Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen
Documentdetails
📁 Dossier 55-2351 (10 documenten)
🗳️ Stemmingen
Betrokken partijen
Sprekers (7)
Stemdetail (84 stemmingen)
Volledige tekst
houdende diverse fiscale bepalingen VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING NAMENS DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING UITGEBRACHT DOOR DE HEER Ahmed LAAOUE) IL. Algemene bespreking 1e Ui. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen. 50 oor: Wetsontwer aaz an 003: Amendementen zieook: 00s: Arselen aangenamen in eerste lezing pocss 2351/004 vn gs me ven enne ee terne rde Kanan Mel Tree beha RETE rr tecta vreet ne, Orte oer Pri te STe en EE WEE. ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft het voorliggende wetsontwerp besproken in eerste lezing tijdens haar vergaderingen van dinsdag 14 december en vrijdag 17 december 2021 De goedkeuring van het verslag in eerste lezing heeft plaatsgevonden op 22 december 2021 1 - INLEIDENDE UITEENZETTINGEN A. Vergadering van dinsdag 14 december 2021 De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, stelt het voorliggende wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen voor. De vice-eersteminister zal trachten een bevattelijk overzicht te geven van de opgenomen bepalingen. Titel 1 spreekt voor zich, dus kan de vice-eersteminister onmiddelijk van start gaan met titel
2
TITEL
2 Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen Titel 2 is onderverdeeld in 8 hoofdstukken en stelt een aantal wijzigingen voor betreffende de inkomstenbelastingen.
HOOFDSTUK 1
Vervangingsinkomsten van meewerkende echtgenoten De fiscale omschrijving van bezoldigingen van meewerkende echtgenoten focust op de toekenningen door de geholpen echtgenoot, zodat er geen wettelijke grondslag likt te bestaan om de uitkeringen die aan de meewerkende echtgenoot worden toegekend te belasten. De regering is van oordeel dat het bij de invoering van het stelsel van de meewerkende echtgenoten niet de bedoeling van de wetgever kan geweest zijn om de vervangingsinkomsten, die worden toegekend aan meewerkende echtgenoten onder het maxi-statuut, niet belastbaar te stellen. De regering stelt dan ook voor om een expliciete wettelike grondslag voor de belastbaarheid van die uitkeringen in te voegen. Naast de uitkeringen in het kader van het bocss 2351/004 sociaal statuut, beoogt deze wijziging ook vergoedingen betaald of toegekend aan de meewerkende echtgenoot, omdat men tijdelijk geen prestaties als meewerkende echtgenoot kan leveren.
HOOFDSTUK 2
Belastingheffing op afzonderlijk belastbare inkomsten die bij verdrag zijn vrijgesteld Rijksinwoners zijn in de personenbelasting belastbaar op hun wereldwijd inkomen. Ze moeten hun in het bui tenland verkregen inkomsten opnemen in hun aangifte in de personenbelasting, ook de inkomsten waarvoor de heffingsbevoegdheid op grond van een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting toegewezen is, aan een andere Staat. In het laatste geval wordt dat inkomen vrijgesteld van belasting in België, maar het wordt wel in aanmerking genomen om het belastingtarief te bepalen. Dit is de zogenaamde ‘vrijstelling met progressievoorbehoud”. ‘Ook inkomsten die in beginsel belastbaar zijn tegen een afzonderlijk tarief worden in aanmerking genomen voor het progressievoorbehoud. Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft in twee arresten (dd. 22 oktober 2019 en 17 december 2019) echter geoordeeld dat inkomsten die, als ze niet waren vrijgesteld, in België aan een afzonderlijk tarief zouden worden belast, op basis van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag (DBV) echter moeten worden vrijgesteld zonder progressievoorbehoud. ‘Ook in met andere landen afgesloten DBV's wordt de vrijstelling onder progressievoorbehoud op dezelfde manier geformuleerd als in het Belgisch-Nederlands verdrag waardoor inkomsten uit die landen die, als ze niet waren vrijgesteld, in België aan een afzonderlijk tarief zouden worden belast, op basis van die verdragen dus ook zouden moeten worden vrijgesteld zonder progressievoorbehoud. De regering stelt voor om de vrijstelling zonder progressievoorbehoud van de betrokken inkomsten internrechtelijk te regelen door in artikel 171, WIB 92 te voorzien dat deze inkomsten belastbaar zijn tegen een tarief van 0 %. In een derde hoofdstuk wordt voorgesteld om een bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18,725 % in te voeren voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken. Dit percentage van 18,725 stemt in beginsel overeen met de belasting die op het inkomen verschuldigd is, nl. 25 % belasting op de bezoldigingen na aftrek van 30 % forfaitaire beroepskosten, verhoogd met 7 opcentiemen ten voordele van de Staat of (25 % x 70 % x 107 %). De bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van buitenlandse seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werd in de eerste plaats verhoogd om de voorheffing zo nauw mogelijk te laten aansluiten op de verschuldigde belasting en zo invorderingsproblemen te vermijden. Nu de bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw in beginsel overeenstemt met de verschuldigde belasting, stelt de regering voor om die bedrijfsvoorheffing vanaf aanslagjaar 2022 bevrijdend te maken en zo te vermijden dat deze seizoenarbeiders, die per definitie slechts een beperkte periode in België werken en verblijven en vaak ook geen van de landstalen beheersen, alsnog een aangïfte in de belasting van niet-inwoners moeten indienen. In een vierde hoofdstuk wordt voorgesteld om de wettekst logischer te structureren voor wat betreft de toe te passen volgorde van bewerkingen in de vennootschapsbelasting. Voorheen was deze volgorde van bewerkingen opgenomen in het KB/WIB 92. Ingevolge een opmerking van de Raad van State werd in een voorgaande wetswijziging deze volgorde van bewerkingen overgeheveld van het KB/WIB 92 naar het WIB 92. Het huidige wetsontwerp beoogt enkel om de wettekst logischer te structureren en enkele overbodige wijzigingen te schrappen. Het vijfde hoofdstuk bevat een veelheid aan voorstellen van kleinere wijzigingen en verduidelijkingen. Een in het oog springende voorgestelde verduidelijking heeft betrekking op de aftrekbaarheid als beroepskost van de aankoop van handelsgoederen bestemd voor doorverkoop en de divergerende interpretaties die in de rechtsleer worden gegeven aan rechtspraak van het Hof van Cassatie dienaangaande. Het voorliggende wetsontwerp heeft tot doel te verduidelijken dat de aankoop van handelsgoederen effectief als een beroepskost in de zin van artikel 49 WIB 92 moet worden aangemerkt. Bovendien wordt verduidelijkt dat dergelijke kosten niet onderworpen zijn aan de aftrekbeperkingen vermeld in artikel 53, 7° tot 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Een andere maatregel bestaat erin om de vereenvoudigde methode voor de berekening van de revalorisatiecoëfficiënt inzake het kadastraal inkomen een wettelijke basis te geven. Daarnaast voorziet dit ontwerp in een ficheverplichting voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten. Met deze wijziging wordt tegemoetgekomen aan de intentie die tot uiting kwam in het antwoord dat de minister van Financiën in 2013 gaf op een parlementaire vraag, waarbij de administratie de opdracht werd gegeven om de wijzigingen die aan de wetgeving zouden moeten worden aangebracht teneinde het opmaken van de fiches 281.45 en de opgave 325.45 verplicht te maken, te onderzoeken en uitte werken Dit ontwerp beoogt daarbij tevens een grotere efficientie bij de controle van de aangegeven inkomsten en bij de inning van de belasting. Verder worden in de belastingvermindering voor giften ook samenwerkingsverbanden van OCMW's opgenomen, zodat er ook rekening kan gehouden worden met intergemeentelijke samenwerking tussen OCMW's. Bovendien wordt voor wat betreft de belastingvermindering giften een juiste verwijzing opgenomen voor dierenasielen onder toepassing van het Waals decreet. Wat betreft de ontvangen kapitaalsubsidies wordt een gelijkschakeling voorgesteld voor belastingplichtigen die baten ontvangen met de belastingplichtigen die winsten behalen. Op die wijze zullen ook de belastingplichtigen die baten ontvangen gebruik kunnen maken van een gespreide belasting op de ontvangen kapitaalsubsidies. In
hoofdstuk 6
wordt een technische wijziging voorgesteld aan de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers ingevolge een eerdere wetswijziging en ingevolge een paar voorgestelde aanpassingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge dit ontwerp. Het zevende hoofdstuk stelt een aantal wijzigingen voor aan de programmawet van 2 augustus 2002 en in het bijzonder voor wat betreft de toepassing van een belastingkrediet versus de toepassing van het stelsel van de tonnagetaks. Het laatste hoofdstuk van titel 2 betreft de wettelijke bekrachtiging van enkele koninklijk besluiten inzake de bedrifsvoorheffing
TITEL
3 Wijzigingen van het wetboek diverse rechten en taksen Titel 3 bevat slechts een aantal technische wijzigingen aan het Wetboek diverse rechten en taksen TITEL 4 Wijzigingen van het wetboek der successierechten Titel 4 bevat een wetswijziging die de mogelijkheid voor de Koning beoogt om op te leggen dat de door de beroepsverzekeraars te verschaffen inlichtingen op elektronische wijze moeten worden overgemaakt
TITEL
5 Registratie-, hypotheek- en griffierechten Met de wijzigingen in
hoofdstuk 1
wordt het juridisch kader verfijnd van de applicatie waarmee akten elektronisch kunnen worden overgemaakt aan de Algemene ‘Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, met het oog op de desgevallend gelijktijdige uitvoering van de formaliteiten van de registratie van de akte en van de hypothecaire openbaarmaking ervan. Het gaat in hoofdzaak om het openstellen van het elektronisch platform voor vrijwillig aan de beide formaliteiten aangeboden akten en de verlenging van de termijn voor de aanbieding ter registratie van sommige processen-verbaal in het kader van de openbare verkoop van een onroerend goed.
Hoofdstuk 2
heeft tot doel wijzigingen aan te brengen inzake rolrechten: de termijn voor betaling van het rolrecht wordt nu als te kort ervaren voor veel schuldenaars en de boete die ermee samenhangt stelt bijkomend praktische problemen. Daarom wordt de termijn thans op 30 dagen gebracht. Ook wordt de regelgeving aan het toepassingsgebied van de WMGI aangepast en wordt in de harmonisatie van het invorderings-proces van de Algemene Administratie Inning en Invordering voorzien. Er wordt in een beperkte mogelijkheid tot het treffen van een dading voorzien aangaande de boete voor laattijdige betaling van de rolrechten, TITEL 6 Fiscale procedure en invordering De wijzigingen die door
hoofdstuk 1
worden aangebracht, hebben tot doel om in de artikelen van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, met betrekking tot het scannen van “inkomende” berichten op papier de verwijzing naar het beveiligd elektronisch platform te schrappen. In
hoofdstuk 2
wordt een administratieve vereenvoudiging voorzien van de modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van terug te geven bedragen: het beheer van de terugbetalingen die niet kunnen worden verricht per overschrijving op een bankrekening wordt gestroomlijnd en meer afgestemd op het bestaan van een basisbankdienst en de kosten die aan terugbetalingen verbonden zijn. Overigens beoogt de Algemene ‘Administratie Inning en Invordering via compensatie een verlaging van schulden ten voordele van de burger zonder dat van die laatste nog een actie wordt verwacht. In hoofdstuk drie wordt een inconsistentie rechtgezet met betrekking tot de consultatie van het UBO-register, door de titel vereiste te schrappen wanneer de raadpleging van de gegevens in het UBO-register door een ‘ambtenaar belast met de vestiging van de inkomstenbelasting uitgevoerd wordt. Deze wijziging is des te meer gerechtvaardigd aangezien het UBO-register ook onbeperkt toegankelijk is voor de entiteiten die onderworpen zijn aan de toezichtplicht ten aanzien van hun cliënten in het kader van de antiwitwaswetgeving zoals banken, advocaten, notarissen, boekhouders. ‘Tot slot hebben de leden van deze commissie ongetwijfeld gezien dat aanstaande vrijdag om 14 uur nog een commissie is gepland omtrent het voorliggende ontwerp. Dit heeft te maken met het feit dat nog een reeks regeringsamendementen op dit ontwerp moeten worden aangebracht. Het betreft een reeks wetswijzigingen die zijn goedgekeurd door de regering en die zijn voorgelegd aan de Raad van State voor een advies op 30 dagen. Dat advies heeft de vice-eersteminister deze ochtend ontvangen en zijn administratie stelt alles in het werk ‘om dat advies zo snel mogelijk te verwerken. Daarna, zullen de aangepaste amendementen nog kort worden gevalideerd door de coalitiepartners, waarna ze aan het parlement zullen worden voorgelegd. De vice-eersteminister stelt alles in het werk om aan de leden van deze commissie die regeringsamendementen zo snel mogelijk te bezorgen. Graag wil de vice-eersteminister aan de leden van deze commissie begrip vragen voor de laattijdigheid van die amendementen. Het advies van de Raad van State op het voorliggende ontwerp heeft heel wat langer dan normaal op zich laten wachten. De adviesaanvraag werd ingediend op 27 juli 2021 en een advies zou volgen tegen uiterlijk 10 september 2021. Het advies werd echter pas op afgeleverd op 15 oktober 2021, id est meer dan een maand later dan gepland. Gelet op het feit dat een nieuwe adviesaanvraag moest worden ingediend voor de regeringsamendementen op 30 dagen, heeft de vice-eersteminister pas deze ochtend dat advies ontvangen. Het is belangrijk dat het voorlig gende ontwerp en de regeringsamendementen nog voor de start van het kerstreces kunnen worden afgewerkt, aangezien de meeste bepalingen betrekking hebben op het inkomstenjaar 2021 of reeds in werking treden op 1 januari 2022. Zo bevatten de regeringsamendementen ook de steunmaatregelen voor de getroffen gemeenten van de overstromingen afgelopen zomer. Het is immers vaststaande rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat retroactiviteit in belastingzaken niet kan worden aanvaard. De vice-eersteminister wil de leden van deze commissie alvast van harte bedanken voor hun constructieve houding ter zake.
B. Vergadering van vrijdag 17 december 2021 van de fraudebestrijding, geeft aan dat hij, in navolging van zijn inleidende uiteenzetting over het wetsontwerp afgelopen dinsdag, hierbij graag toelichting geeft bij de ingediende regeringsamendementen. Het betreft een reeks wetswijzigingen die zijn goedgekeurd door de regering en die zijn voorgelegd aan de Raad van State voor een advies op 30 dagen. Dat advies, heeft de vice-eersteminister afgelopen dinsdagochtend ontvangen, en zijn administratie en beleidscel hebben alles in het werk gesteld om de regeringsamendementen, rekening houdende met het advies van de Raad van State, zo snel mogelijk aan het commissiesecretariaat over te maken, wat afgelopen woensdagavond ook is gebeurd. Graag wil de vice-eersteminister nogmaals begrip vragen aan de leden van deze commissie voor de laattijdigheid van die amendementen. Zoals eerder toegelicht heeft het advies van de Raad van State op het wetsontwerp heel wat langer dan normaal op zich laten wachten, namelijk twee maanden in plaats van één maand. 30 dagen, kan de vice-eersteminister pas vandaag die amendementen behandelen in de commissie Financiën. Het is belangrijk dat het voorliggende ontwerp en de regeringsamendementen nog voor de start van het kerst reces kunnen worden afgewerkt, aangezien de meeste bepalingen betrekking hebben op inkomstenjaar 2021 of reeds binnenkort in werking treden. Een laattijdige behandeling zou dus voor de meeste bepalingen aanleiding geven tot rechtsonzekerheid, alsook tot ongewenste praktische gevolgen voor zowel de belastingplichtigen als voor zijn administratie. ‘Ook de voorgaande ministers van Financiën hebben doen op de welwillendheid van de leden van deze commissie om met de nodige spoed fiscale bepalingen te behandelen teneinde een tijdige publicatie, met name voor het einde van het kalenderjaar, in het Belgisch Staatsblad te verzekeren, en op die manier retroactiviteit in belastingzaken te vermijden. Zij hebben daarbij altijd op een constructieve houding kunnen rekenen, en de vice-eersteminister hoopt dat vandaag ook op die van de leden van deze commissie te kunnen doen. De vice-eersteminister wil de leden van deze commissie daarvoor alvast van harte bedanken Wat de inhoud van de regeringsamendementen betreft, kan de vice-eersteminister de leden van deze commissie alvast het volgende meegeven
AMENDEMENT
4 De voorgestelde wijziging zou overeenkomstig artikel 6 van het ontwerp pas van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2022. Dit amendement strekt er toe om die inwerkingtreding te vervroegen naar aanslagjaar 2021, zodat een correcte toepassing van verdragsrechtelijke vrijstellingen voor dat aanslagjaar ook al onmiddellijk in de berekening kan worden toegepast en niet via een zowel voor de belastingplichtige als de administratie zwaardere bezwaarprocedure moet gaan
AMENDEMENT
5 Dit amendement verduidelijkt dat de keuze waarop verliezen worden aangerekend, in de aangifte in de vennootschapsbelasting zelf moet worden vermeld en niet in een bijlage bij deze aangifte. Het betreft de keuze om de verliezen enkel te laten aanrekenen op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, zonder deze aan te rekenen op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd
AMENDEMENT
6 Dit amendement strekt ertoe om potentieel dubbel gebruik tegen te gaan met betrekking tot het Vlaams renovatiekrediet en de federale interestaftrek. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State werd wel een regularisatiemogelijkheid voorzien voor het geval de belastingplichtige niet aan de voorwaarden voor de Vlaamse ondersteuning zou voldoen en aldus zonder regularisatie driemaal gepenaliseerd zou worden
AMENDEMENT
7 Dit amendement strekt ertoe om in navolging van de wet van 25 november 2021 houdende de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit tevens de verwijzing naar de mobilteitsvergoeding te schrappen in artikel 38 van het WIB
AMENDEMENT
8 Dit amendement strekt ertoe de discussie te beëindigen omtrent een ongewilde discrepantie tussen de fiscale behandeling van bepaalde buitenlandse pensioenen en Belgische pensioenen. Deze discrepantie zorgt ervoor dat belastingplichtigen die niet werkzaam waren in het Belgisch economisch systeem, noch als werknemer en noch als ondernemer, een voordeel ontvangen tegenover zij die wel hun professionele carrière en pensioenkapitaal in België hebben opgebouwd. Dit is binnen de eerlijke fiscaliteit, het stimuleren van ondernemerschap en het verhogen van de werkzaamheidsgraad in België, wat principes zijn die in het regeerakkoord zijn opgenomen, niet meer te verantwoorden
AMENDEMENTEN
9 EN 13 Via deze amendementen worden een aantal wijzigingen aangebracht aan de artikelen 64quater en 145% WIB 92, die voorzien in een fiscale ondersteuning aan bedrijven en particulieren voor de aankoop en installatie van laadstations. Het gaat om noodzakelijke wijzigingen naar aanleiding van vragen en opmerkingen vanop het terrein en vanuit de Hoge Raad van de Zelfstandigen en de KMO, AMENDEMENTEN 10 EN 14 Deze amendementen voorzien erin om, gelet op de uitzonderlijke prestaties die aanleiding geven tot winst premies voor atleten, deze onder een gunstig belastingstelsel te brengen. De eerste schijf van 30 000 euro (geïndexeerd bedrag 50 040 euro voor aanslagjaar 2022) wordt gekwalificeerd als een divers inkomen en belast aan 16,5 %. Enkel de premies die worden toegekend door nationale of internationale sportfederaties, Nationale Olympische Comités, Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerk die door het Internationaal Olympisch Comité zijn erkend, vallen onder dit afzonderlijk regime. Dit om mogelijke commerciële sponsorpremies uit te sluiten van het toepassingsgebied
AMENDEMENT
11 Dit amendement voorziet in navolging van de wet van 25 november 2021 houdende de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, in een uitsluiting van het voordeel van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor de aankoop van een elektrisch voertuig in geval van toekenning van een mobilteitsbudget. Het betreft een zuiver technische aanpassing
AMENDEMENT
12 Dit amendement voorziet in een wettelijke basis om de gewestelijke rampenfondsen mee onder de belastingvermindering voor giften te brengen. Zo wordt er gevolg gegeven aan de administratieve praktijk die werd ingesteld na de overstromingen van afgelopen zomer
AMENDEMENTEN
15 EN 16 Deze amendementen bevatten louter technische aanpassingen
AMENDEMENT
17 Mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, wordt vandaag voorzien in een vrijstelling van roerende voorheffing op de interesten die worden voortgebracht door het kapitaal dat is bestemd voor de toekomstige pensioenuitkeringen en dat door een verzekeringsonderneming wordt verleend of toegekend aan een lokaal bestuur. ‘Ten gevolge van een nakende hervorming op niveau van de RSZ, na de fusie met DIBISS (Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels), wil dit amendement rekening houden met die hervorming
AMENDEMENT
18 Naar aanleiding van de vervanging van het wetboek van vennootschappen door het wetboek van vennootschappen en verenigingen is voor de meeste rechtsvormen geen sprake meer van een nominatief genoemd minimumkapitaal. Ingevolge het verdwijnen van deze minimumkapitaalvereiste hebben een heel aantal vennootschappen beslist om de inbreng in de vennootschap te verlagen door een vrijstelling van volstorting van de onderschreven sommen ‘Aangezien het VVPRbis-regime uitsluitend van toepassing is voor de aandelen die volledig volstort zijn, bestaat onduidelijkheid of de aandelen waarvan het initieel onderschreven bedrag nooit werd volstort al dan niet kunnen genieten van het VVPRbis-regime. Het voorliggend ontwerp van amendement wil hieraan verhelpen door expliciet te vermelden dat de initieel onderschreven inbreng volledig volstort moet zijn om te kunnen genieten van het VVPRbis-regime. Er is hierbij voorzien in een overgangsregeling die tot gevolg heeft dat aandeelhouders of vennoten die te goeder trouw hebben besloten hun inbreng in de vennootschap te verminderen, niet worden benadeeld indien zij de betreffende sommen opnieuw ter beschikking stellen van de vennootschap door de volstorting in geld van de aandelen op uiterlijk 31 december 2022
AMENDEMENTEN
19 TOT 21 Deze amendementen beogen om de verschilende artikelen die betrekking hebben op de verschilende vristelin gen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te rangschikken in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
AMENDEMENT
22 Dit amendement beoogt om enkele aanpassingen aan de vrijstelling van doorstorting van bedrjfsvoorheffing voor de opleiding van werknemers aan te brengen, teneinde het toepassingsgebied ervan te verduidelijken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om « de aanrekening van meerdere opleidingen voor de berekening van de minimumduur; « de verduidelijking van de voorwaarde voor de werkgever om de opleiding als “kost” te dragen; « de invulling van de minimale opleidingsduur; « de invoering van een cumul tussen deze vrijstelling en die van sportbeoefenaars; « het wegwerken van inconsistenties tussen de Nederlandse en Franse tekst
AMENDEMENTEN
23, 44 TOT 47 Deze amendementen betreffen enkel spellingscorrecties aan de Franse tekst
AMENDEMENT
24 Dit amendement bepaalt de inwerkingtreding van verschillende artikelen die via voorgaande amendementen aan het voorliggende ontwerp werden aangebracht
AMENDEMENTEN
25 TOT 40 De amendementen 25 tot 40 beogen de European Long Term Investment Funds (ELTIF) in te passen in het Belgische fiscale kader van de bestaande beleggingsvennootschappen. De ELTIF heeft een wettelijk kader dat is vastgelegd door een Europese Verordening die door zijn juridische aard rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten. Deze Verordening vereist niettemin bepaalde uitvoeringsmaatregelen op nationaal niveau, met name wat betreft het fiscale ELTIF-kader, rekening houdend metde exclusieve bevoegdheid van de lidstaten op dat gebied. De voorgestelde aanpassingen komen tegemoet aan het verzoek van de Europese Commissie, die de lidstaten aanspoort om aan ELTIF's dezelfde fiscale behandeling te verlenen als aan soortgelijke nationale regelingen. De voorgestelde aanpassingen om de regeling van het ELTIF-belastingkader te bepalen zijn erop gericht om: - het beleggingsinstrument vennootschapsbelastingneutraal te maken; - economische dubbele belasting voor vennootschappen-investeerders te voorkomen; - en afte zien van roerende voorheffing voor investeerders niet-inwoners. Deze drie maatregelen beogen op ELTIF's belastingmaatregelen mutatis mutandis toe te passen die gemeenschappelijk zijn voor het merendeel van de in België bestaande beleggingsvennootschappen
AMENDEMENTEN
41 TOT 43 Het jaar 2021 werd gekenmerkt door verschillende natuurrampen die in België en andere landen hebben plaatsgevonden. Het betrof in het bijzonder stormen, windhozen en verwoestende overstromingen. De amendementen 41 tot 43 strekken ertoe het plafondbedrag van 500 000 euro te verhogen tot 2 500 000 euro voor giften gedaan in het jaar 2021 door vennootschappen ten voordele van rampenfondsen
AMENDEMENTEN
48 TOT 50 Via de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID19-pandemie werd de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques geldig tot 30 september 2020 verlengd tot 30 september 2021. Gelet op de beperkte bestedingsmogelijkheden van deze cheques afgelopen jaar wegens de aanhoudende COVID-19 pandemie wordt er voorgesteld om de geldigheid van de sport- en cultuurcheques nogmaals te verlengen tot 30 september 2022
AMENDEMENTEN
51 TOT 53 Deze amendementen corrigeren een foute verwijzing in artikel 64 van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie
AMENDEMENT
54 Dit amendement vult de lijst aan van KB's, die bekrachtigd moeten worden, met dat van een KB van 29 september 2021 dat voorzag in een verlenging van het verlaagd tarief van 15 % bedrijfsvoorheffing op de uitkeringen van tijdelijke werkloosheid
AMENDEMENT
55 TOT 57 De inwerkingtreding van deze bepalingen moet samenvallen met de inwerkingtreding van een begeleidende maatregel die op het vlak van Justitie wordt genomen en waarvan de inwerkingtreding op 10 januari 2022 is, bepaald. In het kader van de coronamaatregelen werden de authentieke volmachten voor de vertegenwoordiging van een partij bij een notariële akte tijdelijk vrijgesteld van het recht op geschriften en van het algemeen vast registratie recht, mits de instrumenterende notaris voor het verlijden van de volmacht ook niets in rekening bracht. Gelet op de veelvuldige toepassing ervan in de notariële praktijk kwam vandaar de vraag om deze tijdelijke maatregel te bestendigen. De voorgestelde amendementen komen daaraan tegemoet door de vrijstellingen respectievelijk in te schrijven in het Wetboek diverse rechten en taksen en in het Wetboek der registratie-, hypotheek: en griffierechten. Deze maatregel zal het verlijden van notariële akten blijven vergemakkelijken in het kader van het economisch herstel na de COVID-19-crisis
AMENDEMENT
58 en 59 In het kader van rampen zoals de recente overstromingen is het wenselijk de bemiddeling te bevorderen. Dit amendement heeft daarom tot doel te voorzien in een vrijstelling van het expeditierecht voor de uitgiften, kopieën of uittreksels van een proces-verbaal van minnelijke schikking bedoeld in artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek dat plaats heeft gevonden in het kader van publieke en natuurrampen
AMENDEMENT
60 De belasting niet-inwoners bedoeld in artikel 301 WIB 92 moet worden betaald bij de registratie van de akte. Deze betaling gebeurt voortaan op een rekening beheerd door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering. In tegenstelling tot de oorspronkelijke bepaling, blijft de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering in dit geval, naast de inning, bevoegd voor de invordering van de belasting
AMENDEMENT
61 Dit amendement wijzigt het ogenblik van inwerkingtreding van het betreffende hoofdstuk
AMENDEMENT
62 tot 64 Deze amendementen voorzien een technische correctie die moet worden aangebracht in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de inwerkintreding ervan AMENDEMENT 65 tot 68 Met het oog op administratieve vereenvoudiging beogen deze amendementen de verplichting om een fiche 281.50 op te stellen bij wet af te schaffen wanneer een factuur of een document in de plaats ervan daadwerkelijk is uitgereikt door een belastingplichtige die op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte is gevestigd. Daarnaast mag de drempel waaronder de opmaak van een fiche 281.50 niet langer meer vereist is, niet hoger liggen dan 1 000 euro per jaar per leverancier van goederen of dienstverrichter
AMENDEMENTEN
69 TOT 71 De wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk bevat ook een aantal fiscale bepalingen. Die fiscale bepalingen hebben veelal ook en soms zelfs uitsluitend betrekking op de inkomsten uit de deeleconomie. Deze amendementen hebben tot doel om rechtszekerheid te scheppen en om “lege doos” bepalingen te vermijden. Een wijzigingsbepaling heeft slechts eenmalig uitwerking als gevolg waarvan de ontworpen wijziging plaatsvindt. De buitenwerkingtreding van een wijzigingsbepaling maakt de aangebrachte wijziging niet ongedaan. Daarom wordt artikel 72 van de wet van 24 december 2020 aangepast om de inwerkingtreding van de fiscale bepalingen te verduidelijken. Op die manier worden eventuele discussies over de toepassing van artikel 67 van dezelfde wet en van de door de artikelen 60 tot 66 en 68 van dezelfde wet aangebrachte wijzigingen na 31 december 2021 vermeden
AMENDEMENT
72 tot 74 Deze amendementen voorzien in een kosteloze aflevering en uitvoering van bepaalde documenten en formaliteiten door de Federale Overheidsdienst Financiën in geval van een erkende ramp, zoals er verschillende hebben plaatsgevonden sinds begin juli 2021.
II, - ALGEMENE BESPREKING
A. Vergadering van 17 december 2021 1. Vragen en opmerkingen van de leden
HOOFDSTUK 3
Bevrijdende bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van niet-inwoners die als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw werken A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Sander Loones (N-VA) merkt op dat in de belasting van niet-inwoners het systeem bestaat dat voor seizoenarbeiders in land- en tuinbouw voorzien wordt in de ingehouden bedrijfsvoorheffing en dat het een bevrij dende voorheffing wordt waardoor zij geen aangifte meer moeten doen in de BNI natuurlijke personen. Er wordt een voorwaarde ingevoegd dat de belastingplichtige aan zijn werkgever een door de fiscale administratie van zijn woonstaat uitgereikte woonstaatverklaring bezorgt. Deze nieuwe verplichting wordt ingevoegd bij artikel 7, 2° van het voorliggende wetsontwerp en wordt daarmee ingeschreven in het nieuw artikel 248, $ 1, 2* lid, 1°, c. De spreker heeft hieromtrent een aantal vragen. ‘Waarom wordt de verplichting om een woonstaatattest aan zijn werkgever te overhandigen enkel van toepassing op de onder artikel 248, $ 1, 2% id, 1°, c vermelde belastingplichtigen met uitzondering van a) winsten of baten gehaald of verkregen door vennoten en b) bepaalde zeemannen? Waarom maakt de regering deze keuze om de verplichting op te leggen aan sommige seizoenarbeiders en niet aan andere categorieën? Wat is hiervoor de motivatie? Als dit attest door de belastingplichtige seizoenarbeider niet wordt bezorgd, dat heeft dat tot gevolg dat de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet bevrijdend is en bijgevolg de belastingplichtige een aangifte in de BNI natuurlijk personen moet indienen. Met andere woorden, als de seizoenarbeider dit attest niet bezorgt dan kan hij de facto kiezen tussen ofwel een bevrijdende voorheffing ofwel het indienen van een aangifte. Is deze lezing van de spreker correct? Waarom wordt dit systeem gehanteerd? In artikel 7, 5° van het voorliggende wetsontwerp wordt expliciet voorgeschreven dat de belastingplichtige de woonplaatsverklaring aan zijn werkgever moet bezorgen uiterlijk de dag van de eerste betaling door de werkgever van de bezoldiging van de seizoenarbeider in land- of tuinbouw. Wat zijn de gevolgen wanneer deze handeling niet tijdig plaatsvindt?
HOOFDSTUK 4
De heer Sander Loones (N-VA) bespreekt artikel 12 van het wetsontwerp. In het negende streepje wordt bepaald dat van het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van een bericht van wijziging of een aanslag van ambtswege waarvoor een belastingverhoging van 10 % of hoger effectief wordt toegepast, zich tot deze twee situaties beperkt. Het is niet de wil van de wetgever geweest in 2017 om deze bepaling ook toe te passen wanneer de vennootschap en de inspecteur na een controle zich akkoord verklaren op grondslagen vastgelegd na wederzijds overleg. Randnummer 20 van de circulaire 2019/C/132 is op dit punt onwettig. Het onderscheid tussen de toegestane aftrek van het verlies van het belastbare tijdperk na akkoord en de niet toegestane aftrek na een bericht van wijziging is duidelijk gericht om geschillen te ontmijnen. De heer Loones verwijst bovendien op het antwoord van de minister op een schriftelijke vraag van de heer Joy Donné nr. 714, dat hij erg onbevredigend acht. Verder wijst de heer Loones op pagina 95 van het wetsvoorstel DOC nr. 54 2864/01. Hierin wordt gesteld dat “om de vennootschappen aan te sporen hun aangifteplichten correct te vervullen, zal er, met uitzondering van de DBl-aftrek voor het jaar zelf, voortaan geen fiscale aftrek meer worden toegestaan op de verhogingen van de belastbare grondslag die worden vastgesteld na een belastingcontrole”. En verder wordt gesteld dat: “Deze bepaling zal evenwel slechts worden toegepast in geval van effectieve toepassing van de in artikel 444 WIB'92 vermelde belastingverhogingen tegen eenzelfde of een hoger percentage dan 10 %° [In de gevallen waar een belastingverhoging van 10 pct. van toepassing is, maar deze niet effectief wordt toegepast (bij ontstentenis van kwade trouw) zal de maatregel geen toepassing vinden indien het een eerste overtreding betreft.” De wettekst verwijst in deze duidelijk naar artikel 346 (het bericht van wijziging) en artikel 351 (de aanslag van ambtswege) binnen welke gevallen aftrekken noch compensatie met het verlies mogen worden verricht. Echter, een akkoordverklaring kan niet beschouwd worden als een bericht van wijziging van aangifte, noch als een aanslag van ambtswege. Hierdoor speelt de aftrekbeperking van artikel 207, 7° lid WIB'92 nooit, wanneer er in een akkoordverklaring een verhoging van de belastbare grondslag voorzien wordt. De aftrekbeperking toepassen bij een akkoordverklaring zal alleen leiden tot meer betwistingen terwijl de bedoeling precies omgekeerd is: men wilt weg van het conflictmodel. Het voorgestelde 206/3 5 1, negende streepje WIB92 wijzigt niets aan de verwoording van artikel 207, 7° WIB92 zodat een ruimere administratieve lezing ook hier geen wettelijke basis vindt. De heer Wouter Vermeersch (VB) herinnert eraan dat de Raad van State een aantal bemerkingen had waaraan is tegemoet gekomen. De Raad van State vroeg evenwel om een aantal regels te verduidelijken in een ‘omzendbrief. Hiervoor verwijst de administratie naar de toelichting die bij de aangifte wordt opgesteld. De spreker merkt op dat die toelichting voor vennootschappen niet wordt opgestuurd aangezien de belastingplichtigen ook geen papieren brief meer krijgen. Waarom was deze herschikking van artikelen wenselijk?
HOOFDSTUK 5
De heer Sander Loones (N-VA) bespreekt amendement nr. 2 van de heer Joy Donné (N-VA) op artikel 23 van het ontwerp. Dat amendement heeft betrekking op de inwerkingtreding. ‘Aangezien het wetsontwerp zo laat is ingediend lukt het de Koning nooit om nog voor 21 december 2021 dit wetsontwerp in het Belgisch Staatsblad af te kondigen zodat artikel 22 van het wetsontwerp inwerking treedt uiterlijk op 30 december 2021. Bijgevolg zullen de artikelen 56 tot 65 van voormelde wet van 27 juni 2021 niet zijn ingetrokken op 31 december 2021 en dus in werking treden.
Artikel 22 treedt in werking de tiende dag na publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 22 trekt de bepalingen van artikel 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 houdende diverse bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld in De artikelen 56 tot 65 van voormelde wet omvatten de artikelen 207/1 tot 207/9 WIB92 die integraal vervangen worden door de artikelen 9 tot 17 van dit wetsontwerp. De artikelen 56 tot 65 van voormelde wet treden in werking op 31 december 2021 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022 (art. 96 van de wet van 27 juni 2021). De artikelen 9 tot 17 van het wetsontwerp treden in werking de dag dat deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. De boekjaren die afsluiten op 31 december 2021 zijn verbonden aan het aanslagjaar 2022. In de veronderstelling dat dit wetsontwerp nog wel voor 1 januari 2021 wordt afgekondigd in het Belgisch Staatsblad zullen op 31 december 2021 bijgevolg twee reeksen van bepalingen gelden mbt. de volgorde voor de bewerkingen in de vennootschapsbelasting. Een amendement is noodzakelijk zodat artikel 22 in werking treedt de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad in de hoop dat deze wet op 30 december 2021 wordt afgekondigd. De heer Wouter Vermeersch (VB) c.s dienen amendement nr. 1 (DOC XXX) in ter vervanging van artikel 24 van het ontwerp. De heer Vermeersch licht het amendement toe. Er wordt verwezen naar de schriftelijke toelichting. De heer Sander Loones (N-VA) bespreekt artikel 24/1 (amendement nr. 6 van de regering). Van de bruto onroerende inkomsten mogen de intresten worden afgetrokken van leningen die rechtstreeks werden aangegaan om onroerende inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het amendement nr. 6 voorziet dat regionale intreststeun voor energierenovaties niet mogen worden afgetrokken van aftrekbare intresten van de bruto onroerende inkomsten. Is er overleg geweest met de Gewesten over deze wijziging? Wanneer heeft dat overleg plaatsgevonden? Wat was het standpunt van de drie gewesten? De heer Loones komt dan terug op artikel 25/2 (amendement nr. 8 van de regering). Amendement nr. 8 wijzigt de belastbaarheid van de in het buitenland opgebouwde pensioenen. Het amendement beoogt pensioenen opgebouwd in het kader van een buitenlands pensioenstelsel in België te belasten. Het Belgisch standaardmodel voor dubbelbelastingverdragen voorziet echter in het omgekeerde. Wanneer buitenlandse pensioenen hebben geleid tot een belastingvoordeel mogen die pensioenen ook in die staat worden belast. Het kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting dat gepensioneerden met een in het buitenland opgebouwd pensioen in de bron- en woonstaat worden belast (geen dubbelbelasting). Volgens de heer Loones is er gezegd dat de regering met deze wetswijziging druk wenst te zetten op Nederland in het kader van het nieuwe dubbelbelastingverdrag dat België met Nederland onderhandelt. Is dat zo? Welk standpunt wordt door de Belgische onderhandelaars ingenomen over de in Nederland opgebouwde aanvullende pensioenen? De heer Loones verwijst naar de mondelinge vraag nr. 55018335C van 30 juni 2021 van de heer Joy Donné waaruit blijkt dat de administratie een voorstel van interpretatieve wet voorbereidt. De administratie meent blijkbaar dat de belastingplichtige ongelijk heeft omdat op haar verzoek het parlement even de spelregels in hangende geschillen zou willen aanpassen. In een rechtstaat betaamt dat uiteraard niet. Toen antwoordde de minister als volgt: “Mijn administratie gaat momenteel na welke wettelijke oplossingen mogelijk zijn voor dit aanslepende probleem. Ik zal hun voorstellen samen met mijn beleidscel onderzoeken, met de bedoeling een uitgewerkt ontwerp aan de regering voor te leggen. Hiervoor is er nog concreet tijdspad ” Wat de regering vandaag voorlegt is inderdaad geen interpretatieve wet. De wijziging in amendement nr. 8 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022 (de heer Loones verwijst naar amendement nr. 24 op artikel 46 van het wetsontwerp). De spreker vraagt wat de houding zal zijn van de administratie ten aanzien van de hangende geschillen die sommige gepensioneerden al jaren voeren? Mogen deze belastingplichtigen verwachten dat de administratie de talrijke procedures zal staken en dus akkoordconclusies zal neerleggen? Of blijft zij tergend procederen, wetende dat een wetswijziging nodig is om haar gelijk voor de toekomst te bewerkstellingen? De heer Loones buigt zich dan over artikel 26.
Artikel 26 vult artikel 52 WIB92 aan met een bepaling onder 13° die voorziet dat handelsgoederen, grondstoffen en hulpstoffen zoals omschreven in Rubriek ILA. van artikel 3:90 KB/WVV worden aangemerkt als beroepskosten. De memorie van toelichting (p. 18) verwijst naar drie cassatiearrest van 17 september 2020. Handelsgoederen zijn in principe aftrekbare beroepskosten. Maar als ze op het einde van het belastbaar tijdperk niet verkocht of verwerkt zijn en de kosten niet op het fiscaal resultaat drukken (omdat ze geactiveerd werden als voorraad of de belastingplichtige ze in de personenbelasting niet van het brutoresultaat in mindering brengt), dan vallen die kosten buiten de werkingssfeer van artikel 49 WIB92. De fiscus mag ze niet verwerpen. De fiscus draagt dan de bewijslast of de voorraad al dan niet correct is gewaardeerd.
Artikel 52 WIB92 somt een aantal uitgaven op die inzonderheid als beroepskosten worden aangemerkt. Daar wordt nu aan toegevoegd: handelsgoederen, grondstoffen en hulpstoffen. De formulering “worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt”, impliceert wel een verwijzing naar artikel 49, en de voorwaarden uit dat artikel blijven dus van toepassing. De Raad van State is in haar adviezen duidelijk. De toevoeging in artikel 52, 13° dat handelsgoederen en grondstoffen in principe beroepskosten zijn, werd reeds in 1919 aangenomen. In de parlementaire voorbereiding van artikel 26, $ 2 van de Wet van 29 oktober 1919 werd omschreven dat ze (naast de uitdrukkelijke wettekst) als bedrijfsuitgave moet worden beschouw. Daaronder vielen o.a. “de aankoopprijs der verkochte waren en der grondstoffen benuttigd voor den verkoop of de voortbrenging”. Volgens de rechtsleer was het dus de bedoeling van de wetgever dat de aankoopprijs, van verkochte handelsgoederen een beroepskost zou uitmaken, De fiscus mag dus de aftrek verwerpen van aankoopkosten voor handelsgoederen of grondstoffen die niet verkocht of verwerkt werden, maar wel in aftrek van het resultaat werden gebracht. De goederen maken in dat geval activa uit of ze nu in de inventaris als voorraad voorkomen of niet. In geval van niet-opname van de niet verkochte handelsgoederen in de voorraad is er sprake van een onderschatting van activa. De aankoopkosten van de handelsgoederen of grondstoffen kan aan de verworpen uitgaven worden toegevoegd omdat ze geen verarming uitmaken en dus ook geen kosten mogen zijn. Daarvoor heeft de fiscus artikel 49 WIB92 niet nodig. Maar voor de fiscus toekomt aan artikel 49 WIB92 dient hij eerst te bewijzen dat de aankoopkosten van de niet-verkochte handelsgoederen of grondstoffen op het resultaat drukken. Met andere woorden dat zij afgetrokken zijn van de brutowinst en/of zij niet zijn opgenomen in de voorraad. Volgens de cassatiearresten van 17 september 2020 moet de fiscus bewijzen dat de goederen niet verkocht werden en dat zij niet in de voorraad voorkomen. Dit veronderstelt dat de fiscus voorafgaande aan de toepassing van artikel 49 WIB92 hij een voorraadanalyse moet doen. De aankoopkosten van verkochte of verwerkte goederen die op het fiscaal resultaat drukken (wat de fiscus moet bewijzen), kunnen verworpen worden als de belastingplichtige niet bewijst dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan (in de praktijk enkel als, hij bewijs van de echtheid of het bedrag van de kost niet voorligt) ‘Alhoewel de memorie van toelichting helemaal niet spreekt over de lastige bewijslast die rust op de schouders van de fiscus, vermoedt de spreker dat artikel 26 van het wetsontwerp tot doel heeft die bewijslast te verschuiven naar de belastingplichtige. Is dat zo? Zo ja vraagt het lid zich af of dit de juiste aanpak is. De vraag rijst of het voorgestelde artikel 52, 13° WIB92 wel de oplossing is, aangezien het niets anders is dan een voorbeeld van kosten die in artikel 49 WIB92 in principe aftrekbaar zijn. Daar was de wetgever al duidelijk over in 1919. Het voorgestelde artikel 52, 13° WIB92 wijzigt niets aan de voorafgaande voorwaarde dat de fiscus moet bewijzen dat de aankoopkosten van de niet-verkochte handelsgoederen werd afgetrokken van de brutowinst enlof de goederen niet zijn opgenomen in de voorraad. Wat wil de regering in feite bereiken met voorgestelde artikel 52, 13° WIB92? De heer Loones bespreekt dan artikel 29 over auteursrechten. Deze bepaling voorziet dat er verplicht fiches voor auteursrechten en naburige rechten zullen moeten worden opgemaakt door de schuldenaars van dit inkomen. Volgens de spreker rijst de vraag of er geen schending is van het only-once principe. De schuldenaars van auteursrechten en naburige rechten zullen voortaan dezelfde gegevens tweemaal moeten meedelen aan de fiscus: een eerste maal bij de aangifte in de roerende voorheffing en een tweemaal via de fiches 281.45 en de opgave 325.45. De spreker vraagt vervolgens verduidelijking over amendement nr. 9 van de regering (artikel 29/1). Dit amendement brengt enkele verduidelijkingen aan de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit. Volgens die wet geldt er een verhoogde aftrek voor de installatie van laadpalen die geïnstalleerd worden sinds 1 september 2021. De technische vereisten worden aangescherpt. De meldingsplicht van de technische gegevens bij het Europese observatorium voor alternatieve brandstoffen wordt vereenvoudigd. Heeft deze wetswijziging tot gevolg dat er reeds geïnstalleerde laadpalen niet meer in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek? Daar nu op terugkomen is vandaag juridisch geen terugwerkende kracht maar feitelijk zullen zij die recent laadpalen hebben laten plaatsen die niet voldoen aan de bijkomende voorwaarden zich wel bekocht voelen. Dat is niet goed voor het vertrouwen in het beleid. De heer Wouter Vermeersch (VB) stelt zich vragen over amendement nr. 6 van de regering. Dit amendement sluit de federale intrestaftrek uit indien er Vlaamse rentesubsidies werden verkregen. Ditis voor de spreker een onaanvaardbare inmenging door het federale niveau in het Vlaams beleid. Is er overleg gepleegd? Daarnaast stelt de heer Vermeersch vast dat initieel de intrestaftrek verloren bleef indien de rentesubsidies naderhand moeten worden terugbetaald. Dit werd geschrapt na advies van de Raad van State die deze bepaling in strijd met het gelijkheidsbeginsel achtte. Verder stelt de heer Vermeersch vast dat artikel 25 een vergeten categorie van roerende inkomsten toevoegt die afzonderlijk belast worden aan 10 %. Over welke inkomsten gaat het hier precies? Amendement nr. 10 van de regering gaat over een belastingvoordeel voor sporters die op internationale toernooien als vertegenwoordiger van hun land een prijs krijgen voor een uitzonderlijke prestatie. Toernooien als, Iron Man worden niettemin uitgesloten omwille van hun commercieel karakter. De Raad van State is van oordeel dat dit strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. De Raad wijst op een verschil in behandeling al naargelang het soort toernooi (wat onvoldoende is om verschil in behandeling te rechtvaardigen) en op het onderscheid dat men maakt met bijvoorbeeld geleerden en kunstenaars. De heer Vermeersch is niet overtuigd door de door de regering gegeven bijkomende verantwoording. Amendement nr. 17 van de regering heeft betrekking tot vrijstelling van roerende voorheffing op intresten voor kapitalen voor bepaalde pensioenuitkeringen bij lokale besturen. Voor de heer Vermeersch is de draagwijdte van deze bepaling onduidelijk. Hij heeft bovendien niet over voldoende tijd kunnen beschikken om dit te onderzoeken en kan deze bepaling dus niet goedkeuren. Amendement 18 is volgens het lid echt problematisch. Voortaan wordt expliciet in de wet vermeld dat de initieel onderschreven inbreng volledig volstort moet zijn ‘om te kunnen genieten van het VVPR regime. Wanneer moet die voorwaarde vervuld zijn? Moet die voorwaarde blijvend vervuld zijn tot het moment van dividendtoekenning? Is het voldoende dat de initiële inbreng op enig moment volledig in geld is gestort - zonder dat er ontheffing is van volstortingsverplichting -, zodat er dan nadien dividenden aan de verlaagde RV tarieven kunnen toegekend worden. Het huidige amendement vereist immers niet dat de volgestorte inbreng behouden blijft. Een latere uitkering aan de verlaagde RV-tarieven op een moment dat de initiële volgestorte inbreng reeds verminderd is, is in de huidige stand van het amendement mogelijk. Als dat de interpretatie is van die voorwaarde, waarom moeten vennootschappen opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld, die ter goeder trouw een vrijstelling van volstortingsverplichting hebben doorgevoerd, hun vrijstelling van volstortingsverplichting dan gaan herstellen tegen eind 2022 om de VVPR-regeling niet te verliezen? Deze vennootschappen kunnen dan na 2022 terug hun kapitaal verminderen met behoud van het VVPR statuut. Waarom wil de wetgever dat al die BV's onnodig opnieuw naar de notaris gaan om hun doorgevoerde vrijstelling van volstortingsverplichting te ‘regulariseren teneinde hun VVPR stelsel te behouden? Een nieuw notarisbezoek is vereist vermits een kapitaalverhoging zonder uitgifte van aandelen door een BV overeenkomstig art. 5 120 WVV dient te gebeuren met authentieke akte. Is er hier sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel als vennootschappen - waarvan hun inbreng reeds volledig volstort is - hun VVPR-kapitaal kunnen verminderen zonder verlies van het VVPR statuut terwijl vennootschappen met eenzelfde onderschreven bedrag die ervoor ter goeder trouw gekozen hebben om hun nietopgevraagd VVPR.-kapitaal kwijt te schelden, verplicht zijn om hun inbreng terug te verhogen tot hun initiële engagement om de VVPR-regeling niet te verliezen? Wanneer het de bedoeling is dat de initieel onderschreven inbreng volledig volstort moet zijn op datum van dividendtoekenning aan de verlaagde roerende voorheffinfgstarieven, wat is dan het lot van BV's opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met volledig volstorte inbreng in geld van 18 550,00 EUR die ondertussen de inbreng aan hun aandeelhouders hebben terugbetaald en zo bijvoorbeeld nog een symbolische euro als kapitaal of inbreng hebben overgehouden? Deze vennootschappen hebben gebruik gemaakt van de nieuwe bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en zouden daardoor vanaf 1 januari 2022 hun VVPR statuut kwijt zijn. Is dat dan niet discriminerend ten opzichte van vennootschappen die na 30 april 2019 met één symbolische euro zijn opgericht? Daarnaast stelt het id zich vragen over het bedrag van de kapitaalverhoging ingeval van toepassing van het overgangsregeling. De vennootschappen opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld, die vrijstelling van volstortingsverplichting hebben doorgevoerd en tegelijkertijd hun kapitaal verder hebben verminderd tot 1 EUR door terugbetaling aan de aandeelhouders, moeten terug hun kapitaal verhogen als ze het VVPRregime niet willen verliezen. Mag die verhoging beperkt worden tot het bedrag van de vrijstelling van volstortingsverplichting of moet dat het bedrag van de vrijstelling van volstortingsverplichting alsook het bedrag van de reële kapitaalvermindering zijn? Eindelijk bespreekt het id de overgangsregeling voor vennootschappen die vrijstelling van volstortingsplicht hebben verricht in een bepaalde periode. De vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 hebben beslist om over te gaan tot. een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen, moeten hun inbreng terug verhogen om de VVPR.regeling niet te verliezen. Waarom wordt hier als datum 15 december 2021 gekozen en niet de datum van bekendmaking van die overgangsregeling in het Belgisch Staatsblad? Veronderstel dat een vennootschap vandaag op 17 december 2021 bij de notaris haar statuten aanpast aan de nieuwe bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en tegelijkertijd een ontheffing van volstortingsverplichting doorvoert. Die vennootschap verliest daardoor vanaf 1 januari 2022 definitief haar VVPR statuut want er is voor haar geen herstelmogelkheid meer. Hoe kon deze vennootschap op de hoogte zijn van de op de til zijnde wijzigingen? De heer Vermeersch komt dat terug op artikel 43. Dat artikel wordt geamendeerd door amendement nr. 22. De Raad van State had bedenkingen omtrent de mogelijke retroactiviteit. Het gaat om een complexe herwerking van de regeling met betrekking tot vrijstelling doorstorten Voor de spreker is er onvoldoende tijd om de gevolgen van deze bepaling te kunnen onderzoeken en begrijpen. Het lid kan deze bepaling dus niet ondersteunen.
Artikel 46 werd geamendeerd met amendement nr. 24. Deze bepaling heeft opnieuw betrekking tot de uitsluiting van intrestaftrek (zie artikel 24/1) die voor het lid onaanvaardbaar is. De spreker merkt op dat de af trekbaarheid voor giften aan samenwerkingsverbanden OCMW retroactief ingaat, terwijl retroactiviteit in principe vermeden moet worden.
HOOFDSTUK 5/1
De heer Wouter Vermeersch (VB) stelt vast dat de amendementen nrs 25-tot 36 het fiscaal regime voor een nieuw type van rechtspersoon introduceren, met name de European Long Term Investment Fund. Men kan bezwaarlijk voorhouden dat dit een dringende aangelegenheid is die niet via een normale wetgevende procedure kan geregeld worden. Voor de spreker is het niet aanvaardbaar om een dergelijke complexe regeling op een drafje door het parlement te jagen. Ook de Raad van State had bedenkingen bij de voorgestelde regeling. De heer Vermeersch vraagt meer informatie om dit grondig en met kennis van zaken te kunnen bespreken. HOOFDSTUKKEN 5/2, 5/3, 6, 7 EN 8 Over deze hoofdstukken worden geen opmerkingen gemaakt
TITEL
Ill - TITEL IV Over titel Il en titel IV worden geen opmerkingen Modaliteiten en voorwaarden van de terugbetaling van de in toepassing van het Wetboek. van de inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen Artikel 78 De heer Joy Donné c.s. dient het amendement nr. 3 in (DOC 55 2351/00x) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 304/1, $ 2, eerste en tweede lid, de woorden “derde jaar” telkens te vervangen door de woorden “tiende jaar”. De heer Sander Loones (N-VA) legt uit dat dit amendement tot doel heeft de termijn waarna bedragen onder de 50 euro niet worden terugbetaald, af te stemmen op de zakenrechtelijke verkrijgende verjaringstermijn volgens het nieuwe Burgerlijk Wetboek, die in beginsel 10 jaar bedraagt (art. 3:27 BW). Vandaag ontvangen de mensen die geen bankrekening hebben, maar wel recht hebben op een teruggave van de belastingen, een uitbetaling via postassignatie of een internationaal mandaat. Als het echter over kleine bedragen gaat, is deze procedure niet nuttig. Immers, de kosten van de assignatie of het mandaat zijn soms hoger dan het bedrag dat moet worden teruggegeven. Vandaar de in artikel 78 van het wetsontwerp voorgestelde oplossing om die bedragen ter beschikking te houden van de bijzondere fiscale en niet-fiscale schuldvergelijking. De heer Loones beoordeelt dit als positief. Als de belastingplichtige dan later een fiscale schuld moet betalen, kan dit gecompenseerd worden. Over het principe is de heer Loones het eens, maar waarom kan het terug te geven bedrag maar worden vergeleken tot het einde van het derde jaar dat volgt op het jaar in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan? Met het amendement nr. 3 beoogt de N-VA-fractie de verjaringstermijn op 10 jaar te brengen. Dit naar analogie met de zakenrechtelike verkrijgende verjaringstermijn volgens het nieuwe Burgelijk Wetboek die in beginssel Wijziging van artikel 322, $ 1, derde lid, van het Wetboek Inkomstenbelasting 1992, met betrekking tot de gemachtigden die toegang hebben tot het UBO-register De heer Wouter Vermeersch (VB) vraagt of hij het juist begrepen heeft dat alle ambtenaren van financiën de gegevens van het UBO-register konden raadplegen, maar voor de ambtenaren, belast met de inning, de bijkomende voorwaarde wordt gesteld dat deze ambte naren minstens de graad van attaché moeten hebben. Werd deze bijkomende voorwaarde niet ingevoerd als toegift op de kritiek met betrekking tot het respect voor de privacy? Werd dit artikel voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit? In het advies van de GBA vindt de spreker hierover niets terug. 2. Antwoorden van de minister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding, antwoordt als volgt op de vragen en opmerkingen van de leden. Op de vraag waarom de verplichting betreffende het woonstaatattest enkel van toepassing is op de groepen bepaald in artikel 248, 5 1, 1°, c), antwoordt de minister dat het woonplaatsattest wordt gevraagd omdat in de praktijk gebleken is dat het voor deze groep van belastingplichtigen niet evident is om over de juiste identificatiegegevens te beschikken. In het kader van de uitwisseling van gegevens is het van belang om deze belastingplichtigen correct te kunnen identificeren. Voor de andere groepen van belastingplichtigen werden dergelijke problemen niet gemeld. Als het attest niet is, bezorgd, geldt in principe het stelsel van de bevrijdende voorheffing niet en moet de belastingplichtige een aangitte indienen. Ook wanneer er een attest is ingediend, kan de belastingplichtige ervoor opteren om een aangifte in te dienen, bv. wanneer hij zijn werkelijke beroepskosten wil bewijzen. Deze regeling is tot stand gekomen op vraag van en in overleg met de sector. Uit het overleg met de sector is gebleken dat het sluiten van de arbeidsovereenkomst of uiterlijk de betaling van het loon, het meest geschikte moment is voor de werkgever om de identificatiegegevens te vragen. Mocht blijken dat deze nieuwe regeling in de praktijk aanleiding geeft tot problemen, dan kan dit opnieuw worden bekeken. Gemene bepalingen en volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen Artikelen 9 tot 12 Met betrekking tot de vragen van de heer Loones over de artikelen 9 tot 12, antwoordt de minister dat de fiscale procedure bij wet wordt bepaald. Gelet op het teit dat het fiscaal wettelijkheidsbeginsel hier niet wordt geschonden, maar door de invoeging van deze bepaling net wordt gehonoreerd, worden de procedureregels in casu niet geschonden, maar wordt van een conflict juist naar een horizontale dialoog verschoven, wat de discussie net voorkomt, in plaats van in de hand werkt. De minister neemt akte van de opmerking van de heer Loones met betrekking tot artikel 12, 9% streepje. Via artikel 12 in ontwerp worden de aftrekbeperkingen die in verschil lende artikelen waren opgenomen, gecentraliseerd in één artikel. De inhoud van de bepaling waarnaar de heer Loones verwijst, is niet gewijzigd. Voor wat de vraag betreft met betrekking tot het bericht van wijziging, verwijst de minister naar zijn antwoord over de fiscale procedure. Op de vraag van de heer Vermeersch, die verwees naar het advies van de Raad van State, waar verduidelijkingen werden gevraagd in een op te stellen omzendbrief, antwoordt de minister dat de herschikking noodzakelij is om de wet overzichtelijk en transparant te houden en te vermijden dat verschillende artikelen moeten worden samen gelezen om de correcte reikwijdte ervan te begrijpen. Door de vorige wet diverse bepalingen waren de oude in het KB/WIB 92 opgenomen regels in het WIB 92 opgenomen, zonder er daadwerkelijk in te zijn geïntegreerd. Dit ontwerp voorziet de daadwerkelijke inhoudelijke integratie ervan. In de vraag werd verwezen naar het feit dat de toelich‘ing niet automatisch aan de belastingplichtigen wordt bezorgd aangezien deze de aangifte via elektronische weg indienen. Een omzendbrief, waarnaar in het advies van de Raad van State wordt verwezen, wordt echter evenmin op automatische wijze aan de belastingplichtige bezorgd. De toelichting bij het aangifteformulier kan echter wel op eenvoudige wijze op de website van de FOD Financiën worden geraadpleegd.
Artikel 22 Op het door de heer Joy Donné c.s. ingediende ‘amendement nr. 2 op artikel 22 van het wetsontwerp, antwoordt de minister als volgt. Een intrekkingsbepaling behoeft geen inwerkingtredingsbepaling want de intrekking zorgt ervoor dat deze artikelen geacht worden nooit te hebben bestaan en nooit uitwerking te hebben gehad vanaf het ogenblik dat de intrekkingsbepaling in het Belgisch Staatsblad is verschenen. Het amendement zou nuttig geweest zijn indien het een opheffingsbepaling zou zijn, maar het is niet nodig aangezien het een intrekking betreft. ‘Andere wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Artikel 24/1 (nieuw) De voorgestelde maatregel is er gekomen op uitdruk kelijk verzoek van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme. Minister Demir wou vermijden dat er een dubbel gebruik ontstond tussen de Vlaamse ondersteuning en het federale belastingvoordeel Artikel 25 Op de vraag van de heer Vermeersch welke inkomsten bedoeld worden met een vergeten categorie van beroepsinkomsten, antwoordt de minister dat het gaat ‘om het voorzien van een ficheverplichting voor de inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten. Het is voor de minister daarenboven niet duidelijk hoe de heer Vermeersch komt bij een uitbreiding van de taxatie aan 10 %, zoals het lid beweert. Het doel is om de auteursrechten en de naburige rechten uitdrukkelijk toe te voegen aan de inkomsten die op individuele fiches en samenvattende opgaven verantwoord moeten worden. Zo is er een volledig zicht op alle auteursrechten die worden uitbetaald.
Artikel 25/2 (nieuw) Deze bepaling wordt ingevoerd om ervoor te zorgen dat er géén ongelijke behandeling bestaat tussen Belgische en grensoverschrijdende pensioenen. Deze bepaling strekt zich niet uit tot één dubbelbelastingverdrag. Gelet op de doelmatigheid van dubbelbelastingverdragen op zich, leidt deze wetswijziging geenszins tot enige dubbele belasting, maar remedieert zij aan een situatie van dubbele niet-belasting. De memorie van toelichting gaat reeds uitgebreid in op de vraag van de heer Loones. De belastingplichtigen zullen nog steeds moeten aantonen, zoals in het verleden steeds het geval was, dat het hier gaat over een individuele levensverzekering en geen collectief pensioen. Het is inzake dat verschil dat deze wetswijziging kadert. In hangende discussies zal de fiscale administratie over de feitenkwestie hetzelfde standpunt blijven innemen. De rechter oordeelt uiteraard soeverein over die feitenkwestie. Artikelen 26 tot 28 De heer Loones gaf een overzicht met betrekking tot de aftrekbaarheid van beroepskosten en de relatie met de principes van de kosten ter uitbreiding van de onderneming, die niet aftrekbaar zijn. Het betreft immers een onderschatting actief. Het is hier de bedoeling te verduidelijken dat alle kosten met betrekking tot de aankopen van handelsgoederen ook moeten voldoen aan de aftrekvoorwaarden van artikel 49, met inbegrip van het staven van de kosten aan de hand van bewijsstukken.
Artikel 29 In verband met het artikel 29 met betrekking tot de auteursrechten, is er bij de totstandkoming van deze bepaling is er effectief rekening gehouden met het “only once principe”. Deze bepaling vloeit voort uit een duidelijke intentie die werd geuit in het antwoord dat de toenmalige minister van Financiën in 2013 gaf op een parlementaire vraag, waarbij de administratie de opdracht werd gegeven om de wijzigingen die aan de wetgeving zouden moeten worden aangebracht teneinde het opmaken van de fiches 281.45 en de opgave 325.45 verplicht te maken, te onderzoeken en uit te werken. Het is tevens noodzakelijk voor een efficiëntere controle. Er is vandaag immers geen wettelijke grondslag ‘om fiches op te stellen en te bezorgen aan de administratie, waardoor de administratie er moeilijker controle op kan uitoefenen.
Artikel 29/1 De voorgestelde wijziging heeft tot doel om te vermijden dat de belastingplichtige informatie aan de FOD Financiën moet overmaken, die hij via andere wegen al bekend heeft gemaakt. Hiermee wordt de administratieve last bij de belastingplichtige zoveel als mogelijk beperkt. Verder wordt nog eens expliciet verduidelijkt dat laadkabels niet in aanmerking komen voor de fiscale voordelen. Dat zij niet in aanmerking zouden komen, was altijd de intentie van de wetgever. Het is naar aanleiding van de vraag van een leverancier van laadkabels om zich via de FOD Economie te laten opnemen op de lijst met laadstations die aan de technische voorwaarden van deze fiscale voordelen voldoen, dat dit in de wet opgenomen wordt. Zo worden weerkerende vragen van aanbieders van laadkabels in de toekomst vermeden Artikel 29/2 Op de opmerking van de heer Vermeersch dat - voor wat de uitzonderlijke sportieve prestaties betreft = bepaalde toernooien onterecht worden uitgesloten, antwoordt de minister dat de verantwoording bijkomend is aangevuld naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Voor wat betreft de vraag naar de specifieke casus “Iron Man”, is het de intentie om sportevenementen, georganiseerd door commerciële organisaties, niet in aanmerking te laten komen. Het gaat immers om “uitzonderlijke prestaties” en het belang dat aan die prestaties wordt gehecht, wat wordt veruitwendigd door te refereren naar instanties die door het IOC zijn erkend. Het verschil met de kunstenaars en geleerden wordt verantwoord op basis van het gegeven dat sporters, eventueel over verschilende sporttakken heen, per belast baar tijdperk aan meerdere kampioenschappen kunnen deelnemen en de prijzen op deze kampioenschappen gemiddeld ook hoger liggen dan deze toegekend aan kunstenaars, geleerden en schrijvers.
Artikel 42/2 Voor wat het op artikel 42/2 ingediende amendement nr. 18 van de heer Vermeersch betreft, antwoordt de minister als volgt op de verschillende vragen. Het is inderdaad noodzakelijk maar voldoende dat er een volledige volstorting in geld heeft plaatsgevonden. Een latere vermindering van de effectief gestorte bedragen is geen beletsel voor de latere toepassing van de WVPRbis-regeling. De ratio legis van de VVPRbis-regeling in 2013 was inderdaad het aantrekken van kapitaal. Door de omvorming van het Wetboek van Vennootschappen (het zogenaamde Wenn.) tot het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (het zogenaamde WVV) is voor het merendeel van de vennootschappen de notie kapitaal afgeschaft in de zin van het vennootschapsrecht. Naar aanleiding van de aanpassingen aan het WIB 92 ingevolge de afschaffing van de vennootschapsrechtelijke kapitaalsvereiste, is er een onduidelijkheid ontstaan voor wat betreft de vennootschappen die, ingevolge hun omzetting van een kapitaalhoudende vennootschap naar een kapitaalloze vennootschap, aan de aandeelhouders een vrijstelling hebben toegestaan van de initieel beloofde inbreng. Het is dus de bedoeling om de fiscale onzekerheid met betrekking tot de aldus ontstane situatie op te lossen. Wat betreft de opmerking dat bij een verhoging van de inbreng bij een Besloten Vennootschap (een BV), deze verhoging van de inbreng notarieel moet worden geacteerd, is de minister van Financiën niet bevoegd. Dit betreft een expliciete bepaling uit het wetboek van vennootschappen en verenigingen. Specifiek voor wat betreft de vraag van de heer Vermeersch of er een schending is van het gelijkheidsbeginsel tussen de categorie uit het verleden en de categorie van heden, antwoordt de minister dat, gelet op het feit dat er een materieel verschil bestaat tussen de twee categorieën kan er geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Van zo'n schending kan principieel slechts sprake zijn wanneer een verschillende behandeling voorligt van dezelfde gevallen of wanneer sprake is van een gelijke behandeling van verschillende gevallen. De verschilende behandeling is, in deze gerechtvaardigd door de verschillende situatie (wan volstorting) waarin de onderscheiden categorieën zich bevinden. Op de vraag van de heer Vermeersch of de verhoging van het bedrag voor de volstorting beperkt mag worden tot het bedrag van de vrijsteling of gelijk moet zijn aan de reële statutaire kapitaalswaarde, antwoordt de minister dat het initieel beloofde bedrag bij de initiële inbreng moet volstort zijn. Er is geen beletsel dat er nadien een kapitaalvermindering zou hebben plaatsgevonden. Europese lange termijnbeleggingsinstellingen Op de opmerking van de heer Vermeersch dat de bepalingen in dit hoofdstuk toch niet hoogdringend zijn, antwoordt de minister dat dit hoofdstuk van belang is voor de operationalisering van het transitiefonds, dat zo snel als mogelijk moet worden geoperationaliseerd, onder meer ‘om de beheerders van dat fonds rechtszekerheid te bieden over de fiscale behandeling van dat transitiefonds. Wijzigingen van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten Artikelen 56 tot 66 De minister dankt de heer Loones voor zijn voorstellen tot herschikking van de artikelen 56 tot 66, maar wijst erop dat de voorgestelde bepaling aangaande de inwerkingtreding niet zou bijdragen tot een praktischere organisatie. De in het wetsontwerp opgenomen regeling is overigens doorgesproken met de Federatie van het notariaat. Op vraag van de heer Vermeersch waarom de door de Raad van State voorgestelde wijziging niet werd doorgevoerd, antwoordt de minister dat de voorgestelde wijziging wel degelijk werd doorgevoerd, maar in het enkelvoud. Verbetering in de diverse fiscale wetboeken en wetten van de artikelen met betrekking tot de scanning van inkomende berichten onder gesloten omslag verzonden door de belastingplichtige of elke andere persoon aan de Federale Overheidsdienst Financiën Artikelen 69 tot 77 Op de vraag van de heer Vermeersch in verband met de reparatiewetgeving over de beveiligde elektronische platformen en het niet inlichten van de Gegevensbeschermingsautoriteit, antwoordt de minister dat, zoals reeds vermeld, de verwerkingsverantwoordelijke de FOD Financiën blift. Met betrekking tot de verzoeken om advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit schrijft de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, niet voor dat er voor ongewijzigde verwerkingen andermaal een advies zou moeten worden gevraagd. Hier wordt voor alle duidelijk heid géén nieuwe verwerking van persoonsgegevens voorzien, dus een nieuw verzoek tot advies, nadat er reeds voor de oorspronkelijke wetgeving die pas in januari 2021 werd ingevoerd, advies werd verleend, heeft géén wettelijke grondslag. van de in toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen Op de vraag van de heer Loones en het amendement nr. 3 van de heer Joy Donné c.s., waarom de in artikel 78, voorziene verjaringstermijn op 3 jaar wordt bepaald, en niet op 10 jaar, antwoordt de minister dat de termijn van tien jaar niet zou dienstig vanuit een principe van administratieve vereenvoudiging en zou niet in verhouding staan tot het beoogde doel en de kosten die daarvoor nodig zijn. Als principe volgt het fiscaal recht het algemeen recht, voor zover het er niet van afwijkt. De termijn van drie jaar is niet onbekend binnen het fiscaal kader, en gelet op het feit dat hier sprake is van toegenomen transparantie die mijn administratie hier biedt omtrent de vestiging van belastingteruggaven (o.a. door het aanslagbiljet elektronisch ter beschikking te stellen) én de actieve maatregelen die mijn administratie treft om tot terugbetaling te kunnen overgaan, is deze fiscaal ingegeven termijn zeker gerechtvaardigd. De termijn van 10 jaar zou niet dienstig zijn vanuit het oogpunt van administratieve vereenvoudiging. Bovendien is de termijn van drie jaar niet ongekend in de Fiscale wetgeving Artikel 80 Op de vraag van de heer Vermeersch met betrekking tot het respecteren van de privacywetgeving, antwoordt de minister dat, gelet op het feit dat hier geen nieuwe persoonsgegevens worden verwerkt, gelet op het feit dat de FOD Financiën als verwerkingsverantwoordelijke dezelfde blijft in het kader van de gegevensbescherming, en gezien de afschaffing van de titel vereiste ook géén nieuwe verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, hoeft voor deze wetswijziging helemaal geen advies van de gegevensbeschermingsautoriteit te worden ingewonnen. Bovendien is de afschaffing van die titel vereiste trouwens gegrond in het kader van de toegang tot die gegevens voor de belanghebbenden van het brede publiek, zoals toegelicht in de memorie van toelichting.
B. Vergadering van 20 december 2021 De heer Sander Loones (N-VA) repliceert het volgende: - Om van de bevrijdende bedrifsvoorheffing te kunnen gebruik maken dient de seizoenarbeider in de land- en tuinbouw vóór de eerste betaling van de bezoldiging een woonstaatattest aan zijn werkgever te bezorgen. De spreker vindt het spijtig dat deze fiscale wetgeving naar de eerste betaling van het loon verwijst. De tijdige betaling van het loon wordt aan de werkgever opgelegd door de Loonwet. Wanneer op dat tijdstip de werknemer nog geen woonstaatattest kan voorleggen, verliest hij de mogelijkheid van een bevrijdende bedrifsvoorheffing terwijl het in feite volstaat dat het woonstaatattest wordt voorgelegd voor het tijdstip van indiening van de aanaîfte in de bedrijfsvoorheffing of zelfs bij de opmaak van de individuele fiches en samenvattende opgave. Deze maatregel heeft volgens de memorie van toelichting (biz. 11) tot doel dat de seizoenarbeider beter geïdentificeerd kan worden aan de hand van het woonstaatattest. Ook met een latere overhandiging kan deze doelstelling worden behaald. - Inzake de intrekking van de artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 zoals bepaald in artikel 22 van het wetsontwerp, vindt de N-VA-fractie het beter dat de intrekking niet retroactief gebeurt maar plaats vindt vóór dat deze bepalingen inwerking treden op 31 december 2021. Vandaar dat de heer Loones het amendement op artikel 23 zal aanhouden. - In zijn antwoord bij artikel 78 van het wetsontwerp stelde de minister dat een termijn van 10 jaar niet dienstig, zou zijn vanuit het principe van administratieve vereenvoudiging en dat de termijn van drie jaar geen fiscaal onbekende termijn is. Bovendien zorgt de administratie voor een toegenomen fiscale transparantie door het aanslagbiljet elektronisch ter beschikking te stellen. Het gaat hier over de toe-eigening van gelden die toebehoren aan de belastingschuldige en niet over een proceduretermijn. De spreker vindt het dan ook logisch om de gemeenrechtelijke termijn voor de zakelijke verkrijging van goederen toe te passen. Deze bedragen zijn ingeschreven op de burgerrekening net zoals alle fiscale en niet-fiscale schulden erop worden ingeschreven. De heer Loones hoopt dat die langer dan drie jaar worden opgevolgd en vraagt bijgevolg om de termijn langer te stellen. Bijkomend op zijn vragen van 17 december 2021, stelt de heer Loones nog de volgende vragen: 1. In de eerste plaats gaat hij in op amendement nr. 10 van de regering, dat ertoe strekt een artikel 29/2 (nieuw) in te voegen met betrekking tot de bijzondere belastingregeling voor de premies van de Belgische atleten die aan de Olympische Spelen in Tokyo hebben deelgenomen. Andermaal verwijst hij naar de opmerkingen van de Raad van State in dit verband. De spreker ziet echter niet goed in hoe de voorgestelde wijziging zou passen binnen de in uitzicht gestelde brede fiscale hervorming. Hoewel andere maatregelen, zoals de vergroening van de autofiscaliteit, duidelijk aangeven welke richting wij opgaan, is dat voor deze maatregel niet het geval. De heer Loones merkt op dat er naast de sporters voor wie deze maatregel zou gelden, nog andere beroepsgroepen zijn die ook graag een bijzondere belastingregeling zouden genieten. Het ware dan ook nuttig dat de minister duidelijk maakt hoe deze maatregel past binnen de in uitzicht gestelde alomvattende hervorming van de personenbelasting. 2. De spreker gaat vervolgens in op amendement nr. 18 van de regering dat beoogt een artikel 42/2 (nieuw) in de voegen betreffende een wijziging aan het VVPRbisregime. De nieuwe vereiste van volstorting gaat in tegen het uitgangspunt in het nieuwe vennootschapsrecht waar niet langer voor de BV de kapitaalsvereiste vooropstaat maar het toereikende eigen vermogen dat getoetst wordt met een netto-actieftest en liquiditeitstest. Door de vereiste in te schrijven dat de onderschreven sommen bij de uitgifte van de aandelen volledig moeten volstort worden, keert de fiscus terug naar de oude vennootschappelijke benadering van kapitaalvereiste. Bovendien wringt het met het feit dat er nadien geen enkel probleem is om het kapitaal terug te verminderen met behoud van het VVPRbis-regeling. Volgens de spreker komt een verplichte kapitaalverhoging na een vrijstelling van volstorting ook niet tegemoet aan de opmerking van de Raad van State dat er geen afbreuk aan de gerechtvaardigde verwachtingen van vennootschappen mag worden gedaan. 3. De heer Loones komt ook terug op amendement nr. 42 van de regering ertoe strekkende een artikel 46/15, (nieuw) in te voegen, dat ervoor zal zorgen dat de giften gedaan in de loop van het aar 2021 aan een rampenfonds fiscaal aftrekbaar zullen zijn door vennootschappen tot 2 000 000 euro. Hoeveel giften verwacht de minister van intercommunale verenigingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting? 4. Ten slotte gaat het id in op amendement nr. 49 van de regering ertoe strekkende een artikel 51/3 (nieuw) in te voegen, betreffende de verlenging van de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques die op 30 september 2020 en 2021 verlopen tot 30 september 2022, Via amendement nr. 6 en 7 op de programmawet werd de geldigheidsduur verlengd van de maaltijd- en ecocheques die in 2021 vervallen en niet werden verbruikt. Dit amendement nr. 49 toont dus aan dat de amendementen nrs. 6 en 7 op de programmawet helemaal niets te maken hadden met de uitvoering van de begroting en er dus ook geen rechtstreeks verband mee kunnen hebben. Bovendien vraagt de heer Loones wat de begrotingsimpact is van de verlenging van de geldigheidsduur van zowel de maalijden ecocheques als van de sport- en cultuurcheques. De heer Kurt Ravyts (VB) sluit zich aan bij het door de heer Loones geformuleerde verzoek om opheldering aangaande de belastingregeling voor de premies van de Olympische atleten en verwijst meer bepaald naar de opmerkingen die de Raad van State geformuleerd heeft met betrekking tot het verschil in behandeling dat aldus tot stand zou worden gebracht tussen niet alleen de sporters onderling maar ook tussen de sporters en andere beroepsgroepen (geleerden, kunstenaars, schrijvers enzovoort). Hij geeft vervolgens aan dat de heer Vermeersch verhinderd is. Hij stelt dan ook in zijn plaats de volgende vragen over amendement nr. 18 van de regering ertoe strekkende een artikel 42/2 (nieuw) in te voegen, betref fende een wijziging aan het VVPRbis-regime: 1. De vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen hebben doorgevoerd, moeten hun inbreng tegen 31 december 2022 opnieuw verhogen teneinde de VVPRbis-regeling te kunnen behouden. Vele vennootschappen hebben in dezelfde beslissing hun kapitaal/inbreng verder verminderd tot 1 euro nadat zij hiervoor een positieve voorafgaande beslissing van de Rulingdienst hebben gekregen. Welk bedrag aan nieuwe inbreng is dan vereist? Een voorbeeld ter illustratie. Een BVBA (BV) werd opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld van 18 550 euro waarvan slechts 6 200 euro effectief is gestort. Na 1 mei 2019 heeft deze BV onder het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen een vrijstelling van volstortingsverplichting voor 12 350 euro verricht en tegelijkertijd haar kapitaal/inbreng verder verminderd tot 1 euro door terugbetaling aan de aandeelhouders. Moet die BV tegen 31 december 2022 haar inbreng in geld verhogen met 12 350 euro of met 18 549 euro teneinde haar VVPR-statuut niet te verliezen? 2. Het VVPRbis-regime is mogelijk voor vennootschappen die zijn opgericht vanaf 1 juli 2013. In het huidige amendement is de overgangsregeling voor vennootschappen die vrijstelling van volstortingsverplichting hebben verricht enkel mogelijk voor aandelen uitgegeven bij de oprichting na 1 december 2013. Waarom neemt men hier de datum 1 december 2013 en niet 1 juli 2013 Is het echt de bedoeling om vennootschappen opgericht tussen 1 juli 2013 en 1 december 2013 geen regularisatiemogelijkheid te verlenen waardoor zij hun VVPRbis-statuut verliezen voor dividenden toegekend vanaf 1 januari 2022? Of is datum “na 1 december 2013” een vergissing en moet deze worden vervangen door “vanaf 1 juli 2013"? 3. De vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen hebben doorgevoerd, moeten hun inbreng opnieuw verhogen om de VVPRbisregeling niet te verliezen. Waarom staat hier als datum 15 december 2021? Het regeringsamendement is op 15 december 2021 officieel nog niet bekend gemaakt. aan het grote publiek. De regeringsamendementen zijn in het afgelopen weekend zelfs nog niet op de website van de Kamer verschenen. 4. De antimisbruikbepaling wordt via het amendement uitgebreid: als een persoon de sommen ontvangen naar aanleiding van een uitkering van liquidatiereserves tegen 5 % roerende voorheffing gebruikt om daarmee in te tekenen op een kapitaalverhoging van een verbonden of geassocieerde vennootschap, kunnen die aandelen niet genieten van de verlaagde roerende voorheffing tarieven. Die antimisbruikbepaling geldt volgens het amendement voor dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2022. Wanneer een belastingplichtige in 2020 een dividend heeft ontvangen uit iquidatiereserve tegen 5 % roerende voorheffing en daarmee heeft ingetekend op de kapitaalverhoging in geld van een verbonden vennootschap in 2020, dan hebben die aandelen in 2020 en 2021 het statuut van VVPRbis. Mits de nodige wachttermijn zul len hier dividenden aan verlaagde roerende voorheffing kunnen toegekend worden. Door de nieuwe antimisbruikbepaling verliezen die aandelen vanaf 1 januari 2022 het VVPRbis-statuut. De inwerkingtreding van het amendement doet afbreuk aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de belastingplichtige dat er uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na inbreng (dus in 2022) dividenden aan 20 % roerende voorheffing kunnen ontvangen worden en uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na inbreng (dus in 2023) dividenden aan 15 % roerende voorheffing kunnen ontvangen worden. Waarom wordt de inwerkingtreding hier niet gekoppeld aan kapitaalverhogingen die plaats vinden vanaf 1 januari, 2022 uit sommen verkregen uit liquidatiereserves tegen 5 % roerende voorheffing? van de fraudebestrijding, geeft de volgende aanvullende antwoorden: Bevrijdende bedrijfsvoorheffing De minister wijst erop dat hij reeds verleden vrijdag geantwoord heeft op deze vraag. Hij herhaalt dat, uit het overleg met de sector, is gebleken dat het sluiten van de arbeidsovereenkomst of uiterlijk de betaling van het loon, het meest geschikte moment is voor de werkgever om de identificatiegegevens te vragen. Volgens de minister komt dit tegemoet aan de bezorgdheid van de heer Loones. Retroactiviteit van de intrekking van de artikelen 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 De minister geeft aan dat hij ook op deze vraag omtrent artikel 22 van het wetsontwerp reeds verleden vrijdag een antwoord heeft gegeven. Verlenging termijn In verband met de vraag van de heer Loones over artikel 78 verwijst de minister eveneens naar het eerder gegeven antwoord. Een termijn van 10 jaar is hier bovendien niet dienstig gezien de transparantie en de compensatie waarin is voorzien. Ook de erg beperkte bedragen waarover het gaat, kunnen niet verantwoor den dat hieraan torenhoge werkingskosten zouden worden verbonden, waardoor de maatregel zijn doel zou voorbijschieten. Belasting op olympische premies De minister komt nadien terug op de vragen van de heer Loones en Ravyts rond de olympische premies. Hij geeft aan dat de belasting op die premies erg afhankelijk is van het land waarin die premies worden behaald. Dat heeft te maken met verschillen in dubbelbelastingverdragen tussen België en de betrokken landen. Op basis van het dubbelbelastingverdrag met Japan, zouden de premies die het afgelopen jaar werden behaald belast worden aan het marginaal tarief, terwijl dergelijke premies in het verleden meermaals geen enkele belasting ondergingen in het land van toekenning van de premies. Het is dus rechtvaardig om dergelijke uitzonderlijke prestaties waar alle Belgen trots op zijn te belasten aan een afzonderlijk gematigd tarief. De premies komen immers in beginsel bovenop de reguliere inkomsten als sporter. De periode waarin sporters dergelijke premies kunnen behalen is doorgaans van korte duur. Er werd dus niet voor geopteerd om exact hetzelfde regime toe te passen als voor geleerden, kunstenaars en schrijvers. De voorgestelde regeling voor sporters betreft enkel de premies (prijzen) die aan sporters worden toegekend en niet de subsidies. Subsidies aan sporters zijn in de regel bedoeld om welbepaalde kosten te dekken. Door subsidies uit te sluiten van de voorgestelde regeling wil de regering vermijden dat een subsidie als diverse inkomsten zou worden belast tegen een afzonderlijk tarief, terwijl de gesubsidieerde kosten in aftrek zouden worden gebracht van de andere inkomsten als sporter. Het is de intentie om sportevenementen georganiseerd door commerciële organisaties niet in aanmerking te laten komen. Het gaat immers om “uitzonderlijke prestaties” en het belang dat aan die prestaties wordt gehecht voor de sport en het land, wat wordt veruitwendigd door te refereren naar instanties die door het IOC zijn erkend. Overigens zijn dubbelbelastingverdragen bilaterale akkoorden die consensueel worden overeengekomen tussen twee partnerlanden, die per definitie niet steeds allemaal in dezelfde fiscale behandeling per categorie van inkomsten voorzien, omdat zo'n verdrag vaak geënt is op erg uiteenlopende belastingstelsels, naargelang het geval. Wijziging VVPRbis-regeling De minister gaat vervolgens in op de wijziging van de VVPRbis-regeling. De heer Loones uitte zijn bezorgdheid dat zou voorbijgegaan zijn aan de omvorming van kapitaalhoudende naar kapitaalloze vennootschappen. Volgens de minister is dit niet het geval. Ook in het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is nog sprake van een inbrengvereiste (geen kapitaalvereiste) bij kapitaalloze vennootschappen. Ook hier is sprake van een “beloofde inbreng”. Het is deze beloofde inbreng die moet volstort worden. Er moet dus slechts worden verhoogd ten belope van het bedrag dat voorheen nooit volstort werd. Zoals ook verleden vrijdag reeds toegelicht, kan er nadien, dus nadat een volstorting heeft plaatsgevonden, wel zonder nadelig gevolg een kapitaalvermindering worden doorgevoerd. De minister bevestigt, ter attentie van de heer Ravyts, dat de datum wel degelijk 1 juli 2013 moet zijn, in plaats, van 1 december 2013. Wat de antimisbruikbepaling betreft, herhaalt de minister dat, met het amendement nr. 18, net tegemoet wordt gekomen aan de geformuleerde opmerkingen en dat er geen bijkomende wachttermijn wordt gecreëerd. Het gerechtvaardigd vertrouwen is een principe dat toepasselijk is op een vaste gedragslijn op administratief niveau. Dat principe kan echter niet zomaar mutatis mutandis worden toegepast op wijzigingen aan het wetgevende kader. Giften aan een rampenfonds Met betrekking tot de giften aan een rampenfonds geeft de minister aan dat het niet op voorhand gekend is, hoeveel ondernemingen effectief gebruik zullen maken van de verhoogde grens. Hij meldt dat die verhoogde grens ingediend werd op vraag van de gewesten. Hij hoopt trouwens dat veel vennootschappen daar gebruik van zullen maken. 3. Replieken van de leden en bijkomende antwoorden van de vice-eersteminister en minister van Financiën, bevoegd voor de coördinatie van de fraudebestrijding, wil graag een voorstel doen met betrekking tot de procedure teneinde tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de N-VA-fractie en de VB-fractie. De vice-eersteminister stelt voor om alle bepalingen die niet hoeven in te gaan vanaf 1 januari 2022 uit het voorliggende wetsontwerp te lichten. Het betreft hier zowel bepalingen opgenomen in het wetsontwerp (DOC 55 2351/001) alsook bepalingen opgenomen in de regeringsamendementen (DOC 55 2351/03). Voor wat betreft het wetsontwerp zelf gaat het in concreto ‘om de schrapping van de volgende bepalingen: Titel 2, hoofdstuk 5: artikelen 31 tot 36, en hoofdstuk 8, Titel 3: art. 53, Titel 4, Titel 5: art. 63 en Titel 6: hoofdstukken 1, 3 en 4. Inzake de regeringsamendementen stelt de vice-eersteminister voor om de volgende amendementen in te trekken: de amendementen nrs. 5, 7, 11, 15 en 16, 19 tot 21, 23, 25 tot 40, 44 tot 47, 51 tot 54 en 60 en 61 Het geheel van deze bepalingen zouden dan gegoten worden in een nieuw wetsontwerp dat begin januari in deze commissie ter bespreking zal ingediend worden. De heer Kurt Ravyts (VB) merkt op dat de vice-eersteminister geen antwoord heeft gegeven op een van zijn vragen betreffende de VVPR-bis-regeling. Hij wil betreffende amendement nr. 18 (DOC 55 2351/03) graag van de vice-eersteminister vernemen of het wel degelijk 1 juli 2013 is en niet, zoals verkeerdelijk opgenomen staat in het desbetreffende amendement, 1 december 2013. Hoe zal de vice-eersteminister deze fout rechtzetten? De vice-eersteminister erkent dat deze datum moet aangepast worden. Er zal een technische correctie worden aangebracht. De heer Sander Loones (N-VA) neemt akte van het voorstel van de vice-eersteminister en vraagt om de vergadering even te schorsen om het voorstel grondig te kunnen bekijken. Het valt echter op dat de amendementen nrs. 8 en 18 echter niet zijn opgenomen in de lijst van regeringsamendementen die de vice-eersteminister wil schrappen. Hij nodigt de vice-eersteminister uit om ook de lijst met te schrappen amendementen van zijn fractie te bekijken. De voorzitster van de commissie besluit om over te gaan tot een schorsing van 20 minuten. De commissie zal vanaf 16u haar werkzaamheden hervatten De heer Sander Loones (N-VA) wenst de vice-eersteminister te bedanken voor het voorstel aangezien het gehele wetsontwerp dan teruggebracht wordt tot haar logische proporties, met name het regelen van een aantal zaken die absoluut nog voor 1 januari 2022 moeten worden afgeklopt. Het is goed dat die logische inperking wordt doorgevoerd. Desalniettemin stelt de spreker vast dat er een aantal politieke keuzes worden gemaakt in de lijst van de viceeersteminister. Het is opvallend dat de amendementen nrs. 8 en 18 (DOC 55 2351/003) niet weerhouden zijn in deze lijst. De spreker herhaalt zijn vraag om de amendementen nrs. 8 en 18 toe te voegen aan de lijst van in te trekken amendementen zodat de politieke discussie over die amendementen ook begin januari kan plaatsvinden. De heer Steven Mathe (CD&V) wijst erop dat het voorliggende wetsontwerp reeds op 6 december werd ingediend. Op dinsdag 14 december vond er reeds een inleidende uiteenzetting plaats waarbij de eerste ronde van de algemene bespreking plaatsvond afgelopen vrijdag 17 december. De vice-eersteminister heeft toen aangegeven dat hij bereid was om een aantal dagen extra tijd te geven en vandaag een bijkomende vergadering in te lassen teneinde te kunnen antwoorden op bijkomende vragen en opmerkingen. Dit proces heeft thans plaatsgevonden. De spreker meent dat er dus wel voldoende tijd is verleend aan de commissieleden om een grondige studie en bespreking van het voorliggende wetsontwerp te houden. Daarnaast merkt de spreker op dat voor zowel het wetsontwerp zelf als voor de regeringsamendementen het advies van de Raad van State werd ingewonnen. Op die manier is de vice-eersteminister tegemoetgekomen aan de terechte verzuchting om legistiek correcte wetgeving te ontwikkelen. De opmerkingen van de Raad van State werden bijvoorbeeld opgenomen in de regeringsamendementen. ‘Ten slotte wijst de spreker erop dat er wel degelijk heel wat urgente bepalingen opgenomen zijn in het voorliggende wetsontwerp. Het betreft een louter fiscaal wetsontwerp waaraan geen bepalingen werden toegevoegd die in de verste verte niets te maken hebben met fiscaliteit. Aansluitend op dit argument, doet de viceeersteminister thans het voorstel om alle elementen die niet voor 1 januari 2022 moeten gestemd worden uit het wetsontwerp en de regeringsamendementen te lichten. De spreker meent dat met alle verzuchtingen rekening werd gehouden. De spreker stipt aan dat er bijgevolg sprake is van moedwillig vertragingsmanoeuvres en politieke spelletjes De heer Sander Loones (N-VA) wijst erop dat het advies van de Raad van State reeds op 15 oktober beschikbaar was maar dat het wetsontwerp pas op 6 december beschikbaar was. Daarnaast werden de regeringsamendementen op 10 november aan de Raad van State bezorgd en zijn zij pas op 15 december aan deze commissie overgemaakt. De stukken werden dus, pas laat ingediend en dat is de verantwoordelijkheid van de regering. Zijn fractie heeft steeds gehamerd op de laattijdige indiening van de amendementen omdat er in vergelijking met het wetsontwerp zelf slechts bijzonder weinig tijd was ‘om de regeringsamendementen grondig te bestuderen. De intrekking van de amendementen en bepalingen door de vice-eersteminister bewijst ten slotte wel dat het voorliggende wetsontwerp kunstmatig opgeblazen was met allerhande bepalingen die niet urgent zijn. Hij roept hierbij de vice-eersteminister op om de amendementen nrs. 8 en 18 op te nemen in de lijst van te schrappen bepalingen. De heer Kurt Ravyts (VB) merkt op dat zijn fractie zich aansluit bij de vraag van de N-VA-fractie betref fende de intrekking van de amendementen nrs. 8 en 18 (DOC 55 2351/03) De heer Christian Leysen (Open Vld) treedt zijn collega de heer Matheî bij. Hij meent dat hier louter een procedurespel wordt gespeeld teneinde een aantal inhoudelijke punten uit het wetsontwerp te halen. Hij stelt voor om verder te gaan met de behandeling en de stemming van het volledige wetsontwerp inclusief de De vice-eersteminister stipt aan dat er inspanningen worden geleverd om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de N-VA- en VB-fractie. Daarnaast wil de vice-eersteminister nog een laatste voorstel op tafel leggen waarbij ook amendement nr. 18 (DOC 55 2351/003) wordt uitgesteld naar begin volgend jaar. Dat is het al lerlaatste bod. Indien dit voorstel niet wordt aanvaard dan, pleit de vice-eersteminister voor de stemming van het volledige wetsontwerp en de regeringsamendementen. De heer Sander Loones (N-VA) houdt vast aan zijn voorstel om beide amendementen in te trekken. Het is, wel degelijk een inhoudelijk kwestie waarbij zijn fractie zich verzet tegen het feit dat de desbetreffende regeling voor 1 januari 2022 gestemd wordt. Hij verwijst hierbij naar amendement nr. 8 (DOC 55 2351/003) waarbij zijn fractie vreest voor een potentiële belastingverhoging in het kader van de behandeling van pensioenen opgebouwd in buitenlandse pensioenstelsels. Dat is een inhoudelijke kwestie. De voorzitster beslist om een bijkomende schorsing toe te staan ten belope van 5 minuten op vraag van de vice-eersteminister. De heer Sander Loones (N-VA) stelt vast dat er op inhoudelijk vlak verschillende visies bestaan tussen de meerderheid en de oppositie. Hij blijft vragende partij om beide amendementen nrs. 8 en 18 bijkomend te schrappen. De vice-eersteminister vindt het jammer dat de uitgestoken hand niet wordt aangenomen. Aangezien de N-VA-fractie aanstuurt op een tweede lezing, stelt de vice-eersteminister voor om zowel het wetsontwerp als, de regeringsamendementen te stemmen. Mevrouw Marie-Christine Marghem (MR) stelt als voorzitster van deze commissie vast dat er langs de kant van de vice-eersteminister voorstellen werden gedaan ‘om tot een vergelijk te komen. Zij kan niet begrijpen dat de oppositie omwille van een klein detail de potentiële inwerkingtreding van heel wat fiscale bepalingen die belangrijk zijn voor de bevolking in het gedrang wil brengen. Hierbij laakt ze tevens de onredelijke houding van de oppositie. De heer Sander Loones (N-VA) benadrukt dat de vraag tot intrekking wel degelijk een inhoudelijke kwestie is. Er is een verschil in visie tussen de meerderheid en de oppositie. De heer Christian Leysen (Open Vld) stelt vast dat een procedure misbruikt wordt om een inhoudelijk standpunt te forceren. Hij is tevreden dat deze koehandel niet zal doorgaan. De heer Joris Vandenbroucke (Vooruit) is ontgoocheld in de houding van zijn collega, de heer Loones. Doorgaans kan hij zich vinden in de grondige en kritische analyse van de wetteksten door de heer Loones maar in deze kwestie neigt de heer Loones naar het plegen van chantage waarbij hij een tweede lezing inroept die ertoe zal leiden dat er tijdens de kerstvakantie zal gestemd worden met het risico dat een aantal bepalingen niet tijdig in het Belgisch Staatsblad zullen verschijnen. Hij stipt aan dat er twee constructieve voorstellen zijn gemaakt vanuit de regering om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van de oppositie maar hij stelt vast dat heer Loones geen millimeter is opgeschoven ten opzichte van zijn oorspronkelijke standpunt. ‘De heer Christian Leysen (Open Vld) sluit zich aan bij het standpunt van zijn collega. Hij betreurt de demarche van de heer Loones omwille van de extra werklast voor de diensten van de Kamer. De heer Ahmed Laaouej (PS) stelt vast dat met de huidige patstelling er enkel verliezers zijn. Hij meent dat er een akkoord kan gevonden worden ten dienste van het algemeen belang waarin alle betrokken partijen zich kunnen terugvinden. Hij meent dat dit akkoord niet veraf is. De heer Sander Loones (N-VA) wijst erop dat hij de stemming niet wil tegenhouden. Bovendien is hij steeds zeer open en transparant geweest over de positie en de houding van zijn fractie. Vandaar dat zijn fractie steeds de focus heeft gelegd op de regeringsamendementen. Tot slot wijst hij nogmaals op het inhoudelijke punt met name de fiscale behandeling van pensioenen die werknemers hebben opgebouwd in het buitenland. In de regel is het zo dat de standaardmodellen van dubbelbelastingverdragen voorzien dat deze pensioenen belast worden op de plaats waar deze zijn opgebouwd. In de regeling die deze regering voorstelt wordt de logica omgedraaid waardoor men potentieel in de situatie kan verzeild geraken waarbij die pensioenen zullen belast worden in zowel de woon- als de bronstaat. Zijn fractie is het daar inhoudelijk niet mee eens. Dit inhoudelijk element werd via het amendement nr. 8 (DOC 55 2351/003) aan de discussie over dit wetsontwerp toegevoegd. De regering weigert dit amendement te schrappen waardoor het wel degelijk een inhoudelijke kwestie is en geen louter procedurele aangelegenheid is. De spreker wenst over te gaan tot de stemming. De vice-eersteminister wijst erop dat er een uitspraak heeft plaatsgevonden waardoor men zich vandaag bevindt in een situatie van dubbele niet-belasting. De Nederlandse regering heeft zich reeds bij monde van de staatssecretaris van Financiën, met name de heer Hans Vijlbrief (D66), over deze kwestie uitgesproken waarbij hij heeft aangegeven dat de Nederlandse overheid de belasting zal heffen. De desbetreffende staatssecretaris, heeft deze uitspraak gedaan net omwille van het feit dat er door de bestaande fiscale wetgeving in België net geen belasting is. Bijgevolg is de opmerking van de heer Loones over de dubbele belasting onjuist. Vandaag tekent er zich een situatie af van niet-belasting ‘Aan de hand van het amendement nr. 8 probeert de regering voor dit euvel een oplossing aan te bieden. Bovendien zal deze oplossing ervoor zorgen dat Belgische regering sterker in haar schoenen zal staan wanneer zij hierover in overleg zal treden met de Nederlandse regering. De vice-eersteminister vindt het bijzonder jammer dat de heer Loones op basis van foute informatie de beslissing neemt om dat punt alsnog niet mee op te nemen in de stemming van het wetsontwerp. Het komt erop aan om net te vermijden dat er zou overgegaan worden tot een bronstaatheffing omdat België de woonstaatheffing niet kan uitvoeren omwille van een lacune in de huidige regelgeving en net op dat punt wil deze regering aan de hand van het amendement nr. 8 een oplossing aanreiken. De heer Sander Loones (N-VA) wijst erop dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om terug te koppelen met de experten-fiscalisten. Hij stipt hierbij aan dat de regering reeds op 10 november deze bepaling zou invoeren maar zij besloten heeft om dit pas kenbaar te maken op 15 december. Bovendien wijst de spreker erop dat deze regering deze bepaling gebruikt om haar positie te versterken in het kader van een discussie met de Nederlandse overheid voor een realiteit die thans nog niet bestaat. Het gaat louter om een aankondiging van de Nederlandse regering. De vice-eersteminister merkt op dat het risico bestaat dat Nederland via een retroactiviteit ten belope van 10 jaar een fiscale behandeling zal toepassen op de desbetreffende pensioenen omwille van een lacune in de bestaande fiscale wetgeving van België. Het voorlig gende amendement nr. 8 (DOC 55 2351/003) beoogt net om deze fiscale kunstgreep van de Nederlandse overheid te verijdelen. De vice-eersteminister meent dat de spreker goed moet nadenken over de potentiële, consequenties van zijn verzoek om dit amendement niet te stemmen.
II. - ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN
TITEL 1 ‘Algemene bepaling Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke grondslag van het wetsontwerp en geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. Artikelen 2 tot 4 Deze artikelen geven geen aanleiding tot bijkomende De artikelen 2 tot 4 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art.5 Dit artikel geeft geen aanleiding tot verdere Artikel 5 wordt eenparig aangenomen.
Art. 6 Er wordt een amendement nr. 4 (DOC 55 2351/03) ingediend door de regering dat ertoe strekt de woorden “aanslagjaar 2022” te vervangen door de woorden “aanslagjaar 2021”. Dit amendement strekt er toe om die Het amendement nr. 4 wordt aangenomen met 10 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 6, zoals geamendeerd, wordt aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen. Artikelen 7 en 8 De artikelen 7 en 8 worden achtereenvolgens aangenomen met 10 stemmen en 3 onthoudingen. van het belastbaar inkomen. De artikelen 9 tot 12 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 13 Er wordt een amendement nr. 5 (DOC 55 2351/03) ingediend door de regering dat ertoe strekt de woorden “in een bijlage bij zijn aangifte” te vervangen door de woorden “in zijn aangifte”. Dit amendement verduidelijkt dat de keuze om de verliezen enkel te laten aanrekenen op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, zonder deze aan te rekenen op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd, in de aangifte zelf moet worden vermeld en niet in een bijlage bij deze aangifte. Amendement nr. 5 wordt aangenomen met 10 stemArtikel 13, zoals geamendeerd, wordt eveneens aangenomen met 10 stemmen en 3 onthoudingen. Artikelen 14 tot 22 De artikelen 14 tot 22 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 23 Er wordt een amendement nr. 2 (DOC 55 2351/002) ingediend door de heer Joy Donné (N-VA) dat ertoe strekt een lid toe te voegen. De heer Joy Donné (N-VA) legt uit dat In het wetsontwerp is er geen bepaling betreffende de inwerkingtreding van artikel 22. Dit artikel treedt dus in werking op de tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad Artikel 22 trekt de bepalingen van artikel 56 tot 65 van de wet van 27 juni 2021 houdende diverse bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld […] in. De arti kelen 56 tot 65 van voornoemde wet treden in werking op 31 december 2021 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022 (artikel 96 van de wet 27 juni 2021). Het lukt de Koning nooit om nog vóór 21 december 2021 dit wetsontwerp in het Belgisch Staatsblad af te kondigen. Bijgevolg zullen de artikelen 56 tot 65 van voormelde wet van 27 juni 2021 niet zijn ingetrokken op 31 december 2021 en alsnog in werking treden, Een amendement is noodzakelijk zodat artikel 22 in werking treedt de dag van publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad in de hoop dat deze wet wordt afgekondigd vóór 31 december 2021. Amendement nr. 2 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.
Artikel 23 wordt aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 24 Er wordt een amendement nr. 1 (DOC 55 2153/002) ingediend door de heren Vermeersch en Ravyts (VB) dat ertoe strekt de bepaling in het eerste streepje van artikel 13 van het WIB 92 te vervangen. De heer Wouter Vermeersch (VB) merkt op dat indien de netto huurinkomsten bepaald worden op basis van de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen is, het logisch dat ook alle kosten voor het onderhoud en reparaties in mindering worden gebracht. De aftrek. bare kosten beperken tot een vast berekend bedrag gebaseerd op een veelal totaal achterhaald kadastraal inkomen zorgt voor een belasting op een inkomen dat er in werkelijkheid niet is. Om de fiscaliteit eenvoudiger en eerlijker te maken is het wenselijk om de werkelijke kosten in rekening te brengen. Het amendement nr. 1 wordt verworpen met 9 tegen 1 stem en 3 onthoudingen, Artikel 24 wordt aangenomen met 9 tegen 1 stem en 3 onthoudingen.
Art. 24/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 6 (DOC 55 2351/03) ingediend door de regering dat ertoe strekt een artikel 24/1 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt om de onzekerheid en het potentieel dubbel gebruik van het Vlaams renovatiekrediet ui te sluiten Het amendement nr. 6 wordt aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 25 Artikel 25 wordt aangenomen met 9 stemmen Art. 25/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 7 (DOC 55 2351/03) 25/1 (nieuw) in te voegen. Dit amendement betreft een zuivere technische verbetering. Het amendement nr. 7 wordt aangenomen met 9 stemArt. 25/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 8 (DOC 55 2351/03) 25/2 (nieuw) in te voegen. Dit amendement wordt ingediend om omwille van een ongewilde discrepantie tussen de fiscale behandeling van bepaalde buitenlandse pensioenen en Belgische pensioenen, die steeds meer voor discussie zorgt. Deze discrepantie zorgt ervoor Het amendement nr. 8 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen. Artikelen 26 tot 29 Deze artikelen geven geen aanleiding tot verdere Artikel 26 wordt aangenomen met 9 stemmen en De artikelen 27 en 28 worden eenparig aangenomen.
Artikel 29 wordt aangenomen met 9 stemmen en Art. 29/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 9 (DOC 55 2351/03) 29/1 (nieuw) in te voegen. Via dit amendement worden een aantal wijzigingen aangebracht aan artikel 64quater WIB 92, dat een verhoogde kostenaftrek toekent voor afschrijvingen met betrekking tot in nieuwe staat verkregen of tot stand gebrachte laadstations voor elektrische wagens die publiek toegankelijk zijn Het amendement nr. 9 wordt aangenomen met 9 stemArt. 29/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 10 (DOC 55 2351/03) 29/2 (nieuw) in te voegen. De Olympische Spelen worden elke vier jaar georganiseerd en worden beschouwd als, de hoogmis van de mondiale sport. Het is een manifestatie waarbij elk land de uitstekende resultaten van zijn atleten van hoog niveau wil aantonen. Hun prestaties zetten jongeren ertoe aan om zelf sport te beoefenen en hoge ambities te stellen. Bovendien is het, op politiek en economisch vlak, voor een Staat opportuun om via de sport haar imago te versterken. Ook andere tornooien waar verschilende landen aan deelnemen zoals wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen zijn voor veel sporten het moment waarop sporters van verschillende landen kunnen excelleren. Als erkenning voor de prestaties van atleten op Olympische Spelen, of Paralympische Spelen, wereldkampioenschappen of Europese of andere continentale kampioenschappen worden in verschillende mate prestatiepremies toegekend aan sporters die uitzonderlijk presteren. Gelet op de uitzonderlijke prestaties die aanleiding geven tot dergelijke premies, wenst de regering deze onder een gunstig belastingstelsel te brengen. Het amendement nr. 10 wordt aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 29/3 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 11 (DOC 55 2351/003) 29/3 (nieuw) in te voegen. De wet van 25 november 2021 houdende de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit heeft artikel 10 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van het mobiliteitsbudget gewijzigd teneinde de cumul van een mobilteitsbudget met de belastingvermindering voorzien in artikel 145 van, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uit te sluiten (artikel 28 van de hierboven genoemde wet van 25 november 2021). Desalniettemin heeft deze wet niet voorzien in een gelijkaardige bepaling in het WIB 92. Dit amendement wijzigt op een gelijkaardige manier dus artikel 145% van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 om het voordeel van de belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor de aankoop van een elektrisch voertuig uitte sluiten in geval van toekenning van een mobiliteitsbudget. Het betreft een zuiver technische aanpassing. Het amendement nr. 11 wordt aangenomen met Art. 30 Er wordt een amendement nr. 12 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt om een bepaling in te voegen tussen de bepalingen 1° en 2°. Na de regionalisering van de bevoegdheid rond rampenfondsen op 1 januari 2014, is een aanpassing van artikel 145% WIB 92 noodzakelijk. De nood aan financiering van de rampenfondsen na verscheidene binnenlandse natuurrampen zoals de windhozen in de regio van Beauraing (op 19 juni 2021) en Houffalize (28 juni 2021) en uiteraard de zware regenbuien in het oosten van het land van 14 en 24 juli 2021, maakt dat hier dringend werk van moet worden gemaakt. Middels, deze bepaling wordt dit euvel verholpen. Het amendement nr. 12 wordt aangenomen met Artikel 30, zoals geamendeerd, wordt aangenomen Art. 30/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 13 (DOC 55 2351/003) 30/1 (nieuw) in te voegen. Via dit amendement worden een aantal wijzigingen aangebracht aan artikel 1455 WIB 92 dat een belastingvermindering toekent voor de uitgaven die zijn betaald voor de plaatsing van een laadstation voor elektrische wagens. Het amendement nr. 13 wordt aangenomen met Art. 30/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 14 (DOC 55 2351/003) 30/2 (nieuw) in te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement nr. 10, dat een artikel 29/2 (nieuw) invoert. Het amendement nr. 14 wordt aangenomen met Artikelen 31 tot 36 De artikelen 31 tot 36 worden achtereenvolgens Art. 37 Er wordt een amendement nr. 15 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt de bepaling onder 2° te vervangen. Deze wijziging vormt een aanvulling op de wijziging van artikel 219 WIB 92 om de toepassing van de tot 50 % verlaagde afzonderlijke aanslag mogelijk te maken wanneer de verkrijger van de in artikel 17, $ 1, 3° en 5°, WIB 92 bedoelde inkomsten een rechtspersoon is. Het amendement nr. 15 wordt aangenomen met Artikel 37, zoals geamendeerd, wordt eveneens aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen Artikelen 38 en 39 Artikel 38 wordt eenparig aangenomen.
Artikel 39 wordt aangenomen met 9 stemmen en Art. 40 Er wordt een amendement nr. 16 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt een aantal woorden te wijzigen binnen deze bepaling. Deze wijziging vormt een aanvulling op de wijziging van artikel 225, WIB 92 om de toepassing van de tot 50 pct. verlaagde afzonderlijke aanslag mogelijk te maken wanneer de verkrijger van de in artikel 17, $ 1, 3° en 5°, WIB 92 bedoelde inkomsten een rechtspersoon is. Het amendement nr. 16 wordt aangenomen met Artikel 40, zoals geamendeerd, wordt aangenomen Artikelen 41 en 42 De artikelen 41 en 42 worden achtereenvolgens aanArt. 42/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 17 (DOC 55 2351/003) 42/1 (nieuw) in te voegen. Mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, voorziet artikel 265, tweede lid, 3°, WIB 92 in een vrijstelling van roerende voorheffing op de interesten die worden voortgebracht door het kapitaal dat is bestemd voor de toekomstige pensioenuitkeringen en dat door een verzekeringsonderneming wordt verleend of toegekend aan een lokaal bestuur als, bedoeld in artikel 32 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende di verse wijzigingsbepalingen. Het amendement nr. 17 wordt aangenomen met Art. 42/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 18 (DOC 55 2351/003) 42/2 (nieuw) in te voegen. Naar aanleiding van de vervanging van het wetboek van vennootschappen door het wetboek van vennootschappen en verenigingen is voor de meeste rechtsvormen geen sprake meer van een nominatief genoemd minimumkapitaal. Ingevolge het verdwijnen van deze minimumkapitaalvereiste hebben een heel aantal vennootschappen beslist om de inbreng in de vennootschap te verlagen door een vrijstelling van volstorting van de onderschreven sommen. De minister stelt voor om in het twaalfde lid van paragraaf 2 van amendement nr. 18 volgende legistieke correcties aan te brengen: - In de Franse versie de woorden “au paragraphe” vervangen door de woorden “à I' alinga”; - In de Franse versie de woorden “1 décembre 2013” vervangen door de woorden “1 juillet 2013”; - In Nederlandse versie de woorden “1 december 2013” vervangen door de woorden “1 juli 2013”. ‘De commissie gaat akkoord met deze technische correcties. Het amendement nr. 18 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.
Art. 42/3 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 19 (DOC 55 2351/003) 42/3 (nieuw) in te voegen. Dit amendement bevat het opschrift van een nieuwe onderafdeling binnen het WIB 92. Het amendement nr. 19 wordt aangenomen met Art. 42/4 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 20 (DOC 55 2351/003) 4214 (nieuw) in te voegen. Dit amendement bevat het opHet amendement nr. 20 wordt aangenomen met Art. 42/5 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 21 (DOC 55 2351/003) 42/5 (nieuw) in te voegen. Dit amendement bevat het opDe amendementen nrs. 19 tot 21 beogen om afdeling 4 van titel 6, hoofdstuk 1, WIB 92, naar analogie van afdeling 3 van datzelfde hoofdstuk, onder te verdelen in verschillende onderafdelingen. Hiermee is het mogelijk ‘om de verschillende artikelen die betrekking hebben op de verschillende vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onder te brengen in een afzonderlijke onderafdeling Het amendement nr. 21 wordt aangenomen met Art. 43 Er wordt een amendement nr. 22 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt dit arti kel te vervangen. Dit amendement beoogt om enkele aanpassingen aan de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de opleiding van werknemers (artikel 275'? WIB 92) teneinde het toepassingsgebied ervan te verduidelijken. Het amendement nr. 22, dat artikel 43 vervangt, wordt aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen. Artikelen 44 en 45 De artikelen 44 en 45 worden achtereenvolgens Art. 45/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 23 (DOC 55 2351/003) 45/1 (nieuw) in te voegen. Dit amendement betreft enkel een spellingscorrectie van de Franse tekst van artikel 537, vierde lid, WIB 92. Het amendement nr. 23 wordt aangenomen met Art. 46 Er wordt een amendement nr. 24 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt dit artikel te, vervangen. Dit amendement bevat bepalingen inzake het nieuwe systeem betreffende buitenlandse pensioenen en pensioenen afkomstig uit internationale instellingen. Het amendement nr. 24, dat artikel 46 vervangt, wordt
HOOFDSTUK 5/1 (NIEUW)
Er wordt een amendement nr. 25 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt een hoofdstuk 5/1 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 25 wordt aangenomen met Art. 46/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 26 (DOC 55 2351/003) 46/1 (nieuw) in te voegen. De amendementen nrs. 25 en 26 strekken ertoe in het huidige ontwerp verschillende bepalingen op te nemen houdende het fiscaal regime voor Europese langetermijnbeleggingsinstellingen ("European Long-Term Investment Fund”, afgekort als “ELTIF”). Daartoe wordt de definitie van deze fondsen ingevoegd in artikel 2 WIB 92. Het amendement nr. 26 wordt aangenomen met Art. 46/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 27 (DOC 55 2351/003) 46/2 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt het fiscaal regime voor inbrengen in een ELTIF af te stemmen op datgene voor beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet-genoteerde aandelen en van door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Het amendement nr. 27 wordt aangenomen met Art. 46/3 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 28 (DOC 55 2351/003) 46/3 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt het fiscaal regime van de meerwaarden verwezenlijkt op aan een ELTIF overgedragen vaste activa af te stemmen op datgene dat van toepassing is op meerwaarden op aan beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of aan gereglementeerde vastgoedvennootschappen overgedragen vaste activa, waarvoor het in artikel 47, $ 1, WIB 92, vermelde stelsel van gespreide belasting niet geldt. Het amendement nr. 28 wordt aangenomen met Art. 46/4 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 29 (DOC 55 2351/003) 46/4 (nieuw) in te voegen. Deze bepaling bestaat erin hetzelfde vennootschapsbelastingregime toe te kennen als hetgeen voor andere beleggingsvennootschappen is, voorbehouden (aanpassing van de verwijzingen in artikel 185bis, $ 1, WIB 92 om te verwijzen naar Europese langetermijnbeleggingsinstellingen als omschreven in artikel 2, 5 1, 5°,i, WIB 92). Het amendement nr. 29 wordt aangenomen met Art. 46/5 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 30 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt een artikel 46/5 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt het risico op dubbele belasting te beperken voor vennootschappen-investeerders. Het amendement nr. 30 wordt aangenomen met Art. 46/6 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 31 (DOC 55 2351/003) 46/6 (nieuw) in te voegen. In artikel 205octies, 3°, WIB 92 wordt een verwijzing naar ELTIF's ingevoegd om deze vennootschappen uit te sluiten van de toepassing van de aftrek voor risicokapitaal, naar het voorbeeld van de andere vennootschappen die onder de regeling van artikel 185bis, WIB 92 vallen. Het amendement nr. 31 wordt aangenomen met Art. 46/7 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 32 (DOC 55 2351/003) 46/7 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt het fiscaal regime van de in artikel 211, $ 1, eerste lid, WIB 92, bedoelde herstructureringsverrichtingen waaraan een ELTIF deelneemt af te stemmen op datgene van toepassing voor beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet-genoteerde aandelen, gereglementeerde vastgoedvennootschappen erkend door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten of die bij de FOD Financiën zijn opgenomen op de lijst van private privaks of op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen. Het amendement nr. 32 wordt aangenomen met Art. 46/8 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 33 (DOC 55 2351/003) 46/8 (nieuw) in te voegen. In artikel 215, derde lid, 6°, WIB 92 wordt een verwijzing naar ELTIF's ingevoegd om deze vennootschappen uit te sluiten van het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting, zoals het geval is voor de andere vennootschappen die onder de regeling van artikel 185bis, WIB 92 vallen. Het amendement nr. 33 wordt aangenomen met Art. 46/9 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 34 (DOC 55 2351/003) 46/9 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt het fiscaal regime van de ELTIF's die aan een in artikel 231, $ 2, eerste lid, WIB 92, bedoelde verrichting zouden deelnemen, af te stemmen op datgene voor door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende vennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet-genoteerde aandelen, en gereglementeerde vastgoedvennootschappen, of bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen opgenomen vennootschappen die deelnemen aan voormelde verrichtingen. Het amendement nr. 34 wordt aangenomen met Art. 46/10 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 35 (DOC 55 2351/003) 46/10 (nieuw) in te voegen. De fundamentele Europese vrijheden vereisen onder meer een gelijke behandeling ten aanzien van economische dubbele belasting tussen een investeerder die een binnenlandse vennootschap is, en een investeerder die een buitenlandse vennootschap is (gevestigd in de Europese Economische Ruimte of in een land waarmee een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting is gesloten) waarvoor de roerende voorheffing een definitieve belasting vormt. Daarom zal de uitsplitsing die van toepassing is op vennootschappen-investeerders voor definitief belaste inkomsten ook worden gebruikt om het gedeelte van het dividend van Belgische oorsprong te bepalen dat zal worden vrijgesteld van roerende voorheffing ter voorkoming van economische dubbele belasting in hoofde van investeerders die buitenlandse vennootschappen zijn (in overeenstemming met artikel 264/1 WIB 92). Het amendement nr. 35 wordt aangenomen met HOOFDSTUK 5/2 (NIEUW) Wijzigingen aan de wet van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Er wordt een amendement nr. 36 (DOC 55 2351/003) 5/2 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 36 wordt aangenomen met Art. 46/11 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 37 (DOC 55 2351/003) 46/11 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 37 wordt aangenomen met Art. 46/12 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 38 (DOC 55 2351/003) 46/12 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 38 wordt aangenomen met Art. 46/13 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 39 (DOC 55 2351/003) 46/13 (nieuw) in te voegen. De amendementen nrs. 37 tot 39 Deze bepalingen verduidelijken voor zoveel als nodig dat de ELTIF's die aan retailbeleggers in België worden aangeboden niet onderworpen zijn aan de bepalingen die normaal van toepassing zijn op de Belgische of buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in geval van openbare aanbieding op het Belgisch grondgebied. Dit beginsel vloeit voort uit de rechtstreekse werking van verordening 2015/760 van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, die het statuut van de ELTIF's regelt, alsook uit de primauteit van het Europees recht op het Belgisch recht. Het amendement nr. 39 wordt aangenomen met Art. 46/14 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 40 (DOC 55 2351/003) 46/14 (nieuw) in te voegen. De voorgestelde bepalingen hebben tot doel de Koning toe te laten een specifieke boekhoudkundige regeling en specifieke verplichtingen inzake financiële rapportering te bepalen voor wat de ELTIF betreft. De voorgestelde bepaling is gelijkaardig aan degene die van toepassing is op de categorieën van openbare instellingen voor collectieve belegging die door het Belgisch recht worden georganiseerd (zie artikel 253 van de wet van 19 april 2014). Het amendement nr. 40 wordt aangenomen met HOOFDSTUK 5/3 (NIEUW) Giften en rampen in de vennootschapsbelasting Er wordt een amendement nr. 41 (DOC 55 2351/003) 5/3 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 41 wordt aangenomen met Art. 46/15 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 42 (DOC 55 2351/003) 46/15 (nieuw) in te voegen. Dit amendement strekt ertoe het plafond ten belope van 500 000 euro éénmalig te verhogen tot 2 500 000 euro voor de binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen die giften hebben gedaan in de loop van het jaar 2021 ten voordele van de rampenfondsen. Het amendement nr. 42 wordt aangenomen met Art. 46/16 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 43 (DOC 55 2351/003) 46/16 (nieuw) in te voegen. De toepassing van artikel 46/15 wordt afgebakend in functie van de belastbare tijdperken die betrekking hebben op het jaar 2021, voor wat betreft de giften die in hetzelfde jaar 2021 worden gedaan aan rampenfondsen bedoeld in artikel 145°, $ 1, eerste lid, 1°, g, WIB 92. Voor deze giften wordt het plafond van artikel 200 WIB 92 verhoogd tot 2.500.000 euro in plaats, van 500.000 euro zoals voorzien in artikel 200 WIB 92. Het amendement nr. 43 wordt aangenomen met
HOOFDSTUK 6
Wijziging van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Artikelen 47 en 48 Bij deze artikelen worden geen bijkomende opmerkingen geformuleerd. De artikelen 47 en 48 worden achtereenvolgens
HOOFDSTUK 7
Wijzigingen aan de programmawet van Artikelen 49 tot 51 De artikelen 49 tot 51 worden achtereenvolgens
HOOFDSTUK 7/1 (NIEUW)
Wijziging aan de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Er wordt een amendement nr. 44 (DOC 55 2351/003) 711 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 44 wordt aangenomen met Art. 51/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 45 (DOC 55 2351/003) 51/1 (nieuw) in te voegen. De amendementen nrs. 44 en 45 hebben tot doel het doorvoeren van een spellingscorrectie in de Franse tekst van artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie. Het amendement nr. 45 wordt aangenomen met HOOFDSTUK 7/2 (NIEUW) Wijziging aan de wet van 15 juli 2020 houdende van de COVID-19-pandemie (CORONA Ill) Er wordt een amendement nr. 46 (DOC 55 2351/03) 712 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 46 wordt aangenomen met Art. 51/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 47 (DOC 55 2351/003) 51/2 (nieuw) in te voegen. De amendementen nrs. 46 en 47 hebben tot doel Deze twee amendementen hebben tot doel het doorvoeren van een spellingscorrectie in de Franse tekst van artikel 8 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA II) Het amendement nr. 47 wordt aangenomen met HOOFDSTUK 7/3 (NIEUW) Wijzigingen aan de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Er wordt een amendement nr. 48 (DOC 55 2351/003) 713 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 48 wordt aangenomen met Art. 51/3 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 49 (DOC 55 2351/003) 51/3 (nieuw) in te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement nr. 50, dat een nieuw artikel 51/4 invoert. De tekst van het ontworpen artikel 51/3, b), wordt aangepast overeenkomstig punt 12 van het advies nr. 70.465/3 van de Raad van State. Het amendement nr. 49 wordt aangenomen met Art. 51/4 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 50 (DOC 55 2351/003) 51/4 (nieuw) in te voegen. Via de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie werd de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques geldig tot 30 september 2020 verlengd tot 30 september 2021 Gelet op de beperkte bestedingsmogelijkheden van deze cheques afgelopen jaar wegens de aanhoudende COVID-19 pandemie wordt er voorgesteld om de gel digheid van de sport- en cultuurcheques nogmaals te verlengen tot 30 september 2022. Het amendement nr. 50 wordt aangenomen met HOOFDSTUK 7/4 (NIEUW) Er wordt een amendement nr. 51 (DOC 55 2351/003) 714 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 51 wordt aangenomen met Art. 51/5 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 52 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt een arti kel 51/5 (nieuw) in te voegen. Dit amendement corrigeert een verwijzing in artikel 64 van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie. Er moet worden verwezen naar artikel 63 van de voormelde wet, en niet naar artikel 64. Het amendement nr. 52 wordt aangenomen met Art. 51/6 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 53 (DOC 55 2351/003) 51/6 (nieuw) in te voegen. De voorgestelde correctie heeft uitwerking vanaf de inwerkingtreding van de gewijzigde bepaling, in casu 1 augustus 2021. Het amendement nr. 53 wordt aangenomen met
HOOFDSTUK 8
Bekrachtiging van de koninklijke besluiten Art. 52 Er wordt een amendement nr. 54 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt het artikel 52 aan te vullen met een bepaling onder 3°. Het koninklijk besluit van 29 september 2021 tot wijziging van de bijlage Il van het KB/WIB 92 op het stuk van de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid verlengt. de bedrijfsvoorheffing tegen het tarief van 15 pct. op de wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid voor de uitkeringen in oktober, november en december 2021 Dit is een belangrijke maatregel om de koopkracht van de werknemers die al lang tijdelijk werkloos zijn, te blijven ondersteunen, vooral voor de werknemers met de laagste lonen. Ingevolge de COVID-19 pandemie is namelijk nog steeds een grote groep werknemers langdurig tijdelijk werkloos. Het amendement nr. 54 wordt aangenomen met Artikel 52, zoals geamendeerd, wordt eveneens aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.
Art. 53 Artikel 53 wordt eenparig aangenomen.
Art. 54 Er wordt een amendement nr. 55 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt in artikel 54 de wijziging onder b) te vervangen. Het amendement nr. 55 wordt aangenomen met aanArtikel 54, zoals geamendeerd, wordt eveneens aanArt. 54/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 56 (DOC 55 2351/003) 54/1 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 55 voorziet voor bepaalde notariële volmachten en onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling van het recht op geschriften. De inwerkingtreding van deze bepaling moet samenvallen met de inwerkingtreding van een begeleidende maatregel die op het vlak van Justitie (DOC 55 2328/001) wordt genomen en waarvan de inwerkingtreding op 10 januari 2022 is bepaald. Het amendement nr. 56 wordt aangenomen met Art. 55 Artikel 55 wordt eenparig aangenomen. Artikelen 56 tot 63 De artikelen 56 tot 63 worden achtereenvolgens Art. 64 Er wordt een amendement nr. 57 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt artikel 64 te vervangen. In het kader van de coronamaatregelen werden de authentieke volmachten voor de vertegenwoordiging van een partij bij een notariële akte tijdelijk vrijgesteld van het recht op geschriften (50 euro) en van het algemeen vast registratierecht (50 euro), mits de in Strumenterende notaris voor het verlijden van de volmacht ook niets in rekening bracht. Gelet op de veelvuldige toepassing ervan in de notariële praktijk kwam vanuit de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat de vraag om deze tijdelijke maatregel te bestendigen. De voorgestelde amendementen komen daaraan tegemoet door de vrijstellingen respectievelijk in te schrijven in het Wetboek diverse rechten en taksen en in het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten. Deze maatregel zal het verlijden van notariële akten blijven vergemakkelijken in het kader van het economisch herstel na de COVID-19 crisis. Het amendement nr. 57, dat artikel 64 vervangt, wordt ‘aangenomen met 9 stemmen en 4 onthoudingen. Artikelen 65 en 66 De artikelen 65 en 66 worden achtereenvolgens Art. 66/1 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 58 (DOC 55 2351/003) 66/1 (nieuw) in te voegen. Dit amendement heeft tot doel te voorzien in een vrijstelling van het expeditierecht voor de uitgiften, kopieën of uitreksels van een proces-verbaal Gerechtelijk Wetboek dat plaats heeft gevonden: a) bij gelegenheid van verrichtingen binnen het kader van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen of van de overeenkomstige gewestelijke bepalingen; b) naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen erkend als een openbare of landbouwramp, wanneer het herstel of de schadeloosstelling wordt geregeld door bijzondere wetten of door internationale overeenkomsten. Het amendement nr. 58 wordt aangenomen met Art. 66/2 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 59 (DOC 55 2351/003) 66/1 (nieuw) in te voegen.
Artikel 66/2, tweede lid, laat artikel 66/1 uitwerking hebben op 1 juli 2021 om niet alleen, rekening te houden met het uitzonderlijke fenomeen van 14 juli 2021 maar ook, desgevallend, met de onweders die hebben plaatsgevonden sinds begin juli 2021. Het amendement nr. 59 wordt aangenomen met Wijzigingen van koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken Artikelen 67 en 68 De artikelen 67 en 68 worden achtereenvolgens De artikelen 69 tot 77 worden achtereenvolgens Art. 78 Er wordt een amendement nr. 3 (DOC 55 2351/02) ingediend door de heer Joy Donné (N-VA) dat ertoe strekt om de woorden “derde jaar” te vervangen door “tiende jaar”. De heer Joy Donné (N-VA) stipt aan dat de termijn waarna bedragen onder de 50 euro niet worden terugbetaald, afgestemd wordt op de zakenrechtelijke verkrijgende verjaringstermijn volgens het nieuwe Burgerlijk Wetboek die in beginsel 10 jaar bedraagt (artikel 3:27 BW). Het amendement nr. 3 wordt verworpen met 9 tegen Artikel 78 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.
Art. 79 Er worden geen opmerkingen geformuleerd bij dit artikel Artikel 79 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.
Art. 80 Artikel 80 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen. Wijziging van de artikelen 301 en 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de overdracht van de inning van bepaalde belastingen van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie naar de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering Art. 81 Er wordt een amendement nr. 60 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt artikel 81 te, vervangen. De belasting niet-inwoners bedoeld in arti kel 301 WIB 92 en die verschuldigd is door natuurlijke personen en rechtspersonen die buiten het kader van hun beroepsactiviteiten een meerwaarde op de overdracht van bepaalde onroerende goederen realiseren, moet worden betaald bij de registratie van de akte. Deze betaling gebeurt voortaan op een rekening beheerd door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie blijft daarentegen de belasting niet-inwoners berekenen en de betaling ervan controleren voor de registratie van de akte. Indien achteraf blijkt dat de meerwaarde groter is dan gekend op het moment dat de akte ter registratie werd aangeboden, is, de Algemene Administratie van de Fiscaliteit bevoegd om een bijkomende aanslag in de belasting niet-inwoners, te vestigen. In tegenstelling tot het oorspronkelijk artikel 81, blijft de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering in dit geval, naast de inning, bevoegd voor de invordering van de belasting Dit amendement beoogt bijgevolg bijkomende noodzakelijke verduidelijkingen aan te brengen inzake de herverdeling van de verschillende bevoegdheden tussen de verschillende administraties. Het amendement nr. 60, dat artikel 81 vervangt, wordt Art. 82 Artikel 82 wordt eenparig aangenomen.
Art. 83 Er wordt een amendement nr. 61 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt artikel 83 te vervangen. De overdracht van de bevoegdheden verbonden aan de inning van de bedrijfsvoorheffing en de belasting op de meerwaarden op overdrachten van bepaalde onroerende goederen gerealiseerd door personen onderworpen aan de belasting-niet-inwoners, van de ‘Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie aan de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering was in principe voorzien op 1 januari 2022, door het huidige artikel 83. Niettemin, rekening houdend met het feit dat bepaalde moeilijkheden van praktische orde niet volledig zullen kunnen worden opgelost voor 1 januari 2022, beoogt dit amendement de inwerkingtreding uitte stellen tot 1 april 2022, Het amendement nr. 61, dat artikel 83 vervangt, wordt
HOOFDSTUK 5
(NIEUW) ‘Technische correctie die moet worden aangebracht in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Er wordt een amendement nr. 62 (DOC 55 2351/003) 5 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 62 wordt aangenomen met Art. 84 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 63 (DOC 55 2351/003) 84 (nieuw) in te voegen. Dit amendement beoogt een eertijds vervangen paragraaf te hernemen. Het amendement nr. 63 wordt aangenomen met Art. 85 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 64 (DOC 55 2351/003) 85 (nieuw) in te voegen. Dit amendement regelt de inwerkingtreding van artikel 53octies, paragraaf 1bis, nieuw, van het Wetboek, zoals ingevoegd door het vorige amendement. Het amendement nr. 64 wordt aangenomen met
HOOFDSTUK 6
(NIEUW) Vermindering van de administratieve lasten inzake de fiscale fiches 281.50 Er wordt een amendement nr. 65 (DOC 55 2351/003) 6 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 65 wordt aangenomen met Art. 86 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 66 (DOC 55 2351/003) 86 (nieuw) in te voegen. Dit amendement regelt de nieuw, van het Wetboek, zoals ingevoegd door het vorige amendement. Het opstellen van de fiches 281.50 laat ook de verantwoording van de beroepskosten, en hieruit afgeleid hun aftrekbaarheid, alsook de eventuele belast baarheid ervan in hoofde van de genieter toe. De jaarlijkse opmaak van deze fiches 281.50 brengt. niettemin een belangrijke administratieve last met zich mee voor de betrokken belastingplichtigen. Het blijkt echter dat de fiscale administratie de informatie vervat in de voornoemde fiches via andere kanalen, zoals de erop betrekking hebbende facturen, kan verkrijgen. De administratie paste inzake de fiches 281.50 reeds een zekere administratieve tolerantie toe, die nooit in wetgeving werd omgezet. beoogt dit amendement derhalve de verplichting om een fiche 281.50 op te stellen bij wet af te schaffen wanneer een factuur of een document in de plaats ervan Onder een factuur of een document in de plaats ervan wordt niet enkel een factuur overeenkomstig de btw-reglementering van toepassing op de belasting plichtige verstaan, maar eveneens een creditnota, of een vereenvoudigde factuur bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, in de geval len waarin ze toegelaten is, alsook het bijzonder stuk in de zin van artikel 53, $ 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, indien het een levering van een goed of een dienst betreft binnen een Belgische btw-eenheid. Het amendement nr. 66 wordt aangenomen met Art. 87 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 67 (DOC 55 2351/003) 87 (nieuw) in te voegen. Dit amendement regelt de amendement.
Artikel 178, S 5, WIB 92 wordt aangevuld met een verwijzing naar het nieuwe artikel 57, vierde lid, WIB 92, om te vermijden dat de drempel van 1 000 euro wordt geïndexeerd. Het amendement nr. 67 wordt aangenomen met Art. 88 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 68 (DOC 55 2351/003) 88 (nieuw) in te voegen. Dit amendement regelt de amendement. Dit amendement regelt de inwerkingtreding van artikel 86 (nieuw). Het amendement nr. 68 wordt aangenomen met
HOOFDSTUK 7
(NIEUW) Wijziging van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk Er wordt een amendement nr. 69 (DOC 55 2351/03) 7 (nieuw) in te voegen. Het amendement nr. 69 wordt aangenomen met Art. 89 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 70 (DOC 55 2351/003) 89 (nieuw) toe te voegen. Dit amendement past artikel 72 van de wet van 24 december 2020 aan om de inwerkingtreding van de fiscale bepalingen te verduidelijken. Het amendement nr. 70 wordt aangenomen met Art. 90 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 71 (DOC 55 2351/003) 90 (nieuw) toe te voegen. Het artikel dat de inwerking treding van de wet van 24 december 2020 verduidelijkt, treedt best in werking voor die wet (op 31 december 2021) buiten werking treedt. Het amendement nr. 71 wordt aangenomen met TITEL 7 (NIEUW) Kosteloze aflevering en uitvoering van bepaalde documenten en formaliteiten door de Federale Overheidsdienst Financiën in geval van een erkende ramp Er wordt een amendement nr. 72 (DOC 55 2351/003) ingediend door de regering dat ertoe strekt een titel Het amendement nr. 72 wordt aangenomen met Art. 91 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 73 (DOC 55 2351/003) 90 (nieuw) toe te voegen. Dit amendement heeft als doel te voorzien in de volledige kosteloosheid 1° voor de getuigschriften, titels of andere inlichtingen, afschriften of uittreksels afgeleverd door de FOD Financiën naar aanleiding van verrichtingen die kaderen in de voormelde wet van 12 juli 1976 of de overeenkomende gewestelijke regelgevingen; 2° voor de in hetzelfde kader door de FOD Financiën uitgevoerde hypothecaire formaliteiten; 3° voor de aflevering van dezelfde documenten en bij de uitvoering van dezelfde formaliteiten die worden gevraagd naar aanleiding van schadelijke gebeurtenissen die als een openbare of landbouwramp worden erkend en waarin het herstel of de schadeloosstelling wordt georganiseerd door bijzondere wetten of door internationale verdragen. Het amendement nr. 73 wordt aangenomen met Art. 92 (nieuw) Er wordt een amendement nr. 74 (DOC 55 2351/003) 90 (nieuw) toe te voegen. Dit amendement laat artikel 91 (nieuw) uitwerking hebben op 1 juli 2021 om niet alleen, Het amendement nr. 74 wordt aangenomen met Op vraag van de heer Sander Loones zal de commissie overgaan tot een tweede lezing van dit wetsontwerp, (conform artikel 83 van het Kamerreglement). Er wordt tevens een wetgevingstechnische nota van de diensten gevraagd. Daarenboven wordt er ook de goedkeuring van het verslag van de eerste lezing gevraagd (art. 78,6 Rot.) Het verslag wordt eenparig goedgekeurd. De rapporteur, De voorzitster, Ahmed LAAOUEJ __ Marie-Christine MARGHEM imprmerecenrale-Cenraledrder