Wetsvoorstel tot wijziging van de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten, tot invoeging van een nieuwe titel Vlbis in boek III van het oude Burgerlijk Wetboek en tot wijziging van het Wetboek van economisch recht
Documentdetails
📁 Dossier 55-2355 (10 documenten)
🗳️ Stemmingen Aangenomen
Betrokken partijen
Sprekers (11)
Stemdetail (18 stemmingen)
Volledige tekst
az 1100: Amendementen zieook: Goe: Ariel aangenomen in earste lezing pocss 2355/007 zoosscomone rn dg nana: | AE etienne neos B Eero Dawes en Heren, Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 15 december 2021, 12 januari, 26 januari en 2 februari 2022.
1 - PROCEDURE
‘Aanvankelijk was wetsvoorstel (Leen Dierick) houdende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen (DOC 55 0693/00) bij het wetsont werp gevoegd. Dit wetsvoorstel werd er evenwel tijdens de vergadering van 26 januari 2022 van losgekoppeld, zonder het voorwerp te hebben uitgemaakt van een inleidende uiteenzetting. Tijdens de vergadering van 15 december 2021 heeft de commissie beslist, met toepassing van artikel 28.1 van het Kamerreglement, een hoorzitting te houden over het wetsontwerp en het toegevoegde wetsvoorstel. Tijdens deze hoorzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2022, werden gehoord: - mevrouw Sophie Heuskin, adviseur economie, UCM; - mevrouw Lynn Jonckheere, juridisch adviseur, UNIZO; - de heer Simon November, woordvoerder, Test Aankoop; - mevrouw Evelyne Terryn, hoogleraar handels- en ‘economisch recht, vennootschapsrecht en consumen tenrecht, KU Leuven. Het verslag van de hoorzitting wordt als bijlage bij onderhavig verslag opgenomen. De commissie heeft een initatiefadvies van het VBO ontvangen omtrent het voorliggende wetsontwerp.
II, - INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
De heer Pierre-Yves Dermagne, vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, legt uit dat het wetsontwerp de omzetting in Belgische wetgeving beoogt van twee Europese richtlijnen die voor de consumenten en ondernemingen van groot belang zijn: - richtlijn (EU) 2019/771 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen. bocss 2355/007 Deze richtlijn moderniseert de voorschriften inzake wettelijke garantie om ze aan te passen aan de specifieke kenmerken van goederen met digitale aspecten. Ze stelt de wetgever in staat de consumentenbescherming te verbeteren door de wettelijke garantieregeling te versterken; - richtlijn (EU) 2019/770 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en diensten. Deze tweede richtlijn biedt een beter kader voor overeenkomsten met betrekking tot digitale producten en diensten, Beide EU-richtlijnen beogen derhalve het consumentenrecht te moderniseren als antwoord op de ontwikkeling van de digitale markt, alsook de consumentenbescherming te versterken. De regering heeft er zich evenwel niet toe beperkt deze richtlijnen letterlijk over te nemen, maar wou een stap verder gaan om de consument nog beter te beschermen en geplande veroudering tegen te gaan. Om de consument een ruimere bescherming te bieden, heeft de regering er namelijk voor gekozen de regeling uit te breiden naar tweedehandsgoederen die op veilingen worden verkocht. De regering heeft er tevens voor geopteerd de regeling voor verborgen gebreken en de regels inzake de handelsgarantie te handhaven, opdat de consument ook na de wettelijke garantieperiode zijn rechten kan doen gelden. De belangrijkste keuze betreft echter de verlenging van de omkering van de bewijslast van zes maanden tot twee jaar, dus over de gehele wettelijke garantieperiode. Dit betekent dat de bewijslast helemaal niet meer bij de, consument zal liggen. Dit is een grote stap voorwaarts, omdat de consument, teneinde een beroep te kunnen doen op de garantie, niet langer zal hoeven te bewijzen dat hij zelf niet verantwoordelijk is voor het slecht functioneren van de goederen. De bewijslast ligt voortaan dus uitsluitend bij de verkoper en de producent. Hierdoor wordt de effectieve garantieperiode verlengd van zes maanden tot twee jaar. Voor een consument is, het immers heel moelijk om na zes maanden nog van de garantie gebruik te kunnen maken. Dat zal nu niet langer het geval zijn vóór een periode van twee jaar is, verstreken. Derhalve verviervoudigt de effectieve duur van de garantie, waardoor consumenten gemakkelijker hun recht zullen kunnen doen gelden op reparatie, terugbetaling of vervanging van goederen met fabricagefouten. De consumenten zullen producten kunnen kopen die langer meegaan. Aangezien dit een aanzienlijke besparing betekent, betreft het dus een maatregel die de koopkracht bevordert. Deze afschaffing van de omkering van de bewijslast zal het consumentenrecht rechtvaardiger maken. Voor een bedrijf met deskundigen in huis is het immers veel makkelijker de oorzaak van een defect aan een product vast te stellen, dan voor een consument zonder kennis, van zaken. De zwakkere partij in de commerciële relatie is nu beter beschermd. Wat de weerslag van deze maatregel op de prijzen betreft, concludeert een studie van de Europese Commissie van 2017 dat de verlenging van de duur van de omkering van de bewijslast niet leidt tot een forse stijging van de kosten voor de bedrijven. Het voorbeeld van Frankrijk bevestigt deze resultaten: na de verlenging van de termijn van de omkering van de bewijslast van zes maanden tot twee jaar, kon geen prijsstijging aan deze wetswijziging worden toegeschreven. Dit zal ten goede komen aan de consumenten, voor wie de prijs-kwaliteitsverhouding erop vooruit zal gaan. Deze maatregel moet ook de bedrijven belonen die kwaliteitsproducten produceren. Wie goederen produceert die vaak en snel stuk gaan, zal meer moeten betalen voor de reparatie of vervanging van het goed. Hierdoor zal het vertrouwen van de consument in de in België verkochte producten toenemen. In die zin versterkt dit project het concurrentievermogen van België. Zonder dit systeem zouden consumenten wellicht liever in het buitenland kopen dan in eigen land, omdat zij aldaar beter beschermd zouden zijn. ‘Tat slot zal deze regelgeving bijdragen aan een sterkere circulariteit van onze economie, door producenten ertoe aan te zetten duurzamer goederen te produceren en door de ontwikkeling van de herstelsector te stimuleren. Dit is belangrijk voor een groenere overgang van onze economie. Het is ook een sociale vooruitgang, want door de levensduur van de producten die worden gekocht te verbeteren, gaat ook de koopkracht erop vooruit Mevrouw Eva De Bleeker, staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming, toegevoegd ‘aan de minister van Justitie en Noordzee, voegt daaraan toe dat levende dieren uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het voorliggende wetsontwerp. De garantieregeling voor levende dieren zal in een apart wetsontwerp aan bod komen. De regering ontvangt ter zake zeer binnenkort het advies van de bijzondere raadgevende commissie Verbruik. Het wetsontwerp tot invoering in het Oud Burgerlijk Wetboek van bijzondere bepalingen betreffende de verkoop van dieren aan consumenten zal begin 2022 worden ingediend bij de
II. - ALGEMENE BESPREKING
A. Vragen en opmerkingen van de leden Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) betreurt dat ons land ook met de omzetting van déze richtlijnen schromelijk te laat is. De richtlijnen (EU) 2019/770 en 2019/771 moesten uiterlijk op 1 juli 2021 omgezet zijn De N-VA stelt tevreden vast dat het voorliggende wetsontwerp niet voorziet in een verlenging van de wettelijke garantietermijn. Die termijn blijft vastgelegd op twee jaar, net zoals dat het geval is in de meeste lidstaten. De Garantierichtljnen strekken ertoe de nationale wettelijke regelingen te harmoniseren, in het belang van de Europese consument, die hoe langer hoe meer grensoverschrijdend koopt. De regeling van de verborgen gebreken blijft bestaan, wat volgens de N-VA een goede zaak is Waarmee de N-VA daarentegen niet kan instemmen, is de verlenging van de termijn voor de omkering van de bewijslast tot twee jaar - een verviervoudiging ten opzichte van de huidige situatie. Thans moet de verkoper bij een defect aan het verkochte goed tijdens de eerste zes maanden bewijzen dat het defect te wijten is aan een verkeerd gebruik van het goed door de consument. De verkoper zal dat bewijs in de toekomst gedurende twee jaar moeten leveren.
Artikel 11, eerste lid, van richtlijn (EU) 2019/771 bepaalt dat de periode waarin de omkering van de bewijslast geldt, verlengd wordt van zes maanden naar minstens één jaar. Die termijn sluit zeer goed aan bij de noden van de consument. Zo blijkt uit de cijfers van de Consumentenombudsdienst dat 82 % van de behandelde dossiers inzake garantie betrekking heeft op een conformiteitsgebrek dat zich voordoet binnen twaalf maanden na aankoop van het goed. De bijkomende kosten voor ondernemingen die de verlenging van de termijn voor omkering van de bewijslast tot twee jaar met zich zouden brengen, zijn niet te verantwoorden ten aanzien van de extra consumentenbescherming die dit zou opleveren. Bovendien vergroot de kans dat er een gebrek optreedt door een verkeerd gebruik van het goed door de consument aanzienlijk naarmate hij het goed langer gebruikt Leden van de N-VAfractie hebben de staatssecretaris bevoegd voor Consumentenbescherming de afgelopen tijd regelmatig gevraagd naar de voortgang van dit dossier. Daarbij verklaarde de staatssecretaris steevast dat ons land zich niet zou bezondigen aan gold-plating. Vandaag blijkt helaas het tegendeel. Dit zegt veel over hoe de machtsverhoudingen binnen de regering liggen. Om de aangehaalde redenen zal de N-VA-fractie een amendement op artikel 5 indienen, dat beoogt de periode waarin de omkering van de bewijslast geldt, vast te leggen op één jaar, zoals dat in de meeste lidstaten het geval zal zijn. Wat de commerciële garantie betreft, is het wetsontwerp een getrouwe omzetting van de richtlijn. De suggestie van de N-VA-fractie om ondernemingen de mogelijkheid te bieden in bc-relaties met een standaard nformatieformulier voor commerciële garanties te werken, werd door alle genodigden op de hoorzitting van 12 januari 2022 gunstig onthaald. Een standaardformulier is een goede zaak voor de consumentenbescherming, aangezien de consument beter is geïnformeerd om al dan niet een commerciële garantie aan te schaffen. Daarnaast schept het ook rechtszekerheid en duidelijkheid voor eindverkopers. De N-VA-fractie zal een amendement op artikel 8 indienen, dat ertoe strekt deze mogelijkheid in te bouwen in de wet, op een wijze die verenigbaar is met richtlijn (EU) 2019/771.
Artikel 5 van het wetsontwerp strekt tot invoering van een kennisgevingsverplichting. De consument moet de verkoper op de hoogte brengen van het conformiteitsgebrek binnen twee maanden vanaf de dag waarop de consument het gebrek heeft vastgesteld. De verkoper en de consument kunnen een langere termijn overeenkomen. Deze verplichting, die niet bestaat in de huidige wetgeving, is een goede zaak. Het is evenwel onduidelijk welke de juridische gevolgen zijn van het niet-naleven van de kennisgevingsverplichting. Ter wille van de rechtszekerheid zou dit het best verduidelijkt worden. Overeenkomsten betreffende de verkoop van levende dieren worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de voorliggende tekst; zij zullen worden opgenomen in een toekomstige, specifieke regeling. Mevrouw Van Bossuyt verwelkomt deze uitsluiting, maar heeft wel twijfels omtrent de overgangsregeling (artikel 23 van het wetsontwerp). Die voorziet erin dat de oude bepalingen inzake consumentenkoop van toepassing blijven op levende dieren zolang de nieuwe bijzondere regeling niet in werking is getreden. Ware het niet beter geweest dat deze bijzondere regeling samen met de voorliggende, algemene regeling in werking zou treden? Kan de vice-eersteminister overigens aangeven wanneer het wetsontwerp houdende die bijzondere regeling bij het Parlement zal worden ingediend? Kan hij ook toelichten of er overleg is geweest met de bevoegde gewestelijke ministers, die de federale regels inzake consumentenkoop zullen kunnen aanvullen op het stuk van dierenwelzijn? Het wetsontwerp bepaalt dat deze wet in werking treedt op 1 januari 2022. Om een retroactieve toepassing van de wet te voorkomen, is het aangewezen deze datum aan te passen. Aangezien de (organisatorische) impact op de ondernemingen niet mag worden onderschat, zouden zij enkele maanden de tijd moeten hebben om zich aan te passen aan de nieuwe regelgeving. Mevrouw Van Bossuyt zal daarom, met haar collega's van de N-VA-fractie, amendementen indienen op de artikelen 23, 25 en 26 die beogen de inwerkingtreding uit te stellen met vijf maanden. Voorts zal de N-VA-fractie ook nog een amendement indienen dat tot doel heeft om, in artikel 3 van het wetsontwerp, de definitie van het begrip “openbare veiling” weg te laten. Zoals opgemerkt door prof. Terryn tijdens de hoorzitting van 12 januari 2022 is die definitie immers overbodig. Een laatste opmerking betreft de juridische terminologie. In artikel 11 van het wetsontwerp, alsook in richtlijn (EU) 2019/770, wordt de term “handelaar” gedefinieerd en herhaaldelijk gebruikt. Dat begrip is echter uit het Belgische ondernemingsrecht geschrapt bij de wet van 15 april 2018 houdende de hervorming van het ondernemingsrecht, en werd vervangen door het ruimere begrip “onderneming”. Deze wet trad op 1 november 2018 in werking. Het kan niet de bedoeling zijn dat het begrip “handelaar” opnieuw wordt ingevoerd. Daarom zal de N-VA-fractie een amendement op artikel 11 indienen, teneinde dit begrip te vervangen door het begrip “onderneming”. De heer Patrick Prévot (PS) geeft aan dat zijn fractie, die de consumentenbescherming hoog in het vaandel draagt, de voorliggende tekst verwelkomt. Het wetsontwerp zal zowel de duurzaamheid van producten als de portefeuille van de consument ten goede komen Wat de verlenging van de termijn voor de omkering van de bewijslast naar twee jaar betreft, wijst de heer Prévot erop dat België bewust kiest voor het hoogst mogelijke niveau van consumentenbescherming binnen het kader van richtlijn (EU) 2019/77. Tijdens de hoorzitting van 12 januari 2022 is duidelijk geworden dat de huidige termijn van zes maanden de consument niet in staat stelt zijn rechten voldoende te doen gelden. De voorgestelde verviervoudiging van de termijn voor de omkering van de bewijslast zal zorgen voor meer kwaliteitsvolle en dus duurzamere goederen, en als zodanig ook voor meer koopkracht én een beter milieu. De heer Prévot kondigt aan amendementen te zullen indienen op de artikelen 23, 25 en 26. De daarin vermelde datum van 1 januari 2022 was aanvankelijk gekozen omdat deze overeenkwam met de datum van inwerkingtreding van richtlijnen (EU) 2019/770 en 2019/771 Door omstandigheden kon het wetsontwerp niet meer worden behandeld voor het einde van 2021, waardoor de oorspronkelijke datum van inwerkingtreding moet worden uitgesteld. De voorgestelde datum van inwerkingtreding van 15 mei 2022 geeft de betrokken sectoren de nodige tijd om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving. De heer Erik Gilissen (VB) kan deze tekst steunen in zoverre hij de positie van de consument verstevigt en een dam opwerpt tegen geplande veroudering. Wel heeft hij dienaangaande enkele opmerkingen en vragen. Het onzorgvuldig verwerken van persoonsgegevens kan als een conformiteitsgebrek worden beschouwd. In de Garantierichtlijnen wordt dit expliciet opgenomen. Het wetsontwerp daarentegen beperkt zich ertoe te verwijzen naar Europese verordeningen inzake gegevensbescherming. De link naar remedies wordt echter niet gelegd. De heer Gilissen verwijst ter zake naar overweging 48 van richtlijn (EU) 2019/770 en naar de artikelen 4 en 11 van het wetsontwerp. Kan de viceeersteminister of de staatssecretaris aangeven welke de remedies zijn bij een conformiteitsgebrek dat voortvloeit uit het onzorgvuldig verwerken van persoonsgegevens? Nog wat artikel 11 betreft, stelt de heer Gilissen dat de consument in de daarin opgesomde gevallen recht heeft op remedies, zoals een herstelling, een evenredige prijsvermindering of de ontbinding van de overeenkomst. Deze gelden als de digitale inhoud of digitale dienst wordt geleverd tegen de betaling van een prijs. Maar wat als, die prijs de persoonsgegevens zijn? Bij het opschorten van een dergelijke overeenkomst zou de consument nog steeds zijn gegevens kwijt zijn; er geldt dan wel een recht op schrapping van persoonsgegevens, maar hoe wordt dit recht gegarandeerd, en in welke controle is ter zake voorzien? Het ontworpen artikel 1710/13, $ 3, bepaalt dat de handelaar afziet van het gebruik van andere inhoud dan persoonsgegevens die was verstrekt of gecreëerd door de consument bij het gebruik van de door de handelaar geleverde digitale inhoud of digitale dienst, behalve indien die inhoud geen nut heeft buiten de context van de door de handelaar geleverde digitale inhoud of digitale dienst. Of inhoud al dan niet “nut” heeft buiten de context van de door de handelaar geleverde digitale inhoud of digitale dienst, wordt evenwel eenzijdig door de handelaar bepaald en kan aanleiding geven tot betwistingen. De heer Gilissen stelt dat de consument altijd het recht zou moeten hebben persoonlijke gegevens en inhoud te laten verwijderen, tenzij dit technisch onmogelijk is. Hij kondigt aan een amendement op artikel 11 te zullen indienen dat aan deze bekommernis tegemoetkomt. Volgens het ontworpen artikel 1701/2, $ 7, 4°, zijn kansspeldiensten uitgesloten van het toepassingsgebied van de nieuwe titel Vlbis betreffende overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten. Kan de vice-eersteminister of de staatssecretaris, verduidelijken waarom dit het geval is? Krachtens de bepaling onder 6° van diezelfde paragraaf is deze titel evenmin van toepassing op gratis software. Kan deze bepaling niet misbruikt worden om persoonsgegevens te ontfutselen? Het ontworpen artikel 1649quinquies, $ 3, oud BW bepaalt dat herstel of vervanging dient te worden verricht binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verkoper door de consument in kennis is gesteld van het conformiteitsgebrek. Een vergelijkbare bepaling is, opgenomen in het ontworpen artikel 1701/11, $ 2. De beoordeling van wat een “redelijke termijn” is wordt aan de rechter overgelaten; anders dan voorgesteld in de richtlijn worden geen specifieke termijnen gestipuleerd. Zal deze bepaling wel voldoende rechtszekerheid bieden? Het laatste lid van de ontworpen paragraaf 7 van artikel 1649quinquies bepaalt dat in geval van ontbinding van de overeenkomst of vermindering van de prijs, elke terugbetaling aan de consument verminderd wordt teneinde rekening te houden met het conforme gebruik dat deze van het goed heeft gehad sinds de levering ervan. Er wordt evenwel niet voorzien in een berekeningswijze. Welke vermindering van de terugbetaling mag in rekening worden gebracht bij een zorgeloos conform gebruik van pakweg zes maanden? Er wordt voorts niet voorzien in een specifiek recht op schadevergoeding. Er wordt enkel verwezen naar algemene wetgeving betreffende contractuele aansprakelijkheid (cf. de toelichting bij artikel 6).
Artikel 7 van het wetsontwerp handelt over het recht op verhaal van de verkoper. Die laatste moet verhaal kunnen nemen op de persoon die zich hoger bevindt in de overeenkomstenketen die tot de verkoop geleid heeft. In het wetsontwerp wordt niet ingegaan op welke wijze dat dient te gebeuren, maar wordt enkel verwezen naar wetgeving inzake contractuele aansprakelijkheid. Is dit voldoende? Zou het overigens niet beter zijn om gewag te maken van “de leverancier” of “de producent” in plaats van “de persoon”? Wat als de verantwoordelijke persoon niet meer werkzaam is bij de leverancier of producent? Is, het trouwens de bedoeling dat werknemers persoonlijk aansprakelijk zullen kunnen worden gesteld? Met betrekking tot artikel 5 van het wetsontwerp vraagt de heer Gilissen zich af hoe de kennisgevingsplicht gedurende twee maanden zich verhoudt tot de aansprake lijkheids- en verjaringstermijnen. Een verplichte melding binnen twee maanden zou aanleiding kunnen geven tot betwistingen, niettegenstaande het feit dat het product nog onder garantie is. Een kennisgevingsverplichting binnen de garantietermijn verdient de voorkeur, aldus het id, die ter zake het voorbeeld geeft van een consument die gedurende een langere periode op reis is of in het ziekenhuis is opgenomen. Hij zal op artikel 5 een amendement in die zin indienen. Wat de handhaving betreft, voorziet artikel 19 van richtlijn (EU) 2019/771 er onder meer in dat bepaalde organisaties, waaronder consumentenorganisaties, zich overeenkomstig het nationale recht tot de bevoegde rechterlijke of bestuurlijke instanties moeten kunnen wenden om de nationale bepalingen ter omzetting van de richtlijn te doen toepassen. In artikel 10 van het wetsontwerp is evenwel geen sprake van instanties waartoe de consument zich kan wenden in geval van inbreuken op de ontworpen bepalingen Wat de termijnen voor aansprakelijkheid betreft, vraagt de heer Gilissen zich af of het niet beter ware geweest in een uniforme termijn te voorzien. Inzake continue leveringen zou het lid graag vernemen hoelang de garantietermijn nog doorloopt bij een periodieke levering van een fysiek goed. Indien een conformiteitsgebrek aan het licht komt tjdens de tweejarige garantietermijn, verjaart de vordering van de consument na één jaar. Zou de verjaringstermijn ook niet beter op twee jaar worden vastgelegd? ‘Anders dan de Europese richtlijnen gaat het wetsontwerp niet in op de kwestie van de beschikbaarheid van onderdelen. Evenmin zijn er nadere bepalingen opgenomen omtrent wie herstellingen mag uitvoeren. De heer Gilissen verwijst in dit verband naar de overwegingen 33 en 54 bij richtlijn (EU) 2019/771. ‘Ten slotte stelt de heer Gilissen vast dat bepaalde paragrafen van het advies van de Raad van State omtrent het voorontwerp van wet (blz. 129 en 130), enkel in het Frans beschikbaar zijn. Mevrouw Leen Dierick (CD&V) onderstreept het belang van de voorliggende tekst. Het onderwerp ligt mevrouw Dierick zeer na aan het hart, getuige daarvan ook het wetsvoorstel DOC 55 0693/01 dat zij ter zake heeft ingediend. In deze materie is het belangrijk een evenwicht na te streven tussen de bescherming van de consument en de positie van de detailhandelaar. Het wetsvoorstel wijkt op verschillende punten af van het wetsontwerp. Zo stelt mevrouw Dierick voor de termijn voor de omkering van de bewijslast te bepalen op één jaar, wat korter is dan in het wetsontwerp, maar anderzijds in de mogelijkheid te voorzien om voor bepaalde goederen een langere garantietermijn vast te leggen. Niettemin kan het lid zich scharen achter de keuzes die gemaakt werden in het wetsontwerp. De hoorzitting van 12 januari 2022 is erg nuttig gebleken. Naar aanleiding daarvan heeft mevrouw Dierick nog enkele vragen. De eerste vraag betreft de positie van de eindverkoper. In het wetsvoorstel wordt het recht op verhaal van de eindverkoper verankerd en versterkt. Het is immers de eindverkoper tot wie de consument, wiens positie terecht wordt verstevigd, zich doorgaans zal richten. Als het defect te wijten is aan een productiefout, moet de eindverkoper verhaal kunnen halen bij de fabrikant. Het wetsontwerp bevat hieromtrent geen bepalingen Nochtans worden in het regeerakkoord maatregelen aangekondigd “opdat de eindverkoper (detailhandelaar) een daadwerkelijk en doeltreffend verhaalrecht zou krijgen ten aanzien van de producent bij de toepassing van de wettelijke garantieregeling”. Wanneer zal de regering hieromtrent met een initiatief komen? Zal er een apart wetsontwerp worden ingediend of moet deze kwestie in de eerste plaats op Europees niveau worden aangepakt? Daarnaast zou mevrouw Dierick graag vernemen hoe tegemoet kan worden gekomen aan de bekommernis die werd geuit door de spreker namens Test Aankoop op de hoorzitting van 12 januari 2022, namelijk dat het wetsontwerp het mogelijk maakt dat de rechtsvordering van de consument verjaard zal zijn voor het einde van de garantietermijn. Wat ook aan bod kwam tijdens de hoorzitting was de problematiek van de refurbished goederen, namelijk gebruikte goederen waarin nieuwe componenten zijn verwerkt. Hoe zullen die gecatalogeerd worden voor de toepassing van de nieuwe regels? De vraag is belangrijk, nu nieuwe en tweedehandsgoederen onderworpen zijn aan verschillende garantietermijnen (respectievelijk twee jaar en minimum één jaar). ‘Ten slotte is mevrouw Dierick het eens met mevrouw Van Bossuyt dat het aparte wetsontwerp inzake de verkoop van levende dieren er, ter wille van de duidelijkheid, het best zo snel mogelijk komt. Wanneer mogen de commissieleden dat wetsontwerp verwachten? De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) is verheugd over het onderhavige debat, dat het mogelijk maakt enkele belangrijke kwesties te belichten, namelijk de duurzaamheid van producten en de strijd tegen geplande veroudering. Het biedt de gelegenheid om na te denken over onze manier van consumeren, en dus ook over onze manier van produceren. Het s immers de productie die onze consumptie bepaalt, en niet omgekeerd. Alte vaak hoort de heer D'Amico collega-parlementsleden appelleren aan de individuele verantwoordelijkheid van de consument om de productie te doen veranderen. Zij draaien de zaken echter om, onder impuls van neoliberale ideologen en de publicitaire propaganda waarmee wij sinds de jaren ‘80 worden bestookt. Vandaag beseft een aanzienlijk deel van de bevol king dat een radicale omslag noodzakelijk is, als we de aarde willen behoeden voor de ergste gevolgen van de Klimaatverandering. Zulke omslag veronderstelt andere productievormen. Volgens de PVDA-PTB-fractie is de wettelijke garantie een uitstekende manier om ondernemingen ertoe te dwingen duurzamere goederen te produceren. Zij ondersteunt dan ook dit initiatief van de Europese wetgever. De garantietermijn van twee jaar werd echter reeds ingevoerd in 1999, met de voorganger van richtlijn (EU) 2019/77. De Europese wetgeving voorziet op dit punt in minimale harmonisatie. Is de tid niet rijp om een langere garantietermijn te overwegen, teneinde de productie te verduurzamen? De vertegenwoordiger van Test Aankoop brak tijdens de hoorzitting een lans voor een veralgemeende garantietermijn van drie jaar en zelfs langer voor grote elektronische toestellen. Zulke ideeën werden reeds tijdens de vorige regeerperiode geopperd. Prof. Evelyne ‘Terryn had het tijdens de hoorzitting in dit verband over een gemiste kans uit het oogpunt van de duurzaamheid. Op 17 december 2021 keurde de Ministerraad het federaal actieplan voor een circulaire economie goed. In zijn beleidsnota (DOC 55 2294/005) geeft de viceeersteminister aan dat de overgang naar een circulaire economie een noodzaak is. Het komt er volgens de heer D'Amico nu op aan die noodzaak concreet gestalte te geven en deze omzetting met betrekking tot de wettelijke garantie te baat te nemen, zodat duurzamere goederen worden vervaardigd. Dienovereenkomstig zal de heer D'Amico een amendement op artikel 5 indienen dat beoogt de wettelijke garantietermijn voor fysieke goederen te verlengen tot drie jaar, een garantietermijn die overigens vandaag al geldt in Zweden.
B. Antwoorden van de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, beantwoordt eerst de vragen van mevrouw Van Bossuyt. Haar belangrijkste opmerking betrof de verlenging van de termijn voor de omkering van de bewijslast van zes maanden naar twee jaar. Volgens mevrouw Van Bossuyt wordt hier aan goldplating gedaan en zal deze verlenging extra administratieve lasten voor verkopers veroorzaken. Zij diende een amendement in op artikel 5 om de termijn gedurende dewelke de bewijslast wordt omgekeerd, vast te leggen op één jaar. De uitbreiding van de omkering van de bewijslast tot twee jaar is volgens de vice-eersteminister van essentieel belang. De garantietermijn wordt opgewaardeerd dankzij dat vermoeden. Zonder dat vermoeden wordt het voor de consument knap lastig, en in de meeste gevallen zelfs onmogelijk, om de garantie in te roepen. Doorgaans beschikt een consument niet over de technologische kennis, noch over de nodige middelen en moet hij een beroep doen op een expert, die vaak te veel kost. Thans betekent dat in de praktijk dat een consument na zes maanden niet langer zijn rechten kan doen gelden, terwijl hij in feite over een wettelijke garantie van twee jaar beschikt. Dat zet heel wat consumenten op het verkeerde been, aangezien zij ten onrechte menen dat zij het goed probleemloos naar de verkoper kunnen terugbrengen gedurende twee jaar, in het geval een conformiteitsgebrek aan het licht komt. Als alternatief voor een verlenging van de garantietermijn voor bepaalde goederen tot meer dan twee jaar, achtte de regering het verkieslijk de termijn van de omkering van de bewijslast af te stemmen op de garantietermijn, en de eerste termijn dus te verlengen. De termijn van twee jaar voor de omkering van de bewijslast zal wellicht de consumentenbescherming ten goede komen, aangezien de huidige garantietermijn gedurende twee jaar volledig van kracht blijft. Dankzij deze bepaling kan de effectieve wettelijke garantietermijn derhalve worden verlengd van zes maanden naar twee jaar. Mevrouw Van Bossuyt diende voorts een amendement in op artikel 8, ertoe strekkende de ondernemingen de mogelijkheid te bieden in b2c-relaties met een standaardinformatieformulier voor commerciële garanties te werken. Dit amendement beoogt louter de mogelijkheid te bieden een standaardformulier te gebruiken, maar zulks niet op te leggen. Het is een interessante denkpiste, maar aangezien het geen verplichting betreft, acht de vice-eersteminister het weinig zinvol zulks in het wetsontwerp op te nemen Voorts wijst de vice-eersteminister op een knelpunt de commerciële garanties worden niet louter door de eindverkopers, maar veelal door de fabrikanten verstrekt. Daardoor hebben de eindverkopers vaak geen invloed op de voorlichting inzake de commerciële garantie. Desondanks is hij van oordeel dat zulks in de toekomst nader kan worden bekeken, in samenwerking met de vertegenwoordigers van de verkopers en van de consumenten (bijvoorbeeld nadat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven advies heeft uitgebracht). Het lijkt immers nuttig zulks beter te regelen in een buitenwettelijk kader. Daarnaast stelde mevrouw Van Bossuyt voor de inwerkingtreding van het wetsontwerp uit te stellen tot 1 juni 2022, om de retroactieve toepassing te voorkomen en om ondernemingen in staat te stellen de nodige voorbereidingen te treffen. Zij diende daartoe amendementen in op de artikelen 23, 25 en 26. ‘Ook namens de meerderheid werden amendementen op die artikelen ingediend, die ertoe strekken de inwerkingtreding op 15 mei 2022 te bepalen. Er werd voor die datum gekozen omdat een termijn van ongeveer drie maanden tussen de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad en de inwerkingtreding ervan redelijk lijkt om de ondernemingen in staat te stellen de informatie op hun website, hun algemene voorwaarden, hun interne procedures, de overeenkomsten met derden enzovoort aan te passen. Ook de FOD Economie zal de informatie op zijn website moeten aanpassen, en de consumenten moeten worden geïnformeerd. De vice-eersteminister is van oordeel dat met de inwerkingtreding op 15 mei 2022 in een redelijke termijn zou worden voorzien. ‘Tot slot stelde mevrouw Van Bossuyt voor om, middels, een amendement, het begrip “handelaar” in artikel 11 van het wetsontwerp te vervangen door het begrip “onderne ming”. De vice-eersteminister wil het begrip “handelaar” behouden, aangezien dat wordt gebruikt in de richtlijn en in het Europees recht. De definitie van “handelaar” in het Europees recht is ruimer dan die van ‘ondememing” in het Belgisch recht. De vice-eersteminister verwijst in dat verband naar het arrest betreffende BKK Mobil Oil van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-59/12, ECLI:EU:C:2013:634). Zo wordt een met een opdracht van algemeen belang belaste publiekrechtelijke instel ling aangemerkt als een “handelaar”. In een aantal rechtsleerartikels wordt overigens bepleit het begrip “ondereming” in Boek VI van het Wetboek van economisch recht te vervangen door het begrip “handelaar”. Wat de definitie van “verkoper” betreft, hanteert de richtlijn het begrip “seller” om de verkoopovereenkomst te kwalificeren, in tegenstelling tot de levering van digitale inhoud of van een digitale dienst, waarbij verschillende kwalificaties mogelijk zijn. Bovendien is het begrip ‘verkoper” bekend, omdat het sinds 2004 wordt gehanteerd in het Belgisch recht. Tot slot moet ook op de afstemming in het Burgerlijk Wetboek worden toegezien. Met het oog op de samenhang mag het begrip “onderneming” derhalve niet worden gebruikt in de artikelen 1649bis en volgende. De heer Gilissen heeft heel wat vragen gesteld over artikel 11 van het wetsontwerp, met name wat de verwerking van persoonsgegevens betreft. Hij wilde onder meer weten hoe het recht op schrapping van persoonsgegevens gewaarborgd zou worden en welke controle daarop zou bestaan. richtlijn (EU) 2019/770 is niet alleen van toepassing wanneer aan de consument digitale inhoud of een digitale dienst wordt geleverd tegen betaling van een prijs, maar ook als de “prijs” persoonsgegevens zijn. In dat verband bepaalt artikel 3, 8., tweede lid, van de richtlijn: “Meer bepaald doet deze richtlijn geen afbreuk aan Verordening (EU) 2016/679 en richtlijn 2002/58/EG. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens, prevaleert het Unierecht”. Zodoende wordt het recht op verwijdering van persoonsgegevens door de AVG geregeld De heer Gilissen gaf voorts aan dat de consument, behoudens technische onmogelijkheid, steeds het recht zou moeten hebben persoonlijke gegevens en inhoud te doen verwijderen. Hij diende een amendement in teneinde de bepalingen onder 1° en 2° van het ontworpen artikel 1701/13, S 3, weg te laten. De vice-eersteminister geeft aan dat artikel 16, 3, van richtlijn (EU) 2019/770 let terlijk werd overgenomen. Die bepaling moet worden gelezen in samenhang met het bepaalde onder 4. van datzelfde artikel: “Behalve in de in lid 3, punt a), b) en ©), genoemde situaties maakt de handelaar op verzoek van de consument alle andere inhoud dan persoonsgegevens beschikbaar die was verstrekt of gecreëerd door geleverde digitale inhoud of digitale dienst”. Zodoende betreft het “andere inhoud dan persoonsgegevens”, en geen “persoonsgegevens”. Het tweede lid van het bepaalde onder 4. luidt: “De consument heeft het recht die digitale inhoud kosteloos, binnen een redelijke termijn, en in een gangbaar en machinaal leesbaar gegevensformaat op te vragen, zonder belemmeringen van de kant van de handelaar”. De heer Gilissen vroeg daarnaast om verduidelijking omtrent de uitsluiting van kansspeldiensten van het toepassingsgebied van de nieuwe titel Vlbis.
Artikel 3, 5d), van richtlijn (EU) 2019/770 sluit kansspeldiensten van haar werkingssfeer uit, evenals een reeks andere diensten in bepaalde sectoren. De Europese Commissie, zoals ook de meeste lidstaten, volgt in dezen de redenering dat die specifieke sectoren al grotendeels aan specifieke regelgevingen onderworpen zijn. Met betrekking tot de vragen van de heer Gilissen over de berekeningswijze van de verminderde terugbetaling bij ontbinding van de overeenkomst of vermindering van de prijs, alsook over het bestaan van een recht op schadevergoeding, verwijst de vice-eersteminister naar de toelichting bij artikel 6 (DOC 55 2355/001, blz. 38): “Artikel 16 van richtlijn (EU) 2019/771 stelt in de eerste plaats dat de verkoper bij ontbinding de ganse aankoopprijs dient terug te betalen aan de consument. Er kan hiervan worden afgeweken volgens de overwegingen 59 en 60 van deze richtlijn en artikel 16, lid 3, laatste zin, waarbij België voorziet in de mogelijkheid waarbij elke terugbetaling aan de consument kan worden verminderd teneinde rekening te houden met het gebruik dat de consument van het goed heeft gehad sedert het hem is afgeleverd (zoals dit in onze huidige wetgeving het geval is) Het gaat hier enkel om een mogelijkheid voor de verkoper om uitzonderlijk af te wijken van de normaliter algemene regel om een volledige terugbetaling van de aankoopprijs te moeten doen, waarbij dit dan ook heel strikt dient te worden geïnterpreteerd. Enkel het zorgeloos conform gebruik dat een consument van het goed heeft gehad kan in rekening worden gebracht, niet de periode na vaststelling van een gebrek”. Er is geen berekeningsmethode voor conform gebruik, aangezien met één enkele berekeningsmethode niet kan worden tegemoetgekomen aan de zeer grote verscheidenheid aan goederen en dus van het uiteenlopende gebruik ervan. Ingeval van misbruik vanwege de verkoper kan de consument dus altijd verhaal halen bij de rechter, die dan rekening zal houden met de concrete omstandigheden van het individuele geval. Het recht op schadevergoeding blijft bestaan zoals voorheen (in dezelfde bepaling) en wordt geregeld door de toepasselijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1149 en volgende), naargelang van het geval, zoals, die welke gelden voor elk recht op schadevergoeding waarover iemand kan beschikken. ‘Aangaande de vragen en het amendement van de heer Gilissen over de kennisgevingsverplichting binnen twee maanden als bedoeld in artikel 5, 4°, van het wetsontwerp, merkt de vice-eersteminister op dat de consument en de verkoper thans in een kennisgevingstermijn kunnen voorzien en dat die, in voorkomend geval, niet korter mag zijn dan twee maanden vanaf de vaststelling van het gebrek. Het wetsontwerp hanteert standaard een termijn van twee maanden (waarbij de partijen desgewenst een langere termijn kunnen overeenkomen). Zulks schept rechtszekerheid voor zowel de verbruiker als de verkoper. Dankzij de termijn van twee maanden kan verergering van de schade worden voorkomen en kan de goede trouw van de consument worden aangetoond. De kennisgeving stelt de consument in staat zijn rechten te doen gelden en maakt duidelijk dat de consument jegens de verkoper stappen heeft ondernomen. Op zich heeft de kennisgeving geen invloed op de verjaringstermijn, die ingaat op de dag dat het gebrek vastgesteld wordt. Dat neemt niet weg dat de kennisgeving het voordeel heeft dat zij kan dienen als bewijs in rechte; aan de hand ervan kunnen immers de datum van het gebrek en de aanvang van de verjaringstermijn worden uitgeklaard. Volgens de viceeersteminister zou het de rechtszekerheid schaden mocht die kennisgevingstermijn afgeschaft worden. Het door mevrouw Dierick en de heer Gilissen aangekaarte recht van verhaal van de verkoper tegen de fabrikant werd door de regering besproken. Deze regeling is zo complex dat men het erover eens was dat zij het voorwerp is van specifieke wetgeving, die breder dan de wettelijke-garantieregeling dient te worden benaderd. Deze regeling betreft de B2B-relaties, terwijl het bij de wettelijke-garantieregeling om B2C-relaties gaat. Een van de grootste knelpunten van deze regeling is dat verkopers en fabrikanten veelal niet in hetzelfde land gevestigd zijn; vaak is de fabrikant gevestigd in het buitenland, wat de zaken sterk bemoellijkt. Een regulering op Europees niveau zou dan ook dienstiger zijn. Niettemin zal de regering nagaan of er ook op federaal niveau actie kan worden ondernomen. Met betrekking tot de vraag van mevrouw Dierick en de heer Gilissen over de verhouding tussen de verjarings- en de garantietermijn, legt de vice-eersteminister uit dat het huidige artikel 1649quater, 5 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, in overeenstemming met richtlijn 1999/44/ EG, voorziet in een verjaringstermijn van één jaar vanaf de dag waarop het gebrek wordt vastgesteld door de consument, zonder dat die termijn voor het einde van de tweejarige garantietermijn mag verstrijken. In richtlijn (EU) 2019/771, en ook in het wetsontwerp, wordt die laatste zinsnede niet hernomen. Er moet worden gewaarborgd dat de verjaringstermijn geen afbreuk doet aan het recht van de consumenten om hun remedies toe te passen voor een conformiteitsgebrek dat duidelijk wordt tijdens de periode waarin de verkoper aansprakelijk is voor een conformiteitsgebrek. Bijgevolg wordt voorzien in een verjaringstermijn van een jaar vanaf de dag van de vaststelling van het gebrek door de consument, hetgeen de consument in staat stelt de voorziene remedies uit te oefenen wanneer een gebrek aan het licht komt tijdens de garantieperiode. Het is immers zaak in een eenvormige verjaringstermijn te voorzien voor alle koopovereenkomsten voor goederen, waaronder de goederen met digitale elementen, wanneer de overeenkomst betrekking heeft op de continue levering gedurende een bepaalde periode Wat die laatste goederen betreft, aangezien de garantieperiode even lang duurt als de overeenkomst, kon de actuele regeling niet worden aangehouden (zonder dat de termijn vóór het einde van de garantietermijn van twee jaar mag verstrijken), op gevaar af van een verjaring zonder “einde”, in het bijzonder wanneer de leveringsperiode onzeker is. Daarom werd geopteerd voor een termijn van maximaal één jaar, hetgeen de consument de nodige tijd laat om de bij de richtlijn bepaalde remedies te kunnen uitoefenen en de wettelijke garantie te laten spelen. Die termijn vangt aan bij de vaststelling van het gebrek, ongeacht of dit één of 23 maanden na aankoop is Mevrouw Dierick wilde weten aan welke garantieregeling refurbished goederen zullen onderworpen zijn. De vice-eersteminister merkt op dat achter termen als “gerefurbisht” en “gereconditioneerd” (opnieuw in verkoopbare staat gebracht) in werkelijkheid van alles schuil kan gaan. Om de betekenis ervan duidelijk te maken, zou voor elk product moeten worden uitgemaakt hoeveel onderdelen ervan vervangen moeten zijn om niet langer van een tweedehandsgoed te spreken. Dat zou een zeer ingewikkeld en omslachtig proces zijn. Een en ander zou pas echt doeltreffend zijn als er op Europees niveau een gemeenschappelijke definitie en regeling komt, maar die ontbreekt vooralsnog. Derhalve werd ervoor gekozen “gereconditioneerde goederen” niet te definiëren en er geen aparte wettelijke regeling voor te bepalen. Gereconditioneerde goederen zullen dus als tweedehandsgoederen worden beschouwd, tenzij de partijen onderling overeenkomen dat het om een nieuw goed gaat. De heer D'Amico vraagt zich af waarom de regering de omzetting van de Garantierichtlijnen niet te baat neemt om een langere wettelijke garantietermijn vast te leggen. Dit zou zorgen voor een duurzamer economisch, model, waarin de consument bovendien beter beschermd is. De vice-eersteminister geeft aan het voorliggende wetsontwerp wel degelijk tegemoetkomt aan laatstgenoemde bekommeringen. Hij legt uit dat het binnen de regering zaak was een evenwicht te vinden tussen twee verschillende visies op de garantietermijn. Om tot een compromis te komen, dienden dus toegevingen te worden gedaan ofwel inzake de duur van de garantietermijn, ofwel inzake de termijn voor de omkering van de bewijslast. Het binnen de regering bereikte compromis, is het meest coherent en biedt de beste bescherming, aangezien het voor consumenten uitermate moeilijk is te bewijzen dat de producent of de verkoper verantwoordelijk is voor het niet of slecht werken van een product. Voor consumenten zou het bijgevolg heel lastig zijn om de garantie ook na die termijn te doen gelden. Daarom is het beter ervoor te zorgen dat de consumenten hun rechten zo lang mogelijk kunnen doen gelden, dankzij een verlenging van de termijn voor de omkering van de bewijslast. De vice-eersteminister benadrukt dat er ook de commerciële-garantieregeling is, die voor goederen met een langere levensduur langer kan zijn. Voorts is er de regeling inzake verborgen gebreken voor de conformiteitsgebreken die pas na afloop van de wettelijke garantie aan het licht komen. Beide regelingen blijven wel degelijk overeind. Bovendien wijst een bijkomend impactonderzoek van de Europese Commissie uit dat de wettelijke garantietermijn van twee jaar inderdaad een zeer groot deel van de door de consument vastgestelde gebreken zou dekken; in 96 % van de recente probleemgevallen van defecte goederen hebben de consumenten het gebrek immers vastgesteld binnen twee jaar na de aankoop.
C. Replieken en bijkomende antwoorden
Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) blijft van mening verschillen met de vice-eersteminister inzake de termijn voor de omkering van de bewijslast. De viceeersteminister zegt dat de verviervoudiging van die termijn de consument ten goede zal komen, maar de reeds, aangehaalde cijfers van de Consumentenombudsdienst tonen aan dat ook de verdubbeling van de huidige termijn tot één jaar voor heel veel consumenten al een grote stap voorwaarts zou betekenen. Inzake het standaardformulier voor de commerciële garantie merkte de vice-eersteminister terecht op dat het amendement van de N-VA het gebruik daarvan niet verplicht stelt. Dat is een bewuste keuze. Wel is, het belangrijk dat de optie bestaat. Daarover waren de genodigde sprekers op de hoorzitting van 12 januari 2022 het eens. De vice-eersteminister wil de idee wel bestuderen en daarover eventueel het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven inwinnen. Mevrouw Van Bossuyt vindt dit een gemiste kans. De omzetting van de Garantierichtljnen vormt de gelegenheid bij uitstek ‘om deze mogelijkheid op te nemen in de wetgeving. Dit zou zowel de consumenten als de ondernemingen ten goede komen. Het is een goede zaak dat het wetsontwerp niet retroactief zal in werking treden. Wel vindt het id het opmerkelijk dat de meerderheid, kort na de amendementen van de N-VA die de inwerkingtreding beogen uit te stellen tot 1 juni 2022, eigen amendementen indient die de datum van inwerkingtreding vastleggen op 15 mei 2022. Alles wijst erop dat de meerderheid met die amendementen op de proppen kwam om toch maar geen amendementen van de oppositie te moeten steunen. Met betrekking tot de term “handelaar” blijft mevrouw Van Bossuyt het vreemd vinden dat wordt teruggegrepen naar een begrip dat drie jaar geleden uit het ondernemingsrecht werd geschrapt. De in Europese richtlijnen gebezigde terminologie moet niet altijd per se worden gekopieerd. Overigens wordt in het Burgerlijk Wetboek de term “verkoper” gebruikt, en niet de term “handelaar”, zoals de vice-eersteminister aangaf. De keuze van de regering zal tot onduidelijkheid leiden en de coherentie van het ondernemingsrecht ondermijnen. De heer Erik Gilissen (VB) herhaalt dat een kennisgevingsverplichting binnen de duur van de garantietermijn de voorkeur van zijn fractie wegdraagt. De heer Gilissen leidt uit de tekst van het ontworpen artikel 1701/13, paragraaf 3, af dat, als de inhoud geen nut heeft buiten de context van de door de handelaar geleverde digitale inhoud of digitale dienst, of wanneer die enkel verband houdt met de activiteit van de consument bij het gebruik van de door de handelaar geleverde digitale inhoud of digitale dienst, de handelaar die inhoud mag gebruiken. Hij zal het desbetreffende amendement ter stemming voorleggen. ‘Tot slot schaart de heer Gilissen zich achter de opmerking van mevrouw Van Bossuyt aangaande de amendementen betreffende de inwerkingtreding. De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) komt terug op de door zijn fractie gewenste verlenging van de wettelijke garantietermijn tot drie jaar. Zulke termijn is van kracht in Zweden, een lidstaat van de EU. De heer Kris, Peeters, toenmalig minister van Economie, verklaarde zich in 2018 voorstander van dergelijke verlenging. Als, de CD&V, de socialisten en de ecologisten het amende ment van de heer D'Amico steunen, zal het goedgekeurd geraken. Dat zou een mooie stap in de richting van de circulaire economie betekenen. De vice-eersteminister stelt dat, wat de inwerkingtreding betreft, er inderdaad weinig verschil is tussen de data van 1 juni en 15 mei 2022. Die laatste datum was vooraf besproken en gevalideerd binnen de regering. Een inwerkingtreding op de eerste dag van de maand is echter wellicht verkieslijk. De heer Patrick Prévot (PS) trekt daarop de amendementen nrs. 7 tot 9 (DOC 55 2355/003) in.
IV. - ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen Artikel 1 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
Art. 2 Artikel 2 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 3 Dit artikel behelst de omzetting van de artikelen 2 en 3 van richtlijn (EU) 2019/771 en wijzigt bijgevolg artikel 1649bis van het oud Burgerlijk Wetboek, teneinde het toepassingsgebied ervan aan te passen overeenkomstig de richtlijn, en de daarin gehanteerde concepten te definiëren. Mevrouw Anneleen Van Bossuyt c.s. dient amendement nr. 1 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 1649bis, in paragraaf 1, de bepaling onder 14° weg te laten. Er wordt verwezen naar de algemene bespreking en naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Amendement nr. 1 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.
Artikel 3 wordt eenparig aangenomen.
Art. 4 Artikel 4 wordt eenparig aangenomen.
Art.5 Dit artikel strekt ertoe enkele wijzigingen aan te brengen in artikel 1649quater van het oud Burgerlijk Wetboek. De bepaling onder 4° strekt tot vervanging van arti kel 1649quater, 8 2, terwijl de bepaling onder 6° de wijziging beoogt van artikel 1649quater, $ 4, door de termijn voor de omkering van de bewijslast op te trekken van zes maanden naar twee jaar. De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) dient amendement nr. 12 (DOC 55 2355/004) in, dat ertoe strekt vóór de bepaling onder 1,° een bepaling onder 0° in te voegen, luidende: “0“inS 1, eerste lid, wordt het woord “twee” vervangen door het woord “drie”; De heer Erik Gilissen (VB) dient amendement nr. 10 (DOC 55 2355/03) in, dat ertoe strekt in de bepaling onder 4°, de ontworpen paragraaf 2 te vervangen door wat volgt: “$ 2. De consument moet de verkoper op de hoogte brengen binnen de garantietermijn. De verkoper en de consument kunnen een langere termijn overeenkomen.” Mevrouw Anneleen Van Bossuyt c.s. dient amendement nr. 2 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt de bepaling onder 6° te vervangen door wat volgt: “6° in paragraaf 4 worden de woorden “zes maanden” vervangen door de woorden “één jaar”;”. Amendement nr. 12 wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1 Amendement nr. 10 wordt verworpen met 14 tegen 2 stemmen. Amendement nr. 2 wordt verworpen met 13 tegen 3 stemmen.
Artikel 5 wordt aangenomen met 11 tegen 3 stemmen en 2 onthoudingen.
Art. 6 Artikel 6 wordt eenparig aangenomen.
Art.7 Artikel 7 wordt aangenomen met 14 stemmen Art. 8 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 1649septies van het oud Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op de commerciële garantie zoals gedefinieerd door het ontworpen artikel 1649bis, $ 1, 11° (artikel 3 van het wetsontwerp). ment nr. 3 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 1649septies, paragraaf 2 te vervangen door wat volgt. “$ 2. Het commerciële garantiebewijs kan aan de consument worden verstrekt via een standaardformulier dat voldoet aan de verplichtingen bedoeld in het tweede lid. Het standaardformulier wordt nader omschreven door de Koning en is in overeenstemming met de richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2304 en richtijn 2009/22/EG, en tot intrekking van richtlijn 1999/44/EG. Hoe dan ook wordt het commerciële garantiebewijs verstrekt op een duurzame gegevensdrager, uiterlijk op het tijdstip van de levering van het consumptiegoed. Het commerciële garantiebewijs wordt in duidelijke en begrijpelijke taal opgesteld en in een taal die de consument begrijpt. Het commerciële garantiebewijs bevat: 1° een duidelijke verklaring dat de consument bij wet recht heeft op kosteloze remedies van de verkoper in geval van een conformiteitsgebrek van het consumptiegoed en dat die remedies niet worden aangetast door de commerciële garantie; 2° de naam en het adres van de garant; 3° de procedure die de consument moet volgen om de uitvoering van de commerciële garantie te verkrijgen; 4° de aanduiding van het onder de commerciële garantie vallende consumptiegoed, en 5° de commerciële garantievoorwaarden”” Amendement nr. 3 wordt verworpen met 10 tegen 6 stemmen.
Artikel 8 wordt eenparig aangenomen.
Art. 9 en 10 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 9 en 10 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 11 Dit artikel behelst de omzetting van richtlijn (EU) 2019/770 en de invoeging van een nieuwe Titel Vbis in Boek Il (“Wijze van eigendomsverkrijging”) van het oud Burgerlijk Wetboek, met als opschrift “Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten”. ment nr. 13 (DOC 55 2355/05) in, dat ertoe strekt de volgende wijzigingen aan te brengen: 1° in het ontworpen artikel 1701/1, de bepaling onder 5° vervangen door wat volgt: *5° “onderneming”: onderneming gedefinieerd in artikel 11. 1°, van het Wetboek van economisch recht”; 2° in de ontworpen artikelen 1701/1 tot 1701/19, het woord “handelaar” telkens vervangen door het woord “onderneming”. De heer Erik Gilissen (VB) dient amendement nr. 11 (DOC 55 2355/003) in, dat ertoe strekt in het ontworpen artikel 1701/13, $ 3, de bepalingen onder 1° en 2° weg te laten. Amendement nr. 13 wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 11 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 11 wordt aangenomen met 14 stemmen
HOOFDSTUK 3
Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek Art. 12 ‘Artikel 12 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht Art. 13 tot 21 De artikelen 13 tot 21 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 5
Opheffingsbepalingen Art. 22 Artikel 22 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 6
Overgangsbepalingen Art. 23 Dit artikel beoogt te voorzien in een overgangsbepaling voor contracten voor de verkoop van levende dieren. dement nr. 4 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt de woorden “1 januari 2022” te vervangen door de woorden “1 juni 2022”. De heer Patrick Prévot c.s. dient amendement nr. 7 (DOC 55 2355/003) in, dat ertoe strekt de woorden “1 januari 2022” te vervangen door de woorden “15 mei 2022”. Dit amendement wordt vervolgens ingetrokken. Amendement nr. 7 wordt ingetrokken. Amendement nr. 4 en het aldus gewijzigde artikel 23 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 24 Artikel 24 wordt eenparig aangenomen.
Art. 25 Dit artikel beoogt te voorzien in de omzetting van artikel 24, id 2, van richtlijn (EU) 2019/770. dement nr. 5 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt de De heer Patrick Prévot c.s. dient amendement nr. 8 (DOC 55 2355/003) in, dat ertoe strekt de woorden “1 ja nuari 2022” te vervangen door de woorden “15 mei 2022". Dit amendement wordt vervolgens ingetrokken. Amendement nr. 8 wordt ingetrokken. Amendement nr. 5 en het aldus gewijzigde artikel 25 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 7
Inwerkingtreding Art. 26 Dit artikel strekt tot regeling van de inwerkingtreding van de wet. dement nr. 6 (DOC 55 2355/002) in, dat ertoe strekt de De heer Patrick Prévot c.s. dient amendement nr. 9 Amendement nr. 9 wordt ingetrokken. Amendement nr. 6 en het aldus gewijzigde arti kel 26 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. ‘Op verzoek van mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) beslist de commissie, met toepassing van artikel 83.1 van het Reglement, over te gaan tot een tweede lezing. Zij wenst daartoe te beschikken over een wetgevingstechnische nota van de Juridische Dienst. De rapportrice, De voorzitter, Anneleen VANBOSSUYT _ Stefaan VAN HECKE BIJLAGE
VERSLAG VAN DE HOORZITTING
De heer Stefaan Van Hecke, voorzitter, geeft lezing van artikel 28, 2, van het Kamerreglement' en nodigt de sprekers uit hun uiteenzetting aan te vangen met het beantwoorden van de in deze bepaling opgenomen vragen. De sprekers beantwoorden beide vragen ontkennend.
A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Sophie Heuskin, adviseur economie, UCM Mevrouw Sophie Heuskin (UCM) geeft vooreerst aan dat haar organisatie meermaals over de omzetting van de beide richtlijnen geraadpleegd werd via de adviesinstanties (HRZKMO 2019 en 2021 - CRB verbruik 2019 en 2021), alsook rechtstreeks via de ministeriële kabinetten, meer bepaald over het voorge stelde compromis. Zij voegt er nog aan toe dat de in dit wetsontwerp vervatte krachtlijnen het resultaat zijn van dat compromis. Volgens haar zijn er dus zowel positieve als negatieve punten. Zij herinnert eraan dat de UCM aanbeveelt de volgende doelstellingen na te streven:
- streven naar een evenwicht tussen het scheppen van gunstige voorwaarden voor ondernemerschap en voor een goede werking van de bedrijven en het verster ken van de bescherming van de consument. Hierbij mag de ene doelstelling niet ten koste gaan van de andere.
- goldplating (overregulering) voorkomen;
- de concurrentiepositie van België ten opzichte van de lidstaten handhaven.
- het is moelljk objectieve categorieën vast te stel len waaruit blijkt wat onder duurzame goederen moet worden verstaan;
- een langere garantietermijn dan de bestaande wettelijke garantie van twee jaar wordt nu al toegepast via de garantie voor verborgen gebreken;
- het verdient de voorkeur de ondernemingen zelf te laten kiezen of ze voor de verkochte producten een bijkomende commerciële garantie willen aanbieden;
- nieuwe onderlinge afwijkingen moeten worden voorkomen, want de looptijd valt doorgaans niet samen met de door de fabrikant verstrekte (commerciële) garantie (vaak beperkt tot twee jaar). De eindverkoper, die geen vat heeft op de kwaliteit of de duurzaamheid van een product, zou ten aanzien van de consument verantwoordelijk zijn voor een bijkomende periode van drie jaar, waarin hij geen verhaal kan halen bij de fabrikant;
- een verlenging van de termijn betekent ook meer kans op geschillen en administratieve rompslomp;
- in de overgrote meerderheid van de gevallen wordt 80 tot 90 % van de gebreken al binnen het jaar gemeld.
- een kleinhandelaar kunnen voor de verkoop van nieuwe goederen en van tweedehandsgoederen moeilijk identieke verplichtingen worden opgelegd.
- bovendien hebben consumenten ten aanzien van tweedehandsgoederen andere verwachtingen dan ten opzichte van nieuwe goederen. Een onderscheiden behandeling is dus objectief gerechtvaardigd;
- voorts zal de fabrieksgarantie haast altijd al verstreken zijn (of op het punt staan te verstrijken), waardoor de eindverkoper er dus geen beroep op zou kunnen doen;
- tevens zou een langere eenvormige garantie nadelig uitvallen voor de consument, aangezien de bijkomende kosten voor de bedrijven verrekend zouden worden in de verkoopprijs;
- bij aankoop van tweedehandsgoederen zal de consument met deze richtlijn beter worden beschermd, aangezien de termijn waarin omkering van de bewijslast voor het conformiteitsgebrek geldt, wordt verlengd van zes maanden tot één jaar, met ingang van de afgifte van het goed.
- opnieuw ontstaat een onbalans tussen de rechten en de verplichtingen van de partijen;
- in de grote meerderheid van de gevallen gemeld;
- deze keuze maakt het waarschijnlijker dat een gebrek tot uiting zal komen na verkeerd gebruik door de consument, wat voor de eindverkoper of de producent evenwel moeilijk te bewijzen zal zijn;
- er ontstaan extra administratieve lasten voor de handelaar, die zelf alle stappen zal moeten zetten om van zijn fabrikant de terugbetaling te verkrijgen van de kosten die ontstaan zijn omdat hij voor een product de garantie heeft ingeroepen;
- het is niet zeker dat de fabrikant/invoerder de eindverkoper zal willen terugbetalen en vergoeden;
- de aansprakelijkheid voor een conformiteitsgebrek moet ten laste vallen van de fabrikant/invoerder en niet van de eindverkoper.
- veel handelaars slagen er niet in bij de fabrikant of invoerder de terugbetaling van de garantie te verkrijgen.
- de facto draagt alleen de eindverkoper alle verantwoordelijkheid;
- hoewel in het regeerakkoord staat dat “maatregelen
- in de adviezen van de HRZKMO werden nochtans denksporen aangereikt om de verhaalmogelijkheden te verbeteren, met name aangaande de levering van reserveonderdelen, de beschikbaarheid van vervangtoestellen, de verbetering van de fabrieksgarantie en de terugvordering van kosten
B. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Lynn Jonckheere, juridisch adviseur, UNIZO Mevrouw Lynn Jonckheere (UNIZO) bespreekt eerst de belangrijkste aspecten van het wetsontwerp en gaat vervolgens in op enkele elementen (rechtstreekse vordering en verhaalsrecht) uit het toegevoegde wetsvoorstel UNIZO ziet in het wetsontwerp goede en minder goede punten. Positief is het behoud van de tweejarige garantietermijn, alsook van de mogelijkheid om een garantietermijn van één jaar overeen te komen voor tweedehandsgoederen. Daarentegen betreurt UNIZO de verlenging van de omkering van de bewijslast tot twee jaar evenals het feit dat het verhaalsrecht onaangeroerd blijft
UNIZO
is tevreden dat de regering ervoor gekozen heeft een garantietermijn van twee jaar te behouden voor alle soorten consumptiegoederen. Het invoeren van een verlengde wettelijke garantietermijn voor bepaalde goederen zou om verschillende redenen onwenselijk zijn Eerst en vooral is de garantietermijn van twee jaar ingeburgerd en zorgt hij voor de nodige duidelijkheid. Daarnaast is het, zoals ook aangegeven in het advies van de Bijzondere raadgevende commissie Verbruik (BRC Verbruik) van 3 september 2019 (CRB 2019-1660), ‘onmogelijk om objectieve categorieën van duurzame en minder duurzame goederen te maken. De spreekster verwijst dienaangaande naar Nederland, waar de garantietermijn bepaald is op basis van de levensduur van het goed, maar waar er zowel bij ondernemingen als bij consumenten verwarring heerst omtrent de concrete duur van de garantie, hetgeen resulteert in vele geschillen. Volgens UNIZO is het eerder aangewezen om ondernemingen de keuze te laten om voor hun producten een bijkomende commerciële garantie aan te bieden. De spreekster wijst er voorts op dat richtlijn (EU) 2019/771 de onderneming verbiedt om een vergoeding te vragen voor het normale gebruik van de goederen, voorafgaand aan de vervanging onder de wettelijke garantie. Die bepaling kan enigszins verantwoord worden bij een garantietermijn van twee jaar, maar is onredelijk indien de garantietermijn langer is. Daarnaast geeft zij aan dat de consument in principe reeds over een langere garantie dan twee jaar beschikt, aangezien na afloop van deze periode het gemene recht inzake verborgen gebreken van toepassing is Volgens mevrouw Jonckheere moet er, wat de wettelijke garantietermijn betreft, zoveel mogelijk gestreefd worden naar maximale harmonisatie, teneinde een gelijk speelveld te creëren en de versnippering van regelgeving tussen de verschillende lidstaten te voorkomen. Ook 'gold-plating moet worden voorkomen. Vervolgens gaat de spreekster in op de omkering van de bewijslast. richtlijn (EU) 2019/771 voorziet in de verlenging van de omkering van de bewijslast van zes maanden naar minstens één jaar
UNIZO
meent dat de omkering van de bewijslast maximum één jaar mag bedragen. Met de in het wetsontwerp voorgestelde verlenging van de omkering van de bewijslast tot twee jaar, zou het noodzakelijke evenwicht tussen de onderneming en de consument volledig zoek zijn. Het is immers zo goed als onmogelijk voor de eindverkoper om te bewijzen dat het gebrek te wijten is aan een verkeerd gebruik door de consument. Bovendien vergroot de kans dat het goed door de consument aanzienlijk naarmate die consument het goed langer gebruikt. De spreekster haalt hierbij het voorbeeld aan van een consument die zijn wasmachine systematisch te vol laadt, waardoor die na verloop van tijd gebreken gaat vertonen. Zij verwijst ook naar het voorbeeld van een aannemer die een tegelvloer plaatst bij een consument; met de gebruikte producten en de plaatsing is niets mis, maar door een verkeerde behandeling door de consument gaat de vloer barsten vertonen. Voor de verkoper en de aannemer valt het verkeerd gebruik amper aan te tonen. Waar dit probleem nu gedurende zes maanden speelt, zou dit hen in de toekomst gedurende twee jaar parten spelen De spreekster benadrukt dat ook wat de omkering van de bewijslast betreft, versnippering van de regel geving in de EU en gold-plating voorkomen dienen te worden. Duitsland en Luxemburg, waar de omzetting reeds afgerond is, kozen voor een omkering van de bewijslast gedurende één jaar. Het ziet ernaar uit dat onze noorderburen dezelfde keuze zullen maken. Mevrouw Jonckheere wijst er daarnaast op dat de consument er met de Garantierichtlijnen sowieso al op vooruit gaat, met name doordat de termijn voor de omkering van de bewijslast verdubbelt van zes maanden naar één jaar. Die verlenging brengt onvermijdelijk reeds administratieve lasten en extra kosten mee voor de eindverkopers. De spreekster merkt ook op dat de uitbreiding van de omkering van de bewijslast naar twee jaar voor fysieke goederen voor gevolg zou hebben dat er voor deze goederen een andere termijn zou gelden dan voor overeenkomsten betreffende de levering van digitale in houd en diensten, waarvoor richtlijn (EU) 2019/770 geen beleidsmarge laat aan de lidstaten om de termijn van omkering van de bewijslast te verlengen. Wat de rechtstreekse vordering van de consument op de producent betreft, zoals bepaald in wetsvoorstel bieden van een service-na-verkoop een troef uitmaakt voor handelaars. De zelfstandigenorganisatie is dan ook eerder voorstander om te bepalen dat de eindverkoper het rechtstreekse aanspreekpunt blijft en dat de consument de producent kan aanspreken voor herstel en vervanging indien de eindverkoper in gebreke blijft. Het is voor consumenten evenwel eenvoudiger om de eindverkoper aan te spreken, eerder dan de producent die vaak in het buitenland gevestigd is. ‘Ten slotte gaat de spreekster in op het verhaalsrecht. De Garantierichtijn voorziet in een recht op verhaal van de eindverkoper op de in de transactieketen aansprakelijke persoon. De persoon jegens wie de eindverkoper verhaal kan nemen, de relevante rechtsvorderingen en de wijze van procederen worden overgelaten aan de lidstaten. Het verhaalsrecht, dat op dit moment onder de regeling van de verborgen gebreken valt, schiet echter tekort en kan maar zelden effectief worden uitgeoefend. Daarvoor zijn er verschillende redenen. Zo is de keten vaak internationaal, wat maakt dat de producent meestal in het buitenland is gevestigd. Ook bevindt de eindverkoper zich veelal in een ondergeschikte positie ten aanzien van de veel machtiger producenten. De versterking van het verhaalsrecht is één van de doelstellingen van het federaal regeerakkoord
UNIZO
geeft er, om de voormelde redenen, de voorkeur aan dat deze kwestie geregeld wordt op Europees niveau, doch ditis tot op heden nog niet gebeurd
UNIZO
verwelkomt dan ook het wetsvoorstel van mevrouw Dierick, waarbij de eindverkoper de mogelijkheid krijgt om de kosten die hij maakte om het goed te herstellen of te vervangen, terug te vorderen van de producent wanneer de eindverkoper wordt aangesproken door de consument op grond van de wettelijke garantie. Het komt de zelfstandigenorganisatie echter voor dat de voorgestelde regeling enkel een meerwaarde zou bieden indien, langs de zijde van de eindverkoper, het vermoeden geldt dat de nonconformiteit aanwezig was op het moment van levering.
C. Inleidende uiteenzetting van de heer Simon
November, woordvoerder, Test Aankoop ‘De heer Simon November (Test Aankoop) gaat eerst in op de ontworpen wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek inzake de consumentenkoop. De eerste versies van het voorontwerp die Test ‘Aankoop in het voorjaar van 2021 te zien kreeg, voorzagen in de mogelijkheid tot invoering van langere garantietermijnen voor bepaalde categorieën van producten. De consumentenorganisatie betreurt dat deze mogelijkheid, waarin door de Garantierichtijnen wordt voorzien, niet is, behouden in het voorliggende wetsontwerp. Nochtans zijn er landen in Europa, zoals Zweden en lerland, waar nu al een langere garantietermijn gangbaar is. In Nederland en Finland gebruikt men een termijn die gebaseerd is op de redelijkerwijze te verwachten levensduur van het goed. ‘Test Aankoop is van mening dat het noodzakelijk is de wettelijke garantietermijn te verlengen in een streven naar een duurzamere economie. Fabrikanten hebben nu geen incentive om producten te maken die lang meegaan. Voor hen is het economisch gezien interessanter als de consument sneller overgaat tot de aankoop van een nieuw product. Daarnaast zetten die fabrikanten volop in op nieuwe technologische ontwikkelingen en dan vooral op het met het internet connecteerbaar maken van toestellen. Dergelijke geconnecteerde toestellen blijken vaak fragieler. Producten met een lange levensduur zijn alleszins geen prioriteit. De overheid dient hier bij te sturen, aldus de heer November. Richtlijn (EU) 2019/771 voorziet in de mogelijkheid om de garantietermijnen te verlengen. Test Aankoop dringt erop aan deze mogelijkheid te benutten, toch zeker voor bepaalde categorieën van producten, die bij koninklijk besluit zouden kunnen worden bepaald. Het gaat dan ‘om duurdere producten waarvan men mag verwachten dat ze langer dan twee jaar zullen meegaan. De vorige spreeksters wezen erop dat de koper na het verstrijken van de garantietermijn nog een beroep kan doen op de regeling inzake de vrijwaring voor verborgen gebreken en als zodanig afdoende beschermd is. De heer November is het niet eens met deze stolling. Hij benadrukt dat de koper in dat geval moet aantonen dat het gebrek reeds in de klem aanwezig was op het moment van de eigendomsoverdracht. Dit bewijs valt zeer moeilijk te leveren. Eind 2016 lanceerde Test Aankoop de website Te Rap Kapof, waarop consumenten een melding kunnen plaatsen wanneer hun toestel sneller stuk ging dan verwacht. Daaruit kwam naar voren dat 40,6 % van de gemelde producten in de periode tussen twee jaar en vier jaar na aankoop stuk gaan. Het gaat dan ook over toestellen zoals wasmachines, vaatwassers en koelkasten, waarvan men toch een langere levensduur mag verwachten. De heer November betwist niet dat verkeerd gebruik door de consument in sommige gevallen een rol speelt. Anderzijds ziet hij niet goed in hoe zaken zoals een koelkast verkeerd gebruikt zouden kunnen worden. Wat de garantietermijn voor tweedehandsgoederen betreft, merkt de spreker op dat die in 14 landen twee jaar bedraagt. Test Aankoop juicht zulke garantietermijn toe: het stimuleert consumenten om te opteren voor tweedehandsgoederen, wat perfect aansluit bij de geldende duurzaamheidsdoelstellingen. De spreker erkent weliswaar dat een garantietermijn van twee jaar voor tweedehandsgoederen niet altijd evident is vanuit het standpunt van de verkoper. Toch vindt hij dat een dergelijke termijn in ieder geval zou moeten gelden voor refurbished producten, namelijk opnieuw samengestelde toestellen (bijvoorbeeld laptops of smartphones met een nieuwe batterij), die hoe langer hoe meer worden aangeboden. De termijn van twee maanden waarin de consument de verkoper op de hoogte dient te brengen van het conformiteitsgebrek, te rekenen vanaf de dag waarop de consument het gebrek heeft vastgesteld, is volgens de heer November redelijk te noemen. Het is echter een goede zaak dat het wetsontwerp, anders dan een eerdere tekstversie, in de mogelijkheid voorziet dat de verkoper en de consument een langere termijn overeenkomen. De rechtsvordering van de consument verjaart één jaar vanaf de dag waarop hij het gebrek aan overeenstem ming heeft vastgesteld. In het huidige artikel 1649quater, $ 3, van het oud Burgerlijk Wetboek wordt daaraan toegevoegd dat die termijn niet voor het einde van de tweejarige garantietermijn mag verstrijken. In het wetsontwerp wordt die toevoeging opgeheven. Test Aankoop betreurt deze opheffing. Die zal er namelijk toe leiden dat de vordering van de consument kan verjaren voor het einde van de garantietermijn. Zo zal de vordering van de consument die drie maanden na de levering van een goed een gebrek vaststelt, reeds verjaren 15 maanden na de levering. Een periode van een jaar iste kort, vindt Test Aankoop. Dienaangaande verwijst de heer November naar het in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp DOC 55 0693/001 aangehaalde arrest Ferenschild (C-133/16) van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit volgt datde verjaringstermijn voor de vordering van de consument niet korter kan zijn dan de garantietermijn. ‘Test Aankoop verwelkomt de verlenging van de omkering van de bewijslast tot twee jaar. Ditis een uitstekende zaak voor de consument, die op die manier ten volle zal kunnen genieten van de tweejarige garantietermijn. Het is voor die consument immers een onmogelijke opgave ‘om aan te tonen dat het gebrek in de kiem aanwezig was bij het aanschaffen van het goed. Dit legt een onevenredige last op de schouders van de consument die niet over dezelfde expertise beschikt als een professional. Frankrijk en Portugal kennen vandaag al een termijn van twee jaar waarbij de bewijslast bij de verkoper ligt. In Frankrijk, waar de duur van de omkering van de bewijslast van zes maanden op twee jaar werd gebracht, kon geen prijsstijging worden toegeschreven aan deze wetswijziging. Op dezelfde manier concludeert de in 2017 gepubliceerde impactstudie van de Europese Commissie dat de kosten voor bedrijven niet significant zijn gestegen en werd daarom aanbevolen de duur van de omkering van de bewijslast te verlengen tot alle soorten verkopen. Uit het meldpunt Te Rap Kapot blijkt dat ongeveer vier op de tien gebreken met producten tot uiting komen voor de termijn van twee jaar; 27,8 % van de problemen doen zich voor in de periode tussen zes maanden en twee jaar na de levering. Deze cijfers onderstrepen het belang de consument te beschermen voor de volledige duur van de garantietermijn, wat enkel kan door de bewijslast bij de verkoper te leggen. De vrijwaring voor verborgen gebreken neemt een aanvang na het verstrijken van de wettelijke garantietermijn. Wanneer die laatste verlengt, heeft dat ook gevolgen voor deze vrijwaring. In de leer van de verborgen gebreken wordt niet voorzien in herstel of vervanging van het gebrekkig goed, maar enkel in de ontbinding van de overeenkomst en de teruggave van de prijs. Het zou, niet het minst gelet op de toegenomen aandacht voor duurzaamheid, opportuun zijn om een aanpassing van de regeling op dit punt te overwegen. De consument heeft het recht om van de verkoper de kosteloze herstelling van het consumptiegoed of de kosteloze vervanging ervan te eisen. Die herstelling of vervanging moet worden verricht binnen een redelijke termijn vanaf het tijdstip waarop de verkoper door de consument in kennis is gesteld van het conformiteitsgebrek, en zonder ernstige overlast voor de consument, rekening houdend met de aard van de goederen en met het door de consument beoogde gebruik (artikel 6 van het wetsontwerp). ‘Test Aankoop beveelt aan dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp wordt opgenomen dat de verkoper de nodige inspanningen moet leveren om een vervangtoestel aan te bieden aan de consument, met name voor toestellen die voor de consument een ‘onmisbaar karakter hebben, zoals een laptop of een auto. ‘Test Aankoop heeft geen bijzondere opmerkingen over de ontworpen wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de levering van digitale inhoud of digitale diensten. ‘Tot slot gaat de spreker in op het toegevoegde wetsvoorstel DOC 55 0693/001. De daarin voorgestelde verdubbeling van de termijn waarin de omkering van de bewijslast geldt, is niet meer actueel, nu het wetsontwerp in een verviervoudiging voorziet. Zoals reeds aangegeven, staat Test Aankoop positief tegenover de mogelijkheid waarin het wetsvoorstel voorziet om voor specifieke goederen een wettelijke garantietermijn van meer dan twee jaar vast te leggen. Wel is de consumentenorganisatie van mening dat de voorwaarden waaronder de Koning die termijn voor bepaalde consumptiegoederen kan verlengen, te resrictief zijn. Met name de voorwaarde dat de goederen “ernstige en aanhoudende gebreken vertonen na de periode van twee jaar” komt Test Aankoop te streng voor. ‘Test Aankoop pleit ervoor dat er een lijst zou komen met consumptiegoederen die, door hun prijscategorie of de te verwachten levensduur, voor een langere garantietermijn in aanmerking komen, Voorts vindt Test Aankoop het een goede zaak mocht de consument, zoals bepaald in het wetsvoorstel, kunnen kiezen tegen wie hij de waarborg wil laten gelden. Maar hij zal de goede keuze moeten maken. Indien de verkoper hem een goed heeft aangeraden, kan hij de producent niet aanspreken in het geval dat goed niet overeenstemt met zijn verwachtingen; in zo'n geval zal alleen de verkoper kunnen aangesproken worden. Een prijsvermindering of ontbinding kan de consument alleen vragen aan de verkoper; herstelling of vervanging kan zowel aan de producent als aan de verkoper worden gevraagd. Test Aankoop vreest dat dit voor de consument bijzonder ingewikkeld wordt en dat niet uit te sluiten valt dat de consument van het kastje naar de muur zal worden gestuurd. ‘Alleszins is het voor de consument interessant om de producent te kunnen aanspreken wanneer de verkoper in gebreke blijft of failliet is. Het voorstel van mevrouw Dierick om de transparantie inzake de commerciële garantie te vergroten, kan op de goedkeuring van Test Aankoop rekenen. Thans stelt men vast dat consumenten er soms toe aangespoord worden ‘om een commerciële garantie aan te kopen “teneinde ten volle te kunnen genieten van de garantie”, zonder dat enig gewag wordt gemaakt van de wettelijke garantie en zonder dat er klaarheid is over de meerwaarde van de commerciële garantie ten opzichte van de wettelijke garantie Wat de meldingstermijn voor gebreken betreft, die in het wetsvoorstel van mevrouw Dierick op twee maanden wordt bepaald, herhaalt de heer November dat hij voorstander is van een regeling waarbij de verkoper en de consument een langere termijn kunnen overeenkomen. Wel staat hij, zoals gezegd positief, tegenover de voorgestelde bepaling dat de verjaringstermijn niet korter kan zijn dan de garantietermijn.
D. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Evelyne ‘Terryn, professor handels- en economisch recht, vennootschapsrecht en consumentenrecht, KU Leuven Prof. Evelyne Terryn (KU Leuven) merkt bij wijze van inleiding op dat de omzetting van de richtlijnen (EU) 2019/770 en 2019/771, die maximumharmonisatie als uitgangspunt hebben, op veel punten weinig ruimte laat voor nationale beleidskeuzes. Niettemin blijven een aantal opties open voor de lidstaten. De spreekster zal in haar uiteenzetting vooral op deze opties en de gemaakte keuzes ingaan, en zal een aantal wijzigingen suggereren die kunnen bijdragen tot een duurzamer consumenten- en ondernemingsrecht. Voorts zal zij enkele suggesties van meer technische aard formuleren, die kunnen bijdragen tot een meer coherent rechtssysteem. Algemene opmerking - onnodige complexiteit kooprecht blijft behouden De keuze voor een omzetting van deze richtlijnen in het Burgerlijk Wetboek (eerder dan in het Wetboek van economisch recht) kan worden bijgetreden. Het is inderdaad niet aangewezen een kernstuk van het contractenrecht uit het Burgerlijk Wetboek te halen en zo het privaatrecht verder te versplinteren. De omzetting van deze richtlijnen biedt echter een mogelijkheid om het kooprecht / contractenrecht grondiger te herzien, zodat andere dan b2c-contracten op een meer gelijklopende manier worden geregeld in het Burgerlijk Wetboek (zoals onder meer reeds het geval is in Duitsland en Nederland). Hiervoor wordt reeds lang gepleit in de rechtsleer, en dit zou de onnodige complexiteit van ons rechtssysteem (met onder meer het “herleven” van het gemeen kooprecht na het verstrijken van de b2c-garantietermijn) sterk kunnen verminderen. Dit zou het tevens mogelijk maken een effectief verhaalsrecht uitte werken ten behoeve van de eindverkoper. Prof. Terryn is het eens met de spreeksters namens UCM en UNIZO dat de situatie op dit vlak, ook na de aanneming van het voorliggende wetsontwerp, verre van bevredigend is en dat de eindverkoper een verregaande aansprakelijkheid torst. Een grondiger hervorming blijft dan ook noodzakelijk, ook na deze omzetting. ‘Toepassingsgebied en definities Prof. Terryn verwelkomt de keuze om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om bepaalde tweedehandsgoederen uitte sluiten van het toepassingsgebied. Een en ander stemt overeen met het huidige recht en is ook vanuit een duurzaamheidsperspectief toe te juichen. Aangezien de uitzondering niet werd overgenomen, is, het ook overbodig een definitie van “openbare veiling” op te nemen in het ontworpen artikel 1649bis, $ 1, 14° oud BW (artikel 3 van het wetsontwerp). Levende dieren worden wel uitgesloten van het toepassingsgebied; de wetgever kiest ervoor specifieke regels uit te werken voor de koop van levende dieren. Hoewel er een aantal toepassingsproblemen bestaan, is het volgens de spreekster mogelijk deze met beperkte aanpassingen van de nieuwe regels op te vangen. Een uitzonderingsregime creëert onvermijdelijk bijkomende complexiteit. Indien de keuze voor de uitsluiting van levende dieren behouden blijft, is het in elk geval wenselijk in de specifieke reglementering zo beperkt mogelijk af te wijken van de (nieuwe) gemeenrechtelijke regeling inzake consumentenkoop en verder ook de gewestelijke wetgeving afte stemmen op de federale wetgeving. Een aandachtspunt is ook de overgangsregeling (artikel 23 van, het wetsontwerp) die erin voorziet dat de oude bepalingen inzake consumentenkoop van toepassing blijven op levende dieren zolang de nieuwe bijzondere regeling niet in werking is getreden. Een dergelijke oplossing kan slechts bijgetreden worden indien er voldoende zekerheid is dat de bijzondere regeling effectief snel zal worden aangenomen. Een parallelle toepassing van oude en nieuwe regels inzake consumentenkoop creëert onnodige complexiteit Wat de definities betreft, oppert prof. Terryn een vereenvoudiging van de definitie van het begrip “verkoper”, waarbij de woorden “ongeacht of deze privaat of publiek is” en de woorden “mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt” geschrapt kunnen worden uit artikel 3 van het wetsontwerp, en waarbij in de memorie van toelichting verduidelijkt kan worden dat dit zowel publieke als private rechtspersonen en verkopers die handelen via tussenpersonen omvat. De eveneens in artikel 3 gedefinieerde term “consumptiegoed” is duidelijk, maar wordt helaas niet consequent. gebruikt in het wetsontwerp, waar op veel plaatsen de term “goed” wordt gebezigd. Het voorliggende wetsontwerp herintroduceert de term “handelaar”. Dit is ongelukkig, nu deze term naar Belgisch recht een specifieke betekenis had en werd vervangen door het ondernemingsbegrip. De definitie van onderneming (zoals opgenomen in Boek VI van het Wetboek van economisch recht, WER) kan in dezen volstaan om richtlijn (EU) 2019/770 correct om te zetten, met een verduidelijking in de memorie van toelichting dat de bepalingen ook van toepassing zijn indien de onderneming handelt via “personen die namens de onderneming of voor zijn rekening optreden”. Het is niet nodig en niet wenselijk het handelaarsbegrip te herintroduceren met een nieuwe definitie. 'Aansprakelijkheidstermijn en termijn voor omkering van de bewijslast Het wetsontwerp kiest ervoor voor de verkoop van consumptiegoederen de termijn van twee jaar voor de aansprakelijkheid van de eindverkoper te behouden. Er wordt niet in de mogelijkheid voorzien om de garantieduur te verlengen voor bepaalde soorten goederen. Zoals haar voorganger, voorziet richtlijn (EU) 2019/771 op dit punt in minimumharmonisatie; een langere nationale aansprakelijkheidstermijn voor alle of bepaalde goederen blijft dus perfect mogelijk. Vanuit een duurzaamheidsperspectief is het behoud van de aansprakelijkheidstermijn van twee jaar een gemiste kans, aldus prof. Terryn, wier voorkeur uitgaat naar een koppeling van de wettelijke-garantietermijn aan de te verwachten levensduur, zoals dit het geval is, in het Nederlandse systeem, dat ook na de omzetting van de nieuwe richtlijn zal behouden blijven. Ook een verlenging van de termijn voor specifieke, eventueel bij koninklijk besluit bepaalde, categorieën van goederen zou aangewezen zijn. Het is absoluut doenbaar zulke categorieën af te bakenen, aldus de spreekster, die erop wijst dat ook de Ecodesign-richtljnen van de EU gebaseerd zijn op categorieën van goederen. Indien een algemene uitbreiding van de aansprakelijkheidstermijn of een koppeling aan de verwachte levensduur niet haalbaar wordt geacht, kunnen minstens specifieke maatregelen worden overwogen om een duurzamere omgang met consumptiegoederen te stimuleren. Zo geeft de Franse wetgever de consument die kiest voor herstelling in het kader van de wettelijke garantie een bijkomende garantietermijn van zes maanden (art. L-217-13 Code de la Consommation, ingevoerd bij wet nr. 2020-105 van 10 februari 2020). Ook in het Belgisch recht kan dit perfect worden ingevoerd Het wetsontwerp breidt de omkering van de bewijslast uit naar twee jaar. Deze uitbreiding houdt een grotere bescherming in van de consument en is ook vanuit een duurzaamheidsperspectief positief. Kennisgevingsplicht Het wetsontwerp kiest ervoor een kennisgevingsplicht in te voeren (ontworpen artikel 1649quater, $ 2 oud Burgerlijk Wetboek; artikel 5 van het wetsontwerp). Het huidige recht kent deze verplichting niet. Deze keuze, die onder meer gerechtvaardigd wordt vanuit een streven naar rechtszekerheid, kan worden bijgetreden. Momenteel bestaat er immers onduidelijkheid over de mate waarin een dergelijke verplichting nog steeds uit het gemeen recht voortvloeit. Het nieuwe artikel bepaalt echter niet wat de sancties zijn bij niet-naleving van deze verplich ting, hoewel er ook op dit punt veel onzekerheid bestaat. in de rechtsleer en de rechtspraak en niettegenstaande het feit dat richtlijn (EU) 2019/771 zelf wel in een mogelijke sanctie voorziet (artikel 12). Het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven van 21 mei 2021 (CRB 2021-1420) kan hier worden bijgetreden: er is nood aan een wettelijke uitwerking van de gevolgen van een laattijdige kennisgeving. Recht op verhaal van de eindverkoper Het wetsontwerp voorziet in een voornamelijk terminologisch aangepaste regeling inzake verhaal bij de verkoop van consumptiegoederen (ontworpen arti kel 1649sexies oud Burgerlijk Wetboek) en in een paral lele regeling voor digitale inhoud en digitale diensten (ontworpen artikel 1701/16 oud Burgerlijk Wetboek). De ontworpen regeling zal de situatie van de eindverkoper niet fundamenteel wijzigen en niet voor een effectief verhaalsrecht zorgen. Er zijn een heel aantal obstakels voor eindverkopers ‘om verhaal uitte oefenen en de voorgestelde regeling komt enkel tegemoet aan het obstakel van de mogelijke exoneratieclausules. Een van de voornaamste problemen is de afwezigheid van een parallel systeem in de hogere keten. De regeling bepaalt weliswaar dat “verhaal” mogelijk is, maar niet welke rechten de eindverkoper dan wel heeft. Hiervoor is een (contractuele) grondslag nodig, en die zal per definitie niet dezelfde rechten geven aan de eindverkoper als aan de consument, aangezien het b2c-regime niet van toepassing is in de bovenliggende verhouding. Deze verhouding zal ofwel beheerst worden door het gemeen kooprecht ofwel door het gemeen verbintenissenrecht, aangezien er voor digitale inhoud en digitale diensten geen parallelle b2b-regeling bestaat. Ook het probleem dat de eindverkoper zijn vordering mogelijk al niet meer kan instellen (wegens een kortere termijn in het gemeen kooprecht dan in het consumentenkooprecht) wordt niet opgelost. Dit probleem vraagt een grondige aanpak en de uitbreiding van de b2c-regels naar contracten die niet b2c zijn, zou het al een stuk eenvoudiger maken in een doeltreffend verhaalrecht te voorzien. Een beter uitgewerkt recht op verhaal is des te noodzakelijker nu onder meer de verplichting om in updates te voorzien, een aanzienlijke verzwaring van de aansprakelijkheid van de eindverkoper inhoudt. Remedies bij juridisch gebrek Artikel 9 van richtlijn (EU) 2019/771 bepaalt dat de consument over dezelfde remedies moet beschikken indien de niet-conformiteit voortvloeit uit een juridisch gebrek, met name een gebrek dat voortvloeit uit de schending van de rechten van derden. Dit artikel werd niet omgezet. Een duidelijke regeling is ook op dit punt nochtans wenselijk: de huidige regeling inzake consumentenkoop betreft immers enkel materiële gebreken. De ontworpen omzettingsbepalingen (of de memorie van toelichting) maken niet duidelijk welke rechten de consument heeft bij een juridisch gebrek. Gevolgen voor contracten van levering digitale inhoud / digitale diensten met persoonsgegevens als tegenprestatie bij intrekking toestemming Een van de innovaties van richtlijn (EU) 2019/770 bestaat erin dat haar bepalingen in de regel ook van toepassing zijn indien de tegenprestatie van de consument bestaat in het verstrekken van persoonsgegevens. De richtlijn laat het aan de lidstaten over om de gevolgen voor de overeenkomst te regelen indien de consument zijn toestemming intrekt. Het voorliggende wetsontwerp regelt dit niet en laat, blijkens de memorie van toelichting, de gevolgen over aan het gemene recht. Dit is niet de keuze die in andere lidstaten (bijvoorbeeld Nederland) wordt gemaakt en het is wenselijk de gevolgen voor het contract expliciet te bepalen (is de consument nog gebonden? Wat met de reeds geleverde prestaties enzovoort) ‘Ons land zal richtlijnen (EU) 2019/770 en 2019/771 niet tijdig hebben omgezet.
Artikel 25 van het wetsontwerp verklaart bepaalde artikelen van toepassing op de levering van digitale inhoud en digitale diensten die plaatsvindt vanaf 1 januari 2022, ook al werd de overeenkomst reeds vroeger gesloten. Allicht werd erop gerekend dat de omzettingsbepalingen voor 1 januari 2022 in werking zouden treden. Aangezien deze wet pas later in werking zal treden, is het aangewezen de verwijzing naar 1 januari 2022 te vervangen door de datum van inwerkingtreding van de wet. Dit lijkt beter in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zoals die blikt uit de memorie van toelichting, en zal ook discussie vermijden over een retroactieve toepassing van de wet.
II. - VRAGEN EN OPMERKINGEN VAN DE LEDEN
Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) vraagt zich af wat in deze teksten het verband is tussen de garantiewet en het lot van de levende dieren. Het nieuwe wetsontwerp voorziet erin dat de oude wet van toepassing blijft zolang er geen bijzondere regelgeving is aangenomen. Die co-existentie van teksten lijkt haar moeilijk en biedt onvoldoende duidelijkheid Zij beklemtoont dat prof. Terryn het positief acht dat de omzetting van richtlijnen (EU) 2019/770 en 771 in het Burgerlijk Wetboek zou worden opgenomen. De vervolging van de strafbare feiten en het opleggen van de sancties zullen echter gebeuren op grond van de bepalingen van het Wetboek van economisch recht. Als, juriste vindt zij dat die versnippering van de teksten noch de lectuur, noch de interpretatie ten goede zal komen. ‘Aangaande de tweedehandsgoederen wijst zij erop dat sommige sprekers hebben onderstreept dat kansen werden gemist op het vlak van de duurzaamheid. Het lid benadrukt echter dat de producenten zich almaar meer op duurzaamheid richten om geprogrammeerde veroudering tegen te gaan. Zij vraagt te zorgen voor een evenwicht tussen die lovenswaardige doelstelling en de administratieve rompslomp voor de ondernemingen, zoals ter zake een debat is gevoerd tijdens de eerste besprekingen op Europees niveau. Over de omkering van de bewijslast is mevrouw Van Bossuyt van mening dat de nadelen voor de producenten en de verkopers veel te groot zijn in verhouding tot de aan de consumenten geboden bijkomende voordelen. Zij herinnert eraan dat 82 % van de gebreken binnen 12 maanden na de aankoop van het product worden gemeld. Zij vraagt zich dan ook af of het nodig om voor slechts 18 % van de gevallen in die verlenging tot twee jaar te voorzien. De spreekster haalt gevallen aan van fout gebruik door de consument (bijvoorbeeld een koelkast die in een vochtige omgeving is geplaatst): voor de verkoper of de fabrikant zal dat fout gebruik soms moeilijk aan te tonen vallen, en dan nog twee jaar lang. Met de omkering van de bewijslast zal het echter hun toekomen zulks aan te tonen. De uiteenlopende termijnen voor digitale inhoud en diensten zorgen voor onzekerheid, omdat het onderscheid tussen fysieke en digitale inhoud niet altijd makkelijk te maken is. In verband met de waarborg tegen verborgen gebreken verwijst het lid naar de voorstellen van Test-Aankoop ‘om de herstelling en vervanging toe te voegen. Zij wil weten wat de sprekers daarvan vinden. Met betrekking tot de redelijke vervangingstermijn merkt de spreekster op dat dit punt niet ter sprake is, gekomen; er is geen specifieke of vaste termijn voorge steld. Zij vraagt zich af of het begrip “redelijke termijn” niet verkieslijk is. Aangaande de commerciële garantie wordt voorgesteld een standaardformulier voor de verkopers te gebruiken. In b2c-relaties zou van dat formulier gebruik kunnen worden gemaakt. Zij vraagt de sprekers of dat een goed idee is: Volgens de heer Albert Vicaire (Ecolo-Groen) is er nog veel werk aan de winkel om te komen tot een duurzamere samenleving met een meer circulaire economie. Bijzondere aandacht moet gaan naar de levensduur van de huishoudapparaten. Het lid neemt er nota van dat de UCM en Unizo betreuren dat de tekst ten behoeve van de verkoper niet voorziet in een verhaalmogelijkheid ten aanzien van de fabrikant of de invoerder. Hij meent echter dat de verkoper over vaardigheden en over de informatie beschikt die hem ertoe in staat stellen zijn keuze te maken en aldus de kwaliteitsproducten te selecteren die de klant wil In verband met het begrip “parallel systeem in de hogere keten” wil hij van prof. Terryn weten waarnaar dat verwijst. Mevrouw Leslie Leoni (PS) beklemtoont dat dit wetsontwerp zowel voor de ondernemingen als de consumenten belangrijk is. Vervolgens komt zij terug op de omkering van de bewijslast en op de verlenging van de termijn tot wee jaar, met de daaruit voortvloeiende impact op de consumenten. Zij onderstreept dat Test Aankoop heeft gesteld dat andere EU-landen dat beginsel al hebben ingevoerd (onder meer Frankrijk in 2016), alsmede dat in een studie van de Europese Commissie wordt benadrukt dat een en ander geen weerslag heeft gehad op de prijzen. Zij wil in dat verband nadere toelichting krijgen over de moeilijkheden die de consument ondervindt met de beperking van de termijn tot zes maanden om een productiefout te bewijzen, alsook over de impact van de maatregel en van de verlenging van de termijn tot twee jaar in de landen waar die regel geldt (Frankrijk, Portugal, Zweden enzovoort). Zij wil weten of het mogelijk is geweest een grotere duurzaamheid van de producten evenals een gunstig effect op het milieu en de koopkracht te objectiveren. De heer Erik Gilissen (VB) merkt vooreerst op dat ons land kampt met hoge loonkosten en dito belastingdruk ten opzichte van de buurlanden. In de mate dat het. voorliggende wetsontwerp ertoe strekt de grensoverschrijdende verkoop te bevorderen, kan het ertoe leiden dat Belgische bedrijven nog meer dan nu reeds het geval is, af te rekenen krijgen met goedkope concurrentie uit het buitenland. Het VB vreest met name dat de lokale kleinhandel nog meer onder druk zal komen te staan van grote internationale ketens. Die ketens, die zich in toenemende mate op onlinehandel richten, hebben minder oog voor begeleiding en ondersteuning van de klant, waardoor die laatste moeilijker zijn rechten inzake garantie zal kunnen laten gelden. Overigens zullen kleine ondernemingen het ook moeilijker hebben zich aan de nieuwe regelgeving aan te passen. In steeds meer producten worden digitale componenten ingebouwd. In sommige gevallen lijken die tot doel te hebben de consumptie aan te wakkeren. De heer Gilissen geeft het voorbeeld van printercartridges, waarin chips verwerkt zitten die het printen onmogelijk maken, zelfs wanneer de cartridge nog niet volledig leeg is. Hij verwijst ook naar zelfdiagnosechips in voertuigen, die automatisch de garage inlichten als de software aangeeft dat onderhoud of herstelling nodig is. Dit zet de deur open voor misbruik De consument heeft steeds minder zeggenschap over de goederen die hij heeft aangekocht. Zo worden bij sommige smartphones bepaalde functies uitgeschakeld als het toestel, ofschoon vakkundig, niet bij een merkgebonden naverkoopdienst wordt hersteld. ‘Anders dan in richtlijn (EU) 2019/771 wordt in het wetsontwerp niet ingegaan op de beschikbaarheid van onderdelen. Evenmin zijn er nadere bepalingen omtrent wie herstellingen mag uitvoeren. Wat is de mening van de uitgenodigde sprekers hieromtrent? Het ontworpen artikel 1649quinguies, $ 3, oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat herstelling of vervanging dient te worden verricht binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verkoper door de consument in kennis, is gesteld van het conformiteitsgebrek. De beoordeling van wat een “redelijke termijn” is wordt aan de rechter overgelaten; anders dan voorgesteld in de richtlijn worden geen specifieke termijnen gestipuleerd. Zal deze bepaling wel voldoende rechtszekerheid bieden? Een bijkomend gevaar ontstaat wanneer toestellen (bijvoorbeeld deurbel, bewakingssysteem) voor hun werking afhankelijk zijn van actieve verbindingen met infrastructuur van de fabrikant. Als die laatste besluit de stekker eruit te trekken, failiet gaat of door een storing wordt getroffen, kan de consument zijn toestel niet meer gebruiken. Het VB staat principieel positief tegenover de verlenging van de garantietermijn. Toch vallen er hierbij ook enkele bedenkingen te maken. Een eerste bedenking heeft te maken met de mogelijke impact daarvan op de prijs van de verkochte producten. De heer Gilissen is bezorgd dat het uiteindelijk de consument zal zijn die de factuur, die onvermijdelijk vasthangt aan het duurzamer maken van producten, gepresenteerd zal krijgen. Die bezorgdheid geldt des te meer ten aanzien van het wetsvoorstel van mevrouw Dierick (DOC 55 0693/001), waarin sprake is, van een garantietermijn van meer dan twee jaar voor bepaalde categorieën van goederen. De heer Gilissen vraagt zich af of het niet beter zou zijn om voor alle goederen een garantietermijn van twee jaar te bepalen. Bij continue levering kan de aansprakelijkheidstermijn langer dan twee jaar bedragen en ook de periode waarin wordt geleverd omvatten. De minimale termijn is, evenwel twee jaar. Dit kwam in het voorontwerp van wet duidelijker tot uiting dan in het uiteindelijke wetsontwerp. Het is de spreker voorts niet volledig duidelijk hoe de kennisgevingsplicht gedurende twee maanden strookt met de aansprakelijkheids- en verjaringstermijnen. Daarnaast stelt hij zich vragen over de verhouding tussen deze twee laatste termijnen: doordat de verjaringstermijn slechts, één jaar bedraagt, is het mogelijk dat de vordering van de consument reeds is verjaard terwijl de garantietermijn nog loopt. Zou het niet beter zijn de verjaringstermijn ook op twee jaar te brengen? kan ook als conformiteitsgebrek worden beschouwd. In de Garantierichtlijnen wordt dit specifiek geregeld, maar het wetsontwerp beperkt zich ertoe te verwijzen naar verordeningen inzake gegevensbescherming, zonder in te gaan op mogelijke remedies. Delen de sprekers deze analyse en zo ja, welke concrete oplossingen stellen zij voor? De consument heeft niet het recht de koopovereenkomst te ontbinden indien het conformiteitsgebrek gering is, hetgeen de verkoper dient te bewijzen. De term “gering conformiteitsgebrek” wordt niet gedefinieerd en zal aanleiding geven tot discussie; wat gering is voor een handelaar is dat niet noodzakelijk voor een consument. Het recht op ontbinding bij gering conformiteitsgebrek is, overigens wel voorhanden voor overeenkomsten waarin de tegensprestatie bestaat in het verstrekken van persoonsgegevens. Menen de sprekers dat er nood is aan een omschrijving van de term “gering conformiteitsgebrek”? De terugbetaling aan de consument bij ontbinding kan ofwel de volledige aankoopprijs omvatten ofwel worden verminderd, teneinde rekening te houden met het zorgeloze gebruik dat de consument van het goed heeft gehad. Het voorliggende wetsontwerp kiest voor die laatste optie. Achten de genodigden dit wenselijk? De verkoper moet verhaal kunnen nemen op de verantwoordelijke in voorgaande schakels van de transactieketen. In dit wetsontwerp wordt niet ingegaan op welke wijze dat dient te gebeuren, maar wordt enkel verwezen naar wetgeving inzake contractuele aansprakelijkheid. Is dit voldoende volgens de genodigde sprekers? Volgens mevrouw Florence Reuter (MR) is het niet makkelijk een evenwicht te vinden, ook al moet dit wel de doelstelling blijven. Zij vraagt zich af of naast inzake de omkering van de bewijslast tussen de lidstaten nog meer onderlinge verschillen bestaan, en of in de nationale wetteksten tot omzetting van de richtlijnen meerdere aspecten zijn gewijzigd. Het lid herinnert eraan dat harmonisatie het oogmerk is en dat het niet de bedoeling is dat in de verschillende lidstaten uiteenlopende voorwaarden gelden. In verband met de impact die deze richtlijnen op de kmo's zullen hebben, wil zij een raming van de kosten voor de bedrijven Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verwijst naar wetsvoorstel DOC 55 0693/001 dat zij eind 2019 indiende, en dat voorziet in een versterking van de rechten van de consument op het vlak van garantie en dat tegelijkertijd, ‘om een evenwicht in rechten en plichten te waarborgen, een aantal bepalingen bevat met als doel de positie van de detailhandelaar ten opzichte van de fabrikant of invoerder te verbeteren. Mevrouw Dierick erkent dat bepaalde aspecten van de onderhavige problematiek beter zijn uitgewerkt in het wetsontwerp, doch betreurt anderzijds dat sommige zaken die in het wetsvoorstel aan bod komen, niet opgepikt werden in het wetsontwerp. Veel vragen van mevrouw Dierick werden reeds beantwoord door de sprekers. Zij wenst nog drie opmerkingen te maken. Een eerste opmerking heeft ermee te maken dat de Garantierichtlijnen zich er niet tegen verzetten dat verschillende lidstaten tot op zekere hoogte onderschei den regels hanteren. Zeker met de ontwikkeling van de onlinehandel is grensoverschrijdende consumentenkoop gemeengoed geworden. De consument is echter niet op de hoogte van de garantieregels die in andere landen gelden. Hoe kan ervoor gezorgd worden dat de Belgische consument hierin zo klaar mogelijk ziet en optimaal beschermd is? Omgekeerd geldt dit trouwens ook voor Belgische ondernemingen, die in toenemende mate consumenten uit andere lidstaten bedienen. De tweede opmerking betreft refurbished toestellen Het is niet helemaal duidelijk of zulke toestellen voor de onderhavige wetgeving als nieuw dan wel als tweedehands dienen te worden beschouwd; wellicht betreft het tweedehandsgoederen, waarvoor dus een garantietermijn van één jaar kan worden overeengekomen. Wat is de mening van de genodigden hieromtrent? Hebben zij zicht op het aandeel refurbished toestellen? ‘Ten derde geeft mevrouw Dierick aan dat bloemen en planten, anders dan levende dieren, wel degelijk onder het toepassingsgebied van het wetsontwerp val len. Wel wordt daarin bepaald dat het vermoeden van ‘aanwezigheid van het conformiteitsgebrek ten tijde van de levering niet geldt wanneer dat onverenigbaar is met de aard van de goederen. Vallen volgens de sprekers bloemen en planten onder deze uitzondering? Mevrouw Kathleen Verhelst (Open Vld) vindt het goed dat werk wordt gemaakt van de omzetting van de Garantierichtlijnen en dat daarbij wordt ingezet op de bescherming van de consument. Wel onderstreept zij het belang van het waarborgen van een gelijk speelveld voor onze ondernemingen en het voorkomen van gold plating. Zij stelt zich vragen bij de haalbaarheid van de verlenging voor de omkering van de bewijslast, en wijst erop dat handelaars veelal geen zicht hebben op de omstandigheden waarin een goed gebruikt is. Mevrouw Melissa Depraetere (Vooruit) begrijpt de bezorgdheid over de verviervoudiging van de termijn voor de omkering van de bewijslast, maar meent dat de huidige termijn van zes maanden in ieder geval te kort is, vanuit het oogpunt van de consument. Dat is zeker het geval als men in ogenschouw neemt wat daar potentieel allemaal bij komt kijken voor de consument, die ter zake logischerwijze minder beslagen is dan de handelaar of fabrikant: technische expertise, juridische procedures, administratieve rompslomp enzovoort. Iv. - ANTWOORDEN VAN DE SPREKERS Mevrouw Sophie Heuskin (UCM) vindt het standaardformulier voor de commerciële garantie een goed idee, aangezien dat kan bijdragen tot de administratieve vereenvoudiging, zowel in b2c- als in b2b-relaties. Inzake de selectie van de beste fabrikant voor de eindverkoper (kleinhandelaar of handelaar) merkt de spreekster op dat men weliswaar wil werken met kwali teitsproducten, maar dat de rol ter zake van de consument niet mag worden onderschat; deze zoekt immers naar goederen tegen een lage prijs en wendt zich hiervoor tot e-commerce en buitenlandse platformen waarmee de kmo's niet kunnen concurreren. Ze voegt eraan toe dat er inderdaad nood is aan een bewustmaking bij de verkoper om kwaliteitsproducten aan te bieden, maar dat die gepaard moet gaan met een bewustmaking van de consument dat hij lokaal en duurzaam moet consumeren. Ze verzoekt de wetgever ter zake een evenwicht nate streven Wat het tegengaan van geprogrammeerde veroudering betreft, die trouwens een rechtmatige strijd is, vindt de spreekster dat die problematiek niet over dezelfde kam mag worden geschoren als de wettelijke garantie en conformiteitsgebreken, aangezien daarmee geen opzet is gemoeid. Geprogrammeerde veroudering vraagt om een ruimer debat, waarbij de herstelbaarheid en de beschikbaarheid van onderdelen aan bod komen. Ze benadrukt dat het moeilijk is een evenwicht te vinden tussen alle betrokken partijen aangezien er, naargelang van de positie van de actoren in de productieketen en hun, gewicht, andere belangen op het spel staan. Zo komen kleinere structuren vaak tegenover grote producenten te staan, waardoor de balans zoek is. Zulks ressorteert onder de wetgeving inzake misbruik van machtspositie. Wat de impact van de maatregelen op de kmo's in België betreft, stelt de spreekster vast dat die niet altijd in tijd kan worden uitgedrukt en dat soms een specialist moet worden ingeschakeld. Deze administratieve rompslomp kan soms zwaar zijn en verborgen kosten vormen. Dit aspect werd nog niet onderzocht ‘Tot slot verzoekt de spreekster iedereen uit oog te hebben voor de prijsstijging van heel wat goederen (grondstoffen, energie, vervoer) die eveneens een invloed hebben op de productieketen, het concurrentievermogen en de daarmee gepaard gaande garanties. Mevrouw Lynn Jonckheere (UNIZO) brengt de volgende verduidelijkingen aan: - wanneer de regeling inzake verborgen gebreken uitgebreid wordt zodat hieronder ook herstel en vervanging gevraagd kunnen worden, dan impliceert dit dat de consument de eindverkoper hiervoor kan aanspreken onder het gemeen recht. Het is inderdaad zo dat de eindverkoper dan ook de producent hiervoor kan aanspreken, vermits het verhaalsrecht ook geregeld wordt onder de regeling inzake verborgen gebreken. Het verhaalsrecht kan echter zelden effectief worden uitgevoerd, wat dus finaal zal neerkomen op een verzwaring voor de eindverkoper; - ze is voorstander van een standaardformulier voor de commerciële garantie, aangezien dat de administratieve rompslomp voor de ondernemingen terugdringt; - het is wenselijk dat het recht op verhaal op bepaalde punten wordt aangepast
UNIZO
moet dit echter nog onderzoeken en afstemmen met aangesloten sectororganisaties alvorens een regeling te kunnen voorstellen; - wat de omzetting van de richtlijn in de andere lidstaten betreft, heeft UNIZO van 15 Europese landen antwoorden ontvangen; acht ervan hebben voor een garantietermijn van een jaar gekozen, drie landen hebben de richtlijn nog niet omgezet, maar zullen gaan voor een termijn van een jaar, en één lidstaat heeft aan de garantietermijn van een jaar een proefperiode gekoppeld. De overige landen hebben geopteerd voor een garantietermijn van twee jaar. De spreekster vindt dat de garantietermijn niet aan de levensduur van het product mag worden gekoppeld, aangezien dat praktische problemen met betrekking tot informatie met zich brengt. Ze voegt eraan toe dat een garantietermijn van twee jaar op het product op Europees niveau het gangbaarst is, en een termijn van een jaar voor de omkering van de bewijslast. In dat opzicht was de termijn van zes maanden te kort. De spreekster pleit voor het zoeken naar een evenwicht tussen de belangen van de consument en die van de ondernemingen. De heer Simon November (Test Aankoop) is van oordeel dat het inzake de bewijslast vaak erg ingewikkeld is, voor de consument om aan te tonen dat hij een product op de juiste manier heeft gebruikt. Hij moet immers het bewijs leveren van een fout die hij niet heeft gemaakt. De spreker is van oordeel dat de consument de meest kwetsbare partij blijft van deze handelsrelatie en koopovereenkomst: het is voor hem vaak erg moeilijk om aan te tonen dat een gebrek of een tekortkoming reeds bij aankoop bestond. Een beroep doen op deskundigen om de kwestie te beslechten zorgt voor aanzienlijke extra, kosten, waardoor de consument die stap niet zal zetten. Om de consument tijdens een garantieperiode van twee jaar optimaal te beschermen, moet de bewijslast tijdens die periode bij de verkoper liggen. De huidige termijn van zes maanden is veel te kort. De heer November verduidelijkt dat de termijn van een jaar ‘ook onvoldoende lijkt en dat de bewijslast moet liggen bij de sterkste contractant met de meeste expertise, namelijk de verkoper. Hij kan geen commentaar geven op de door mevrouw Van Bossuyt voorgelegde cijfers van de ombudsdienst. Hij vraagt zich af of de klachten misschien onder het onderdeel garanties vallen. Hij wijst erop dat uit de cijfers van de webpagina Te Rap Kapot op de website van Test Aankoop is gebleken dat bijna 28 % van de toestellen stuk gaat in de periode tussen zes maanden en twee jaar na aankoop, dat dit cijfer stijgt met 27 % tussen twee en drie jaar na aankoop en dat daar tussen drie en vier jaar nog eens 12 % bijkomt. Die hoge cijfers, zijn veelzeggend. ‘Ter vergelijking geeft de heer November vervolgens de cijfers mee van zijn Duitse collega's van Stiftung Warentest. Zij hebben onder hun leden een enquête gehouden, met de vraag of ze recentelijk een toestel hadden dat defect bleek te zijn en binnen welke termijn het defect werd vastgesteld. Die resultaten sluiten aan bij de cijfers van Test Aankoop. De spreker benadrukt dat het naargelang van het type product belangrijk is dat voor bepaalde categorieën een langere garantie wordt geboden. Hij geeft de gasboiler, een wasmachine of een koelkast als voorbeeld. Hij kan geen commentaar geven op de vraag of de tot twee jaar verlengde garantietermijn in Portugal en Frankrijk tot duurzamere producten heeft geleid en gunstig, is uitgepakt voor het milieu en de koopkracht. Hij wijst erop dat hoe langer de garantietermijn loopt, hoe meer op duurzaamheid zal worden ingezet; hij roept ook op tot eenvormige regelgeving op Europees niveau. Wat dat betreft, acht hij de teksten van de richtlijnen onvoldoende ambitieus; voor Test Aankoop is dit een gemiste kans. De spreker wijst erop dat goederen wereldwijd worden verhandeld en dat alleen een sterke regelgeving op Europees niveau tot duurzamere productieprocessen kan leiden. Met betrekking tot de bewering dat de verlenging van de garantietermijn tot twee jaar voor de verkoper en de ‘omkering van de bewijslast in Frankrijk tot hogere prijzen zouden hebben geleid, herinnert hij eraan dat minister Kris Peeters in 2018, in antwoord op een vraag, heeft gesteld dat zulks niet tot aanzienlijke extra kosten voor de bedrijven heeft geleid. Zijn antwoord berustte op een Impactstudie van de Europese Commissie. ‘Op de vraag van mevrouw Dierick over de refurbished toestellen, geeft de spreker aan dat Test Aankoop meerdere tests heeft uitgevoerd betreffende smartphones en laptops. Daaruit bleek dat de kwaliteit vaak minder was, ook al werden er nieuwe componenten gebruikt. Het betreft dus geen tweedehandse, maar opgeknapte nieuwe producten. Die zijn duurzamer omdat de hoeveelheid afval erdoor wordt verminderd. De spreker vindt dat ook die producten een garantietermijn van twee jaar moeten krijgen, hetgeen de consumenten ertoe kan aanzetten om ze te kopen Wat de opmerking van mevrouw Van Bossuyt betreft over het feit dat de garantieregeling verspreid is over het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van economisch, recht, stelt prof. Evelyne Terryn (KU Leuven) dat er eigenlijk geen elegantere oplossing bestaat. Idealiter zou het hele privaatrecht geharmoniseerd moeten worden. Niettemin vindt ze het belangrijk om deze regeling, die tot de kem van het privaatrecht behoort, in het Burgerlijk Wetboek te behouden. De Garantierichtlijnen regelen enkel consumentenrecht. Dit is slechts één stap in een keten. De eindverkoper heeft zijn product gekocht van een professionele verkoper. Die b2b-verhouding wordt geregeld in het gemeen kooprecht. Als we deze twee verhoudingen in twee wetboeken gaan regelen, zal de parallel - die vandaag reeds grotendeels ontbreekt - nog verder verwijderd zijn. Idealiter zijn beide verhoudingen onderworpen aan een gelijkaardig regime. In dezelfde zin is de spreekster ook voorstander van het invoeren van een recht op herstelling of vervanging in andere koopcontracten. Volgens recente (en sterk bekritiseerde) cassatierechtspraak bestaat die mogelijk niet in een b2b-context. Prof. Terryn pleit ervoor het voorbeeld van Duitsland en Nederland te volgen en de begrippen in de b2b- en b2c-verhoudingen maximaal op elkaar af te stemmen. Dit zal het ook makkelijker maken voor de eindverkoper om verhaal uit te oefenen ten opzichte van zijn leverancier. Dit geldt zeker voor digitale inhoud en digitale diensten alsook voor goederen met digitale elementen. In het gemene kooprecht bestaat er geen regeling over hoe het zit als updates niet meer worden geleverd; het is, dus onduidelijk of dit al dan niet een conformiteitsgebrek uitmaakt onder het gemene kooprecht, dat het regres van de eindverkoper beheerst. Wat de omkering van de bewijslast betreft, is er inderdaad een verschilende regeling voor digitale inhoud en digitale diensten enerzijds en goederen anderzijds. Die is terug te voeren op een verschil tussen beide Garantierichtlijnen; enkel richtlijn (EU) 2019/771 voorziet immers in een omkering van de bewijslast gedurende twee jaar. Prof. Terryn erkent dat de verlenging van de omkering van de bewijslast tot twee jaar een versteviging van positie van de consument inhoudt en ze begrijpt dat ondernemingen daarbij bedenkingen kunnen hebben. ‘Toch is ze het eens met de heer November dat het voor consumenten doorgaans erg moelljk is om te bewijzen dat het gebrek reeds bestond bij de levering, moeilijker alleszins dan voor ondernemingen om het vermoeden te weerleggen van aanwezigheid van het conformiteitsgebrek ten tijde van de levering. Een standaardformulier voor de commerciële garantie zou een goede zaak zijn, niet het minst voor de consument, voor wie het vandaag niet steeds duidelijk is waaruit de bijkomende, betalende waarborgen bestaan. Prof. Terryn verwijst naar de doctoraatsthesis, van Sanne Vandemaele over dit thema, waarvan zij promotor was?. In de thesis wordt een concreet voorstel voor een dergelijk standaardformulier gedaan, waarin de meerwaarde van de commerciële garantie ten opzichte van de wettelijke garantie duidelijk aan bod komt en dat in een begrijpelijke taal is opgesteld. De garantieregels zullen inderdaad niet overal in de EU helemaal gelijk zijn. Volgens prof. Terryn waren de duurzaamheidsdoelstellingen beter gediend geweest met een langere, geharmoniseerde garantietermijn dan met een verlenging van de omkering van de bewijslast, maar ook die laatste maatregel kan helpen De spreekster meent dat de consument voldoende beschermd is in een grensoverschrijdende context. *__S. Vandemaele, Commerciële garanties in de verschillende. koopregimes: naar oen uniorme regeling? proeischrit ingediend met het oog op het verkrijgen van de graad van Doctor in de Rechten, 2019, KU Leuven. Europese regelgeving bepaalt dat als een buitenlandse onderneming zich op de Belgische markt richt, de Belgische consument blijft genieten van dwingende bepalingen van het Belgische recht die hem een hogere beschermingsgraad bieden dan de buitenlandse. Refurbished goederen kunnen helpen om de duurzaamheidsdoelstellingen te halen. Het zou nuttig zijn mocht de wetgeving een duidelijke definitie bevatten van het begrip “tweedehandsgoed”. Als refurbished goederen daar niet onder vallen, en de consument dus sowieso over een garantie van twee jaar beschikt, kan dat de verkoop van dergelijke producten stimuleren, temeer daar er soms twijfels rijzen over de kwaliteit van zulke goederen. Volgens Nederlandse rechtspraak behoort vervanging met een refurbished goed bij een conformiteitsgebrek niet tot de mogelijkheden; de consument heeft recht op een nieuw goed. Vanuit duurzaamheidsoogpunt kan men vraagtekens plaatsen bij dergelijke rechtspraak. Volgens prof. Terryn is het wellicht niet opportuun ‘om de begrippen “redelijke termijn” en “gering conformiteitsgebrek” te definiëren in de wet. Dit zou een erg moeilijke oefening blijken. Ze geeft in dezen de voorkeur aan open normen, die dan door de rechtspraak kunnen worden ingevuld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het voorliggende geval.
V. - BIJKOMENDE VRAGEN EN ANTWOORDEN
Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) komt terug op het standaardformulier voor de commerciële garantie. Ze stelt vast dat alle sprekers zich achter een positieve consensus inzake dat voorstel scharen. Ze merkt echter op dat de richtlijn zelf een hinderpaal voor het werken met een dergelijk formulier zou kunnen zijn, aangezien die daar niet van rept. Ze vraagt zich dan ook af of ter zake geen amendement moet worden ingediend. De heer Erik Gilissen (VB) vraagt zich af of het overzicht van de in de verschillende lidstaten genomen maatregelen, waarnaar werd verwezen door de spreekster van UNIZO, ter beschikking zou kunnen worden gesteld van de leden. Mevrouw Lynn Jonckheere (UNIZO) stelt dat het overzicht onderhanden werk is, maar dat ze zeker bereid is een tussentijdse versie te delen met de commissie. Prof. Evelyne Terryn (KU Leuven) geeft aan dat de doctoraatsthesis van Sanne Vandemaele werd voorbereid onder gelding van de oude Europese regelgeving, namelijk richtlijn nr. 1999/44/EG, die voorzag in minimumharmonisatie. Dat laatste is niet het geval voor richtlijn (EU) 2019/771. De lidstaten mogen bepalingen over andere aspecten inzake commerciële garanties vastleggen die niet in de richtlijn worden geregeld, waaronder voorschriften inzake de taal of talen waarin het commerciële garantiebewijs beschikbaar moet worden gesteld aan de consument (artikel 17, lid 4). Het tweede lid van dat artikel somt de voorwaarden op waaraan het commerciële garantiebewijs moet voldoen. Als de Belgische regelgever een standaardformulier zou opstellen, kan hij bepalen dat ondernemingen die dat gebruiken aan de bedoelde voorwaarden voldoen, zonder evenwel het gebruik van dat formulier te verplichten. Zulke regeling zou volgens de spreekster wellicht niet strijdig zijn met de richtlijn Tmormere cantate Genwale driej