Naar hoofdinhoud

tot wijziging van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep, wat de oprichting van een Instituut

Documentdetails

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 0752 Wetsvoorstel 🌐 NL

Inhoud

tot wijziging van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep, wat de oprichting van een Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren en een Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren betreft (ingediend door de heer Reccino Van Lommel c.s.) SAMENVATTING Dit wetsvoorstel strekt ertoe het Instituut van de Bedrijfsrevisoren op te splitsen in een Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren en een Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren met een eigen structuur, een eigen opleidingsinstituut, een eigen raad en een eigen reglement om het Instituut te leiden. oos13 pocss 0752/001 menen zoosscomone msn nana | AE etienne B Eero TOELICHTING Dawes en Heren, Dit voorstel neemt de tekst over van voorstel Deze wet dateert van 1953, en men kan moellijk volhouden dat de structuur en de organisatie van dit land sinds 1953 geen wijzigingen hebben ondergaan. Van een gecentraliseerde Staat naar een Federale Staat, en aan de kant van de meerderheid van dit land, aan de kant van de Vlamingen een duidelijke wil om de verworven (deel-)autonomie drastisch uitte breiden. De discussie in Vlaanderen gaat over hoever de autonomie kan en moet gaan, en vooral: hoeveel van de Federale Staat nog overeind moet blijven. Het is duidelijk dat de instellingen, de instituten, en andere beroepsorganisaties de structuur en de organi satie van het land best volgen. Want België is een land dat uit twee landen bestaat. Dat is niet alleen politiek zo, maar de politiek volgde veelal wat in het echte leven al geruime tijd het geval was. De tweeledige opdeling was meestal in de geesten al voltrokken, vooraleer de politiek volgde en vooraleer de structuren van instellingen werden aangepast. Of het nu gaat om het sociaaleconomische, justitie, onderwijs, sociale zekerheid, steeds meer krijgt de burger indicaties dat het niet meer gaat om één land. Verschillende beroepsinstanties van vrije beroepen, verschillende beroepsfederaties hebben deze trend ook gevolgd, waarmee zij ook wilden aangeven de nieuwe Structuur en de autonomie van de samenstellende delen te aanvaarden en zelfs positief te onthalen. Steeds meer Vlaamse beroepsorganisaties hebben dus een eigen structuur, een eigen opleidingsinstituut, een eigen raad en een eigen reglement om het Instituut te leiden. Steeds weer duikt bij dit soort unitaire verenigingen de argumentatie op dat een splitsing ervan in twee afzonderlijke instituten de twee samenstellende delen eindelijk de ruimte geeft om de eigen visie op de functie invulling, de leiding, de opleiding, de controle uitte werken en dat hierop achteraf met enige voldoening op wordt teruggekeken: het blijkt nog te werken ook. Een confederaal staatsmodel rijmt nu eenmaal zeer moelljk met unitaire beroepstederaties. bocss 0752/001 Vlaanderen heeft een economie die steeds meer eigen accenten legt en die in een gans andere richting evolueert dan de Franstalige economie. Ook de structuur van de economie is anders en dus menen wij dat het aangewezen is dat deze economie ook de bedrijfsrevisoren krijgt die het verdient, met hun eigen structuur, hun eigen visie en hun eigen opleiding. Die zal inderdaad verschillen van de collega’s aan de andere kant van de taalgrens, Daarom dus ons voorstel om een eigen Instituut van Vlaamse Bedrijfsrevisoren op te richten, met een eigen Raad van het Instituut en een eigen huishoudelijk Reglement. In het belang van de functie zelf van de bedrifsrevisoren en in het belang van de Gewesten. Reccino VAN LOMMEL (VB) Erik GILISSEN (VB) Barbara PAS (VB) Wouter VERMEERSCH (VB) Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2 Het opschrift van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor wordt vervangen als volgt: “Wet houdende oprichting van een Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren, een Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrifsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor” Art. 3 Artikel 1 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt “Art. 1. Er worden een Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren en een Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren opgericht, beiden bekleed met rechtspersoonlijkheid.” Art. 4 In artikel 2 van dezelfde wet worden de woorden “Het Instituut heeft” vervangen door de woorden “De Instituten hebben”. Art.5 In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1) de woorden “het Instituut der Bedrijfsrevisoren” worden vervangen door de woorden “het Instituut der Vlaamse Bedrifsrevisoren of het Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren”; 2) in punt 4° worden de woorden “de Raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de Raden van de Instituten”, 3) in punt 6° worden de woorden “het Instituut” vervangen door de woorden “een der instituten”. Art. 6 In artikel 4bis van dezelfde wet worden de volgende 2) het artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidende: “De vennootschap als bedoeld in het eerste id en met maatschappelijke zetel in een van volgende gerechtelijke arrondissementen: Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen, Leuven, behoort tot het Instituut der Vlaamse Bedrifsrevisoren. De vennootschap als, bedoeld in het eerste lid en met maatschappelijke zetel in een van volgende gerechtelijke arrondissementen: Eupen, Luik, Namen, Waals-Brabant, Luxenburg en Henegouwen, Verviers behoort tot het Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrifsrevisoren. De vennootschap als bedoeld in het eerste lid en met maatschap pelijke zetel in het gerechtelijk arrondissement Brussel behoort naar eigen keuze tot het Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren of het Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren.” Art.7 In artikel 4ter van dezelfde wet worden de woorden “het Instituut der Bedrijfsrevisoren” vervangen door de woorden “het Instituut der Vlaamse Bedrifsrevisoren of het Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrifsrevisoren”. Art. 8 In artikel 4quater van dezelfde wet worden de woorden “het Instituut wordt door het Instituut” vervangen door de Instituut der Franstalige en Duitstalige Bedrijfsrevisoren wordt door het betrokken instituut”. Art. 9 In dezelfde wet wordt een artikel Aquinquies ingevoegd, luidende: “Art. 4quinquies. De personen die de eed afleggen voor een van volgende rechtbanken van eerste aanleg: ‘Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Gent, Hasselt, leper, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oudenaarde, Tongeren, ‘Turnhout, Veurne behoren tot het Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren. De personen die de eed afleggen voor een van volgende rechtbanken van eerste aanleg: Aarlen, Bergen, Charleroi, Dinant, Doornik, Eupen, Hoei, Luik, Marcheen-Famenne, Namen, Neufchâteau, Nijvel, Verviers behoren tot het Instituut der Franstalige en Duitstalige De personen die de eed in het Nederlands afleggen voor de rechtbank van eerste aanleg van Brussel behoren tot het Instituut der Vlaamse Bedrijfsrevisoren. De personen die de eed in het Frans of het Duits aflegBedrijfsrevisoren” Art. 10 In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende 1) de woorden “van het Instituut” worden vervangen door de woorden “een der instituten”; 2) in de Nederlandstalige tekst wordt het woord “candidaat” vervangen door het woord “kandidaat” Art. 11 In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende 1) in het eerste lid worden de woorden “het huishoudelijk reglement van het instituut” vervangen door de woorden “de huishoudelijke reglementen van de instituten”; 2) in het tweede lid worden de woorden “ledenlijst wordt” vervangen door de woorden “ledenlijsten worden”; 3) in het tweede lid worden de woorden “de raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de raden van de instituten”; 4) in het derde lid worden de woorden “zetel van het Instituut kennis nemen van de ledenlijst of het Instituut” vervangen door de woorden “zetels van de instituten kennis nemen van de ledenlijsten of het instituut”; 5) in het vierde lid worden de woorden "het Instituut, maar staan onder zijn toezicht” vervangen door de woorden “de instituten, maar staan onder hun toezicht”. Art 12 In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende 1) in het eerste lid worden de woorden “het Instituut” vervangen door de woorden “de instituten”; 2) in het tweede lid worden de woorden “de Raad van het Instituut kan” vervangen door de woorden “de raden van de instituten kunnen”, 3) in het tweede lid worden de woorden “het huishoudelijk reglement” vervangen door de woorden “hun huishoudelijke reglementen” Art. 13 In artikel 8, $ 4 van dezelfde wet worden de woorden “de Raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de raad van het betrokken instituut” Art 14 In artikel 9 van dezelfde wet worden de woorden “de raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de raden van de instituten” Art 15 In artikel bis van dezelfde wet worden de woorden Art. 16 Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 10. De Koning stelt, op voorstel van of na advies van de raden van de instituten, het stagereglement en het tuchtreglement vast, alsmede de reglementen die noodzakelijk zijn voor de werking van de instituten en voor de verwezenlijking van hun bij deze wet omschreven doelstellingen. Deze reglementen worden vastgesteld op voorstel of na advies van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen” Art 17 Artikel 11 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 11. De algemene vergadering van de instituten bestaat uit alle leden van het betrokken instituut. Zij kiest de voorzitter, de ondervoorzitter, de commissarissen en de andere leden van de raad van het instituut, aanvaardt of weigert de giften en legaten ten voordele van haar instituut, staat de vervreemding of de verpanding van haar onroerende goederen toe, keurt de jaarlijkse rekening der ontvangsten en uitgaven goed, ontlast de raad van diens beheer, beraadslaagt over alle onderwerpen waarvoor deze wet en de reglementen haar bevoegdheid verlenen. De vergadering neemt bovendien, door middel van berichten, voorstellen of aanbevelingen aan de raad, kennis van alle onderwerpen die hun instituut aanbelangen en die regelmatig zijn voorgelegd. De beslissingen van de algemene vergadering zijn bindend voor al de leden en stagiaires van haar instituut. Zij worden genomen bij meerderheid der aanwezige of vertegenwoordigde leden. Elk lid heeft recht op één stem. De leden kunnen aan een ander lid schriftelijk volmacht geven om op de algemene vergadering in hun plaats te stemmen. Elk id kan houder zijn van ten hoogste twee volmachten.” Art. 18 In artikel 12 van dezelfde wet worden de woorden “het Instituut” telkens vervangen door de woorden “het instituut”. Art. 19 Artikel 13 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 13, De instituten staat onder de leiding van een raad, samengesteld uit: 1° een voorzitter en een ondervoorzitter, die bij geheime stemming door de algemene vergadering voor drie jaar onder de leden van hun instituut worden gekozen; hun mandaat, dat verstrijkt op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering, kan éénmaal hernieuwd worden; 2° twaalf leden die door de algemene vergadering, bij een van de vorige verschillende geheime stemming voor drie jaar onder de leden van hun instituut worden gekozen; hun mandaat kan hernieuwd worden. ‘Onder deze twaalf leden wijst de raad van het instituut een secretaris en een penningmeester aan. De beslissingen van de raad van het instituut worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend. Elke beslissing van de raad van het instituut die betrekking heeft op één welbepaalde persoon wordt met redenen omkleed” Art. 20 Artikel 14 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 14. De raden van de instituten vertegenwoordigen hun instituut bij rechtshandelingen en bij rechtsvorderingen, hetzij als eiser of als verweerder. De raad verzekert de werking van het instituut overeenkomstig deze wet en de reglementen. Hij bezit elke bevoegdheid van bestuur en beschikking, welke hem door deze wet of de reglementen niet wordt ontnomen. De reglementen met het oog op de inrichting of de beperking van zijn bevoegdheid kunnen slechts tegen derden worden aangevoerd in zover het koninklijk besluit, waarbij zij worden vastgesteld, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. De raad kan het dagelijks bestuur toevertrouwen hetzij aan een van zijn leden, die de titel van administrateur zal voeren, hetzij aan verscheidene leden, die, onder de leiding van de voorzitter van het instituut, het uitvoerend comité zullen vormen.” Art. 21 In artikel 15 van dezelfde wet worden de volgende de instituten”. Art. 22 In artikel 16 van dezelfde wet worden de volgende 1) in het eerste lid worden de woorden “Het Instituut richt” vervangen door de woorden “De instituten richten”; 2) in het tweede lid worden de woorden “de Raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de raad van het instituut” Art. 23 In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden Art. 24 In artikel 18 van dezelfde wet worden de volgende 1) de woorden “het Instituut” worden vervangen door de woorden “het instituut”; Art. 25 In artikel 18bis van dezelfde wet worden de woorden “De Raad van het Instituut kan” vervangen door de woorden “De raden van de instituten kunnen”. Art. 26 Artikel 18ter van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 18ter. $ 1. Overeenkomstig hun doel zien de instituten toe op de goede uitvoering door hun leden van de hun toevertrouwde opdrachten. In het bijzonder zien de instituten erop toe dat ze: 1° hun beroepskennis op permanente wijze vervolmaken; 2° vooraleer een opdracht te aanvaarden, beschikken over de bekwaamheid, medewerking en tijd vereist om deze opdracht goed uit te voeren; 3° zich met de nodige zorg en in volledige onafhankelijkheid kwijten van de hun toevertrouwde controle-opdrachten; 4° geen opdrachten aanvaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden kunnen brengen; 5° geen werkzaamheden uitoefenen die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van hun taak. $ 2. Te dien einde kunnen de instituten: 1° de voorlegging eisen door hun leden van elke informatie, van elke verklaring en van elk document en meer in het bijzonder van hun werkschema en van hun nota's over uitgevoerde controletaken; 2° een onderzoek laten instellen bij hun leden naar hun werkmethodes en hun organisatie alsmede naar de zorg waarmee en de wijze waarop zij hun opdrachten uitvoeren. Elke revisor licht zijn instituut in, binnen de termijnen en op de wijze bepaald door het huishoudelijk reglement, over de door hem aanvaarde opdrachten waarvan de uitvoering aan de leden van het instituut uitsluitend is, toevertrouwd, over de eraan verbonden bezoldiging, alsmede over het beëindigen van deze opdrachten. Hetzelfde geldt voor de opdrachten waarvan de vervulling niet uitsluitend aan de leden van het instituut is opgedragen, die worden vervuld hetzij door de bearijfsrevisor, hetzij door een persoon met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, of met wie hij beroepshalve in samenwerkingsverband staat, wanneer zij worden bezoldigd door een onderneming waarin de bedrijfsrevisor een opdracht vervult die uitsluitend aan de leden van het instituut is toevertrouwd.” Art. 27 In artikel 18quater van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht 1) in het eerste id wordt het woord “Instituut” vervan gen door het woord “instituut”; 2) de woorden “de Raad” worden telkens vervangen door de woorden “de raad”. Art. 28 In artikel 18quinquies van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1) in het eerste lid worden de woorden “de Raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de raad van zijn instituut”; Art. 29 Artikel 19 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 19. Binnen elk insttuut wordt de beroepstucht in eerste aanleg gehandhaafd door een tuchtcommissie. Deze commissie is samengesteld uit een rechter in de rechtbank van koophandel die ze voorzit, alsmede uit twee door de raad van het instituut aangeduide bedrijfsrevisoren. De voorzitter wordt benoemd door de Koning op voordracht van de minister van Justitie. Voor elk ef fectief id wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. De leden en plaatsvervangende leden worden voor een vernieuwbare periode van zes jaar benoemd.” Art. 30 Artikel 20 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 20. S 1. De tuchtstraffen die kunnen worden opgelegd zijn: a) de waarschuwing; b) de berisping; ©) het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of verder te zetten; d) de schorsing voor ten hoogste een jaar; e) de schrapping. De schorsing houdt verbod in het beroep van bedrijfs revisor in België uit te oefenen voor de in de tuchtstraf bepaalde tijd. De schorsing houdt het verbod in om aan beraadslagingen en verkiezingen in de algemene vergaderingen, in de raden en in commissies van de instituten alsmede van de commissies van beroep deel te nemen, zolang deze tuchtstraf uitwerking heeft. De schrapping houdt verbod in om het beroep van bedrijfsrevisor in België uitte oefenen. $ 2. Een zaak wordt aanhangig gemaakt bi de tuchtcommissie door de raden van de instituten, hetzij van ambtswege, hetzij op de schriftelijke vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep. Elke belanghebbende kan bij de raden van de instituten een klacht indienen tegen een bedrijfsrevisor. De raden maken aan de tuchtcommissies een verslag over waarin de aan de bedrijfsrevisor ten laste gelegde feiten worden uiteengezet met verwijzing naar de betrokken wettelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke bepalingen. $ 3. De tuchtcommissie kan geen tuchtstraf uitspreken tenzij de betrokken revisor, bij een ten minste dertig dagen vooraf toegezonden aangetekende brief, is uitgenodigd om voor de tuchtcommissie te verschijnen. Deze brief vermeldt, op straf van nietigheid, de ten laste gelegde feiten, de mogelijkheid om inzage te nemen van het dossier en nodigt de bedrijfsrevisor uit aan de tuchtcommissie een verweerschrift te richten waarbij alle voor zijn verweer nuttige stukken zijn gevoegd. De betrokken bedrijfsrevisor heeft een recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Over de wraking beslist de tuchtcommissie anders samengesteld. De betrokken bedrijfsrevisor mag zijn verweer mondeling of schriftelijk doen gelden. Hij mag zich laten bijstaan door een advocaat of door een lid van het betrokken instituut $ 4. De beslissingen van de tuchtcommissie zijn met redenen omkleed. Zij worden onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de betrokken bedrijfsrevisor, van de raad van het instituut en van de Samen met deze betekening worden alle gepaste inlichtingen verstrekt betreffende de termijn van verzet en van hoger beroep, en de wijze waarop verzet of hoger beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van deze vermeldingen is de kennisgeving nietig. $ 5. Wanneer de betrokken bedrijfsrevisor erom uitdrukkelijk vraagt, moet de rechtspleging in het openbaar plaats vinden, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de goede zeden, de openbare orde, ‘s lands veiligheid, het belang van minderjarigen, de bescherming van het privéleven, het belang van de rechtspraak of de geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 27” Art. 31 Artikel 21 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 21. S 1. Het hoger beroep tegen beslissingen van de tuchtcommissie wordt aanhangig gemaakt bij de commissie van beroep. Elk instituut telt een commissie van beroep en deze is samengesteld uit een raadsheer bij een hof van beroep die ze voorzit, uit een rechter in een rechtbank van koophandel en een rechter in een Arbeidsrechtbank, allen voorgedragen door de minister van Justitie en benoemd door de Koning, alsmede uit twee bedrijfsrevisoren aangeduid door de betrokken algemene vergadering. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. De leden en plaatsvervangende leden worden voor een vernieuwbare periode van zes jaar benoemd. $ 2. De betrokken bedrijfsrevisor alsmede de raad van zijn instituut en de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen hoger beroep instellen binnen een termijn van dertig dagen. $ 3. Om toelaatbaar te zijn moet het hoger beroep bij aangetekende brief, gepost binnen de gestelde termijn, ter kennis worden gebracht van de commissie van beroep. $ 4. De commissie van beroep kan geen uitspraak doen dan nadat de betrokken bedrijfsrevisor bij een ten minste vijftien dagen vooraf toegezonden aangetekende brief is uitgenodigd om voor de commissie van beroep te verschijnen. De betrokkene moet de gelegenheid worden geboden inzage te nemen van het dossier. $ 5. De 85 3, 4 en 5 van artikel 20 zijn van overeenkomstige toepassing.” Art. 32 In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende 1) in het eerste lid worden de woorden “de voorzitter van de Raad van het Instituut” vervangen door de woorden “de voorzitters van de raden van de instituten”; Art. 33 In artikel 23 van dezelfde wet worden de woorden “de raad van het betrokken instituut”. Art. 34 Artikel 24 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 24. De ontvangsten van de instituten alsmede de voorschriften in verband met het opmaken van en de controle op de rekeningen en de begroting worden bepaald door hun huishoudelijk reglement, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 25 en 26. De instituten mogen geen andere onroerende goederen bezitten dan die welke zij nodig hebben voor hun werking of die waarvan de Koning de verkrijging onder kosteloze of bezwarende titel of de inhuurneming heeft toegestaan. Buiten de in het voorgaande lid bedoelde uitzonderingen, mogen de instituten hun beschikbare gelden slechts, besteden voor de aankoop van Belgische staatsfondsen of andere effecten waarvan kapitaal en rente door de Staat gewaarborgd zijn De beschikkingen onder de levenden of bij testament, ten bate van een der instituten, hebben slechts uitwerking na toelating of goedkeuring van de Koning. De instituten mogen, in geen geval, noch om niet beschikken noch hun vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder hun leden of hun rechthebbenden.” Art. 35 Artikel 25 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 25. De ontvangsten van de instituten bestaan onder meer uit: 1° de bijdragen der leden; 2° de diverse inkomsten en opbrengsten van hun vermogen; 3° de toelagen, legaten en schenkingen” Art. 36 Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 26. Elk jaar leggen de raden van de instituten de hiernavolgende stukken aan hun algemene vergadering voor: 1° de inventaris der activa en passiva van het instituut op 31 december van het verlopen jaar; 2° de lijst der ontvangsten en uitgaven van het op vorige 31 december gesloten dienstjaar; 3° de begroting voor het nieuwe dienstjaar; 4° het verslag over de werkzaamheden van hun instituut tijdens het verlopen jaar, 5° het verslag van de commissaris(sen). De juistheid van de inventaris en van de rekeningen dient vooraf te zijn nagegaan door een of meer commissarissen, leden van het betrokken instituut, die te dien einde door de algemene vergadering, buiten de leden van de raad van het instituut, voor één jaar zijn aangewezen en tweemaal achtereenvolgens opnieuw kunnen gekozen worden. Hun mandaat is onbezoldigd” Art. 37 In artikel 28 van dezelfde wet worden de woorden “de raad van een der instituten” Art. 38 Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 29. De raden van de instituten spreken zich uit over de bij artikel 28 bedoelde kandidaturen op het met redenen omkleed voorstel van een erkenningscommissie. Binnen elk instituut wordt een erkenningscommissie ingericht Deze commissie is samengesteld uit: a) een rechter in de rechtbank van koophandel die de kamer voorzit; b) drie bedrijfsrevisoren; ©) drie personen die gedurende ten minste vijf jaar het beroep van accountant uitgeoefend hebben, zoals bepaald in artikel 78 van de wet met betrekking tot de titel en het beroep van accountant. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervanger aangewezen die voldoet aan dezelfde voorwaarden. De magistraat die de kamer voorzit wordt voorgedragen door de minister van Justitie. De andere leden en de plaatsvervangers worden gezamenlijk voorgedragen door de minister van Economische Zaken en de minister van Middenstand. De effectieve leden en de plaatsvervangers worden door de Koning benoemd.” Art. 39 In artikel 30 van dezelfde wet worden de woorden ‘de raden van de instituten”. Art. 40 In artikel 31 van dezelfde wet worden de volgende 1) de woorden “de Raad van het Instituut” worden vervangen door de woorden “een raad van een instituut”; 2) de woorden “de commissie van beroep” worden vervangen door de woorden “de betrokken commissie van beroep”. Art. 41 In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden “het Instituut” vervangen door de woorden “het betrokken instituut”. Art. 42 In artikel 33 van dezelfde wet worden de woorden “het Instituut der Bedrifsrevisoren” vervangen door de woorden “het Instituut der Vlaamse Bedrifsrevisoren of het imprmerecenrale-Cenraledrder