Naar hoofdinhoud

Wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek (ingediend door de heren Koen Geens en Khalil Aouasti, de dames Nathalie Gilson, Claire Hugon en Katja Gabriëls en de heren Ben Segers en Stefaan Van Hecke)

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 1805 Wetsvoorstel 📅 2014-10-10 🌐 NL

Inhoud

pocss 1805/001 houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek (ingediend door de heren Koen Geens en Khalil Aouasti, de dames Nathalie Gilson, Claire Hugon en Katja Gabriëls en de heren Ben Segers en Stefaan Van Hecke) SAMENVATTING Dit wetsvoorstel beoogt de bepaling van de inhoud. van boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek. De hier opgenomen bepalingen worden aangeduid als “algemeen”, niet louter omdat zij een transversale werking hebben, maar omdat zij bovendien niet specifiek verbonden zijn aan een van de overige boeken van het Wetboek. Aangezien zij niet specifiek kunnen worden vastgeknoopt aan een van de overige boeken worden zij hier samengebracht in dit Boek | waardoor de gemeenrechtelijke aard van het Burgerlijk Wetboek eens te meer wordt bevestigd. oane menen zoosscomone msn nana | AE etienne B Eero TOELICHTING ALGEMENE INLEIDING Dawes en Heren, Dit wetsvoorstel beoogt de bepaling van de inhoud In 2015 werd door de minister van Justitie het initiatief genomen om, overeenkomstig het Regeerakkoord van 10 oktober 2014, werk te maken van een hercodificatie van het burgerlijk recht. Hiertoe werden verschil lende Commissies opgericht belast met de hervorming van het burgerlijk recht (voor de samenstelling, zie het ministerieel besluit van 30 september 2017 houdende oprichting van de Commissie tot hervorming van het Burgerlijk Wetboek, Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2017, blz. 9160). In 2015 zijn zij, op verzoek van de minister, reeds gestart met hun werkzaamheden in groepen van deskundigen, Sindsdien heeft de modernisering van het burgerlijk recht gaandeweg gestalte gekregen. Door de wet van 13 april 2019 (Belgisch Staatsblad van 14 mei 2019, biz. 4625) werd de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek bekrachtigd en werd de structuur van het nieuwe wetboek vastgelegd. Op dit moment omvat het nieuwe wetboek de volgende boeken: 1° Boek 1. Algemene bepalingen; 2° Boek 2. Personen, familie en relatievermogensrecht; 3° Boek 3. Goederen; 4° Boek 4. Nalatenschappen, schenkingen en testamenten; 5° Boek 5. Verbintenissen; 6° Boek 6. Bijzondere overeenkomsten; 7° Boek 7. Zekerheden; 8° Boek 8. Bewijs, en 9° Boek 9. Verjaring. Inmiddels werden reeds twee boeken bepaald. Door de wet van 13 april 2019 (Belgisch Staatsblad van 14 mei 2019, blz. 4635) werd Boek 8 “Bewijs” vastgesteld met ingang van 1 november 2020. Boek 3, bocss 1805/001 “Goederen” werd vastgesteld bij de wet van 4 februari 2020 (Belgisch Staatsblad van 17 maart 2020, biz. 1575) en treedt in werking op 1 september 2021 met uitzondering van de artikelen 3.30, $ 1, 3°, 3.30, 8 1, 5°, 3.30, 5 1, 7°, en 3.30, 5 2, tweede lid, die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 juli 2022. De werkzaamheden voor Boek 5 “Verbintenissen”, zijn inmiddels afgerond. Een eerste ontwerp werd door de vorige regering in eerste lezing goedgekeurd en voor advies voorgelegd aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State. Dit advies werd gegeven op 23 mei 2018 (nr. 63.268/2). De tekst werd nadien als wetsvoorstel in gediend, zowel tijdens de legislatuur 2014-2019 (Kamer, (Kamer, DOC 55 0174). Inmiddels werd de tekst, mede in het licht van het afwerken van werkzaamheden rond dit boek 1, verder aangepast. De tekst zal eerstdaags als een nieuw wetsvoorstel worden ingediend Het erfrecht en het huwelijksgoederenrecht was de afgelopen jaren reeds het voorwerp van ingrijpende hervormingen. Aan prof. H. Casman werd de opdracht gegeven om het geheel te structureren en de terminologie te moderniseren en te uniformiseren (MB 24 augustus 2018, Belgisch Staatsblad van 3 september 2018). Deze bepalingen zullen dan hun plaats krijgen in het derde deel van Boek 2 (Personen, familie en relatievermogensrecht) en in Boek 4 (Nalatenschappen, schenkingen en testamenten). Dit ontwerp van codificatie werd inmiddels neergelegd als wetsvoorstel (Kamer, DOC 55 1272). Gelet op de voortgang van de hercodificatie dringt de invoering van Boek 1 zich op. Ditis vooral van belang voor een optimale werking van het nieuwe verbintenissenrecht. De redactie van het voorontwerp werd toevertrouwd aan de professoren E. Dirix en P. Wéry. Gelet op de bijzondere verwevenheid tussen de Boeken 1 en 5 werd bij de eindredactie nauw samengewerkt met de commissie belast met de hervorming van het verbintenissenrecht. De commissie belast met de redactie van Boek 5 bestond benevens de reeds genoemde redacteuren uit de professoren S. Stijns, R. Jafferali, B. Kohl en |. Samoy (deskundigen), alsook F. Auvray (assistente K.U.Leuven), J-C. Boulet (FOD Justitie) en - afwisselend - F. Peeraer en J. De Jaegere (beleidscel van de minister van Justitie). Naar het voorbeeld van vele buitenlandse burgerlijke wetboeken, zal ook het nieuwe Burgerlijk Wetboek starten met een inleidend Boek 1 dat een aantal algemeen geldende bepalingen bevat. Ook het huidige Burgerlijk Wetboek bevat trouwens al zo'n inleiding, zij het op zeer bescheiden schaal (zie Inleidende Titel. Bekendmaking, gevolgen en toepassing van de wetten in het algemeen) De hercodificatie is een kans om een aantal voor het gehele burgerlijke recht, en ruimer voor het privaatrecht geldende regels samen te brengen. De draagwijdte van deze bepalingen en meer bepaald hun “algemene” werking verdient nadere toelichting. Het Burgerlijk Wetboek omvat bij uitstek het gemene recht. De artikelen van het Wetboek hebben de natuurlijke roeping om algemeen van toepassing te zijn. Zo is de definitie van het begrip “geschrift” in Boek 8 (artikel 8.1, 1°) niet enkel bedoeld om van toepassing te zijn in het. raam van de uitleg van Boek 8, maar geldt zij voor het hele wetboek en zelfs daarbuiten voor zover er geen andersluidende wetsbepalingen zijn. Dit geldt eigenlijk ook voor de andere bepalingen van het wetboek, zodat men kan zeggen dat deze evenzeer “algemeen” zijn. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 Inleidende bepaling Artikel 1 Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar. HOOFDSTUK 2 Art. 2 Dit artikel bepaalt de inhoud van Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij de wet van 13 april 2019. Art 11 Bronnen Het Burgerlijk Wetboek is het fundament van onze privaatrechtelijke ordening. Het bevat een systematische en rationele ordening van de rechtsregels die de coherentie bevordert en bijdraagt tot een betere toegankelijkheid van het recht voor de burgers. Het Burgerlijk Wetboek mag dan al de roeping hebben alle privaatrechtelijke verhoudingen te regelen, toch is dit een onmogelijke opdracht. De complexiteit van onze samenleving maakt het onmogelijk om alle regels in een enkel wetboek onder te brengen. Specifieke wetgeving blift dus onvermijdelijk. Dit neemt niet weg dat het Burgerlijk Wetboek binnen ons rechtsstelsel een centrale plaats inneemt. Het geeft niet enkel de basisregels van het burgerlijk recht, maar levert ook een begrippenarsenaal en tekent het referentiekader uit voor het gehele privaatrecht. ‘Aangezien het Burgerlijk Wetboek niet alle regels bevat die het burgerlijk recht beheersen, is het nuttig een opsomming te geven van de andere rechtsbronnen. 'Zo'n opsomming van de rechtsbronnen is trouwens ook terug te vinden in andere recente wetboeken (bijvoorbeeld artikel 1 Spaans BW, $ 10-13 Oostenrijks BW, artikel 2 Estlands BW). Wat de bijzondere wetgeving betreft, kan verwezen worden naar andere wetboeken, zoals het Wetboek van economisch recht, en naar de talrijke bijzondere wetten en decreten. Het verdient aanbeveling om nieuwe privaat rechtelijke regelgeving zoveel als mogelijk te integreren in het Burgerlijk Wetboek. Men denke bijvoorbeeld aan de implementatie van Europese instrumenten. Alleen op die manier blijft de centrale plaats van het Burgerlijk Wetboek intact en wordt de coherentie en de gemakkelijke toegankelijkheid van het recht verzekerd. De codificatie heeft de gewoonte nooit helemaal kunnen verdringen. Bij de formele rechtsbronnen hoort nog steeds het gewoonterecht. Dit geldt ook in het pri vaatrecht. Een gewoonterechtelijke regel is een regel die voortvloeit uit een bestendig gebruik waarvan het bindend karakter steun vindt in de algemene overtui ging (Cass. 16 februari 1979, Amr. Cass, 1978-79, 717; A. Van Oevelen, “Het onderscheid tussen een gebruik en een gebruikelijk beding in het contractenrecht”, noot onder Cass. 9 december 1999, RW, 2001-2002, p. 990 e.v.) Hierbij geldt een onderscheid tussen de gewoonte als, zelfstandige rechtsbron en de gevallen waar de wet of de contractspartijen naar feitelijke gebruiken verwijzen (H. De Page, Traité élementaire de droit civil belge, 1, 1962, 17-21, nr. 9; W. Van Gerven, Algemeen Deel, Antwerpen, 1969, 44, 13). De gewoonte is een volwaardige rechtsbron. De gebruiken, bijvoorbeeld gebruiken in een bepaalde handelsbranche of lokale gebruiken, zijn slechts een bron van recht indien de wet of de partijen in hun contract daarnaar verwijzen (P. Wery, Droit des obligations, vol. 1, 2011, nr. 391). Gewoonterechtelijke regels spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol in het internationale kooprecht. Het ongeschreven recht is in het bijzonder ook terug te vinden in de algemene rechtsbeginselen. Het gaat hierbij om door de rechtspraak uit de grondslagen van het rechtssysteem afgeleide fundamentele regels, die ook buiten de wettelijke toepassingen ervan worden erkend (zie o.m: W.J. Ganshof van der meersch, “Propos sur le texte de la loi et les principes généraux du droit” JT 1970, 556 e.v; A. Bossuyt, “Algemene rechtsbeginselen”, Jaarverslag Hof van Cassatie 2002200, 102 e.v; H. Buch, “La nature des principes généraux du droit”, Rev. dr. int. et dr.comp. 1962, 67 ev; P. MARCHAL, “Principes généraux du droit”, in RPDB, 2014; R. Soetaert, “Rechtsbeginselen en marginale toetsing in cassatie”, in Liber Amicorum J. Ronse, Brussel, 51 ev; W. Van Gerven en S. Lierman, Algemeen deel, Mechelen, 2010, 126, nr. 46 ev). Algemene rechtsbeginselen staan gelijk aan een wettelijke norm en de miskening ervan door de rechter kan de grondslag vormen voor een beroep bij het Hof van Cassatie. Aangezien een algemeen rechtsbeginsel dezelfde waarde heeft als, een wet, is het noch een norm die tegen de wet in kan worden toegepast, noch een regel waarvan de wetgever niet mag afwijken (Cass. 28 maart 2012, P-12 0296.F‚). Deze algemene rechtsbeginselen betreffen niet enkel het privaatrecht maar zijn evengoed terug te vinden in andere rechtstakken, zoals in het administratief recht: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook het steeds belangrijker wordende Europese Unierecht kent dergelijke algemene rechtsbeginselen, zoals het effectiviteitsbeginsel (bijvoorbeeld Cass. 8 mei 2017, C-16 0121.N; Cass. 13 februari 2020, F-17 0154.N; Cass. 20 februari 2020, C-18 057.N). Deze hercodificatie bood de gelegenheid om een aantal fundamentele algemene rechtsbeginselen een plaats in het wetboek te geven. Zo geeft het ontwerp Verbintenissenrecht (Boek 5) een wettelijke grondslag aan het verbod op ongerechtvaardigde verrijking, de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten en de niet-uitvoeringsexceptie bij wederkerige verbintenissen. Verder worden in het voorliggend ontwerp van Boek 1 de volgende algemene rechtsbeginselen opgenomen: het verbod op rechtsmisbruik (artikel 1.10), Fraus omnia corrumpit (artikel 1.11) en de regel dat een afstand van recht niet wordt vermoed en beperkend moet worden uitgelegd (artikel 1.12). Voor andere beginselen werd deze keuze niet gemaakt, om twee redenen. In de eerste plaats leent niet elk algemeen rechtsbeginsel zich tot een algemeen geformuleerde wettelijke bepaling. Het komt dan aan de rechter toe om in een concreet geval de precieze draagwijdte ervan te bepalen. Verder is volledigheid niet mogelijk omdat er nu eenmaal geen limitatieve lijst van dergelijke beginselen bestaat. Zij dienen immers door de rechtspraak te worden erkend. De rechtspraak van het Hof van Cassatie stelt zich streng op bij de erkenning van nieuwe beginselen. Zo werden bijvoorbeeld in de afgelopen jaren niet erkend: het beginsel van de goede trouw (Cass. 22 februari 2018, C17 0302.N); het beginsel van de rechtszekerheid (Cass. 17 november 2005, C.03 0430.N); het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt (Cass. 8 maart 2013, C:11 0477.N}; de rechtsspreuk dat excepties niet kunnen verjaren (quae temporalia sunt ad agendum perpetua ‘sunt ad excipiendum) (Cass. 13 juni 2014, C-11 0595.FC.t1 0673.F); de rechtsspreuk dat wat nietig is, geen enkele uitwerking heeft (quod nullum est, nullum producit effectum) (Cass. 26 januari 2009, C.05 0335.) en talrijke andere. Deze strenge benadering sluit niet uit dat in de toekomst toch nog nieuwe algemene rechtsbeginselen kunnen worden erkend en dat geijverd wordt voor zulke erkenning. ‘Tenzij anders is aangegeven, moeten de woorden “wet”, “wettelijke bepalingen” en “regels”, die meermaals, worden gebruikt in dit ontwerp, worden begrepen als verwijzingen naar de wet in de materiële zin van het woord. Die omvat de wet in de formele zin, de wettelijke normen aangenomen door de gewesten en gemeenschappen, de normen van internationaal recht met directe werking in de interne rechtsorde, de algemene rechtsbeginselen, en zelfs de verordeningen en reglementen voor zover zij aangenomen zijn in overeenstemming met de hiërarchie der normen. Art. 1.2 Toepassing van de wet in de tijd Het recht is geen statisch gegeven. Telkens wanneer een nieuwe wettelijke regeling wordt aangenomen, rijst de vraag naar de toepassing van deze regeling op toestanden uit het verleden. Blijft het oude recht hierop van toepassing of is het nieuwe recht van toepassing? Veelal bepaalt de wetgever zelf door middel van overgangsbepalingen hoe de nieuwe bepalingen uitwerking krijgen op vroegere gevallen. Wanneer die ontbreken, rijst de problematiek van de wetsconflicten in de tijd of van het intertemporeel recht die door de rechter moet worden opgelost (zie o.m.: H. De Page, Traité élementaire de droit civil belge, |, 1962, 321, nr. 226 ev; W. Van Gerven, Algemeen Deel, Antwerpen, 1969, 61, nr. 20 e.v; T. Van Coppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen, 2019; P. Popelier, De toepassing van de wet in de tijd, in APR, Antwerpen, 1999 en P. Roubier, Le droit transitoire, Parijs, 1960). Deze bepaling geeft richtlijnen aan de rechter. Het eerste lid herneemt in een andere formulering de basisregel uit oud artikel 2 BW dat een wet geen terugwerkende kracht heeft. Het verbod van de terugwerkende kracht beschermt de rechtszekerheid en komt tegemoet aan de legitieme verwachtingen van de rechtszoekenden. Deze regel heeft geen absoluut karakter (Cass. 18 januari 1924, Pas 1924,, 141; Cass. 18 maart 1960, Pas. 1960, 844). De wetgever is er niet door gebonden en kan een nieuwe wet toch terugwerkende kracht verlenen. In navolging van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is dit slechts mogelijk wanneer dit onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang (GwH 22 januari 2015, (1/2015), GwH 7 mei 2015 (54/2015) Het tweede lid is nieuw en bevestigt het principe van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet. De wet mag dan al in beginsel geen terugwerkende kracht hebben, toch is ze al van toepassing op de lopende situaties en op toekomstige situaties. Dit principe wordt verklaard door de gedachte dat de nieuwe wet geacht wordt beter te zijn dan de oude wet. De formulering van dit tweede principe sluit aan bij vaststaande rechtspraak. De nieuwe wet is dus in beginsel niet enkel van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet. Aldus is een nieuwe wet inzake procedure vanaf haar inwerkingtreding van toepassing op de hangende rechtsgedingen (Cass. 29 april 1993, ‘Amr-Cass. 1993, 417, Pas. 1993, 1, 415). De onmiddellijke werking van de nieuwe wet mag echter geen afbreuk doen aan al onherroepelijk vastgestelde rechten of vol dongen situaties. Zo kan een nieuwe verjaringstermijn een onder de oude wet verjaarde rechtsvordering niet doen herleven of kan geen rekening worden gehouden met een nieuw gecreëerd voorrecht eens de positie van de schuldeisers door een samenloop (bijvoorbeeld fail lissement) is vastgelegd (Cass. 22 februari 1988, Arr. Cass. 1987-88, 808, Pas. 1988, 1, 743 met conclusie procureur-generaal Liekendael). Het derde lid is dan weer een uitzondering op het beginsel van de onmiddellijke werking en wordt de regel van de eerbiedigende werking genoemd. Deze betreft de gevolgen van contracten en beoogt de bescherming van de rechtszekerheid van de contractspartijen. Deze mochten erop vertrouwen dat de inhoud van hetgeen zij waren overeengekomen niet wordt doorkruist door nieuwe wetgeving. Op lopende contracten blijft de oude wet van toepassing. Aldus wordt het ontstaan en de vereisten voor de geldigheid van een contract uitsluitend beoordeeld door de wet die toen van kracht was (Cass. 18 maart 2011, C.10 0015.N.; Cass. 15 september 2005, C.04 0345.N; Cass. 17 september 2004, C.02 0282.N; Cass. 28 februari 2003, C.00 0603.N). De oude wet blijft ook van toepassing op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of zulks uitdrukkelijk bepaalt (Cass. 24 april 2008, C.06 0635.N; Cass. 27 september 2018, C.16 0346.F; Cass. 12 april 2010, RCJB 2011, 453 met noot N. Gallus, JLMB 2010, p. 1501, met noot J. Brouwers). Art. 1.3 Rechtshandeling De rechtshandeling bekleedt een centrale plaats in de juridische verhoudingen tussen personen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Deze bepaling herneemt de algemeen aanvaarde definitie van de rechtshandeling: zij geldt voor iedere rechtshandeling, zowel eenzijdig (bijvoorbeeld afstand van recht) als bilateraal, tussen meerdere partijen of collectief (bijvoorbeeld een beslissing van een algemene vergadering). De gevolgen die een rechtshandeling teweeg kan brengen, zijn uitermate gevarieerd: doen ontstaan van verbintenissen; afstand doen van een subjectief recht, van een nalatenschap, van een verkregen verjaring; erkennen van een natuurlijk kind; aanvaarden van een nalatenschap; herroepen van een testament; overdragen van een subjectief recht, enz. De verscheidenheid van gevolgen die kunnen worden teweeggebracht door een rechtshandeling maakt aldus dat de definitie ervan haar plaats heeft in dit boek. Van belang is het onderscheid tussen de wilsuiting, enerzijds, en de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan, anderzijds. Het gaat hier om twee onderschei den vereisten die elk afzonderlijk vervuld moeten zijn. Aldus zijn bijvoorbeeld een gentlemen's agreement of een belofte gedaan door een acteur op de scène in het kader van een voorstelling weliswaar wilsuitingen, maar ontbreekt de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan, zodat zij in de regel geen rechtshandelingen opleveren (zie voor andere gevallen o.m. E. Dirix, “Gentlemen’s agreements en andere afspraken met onzekere rechtsgevolgen” RW 1999-2000, 157 ev; E. Dirix, ‘Le “gentlemen's agreement” dans la théorie du droit et la pratique contemporaine”, Rev.dr.intern. ‘comp. 1999, 223). ‘Aan de openbare orde kan geen afbreuk worden gedaan. Geldt als uitgangspunt het beginsel van de wilsautonomie op grond waarvan de particulieren hun onderlinge verhoudingen naar eigen goeddunken kunnen regelen, dan bepaalt de openbare orde de grenzen hiervan. Van openbare orde mag niet worden afgeweken. Dit principe wordt in het wetboek ook herhaald voor wat de contracten betreft. Een overeenkomst in strijd met de openbare orde is ongeoorloofd en is bijgevolg nietig. Volgens de klassiek geworden definitie betreft de openbare orde de essentiële belangen van de Staat, van de gewesten of gemeenschappen of, in het privaatrecht, de juridische grondslagen waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust (Cass. 9 december 1948, Pas. 1948, 1, 699, RCJB 1954, 251 met noot DE HARVEN; Cass. 19 maart 2007, C.03 0582.N). Zie nader over het begrip “openbare orde”: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, |, Brussel, 1962, 111, nr. 91; 'W. Van Gerven, Algemeen Deel, Antwerpen, 1969, 73, nr. 26 ev. Zie nader voor een ruimer begrip: L. Cornelis, Openbare orde, Antwerpen, 2019). De rechter moet de schending van de openbare orde ambtshalve opwerpen en hij kan zelfs de nietigheid van een overeenkomst uitspreken ook al wordt deze nietigheid door geen der partijen gevorderd, mits eerbiediging van het recht van verdediging (Cass. 4 september 2020, C.19 0613.N). Bijgevolge preciseert het tweede lid van de ontworpen bepaling dat elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak moet hebben. Zodoende brengt de tekst twee fundamentele vereisten voor de geldigheid van de rechtshandelingen naar voren. In werkelijkheid zijn die twee vereisten niet de enige. Aldus veronderstelt elke rechtshandeling ook toestemming (hetgeen impliciet blikt uit het begrip wilsuiting, bedoeld in het eerste lid) en bekwaamheid (wat impliciet blijkt uit artikel 1.3). Het was evenwel zaak om nadrukkelijk te wijzen op de - fundamentele - vereisten van een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak. De verschillende geldigheidsvereisten van de rechtshandeling worden voor het overige bevestigd en gepreciseerd in de volgende boeken van het Burgerlijk Wetboek. Zo worden, voor wat contracten betreft, de geldigheidsvereisten geregeld in de artikelen 5.27 en volgende van het ontwerp nieuw Burgerlijk Wetboek. In het bijzonder wordt het vereiste van een geoorloofd voorwerp gepreciseerd in artikel 5.51 en wordt het vereiste van een geoorloofde oorzaak gepreciseerd in artikel 5.56. De sanctie voor een ongeoorloofd voorwerp of een ongeoorloofde oorzaak bestaat in de nietigheid, zoals geregeld in de artikelen 5.57 en volgende. Er wordt op gewezen dat, krachtens artikel 5.13, eerste lid, die bepalingen van toepassing zijn op alle contracten, tenzij hun aard of strekking zich daartegen verzet. Zij zijn dus in principe ook van toepassing op bijvoorbeeld de administratieve contracten of op de contracten die vallen onder het familierecht. Voorts zijn diezelfde bepalingen in principe ook van toepassing op eenzijdige rechtshandelingen, overeenkomstig artikel 5 126. Het begrip “goede zeden” gt besloten in het begrip openbare orde, en biedt het geen daadwerkelijke meerwaarde (zie toelichting bij artikel 5.51 ontwerp nieuw BW). Zie nader over het begrip “openbare orde”: H. De Page, Traité élémentaire de droft civil belge, |, Brussel, 1962, 111, nr. 91; W. Van Gerven, Algemeen Deel, Antwerpen, 1969, 73, nr. 26 ev; L. Cornelis, Openbare orde, Antwerpen, 2019; F. Peeraer, “De openbare orde als ruggengraat van de juridische methode? Enkele bedenkingen bij Ludo Cornelis’ openbare orde”, TPR 2019, 661-703. Bovendien heeft artikel 2 van het huidige Burgerlijk Wetboek geen autonome strekking en werd het steevast uitgelegd door de rechtspraak van het Hof van Cassatie in combinatie met de artikelen 1131 en 1133 van datzelfde wetboek (zie bv. Cass. 15 februari 2016, Pas., 2016, nr. 107, concl. adv. gen. J.-M. Genicot; Cass. 28 november 2013, Pas., 2013, nr. 646). Bijgevolg vormt de schending van de openbare orde bij de totstandkoming van het contract an sich nooit een nietigheidsgrond van het contract; de nietigheid kan volgens de overheersende rechtsleer enkel resulteren uit de afwezigheid van één van de geldigheidsvereisten voor het contract, bijvoorbeeld in geval van ongeoorloofd voorwerp of van ongeoorloofde oorzaak (zie in die zin E. Dirix, “Prijsbewimpeling bij verkoop van onroerend goed”, noot onder Cass. 18 maart 1988, RW 1988-89, p. 712; J. Van Meerbeek, “Repenser la théorie moderne des nulités”, Les nulités en droit privé, Limal, Anthemis, 2017, nr. 33 ev, p. 32 ev; W. Van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven, 2015, p. 78; P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge, dl. \l, Les obligations, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 215; P. Wéry, Droit des obligations, v. 1, tweede ed, Brussel, Larcier, 2011, nr. 169). Zo, bijvoorbeeld, is, het Hof van Cassatie van oordeel dat de schending van de antiwitwaswetgeving door een bank, die verzuimt haar klant te identificeren bij de totstandkoming van het contract, niet volstaat om aanleiding te geven tot de nietigheid van het contract indien het voor het overige een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak heeft (zie Cass. 30 januari 2015, RW 2015-16, 1110, ROJB, 2017, p. 189, met kritische noot L. Cornelis). Evenzo leidt het gebrek aan voorafgaande erkenning van een privêtewerkstellingsagentschap, hoewel strafrechtelijk gesanctioneerd, niet automatisch tot de nietigheid van de overeenkomsten die het agentschap sluit in de uitoefening van tewerkstellingsactiviteiten (Cass. 6 december 2013, Pas., 2013, nr. 664). Ook het loutere feit dat een rechtspersoon de verbintenissen die hij was aangegaan niet kon nakomen omdat de door hem aangegane verbintenissen enkel mochten worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon, krachtens een regel van openbare orde, bevrijdt hem niet van zijn verplichting tot herstel van de schade die is berokkend door de gebrekkige uitvoering van die overeenkomst, hetgeen veronderstelt dat zij geldig is, (Cass. 9 september 2016, Pas, 2016, nr. 471). Het feit dat een contract betrekking heeft op een onroerend goed dat gebouwd is zonder stedenbouwkundige vergunning leidt overigens niet automatisch tot de nietigheid ervan; dat is enkel het geval wanneer het contract strekt tot het creêren of handhaven van een onwettige situatie, dat wil zeggen wanneer het een ongeoorloofd voorwerp heeft (zie Cass. 8 april 1999, Pas., 1999, nr. 199; Cass. 14 september 2000, Pas., 2000, nr. 470, concl. adv. gen. A. Henkes; Cass. 19 mei 2005, Pas., 2005, nr. 284). Ook kan nog worden opgemerkt dat het loutere feit dat een parti, in bijkomstige orde, gedreven wordt door beweegredenen die strijdig zijn met de openbare orde bij de totstandkoming van het contract, geen afbreuk doet aan de geldigheid ervan; de nietigheid ervan kan enkel voortvloeien uit determinerende ongeoorloofde beweegredenen, dat wil zeggen een ongeoorloofde oorzaak (Cass. 14 mei 1903, Pas,, 1903, I, p. 216; Cass. 13 november 1953, Pas., 1954,I, p. 190; Cass. 19 januari 1968, Pas, 1968, I, p. 640). Die verschillende oplossingen worden behouden in het ontwerp Boek 5 van het nieuw BW. Aldus blijkt uit artikel 5.57, eerste lid, dat de nietigheid van het contract enkel kan resulteren uit het feit dat het contract niet voldoet aan de geldigheidsvereisten ervan, die zijn opgesomd in artikel 5.27, waaronder de vereiste van een geoorloofd voorwerp (artikel 5.51) en een geoorloofde oorzaak (artikel 5.56). Ook in de toekomst vormt de loutere van het contract an sich geen nietigheidsgrond van het contract indien het, voor het overige, een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak heeft. Art. 14 Wilsuiting Deze bepaling geeft nog enkele preciseringen over de wilsuiting bedoeld in het vorige artikel. Een wilsuiting kan in beginsel om het even welke vorm aannemen (mondeling, schriftelijk, gedraging). Om uitwerking te hebben ten opzichte van de persoon tot wie zij is gericht, moet de mededeling (bijvoorbeeld een aanbod, een opzegging) deze persoon hebben bereikt (eerste lid) (J. Martin de la Moutte, L'acte juridique unilatéral, Parijs, Sirey, 1951, p. 176 es; P. Wéry, Droit des obligations, vol. 2, 2016, nr. 16; Cass. 22 september 1994, Pas., 1994, 1, p. 754). Het tweede lid geeft antwoord op de vraag tot welk tijdstip een aan de bestemmeling gedane mededeling kan worden ingetrokken. Indien deze wilsuiting wordt ingetrokken voordat deze de bestemmeling heeft bereikt, wordt verhinderd dat zij enig rechtsgevolg heeft (zie ook: artikel 3: 37, lid 7 Nederlands BW). Art. 1.5 Kennisgeving Lid 1 definieert de kennisgeving. Het is aangewezen het begrip kennisgeving te definiëren, omdat de “kennisgeving” een belangrijke rol vervult in het hervormde Burgerlijk Wetboek. Het tweede id, in combinatie met artikel 1.4, tweede lid, bevestigt de geldende kennisnemingsleer (zie: Cass. 8 maart 2018, TBBR 2018, afl. 5, 292, noot P. Wery en TBBR 2018, afl. 10, 524, noot S. Declercq, NJW 2018, 932, noot A. Coppens, RW 2018-19 (samenvatting), 1061, TBO 2018, 420; Cass. 25 mei 1990 Arr.Cass., 1989-90, 1218, met conclusie G. D'Hoore en Pas, 1990, 1, 1087; J. Heenen, “Lacceptation de offre de contracter par correspondance” (noot onder Cass. 16 juni 1960), ROJB 1962, 01; val. ook: art. 24 CISG). Deze leer bepaalt het ogenblik waarop een mededelingsplichtige eenzijdige rechtshandeling de bestemmeling heeft “bereikt”. Dit is, nuttig onder meer voor de artikelen 5.19 ev. Het derde lid vindt zijn oorsprong in het feit dat het gebruik van e-mail om een verklaring over te maken aan de bestemmeling een risico van rechtsonzekerheid voor hem inhoudt. De kans bestaat immers datde bestemmeling het e-mailadres niet meer gebruikt of dat de e-mail door antispamsoftware wordt tegengehouden. De bestemmeling aan wie zou worden verweten geen gevolg te hebben gegeven aan een e-mail (met mogelijke rechtsgevolgen tegen hem) moet worden beschermd. ‘Teneinde de risico's rechtvaardig te verdelen, is het niet aan de bestemmeling om zich zorgen te maken om de goede ontvangst van het bericht, maar aan de verzender (die vrij is om aanvullende maatregelen te nemen, zoals, de verzending van een aangetekende brief). Derhalve is het enkel wanneer het elektronisch adres is aanvaard dat het gemeen recht van de kennisnemingsleer wordt toegepast. Deze aanvaarding moet worden beperkt tot de context waarin ze is gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke aanvaarding staat niets het gebruik van email in de weg, maar moet de verzender de effectieve kennis bewijzen van de bestemmeling. Het is dus in dit geval de verzender die het risico draagt (aangezien hij in voorkomend geval aanvullende maatregelen kan nemen ‘om ze te voorkomen). Dezelfde beginselen gelden voor het gebruik van andere communicatiemiddelen dan een elektronisch adres Er wordt verduidelijkt dat de begrippen “gerechtelijk elektronisch adres” en “adres van elektronische woonst keuze”, gedefinieerd in artikel 32 Gerechtelijk Wetboek, niet aangepast zijn aan de materie van het burgerlijk recht en het contractenrecht in het bijzonder. Inderdaad, het gerechtelijk elektronisch adres wordt toegekend door de bevoegde autoriteit. Het burgerlijk recht moet daarentegen eveneens rekening houden met de mogelijkheid dat private elektronische adressen worden gebruikt. Het adres van elektronische woonstkeuze moet bovendien uitdrukkelijk worden vernieuwd voor elke betekening (artikel 32quater/1 Gerechtelijk Wetboek), wat niet aangepast is aan de noden van de praktijk Art. 1.6 Tijdsbepaling en voorwaarde De gevolgen van een eenzijdige of meerzijdige rechtshandeling kunnen in beginsel aan een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verbonden (bijvoorbeeld een verbintenis, een aanbod tot contracteren of een afstand van recht; zie ook artikel 3.14, $ 1, derde lid, Nieuw BW). Er geldt een tijdsbepaling wanneer het rechtsgevolg afhankelijk is van een toekomstige zekere gebeurtenis. Er geldt een voorwaarde wanneer het rechtsgevolg afhankelij is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Op de regel dat aan de gevolgen van een rechtshandeling een tijdsbepaling of een voorwaarde kan worden verbonden, bestaan uitzonderingen. Dit is het geval indien dit in strijd is met de wet (bijvoorbeeld arti kel 36 Arbeidsovereenkomstenwet of een voorwaarde in strijd met de openbare orde zoals de aantasting van het recht te huwen of uit de echt te scheiden) of onverenigbaar met de aard van de rechtsverhouding (bijvoorbeeld een huwelijk onder tijdsbepaling). De gevolgen van termijnen en voorwaarden als modaliteiten van de verbintenis worden in dit wetboek nader uitgewerkt in Boek 5 onder de artikelen 5 139 ev. Art. 17 Berekening termijnen Het komt vaak voor dat rechtshandelingen onderworpen zijn aan termijnen. Men denke bijvoorbeeld aan termijnen waarbinnen een bepaalde prestatie moet worden verricht of waarbinnen de opzegging van een contract moet worden gegeven. Met het oog op de rechtszekerheid is het wenselijk dat uniforme regels worden gegeven die toelaten om met de vereiste precisie uitsluitsel te geven over hoe die termijnen worden berekend. De hier voorgestelde regels gelden als “default rules”. Zij zijn slechts van toepassing indien de wetgever of de partijen in hun contract geen bijzondere regels hebben gegeven (paragraaf 7). Indien de wettelijke of contractuele bepalingen geen antwoord verschaffen, komt deze regeling dus ter hulp. ‘Ons recht kent reeds bepalingen omtrent de berekening van termijnen. Zo geven de artikelen 2260 en 2261 BW enkele beginselen voor de berekening van verjaringstermijnen. Het Gerechtelijk Wetboek geeft dan weer diverse regels voor de bepaling van termijnen voor het stellen van proceshandelingen (artikelen 48 tot 57 Ger.W. In de gevallen waar deze bepalingen geen toepassing vinden, doet de rechter in de regel een beroep op de betekenis, die de termijnbepaling (bijvoorbeeld het begrip “maand”) heeft volgens het gewoon spraakgebruik (zie bijvoorbeeld: Cass. 12 mei 2016, C.15 0218.N). Een algemene regeling dringt zich daarom op. Deze regels moeten voldoende precies zijn zodat de berekening van verjaringstermijnen of contractuele of wettelijke termijnen geen aanleiding geven tot rechtsonzekerheid. Een dergelijke alomvattende regeling wordt voorgesteld in artikel | - 1:110 DCFR. Deze is grotendeels geïnspireerd op Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen. De verordening is van toepassing op de door de Raad en de Commissie uitgevaardigde instrumenten. Binnen de Raad van Europa kwam op 16 mei 1972 een Europees Verdrag tot stand ter zake de berekening van termijnen (Convention européenne sur la computation des délais, Bazel 16 mei 1972). Dit verdrag werd inmiddels geratificeerd door Oostenrijk, Liechtenstein, Luxemburg en Zwitserland. Ook andere burgerlijke wetboeken bevatten dergelijke algemene regels (bijvoorbeeld $ 186 ev. Duitse BGB, $ 902 e.v. Oostenrijkse ABGB). Hier wordt, mede met op het oog op de harmonisering binnen Europa, aansluiting gezocht bij de meer gedetailleerde Verordening nr. 1182/71. De uitgangspunten wijken overigens niet af van de in ons land geldende principes en laten bijzondere bepalingen (bijvoorbeeld art. 2260 BW) onverlet. Het voorgestelde artikel is meer alomvattend en gedetailleerder. Het is dan weer minder complex dan de Verordening nr. 1182/71 en artikel.1:110 DCFR. In het bijzonder wordt van de formulering van de Verordening afgeweken in paragrafen 2 en 4 en wordt een paragraaf 6 toegevoegd met enkele interpretatieregels geinspireerd op het Duitse BGB. De eerste paragraaf die overeenkomt met artikel 3, lid 1, Verordening nr. 1182/71, bevestigt het beginsel dat de dag waarop een verjaringstermijn een aanvang neemt (dies a quo) niet wordt meegerekend en de verja ring voltrokken is op de laatste dag (dies ad quem). De reden hiervoor is dat de eerste dag meestal onvolledig is en slechts enkele uren telt. Deze regel is ook terug te vinden in artikel 2261 BW en art. 52, eerste lid, Ger.W. en komt overeen met art. 3, lid 1, van het Europees Verdrag van 16 mei 1972 en talrijke andere instrumenten (artikel 1-1 110 (2) DCFR, artikel 1:304 (3) Principles of European Contract Law) en andere wetboeken (bijvoorbeeld $ 188 (2) Duitse BGB en $ 902 Oostenrijkse ABGB). Enkele voorbeelden kunnen deze regel illustreren: Een gebeurtenis (bijvoorbeeld de betekening van een bevel dat de verjaring stuit) vindt plaats op donderdag 31 december 2020 om 12u30. Zij doet de volgende termijnen ingaan: - 3 dagen: de termijn wordt berekend vanaf vrijdag 1 januari 2021 om 0u00 en verstrijkt op zondag 3 januari 2021 om middernacht (einde van de dag). Met toepassing van de vijfde paragraaf wordt hij verlengd tot dinsdag 5 januari 2021 om middernacht; - 3 weken: de termijn wordt berekend vanaf vrijdag 1 januari 2021 om 0u00 en verstrijkt op donderdag 21 januari 2021 om middernacht; - 2 maanden: de termijn wordt berekend vanaf vrijdag 1 januari 2021 om 0u00 en verstrijkt op zondag 28 februari 2021 om middernacht. In voorkomend geval wordt hij verlengd tot maandag 1 maart 2021 om middernacht, met toepassing van de vierde paragraaf; - 2 jaar: de termijn wordt berekend vanaf vrijdag 1 ja nuari 2021 om 0u00 en verstrijkt op zaterdag 31 december 2022 om middernacht. In voorkomend geval wordt hij verlengd tot maandag 2 januari 2023 om middernacht, met toepassing van de vierde paragraaf. Er moet worden afgeweken van de hoofdregel voor gevallen waarin een termijn specifiek in uren is uitgedrukt. Stel dat om 14u30 wordt overeengekomen dat binnen drie uur moet worden geleverd of een bankgarantie worden gesteld. Het is dan niet duidelijk of de termijn verstrijkt ‘om 17u, 17u30 of 18u. Het gezond verstand leert ons dat in een dergelijk geval de termijn onmiddelijk begint te lopen. Dat is het doel van de tweede paragraaf. Indien een rechtshandeling die om 12u30 wordt gesteld een termijn van 12 uur bevat waarbinnen een prestatie moet worden verricht, verstrijkt die termijn derhalve de vol gende dag om 00u30. Deze bepaling komt overeen met artikel 3, id 2, van het Europees Verdrag van 16 mei 1972, met artikel 3, lid 2, Verordening nr. 1182/71 en met artikel 1-1 110 (2) DCFR. Voorbeeld: Een rechtshandeling wordt gesteld op 1 september om 14u30, - Indien zij bepaalt dat een prestatie moet worden verricht binnen een termijn van 3 dagen, wordt die termijn berekend vanaf 2 september om 0u00 en verstrijkt hij op 4 september om middernacht. Bovendien kan de termijn worden verlengd overeenkomstig de vierde en vijfde paragraaf. - Indien de rechtshandeling daarentegen bepaalt dat een prestatie moet worden verricht binnen een termijn van 72 uur, begint die termijn onmiddelijk te lopen en verstrijkt hij op 4 september om 14u30 (en dus niet om middernacht), en kan hij niet worden verlengd krachtens de vierde of de vijfde paragraaf. De derde paragraaf, die overeenkomt met artikel 3, lid 3, Verordening nr. 1182/71, bepaalt dat een termijn alle dagen omvat, ook zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen, behoudens andersluidende overeenkomst of wettelijke bepaling of indien de termijn in werkdagen werd uitgedrukt. Het is immers mogelijk dat contractueel is bedongen dat een in dagen bepaalde termijn enkel de werkdagen omvat. Deze regel is neergelegd in artikel 52, eerste lid, Ger.W. en is ook terug te vinden in buitenlandse wetgevingen (bijvoorbeeld 5 193 Duitse BGB) evenals in artikel 3, id 3, van het Europees Verdrag van 16 mei 1972 en artikel I-1 110 (5) DCFR In de vierde paragraaf die overeenkomt met artikel 3, lid 4, Verordening nr. 1182/71 wordt hieraan echter toegevoegd dat indien een bepaalde verklaring of prestatie moet worden verricht binnen een termijn die eindigt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, de termijn wordt verlengd tot middernacht van de vol gende werkdag. Anders dan in artikel 3, lid 4, van de Verordening wordt deze regel echter beperkt tot de gevallen waar een bepaalde prestatie moeten worden verricht of een verklaring moet worden afgegeven (zie in die zin: ook: $ 193 BGB, $ 903 ABGB, artikel 1-1 110 (@) DCFR, art. 1:304 (2) Principles of European Contract Law). In andere gevallen zal een verjaringstermijn die verstrijkt op een zaterdag, zondag of wettelijk feestdag niet worden verlengd tot de volgende werkdag. Ons recht kent reeds een dergelijke regel voor het verrichten van proceshandelingen. Volgens artikel 53, tweede lid, Ger.W. wordt, wanneer de vervaldag valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, deze vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Deze regel die enkel gold voor het stellen van proceshandelingen (Cass. 8 april 1994, Pas. 1994, |, 346, RW 1995-96, 1453 met noot Van Oevelen), wordt nu uitgebreid tot. gevallen waar verklaringen moeten worden afgelegd of prestaties volbracht. Uitdrukkelijk wordt bepaald dat deze regel niet van toepassing is op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend. De vijfde paragraaf die overeenkomt met artikel 3, lid 5, Verordening nr. 1182/71 bevat de “twee werkdagen”regel: elke termijn van twee of meer dagen wordt geacht ten minste twee werkdagen te bevatten (zie ook: artikel 1 110 (7) DCFR en artikel 3, lid 5, van het Europees Verdrag van 16 mei 1972). Deze regel is bedoeld om te voorkomen dat zeer korte termijnen tot onredelijke situaties, zouden lijden. Indien een termijn drie dagen bedraagt, beginnend op vrijdag en blijkt dat de volgende maandag een wettelijke feestdag is, dan wordt de termijn verlengd tot dinsdag om middernacht. De zesde paragraaf bevat nog enkele interpretatieregels die nuttig kunnen zijn voor de praktijk. Zo wordt gepreciseerd dat onder een halfjaar of een semester een periode van zes maanden wordt verstaan, onder een trimester een periode van drie maanden en onder een halve maand een periode van vijftien dagen (zie ook: $ 189 (1) BGB, $ 902 ABGB). Verder wordt nog vermeld dat indien een periode in maanden of jaren wordt bepaald en deze niet aansluitend moeten verlopen, de maand wordt geteld als dertig dagen en het jaar als 365 dagen (zie ook: $ 191 BGB). Art. 1.8 Vertegenwoordiging Het Burgerlijk Wetboek omvat tal van bepalingen inzake het contract van lastgeving (artikelen 1984 tot en met 2010). Dit contract is echter slechts een bijzondere toepassing van een bredere techniek, nl. de vertegenwoordiging, waaraan in het oude wetboek geen algemene bepalingen waren gewijd. De voorgestelde bepaling vult de leemte op door enkele verworvenheden uit de rechtsleer en de rechtspraak te bevestigen, zonder de materie volledig te regelen. Meer precies, beoogt dit artikel niet af te wijken van de regels, op het vlak van de vertegenwoordiging van beschermde personen. Men spreekt van vertegenwoordiging wanneer rechtsgevolgen worden toegerekend aan een ander dan de handelende persoon. De vertegenwoordiging kan betrekking hebben op de meest uiteenlopende rechtshandelingen (totstandkoming van een contract, ingebrekestelling, betaling, proceshandeling, aangifte van belastingen, enz). Vandaar dat dit artikel in dit inleidende gedeelte staat. Slechts uitzonderlijk is vertegenwoordi ging omwille van de aard van de handeling of op grond van een wettelijke bepaling verboden (bijvoorbeeld het huwelijk, een testament, een eed, een persoonlijke verschijning voor de rechter) Vertegenwoordiging kan zijn oorsprong vinden in een rechtshandeling, de wet (met inbegrip van de schijnvertegenwoordiging) of een rechterlijke beslissing (met inbegrip van een arbitrale beslissing). Dit wordt bevestigd in de tweede paragraaf. De vertegenwoordiging kan verschillende vormen aannemen naargelang de wijze waarop de vertegenwoordiger optreedt (W. Van Gerven, Algemeen Deel, ‘Antwerpen, 1969, 473, nr. 146 e‚v,). Wanneer de vertegenwoordiger optreedt in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde spreekt men van onmiddellijke vertegenwoordiging (dat is in beginsel het geval bij lastgeving). In dat geval worden de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandelingen rechtstreeks toegerekend aan de vertegenwoordigde. Aan het vereiste van optreden “in naam van” kan ook voldaan zijn, wanneer de derde slechts kennis heeft van het bestaan van de vertegenwoordigde, maar niet van zijn identiteit (zogenaamde bepaalbare vertegenwoordiging). Ook hier is er sprake van rechtstreekse toerekening (1. Samoy, Middelljke vertegenwoordiging, 2006, 139-140; P.A. Foriers, ‘Aspects des contrats multipartites en droit positif belge”, in L'entreprise et ses partenaires commerciaux, Limal, Anthemis,, 2015, 188). Treedt de vertegenwoordiger op voor rekening van de vertegenwoordigde, maar in eigen naam, dat spreekt men van middelljke vertegenwoordiging (wat met name het geval is bij naamlening en commissie en uitzonderlijk bij lastgeving (zie over deze laatste hypothese: |. Samoy, “What's in a name?” Het “in naam van-vereiste” bij de vertegenwoordiging vier jaar na Schoordijk”, TPR 2004 = Liber Amicorum TPR en Marcel Storme, 563-576). In dat geval vindt geen rechtstreekse toerekening plaats tussen de opdrachtgever en de derde met wie de vertegenwoordiger (bijvoorbeeld de commissionair) heeft gehandeld (P. Wéry, Le mandat, Répertoire notarial, 2019; |. Samoy, Middellijke vertegenwoordiging, 2006; B. Tilleman, Lastgeving, in APR, Gent, 1997; RPDB, compl. Il, v° “Commission”, nr. 256; F. Glansdorff en E. Van Den Haute, Traité de droit civil belge - Tome 3: Les contrats - Volume 4: Mandat, prêt, dépôt, transaction, contrats aléatoires, Brussel, Bruylant, 2017, blz. 20). In paragraaf 3 worden de, eensgezind erkende, gevolgen bepaald van de vertegenwoordiging wanneer de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling de hem toevertrouwde opdracht niet overschrijdt. Paragraaf 3 doet. geen afbreuk aan de zakenrechtelijke gevolgen van de Commissieovereenkomst. Bij commissie wordt immers aangenomen dat deze gevolgen rechtstreeks worden toegerekend aan de opdrachtgever, de committent (Zie |. Samoy, Middellijke vertegenwoordiging, 2005, p. 322, nr. 493). In paragraaf 4, die eigen is aan onmiddelijke vertegenwoordiging, worden de gevolgen bepaald die gepaard gaan met het feit dat de vertegenwoordiger de grenzen van zijn volmacht heeft miskend. Het eerste lid vloeit voort uit een veralgemening van artikel 1998 Burgerlijk Wetboek, inzake de lastgeving. Als de vertegenwoordiger zijn volmacht overschrijdt, verbindt de rechtshandeling de persoon, die de vertegenwoordiger beweerde te vertegenwoordigen, niet. Voorbehoud moet worden gemaakt voor het geval dat die persoon de rechtshandeling zou bekrachtigen (tweede lid) Paragraaf 5 beschermt de derde te goede trouw die heeft gehandeld met een slechts in schijn bevoegde vertegenwoordiger. De regel uit paragraaf 4 lijdt uitzondering wanneer de derde met wie de vertegenwoordiger heeft gehandeld, een rechtmatig vertrouwen heeft kunnen stellen in een schijn van bevoegdheid, die kan worden toegerekend aan het al dan niet foutieve gedrag van de zogenaamd vertegenwoordigde persoon. Deze toerekening als gevolg van het rechtmatig vertrouwen wordt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie in talrijke arresten erkend (Cass. 20 juni 1988, Pas., 1988, I, blz. 1258, JT 1989, blz. 547, RCJB 1991, biz. 45, noot R. Kruithof, RW 1989-1990, blz. 1425, noot A. Van Oevelen; Cass. 20 januari 2000, Pas., 2000, nr. 54, TBH-RDC 2000, 483, noot P.A. Foriers; Cass. 25 juni 2004, Pas, 2004, biz. 1162, RW 2006-2007, 959, noot, TBBR-RGDC 2004, blz. 457; Cass. 2 september 2010, TBBR-RGDC 2011, 300, noot F. George; Cass. 22 februari 2019, C17 0302.N). Benadrukt wordt dat de gewekte schijn toerekenbaar is aan een handeling die de schijnvertegenwoordigde vrijwilig heeft verricht. De correctiemechanismen gebaseerd op de zaakwaameming en de ongerechtvaardigde verrijking kunnen de derde eveneens ten goede komen. Art. 1.9 Subjectieve goede trouw Het begrip goede trouw wordt in ons recht in twee betekenissen gebruikt. In een objectieve betekenis gaat het om de gedragsnorm te goeder trouw te handelen, bijvoorbeeld de verplichting voor een contractspartij tot loyauteit en samenwerking bij de uitvoering van het contract (oud artikel 1134, derde lid, BW, artikel 5.73 BW). Daarnaast is er de hier bedoelde subjectieve goede trouw. Hiermee wordt bedoeld het “niet kennen” of “niet behoren te kennen” van bepaalde rechtsfeiten of rechtshandelingen. Toepassingen zijn te vinden in o.m. artikel 2279 BW, artikel 1 Hyp.W,, artikel 25 Pandwet en artikel 3.30, S 2 Nieuw BW. Rechtsfeiten en rechtshandelingen zijn in beginsel tegenwerpelijk erga omnes. Dit wil zeggen dat ze gelden tegenover derden ongeacht of die kennis hebben van het bestaan ervan. Soms worden de derden echter beschermd doordat deze tegenwerpelijkheid afhankelijk wordt gemaakt van hun kennis. Welnu, hun goede trouw wordt vermoed (eerste lid). Op de derden rust in beginsel geen onderzoeksplicht. Evenwel wordt aangenomen dat men niet te goeder trouw is wanneer men de feiten of het recht weliswaar niet kende, maar in de gegeven omstandigheden had behoren te kennen (tweede lid). ‘Te denken valt aan twee gevallen. In de eerste plaats kan de wet voorzien in een systeem van publiciteit dat derden geacht worden te raadplegen. Dit is het geval voor de hypothecaire publiciteit bij onroerendgoedtransacties. Indien bijvoorbeeld een verkoop van een onroerend goed werd overgeschreven in het hypotheekregister, dan zal die verkoop tegenwerpelijk zijn aan een derde (bijvoorbeeld een tweede koper), ook al had deze geen weet van de koop. Hij kan geen beroep doen op zijn onwetendheid omtrent het bestaan van de koop aangezien hij hiervan kennis had kunnen krijgen door de raadpleging van het register. Mocht de koop niet zijn overgeschreven in het register dan is hij enkel niet te goeder trouw indien hij kennis had van de koop (artikel 1. Hyp.W. en artikel 3.30, 5 2 Nieuw BW). Ons recht kent uiteenlopende vormen van publiciteit (pandregister, beslagberichten, balanscentrale e.a.) Het bestaan van publiciteit betekent nog niet dat op een derde in al deze gevallen de verplichting rust om deze gepubliceerde gegevens te raadplegen ten einde zijn goede trouw te behouden. Dit moet geval per geval worden beoordeeld rekening houdend met de finaliteit van de betrokken publiciteit. Buiten de hypothese van bekendgemaakte gegevens die door de derde moeten worden geraadpleegd, zijn er de gevallen waarin de rechter oordeelt dat de derde, ongeacht of deze de feiten of het recht al dan niet kende, in de gegeven omstandigheden deze had behoren te kennen. De onwetendheid berust met andere woorden op diens onzorgvuldigheid. ledere normaal persoon zou in gelijke omstandigheden zich nader hebben geïnformeerd. Het aannemen van een dergelijke onderzoekplicht zal afhangen van de concrete omstandigheden (bijvoorbeeld de hoedanigheid van de derde). Een klassiek voorbeeld is, de onderzoeksplicht die wordt opgelegd aan handelaren van tweedehandsvoertuigen naar de eigendomstitels van hun verkopers. Zij moeten nagaan of hun verkopers wel degelijk eigenaar zijn van de voertuigen en of het niet gaat om geleasede voertuigen of voertuigen gekocht onder eigendomsvoorbehoud. Art. 140 Rechtsmisbruik Deze bepaling verankert een algemeen erkend rechtsbeginsel dat talloze malen werd bevestigd door het Hof van Cassatie: het verbod op rechtsmisbruik. Dit verbod beheerst de uitoefening van alle subjectieve rechten, met uitzondering van de discretionaire rechten die in ons recht eerder zeldzaam zijn. De definitie van het verbod op rechtsmisbruik werd onafgebroken gehanteerd door het Hof sinds zijn mijlpaalarrest van 10 september 1971 dat betrekking had op een buitencontractuele context (Cass. 10 september 1971, Arr.Cass., 1972, 31 met conclusie GANSHOF Van Der Meersch, Pas. 1972, 1, 8, RCJB 1976, 300 noot P. Van Ommeslaghe). Het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik werd meermaals bevestigd door het Hof van Cassatie buiten het contractenrecht (zie bijvoorbeeld Cass. 19 novernber 1987, Pas., 1988, I, blz. 332; Cass. 10 juni 2004, Pas., 2004, blz. 996; Cass. 21 maart 2013, Pas., 2013, biz. 766; Cass. 23 mei 2019, C.16 0474.F; Cass. 15 februari 2019, C.18 0428.N: een misbruik kan ook bestaan in de aanwending van rechtsregels of rechtsinstellingen in strijd met het doel waarvoor deze zijn ingesteld. Zie over dit leerstuk ook S. Stijns, 1, 2015, nr. 90, blz. 71-72; P. Wéry, |, nr. 112-118; P. Van Ommeslaghe, I,nr. 21-37). Het generieke criterium dat is opgenomen in paragraaf 2 van de bepaling wordt door het Hof van Cassatie ook gehanteerd in talrijke arresten in het kader van het contractenrecht (bijvoorbeeld Cass. 8 februari 2001, Pas., 2001, 244; Cass. 11 september 2003, Pas, 2003, 1386; Cass, 16 november 2007, Pas., 2007, 2050; Cass. 3 december 2007, Pas., 2007, 2173; Cass. 9 maart 2009, Pas., 2009, 689; Cass. 8 februari 2010, Pas., 2010, 402; Cass. 1 oktober 2010, Pas., 2010, 2470; Cass. 17 januari 2011, Pas., 2011, 200). Bij de beoordeling van de voorliggende belangen moet de rechter rekening houden met alle concrete omstandigheden van de zaak (Cass. 9 maart 2009, Pas, 2009, 689; Cass. 6 januari 2011, Pas., 2011, 44; Cass. 23 mei 2019, C16 0474., Cass. 19 december 2019, C:19 0127.N; Cass. 27 januari 2020, C.19 0020.N), waaronder bijvoorbeeld de aard en de strekking van het uitgeoefende recht. Voor de invulling van dat eriterium wordt verwezen naar vaste rechtspraak. Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs wanneer het uitgeoefende recht van openbare orde is of van dwingend recht (bijvoorbeeld Cass. 22 september 2008, Pas., 2008, 1999; Cass. 2 april 2015, Pas., 2015, 908). Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie S. Stijns, 1, 2015, nr. 94, blz. 77-79) is de gebruikelijke sanctie de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening (Cass. 16 december 1982, Pas,, 1983, 1, 472; Cass. 18 februari 1988, Pas., 1988, |, blz. 728; Cass. 1 juni 1992, Pas., 1992, I, 898; Cass. 8 februari 2001, Pas., 2001, 244, RW 2001-02, 778, noot A. Van Oevelen). Die matiging kan echter zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden (bijvoorbeeld Cass. 8 februari 2001, Pas., 2001, 244, RW 2001-02, 778, noot A. Van Oevelen; Cass. 1 oktober 2010, Pas., 2010, 2470, RW 2011-12, 142, noot S. Stijns en S. Jansen, RGDC-TBBR 2012, blz. 387, noot P. Baier; Cass. 19 december 2019, C.19 0127.N). De sanctie voor rechtsmisbruik kan ook bestaan in het herstel van de door het misbruik veroorzaakte schade, hetzij in natura, hetzij in de vorm van een schadevergoeding (bijvoorbeeld Cass. 26 oktober 2017, C.16 0393.N). Het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik kent talrijke toepassingen, waarvan sommige uitdrukkelijk verankerd worden in het ontwerp nieuw Burgerlijk Wetboek (bijvoorbeeld artikel 5 234, eerste lid, inzake het recht op uitvoering in natura, artikel 5.94, inzake de buitengerechtelijke ontbinding van het contract, of artikel 5 119, inzake de vormen van restitutie). Art 111 Oogmerk om te schaden Hij die opzettelijk een fout begaat met het oogmerk een ander te schaden of uit winstbejag, mag hieruit geen voordeel verkrijgen. Deze bepaling is een verankering en een verfijning van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit. Dit beginsel wordt als zodanig erkend door de rechtspraak van het Hof van Cassatie in talrijke arresten (zie o.m.X. Dieux, “Développements de la maxime Fraus omnia corrumpit dans la jurisprudence des obligations, Brussel, Bruylant, 2005, p. 125 ev; F. Glansdorff, “Encore à propos de la causalité: Le concours entre la faute intentionnelle de 'auteur du dommage et la faute involontaire de la victime”, noot onder Cass, 6 november 2002, R.C.J.B., 2004, p. 272 ev; J. Kirkpatrick, “Les limites du champ d'application du principe “fraus omnia corrumpit”, noot onder Cass, 3 maart 2011, R.C.J.B., 2012, p. 25 ev; A. Lenaerts, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht. Autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme?, Brugge, die Keure, 2013; J-F. Romain, “La fraude et le dol en vertu du principe fraus omnia corrumpit”, Liber Amicorum Francois Glansdorft et Pierre Legros, Bruxelles, Bruylant, 2013, p. 319 ev; P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge, tl, Les obligations, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 307 ev. p. 479 ev). De toepassing van de regel veronderstelt vooreerst het begaan van een fout; de loutere intentie om een ander te schaden die niet wordt veruitwendigd, wordt niet gesanctioneerd door het recht, maar behoort tot het domein van de moraal. De fout moet worden begaan met een bijzonder opzet om een ander te schaden of ‘om gewin te halen ten koste van een ander; het mag niet gaan om loutere nalatigheid (lichte fout) of een - zelfs grove - onvoorzichtigheid (zware fout). De loutere omstandigheid waarbij iemand voordeel haalt uit de miskenning van een rechtsnorm of zelfs waarbij een fout opzettelijk wordt begaan maar zonder een bijzonder opzet om een ander te schaden of daarvan profijt te trekken ten koste van een ander, volstaat overigens niet om de toepassing van de bepaling te bewerkstelligen (zie Cass‚, 16 november 2015, Pas., 2015, nr. 679; Cass, 21 april 2016, RW 2016-17, 1415). Bijvoorbeeld: de schuldenaar die niet beschikt over de noodzakelijke liquide middelen om al zijn opeisbare schulden te betalen en die bewust beslist om sommige leveranciers wel te betalen en andere niet, in de hoop op die manier zijn activiteit te kunnen voortzetten en een nieuwe dynamiek op gang te brengen, handelt aldus niet met het opzet te schaden of gewin te halen ten koste van een ander, en zal niet onder de toepassing van de ontworpen bepaling kunnen vallen. Dat zou anders liggen wanneer, bijvoorbeeld, diezelfde schuldenaar gedreven was door de intentie om sommige van zijn schuldeisers schade te berokkenen door activa aan hun verhaalsrecht te onttrekken of tegen een spotprijs van de hand te doen. De huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarbij vaak nadruk gelegd wordt op het bestaan van bedrog, van fraude, van oneerlijkheid of van een bedrieglijk opzet (zie bijv. Cass,, 21 april 2016, RW 2016-17, 1415; Cass, 21 december 2018, C.18 0154.N; Cass, 3 oktober 2019, C_8 0438.N), past niettemin het algemene rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit ook toe in gevallen van opzet telijke fout zonder enige fraude, misleiding of oneerlijkheid, bijvoorbeeld in geval van een opzettelijk misdrijf (zie Cass, 6 november 2002, Pas., 2002, nr. 584, concl. adv. gen. J. Spreutels; Cass., 9 oktober 2007, Pas,, 2007, nr. 465; Cass, 30 september 2015, Pas. 2015, nr. 568, JT, 2015, p. 844, opm. A. Lenaerts, TBBR 2016, p. 550, noot T. Derval; Cass, 2 maart 2016, Pas,, 2016, nr. 151, eoncl. adv. gen. D. Vandermeersch). De nieuwe bepaling streeft in dat opzicht de vereenvoudiging en verheldering van de rechtspraak van het Hof van Cassatie na, door enkel het bestaan van een opzettelijke fout te eisen. In dat opzicht kan het bestaan van bedrog, van fraude, van misleiding of van oneerlijkheid een aanwijzing vormen voor het bestaan van een opzet tot schaden of tot gewin halen ten koste van een ander, maar zijn deze niet vereist ‘om aanleiding te geven tot de toepassing van de regel De bepaling strekt ertoe te voorkomen dat het bedrog aan de dader enig voordeel verschaft (bijvoorbeeld Cass. 23 januari 2015, Arr.Cass. 2015, 206, concl. adv. gen. A. Van Ingelgem). Dit houdt ook in dat de dader tot winstafdracht kan worden veroordeeld (zie. E. Dirix “Het algemeen rechtsbeginsel: misdaad mag niet lonen”, Liber amicorum Hélène Casman, Antwerpen, 2013, 183 e.v; M. Kruithof, “De vordering tot voordeelsafdracht”, TPR 2011, 13 ev). Dit beginsel werd doelbewust geformuleerd in algemene bewoordingen aangezien het onmogelijk is om alle mogelijke hypothesen te voorzien. De wet en de rechtspraak bieden reeds een zeker aantal toepassingen waardoor het principe kan worden verduidelijkt. Aldus zal, in geval van wilsgebrek bedrog, het slachtoffer van het bedrog in principe de nietigverklaring van het contract kunnen verkrijgen, zelfs indien de dwaling ten gevolge van het bedrog onverschoonbaar is (artikel 5.35, derde lid BW), en zal de bedrieger de schade die het slachtoffer heeft geleden volledig moeten vergoeden, ook al heeft het slachtoffer een grove en onverschoonbare nalatigheid begaan (Cass. 18 maart 2010, Pas., 2010, nr. 196). Meer in het algemeen kan de dader van een opzettelijke fout geen aanspraak maken op een verdeling van aansprakelijkheid wegens een fout begaan door het slachtoffer (zie Cass. & november 2002, Pas., 2002, nr. 584, concl. adv. gen. J. Spreutels; Cass. 9 oktober 2007, Pas., 2007, nr. 465). In geval van opzettelijke fout van de schuldenaar kan het herstel de interest aan de wettelijke interestvoet overigens te boven gaan (artikel 5 240, vierde lid). De voorbeelden zijn legio. Wel moet worden opgemerkt dat het beginsel Fraus ‘omnia corrumpit, waarvan de verankering beoogd wordt door de bepaling, niet zonder beperking is. Aldus sluit dat beginsel over het algemeen niet uit dat de dader van een opzettelijke fout onrechtstreeks profijt zou kunnen trekken van die fout met toepassing van de wet of van contractuele bepalingen (Cass. 3 maart 2011, Pas., 2011, nr. 177, concl. adv. gen. A. Henkes, RW 2012-13, 1097 noot A. Lenaerts). Dit beginsel strekt immers tot het tenietdoen van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de opzettelijke fout; het reikt niet verder dan nodig om te verhinderen dat het doel beoogd door de opzettelijke fout wordt bereikt (zie Cass. 3 oktober 2019, RW 2019-20, 100 noot M. Meirlaen, JT 2020, 167 noot A. Lenaerts). Meer bepaald staat het beginsel niet eraan in de weg dat degene die zich ten aanzien van de benadeelde dient te verantwoorden voor het opzettelijk misdrijf dat gepleegd is door degene voor wie hij instaat, jegens de mededader diens aandeel in de schade zou opeisen (Cass. 16 mei 2011, Pas., 2011, nr. 319). Overigens belet het beginsel degene die een som ontvangen heeft die niet als verloning is aangegeven bij de sociale en fiscale administratie niet om tegen degene die hem deze som heeft uitbetaald aan te voeren dat zij een verloning is, die ontvangen is als tegenprestatie voor het geleverde werk in uitvoering van een arbeidsovereenkomst (Cass. 15 februari 2016, Pas, 2016, nr. 110, concl. adv. gen. JM. Genicot). Meer aanwijzingen over de precieze strekking van deze regel zijn terug te vinden in de doctoraatsverhandelingen van A. Lenaerts (Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht. Autonome rechtsfiguur of miskend correctieme‘chanisme?, Brugge, die Keure, 2013, p. 83 ev) en JF. Romain (Théorie critique du principe général de bonne toi en droit privé, Brussel, Bruylant, 2000, p. 750 ev). Art. 112 Afstand van recht Deze bepaling bevestigt het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed, een dergelijke afstand beperkend moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn. Dit beginsel wordt bevestigd door talrijke cassatiearresten (o.m.: Cass. 28 september 2017, RW 2017-18, 1543 en NJW 2018, 23, noot F. De Leo; Cass. 22 september 2015, S.14 0014.F; Cass. 9 november 2015, S.13 0042.N; Cass. 26 december 2014, C14 0121.N; Cass. 17 oktober 2014, C.13 0452.N; Cass. 24 juni 2013, S.11 0112.F. Zie hierover: P. Bazier, “La renonciation à un droit et la rechtsverwerking en droit privé”, in P. Wéry (ed), Chronique de jurisprudence sur les causes d'extinction des obligations (2000-2013), coll. CUP‚ Brussel, Larcier, 2014, 135 ew; S. Jansen, “Afstand van recht: een eenzijdige rechtshandeling’, TBBR 2011, 333 e.v; P. Van Ommeslaghe, “Rechtsverwerking en afstand van recht”, TPR 1980, 735 ev). Afstand van recht is overigens een eenzijdige rechtshandeling die dus niet door de wederpartij dient aanvaard te worden, tenzij de wet anders bepaalt (Cass. 24 december 2009, RGDCITBBR 2011, 332, noot S. Jansen) HOOFDSTUK 3 Opheffingsbepaling Art. 3 Met dit artikel wordt artikel 1 van het oude Burgerlijk Wetboek opgeheven. Zoals uitgelegd, is dit aatste artikel vervangen door het nieuwe artikel 1.2 van Boek 1, dat meer volledige regels bevat over de problematiek van de toepassing van de wet in de tijd. HOOFDSTUK 4 Inwerkingtreding Art. 4 Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Koen GEENS (CD&V) Khalil AOUASTI (PS) Nathalie GILSON (MR) Claire HUGON (Ecolo-Groen) Katja GABRIËLS (Open Vld) Ben SEGERS (sp.a) Stefaan VAN HECKE (Ecolo-Groen) Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van Boek 8 “Bewijs” in dat Wetboek, bevat de volgende bepalingen: “Boek | ‘Algemene bepalingen Art. 11. Bronnen Onverminderd de bijzondere wetten, de gewoonte en de algemene rechtsbeginselen regelt dit wetboek het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht. De gebruiken zijn slechts bron van recht indien de wet of het contract daarnaar verwijst Art. 1.2. Toepassing van de wet in de tijd De wet beschikt alleen voor de toekomst. Zij heeft geen terugwerkende kracht tenzij ze dit uitdrukkelijk bepaalt in het algemeen belang. Behoudens andersluidende bepaling, is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. In afwijking van het tweede lid, bft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is, of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten. De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming. Art. 1.3. Rechtshandeling De rechtshandeling is de wilsuiting waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan. Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde. Bijgevolg moet elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en geoorloofde oorzaak hebben. Art. 1,4. Wilsuiting Een wilsuiting is uitdrukkelijk of stilzwijgend. Een wilsuiting is mededelingsplichtig wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt. Art. 1,5. Kennisgeving De kennisgeving is de mededeling van een beslissing of een feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen. De kennisgeving bereikt de bestemmeling wanneer deze ervan kennisneemt of er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen. De kennisgeving langs elektronische weg verricht, bereikt de bestemmeling hetzij wanneer deze ervan kennis neemt, hetzij wanneer deze er redelijkerwijze kennis van had kunnen nemen voor zover dat, in die laatste hypothese, die bestemmeling voorafgaandelijk het gebruik heeft aanvaard van het elektronisch adres of van een ander elektronisch communicatiemiddel dat de persoon die de kennisgeving verricht, heeft aangewend. Art. 1,6. Tijdsbepaling en voorwaarde ‘Tenzij de wet of haar aard zich daartegen verzet, kunnen de gevolgen van een rechtshandeling aan een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verbonden. Art. 17. Berekening termijnen $ 1. Een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn begint de dag na de gebeurtenis of handeling die ertoe leidt, te lopen. $ 2. Een in uren omschreven termijn begint onmiddellijk te lopen. $ 3. Wettelijk feestdagen, zondagen en zaterdagen zijn in de termijnen begrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven. $ 4. Indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn waarbinnen een behaalde prestatie of mededeling moet worden verricht, een wettelijke feestdag, een zondag of een zaterdag is, dan loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. Deze paragraaf is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend. $ 5. Elke termijn van twee of meer dagen bevat ten minste twee werkdagen. $ 6. Onder een semester wordt een periode van zes maanden verstaan, onder een trimester een periode van drie maanden en onder een halve maand een periode van vijftien dagen. Indien een perlode wordt bepaald in maanden of jaren die niet aansluitend moeten zijn, wordt de maand geteld als dertig dagen en het jaar als 365 dagen. $ 7. Dit artikel is van toepassing tenzij de wet of een rechtshandeling anders bepaalt. Art. 1,8. Vertegenwoordiging $ 1. Er is sprake van vertegenwoordiging wanneer een persoon ermee belast is een rechtshandeling te verrichten voor rekening van een ander. De vertegenwoordiging is onmiddellijk wanneer de vertegenwoordiger de rechtshandeling verricht in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde persoon. Zij is middellijk wanneer de vertegenwoordiger die handeling in eigen naam verricht, maar voor rekening van de vertegenwoordigde persoon. $ 2. Vertegenwoordiging vindt haar oorsprong in een rechtshandeling, een gerechtelijke beslissing of de wet. $ 3. Bij onmiddellijke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de vertegenwoordigde en de derde. Bij middelljke vertegenwoordiging brengt de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling rechtsgevolgen teweeg tussen de laatstgenoemde en de derde. $ 4. Indien, bij onmiddelijke vertegenwoordiging, de vertegenwoordiger een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, verbindt de rechtshandeling de vertegenwoordigde niet ten aanzien van derden, behalve als hij deze bekrachtigt. De bekrachtiging werkt terug tot op de datum waarop de rechtshandeling is verricht, onverminderd de door derden verkregen rechten. $ 5. De vertegenwoordigde is eveneens gebonden ten aanzien van de derde met wie de vertegenwoordiger heeft gehandeld, wanneer de derde rechtmatig mocht vertrouwen op de schijn van bevoegdheid die de vertegenwoordigde uit vrije wil heeft doen ontstaan of laten voortbestaan, zelfs zonder fout van de vertegenwoordigd. Art. 1,9. Subjectieve goede trouw De goede trouw wordt vermoed. Een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen Art. 1-10. Rechtsmisbruik Niemand mag misbruik maken van zijn recht. Wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, maakt misbruik van zijn recht. De sanctie voor een dergelijk misbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend. Art. 1-11, Oogmerk om te schaden De opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen. Art. 112. Afstand van recht Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn”. Artikel 1 van het oude Burgerlijk Wetboek, vernummerd bij de wet van 18 juni 2018, wordt opgeheven. imprmerecenrale-Cenraledrder