Naar hoofdinhoud

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 november 2021 van 15 juli 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2339 Wetsvoorstel 📅 2021-11-21 🌐 NL
Status ✅ AANGENOMEN KAMER
Stemming 🗳️ ADOPTÉE (02/12/2021)
Commissie ECONOMIE, CONSUMENTENBESCHERMING EN DIGITALISERING
Auteur(s) Open (Vld); Patrick, Prévot (PS); Florence, Reuter (MR); Albert, Vicaire (Ecolo-Groen); Leen, Dierick (cd&v); Melissa, Depraetere (Vooruit); Dieter, Vanbesien (Ecolo-Groen)
Rapporteur(s) Van (Bossuyt); Anneleen (N-VA)
Onderwerpen
OVERHEIDSTOEZICHT EXPLOSIEVE STOF OVERTREDING ZWARTE HANDEL EG-VERORDENING REIS BEWUSTMAKING VAN DE BURGERS

🗳️ Stemmingen

Betrokken partijen

CD&V Ecolo-Groen MR N-VA PS PVDA-PTB VB Vooruit cdH

Sprekers (10)

Anneleen Van Bossuyt (N-VA) Albert Vicaire (Ecolo-Groen) Patrick Prévot (PS) Reccino Van Lommel (VB) Florence Reuter (MR) Leen Dierick (CD&V) Roberto D'Amico (PVDA-PTB) Melissa Depraetere (Vooruit) Maxime Prévot (cdH) Maxime Prévot (ca)
Stemdetail (2 stemmingen)
Art. 1 eenparig aangenomen
Art. 11 eenparig aangenomen

Volledige tekst

tot wijziging van de wet van 21 november 2021 van 15 juli 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven ‘en houdende bepalingen betreffende de leningen toegekend aan reisorganisatoren voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen uitgegeven conform het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen NAMENS DE COMMISSIE VOOR ECONOMIE, CONSUMENTENBESCHERMING EN DIGITALE AGENDA UITGEBRACHT DOOR MEVROUW Anneleen VAN BOSSUYT Wi. Stemmingen 7 Zie oor: Wetsvorstelvan de heer Patick Prévet, mevrouw Fuer, de heer Viare, de dames Dierick en Depracters en de heer Vanbesien. coz: Amendement. zieook: Gos: Takt aangenomen doer de commisie osaoa pocss 2339/003 van ie tdi da grt eren nnn en ee paterange roe pes erin vac Ee Fases ier jn Gie Vri re kansen Gamal meten Aedo van KE edere arora ooo somzore (ensa enne mwn | AE etienne neos Dawes en Heren, Uw commissie heeft dit wetsvoorstel, dat de urgentie heeft gekregen tijdens de plenaire vergadering van 25 november 2021, besproken tijdens haar vergadering van 1 december 2021 1, - INLEIDENDE UITEENZETTING Mevrouw Kathleen Verhelst (Open Vid), hoofdindienster van het wetsvoorstel, stelt dat de wet van 21 november 2021 de Staat heeft gemachtigd om leningen toe te kennen aan reisorganisatoren om hen te helpen de nog openstaande coronavouchers terug te betalen aan reizigers. Deze wet kon slechts gepubliceerd worden, en bijgevolg in werking treden, na de goed keuring van het leningsmechanisme door de Europese Commissie op grond van de staatssteunregelgeving. Het leningsmechanisme werd uiteindelijk door de Europese Commissie goedgekeurd, doch de formele beslissing daartoe werd later dan verwacht genomen. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde nadere regels en termijnen waarin de wet momenteel voorziet, niet meer nageleefd kunnen worden. Dit wetsvoorstel beoogt die wet aan te passen teneinde de praktische uitvoering van het leningsmechanisme alsnog mogelijk te maken. Il. - BESPREKING Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) vindt het opmerkelijk dat ditmaal een lid van Open Vld werd opgetrommeld om de kastanjes uit het vuur te halen. Klaarblijkelijk werd de PS, die enkele weken geleden de ondankbare taak had om amendementen in te dienen op een wetsontwerp dat daarmee verder niets vandoen had (DOC 55 2163/004), daartoe niet meer bereid gevonden. In aanvulling op haar interpellatie (5500019) aan de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk over “een coronavoucherbank” (CRIV 55 COM 632) heeft mevrouw Van Bossuyt nog enkele specifieke vragen over het voorliggende wetsvoorstel bocss 2339/003 De eerste vraag heeft betrekking op de terugwerkende kracht die zou worden verleend aan de wijzigingen die het wetsvoorstel zou aanbrengen. Dit is zeer opmerkelijk en uiterst zeldzaam De uiterste datum waarop reisorganisatoren hun dossier moesten indienen, was gisteren, 30 november 2021. In de toelichting bij de artikelen staat te lezen dat er in de dagen voorafgaand aan die datum reeds een schrijven werd gestuurd naar de reisorganisatoren, “zoals voorzien in artikel 16 van de Wet [van 21 november 2021)”. Dat artikel 16 bepaalt dat “Zodra de bepalingen van deze itel in werking treden”, de FOD Economie schriftelijk aan de organisatoren de nadere regels met betrekking tot het afsluiten van een lening mededeelt. Het probleem is dat de bepalingen van de betrokken titel nog niet in werking zijn getreden. De voorliggende tekst moet immers nog een heel wetgevend parcours afleggen. Nog afgezien van de vraag of de retroactiviteit op zich aanvaardbaar is, blijkt er dus al uit juridisch-technisch oogpunt het een en ander te schorten aan de verantwoording van die terugwerkende kracht. Hoe rijmen de indieners en de regering dat? Hoe denken zij dat de Raad van State hierover zou oordelen? De tweede vraag heeft te maken met de terugbetaling van de vouchers.

Artikel 22 van de wet van 21 november 2021 bepaalt dat elke organisator uiterlijk op 31 januari, 2022 overgaat tot de terugbetalingen aan de reizigers van de in aanmerking komende tegoedbonnen waarvoor hij een lening heeft aangevraagd. De vraag rijst hoe deze bepaling zich verhoudt tot het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen. Op grond van dat ministerieel besluit werden de tegoedbonnen uitgegeven vanaf 20 maart 2020 tot en met 19 juni 2020. De tegoedbonnen die niet door de reiziger werden gebruikt binnen een jaar na uitgifte ervan, moeten op verzoek van de reiziger worden terugbetaald. De reisorganisator beschikt volgens het ministerieel besluit over een termijn van zes maanden ‘om de terugbetaling te verrichten, te rekenen vanaf de dag waarop de reiziger om deze terugbetaling heeft verzocht. Concreet betekent dit dus dat, op basis van het ministerieel besluit, de terugbetaling van de vouchers dient te worden verricht tussen 20 september 2021 en 19 december 2021. Hoe verklaren de indieners deze ongerijmdheid tussen de wet en het ministerieel besluit? Hoe zal zulks worden verholpen? Zullen consumenten nog eens anderhalve maand extra moeten wachten op hun geld? Wat als consumenten rechtszaken zouden aanspannen tegen hun reisorganisator, die dan nog maar eens de dupe zou worden van het gebrek aan professionalisme van de regering? ‘Artikel 9 van het voorliggende wetsvoorstel beoogt de bevoegdheid te schrappen die aan de verzekeraars wordt toegekend om gebruik te maken van het riksregistemummer van de reisorganisatoren die als natuurlijke personen optreden en van de natuurlijke persoon-bestuurders alsmede van reisorganisatoren die als rechtspersoon optreden. Vanwaar deze wijziging? Heeft dit te maken met de privacywetgeving? Kan de regering voorts aangeven hoe de consument geïnformeerd zal worden over de voorliggende regeling? Voorts heeft mevrouw Van Bossuyt nog een vraag over het budgettaire aspect van deze regeling. In het advies van het Rekenhof bij de begrotingsontwerpen voor het begrotingsjaar 2022 (DOC 55 2291/003) staat te lezen dat er voor het leningsmechanisme 210 miljoen euro is ingeschreven in de coronaprovisie 2021. In het ontwerp van middelenbegroting zijn voor 36,3 miljoen euro ontvangsten ingeschreven voor de terugbetaling in 2022 van de geleende sommen en de desbetreffende intresten. Hoe komt de regering aan dat bedrag van 36,3 miljoen euro? Gelooft zij echt dat er in 2022 al 36 miljoen euro zal worden terugbetaald door de reisorganisatoren? Het ziet er helaas niet naar uit dat er volgend jaar al opnieuw veel zal worden gereisd. Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) dient vervolgens amendement nr. 1 (DOC 55 2339/02) in, dat ertoe strekt een artikel 10/1 in te voegen, luidende: “Art. 10/1. De regering neemt haar verantwoordelijkheid op ten aanzien van de reisorganisatoren die reeds vanaf 20 september 2021 tegoedbonnen hebben terugbetaald en bijgevolg geen beroep kunnen doen op voorliggende regelgeving voor die tegoedbonnen. De regering werkt voor hen een passende regeling uit”. Mevrouw Van Bossuyt herhaalt dat, op basis van de regeling zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 maart 2020, de coronavouchers vanaf 20 september 2021 dienden te worden terugbetaald, als de reiziger daarom verzocht. Dientengevolge hebben sommige reisorganisatoren, op vraag van de consument, de afgelopen weken al verschillende tegoedbonnen terugbetaald, vaak met hun eigen vermogen en ondanks de moeilijke financiële situatie waarin ze verkeren. Voor die reeds terugbetaalde tegoedbonnen kunnen de reisorganisatoren geen beroep meer doen op regelgeving met betrekking tot een coronavoucherbank. Deze reisorganisatoren mogen niet gestraft worden voor het nakomen van hun reglementaire verplichtingen. Daarom is het wenselijk dat de federale regering ook haar verantwoordelijkheid opneemt ten aanzien van deze reisorganisatoren en voor hen een passende regeling uitwerkt. Tijdens de bespreking van de overeenkomstig artikel 93, $ 1, van het Kamerreglement naar de commissie terugverwezen amendementen nrs. 1 tot 3 (DOC 55 2163/004) had mevrouw Van Bossuyt een subamendement ingediend (DOC 55 2163/005), dat beoogde reisorganisatoren die reeds vouchers hadden terugbetaald, niettemin in staat te stellen een beroep te doen op het leningsmechanisme. De regering en de meerderheid steunden dat amendement toen niet, omdat ze vreesden dat de regeling dan als ilegale staatssteun zou worden aangemerkt. Vandaar dat mevrouw Van Bossuyt ditmaal de bal in het kamp van de regering legt om een gepaste regeling uit te werken voor de betrokken reisorganisatoren. ‘Tot besluit van haar betoog stelt mevrouw Van Bossuyt dat zij onder normale omstandigheden zeker aangedrongen zou hebben op een advies van de Raad van State over deze tekst. Om de reissector, wiens situatie erg precair is, en de consument niet in de kou te laten staan, zal het lid deze tekst straks goedkeuren. Ze wijst er evenwel op dat de regering dit dossier op schabouwelijke wijze aangepakt heeft en ze prijst zich gelukkig dat zij hiervoor niet de verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Anders dan de N-VA-fractie, die reeds in januari 2021 een voorstel van resolutie tot het oprichten van een coronavoucherbank (DOC 55 1745/001) indiende en daarvoor vergeefs de urgentie vroeg, hebben de regering en de meerderheid de urgentie van dit dossier miskend. Het minste dat zij nu zouden kunnen doen om tegemoet te komen aan de benadeelde reisorganisatoren, is amendement nr. 1 (DOC 55 2339/002) aannemen. De heer Albert Vicaire (Ecolo-Groen) begrijpt de kritiek van de oppositie en geeft toe dat de tekst laat werd ingediend. Hij betreurt dat de onderhandelingen moeizaam zijn verlopen en lang hebben aangesleept, en dat de verzekeraars weinig hebben gedaan om voor de sector op te komen. Hij is van oordeel dat de regering vooral een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de consument. Daartoe strekt dit wetsvoorstel: de consument krijgt de garantie dat zijn voucher zal worden terugbetaald. Deze regeling beoogt de bedrijven die niet kunnen terugbetalen te hulp te komen. Wie reeds heeft terugbetaald, heeft daarmee bewezen daartoe bij machte te zijn: de fractie van de spreker zal het amendement van de N-VA niet steunen, daar het de reikwijdte verruimt van hetgeen het wetsvoorstel beoogt. De spreker wijst erop dat de garantiedekking niet zonder risico is voor de Staat. De heer Vicaire geeft aan dat zijn fractie de tekst zal steunen. De heer Patrick Prévot (PS) gaat in op het verloop van de besprekingen en wijst erop dat de termijnen uit de initiële tekst dankzij de nieuwe tekst kunnen worden bijgesteld. De heer Reccino Van Lommel (VB) sluit zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Van Bossuyt. Hij wijst op het ongebruikelijke parlementaire parcours waaraan de regering en de meerderheid dit dossier hebben onderworpen. Helaas is dit niet het enige dossier van de regering dat rammelt aan alle kanten. Hoewel de afwikkeling van de coronavouchers deze commissie al anderhalf jaar bezig houdt, is de regering hopeloos te laat. Dit kunst- en vliegwerk is daarvan het gevolg. Helaas leidt dit tot rechtsonzekerheid voor de reisorganisatoren, die het al moeilijk genoeg hebben. Dit is geen toonbeeld van goed bestuur en getuigt van weinig respect voor het Parlement. De noodzaak van het leningsmechanisme voor de reissector en de consument staat evenwel buiten kijf. Om die reden zal het VB het wetsvoorstel steunen, net als het amendement van mevrouw Van Bossuyt. Mevrouw Florence Reuter (MR) steunt de verklaringen van mevrouw Verhelst en de heer Patrick Prévot. Het wetsvoorstel alsook het leningsmechanisme komen zowel de reissector als de consument ten goede. Het is, dan ook belangrijk dat de voorliggende tekst onverwijld wordt goedgekeurd. Volgens mevrouw Leen Dierick (CD&V) verdient dit dossier geen schoonheidsprijs, maar is het belangrijk ste dat er een oplossing komt. De CD&V-fractie zal dit wetsvoorstel dan ook steunen. Zij stelt wel dat de wijze waarop de parlementaire bespreking van dit dossier georganiseerd is, niet voor herhaling vatbaar is. Voorts zou mevrouw Dierick graag een stand van zaken krijgen wat het aantal reeds ontvangen leningsaanvragen betreft. De heer Roberto D'Amico (PVDA-PTB) is verbaasd over het wetgevend parcours en over de haast waarmee de tekst werd ingediend. Desalniettemin deelt hij mee dat zijn fractie de voorgestelde tekst zal steunen omdat ze zich kan vinden in de inhoud ervan. Mevrouw Melissa Depraetere (Vooruit) kondigt aan dat haar fractie dit belangrijke wetsvoorstel zal goedkeuren. De heer Maxime Prévot (cdH) geeft om te beginnen aan dat hij ingenomen is met het inhoudelijke optreden van de meerderheid in het dossier. Veel reizigers die niet op reis konden maar wel reeds een bedrag aan een touroperator hadden betaald, willen immers hun geld terug. De wet van 21 november 2021 zal die terugbetaling mogelijk maken, door aan die touroperators leningen toe te kennen. Evenzo wilden veel touroperators die reizigers wel terugbetalen, maar hadden ze niet de middelen daartoe; ook daarin zal de voormelde wet voorzien. De spreker wijst er overigens op dat uit de cijfers van de FOD Economie voor het tweede kwartaal van 2021 blijkt dat de reisbureaus, touroperators, reservatiediensten en aanverwante activiteiten nog steeds tot de zwaarst door de COVID-19-crisis getroffen sectoren behoren, met een omzetdaling van 75 % ten opzichte van 2019. De spreker plaatst evenwel vraagtekens bij de vormvereisten): het probleem dat de wet van 21 november 2021 en dit wetsvoorstel beogen weg te werken, is niet nieuw. Het is reeds meer dan 18 maanden duidelijk dat de terugbetaling door de reisbureaus van de vouchers, uitgegeven conform het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen op een dag een probleem zou vormen. Derhalve, vraagt de spreker zich af waarom de tekst zo laat werd ingediend, en dan nog zonder advies van de Raad van State. Hij wijst erop dat mevrouw Catherine Fonck de vice-eersteminister op 5 mei 2021 vragen heeft gesteld dienaangaande. Zo werd haar vraag “Zou er een overheidsfonds of een bankenfonds gecreëerd kunnen worden voor de terugbetaling van die vouchers, zodat de belangen van de reizigers met die van de reisbureaus verzoend kunnen worden?” door de vice-eersteminister beantwoord als volgt: “We werken aan de invoering van een specifieke steunregeling waarmee die vouchers terugbetaald kunnen worden zonder dat de cashflow. van de ondernemingen ondermijnd wordt. Het zou gaan over een lening om zeker te stellen dat reisorganisators, over voldoende liquide middelen kunnen beschikken” (CRIV 55 COM 462, biz. 22-23). De spreker kan deze poging om een wetsvoorstel erdoor te drukken, en dan nog wel zonder advies van de Raad van State, slechts matig waarderen. Hij kan maar moeilijk geloven dat het zes maanden heeft geduurd ‘om de amendementen op wetsontwerp DOC 55 2163 en de paar artikelen van dit wetsvoorstel te redigeren. Wat de tekst zelf betreft, rijst de vraag in hoeverre het federale niveau bevoegd is inzake de voorgestelde tegemoetkoming. De spreker vraagt of de tekst moet worden beschouwd als een ondersteuning van de ondenemingen in moeilijkheden. Zo ja, moeten de deelstaten dan geen standpunt innemen over deze regeling? Werden zij hierover geraadpleegd? Het alternatief is dat deze maatregelen worden beschouwd als een federaal optreden ter bescherming van de consument. In dat geval rijst de vraag waarom de totale steun wordt beperkt tot 210 miljoen euro. Zal dit wetsvoorstel ervoor zorgen dat alle houders van vouchers worden terugbetaald? Bij de uitoefening van haar bevoegdheid inzake consumentenbescherming mag de regering immers de ene burger niet benadelen ten opzichte van de andere. Zal het bedrag van 210 miljoen euro derhalve toereikend zijn om alle mogelijk benadeelde reizigers terug te betalen? De spreker formuleert een derde mogelijke grond voor het optreden van de federale regering. Hij vraagt namelijk of het optreden moet worden gezien als een vergoeding van de schade die de regering heeft veroorzaakt door het ministerieel besluit van 19 maart 2020. De uitgifte van vouchers heeft immers aanleiding gegeven tot veel controverse en tot rechtszaken. Het id vraagt zich dan ook af in welke mate die geschillen verband houden met de voorgestelde regeling. De heer Prévot meent dat dus heel wat vragen rijzen over de federale bevoegdheid ter zake; een advies van de Raad van State ware dan ook nuttig geweest ‘Tevens had de spreker graag beschikt over het advies van de Raad van State over de vraag of de voorgestelde regeling voor advies aan de Europese Commissie had moeten worden voorgelegd. Hij wijst erop dat overheidssteun onderworpen is aan regels die zijn bepaald bij Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op deminimis-steun. Het klopt weliswaar dat de Europese Commissie op 19 maart 2020 heeft meegedeeld dat ze wegens de COVID-19-crisis tijdelijk niet zou aandringen op de strikte toepassing van die bepalingen. Het klopt eveneens dat de steunregelingen op grond van de vijfde wijziging van die mededeling worden verlengd tot 31 december 2021. Niettemin worden door die mededeling de verplichtingen van de lidstaten ten opzichte van de Verordening geenszins opgeschort. Aangezien het in dezen gaat om een meerjarige regeling, en niet ‘om directe steun in de vorm van de verschaffing van liquide middelen, meent de heer Prévot dat het dienstig ware geweest de Europese Commissie om advies te verzoeken. Hij stipt aan dat meerdere regeringen op diverse tijdstippen tijdens deze crisis om een dergelijk advies hebben gevraagd. De heer Prévot merkt op dat het wetsvoorstel ertoe strekt de reisorganisatoren leningen op vijf jaar aan te bieden. Dat brengt hem ertoe de volgende vragen over de eigenlijke regeling te stellen = het is bekend dat de reisbureaus zwaar werden getroffen door de COVID-19-crisis. Zullen zij de toegekende leningen in vijf jaar kunnen aflossen? Is dit geen niet terug te betalen lening voor hen? - ware het niet beter geweest een lening op langere termijn te overwegen (vandaar dat de Europese Commissie had moeten worden geraadpleegd, teneinde te achterhalen wat op het vlak van overheidssteun mogelijk was)? - zijn de voorgestelde termijnen realistisch? De spreker acht die termijnen onhaalbaar (vooral in 2021). Wat zal er gebeuren als ze niet in acht worden genomen? Zal een reisorganisator die zijn dossier een week te laat indient, nul op het rekwest krijgen? De heer Prévot heeft er voorts terdege nota van genomen dat de reisorganisator ertoe werd verplicht ‘om te voorzien in een zekerheidstelling in de vorm van een waarborg op eerste verzoek, waarbij de gevormde zekerheidstelling maximum 3 miljoen euro zou bedragen wanneer meerdere leningen worden toegekend aan meerdere organisatoren die tot eenzelfde groep behoren. Hij plaatst vraagtekens bij dat behandelingsverschil tussen kleine en grotere organisatoren, want dat zou de Staat in een lastig parket kunnen brengen. Het id verzoekt de vice-eersteminister toe te lichten hoe die regel te rijmen valt met de mededinging tussen de spelers De heer Prévot heeft begrepen dat de verstrekte lening voor elke reisorganisator niet meer mag bedragen dan 80 % van de totale waarde van de uitgegeven vouchers, met een welbepaald maximum dat niet hoger mag liggen dan het hoogste van de volgende bedragen: - ofwel het dubbele van de jaarlijkse loonmassa; - ofwel 25 % van de totale omzet dat de reisorganisator in 2019 heeft geboekt; - ofwel het bedrag van de liquiditeitsbehoeften van de organisator, op grond van de verklaring op erewoord. De heer Prévot heeft vragen bij sommige van die eriteria: waarom het dubbele van de loonmassa? Wat is, het verband tussen de lonen van de reisorganisator en de bedragen die de klanten als aanbetalingen hebben betaald? Waarom wordt in verband met laatstgenoemd eriterium zoveel armslag gelaten aan de reisorganisator? Voorts herinnert de spreker eraan dat momenteel geschillen lopen over het ministerieel besluit van 19 maart 2020, over dat van 3 april 2020 waarbij het eerstgenoemde besluit werd gewijzigd, alsmede over de gevolgen ervan. Ook al blijkt bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de gestelde termijn geen verzoek tot nietigverklaring van die besluiten aanhangig te zijn gemaakt, meent de spreker dat de rechtscolleges van de rechterlijke macht ter zake een beslissing zullen moeten treffen op grond van artikel 159 van de Grondwet, en dat ze aan het HvJEU indien nodig zelfs prejudiciële vragen zullen moeten stellen op grond van artikel 267, derde lid, van het VWEU. Het lid vraagt zich af wat er zal gebeuren als de Belgische rechtbanken a posteriori zouden oordelen dat de ministeriële besluiten van 19 maart en 3 april 2020 onwettig zijn? Zullen de leningen dan ter discussie worden gesteld? Hoe zullen ze worden verantwoord en gemotiveerd? Mochten de ministeriële besluiten van 19 maart en 3 april 2020 onwettig worden verklaard, dan zou de spreker willen weten hoe de rechten van de reizigers zullen worden beschermd, aangezien de zaken bij betaling in de loop van het geding niet vervallen. Zuilen de verstrekte leningen ook bedoeld zijn om de bijbehorende kosten te betalen (schadeclaim, gerechtskosten, advocatenhonoraria, procedurevergoeding enzovoort), dan wel louter om de nominale waarde van de uitgegeven vouchers te dekken? Met betrekking tot de consumentenbescherming vraagt de spreker zich af hoe de reizigers op de hoogte zullen worden gebracht van de ondertekening van een leningsovereenkomst tussen de FOD Economie en de uitgever van de voucher (al dan niet een reisorganisator), teneinde de verschuldigde bedragen onverwijld uitbetaald te krijgen. Hetzelfde geldt voor de eisers die op grond van een arbitrage-uitspraak zijn afgewezen door de Geschillencommissie Reizen, die, zonder het HvJEU een prejudiciële vraag te stellen, geen rekening heeft gehouden met de adviezen van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State. Moeten de betrokkenen opnieuw om terugbetaling van de verschuldigde bedragen verzoeken? Hoe staat het met de dossiers waarvan de looptermijn is verstreken en waarvoor de reizigers geen terugbetaling van de verschuldigde bedragen hebben ontvangen? Zal voor hen uitvoering worden gegeven aan de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten, alsook aan richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betref fende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (die beide in een termijn van zes maanden voorzien om de reizigers terug te betalen)? Gelet op de procedure als bedoeld in artikel 18 van de wet van 21 november 2021 kan de lening wel degelijk worden toegekend nadat de termijn voor de terugbetaling van de voucher is verstreken (dat wil zeggen meer dan zes maanden na de aanvraag). Hoe kan een en ander onderling worden afgestemd? Eens te meer vindt de spreker dat het interessant ware geweest te beschikken over het advies van de Raad van State. ‘Ten slotte merkt de heer Próvot op dat het ministerieel besluit van 19 maart 2020 voorziet in een terugbetaling binnen zes maanden na de aanvraag, dat wil zeggen uiterlijk op 19 december 2021. Op grond van artikel 22 van de wet van 21 november 2021 wordt die termijn evenwel verschoven naar uiterlijk 31 januari 2022. De spreker vraagt zich af of de reiziger recht heeft op een compensatie voor die termijnverlenging, dan wel of het een afwijking betreft van de ministeriële besluiten en van de afdwingbare wet van 21 november 2017, waarbij de Staat aansprakelijk is De heer Pierre-Yves Dermagne, vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, geeft toe dat deze manier van werken niet voor herhaling vatbaar is. De onderhandelingen waren moelijk en hebben lang aangesleept, mede omdat het de wens van de regering was ‘om, anders dan in Nederland, de verzekeraars een deel van de verantwoordelijkheid te doen opnemen De onderhandelingen hebben geresulteerd in een mechanisme dat beantwoordt aan de noden van de reissector, die overigens nauw betrokken is geweest gedurende het hele onderhandelingsproces. Er zijn ook veelvuldige contacten geweest met de gewesten. Die laatste hebben de federal regering trouwens expliciet gevraagd om een ondersteuningsmechanisme met betrekking tot de coronavouchers op te zetten. terugverwezen amendementen (DOC 55 2163/004) heeft de regering zich ertoe geëngageerd de wet niet te publiceren alvorens het fiat van de Europese Commissie te hebben gekregen. Zodra de wet was aangenomen, heeft de regering daartoe de nodige stappen gezet. De beslissing van de Europese Commissie heeft de regering pas op 15 november 2021, later dan verhoopt, bereikt. Volgens de Commissie is de regeling noodzakelijk, geschikt en evenredig om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen, en is ze als zodanig conform aan artikel 107 VWEU. Ze beantwoordt aan alle voorwaarden van de Europese tijdelijke kaderregeling ‘Ter attentie van de heer Maxime Prévot wijst de viceeersteminister erop dat verschillende aspecten van de regeling opgelegd werden door de Europese Commissie: de looptijd van vijf jaar, de jaarlijkse rentevoet van 3 %, het eriterium van het dubbele van de jaarlijkse loonkosten van de organisator of nog het feit dat het bedrag van de lening 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen niet mag overschrijden (artikelen 10 en 11 van de wet van 21 november 2021) Artikel 9 van het wetsvoorstel schrapt de bevoegdheid die aan de verzekeraars wordt toegekend om gebruik te maken van het rijksregisternummer van de reisorganisatoren die als natuurlijke personen optreden en van de natuurlijke persoon-bestuurders alsmede van reisorganisatoren die als rechtspersoon optreden. Het betreft een overblijfsel uit een eerdere versie van de regeling, waaraan, zoals reeds gezegd, de verzekeraars, hebben meegewerkt. Wat de verhouding betreft tussen het tijdskader voor de terugbetaling van de leningen krachtens het ministerieel besluit enerzijds en de wet anderzijds, wijst de vice-eersteminister erop dat de coronavouchers voorzien zijn van een datum vanaf wanneer de consument de terugbetaling ervan kan vragen. Er is echter niets dat die consument ertoe verplicht die terugbetaling meteen vanaf die datum te vragen. Dit is de reden waarom in de wet sprake is van de datum van 31 januari 2022. Vervolgens gaat de vice-eersteminister in op amendement nr. 1 (DOC 55 2339/002) van mevrouw Van Bossuyt. Net zoals het amendement (DOC 55 2163/005) dat het lid indiende in het kader van de bespreking van de wet van 21 november 2021, kan de regering dit amendement niet steunen. Het staat immers op gespannen voet met het advies van de Europese Commissie. Het is de wil van de regering om de staatstussenkomst te beperken tot die reisorganisatoren die effectief nood hebben aan een lening om de coronavouchers te kunnen terugbetalen.

Artikel 26 van de wet van 21 november 2021 bepaalt dat elke lening het voorwerp uitmaakt van een zekerheid in de vorm van een garantie op eerste verzoek, verstrekt door insolventieverzekeraar. Deze zekerheid is beperkt tot een bedrag van 3 miljoen euro per lening en per “groep” reisorganisatoren. Een reisorganisator kan een groter bedrag ontlenen. Als hij in gebreke zou blijven ‘om de lening terug te betalen, dan zal de interventie van de verzekeraars beperkt zijn tot 3 miljoen euro. Het exces wordt dan ten laste genomen door de Staat. De verzekeraars en de Staat verdelen het risico. De federale overheid is bereid om een deel van het risico te dragen, ‘om tegemoet te komen aan een sector die een moeilijke periode doormaakt en die ondersteuning behoeft in het nakomen van zijn wettelijke verplichtingen, en dit alles in omstandigheden die met reden uitzonderlijk mogen worden genoemd. De vice-eersteminister drukt de hoop uit dat de commissie spoedig zal kunnen instemmen met het voorliggende wetsvoorstel, dat ten goede komt aan de reissector en uiteindelijk ook aan de consument. Mevrouw Eva De Bleeker, staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming, toegevoegd ‘aan de minister van Justitie en Noordzee, benadrukt dat het leningsmechanisme altijd in hoofdzaak tot doel had de rechten waarover de consument beschikt, te vrijwaren. ‘Ten gronde verandert er niets aan deze rechten; ook zonder het leningsmechanisme zou de consument bij insolventie van zijn reisorganisator aanspraak kunnen maken op terugbetaling. Het bestaande systeem bleek evenwel niet helemaal opgewassen tegen de huidige risissituatie, waardoor de bescherming van de consument niet volledig kon worden gegarandeerd. In de toekomst zal het systeem van de insolventieverzekering in de reissector worden herzien. Het is immers duidelijk dat dat systeem op zijn limieten botst. Er zijn ook te weinig spelers actief op de markt. De aanzet voor deze hervorming werd reeds gegeven. De staatssecretaris bevestigt dat in het ontwerp van middelenbegroting voor 36,3 miljoen euro ontvangsten zijn ingeschreven voor de terugbetaling in 2022 van de geleende sommen en de desbetreffende intresten. Dit bedrag is inderdaad het resultaat van een spreiding over de verschillende jaren van de geschatte totale terugbetaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het teit dat toen de begroting werd opgemaakt, we nog niet in de vierde golf zaten en de reissector weer aantrok. Sowieso zit er in de begroting, zeker de middelenbegroing, steeds een onzekerheidsfactor vervat. Als dat nodig blijkt, zal het bedrag worden aangepast. Ook het aantal ingediende dossiers zal natuurlijk een impact hebben op het bedrag van de terugbetalingen. Ook relevant in dit verband is dat krachtens artikel 10 van de wet van 21 november 2021 de eerste jaarlijkse termijn uiterlijk op de tweede vervaldatum van de leningsovereenkomst dient te worden terugbetaald. Op dit moment is het zo dat er een tachtigtal dossiers, werden ingediend. Concrete bedragen zijn nog niet bekend. De ingediende dossiers dienen nog gecontroleerd te worden. ‘Tot slot wijst de staatssecretaris erop dat de bevoegdheid van de federale overheid voor deze regeling haar grondslag vindt in het feit dat zij de bescherming van de consument van pakketreizen nastreeft. Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA) betreurt de uitspraken van de heer Vicaire als zouden reisbureaus die reeds vouchers terugbetaalden daardoor getoond hebben dat ze de ondersteuning van het leningsmechanisme niet behoeven, een leningsmechanisme dat volgens hem in hoofdzaak de belangen van de consument dient. De spreekster wijst erop dat 400 kmo's uit de reissector in die situatie verkeren; sommige zaakvoerders zijn op enkele jaren van hun pensioen al hun spaarcenten kwijt. Het klopt dat de regeling de belangen van de consumenten dient, maar zeker ook die van de reisorganisatoren. De staatssecretaris ontving reeds zo'n 80 leningsaanvragen, maar het concrete bedrag kent ze nog niet. De deadline voor het indienen van een dossier verstrek gisteren, 30 november 2021. Het zal moeten blijken of de dossiers aan de voorwaarden voldoen. Het lid kreeg evenwel geen antwoord op haar twee belangrijkste vragen, namelijk die betreffende de retroactiviteit van de regeling en de vraag aangaande de ongerijmdheid tussen het ministerieel besluit en de wet inzake de termijn voor het terugbetalen van de vouchers. Kan zij alsnog een antwoord op deze vragen bekomen? ‘Tot slot richt de spreekster zich tot de medewerkers van de betrokken kabinetten. Zij looft hun inspanningen in dît dossier en hoopt dat zij zich vanaf nu met andere zaken zullen kunnen bezighouden De heer Albert Vicaire (Ecolo-Groen) verduidelijkt dat het uiteraard ook de bedoeling is van het leningsmechanisme om de reissector te steunen, maar dat de publieke middelen beperkt zijn en de verantwoordelijkheid van de overheid zich in dezen toch vooral ten opzichte van de consument situeert. Het stelt de heer Maxime Prévot (ca) in zekere mate gerust dat het leningsmechanisme klaarblijkelijk toch enigszins is afgetoetst bij de Europese Commissie, wat het risico verkleint dat de regeling Europeesrechtelijk op losse schroeven zou komen te staan, met nadelige gevolgen voor sector én consument. De spreker neemt er nota van dat deze regeling gestoeld is op de federale bevoegdheid van de consumentenbescherming. Het blijft echter onduidelijk of het budget van 210 miljoen euro zal volstaan om ervoor te zorgen dat alle daarvoor in aanmerking komende consumenten hun coronavouchers terugbetaald zullen krijgen. Zoals mevrouw Van Bossuyt terecht opmerkt moet men ook oog hebben voor de belangen van de reisorganisatoren. Niet zelden gaat het om familiebedrijven. Vele verkeren in een precaire financiële situatie. De vice-eersteminister geeft aan dat de juridische dienst van de FOD Economie de inwerkingtreding met terugwerkende kracht van het voorliggende wetsvoorstel heeft gevalideerd. Hij benadrukt dat de regering steeds volledige transparantie heeft geboden over de regeling: er is gecommuniceerd via brief en mail, en er werden diverse publieke verklaringen afgelegd. Dit dossier zal inderdaad geen schoonheidsprijs wegkapen, aldus de vice-eersteminister, maar nood breekt wet. Wat de opmerking van de heer Maxime Prévot betreft omtrent de omvang van het voorziene budget, stelt de spreker dat dit tot stand is gekomen op basis van verschillende ramingen en in nauw overleg met de sector. Het bedrag van 210 miljoen euro zal zeker volstaan, nu de laatste schattingen uitkomen op een benodigd bedrag van 135 à 140 miljoen euro. Het klopt dat deze regeling niet uitsluitend de belangen van de consument dient. Bij het uitwerken ervan ging tevens bijzondere aandacht uit naar het veiligstellen van de leefbaarheid van de sector. Deze telt vele inderdaad vele kmo's, naast een aantal grote spelers. Wat ten slotte het tijdskader voor de terugbetaling van de vouchers betreft, en meer bepaald de verhouding tussen het ministerieel besluit en de wet op dit punt, stelt de vice-eersteminister dat de wet voorrang heeft op het ministerieel besluit Mevrouw Anneleen Van Bossuyt (N-VA), inhakend op deze laatste verklaring, onderstreept het belang van een duidelijke communicatie naar de consument over het feit dat de termijn om terugbetaling van de coronavouchers te kunnen krijgen, verlengd wordt tot 31 januari 2022. Overigens had de vice-eersteminister in een antwoord op een eerdere vraag aangegeven dat ter zake de gemeenrechtelijke termijn van 10 jaar gold. De spreekster is onvoldaan zitten na het antwoord van de vice-eersteminister inzake de terugwerkende kracht van de voorliggende tekst te hebben aangehoord. Het is één zaak om in volledige transparantie te werken, maar het is een andere zaak of de retroactiviteit juridisch, geoorloofd is. Volgens haar is het zeer de vraag of de manier waarop de terugwerkende kracht is uitgewerkt, juridisch standhoudt. UI - STEMMINGEN Artikel 1 Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.

Art. 2 tot 10 De artikelen 2 tot 10 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.

Art. 10/1 (nieuw) Amendement nr. 1, tot invoeging van een artikel 10/1, wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Art. 11 Artikel 11 wordt eenparig aangenomen. Het gehele wetsvoorstel wordt, met enkele wetgevingstechnische verbeteringen, eenparig aangenomen. De naamstemming is als volgt: Hebben voorgestemd: N-VA: Katrien Houtmeyers, Anneleen Van Bossuyt; Ecolo-Groen: Dieter Vanbesien, Stefaan Van Hecke, Albert Vicaire; PS: Christophe Lacroix, Patrick Prévot, Leslie Leoni; VB: Erik Gilissen, Reccino Van Lommel; MR: Florence Reuter; CD&V: Leen Dierick; PVDA-PTB: Roberto D'Amico; Open Vid: Kathleen Verhelst; Vooruit: Melissa Depraetere. Hebben tegengestemd: Nihil. Hebben zich onthouden: De rapportrice, De voorzitter, Anneleen VAN BOSSUYT _ Stefaan VAN HECKE Bepalingen die een uitvoeringsmaatregel vereisen (artikel 78.2, vierde lid, Rot: nihil imprmerecenrale-Cenraledrder