Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 maart 2021 houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op klein verlet ook toe te kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind naar een vaccinatieplaats Samenvatting 3 Memorie van toelichting 4 Voorontwerp 7
Documentdetails
📁 Dossier 55-2342 (8 documenten)
Volledige tekst
pocss 2342/001 tot wijziging van de wet van 28 maart 2021 houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op klein verlet ook toe te kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind naar een vaccinatieplaats Samenvatting 3 Memorie van toelichting 4 Voorontwerp 7 Advies van de Raad van Stale. 8 Wetsontwerp 13 Coördinatie van de artikelen 15 Overeenkonsna aamweL 8, 82,2", van DE wer van 15 oeceween 2012 WERD De WPACTANALYSE MET GEVRAAGD De URGENTIEVERKLARING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT. bocss 2342/01 De regering heeft dit wetsontwerp op 29 november 2021 ingediend. De “goedkeuring tot drukken” werd op 29 november 2021 door de Kamer ontvangen. raes Groen ‘Afkorting bide rumering van de pubica erva Sehrieijke Wagen en Antwoorden cam Voorlopige verse van het Integraal Verslag Craav Beknopt Versag Integraal Verslag, met inks het definitieve integraal cav verlag en acht het vertaald beknopt verlag van de toespraken (mat de bijager) PLEN Pera €ou Commisiovergadering hor Mates tot besluit van meypelaties (beigekeurig papier) SAMENVATTING De wet van 28 maart 2021 wordt aangepast zodat een werknemer ook een recht heeft op klein verlet wanneer hij een samenwonend minderjarig kind naar een vaccinatieplaats begeleidt, teneinde dit kind te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19
MEMORIE VAN TOELICHTING
Dawes en Heren, ALGEMENE TOELICHTING Ons land is zwaar getroffen door de gezondheidserisis veroorzaakt door het coronavirus COVID-19. In het kader hiervan is de regering genoodzaakt geweest ‘om aan de samenleving beperkende maatregelen op te leggen, die een zware negatieve impact hebben op het economische leven Om deze crisis te overwinnen en zo snel mogelijk het normale economische leven te kunnen hervatten, is het nodig dat de bevolking zo breed mogelijk wordt gevaccineerd tegen het coronavirus COVID-19. Hoe hoger de vaccinatiegraad, hoe sneller ook de geldende beperkende maatregelen versoepeld kunnen worden Om de vaccinatiecampagne te faciliteren en aldus een zo hoog mogelijke vaccinatiegraad te verkrijgen, heeft de wet van 28 maart 2021 voorzien in een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19. Elke werknemer verbonden door een arbeidsovereenkomst heeft aldus het recht op betaalde afwezigheid van het werk om zich te laten vaccineren en dit gedurende de tijd die nodig is voor de vaccinatie. In het kader van de lopende vaccinatiecampagne heeft de interministeriële conferentie Volksgezondheid op 7 juli 2021 beslist dat ook 12- tot 18-jarigen gevaccineerd kunnen worden tegen COVID-19. De reeds gevaccineerde personen zullen nog een derde vaccinatie moeten krijgen, teneinde hun resistentie tegen het virus, op peil te houden. Om de vaccinatiecampagne van minderjarige kinderen te faciliteren is het daarom noodzakelijk dat het recht op klein verlet waarover werknemers beschikken ‘om zichzelf te vaccineren, ook zou gelden wanneer zij de minderjarige kinderen waarmee zij samenwonen begeleiden naar een vaccinatieplaats, teneinde deze kinderen te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19. Dit recht op klein verlet om minderjarige kinderen te begeleiden naar een vaccinatieplaats gedurende de tijd die nodig is voor hun vaccinatie is aan dezelfde uitoefeningsvoorwaarden onderworpen als, het klein verlet dat de werknemer gebruikt wanneer hij zichzelf laat vaccineren. Minderjarige kinderen zijn alle personen die wettelijk als minderjarig worden beschouwd. Mocht in de toekomst worden beslist dat ook kinderen jonger dan 12 jaar gevaccineerd kunnen worden tegen COVID-19, dan zal het betrokken recht op klein verlet bijgevolg ook ten aanzien van die kinderen kunnen worden uitgeoefend
TOELICHTING
BIJ DE ARTIKELEN Art. 2 Dit artikel breidt het bestaande recht op klein verlet voor vaccinatie, datis ingesteld door de wet van 28 maart 2021, uit tot de situaties waarin een werknemer een minderjarig kind, dat met hem samenwoont, begeleidt naar een vaccinatieplaats met de bedoeling om dit kind aldaar te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19. Het minderjarig kind is elke persoon die wettelijk als, minderjarig wordt beschouwd. De werknemer heeft dit recht gedurende de tijd die nodig is om het minderjarig kind te laten vaccineren. Hiermee wordt zowel de tjd van de eigenlijke vaccinatie beoogd, alsook de tijd die nodig is voor de werknemer ‘om zich te verplaatsen naar en van de locatie waar de vaccinatie zal plaatsvinden. Dit recht op klein verlet geldt voor elk minderjarig kind dat bij de werknemer inwoont. Het kan dus ook gaan ‘om een inwonend adoptiekind of pleegkind, of om een inwonend kind dat onder de wettelijke voogdij van de werknemer werd geplaatst. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend. Het recht op klein verlet om een minderjarig kind te begeleiden naar een vaccinatieplaats is voor de rest onderworpen aan dezelfde uitoefeningsvoorwaarden als wanneer de werknemer klein verlet opneemt om zichzelf te laten vaccineren. Het voorgaande houdt o.a. in dat de werkgever aan de werknemer kan vragen om de bevestiging voor te leggen van de afspraak in een vaccinatiecentrum. Dezelfde waarborgen inzake bescherming van de privacy die gelden wanneer de werknemer zichzelf laat vaccineren, zullen op identieke wijze gelden bij de opname van klein verlet voor de vaccinatie van een kind. Met het oog op de rechtszekerheid wordt, in navolging van het advies van de Raad van State, de formulering van het derde en vierde lid van het gewijzigde artikel 3 van de wet van 28 maart 2021 daarom afgestemd op de situatie waarin het klein verlet wordt opgenomen voor de begeleiding van een samenwonend minderjarig kind naar een vaccinatieplaats. De waarborgen inzake bescherming van de privacy houden in dat de werkgever enkel kan vragen om hem de afspraakbevestiging te tonen. Met uitzondering van het tijdstip van de afspraak, is het hem op geen enkele wijze toegestaan om de informatie die op dat document voorkomt te verwerken. Deze waarborgen werden indertijd in de wet van 28 maart 2021 opgenomen in navolging van het advies nr. 25/2021 van 8 maart 2021 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Vermits deze waarborgen op identieke wijze zullen gelden wanneer de werknemer klein verlet opneemt voor de begeleiding van een samenwonend minderjarig kind naar een vaccinatieplaats, en aan deze waarborgen door dit wetsontwerp niets wordt gewijzigd, werd het niet nodig geacht om hierover opnieuw het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit in te winnen.
Art. 3 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze wet. Gelet op het dringend karakter ervan, treedt deze wet in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad. De minister van Werk, Pierre-Yves DERMAGNE VOORONTWERP VAN WET Onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 28 maart 2021 houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op klein verlet ook toe te kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. ‘Artikel 3, eerste lid, van de wet van 28 maart 2021 houdende. toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, wordt aangevuld met de volgende zin: “De werknemer heeft dit recht eveneens om een minderjarig kind, dat met hem samenwoont, te begeleiden gedurende de tjd die nodig is om dit kind te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend”. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. bocss 2342/001 ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 70.457/1 VAN 16 NOVEMBER 2021 Op 9 november 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de minister van Werk verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet ‘lot wijziging van de wet van 28 maart 2021 houdende toekenning van een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, teneinde het recht op Klein verlet ook toe te kennen voor de begeleiding van een minderjarig kind naar een vaccinatieplaats: Het voorontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 10 november 2021. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Dame, kamervoorzitter, Wouter Ps en Inge Vos, staatsraden, en Greet Vensenokwoes, griffier. Het verslag is uitgebracht door Jonas Revsurar, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Inge Vos, staatsraad. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 1. Volgens artikel 84, 5 1, eerste lid, 3°, van de welten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling in de adviesaanvraag gemotiveerd als volgt: “De actuele gezondheidscrisis als gevolg van het coronavirus COVID-19 maakt het noodzakelijk voor de regering ‘om onverwijld de nodige maatregelen te nemen die van aard kunnen zijn om zo snel mogelijk de COVID-19 pandemie onder controle te krijgen en een herstel van het normale economische leven mogelijk te maken. De uitbraak van het coronavirus COVID-19 werd door de WHO op 11 maart 2020 als een pandemie gekwalificeerd. Gelet op de verspreiding van het coronavirus COVID-19 op Europees grondgebied en in België, zijn ondertussen diverse vaccins ontwikkeld die de bevolking kunnen beschermen tegen het coronavirus COVID-19 en is in dit verband een vaccinatiecampagne aan de gang. Voor een optimale doeltreffendheid van het vaccin bij de bevolking en het ontstaan van groepsimmuniteit, zou minstens 70 % van de Belgen zich moeten laten vaccineren. Groepsimmuniteit wil zeggen dat een voldoende grote groep mensen weerstand heeft opgebouwd tegen het virus, waardoor het virus niet meer of nog maar zeer moelijk kan circuleren. Hoe sneller de vaccinatiegraad stijgt, hoe sneller dus ook de geldende beperkende maatregelen kunnen versoepeld worden. ‘Op 7 juli 2021 heeft de interministeriële conferentie Volksgezondheid beslist om 12- tot 18-jarigen te vaccineren. Daarom past het om werknemers die samenwonen met een minderjarig kind een recht op betaalde afwezigheid van het werk (klein verlet) toe te kennen, zodat zj dat minderjarig kind kunnen begeleiden gedurende de tijd die nodig is om dat kind Het voorliggende voorontwerp van wet draagt aldus bij aan een zo breed mogelijke vaccinatie van de bevolking en de invoering van die wet kan om die reden niet worden uitgesteld” 2. Overeenkomstig artikel 84, $ 3, eerste id, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond’, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Sraerana van er voonorwens 3. De wet van 28 maart 2021 ‘houdende toekenning van, een recht op klein verlet voor werknemers met het oog op het toegediend rijgen van een vaccin ter bescherming tegen het eoronavirus COVID-19' geeft de werknemer het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van zijn normaal loon, scherming tegen het coronavirus COVID-19. De werknemer heeft dit recht gedurende de tijd die nodig is voor de vaccinatie. Het voor advies voorgelegde voorontwerp strekt ertoe die regeling uitte breiden teneinde de werknemer eveneens dat recht te geven om een minderjarig kind, dat met hem samenwoont, te begeleiden gedurende de tijd die nodig is om it kind te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het ind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend. De aan te nemen wet reedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Vonumensren 4. In advies 68.881/1 van 23 februari 2021 werd over het voorontwerp dat heeft geleid tot de te wijzigen wet van 28 maart 2021 het volgende opgemerkt _Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rachtsgrong” de overeenstemming mat de hogere Fechtsnarmen verstaan. *__AdvRVS 68.881/1 van 23 februari 2021 over aon voorontwerp ‘aat noeft golid tot do wet van 28 maart 2021, opmerking 4 (Par, St. Kamer 20202, nr. 55-1841) “4.1. Zoals de NAR terecht opmerkt in zijn advies van 5 februari 2021 brengt het ontwerp een gegevensstroom op gang van gevoelige persoonsinformatie. Werkgevers zullen immers rechtstreeks - zij het niet in alle gevallen, want men kan ook in de vrije tjd gevaccineerd worden - informatie krijgen over de vaccinatiestatus van hun personeelsleden. De NAR merkt in dat verband op dat ‘alle Informatie die in dat verband door de werknemer op verzoek van de werkgever wordt verstrekt, binnen de strikte grenzen van wat nodig is, moet worden gebruikt om voldoende bewijs te leveren om gerechtigd te zijn op het loon. Vervolgens moet die vernietigd worden Daarover wordt in het voorontwerp niets bepaald. Dat neemt niet weg dat moet worden vastgesteld dat artikel 3, tweede en derde lid, van het voorontwerp aanleiding geeft tot de verwerking van persoonsgegevens, waarbij gevoelige Informatie wordt gedeeld die - ondanks de suggestie van de NAR om de gegevens achteraf te vernietigen - niet zomaar kan worden beschouwd als zijnde ‘ongezien. 4.2.
Artikel 36, id 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreflende het vrije, verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthoudende autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoritelt bedoeld in de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautorieit te raadplegen bj het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel In verband met verwerking. 4.3. Gevraagd naar dat advies antwoordde de gemachtigde: ‘Het ontwerp van wet is niet voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het recht op betaalde afwezigheid van het werk waarin het ontwerp voorziet, is een doelgebonden recht. Om die reden voorziet de wet In een regeling waardoor de werkgever zich ervan kan vergewissen dat de werknemer het recht inderdaad gebruikt waarvoor het Is bedoeld. De werknemer dient daarbij geen medische gegevens, noch een attest van vaccinatie te bezorgen aan zijn werkgever. Op voorstel van de NAR zelf, is in de wet bepaald dat de voorlegging van een uitnodiging om op een bepaald tijdstip aanwezig te zijn in een vaccinatiecentrum en de bevestiging van de afspraak waaruit plaats en uur blijkt, geldt als voldoende bewijs. Uit de voorlegging van deze gegevens kan de werkgever niet met absolute zekerheid gevoelige persoonlijke informatie afleiden aangaande de vaccinatiestatus van de werknemer. Het ontwerp van wet verplicht de werknemer ook geenszins om zich te laten vaccineren (dat blijft een persoonlijke keuze), noch verplicht het de werknemer om van het recht op betaalde afwezigheid gebruik te maken wanneer hij zich laat vaccineren (de werknemer kan bv. kiezen om verlof op te nemen of eventueel proberen de afspraak te verplaatsen teneinde zich buiten de werkuren te laten vaccineren) 4.4, Het eit dat het om een ‘doelgebonder recht gaat neemt niet weg dat het nog steeds gaat om gegevensverwerking: onder de AVG moet rouwens elke verwerking van gevoelige persoonsgegevens per definitie doelgebonden zijn, waarbij er bovendien een wettelijke omschrijving van dat doel vereist is. Het fet dat de werkgever geen zekerheid heelt over de vaccinatiestatus doet evenmin afbreuk aan het leit dat de werknemer gevoelige persoonsgegevens moet meedelen aan de werkgever, die de werkgever vervolgens ook verwerkt. Overigens is die onzekerheid er enkel met betrekking tot de personen die geen verlet hebben gevraagd - voor de anderen is er een vermoeden van vaccinatie (want anders werd het verlet misbruikt, wat dan weer een fout in hoofde van de werknemer zou uitmaken). Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet bijgevolg nog worden ingewonnen vooraleer het voorontwerp in de Kamer wordt ingediend” 4.2. Vervolgens heeft de Gegevensbeschermings-autortet advies nr. 25/2021 van 8 maart 2021 uitgebracht over dat In de memrie van toelichting bij hetin de Kamer ingediende ontwerp werd aangegeven dat met dat advies rekening was gehouden 4.3. Gevraagd of over het actueel voorliggende voorontwerp het advies van de Gegevensbeschermings-autorititis ingewonnen, antwoordde de gemachtigde ontkennend: “Gelet op het eit dat op het lak van privacy dezelfde waarborgen gelden als degene die thans reeds in de wet staan vermeld (… en dewelke in de wet werden opgenomen naar aanleiding van het advies dat de Gegevensbeschermingsautoritet eerder reeds had uitgebracht bij de invoering van de wet, heeft de beleidscel geoordeeld dat het niet nodig was om het huidige voorontwerp van wet opnieuw voor te leggen aan het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit” 4.4. Die zienswijze kan niet worden bijgetreden. Het voorontwerp breidt de regeling vervat in artikel 3 van de wet van 28 maart 2021, en bijgevolg ook de verplichting inzake de voorlegging van “de bevestiging van de afspraak om op een bepaald tijdstip aanwezig te zijn op een plaats waar de vaccinatie wordt toegediend” uit tt de vaccinatie van de samenwonende minderjarige kinderen van de betrokken werknemer. Bijgevolg zullen die gegevens, alsook noodzakelijkerwijs de identiteit van het betrokken kind, op diens verzoek aan de werkgever moeten worden overgemaakt. Niettegenstaande de waarborgen vervat in artikel 3, vijde vi, van de te wijzigen wet, houdt de ontworpen regeling een nieuwe en wezenlijk andere verwerking van persoonsgegevens in. Het betreft overigens persoonsgegevens van een persoon die geen arbeidsverhouding heeft met de werkgever. >_ParlSt Kamor2020-21, nr. 55-1840, 17-28. © _ParlSt Kamer 2020-21. nr. 55-1849, 5-6. ‘Om dezelfde redenen als uiteengezet in advies 68.881/1 van (23 februari 2021 moet bijgevolg ook over het voorliggende voorontwerp nog het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit worden ingewonnen. 4.5, Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het inwinnen van dat advies nog wijzigingen zou ondergaan,” moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, $ 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, alsnog eveneens aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd. Onvenzoek vau wer voorourwenP Artikel 2 5. De beoogde uitbreiding van het toepassingsgebied gebeurt door de toevoeging van een zin aan artikel 3, eerste lig, van de wet van 28 maart 2021. In de memorie van toelichting wordt daarbij het volgende opgemerkt: “Dit recht op Klein verlet om minderjarige kinderen te begeleiden naar een vaccinatieplaats gedurende de tijd die nodig is voor hun vaccinatie is aan dezelfde uitoefeningsvoorwaarden onderworpen als het klein verlet dat de werknemer gebruikt wanneer hij zichzelf laat vaccineren” Die uitvoeringsvoorwaarden liggen vervat in de overige leden van artikel 3 van de wet van 28 maart 2021. Met het oog op de rechtszekerheid is het aangewezen om ook de formulering van het derde en vierde lid van dat artikel af te stemmen op de situatie waarin het klein verlet wordt gevraagd voor het begeleiden van het samenwonend minderjarig, kind. In de actueel geldende bepalingen is immers sprake van het verwittigen van de werkgever “zo spoedig mogelijk vanaf het tijdstip of tijdsslot van de vaccinatie voor hem bekend is” en van de hypothese waarin de afspraakbevestiging “niet vermeldt wanneer de werknemer aanwezig dient te zijn op een plaats waar de vaccinatie wordt toegediend” De griffier, De voorziter, Greet VERBERCKMOES Marnix VAN DAMME *_ Namelijk andere wijzigingen dan diegene waarvan in dt advies, melding wordt gemaakt of wijzigingen da ertoe stokken tegemoet te komen aan hetgeen in dt advies wordt opgemerk FILIP, Konina ver Betoen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groer. Op de voordracht van de minister van Werk, Heesen Wij BesLoren EN Besturen Wi: De minister van Werk is ermee belast in onze naam van wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt In artikel 3 van de wet van 28 maart 2021 houdende met het oog op het toegediend krijgen van een vaccin ter bescherming tegen het coronavirus COVID-19, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zinnen: “De werknemer heeft di recht eveneens om een minderjarig kind, dat met hem samenwoont, te begeleiden gedurende de tijd die nodig is om dit kind te laten vacCineren tegen het coronavirus COVID-19. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend”; 2° in het derde lid worden de woorden “vanaf het tijdstip of tjdsslot van de vaccinatie voor hem bekend is” vervangen door de woorden “vanaf het moment waarop hij kennis heeft van het tijdstip of tijdsslot van de vaccinatie voor hem of voor het in het eerste lid bedoelde kind”; 3° in het vierde lid worden de woorden “of het in het eerste lid bedoelde kind” ingevoegd tussen de woorden “wanneer de werknemer” en de woorden “aanwezig dient te zijn”. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 25 november 2021 FILIP Van Koninasweoe: vocss 2342/01 Loi du 28 mars 2021 accordant un droit au petit chà contre le coronavirus COVID-19 TEXTE DE BASE Art. 3. Le travaileur a le droit de s'absenter du travail, avec maintien de sa rémunération normale, afin de recevoir un vaccin contre le coronavirus COVID-19. Le travaileur a ce droit pendant le temps nécessaire à la vaccination, 56 de la même loi Pour bénéficier de la rémunération, le travailleur doit À la demande de 'employeur, le travaileur doit en fourni la preuve. La présentation de la confirmation du rendez-vous à être présent à un moment donné ‘dans un lieu où la vaccination est administrée, ‘constitue une preuve suffisante. Pour autantquela L'employeur ne peut utiliser les informations ainsi ‘seulement enregistrer "absence du travaileur comme ‘absence petit chômage. Il est interdit pour Femployeur d'enregistrer la raison du petit chômage ‚n recht op klein verlet voor werknemers met het scherming tegen het coronavirus COVID-19 BASISTEKST AANGEPAST AAN HET ONTWERP VAN WET De werknemer heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van zijn normaal loon, jer bescherming tegen het coronavirus COVID-19. De werknemer heeft dit recht gedurende de tijd die nodig s voor de vaccinatie. De werknemer heeft dit recht eveneens om een minderjarig kind, dat met hem samenwoont, te begeleiden gedurende de tijd die nodig is om dit kind te laten vaccineren tegen het coronavirus COVID-19. Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door sén van hen worden uitgeoefend. De in het eerste lid bedoelde afwezigheid van het werk wordt gelijkgesteld met een afwezigheid van het werk in de zin van artikel 30, 5 1, van de wet van 3 uli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het normale loon voor deze afwezigheid wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 56 van dezelfde wet. Om gerechtigd te zijn op het loon moet de werknemer de werkgever vooraf verwittigen en zo spoedig mogelijk vanaf het moment waarop hij kennis heeft van het tijdstip of tijdsslot van de vaccinatie voor em of voor het in het eerste lid bedoelde kind. Hij moet het verlof gebruiken voor het doel waarvoor het s toegestaan Op verzoek van de werkgever dient de werknemer niervan het bewijs voor te leggen. Het voorleggen van de bevestiging van de afspraak om op een, bepaald tijdstip aanwezig te zijn op een plaats waar de vaccinatie wordt toegediend, geldt als voldoende bewijs. In zoverre de bevestiging niet vermeldt wanneer de werknemer of het in het eerste lid pedoelde kind aanwezig dient te zijn op een plaats waar de vaccinatie wordt toegediend, dient de uitnodiging voorgelegd te worden. De werkgever mag de informatie die hij aldus verkrijgt ‘enkel gebruiken met het oog op de organisatie van het werk en het verzorgen van een correcte loonadministratie. Het is de werkgever niet toegestaan om onder welke vorm dan ook een kopie van de afspraakbevestiging te nemen of de informatie die ze bevat manueel over te schrijven, met uitzondering van het tijdstip van de afspraak. Hetis de werkgever enkel toegestaan om de afwezigheid van de werknemer te registreren als klein verlet. Het is de werkgever niet toegestaan om de reden van het Klein verlet te registreren en/of te registreren datde werknemer gezondheidsproblemen heeft