Amendement Dossier 2349/003
Documentdetails
📁 Dossier 55-2349 (22 documenten)
🗳️ Stemmingen
Betrokken partijen
Volledige tekst
ONTWERP VAN PROGRAMMAWET
(ingediend in de commsissie Sociale Zaken, Werk en Pensioenen) cot: ontwer van program manet Gaz. Amendemerien osaa4 bocss 2349/003 Nr.6 VAN MEVROUW SAMYN EN DE HEER VERREYT Art. 52 In titel 3, na artikel 52, een
hoofdstuk 4
invoegen, luidende: “Hoofdstuk 4. Bepalingen inzake het ouderschapsverlof” Ellen SAMYN (VB) Hans VERREYT (VB) Nr.7 VAN MEVROUW SAMYN EN DE HEER VERREYT Art. 52/1 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 4, een artikel 52/1 invoegen, luidende: “Art. 52/1. In het koninklijk besluit tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan van 29 oktober 1997 wordt een artikel 3/1 ingevoegd, “Art. 3/1. Aan de nog overlevende ouder wordt het door de overleden partner niet-opgebruikte saldo van het ouderschapsverlof volledig overgedragen.”.” Nr.8 VAN MEVROUW SAMYN EN DE HEER VERREYT Art. 52/2 (nieuw) kel 52/2 invoegen, luidende: “Art. 52/2. Deze bepaling heeft uitwerking metingang van 1 januari 2022.” VERANTWOORDING (amendementen 6-8) Belangenverenigingen van jonge weduwen en weduwnaars maakten een belangrijke opmerking aangaande de toekenning van het ouderschapsverlof die onze aandacht verdient. Wanneer één van beide ouders overlijdt en soms zeer jonge Kinderen achterlaat, bft één van beide ouders alleen achter. Die ene ouder moet alle gezinstaken op zich nemen en alleen instaan voor de opvoeding van de weeskinderen. Een situatie waarin een jonge weduwe/weduwnaar terechtkomtis op alle vlakken moelijk: emotioneel, financieel, administratief, organisatorisch. Daarbij komt nog de opvoeding van het kind. In sommige gevallen hebben beide ouders het ouderschapsverlof nog niet volledig (of geheel niet) opgenomen. Het niet-opgenomen ouderschapsverlof van de overleden partner komt op heden te vervallen. Het zou een extra ondersteuning zijn voor de overblijvende ouder die alleen moet instaan voor de opvoeding om het resterend saldo van het ouderschapsverlof van de overleden partner te kunnen opnemen. We pleiten dus voor de overdraagbaarheid van het niet-opgenomen saldo van het ouderschapsverlof naar de overblijvende partner ‘Op een mondelinge vraag van Ellen Samyn (55015211C) aan minister van Werk Pierre-Yves Dermagne in de commissie Sociale Zaken van 25 mei jongstleden (CRIV-COM 488, biz. 1718) verwees de minister naar de mogelijkheid die de Europese Richtlijn 2019/1158 daartoe biedt, doch met een maximum van twee maanden, wat in de eerdere Europese Richtijn 2010/18 nog de volle vier maanden bedroeg. De minister evenwel vond dat onze vraag in dit kader “legitiem” was, waaruit we kunnen besluiten dat hij onze vraag zeer genegen was. Nr. 9 VAN MEVROUW VANROBAEYS Art. 135 In titel 8, na artikel 135, een
hoofdstuk 6
invoegen, “Hoofdstuk 6. Wijziging van het basisloon in de beroepsrisicosector” ‘Anja VANROBAEYS (Vooruit) Christophe BOMBLED (MR) Marie-Colline LEROY (Ecolo-Groen) Nahima LANJRI (CD&V) Tania DE JONGE (Open Vld) Evita WILLAERT (Ecolo-Groen) Nr. 10 VAN MEVROUW VANROBAEYS Art. 135/1 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 6, een artikel 135/1 invoegen, luidende: “Art. 135/1.
Artikel 39, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, vervangen bij de wet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij de wet van 26 mei 2019, wordt aangevuld met de bepaling onder 11°, luidende: “11° vanaf 1 januari 2022: 36 441,12 euros (index 102,10; basis 2004=100).".”" Nr. 11 VAN MEVROUW VANROBAEYS Art. 135/2 (nieuw) kel 135/2 invoegen, luidende: “Art. 1352.
Artikel 135/1 treedt in werking op 1 januari 2022.” Deze bepaling voert de maatregel uit die is opgenomen in het gemeenschappelijk advies van de Nationale ‘Arbeidsraad nr. 2 213 en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven van 19 april 2021 over de welvaartvastheid 2021 2022, namelijk de verhoging vanaf 1 januari 2022 van het loonplafond, dat kan in aanmerking worden genomen voor de berekening van de vergoeding voor arbeidsongevallen, met 1,1 %. De gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van de beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit bepalen in artikel 49 dat de lonen, die tot basis dienen voor de berekening van de vergoedingen, worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de arbeldsongevallenwet van 10 april 1974. Deze wijziging geldt dus eveneens voor de sector beroepsziekten.
Artikel 39 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt dus gewijzigd en verhoogt het loonplafond vanaf 1 januari 2022. Nr. 12 VAN MEVROUW LANJRI c.s. In titel 8, na artikel 135, een
hoofdstuk 7
invoegen, “Hoofdstuk 7. Heruitgave van de in 2021 vervallen maaltijd- en ecocheques” Jean-Marc DELIZÉE (PS) Cecile CORNET (Ecolo-Groen) Nr. 13 VAN MEVROUW LANJRI c.s.
Art. 135/3 (nieuw) In het voornoemde hoofdstuk 7, een artikel 135/3 invoegen, luidende: “Art. 135/3. In artikel 19bis, $ 2, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappe: lijke zekerheid der arbeiders besluit, wordt in het derde lid, “2020”, telkens vervangen door “2021”.” Nr. 14 VAN MEVROUW LANJRI c.s.
Art. 135/4 (nieuw) kel 135/4 invoegen, luidende: “Art. 135/4. In artikel 19quater, $ 2, 4°, wordt een lid toegevoegd luidende: “In afwijking van de vorige leden worden de papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2021 is afgelopen, heruitgegeven. De uitgever van de papieren en elektronische ecocheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2021 vervallen ecocheque aan do werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van 24 maanden, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer indien het een papieren ecocheque betreft of 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de cheque op de ecochequerekening wordt geplaatst indien het elektronische ecocheque betreft.”.” Christophe BOMBLED (MBR) Tania DE JONGE (Open Vid) Nr. 15 VAN MEVROUW LANJRI c.s.
Art. 135/5 (nieuw) kel 135/5 invoegen, luidende:
Art. 135/5. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad” Dit amendement wil tegemoet te komen aan opmerking nr. 3.5 van het advies van 13 oktober 2020 van de Raad van State nr. 67 549/1 en het schriftelijke advies van VIA (voucher issuers association) In advies nr. 67 549/1 zegt de Raad van State duidelijk dat. detegenwaarde van de vervallen maalljd- en ecocheques niet toekomt aan de uitgtebedrijven. Vandaag is in het wettelijk en reglementair kader waaraan de uitgifte van deze cheques is onderworpen echter niet uitdrukkelijk geregeld aan wie de tegenwaarde dan wel toekomt. Zoals de Raad terecht stelt, is het zaak van de wetgever om in het belang van de rechtszekerheid hierover duidelijdheid te verschaffen en een, wetskrachtige regeling uit te werken. Dit amendement wil alvast voor wat de cheques die zijn vervallen in 2021 betreft, deze noodzakelijke duidelijkheid verschaffen. De filosofie achter de maalljd- en ecocheque is evenwel zeer duidelijk: het geld komt toe aan de werknemer. Hij krijgt zijn maaltijd en/of ecocheques als alternatief voordeel van zijn werkgever in ruil voor de door hem verrichte arbeid. Met dit amendement willen we ervoor zorgen dat het geld van de, in 2021 vervallen maaltijd en ecocheques opnieuw terecht komt bij de bedoelde eigenaar, namelijk de werknemer. De cheques die vervallen zijn in 2021 en die niet in aanmerking zijn gekomen voor een verlenging, moeten daarom als het ware worden heruitgegeven. De uitgevers moeten een nieuwe maalijd- of ecocheque uitgeven aan de werknemer met dezelfde waarden als de in 2021 vervallen cheque en met een, nieuwe geldigheidsduur van respectievelijk 12 of 24 maanden. Deze heruitgave mag niet leiden tot extra kosten voor de werknemer noch de werkgever. We vinden de reactivering van deze cheque billijk in het licht van COVID-19-pandemie en de financiële moeilijkheden die vele werknemers ondervonden ‘Ook willen we erop wijzen dat VIA zelf die deze mogelijkheid heeft voorgesteld in het door hen overgemaakt schriftelijk advies aan de Commissie voor Sociale Zaken met betrekking tot het wetsvoorstel tot wijziging van het Koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot vaststeling van de erkenningsvoorwaarden en de erkenningsprocedure voor de uitgevers van maaltijdcheques of ecocheques in elektronische vorm, tot uitvoering van de artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, met het oog op het storten van de bedragen van de niet gebruikte maaltijdcheques en de ecocheques aan de Belgische Federatie van Voedselbanken, DOC 55 1091/001 ‘Totslot wilen we verwijzen naar de adviesvraag bijde NAR op 1 oktober 2021 door de minister van Sociale Zaken, om in opvolging van deze maatregelen een structurele oplossing uitte werken voor de niet-uitgegeven eco- en maaltjdcheques. In deze adviesvraag geeft hij enkele mogelijkheden mee, onder andere de mogelijkheid die werd voorgesteld in Het is nu aan de sociale partners om met die voorstellen aan de slag te gaan en een advies te formuleren. In alwachting van dit advies en in afwachting van een structurele regeling die zal worden genomen eens het advies eri, wordt voorzien in een verlenging van de huidige tijdelijke maatregel, namelijk de jaarlijkse heruitgite van cheques die vervallen zijn Nr. 16 VAN MEVROUW VANROBAEYS c.s.
Art. 131 In de voorgestelde paragraaf 3, de woorden “en wijzigen” weglaten. De te ruime delegatiebepaling wordt aangepast. Zoals ook. terecht bemerkt door de Gegevensbeschermingsautoriteit (advies nr. 225/2021 van 3 december 2021, randnr. 13), kan de Koning niet worden belast met een wijziging van bepalin gen; dit is het prerogatief van de welgever. Om deze reden wordt de delegatie aan de Koning beperkt tot de mogelijkheid om de berekeningswijze en de nadere modaliteiten inzake berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage nader te bepalen Sophie THEMONT (PS) Nr. 17 VAN MEVROUW VANROBAEYS c.s.
Art. 134 In het voorgestelde artikel 134, tussen het eerste en het tweede lid twee leden invoegen, luidende: “Naast de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid, verwerkt de Rijksdienst voor sociale zekerheid, in de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, met het oog op de berekening en de inning van de responsabiliseringsbijdrage en met het oog op de proactieve informatie bedoeld in artikel 133, de volgende (categorieën van) persoonsgegevens: 1° het identificatienummer bedoeld in artikel 8, $ 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid van de werknemers; 2° de geboortedatum van de werknemers; 3° het ondernemingsnummer bedoeld in artikel 11.17 van het Wetboek van economisch recht; 4° het inschrijvingsnummer van de werkgever bij de Rijkdienst voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 39, $ 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van de werkgever; 5° de NACE-BEL-code van classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever; 6° de belangrijkheidscode van de werkgever, meer ‘bepaald het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers; 7°in voorkomend geval, het paritair comité of paritair subcomité waaronder de werkgever ressorteert; 8° de contractueel gemiddelde arbeidsduur van de werknemers; 9° de datum van het begin en het einde van de tewerkstelling; 10° de prestatiecodes van de werknemer; 11° het aan de voormelde Rijksdienst aangegeven bijdrageplichtig loon, met inbegrip van de bezoldigingscodes, op kwartaalbasis. De persoonsgegevens bedoeld in het tweede id zijn afkomstig uit de volgende gegevensbanken: 1° het werkgeversrepertorium, beheerd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid; 2° de gegevensbank inzake de multifunctionele aangiften beheerd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.” In navolging van hetadvies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (advies nr. 25/2021 van 3 december 2021, randnr. 18) wordt het ontworpen artikel 134 aangevuld met een oplijsting van àlle (categorieën van) persoonsgegevens, die door de RSZ zullen worden verwerkt ter verwezenlijking van het beoogde doeleinde van berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage en de proactieve informatie. Het gaat meer bepaald over de volgende (categorieën van) (persoons)gegevens: 1 hetidentficatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de werknemers, noodzakelijk voor een correcte idenlficatie van de betrokken werknemers. Dit unieke identificatienummer van een natuurlijke persoon voor de Belgische sociale zekerheid betreft hetzij het rjksregisternummer (toegekend door het Rijksregister), hetzijhetbis-nummer (toegekend door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid); 2° de geboortedatum van de werknemers. Voor de correcte berekening van de responsabiiseringsbijdrage dient de RSZ de leeftijd van de werknemers op de datum van de aanvang van de primaire arbeldsongeschiktheld te kennen; 3° het ondernemingsnummer van de werkgever, benodigd voor een correcte identificatie van de werkgever; 4° het inschrijvingsnummer van de werkgever bij de RSZ, essentieel voor een correcte identificatie van de werkgever; '5° de NACE-BEL-code van de classificatie van economische actwiteit voor wat betreft de hoofdactwiteit van de werkgever. Dit gegeven is noodzakelijk om de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activiteltensector te bepalen; 6° de belangrijkheidscode van de werkgever die het gemiddelde van het tijdens de referteperiode aantal tewerkgestelde werknemers weergeeft. Deze belangrijk heldscode is onontbeerlijk omdat de werkgevers die tijdens het jaar waarin het kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, zijn vrijgesteld van de responsabiliseringsbijdrage; subcomité waaronder de werkgever ressorteert. Dit gegeven is vooreerst noodzakelijk aangezien enkel de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeids overeenkomsten en de paritaire comités een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd (kunnen) zijn. Verder dient de RSZ de opbrengst van de responsabiliseringsbijdrage te storten aan het Fonds voor Bestaanszekerheld van het paritair (sub) comité waaronder de werkgever ressorteert; 8° de contractueel gemiddelde arbeidsduur van de werknemers, nodig om het aantal voltijds equivalente werknemers tewerkgesteld bij de werkgever, in dezelfde activiteitensector alsook in de algemene private sector te bepalen; '9° de datum van het begin en het einde van de tewerkstelling van de werknemer, onontbeerlijk om de werknemers te bepalen die op de laatste dag van het kwartaal Q-4 ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zin; 10° de prestatiecodes van de werknemer; nodig om de ononderbroken tewerkstelling gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren bij de betreffende werkgever nate gaan; 11° het aan de voornoemde rijksdienst aangegeven bijdrageplichtig loon, met inbegrip van de bezoldigingscodes, op kwartaalbasis, noodzakelijk als berekeningsbasis voor de responsabiliseringsbijdrage. De bezoldigingscodes zijn noodzakelijk aangezien voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage geen rekening wordt gehouden met de aan de RSZ verschuldigde bedragen die verschuldigd zijn onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens, het aangiftekwartaal, andere dan de bedragen die betrekking hebben op het einde van de arbeidsovereenkomst. Tevens wordt de RSZ uitdrukkelijk aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG (advies nr. 225/2021 van 3 december 2021, randnr. 25). Sophie THÉMONT (PS) impnmerie centrale Ceruse dader