 167, vierde lid, van het Kieswetboek toegepast. Laatstgenoemde bepaling houdt in dat de niet-toegekende zetels worden toegevoegd aan die welke aan de andere lijsten toekomen en dat zij over die lijsten worden verdeeld door voortzetting van de in artikel 167, eerste lid, van het Kieswetboek omschreven bewerking. Aangezien er na de beoogde wetswijziging niet langer kandidaat-opvolgers worden voorgedragen, dient artikel 167, vierde lid, van het Kieswetboek voortaan meteen te worden toegepast ingeval een lijst meer zetels heeft behaald dan er kandidaten zijn voorgedragen.

Art. 18 In verband met de opheffing van de afzonderlijke voordracht van kandidaat-opvolgers wordt bij artikel 18 van dit wetsvoorstel artikel 173 van het Kieswetboek vervangen om te bepalen hoe voortaan de opvolgers van de gekozen

kandidaten dienen te worden aangewezen. De nieuwe regeling houdt in dat de niet-gekozen kandidaten eerste, tweede, derde enzovoort opvolger worden verklaard op basis van het door hen behaalde aantal naamstemmen. Art. 19 Deze wijziging van artikel 173bis van het Kieswetboek vloeit voort uit de opheffing van de devolutieve werking van de lijststem. Art. 20 Deze wijziging van artikel 178 van het Kieswetboek houdt verband met de opheffing van de devolutieve werking van de lijststem alsook met de opheffing Art. 21 De bijlage bij het Kieswetboek moet in overeenstemming worden gebracht met de door dit wetsvoorstel doorgevoerde wijzigingen van dat wetboek.

HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement Art. 22 Door de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers is artikel 21, § 5, tweede lid, van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement – dat bepaalt dat niemand op een en dezelfde lijst tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger mag worden voorgedragen – zonder voorwerp, zodat het moet worden opgeheven.

Art. 23, 25 en 26 Deze wijzigingen van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement houden verband met de opheffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers.

Art. 24 Deze wijziging van artikel 22 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement betreft een verwijzingstechnische aanpassing die verband houdt met de bij artikel 3 van dit wetsvoorstel doorgevoerde wijziging van artikel 117 van het Kieswetboek, die ertoe strekt de afzonderlijke voordracht van kandidaat-opvolgers op te heffen. Art. 27 Deze wijziging van artikel 36 van de wet van 23 maart Parlement houdt verband met de opheffing van de devolutieve werking van de lijststem.

Art. 28 Artikel 28 regelt de inwerkingtreding van deze wet. Werner Somers (VB) Ortwin Depoortere (VB) Francesca Van Belleghem (VB) Sam Van Rooy (VB) Frank Troosters (VB)

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2 In artikel 116, § 6, eerste lid, van het Kieswetboek van 12 april 1894, laatstelijk gewijzigd door de wet van 2 april 2003, worden de woorden “zowel de kandidaattitularissen als de kandidaat-opvolgers” vervangen door de woorden “de kandidaten”. In artikel 117 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° het eerste lid wordt opgeheven;

2° het tweede lid wordt opgeheven;

3° het derde lid wordt opgeheven;

4° het vierde lid wordt vervangen als volgt: “De voordrachtsakte van de kandidaten voor de mandaten van volksvertegenwoordiger wijst de volgorde aan waarin zij worden voorgedragen.”. Art. 4 Artikel 117bis van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 19 april 2018, wordt vervangen als volgt: “Artikel 117bis. Het verschil tussen het aantal kandidaten van het mannelijke geslacht en het aantal kandidaten van het vrouwelijke geslacht op een en dezelfde lijst mag niet meer dan één bedragen. Bovendien mogen de eerste twee kandidaten niet tot hetzelfde geslacht behoren.”

In artikel 118 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, worden de volgende 2° het laatste lid wordt opgeheven. Art. 6 In artikel 123 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, worden de volgende a) in de bepaling onder 2° van het derde lid, worden de woorden “kandidaat-titularissen of kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”; b) de bepaling onder 2°bis van het derde lid, wordt opgeheven; c) in het vierde lid worden in de eerste zin de woorden “in de gevallen bedoeld in 2°bis en in 6° van het voorgaande lid,” vervangen door de woorden “in de bepaling onder 6° van het voorgaande lid bedoelde geval” en wordt de tweede zin opgeheven; d) in het vijfde lid worden de woorden “kandidaattitularissen of kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”; e) In het zesde lid worden de woorden “kandidaatopvolgers voorgedragen overeenkomstig het derde lid, 2°bis, en de nieuwe kandidaat-titularissen of kandidaatopvolgers” vervangen door de woorden “kandidaten die worden voorgedragen”.

Art. 7 In artikel 126 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewij- 1° in het eerste lid wordt de eerste zin vervangen “Indien er niet meer dan één lijst is ingediend en indien het aantal kandidaten overeenkomt met of kleiner is dan het aantal te verkiezen leden, worden alle kandidaten zonder meer door het kieskringhoofdbureau gekozen verklaard.”

2° in het eerste lid wordt de tweede volzin opgeheven;

3° het tweede lid wordt opgeheven;

4° in het derde lid worden de woorden “kandidaattitularissen en kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”. Art. 8 In artikel 127, eerste lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 19 april 2018, worden de woorden “kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”. Art. 9 In artikel 128, § 1, vierde lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 13 december 2002, worden in de eerste zin de woorden “kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten” en wordt de tweede zin opgeheven.

In artikel 144 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewija) in de bepaling onder 1° van het tweede lid, worden de woorden “instemt met de voordrachtsvolgorde van de lijst van zijn keuze” vervangen door de woorden “geen voorkeur wenst uit te spreken voor één of meerdere kandidaten van een lijst, maar niettemin deze lijst wenst te steunen;”; b) de bepaling onder 2° van het tweede lid wordt vervangen als volgt: “hetzij, als hij een voorkeur wenst uit te spreken voor één of meerdere kandidaten, in het vakje naast die kandidaat of kandidaten.”; c) in het derde lid worden de woorden “kandidaattitularis(sen) en/of kandidaat-opvolger(s)” vervangen door het woord “kandidaten” en worden de woorden “en/of plaatsvervangers” opgeheven.

In artikel 156, § 1, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in de aanhef van het tweede lid worden de woorden “vier subcategorieĂ«n” vervangen door de woorden “twee subcategorieĂ«n”;

2° in de bepaling onder 2° van het tweede lid wordt het woord “kandidaat-titularissen” vervangen door het 3° de bepaling onder 3° van het tweede lid wordt 4° de bepaling onder 4° van het tweede lid wordt 5° in het derde lid worden de woorden “kandidaattitularissen of van één of meerdere kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten” en worden de woorden “of derde” opgeheven;

6° het vierde lid wordt opgeheven. Artikel 157 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 13 december 2002, worden volgende a) in de bepaling onder 2° van het eerste lid worden de woorden “, hetzij voor de kandidaat-titularissen, hetzij voor de kandidaat-opvolgers,” opgeheven; b) in de bepaling onder 3° van het eerste lid worden de c) de bepaling onder 4° van het eerste lid wordt d) het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Niet ongeldig zijn de stembiljetten waarop een kiezer zowel een lijststem heeft uitgebracht als een stem naast de naam van één of meerdere kandidaten van dezelfde lijst.”; e) in het derde lid worden de woorden “de in het vorige lid bedoelde gevallen,” vervangen door de woorden “het in het vorige lid bedoelde geval”.

Art. 13 In artikel 159, derde lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 13 december 2002, wordt het woord “vier” vervangen door het woord “twee”. Art. 14 In artikel 161 van het Kieswetboek, laatstelijk gewijzigd 1° in het achtste lid wordt het woord “vier” vervangen door het woord “twee” en worden de woorden “kandidaat-titularis of kandidaat-opvolger” vervangen door het woord “kandidaat”;

2° in het tiende lid worden de woorden “kandidaattitularis of kandidaat-opvolger” vervangen door het woord “kandidaat”. Art. 15 In artikel 166 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 13 december 2002, wordt het woord “vier” vervangen door het woord “twee”. Art. 16 In artikel 167, vierde lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd bij wet van 13 december 2002, worden de In artikel 172 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd 1° in het eerste lid wordt het woord “kandidaat-titularissen” vervangen door het woord “kandidaten”;

2° in het tweede lid worden de derde tot en met de achtste zin opgeheven;

3° het vierde lid wordt vervangen als volgt: “Wanneer het aantal kandidaten van een lijst lager is dan dat van de aan de lijst toekomende zetels, zijn die kandidaten gekozen. De verdeling van het overschot wordt geregeld overeenkomstig het laatste lid van artikel 167.”.

Artikel 173 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, wordt vervangen als volgt: “Art. 173. De niet-gekozen kandidaten worden eerste, tweede, derde enzovoort opvolger verklaard in afnemende grootte van het aantal stemmen dat zij hebben behaald. Bij gelijk stemmenaantal is de volgorde van voordracht op de lijst beslissend.” In artikel 173bis van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 13 december 2002, worden de woorden “enerzijds door het totaal van de in de artikelen 172 en 173 bedoelde stembiljetten, die gunstig zijn voor de volgorde van voordracht respectievelijk van de kandidaat-titularissen en van de kandidaat-opvolgers, te delen door twee, en anderzijds,” opgeheven.

In artikel 178 van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 19 april 2018, worden de volgende 1° in de tweede zin van het eerste lid worden de woorden “en er wordt hem geen aandeel toegekend van het aantal stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht” opgeheven;

2° in de derde zin van het eerste lid worden de woorden “zowel het stemcijfer te bepalen van de lijst waarop hij zich kandidaat gesteld had als het aantal stemmen die zijn uitgebracht ten gunste van de volgorde van voordracht in het in artikelen 172 en 173 bedoelde geval.” vervangen door de woorden “het stemcijfer te bepalen van de lijst waarop hij zich kandidaat had gesteld.”;

3° in het tweede lid worden de woorden “tot kandidaattitularis” opgeheven. In de bijlage “Onderrichtingen voor de kiezer” bij hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in punt 2 worden de woorden “kandidaat-titularissen of -opvolgers of kandidaat-titularissen en -opvolgers,”

b) in punt 3, eerste lid, wordt de tweede zin vervangen “De naam en voornaam van de kandidaten worden ingeschreven volgens de orde van de voordrachten.”; c) in punt 4, eerste lid, worden de woorden “kandidaattitularissen en -opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”; d) in punt 4, eerste lid, worden de woorden “Kan de kiezer zich verenigen met de orde van voordracht van kandidaat-titularissen en -opvolgers van de door hem gesteunde lijst” vervangen door de woorden “Wenst de kiezer geen voorkeur uit te spreken voor één of meerdere kandidaten van een lijst, maar wenst hij niettemin deze lijst te steunen”; e) punt 4, tweede lid, wordt opgeheven; f) punt 4, derde lid, wordt opgeheven; g) punt 4, vierde lid, wordt vervangen als volgt: “Wenst de kiezer niet enkel een bepaalde lijst te steunen, maar tevens zijn voorkeur uit te spreken voor één of meerdere kandidaten van deze lijst, dan brengt hij een naamstem uit op die kandidaat of kandidaten.”; h) in punt 4, vijfde lid, worden de woorden “kandidaattitularissen en/of opvolgers” vervangen door het woord i) punt 5, laatste lid, dat wordt voorafgegaan door het opschrift “Opmerking”, wordt samen met dit opschrift j) in punt 7, eerste lid, 2°, onder b), worden de woorden “, hetzij voor de mandaten van titularis, hetzij voor de opvolging,” opgeheven; k) in punt 7, eerste lid, 2°, onder c), worden de woorden “kandidaat-titularissen en/of opvolgers” vervangen door het woord “kandidaten”; l) de bepaling onder d) in punt 7, eerste lid, 2°, wordt m) punt 7, laatste lid, dat wordt voorafgegaan door het opgeheven.

betreffende de verkiezing van het Europees Parlement Artikel 21, § 5, tweede lid, van de wet van 23 maart Parlement, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, wordt opgeheven. Art. 23 Artikel 21bis van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door de wet van 19 april 2018, wordt vervangen als volgt: “Artikel 21bis. Het verschil tussen het aantal kandidaten van het mannelijke geslacht en het aantal kandidaten van het vrouwelijke geslacht op een en dezelfde lijst mag niet meer dan één bedragen.

Bovendien mogen de eerste In artikel 22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd a) in het eerste lid worden de woorden “117, eerste tot vierde lid” vervangen door de woorden “117, vierde lid”; b) in het tweede lid, 2°, worden de woorden “eerste lid” vervangen door “vierde lid”. Art. 25 In artikel 23, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door de wet van 11 maart 2003, worden de Art. 26 In artikel 33, tweede lid, 4°, in de bepaling onder b), van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 maart 2023, worden de woorden “kandidaat-

In artikel 36 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd a) de bepaling onder 4° van het tweede lid wordt b) in de bepaling onder 5° van het tweede lid, worden in de tweede zin de woorden “en er wordt hem geen aandeel toegekend van het aantal stembiljetten ten gunste van de volgorde van voordracht” opgeheven; c) in de bepaling onder 5° van het tweede lid worden in de derde zin de woorden “zowel het stemcijfer te bepalen van de lijst waarop hij zich kandidaat gesteld had, als het aantal stemmen ten gunste van de volgorde van voordracht in het geval bedoeld in de artikelen 172 en 173” vervangen door de woorden “het stemcijfer te bepalen van de lijst waarop hij zich kandidaat had gesteld”. § 1.

De artikelen 2 tot en met 21 treden in werking op de dag van de eerste verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers die volgen op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Indien deze verkiezingen evenwel plaatsvinden binnen twaalf maanden die volgen op de afkondiging van deze wet, treden de betreffende artikelen in werking op de dag van de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers die volgen op voormelde verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers. § 2.

De artikelen 22 tot en met 27 treden in werking op de dag van de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement die volgen op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Indien deze verkiezingen evenwel plaatsvinden binnen twaalf maanden die volgen op de afkondiging van deze wet, treden de betreffende artikelen in werking op de dag van de verkiezingen voor het Europees Parlement die volgen op voormelde verkiezingen voor het Europees Parlement.

13 september 2024