Naar hoofdinhoud

Details

Numac
FISCONET_2
Bron
Fisconet Plus
Taal
Nederlands
Type
KB/WIB 92
Status
Van kracht
Artikelen
327

Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92)

Art. 1. De in artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde revalorisatie- coëfficiënt voor kadastrale inkomens wordt per aanslagjaar vastgesteld zoals in de volgende tabel is aangegeven :
Aanslagjaar
Exercice d'imposition
1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 Aanslagjaar
Exercice d'imposition
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022

Art. 2. Om voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in aanmerking te komen, moeten de in dat artikel vermelde spaardeposito's aan de volgende vereisten voldoen :

1° de spaardeposito's moeten in euro zijn uitgedrukt ;

2° van de spaardeposito's kunnen, rechtstreeks of via een zichtrekening, slechts opvragingen worden gedaan voor volgende verrichtingen :
a) terugbetaling in specie ;
b) transfer of overschrijving, niet krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, naar een rekening op naam van de titularis van het spaardeposito ;
c) transfer naar een spaardeposito bij dezelfde instelling, op naam van de echtgeno(o)t(e) of van een familielid tot en met de tweede graad van de titularis van het spaardeposito ; d) betaling van sommen, door de titularis van het spaardeposito verschuldigd in kapitaal, interesten of bijhorigheden wegens leningen of kredieten toegekend door dezelfde instelling of door een inrichting die door dezelfde instelling wordt vertegenwoordigd ;
e) betaling, aan de instelling-depositaris, van verzekeringspremies en kosten betreffende het spaardeposito, van de prijs voor aankoop van of inschrijving op effecten, van de huur voor een safe en van een bewaarloon voor effecten in open bewaargeving ;

3° de opvragingsvoorwaarden dienen te voorzien in de mogelijkheid voor de instelling-depositaris de opvragingen afhankelijk te stellen van een opzeggingstermijn van 5 kalenderdagen wanneer zij 1.250 EUR overtreffen en ze te beperken tot 2.500 EUR per halve maand ;

4° a) de vergoeding van de spaardeposito's bestaat verplicht maar ook uitsluitend uit :
- een basisrente ; en
- een getrouwheidspremie ;
b) de basisrente en de getrouwheidspremie worden berekend tegen een rentevoet uitgedrukt op jaarbasis.
De deposito's brengen een basisrente op ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de kalenderdag van de storting en brengen geen rente meer op vanaf de kalenderdag van de opvraging.
Stortingen en opvragingen op dezelfde kalenderdag worden gecompenseerd voor de berekening van de basisrente en de getrouwheidspremie. De verworven basisrente wordt eens per kalenderjaar gestort op het deposito om, in afwijking van het tweede lid, een basisrente op te brengen vanaf 1 januari van het jaar.
Aan de titularis van een spaardeposito mag geen debetrente worden gevraagd.
De getrouwheidspremie wordt toegekend voor de deposito's die gedurende twaalf opeenvolgende maanden op dezelfde rekening ingeschreven blijven.
In geval van overdracht van een spaardeposito naar een ander spaardeposito geopend op naam van dezelfde titularis bij dezelfde instelling, anders dan krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, blijft de premieverwervingsperiode voor het eerste spaardeposito verworven, op voorwaarde dat het bedrag van de overdracht minimaal 500 euro bedraagt en de betrokken titularis tijdens hetzelfde kalenderjaar nog geen drie soortgelijke overdrachten vanop hetzelfde spaardeposito heeft uitgevoerd.
Wanneer eenzelfde instelling over verschillende bankmerken beschikt, komen enkel de binnen eenzelfde bankmerk uitgevoerde overdrachten in aanmerking voor de toepassing van het vorige lid. Het begrip "bankmerk" verwijst naar een afzonderlijk georganiseerd distributienetwerk binnen eenzelfde juridische entiteit.
Bij een in de vorige leden bedoelde overdracht wordt de getrouwheids- premie pro rata temporis berekend op basis van de voor elk spaardeposito geldende rentevoet van de getrouwheidspremie. Onverminderd de vorige leden begint de getrouwheidspremie te lopen ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de kalenderdag van de storting. Opvragingen worden toegerekend aan de bedragen waarvoor de premie- verwervingsperiode het minst gevorderd is. Als verschillende bedragen eenzelfde premieverwer- vingsperiode hebben, wordt de opvraging in de eerste plaats toegerekend aan het bedrag met de laagste rentevoet van de getrouwheidspremie.
Driemaandelijks worden de verworven getrouwheidspremies in rekening gebracht. De getrouwheids- premies verworven tijdens het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal brengen respectievelijk vanaf 1 april, 1 juli, 1 oktober en 1 januari volgend op dat kwartaal een basisrente op.
c) de basisrentevoet die een instelling voor de ontvangen spaardeposito's toekent, mag het hoogste van de volgende twee percentages niet overschrijden :
- 3 pct. ;
- het percentage voor basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank dat van toepassing is op de tiende van de maand die het lopende kalendersemester voorafgaat.
Elke stijging van de basisrentevoet wordt gedurende een periode van minstens drie maanden behouden, behalve bij een daling van het percentage voor basisherfinanciering- transacties van de Europese Centrale Bank.
De aangeboden rentevoet van de getrouwheidspremie mag, onverminderd het bepaalde onder littera e) hierna, - niet hoger liggen dan 50 pct. van de maximale basisrentevoet waarvan sprake in het eerste lid. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de maximale rentevoet van de getrouwheidspremie op het lagere tiende percent afgerond ;
- niet lager liggen dan 25 pct. van de aangeboden basisrentevoet. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de minimale rentevoet van de getrouwheidspremie afgerond op het lagere tiende percent ;
d) per spaardeposito is, op hetzelfde ogenblik, slechts één basisrentevoet van toepassing ;
e) de getrouwheidspremie die op een bepaald ogenblik wordt toegekend, is dezelfde voor nieuwe stortingen en voor spaartegoeden waarvoor een nieuwe getrouwheidsperiode begint te lopen. Onverminderd de toepassing van de bepaling onder 4°, b), zevende lid, blijft de getrouwheidspremie die van toepassing is op het ogenblik van de storting of bij het begin van een nieuwe getrouwheidsperiode, van toepassing voor de volledige getrouwheidsperiode ;

5° de instelling-depositaris gaat na of de in artikel 21, 5°, WIB 92, voorziene grens is bereikt telkens de basisrente en de getrouwheidspremie in rekening worden gebracht en neemt daarbij alle bedragen in aanmerking die tijdens de belastbare periode werden toegekend. beroepswerkzaamheid van de kredietgever afgesloten leningen.
artikel 21, tweede lid)

Art. 2bis. De in artikel 21, eerste lid, 13°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde ondernemingen moeten, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de beoogde lening werd afgesloten, jaarlijks vóór 31 maart een document opstellen dat:
a) het bedrag vermeldt van de gedurende het vorige jaar betaalde interesten;
b) bevestigt of de onderneming al dan niet gedurende het volledige voorafgaande jaar of, indien de lening in de loop van het voorafgaande jaar werd afgesloten, gedurende het volledige gedeelte van dit jaar vanaf de datum waarop de lening werd afgesloten, voldeed aan de voorwaarden opgenomen in artikel 21, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek.
Het in het eerste lid bedoelde document moet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn worden overhandigd aan de kredietgever.
Een afschrift van het in het eerste lid bedoelde document moet langs elektronische weg aan de administratie worden bezorgd binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.
De kredietgever moet zijn exemplaar van de bedoelde documenten ter beschikking houden van de administratie. lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden

Art. 2ter. In uitvoering van artikel 21, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek vermelde bedrag op 510 euro gebracht voor de inkomsten die vanaf 1 januari 2019 worden betaald of toegekend.
aftrekbaar zijn van het bruto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik, concessie van roerende goederen en auteursrechten
artikel 22, § 3)

Art. 3.

Art. 3 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 1 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Om het netto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik, concessie van roerende goederen en auteursrechten te bepalen, worden de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens forfaitair vastgesteld op 15 % van het brutobedrag, wanneer de verkrijger:

1° een rijksinwoner is of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die in België haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft, en die goederen niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt;

2° een niet-inwoner is als vermeld in artikel 227, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en gezegde goederen door die niet-inwoner niet voor de beroepswerkzaamheid worden gebruikt die hij in een in België gelegen inrichting uitoefent.​​

Art. 4. Het in artikel 3 vermelde forfait wordt gebracht op :

1° 50% van de eerste schijf van 10.000 euro en 25% van de schijf van 10.000 euro tot 20.000 euro indien het auteursrechten betreft ;

2° 50 % wanneer het verhuring betreft van :
a) toneeldecors en -kostuums ;
b) roerende goederen die gemeubileerde woningen, kamers of appartementen stofferen ; ingeval een gezamenlijke huurprijs voor de roerende en onroerende goederen is bedongen, wordt het brutobedrag van de belastbare inkomsten van de roerende goederen geacht 2/5 van die huurprijs te bedragen ;

3° 85 % wanneer het gaat om :
a) verhuring van partituren, libretto's en andere gelijkaardige voorwerpen die
voor schouwburgvoorstellingen ;
b) concessie van het recht handelsgrammofoonplaten te persen ;
c) concessie van het recht om bioscoopfilms en gelijksoortige audiovisuele werken te distribueren of te vertonen en concessie van het recht om radio- en televisieprogramma's uit te zenden of gelijktijdig en onverkort door te geven.
De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De in het eerste lid, 1°, vermelde bedragen worden overeenkomstig artikel 129/1 van het Wetboek van de inkomstenbeastingen 1992 verminderd wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar.

Art. 5. De normaal ten laste van de verkrijger van de inkomsten vallende kosten die, al of niet volgens overeenkomst, door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen, moeten bij de werkelijk verleende of toegekende sommen worden gevoegd om het brutobedrag te bepalen.
In het in artikel 4, 3°, c, vermelde geval worden kosten van kopieën, van onderschriften en van nasynchronisatie van films en van voorfilms, kosten voor vervoer van films naar het buitenland, tolgelden, belasting op roerende verhuring en transferkosten op huurgelden, zomede alle andere gelijkaardige kosten, aan het belastbare brutobedrag toegevoegd ingeval zij door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen.
de beroepsinkomsten.
artikelen 23, § 3, en 77)

Art. 6. De aftrekken bedoeld in de artikelen 23, § 2, en 68 tot 80 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, worden verricht volgens de in de artikelen 7 tot 10 vastgestelde wijze en in de hierna vermelde volgorde :

1° de bijdragen bedoeld in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek, ingehouden door de schuldenaar van de beroepsinkomsten en de sommen bedoeld in artikel 52, 8°, van hetzelfde Wetboek, gestort door de belastingplichtige ;

2° de andere beroepskosten dan de in 1° vermelde bijdragen en sommen, die op de beroepsinkomsten drukken ; 3° de investeringsaftrek ;

4° de gedurende het belastbare tijdperk geleden beroepsverliezen ;

5° de tijdens de vorige belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen ;

6° de tijdens latere belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, van hetzelfde Wetboek.

Art. 7.

§ 1. De bijdragen en sommen vermeld in artikel 6, 1°, worden afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.

§ 2. De andere werkelijke beroepskosten die met een bepaalde beroepswerkzaamheid verband houden, worden van de inkomsten van die beroepswerkzaamheid afgetrokken.

§ 3. Wanneer de belastingplichtige uit eenzelfde beroepswerkzaamheid inkomsten behaalt in verschillende landen, worden de ermede verband houdende werkelijke beroepskosten, per land, afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.

§ 4. Werkelijke beroepskosten die gemeen zijn aan verschillende beroepswerkzaamheden of die tegelijkertijd op in verschillende landen behaalde inkomsten drukken, worden op een verantwoorde wijze omgedeeld.

§ 5. De niet in § 1 vermelde werkelijke beroepskosten worden, per beroepswerkzaamheid en per land, eerst afgetrokken van de beroepsinkomsten die niet vermeld zijn in artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en vervolgens evenredig van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171. § 6. Wanneer de belastingplichtige verschillende werkzaamheden uitoefent waarvan de inkomsten tot eenzelfde in de artikelen 24 tot 27 en 31 tot 33, van hetzelfde Wetboek vermelde inkomstencategorie behoren, worden de ermede verband houdende forfaitaire beroepskosten berekend op het geheel van de uit die werkzaamheden voortkomende inkomsten, maar met uitzondering van de vergoedingen waarvan sprake in artikel 51, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.

§ 7. De overeenkomstig § 6 vastgestelde forfaitaire beroepskosten worden evenredig afgetrokken van de verschillende bestanddelen van het inkomen, die de berekeningsgrondslag van het forfait hebben gevormd.

§ 8. Wanneer de beroepskosten in verband met één of meer bestanddelen van het inkomen overeenkomstig artikel 51 van hetzelfde Wetboek forfaitair worden bepaald, worden de in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek vermelde sociale bijdragen die niet zijn ingehouden, in afwijking van § 5, evenredig afgetrokken van die bestanddelen van het inkomen.

§ 9. De investeringsaftrek vermeld in de artikelen 68 tot 77 van hetzelfde Wetboek komt eerst in mindering van de winst of de baten van Belgische oorsprong die niet vermeld zijn in artikel 171 van hetzelfde Wetboek en vervolgens evenredig in mindering van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171.

Art. 8.

§ 1. Wanneer een beroepswerkzaamheid in verschillende landen wordt uitgeoefend, worden de overeenkomstig artikel 7 berekende nettoresultaten van het belastbare tijdperk in 3 groepen ingedeeld :

1° die behaald in België ;

2° die behaald in landen waarmede België geen overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten ;

3° die behaald in andere landen. § 2. Binnen elk van de groepen worden de negatieve resultaten eerst afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep ; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep.

§ 3. Wanneer het eindresultaat van groep 1 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 2 en 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

§ 4. Wanneer het eindresultaat van groep 2 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 1 en 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

§ 5. Wanneer het eindresultaat van groep 3 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 1 en 2 ; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

Art. 8bis. artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die door de werkgever worden betaald of toegekend.
Onderafdeling 2. Grondslag en tarief
77. De bedrijfsvoorheffing wordt eenvormig (zonder vermindering) bepaald op 11,11 pct. van de in nr. 76
vermelde inkomsten.
DEEL 4. VERVANGINGSINKOMSTEN
HOOFDSTUK 1. SCHADELOOSSTELLING VAN TIJDELIJKE DERVING VAN BEZOLDIGINGEN, WINST OF BATEN, met uitzondering van de werkloosheidsuitkeringen
78. Wettelijke of extra-wettelijke vergoedingen betaald of toegekend als schadeloosstelling van een tijdelijke derving van bezoldigingen, winst of baten, bijvoorbeeld ingevolge ongeval, ziekte, invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
78.1. wanneer de vergoedingen door de werkgever, door de vennootschap of door hun tussenkomst worden
betaald of toegekend:
78.1.1. volgens de regels van nr. 53 gelet op de referentiebezoldiging, d.w.z. de normale jaarbezoldiging die
tot grondslag voor het berekenen van de schadeloosstelling heeft gediend;
vermindering) ;
78.2. wanneer die vergoedingen, zonder tussenkomst van de werkgever of vennootschap, door een verzekeringsinstelling of door een andere private of openbare instelling of door een andere tussenpersoon aan de verkrijger worden betaald: tegen het tarief van 11,11 pct. of 22,20 pct. (zonder vermindering) naargelang het gaat om wettelijke of om extra-wettelijke vergoedingen.
78.3. Afwijkingen inzake ziekte- en invaliditeitsuitkeringen
78.3.1. In afwijking van nr. 78.2 zijn wettelijke ziekte-uitkeringen die worden betaald of toegekend gedurende de eerste 6 maanden van een periode van primaire arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 87, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoôrdineerd op 14 juli 1994 en die aansluit op een periode van volledige of gedeeltelijke werkloosheid als bedoeld in nr. 79.1, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering). Deze afwijking is niet van toepassing op de toeslag als bedoeld in

Art. 9. Het tijdens het belastbare tijdperk in een bepaalde beroepswerkzaamheid geleden beroeps- verlies wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten uit de andere beroepswerk- zaamheden die gezamenlijk worden belast; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

Art. 10. De tijdens vorige belastbare tijdperken of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, latere belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen worden evenredig aangerekend op de overblijvende beroeps-inkomsten van de verschillende beroepswerkzaamheden die gezamenlijk worden belast; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

Art. 11. erkend als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die de rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.
artikel 29, § 2, 2°)

Art. 12.

Art. 12 is van toepassing vanaf 01.05.2019 op de erin vermelde vennootschappen vanaf de dag waarop de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die betrekking hebben op deze vennootschappen op hen van toepassing worden (art. 3, 1°, en 39, 2de lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

Art. 12 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 3, 2°, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


De vennootschappen erkend als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die de rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap mogen voor de rechtspersoonlijkheid en voor het stelsel van de vennootschapsbelasting kiezen wanneer zij op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie wordt uitgeoefend, tenminste 3 vennoten tellen en wanneer het kapitaal op diezelfde datum tenminste 30.950 euro bedraagt.​

Art. 13. De optie kan slechts geldig worden uitgeoefend indien de beslissing daartoe met eenparigheid van stemmen is genomen door de personen die op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben, vennoten waren en, in geval van overlijden van één hunner, door hun rechthebbenden.

Art. 14. Om het optierecht te kunnen uitoefenen, moet de vennootschap een afschrift van de in artikel 13 vermelde beslissing inzenden.
Dat document moet alle gegevens bevatten die voor het beoordelen van de geldigheid van de beslissing nodig zijn en moet worden ondertekend door alle personen die hebben medebeslist.
Het moet, op straffe van nietigheid, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap worden gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben.

Art. 15.

Art. 15 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 4, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Onverminderd de toepassing van artikel 16, is het optiestelsel onherroepelijk voor een cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken in de vennootschapsbelasting. Het wordt telkens ambtshalve hernieuwd voor een nieuwe cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken, behalve:

1° wanneer de in artikel 13 vermelde personen onder de daarin bepaalde voorwaarden een nieuwe beslissing treffen die een einde aan de optie maakt, en wanneer een afschrift van die beslissing, waarin alle voor de beoordeling van de geldigheid ervan nodige gegevens voorkomen, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap wordt gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie uitwerking heeft gehad; dat afschrift wordt ondertekend door alle personen die hebben medebeslist;

2° wanneer aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal vennoten en het bedrag van het kapitaal, op de datum van het verstrijken van het belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie laatst uitwerking heeft gehad, sinds ten minste 1 jaar niet meer is voldaan.

Art. 15/1. artikel 15/1 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ,terugbetalen, overschrijven naar een van de financiële rekeningen van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, om aan te rekenen op fiscale of niet-fiscale schulden, of overdragen naar het volgende belastbare tijdperk.

2° rembourser, transférer à un des comptes financiers relevant de l'administration du SPF Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, en vue d'apurer des dettes fiscales ou non-fiscales ou reporter pour la période imposable suivante les montants versés ou virés, conformément aux dispositions réglementaires prises en exécution de l'

Art. 16.

Art. 16 is van toepassing vanaf 01.05.2019 op de erin vermelde vennootschappen vanaf de dag waarop de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die betrekking hebben op deze vennootschappen op hen van toepassing worden (art. 5, en 39, 2de lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Ingeval de vennootschap niet langer erkend wordt als landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of de rechtsvorm van een besloten vennootschap of een coöperatieve vennootschap heeft aangenomen, neemt het optiestelsel ambtshalve een einde met ingang van het belastbaar tijdperk waarin de erkenning ophoudt of de nieuwe rechtsvorm is aangenomen. De vennootschap blijft aan de vennootschapsbelasting onderworpen.​

Art. 17. De belastbare brutobezoldiging van volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigde werknemers, mag niet minder bedragen dan de forfaitaire bezoldiging die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van de bijdragen welke die werknemers en hun werkgevers verschuldigd zijn ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid. ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers
artikelen 32/1, § 8, eerste lid, en 32/2, § 8, eerste lid)

Art. 17/1.

§ 1. De in artikel 32/1, § 8, eerste en tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvragen voor de toepassing en eventuele verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen worden ingediend aan de hand van de formulieren die op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking worden gesteld

§ 2. Het formulier voor de in artikel 32/1, § 8, eerste lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belasting- stelsel voor ingekomen belastingplichtigen wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever of de vennootschap die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de datum van de indiensttreding of terbeschikkingstelling in België;

4° het bedrag van de bruto jaarbezoldiging voor de in België geleverde prestaties evenals de berekening van die bezoldiging;

5° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belastingstelsel wordt gevraagd, een ingekomen belastingplichtige is als bedoeld in artikel 32/1, § 2, WIB 92;

6° een verklaring dat voldaan wordt aan de in artikel 32/1, § 3, eerste lid, 1° en 2°, WIB 92 vermelde voorwaarden; 7° de vermelding of de belastingplichtige in het verleden reeds heeft genoten van het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen of ingekomen onderzoekers en, desgevallend, de periode waarin dit het geval was;

8° een inventaris van de stukken die in bijlage bij de aanvraag worden gevoegd:
a) desgevallend, ter staving van het in 2° bedoelde mandaat;
b) desgevallend, met betrekking tot de berekening van de bruto bezoldiging;
c) tot staving van de in 5° en 6° bedoelde verklaringen;
d) in toepassing van artikel 32/1, § 8, derde lid, WIB 92 en, desgevallend, van artikel 240ter, eerste lid, WIB 92.

§ 3. Het formulier voor de in artikel 32/1, § 8, tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever of de vennootschap die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de einddatum van de eerste periode van vijfjarige activiteit in België;

4° de bevestiging dat aan de bruto inkomstenvoorwaarden van de jaar- bezoldiging is voldaan op het moment van de verlenging;

5° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel wordt gevraagd, een ingekomen belastingplichtige is als bedoeld in artikel 32/1, § 2, WIB 92; 6° in bijlage de stukken tot staving van de in 5° bedoelde verklaring.

§ 4. Er kan worden gevraagd dat de stukken die nodig zijn om de administratie in staat te stellen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing of verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen, verplicht bij de aanvraag worden gevoegd.
De modellen van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde formulieren worden vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen. Het in artikel 32/1, § 8, derde lid, WIB 92 bedoelde attest kan hierbij worden geïntegreerd in de formulieren.

Art. 17/2.

§ 1. De in artikel 32/2, § 8, eerste en tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvragen voor de toepassing en eventuele verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers worden ingediend aan de hand van de formulieren die op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking worden gesteld.

§ 2. Het formulier voor de in artikel 32/2, § 8, eerste lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de datum van indiensttreding of terbeschikkingstelling in België; 4° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie de aanvraag wordt gedaan een ingekomen onderzoeker is als bedoeld in artikel 32/2, § 2, WIB 92;

5° een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 32/2, § 3, eerste lid, 1°, WIB 92 vermelde voorwaarden;

6° de vermelding of de belastingplichtige in het verleden reeds heeft genoten van het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen of ingekomen onderzoekers en, desgevallend, de periode waarin dit het geval was;

7° een inventaris van de stukken die in bijlage bij de aanvraag worden gevoegd:
a) desgevallend, tot staving van het in 2° bedoelde mandaat;
b) tot staving van de in 4° en 5° bedoelde verklaringen;
c) in toepassing van artikel 32/2, § 8, derde lid, WIB 92 en, desgevallend, van artikel 240quater, eerste lid, WIB 92.

§ 3. Het formulier voor de in artikel 32/2, § 8, tweede lid, WIB 92 bedoelde aanvraag bevat de volgende gegevens en vermeldingen:

1° de gegevens die toelaten om de belastingplichtige voor wie het akkoord voor verlenging van de toepassing van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers wordt gevraagd, te identificeren;

2° de gegevens die toelaten om de werkgever die de aanvraag doet en, desgevallend, zijn mandataris, te identificeren;

3° de einddatum van de eerste periode van vijfjarige activiteit in België;

4° een verklaring dat de belastingplichtige voor wie de aanvraag voor verlenging wordt gedaan een ingekomen onderzoeker is als bedoeld in artikel 32/2, § 2, WIB 92; 5° in bijlage de stukken tot staving van de in 4° bedoelde verklaring.

§ 4. Er kan worden gevraagd dat de stukken die nodig zijn om de administratie in staat te stellen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing of verlenging van het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers, verplicht bij de aanvraag worden gevoegd.
De modellen van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde formulieren worden vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen. Het in artikel 32/2, § 8, derde lid, WIB 92 bedoelde attest kan hierbij worden geïntegreerd in de formulieren.
in geld verkregen voordelen van alle aard.
artikel 36, § 1, tweede lid)

Art. 18.

§ 1. De anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard en vermeld in de §§ 2 en 3, worden forfaitair geraamd volgens de in die paragrafen bepaalde regels.

§ 2. Voor de voordelen waarvan de waarde wordt vastgesteld door een sociale of economische reglementering, is de in aanmerking te nemen waarde gelijk aan de door die reglementering vastgestelde waarde.

§ 3. Bij gebrek aan een dergelijke sociale of economische reglementering, wordt met betrekking tot de hierna vermelde voordelen de in aanmerking te nemen waarde als volgt forfaitair vastgesteld :
1. Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet : a) Het voordeel wordt berekend op basis van het verschil tussen :
- eensdeels, de referentierentevoet die hierna per type van lening is aangegeven ;
- anderdeels, de rentevoet aan de ontlener aangerekend, de renteverlaging wegens kinderlast buiten beschouwing gelaten.
b) Voor hypothecaire leningen geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten :
In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte
1950 en/et 1951 1952 en/et 1953 1954 tot/à 1956 1957 1958 1959 en/et 1960 1961 en/et 1962 1963 1964 1965 en/et 1966 1967 1968 1969 1970 1971 1972 1973 In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte 1974 1975 1976 en/et 1977 1978 en/et 1979 1980 1981 1982 1983 1984 (tot/jusqu'au 31.5.1984) 1984 (vanaf/à partir du 1.6.1984) 10,75 1985 9,50 1986 7,50 1987 7,25 1988 7,25 1989 7,25 1990 9,50 1991 10,25 1992 9,25 1993 8 1994 7,25 1995 7 1996 6,50 1997 6,00 1998 5,75 1999 5,75 2000 5,75 2001 5,60 2002 5,75 2003 4,85 2004 4,95 2005 4,89 2006 4,94 In aanmerking te nemen referentierentevoet Taux d'intérêt de référence à prendre en considération Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is Année au cours de laquelle le gewaarborgd contrat de prêt est conclu Prêts dont le remboursement est garanti par une assurance-vie mixte 2007 5,46 2008 5,58 2009 5,19 2010 4,69 2011 5,14 2012 4,63 2013 4,45 2014 4,16 2015 2,47 2016 1,65 2017 2,13 2018 1,80 2019 1,70 2020 1,41 2021 1,34 2022 1,77 2023 2024 2025
In afwijking van het vorige lid wordt de in aanmerking te nemen referentierentevoet vastgesteld :

1° wat de in 1980, 1981, 1982 en 1983 en in 1984 tot 31 mei 1984 toegestane hypothecaire leningen betreft : op 9 %, behalve voor de eerste schijf van 37.184,03 EUR, vrijgesteld krachtens artikel 41, § 3, van de wet van 31 juli 1984 ;

2° wat de vanaf 1 juni 1984 tot 31 december 1985 toegestane hypothecaire leningen betreft :
- op 8 %, wanneer de terugbetaling ervan gewaarborgd is door een gemengde levensverzekering ;
- op 9 % in de andere gevallen.

3° wat de vanaf 1 januari 1995 toegestane hypothecaire leningen betreft waarin overeenkomstig artikel 9 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet een veranderlijke rentevoet is bedongen : op de referteïndex die slaat op de oorspronkelijke rentevoet en die in de vestigingsakte van de lening is vermeld ; bij elke latere aanpassing van de rentevoet van de lening is de referentierentevoet gelijk aan de referteïndex die volgens de bepalingen van voormelde vestigingsakte voor die aanpassing in aanmerking moet worden genomen ;
De lijst van de in het vorige lid vermelde referteïndexen, welke maandelijks door toedoen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, is opgenomen onder afdeling I van bijlage I.
c) Voor niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd geldt de referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst gesloten is en wordt die referentierentevoet vastgesteld :

1° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is tijdens de jaren 1981 tot 1984 en een looptijd heeft van meer dan 60 maanden :
- ofwel op 60 % van het maandelijkse lastenpercentage zoals dit percentage, rekening houdend met het bedrag van de lening, voor het betreffende jaar blijkt uit de tabel van bijlage I van dit besluit ; - ofwel op 60 % van het reële jaarlijkse lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de in 2°, tweede gedachtenstreep, vermelde formule ;

2° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is na 31 december 1984 :
- ofwel op basis van het hierna voor het betreffende jaar aangegeven maandelijks lastenpercentage, waarbij voor de vanaf 1 januari 1986 gesloten leningen onderscheid wordt gemaakt tussen de leningen gesloten om de aankoop van een wagen te financieren en de andere :
Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen om de aankoop van een Année au cours de laquelle le contrat wagen te financieren de prêt est conclu Prêts en vue de financer l'acquisition d'une voiture 1985 0,62 1986 0,44 1987 0,40 1988 0,38 1989 0,38 1990 0,45 1991 0,55 1992 0,46 1993 0,42 1994 0,40 1995 0,35 1996 0,30 1997 0,25 1998 0,25 Jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten Leningen om de aankoop van een Année au cours de laquelle le contrat wagen te financieren de prêt est conclu Prêts en vue de financer l'acquisition d'une voiture 1999 0,23 2000 0,28 2001 0,26 2002 0,26 2003 0,26 2004 0,23 2005 0,22 2006 0,21 2007 0,24 2008 0,25 2009 0,22 2010 0,20 2011 0,17 2012 0,14 2013 0,12 2014 0,10 2015 0,09 2016 0,06 2017 0,06 2018 0,05 2019 0,04 2020 0,04 2021 0,05 2022 0,06 2023 0,25 2024 0,28 2025 0,26 - ofwel, voor de leningsovereenkomst gesloten tot 31 december 2022, op basis van het reële jaarlijks lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de formule :
I = p x 24 x n n + 1
waarin : i = reëel jaarlijks lastenpercentage p = maandelijks lastenpercentage n = terugbetalingstermijn in maanden - ofwel, voor de leningsovereenkomst gesloten vanaf 1 januari 2023, op basis van het reële jaarlijks lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de formule:
I = (1 + p)12 - 1 waarin: i = reëel jaarlijks lastenpercentage; p = maandelijks lastenpercentage."; d) Voor niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt :
Jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt Année au cours de laquelle l’emprunteur a disposé des sommes empruntées
1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 Jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt Année au cours de laquelle l’emprunteur a disposé des sommes empruntées 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
e) De ontlener wordt geacht het voordeel te verkrijgen :

1° wat de hypothecaire leningen en de niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd betreft die periodiek worden afgelost : bij elke aflossing ; het voordeel wordt dan telkens berekend op het vóór de aflossing nog terug te betalen kapitaal ;

2° wat de in 1° vermelde leningen betreft waarvan het kapitaal ineens wordt terugbetaald op het einde van de looptijd van de lening : bij elke rentevervaldag indien de lening tegen verminderde rentevoet is toegestaan en bij het einde van elke kalendermaand indien de lening renteloos is toegestaan ; het voordeel wordt in deze gevallen telkens berekend op het aanvangsbedrag van de lening ;

3° wat de niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd betreft : bij het einde van elke kalendermaand waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt ; het voordeel wordt dan per maand berekend volgens de gemiddelde stand van de lening.
2. Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/90 van het kadastrale inkomen van ongebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan.
Voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het kadastrale inkomen, vermenigvuldigd met 2.
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet, bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt. (1)
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt, behalve voor de beoordeling van de in het tweede lid vermelde grens van 745 EUR, het kadastrale inkomen in aanmerking genomen nadat het is geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
3. Kosteloze beschikking over één enkele kamer :
Het voordeel (huisvesting, verwarming, verlichting) wordt vastgesteld op 0,74 EUR per dag of 266,40 EUR per jaar.
4. Kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming :
Het voordeel van de kosteloze verstrekking van verwarming en/of van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming wordt enkel forfaitair geraamd op het overeenkomstig het tweede en derde lid bepaalde bedrag wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, ter beschikking stelt.
In het in het eerste lid bedoelde geval wordt het voordeel geraamd op:
a) wanneer het wordt verleend aan leidinggevend personeel en bedrijfsleiders :
- verwarming : 1.245 EUR per jaar ;
- elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : 620 EUR per jaar ;
b) wanneer het wordt verleend aan andere verkrijgers :
- verwarming : 560 EUR per jaar ;
- elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : 280 EUR per jaar.
De in het tweede lid vermelde bedragen worden jaarlijks overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2° en § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
5. Kosteloze beschikking over dienstboden, huispersoneel, hoveniers, chauffeurs, enz.
Het jaarlijkse voordeel wordt geraamd op 5.950 EUR per werkman, dienstmeisje, werkster, enz., die voltijds tewerkgesteld zijn.
6. Voordelen verkregen door huispersoneel :
De waarde van de voordelen wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de voordelen
Nature des avantages
Eerste maaltijd (ontbijt) Premier repas (déjeuner)
Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd) Deuxième repas (repas principal)
Derde maaltijd (avondmaal) Troisième repas (souper)
Huisvesting, verwarming, verlichting Logement, chauffage, éclairage
Totaal Total De forfaitaire raming van de huisvesting, verwarming, verlichting geldt evenwel slechts voor het huispersoneel dat over één enkele kamer beschikt.
Wanneer de belanghebbenden het genot hebben van verscheidene woonvertrekken, wordt het voordeel vastgesteld zoals bepaald sub 2 en 4.
7. Kosteloze verstrekking van voeding aan zeelieden en aan bouwvakarbeiders wegens de verwijdering van de werf :
Het voordeel wordt forfaitair op 2,48 EUR per dag effectieve vaart of per effectieve werkdag geraamd.
8. Kosteloze verstrekking van sociale maaltijden :
Voor de maaltijden die kosteloos worden verstrekt, dienen de sub 6 vermelde bedragen als
9. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
De referentie-CO2-uitstoot wordt jaarlijks vastgesteld zoals in de volgende tabel is aangegeven: Referentie-CO2-uitstoot
Emission de référence-CO2
Voertuigen met een benzine-, LPG- Kalenderjaar of aardgasmotor Année civile Véhicules à moteur alimenté à l'essence, au LPG ou au gaz naturel
2012 115 g/km
2013 116 g/km
2014 112 g/km
2015 110 g/km
2016 107 g/km
2017 105 g/km
2018 105 g/km
2019 107 g/km
2020 111 g/km
2021 102 g/km
2022 91 g/km
2023 82 g/km
2024 78 g/km
2025 71 g/km
2026 70 g/km
10. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC, tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op :
- 72 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC; - 36 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld tablet of een mobiele telefoon;
- 60 EUR per jaar voor de kosteloos ter beschikking gestelde internetaansluiting, ongeacht of het vaste aansluiting is of een mobiele en ongeacht het aantal toestellen dat gebruik kan maken van die internetaansluiting;
- 48 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement.

§ 4. In de gevallen als vermeld in § 3, punten 2 tot 10, en wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, is het in aanmerking te nemen voordeel datgene dat overeenkomstig § 3, punten 2 tot 10, is vastgesteld verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel.
artikelen 36, § 2, elfde lid, en 66, § 1, vijfde lid)

Art. 19. Als overeenstemmend voertuig bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangemerkt het voertuig dat, op basis van het Europees gelijkvormigheidsattest, categoriseert onder:
Vanaf 1 januari 2026, luidt artikel 19, 1e lid, als volgt :
Als overeenstemmend voertuig bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, 66, § 1, derde lid, en 550, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangemerkt het voertuig dat, op basis van het Europees gelijkvormigheidsattest, categoriseert onder:
- hetzelfde merk; - hetzelfde model;
- hetzelfde koetswerktype;
- en waarvan de verhouding tussen zijn vermogen, uitgedrukt in kW, en het vermogen van het hybride voertuig, uitgedrukt in kW, het dichtst de één benadert, op voorwaarde dat deze begrepen is tussen 0,75 en 1,25.
In de veronderstelling dat meerdere voertuigen in aanmerking komen om als overeenstemmend voertuig gekwalificeerd te worden, wordt het voertuig met de hoogste CO2- uitstoot als overeenstemmend voertuig in aanmerking genomen.
De fabrikant die in het Rijk gevestigd is, of bij gebreke hiervan de auto-invoerder, moet het overeenstemmend voertuig van ieder hybride voertuig zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepalen en deze informatie, alsook alle hierbij noodzakelijk gebleken technische gegevens aan de FOD Financiën doen toekomen bij de marktintroductie van een voormeld hybride voertuig. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt welke technische gegevens, alsook de wijze waarop die technische gegevens bij de FOD Financiën moeten toekomen.
Het overeenstemmend voertuig wordt bepaald op het moment van de marktintroductie van het hybride voertuig zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De lijst met de overeenstemmende voertuigen voor de verschillende hybride voertuigen zoals bedoeld in de artikelen 36, § 2, negende lid, en 66, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt bekendgemaakt op de webstek van de FOD Financiën.
VIII/1. - Sociale en culturele vrijstellingen als bedoeld in artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 19/1. In uitvoering van artikel 38, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, van dat Wetboek vermelde bedrag op 0,178 euro per kilometer gebracht voor de vergoedingen die vanaf 1 januari 2024 worden toegekend.

Art. 19/2. In uitvoering van artikel 38, § 5/1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt de in artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van het voormelde Wetboek bedoelde vrijstelling van toepassing gemaakt op de bezoldigingen voor prestaties door werknemers die onder het toepassingsgebied van de flexi-jobregeling worden gebracht door de hierna vermelde artikelen van het koninklijk besluit van 18 april 2024 tot uitvoering van artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, met betrekking tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs:
- artikel 1/1, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 31 januari 2025;
- artikel 2;
- artikel 2/1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 2024
gerealiseerd op bepaalde bedrijfsvoertuigen

Art. 20.

§ 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging beantwoorden aan de volgende ecologische normen : 1° wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering ;

2° wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn ;

3° wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan één van de volgende alternatieve voorwaarden :
a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh ;
b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering ;
c) het voertuig is voor minstens 25 % uit recycleerbare materialen opgebouwd ;
d) het koetswerk van het voertuig is gespoten in een niet-milieubelastende laklaag ;
e) het voertuig maakt voor de transmissie gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak ;
f) het voertuig is uitgerust met een dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder ;
g) in het geval van autocars en autobussen zijn alle zetels voorzien van veiligheidsgordels ; 4° wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn.

§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3°, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

§ 3. De in de eerste paragraaf vastgestelde ecologische normen moeten verantwoord worden door bewijsstukken afgeleverd door de constructeur, invoerder of installateur.
meerwaarden gerealiseerd op bepaalde binnenvaartuigen
artikel 44ter, § 2, 1°)

Art. 21.

§ 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart als bedoeld in artikel 44ter van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling verkrijgen waarin dat artikel voorziet, moeten de binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart die zijn verkregen via herbelegging, beantwoorden aan één van de volgende ecologische normen :

1° het binnenschip is uitgerust met een typegoedgekeurde voortstuwingsmotor conform het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen of het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende normen inzake verontreinigende gasvormige en deeltjesemissies van inwendige verbrandingsmotoren voor mobiele niet voor de weg bestemde machines ;

2° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire technische inrichting ter voorkoming van het uitstromen van brandstof aan boord bij het vullen van de brandstoftanks ; 3° het binnenschip is uitgerust met een actieve boegbesturing, bedienbaar vanuit het stuurhuis ;

4° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire radar en een éénmans- radarstuurstand ;

5° het binnenschip is uitgerust met een schroefasafdichting die het instromen van water of smeermiddelen in het schip onmogelijk maakt en het uitstromen van waterverontreinigende smeermiddelen vermijdt ;

6° het binnenschip is zodanig gebouwd of aangepast dat de bodem en de wanden van de ruimen bestaan uit gladde stalen oppervlakten, waarbij de spanten zich niet in het ruim bevinden.

§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in § 1 een verplichte norm wordt, moet het binnenschip aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

§ 3. De in § 1 vastgestelde ecologische normen moeten worden verantwoord door een vermelding ervan in de verplichte technische certificaten of door een verklaring van een klasseringmaatschappij.
belastingvrijstelling van waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten.
artikel 48)

Art. 22.

§ 1. Uit de winst van het krachtens artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, onder de voorwaarden die hierna volgen :

1° de verliezen, ter bestrijding waarvan die waardeverminderingen bestemd zijn, moeten uiteraard als beroepsverliezen aftrekbaar zijn en uitsluitend betrekking hebben op niet in obligaties of andere gelijkaardige effecten op naam of aan toonder of gedematerialiseerde effecten verdeelde vorderingen ;

2° die verliezen moeten scherp omschreven zijn en de waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere tijdens het belastbare tijdperk voorgekomen en op het einde daarvan nog bestaande omstandigheden, en niet uit een louter algemeen risico ;

3° de waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in een of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen ;

4° het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, moet per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld ; die staat moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte worden gevoegd ;

5° ...

6° ...

§ 2. ...

§ 3. ...

Art. 23. Werkelijk geleden verliezen op de vordering, waarop een overeenkomstig artikel 22 geboekte waardevermindering betrekking heeft, moeten op die waardevermindering worden aangerekend wanneer zij uit fiscaal oogpunt definitief aanneembaar worden.
Vrijgestelde waardeverminderingen op vorderingen die niet meer aan de in artikel 22 gestelde voorwaarden beantwoorden moeten worden teruggenomen.

Art. 24. Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer :

1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ;

2° de voorzieningen voldoen aan de voorwaarden die in artikel 22, § 1, 3° en 4°, ten aanzien van waardeverminderingen gesteld zijn.

Art. 25. Voor de toepassing van artikel 24 worden geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die het gevolg zijn van de in dat tijdperk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of van alsdan voorgekomen gebeurtenissen, of die bij voorbaat gedekt zijn door tijdens hetzelfde tijdperk verkregen vergoedingen wegens schadegevallen, onteigeningen, opeisingen in eigendom of andere gelijkaardige gebeurtenissen, of die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, betrekking hebben op grote herstellingen aan gebouwen, materieel en outillage die periodiek met regelmatige tussenpozen van niet meer dan 10 jaar worden uitgevoerd, met uitsluiting van enige vernieuwing.
Worden eveneens geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, inherent zijn aan de ontmanteling van kerncentrales en aan de ontsmetting van de vestigingsplaatsen ervan.

Art. 26. De kosten waarop een overeenkomstig artikel 24 aangelegde voorziening betrekking heeft, moeten op die voorziening worden afgeboekt op het ogenblik dat zij werkelijk worden gedragen.

Art. 27. De vrijstelling van elke in de artikelen 22 tot 26 vermelde waardevermindering of voorziening blijft behouden zolang de belastingplichtige aantoont dat het verlies of de kost waaraan die waardevermindering of voorziening beantwoordt, waarschijnlijk blijft ; bij gebrek aan verantwoording bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk wordt de waardevermindering of voorziening als een winst van dat tijdperk beschouwd.
voortvloeit uit minderwaarden die zijn opgetekend ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan of ten gevolge van de vaststelling van een minnelijk akkoord.
artikel 48/1)

Art. 27/1.

§ 1. De in artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling is van toepassing voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de belastingplichtige een afschrift overlegt van het in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakte vonnis dat in uitvoering van artikel XX.79 van het Wetboek van economisch recht, het reorganisatieplan homologeert of dat in uitvoering van artikel XX.65 van het Wetboek van economisch recht het minnelijk akkoord vaststelt en hij aantoont dat dit plan of dit akkoord volledig is uitgevoerd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de in artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling van toepassing voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het vonnis dat in uitvoering van de artikelen XX.65 of XX.79 van hetzelfde het Wetboek van economisch recht in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt en wordt die vrijstelling behouden voor de volgende aanslagjaren voor zover :

1° de vrijgestelde winst geboekt is en blijft op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans tot op de datum waarop het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd;

2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag voor de berekening van enige beloning of toekenning dient tot op de datum waarop het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd;

3° de belastingplichtige die aanspraak maakt op de vrijstelling, een afschrift van het in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakte desbetreffend vonnis overlegt;

4° de belastingplichtige die voor enig belastbare tijdperk aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waaruit blijkt dat het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord nog niet volledig is uitgevoerd en nog steeds wordt nageleefd bij het afsluiten van het desbetreffende belastbare tijdperk.
Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk.
De sommen die overeenkomstig het eerste lid tijdelijk zijn vrijgesteld, zijn definitief vrijgesteld onder de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd.

§ 3. De in paragraaf 1 en in paragraaf 2, eerste lid, 3° en 4°, bedoelde documenten moeten worden toegevoegd aan de in artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingplichtige de vrijstelling wenst te bekomen of te behouden. beroepskosten ten gevolge van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.
artikel 51, vierde lid)

Art. 28. Het in artikel 51, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedrag wordt vastgesteld op respectievelijk 75 EUR, 125 EUR of 175 EUR, naargelang de afstand tussen de woonplaats van de belastingplichtige en de plaats van zijn tewerkstelling op 1 januari van het aanslagjaar 75 km tot 100 km, 101 km tot 125 km of meer dan 125 km bedraagt.

Art. 30.

§ 1. Bij het einde van elk jaar moeten de schuldenaars van de in artikel 57, eerste lid, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten voor iedere verkrijger van inkomsten, waarvan de inkomsten de 250 euro per jaar overschrijden, langs elektronische weg de fiches en samenvattende opgave waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde. Bij het einde van elk jaar moeten de schuldenaars van de in artikel 57, eerste lid, 4° van hetzelfde Wetboek vermelde inkomsten voor iedere verkrijger ervan langs elektronische weg de fiches waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. De in § 1 bedoelde schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde fiches namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze fiches geschieden op papier of op elektronische informatiedrager.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de fiches vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot hun indiening.

§ 3. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde schuldenaars moeten de fiches vóór 30 juni van het jaar na dat waarop deze documenten betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst.
De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde schuldenaars moeten de fiches vóór 1 maart van het jaar na dat waarop deze documenten betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst.

Art. 30bis. artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
- soit la déclaration à l'Office national de sécurité sociale a été faite conformément à l'

Art. 31. De in artikel 30 bedoelde schuldenaars die ingevolge de vrijstelling van § 2 van dat artikel de fiches op papier indienen, kunnen kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze fiches aanvragen.
Deze schuldenaars mogen bovendien exemplaren gebruiken die afwijken van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen, op voorwaarde dat deze exemplaren al dezelfde vermeldingen bevatten en van hetzelfde formaat zijn als de modellen.

Art. 32. De individuele fiches met betrekking tot de in artikel 57, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten zijn die waarvan in de artikelen 92 en 93 sprake is.

Art. 33. De in artikel 57, eerste lid, 3° en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten moeten worden vermeld in de daartoe voorziene rubriek van de individuele fiches waarvan in artikel 32 sprake is.
bedoeld in artikel 52, 3°, b
artikel 59, § 1, 4° en § 5)

Art. 34.

Art. 34, het opschrift van afdeling XIII is van toepassing op de bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01.01.2004 en op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die zijn betaald vanaf 01.01.2004 (art. 1, KB 01.03.2005 - B.S. 09.03.2005; Numac: 2005003087)


Voor de toepassing van de artikelen 52, 3°, b en 5°, en 59, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van deze afdeling, wordt verstaan:

1° onder normale brutojaarbezoldiging: het totale brutobedrag van al de sommen die, vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut, aan de werknemer anders dan uitzonderlijk of toevallig toegekend of betaald zijn gedurende een bepaald jaar;

2° onder laatste normale brutojaarbezoldiging: de brutojaarbezoldiging die gelet op de vorige bezoldigingen van de werknemer als normaal kan worden beschouwd en die hem betaald of toegekend werd gedurende het laatste jaar vóór zijn oppensioenstelling waarin hij een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad;

3° onder normale duur van een beroepswerkzaamheid: 40 jaar of, voor beroepen waarvoor de betrokken werkgever en werknemer aantonen dat de volledige loopbaan minder of meer dan 40 jaar bestrijkt, het aantal jaren van die volledige loopbaan.

Art. 35.

Art. 35 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 6, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden:

1° die werkgeversbijdragen en -premies moeten worden gestort aan een verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of aan een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde inrichting van een dergelijke onderneming of instelling met voornaamste inrichting buiten de Europese Economische Ruimte;

2° die bijdragen en premies moeten betaald worden ter uitvoering van:

- ofwel een reglement van groepsverzekering dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke reglementen;

- ofwel een verzekeringscontract betreffende de toekenning van extra-wettelijke voordelen aan werknemers bedoeld bij de reglementering inzake het rust- en overlevingspensioen der werknemers;

- ofwel het reglement van een pensioenfonds opgericht ten bate van het personeel van de onderneming en ingeschreven op de Controledienst voor de Verzekeringen of erkend bij koninklijk besluit;

- ofwel een aanvullende pensioentoezegging die beantwoordt aan de voorwaarden die zijn gesteld door de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;

- ofwel een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;

3° de persoonlijke bijdragen en premies vermeld in artikel 1451, 1°, van hetzelfde Wetboek, die door de werkgever op de bezoldigingen van de werknemer zijn ingehouden, moeten jaarlijks worden ingeschreven op de individuele loonfiches vermeld in artikel 92, § 1, onder een afzonderlijke rubriek, met vermelding van de naam en het adres van de onderneming of instelling waaraan ze zijn gestort;

4° (...)

5° de overdraagbaarheidscoëfficiënt van de toekenningen waarin de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen voorzien ten gunste van de langstlevende echtgenoot, mag niet meer bedragen dan 80 %.

§ 2. De werkgeversbijdragen en -premies vermeld in § 1 mogen slechts als beroepskosten worden afgetrokken tijdens de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en voor zover per werknemer die bijdragen en premies, verhoogd met de persoonlijke bijdragen en premies genoemd in artikel 1451, 1°, van hetzelfde Wetboek:

1° jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen die verschuldigd zijn krachtens het reglement van groepsverzekering, het verzekeringscontract, het pensioenreglement, de aanvullende pensioentoezegging of de solidariteitstoezegging en die, wat de collectieve toezeggingen betreft, op eenzelfde en niet discriminerende wijze voor het gehele personeel van de onderneming of voor een bijzondere categorie van dat personeel toegankelijk zijn;

2° recht geven op toekenningen, winstdeelnemingen inbegrepen, waarvan het bedrag, in jaarlijkse lijfrente of omgezet in jaarlijkse lijfrente, verhoogd met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 % van de normale jaarlijkse brutobezoldiging van de werknemer tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid.

§ 3. Voor werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, mag in de teller van de in § 2, 2°, bedoelde breuk rekening gehouden worden met een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat de in § 2, 2°, bedoelde toekenningen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen totaal aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft. In een dergelijk geval moeten de in § 1, 2°, bedoelde reglementen, contracten, aanvullende pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen bovendien uitdrukkelijk vermelden onder welke voorwaarden dergelijke bijdragen en premies worden toegekend.

Om na te gaan of de in § 2, 2°, bepaalde begrenzing in acht genomen is, moeten toekenningen in kapitaal in rente worden omgezet met de gegevens van de volgende tabel, zo nodig aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang.

Tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of indexering van de rente, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro.
Leeftijd bij de aanvang van de renteKapitaal in frank nodig voor een jaarrente van 1 euro
40 jaar en minder17,7063
41 jaar17,5247
42 jaar17,3371
43 jaar17,1434
44 jaar16,9436
45 jaar16,7376
46 jaar16,5254
47 jaar16,3069
48 jaar16,0821
49 jaar15,8510
50 jaar15,6137
51 jaar15,3701
52 jaar15,1203
53 jaar14,8644
54 jaar14,6025
55 jaar14,3347
56 jaar14,0612
57 jaar13,7820
58 jaar13,4974
59 jaar13,2077
60 jaar12,9130
61 jaar12,6137
62 jaar12,3100
63 jaar12,0023
64 jaar11,6908
65 jaar en meer11,3761

​§ 4. De in § 2, 2°, bepaalde grens geldt niet voor bijdragen of premies die gestort zijn om een verhoging toe te staan van de lopende renten, zonder dat die verhoging meer bedraagt dan die welke wordt verkregen door de renten te indexeren overeenkomstig de regeling die geldt voor de indexering van de pensioenen van de overheidssector.

§ 5. De verzekeringsondernemingen, de voorzorgsinstellingen of de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen leveren op basis van de door de belastingplichtige meegedeelde gegevens een attest af bij de onderschrijving en bij elke wijziging van de in § 1, 2° vermelde contracten waaruit blijkt dat de wettelijke en extrawettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten en berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid, overeenkomstig artikel 59 van hetzelfde Wetboek, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale bruto jaarbezoldiging.

Verder leveren de in het eerste lid bedoelde ondernemingen en instellingen tevens een attest af telkens wanneer de hiervoor bedoelde begrenzing tot 80 % wordt overschreden.

Het model van het in het eerste en tweede lid bedoelde attest wordt door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgesteld.

§ 6. De werkgever levert uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de in § 2, 1°, vermelde contracten, reglementen of toezeggingen in werking treden, een informatiefiche af waarvan het model is vastgelegd door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde. Die informatiefiche bevat alle gegevens met betrekking tot de in § 1, 2°, vermelde aanvullende pensioenstelsels die aanleiding geven tot een fiscale aftrek of belastingvermindering in de zin van de artikelen 52, 3°, b, 59, 60, 1451, 1° en 1453 van hetzelfde Wetboek.​

Art. 36. Wanneer een belastingplichtige die onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet- inwoners, gekozen heeft voor het stelsel van degressieve afschrijving vermeld in artikel 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuïteit met betrekking tot elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die als beroepskost aanneembaar is, bepaald :

1° voor het belastbare tijdperk dat loopt op de datum van het verkrijgen of tot stand brengen van die vaste activa, door, ongeacht die datum, op de aanschaffings- of beleggingswaarde een percent toe te passen dat niet meer bedraagt dan tweemaal het met de normale gebruiksduur van dezelfde vaste activa overeenstemmende lineaire afschrijvingspercent ;

2° voor ieder volgend belastbaar tijdperk, door het overeenkomstig 1° vastgestelde percent toe te passen op de residuwaarde van de voormelde vaste activa, met andere woorden op de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de tot op het einde van het vorige belastbare tijdperk gedane en aangenomen afschrijvingen.

Art. 37. Voor de toepassing van artikel 36 wordt het lineaire afschrijvingspercent verkregen door het cijfer 100 te delen door het aantal jaren normale gebruiksduur van de afschrijfbare vaste activa. De lineaire afschrijvingsannuïteit is die welke tegen dat percent op de aanschaffings- of beleggingswaarde berekend is.

Art. 38. Met ingang van het belastbare tijdperk waarin de op een groep vaste activa toepasselijke degressieve afschrijvingsannuïteit de lineaire afschrijvingsannuïteit niet meer overtreft, heeft de belastingplichtige de mogelijkheid, tot wanneer de aanschaffings- of beleggingswaarde is bereikt, jaarlijks een lineaire toe te passen berekend overeenkomstig artikel 37.

Art. 39. Afschrijvingstekorten die voor enig belastbaar tijdperk betrekking hebben op een aan degressieve afschrijving onderworpen groep vaste activa, kunnen worden gecompenseerd door aanwending van voorheen belaste afschrijvingsexcedenten die op dezelfde groep vaste activa betrekking hebben.

Art. 40. Afschrijvingstekorten die tijdens de normale gebruiksduur niet zijn gecompenseerd op de in artikel 39 bepaalde wijze, kunnen na het verstrijken van die duur worden gecompenseerd door een of meer jaarlijkse afschrijvingen te doen die niet meer mogen bedragen dan de overeenkomstig artikel 37 berekende lineaire afschrijving.

Art. 41. Belastingplichtigen die het stelsel van degressieve afschrijving kiezen voor tijdens enig belastbaar tijdperk verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, moeten die keuze aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied betekenen binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de personenbelasting, de vennootschaps- belasting of de belasting van niet-inwoners over dat tijdperk ; de betekening moet bij de aangifte worden gevoegd en vergezeld gaan van een opgave waarin voor elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard die tijdens gezegd tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht, de volgende vermeldingen moeten voorkomen :

1° de aard van de verschillende aldus gegroepeerde vaste activa ; 2° hun aanschaffings- of beleggingswaarde ;

3° hun normale vermoedelijke gebruiksduur ;

4° het degressieve afschrijvingspercent.

Art. 42. De uitgedrukte keuze is onherroepelijk ten aanzien van elke groep vaste activa die tijdens het in artikel 41 vermelde belastbare tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht ; hetzelfde geldt met betrekking tot de groepen naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die tijdens de daaropvolgende belastbare tijdperken zijn verkregen of tot stand gebracht, behalve wanneer de belastingplichtige vóór het verstrijken van een van die tijdperken aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied zijn beslissing betekent dat hij van degressieve afschrijving afziet met betrekking tot alle groepen of tot een wel bepaald gedeelte van de bedoelde groepen vaste activa die met ingang van hetzelfde tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht.
Deze verzaking blijft geldig zolang de belastingplichtige geen nieuwe keuze betekent in de vorm en binnen de termijnen bepaald in artikel 41.

Art. 43. Het keuzestelsel van degressieve afschrijving is niet van toepassing op de volgende vaste activa :

1° personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen, behoudens wanneer het voertuigen betreft die uitsluitend worden gebruikt voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen zijn vrijgesteld ;

2° vaste activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan door de belastingplichtige die de vaste activa afschrijft.
tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling
artikel 66bis, tweede en vierde lid)

Art. 44ter. artikel 44ter van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling verkrijgen waarin dat artikel voorziet, moeten de binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart die zijn verkregen via herbelegging, beantwoorden aan één van de volgende ecologische normen :

§ 1er. Pour que les plus-values réalisées sur des bateaux d'intérieur destinés à la navigation commerciale visées à l'

Art. 45.

§ 1. …

§ 2. Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1 en 2, 211, § 1 en 214, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, zijn de bepalingen van artikel 67 van voormeld Wetboek, van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.

§ 3. Er wordt voor de toepassing van artikel 67, § 1 van hetzelfde Wetboek, geen rekening gehouden met de tewerkstelling die het gevolg is van een overname van personeelsleden die voorheen waren tewerkgesteld door een belastingplichtige hetzij waarmee de onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, hetzij waarvan zij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 2.

Art. 46.

§ 1. Voor elk van de belastbare tijdperken waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, moeten de belastingplichtigen aan hun aangifte in de inkomstenbelastingen, per soort van vrijstelling, een nominatieve opgave toevoegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd.

§ 2. …

§ 3. Betreffende de betrekking van diensthoofd voor de uitvoer, moeten de belastingplichtigen voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken van het Agentschap voor Buitenlandse Handel, waarvan het model en de toeken- ningsvoorwaarden worden vastgelegd door de Minister die de Buitenlandse Handel onder zijn bevoegdheid heeft.

§ 4. Betreffende de betrekking van diensthoofd van de dienst Integrale kwaliteitszorg, moeten de belastingplichtigen, voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken, hetzij van de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft of van zijn gedelegeerde, hetzij van de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft of van zijn gedelegeerde voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers. Het model en de toekenningsvoorwaarden van het attest worden door de voormelde ministers vastgelegd.

§ 5. De in §§ 3 en 4 bedoelde attesten, moeten bij de bevoegde Minister of dienst op straffe van verval worden aangevraagd binnen de drie maanden te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbare tijdperk. De belastingplichtigen moeten deze attesten voorleggen, hetzij tot staving van hun aangifte in de inkomstenbelastingen, hetzij, zo dit niet mogelijk is, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van verzending van deze attesten.
artikel 67bis, tweede lid)

Art. 46bis. Om de in artikel 67bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling te kunnen verkrijgen, moeten de belastingplichtigen de volgende documenten ter beschikking van de administratie houden :

1° het bewijs dat zij gedurende het belastbare tijdperk voor elke tewerkgestelde stagiair een stagebonus hebben verkregen ;

2° een nominatieve lijst van de tewerkgestelde stagiaires met, voor elke stagiair, vermelding van :
- de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer ;
- de bruto belastbare bezoldigingen die aan de stagiairs zijn betaald of toegekend, met inbegrip van de wettelijke sociale lasten, de werkgeversbijdragen en premies alsmede de andere sociale bijdragen verschuldigd krachtens contractuele verplichtingen.
eenheidsstatuut
artikel 67quater)

Art. 46quater. Om de in artikel 67quater, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde vrijstelling te kunnen verkrijgen, moet de belastingplichtige jaarlijks langs elektronische weg volgens de door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde vastgestelde modaliteiten (1), de nominatieve lijst van de tewerkgestelde werknemers voorleggen, alsook voor elke werknemer:
- de volledige identiteit alsmede het nationaal nummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
- de datum van indiensttreding;
- de anciënniteit verworven binnen het eenheidsstatuut;
- het bedrag van de vrijstelling;
- in voorkomend geval, de datum van de einddatum van de arbeidsovereenkomst;
- in voorkomend geval, het bedrag dat, overeenkomstig artikel 67quater, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, is opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk;
- de bruto belastbare bezoldigingen die aan de werknemer zijn betaald of toegekend met inbegrip van de sociale werknemers- bijdragen, in voorkomend geval te beperken tot het bedrag vastgelegd in artikel 46ter.


(1) MB 24.06.2019 - BS 04.07.2019
artikelen 69, § 2, derde lid en 77)

Art. 46ter.

​Art. 46ter, tweede lid, treedt in werking op 01.01.2019 (art. 1 en 2, KB 04.04.2019 - B.S. 18.04.2019; Numac: 2019011851​)


Het maximumbedrag van de in artikel 67quater, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bezoldiging wordt bepaald op:

- 100 % van de schijf van 0,01 euro tot 1.500,00 euro;

- 30 % van de schijf van 1.500,01 euro tot 2.600,00 euro.

Het aldus vastgestelde maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer kan, in overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, vanaf 2018 worden aangepast, rekening houdend met de gezondheidsindex, de evolutie van de lonen en de eventuele wijzigingen van de fiscale wetgeving, en met dien verstande dat de jaarlijkse maximum kost 50 miljoen euro in 2019, 100 miljoen euro in 2020, 150 miljoen euro in 2021, 200 miljoen euro in 2022 en 250 miljoen euro vanaf 2023 zal zijn.

Om binnen de in het tweede lid genoemde enveloppe te blijven, die vanaf 2020 wordt geïndexeerd, wordt zo nodig de coëfficiënt van 30 % aangepast. Met het oog op die indexatie wordt de genoemde enveloppe gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van januari 2019. Het geïndexeerde bedrag van de enveloppe wordt afgerond op het hoger of lager veelvoud van een miljoen euro naargelang het cijfer van de honderdduizendtallen al dan niet 5 bereikt.

Deze coëfficiënt zal jaarlijks na overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties door Ons worden bepaald.​

Art. 47. Om de in de artikelen 68 tot 77 en 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde investeringsaftrek te kunnen verkrijgen moeten de belastingplichtigen :

1° bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht, de volgende documenten voegen:
a) een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd;
b) in het geval van toepassing van de investeringsaftrek bedoeld in artikel 69/1 van hetzelfde Wetboek, het attest waarvan sprake in artikel 69/3 van hetzelfde Wetboek;
c) in het geval van toepassing van de investeringsaftrek bedoeld in artikel 69/2, 2°, van hetzelfde Wetboek, het attest waarvan sprake in artikel 48, § 4, 5°, van dit besluit;

2° per categorie van de in de artikelen 69 tot 77 en 201 van hetzelfde Wetboek vermelde vaste activa, een opgave ter beschikking van de Administratie houden die voor elk activum vermeldt :
a) de datum van aanschaffing of totstandkoming ;
b) de juiste benaming ;
c) de aanschaffings- of beleggings- waarde ;
d) de normale gebruiksduur en de afschrijvingsduur.

Art. 47bis. Wat de in artikel 69/2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde octrooien betreft, dienen de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 47, 2°, vermelde opgave te staven door :

1° een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het octrooi of het recht tot exploitatie ervan heeft aangeschaft ;

2° het bewijs dat het octrooi of het recht tot exploitatie ervan nooit door een onderneming voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.

Art. 48.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 69/2, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden beschouwd als gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën :
A. Met betrekking tot materiële vaste activa : 1° die welke worden gebruikt bij de exploitatie van onderzoekscentra die een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vormen in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek en waarvoor een afzonderlijk stel rekeningen wordt gehouden, in zover ze niet dat overtreffen wat noodzakelijk is voor de goede werking van die centra ;

2° die welke niet voor de exploitatie van de sub 1° vermelde onderzoekscentra worden gebruikt maar die voldoen aan een van de navolgende voorwaarden :
a) het voorwerp zijn of geweest zijn van een tegemoetkoming verleend :
- door de Staat krachtens hetzij de artikelen 3, a, vierde lid, of 7, van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, hetzij de artikelen 7, eerste lid, derde streepje, of 25 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, hetzij artikel 4, b, van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering met het oog op de financiering van andere investeringen dan markt- en organisatiestudies en commercialisatiemethodes, hetzij een contract voor opzoeking gesloten door de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid ;
- door het Agentschap Innoveren en Ondernemen of de Direction générale opérationnelle de l'Economie, de l'Emploi et de la Recherche (DGO6) ;
b) worden gebruikt voor :
- het tot stand brengen of het ontwikkelen van nieuwe produktietechnieken, nieuwe apparatuur, nieuwe fabricatie- procédés, nieuwe produkten of grondstoffen ;
- het verbeteren van bestaande technieken, apparatuur en fabricatieprocédés ;
- uitbreiding van ontdekkingen die voortvloeien uit onder- zoekingen en theorieën van wetenschappelijke of tech- nische aard, tot praktische toepassingen met experimentele en bewijsvoerende doeleinden, met inbegrip van de experimentele produktie en het nemen van proeven met nieuwe toestellen, apparatuur, mate- rialen en procédés.
Worden hier in het bijzonder bedoeld :
- de apparaten of uitrustingen die aangewend worden voor het meten van fysische grootten ;
- de proeftoestellen waarvan het produktievermogen a priori niet kan volstaan om een normaal rendement te geven ;
- de prototypes ;
- proefserie-bestanddelen die bestemd zijn om het onderzoeksprodukt te testen en definitief af te werken vóór zijn commercialisatie.
Daarentegen zijn uitgesloten, de apparaten of uitrustingen die, in het kader van de normale produktie van de onderneming, voor routinewerkzaamheden of steeds terugkerende werkzaamheden dienen die zich als dusdanig in het produktieproces inschakelen, zoals : proeven, werkzaamheden van studie- en tekenbureaus en kwaliteitscontrole ;
c) wanneer niet aangetoond is dat ze aan de ene of de andere van de hierboven in a of b vermelde voorwaarden voldoen, gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing ;

3° de onroerende goederen die nodig zijn om, eensdeels, de in 2° vermelde vaste activa, en, anderdeels, de vorsers en het rechtstreeks eraan verbonden personeel in onder te brengen.
B. Met betrekking tot immateriële vaste activa : de kosten van onderzoek en ontwikkeling, licenties en know-how, alsmede de vooruitbetalingen op deze vaste activa.
Het bedrag van de afschrijvingen met betrekking tot de in A vermelde materiële vaste activa, dat eventueel als immateriële vaste activa op het actief van de balans voorkomt, komt niet in aanmerking om de investeringsaftrek te berekenen.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling die een onderneming doet buiten een onderzoekscentrum als vermeld in A, 1°, komen slechts in aanmerking in zover zij ofwel in aanmerking zijn gekomen voor de tegemoetkoming die door de Staat of door het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw is verleend, ofwel gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing.

§ 2. Materiële vaste activa en van derden verkregen immateriële vaste activa andere dan octrooien die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen en waarvoor op grond van dat gebruik de investeringsaftrek is verkregen, moeten gedurende de gehele afschrijvingsduur van die activa voor dat gebruik aangewend blijven door de belastingplichtige die de investeringsaftrek heeft verkregen of door de belastingplichtige die de activa heeft verworven ingevolge verrichtingen als vermeld in de artikelen 46 en 211 tot 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Voor activa waarvoor de door de bepalingen van § 2 opgelegde verplichting niet wordt nageleefd, wordt een gedeelte van de verleende investeringsaftrek belast als winst of baat van het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich heeft voorgedaan ; dat gedeelte is gelijk aan 1 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde van het betreffende vaste activum, vermenigvuldigd met het produkt van de volgende 2 factoren vastgesteld volgens de regels vermeld in a en b :
a) - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1989 of aan een vorig aanslagjaar : 15 of 7 naargelang het gaat om meubels en kantoormaterieel enerzijds, of andere bestanddelen anderzijds ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1990 of aan een later aanslagjaar : 10 ;
b) een breuk :
- met als noemer het aantal van de belastbare tijdperken waarover de afschrijvingsduur van het betreffende vaste activum zich uitstrekt ;
- met als teller het aantal van die tijdperken die nog niet verstreken zijn op het ogenblik waarop het niet naleven van de verplichting zich voordoet.
Voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1991 waarvoor de investeringsaftrek is verleend met toepassing van artikel 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de factor die vermeld is in het eerste lid, a, tweede streepje, gelijk aan 10,5. § 4. De belanghebbende belastingplichtigen moeten de in artikel 47, 2°, vermelde opgave staven door :

1° indien het materiële vaste activa betreft :
- ofwel een rechtvaardigende nota die, met verwijzing naar § 1, A, 1°, 2°, a of b, of 3°, aantoont dat de vaste activa voldoen aan de ene of de andere van de gestelde voorwaarden ;
- ofwel een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, A, 2°, c, vermelde erkenning ; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden die nodig zijn om over de gegrondheid ervan te oordelen.
Voor de in § 1, A, 2°, b en c, vermelde vaste activa moeten bovendien de onderzoeksdoeleinden waarvoor die activa noodzakelijk zijn, worden omschreven door het verstrekken van de volgende bijzonderheden :
a) het doel van de werkzaamheden waarvoor het vaste activum wordt gebruikt ;
b) de beginselen of hypothesen die aan de basis liggen van die werkzaamheden ;
c) de technische moeilijkheden die met die werkzaamheden moeten worden overwonnen ;
d) het innoverend karakter van die werkzaamheden voor de onderneming ;
e) de technische en economische voordelen die de onderneming uit die werkzaamheden denkt te kunnen halen ;
f) de kenmerken van het vaste activum.

2° indien het van derden verworven immateriële vaste activa andere dan octrooien betreft :
a) de verantwoording van het potentiële vermogen van die activa om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten of van toekomstgerichte technologieën te bevorderen ; op dat stuk kan de Minister van Financiën een gezamenlijk attest eisen dat uitgaat van de Minister van Economische Zaken of van de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en van de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid ;
b) een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het vaste activum heeft aangeschaft ;
c) het bewijs dat het vaste activum een immaterieel goed is dat nooit door een onderneming voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.

3° indien het immateriële vaste activa betreft die de onderneming in een onderzoekscentrum heeft tot stand gebracht :
a) het in § 1, A, 1°, vermelde afzonderlijk stel rekeningen dat het mogelijk maakt de kosten van dat onderzoekscentrum te bepalen ; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen ;
b) de uiteenzetting van de regelen die de onderneming ertoe gebracht hebben haar kosten voor onderzoek te behandelen als immateriële vaste activa ;
c) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.

4° indien het immateriële vaste activa betreft die door de onderneming buiten een onderzoekscentrum zijn tot stand gebracht :
a) het bewijs dat de kosten voor onderzoek die onder de vaste activa zijn opgenomen, in aanmerking zijn genomen voor een in § 1, A, 2°, a, vermelde tegemoetkoming ;
b) een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, B, laatste lid, vermelde erkenning ; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden om over de gegrondheid ervan te oordelen ;
c) de rekeningen die het mogelijk maken het bedrag van de gedane kosten te bepalen ; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen ;
d) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.

5° een attest van de bevoegde Gewestregering waaruit blijkt dat de nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die resulteren uit het onderzoek en de ontwikkeling waarvoor de desbetreffende vaste activa worden gebruikt, geen effect hebben op het leefmilieu of het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk beogen te beperken.

Art. 48/1. artikel 48/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling is van toepassing voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de belastingplichtige een afschrift overlegt van het in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakte vonnis dat in uitvoering van artikel XX.79 van het Wetboek van economisch recht, het reorganisatieplan homologeert of dat in uitvoering van artikel XX.65 van het Wetboek van economisch recht het minnelijk akkoord vaststelt en hij aantoont dat dit plan of dit akkoord volledig is uitgevoerd.

§ 1er. L'exonération visée à l'

Art. 49.

§ 1. Voor vaste activa bedoeld in artikel 69/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vraagt de belastingplichtige schriftelijk of elektronisch bij de volgens artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek, bevoegde minister het attest aan:
- op straffe van verval binnen de drie maanden na de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht;
- door middel van het, al dan niet elektronisch, ingevuld, gedagtekend en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. Het gemotiveerde attest of de gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt aan de belastingplichtige overgemaakt binnen de zes maanden na de aanvraag ervan.

§ 3. De aanvraag voor het attest waarvan sprake in § 1 bevat, onverminderd hetgeen bepaald in het samenwerkingsakkoord waarvan sprake in artikel 69/3 van hetzelfde Wetboek, minimaal de volgende gegevens:
- de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de belastingplichtige;
- een gedetailleerde technische beschrijving van de investeringen, met verwijzing naar het vast actief op de investeringslijst;
- de afschriften van de gedetailleerde facturen.

§ 4. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om voor vaste activa waarvan sprake in § 1 die uitmaken van een investeringsproject dat over meer dan één belastbaar tijdperk loopt ook een investeringscertificaat aan te vragen op basis van de in dat belastbaar tijdperk geldende investeringslijsten.
Voor vaste activa die deel uitmaken van een investeringsproject met een goedgekeurd investeringscertificaat wordt voor het verkrijgen van het attest de conformiteit beoordeeld op basis van de lijsten die van kracht zijn op het moment van de aanvraag van het investeringscertificaat.

§ 5. De belastingplichtige vraagt schriftelijk of elektronisch bij de instantie gedelegeerd door de volgens artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek bevoegde minister het investeringscertificaat waarvan sprake in § 4 aan, binnen de drie maanden na de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin het investeringsproject wordt aangevat, op straffe van onontvankelijkheid:
- door middel van het, al dan niet elektronisch, ingevuld, gedagtekend en ondertekend formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld; - een gedetailleerde technische beschrijving van de geplande investeringen, met verwijzing naar het vast actief op de investeringslijst;
- met bijgevoegd een financieringsplan met een gemotiveerde raming van de totale kostprijs van het investeringsproject;
- en de gemotiveerde geschatte duur van het investeringsproject.
De bevoegde instantie levert het gemotiveerde investeringscertificaat of de gemotiveerde weigering voor het verlenen van het investeringscertificaat af binnen de termijn van zes maanden na de aanvraag ervan, met daarin de geldigheidstermijn waarvoor het investeringscertificaat wordt gegeven.

§ 6. Wanneer het investeringsproject vaste activa omvat die onder verschillende investeringslijsten vallen, moet per betrokken investeringslijst apart een investeringscertificaat worden aangevraagd voor dat deel van het investeringsproject bij de in artikel 69/3, § 3, van hetzelfde Wetboek aangeduide instanties.

§ 7. Pour les immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025 au 30 juin 2026, par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, premier tiret, le contribuable demande l'attestation sous peine de déchéance endéans les douze mois qui suivent le dernier jour de la période imposable au cours de laquelle les immobilisations sont acquises ou constituées.
Pour les projets d'investissements entamés avant le 1er juillet 2026, par dérogation au § 5, alinéa 1er, le contribuable demande le certificat d'investissement sous peine de déchéance endéans les douze mois qui suivent le dernier jour de la période imposable au cours de laquelle le projet d'investissement est entamé.
Pour les immobilisations visées à ce paragraphe, la dernière échéance possible pour l'introduction d'une demande d'attestation ou un certificat d'investissement est en tout état de cause le 30 juin 2026, sans que le délai puisse être plus court que celui déterminé au paragraphe 1er, alinéa 1er, premier tiret, pour l'attestation, et § 5, alinéa premier, pour le certificat d'investissement.

Art. 49/1.

§ 1. De in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, beoogde vaste activa betreffen de volgende categorieën :
A. Met betrekking tot digitale vaste activa die dienen voor de integratie en exploitatie van digitale betalings- en facturatiesystemen :

1° investeringen in systemen (software of apparatuur) die de elektronische betaling vergemakkelijken;

2° investeringen in systemen (software of apparatuur) voor elektronische facturatie, handtekening of archivering.

3° investeringen in een geregistreerd kassasysteem en meer bepaald de gecertificeerde kassa en de gecertificeerde fiscale datamodule zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 30 juli 2013 met betrekking tot de certificatie van een geregistreerd kassasysteem in de horecasector.
B. Met betrekking tot investeringen in systemen die dienen voor de beveiliging van informatie- en communicatietechnologie (ICT) :

1° investeringen in systemen (software of apparatuur) voor de beveiliging van informatie, netwerken en ICT- installaties;

2° investeringen in monitoring- en auditinstrumenten voor de beveiligingssystemen van ICT;

3° investeringen in systemen (software of apparatuur) die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken.

4° de digitale investeringen noodzakelijk om de onderneming in regel te stellen met de verplichtingen uit de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
C. Investeringen in systemen (software en apparatuur) die het boekhoudkundige en financiële beheer van de onderneming mogelijk maken.
D. Met betrekking tot investeringen in digitale vaste activa die gedaan worden met het oog op klantenwerving en het digitaal beheer van de contractuele en commerciële relaties van de belastingplichtige:

1° investeringen in systemen (software en apparatuur) die de reputatie, de zichtbaarheid en de online aanwezigheid van de belastingplichtige verzekeren, alsook die welke klantenwerving en verkoop mogelijk maken;

2° investeringen in systemen (software en apparatuur) die het beheer van de commerciële, contractuele en administratieve klantenrelaties van de belastingplichtige mogelijk maken.
E. Aanvullende investeringen nuttig bij de uitvoering van de onder punt A tot D bedoelde investeringen :

1° de kosten voor softwareontwikkeling die verband houden met de investeringen onder punt A, 1° tot D, 2°, en die samen met de vaste activa waarop zij betrekking hebben, worden afgeschreven;

2° investeringen in systemen (software of apparatuur) die de interfacing van de in punten A, 1° tot E, 1°, beoogde systemen met systemen van de onderneming of naar systemen buiten de onderneming mogelijk maken, met inbegrip van de investeringen voor interfaces tussen systemen voor facturatie, betaling en boekhoud¬kundige programma's.

§ 2. De dienstverrichtingen betreffende de in § 1 vermelde vaste activa moeten worden verstrekt en gefactureerd aan de belastingplichtige.

§ 3. Wanneer de in § 1 vermelde vaste activa opgenomen zijn in een globale factuur die componenten bevat die niet bedoeld worden in § 1, is de in het kader van deze aftrek in aanmerking te nemen waarde van de investering of de prijs van de vaste activa gelijk aan de reële waarde van deze apart op de factuur vermelde vaste activa.

§ 4. De leverancier van de in §§ 2 en 3 bedoelde dienstverrichtingen garandeert de conformiteit van de goederen of diensten op basis van de technische criteria die voorkomen in bijlage IIter/1.
Tot dat doeleinde moet de door de leverancier van goederen of diensten uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de in § 1 bedoelde categorie van investering vermelden.
b) de volgende formule bevatten :
"Verklaring met toepassing van artikel 49/1 van het KB/WIB 92 betreffende de investeringsaftrek voor digitale investeringen bedoeld in artikel 69, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
Ik, ondergetekende ........., bevestig dat :
- ... (per categorie de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage IIter/1 van het KB/WIB 92)
- ...
... (datum)
... (naam)
... (handtekening).".

§ 5. De belastingplichtige die de investeringsaftrek voor digitale investeringen bedoeld in artikel 69, derde lid, van het voornoemd Wetboek vraagt, moet de facturen over de investeringen in de vaste activa bedoeld in § 1 ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Art. 49quater. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan voor de schade die definitief is vastgesteld aan de hand van een formulier waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld. (1)
Het formulier bevat de onderstaande gegevens:

1° de naam en voornaam van de belastingplichtige indien deze een natuurlijke persoon is of de benaming van de belastingplichtige indien deze een vennootschap is;

2° het fiscaal nummer indien de belastingplichtige een natuurlijke persoon is, het ondernemingsnummer indien de belastingplichtige een vennootschap is;

3° de datum waarop de schade werd geleden;

4° het definitieve en door het gewest vastgestelde bedrag van de geleden schade;

5° de datum waarop het gewest de schade definitief heeft vastgesteld;

6° indien de belastingplichtige een vennootschap is, het bedrag van de landbouwverliezen die voortkomen uit ongunstige weersomstandigheden waarvoor de vennootschap de toepassing vraagt van de achterwaartse verliesaftrek.
Het formulier bevat tevens een verklaring waaruit de keuze voor de achterwaartse verliesaftrek en het definitieve en onherroepelijke karakter ervan blijkt.
Het in dit artikel bedoelde formulier dat werd ingevuld overeenkomstig de voormelde aanduidingen, wordt gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend ingediend bij het centrum waaronder de belastingplichtige ressorteert voor het aanslagjaar verbonden met het belastbaar tijdperk waarin de schade definitief door het gewest is vastgesteld en dit binnen de indieningstermijn van de aangifte in de inkomstenbelasting van dat aanslagjaar.
(1) MB 16.11.2022 – BS 25.11.2022, Ed. 2
Art. 50 tot / à 52 …
en subsidies betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars.
artikel 90, 2°, tweede lid)

Art. 49ter. Voor de toepassing van de artikelen 78, § 2 en 206, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt de datum van ondertekening van het proces-verbaal bedoeld in artikel 4, § 5, van het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2017 tot uitvoering van Titel X/1 betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door landbouwrampen van het Waalse Landbouwwetboek, aangemerkt als het tijdstip waarop de schade van de in het Waalse gewest erkende landbouwrampen definitief is vastgesteld.

Art. 51. artikel 51 van hetzelfde Wetboek forfaitair worden bepaald, worden de in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek vermelde sociale bijdragen die niet zijn ingehouden, in afwijking van § 5, evenredig afgetrokken van die bestanddelen van het inkomen.

§ 8. Lorsque les frais professionnels se rapportant à un ou plusieurs éléments du revenu sont fixés forfaitairement conformément à l'

Art. 53.

§ 1. Zijn vrijgesteld bij toepassing van artikel 90, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de prijzen en subsidies die aan alle hierna vermelde voorwaarden voldoen :

1° uitzonderlijke verdiensten belonen of uitzonderlijke inspanningen mogelijk maken op het stuk van het wetenschappelijk onderzoek, de kunsten of de letteren ;

2° toegekend zijn in omstandigheden die aan de geleerden, aan de schrijvers en aan de kunstenaars ruime mogelijkheden bieden tot persoonlijk initiatief op het gebied van de voortzetting of de uitvoering van hun studies, opzoekingen, werken of kunstuitingen ;

3° belangeloos worden toegekend, derwijze dat iedere staat van afhankelijkheid van de verkrijger tegenover de schenker en elke compensatie ten voordele van deze laatste uitgesloten is ;

4° noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks gefinancierd worden door Belgische of buitenlandse nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die op één of andere wijze voordeel kunnen halen uit de beloonde of gesubsidieerde werken, opzoekingen, studies of kunstuitingen.

§ 2. Zijn erkend bij toepassing van hetzelfde artikel :
- de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommisie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscom- missie, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten ;
- de koninklijke academiën ;
- de universiteiten ;
- het Nationaal fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ;
- het Instituut voor Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw ;
- de Geneeskundige Stichting Koningin Elisabeth ; - het Francqui-Fonds ;
- de Universitaire Stichting ;
- de Studerende Jeugd ;
- de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth ;
- de Nobelstichting te Stockholm ;
- de Fondation Alexandre et Gaston Tytgat ;
- het Institut européen de Recherches et d'Etudes supérieures en Management ;
- de Fondation rurale de Wallonie ;
- de Stichting Balzan-Prijs te Milaan ;
- het Belgische Werk tegen Kanker ;
- de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie ;
- de Wolf-Stichting te Herzlia (Israël) ;
- de Vereniging voor Economie ;
- de Fondation économique et sociale du Brabant wallon ;
- de Vereniging voor Kankerbestrijding ;
- de Stichting van Gysel ;
- de Stichting Nany Philippart ;
- de Fondation Rik & Nel Wouters Stichting ;
- de Fondation René De Cooman ;
- de European Organisation for Research and Treatment of Cancer Foundation ;
- de Robert Koch Stiftung ;
- de Heineken Stichting ;
- de Stichting Alfred Heineken Fondsen ;
- het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie ;
- Fondation Prix Willy et Marcy De Vooght ; - het Centrum voor Studie en Behandeling van Gezwelziekten te Gent ;
- de Fondation Philippe Wiener – Maurice Anspach ;
- de wetenschappelijke Stichting van het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola ;
- de Belgische Federatie tegen Kanker ;
- de Belgische Stichting Roeping ;
- de V.Z.W. Interbrew - Baillet Latour ;
- Vlaams Fonds voor de Letteren ;
- de Stichting Bernheim, wat de beurzen "Esprit Européen" betreft ;
- het Vlaams Audiovisueel Fonds, wat de subsidies voor scenario-ontwikkeling betreft ;
- het Fonds voor Wetenschappelijk onderzoek - Vlaanderen ;
- het Fonds de la Recherche scientifique ;
- de Stichting tegen Kanker ;
- de Académie Française;
- de Fondation ULB;
- de Stichting voor Toekomstige Generaties, wat de subsidies voor HERA betreft;
- de VZW Les Amis des Instituts Pasteur voor wat de "Prix Jules Bordet" en de onderzoeksbeurzen betreft;
- de IVZW de Duve Institute;
- de Stichting Prins Bernhard Cultuurfonds voor wat de "Martin Nijhoff Vertaalprijs" (voorheen de "Martinus Nijhoff Prijs") betreft;
- Sciences, Art, Culture en Wallonie - Fondation Désiré Jaumain ;
- de VZW Vlaamse Literatuurprijs voor wat zijn jaarlijkse literatuurprijzen betreft - de Einstein Stiftung Berlin voor wat de "Einstein Foundation Award for Promoting Quality in Research" in de categorieën "Individual Award" en "Early Career Award" betreft.
- de Fondation Docteurs Désiré et Maurice Jaumain.
tot toekenning en behoud van de erkenning van elektronische platformen - Jaarlijks door de erkende elektronische platformen op te stellen document
artikel 90, tweede lid)

Art. 53/1.

Art. 53/1 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 7, en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Elektronische platformen kunnen worden erkend voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 1°bis, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wanneer ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

1° het platform is ingericht binnen een vennootschap of een VZW die is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of met de wetgeving van een staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen;

2° de voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer van de in 1° bedoelde vennootschap of VZW is gevestigd in de Europese Economische Ruimte of in een staat waarmee België door een in 1° bedoeld internationaal akkoord verbonden is;

3° de vennootschap of de VZW is voor die werkzaamheid, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van een handels- of ambachtonderneming, of ingeschreven in het handelsregister overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen, waar de vennootschap of de VZW is gevestigd;

4° de vennootschap of de VZW beschikt over een door de Kruispuntbank van Ondernemingen toegekend ondernemingsnummer dat geldt als btw identificatienummer en de letters BE bevat, of beschikt, bij gebrek aan het voormelde ondernemingsnummer, voor zover het bestaat, over een identificatienummer btw-doeleinden in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de staat waarvan de ondernemingen ingevolge een internationaal akkoord in België op dezelfde manier moeten worden behandeld als Belgische ondernemingen, waar ze is gevestigd.

§ 2. De bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de VZW te verbinden moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

1° geen personen zijn aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 of gelijkaardige bepalingen van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

2° niet in staat van faillissement verkeren, tenzij in geval van verschoonbaarheid of rehabilitatie, noch het voorwerp zijn van een procedure tot faillietverklaring of analoge procedures van buitenlands recht.​​​

Art. 53/2.

§ 1. De in artikel 53/1, § 1, 1°, bedoelde vennootschap of VZW waarbinnen het elektronisch platform is ingericht, dient de aanvraag tot erkenning van het elektronisch platform in per brief of per e-mail gericht aan de voorzitter van de Federale Overheidsdienst Financiën, of aan de hand van het elektronische formulier dat op de webstek van de Federale Overheidsdienst Financiën beschikbaar is.
Het model van de aanvraag tot erkenning wordt vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen.
De aanvraag is enkel ontvankelijk wanneer :

1° de onderstaande documenten zijn toegevoegd :
a) een afschrift van de oprichtingsakte zoals die tot op de datum van de aanvraag is gewijzigd of een afschrift van de gecoördineerde statuten;
b) een document waaruit blijkt dat voldaan is aan de in artikel 53/1, § 1, 2°, bedoelde voorwaarde;
c) een afschrift van de inschrijving in het handelsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land waar de vennootschap of de VZW gevestigd is;
d) een lijst met de namen van de bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de VZW te verbinden;
e) een verklaring waarbij de vennootschap of de VZW de verbintenis aangaat om bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter het in artikel 53/3 bedoelde document op te stellen en te bezorgen aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie;

2° ze is ondertekend door een wettelijke of statutaire lasthebber van de vennootschap of de VZW.

§ 2. De erkenning wordt ingetrokken wanneer de begunstigde van de erkenning vrijwillig zijn in de artikelen 53/3 en 90, § 1, eerste lid, vermelde verplichtingen tweemaal niet nakomt binnen een periode van drie jaar te rekenen vanaf het jaar waarin de eerste tekortkoming plaats heeft gevonden.
De intrekking wordt bekendgemaakt op de webstek van de FOD Financiën. Ze heeft uitwerking vanaf de dertigste dag na haar bekendmaking.
De erkenning kan eveneens worden ingetrokken op vraag van de begunstigde van de erkenning.

§ 3. Een lijst van de erkende platformen wordt bijgehouden op de webstek van de FOD Financiën.

Art. 53/3.

§ 1. Bij het einde van elk jaar stelt de vennootschap of VZW waarbinnen een overeenkomstig de artikelen 53/1 en 53/2, § 1, erkend platform is ingericht, met inbegrip van de vennootschap of VZW waarbinnen een platform werd ingericht waarvan de erkenning overeen- komstig artikel 53/2, § 2, gedurende dat jaar werd ingetrokken, voor iedere verkrijger van in artikel 90, eerste lid, 1° bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten een fiche op waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en waarin de volgende gegevens worden vermeld:

1° de identiteit van de verkrijger van de inkomsten en zijn fiscaal nummer;

2° de datum van aanvang of van stopzetting van zijn activiteit;

3° de omschrijving van de door de verkrijger geleverde diensten;

4° het bruto bedrag van de vergoedingen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het hiervoor vermelde Wetboek, desgevallend opgesplitst volgens de aard van de verrichte dienst;

4°/1 het bedrag van de op de onder 4° vermelde vergoedingen ingehouden bedrijfsvoorhef- fing;

5° desgevallend, het bedrag en de aard van eventuele andere dan in 4°/1 bedoelde ingehouden sommen, desgevallend opgesplitst volgens de aard van de verrichte dienst.
De verkrijger van de inkomsten wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a) zijn fiscaal nummer, zijnde het rijksregisternummer van de verkrijger of, voor niet-inwoners die geen rijksregisternummer hebben, het bis- identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
b) wanneer de verkrijger niet over een fiscaal nummer beschikt, zijn geboortedatum, voornaam en naam en volledige adres.
Voor de in het eerste lid, 3°, bedoelde omschrijving van de geleverde diensten, worden één of meer omschrijvingen gebruikt die in een lijst zijn vermeld die door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. De in paragraaf 1 vermelde fiches worden vóór 1 maart van het jaar na het inkomstenjaar langs elektronische weg ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.

§ 3. De in paragraaf 1 vermelde fiches voor het inkomstenjaar 2018 vermelden tevens het bedrag van de bedrijfsvoorheffing die overeenkomstig de artikelen 86, tweede lid en 87, 2° bis zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij het koninklijk besluit van [datum van dit besluit] en hoofstuk VII, afdeling 1/1 van de bijlage III bij dit besluit, zoals dat bestond vooraleer het werd vervangen bij het koninklijk besluit van 7 december 2018 werd ingehouden op de in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bedoelde vergoedingen die voor dat inkomstenjaar werden betaald of toegekend.
In afwijking van paragraaf 2, kunnen de in het eerste lid vermelde fiches met betrekking tot de in artikel 90, eerste lid, 1° bis van het voormelde Wetboek vermelde inkomsten tot 14 augustus 2019 langs elektronische weg worden ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier worden bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.

Art. 53/5. (…)
van de beloningen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op te maken document
artikel 90, vierde lid)

Art. 53/6.

§ 1. Bij het einde van elk jaar stelt de schuldenaar van de in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beloningen voor iedere verkrijger een fiche op waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en waarin de volgende gegevens worden vermeld:

1° de identiteit van de verkrijger van de beloningen en zijn fiscaal nummer;

2° de sector waarin de verkrijger van de beloningen prestaties heeft geleverd;

3° het aantal door de verkrijger van de beloningen gepresteerde uren, per kwartaal;

4° het bruto bedrag van de beloningen als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° ter, van het hiervoor vermelde Wetboek die in het betrokken jaar zijn betaald of toegekend, desgevallend opgesplitst in het bruto bedrag van de beloningen voor prestaties geleverd in het jaar zelf en het bruto bedrag van de beloningen voor prestaties geleverd in vorige jaren;

5° desgevallend, het bedrag van de terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever.
De verkrijger van de inkomsten wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a) zijn fiscaal nummer, zijnde het rijksregisternummer van de verkrijger of, voor niet-inwoners die geen rijksregisternummer hebben, het bis- identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
b) wanneer de verkrijger niet over een fiscaal nummer beschikt, zijn geboortedatum, voornaam en naam en volledige adres.
Voor de in het eerste lid, 2°, bedoelde vermelding van de sector, wordt een omschrijving gebruikt die is opgenomen in een lijst die door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

§ 2. De in paragraaf 1 vermelde fiches worden vóór 1 maart van het jaar na het inkomstenjaar langs elektronische weg ingediend bij de administratie die instaat voor de vestiging van de inkomstenbelasting en langs elektronische weg of op papier bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.
rapporterende platformexploitanten zoals omschreven in artikel 321quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 53/7. De rapportages bedoeld in artikel 321sexies, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden elektronisch ingediend, door middel van een XML-bestand, via een door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.
Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de rapporterende platformexploitant vrijgesteld is om de inlichtingen bedoeld in § 5 mee te delen, deelt deze laatste aan de bevoegde Belgische overheid, door middel van een XML- bestand voorzien voor de aangifte, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform, de identiteit van de platformexploitant die reeds overgegaan is tot de aangifte alsook de staat in dewelke de aangifte is gebeurd, mee. Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 7, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de rapporterende platformexploitant geen enkele inlichting mee te delen heeft, brengt deze laatste de bevoegde Belgische overheid, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform, op de hoogte dat hij hen geen enkele inlichting mee te delen heeft, door het voorziene vakje aan te vinken op het elektronisch platform ter beschikking gesteld door de FOD Financiën.
Wanneer in toepassing van artikel 321sexies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de platformexploitant beslist zijn rapportageverplichtingen te vervullen in een andere lidstaat dan België, brengt deze laatste de bevoegde Belgische overheid op de hoogte van zijn keuze en van de Lidstaat in dewelke hij gekozen heeft zijn verplichtingen te vervullen, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.

Art. 53/8. De platformexploitant die meent gekwalificeerd te moeten worden als uitgesloten platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, stuurt zijn aanvraag via het elektronische platform ter beschikking gesteld door de FOD Financiën naar de bevoegde dienst van de FOD Financiën ten laatste op 15 januari van het kalenderjaar dat volgt op dat waarop de rapportage die hij diende in te dienen betrekking heeft en verstrekt alle noodzakelijke inlichtingen om te bepalen dat, met betrekking tot zijn bedrijfsmodel, hij moet worden uitgesloten en dat hij niet over te rapporteren verkopers beschikt.
De platformexploitant die meent gekwalificeerd te moeten worden als uitgesloten, moet met name vermelden:
- het jaar waarvoor hij vraagt te worden uitgesloten;
- zijn juridische benaming;
- zijn btw-nummer of het kbo-nummer;
- het volledige adres van de maatschappelijke zetel;
- de naam van de contactpersoon alsook zijn gegevens, volledig adres daarin begrepen het land, telefoonnummer en e-mailadres;
- de commerciële naam van het platform;
- de internetsite van het platform;
- een gedetailleerde beschrijving van het bedrijfsmodel zodat kan aangetoond worden dat de voorwaarden van uitsluiting zijn vervuld of de bevestiging dat het bedrijfsmodel niet gewijzigd werd en dat hij nog steeds de voorwaarden van uitsluiting vervult in het geval waarin de platformexploitant reeds als uitgesloten platformexploitant gekwalificeerd werd in het voorgaande jaar.

Art. 53/9. De rapporterende platformexploitant die één van de in artikel 321quater, 4°, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genoemde voorwaarden vervult en die beslist de verplichtingen bedoeld in artikel 321sexies, § 1, van hetzelfde wetboek te voldoen in België, brengt de FOD Financiën hiervan op de hoogte door de aangifte bedoeld in artikel 321sexies, § 5, in te dienen door middel van een XML-bestand, door middel van het door de FOD Financiën ter beschikking gesteld elektronisch platform.
goederen.
artikel 101, § 3)

Art. 54.

§ 1. In gevallen als vermeld in artikel 101, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en onverminderd §§ 1 en 2 van dat artikel, wordt de meerwaarde die ter gelegenheid van een overdracht onder bezwarende titel is verwezenlijkt op in België gelegen onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die onroerende goederen, vastgesteld met inachtneming van volgende bepalingen.

§ 2. Bij overdracht van de blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik, van het vruchtgebruik of van het recht van gebruik van een goed, is de eerste grootheid van het verschil, dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen, de prijs waartegen het recht is overgedragen, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend. Bij overdracht van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik door de overdrager, is de eerste grootheid van het verschil de prijs van overdracht of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de volle eigendom die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.
Wanneer een zakelijk recht vermeld in het vorige lid als zodanig door de vervreemder is verkregen, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed op de datum van verkrijging vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller de verkoopwaarde is van het zakelijk recht op de datum van de vervreemding en de noemer de verkoopwaarde van de volle eigendom op dezelfde datum.
Is alleen de blote eigendom van een goed verkregen en is, nadat het vruchtgebruik is geëindigd, de volle eigendom van dat goed overgedragen, dan wordt als tweede grootheid van het verschil voor dat goed de verkoopwaarde in aanmerking genomen van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom is verkregen.
Slaat de overdracht op de blote eigendom of op het vruchtgebruik van een goed of wordt op een goed een ander zakelijk recht gevestigd, dan wanneer de vervreemder het onroerend goed in volle eigendom verkreeg, dan is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de prijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van dat goed bij de verkrijging, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de eerste grootheid van het verschil vastgesteld op de wijze bepaald in onderhavige paragraaf, en de noemer aan de verkoopwaarde van de volledige eigendom van het goed op de dag van de overdracht of vestiging van gezegd recht. Als waarde van die tweede grootheid mag evenwel nooit een bedrag in aanmerking worden genomen dat de kostprijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed bij de verkrijging overtreft.

§ 3. Voor goederen overgedragen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen.
Wanneer de goederen zijn verkregen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die bij de verkrijging tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal was bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel, indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen op het tijdstip van de verkrijging.
Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in deze paragraaf op de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik, dan gelden dezelfde regels, mits de verkoopwaarde van het goed te verminderen met die van het vruchtgebruik op de datum van de verkrijging berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.

§ 4. Bij ruiling van goederen, wanneer de ruilverrichting niet is vermeld in artikel 93, 1°en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :

1° is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de overgedragen goederen, of bij gebreke daarvan aan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen verhoogd met de ontvangen of verminderd met de betaalde opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen goederen ;

2° is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de in ruil verkregen goederen, of, bij gebreke daarvan, aan de verkoopwaarde van de bij ruiling overgedragen goederen, verhoogd met de alsdan betaalde of verminderd met de alsdan ontvangen opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen op het tijdstip van de verkrijging.
Wanneer bij een ruilverrichting als vermeld in artikel 93, 2°, van hetzelfde Wetboek, de geruilde loten niet gelijk zijn, is in principe alleen de meerwaarde met betrekking tot het verschil tussen de loten belastbaar en is zij gelijk aan het verschil tussen :
- eensdeels, de opleg of, indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en
- anderdeels, de verkrijgingsprijs van het overgedragen goed, of de verkoopwaarde ervan op dat tijdstip, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de opleg, of indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en de noemer aan de overeengekomen waarde, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van het overgedragen goed op de dag van de overdracht.

§ 5. Bij verdeling van goederen is de eerste grootheid van het verschil voor elk van de eigenaars in onverdeeldheid gelijk aan de overeengekomen waarde van zijn deel in de goederen die aan een of meerdere van zijn medeeigenaars zijn toegekend of aan de verkoopwaarde die voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW aan dat deel is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen of indien die waarde lager was dan de verkoopwaarde.
Bij overdracht van goederen waarvan de overdrager gedeeltelijk eigenaar is geworden ingevolge verkrijging van onverdeelde delen en gedeeltelijk ingevolge een latere verdeling van de onverdeeldheid, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de som van de volgende twee bestanddelen :
- ten eerste, ofwel de prijs die voor de verkrijging van de onverdeelde delen is betaald, ofwel de verkoopwaarde ervan bij de verkrijging - bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval - in zover die prijs of waarde op de overgedragen goederen betrekking heeft ;
- ten tweede, de overeengekomen waarde die aan het overblijvende deel van deze goederen bij die latere verdeling is gegeven of aan de verkoopwaarde die aan dat deel voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen bij de verdeling of indien die waarde lager was dan de toenmalige verkoopwaarde.

§ 6. Bij inbreng van goederen in vennootschap is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die de vennootschap ten gunste van de inbrenger op zich neemt, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de ingebrachte goederen.
Wanneer het gaat om een overdracht door een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en die het goed voorheen heeft verkregen door inbreng in vennootschap, wordt de tweede grootheid van het verschil gevormd door de waarde die bij die inbreng tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die voormelde belastingplichtige ten gunste van de inbrenger op zich nam, of, indien die hoger was, de verkoopwaarde van de destijds ingebrachte goederen.

§ 7. Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in de §§ 4 tot 6 op de blote eigendom van een goed met voorbehoud van vruchtgebruik door de overlater, dan blijven de in die paragrafen vermelde regels van kracht, met dien verstande dat als verkoopwaarde van die blote eigendom, de verkoopwaarde van de volle eigendom op de datum van de overdracht in aanmerking wordt genomen verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.

§ 8. Bij overdracht van goederen die voorheen zijn verkregen ter gelegenheid van de ontbinding of de verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde waarvoor die goederen hebben bijgedragen tot de vaststelling van de bedragen die bij de ontbinding of bij de verdeling van het maatschappelijk vermogen van voormelde vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten werden uitgekeerd, of indien die hoger was, de verkoopwaarde van die goederen die naar aanleiding van die gebeurtenis gediend heeft tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW.

§ 9. In gevallen als vermeld in dit artikel wordt de meerwaarde bepaald met inachtneming van de kosten en uitgaven, van de verhoging met 5 % per jaar en van de vergoedingen die vermeld zijn in artikel 101, §§ 1 en 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
In gevallen als vermeld in § 5, tweede lid, wordt die verhoging met 5 % per jaar toegepast door, enerzijds, de verkrijging van de onverdeelde delen, en, anderzijds, de verdeling, afzonderlijk in beschouwing te nemen.
Art. 55 ... netto-inkomen aftrekbare bestedingen.
artikel 106)

Art. 55.

Afdeling XX en art. 55 zijn opgeheven vanaf aanslagjaar 2013

Art. 55 is van toepassing vanaf 01.01.2011

Art. 55 is van toepassing vanaf 23.04.2010

Art. 55 is van toepassing vanaf 09.11.2000

Art. 55, § 3, is opgeheven vanaf 01.01.1992

Art. 55 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992

 

 

Afdeling XX en art. 55 zijn opgeheven vanaf aanslagjaar 2013 (art. 1 en 8, KB 30.06.2014 - B.S. 10.07.2014; Numac: 2014003284)

 

(...)

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 01.01.2011 (art. 1 en 10, KB 21.02.2011 - B.S. 25.02.2011; Numac: 2011003063)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van voor het publiek toegankelijke gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen en die beschermd zijn overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen of een gelijkaardige wetgeving in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de uitgaven die met een voorafgaande toelating van de bevoegde overheid zijn gedaan om die goederen of delen ervan in stand te houden, in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij als zodanig erkend zijn door de bevoegde overheid.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van het voormeld artikel 104, 8°, verzoeken, moeten de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën houden:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2°, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de bevoegde overheid blijkens hetwelk die werken stroken met haar toelating vermeld in § 1, 1°;

c) een verklaring op eer die vermeldt of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 23.04.2010 (art. 4, KB 06.04.2010 - B.S. 13.04.2010; Numac: 2010003220)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, 8, verzoeken, houden de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf 09.11.2000 (art. 2 en 9, KB 16.10.2000 - B.S. 09.11.2000; Numac: 2000003682)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

 

 

Art. 55, § 3, is opgeheven vanaf 01.01.1992 (art. 3 en 14, KB 12.08.1994 - B.S. 10.09.1994; Numac: 1994003527)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, eerste lid, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, eerste lid, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

§ 3. (...)

 

 

Art. 55 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 47sexies, KB/WIB; KB 27.08.1993 – B.S. 13.09.1993; Numac: 1993082751; art. 3, KB 12.08.1994 - B.S. 10.09.1994; Numac: 1994003527)

 

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, eerste lid, 8, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:

1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;

2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, eerste lid, 8, verzoeken, voegen bij hun aangifte:

a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2, is erkend;

b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1;

c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.

§ 3. (...)

Art. 56. De krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het totale netto- inkomen aftrekbare bestedingen worden evenredig aangerekend op de verschillende inkomstencategorieën.
Art. 56/1 tot/à 60/3 …
Art. 61 …
Art. 62 …
van één van de echtgenoten op de inkomsten van de andere echtgenoot.
artikel 129)

Art. 57. artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 1er. A la fin de chaque année, les débiteurs des frais visés à l'article 57, alinéa 1er, 1° du Code des impôts sur les revenus 1992 sont tenus d'introduire par voie électronique, pour chacun des bénéficiaires des revenus, pour lesquels les revenus dépassent 250 euros par an, les fiches et le relevé récapitulatif dont il est question à l'

Art. 58. artikel 58 van hoofdstuk IX van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, worden betaald of toegekend aan ambtenaren in disponibiliteit wegens ziekte, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels van deel 3, met uitzondering van nr. 47;

3° is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die worden betaald of toegekend aan jonge werknemers bedoeld onder nr. 72, op voorwaarde dat de bezoldigingen die ze vervangen voldoen aan de voorwaarden om vrijgesteld te worden van bedrijfsvoorheffing overeenkomstig dit nr. 72;

4° zijn de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die aan de in nr. 76 bedoelde werknemers worden betaald of toegekend, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 11,11 pct. (zonder vermindering);

5° zijn de uitkeringen ingevolge een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte die door een werkgever die onderworpen is aan de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector of door zijn tussenkomst worden betaald of toegekend aan een verkrijger waarop de voormelde wet van toepassing is, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels vastgelegd in de nummers 35 tot 50, met uitzondering van nr. 47, waarbij desgevallend rekening wordt gehouden met het totale bedrag van de gewone bezoldigingen en de beoogde uitkeringen.
78.4. Afwijkingen inzake wettelijke onderbrekingsuitkeringen
In afwijking van nr. 78.2 worden de wettelijke onderbrekingsuitkeringen aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
78.4.1. Wettelijke onderbrekingsuitkeringen betaald of toegekend aan werknemers die voltijds hun beroepsloopbaan onderbreken, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,13 pct. (zonder vermindering);

1° tot 35 pct. in geval van : a) een 1/5de loopbaanvermindering, in toepassing van de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, die aanvangt vanaf 1 juni 2007, of eenzelfde loopbaanvermindering in toepassing van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 10 juni 2002 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van de overheidsbedrijven die in toepassing van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bestuursautonomie verkregen hebben. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers in 1/5de loopbaanvermindering die uitsluitend samenwonen met één of meerdere kinderen die zij ten laste hebben;
b) halftijds tijdskrediet of halftijdse loopbaanonderbreking dat ingaat vanaf 1 januari 2009 voor de belastingplichtigen die 50 jaar of ouder dan 50 jaar zijn. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers die alleen wonen of die uitsluitend samenwonen met één of meer kinderen die zij ten laste hebben en voor de belastingplichtigen die genieten van een thematisch verlof (ouderschapsverlof, medische bijstand, palliatief verlof).

2° tot 30 pct. in geval van halftijds tijdskrediet of halftijdse loopbaanonderbreking dat ingaat vanaf 1 januari 2009 voor de belastingplichtigen van minder dan 50 jaar. Deze verhoging geldt niet voor de werknemers die alleen wonen of die uitsluitend samenwonen met één of meer kinderen die zij ten laste hebben en voor de belastingplichtigen die genieten van een thematisch verlof (ouderschapsverlof, medische bijstand, palliatief verlof).
78.4.3. Wettelijke premies toegekend aan de personeelsleden van overheidsdiensten ter gelegenheid van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar of de vierdagenweek, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 17,15 pct. (zonder vermindering).
78.5. Afwijking inzake het overbruggingskrediet
In afwijking van nr. 78.2 is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de financièle uitkering bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
HOOFDSTUK 2. WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN
Afdeling 1. Werkloosheidsuitkeringen zonder bedrijfstoeslag
79. De wettelijke werkloosheidsuitkeringen zonder bedrijfstoeslag worden als volgt aan de bedrijfsvoorheffing
onderworpen: 79.1. Wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen van alle aard, inschakelingsvergoedingen inbegrepen, verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van beroepsinkomsten ten gevolge van volledige of gedeeltelijke werkloosheid en niet vermeld in de afdelingen 2 en 3, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering).
79.2. Afwijkingen
79.2.1. In afwijking van nr. 79.1 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden op de wettelijke werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen van volledig werkloze werknemers die generlei inkomen
79.2.2. In afwijking van nr. 79.1 zijn de wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen die worden betaald of toegekend aan tijdelijk werklozen zoals bedoeld in artikel 27, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 26,75 pct. (zonder vermindering).
Afdeling 2. Werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag
80. De bedrijfsvoorheffing op de wettelijke werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag wordt vastgesteld
als volgt:
80.1. de bedrijfsvoorheffing wordt volgens de regels van deel 5, hoofdstukken 1 tot 5 berekend op het
totaalbedrag van de vergoedingen;
80.2. van de aldus berekende bedrijfsvoorheffing mag vervolgens de vermindering voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood vermeld in nr. 44 worden afgetrokken.
81. In afwijking van nr. 80 worden de aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag buiten het stelsel van werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid.
81.1. De gewezen werknemer heeft de leeftijd van 50 jaar bereikt:
81.1.1. De aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag die de voormelde werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
a) de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 10,09 pct. (zonder vermindering);
b) de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is niet opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 26,75 pct. (zonder vermindering).
81.2. De gewezen werknemer heeft de leeftijd van 50 jaar niet bereikt :
Afdeling 3. Pseudo-werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag
82. In afwijking van afdeling 2 worden de pseudo-werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag bovenop
werkloosheidsuitkeringen aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid.
82.1. Wanneer de gewezen werknemer de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en de desbetreffende overeenkomst geen sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is die is afgesloten vôôr 30 september 2005 of geen sectorale overeenkomst die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking verlengt, worden de aanvullende vergoedingen die voormelde werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledige werkloze verkrijgt of zou kunnen verkrijgen indien hij het werk niet had hervat, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid :
82.1.1. de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 10,09 pct. (zonder vermindering);
82.1.2. de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting is niet opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding: bedrijfsvoorheffing van 26,75 pct. (zonder vermindering).
82.2. Wanneer de gewezen werknemer, hetzij de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt, hetzij de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt EN de desbetreffende overeenkomst is een sectorale overeenkomst die is afgesloten vôôr 30 september 2005 of een sectorale overeenkomst die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking verlengt, worden de aanvullende vergoedingen bovenop de werkloosheidsuitkering na ontslag die de gewezen werknemer in één van deze gevallen heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen aan het tarief van 10,09 pct. (zonder vermindering).
DEEL 5. PENSIOENEN, RENTEN, KAPITALEN, AFKOOPWAARDEN EN ERMEDE GELIJKGESTELDE INKOMSTEN
HOOFDSTUK 1. JAARLIJKS NETTOBEDRAG VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
83. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag wordt als volgt vastgesteld:
83.1. Het brutobedrag van de belastbare grondslag vaststellen overeenkomstig deel 1, hoofdstuk 2, afdelingen 4
tot 6.
83.2. Het jaarlijks nettobedrag van de belastbare grondslag is gelijk aan het brutobedrag vermeld in nr. 83.1.
HOOFDSTUK 2. DE BASISBELASTING
84. De basisbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig deel 2.
85. Van de basisbelasting vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 mogen vervolgens worden afgetrokken :
85.1. de vermindering voor kinderen ten laste vermeld in nr. 38;
85.2. de verminderingen voor andere gezinslasten naar gelang van het geval vermeld nrs. 39 tot 41.
HOOFDSTUK 4. DE BIJZONDERE VERMINDERING VOOR PENSIOENEN
86. Na toepassing van hoofdstuk 3 wordt de basisbelasting verminderd met de bijzondere vermindering voor
pensioenen. Deze vermindering bedraagt 2.334 euro per jaar.
87. De toepassing van die bijzondere vermindering is afhankelijk van hetjaarbedrag van het pensioen, dit is het bedrag desgevallend na aftrek van het toegerekende inkomen van de andere echtgenoot vermeld in nr. 34.1.1.
88. Die bijzondere vermindering wordt als volgt afgetrokken :
88.1. volledig wanneer het jaarbedrag van het pensioen niet hoger is dan 29.480 euro;
88.2. voor een gedeelte wanneer het jaarbedrag van het pensioen begrepen is tussen 29.480 euro en 58.960 euro;
dat gedeelte wordt berekend met de volgende formule :
(1/3 x 2.334) + (2/3 x 2.334 x 58.960 – jaarbedrag pensioen)
29.480
88.3. voor 1/3 wanneer het jaarbedrag van het pensioen 58.960 euro of meer bedraagt.
HOOFDSTUK 5. VASTSTELLING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING PER MAAND
89. Om de per maand verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen, wordt de basisbelasting verminderd
overeenkomstig hoofdstuk 4 gedeeld door 12.
HOOFDSTUK 6. ANDERS DAN PER MAAND BETAALDE PENSIOENEN
90. Voor anders dan per maand betaalde pensioenen of renten, bedraagt de bedrijfsvoorheffing het dertigste van het product verkregen door vermenigvuldiging van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hoofdstuk 1 tot 5 zou verschuldigd zijn op het overeenstemmende maandelijks pensioen of rente, met het aantal dagen van het tijdperk waarop het pensioen of de rente betrekking heeft.
HOOFDSTUK 7. BIJZONDERE REGELS
Afdeling 1. Achterstallen
91. Pensioen- of renteachterstallen (d.w.z. pensioenen of renten waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben) zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen volgens de regels vermeld in nrs. 58 tot 60, met dien verstande dat het toe te passen tarief mutatis mutandis bepaald wordt volgens het jaarbedrag van de normale brutopensioenen of -renten die onmiddellijk vôôr het jaar waarop de achterstallen betrekking hebben aan de verkrijger zijn betaald of, bij
Afdeling 2. Vakantiegeld
92. De bedrijfsvoorheffing op vakantiegeld toegekend aan personen die een rust- of overlevingspensioen verkrijgen ten laste van het pensioenstelsel voor loontrekkers, wordt vastgesteld volgens het in de tabellen hierna vermelde tarief, gelet op het totaal van het belastbare maandbedrag van de pensioenen van de verkrijger van de inkomsten.
92.1. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten
heeft eveneens beroepsinkomsten.
BELASTBARE MAANDBEDRAG VAN HET PENSIOEN
PERCENT ALS BEDRIJFSVOORHEFFING VERSCHULDIGD OP HET BEDRAG VAN HET VAKANTIEGELD tot 1.499,99 EUR 0 van 1.500 EUR tot 1.649,99 EUR 1 van 1.650 EUR tot 1.699,99 EUR 3 van 1.700 EUR tot 1.749,99 EUR 4 van 1.750 EUR tot 1.849,99 EUR 6 van 1.850 EUR tot 2.049,99 EUR 10 van 2.050 EUR tot 2.399,99 EUR 15 van 2.400 EUR tot 2.699,99 EUR 20 van 2.700 EUR tot 3.199,99 EUR 25 van 3.200EUR tot 4.449,99 EUR 30 van 4.450 EUR tot 4.599,99 EUR 35 vanaf 4.600,00 EUR 36
92.2. De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen beroepsinkomsten.
BELASTBARE MAANDBEDRAG VAN HET PENSIOEN
PERCENT ALS BEDRIJFSVOORHEFFING VERSCHULDIGD OP HET BEDRAG VAN HET VAKANTIEGELD tot 2.299,99 EUR 0 van 2.300 EUR tot 2.399,99 EUR 1 van 2.400 EUR tot 2.499,99 EUR 3 van 2.500 EUR tot 2.549,99 EUR 4 van 2.550 EUR tot 3.099,99 EUR 5 van 3.100 EUR tot 3.399,99 EUR 10 van 3.400 EUR tot 3.899,99 EUR 15 van 3.900 EUR tot 4.699,99 EUR 20 van 4.700 EUR tot 5.449,99 EUR 25 van 5.450 EUR tot 6.599,99 EUR 30 van 6.600 EUR tot 6.799,99 EUR 32 Vanaf 6.800 EUR 34
Afdeling 3. Pensioenen en renten niet verleend in het kader van het pensioensparen, noch ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut
JAARBEDRAG VAN HET PENSIOEN OF DE RENTE
PERCENT ALS BEDRIJFSVOORHEFFING VERSCHULDIGD OP HET TOTAALBEDRAG VAN HET PENSIOEN OF DE RENTE tot 1.790 EUR 0 van 1.790,01 EUR tot 2.990 EUR 11,11 van 2.990,01 EUR tot 8.900 EUR 16,15 van 8.900,01 EUR tot 14.820 EUR 21,20 van 14.820,01 EUR tot 29.640 EUR 27,25 van 29.640,01 EUR tot 44.460 EUR 32,30 boven 44.460 EUR 37,35
94. In afwijking van nr. 93 moet geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden :
94.1. op de pensioenen en renten indien en in zoverre die pensioenen of renten zijn verleend ter uitvoering van contracten die het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen;
94.2. wanneer de verkrijger van de pensioenen of renten aantoont dat het twaalfde van het totale jaarbedrag van zijn wettelijk en zijn aanvullend pensioen volgens hoofdstuk 1 tot hoofdstuk 5 geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing.
Afdeling 4. Toelagen of renten verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte of een invaliditeit
95. Toelagen of renten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4°, WIB 92 vermelde beroepswerkzaamheid of die het herstel van een bestendige derving van bezoldigingen, winst of baten uitmaken en die worden verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte, een invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen, zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen naar het volgende onderscheid:
95.1. wanneer die toelagen of renten door de werkgever of door diens tussenkomst aan de verkrijger worden betaald: volgens de regels van nr. 53, met dien verstande dat het toe te passen tarief bepaald wordt volgens het jaarbedrag van de normale brutobezoldigingen die tot grondslag dienden voor het berekenen van die toelagen of renten;
95.2. wanneer die toelagen of renten zonder tussenkomst van de werkgever, door een verzekeringsinstelling of door een andere instelling of een tussenpersoon aan de verkrijger worden betaald: tegen het tarief van 11,11 pct. of van 22,20 pct. (zonder vermindering) naargelang het gaat om wettelijke of extra-wettelijke toelagen of renten. In dit geval moet echter geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden wanneer de verkrijger van de renten of toelagen aantoont dat het twaalfde van de jaarbezoldiging die tot grondslag diende voor de berekening van de schadeloosstelling volgens de regels van hoofdstuk 1 tot hoofdstuk 5 geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing.
Afdeling 5. Kapitalen en afkoopwaarden niet verleend in het kader van het pensioensparen
96. Kapitalen en afkoopwaarden, of de schijven daarvan, die krachtens artikel 169, § 1, of 515bis, vierde en zevende lid, WIB 92 volgens het omzettingsstelsel in de personenbelasting worden belast, worden voor de
berekening van de bedrijfsvoorheffing slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die voortvloeit uit hun omzetting volgens de in

Art. 59. artikel 59 van hetzelfde Wetboek, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto jaarbezoldiging.

§ 5. Sur la base des éléments communiqués par le contribuable, les entreprises d'assurance, les institutions de prévoyance ou les institutions de retraite professionnelle délivrent une attestation à l'occasion de la souscription et de chaque modification de contrats visés au § 1er, 2°, de laquelle il ressort que les prestations légales et extra-légales, en cas de mise à la retraite, exprimées en rentes annuelles et calculées en fonction d'une durée normale d'activité professionnelle, ne dépassent pas 80 p.c. de la dernière rémunération brute annuelle normale conformément à l'

Art. 63.

Art. 636 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 8 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Tot staving van de aanvraag die de beheersvennootschap indient om voor de toepassing van artikel 14516, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een Belgisch beleggingsfonds als pensioenspaarfonds te erkennen, moet die vennootschap verstrekken:

1° een attest uitgereikt door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen volgens hetwelk dit fonds is ingeschreven op de lijst van de Belgische instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend, overeenkomstig de artikelen 30 tot 33 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen dan wel de artikelen 197 tot 200 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

2° de, eventueel gecoördineerde, tekst van de statuten van de beheersvennootschap;

3° de lijst van de aandeelhouders van de beheersvennootschap en van ieders deelneming in het kapitaal;

4° indien zij bestaan, de drie laatste jaarrekeningen van de beheersvennootschap;

5° de naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de bestuurders, directeurs of andere personen die met het dagelijks bestuur van de beheersvennootschap zijn belast;

6° de verbintenis van de beheersvennootschap de activa van het fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de lasten, te beleggen, wanneer het fonds is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 33 van de voormelde wet van 3 augustus 2012, overeenkomstig deel 2 van diezelfde wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, dan wel, wanneer het fonds is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 200 van de voormelde wet van 19 april 2014, overeenkomstig deel II en deel III van diezelfde wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en met inachtneming van de verplichtingen van artikel 14511 van hetzelfde Wetboek;

7° de naam, voornamen en woonplaats van een commissaris-revisor die volledige toegang heeft tot om het even welke bescheiden en geschriften van de beheersvennootschap zomede tot die van de bewaarder die betrekking hebben op de bewaargevingen van effecten en waarden van het fonds, waarbij de bewaarder zich akkoord verklaart met die vrije toegang;

8° een attest van de bewaarder van het fonds waarbij:

- hij zich ertoe verbindt aan alle verplichtingen overeenkomstig onderafdeling 4, van afdeling 2, van hoofdstuk 2, van titel 2, van boek 2, van deel 2 van voormelde wet van 3 augustus 2012 en overeenkomstig C, van Onderafdeling I van Afdeling II, van hoofdstuk 3, van Titel I, van Boek I, van deel II van voormelde wet van 19 april 2014 te voldoen;

- hij de eventuele waarborgen omschrijft die hij aanvaard heeft aan de deelnemers te geven;

- hij de met de beheersvennootschap afgesloten overeenkomsten omschrijft;

- hij de verbintenis aangaat aan de Minister van Financiën alle wijzigingen die ter zake zouden intreden mede te delen.

§ 2. Om het erkenningsdossier doorlopend te kunnen bijwerken, licht de beheersvennootschap de Minister van Financiën onverwijld in over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de tot staving van de aanvraag medegedeelde stukken en zendt hem de jaarrekening zodra die door de algemene vergadering is goedgekeurd.

Art. 64. Overeenkomstig artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het vermeerderingspercentage vastgesteld in verhouding tot de basisrentevoet die in de tabel hierna is aangegeven :
Aanslagjaar Exercice d'imposition
1996
2016 2017

Art. 65. Voor de aan de personenbelasting of de overeenkomstig artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die winst, baten of bezoldigingen van bedrijfsleiders of meewerkende echtgenoot behalen en die voorafbetalingen doen als vermeld in de artikelen 157 tot 166 en 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek, worden die voorafbetalingen ten belope van het bedrag dat nodig is om de in voormeld artikel 157 bepaalde vermeerdering te vermijden, bij voorrang als in voormelde artikelen 157 tot 166 vermelde voorafbetalingen beschouwd.
Voor de berekening van die vermeerdering worden de in het vorige lid vermelde inkomsten geacht betrekking te hebben op een volledig kalenderjaar, zelfs wanneer het tijdperk van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid waaruit de inkomsten voortkomen niet volledig samenvalt met dat kalenderjaar.

Art. 66.

§ 1. Voor de aan de vennootschapsbelasting of de overeenkomstig artikel 246 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen van wie de inkomsten die de grondslag vormen voor de in de artikelen 157 tot 166 van hetzelfde Wetboek bepaalde vermeerdering, betrekking hebben op een tijdperk dat niet volledig samenvalt met het kalenderjaar, gelden de bijzondere regels van de §§ 2 tot 6, met dien verstande dat :
a) indien het boekjaar of de uitoefening van de werkzaamheid :
- niet aanvangt op de eerste dag van een maand, die maand niet wordt meegeteld ;
- niet eindigt op de laatste dag van een maand, die maand voor een volle wordt geteld ;
b) een begonnen kwartaal voor een vol kwartaal wordt geteld.

§ 2. Voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden en van wie het boekjaar 12 maanden telt, wordt het boekjaar gesplitst in delen van 3 maanden en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die om de 3 maanden uiterlijk de tiende dag van de vierde, de zevende en de tiende maand, en de twintigste dag van de laatste maand van het boekjaar bij voorafbetaling van een vierde is voldaan ; voor de toepassing van artikel 159 van hetzelfde Wetboek worden deze data geacht overeen te stemmen met die welke in datzelfde artikel zijn genoemd.

§ 3. Met betrekking tot boekjaren van meer dan 12 maanden worden de in artikel 159 van hetzelfde Wetboek genoemde of de in onderhavig artikel omschreven data van voorafbetaling en vermeerderingen bepaald alsof de winst is behaald tijdens de laatste 12 maanden van het boekjaar en gelden de bepalingen van datzelfde artikel 159 of van § 2 naargelang de boekhouding al dan niet per kalenderjaar wordt gevoerd.

§ 4. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en die de uitoefening van hun werkzaamheid volledig en definitief stopzetten, wordt die werkzaamheid geacht te zijn uitgeoefend gedurende :
a) het vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het eerste kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april van het jaar van de stopzetting bij voorafbetaling is voldaan ;
b) het derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het tweede kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april en 10 juli van het jaar van de stopzetting voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan ;
c) het tweede, derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het derde kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april, 10 juli en 10 oktober van het jaar van de stopzetting voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan ;
d) het volledige kalenderjaar wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het vierde kwartaal en gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek.
Dezelfde regels zijn van toepassing indien, ingevolge een wijziging van de afsluitingsdatum van het boekjaar, het boekjaar minder dan 12 maanden telt.

§ 5. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en de uitoefening van hun werkzaamheid aanvangen in :
a) het eerste kwartaal, gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek ;
b) het tweede kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 juli, 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan ;
c) het derde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan ;
d) het vierde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 20 december van het aanvangsjaar bij voorafbetaling is voldaan.

§ 6. Wanneer de belastingplichtige die zich in een van de in §§ 4 of 5 omschreven gevallen bevindt, anders dan per kalenderjaar boekhoudt, worden de in diezelfde §§ 4 of 5 genoemde data vervangen door de in § 2 omschreven data.

Art. 66bis. artikel 66bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt de grens van 25 kilometer verhoogd tot 100 kilometer.
Pour l'application de l'

Art. 67. artikel 67 van voormeld Wetboek, van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden

§ 2. En ce qui concerne le personnel transféré à l'occasion d'opérations visées aux articles 46, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, 211, § 1er et 214, § 1er, alinéa 1er, du même Code, les dispositions de l'

Art. 67bis. artikel 67bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling te kunnen verkrijgen, moeten de belastingplichtigen de volgende documenten ter beschikking van de administratie houden :
Pour pouvoir bénéficier de l'exonération prévue à l'

Art. 69.

Van de overeenkomstig de artikelen 65 tot 68 bepaalde winst worden de tijdens de vorige in artikel 114 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde belastbare tijdperken geleden bedrijfsverliezen afgetrokken in de mate dat die verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is voor de betreffende belastbare tijdperken, niet vroeger konden worden afgetrokken of voorheen niet door bij verdrag vrijgestelde winst waren gedekt of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld.

Die aftrek gebeurt volgens de regelen van artikel 66, tweede lid, met dien verstande dat verliezen die geleden zijn in landen waarvoor de winsten bij verdrag zijn vrijgesteld, slechts worden afgetrokken in de mate dat ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.

 

Gewijzigd bij art. 2 K.B. 2 januari 1985 (B.S., 19 april 1985), met ingang van het aanslagjaar 1986 (art. 5) en bij art. 9 K.B. 15 december 1989 (B.S., 22 december 1989), met ingang van het aanslagjaar 1988 (art. 20).       

Art. 69/3. artikel 69/3 van
b) en cas d'application de la déduction pour investissement visée à l'article 69/1 du même code, l'attestation visée
hetzelfde Wetboek; à l'

Art. 70. Voor zover voorafbetalingen nog niet zijn verrekend met de inkomstenbelasting die verschuldigd is door de belastingplichtige op wiens naam zij zijn geboekt, of die niet zijn overgedragen aan de meewerkende echtgenoot bij toepassing van artikel 157, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kan de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen belast met het verzorgen van de inning van de voorafbetalingen uiterlijk op de laatste dag van de derde maand die volgt op het belastbare tijdperk:

1° alle materiële vergissingen gemaakt door derden, in voorkomend geval door terugbetaling, rechtzetten;

2° de door de belastingplichtige of zijn naar behoren gemachtigde gestorte of overgeschreven bedragen, in overeenstemming met de reglementaire bepalingen die zijn genomen in uitvoering van artikel 15/1 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ,terugbetalen, overschrijven naar een van de financiële rekeningen van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, om aan te rekenen op fiscale of niet-fiscale schulden, of overdragen naar het volgende belastbare tijdperk.
De verzoeken tot rechtzetting, terugbetaling, overschrijving of overdracht van voorafbetalingen worden ingediend via het elektronisch platform MyMinfin. De verzoeker die geen toegang heeft tot MyMinfin, waaronder de derde die bewijst een materiële vergissing te hebben begaan, dient zijn verzoek in bij de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen belast met het verzorgen van de inning van de voorafbetalingen.

Art. 71. Voor de toepassing van artikel 169, 3° , van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt het geheel van de gereserveerde winsten bepaald volgens artikel 65 en van de winsten die werden gereserveerd onder het stelsel van de wetgeving voorafgaande aan de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, in de onderstaande categorieën onderverdeeld:

reserves overeenstemmend met winsten die voorheen ten name van de vennoten zijn belast;
reserves overeenstemmend met bedragen die ingevolge artikel 111 van hetzelfde Wetboek of artikel 52, § 1, eerste lid, van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zijn afgetrokken van gereserveerde winsten die voor de aanslagjaren 1973 en vorige belastbaar waren;

reserves overeenstemmend met alle andere maatschappelijke winsten.

 

Enig lid, 1° vervangen bij art. 7 K.B. 5 juli 1988 (B.S., 19 juli 1988), met ingang van het aanslagjaar 1987 (art. 14).
Vervangen bij art. 1 K.B. 23 mei 1966 (B.S., 8 juni 1966, err., 21 juni 1966), met ingang van het aanslagjaar 1967 (art. 5, 1° ).


Art. 73.

Art. 737 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 11 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


De beheerder van het systeem die in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte noch zijn voornaamste inrichting, noch zijn zetel van bestuur of beheer heeft en die geen Belgische inrichting is in de zin van artikel 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 moet, voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, een in België verblijvende aansprakelijke vertegenwoordiger aanduiden die zich er persoonlijk toe verbindt aan alle verplichtingen die hem ten laste worden gelegd in hoofde van deze afdeling te zullen voldoen.​

Art. 79/1. Verenigingen die niet worden bedoeld in artikel 220, 1° tot 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting, die geen winsten of baten verkrijgen en die beschikken over een in de statuten vastgelegde zetel, waarvan het adres zich in België bevindt, kunnen in de loop van het belastbare tijdperk aan de hand van een brief, opteren voor de rechtspersonenbelasting indien samen met deze brief de volgende gegevens worden overgemaakt:
- het adres van de zetel van de vereniging evenals de naam en het adres van het lid of van de leden van de vereniging die door de vereniging worden belast om de aangifte in de rechtspersonenbelasting in te dienen;
- de lijst van de leden van de vereniging, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen: de naam, voornamen en woonplaats van de leden of, ingeval het een rechtspersoon betreft, de naam, de rechtsvorm en het adres van de zetel van deze rechtspersoon;
- een afschrift van de statuten van de vereniging;
- een overzicht van alle onroerende goederen, roerende goederen en kapitalen en rekeningen van de vereniging, waarbij voor wat de onroerende goederen betreft, elk onroerend goed afzonderlijk wordt omschreven en het adres ervan wordt vermeld, waarbij voor wat de roerende goederen en kapitalen betreft, elk element afzonderlijk wordt omschreven en de lokalisering ervan wordt vermeld, en voor wat de rekeningen betreft, het adres van de financiële instelling wordt vermeld waarop de rekening gehouden wordt, evenals de roerende goederen of kapitalen van de vereniging die op deze rekening worden aangehouden.
De in het eerste lid bedoelde brief wordt enkel rechtsgeldig aan de administratie overgelegd indien deze door de gemachtigden van de vereniging is gedagtekend en indien deze brief aangetekend of via email wordt verstuurd aan de bevoegde directeur van de directe belastingen, voor de 60ste dag die de laatste dag van het belastbare tijdperk voorafgaat.
De administratie bevestigt de ontvangst van deze brief door de uitreiking van een ontvangsbevestiging, waarin desgevallend wordt bevestigd dat aan de in dit artikel bepaalde vormvereisten wordt voldaan.
De vereniging brengt haar leden op de hoogte van haar keuze om aan de rechtspersonenbelasting te worden onderworpen.

Art. 79/2. De in artikel 79/1 bedoelde verenigingen die overeenkomstig dat artikel hebben geopteerd voor de rechtspersonenbelasting blijven voor wat de vijf daaropvolgende belastbare tijdperken betreft onderworpen aan de rechtspersonenbelasting.
aftrek van onderhoudsgelden door bepaalde niet- inwoners
artikel 242, § 1/1, derde lid)

Art. 79/3.

§ 1. De in artikel 242, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde inkomensverklaring:

1° vermeldt het inkomstenjaar waarop de verklaring betrekking heeft;

2° vermeldt de volgende identificatiegegevens van de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen:
a) de naam en voornaam of voornamen;
b) de geboortedatum;
c) het volledige adres in de woonstaat;
d) het fiscaal identificatienummer in de woonstaat;

3° vermeldt de naam, de voornaam of voornamen en het volledige adres van de begunstigde van de onderhoudsuitkeringen;

4° vermeldt de gegevens van de dienst van de belastingautoriteit van de woonstaat die de verklaring aflevert, de naam en voornaam van de persoon die de verklaring in naam van die dienst ondertekent en de datum waarop de verklaring door die dienst wordt afgeleverd;

5° bevat de verklaring van de belastingautoriteit van de woonstaat:
a) dat de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen fiscaal inwoner is van de betrokken staat;
b) dat de woonstaat in beginsel een belastingvoordeel verleent voor de onderhoudsuitkeringen;
c) dat de schuldenaar van de onderhoudsuitkeringen en, desgevallend, diens echtgenoot het belastingvoordeel voor de onderhoudsuitkeringen voor het betrokken inkomstenjaar niet effectief kan (kunnen), genieten omwille van de geringe omvang van zijn (hun) in de woonstaat belastbare inkomsten;
d) dat het belastingvoordeel voor de onderhoudsuitkeringen in de woonstaat niet kan worden overgedragen naar een volgend inkomstenjaar;
e) inzake het totale bedrag van de onderhoudsuitkeringen die in het betrokken inkomstenjaar werkelijk werden betaald;
f) inzake het bedrag van de tijdens het inkomstenjaar werkelijk betaalde onderhoudsuitkeringen waarvoor geen fiscaal voordeel kan worden verleend in de woonstaat omwille van de geringe omvang van de inkomsten.
Wanneer de onderhoudsuitkeringen door beide echtgenoten verschuldigd zijn, vermeldt de inkomensverklaring de in het eerste lid, 2°, vermelde gegevens van elke echtgenoot.

§ 2. De minister bevoegd voor Financiën of zijn afgevaardigde legt de vorm van de inkomensverklaring vast.

§ 3. De belastingplichtige die in toepassing van artikel 242, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de aftrek van onderhoudsuitkeringen in zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners aanvraagt, houdt de inkomensverklaring ter beschikking van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.
De belastingplichtige die de voormelde aftrek van onderhoudsuitkeringen bij wege van bezwaar aanvraagt, voegt de inkomensverklaring bij zijn bezwaarschrift.
van niet-inwoners (natuurlijke personen)
artikel 245)

Art. 80. Het bedrag van de opcentiemen bedoeld in artikel 245, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt verhoogd tot 7 opcentiemen.
en ontwikkeling.
artikel 289novies)

Art. 81. Om het in de artikelen 289quater tot 289sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde belasting- krediet voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen verkrijgen moeten de belastingplichtigen :

1° bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht, een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd ;

2° per categorie van de in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a en b, en 70, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde vaste activa, een opgave ter beschikking van de Administratie houden, die dezelfde inlichtingen vermeldt als deze vastgelegd in artikel 47, 2°.

Art. 81bis. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde octrooien betreft, moeten de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 81, 2°, vermelde opgave staven door dezelfde documenten als deze vastgelegd in artikel 47bis.

Art. 82.

§ 1. Wat de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde vaste activa betreft, worden deze omgeschreven op dezelfde manier als in artikel 48, § 1.

§ 2. Materiële vaste activa en van derden verkregen immateriële vaste activa andere dan octrooien die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen en waarvoor op grond van dat gebruik het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling is verkregen, moeten gedurende de gehele afschrijvingsduur van die activa voor dat gebruik aangewend blijven door de belastingplichtige die het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling heeft verkregen of door de belastingplichtige die de activa heeft verworven ingevolge verrichtingen als vermeld in de artikelen 46 en 211 tot 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Voor activa waarvoor de door de bepalingen van § 2 opgelegde verplichting niet wordt nageleefd, wordt een gedeelte van het verleende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling terugbetaald onder de vorm van een aanvullende belasting voor het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich heeft voorgedaan ; dat gedeelte is gelijk aan 1 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van het betreffende vaste activum, vermenigvuldigd met het in artikel 289quater, tweede lid, van hetzelfde Wetboek voorziene tarief en met het product van de volgende 2 factoren vastgesteld volgens de regels vermeld in a en b :
a) - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1989 of aan een vorig aanslagjaar : 15 of 7 naargelang het gaat om meubels en kantoormaterieel enerzijds, of andere bestanddelen anderzijds ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1990 of 1991 maar vóór 1 januari 1991 : 10 ;
- indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1991 : 10,5 ;
b) een breuk :
- met als noemer het aantal van de belastbare tijdperken waarover de afschrijvingsduur van het betreffende vaste activum zich uitstrekt ;
- met als teller het aantal van die tijdperken die nog niet verstreken zijn op het ogenblik waarop het niet naleven van de verplichting zich voordoet.

§ 4. De belanghebbende belastingplichtigen moeten de in artikel 81, 2°, vermelde opgave staven door dezelfde documenten als deze vastgelegd in artikel 48, § 4. Voorheffingen en verrekening van voorheffingen.
artikelen 250, 300, § 1 en 312)

Art. 83. Voor de berekening van de roerende voorheffing wordt het bedrag van het belastbare inkomen in euro vastgesteld en afgerond op de cent.
De roerende voorheffing wordt in euro gevestigd en afgerond op de cent.

Art. 85. Bij iedere storting van roerende voorheffing of ten laatste binnen 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten, overhandigt de belastingschuldige aan de dienst aangeduid door de Minister of zijn gedelegeerde een aangifte van die inkomsten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
Tot staving van die aangifte kan de administratie der directe belastingen een tot bewijs strekkend uittreksel uit de boeken of rekeningen van de belastingschuldige, door hem of zijn vertegenwoordiger gedateerd, getekend en echt verklaard, doen overleggen.
artikelen 57, 250, 271, 275, §§ 1 en 2, 300 § 1, en 312)

Art. 86. Natuurlijke en rechtspersonen, zomede alle personen die geheel of ten dele, uit welken hoofde ook, de leiding of het beheer van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid waarnemen, moeten de bedrijfsvoorheffing die aan de bron verschuldigd is op de door hen betaalde of toegekende en in artikel 87 vermelde inkomsten, in de Schatkist storten.
De vennootschap of VZW waarbinnen een in artikel 90, eerste lid, 1° bis, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermeld erkend platform is ingericht, wordt geacht de in artikel 87, 2° bis, vermelde inkomsten met betrekking tot de overeenkomsten die door dat platform tot stand zijn gebracht, te betalen of toe te kennen.

Art. 87.

Art. 87 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 13 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

Art. 87, 2°bis, is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 01.01.2019 (art. 5 en 7, 2de lid, KB 03.07.2019 - B.S. 12.07.2019; Numac: 2019030643)

 

Behoudens de door de wet en door internationale overeenkomsten bepaalde vrijstellingen, is de bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd op:

a) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de in de artikelen 3, 179 of 220 van hetzelfde Wetboek vermelde personen als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland betalen of toekennen.

b) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van voormeld Wetboek die in de artikelen 227 van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoners in België of in het buitenland betalen of toekennen, voor wie die inkomsten beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek.

2° bezoldigingen die volledig of hoofdzakelijk bestaan uit fooien of dienstpercenten, door de cliënteel betaald aan personen die in België krachtens een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn door belastingschuldigen als vermeld in artikel 86;

3° prijzen, subsidies, renten of pensioenen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek;

4° uitkeringen of kapitalen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, van hetzelfde Wetboek, die rijksinwoners betalen of toekennen aan niet-rijksinwoners;

4°bis persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding, als vermeld in artikelen 90, eerste lid, 12°, en 228, § 2, 9°, k, van hetzelfde Wetboek, betaald of toegekend aan onderzoekers;

5° hierna vermelde inkomsten wanneer zij aan niet-inwoners als vermeld in artikel 227 van hetzelfde Wetboek, worden betaald of toegekend:

a) winst en baten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek;

b) commissielonen, provisies, vacatiegelden, toelagen, erelonen en alle andere vergoedingen wegens prestaties of diensten van welke aard ook, zomede auteurs-reproduktie- en andere gelijkaardige rechten, die in artikel 86 vermelde personen toevallig of niet in België, in het kader van hun beroepswerkzaamheid of van hun voorwerp, betalen of toekennen aan welke personen ook voor wie die retributies in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek vermelde baten zijn;

c) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, b, van hetzelfde Wetboek;

d) inkomsten vermeld in artikel 228, § 2, 8°, van hetzelfde Wetboek;

e) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, d, van hetzelfde Wetboek;

f) inkomsten vermeld in artikel 228, § 3, van hetzelfde Wetboek;

6° presentiegelden door in artikel 86 vermelde personen betaald of toegekend aan welke personen ook voor wie die presentiegelden baten zijn als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek;

7° het geheel van de winst en de baten die overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29, §1, en 364 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden geacht te zijn toegekend aan niet-inwonende vennoten of leden van vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 229, §3, van hetzelfde Wetboek.

8° meerwaarden die door niet-inwoners als vermeld in artikel 227, 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek worden verwezenlijkt bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, voor zover die meerwaarden begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a, en 4° van hetzelfde Wetboek vermelde winst of baten.

9° vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten, zelfs indien ze op een vorige beroepswerkzaamheid betrekking hebben.


Art. 88. Het bedrag van de aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de schalen en de erbij horende regels vermeld in bijlage III.

Art. 89. artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van

§ 4. Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'

Art. 90.

§ 1. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde termijn langs elektronische weg een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen bij het kantoor aangeduid door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen volgens de regels van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en zijn uitvoeringsbesluit.
Door de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moet eveneens langs elektronische weg een aangifte worden ingediend ingeval :
- zij voor een bepaalde periode geen in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend ;
- zij in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend waarop echter volgens de schalen en de regels waarvan sprake in artikel 88 geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
De schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze aangiften geschieden op papier.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot haar indiening.

§ 2. (…)

§ 3. De werkgever of de hiermee gelijkgestelde vennootschap die in toepassing van de artikelen 2758, § 1, eerste lid, of 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing en die verzaakt aan de verplichting om aan te tonen dat één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen gedurende de voorgeschreven termijn behouden zijn gebleven en gedurende deze periode hebben voldaan aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2758, § 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, moet volgens de modaliteiten vastgelegd in § 1, eerste lid, een afzonderlijke aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen.
In afwijking van § 1 verstrijkt de termijn voor het indienen van deze afzonderlijke aangifte op respectievelijk:
- de 15de dag na het verstrijken van de 36ste maand volgend op de maand waarin de nieuwe arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing;
- de 15de dag na het verstrijken van de 60ste maand volgend op de maand waarin de nieuwe arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing.
Deze aangifte bevat:
a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;
b) in het vak "belastbare inkomsten": het totaal van de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen die verbonden zijn met één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen bedoeld in het eerste lid en waarvoor in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, of artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek een aangifte als bedoeld in artikel 952, § 3, is overgelegd;
c) in het vak "verschuldigde bedrijfs- voorheffing": het totaal van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing dat verbonden is met één of meerdere nieuwe arbeidsplaatsen bedoeld in het eerste lid;
d) in het vak "jaar en periode van betaling der inkomsten": de maand en het jaar waarin het vroegste van de twee volgende tijdstippen heeft plaatsgevonden:
- het tijdstip waarop de aangifte wordt overgelegd;
- voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing: het tijdstip waarop de 36ste maand volgend op de eerste invulling van de nieuwe arbeidsplaats, verstreken is;
- voor de in het eerste lid vermelde werkgever die in toepassing van artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tijdelijk is vrijgesteld van de storting van 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing: het tijdstip waarop de 60ste maand volgend op de eerste invulling van de nieuwe arbeidsplaats, verstreken is.

§ 4. Voor de toepassing van § 1 moeten de in vervangen door de woorden artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de in artikel 87, 7°, vermelde inkomsten overeenkomstig artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen bij de bevoegde ontvanger en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen volgens de regels van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en zijn uitvoeringsbesluit.

Art. 91. Ingeval vergoedingen in globo aan een in artikel 87, 5°, vermelde niet-inwoner die leider is van een orkest, gezelschap of ploeg en die alleen persoonlijk jegens de schuldenaar van de inkomsten gebonden is, worden betaald of toegekend ter beloning van de prestaties van het orkest, het gezelschap of de ploeg, rust de verplichting tot aangifte en storting van de bedrijfsvoorheffing op de schuldenaar van de totale vergoeding, zowel voor het
ploeg voor zich houdt, als voor het deel dat hij aan de leden daarvan afstaat.

Art. 92.

§ 1. Bij het einde van elk jaar moeten de in artikel 270, eerste lid, 1° tot 3° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing voor iedere verkrijger van inkomsten langs elektronische weg de fiches waarvan sprake is in artikel 57 van hetzelfde Wetboek indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

§ 2. De in § 1 bedoelde schuldenaars zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde fiches namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze fiches geschieden op papier of op elektronische informatiedrager.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model van de fiches vast en bepaalt de modaliteiten met betrekking tot hun indiening.

§ 3. (…)

§ 4. Een vrijstelling om de in dit artikel vermelde fiches in te dienen, kan verleend worden door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde, op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag en binnen de grenzen en onder de voorwaarden die hij stelt, aan openbare machten, instellingen en lichamen, voor pensioenen en sociale toelagen waarvan het bedrag het belastingvrije minimum niet bereikt.
De instellingen die pensioenen betalen of toekennen die bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen, zijn ervan vrijgesteld om de in dit artikel vermelde fiches voor die pensioenen in te dienen wanneer er een fiche als bedoeld in artikel 321ter van het hetzelfde Wetboek voor wordt ingediend.

§ 5. De in artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten een bijzondere opgave opstellen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan de verplichting opleggen om deze bijzondere opgave, behoudens een eventueel door hem verleende vrijstelling, langs elektronische weg in te dienen en kan de modaliteiten met betrekking tot hun indiening bepalen.

Art. 93.

§ 1. Tot staving van de overeenkomstig de artikelen 90 en 91 ingediende aangiften moeten de in artikel 270, eerste lid, 1° tot 3° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing de fiches, bedoeld in artikel 92, vóór 1 maart van het jaar na dat waarop die fiches betrekking hebben, indienen bij de bevoegde dienst
De in het eerste lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten vóór 1 maart een afschrift van de fiche, behoorlijk ingevuld, aan iedere verkrijger van inkomsten overhandigen om hem in staat te stellen eventueel zijn aangifte in de personenbelasting of in de belasting van niet- inwoners in te vullen.

§ 2. De in artikel 270, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing, moeten tot staving van de overeenkomstig artikel 90, § 4, ingediende aangifte, de in artikel 92, § 5, vermelde bijzondere opgave uiterlijk vier maand na het verstrijken van de periode waarop die opgave betrekking heeft, indienen bij de overeenkomstig artikel 297 van hetzelfde Wetboek aangewezen controle "Buitenland".

§ 3. De in artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die beroepsinkomsten betalen of toekennen aan in artikel 171, 1°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingplichtigen, moeten een verklaring van de bedoelde belastingplichtigen ter beschikking houden van de Administratie waarin deze attesteren al dan niet te voldoen aan de voorwaarde voorzien in artikel 171, 1°, i, WIB 92.

Art. 93bis. artikel 93bis van voormelde gecoôrdineerde wet, behalve wanneer die uitkering wordt gecumuleerd met inkomsten als vermeld in

Art. 94. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing kunnen :
- kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren van de in bijlage III neergelegde schalen en toepassingsregels aanvragen ;
- indien zij ingevolge de vrijstelling van artikel 90, § 1, derde lid, de aangifte in de bedrijfsvoorheffing op papier indienen, kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze aangiften aanvragen ;
- indien zij ingevolge de vrijstelling van artikel 92, § 2, de daarin bedoelde fiches op papier indienen, kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van deze fiches aanvragen.
- kosteloos aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit exemplaren voor het opstellen van de bijzondere opgave bedoeld in artikel 92, § 5 aanvragen ;
De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die ingevolge de vrijstelling van artikel 92, § 2 de daarin bedoelde fiches op papier indienen, mogen bovendien exemplaren van fiches gebruiken die afwijken van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen, op voorwaarde dat deze exemplaren al dezelfde vermeldingen bevatten en van hetzelfde formaat zijn als de modellen.

Art. 95.

Art. 952 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 14 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

Art. 952, § 1 en 3, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het besluit in het Belgisch Staatsblad (19.05.2019) (art. 2, KB 13.04.2019 - B.S. 09.05.2019; Numac: 2019012149)

Art. 952, § 1, derde lid, 11°, en § 3, b, 5°, en c, 12°, is van toepassing vanaf 01.03.2019 (art. 1 en 4, KB 13.04.2019 - B.S. 03.05.2019; Numac: 2019011574​)


§ 1. De in het derde lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in artikel 2757 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, die een deel van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk moeten besteden aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen, zijn er evenwel toe gehouden drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing over te leggen volgens het in de §§ 2, 3 en 3bis vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn:

1° de werkgevers omschreven in artikel 2751, tweede lid, van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door een werknemer gepresteerd overwerk;

2° de werkgevers beoogd in artikel 2752 van hetzelfde Wetboek die behoren tot de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector;

3° a) de universiteiten en hogescholen beoogd in artikel 2753, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistentonderzoekers en het Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - het Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen - FWO en het Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers;

b) de wetenschappelijke instellingen beoogd in artikel 2753, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers;

c) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die aan onderzoeksprojecten werken ter uitvoering van samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met in a) en b) bedoelde universiteiten of hogescholen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, of erkende wetenschappelijke instellingen;

d) de vennootschappen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, die onder de definitie van "Young Innovative Company" vallen en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan wetenschappelijk personeel dat als werknemer door deze vennootschap wordt tewerkgesteld;

e) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, derde lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 1° of 2°, vermeld diploma hebben.

f) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, vermeld diploma hebben.

g ) de ondernemingen beoogd in artikel 2753, § 1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 2753, § 2, 3° of 4°, vermeld diploma hebben, en die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald.

4° de werkgevers beoogd in artikel 2754 van hetzelfde Wetboek, die behoren tot de sector van de zeevisserij;

5° de ondernemingen beoogd in artikel 2755 van hetzelfde Wetboek, waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie of een systeemvaartpremie betalen of toekennen.

6° de schuldenaars beoogd in artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars;

7° de werkgevers omschreven in artikel 2757, tweede lid, van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen;

8° de in artikel 2758, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, de hiermee in toepassing van artikel 2758, § 1, negende lid, van hetzelfde Wetboek gelijkgestelde vennootschappen en de in artikel 2758, § 1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid, die bezoldigingen bedoeld in artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek betalen of toekennen;

9° de in artikel 2759, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, de hiermee in toepassing van artikel 2759, § 1, tiende lid, van hetzelfde Wetboek gelijkgestelde vennootschappen en de in artikel 2759, § 1, negende lid, van hetzelfde Wetboek beoogde ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid, die bezoldigingen bedoeld in artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek betalen of toekennen;

10° de werkgevers beoogd in artikel 27510, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen;

11° de werkgevers beoogd in artikel 27511 van hetzelfde Wetboek, die compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen.

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;

b) in het vak "belastbare inkomsten":

1° voor de in § 1, derde lid, 1°, bedoelde schuldenaars: de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;

2° voor de in § 1, derde lid, 2°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen aan hun werknemers die zij als communautaire zeelieden tewerkstellen aan boord van in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, derde lid, 3° tot 6° en 10°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

4° voor de schuldenaars bedoeld in § 1, derde lid, 7°:

- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

4°/1 voor de in § 1, derde lid, 8° tot 9°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2758, § 4, van hetzelfde Wetboek;

5° voor de in § 1, derde lid, 11°, bedoelde schuldenaars: het bedrag van de door de werkgever in die periode betaalde of toegekende compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing":

1° voor de in § 1, derde lid, 1°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan:

- 32,19 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 % is toegepast;

- 41,25 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % is toegepast;

2° voor de in § 1, derde lid, 2°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend aan hun werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, derde lid, 3°, a tot e, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 80 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

4° voor de in § 1, derde lid, 3°, f, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 40 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, evenwel beperkt tot 25 % van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's en die een in artikel 2753, § 2, 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek bedoeld diploma hebben;

5° voor de in § 1, derde lid, 3°, g, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 40 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffingop de belastbare bezoldigingen, evenwel beperkt tot 50 % van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de vennootschappen die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald;

6° voor de in § 1, derde lid, 4°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, volgens het volgende onderscheid:

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 2754, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, dan moet uitsluitend het positieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 2754, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, moet uitsluitend het negatieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

7° voor de in § 1, derde lid, 5°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 22,8 % of, voor de in artikel 2755, § 3, van hetzelfde Wetboek bedoelde ondernemingen, aan 25 % of, voor de in artikel 2755, § 5, van hetzelfde Wetboek bedoelde ondernemingen, aan 6 % van de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, vastgestelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies of systeemvaartpremies inbegrepen, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

8° voor de in § 1, derde lid, 6°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 80 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

9° voor de in § 1, derde lid, 7°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 0,12 % of, voor de in artikel 2757, tweede lid, b en c, van het voormelde Wetboek bedoelde werkgevers, een negatief bedrag gelijk aan 1 %, of, voor de in artikel 2757, derde lid, b, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde werkgevers, een negatief bedrag gelijk aan 1,12 % van:

- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;

10° voor de in § 1, derde lid, 8° en 9° bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 25 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

11° voor de in § 1, derde lid, 10°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 10 % of, voor de in artikel 27510, vierde lid, van hetzelfde Wetboek beoogde werkgevers, gelijk aan 20 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

12° voor de in § 1, derde lid, 11°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de in die periode betaalde of toegekende compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die effectief in mindering worden gebracht van de voor die periode verschuldigde bedrijfsvoorheffing, desgevallend vermeerderd met de compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die werden betaald of toegekend in een vorige periode die tot hetzelfde kalenderjaar behoort en nog niet in mindering konden worden gebracht van de voor een vorige periode verschuldigde bedrijfsvoorheffing;

§ 3bis. De derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing van de in § 1, tweede lid, beoogde werkgevers heeft uitsluitend betrekking op het bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing dat onmiddellijk wordt besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen, en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak 'aard van de inkomsten': code 47;

b) in het vak "belastbare inkomsten": het deel van de in § 3, c, 9°, bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing dat uitsluitend betrekking heeft op de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een positief bedrag dat gelijk is aan drie vierden van de in b vermelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

§ 5. De in uitvoering van artikel 2753, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 erkende instellingen zijn opgenomen in bijlage IIIquater bij dit besluit.​

Art. 96.

§ 1. Voor de regelmatige inning van de roerende voorheffing zijn de instellingen en personen die zijn vermeld in de artikel 5 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, en die in België inkomsten van buitenlandse oorsprong uitbetalen of op enigerlei wijze bij de incassering van zulke inkomsten optreden, verplicht die verrichtingen, naarmate zij zich voordoen, te boeken in een bijzonder register.
Het register dat alle door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen moet bevatten, kan zowel op papier als op een elektronische informatiedrager worden bijgehouden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de inkomsten die zijn bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Wanneer het register op papier wordt bijgehouden, moet het op elk verzoek van de in artikel 101 aangewezen ambtenaren onmiddellijk worden voorgelegd.
Als het register wordt bijgehouden op een elektronische informatiedrager, moet de in § 1 bedoelde instelling of persoon :
- de passende maatregelen treffen die iedere wijziging, toevoeging of schrapping van geregistreerde gegevens op zijn elektronische informatiedrager beletten ;
- en, op elk verzoek van de in artikel 101 aangewezen ambtenaren, onmiddellijk toelaten om die gegevens te lezen en op zijn uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopieën te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
Art. 97 …

Art. 98. Elke zending binnen het land of naar het buitenland van coupons of middelen tot inning waarop verrichtingen als vermeld in artikel 96 betrekking hebben, moet vergezeld gaan van een uittreksel uit het bij § 1 van dat artikel voorgeschreven register, waarin de door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen voorkomen.

Art. 99. Tenzij de in artikel 98 gestelde formaliteiten vervuld zijn, is het verboden coupons of andere middelen tot inning van inkomsten van buitenlandse oorsprong, al dan niet afgeknipt van de effecten waartoe zij behoren, naar het buitenland te zenden.

Art. 100. De Minister van Financiën stelt het model van de in de artikelen 96 tot 99 vermelde registers, zegels en documenten vast en regelt het bijhouden of de gebruikswijze daarvan.

Art. 101. De ambtenaren van de administratie der directe belastingen en van de administratie der douane en accijnzen zijn bevoegd om de overtredingen van de artikelen 96 tot 99 vast te stellen.
voorheffing
artikel 264)

Art. 101bis.

Art. 101bis is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 15 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 2°bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten worden gelijkgesteld met de gereglementeerde markten bedoeld in artikel 2, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de gereglementeerde secundaire markten voor financiële instrumenten, al dan niet voor het publiek toegankelijk, die zijn geplaatst onder het toezicht van een toezichthouder welke een gewoon lid is van de "Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders" (IOSCO), indien de statutaire zetel van de marktonderneming welke de gereglementeerde secundaire markt organiseert, is gevestigd in een Staat, niet bedoeld in artikel 2, 6°, van voormelde wet van 2 augustus 2002:

- die een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met België;

- of waarvan de toezichthouder van de gereglementeerde markten met de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.​

Art. 101ter. De Federale overheidsdienst Financiën stelt elk jaar, voor de toepassing van artikel 101bis , een lijst (1) op van de landen waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede, op voorstel van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, een lijst van de toezichthouders welke gewoon lid zijn van de IOSCO en een lijst van de toezichthouders met dewelke de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.
Deze lijsten en alle tijdens het jaar daarin aangebrachte wijzigingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.



1) Bericht BS 17.01.2013 Bericht BS 29.05.2015, ed. 2 Bericht BS 21.02.2017, ed. 2 Bericht BS 23.05.2022

Art. 102.

Art. 102, inleidende zin, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 8, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 

Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het geheel van de reserves bepaald volgens artikel 206/1 van hetzelfde Wetboek en van de winst die is gereserveerd onder het stelsel van wetgevingen vóór de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, in de volgende categorieën onderverdeeld:

1° reserves overeenstemmend met winst die voorheen ten name van de vennoten is belast;

2° reserves overeenstemmend met bedragen die ingevolge artikel 202 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of artikel 52, § 1, eerste lid, van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zijn afgetrokken van gereserveerde winst die voor de aanslagjaren 1973 en vorige belastbaar was;

3° reserves overeenstemmend met alle andere maatschappelijke winst.


Art. 103. Wanneer op het einde van het belastbare tijdperk een vermindering van het totaal van de reserves wordt vastgesteld wordt de ermede overeenstemmende opneming achtereenvolgens aangerekend, eerst op de in artikel 102, 2°, vermelde reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de in 3° van dat artikel vermelde reserves en tenslotte op de in 1° vermelde reserves.

Art. 104. De opnemingen vermeld in artikel 103 worden geacht in de in dat artikel aangegeven volgorde te hebben gediend :

1° tot betaling van dividenden ;

2° tot alle andere doeleinden.
verzaking van de inning van roerende voorheffing.
artikel 266)

Art. 105.

Art. 105, eerste lid, 1°, k), eerste streepje, en eerste lid, 2°, b), is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 9, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 

Voor de toepassing van de artikelen 106 tot 119 verstaat men:

1° onder "financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen, behalve die welke voor 1 januari 1990 in vereffening zijn gesteld":

a) de in België gevestigde kredietinstellingen bedoeld in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen evenals de Nationale Bank van België;

b) de ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

- een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap zijn;

- die, voor het belastbaar tijdperk dat de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten voorafgaat, aandelen bezat die de aard van financiële vaste activa hebben waarvan de aanschaffingswaarde gemiddeld ten minste 50 % vertegenwoordigde van haar balanstotaal bij het afsluiten van het boekjaar dat met dat belastbaar tijdperk is verbonden;

- en waarvan de aandelen zijn genoteerd op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 264, eerste lid, 2°bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of die voor ten minste 50 %, rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn van een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard is onderworpen, die niet een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht of die niet een aanzienlijk gunstigere regeling geniet dan de Belgische vennootschapsbelasting, en waarvan de aandelen genoteerd zijn op een gereglementeerde markt als bedoeld in hetzelfde artikel. Voor de toepassing van deze voorwaarde worden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België;

c) de financiële ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

- een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap zijn;

- welke behoort tot een groep van verbonden of geassocieerde vennootschappen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;

- welke haar activiteiten uitsluitend uitoefent in het voordeel van de vennootschappen van de groep;

- welke zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard;

- welke zich uitsluitend financiert bij binnenlandse vennootschappen of rechtspersonen als bedoeld in de artikelen 220 en 227 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met als enig doel eigen verrichtingen of verrichtingen van verbonden of geassocieerde vennootschappen te financieren;

- en welke geen aandelen bezit waarvan de aanschaffingswaarde meer bedraagt dan 10 % van de fiscale nettowaarde van de financiële onderneming;

d) (...)

e) (...)

f) de in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet en krediegevers inzake consumentenkrediet die bij toepassing van boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, van het Wetboek economisch recht, gemachtigd zijn om het bedrijf van kredietgever inzake consumentenkrediet of van kredietgever inzake hypothecair krediet op het Belgisch grondgebied uit te oefenen;

g) (...)

h) (...)

i) de Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en de Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;

j) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen vallen, zomede die welke onder het Vlaams decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid vallen;

k) de hierna volgende vennootschappen voor huisvestingskrediet:

- de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij of andere gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, en de door hen of de door de bevoegde regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen;

- het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zomede de door het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest erkende vennootschappen of instellingen die tot doel hebben leningen toe te staan voor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrichten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen;

l) de Belgische inrichtingen van niet in a tot k vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend bestaat in het toestaan van kredieten en leningen;

2° onder "parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen":

a) de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die onder de toepassing vallen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, zomede alle andere inrichtingen of instellingen die krachtens de sociale wetgeving belast zijn met het inzamelen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de gelden bestemd voor het toekennen van door die wetgeving vastgestelde voordelen, en zich met geen andere exploitaties of verrichtingen van winstgevende aard dan de plaatsing van de vermelde gelden bezighouden;

b) het Federale Agentschap van de Schuld, de Nationale Kas voor Rampenschade, de Deposito- en Consignatiekas, (...) de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten afhangen, zomede de verenigingen zonder winstoogmerk Gezinsbond en Ligue des Familles in zover zij goedkope leningen aan hun leden verstrekken;

c) de internationale of supranationale instellingen naar publiek recht of de Belgische inrichtingen van dergelijke instellingen die krachtens internationale overeenkomsten of krachtens bijzondere, voor de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende wettelijke bepalingen, van belasting op hun in België verkregen inkomsten zijn vrijgesteld;

3° onder "beroepsbeleggers":

a) de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die de rentegevende roerende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;

b) de binnenlandse vennootschappen die niet vermeld zijn in 1° van dit artikel;

c) de niet in 1° van dit artikel vermelde inrichtingen waarover niet-inwoners, die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232, 2°, a, en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in België beschikken;

4° onder "privé-spaarders", de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die hun rentegevende roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;

5° onder "spaarders niet-inwoners", de in artikel 227 van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen die hun roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België hebben gebruikt.

a) onder "vennootschap van een lid-Staat", de vennootschappen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 (2003/49/EG) betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lid-Staten, met dien verstande dat, voor wat de vennootschappen naar Belgisch recht betreft, de verwijzing naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" moet worden begrepen als een verwijzing naar de "besloten vennootschap";

b) onder "verbonden vennootschappen", twee vennootschappen die binnen de Europese Unie gevestigd zijn en aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

- ofwel bezit één van beide verbonden vennootschappen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in het kapitaal van de andere die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden;

- ofwel bezit een derde vennootschap die binnen de Europese Unie gevestigd is, een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in het kapitaal van elk van deze vennootschappen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 %, wordt er geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.


Art. 106.

Art. 106, § 5, derde lid, a), is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023)(art. 10, 1°, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de dividenden waarvan de schuldenaar een buitenlandse vennootschap is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een vennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Die verzaking blijft zonder uitwerking met betrekking tot dividenden vermeld in het eerste lid, die worden geïncasseerd ten voordele van een Belgisch beleggingsfonds of die begrepen zijn in inkomsten van certificaten van buitenlandse beleggingsfondsen.

§ 2. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden en op inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen waarvan de schuldenaar, hetzij een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die (...) haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, hetzij een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner bedoeld in artikel 227, 3°, van hetzelfde Wetboek waarvan het voorwerp uitsluitend bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, die zich uitsluitend zonder winstoogmerk toeleggen op verrichtingen bedoeld in artikel 182, 2°, van hetzelfde Wetboek, en die in het land waarvan hij inwoner is, vrijgesteld is van inkomstenbelastingen.

§ 3. (...)

§ 4. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner ertoe gehouden is, hetzij krachtens een contractuele verplichting de opbrengst van Belgische aandelen die hij in eigen naam beheert door te storten aan de uiteindelijke verkrijger, hetzij een inkomen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen die hij krachtens een ontlening bezit door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger eveneens een spaarder niet-inwoner is bedoeld in § 2 of, wat uitsluitend het tweede geval betreft, een in § 5 of 6 bedoelde moedervennootschap van de dividenduitkerende vennootschap.

§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is, die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming of moedermaatschappij een vennootschap:

a) die een van de rechtsvormen heeft die in de bijlage van de richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten worden genoemd of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, met dien verstande dat, voor wat de vennootschappen naar Belgisch recht betreft, de verwijzing naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", naar "coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid", en naar "gewone commanditaire vennootschap" moet worden begrepen als een verwijzing naar respectievelijk de "besloten vennootschap", de "coöperatieve vennootschap" en de "commanditaire vennootschap";

b) die, volgens de fiscale wetgeving van de Staat waar ze is gevestigd en de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting die deze Staat heeft gesloten met derde Staten, wordt beschouwd in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben;

c) die er is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6bis. De minimumdeelneming vermeld in § 5, tweede lid, , in § 6, tweede lid en in § 6ter, tweede lid, bedraagt:

- 25 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2005;

- 20 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2005;

- 15 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007;

- 10 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2009.

§ 6ter. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een binnenlandse vennootschap is en waarvan de verkrijger een alternatieve instelling voor collectieve belegging is, die opgericht is in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, en die in het buitenland erkend is als Europese langetermijnbeleggingsinstelling overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen. De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de vennootschap uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de binnenlandse vennootschap vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 7. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de dividenden waarvan de schuldenaar een beleggingsvennootschap bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, een beleggingsvennootschap bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, een Europese langetermijnbeleggingsinstelling of een gereglementeerde vastgoedvennootschap is, en waarvan de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.

Die verzaking is niet van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van inkomsten uit Belgisch vastgoed en dividenden die de beleggingsvennootschap, de Europese langetermijnbeleggingsinstelling of de gereglementeerde vastgoedvennootschap zelf heeft verkregen van een binnenlandse vennootschap. Dit lid is echter niet van toepassing indien deze binnenlandse vennootschap deel uitmaakt van de categorieën van vennootschappen zoals bedoeld in het eerste lid en indien de dividenden die zij uitkeert aan de beleggingsvennootschap, aan de Europese langetermijnbeleggingsinstelling of aan de gereglementeerde vastgoedvennootschap niet afkomstig zijn van dividenden die deze vennootschap heeft ontvangen van een binnenlandse vennootschap, of van inkomsten uit Belgisch vastgoed.

§ 8. (...)

§ 9. In de hierna aangegeven mate wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 8°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 met betrekking tot de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven of door een private privak als bedoeld in artikel 298, eerste lid, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders:

a) de roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door de beleggingsvennootschap;

b) wanneer de verkrijger een buitenlandse vennootschap is, is de roerende voorheffing daarnaast evenmin verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden uit aandelen die door buitenlandse vennootschappen zijn uitgegeven.

c) de roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden die onderworpen waren aan een roerende voorheffing die door de beleggingsvennootschap niet kon worden verrekend.


Art. 107.

Art. 107, § 2, 11°, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023)(art. 11, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten vermeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 , die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, wordt van de inning van roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 5 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot:

1° uitgiftepremies, ongeacht de verkrijger, van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten uitgegeven:

- ofwel door de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen of soortgelijke openbare entiteiten gevestigd in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte,

- ofwel bij openbare intekening door binnenlandse vennootschappen, Belgische verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht gevestigd in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte,

voor zover die premies, over de volle duur van de effecten verdeeld, niet ten gevolge hebben het werkelijke jaarlijkse rendement van deze laatste op een bedrag te brengen dat de nominale rentevoet met meer dan 75 centiem overtreft;

2° inkomsten van certificaten van leningen uitgegeven door het Federale Agentschap van de Schuld;

3° inkomsten van effecten van de speciale conversielening van 1962;

4° interest van dagleningen, ook 'callgeld' genoemd;

a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend:

- door de in artikel 105, 1°, a, vermelde kredietinstellingen aan in het buitenland gevestigde kredietinstellingen;

- door beroepsbeleggers aan kredietinstellingen die in het buitenland zijn gevestigd in een land van de Europese Economische Ruimte of waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten;

b) inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en de inkomsten van niet door effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door:

- de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten;

- de Belgische openbare inrichtingen of instellingen voor zover die schuldvorderingen en leningen door de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen zijn gewaarborgd;

- de in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen;

- de in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden;

c) inkomsten van niet door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die, ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 1 maart 1968 tot en met 31 december 1971 door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën zijn erkend als bijzonder de financiering te beogen van verrichtingen die beantwoorden aan het algemeen economische belang en die rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van Belgische inrichtingen van de ontlenende ondernemingen;

- die ondernemingen de bepalingen van § 4 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

d) inkomsten van niet door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die ter uitvoering van overeenkomsten gesloten tijdens het tijdperk gaande van 1 maart 1977 tot en met 31 december 1978, door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen gebruikt worden tot de financiering van verrichtingen die, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën erkend zijn als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;

- die ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

e) inkomsten van schuldvorderingen en leningen, niet vertegenwoordigd door effecten aan toonder of gedematerialiseerde effecten of vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier, die ter uitvoering van tijdens het tijdperk van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1983 gesloten overeenkomsten aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, in zover:

- die schuldvorderingen en leningen worden aangewend tot financiering van investeringen die door de Minister van Financiën, en naar het geval, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Middenstand, de Minister van de Vlaamse Gemeenschap, de Minister van het Waalse Gewest of de Minister van het Brusselse Gewest zijn erkend als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;

- die rechtspersonen of ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;

f) interest van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en van leningen met betrekking tot financiële instrumenten zoals beoogd door het artikel 19, § 1, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 toegekend of betaalbaar gesteld door een beursvennootschap naar Belgisch recht of door een Belgische inrichting van een beleggingsonderneming naar buitenlands recht die dezelfde categorieën van diensten inzake beleggingen mag verlenen als de beursvennootschappen naar Belgisch recht aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.

6° inkomsten van schuldvorderingen en leningen vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier die worden verleend of toegekend, ofwel door de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen ofwel, ter uitvoering van vóór 1 januari 1967 gesloten overeenkomsten, door binnenlandse vennootschappen, Belgische verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht, aan spaarders niet-inwoners;

7° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die worden verleend of toegekend aan:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

c) beroepsbeleggers;

d) privé-spaarders;

8° niet in 1° tot 3° of in § 3 vermelde inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

9° niet in 4° tot 7° vermelde inkomsten van schuldvorderingen en leningen welke niet zijn vertegenwoordigd door effecten of zijn vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:

a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;

b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;

c) beroepsbeleggers;

10° inkomsten van Belgische obligaties die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door niet in 5°, b, vermelde schuldenaars.

De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien de verkrijger:

- ofwel een in artikel 227, 1° of 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is;

- ofwel een in artikel 227, 2° van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoner is die, in het land waarvan hij inwoner is, onderworpen is aan een inkomstenbelasting waarvan de bepalingen niet aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, ofwel waarvan de aandelen niet voor ten minste de helft in het bezit zijn van rijksinwoners;

- ofwel een beleggingsvennootschap is die een openbaar beroep heeft gedaan op het spaarwezen.

11° de inkomsten, andere dan bedoeld in 9°, van leningen aan de Schatkist die niet vertegenwoordigd worden door effecten die toegekend of toegewezen zijn aan rechtspersonen die deel uitmaken van de sector overheid in de zin van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR) voor de toepassing van de Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten;

§ 3. De roerende voorheffing wordt, ongeacht de verkrijgers van de inkomsten, geheven tegen een tarief van 20 % op loten van Belgische oorsprong met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die ter uitvoering van vóór 1 maart 1990 gesloten overeenkomsten worden verleend of toegekend.

§ 4. Nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die de in § 2, 5°, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.

Die verzoekschriften moeten bevatten:

a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen belegging tot financiering waarvoor de lening is bestemd;

b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, c;

c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.

§ 5. Rechtspersonen naar Belgisch publiek recht en nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die de in § 2 ,5°, d en e, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.

Die verzoekschriften moeten bevatten:

a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen verrichtingen tot financiering waarvoor de lening is bestemd;

b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, d en e;

c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.

§ 6. Onverminderd de verzakingen bepaald ingevolge de §§ 1 tot 5, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten uit vastgoedcertificaten, voor wat de toekenningen of betaalbaarstellingen van inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verwezenlijking van het onderliggend onroerend goed, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten en waarvan de gerechtigde wordt geïdentificeerd als:

- een in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschap van een lid-Staat,

- een binnenlandse vennootschap, niet vermeld onder het eerste gedachtestreepje,

op voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn in de zin van artikel 105, 6°, b.

Voor de toepassing van het eerste lid, mogen de rechten, schuldvorderingen of leningen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald, gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, begrepen zijn onder de activa van een inrichting waarover de gerechtigde buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.


Art. 108. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de schuldenaar een niet-inwoner is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

Art. 109. Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten uit certificaten van Belgische beleggingsfondsen, met uitsluiting van de inkomsten verleend of toegekend door Belgische fondsen voor belegging in schuldvorderingen als bedoeld in artikel 271/9 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen.
Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende waarden van buitenlandse oorsprong gedeponeerd in België en op inkomsten bekomen als gevolg van transacties met die waarden, toegekend of betaalbaar gesteld aan collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.

Art. 110. Met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's die, ofwel vóór of vanaf 1 december 1962 zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, ofwel vanaf 1 december 1962 met een overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot :

1° inkomsten van deposito's als vermeld in artikel XX.144 van het Wetboek van economisch recht, verleend of toegekend door de Deposito en Consignatiekas, ongeacht de verkrijgers, voor zover die inkomsten betrekking hebben op een periode na 31 december 1988 ;

2° inkomsten, ongeacht het bedrag, van in artikel 21, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

3° inkomsten verleend of toegekend aan haar leden door een instelling als bedoeld in artikel 22, § 1, 1° of 2° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uit hoofde van deposito's die als dekking worden neergelegd voor de transacties welke zij heeft geregistreerd overeenkomstig het marktreglement ;

4° inkomsten van deposito's, zelfs als vermeld in artikel 21, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend :
a) aan in het buitenland gevestigde banken, door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen ;
b) aan spaarders niet-inwoners door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen alsmede door in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden ;
c) …
d) door beursvennootschappen aan spaarders niet-inwoners ; 5° inkomsten van niet in 1° tot 3° vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

6° …

Art. 111.

Art. 111,tweede lid en derde lid, is van toepassing op inkomsten die betaald of toegekend worden vanaf de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad (01.11.2025) (art. 1 en 3, KB 21.10.2025 - B.S. 31.10.2025; Numac: 2025008225)

 

Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, en inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, zomede met betrekking tot opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien indien de verkrijgers:

a) aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn;

b) binnenlandse vennootschappen zijn;

c) internationale of supranationale instellingen zijn als vermeld in artikel 105, 2°, c.

d) in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschappen van een lid-Staat, andere dan binnenlandse vennootschappen, zijn op voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn in de zin van artikel 105, 6°, b.

Voor de toepassing van het eerste lid, d, mogen de rechten of goederen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald, gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, begrepen zijn onder de activa van een inrichting waarover de gerechtigde buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.

Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van lichamelijke roerende goederen, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien voor zover de verkrijger geïdentificeerd wordt als een in artikel 227, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige en waarbij de schuldenaar een binnenlandse vennootschap, een rijksinwoner die de lichamelijke roerende goederen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt of een Belgische inrichting is.

Indien de inkomsten bedoeld in het derde lid evenwel worden betaald of toegekend aan verkrijgers waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling die aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België , wordt de verzaking bedoeld in het derde lid slechts toegestaan wanneer de betaling of toekenning van de inkomsten kadert binnen een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Een belastingregeling wordt niet beschouwd als aanzienlijk voordeliger indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.


Art. 111bis.

Art. 111bis is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 19 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​]


§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, andere dan degene bedoeld in artikel 265, tweede lid, van hetzelfde wetboek, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of als een belastingplichtige onderworpen aan de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek, die de financiële instrumenten, die het voorwerp uitmaken van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de lening, voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten die zijn betaald of toegekend in uitvoering van een lening met een looptijd die gelijk is aan of langer is dan één jaar met betrekking tot deze financiële instrumenten.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, verkregen uit financiëleinstrumenten en die ten laste zijn van een leningnemer, een cessionaris of een pandnemer zijnde een rijksinwoner, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België, de Belgische Staat of de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan, of een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner die aanspraak kan maken op de toepassing van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting gesloten tussen België en de Staat waarvan hij inwoner is.​​

Art. 112. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten die begrepen zijn in de in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde lijfrenten of tijdelijke renten waarvan de verkrijgers aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn.

Art. 113.

§ 1. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, met uitzondering van de inkomsten vermeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, zomede tot inkomsten van effecten van het Belgisch- Kongolees fonds voor delging en beheer en van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot :

1° inkomsten verleend of toegekend aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen ;

2° a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen aan in het buitenland gevestigde banken ;
b) inkomsten van niet door effecten aan toonder of door gedematerialiseerde effecten vertegenwoordigde schuld- vorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen, aan spaarders niet- inwoners ;

3° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die, zelfs ter uitvoering van een overeenkomst die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van die interest of inkomsten legt, worden verleend of toegekend aan :
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen ;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;
c) beroepsbeleggers ;
d) privéspaarders.

§ 3. Met betrekking ofwel tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die zijn uitgegeven door de Staat, de provincies, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen of door internationale of supranationale instellingen naar publiek recht waarvan België lid is, die van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld krachtens de samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen of krachtens vóór de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende bijzondere wettelijke bepalingen, ofwel tot inkomsten van effecten van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer ofwel tot inkomsten van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien op :
a) loten en premies, ongeacht de verkrijgers ;
b) de interest van de lening 3,5 % 1965-2005 van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, wie ook de verkrijgers zijn ; c) de interest van de 2,5 % schuld van de Belgische Staat waarvan de verkrijgers spaarders niet-inwoners zijn.

§ 4. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens de voorgaande §§ 2 en 3 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 %.

§ 5. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten en van schuldvorderingen en leningen, die niet van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeen- komstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.

§ 6. De in §§ 2 tot 5 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van lening bedongen opzeggingstermijn ; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.

§ 7. Onverminderd de verzakingen bepaald ingevolge de §§ 1 tot 6, zijn de bepalingen voorzien in artikel 107, § 6 eveneens van toepassing op de in § 1 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten.

Art. 114.

§ 1. Met betrekking tot inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die vóór 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van deposito's, die worden verleend of toegekend :
a) aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen ;
b) door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen aan in het buitenland gevestigde banken ; c) door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen, aan spaarders niet- inwoners.

§ 3. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens voorgaande § 2 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 %.

§ 4. Met betrekking tot inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeenkomstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.

§ 5. De in §§ 2 tot 4 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van deposito bedongen opzeggingstermijn ; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.

§ 6. Worden niet als opzeggingstermijn in de zin van dit artikel aangemerkt, de wettelijke of overeengekomen termijnen die slechts een waarborg uitmaken die de depositaris wenst aan te voeren.

Art. 115.

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, eerste lid, 6° en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan ter uitvoering van artikel 14516, 1°, van hetzelfde Wetboek erkende pensioenspaarfondsen.

§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, eerste lid, 6° en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan houders van een in artikel 14516, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde individuele spaarrekening, met betrekking tot de in die rekening begrepen activa.

Art. 116. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17 en 90, eerste lid, 6°, en 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten, andere dan dividenden van Belgische oorsprong, die worden verleend of toegekend aan beleggingsvennootschappen, aan Europese langetermijnbeleggingsinstellingen of aan gereglementeerde vastgoedvennootschappen:

1° als bedoeld in de artikelen 15, 148 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;

2° als bedoeld in de artikelen 190, 195, 257, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

2°bis als bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, i), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of zijnde een alternatieve instelling voor collectieve belegging, die opgericht is in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, en die in het buitenland erkend is als Europese langetermijnbeleggingsinstelling overeen- komstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijn- beleggingsinstellingen;

3° als bedoeld in bepalingen van buitenlands recht gelijkaardig aan deze in 1° en 2° en
- die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en
- die hun rechten van deelneming niet openbaar aanbieden in België;

4° als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 november 2016 met betrekking tot gespecialiseerde vastgoedbeleggings- fondsen.

Art. 116bis. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten, waarvan de verkrijgers deel uitmaken van een van de volgende categorieën :

1° binnenlandse vennootschappen ;

2° (…)

3° de in artikel 105, 2° vermelde parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen ;

4° de in artikel 105, 5°, vermelde spaarders niet-inwoners ;

5° de in artikel 115 vermelde beleggingsfondsen ;

6° de in artikel 227, 2° van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen, die volgens artikel 233 van hetzelfde Wetboek aan de belasting van niet-inwoners onderworpen zijn en die de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken ;

7° collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.

Art. 117.

Art. 117, § 13, is van toepassing op inkomsten die betaald of toegekend worden vanaf de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad(01.11.2025) (art. 2 en 3, KB 21.10.2025 - B.S. 31.11.2025; Numac: 2025008225)

 

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]

 

§ 1. Geen voorwaarde is gesteld met betrekking tot de volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing op:

1° inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, vermeld in:

a) artikel 107, § 2, 1° tot 5°, a en 11°;

b) de artikelen 107, § 2, 7° en 113, § 2, 2°, a, en 3°;

c) de artikelen 107, § 3, en 113, § 3, a en b, en § 4;

2° inkomsten van certificaten van Belgische beleggingsfondsen vermeld in artikel 109,eerste lid;

3° inkomsten van deposito's vermeld in de artikelen 110, 1° en 4°, a, en 114, § 2, b, en § 3;

4° inkomsten vermeld in artikel 111, a tot c.

§ 2. De in artikel 106, § 2, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) spaarders niet-inwoners zijn bedoeld in artikel 227, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een voorwerp dat uitsluitend bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, die zich uitsluitend zonder winstoogmerk toeleggen op verrichtingen bedoeld in artikel 182, 2°, van hetzelfde Wetboek, en die in het land waarvan ze inwoner zijn, vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen;

c) niet gehouden zijn de opbrengst van aandelen of winstbewijzen aan de uiteindelijke verkrijger krachtens een contractuele verplichting door te storten of een inkomen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot Belgische aandelen die ze krachtens een overeenkomst bezitten door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger eveneens een niet-inwoner is bedoeld in artikel 106, § 2, of, wat uitsluitend het tweede geval betreft, een moedervennootschap bedoeld in artikel 106, § 5 of § 6, van de dividenduitkerende vennootschap.

§ 3. (...)

§ 4. De in artikel 106, § 5, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een moedermaatschappij is in de zin van artikel 106, § 5;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming behouden heeft gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden het in § 5bis vermelde minimum is gedaald.

§ 5. De in artikel 106, § 6, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis heeft behouden in het kapitaal van de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een minimumdeelneming als vermeld in § 5bis wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden het in § 5bis vermelde minimum is gedaald.

§ 5bis. De minimumdeelneming vermeld in § 4, eerste lid, b en tweede lid, a en c, en in § 5, eerste lid, b en tweede lid, a en c, bedraagt:

- 25 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 januari 2005;

- 20 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2005;

- 15 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007;

- 10 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2009.

§ 6. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge de artikelen, 107, § 2, 5°, b tot f, en 6°, 110, 4°, b en d, 113, § 2, 2°, b, en § 3, c, en 114, § 2, c, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.

§ 6/1. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolgde de artikelen 106, § 7, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.

De verzaking wordt bovendien slechts toegestaan indien de schuldenaar van de roerende voorheffing opgeeft in welke mate dat de uitgekeerde dividenden al dan niet voortkomen uit de in het tweede lid bedoelde dividenden en inkomsten.

§ 6bis. De in de artikelen 107, § 6, 111, d, en 113, § 7, gestelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd:

a) dat de gerechtigde een binnenlandse vennootschap of een in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschap van een lidstaat is;

b) dat desgevallend de in artikel 105, 6°, b, vermelde derde vennootschap een vennootschap van een lid-Staat van de Europese Unie is;

c) dat, naargelang het geval, de schuldenaar, de gerechtigde of de derde vennootschap, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, gedurende een ononderbroken periode van ten minste een jaar een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25 % in volle eigendom behouden heeft respectievelijk in het kapitaal van de gerechtigde of van de schuldenaar of in het kapitaal van de ene en de andere van deze vennootschappen;

d) dat de gerechtigde tot de inkomsten eigenaar of vruchtgebruiker is van de effecten, rechten of goederen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald en dat deze effecten, rechten of goederen gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, voorkomen onder de activa van een inrichting waarover hij buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.

Indien op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, de in littera c van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger of de derde vennootschap aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat de naleving ervan onmiddellijk ter kennis van de schuldenaar van de inkomsten zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de schuldenaar van de inkomsten zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.

6ter. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 107, § 2, 10°, wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijger:

a) eigenaar of vruchtgebruiker is van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoner is die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruikt;

c)

- ofwel een in artikel 227, 1° of 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is;

- ofwel een in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde niet-inwoner is die, in het land waarvan hij inwoner is, onderworpen is aan een inkomstenbelasting waarvan de bepalingen niet aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, ofwel waarvan de aandelen niet voor ten minste de helft in het bezit zijn van rijksinwoners;

- ofwel een beleggingsvennootschap is die een openbaar beroep doet op het spaarwezen.

§ 7. De in artikel 115, § 1, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het beleggingsfonds aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van collectieve spaarrekeningen als vermeld in artikel 14516, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 8. De in artikel 115, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de instelling, de onderneming of de beursvennootschap waarbij de rekening is geopend, aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa begrepen in een individuele spaarrekening als vermeld in artikel 14516, van hetzelfde Wetboek.

§ 9. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116 is slechts van toepassing indien de beleggingsvennootschap aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa waarvan zij eigenares is.

§ 10. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de wijze waarop de schuldenaar van lijfrenten of tijdelijke renten vermeld in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie der directe belastingen de identiteit van de verkrijgers en het bedrag van de verleende of toegekende interesten laat kennen.

§ 11. In niet in §§ 1 tot 10 vermelde gevallen is de in de artikelen 106 en 107, 110, 113 en 114 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger en de schuldenaar van de inkomsten of, met betrekking tot inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste Belgische tussenpersoon, zomede, eventueel, de depositaris van de rentegevende effecten, de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde uitgevaardigde voorschriften tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten naleven.

§ 12. De in artikel 108 gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

§ 13. De in artikel 111, derde lid bedoelde verzaking aan de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten een eenmalig attest opstelt waarin het volgende wordt opgenomen:

- de volledige identiteit van de gebruiker van het lichamelijk roerende goed, in het bijzonder zijn naam, rechtsvorm voor rechtspersonen, adres en KBO-nummer;

- de volledige identiteit van de gebruiksrechtgever van het lichamelijk roerende goed, in het bijzonder zijn naam, rechtsvorm, adres, land van maatschappelijk zetel of inrichting, en fiscaal identificatienummer in dat land;

- een beschrijving van het lichamelijk roerend goed waarop de gebruiksvergoeding betrekking heeft;

- de bevestiging dat de betaling of toekenning van de inkomsten kadert binnen een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 111, vierde lid;

- de financiële rekening van de gebruiksrechtgever waarop de betalingen gebeuren.

Indien de op dit attest vermelde informatie wijzigt, dient de schuldenaar een nieuw attest op te stellen.

§ 14. De in artikel 109, tweede lid, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat:

1° de verkrijger van de inkomsten een collectieve beleggingsinstelling naar buitenlands recht is, die een onverdeeld vermogen is dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van de deelnemers, en dat de rechten van deelneming van die instelling in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld;

2° de rentegevende waarden niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.

§ 15. In de gevallen bedoeld in het tweede lid van de §§ 4, 5 en 6bis, dient de schuldenaar van de inkomsten zich ertoe te verbinden op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, op die inkomsten ten voorlopigen titel een bedrag in te houden dat overeenstemt met de roerende voorheffing die daarop in de regel verschuldigd zou zijn, en dit bedrag ten definitieven titel als roerende voorheffing te zullen betalen, verhoogd met de eventuele verschuldigde nalatigheidsinteresten, indien niet is voldaan aan de voorwaarde dat de minimumdeelneming als vermeld in § 5bis of in § 6bis gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar moet zijn behouden.

§ 16. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116bis, wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem een attest wordt overhandigd door de deelnemer aan het systeem die hem de geleende financiële instrumenten overdraagt, waarin wordt bevestigd dat de inkomsten zijn verkregen door personen behorende tot de in dit artikel bedoelde categorieën.

§ 17. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 111bis, § 1, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige is onderworpen aan de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek, die de financiële instrumenten, die het voorwerp uitmaken van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de lening, voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt;

b) eigenaar is van de geleende financiële instrumenten.

§ 18. De verzaking aan de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 111bis, § 2, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten, of de in België gevestigde tussenpersoon een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een spaarder niet-inwoner is die om de toepassing kan verzoeken van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting gesloten tussen België en de Staat waarvan hij inwoner is;

b) eigenaar is van de geleende financiële instrumenten.


Art. 118.

§ 1. Met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten van Belgische oorsprong, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien onder de volgende voorwaarden :

1° voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 5°, b, en 10° :
- de schuldenaar van de inkomsten moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 6 of § 6ter, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ;

2° voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 8°, a :
- de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ;

3° voor inkomsten vermeld in de artikelen 107, § 2, 8°, b en 113, § 2, 1° :
- de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling of een spaarkas die aan de controle van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten is onderworpen, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effectenrekening bij een vereffenings- instelling of gemachtigde erkende rekeninghouder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

4° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 1 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 7, vermelde attest ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de beleggingen van het pensioen- spaarfonds begrepen zijn ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een in artikel 14515, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onder- neming of beursvennootschap, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden en die bovendien is bedoeld in artikel 14515, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effecten- rekening bij een vereffeningsinstelling of gemachtigde erkende rekening- houder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

5° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 2 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 8, vermelde attest ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de activa van dezelfde individuele spaarrekening begrepen zijn ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) in België in open bewaring zijn gegeven bij een in artikel 14515, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onder- neming of beursvennootschap, indien het gaat om effecten aan toonder ;
c) in België op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effecten- rekening bij een vereffenings- instelling of erkende rekening- houder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden en die bovendien is bedoeld in artikel 14515, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten ;
Met betrekking tot effecten aan toonder die in België in open bewaring zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedemateriali- seerde effecten op een effecten- rekening bij een vereffeningsinstelling of gemachtigde erkende rekening- houder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie gedurende het gehele belastbaar tijdperk waarop de inkomsten van deze effecten betrekking hebben ;

6° voor inkomsten vermeld in artikel 116 :
- de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 9, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben ;
- de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel :
a) bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, indien het gaat om effecten op naam ;
b) …
c) in België of in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte op naam van de eigenaar of de houder zijn ingeschreven op een effectenrekening bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden, indien het gaat om gedematerialiseerde effecten.

§ 1bis. Met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien voor inkomsten vermeld in de artikelen 107, § 6, en 113, § 7, onder de volgende voorwaarden :
- de schuldenaar van de inkomsten moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 6bis, vermelde attest ;
- de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid, stemt het tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben, voor door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd of voor effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van de effecten gekapitaliseerde interest, overeen met de periode die aanvangt op het ogenblik van de uitgifte van de effecten en eindigt op de dag van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten.

§ 2. Met betrekking tot niet in § 1, 3° tot 6°, vermelde effecten aan toonder en gedematerialiseerde effecten, kunnen parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, pensioenspaarfondsen, houders van een individuele spaarrekening of beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of vermeld in de artikelen 190, 195 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, overeenkomstig artikel 119 teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing op de desbetreffende inkomsten.

Art. 119.

§ 1. Mits daartoe, in de vormen en termijnen die zijn voorgeschreven in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een bezwaarschrift in te dienen bij de directeur van de directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de roerende voorheffing is gestort, kan de teruggave van de bij de bron geïnde roerende voorheffing worden verkregen door :

1° parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven zonder te letten op de hoedanigheid van de verkrijgers ;

2° spaarders niet-inwoners, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

3° pensioenspaarfondsen vermeld in artikel 115, § 1, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

4° houders van individuele spaarrekeningen vermeld in artikel 115, § 2, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

5° beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen en in de artikelen 190, 195 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en Europese langetermijnbeleggingsinstel- lingen.
Wanneer de in artikel 118 vermelde effecten zijn verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, kunnen de koper en de verkoper teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de brutointeresten waarvan elk van hen werkelijk het genot of de beschikking heeft gehad.
Wanneer het evenwel gaat om effecten vermeld in artikel 118, § 1, 1°, is de teruggave van de roerende voorheffing in voorkomend geval beperkt tot de voorheffing die betrekking heeft op de interest van de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam bij de uitgever.

§ 2. Met betrekking tot de in artikel 118, § 1, 1°, vermelde effecten, uitgegeven door de Staat of door het Wegenfonds en vervreemd of verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, is de administratie der thesaurie gemachtigd, voor de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam in het Grootboek der Staatsschuld, aan de verkoper en aan de verkrijger een bedrag te storten dat gelijk is aan de roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de bruto- interest dat elk van hen werkelijk heeft verkregen of waarover hij werkelijk heeft kunnen beschikken.
De in het eerste lid vermelde storting wordt uitgevoerd op voorwaarde dat de betrokken spaarder niet-inwoner de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde voorschriften naleeft.
gegeven aandelen of aandelen op een effectenrekening in België, uitgegeven vanaf 1 januari 1994 -Voorwaarden en toepassingswijze voor het verkrijgen van een verlaagd tarief inzake roerende voorheffing.
artikel 269, derde lid, b)

Art. 119bis.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 269, derde lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de aandelen aan toonder of gedematerialiseerde aandelen vanaf hun uitgifte hetzij permanent in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten is onderworpen, hetzij gedematerialiseerd worden aangehouden op naam van de eigenaar of de houder bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden.
Aan de voorwaarde van permanente open bewaargeving is voldaan indien :

1° de aandelen, met het oog op hun open bewaargeving en vanaf hun materiële uitgifte, door de emitterende vennootschap werden overhandigd aan een in het eerste lid vermelde instelling die door de bewaargever bij de inschrijving op de aandelen werd aangewezen, en

2° de open bewaargeving ononderbroken gehandhaafd is gebleven tot op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.
De omzetting van aandelen aan toonder die vanaf hun uitgifte in open bewaring zijn gegeven bij een in het eerste lid bedoelde bank, openbare instelling, beursvennootschap of spaarkas, in gedematerialiseerde aandelen overeenkomstig de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder blijft zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanente inschrijving in België op naam van de eigenaar of de houder op een effectenrekening ingeschreven bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden.
Aan de voorwaarde van permanente inschrijving op een effectenrekening is voldaan indien de aandelen vanaf hun uitgifte erop zijn ingeschreven.

§ 2. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, tweede gedachtenstreepje, van voormeld Wetboek heeft de emitterende vennootschap bij de materiële uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de bewaarnemende instellingen die erom vragen.

§ 2bis. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, derde gedachtenstreepje, van voormeld Wetboek moet de emitterende vennootschap bij de uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de rekeninghouders die erom vragen.

§ 3. Bij de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend moeten de in § 1, eerste lid, vermelde instellingen :
- per emitterende vennootschap een globaal attest opstellen waarin het aantal aandelen opgegeven wordt dat voldoet aan de hogervermelde voorwaarde van permanente open bewaargeving of permanente inschrijving op een effectenrekening ;
- dit attest bezorgen aan de emitterende vennootschap.
De emitterende vennootschap moet de voormelde attesten als bewijs bij haar aangifte in de roerende voorheffing voegen.

§ 4. In geval de aandelen van bewaarnemende of rekeninghoudende instelling veranderen, wordt voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, of vierde lid, geacht dat de open bewaargeving of de inschrijving op een effectenrekening niet onderbroken wordt indien deze verrichting gebeurt tussen instellingen als vermeld in § 1 en voor zover :
- de verrichting plaats heeft zonder de afgifte van de aandelen aan de bewaargever voor wat de aandelen aan toonder betreft die nog niet gedematerialiseerd worden aangehouden op een effectenrekening ;
- de eerste instelling aan de nieuwe instelling een attest uitreikt waarin zij bevestigt dat de betrokken aandelen tot op de dag van de voormelde verrichting het voorwerp hebben uitgemaakt van een open bewaargeving of een inschrijving op een effectenrekening als vermeld in § 1.
Art. 120 …
artikel 284)

Art. 121.

§ 1. De te verrekenen fictieve roerende voor- heffing met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvoor geheel of gedeeltelijk van de inning van roerende voorheffing is afgezien, is gelijk aan :

1° vijfentwintig vijfenzeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag van premies van Belgische overheidsfondsen die vóór 1 december 1962 zijn uitgegeven en waarop, overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing ;

2° het verschil tussen vijfentwintig vijfen- zeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing voor :
a) premies en interest van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen en inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten waarop, overeenkomstig artikel 113, § 4, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 % ;
b) inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die vóór 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, waarop overeenkomstig artikel 114, § 3, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 % ;

3° vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen nettobedrag met betrekking tot :
a) inkomsten van overheidsfondsen als vermeld in artikel 113, § 3, b ;
b) loten van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheids- fondsen waarop overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing ;

4° het verschil tussen vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing met betrekking tot niet in 3°, b, vermelde loten van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen.

§ 2. Wanneer de overeenkomstig artikel 126 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 samengevoegde belastbare inkomsten, interest omvatten van verschillende in § 1, 2°, b, vermelde deposito's, wordt geen fictieve roerende voorheffing verrekend voor de schijf van het totale bedrag van de toegekende interest waarop de roerende voorheffing tegen 25 % zou zijn geheven indien die interest door een enkel deposito was voortgebracht.

§ 3. Onder geïnd of verkregen nettobedrag als vermeld in § 1 wordt verstaan het nettobedrag van de inkomsten na aftrek van de werkelijk ingehouden roerende voorheffing maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten.

Art. 122. Artikel 121 is van toepassing op de in § 1 van dat artikel vermelde inkomsten die in de belastbare grondslag van de inkomstenbelastingen zijn opgenomen. artikel 295)

Art. 123. De roerende voorheffing, de fictieve roerende voorheffing en het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting worden, in de mate bepaald in de artikelen 276 tot 294 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners verrekend voor zover zij betrekking hebben op inkomsten die in de belastbare grondslag van die belastingen zijn opgenomen.
De roerende voorheffing die is ingehouden op dividenden waarvoor overeenkomstig artikel 307, § 1/1, derde lid, en § 1/5, eerste lid, van het voormelde Wetboek de toepassing van artikel 21, eerste lid, 14°, van datzelfde Wetboek wordt gevraagd, wordt eveneens verrekend met de personenbelasting en de belasting van niet-inwoners.

Art. 123bis. De verrekening van de roerende voorheffing bedoeld in artikel 283, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger van de inkomsten in het bezit wordt gesteld van een attest waarbij is bevestigd :
a) hetzij dat de leninggever van de aandelen waarvoor de verrekening wordt gevraagd, zonder een lening met betrekking tot die aandelen, de voorwaarden zou hebben vervuld om de verzaking aan de inning van de roerende voorheffing te bekomen overeenkomstig de artikelen 106 tot 119bis op het ogenblik van de toekenning en de betaalbaarstelling van de dividenden die betrekking hebben op de geleende aandelen ;
b) hetzij dat de leninggever zonder een lening met betrekking tot die aandelen de voorwaarden zou hebben vervuld om een vermindering van de roerende voorheffing te bekomen overeenkomstig de bepalingen van een overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting, op het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die betrekking hebben op de geleende aandelen.
Art. 124 …

Art. 125. Het in artikel 290, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deel van de belasting Staat dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten, is gelijk aan de som van : 1° de belasting Staat die betrekking heeft op de overeenkomstig artikel 171 van het voormelde Wetboek afzonderlijk belaste nettoberoepsinkomsten, en

2° het produkt van:
a) het bedrag van de belasting Staat dat betrekking heeft op het overeenkomstig artikel 130 van het voormelde Wetboek belaste belastbare inkomen, en
b) een breuk waarvan de teller het bedrag is van de overeenkomstig het voormelde artikel 130 belaste nettoberoepsinkomsten en de noemer het totaal van de overeenkomstig datzelfde artikel belaste netto- inkomsten. Vestiging en invordering van de belasting.
artikelen 297, 300, § 1, 307, § 1 en § 1/4).

Art. 125bis. Het controlecentrum Brussel 4 is belast met het onderzoek van de aangifte in de personenbelasting van de personen vermeld in artikel 27, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 126. De bepalingen van de artikelen 305, 307, §§ 2 en 3 en 307bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet- inwoners, zijn van toepassing op de aangiften inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 85, 90 en 91 van dit besluit.

Art. 127. De gemeenten moeten :

1° periodiek en tenminste eenmaal per jaar, vóór 15 januari, aan de controleur van de directe belastingen van het ambtsgebied een opgave verstrekken van de in het vorige jaar in de bevolking opgetreden veranderingen : binnengekomen en vertrokken personen, veranderingen binnen de gemeente zelf ; die opgave mag worden vervangen door fiches ad hoc of door duplicaten van de bij de bevolkingsdienst gedane aangiften ;

2° op aanvraag een uitvoerige lijst verstrekken van de personen die door hun bemiddeling bepaalde formaliteiten hebben vervuld welke ook fiscaal van belang zijn ;

3° de plaatselijke politie gelasten eventueel, tegen vergoeding, deel te nemen aan de uitreiking en de inzameling van de aangiften in de directe belastingen ;

4° een behoorlijk lokaal, zo nodig verwarmd en verlicht, ter beschikking van de ambtenaren van de belastingen stellen op de zitdagen die, voor de vestiging en inning van de directe belastingen, nu en dan noodzakelijk zijn in de gemeenten waar de belastingdienst over geen voldoende ruim kantoor beschikt.
De agglomeraties zijn verplicht tot het verstrekken, op aanvraag, van de lijst vermeld in 2° van het eerste lid.

Art. 127/0. De aangiften bedoeld in artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden uitgereikt door de dienst die daartoe is aangewezen door de administrateur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.
Art. 127/0/0 In het geval in de aangifte in de personenbelasting of in de rechtspersonenbelasting het bestaan wordt vermeld van één of meerdere juridische constructies, moet voor elke juridische constructie waarvan het bestaan moet worden vermeld, een in artikel 307, § 1/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bijlage aan die aangifte worden toegevoegd, waarvan het model werd vastgelegd door het koninklijk besluit van 16 juni 2024 tot vastlegging van het model van de in artikel 307, § 1/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting en maken deze bijlagen integraal deel uit van die aangifte.
De bevoegdheid om het model van de in het eerste lid bedoelde bijlage te wijzigen, wordt toegewezen aan de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn gedelegeerde.
indiening van de aangifte in de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting, de belasting niet- inwoners/vennootschappen en de belasting niet- inwoners/rechtspersonen.
artikel 307bis, § 3, derde lid)

Art. 127/1. Om de aangifte via elektronische weg in te dienen, maken de belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, gebruik van de toepassing Biztax die hen door de administratie ter beschikking wordt gesteld op de internetsite van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De toepassing Biztax is toegankelijk via een elektronische identiteitskaart of een door een certificatieautoriteit erkend certificaat klasse 3.
De aangifte wordt ingediend, door ze te ondertekenen met behulp van een elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening.
Een PDF-ontvangstbewijs met het elektronisch zegel in de zin van artikel 3.25. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.27. van dezelfde verordening van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt uitgereikt als bewijs dat de aangifte werd ingediend.
Na indiening kunnen de belastingplichtigen of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, met hun certificaat of elektronische identiteitskaart, de PDF-bestanden van het ontvangstbewijs, de

Art. 127/2. Indien de belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken, dienen zij jaarlijks een ondertekende schriftelijke verklaring in bij het bevoegde controlekantoor.
Na ontvangst van de verklaring reikt het bevoegde controlekantoor aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen een aangifteformulier uit.
artikelen 251 en 300, § 1)

Art. 128. De kohieren mogen afzonderlijk per soort van belasting of voorheffing of ineens voor verschillende soorten van belastingen of voorheffingen worden aangelegd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 129. Zo nodig mogen de kohieren voor verscheidene aanslagjaren opgemaakt worden mits zij jaarlijks met een nieuwe uitvoerbaarverklaring worden bekleed.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 130. Kohieren met aanslagen van belastingen of voorheffingen worden verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard ; de belastingtarieven en eventueel de opcentiemen in verband met de respectieve aanslagjaren zijn van toepassing.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.1.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 131. De kohieren van de directe belastingen worden opgemaakt per gemeente, per groep gemeenten of per ontvangkantoor.

Art. 132. De kohieren worden op door de administratie of door haar gedelegeerden bepaalde tijdstippen opgemaakt.

Art. 132bis. artikel 132bis van hetzelfde Wetboek niet wordt toegepast;
- de la moitié du nombre d'enfants à charge non visés à l'article 144/3, alinéa 1er, pour qui l'

Art. 133.

§ 1. De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht.

§ 2. Aanslagen ten laste van overleden belastingschuldigen worden ten kohiere gebracht op hun naam voorafgegaan van het woord "Nalatenschap" en eventueel gevolgd van de vermelding van de persoon of personen die zich aan de administratie der directe belastingen hebben bekend gemaakt als erfgenaam, legataris, begiftigde of bijzondere lasthebber.
De identiteit van die personen wordt omstandig vermeld. Wanneer een van de erfgenamen formeel is aangewezen om de nalatenschap te vertegenwoordigen, geschiedt het ten kohiere brengen als volgt : "Nalatenschap X ..., de erfgenamen vertegenwoordigd door ...".
In geval van aanslag van ambtswege, moet de naam van de overleden belastingschuldige (Nalatenschap X ...) slechts gevolgd worden door de vermelding van een van de erfgenamen die aan de controleur van de belastingen bekend is.

§ 3. Als een onroerend goed in onverdeeldheid toebehoort aan meerdere eigenaars, wordt de aanslag in de onroerende voorheffing ten kohiere gebracht op naam van één of meer mede- eigenaars, gevolgd door de woorden "in onverdeeldheid".

§ 4. Aanslagen ten laste van vereffende vennootschappen, vereffende verenigingen of vereffende stichtingen worden ten kohiere gebracht op naam van de vennootschap, vereniging of stichting, gevolgd door de woorden "vereffend, vertegenwoordigd door de vereffenaar(s) q.q.".
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMS GEWEST Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 133, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.2.1.0.3 en 3.2.3.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
B. WAALS GEWEST
Tekst : KB/WIB 92 – Historische versie – Waals Gewest

Art. 134. Voor de berekening van de aanslagen in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet- inwoners wordt de belastbare grondslag in euro vastgesteld en afgerond op de cent.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 135. De verschillende aanslagen, met inbegrip van de opcentiemen, worden in elk stadium van de berekening in euro vastgesteld en afgerond op de cent. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 136. Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet gezonden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.4.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
voorstellen van vereenvoudigde aangifte door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt.
artikel 302, derde lid)

Art. 136/1.

§ 1. Wanneer de belastingplichtige vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd met de elektronische uitwisseling van berichten door de activatie van de eBox, ingesteld door de wet van 27 februari 2019 inzake elektronische uitwisseling van berichten via de eBox, geldt dit als het uitdrukkelijk akkoord met de procedure uiteengezet in artikel 302, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Deze instemming heeft als gevolg dat de in de voormelde bepaling bedoelde documenten uitsluitend worden aangeboden op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheid.
Wanneer er een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en slechts één van beide echtgenoten vooraf heeft ingestemd met de uitwisseling van berichten via de eBox, worden de documenten ook overeenkomstig artikel 302, eerste lid, van hetzelfde wetboek overgemaakt.

§ 2. De belastingplichtige zal via de eBox een bericht ontvangen wanneer hem een document ter beschikking wordt gesteld op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheid.

§ 3. De verzending van een bericht via de eBox wordt beëindigd wanneer:

1° de belastingplichtige overlijdt;

2° de belastingplichtige of in het geval van een gemeenschappelijke aanslag, één van de echtgenoten, zijn instemming met de uitwisseling van berichten via de eBox intrekt door de desactivering van de eBox. Dit kan op elk moment plaats vinden en treedt onmiddellijk in werking;
Vanaf dit moment worden de documenten overeenkomstig artikel 302, eerste lid, van hetzelfde wetboek overgemaakt. In het geval van een gemeenschappelijke aanslag blijft de echtgenoot die de eBox niet gedesactiveerd heeft, gebruik maken van deze dienst.

Art. 137. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 138. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.1.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 139. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 139, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.4.3.0.1, 3.4.4.0.1. en 3.4.5.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 141. (…)
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.3.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2https://gcloudbelgium.sharepoint.co m/sites/minfin-fisconet_public/fiscal- discipline/federated-entities/flemish- autority/flemish-code-of-taxation/0a007bbc-c168- 464a-8f7f-b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 142. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 142, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.4.6.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 144/1. Het aandeel van iedere belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 144/2 tot 144/7.

Art. 144/2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : 1° het aandeel van een belastingplichtige in de ingekohierde aanslag: de personenbelasting op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige zoals dit inkomen is bepaald in de ingekohierde aanslag, waarbij onder personenbelasting moet worden verstaan:
- de totale belasting van de belastingplichtige,
verhoogd met de in de artikelen 1457, - § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, en 157 tot 168/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in artikel 15, § 3, vierde en achtste lid, van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) en in artikel 12, § 5, tweede en zesde lid, van de wet van 2 april 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19- pandemie vermelde vermeerderingen en verminderd met de in de artikelen 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek vermelde bonificatie die bij hem werden toegepast;
- verminderd met de op zijn naam gedane voorafbetalingen als bedoeld in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek, en met het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting, de voorheffingen, de belastingkredieten bedoeld in de artikelen 134, §§ 3 en 4, 289bis, 289ter en 289ter/1, van hetzelfde Wetboek en in hoofdstuk 5 van de wet van 20 november 2022 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen en de gewestelijke belastingkredieten waarop de hij recht heeft ;
- verhoogd met zijn aandeel in de belastingverhogingen vermeld in artikel 444 van hetzelfde Wetboek berekend overeenkomstig de bepaling onder 3°;
- verhoogd met de aanvullende belastingen vastgesteld overeenkom- stig de artikelen 466 en 466bis van hetzelfde Wetboek;
- en verhoogd met zijn aandeel in de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid berekend overeenkomstig de bepaling onder 4° en verminderd met de inhoudingen verricht overeenkomstig artikel 109 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en het supplement bedoeld in artikel 125, 1°, van dezelfde wet, die werden verrekend;
- en verhoogd met zijn aandeel in de bijzondere bijdrage energie berekend overeenkomstig de bepaling onder 5° ;

2° het aandeel van een belastingplichtige in de fictieve aanslag : de personenbelasting op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige zoals dit inkomen is bepaald in de ingekohierde aanslag, vastgesteld overeenkomstig de bepaling onder 1°, maar met toepassing van een correctie vermeld in de artikelen 144/3, 144/4 of 144/5;

3° het aandeel van een belastingplichtige in de belastingverhogingen : de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde verhogingen geprorateerd in functie van het aandeel van de belastingplichtige in het belastingverschil dat aan de berekeningsbasis ligt van de verhogingen;

4° het aandeel van een belastingplichtige in de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid : de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde bijzondere bijdrage geprorateerd in functie van het aandeel van de belastingplichtige in het gezinsinkomen zoals gedefinieerd in artikel 107, 2°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

5° het aandeel van een belastingplichtige in de bijzondere bijdrage energie: de door beide belastingplichtigen samen verschuldigde bijzondere bijdrage geprorateerd in functie van het aandeel van het inkomen van de belastingplichtige zoals omschreven in de artikelen 57, 6° van de wet van 30 oktober 2022 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis en 24, 6°, van de wet van 19 december 2022 houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie in de som van het inkomen van de beide belastingplichtigen.

Art. 144/3. Indien krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderhoudsuitkeringen werden afgetrokken door een belastingplichtige voor één of meer kinderen ten laste die op 1 januari van het aanslagjaar enkel
belastingplichtige, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, evenwel zonder voor het bepalen van de toeslagen op de belastingvrije som als bedoeld in artikel 132 van hetzelfde Wetboek, rekening te houden met voornoemde kinderen.
Het fiscaal voordeel voor kinderen ten laste verkregen door de belastingplichtige die de onderhoudsuitkeringen heeft betaald, is gelijk aan het verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid;

2° en zijn aandeel in de ingekohierde aanslag.

Art. 144/4. Indien de belastingvrije som als bedoeld in artikel 131 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt verhoogd door toepassing van artikel 132 of 132bis van hetzelfde Wetboek, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, evenwel zonder toepassing van de toeslagen op de belastingvrije som als bedoeld in de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek.
Het fiscaal voordeel verkregen door iedere belastingplichtige is gelijk aan de helft van het verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid;

2° en zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig artikel 144/3 of, wanneer artikel 144/3 niet van toepassing is, zijn aandeel in de ingekohierde aanslag.

Art. 144/5. Indien een deel van de beroepsinkomsten van één van de belastingplichtigen wordt toegerekend aan de andere belastingplichtige overeenkomstig de artikelen 87 of 88 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een fictieve aanslag berekend op basis van dezelfde gegevens van en volgens dezelfde regels als de ingekohierde aanslag, maar zonder toepassing van de artikelen 87 en 88, noch de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek.
Het fiscaal nadeel geleden door de belastingplichtige aan wie beroepsinkomsten worden toegerekend overeenkomstig de artikelen 87 of 88 van hetzelfde Wetboek, is gelijk aan het positieve verschil tussen :

1° zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig artikel 144/4 of in de ingekohierde aanslag indien artikel 144/4 niet van toepassing is;

2° en zijn aandeel in de fictieve aanslag berekend overeenkomstig het eerste lid.

Art. 144/6.

§ 1. Het aandeel van iedere belasting- plichtige in de gemeenschappelijke aanslag is gelijk aan :

1° zijn aandeel in de ingekohierde aanslag;

2° eventueel vermeerderd met, voor de belastingplichtige die onderhoudsuitkeringen heeft afgetrokken voor één of meer kinderen ten laste die op 1 januari van het aanslagjaar enkel deel uitmaakten van het gezin van de andere belastingplichtige, het fiscaal voordeel berekend overeenkomstig artikel 144/3, tweede lid;

3° eventueel verminderd met, voor de andere dan in 2° bedoelde belastingplichtige, het fiscaal voordeel berekend overeenkomstig artikel 144/3, tweede lid, dat de andere belastingplichtige heeft verkregen;

4° eventueel vermeerderd met het fiscaal voordeel dat hij heeft verkregen ten gevolge van de toepassing van de artikelen 132 en 132bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en berekend overeenkomstig artikel 144/4, tweede lid;

5° eventueel verminderd met het fiscaal voordeel dat de andere belastingplichtige heeft verkregen ten gevolge van de toepassing van de artikelen 132 en 132bis van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/4, tweede lid;

6° eventueel verminderd met het fiscaal nadeel dat hij heeft geleden ten gevolge van de toerekening van beroepsinkomsten van de andere belastingplichtige op basis van artikel 87 of 88 van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/5, tweede lid;

7° eventueel vermeerderd met het fiscaal nadeel dat de andere belastingplichtige heeft geleden ten gevolge van de toerekening van een deel van zijn beroepsinkomsten aan de andere belastingplichtige op basis van artikel 87 of 88 van hetzelfde Wetboek en berekend overeenkomstig artikel 144/5, tweede lid.

§ 2. Indien het aandeel van een belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig paragraaf 1 resulteert in een terug te geven belasting, wordt het bedrag van de terugbetaling beperkt tot het totaal van :

1° zijn voorafbetalingen en terug te betalen voorheffingen;

2° het belastingkrediet verrekend overeen- komstig artikel 134, §§ 3 en 4, van hetzelfde Wetboek, beperkt tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 134, § 3, tweede lid, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek vermenigvuldigd met het totaal van :
- het aantal kinderen bedoeld in artikel 144/3, eerste lid, die op 1 januari van het aanslagjaar enkel deel uitmaakte van zijn gezin;
- de helft van het aantal niet in artikel 144/3, eerste lid, bedoelde kinderen ten laste voor wie artikel 132bis van hetzelfde Wetboek niet wordt toegepast;
- één vierde van het aantal niet in artikel 144/3, eerste lid, bedoelde kinderen voor wie artikel 132bis van hetzelfde Wetboek wordt toegepast;

3° de andere verrekenbare en terugbetaalbare elementen waarop de belastingplichtige recht heeft.
Het verschil tussen de terug te geven bedragen aan de belastingplichtige berekend overeenkomstig paragraaf 1 en het eerste lid, wordt toegerekend aan het aandeel van de andere belastingplichtige in de gemeenschappelijke

§ 3. Indien het aandeel van een belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 resulteert in een terug te geven belasting en het aandeel van de andere belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 overeenstemt met een te betalen belasting, vindt er een correctie plaats :
- indien het resultaat van de ingekohierde aanslag een terug te geven belasting is, wordt het aandeel van de belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en resulterende in een terug te geven belasting, beperkt tot het resultaat van de ingekohierde aanslag en het aandeel van de andere belastingplichtige wordt herleid tot nul euro;
- indien het resultaat van de ingekohierde aanslag een te betalen belasting is, wordt het aandeel van de belastingplichtige in de gemeenschappelijke aanslag berekend overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en resulterende in een terug te geven belasting, herleid tot nul euro en het aandeel van de andere belastingplichtige wordt beperkt tot het resultaat van de ingekohierde aanslag.

Art. 144/7. Het aandeel van iedere belastingplichtige in de aanvullende aanslag wordt verminderd met het aandeel van ieder van hen in de aanslag waarmee de aanvullende aanslag verbonden is.
artikel 300, § 1)
Art. 145 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 145, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
artikel 300, § 1)
Art. 146 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 147 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 148 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
A. Dwangbevel
Art. 149 …
Art. 150 …
B. Uitvoerend beslag op roerend goed Art. 151 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 152…
Art. 153 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 154 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. Art. 155 …
Art. 156 …
C. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten
Art. 157…
D. Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen
Art. 158 …
E. Uitvoerend beslag op onroerend goed
Art. 159 …
Art. 160 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 160, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Art. 161 … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.5. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated- entities/flemish-autority/flemish-code-of- taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van
G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten gemene bepalingen
Art. 162 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.6. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 163 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.7. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
A. Vervolgingen tegen derden-houders
Art. 164 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 164, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 165 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 165, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°, van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
B. Aanwending van sommen die aan een belastingschuldige moeten worden teruggegeven of betaald
Art. 166 …
personen
Art. 167 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.5.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 168 …
Art. 169 …
Art. 170 …
Art. 171 …
Art. 172 … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 173 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
Art. 174 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. Art. 175 …
artikel 300, § 1)

Art. 145. Art. 145 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 145,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).

Art. 146. Art. 146 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 147. Art. 147 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 148. Art. 148 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.
A. Dwangbevel

Art. 151. Art. 151 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 153. Art. 153 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.3.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 154. Art. 154 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.4.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 160. Art. 160 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 160,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).

Art. 161. Art. 161 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.5.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi
n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated-
entities/flemish-autority/flemish-code-of-
taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f-
b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van
toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed
en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten
gemene bepalingen

Art. 162. Art. 162 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.6.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 163. Art. 163 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.2.7.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 164. Art. 164 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 164,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 165. Art. 165 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 165,
zoals van toepassing voor de onroerende
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., 1°,
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.3.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.
B. Aanwending van sommen die aan een
belastingschuldige moeten worden teruggegeven
of betaald

Art. 167. Art. 167 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.5.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 169ter. Artikel 169ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de belasting van niet-inwoners die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.
L'

Art. 172. Art. 172 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.1.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 173. Art. 173 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.2.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 174. Art. 174 …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.4.3.
van het besluit van 20 december 2013 van de
Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de
Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
(BS 31 december 2013) van toepassing, wat de
onroerende voorheffing betreft.

Art. 176. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen.
Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren ; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld.
De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiën zijn aangewezen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.2.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft. belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen
artikel 301)

Art. 177.

§ 1. Bij overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen , zijn de personen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, verplicht zijn de akte of een verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, ter registratie aan te bieden en de desbetreffende rechten te betalen, verplicht, bij de registratie van die akte of van die verklaring, op de financiële rekening van de bevoegde dienst, de belasting van niet-inwoners te betalen met betrekking tot de meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Artikel 169ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de belasting van niet-inwoners die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.

§ 2. Wanneer § 1 moet worden toegepast, zijn de personen die verplicht zijn tot registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld verplicht, vóór registratie, aan de ontvanger van de registratie een aangifte in tweevoud voor te leggen waarbij kennis wordt gegeven van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarde en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
Hangt de in de belasting van niet-inwoners belastbare grondslag geheel of gedeeltelijk af van de waardering van een levenslang recht, dan moet de aangifte de naam, voornamen, woonplaats, geboorte -plaats en -datum vermelden van de personen die gezegd levenslang recht genieten.
Bij overdracht van een gebouwd onroerend goed als bedoeld in artikel 91 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 moet, wanneer de ontvanger van de registratie erom verzoekt, een verklaring de verkoopwaarde vermelden van de los van de grond beschouwde gebouwen.
Het registratiekantoor kan de registratie van de akte afhankelijk stellen van de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen en waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is als vermeld in artikel 227, 1° of 3°, van hetzelfde Wetboek.

§ 3. De belasting van niet-inwoners verschuldigd op meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde Wetboek gevestigd door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, en wordt overeenkomstig het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ingevorderd wanneer die belasting, om welke reden ook, niet is betaald overeenkomstig paragraaf 1, of wanneer het als gezegde belasting overeenkomstig paragraaf 1 betaalde bedrag lager is dan het verschuldigde bedrag.

§ 4. De bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn van toepassing op de belasting van niet- inwoners die wordt geheven bij de registratie van een akte of van een verklaring waarbij de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen is vastgesteld.
personenbelasting
artikel 306)

Art. 178.

Art. 178, § 2, 19° (toevoeging) en 20° (toevoeging), § 3, 3°, § 3, 9°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024 (art. 1, 1°, 2° en 3°, en art. 2, KB 13.03.2024 - B.S. 19.03.2024; Numac: 2024002423)

Art. 178, § 2, 17°, 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (05.08.2023) (art. 17, KB 17.07.2023 - B.S. 26.07.2023; Numac: 2023043989)

 ​​

§ 1. De belastingplichtigen zijn, krachtens artikel 306, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vrijgesteld van aangifteplicht in de personenbelasting en ze ontvangen, krachtens artikel 306, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, een voorstel van vereenvoudigde aangifte voor het aanslagjaar waarvan het belastbaar tijdperk volgt op een kalenderjaar waarin ze geen andere belastbare inkomsten en elementen hebben aangegeven dan die als bedoeld in § 2, en voor zover ze niet worden uitgesloten van de vrijstelling krachtens § 3.

§ 2. Belastingplichtigen worden van aangifteplicht in de personenbelasting vrijgesteld en ontvangen een door de administratie opgesteld voorstel van vereenvoudigde aangifte, wanneer ze geen andere belastbare inkomsten en elementen moeten aangeven dan:

1° wettelijke pensioenen verkregen vanaf de wettelijke pensioenleeftijd en de achterstallen daarvan;

2° overlevingspensioenen en de achterstallen daarvan;

3° andere pensioenen, renten, omzettingsrenten, als renten of pensioenen geldende kapitalen, afkoopwaarden en als zodanig geldende toelagen en de achterstallen daarvan;

3°/1 uitkeringen, toelagen, renten en omzettingsrenten van kapitalen voortvloeiend uit de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten wegens blijvende ongeschiktheid en de achterstallen daarvan;

3°/2 sommen die afkomstig zijn van een in het kader van het pensioensparen geopende spaarrekening of spaarverzekering;

4° werkloosheidsuitkeringen en de achterstallen daarvan;

5° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de achterstallen daarvan;

6° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen;

7° uitgaven betaald voor prestaties betaald met dienstencheques;

8° bedrijfsvoorheffing en voorafbetalingen;

9° persoonlijke gegevens en gezinslasten;

10° niet ingehouden persoonlijke sociale bijdragen;

11° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten, die na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van een in België of in het buitenland gevestigde onderneming of rechtspersoon.

12° giften.

13° bezoldigingen;

14° in artikel 90, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde onderhoudsuitkeringen die niet hoger zijn dan de belastingvrije som wanneer de belastingplichtige een minderjarige jonger dan 16 jaar is.

15° uitgaven gedaan in uitvoering van een hypothecaire leningsovereenkomst, die betrekking hebben op een belastingvermindering voor de eigen woning, tenzij de gegevens die erop betrekking hebben, niet op elektronische wijze in het bezit zijn van de administratie of indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte.

16° premies gestort in uitvoering van een contract van een individuele levensverzekering, die betrekking hebben op een belastingvermindering voor het langetermijnsparen, tenzij de gegevens, die erop betrekking hebben, niet op elektronische wijze in het bezit zijn van de administratie of indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte.

17° de inkomsten van onroerende goederen gelegen in België zoals bepaald in artikel 7, § 1, 1°, tweede streepje; 2°, a), tweede streepje en 2°, bbis), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, behoudens indien deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte of als de belastingplichtige eveneens de kosten aangeeft die zijn gemaakt bij de uitvoering van een hypothecaire leningsovereenkomst bedoeld in 15°;

18° de premies betaald ter uitvoering van een contract van rechtsbijstandverzekering.

19° inkomsten van een deeleconomie of van verenigingswerk, wanneer deze laatsten de voorwaarden vervullen om gekwalificeerd te kunnen worden als diverse inkomsten en niet gekwalificeerd zijn als beroepsinkomsten door de administratie, tijdens het vorige aanslagjaar of het lopende aanslagjaar;

20° uitgaven voor kinderoppas, tenzij deze gegevens niet geschikt zijn om adequaat te worden verwerkt met het oog op de correcte opstelling van het voorstel van vereenvoudigde aangifte;

§ 3. In afwijking van § 2 geldt de vrijstelling van aangifteplicht niet voor de belastingplichtigen die:

1° inkomsten van buitenlandse oorsprong moeten aangeven;

2° een of meer rekeningen of individuele levensverzekeringsovereenkomsten in het buitenland bezitten;

3° in de loop van het belastbare tijdperk overleden zijn. De vrijstelling geldt dan evenmin voor hun erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden die de aangifte van de overledene moeten indienen, met uitzondering van de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van een overledene die als alleenstaande beschouwd wordt, zowel voor het belastbare tijdperk voorafgaand aan het overlijden als voor dit in de loop waarvan het overlijden is voorgekomen;

4° van ambtswege uit de bevolkingsregisters geschrapt zijn;

5° hun woonplaats in het buitenland hebben;

6° geen gekend adres hebben;

7° beroepsinkomsten hebben die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op hun andere inkomsten;

8° echtgenoot van een in 3° of 7° bedoelde belastingplichtige zijn;

9° hun ondernemingsnummer moeten aangeven, winst voortkomend uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten, winst voortkomend uit vrije beroepen, posten of andere winstgevende activiteiten, baten, winsten, bezoldigingen van bedrijfsleiders, bezoldigingen van meewerkende echtgenoten en wettelijk samenwonende partners, voorheffingen met betrekking tot een zelfstandige beroepsactiviteit, winsten en baten van een vroegere beroepswerkzaamheid, een eerste inrichting als zelfstandige, diverse inkomsten of die moeten voldoen aan de daarop betrekking hebbende codes, met uitzondering van inkomsten uit de deeleconomie of verenigingswerk die de limieten bepaald in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 niet hebben overschreden en onderhoudsuitkeringen;

10° zelf of hun echtgenoot of wettelijk samenwonende evenals de kinderen waarover ze het ouderlijk gezag uitoefenen, hetzij een oprichter zijn van een juridische constructie zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hetzij een derde begunstigde zijn zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 14°/1, van hetzelfde Wetboek;

11° in artikel 21, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek bedoelde leningen hebben toegekend, waarvan de looptijd nog niet is verstreken.

§ 4. Voor zover ze niet worden uitgesloten van de vrijstelling krachtens § 3 blijven de belastingplichtigen die bij toepassing van de §§ 1 en 2 of van deze paragraaf voor het voorgaand aanslagjaar van aangifteplicht in de personenbelasting waren vrijgesteld en een voorstel van vereenvoudigde aangifte hadden ontvangen, en die op grond van de aangebrachte wijzigingen aan dat voorstel van vereenvoudigde aangifte in beginsel niet meer aan de voorwaarden van § 2 voldoen om voor het daaropvolgende aanslagjaar van aangifteplicht te worden vrijgesteld, voor dat aanslagjaar toch vrijgesteld van aangifteplicht in de personenbelasting en blijven zij een voorstel van vereenvoudigde aangifte ontvangen op voorwaarde dat zij geen andere aan te geven belastbare inkomsten hebben dan de inkomsten als bedoeld in § 2, 1° tot 5° en 11°.



Art. 178/1.

§ 1. Krachtens artikel 306, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is de administratie er niet toe gehouden een voorstel van vereenvoudigde aangifte te sturen aan de door artikel 178 van aangifteplicht vrijgestelde belastingplichtigen van wie de belastbare inkomsten minder bedragen dan :

1° de belastingvrije som indien het gaat om belastingplichtigen die alleen worden belast ;

2° de samengetelde belastingvrije sommen van de beide belastingplichtigen wanneer een gemeenschappelijke aanslag moet worden gevestigd.

§ 2. …
van de aanvraag tot verrekening van de roerende voorheffing die is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden
artikel 307, § 1/1, derde lid, en § 1/5)

Art. 178/2. De belastingplichtige die bij toepassing van artikel 307, § 1/1, derde lid, of § 1/5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling vraagt van de roerende voorheffing die overeenkomstig artikel 261 van hetzelfde Wetboek is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek bedoelde eerste schijf van dividenden, houdt de documenten ter beschikking van de administratie waaruit de onderstaande gegevens blijken:
- de naam van de vennootschap die de dividenden heeft toegekend;
- het bruto bedrag van de dividenden;
- voor de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen, desgevallend, het land van oorsprong van de dividenden en het bedrag van de buitenlandse belasting;
- het tarief van de roerende voorheffing, desgevallend, voor de belastingplichtigen onderworpen aan de belasting van niet- inwoners, rekening houdende met verminderingen op grond van een verdrag tot vermijden van dubbele belasting;
- het bedrag van de ingehouden roerende voorheffing, desgevallend opgesplitst per tarief;
- wat de inkomsten van Belgische oorsprong betreft, de datum waarop de dividenden door de vennootschap zijn betaald of toegekend;
- de datum waarop de dividenden door de belastingplichtige zijn geïnd.
De in het eerste lid bedoelde documenten zijn afgeleverd door de financiële instelling waarbij de belastingplichtige de rekening aanhoudt waarop de dividenden zijn gestort, door een andere financiële instelling die als tussenpersoon tussenbeide is gekomen bij de uitbetaling van de dividenden of door de vennootschap die de dividenden heeft toegekend. betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in Staten zonder of met een lage belasting.
artikel 307)

Art. 179. De in artikel 307, § 1,vijfde lid, b, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, bedoelde lijst van Staten zonder of met een lage belasting is de hiernavolgende :

1° Abu Dhabi ;

2° Ajman ;

3° Anguilla ;

4° Bahama’s ;

5° Bahrein ;

6° Bermuda ;

7° Britse Maagdeneilanden ;

8° Kaaimaneilanden ;

9° Dubai ;

10° Fujairah ;

11° Guernsey ;

12° Jersey ;

13° Eiland Man ;

14° Marshalleilanden;

15° Micronesië (Federatie van) ;

16° Monaco ;

17° Montenegro ;

18° Nauru ;

19° Oezbekistan; 20° Palau;

21° Pitcairneilanden

22° Ras al Khaimah ;

23° Saint-Barthelemy ;

24° Sharjah ;

25° Somalië;

26° Turkmenistan;

27° Turks en Caicos Eilanden;

28° Umm al Qaiwain;

29° Vanuatu ;

30° Wallis-en-Futuna.
mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang.
artikel 314, § 4)

Art. 180.

Art. 180, § 1, is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 21 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460​)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]


§ 1. De naamloze vennootschap naar Belgisch recht Joos, nr. BE 0449.689.723 waarvan de statutaire zetel is gevestigd te 2300 Turnhout, Everdongenlaan 14, wordt aangewezen om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens als vermeld in artikel 314, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Die mededeling staat niet gelijk met het recht van toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen.​

Art. 181.

§ 1. De naamloze vennootschap Joos gebruikt de in artikel 180, § 1, vermelde gegevens uitsluitend in haar werkplaatsen waar de werken worden uitgevoerd voor het adresseren van de aangifteformulieren inzake personenbelasting en met inachtneming van de bepalingen van artikel 314, § 4, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. Op straffe van toepassing van de bepalingen van artikel 314, § 5, van hetzelfde Wetboek neemt de naamloze vennootschap Joos de nodige maatregelen met het oog op de naleving van de voorschriften van § 1.
artikel 321ter)

Art. 181/1.

§ 1. De individuele fiche die pensioeninstellingen in toepassing van artikel 321ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bezorgen aan de administratie die belast is met de vestiging van de personenbelasting, vermeldt de volgende gegevens met betrekking tot elk pensioen dat bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het voormelde Wetboek werd vrijgesteld:

1° het jaar waarin het pensioen werd betaald of toegekend;

2° de volgende gegevens met betrekking tot de uitkerende instelling:
a) de naam en de rechtsvorm;
b) het adres;
c) het ondernemingsnummer;

3° de volgende gegevens met betrekking tot de verkrijger van de inkomsten:
a) de naam en voornaam;
b) het adres van de fiscale woonplaats;
c) het buitenlands identificatienummer, hetzij:
- een fiscaal identificatienummer; - een sociale zekerheidsnummer;
- een ander identificatienummer;
evenals het land van uitgifte van het identificatienummer;
d) de geboortedatum;

4° de volgende gegevens met betrekking tot uitkering:
a) het unieke contract- of polisnummer, of bij gebrek daaraan, het unieke nummer waarmee de aangeslotene wordt geïdentificeerd;
b) de aanleiding van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "pensionering";
- "vervroegde pensionering";
- "overlevingspensioen";
- "invaliditeit of arbeids- ongeschiktheid";
- "andere";
c) de reden van de betaling van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "betaling op eindvervaldag";
- "afkoop zonder voorwaarde";
- "afkoop ingevolge invaliditeit of medische situatie";
- "afkoop onder andere omstandigheden";
- "betaling wegens andere oorzaak";
- "overdracht ingevolge erfenis";
- "overdracht ingevolge schenking";
- "overdracht ingevolge verkoop";
- "overdracht ingevolge een andere oorzaak";
d) de periodiciteit van de uitkering, onder de vorm van één van de onderstaande vermeldingen:
- "éénmalige uitkering van het kapitaal";
- "meervoudige uitkeringen";
e) het bedrag van de uitkering:
- het totale bedrag van de uitkering, na inhouding van verplichte sociale bijdragen en vóór inhouding van belastingen of voorheffingen;
- de munteenheid waarin het bedrag is uitgekeerd;

5° de volgende gegevens met betrekking tot de opbouw van het pensioen:
a) de naam, de rechtsvorm en het adres van de ondernemingen en de vennootschappen die aan de pensioeninstelling premies en bijdragen hebben betaald voor het pensioen;
b) ingeval het pensioen geheel of gedeeltelijk bestaat uit overgedragen pensioenreserves:
- de naam, de rechtsvorm en het adres van de pensioeninstelling vanwaar die reserves werden overgedragen;
- de naam, de rechtsvorm en het adres van de ondernemingen en de vennootschappen die aan de overdragende pensioen- instelling premies en bijdragen hebben betaald voor het pensioen; c) ingeval het een overlevingspensioen of uitkering naar aanleiding van overlijden betreft, of in geval er in het kader van een echtscheiding een deel van de pensioenrechten naar de andere echtgenoot werd overgeheveld: de naam van de persoon in hoofde van wie de pensioenrechten werden opgebouwd.

§ 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de modaliteiten van de elektronische indiening van de fiches.

§ 3. De fiches worden afgeleverd met het oog op de controle van de in artikel 230, eerste lid, 4° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vrijstelling en op het nakomen van de verplichtingen inzake internationale gegevensuitwisseling.
Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), bewaart de administratie de persoonsgegevens die voorkomen op de fiches niet langer dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die één jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die betrekking hebben op het afleveren van de fiches, het verlenen van de vrijstelling of de internationale gegevensuitwisseling, niet mag overschrijden.
andere fiscale administraties die bevoegd zijn om onderzoekingen uit te voeren.
artikel 334bis)

Art. 181bis. De onderzoekingen bedoeld in hoofdstuk III van VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen worden verricht door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen die bij toepassing van het koninklijk besluit van 7 december 1992 ter beschikking van de administratie der directe belastingen zijn gesteld.
baten van ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep.
artikel 342, § 2)

Art. 182.

§ 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, alsmede, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen wordt bepaald als volgt :

1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belasting- plichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen ;

2° ondernemingen behorend tot de :
a) scheikundige nijverheid : 22.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
b) voedingsnijverheid : 12.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, onderne- mingen die niet-energetische delf- stoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en onder- nemingen : 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;

3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :
a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
b) tussenpersonen in handel en vervoer : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 14.500 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
c) banken, krediet- en wissel- instellingen : 24.000 EUR per perso- neelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar) ;
d) verzekeringen : 2,50 EUR per 25 EUR geïnde premies ;
e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

§ 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan 19.000 EUR.
Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte is het minimumbedrag vastgelegd in het eerste lid ook van toepassing op de belastbare baten van beoefenaars van een vrij beroep.

§ 2/1. In het geval van niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet- inwoners overeenkomstig artikel 227,2°, van hetzelfde wetboek, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld met toepassing van artikel 342, § 4, van hetzelfde Wetboek, verhoogd met:
- 25 pct. in geval van een tweede inbreuk;
- 50 pct. in geval van een derde inbreuk;
- 100 pct. in geval van een vierde inbreuk;
- 200 pct. in geval van een vijfde inbreuk of een daaropvolgende inbreuk.

§ 2/2. Voor de vaststelling van het verhogingspercentage van het minimum van de belastbare winst in toepassing van § 2/1, worden de vorige inbreuken niet in aanmerking genomen wanneer geen enkel inbreuk is bestraft voor de laatste 4 aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe inbreuk van niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte wordt begaan.

§ 3. De overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, van hetzelfde Wetboek vermelde meerwaarden.
Art. 183 tot / à 198 …
voor de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting van niet-inwoners en voorheffingen, en van de inkomsten die daartoe behoren.
artikel 360, tweede lid)

Art. 190. artikel 190 of 194quater van hetzelfde Wetboek, wordt het belastbaar geworden gedeelte van de investeringsreserve belast ten name van de inbrengende vennootschap.
Lorsque, en cas d'apport visé à l'alinéa 1er, les conditions des articles 190 ou 194quater du même Code ne sont plus remplies, la partie de la réserve d'investissement qui est devenue imposable, est taxée dans le chef de la société apporteuse.
Afdeling XXVIIquater.- Definitief belaste inkomsten
Section XXVIIquater. - Revenus définitivement taxés
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 203, § 1, tweede lid)
(Code des impôts sur les revenus 1992, article 203, § 1er , alinéa 2)
Art. 734ter
... ...
Art. 734quater
Voor de toepassing van artikel 203, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden met betrekking tot de landen van de hiernavolgende lijst, de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen als vermeld in artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, geacht aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België :
Pour l'application de l'article 203, § 1er, alinéa 2 du Code des impôts sur les revenus 1992, les dispositions du droit commun en matière d'impôts visées à l'article 203, § 1er, alinéa 1er , 1°, du même Code, sont présumées être notablement plus avantageuses qu'en Belgique, en ce qui concerne les pays de la liste reprise ci-dessous :
1. Abu Dhabi 1. Abu Dhabi
Ajman 3. Andorra
3. Andorre 4. Bosnië en Herzegovina
4. Bosnie-Herzégovine 5. Dubai
5. Dubaï 6. Gibraltar
6. Gibraltar 7. Guernsey
7. Guernesey 8. Jersey
8. Jersey 9. Kirgizië
9. Kirghizistan 10. Koeweit
10. Koweït 11. Kosovo
11. Kosovo 12. Liechtenstein
12. Liechtenstein 13. Macau
13. Macao 14. Macedonië
14. Macédoine 15. Maldiven
15. Maldives 16. Eiland Man
16. Ile de Man 17. Marshalleilanden
17. Iles Marshall 18. Micronesië (Federatie van...)
18. Micronésie (Fédération de ...) 19. Moldavië
19. Moldavie 20. Monaco
20. Monaco 21. Montenegro
21. Monténégro 22. Oman
22. Oman 23. Oezbekistan
23. Ouzbékistan 24. Paraguay
24. Paraguay 25. Qatar
25. Qatar 26. Ras al Khaimah
26. Ras al Khaimah 27. Servië
27. Serbie 28. Sharjah
28. Charjah 29. Oost-Timor
29. Timor oriental 30. Turkmenistan
30. Turkménistan 31. Umm al Qaiwain.
31. Umm al Qaiwain.
Afdeling XXVIIquater1. - Aftrek voor innovatie-inkomsten.
Section XXVIIquater1. - Déduction pour revenus d'innovation.
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel artikel 205/4, § 2)
(Code des impôts sur les revenus 1992, article 205/4, § 2)
Art. 734quater/1
Om de vaststelling van de in artikel 205/4, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde bedragen mogelijk te maken, is onder meer vereist dat:
Afin de permettre l'établissement des montants visés à l'article 205/4, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, il est entre autres exigé que :

1° documentatie wordt bijgehouden waarin de globale uitgaven met betrekking tot een intellectueel eigendomsrecht bedoeld in artikel 205/1, § 2, 5°, van hetzelfde Wetboek, gedaan door de verbonden onderneming waarvan het voornoemd intellectueel eigendomsrecht werd verworven en waarvoor de voornoemde uitgaven een kost vormden, gedetailleerd

1° la documentation dans laquelle sont détaillées les dépenses globales relatives à un droit de propriété intellectuelle visé à l'article 205/1, § 2, 5°, du même Code, réalisées par l'entreprise liée dont le droit de propriété intellectuelle a été acquis et pour laquelle les dépenses précitées formaient une charge, soit conservée ;

2° de in aanmerking komende innovatie- inkomsten bedoeld in artikel 205/1, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, in voorkomend geval worden uitgesplitst naar de aard van de vergoeding;

2° les revenus d'innovation à prendre en considération visés à l'article 205/1, § 2, 2°, du même Code soient, le cas échéant, répartis suivant la nature de la redevance ;

3° voor het belastbaar tijdperk waarin de datum van 1 juli 2016 valt, aangetoond wordt dat de in 2° bedoelde in aanmerking komende innovatie-inkomsten ten vroegste op 1 juli 2016 zijn verkregen;

3° pour la période imposable au cours de laquelle tombe la date du 1er juillet 2016, il soit démontré que les revenus d'innovation à prendre en considération visés au 2° sont reçus au plus tôt le 1er juillet 2016 ;

4° voor het belastbaar tijdperk waarin de datum van 1 juli 2021 valt, in voorkomend geval aangetoond wordt dat de in 2° bedoelde in aanmerking komende innovatie-inkomsten zijn verkregen tijdens het deel van het belastbaar tijdperk waarvoor met betrekking tot het intellectueel eigendomsrecht

Art. 194bis. artikel 194bis WIB 92 en tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de technische voorzieningen
08.07.1999 2720 797
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat in België voor wetenschappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer of integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld
08.07.1999 2722 797
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
07.07.1999 2717 797
KB 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat als hooggekwalificeerd onderzoeker in België voor wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld
08.07.1999 2721 797
KB 24.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 14.08.1999 2733 797
KB 29.10.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
07.12.1999 2772 800
KB 09.11.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 en het koninklijk besluit van 08.07.1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat het codenummer van de postrekeningen voor de storting van voorafbetalingen, van de bedrijfsvoorheffing en van de verkeersbelasting op autovoertuigen betreft
17.12.1999 - ed. 3 2777 801
KB 15.12.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 29.12.1999 2784 801
KB 31.12.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van spaardeposito’s 11.01.2000 2794 802
KB 27.01.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, met betrekking tot het hoogst aftrekbare bedrag van de uitgaven voor kinderoppas
03.02.2000 2795 802DATUM KB 1
BULL
DATUM BS
DATUM BS
2
V 3
V 3
V 3
V 3
V 3
KB 27.01.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 09.02.2000 2796 802
KB 25.04.2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 09.06.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvrijstelling voor personeel dat in België voor weten- schappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer of integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld
06.05.2000 2816 805
KB 25.04.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 09.05.2000 2817 805
KB 24.06.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 30.06.2000 2833 807
KB 20.07.2000 tot invoering van de euro in de koninklijke besluiten die ressorteren onder het Ministerie van Financiën en tot uitvoering van de wet van 30.10.1998 betreffende de euro
30.08.2000
err. 08.03.200 ed. 2
2852 809
2852 809
KB 19.09.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 27.09.2000 err.
21.10.2000
2860 809
KB 21.09.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de investeringsaftrek 17.10.2000 2865 810
KB 16.10.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk belastingvrijstelling van sommige giften en inzake betaling van bedrijfsvoorheffing
09.11.2000 2872 810
KB 23.11.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
12.12.2000 2879 811
KB 29.11.2000 tot uitvoering van artikel 203, § 2, 6e lid, WIB 92 en tot aanvulling van het KB/WIB 92 terzake van de erkenningsvoorwaarden waaraan een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen dat geïntegreerd is in een betalings- en afwikkelingssysteem van effectenverrichtingen moet voldoen en de periode gedurende dewelke de erkenning kan worden verleend
23.12.2000 – ed. 2 2885 812DATUM KB 1
BULL
KB 04.12.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de roerende voorheffing op de inkomsten van leningen van aandelen
23.12.2000 – ed. 2 2886 812
KB 05.12.2000 tot uitvoering van artikel 4, derde lid en artikel 12, tweede lid van de wet van 24.12.1999 houdende fiscale en diverse bepalingen en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
16.12.2000 2881 811
DATUM BS
DATUM BS
2
V 3
V 3
V 3
V 3
V 3
KB 18.12.2000 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 29.12.2000 – ed. 2 2887 812
KB 30.01.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voorwaarden die gelden inzake de toekenning van de vermindering voor het lange termijnsparen met betrekking tot betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen
28.02.2001 2909 814
KB 02.02.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 16.02.2001 2907 813
KB 04.03.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van sommige giften
14.03.2001 2914 814
KB 16.03.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 10.04.2001 – ed. 2 2923 815
KB 13.07.2001 tot invoering van de euro in de koninklijke besluiten die ressorteren onder het Ministerie van Financiën en tot uitvoering van de wet van 30.10.1998 betreffende de euro
11.08.2001 2959 819
KB 05.09.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
28.09.2001 2982 821
KB 21.11.2001 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 06.12.2001 – ed. 1
err. 22.01.2002
2985 822
KB 04.02.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
13.02.2002 3015 824DATUM KB 1
BULL
DATUM BS
DATUM BS
2
V 3
V 3
V 3
V 3
V 3
KB 04.03.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 19.03.2002 – ed. 3
err. 09.04.2002
3027 826
KB 08.03.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 19.03.2002 – ed. 3 3028 826
KB 02.04.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de belastingvermindering voor uitgaven betaald voor prestaties betaald met dienstencheques
25.04.2002 3039 827
KB 19.06.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 04.07.2002 3060 829
KB 26.06.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
05.07.2002 3061 829
KB 22.08.2002 tot aanvulling van het KB/WIB 92 op het vlak van de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling
05.09.2002 3077 830
KB 21.10.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de aangifte van de bedrijfsvoorheffing betreft
31.10.2002 3090 832
KB 25.10.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 14.11.2002
err. 20.02.2003 – ed. 3
3092 832
KB 12.12.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 31.12.2002 – ed.3 3104 833
KB 20.12.2002 tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning
28.12.2002 – ed. 2 3102 833
KB 09.01.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 05.02.2003 3116 835
KB 23.01.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
06.02.2003 – ed. 2 3117 835DATUM KB 1
BULL
KB 06.02.2003 tot uitvoering van art. 194quater, § 6, 1e lid, WIB 92 inzake de investerings- modaliteiten in het kader van de investeringsreserve, in geval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen, of in geval van fusie of splitsing
14.02.2003 – ed. 2 3120 835
KB 13.02.2003 tot uitvoering van art. 203, § 1, 3e lid, WIB 92 betreffende de lijst van de landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
21.02.2003 err. 07.03.2003
3124 836
3124 836
DATUM BS
DATUM BS
2
V 3
V 3
V 3
V 3
V 3
KB 21.02.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 06.03.2003 – ed. 2 3128 836
KB 28.02.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard 06.03.2003 – ed. 2 3129 836
KB 10.03.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de belastingvrijstelling van prijzen en subsidies, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars
25.03.2003 3134 837
KB 25.03.2003 tot uitvoering van art. 45, § 2, van de wet van 2.8.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
31.03.2003 – ed. 2 3212 842
KB 25.03.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van art. 396 van de programmawet van 24.12.2002
04.04.2003 3140 837
KB 27.03.2003 tot uitvoering van art. 202 , § 2, tweede lid, WIB 92 inzake de vaststelling van de aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben ten name van de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen en de beursvennootschappen
16.04.2003 3150 838
KB 31.03.2003 tot wijziging van art. 210bis van het KB/WIB 92 23.04.2003 3154 838
KB 03.04.2003 tot uitvoering van art. 388 van de programmawet van 24.12.2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
22.04.2003 3156 838
KB 03.04.2003 tot uitvoering van de art. 2 en 8, van de wet van 14.01.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen
30.04.2003 – ed. 2 3157 838DATUM KB 1
BULL
KB 04.04.2003 tot uitvoering van art. 264, 1e lid, 2°bis, WIB 92 inzake de met gereglementeerde markten als bedoeld in art. 2, 5° en 6°, van de wet van 02.08.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, gelijkgestelde andere gereglementeerde markten
18.04.2003 – ed. 2 3153 838
DATUM BS
DATUM BS
2
V 3
V 3
V 3
V 3
V 3
KB 12.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake investeringen in beveiliging 20.05.2003 3173 839
KB 12.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid
20.06.2003 3187 840
KB 15.05.2003 met betrekking tot de private privak en tot wijziging van het KB van 18.04.1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en groeibedrijven
12.06.2003 3176 839
KB 16.05.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de roerende voorheffing 05.06.2003 3179 840
KB 11.07.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 12.08.2003 3209 842
KB 30.07.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
29.08.2003 – ed. 3 3211 842
KB 28.09.2003 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in

Art. 198/1. artikel 198/1 van hetzelfde Wetboek, bedoelde financieringskostensurplus indien bij de aangifte een overzicht wordt toegevoegd van deze leningen en indien aan de modaliteiten van dit artikel wordt voldaan.
Dans le cas où le contribuable dispose d'un ou plusieurs emprunts conclus avant le 17 juin 2016 et qu'aucune modification fondamentale n'a été apportée à ces emprunts à partir de cette date, intérêts ou les coûts, ou produits qui sont économiquement similaires aux intérêts de ces emprunts conformément à l'article 734/8 n'entrent pas en ligne de compte pour la détermination des surcoûts d'emprunt visés à l'

Art. 199. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
a) van de onroerende voorheffing ; b) van de roerende voorheffing ;
c) van de bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 270 tot 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 200. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
a) van de personenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 243 tot 244, 245 en 248 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 wordt gevestigd ;
b) van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 233 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen niet of per kalenderjaar boekhouden ;
c) van de rechtspersonenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeen- komstig de artikelen 234 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd.

Art. 201. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar vóór het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennoot- schapsbelasting en van de belasting van niet- inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer het boekjaar loopt over een tijdperk dat korter of langer is dan een jaar en de betrokkenen hun boekhouding afsluiten op 31 december van het jaar.

Art. 202. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar, afgesloten in het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen anders dan per kalenderjaar boekhouden.

Art. 203.

§ 1. Met betrekking tot belastingplichtigen voor wie de gronden voor belastbaarheid overeenkomstig artikel 200 slechts na 1 januari aanwezig zijn of vóór 31 december zijn weggevallen, stemt het belastbare tijdperk overeen met het gedeelte van het jaar waarin die gronden aanwezig zijn geweest.
In afwijking van gezegd artikel 200 wordt het aanslagjaar genoemd naar het jaar waarin de gronden voor belastbaarheid weggevallen zijn, om een andere reden dan overlijden van de belastingplichtige.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 :

1° zijn de gronden voor belastbaarheid in een inkomstenbelasting slechts na 1 januari aanwezig indien de persoon op een later tijdstip dan 1 januari de hoedanigheid van belastingplichtige in die inkomstenbelasting verkrijgt;

2° vallen de gronden voor belastbaarheid in een inkomstenbelasting weg voor 31 december indien de persoon op een tijdstip vroeger dan 31 december de hoedanigheid van belastingplichtige in die inkomstenbelasting niet meer bezit.

Art. 204. Inkomsten van het in de artikelen 199 tot 203 vermelde belastbare tijdperk zijn :

1° inkomsten van gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die op dat tijdperk betrekking hebben ;

2° inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die overeenkomstig de artikelen 261, 2°, 263, eerste lid, en 267 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de roerende voorheffing onderworpen zijn en tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend ; 3° beroepsinkomsten, bestaande uit :
a) vastgestelde of vermoede winst of baten, andere dan vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten, van dat tijdperk ;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen en vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten ;
c) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende pensioenen, renten en toelagen ;

4° diverse inkomsten, bestaande uit :
a) vastgestelde of vermoede winst of baten van dat tijdperk, vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek ;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende sommen vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 7°, van hetzelfde Wetboek ;
b/1) …
c) vastgestelde of vermoede meer- waarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 8°, van hetzelfde Wetboek ;
d) meerwaarden vermeld in artikel 90, eerste lid, 9°, van hetzelfde Wetboek ;
e) vastgestelde of vermoede meer- waarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek ;
f) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek ;
g) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 12°, van hetzelfde Wetboek ;

5° de kosten, bijdragen, pensioenen, renten en toelagen vermeld in de artikelen 222 en 223, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, die door de belastingplichtige tijdens dat tijdperk zijn betaald of toegekend.

Art. 205. Voor de toepassing :

1° van artikel 204, 3°, a, worden winst of baten die uit een boekhouding blijken, geacht verkregen te zijn op de datum van afsluiting van het boekjaar waarop zij betrekking hebben ;

2° van artikel 204, 3°, b, wordt het bedrag vermeld in artikel 31, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geacht te zijn betaald of toegekend op de datum waarop de aandelen zijn overgedragen ;

3° ...

Art. 205/1. artikel 205/1 van hetzelfde Wetboek, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken;
- à 85 p.c. des revenus de la période imposable, visés aux articles 205/2 et 205/3 du même Code, qui peuvent être déduits des bénéfices de la période imposable en cours ou d'une période imposable suivante conformément aux dispositions de l'

Art. 206. De bijzondere aanslag in de vennootschaps- belasting vermeld in artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de bijzondere aanslag in de belasting van niet-inwoners gevestigd volgens artikel 246, 2°, en de aanslagen vermeld in artikel 247, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek, worden verbonden aan het aanslagjaar betreffende het belastbare tijdperk bepaald overeenkomstig de artikelen 200 tot 203, in de loop waarvan de omstandigheid, waarin gezegde aanslagen hun grond vinden, zich heeft voorgedaan.
de roerende voorheffing die is ingehouden op in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden
artike 376/1)

Art. 206/1.

§ 1. De belastingplichtige die bij toepassing van artikel 376/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de terugbetaling wil bekomen van de roerende voorheffing die overeenkomstig artikel 261 van hetzelfde Wetboek is ingehouden op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van dat Wetboek bedoelde eerste schijf van dividenden dient hiertoe een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende schriftelijke aanvraag in bij de adviseur-generaal van het Centrum Buitenland.

§2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag vermeldt:
- de naam, de voornaam, de geboortedatum en het volledige adres van de belastingplichtige;
- het buitenlands fiscaal identificatienummer van de belastingplichtige;
- het inkomstenjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
- het nummer van de financiële rekening op naam van de belastingplichtige waarop de terugbetaling moet worden gestort, evenals de naam en het adres van financiële instelling waarbij die rekening wordt aangehouden.
Bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:

1° een attest van het statuut van niet-inwoner;

2° de documenten waaruit de volgende gegevens blijken:
- de naam van de vennootschap die de dividenden heeft toegekend;
- het bruto bedrag van de dividenden;
- het tarief van de roerende voorheffing, rekening houdende met de verminderingen op grond van een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting;
- het bedrag van de ingehouden roerende voorheffing, desgevallend opgesplitst per tarief; - de datum waarop de dividenden door de vennootschap zijn betaald of toegekend;
- de datum waarop de dividenden door de belastingplichtige zijn geïnd.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde documenten zijn afgeleverd door de financiële instelling waarbij de belastingplichtige de rekening aanhoudt waarop de dividenden zijn gestort, door een andere financiële instelling die als tussenpersoon tussenbeide is gekomen bij de uitbetaling van de dividenden of door de vennootschap die de dividenden heeft toegekend.
voor de fiscale en niet-fiscale schulden van een aannemer of onderaannemer
artikelen 403, 404 en 406)
Art. 207 …
Art. 208 …
Art. 209 …

Art. 210. Wanneer de in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgelegde storting niet is verricht, wordt de in artikel 393 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde administratieve boete, voor ten hoogste drie overtredingen, verminderd tot een achtste, een vierde of de helft van die boete naargelang het respectievelijk een eerste, een tweede of een derde overtreding betreft, op voorwaarde dat degene die de storting niet heeft verricht, een overeenkomst had afgesloten met een aannemer die op het ogenblik van het afsluiten ervan geen fiscale en niet-fiscale schulden had, en dat die aannemer op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding :

1° ofwel, geen fiscale en niet-fiscale schulden meer heeft; 2° ofwel, nog steeds fiscale en niet-fiscale schulden heeft en degene die de storting niet heeft verricht, op verzoek van de administratie alsnog de vereiste storting heeft uitgevoerd binnen de door haar opgelegde termijn en het bewijs van storting wordt overgelegd.
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de bedrijfsvoorheffing op meerwaarden verwezenlijkt op onroerende goederen door niet- inwoners
artikel 412bis)

Art. 210ter. De vermeldingen die moeten voorkomen in het bericht bedoeld in artikel 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn opgenomen in bijlage 4 van het koninklijk besluit van 22 juni 2020 tot uitvoering van de artikelen 93ter tot 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 412bis, 433 tot 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 35 tot 37, 43 tot 45 en 47 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen en de artikelen 157 tot 159 en 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake het e-notariaat.
persoonlijke borgstelling.
artikel 420, § 1)

Art. 211. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 213.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 214.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 215.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 215sexies. artikel 215sexies van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
78.3.3. De overeenkomstig nrs. 78.2 en 78.3.1 berekende bedrijfsvoorheffing mag er evenwel niet toe leiden dat: 1° Het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde ziekte- en invaliditeitsuitkeringen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdelingen I en II van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoôrdineerd op 14 juli 1994 minder bedraagt dan het bedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering vermeld in

Art. 217.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.5. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 218. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.6. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfi n-fisconet_public/fiscal-discipline/federated- entities/flemish-autority/flemish-code-of- taxation/0a007bbc-c168-464a-8f7f- b6ff4df095d2(BS 31 december 2013) van

Art. 219.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.7. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
kredietinstellingen of -inrichtingen.
artikel 443)

Art. 221. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.1. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 222.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.2. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 223.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.3. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.

Art. 224. … GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMS GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.4. van het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing, wat de onroerende voorheffing betreft.
belastingverhogingen.
artikel 444)

Art. 225. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte of laattijdige aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Niet-aangifte of laattijdige aangifte te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Absence de déclaration ou déclaration tardive due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Niet-aangifte of laattijdige aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding (zonder inachtneming van de in A vermelde gevallen van niet- aangifte of laattijdige aangifte) : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Absence de déclaration ou déclaration tardive sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction (sans tenir compte des absences de déclaration ou des déclarations tardives visées sub A) : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Niet-aangifte of laattijdige aangifte met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding en volgende overtredingen : C. Absence de déclaration ou déclaration tardive avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction et infractions suivantes : D. Niet-aangifte of laattijdige aangifte gepaard gaande met ofwel onjuistheid of verzwijging door valsheid of gebruik van valse stukken tijdens de verificatie van de belastingtoestand, ofwel met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Absence de déclaration ou déclaration tardive accompagnée soit d'une inexactitude ou omission par faux ou d'un usage de faux au cours de la vérification de la situation fiscale, soit d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :

Art. 226. De schaal van de belastingverhogingen bij onvolledige of onjuiste aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Onvolledig of onjuiste aangifte te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige : A. Déclaration incomplète ou inexacte due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding (zonder inachtneming van de in A vermelde gevallen) : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Déclaration incomplète ou inexacte sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction (compte non tenu des cas visés sub A) : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Onvolledige of onjuiste aangifte met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding en volgende overtredingen : C. Déclaration incomplète ou inexacte avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction et infractions suivantes : D. Onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Déclaration incomplète ou inexacte accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : Dans tous les cas :

Art. 227. Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C van de artikelen 225 en 226 niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte in de inkomstenbelastingen is bestraft voor de laatste 4 aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft.

Art. 228. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte, bij laattijdige aangifte of bij onvolledige of onjuiste aangifte inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, gepaard gaande met niet-betaling of ontoereikende betaling van de voormelde voorheffingen, wordt als volgt vastgesteld : Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingschuldige : A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable : B. Overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : -4e en 5e overtreding : Vanaf de 6e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Infraction sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : -4e et 5e infraction : A partir de la 6e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Overtreding met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e en 3e overtreding : -4e en 5e overtreding : -6e en 7e overtreding : -8e overtreding en volgende overtredingen : C. Infraction avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e et 3e infractions : -4e et 5e infractions : -6e et 7e infractions : -8e infraction et infractions suivantes : D. Overtreding gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Infraction accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :
Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor 4 opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 228/1. In afwijking van artikel 228, de schaal van de belastingverhogingen in geval van een onjuiste aangifte die aanleiding heeft gegeven tot een in titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding te wijten aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingschuldige : A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable : B. Overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. B. Infraction sans intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : A partir de la 4e infraction, les infractions de cette nature sont classées sub C et sanctionnées comme telles. C. Overtreding met het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e en 3e overtreding : -4e en 5e overtreding : -6e en 7e overtreding : -8e overtreding en volgende overtredingen : C. Infraction avec intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e et 3e infractions : -4e et 5e infractions : -6e et 7e infractions : -8e infraction et infractions suivantes : D. Overtreding gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken of met een omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : in alle gevallen : D. Infraction accompagnée de faux ou d'un usage de faux ou d'une corruption ou d'une tentative de corruption de fonctionnaire : dans tous les cas :
Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van de bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor 4 opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 229. Voor de vaststelling van het krachtens de artikelen 225, 226, 228 en 228/1 toe te passen percent van de belastingverhogingen, is een tweede of een volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de verhoging die de vorige overtreding heeft bestraft. geldboetes en hun toepassingsmodaliteiten
artikel 445)

Art. 229/1. De schaal van de administratieve geldboetes bij overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 evenals van de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, andere dan niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, of niet-betaling, een laattijdige betaling of een ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : B. Overtreding niet toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken : -1e overtreding : -2e overtreding : -3e overtreding : -4e overtreding : Volgende overtredingen : B. Infraction non imputable à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder l'impôt : -1ère infraction : -2e infraction : -3e infraction : -4e infraction : Infractions suivantes : C. Overtreding toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken (daaronder begrepen het indienen van vrijwillig onvolledige of onjuiste aangiften) :
C. Infraction due à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder l'impôt (y compris la remise de déclarations volontairement incomplètes ou inexactes) :

Art. 229/2. De schaal van de administratieve geldboetes bij niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, of bij niet-betaling, een laattijdige betaling of een ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing, wordt als volgt vastgesteld :
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Niet-aangifte of laattijdige aangifte inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing: 1. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige : 2. Andere overtreding : -1e overtreding : -2e overtreding tot 4e overtreding : -5e overtreding tot 7e overtreding : -8e overtreding tot 10e overtreding : 11e overtreding en volgende overtredingen : A. Absence de déclaration ou déclaration tardive en matière de précomptes professionnel et mobilier 1. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable : 2. Autre infraction : -1ère infraction : -2e infraction à 4e infraction : -5e infraction à 7e infraction : -8e infraction à 10e infraction :: 11e infraction et infractions suivantes : B. Niet-betaling, laattijdige betaling of ontoereikende betaling van de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing : -1e overtreding : Volgende overtredingen :
B Absence de paiement, paiement tardif ou paiement insuffisant en matière de précomptes professionnel et mobilier :
-1ère infraction : Infractions suivantes :

Art. 229/3. De vorige overtredingen die bedoeld zijn in punt B van artikel 229/1 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het toe te passen bedrag van de geldboetes :

1° betreffende de overtredingen andere dan inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing : wanneer geen enkele overtreding werd bestraft voor de laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft;

2° betreffende de overtredingen inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing andere dan diegene bedoeld in artikel 229/2 : wanneer geen enkele overtreding, bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing afzonderlijk beschouwd, werd bestraft voor vier opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.
De vorige overtredingen die bedoeld zijn in de punten A en B, afzonderlijk beschouwd, van artikel 229/2 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het toe te passen bedrag van de geldboetes wanneer geen enkele overtreding, bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing afzonderlijk beschouwd, werd bestraft voor vier opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

Art. 229/4. Voor de vaststelling van het krachtens de artikelen 229/1 en 229/2 toe te passen bedrag van de geldboetes, is een tweede of volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de geldboete die de vorige overtreding heeft bestraft.

Art. 229/5. De schaal van de administratieve geldboetes bij overtredingen bedoeld in artikel 445, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt als volgt vastgesteld:
Aard van de overtredingen Nature des infractions A. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige: A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable :
B. Overtreding niet toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken: -1e overtreding: -2e overtreding: -3e overtreding: -4e overtreding: Volgende overtredingen : B. Infraction non imputable à la mauvaise foi ou à l’intention d’éluder l’impôt : -1ère infraction : -2e infraction: -3e infraction : -4e infraction: Infractions suivantes : C. Overtreding toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken (daaronder begrepen het indienen van vrijwillig onvolledige of onjuiste aangiften): -1e overtreding : Volgende overtredingen : C. Infraction due à la mauvaise foi ou à l’intention d’éluder l’impôt (y compris la remise de déclarations volontairement incomplètes ou inexactes) -1ère infraction : Infractions suivantes :

Art. 229/6. [De Raad van State vernietigt het KB van 20.05.2020 ‘tot uitvoering van de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de wet van 20.12.2019 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25.05.2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (arrest nr 256.480 van 10.05.2023)]

Art. 229/7. De schaal van administratieve geldboetes betreffende inbreuken bedoeld in artikel 445, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt als volgt vastgesteld: Nature de l'infraction - Aard van de overtredingen
A. Infraction à l'article 473 du Code des impôts sur les revenus 1992 due à des circonstances indépendantes de la volonté du contribuable :
A. Overtreding op artikel 473 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige:
B. Déclaration tardive ou absence de déclaration des événements mentionnés à l'article 473, § 1er, alinéa 1er, tirets 1 à 3, du Code des impôts sur les revenus 1992:
B. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van de gebeurtenissen vermeld in artikel 473, § 1, eerste lid, streepjes 1 tot en met 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:
C. Déclaration tardive ou absence de déclaration de la mise en usage de matériel ou d'outillage nouveaux ou ajoutés ainsi que de la modification ou de la désaffectation définitive de matériel ou d'outillage (art. 473, § 1er, alinéa 1er, 4ème tiret, du Code des impôts sur les revenus 1992) : C. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van de ingebruikstelling van nieuw of toegevoegd materieel of outillage, alsook van de wijziging of van de definitieve buitengebruikstelling van materieel en outillage (art. 473, § 1, eerste lid, vierde streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992):
D. Déclaration tardive ou absence de déclaration d'acquisition et/ou d'aliénation d'un droit réel sur un bien immobilier sis à l'étranger ou déclaration tardive ou absence de déclaration de l'existence d'un droit réel sur un bien sis à l'étranger au 31.12.2020 (art. 473, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992) :
D. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van verwerving en/of vervreemding van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed of laattijdige aangifte of niet-aangifte van het bestaan van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed, op 31.12.2020 (art. 473, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992): Het kadastraal inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor het vaststellen van het bedrag van de boete bij niet-naleving van de verplichtingen voorzien in artikel 473, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is datgene dat werd vastgesteld bij toepassing van artikel 494 van hetzelfde Wetboek, met andere woorden het geschat of herschat kadastraal inkomen op basis van de nieuwe toestand die laattijdig werd aangegeven door de belastingplichtige of die door de administratie werd vastgesteld.
In geval van laattijdige aangifte of niet- aangifte worden de boetes toegepast per betrokken kadastraal perceel. Belastingwezen van de provincies, de agglomeraties en de gemeenten.
artikelen 300 en 469)

Art. 230.

§ 1. Voor zover zij niet inzonderheid de inkomstenbelastingen betreffen, zijn de bepalingen van de artikelen 126, 127 en 128 tot 176, van

§ 2. In afwijking van artikel 139 mogen niet ten kohiere gebrachte provinciale belastingen waarvoor een plaat, penning of ander kenteken wordt uitgereikt, ook betaald worden in munten of bankbiljetten die in België wettig betaalmiddel zijn.
gemeentebelastingen.

Art. 231. De kohieren van de aanvullende agglomera- tiebelasting op de personenbelasting en de kohieren van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting worden opgemaakt volgens de door de directeur-generaal van de directe belastingen gestelde regelen.
Die aanvullende belastingen worden opgenomen in kohieren verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard ; toegepast worden de tarieven in verband met de desbetreffende aanslagjaren.

Art. 233. Het bepaalde in de artikelen 133, 136 tot 144/7, 210ter en 225 tot 230 is op de in artikel 231 vermelde aanvullende belastingen van toepassing.

Art. 233/1. Het tarief bedoeld in artikel 469, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt verhoogd tot 7 pct. Bijzondere regels omtrent de invordering en de informatieverstrekking inzake de toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten en de voorschotten aan de gemeenten
artikelen 470/1 en 470/2)

Art. 233/2.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 470/1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992 geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve inhouding moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
Voor de toepassing van artikel 470/1, zesde lid, van hetzelfde Wetboek geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve debitering moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen geeft aan de kredietinstelling belast met het houden van de financiële rekening van het betrokken bestuur, kennis van het bedrag van haar schuldvordering opdat deze het bedrag daarvan ambtshalve zou inhouden op de financiële rekening van het betrokken bestuur.

§ 2. Wanneer de schuldenaar van de vordering een provincie is, wordt de kennisgeving gedaan aan de bestendige deputatie van die provincie.
Wanneer de schuldenaar van de vordering de Brusselse Agglomeratie is, wordt de kennisgeving gedaan aan de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Wanneer de schuldenaar van de vordering een gemeente is, wordt kennisgeving gedaan aan het College van Burgemeester en Schepenen van die gemeente.

§ 3. De in § 1 vermelde kennisgevingen worden langs fotografische, magnetische, electronische of optische weg aan het betrokken bestuur of zijn kredietinstelling toegezonden en hebben bewijskracht voor zover zij binnen acht kalenderdagen worden bevestigd bij ter post aangetekende brief.

Art. 233/3.

§ 1. De Federale Overheidsdienst Financiën deelt elke gemeente de ramingen mee van de opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting over eenzelfde begrotingsjaar. De initiële raming wordt medegedeeld in het laatste trimester van het kalenderjaar dat het begrotingsjaar waarop de raming betrekking heeft, voorafgaat. Zo nodig wordt een herraming medegedeeld in het tweede trimester van het kalenderjaar dat overeenstemt met het lopende begrotingsjaar. De vermoedelijke ontvangsten worden medegedeeld in het laatste trimester van hetzelfde jaar.
Deze mededeling gebeurt elektronisch of bij gewone brief, en wordt gestuurd aan het betreffende College van Burgemeester en Schepenen.

§ 2. De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen stuurt maandelijks elektronisch of bij gewone brief, aan het College van Burgemeester en Schepenen van elke gemeente een overzicht van de voor rekening van de gemeente werkelijk geïnde ontvangsten betreffende de opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting na aftrek van de ontheffingen die voor haar rekening werden uitbetaald, voor de maand die aan deze van het versturen van het overzicht voorafgaat. Dit overzicht vermeldt ook de administratiekosten in verband met de geïnde ontvangsten, bedoeld in artikel 470 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 3. Overeenkomstig artikel 470/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zendt de Federale Overheidsdienst Financiën in de maand mei van elk jaar, elektronisch of bij gewone brief, het overzicht bedoeld in het genoemde artikel aan het College van Burgemeester en Schepenen van elke gemeente.

§ 4. De aanzuivering van een negatief saldo zoals vastgesteld in de loop van de maanden mei, juni of juli en de werkelijke toekenningen, bedoeld in artikel 470/2, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vindt plaats zonder formaliteiten.

§ 5. Voor de toepassing van artikel 470/2, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen, bij aangetekende brief, aan het College van Burgemeester en Schepenen kennis van het bedrag van haar schuldvordering op de eerste werkdag die volgt deze waarop het vastgesteld wordt dat er dient gedebiteerd te worden.
De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen geeft kennis van het bedrag van haar schuldvordering, bij aangetekende brief, aan de kredietinstelling belast met het houden van de financiële rekening van de betreffende gemeente teneinde ambtshalve het bedrag van deze te debiteren van de financiële rekening van de betreffende gemeente. Overgangsbepalingen.
roerende voorheffing.
artikel 507, derde lid)

Art. 234. Wanneer de last van de mobiliënbelasting of van de roerende voorheffing, krachtens vóór 1 december 1962 of vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 gesloten overeenkomsten, op de schuldenaar van de inkomsten is gelegd, heeft deze het recht, op vanaf 1 januari 1967 verleende of toegekende belastbare inkomsten, het verschil in te houden tussen de roerende voorheffing die ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van dit besluit is verschuldigd en die waarvan hij vóór die laatste datum de last op zich nam.
Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, worden de door de schuldenaar van het inkomen gedragen roerende voorheffing en de aan de bron in te houden roerende voorheffing bepaald als volgt :

1° met betrekking tot interest van vóór 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen die niet van mobiliën- belasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeen- komsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
a) is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98 van het bedrag van het bedongen nettoinkomen ;
b) is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10,5 % van hetzelfde bedrag.

2° met betrekking tot andere inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van : a) vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
- is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98, 3/97, 4/96, 6/94 of 8/92 van het bedrag van het bedongen netto- inkomen, naargelang dit inkomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 juli 1966 tot wijziging van het Wetboek van de inkomsten- belastingen, aan de roerende voor- heffing was onderworpen tegen een tarief van respectievelijk 2,4 %, 3 %, 4 %, 6 % of 8 % ;
- is de aan bron in te houden roerende voorheffing respectievelijk gelijk aan 10,5/98, 9,5/97, 8,5/96, 6,5/94 of 4,5/92 van hetzelfde bedrag, volgens het onderscheid dat hierboven wordt gemaakt met betrekking tot het tarief van de roerende voorheffing ;
b) overeenkomsten die vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 zijn gesloten en de last van de roerende voorheffing op de schuldenaar leggen :
- is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 15/85 van het bedrag van het bedongen nettoinkomen ;
- is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10/85 van hetzelfde bedrag. de afschrijving van bepaalde activa die zijn verkregen of tot stand gebracht vóór de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 en die nog in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.
artikel 511, § 2)

Art. 235. Voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252, worden onder aanschaffings- of beleggingswaarde van de activa de kosten van aankoop of oprichting verstaan, met inbegrip van de rechten en taksen die er betrekking op hebben, de eventuele kosten van vervoer, van montage en andere gelijkaardige.

Art. 236. Als activa waarvan de aanschaffings- of beleggingswaarde voor de berekening van de vrij van belasting toegestane afschrijving mag worden herschat, gelden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, dat wil zeggen al dan niet vaste machines, werktuigen en toestellen met toebehoren, zomede nijverheidsgebouwen en tot nijverheids- en handelsdoeleinden gebruikt meubilair, die als het ware deel uitmaken van de outillage en aan snelle slijtage of verval onderhevig zijn.
De outillage omvat inzonderheid de in handelsbedrijven gebezigde voorwerpen die door intensief gebruik, of onder invloed van technische vooruitgang, mode en gewoonten, aan snelle slijtage blootstaan of vaak moeten worden vervangen.

Art. 237. Van het voordeel van afschrijving op de herschatte aanschaffings- of beleggingswaarde zijn over het algemeen de terreinen uitgesloten, zomede gebouwen die geen met outillage gelijkgestelde nijverheidsgebouwen zijn en inzonderheid tot woning of kantoor dienen ; dit geldt eveneens voor het meubilair waarvan woningen en kantoren voorzien zijn, voor portefeuille, octrooien, fabrieksmerken, handelsfonds, cliënteel en firma. De afschrijving van die activa moet uit fiscaal oogpunt verder op grond van de niet herziene aanschaffings- of beleggingswaarde geschieden.

Art. 238.

§ 1. De herschatting mag slechts slaan op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, die de belastingplichtige heeft verkregen of tot stand gebracht vóór de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 en die nog werkelijk in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.
Met betrekking tot outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen van ondernemingen die zijn opgericht door omzetting, fusie, opslorping, splitsing of overname van vroeger bestaande ondernemingen of bedrijfsafdelingen van zulke ondernemingen, wordt evenwel met de datum van verkrijging of totstandbrenging van die activa door de omgezette, overgenomen of gesplitste ondernemingen rekening gehouden, voor zover die mutaties niet ten gevolge hebben gehad de tijdens de bezetting van het land gebruikte produktiemiddelen in hun geheel te verhogen. Onder hetzelfde voorbehoud worden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen die zijn geleverd of opgericht ter uitvoering van contracten of overeenkomsten gesloten vóór de uiterste datum van verkrijging of totstandbrenging bepaald in het eerste lid, voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als verkregen of tot stand gebracht op de datum van gezegde contracten of overeenkomsten.
De bovenbedoelde activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten verloren, vernield of buiten gebruik gesteld zijn, worden voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252 gelijkgesteld met activa die nog werkelijk in gebruik waren op de uiterste datum bepaald op het einde van het eerste lid.

§ 2. Degene van gezegde activa die na de uiterste datum vermeld in § 1 van dit artikel zijn verkregen of tot stand gebracht, worden verder afgeschreven volgens de werkelijke aanschaffings- of beleggingswaarde bepaald in artikel 235.

Art. 239. Eventueel kan slechts een nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde worden toegekend aan het deel van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen dat met eigen middelen van de belastingplichtige is verkregen of tot stand gebracht.
Dat deel wordt bepaald met inachtneming van de gegevens van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 of, in gevallen als vermeld in artikel 238, § 1, tweede lid, in de openingsbalans van de nieuwe onderneming.

Art. 240. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde van iedere categorie activa vermeld in de artikelen 236, 238, § 1, en 239, mag niet meer bedragen dan twee en een halve maal hun waarde geschat naar de per 31 augustus 1939 geldende normale prijzen en met inachtneming van hun toestand van stoffelijke slijtage en van hun werkelijke waardevermindering op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 of, in voorkomend geval, op de datum van opeising in eigendom of van verlies, vernieling, of buitengebruikstelling ingevolge oorlogsfeiten.
De aan elk herschat activum toegekende nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde mag niet meer bedragen dan zijn industriële- of handelswaarde op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946.

Art. 241. Om het bepaalde in de artikelen 236 tot 252 te genieten, stelt de belastingplichtige, per categorie of per boekhoudrubriek, een omstandige inventaris op van de te herschatten activa.
Voorwerpen van geringe waarde worden in een post "allerlei voorwerpen" begrepen voor een benaderende en te goeder trouw vastgestelde waarde in ronde cijfers.
De inventaris vermeldt respectievelijk :
a) de aard van elk geïnventariseerd activum ;
b) voor zover mogelijk de datum van verkrijging of van totstandbrenging, behalve voor de post "allerlei voorwerpen" ;
c) voor elk geïnventariseerd activum en voor elke categorie activa, de waarde 1939 vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 240, eerste lid ;
d) de industriële of handelswaarde van elk activum op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946, voor zover gezegde waarde meer of minder bedraagt dan twee en een halve maal de waarde vermeld in c ;
e) de nieuwe aanschaffings- of beleggings- waarde voor de berekening van de afschrijving, zijnde maximaal voor elke categorie activa twee en een halve maal de waarde vermeld in c, en voor elk activum de waarde vermeld in d.
De activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten vernield, verloren of buiten gebruik gesteld zijn, worden afzonderlijk in gezegde inventaris ingeschreven.

Art. 242. De in artikel 241 vermelde inventaris wordt in duplo opgesteld en een exemplaar ervan wordt aan de controleur van de directe belastingen of aan de taxatiedienst van het ambtsgebied overhandigd tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het boekjaar in de balans waarvan de herschatting is opgenomen, of ten laatste op 24 januari 1948 ingeval de afschrijving op die grondslag is berekend met ingang van het aanslagjaar 1947 ; hij moet ondertekend zijn door de gedelegeerde bestuurders en door de commissarissen in kapitaalvennootschappen en door de verschillende personen die de vennootschap, firma of vereniging kunnen verbinden in anders dan in de vorm van kapitaalvennootschappen geëxploiteerde onder- nemingen.

Art. 243. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen moet opgenomen worden in de boeken of balansen die van 31 december 1947 af en ten laatste op 30 december 1948 zijn afgesloten ; zij moet afzonderlijk in het actief en in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de volgende rubrieken of onder enige andere soortgelijke benaming :
- in het actief :
"Outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen (herschatting)" ;
- in het passief :
"Meerwaarde van herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen". Deze meerwaarde mag evenwel in rekening "Kapitaal" ingelijfd worden.

Art. 244. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde, bepaald overeenkomstig de artikelen 235 tot 240 en in het actief opgenomen, dient tot grondslag voor de berekening van de afschrijving ; deze mag vrij van belasting gedaan worden tot die waarde volledig bereikt is - eventueel verminderd met de opeisings- of herstel- vergoedingen betreffende herschatte activa -en dit ongeacht de datum van verkrijging van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen of ongeacht de reeds op die activa vóór de normale afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 gedane afschrijving.

Art. 245. De belastingplichtige verdeelt de herschatte activa in 3 of 4 categorieën naar hun vermoedelijke gebruiksduur.
Gemiddelde jaarlijkse afschrijvings- percenten worden in overleg tussen de belanghebbende en de bevoegde ambtenaren van de administratie der directe belastingen vastgesteld ; die percenten kunnen inzonderheid verschillen naar de aard van de activa, de intensiteit van het gebruik ervan en hun staat van slijtage of van economische efficiëntie bij de herschatting. Behoudens herziening van gezegde percenten op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag van de belastingplichtige, dienen deze tot grondslag voor de berekening van de vrij van belasting toe te passen jaarlijkse afschrijving.
De aldus in overleg vastgestelde regelen worden bevestigd in een door beide partijen ondertekend stuk ; dat stuk wordt bij het fiscaal dossier van de belanghebbende gevoegd, die er een afschrift kan van verkrijgen.

Art. 246. Afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet bij het afsluiten van elk boekjaar geschieden.
Bij gebreke van afschrijvingen of bij ontoereikende afschrijvingen voor één of meer boekjaren ten gevolge van verlies of van ontoereikende brutowinst, kan het tijdperk van afschrijving verlengd worden tot de af te schrijven waarde volledig bereikt is.

Art. 247. Ingeval een herschat activum tijdens een boekjaar is vervreemd, vernield of definitief buiten gebruik gesteld, kan het op de herschatte waarde van dat activum nog af te schrijven saldo, onder eventuele aftrek van de realisatieprijs, slechts vrij van belasting worden afgeschreven tot aan de afsluiting van gezegd boekjaar.

Art. 248. Met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde, onder aftrek van de opeisings- of herstelvergoedingen betreffende die activa, niet geschieden dan na definitieve vaststelling van het bedrag van gezegde vergoedingen.
Met betrekking tot activa die ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde niettemin vrij van belasting vóór de definitieve vaststelling van de herstelvergoeding geschieden, zo de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
Die afschrijving dient te geschieden volgens de gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingspercenten die in gewone omstandigheden voor activa van dezelfde aard toegepast worden. Bedoelde percenten worden in overleg tussen de belastingplichtige en de administratie der directe belastingen vastgesteld en bevestigd zoals bepaald is in artikel 245, derde lid.
Wanneer de aldus gedane en aangenomen afschrijvingen meer bedragen dan het nadelig verschil tussen de herschatte waarde en de herstelvergoeding, of wanneer de herstelvergoeding gelijk is aan of meer bedraagt dan de herschatte waarde, is het gedeelte van de som van die afschrijvingen dat gezegd verschil overtreft, of de som van die afschrijvingen, een belastbaar inkomen van het jaar waarin het bedrag van de herstelvergoeding definitief is vastgesteld.

Art. 249. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet afzonderlijk in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de rubriek "Afschrijving van de herschatte waarde van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen" of onder enige andere soortgelijke benaming.

Art. 250. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde wordt slechts vrij van inkomstenbelastingen toegestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij niet wordt gebruikt voor enigerlei opneming, uitkering of verdeling en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enigerlei beloning of toekenning.

Art. 251. De uit de herschatting van outillage of ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen voortvloeiende meerwaarde is vrijgesteld van belasting onder de voorwaarden bepaald in artikel 190 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Evenwel kunnen, bij vervreemding van overeenkomstig de artikelen 236 tot 250 van dit besluit herschatte activa, op aanvraag van de belastingplichtige of indien hij in gebreke blijft de nodige verduidelijkingen te verstrekken, voor de toepassing van artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, beschouwd worden als verkregen of tot stand gebracht op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 en voor een prijs gelijk aan de herschatte waarde.

Art. 252. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen mag voor de berekening van de afschrijving slechts in aanmerking komen indien de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
Mits bewijskrachtige bescheiden worden voorgelegd, zoals die welke gediend hebben voor de definitieve vaststelling van de opeisings- of herstelvergoedingen, is deze voorwaarde echter niet gesteld voor de toepassing van artikel 251 en van dit artikel met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld.

Art. 253. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1930, tot berekening van de afschrijvingen op een herschatte kostprijs inzake inkomstenbelastingen blijft van toepassing voor het vaststellen van de vrij van belasting aanvaardbare afschrijving op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheids- gebouwen waarvan de kostprijs, herschat overeenkomstig het bepaalde in dat besluit en opgenomen in de balansen afgesloten sedert 1931, niet opnieuw herschat is overeenkomstig de artikelen 235 tot 252.
van hypothecaire leningen aangegaan voor het vernieuwen van een woning
artikel 526, § 1, tweede lid, voorzover het artikel 115, 2°, b, van hetzelfde Wetboek zoals het bestond alvorens te zijn vervangen bij de wet van 27 december 2004, van toepassing maakt op bepaalde leningen)

Art. 254. De dienstverrichtingen als bedoeld in artikel 115, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het krachtens artikel 526, § 1, tweede lid, van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. een belastingvermindering omgevormde aftrek voor enige woning
artikel 539, § 1, tweede lid, voor zover het artikel 115, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals het bestond alvorens te zijn opgeheven bij de wet van 8 mei 2014, van toepassing maakt op bepaalde leningen en verzekeringscontracten)

Art. 255. Wanneer een belastingplichtige de toepassing vraagt van de in een belastingvermindering omgevormde aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing is gebleven, voor interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening alsmede de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, moeten ter staving van die vraag, naar gelang het geval, het volgende attest of de volgende attesten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en die worden uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie het levensverzekeringscontract is gesloten, ter beschikking worden gehouden van de Federale Overheidsdienst Financiën:
A. wat de interesten en de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van de hypothecaire lening betreft : 1° voor de herfinancieringsleningen gesloten vanaf 1 januari 2016 : een jaarlijks attest (1) waarin de instelling het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane betalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het genoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden zijn vervuld;



1)Bericht 19.11.2021

2° voor de andere dan in 1° bedoelde leningen :
a) een eenmalig basisattest waarin de instelling gegevens meedeelt waaruit moet blijken dat het leningscontract in aanmerking kan komen voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft;
b) een jaarlijks attest (1) waarin de instelling het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane betalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden nog steeds zijn vervuld;



1)Bericht 19.11.2021
B. wat de levensverzekeringspremies betreft : 1° voor de contracten gesloten vanaf 1 januari 2016 : een jaarlijks attest waarin de verzekeraar het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane premiebetalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het genoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

2° voor de andere dan in 1° bedoelde contracten :
a) een eenmalig basisattest waarin de verzekeraar gegevens meedeelt waaruit moet blijken dat het levensverzekeringscontract in aanmerking kan komen voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft;
b) een jaarlijks attest waarin de verzekeraar het bedrag van de door de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedane premiebetalingen meedeelt, alsmede gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de voor de toepassing van artikel 104, 9°, van het vernoemde Wetboek, zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, gestelde voorwaarden nog steeds zijn vervuld.

Art. 256. Premies betreffende een contract met kosteloze of betalende deelneming in de winst, worden tot hun nominale bedrag in aanmerking genomen voor de in een belastingvermindering omgezette aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het krachtens artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft. artikel 533)

Art. 257. Opdat de tussenkomst van de werkgever in het kader van een PC-privé-plan in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, 17°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond alvorens te zijn vervangen bij de wet van 6 mei 2009, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° het aanbod van de werkgever waarmee hij zich ertoe verbindt om tussen te komen in de aankoopprijs van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software, wordt beschreven in het PC-privé- plan;

2° de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen moeten gelijk en niet- discriminerend zijn voor alle werknemers of een bijzondere categorie ervan;

3° de minimumvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen zijn de volgende :
a) het plan moet de beschrijving geven van het geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internet- abonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
b) het plan bepaalt dat het de werknemer vrij staat het geheel of slechts een gedeelte van het beschreven materieel te kiezen;
c) de tussenkomst van de werkgever moet per onderdeel van het aanbod worden opgegeven;
d) de tussenkomst kan enkel geschieden bij aankoop van materieel in nieuwe staat; e) de tussenkomst door de werkgever geschiedt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs op naam van de werknemer;
f) wat de materiëlen betreft, die een werknemer voorheen in het kader van een PC-privé-plan heeft aangeschaft, moet het plan bepalen dat slechts in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van aanschaf opnieuw mag worden ingegaan op een aanbod van de werkgever.
energiezuinige woningen
artikel 535)

Art. 270. artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die beroepsinkomsten betalen of toekennen aan in artikel 171, 1°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingplichtigen, moeten een verklaring van de bedoelde belastingplichtigen ter beschikking houden van de Administratie waarin deze attesteren al dan niet te voldoen aan de voorwaarde voorzien in artikel 171, 1°, i, WIB 92.

§ 3. Les redevables du précompte professionnel visés à l'

Art. 271/9. artikel 271/9 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen.
Il est renoncé totalement à la perception du précompte mobilier sur les revenus des certificats de fonds de placement belges à l'exclusion des revenus alloués ou attribués par les fonds de placement belges en créance visés à l'

Art. 297. artikel 297 van hetzelfde Wetboek aangewezen controle "Buitenland".

§ 2. Les redevables du précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 doivent, à l'appui de la déclaration introduite conformément à l'article 90, § 4, introduire le relevé particulier visé à l'article 92, § 5, au contrôle "Etranger" désigné conformément à l'

Art. 298. artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders moeten naar aanleiding van de gehele verdeling van hun maatschappelijk vermogen een document opstellen dat:

§ 1er. Les pricafs privées visées à l'

Art. 305. artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingplichtige de vrijstelling wenst te bekomen of te behouden.

§ 3. Les documents visés au paragraphe 1er et au paragraphe 2, alinéa 1er, 3° et 4° doivent être joints à la déclaration visée à l'

Art. 321ter. artikel 321ter van het hetzelfde Wetboek voor wordt ingediend.
Les institutions qui paient ou attribuent des pensions exonérées d'impôts sur les revenus en application de l'article 230, alinéa 1er, 4° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992, sont dispensées d'introduire les fiches visées au présent article pour ces pensions, lorsqu'une fiche comme visée à l'

Art. 360. artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, onder de voorwaarden die hierna volgen :

§ 1er. Sont exclues des bénéfices de la période imposable déterminée en vertu de l'

Art. 363. artikel 363 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in de winst van het belastbare tijdperk is begrepen, evenals het gedeelte van het in de artikelen 3:45 en 3:55 van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde disconto op renteloze of abnormaal laag rentende schulden dat als beroepskosten wordt aangemerkt;
- la partie de l'escompte de créances qui ne sont pas productives d'intérêt ou qui sont assorties d'un intérêt anormalement faible, visé à l'article 3:45 de l'arrêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations, qui est comprise dans les bénéfices de la période imposable en application de l'

Art. 364. artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen bij de bevoegde ontvanger en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen volgens de regels van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en zijn uitvoeringsbesluit.

§ 4. Pour l'application du § 1er, les redevables du précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 doivent introduire une déclaration au précompte professionnel auprès du receveur compétent dans les quinze jours qui suivent l'expiration du mois pendant lequel les revenus visés à l'article 87, 7°, sont considérés comme attribués conformément à l'

Art. 371. artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een bezwaarschrift in te dienen bij de directeur van de directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de roerende voorheffing is gestort, kan de teruggave van de bij de bron geïnde roerende voorheffing worden verkregen door :

§ 1er. Sur réclamation présentée, dans les formes et délais prévus à l'article 371, du Code des impôts sur les revenus 1992, auprès du directeur des contributions directes, de la province ou de la région dans le ressort de laquelle le précompte mobilier a été versé, peuvent obtenir la restitution du précompte mobilier perçu à la source :

1° parastatale instellingen voor sociale 1° les organismes paraétatiques de sécurité
sociale ou les organismes y assimilés, dans les cas où ce précompte a été prélevé à la source sans avoir égard à la qualité des bénéficiaires ;

2° spaarders niet-inwoners, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

2° les épargnants non-résidents, dans les cas où ce précompte a été retenu à la source alors que ceux-ci peuvent effectivement bénéficier de la renonciation à la perception du précompte mobilier ;

3° pensioenspaarfondsen vermeld in artikel 115, § 1, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

3° les fonds d'épargne-pension visés à l'article 115, § 1er, dans les cas où ce précompte a été prélevé à la source alors que ceux-ci peuvent effectivement bénéficier de la renonciation à la perception du précompte mobilier ;

4° houders van individuele spaarrekeningen vermeld in artikel 115, § 2, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten ;

4° les titulaires de comptes-épargne individuels visés à l'article 115, § 2, dans les cas où ce précompte a été prélevé à la source alors que ceux-ci peuvent effectivement bénéficier de la renonciation du précompte mobilier ;

5° beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen en in de artikelen 190, 195 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en Europese langetermijnbeleggingsinstel- lingen.

5° les sociétés d'investissement visées aux articles 15 et 271/10 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances et aux articles 190, 195 et 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires et les fonds européens d'investissement à long terme.
Wanneer de in

Art. 393. artikel 393 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde administratieve boete, voor ten hoogste drie overtredingen, verminderd tot een achtste, een vierde of de helft van die boete naargelang het respectievelijk een eerste, een tweede of een derde overtreding betreft, op voorwaarde dat degene die de storting niet heeft verricht, een overeenkomst had afgesloten met een aannemer die op het ogenblik van het afsluiten ervan geen fiscale en niet-fiscale schulden had, en dat die aannemer op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding :
Lorsque le versement imposé par l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales n'a pas été effectué, l'amende visée à l'

Art. 412. artikel 412 van het Wetboek van de

§ 1er. Les redevables du précompte professionnel qui ont payé ou attribué des revenus imposables visés à l'article 87, 1° à 7°, doivent, dans le délai prévu à l'

Art. 412bis. artikel 412bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn opgenomen in bijlage 4 van het koninklijk besluit van 22 juni 2020 tot uitvoering van de artikelen 93ter tot 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 412bis, 433 tot 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 35 tot 37, 43 tot 45 en 47 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen en de artikelen 157 tot 159 en 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake het e-notariaat.
Les mentions devant figurer dans l'avis visé à l'

Art. 444. artikel 444 van hetzelfde Wetboek berekend overeenkomstig de bepaling onder 3°;
- augmenté de sa quote-part dans les accroissements d'impôts visés à l'

Art. 470. artikel 470 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 2. L'administration en charge de la perception et du recouvrement des impôts sur les revenus, adresse mensuellement par voie électronique ou par pli simple, au Collège des Bourgmestre et Echevins de chaque commune, un relevé reprenant les recettes effectivement perçues pour le compte de la commune, s'agissant du produit de la taxe communale additionnelle à l'impôt des personnes physiques, déduction faite des dégrèvements liquidés pour son compte, pour le mois qui précède celui de l'envoi du relevé. Ce relevé mentionne également les frais administratifs afférents aux attributions réelles, visés à l'

Art. 473. artikel 473 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige:
/ Nihil
B. Déclaration tardive ou absence de déclaration des événements mentionnés à l'article 473, § 1er, alinéa 1er, tirets 1 à 3, du Code des impôts sur les revenus 1992:
- RC < 745 EUR 1000 EUR
- RC entre 745 EUR et moins de 2500 EUR
2000 EUR
- RC > ou = 2500 EUR
3000 EUR
B. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van de gebeurtenissen vermeld in artikel 473, § 1, eerste lid, streepjes 1 tot en met 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992:
- KI < 745 EUR 1000 EUR
- KI vanaf 745 EUR en minder dan 2500 EUR
2000 EUR
- KI > of = 2500 EUR
3000 EUR
C. Déclaration tardive ou absence de déclaration de la mise en usage de matériel ou d'outillage nouveaux ou ajoutés ainsi que de la modification ou de la désaffectation définitive de matériel ou d'outillage (art. 473, § 1er, alinéa 1er, 4ème tiret, du Code des impôts sur les revenus 1992) :
- RC < à 159 EUR
Néant
Néant
- RC entre 159 EUR et moins de 745 EUR
1000 EUR
- RC entre 745 EUR et moins de 2500 EUR
2000 EUR
- RC > ou = à 2500 EUR
3000 EUR
- KI < 159 EUR Nihil
- KI vanaf 159 EUR en minder dan 745 EUR
1000 EUR
- KI vanaf 745 EUR en minder dan 2500 EUR
2000 EUR
- KI > of = 2500 EUR
3000 EUR
D. Déclaration tardive ou absence de déclaration d'acquisition et/ou d'aliénation d'un droit réel sur un bien immobilier sis à l'étranger ou déclaration tardive ou absence de déclaration de l'existence d'un droit réel sur un bien sis à l'étranger au 31.12.2020 (art. 473, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992) :
- RC < 745 EUR 1000 EUR
- RC entre 745 EUR et moins de 2500 EUR
2000 EUR
- RC > ou = 2500 EUR
3000 EUR
D. Laattijdige aangifte of niet-aangifte van verwerving en/of vervreemding van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed of laattijdige aangifte of niet-aangifte van het bestaan van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen onroerend goed, op 31.12.2020 (art. 473, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992):
- KI < 745 EUR 1000 EUR
- KI vanaf 745 EUR en minder dan 2500 EUR
2000 EUR
- KI > of = 2500 EUR
3000 EUR
revenu cadastral pris en considération pour la genomen voor het vaststellen van het bedrag van de
fixation du montant de l'amende appliquée en cas de boete bij niet-naleving van de verplichtingen
non-respect des obligations prévues à l'article 473, § voorzien in artikel 473, § 1, van het Wetboek van de
1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, est inkomstenbelastingen 1992, is datgene dat werd
celui qui est fixé en application de l'article 494 du vastgesteld bij toepassing van

Art. 494. artikel 494 van
même Code, c'est-à-dire le revenu cadastral évalué hetzelfde Wetboek, met andere woorden het geschat
ou réévalué sur base de la nouvelle situation of herschat kadastraal inkomen op basis van de
déclarée tardivement par le contribuable ou nieuwe toestand die laattijdig werd aangegeven door
constatée par l'administration. de belastingplichtige of die door de administratie werd vastgesteld.
In geval van laattijdige aangifte of niet- aangifte worden de boetes toegepast per betrokken kadastraal perceel.
En cas de déclaration tardive ou d'absence de déclaration, les amendes sont appliquées par parcelle cadastrale concernée.
IV. Belastingwezen van de provincies, de
Fiscalité des provinces, des agglomeraties en de gemeenten.
agglomérations et des communes.
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 300 en 469)
(Code des impôts sur les revenus 1992, articles 300 et 469)
Afdeling I.- Provinciale belastingen. Section Ière.- Taxes provinciales.
Art. 230

§ 1. Voor zover zij niet inzonderheid de inkomstenbelastingen betreffen, zijn de bepalingen van de artikelen 126, 127 en 128 tot 176, van toepassing op de provinciale belastingen.

§ 1er. Pour autant qu'elles ne concernent pas spécialement les impôts sur les revenus, les dispositions faisant l'objet des articles 126, 127 et 128 à 176, sont applicables aux taxes provinciales.

§ 2. In afwijking van

Art. 518. artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Pour l'application des alinéas précédents, à l'exception de l'appréciation de la limite de 745 EUR visée à l'alinéa 2, il faut prendre en considération le revenu cadastral indexé conformément à l'

Art. 535. artikel 535 van datzelfde Wetboek van toepassing blijft, zijn de volgende instellingen erkend:

§ 1er. Pour l’application de l’article 14524, § 2, alinéa 5, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu’il reste applicable conformément à l’

Art. 539. artikel 539 van datzelfde Wetboek van toepassing is gebleven, voor interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening alsmede de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, moeten ter staving van die vraag, naar gelang het geval, het volgende attest of de volgende attesten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en die worden uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie het levensverzekeringscontract is gesloten, ter beschikking worden gehouden van de Federale Overheidsdienst Financiën:
Lorsqu’un contribuable demande l’application de la déduction pour habitation unique visée à l’article 104, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu’il est resté applicable en vertu de l’

Art. 543. artikel 543 van hetzelfde Wetboek bepaalde octrooi-inkomsten die in aanmerking worden genomen om van de winst van het belastbaar tijdperk te worden afgetrokken;
- à 80 p.c. des revenus de brevets, déterminés conformément à l'

Art. 637. artikel 637 bedoelde bescheiden blijkt dat de beheersvennootschap of de bewaarnemer de aangegane verbintenissen niet naleeft.

4° si les documents visés à l'

Art. 731. artikel 731 vermelde voorzieningen geboekt bij het verstrijken van het belastbare tijdperk, worden uit de winst van dit tijdperk gesloten op voorwaarde dat :
Les provisions visées à l’

Art. 733. artikel 733 ;
- la provision pour égalisation et catastrophes en ce qu’elle concerne les risques visés à l’

Art. 734/11. artikel 734/11 vastgestelde EBITDA van de belastingplichtige en elk van de voormelde vennootschappen en inrichtingen;
1) le montant visé à l'article 198/1, § 3, alinéa 1er, a), du même Code, est diminué le cas échéant de 30 p.c. de la somme des EBITDA, déterminés conformément à l'article 734/11, du contribuable et de chaque autre société ou établissement précité ;
2) voor de belastingplichtige evenals elke 2) il est ensuite déterminé pour le contribuable
voormelde vennootschap en inrichting wordt vervolgens het positieve verschil vastgesteld tussen enerzijds het financieringskosten- surplus en anderzijds 30 pct. van de overeenkomstig

Art. 734/8. artikel 734/8 economisch gelijkwaardig zijn aan interesten van deze leningen niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het in

Art. 736. artikel 736 vastgelegde voorwaarden, de functionele karak- teristieken van het systeem die het nakomen ervan waarborgen.
- pour chacune des conditions fixées par l'article 736, les caractéristiques fonctionnelles du système qui assurent le respect de celles-ci.
Voor zover de aanvraag volledig is, deelt de Pour autant que la demande soit complète, le
des Finances notifie sa décision au beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld
gestionnaire du système ou, dans les cas visés à door artikel 737, aan zijn aansprakelijke
l'article 737, à son représentant responsable dans un vertegenwoordiger, binnen een termijn van drie
délai de trois mois à compter de la date de réception maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst
de la demande. van de aanvraag.
Indien de studie van de aanvraag vereist dat bijkomende inlichtingen aan die bedoeld in het 3de lid worden verstrekt, wordt de in het vorige lid vermelde termijn verlengd met drie maanden die binnen de oorspronkelijke termijn van drie maanden aan de aanvrager ter kennis wordt gebracht.
Lorsque l'étude de la demande requiert que des informations complémentaires à celles visées à l'alinéa 3 soient fournies, le délai visé à l'alinéa précédent est prolongé d'un terme identique par une décision notifiée au demandeur dans le même délai.
Als de Minister van Financiën geen uitspraak gedaan heeft binnen de termijnen vermeld in de leden 4 en 5, wordt de aanvraag tot erkenning als aangenomen beschouwd.
Lorsque le Ministre des Finances, n'a pas statué dans les délais visés aux alinéas 4 et 5, la demande d'agrément est considérée comme acceptée.
De erkenning wordt toegestaan te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Minister van Financiën aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 737, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.
L'agrément est accordé à compter de la date de la notification de la décision du Ministre des Finances au gestionnaire du système ou dans les cas visés à l'article 737, à son représentant responsable.

§ 2. De eerste erkenning van een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten wordt toegestaan tot 31 december van het jaar na dit waarin de Minister van Financiën het gecentraliseerd systeem erkend heeft. De erkenning kan vernieuwd worden voor een of meerdere opeenvolgende periodes van vijf jaar die aanvangen op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de voorgaande erkenning ten einde liep.

§ 2. Le premier agrément d'un système centralisé de prêts d'instruments financiers est octroyé jusqu'au 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle le Ministre des Finances a agrée le système centralisé de prêts d'instruments financiers. L'agrément peut être renouvelé pour une ou plusieurs périodes successives de cinq ans prenant cours le 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle l'agrément précédent est arrivé à échéance.
Elke aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet gericht zijn aan de Minister van Financiën ten minste drie maanden voor de vervaldag van de lopende erkenningsperiode.
Toute demande de renouvellement de l'agrément doit être adressée au Ministre des Finances au moins trois mois avant l'échéance de la période d'agrément en cours.
De erkenning wordt ten laatste vernieuwd een maand voor het aflopen van de lopende erkenningsperiode voor zover de aan de erkenning verbonden voorwaarden, drie maanden voor de vervaldatum van dezelfde erkenningsperiode, nog altijd nageleefd worden.
L'agrément est renouvelé au plus tard, un mois avant l'expiration de la période d'agrément en cours, pour autant que les conditions mises à l'agrément soient toujours respectées, trois mois avant la date d'expiration de cette même période d'agrément.
In geval van weigering van hernieuwing van de erkenning of van intrekking van de erkenning, mag geen nieuwe aanvraag tot erkenning ingediend worden bij de Minister van Financiën, dan na drie maanden te rekenen van de datum van de betekening
En cas de refus de renouvellement de l'agrément ou de retrait de l'agrément, une nouvelle demande d'agrément ne peut être introduite auprès du Ministre des Finances que trois mois à compter de la date de la notification du refus de
renouvellement ou de la date du retrait de l'agrément.

§ 3. Als één der inlichtingen die moeten voorkomen in de aanvraag tot erkenning krachtens de eerste paragraaf wordt veranderd in de loop van de erkenningsperiode, moet de beheerder van het systeem, of in de gevallen bedoeld in artikel 737, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, ten minste een maand voor de inwerkingtreding van de verandering dit feit ter kennis brengen van de Minister van Financiën.

§ 3. Si une des informations devant figurer dans la demande d'agrément en vertu du paragraphe premier est modifiée au cours de la période d'agrément, le gestionnaire du système ou, dans les cas visés à l'article 737, son représentant responsable doit, au moins un mois avant l'entrée en vigueur de la modification, notifier ce fait au Ministre des Finances.
Art. 739
De beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 737, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, deelt aan de FOD Financiën vóór 15 december van ieder kalenderjaar volgende gegevens mee :
Le gestionnaire du système ou, dans les cas visés à l'article 737, son représentant responsable, communique au SPF Finances avant le 15 décembre de chaque année civile, les informations suivantes :
- het totaal bedrag van de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de vergoedingen voor leningen die betaald zijn in het kader van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, in de loop van de periode die loopt van 1 september van het vorig jaar tot 31 augustus van het lopend jaar of, als de erkenning bekomen werd in de loop van de betrokken periode, sedert de datum van erkenning tot 31 augustus van het lopend jaar ;
- le montant total des revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 11° du Code des impôts sur les revenus 1992 et des indemnités pour prêts payées, dans le cadre du système centralisé de prêts d'instruments financiers, au cours de la période s'écoulant du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours ou, lorsque l'agrément a été obtenu au cours de ladite période, depuis la date d'agrément jusqu'au 31 août de l'année en cours ;
- de identiteit van de deelnemers aan het gecentraliseerd systeem die de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en vergoedingen voor leningen hebben ontvangen in de loop van dezelfde periode als die bedoeld in het vorige gedachtestreepje, alsmede het bedrag van die inkomsten en vergoedingen betaald aan elk van die deelnemers in diezelfde periode.
- l'identité des participants au système centralisé qui ont reçu les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 11° du Code des impôts sur les revenus 1992 et les indemnités pour prêts au cours de la même période que celle visée au tiret précédent, ainsi que le montant de ces revenus et indemnités payés à chacun de ces participants pendant cette même période.
Art. 7310 ...
Art. 7311
Het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten moet per
Le système centralisé de prêts d'instruments financiers doit permettre de déterminer le montant
revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 11° du bepalen van de inkomsten bedoeld in artikel 90,
Code des impôts sur les revenus 1992 et des eerste lid, 11° van het Wetboek van de
rémunérations de prêt payées par et à chaque inkomstenbelastingen 1992 en van de vergoedingen
participant par instrument financier prêté pendant voor lening betaald door en aan iedere deelnemer
cinq ans après l'année au cours de laquelle ces gedurende vijf jaren na het jaar gedurende hetwelk
revenus ont été payés. deze inkomsten zijn betaald.
Om te voldoen aan de verplichtingen voorzien in het vorig lid en het nazicht toe te laten op de naleving van de verplichtingen bedoeld in de andere bepalingen van deze afdeling, verbindt de beheerder, of in de gevallen voorzien in artikel 737, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, er zich toe de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, op haar eerste verzoek, alle documenten, analyse-, programmerings- en uitbatingsdossiers van het of de informaticasystemen, de informaticadragers en alle gegevens die ze bevatten en die nuttig zijn bij het nazicht van de naleving van de bepalingen van deze afdeling beschikking te stellen. De informaticagegevens moeten meegedeeld worden onder een leesbare en begrijpelijke vorm.
Pour satisfaire aux obligations prévues à alinéa précédent et permettre la vérification du respect des obligations prévues aux autres dispositions de la présente section, le gestionnaire ou, dans les cas visés à l'article 737, son représentant responsable s'engage à mettre à la disposition de l'Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus à sa première demande, tous les documents, dossiers d'analyse, de programmation et d'exploitation du ou des systèmes informatiques utilisés, les supports informatiques et toutes les données qu'ils contiennent utiles à la vérification du respect des dispositions de la présente section. Les données informatiques doivent être communiquées sous une forme lisible et intelligible.
Art. 7312

§ 1. Als de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze afdeling, deelt ze dit mee aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 737, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.

§ 1er. Lorsque l'Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus constate une infraction aux dispositions de la présente section, elle le notifie au gestionnaire du système ou, dans les cas visés à l'article 737, à son représentant responsable.
De beheerder van het systeem, of, in de gevallen bedoeld in artikel 737, zijn aansprakelijk vertegenwoordiger, beschikt over een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving om er op te antwoorden en om het systeem opnieuw conform te maken aan de voorwaarden van

Art. 738. artikel 738 KB/WIB 92, zoals dit bestond voor de wijziging door art. 5 van dit besluit, behouden hun erkenning die ze hadden op het moment van het in voege treden van de art. 1 tot 9 van dit besluit voorzover dat ze zich binnen de termijn van 12 maanden vanaf deze datum in overeenstemming brengen met de voorwaarden voorzien bij de art. 735, 736 en 738 tot 7312, KB/WIB 92, zoals gewijzigd bij dit besluit en onder voorbehoud dat ze zonder onderbreking de voorwaarden hebben gerespecteerd zoals voorzien bij het art. 737 en bij de art. 735, 736 en 738 tot 7312, KB/WIB 92, zoals zij bestonden vóór enige aanpassing bij dit besluit (art. 22, 2e lid). 739 29.11.2000 23.12.2000
ed. 2
2885 1 - volledig (invoeging) - met ingang van 28.11.2000 (art. 2)
20.01.2005 01.02.2005
ed. 2
3414 6 - volledig (vervanging) - vanaf de datum van bekendmaking van de wet van 15.12.2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereen- komsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, d.w.z. vanaf 1.2.2005 (art. 21, 1e lid) 30.07.2010 16.08.2010 – 3 - inleidende zin (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, d.w.z. vanaf 26.08.2010VOORWERP
ART. ART.
KB KB/WIB 92 1
5 DATUM
DATUM BS V KB 2 3
INWERKINGTREDING
7 22.05.2017 06.06.2017 – 12 - enig lid (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in BS, d.w.z. vanaf 16.06.2017 7310 29.11.2000 23.12.2000
ed. 2
2885 1 - volledig (invoeging) - met ingang van 28.11.2000 (art. 2)
20.01.2005 01.02.2005
ed. 2
3414 7 - volledig (opheffing) - vanaf de datum van bekendmaking van de wet van 15.12.2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereen- komsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, d.w.z. vanaf 1.2.2005 (art. 21, 1e lid) 7311 29.11.2000 23.12.2000
ed. 2
2885 1 - volledig (invoeging) - met ingang van 28.11.2000 (art. 2)
20.01.2005 01.02.2005
ed. 2
3414 8 - 1e lid (vervanging) - vanaf de datum van bekendmaking van de wet van 15.12.2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereen- komsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, d.w.z. vanaf 1.2.2005 (art. 21, 1e lid) 30.07.2010 16.08.2010 – 1 - 2e lid (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, d.w.z. vanaf 26.08.2010 22.05.2017 06.06.2017 – 13 - 1e lid (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in BS, d.w.z. vanaf 16.06.2017VOORWERP
ART. ART.
DATUM
DATUM BS
V KB KB/WIB 92
KB 1
3
5
INWERKINGTREDING
7 7312 29.11.2000 23.12.2000
ed. 2
2885 1 - volledig (invoeging) - met ingang van 28.11.2000 (art. 2)
20.01.2005 01.02.2005
ed. 2
3414 9 - § 2 (wijziging)
- vanaf de datum van bekendmaking - § 3 (wijziging)
van de wet van 15.12.2004 - § 4 (wijziging)
betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereen- komsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, d.w.z. vanaf 1.2.2005 (art. 21, 1e lid) 30.07.2010 16.08.2010 – 1 - § 1, 1e lid (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, d.w.z. vanaf 26.08.2010 74 29.10.1998 17.11.1998 2615 3, 1° - 2e lid, 2°, 2e streepje (wijziging) - met ingang van aj. 1995 (art. 6, § 2)
29.10.1998 17.11.1998 2615 3, 2° - 2e lid, 2°, 2e streepje (wijziging) - met ingang van 10.4.1995 (art. 6,

§ 3) 17.09.2005 03.10.2005 3488 2, 1°, A 2, 1°, B 2, 2°
- 1e lid (wijziging)
- vanaf 22.6.1999 (art. 5, 1e streepje) - 1e lid (wijziging)
- met ingang van aj. 2004 (art. 5, 2e - 2e lid, 1°, 5e streepje (invoeging)
streepje) 11.12.2006 18.12.2006 3599 12 - 2e lid, 1°, 6e streepje (invoeging) - op premies en subsidies die worden betekend vanaf 1.1.2006 en voor zover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2007 verbonden is (art. 26, 3e lid)VOORWERP
ART. DATUM
DATUM BS
V KB KB 2
4
INWERKINGTREDING
7 09.07.2010 16.07.2010 – 2 - 2e lid, 1°, 1e streepje (invoeging
voor bestaande 1e streepje)
- op de homologaties van een reorganisatieplan of op de vaststellingen van een minnelijk akkoord gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad vanaf 1.4.2009, datum van de inwerkingtreding van de wet van 31.1.2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (art. 3) 29.08.2019 13.09.2019 – 12 - 2e lid, 1°, 4e streepje (wijziging) - met ingang van 01.05.2019 (art. 39,
1e lid) 03.10.2019 30.10.2019 – 10 - 2e lid, 1°, 1e streepje (wijziging) - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in BS, d.w.z. vanaf 09.11.2019 09.12.2019 20.12.2019 – 1 - 1e lid (wijziging)
- 2e lid, 1°, 2e en 6e streepje
(vervanging) - 2e lid, 1°, 3e en 7e streepje
(wijziging) - 2e lid, 1° wordt aangevuld met 9
streepjes - 2e lid, 1°, alle streepjes worden
vervangen door letters a) tot p) - 2e lid, 2°, 2e streepje (vervanging)
- vanaf aj. 2021 (art. 11)
W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)
74/1 09.12.2019 20.12.2019 – 2 - volledig (invoeging) - vanaf aj. 2021 (art. 11)
W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021 ART. KB/WIB 92 1
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)
74/2 09.12.2019 20.12.2019 – 3 - volledig (invoeging) - vanaf aj. 2021 (art. 11)VOORWERP
ART. DATUM
DATUM BS
V KB KB 2
4
INWERKINGTREDING
7 W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)
75 09.12.2019 20.12.2019 – 4 - inleidende zin 1e lid (wijziging)
- 1e lid, 2° (vervanging) - 2e lid, a, b en c (wijziging) - 3e , 4e en 5e lid (invoeging)
- vanaf aj. 2021 (art. 11)
W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)
76 29.10.1998 17.11.1998 2615 4, 1° - 1e lid, 2°, b (wijziging) - met ingang van aj. 1995 (art. 6, § 2)
29.10.1998 17.11.1998 2615 4, 2° - 1e lid, 2°, b (wijziging) - met ingang van 10.4.1995 (art. 6,

§ 3) 11.12.2006 18.12.2006 3599 13 - 1e lid, 2°, abis (invoeging) - op de kosten die worden gedragen
vanaf 1.1.2006 (art. 26, 1e lid) 12.03.2007 20.03.2007
ed.2
– 5 - 1e lid, 2°, a en abis (wijzigingen) - op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1.1.2007 (art. 10) 09.12.2019 20.12.2019 – 5 - inleidende zin 1e lid (wijziging)
- 1e lid, 2° (vervanging) - 2e lid (wijziging)
- vanaf aj. 2021 (art. 11)
W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)
77 09.12.2019 20.12.2019 – 6 - huidige tekst wordt 1e lid
- 1e lid (wijziging) - 2e lid (invoeging)
- vanaf aj. 2021 (art. 11)
W 27.06.2021 30.06.2021
ed. 3 err. 12.07.2021 ART. KB/WIB 92 1
– 98 - volledig (opheffing) - op 31.12.2021 en is van toepassing
vanaf aj. 2022 (art. 99)VOORWERP
ART. ART.
KB KB/WIB 92 1
5 DATUM
DATUM BS V KB 2 3
INWERKINGTREDING
7 77/1 11.01.2009 15.01.2009
ed. 2
– 2 - volledig (invoeging) - vanaf aj. 2008 op de octrooi- inkomsten bedoeld in

Art. 957. artikel 957 bedoelde natuurramp;

9°/1 les employeurs visés à l'article 2759/1 du même Code ayant été touchés par une calamité naturelle visée à l'

Art. 958. artikel 958 bedoelde formulier overleggen en bezorgt het Waalse Gewest ten laatste op 1 april 2025 het in artikel 2759/1, § 4, derde lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde attest. De Federale Overheidsdienst Financiën brengt de werkgever ten laatste op 30 juni 2025 per brief op de hoogte van de mogelijkheid tot toepassing van de in

Art. 2751. artikel 2751 van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel vragen door middel van:
En cas d'heures supplémentaires prestées par son travailleur, l'employeur visé à l'article 2751, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, ne peut, revendiquer l'application de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'

Art. 2752. artikel 2752 van hetzelfde Wetboek die behoren tot de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector ;

2° les employeurs visés à l'

Art. 2754. artikel 2754 van hetzelfde Wetboek, die behoren tot de sector van de zeevisserij ;

4° les employeurs visés à l'

Art. 2755. artikel 2755 van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing toe te passen wanneer aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
Une entreprise agréée pour le travail intérimaire qui met un, ou plusieurs, intérimaires à disposition d'une entreprise visée à l'article 2755, § 1er, ou à l'article 2755, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, qui emploie ces intérimaires dans un système de travail en équipe ou dans un système de travail en continu, d'une entreprise visée à l'article 2755, § 2, du même Code, qui emploie ces intérimaires dans un système de travail de nuit, d'une entreprise visée à l'article 2755, § 4, du même Code, qui emploie ces intérimaires sous le régime de navigation en système, ou d'une entreprise visée à l'article 2755, § 5, du même Code, qui emploie ces intérimaires qui exécutent des travaux immobiliers en équipe sur place, établit pour la prestation qui est fournie par ces intérimaires qu'elle a recueilli l'accord de cette entreprise qui emploie ces intérimaires pour appliquer la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'

Art. 2756. artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars ;

6° les redevables visés à l'

Art. 2757. artikel 2757 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, die een deel van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk moeten besteden aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen, zijn er evenwel toe gehouden drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing over te leggen volgens het in
Toutefois, les employeurs visés à l'

Art. 6318/15. artikel 6318/15 van het KB/WIB 92 betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 14547, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
"Attestation en application de l'

Art. 6318/3. artikel 6318/3 gestelde bijzondere voorwaarden voldoet;

1° toutes indications utiles pour permettre aux organismes consultatifs compétents de l'Etat ou des Communautés d'apprécier si l'institution demanderesse répond aux conditions générales prévues au paragraphe 3 et aux conditions particulières prévues à l'article 6318/3;

2° een verklaring waarbij de aanvragende
instelling de verbintenis aangaat:

2° une déclaration par laquelle l'institution
demanderesse s'engage:
a) tot het dekken van de kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
a) à ne pas affecter à la couverture de frais d'administration générale plus de 20 p.c. de ses ressources de toute nature, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées;
(...) (...)
c) de ambtenaren van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
c) à permettre aux fonctionnaires de l'administration en charge de l'établissement de l'impôt de contrôler ses écritures comptables chaque fois qu'ils le jugent utile;
d) aan de diensten die worden aangewezen door de voor de erkenning bevoegde organen van de Staat, van de Gewesten of van de Gemeenschappen, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
d) à fournir aux services désignés par les organes de l'Etat, des Régions ou des Communautés, compétents pour l'agrément, dans le mois de la première demande de ces services, tous renseignements utiles à l'instruction de la demande d'agrément.
Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
Ces demandes doivent, en outre, être appuyées d'une copie certifiée conforme du compte des recettes et des dépenses du dernier exercice comptable clôturé et du budget de l'exercice comptable en cours.

§ 8. (...) § 8. (...)

§ 1. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning, na het advies van de voormelde raadgevende instellingen te hebben ingewonnen, tenzij zij gebruik maken van de in het derde lid gestelde mogelijkheid.

§ 1er. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°, le Ministre des Finances et les organes compétents de l'Etat ou des Communautés dont relèvent les organismes consultatifs compétents, statuent conjointement sur la demande d'agrément, après avoir recueilli l'avis desdits organismes, sauf dans les cas où ils font usage de la faculté prévue à l'alinéa 3.
Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, mogen zich ervan onthouden het advies van die voormelde raadgevende instellingen in te winnen met betrekking tot de instellingen waarvoor, ter gelegenheid van een vroegere aanvraag om erkenning, reeds een advies is uitgebracht.
Le Ministre des Finances et les organes compétents de l'Etat ou des Communautés dont relèvent les organismes consultatifs compétents, peuvent se dispenser de demander l'avis desdits organismes en ce qui concerne les institutions au sujet desquelles un avis a déjà été émis à l'occasion d'une demande d'agrément antérieure.

§ 2. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 5°, beoogde instellingen vraagt de Minister van Financiën met betrekking tot de naleving van de in artikel 6318/3, § 2, 1°, gestelde voorwaarde een gemotiveerd advies aan de Regering van de Gemeenschap waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert.

§ 2. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5°, en ce qui concerne le respect de la condition fixée à l'article 6318/3, § 2, 1°, le Ministre des Finances demande un avis motivé au Gouvernement de la Communauté à laquelle s'étend la zone d'influence de l'institution demanderesse.
De Minister van Financiën is gemachtigd om de erkenning te verlenen.
Le Ministre des Finances est habilité à accorder l’agrément.
Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Sa décision est notifiée à l’institution demanderesse.

§ 3. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 6°, beoogde instellingen beslist de Minister van Financiën over de aanvraag om erkenning.

§ 3. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6°, le Ministre des Finances statue sur la demande d'agrément.
Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Sa décision est notifiée à l'institution demanderesse.

§ 4. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 7°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.

§ 4. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7°, le Ministre des Finances et le Ministre qui a l'environnement dans ses attributions, statuent conjointement sur la demande d'agrément.
Hun beslissing wordt aan de aanvragende Leur décision est notifiée à l'institution

§ 5. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 8°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.

§ 5. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8°, le Ministre des Finances et le Ministre des Affaires étrangères statuent conjointement sur la demande d'agrément.
Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.

§ 6. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 9°, beoogde instellingen vraagt de Minister van Financiën met betrekking tot de naleving van de in artikel 6318/3, § 6, gestelde voorwaarde een gemotiveerd advies:

§ 6. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 9°, en ce qui concerne le respect de la condition fixée à l'article 6318/3, § 6, le Ministre des Finances demande un avis motivé:
a) aan de Regering van het Gewest waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert;
a) au Gouvernement de la Région à laquelle s'étend la zone d'influence de l'institution demanderesse;
b) aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap wanneer het invloedsgebied van de aanvragende instelling zich uitstrekt in het Duitse taalgebied.
b) au Gouvernement de la Communauté germanophone si la zone d'influence de l'institution demanderesse s'étend à la région de langue allemande.
De Minister van Financiën is gemachtigd om de erkenning te verlenen.
Le Ministre des Finances est habilité à accorder l’agrément.
Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Sa décision est notifiée à l’institution demanderesse.

§ 7. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 10°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid de duurzame ontwikkeling behoort, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.

§ 7. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°, le Ministre des Finances et le Ministre qui a le développement durable dans ses attributions, statuent conjointement sur la demande d'agrément.
Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
Art. 6318/3

§ 1. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, vermelde instellingen moeten:

§ 1er. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°, doivent:
a) worden uitgeoefend op het volledige grondgebied van een of meerdere lidstaten van de Europese Economische Ruimte waar die instellingen actief zijn, of betrekking hebben op het centraliseren en coördineren van plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden of werkzaamheden in meerdere lidstaten;
a) être exercées sur tout le territoire d'un ou plusieurs Etats membres de l'Espace économique européen où ces institutions sont actives, ou se rapporter à la centralisation et à la coordination des activités locales ou régionales ou des activités dans plusieurs Etats membres;
être axées sur la recherche scientifique, sur op bijstand aan misdeelden in de zin van
l'assistance aux personnes déshéritées au artikel 6318/1, § 1, 2° en 3°, of op
sens de l'article 6318/1, § 1er, 2° et 3°, ou sur hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
l'assistance aux pays en développement;
c) de activiteiten aanvullen die op de hierboven vermelde gebieden worden verricht door de Belgische overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
c) être complémentaires des activités que les pouvoirs publics belges ou des organisations internationales dont la Belgique est membre, exercent dans les domaines susvisés.

§ 2. De in artikel 6318/1, § 1, 5°, vermelde instellingen moeten:

§ 2. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5°, doivent:

1° werkzaamheden verrichten die gericht zijn op de verspreiding van de cultuur, met name op het gebied van :

1° exercer des activités axées sur la diffusion
de la culture, c'est-à-dire en matière:
a) bescherming en luister van de taal; a) de défense et d'illustration de la
langue;
b) aanmoediging van de vorming van
navorsers;
b) d'encouragement à la formation des
chercheurs;
c) schone kunsten met inbegrip van
toneel en film;
c) de beaux-arts, y compris le théâtre et
le cinéma;
d) cultureel patrimonium, musea en andere wetenschappelijk- culturele instellingen;
d) de patrimoine culturel, de musées et d'autres institutions scientifiques culturelles;
e) bibliotheken, discotheken en
soortgelijke diensten;
e) de bibliothèques, discothèques et
services similaires;
f) radio-omroep en televisie; f) de radiodiffusion et de télévision;
g) jeugdbeleid; g) de politique de la jeunesse;
h) permanente opvoeding en culturele
animatie;
h) d'éducation permanente et d'animation
culturelle;
i) lichamelijke opvoeding, sport en
openluchtleven;
i) d'éducation physique, de sport et de
vie en plein air;
j) vrijetijdsbesteding en toerisme; j) de loisirs et de tourisme;

2° wegens hun werkzaamheden door de Staat of door één van de Gemeenschappen worden gesubsidieerd;

2° être subventionnées en raison de leurs activités par l'Etat ou par l'une des Communautés;

3° met hun invloedsgebied één van de Gemeenschappen of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts

3° avoir une zone d'influence qui s'étend à l'une des Communautés ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le

§ 3. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 6°, vermelde instellingen moeten gericht zijn op hulpverlening aan de in dat artikel beoogde slachtoffers.

§ 3. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6°, doivent être axées sur l'aide aux victimes visées à cet article.

§ 4. De in artikel 6318/1, § 1, 7°, vermelde instellingen moeten:

§ 4. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7°, doivent:
a) in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte werkzaamheden uitoefenen die gericht zijn op het natuurbehoud en/of de bescherming van het leefmilieu;
a) exercer des activités dans un Etat membre de l'Espace économique européen axées sur la conservation de la nature et/ou la protection de l'environnement;
b) een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van de bevolking en de milieuopvoeding van de jeugd;
b) jouer un rôle important dans la conscientisation de la population et dans l'éducation de la jeunesse au respect de l'environnement;
c) aantonen dat hun activiteiten een doorlopend en duurzaam karakter omvatten zodat instellingen die éénmalige of gelegenheidsacties uitoefenen, uitgesloten zijn;
c) démontrer que leurs activités revêtent un caractère continu et durable de sorte que sont exclues les institutions qui n'exercent que des activités ponctuelles ou occasionnelles;
d) sedert ten minste twee volledige kalenderjaren die de periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd, voorafgaat, de rechtspersoonlijkheid bezitten en voormelde activiteiten uitoefenen;
d) avoir la personnalité juridique et exercer les activités précitées depuis au moins deux années civiles complètes précédant la période pour laquelle l'agrément est demandé;
e) wegens hun werkzaamheden door de federale overheid of door één van de Gewesten worden gesubsidieerd;
e) être subventionnées en raison de leurs activités par l'autorité fédérale ou par l'une des Régions;
f) met hun invloedsgebied zich over meer dan
een gemeente uitstrekken.
f) avoir une zone d'influence qui s'étend à plus
d'une commune.

§ 5. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 8°, vermelde instellingen moeten:

§ 5. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8°, doivent:
a) gericht zijn op hulpverlening, hetzij in België, hetzij in het buitenland, aan de in artikel 6318/1, § 1, 8°, vermelde slachtoffers;
a) être axées sur l'aide, soit en Belgique, soit à l'étranger, aux victimes désignées à l'article 6318/1, § 1er, 8°;
b) de activiteiten aanvullen die op het hierboven vermelde gebied worden verricht door de federale overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
b) être complémentaires des activités exercées dans le domaine précité par l'autorité fédérale ou par des organisations internationales dont la Belgique est membre.

§ 6. De in artikel 6318/1, § 1, 9°, vermelde instellingen moeten:

§ 6. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 9°, doivent:
exercer des activités en Belgique axées sur gericht zijn op het behoud of de zorg van
la conservation ou la protection des monumenten en landschappen;
monuments et sites;
b) wegens hun werkzaamheden door de Staat, door één van de Gewesten of de Duitstalige Gemeenschap worden gesubsidieerd;
b) être subventionnées en raison de leurs activités par l'Etat, par l'une des Régions ou par la Communauté germanophone;
c) met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
c) avoir une zone d'influence qui s'étend à l'une des Régions, à la Communauté germanophone ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le plan local sont exclues.

§ 7. De in artikel 6318/1, § 1, 10°, vermelde instellingen moeten:

§ 7. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°, doivent:
a) werkzaamheden in België verrichten die
gericht zijn op de duurzame ontwikkeling;
a) exercer des activités en Belgique axées sur
le développement durable;
b) wegens hun werkzaamheden door de Staat
worden gesubsidieerd;
b) être subventionnées en raison de leurs
activités par l'Etat;
c) met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
c) avoir une zone d'influence qui s'étende à l'une des Régions, à la Communauté germanophone ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le plan local sont exclues.
Art. 6318/4
Ingeval een instelling als bedoeld in artikel 6318/1, § 1, één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd:
Dans le cas où une institution visée à l'article 6318/1, § 1er, ne respecte pas l'une des conditions mises à son agrément, celui-ci peut lui être retiré ou refusé d'office:
a) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van elk van de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen voor de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, bedoelde instellingen;
a) par décision conjointe du Ministre des Finances et de chaque organe compétent de l'Etat ou des Communautés, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°;
b) bij beslissing van de Minister van Financiën, voor de in artikel 6318/1, § 1, 5° en 9°, bedoelde instellingen;
b) par décision du Ministre des Finances, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5° et 9°;
c) bij beslissing van de Minister van Financiën, voor de in artikel 6318/1, § 1, 6°, bedoelde instellingen;
c) par décision du Ministre des Finances, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6°;
d) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister tot wiens
d) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre qui a
l'environnement dans ses attributions, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7°;
e) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken voor de in artikel 6318/1, § 1, 8°, bedoelde instellingen;
e) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre des Affaires étrangères, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8°;
f) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister bevoegd voor duurzame ontwikkeling voor de in artikel 6318/1, § 1, 10°, bedoelde instellingen.
f) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre qui a le développement durable dans ses attributions, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°.
De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf 1 januari volgend op de datum van de betekening van de beslissing.
Le retrait de l’agrément produit ses effets à partir du 1er janvier qui suit la date de la notification de la décision.
... ...
Art. 6318/5

§ 1. Voor de toepassing van artikel 14533, § 1, 1°, k, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de werkzaamheden van de VZW’s gericht zijn op het beheer van dierenasielen zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren.

§ 1er. Pour l'application de l'article 14533, § 1er, 1°, k, du Code des impôts sur les revenus 1992, les activités des ASBL doivent être axées sur l'exploitation de refuges pour animaux tels que définis par l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux.

§ 2. Teneinde de machtiging te verkrijgen om voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren attesten uit te reiken die recht geven op de aftrek van de giften die zijn gedaan aan de in paragraaf 1 bedoelde VZW, moeten deze laatsten daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.

§ 2. Pour obtenir l'autorisation de délivrer pour une période maximale de six années civiles successives des attestations octroyant le droit à la déduction des libéralités faites aux ASBL visées au paragraphe 1er, celles-ci doivent en faire la demande par écrit, dans les formes et délais déterminés ci-après.

§ 3. De aanvragen om machtiging moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de machtiging wordt aangevraagd, bij de bij de Administrateur- generaal van de Fiscaliteit van de FOD Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum waarop de aanvragende instelling rechtspersoonlijkheid verkrijgt.

§ 3. Les demandes d'autorisation doivent être introduites auprès de l'Administrateur général de la Fiscalité du SPF Finances, au plus tard le 31 décembre de l'année précédant la période pour laquelle l'autorisation est demandée; le délai ne peut toutefois être inférieur à 3 mois à compter de la date à laquelle l'institution demanderesse acquiert la personnalité juridique.

§ 4. De aanvragen om machtiging moeten § 4. Les demandes d'autorisation doivent

1° een voor eensluidend verklaard afschrift van het gedateerde en gehandtekende erkenningsbewijs afgeleverd overeenkom- stig het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, en dit voor de volledige periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd;

1° une copie certifiée conforme du certificat d'agrément daté, signé et délivré conformément à l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux, et ce pour la période complète pour laquelle l'agrément est demandé;

2° alle nuttige gegevens die de diensten, belast met de behandeling van de machtigingsaanvraag, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende VZW aan de in paragraaf 1 gestelde voorwaarden voldoet;

2° toutes indications utiles pour permettre aux services chargés de traiter la demande d'autorisation d'apprécier si l'ASBL demanderesse répond aux conditions prévues au paragraphe 1er;

3° een verklaring waarbij de aanvragende VZW
de verbintenis aangaat :

3° une déclaration par laquelle l'ASBL
demanderesse s'engage:
a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende of gemachtigde instellingen;
a) à ne pas affecter à la couverture de frais d'administration générale plus de 20 p.c. de ses ressources de toute nature, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées ou autorisées;
b) (...) b) (...)
c) de ambtenaren van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
c) à permettre aux fonctionnaires de l'administration en charge de l'établissement de l'impôt de contrôler ses écritures comptables chaque fois qu'ils le jugent utile;
d) aan de diensten bevoegd voor de machtiging, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om machtiging nuttig zijn.
d) à fournir aux services compétents pour l'autorisation, dans le mois de la première demande de ces services, tous renseignements utiles à l'instruction de la demande d'autorisation.
Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
Ces demandes doivent, en outre, être appuyées d'une copie certifiée conforme du compte des recettes et des dépenses du dernier exercice comptable clôturé et du budget de l'exercice comptable en cours.

§ 5. (...) § 5. (...)

§ 6. De beslissing van de Minister van Financiën wordt aan de aanvragende VZW

§ 6. La décision du Ministre des Finances est

§ 7. Ingeval een VZW de voor haar machtiging gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar machtiging ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een beslissing van de Minister van Financiën.

§ 7. Dans le cas où une ASBL ne respecte pas l'une des conditions mises à son autorisation, celle-ci peut lui être retirée ou refusée d'office, par décision du Ministre des Finances.
De intrekking van de machtiging treedt in werking vanaf 1 januari volgend op de datum van betekening van de beslissing.
Le retrait de l'autorisation produit ses effets à partir du 1er janvier qui suit la date de la notification de la décision.
Art. 6318/6
(...) (...)
Art. 6318/7
In het geval bedoeld in artikel 14533, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt in afwijking van de artikelen 6318/1, § 7, eerste lid, 2°, a, en 6318/5, § 4, eerste lid, 3°, a, de grens van 20 pct. ingesteld inzake het dekken van kosten van algemeen beheer, berekend op het geheel van de bestaansmiddelen van alle aard van de verschillende activiteiten, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende of gemachtigde instellingen.
Dans la situation visée à l'article 14533, § 3, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, et par dérogation aux articles 6318/1, § 7, alinéa 1er, 2°, a, et 6318/5, § 4, alinéa 1er, 3°, a, la limite de 20 p. c. instaurée en matière de couverture de frais d'administration générale se calcule sur l'ensemble des ressources de toute nature des différentes activités, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées ou autorisées.
Afdeling XXVundecies/2 – Belastingvermindering voor kinderoppas
Section XXVundecies/2 – Réduction d’impôt pour garde d’enfants
(Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikel 14535, tweede lid, 4° en 323/2, § 3)
(Code des impôts sur les revenus 1992, article 14535, alinéa 2, 4° et 323/2, § 3)
Art. 6318/8

§ 1. (...) § 1er. (...)

§ 2. In uitvoering van artikel 323/2, § 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn de instanties die een attest afleveren met het oog op het bekomen van een fiscaal voordeel als bedoeld in

Art. 14511. artikel 14511 van hetzelfde Wetboek ;

6° l'engagement de la société de gestion d'affecter les actifs du fonds et les revenus de ces actifs, sous déduction des charges, lorsque le fonds est inscrit sur la liste visée à l'article 33 de la loi du 3 août 2012 précitée, conformément à la partie 2 de ladite loi et aux arrêtés pris pour son exécution, ou, lorsque le fonds est inscrit sur la liste visée à l'article 200 du la loi du 19 avril 2014 précitée, conformément à la partie II et à la partie III de ladite loi et aux arrêtés pris pour son exécution, et dans le respect des conditions prévues à l'

Art. 14515. artikel 14515 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de algemene administratie van de fiscaliteit een afschrift langs elektronische weg bezorgen van het attest dat zij aan iedere houder van een spaarrekening of ondertekenaar van een spaarverzekerings-contract hebben uitgereikt en waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde is vastgelegd ter uitvoering van artikel 1459, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek.
Dans les deux mois qui suivent chaque année civile pendant laquelle des paiements pour épargne-pension ont été effectués, les institutions et entreprises visées à l'

Art. 14521. artikel 14521 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde uitgaven komen slechts voor belastingvermindering in aanmerking :
Les dépenses visées à l'

Art. 14525. artikel 14525 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.

§ 1er. Les prestations qui sont à l'origine des dépenses visées à l'

Art. 14528. artikel 14528 van hetzelfde Wetboek worden slechts in aanmerking genomen voor de in dat artikel bedoelde belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :

§ 2. Les dépenses visées à l'

Art. 14530. artikel 14530 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot

§ 1er. Les prestations qui sont à l'origine des dépenses visées à l'

Art. 14535. artikel 14535 van hetzelfde Wetboek, verplicht om via het beveiligd elektronisch platform ter beschikking gesteld door de FOD Financiën, de attesten 281.86 die ze hebben uitgegeven, over te maken.

§ 2. En exécution de l'article 323/2, § 3 du Code des impôts sur les revenus 1992, les organismes qui délivrent une attestation en vue d'obtenir un avantage fiscal visé à l'

Art. 14536. artikel 14536 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verzoeken, moeten de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën houden:
Les contribuables qui sollicitent l'application de l'article14536 du Code des impôts sur les revenus 1992, doivent tenir les documents suivants à la disposition du Service public fédéral Finances:
a) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de bevoegde overheid blijkens hetwelk die werken stroken met haar toelating vermeld in artikel 14536, zesde lid, van hetzelfde Wetboek;
a) les factures et les preuves de paiement relatives aux travaux d'entretien ou de restauration et une attestation de l'Autorité compétente selon laquelle les travaux sont conformes à son accord visé à l’article 14536, alinéa 6, du même Code;
b) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig artikel 14536, zevende lid, van hetzelfde Wetboek is erkend;
b) l'arrêté décidant le classement de l'immeuble concerné et la décision par laquelle son accessibilité est reconnue conformément à l’article 14536, alinéa 7, du même Code;
c) een verklaring op eer die vermeldt of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of
c) une déclaration sur l'honneur précisant si des subsides ont été promis, octroyés ou payés pour les travaux d'entretien ou de
restauration et, dans l'affirmative, le montant de ceux-ci.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES
VLAAMS GEWEST RÉGION FLAMANDE
Tekst : KB/WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
Texte : AR/CIR 92 - Version historique – Région flamande
Afdeling XXVundecies/4 – Belastingverminderingen voor de eigen woning
Section XXVundecies/4 – Réductions d’impôt pour l’habitation propre
(Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikelen 14538, § 3, 14538/2, § 4, 14540, § 5, 14545, § 2, 3°, b, 14546quater, § 3, en 315, eerste lid)
(Code des impôts sur les revenus 1992, articles articles 14538, § 3, 14538/2, § 4, 14540, § 5, 14545, § 2, 3°, b, 14546quater, § 3, et 315, alinéa 1er)
Art. 6318/10
Wanneer een belastingplichtige de toepassing vraagt van de belastingvermindering als bedoeld in

Art. 14537. artikel 14537 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening alsmede de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, moeten tot staving van die vraag, naargelang het geval, het volgende attest of de volgende attesten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en die worden uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie het levensverzekeringscontract is gesloten ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën :
Lorsqu’un contribuable demande l’application de la réduction d’impôt visée à l’

Art. 14538/2. artikel 14538/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening alsmede de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, moet hij tot staving van die vraag het volgende attest waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie het levensverzekeringscontract is gesloten ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën :
Lorsqu'un contribuable demande l'application de la réduction d'impôt visée à l'

Art. 14539. artikel 14539 van het vernoemde Wetboek voor bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, moet ter staving van die vraag, naargelang het geval, het volgende attest of de volgende attesten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en die worden uitgereikt door de in het eerste lid bedoelde onderneming bij wie het levensverzekerings- contract is gesloten, ter beschikking worden gehouden van de Federale Overheidsdienst Financiën :
Lorsqu’un contribuable demande l’application de la réduction d’impôt visée à l’

Art. 14547. artikel 14547 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën houden:

§ 2. Le contribuable qui sollicite le bénéfice des dispositions de l'article 14547, du Code précité, doit tenir à la disposition du Service public fédéral Finances :
- de facturen betreffende de werken die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 14547, eerste lid, van hetzelfde Wetboek;
- les factures relatives aux travaux qui sont à l'origine des dépenses visées à l'article 14547, alinéa 1er, du même Code;
- het betalingsbewijs van de bedragen die
voorkomen op die facturen;
- la preuve du paiement des sommes figurant
sur ces factures;
- de documenten die aantonen dat de woning bij het begin van de werken waarmee de uitgaven verband houden, ten minste vijf jaar in gebruik is genomen als woning.
- les documents qui démontrent que l'habitation est occupée en tant que telle depuis au moins cinq ans lors du début des travaux relatifs aux dépenses.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES
VLAAMS GEWEST RÉGION FLAMANDE
Tekst : KB/WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
Texte : AR/CIR 92 - Version historique – Région flamande
Section XXVundecies/6 – Réduction d'impôt pour les frais d'adoption
(Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikelen 14548)
(Code des impôts sur les revenus 1992, articles 14548)
Art. 6318/16

§ 1. De uitgaven gedaan in het kader van een adoptieprocedure als vermeld in artikel 14548, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden in aanmerking genomen voor de in dat artikel vermelde belastingvermindering wanneer ze betrekking hebben op de onderstaande kosten:

§ 1er. Les dépenses faites dans le cadre d'une procédure d'adoption visées à l'article 14548, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont prises en considération pour la réduction d'impôt visée audit article lorsqu'elles sont relatives aux frais suivants :

1° wat de uitgaven voor de
geschiktheidsprocedure betreft:

1° en ce qui concerne les frais relatifs à la
procédure d'aptitude :
a) de bijdragen voor de door de bevoegde centrale autoriteit van het land van gewoonlijk verblijf van de adoptieouders opgelegde informatie- sessies;
a) les montants pour les sessions d'informations organisées par l'autorité centrale compétente du pays de résidence habituelle des parents adoptifs ;
b) de bijdragen voor de door de bevoegde centrale autoriteit van het land van gewoonlijk verblijf van de adoptieouders opgelegde voorberei- dingscyclus;
b) les montants pour le cycle de préparation organisé par l'autorité centrale compétente du pays de résidence habituelle des parents adoptifs ;
c) de kosten voor het indienen van een verzoekschrift tot het bekomen van een geschiktheidsvonnis bij de bevoegde rechtbank in het land van gewoonlijk verblijf van de adoptieouders;
c) les frais de dépôt d'une requête afin d'obtenir un jugement d'aptitude auprès du tribunal compétent dans le pays de résidence habituelle des parents adoptifs ;

2° wat de uitgaven voor de kosten die worden aangerekend door een erkende adoptiedienst betreft:

2° en ce qui concerne les dépenses facturées
par un service d'adoption agréé :
a) de kosten voor de omkadering van de matching door de erkende adoptie- dienst;
a) les frais pour l'encadrement de l'apparentement par le service d'adoption agréé ;
b) de kosten met betrekking tot de
nazorg na de adoptie;
b) les frais relatifs au suivi post-adoptif ;
c) de kosten waarvoor de erkende adoptiedienst als tussenpersoon optreedt;
c) les frais pour lesquels le service d'adoption agréé intervient en tant qu'intermédiaire ;
en ce qui concerne les dépenses pour les land van herkomst van het adoptiekind
frais de dossier dans le pays d'origine de betreft:
l'enfant adopté :
a) de kosten voor een advocaat, notaris, vertegenwoordiger of een andere tussenpersoon, voor zover deze kosten door de bevoegde centrale autoriteit van het land van ontvangst zijn goedgekeurd.
a) les dépenses d'un avocat, notaire, représentant ou un autre intermédiaire, pour autant que ces dépenses aient reçu l'aval de l'autorité centrale compétente dans le pays d'accueil.
De kosten die zijn opgenomen in een type-overeenkomst die door de bevoegde centrale autoriteit van het land van ontvangst per land van herkomst wordt opgesteld, worden geacht door die autoriteit te zijn goedgekeurd;
Les frais qui sont repris dans une convention type de frais que l'autorité centrale compétente du pays d'accueil établit par pays d'origine, sont considérés comme acceptés par cette autorité ;
b) de kosten voor het verkrijgen, vertalen en legaliseren van documenten die bij openbare administraties moeten worden verkregen;
b) les frais d'obtention, de traduction ainsi que de légalisation des documents qui doivent être obtenus auprès d'administrations publiques ;
c) de financiële bijdragen die in het land van herkomst van het kind worden opgelegd, op voorwaarde dat ofwel het bedrag van deze bijdragen is vastgelegd in de wetgeving van het land van herkomst ofwel de bijdragen rechtstreeks aan de centrale autoriteit van het land van herkomst worden gestort;
c) les contributions financières exigées dans le pays d'origine de l'enfant, à condition soit que le montant de ces contributions soit prévu par la législation du pays d'origine, soit que la contribution ait été directement versée à l'autorité centrale du pays d'origine ;

4° wat de uitgaven voor een heen- en terugreis van de adoptieouders naar het land van herkomst van het adoptiekind en de kosten voor de reis van het adoptiekind naar het land van de woonplaats van de adoptieouders betreft:

4° en ce qui concerne les dépenses pour un voyage aller-retour des parents adoptifs vers le pays d'origine de l'enfant adopté et les frais pour le voyage de l'enfant adopté vers le pays de résidence des parents adoptifs :
a) de kosten voor de biljetten, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de bagage, in de mate dat die kosten niet op een onredelijke manier de behoeften van de adoptieouders of het kind overtreffen;
a) les frais pour les billets, en ce compris les frais de transport des bagages, dans la mesure où ces frais ne dépassent pas de façon déraisonnable les besoins des parents adoptifs ou de l'enfant ;
b) de kosten voor verplaatsingen met de wagen, die worden bepaald aan de hand van de kilometervergoeding die overeenkomstig

Art. 27510. artikel 27510 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992
28.08.2015 – –
KB 27.09.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 betreffende de verzaking van de inning van de roerende voorheffing
01.10.2015 – –
KB 29.10.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens
– –
KB 02.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de investeringsaftrek voor digitale investeringen betreft
06.11.2015 ed. 2
08.12.2015 – –
KB 09.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig
17.12.2015 – –
KB 16.12.2015 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing 21.12.2015
ed. 2
– –
KB 22.02.2016 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard in geval van toekenning van een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet
25.02.2016 – –
KB 01.03.2016 tot wijziging van

Art. 27511. artikel 27511 van hetzelfde Wetboek, die compenserende toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen;

11° les employeurs visés à l'