Naar hoofdinhoud

Details

Numac
FISCONET_1
Bron
Fisconet Plus
Taal
Nederlands
Type
WIB 92
Status
Van kracht
Artikelen
770

Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92)

Art. 1.

§ 1. Als inkomstenbelastingen worden geheven :

1° een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners, personenbelasting geheten ;

2° een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen, vennoot- schapsbelasting geheten ;

3° een belasting op inkomsten van andere Belgische rechtspersonen dan vennootschappen, rechtspersonenbelasting geheten ;

4° een belasting op inkomsten van niet- inwoners, belasting van niet-inwoners geheten.

§ 2. De belastingen worden geheven door middel van voorheffingen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden als bepaald in titel VI,

Art. 1bis. artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen zoals bedoeld in

Art. 2.

§ 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.

1° Rijksinwoners
Onder rijksinwoners worden verstaan :
a) de natuurlijke personen die: - hun woonplaats in België hebben gevestigd;
- wanneer ze geen woonplaats hebben in België, de zetel van hun fortuin in België hebben gevestigd;
b) de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren die in het buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden ;
c) de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland die hun werkzaamheden in het buitenland uitoefenen in een land waarvan zij geen onderdaan zijn of waar zij niet duurzaam verblijf houden, alsmede hun inwonende gezinsleden, daaronder niet begrepen consulaire ere-ambtenaren ;
d) de andere ambtenaren, vertegen- woordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat, van de Gemeen- schappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten, of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden.
De vestiging van de woonplaats of van de zetel van het fortuin in België wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Evenwel worden, behoudens tegenbewijs, geacht hun woonplaats in België te hebben gevestigd de natuurlijke personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven.
Voor gehuwden die zich niet in één van de in artikel 126, § 2, eerste lid, vermelde gevallen bevinden, wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd. 2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden
De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.

3° Gemeenschappelijke aanslag
Onder gemeenschappelijke aanslag wordt verstaan de vestiging van één aanslag ten name van de beide echtgenoten of de beide wettelijk samenwonenden.

4° Kinderen
Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.

4°/1 Middelgrote onderneming
Onder middelgrote onderneming wordt een natuurlijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld personeelsbestand heeft van minder dan 250 personen uitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan :
- de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt; of
- het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt.
Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld. Indien de onderneming een verbonden onderneming is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks balanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden onderneming te bepalen, wordt het gemiddelde personeelsbestand van elk van de betrokken verbonden vennoot- schappen in het belastbare tijdperk opgeteld.
De in het eerste lid bedoelde omzet, balanstotaal en gemiddeld personeelsbestand worden verhoogd met de jaaromzet, het balanstotaal en het gemiddeld personeels- bestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende vier percentages :
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in de stemrechten van de andere onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in het kapitaal van de andere onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal van de eerstgenoemde onderneming.
In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting. Een onderneming kan evenwel geen middelgrote onderneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen die niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming, worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.

4°/2 Onderneming in moeilijkheden
Onder onderneming in moeilijkheden wordt een onderneming verstaan :
- waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals bepaald in de artikelen XX. 32 en XX. van het Wetboek van economisch recht;
- waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bepaald in titel V van boek XX van het Wetboek van economisch recht;
- die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt;
- waarvan ten gevolge van het geleden verlies het netto actief ofwel negatief is geworden ofwel is gedaald tot beneden de helft van het deel van het eigen vermogen dat onbeschikbaar is krachtens de statuten of de wet die de onderneming beheerst; - die steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet- financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructurerings- steun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.

5° Vennootschappen
Er wordt verstaan onder :
a) vennootschap : enigerlei vennoot- schap, vereniging, inrichting of instelling die een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard
en die
- ofwel rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht, Belgisch of buitenlands, dat haar beheerst;
- ofwel wordt beheerst door een buitenlands recht die haar geen rechtspersoonlijkheid toekent maar een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met die van een vennootschap met rechts- persoonlijkheid naar Belgisch recht en voldoet aan de definitie van binnenlandse vennootschap als bedoeld onder b) hieronder.
Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt ; b) binnenlandse vennootschap : enigerlei vennootschap die in België, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft en niet van de vennootschapsbelasting is uitgesloten ;
De vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt behoudens tegenbewijs vermoed daar ook haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer te hebben. Het tegenbewijs wordt enkel aanvaard indien er bovendien is aangetoond dat de fiscale woonplaats van de vennootschap in een andere Staat dan België is gevestigd volgens de fiscale wetgeving van deze andere Staat;
b)bis intra-Europese vennootschap: iedere vennootschap van een Lidstaat van de Europese Unie:
- die geen binnenlandse vennootschap is, 47 - die een rechtsvorm heeft genoemd in bijlage I, deel A, bij de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, split- singen, gedeeltelijke splitsin- gen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschil- lende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, met dien verstande dat, met betrekking tot de vennootschappen naar Belgisch recht bedoeld in punt b van deze bijlage, de verwijzingen naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk- heid", "coöperatieve vennoot- schap met beperkte aan- sprakelijkheid", "coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid", en naar "gewone commanditaire ven- nootschap" ook moeten worden verstaan als een verwijzing naar respectievelijk de "besloten vennootschap", de "coöperatie- ve vennootschap "en de "commanditaire vennootschap".
- die volgens de fiscale wetgeving van een Lidstaat van de Europese Unie, andere dan België, wordt geacht fiscaal in die Staat te zijn gevestigd zonder volgens een met een derde Staat gesloten verdrag inzake dubbele belastingheffing te worden geacht fiscaal buiten de Europese Unie te zijn gevestigd, en 48 - die, zonder mogelijkheid van keuze en zonder ervan te zijn vrijgesteld, is onderworpen aan een van de belastingen gelijkaardig aan de vennoot- schapsbelasting opgesomd in bijlage I, deel B van de voormelde richtlijn ;
c) buitenlandse vennootschap : onver- minderd de bepaling onder 5°, b, enigerlei vennootschap die in België geen voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft ;
c)bis kleine vennootschap: enigerlei vennootschap die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschap wordt aangemerkt of die, wanneer dit artikel 1:24 niet op haar van toepassing is, op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria opgenomen in dit artikel 1:24, §§ 1 tot 6;
d) financieringsvennootschap : enigerlei vennootschap die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard ten voordele van vennootschappen die met de dienstverrichtende vennootschap noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een groep vormen ;
e) thesaurievennootschap : enigerlei vennootschap waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verrichten van geldbeleggingen ;
f) beleggingsvennootschap : enigerlei vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel heeft ; g) gereglementeerde vastgoedvennoot- schap : enigerlei openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschap, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
h) beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed : enigerlei beleggingsvennootschap met vast kapitaal, zoals bedoeld in de artikelen 195 en 288 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, die als uitsluitend doel hebben de belegging in de in artikel 183, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bedoelde categorie van toegelaten beleggingen;
i) Europese langetermijnbeleggings- instelling: elke alternatieve instelling voor collectieve belegging die bij statuten is geregeld en die opgericht is in de vorm van een vennootschap naar Belgisch recht met rechtspersoonlijk- heid en die vóór de aanvang van haar werkzaamheden door de FSMA is erkend overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese lange- termijnbeleggingsinstellingen.

5°/1 Groep van vennootschappen
Onder groep van vennootschappen wordt verstaan het geheel van vennootschappen die met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

5°bis Gemeenschappelijk beleggingsfonds
Onder gemeenschappelijk beleggingsfonds wordt verstaan: - het onverdeeld vermogen dat een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging beheert voor rekening van de deelnemers overeenkomstig de bepalingen van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of overeenkomstig analoge bepalingen van buitenlands recht;
- het onverdeeld vermogen dat een beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging beheert voor rekening van de deelnemers overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders of overeenkomstig analoge bepalingen van buitenlands recht.

5°ter Gevestigd
Wanneer de term gevestigd gebruikt wordt met betrekking tot enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling in verhouding tot een Staat of een groep van Staten, betekent deze term dat deze haar fiscale woonplaats heeft in die Staat of in een van die Staten van die groep van Staten volgens de fiscale wetgeving van die Staat, zonder dat zij ten gevolge van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting haar fiscale woonplaats buiten die Staat of groep van Staten heeft.

6° Kapitaal
Er wordt verstaan onder:
a) "Kapitaal", in hoofde van een vennootschap: 51 1) het kapitaal van een naamloze vennootschap zoals bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of, in geval van een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgisch of buitenlands recht dat haar beheerst in een gelijkaardig begrip voorziet, het begrip zoals bedoeld in dat recht;
2) voor vennootschapsvormen waarvoor het Belgisch of buitenlands recht dat de vennootschap beheerst niet in een gelijkaardig begrip voorziet, het eigen vermogen van de vennootschap als bedoeld in het Belgisch recht of het buitenlands recht dat de vennootschap beheerst, in zoverre het gevormd wordt door inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid.
b) Gestort kapitaal
Zowel voor een binnenlandse als voor een buitenlandse vennootschap, het werkelijk gestort kapitaal zoals het geldt terzake van de vennootschapsbelasting.

6°/1 Fusie door overneming, fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, splitsing door overneming, splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, gemengde splitsing, verrichting gelijkgesteld met fusie door overneming en verrichting gelijkgesteld met splitsing, of, verkort, "fusie, splitsing en verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing";
Er wordt verstaan onder: a) Fusie door overneming: de rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het vermogen van één of meer vennootschappen, als gevolg van een ontbinding zonder vereffening, in hun geheel op een andere, reeds bestaande vennootschap overgaan tegen uitreiking van aandelen van de verkrijgende vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden vennootschap of vennootschappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan een tiende van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van deze aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt met de fractiewaarde gelijkgesteld, de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders of vennoten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen; b) Fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap: de rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het vermogen van twee of meer vennootschappen, als gevolg van een ontbinding zonder vereffening, in hun geheel op een door hen opgerichte vennootschap overgaan tegen uitreiking van aandelen van de nieuwe vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden vennootschappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan een tiende van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
c) Verrichting gelijkgesteld met een fusie door overneming:
1) de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op de vennootschap die al haar aandelen en andere stemrechtverlenende effecten bezit; 54 2) de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op een andere vennootschap zonder uitgifte van aandelen door deze laatste vennootschap wanneer al de aandelen en andere stemrechtverlenende effecten uitgegeven door de overgenomen en overnemende vennootschappen in handen zijn van één en dezelfde persoon of wanneer de vennoten of aandeelhouders in de fuserende vennootschappen hun effecten en aandelen in alle fuserende vennootschappen vóór de fusie in dezelfde verhouding aanhouden;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 2, § 1 , 6°/1, 2e lid, c), 2), als volgt : 55 2) de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op een andere vennootschap zonder uitgifte van aandelen door deze laatste vennootschap wanneer al de aandelen en andere stemrechtverlenende effecten uitgegeven door de overgenomen en overnemende vennootschappen in handen zijn van één en dezelfde persoon of wanneer de vennoten of aandeelhouders in de fuserende vennootschappen hun effecten en aandelen in alle fuserende vennootschappen vóór de fusie in dezelfde verhouding aanhouden, of, verkort, vereenvoudigde zusterfusie;
d) Splitsing door overneming: de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel op meerdere vennootschappen overgaan, tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden vennootschap, al dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen van de verkrijgende vennootschappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a); e) Splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen: de rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel op verschillende door haar opgerichte vennootschappen overgaan tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden vennootschap al dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen van de verkrijgende vennootschappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a); f) Gemengde splitsing: de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op één of meer bestaande vennootschappen en op één of meer door haar opgerichte vennootschappen tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden vennootschap, al dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen van de verkrijgende vennootschappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
g) Verrichtingen gelijkgesteld met een splitsing: 58 1) De rechtshandeling waarbij een
van het vermogen van een vennootschap, zonder ontbinding, overgaat op één of meer bestaande of door haar opgerichte vennootschappen tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten van de overdragende vennootschap, al dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen van de verkrijgende vennootschap of vennootschappen, van de gesplitste vennootschap of van zowel de verkrijgende vennootschap of vennootschappen als de gesplitste vennootschap, eventueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
2) De rechtshandeling waarbij een
van het vermogen van een vennootschap, zonder ontbinding, overgaat op een andere vennootschap die reeds al haar aandelen en andere stemrechtverlenende effecten bezit. 3) de grensoverschrijdende rechtshandeling waarbij een
van het vermogen van een vennootschap zonder ontbinding overgaat op één of meer bestaande of nieuwe door haar opgerichte vennootschappen tegen uitreiking aan de gesplitste vennootschap van aandelen in de verkrijgende vennootschap of vennootschappen.
Deze rechtshandelingen kunnen ook plaatsvinden wanneer een of meer vennootschappen waarvan het vermogen overgaat, in vereffening zijn of in staat van faillissement verkeren, mits zij nog geen begin hebben gemaakt met de uitkering van hun vermogen aan hun aandeelhouders of vennoten.
Wanneer een vennootschap, die haar vermogen of een deel ervan overdraagt, de rechtsvorm van een vereniging of stichting naar Belgisch recht, of een gelijkaardige rechtsvorm naar buitenlands recht heeft, een belangeloos doel nastreeft en geen aandelen of deelbewijzen heeft uitgegeven, moeten de hierbovenvermelde definities gelezen worden zonder rekening te houden met de vermeldingen betreffende de uitreiking van aandelen of van een opleg aan haar aandeelhouders of vennoten.

6°/2 Inbreng van de algemeenheid van goederen en inbreng van bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 2, § 1 , 6°/2, opschrift, als volgt :

6°/2 Inbreng van de algemeenheid van goederen en inbreng van een bedrijfstak
Er wordt verstaan onder: a) Inbreng van een algemeenheid van goederen: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap de activa en passiva van het vermogen, zonder ontbinding, in hun geheel overdraagt aan een vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat uit aandelen van de verkrijgende vennootschap; in het geval van inbreng door een natuurlijke persoon, moet onder het gehele vermogen al zijn takken van werkzaamheid worden verstaan;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 2, § 1 , 6°/2, a), als volgt :
a) Inbreng van een algemeenheid van goederen: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap de activa en passiva van het vermogen, zonder ontbinding, in hun geheel overdraagt aan een vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat uit aandelen van de verkrijgende vennootschap; in het geval van inbreng door een natuurlijke persoon, moet onder het gehele vermogen al zijn bedrijfstakken worden verstaan;
b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 2, § 1 , 6°/2, b), als volgt : b) Inbreng van een bedrijfstak: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap;
c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het geheel van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap dat uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan functioneren.
Vanaf 25 november 2025, wordt artikel 2, § 1 , 6°/2, c), vervangen als volgt :
c) Bedrijfstak: een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken.

7° Gerevaloriseerde waarde
Onder gerevaloriseerde waarde wordt verstaan de waarde van de goederen die worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en van het gestorte kapitaal, na herwaardering van de aanschaffings- of beleggingswaarde van die goederen of van het kapitaal met toepassing van de hierna vermelde coëfficiënten volgens het jaar waarin, naar het geval, in die goederen is belegd of het kapitaal is gestort, verminderd of terugbetaald : JAREN Toepasselijke coëfficiënten 1918 en vorige 16,33 1919 11,49 1920 6,15 1921 6,30 1922 6,43 1923 4,37 1924 3,89 1925 4,02 1926 2,72 1927 tot 1934 inbegrepen 2,35 1935 1,86 1936 tot 1943 inbegrepen 1,70 1944 tot 1948 inbegrepen 1,14 1949 1,10 1950 en volgende 1,00

8° Vastrentende effecten
Onder vastrentende effecten worden verstaan de obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.
Als vastrentende effecten worden eveneens aangemerkt, de contracten met betrekking tot kapitalisatieverrichtingen waarbij als tegenprestatie voor éénmalige of periodieke stortingen, verbintenissen worden aangegaan los van onzekere gebeurtenissen uit het menselijk leven, en waarvan de duur en het bedrag vervat zijn in de bedingen van het contract.

9° De uitdrukkingen "immateriële, materiële of financiële vaste activa", "oprichtingskosten" en "voorraden en bestellingen in uitvoering" hebben de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. 10° …

11° Financiële instrumenten. Onder financiële instrumenten wordt verstaan de financiële instrumenten vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke- zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten.

12° Zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten. Onder zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten wordt verstaan :
a) de in artikel 3, 3°, van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten vermelde pandovereenkomsten en overeenkomsten die leiden tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, inclusief cessie- retrocessieovereenkomsten ("repo's") ;
b) binnen het kader van de in a bedoelde overeenkomsten, de marge- opvragingen bedoeld in artikel 3, 9°, van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereen- komsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, en de substituties, in de loop van de overeenkomst, van de oorspronkelijk als zekerheid gegeven activa door nieuwe financiële instrumenten ;
c) de soortgelijke overeenkomsten als bedoeld in a en b die, krachtens de bepalingen naar buitenlands recht, leiden of, terzake van de overeenkomsten van pandgeving, kunnen leiden tot een eigendomsoverdracht. 13° Onder een juridische constructie wordt verstaan :
a) een rechtsverhouding, die door een rechtshandeling van de oprichter of door een rechterlijke beslissing in het leven wordt geroepen, waarbij goederen of rechten onder de macht van een beheerder worden gebracht om ze te besturen ten behoeve van een of meerdere begunstigden of voor een bepaald doel. Die rechtsverhouding heeft de volgende kenmerken :
- de eigendomstitel betreffende de goederen of rechten van de juridische constructie is opgesteld op naam van een beheerder of op naam van een andere persoon voor rekening van de beheerder;
- de goederen van de juridische constructie vormen een afzonderlijk vermogen en maken geen deel uit van het vermogen van de beheerder;
- de beheerder heeft de bevoegdheid en de plicht, ter zake waarvan hij verantwoording verschuldigd is, om in overeenstemming met de bepalingen van de juridische constructie en de bijzondere verplichtingen waaraan hij door de wet is onderworpen, de goederen van de juridische constructie te besturen, te beheren of erover te beschikken. b) enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit, die rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht dat haar beheerst of die een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met die van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht, en die, krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan 15 pct. bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.
De in het eerste lid bedoelde vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit is geen juridische constructie indien deze gevestigd is in een Staat of rechtsgebied dat behoort tot de Europese Economische Ruimte, behalve indien het:

1° een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval betreft; 2° een niet in artikel 29, § 2, bedoelde vennootschap betreft waarvan de inkomsten door de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd in hoofde van de vennoten of aandeelhouders worden belast, tenzij deze inkomsten worden onderworpen aan een inkomstenbelasting, die in hoofde van de vennoot of aandeelhouder wordt gevestigd krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd, en indien deze inkomstenbelasting minstens 1 pct. bedraagt van het aan deze aandeelhouder of vennoot toebehorend deel van het belastbaar inkomen van deze vennootschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten;

3° een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit betreft, andere dan deze bedoeld in de bepaling onder 1° of 2° of artikel 29, § 2, die rechtspersoonlijkheid bezit, en die, krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting wordt onderworpen ofwel onderworpen wordt aan een inkomstenbelasting die minder dan 1 pct. bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.
… Behalve in het geval de belastingplichtige het bewijs levert dat de vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit geen juridische constructie is, worden de volgende gevallen vermoed een juridische constructie te zijn:
- een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit, die rechtspersoonlijkheid bezit en die gevestigd is in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk werd opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2;
- een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval;
- een in het tweede lid, 2°, bedoeld geval.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddel- lijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het tweede lid, genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
c) een overeenkomst, in de mate dat die overeenkomst : - in ruil voor betaling van één of meerdere premies, in de loop van de duurtijd van deze overeenkomst of bij afloop ervan, voorziet in de uitbetaling van de inkomsten die werden verkregen van een in de bepaling onder a) of b) bedoelde juridische constructie, of, in de uitkering van de economische rechten, de aandelen of de activa van een in de bepaling onder a) of b) bedoelde juridische constructie;
- in ruil voor de inbreng van de economische rechten, van de aandelen of van de activa van een in de bepaling onder a) of b) bedoelde juridische constructie, in de loop van het contract of bij afloop van het contract, voorziet in de uitbetaling of uitkering van de ingebrachte rechten, aandelen of activa of van de tegenwaarde ervan.

13°/1 in afwijking van de bepaling onder 13° en 13° /2 worden niet geacht een juridische constructie of een tussenconstructie te zijn:
a) een instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht die voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) of een instelling voor belegging in schuldvorderingen bedoeld in deel 3bis van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/CE en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd; b) een alternatieve instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht waarvan de beheerder overeenkomstig de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, overeenkomstig het interne recht van een lidstaat van de Europese Unie of overeenkomstig het interne recht van een derde land voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd;
c) een entiteit die geen instelling is als bedoeld in a) of b), en die zich uitsluitend toelegt op verrichtingen van :
- het beheer en het beleggen van fondsen, ingezameld om wettelijke en aanvullende pensioenen toe te kennen, of;
- het beheer van werknemers- participaties in de financiering van hun onderneming of van de groep waartoe die behoort;
d) een vennootschap, waarvan de effecten zijn genoteerd aan een effectenbeurs van een lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, of van een derde Staat waarvan de wetgeving analoge toelatingsvoorwaarden voorziet; e) …
[Arrest van het Grondwettelijk Hof van 18.09.2025 (nr. 117/2025) vernietigt artikel 2, § 1, 13°/1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 33, 7°, van de programmawet van 22.12.2023, in zoverre het de betrokken belastingplichtige niet in staat stelt het bewijs te leveren dat het feit dat derden voor minder dan 50 % in een instelling voor collectieve belegging participeren, niet op een louter fiscaal motief berust, en dat de betrokken instelling voor collectief beheer bijgevolg geen juridische constructie of tussenconstructie is]
Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de in dit lid, in de bepaling onder a) tot c), beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten voor meer dan 50 pct. door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen, worden aangehouden, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd.
Bij toepassing van het tweede lid worden personen geacht verbonden te zijn met andere personen indien :
- één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen over een andere rechtspersoon controle uitoefenen als bedoeld in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of;
- deze personen bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad zijn, of;
- deze personen met elkaar gehuwd zijn, wettelijk samenwonen, of hun woonplaats of de zetel van hun fortuin op hetzelfde adres hebben gevestigd;
Behoudens tegenbewijs wordt de in het tweede lid bedoelde uitzondering vermoed van toepassing te zijn in het geval: - de vermogensbeheerder van de in dat lid bedoelde instelling, entiteit of vennootschap, of van een compartiment daarvan, specifieke instructies ontvangt van de personen die de rechten aanhouden van dit compartiment, om bepaalde financiële instrumenten te kopen of te verkopen, of;
- er geen onafhankelijke vermogensbeheerder werd aangesteld.

13°/2 Dochterconstructie
Onder een dochterconstructie wordt een juridische constructie verstaan waarvan de aandelen of economische rechten geheel of gedeeltelijk worden aangehouden door een tussenconstructie;

13°/3 Tussenconstructie
Onder een tussenconstructie wordt een juridische constructie of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit verstaan, die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht dat haar beheerst, die de aandelen of economische rechten geheel of gedeeltelijk aanhoudt van een dochterconstructie of een andere tussenconstructie;

14° Onder oprichter van een juridische constructie wordt verstaan :
- hetzij, de natuurlijke persoon die de constructie heeft opgericht buiten de uitoefening van zijn beroepswerk- zaamheid, of de rechtspersoon die overeenkomstig artikel 220 aan de rechtspersonenbelasting is onderwor- pen en die de constructie heeft opgericht; - hetzij, wanneer de constructie is opgericht door een derde, de natuurlijke persoon die handelt buiten de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, of de rechtspersoon die overeenkomstig artikel 220 aan de rechtspersonen- belasting is onderworpen en die er goederen en rechten heeft in ondergebracht;
- hetzij, de natuurlijke personen die direct of indirect erfgenaam zijn van de in de vorige streepjes bedoelde personen, of de natuurlijke personen die, vanaf het overlijden, direct of indirect zullen erven van deze personen tenzij die erfgenamen aantonen dat zijzelf of hun erfgerechtigden op geen enkel ogenblik en op geen enkele manier enig voordeel, toegekend door de juridische constructie zullen verkrijgen;
- hetzij, de natuurlijke personen of de rechtspersonen die overeenkomstig artikel 220 aan de rechtspersonen- belasting zijn onderworpen, en die rechtstreeks of onrechtstreeks via een keten van tussenconstructies houder zijn van de juridische of economische rechten van de aandelen of van de economische rechten van de goederen en kapitalen in het bezit van een in de bepaling onder 13°, b), bedoelde juridische constructie.
- hetzij, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die overeenkomstig artikel 220 aan de rechtspersonenbelasting onderworpen is, die de in 13°, c), bedoelde overeenkomst heeft gesloten en in wiens naam de premie of de premies van deze overeenkomst worden voldaan; Behoudens tegenbewijs en rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, kan een natuurlijke persoon die in een centraal register van uiteindelijke begunstigden als een uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt van een in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten bedoelde vennootschap, fiducie, trust, stichting, vereniging zonder winstoogmerk, of een constructie die vergelijkbaar is met een fiducie of trust, die ook een in de bepaling onder 13° bedoelde juridische constructie is, worden vermoed de oprichter van deze juridische constructie te zijn.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een centraal register van uiteindelijke begunstigden het register bedoeld in boek IV, titel 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, verstaan, evenals een soortgelijk register dat wordt beheerd door een lidstaat van de Europese Unie of een derde land.

14°/1 …

15° Eigen woning
Onder eigen woning wordt verstaan de woning als bedoeld in artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

16° Hybridemismatch
Onder hybridemismatch wordt verstaan een regeling die leidt tot aftrekbare kosten in hoofde van een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, of in hoofde van een van deze actoren, maar zonder dat, in dit geval, met deze uitgaven inkomsten overeenstemmen die deel uitmaken van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Er kan slechts sprake zijn van een hybridemismatch tussen een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting enerzijds en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan anderzijds wanneer het geassocieerde ondernemingen zijn, die
die handelen in het kader van een gestructureerde regeling.
Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting, en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan zijn geassocieerde ondernemingen :
- wanneer de buitenlandse onderneming een entiteit is waarin de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal of die gerechtigd is tot ontvangst van 50 pct. of meer van de winst van die entiteit; of
- wanneer de buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan een natuurlijke persoon of een entiteit is die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal van de binnenlandse vennootschap, of die gerechtigd is tot ontvangst van 50 pct. of meer van de winst van de binnenlandse vennootschap; of
- wanneer een natuurlijke persoon of een entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal van de binnenlandse vennootschap en van de buitenlandse onderneming; of
- wanneer de binnenlandse vennootschap, of de Belgische inrichting, en de buitenlandse onderneming, of de vestiging daarvan, uitmaken van dezelfde geconsolideerde groep inzake de financiële boekhouding; of 75 - wanneer de ene een invloed van betekenis uitoefent op het beheer van de andere.
In geval van een regeling waarbij een betaling uit hoofde van een financieel instrument betrokken is, wordt de bovengenoemde drempel van 50 pct. teruggebracht tot 25 pct.
Een persoon die met betrekking tot de stemrechten of het kapitaalbezit van een entiteit samen met een andere persoon optreedt, wordt tevens beschouwd als houder van een deelneming in alle stemrechten of het volledige kapitaalbezit dat die andere persoon of personen in de genoemde entiteit hebben.
Een geconsolideerde groep inzake financiële boekhouding is een groep die bestaat uit alle entiteiten die volledig zijn opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de internationale standaarden voor financiële rapportering of het nationale systeem voor financiële rapportering van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, maken deel uit van dezelfde onderneming wanneer de ene een Belgische of vaste inrichting vormt van de andere of wanneer ze beiden Belgische of vaste inrichtingen vormen van dezelfde onderneming. Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, handelen in het kader van een gestructureerde regeling wanneer ze handelen in het kader van een regeling die voor elk van hen tot een aftrek leidt, of tot een aftrek voor de ene die gepaard gaat met een niet-belasting voor de andere, en waarbij de waardering van deze uitwerking reeds in de voorwaarden van de regeling is geïntegreerd, of wanneer ze handelen in het kader van een regeling die zodanig werd opgezet om tot zulk resultaat te leiden, tenzij niet redelijkerwijze van de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting of van de buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan kan worden verwacht dat ze op de hoogte is van het bestaan van die uitwerking en ze er geen voordeel uit gehaald heeft.
Er kan geen sprake zijn van een hybridemismatch die aanleiding geeft tot een aftrek in hoofde van een van de actoren samen met een niet-belasting in hoofde van een andere actor wanneer de afwezigheid van belasting voor deze laatste enkel te wijten is aan het belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht dat op hem van toepassing is of aan de verschillen in de aan een betaling toegekende waarde, onder meer door de toepassing van verrekenprijzen.

17° Hybride-entiteit
Onder hybride-entiteit wordt verstaan elke entiteit of regeling die krachtens de wetgeving van een rechtsgebied als een belastbare entiteit wordt beschouwd en waarvan de inkomsten of de uitgaven krachtens de wetgeving van een ander rechtsgebied als de inkomsten of de uitgaven van een of meer andere personen worden beschouwd.

18° Hybrideoverdracht 77 Onder hybrideoverdracht wordt verstaan elke regeling voor het overdragen van een financieel instrument waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financieel instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij die regeling.

19° EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden
Onder EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden wordt de EU-lijst van landen en rechtsgebieden die niet coöperatief zijn op belastinggebied begrepen die door de Raad van de Europese Unie wordt vastgelegd en waarvan elke door de Raad vastgestelde wijziging wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 2, § 1, aangevuld met een 20° en 21°, luidend als volgt: 20° aangetekende zending: hetzij de briefwisseling, al dan niet vergezeld van een ontvangstbevestiging, neergelegd bij de aanbieder van de universele postdienst, een aanbieder van postdiensten of een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die voldoet aan de vereisten van artikel 44 van Verordening (EU) nr. /2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties binnen de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/CE, en al dan niet elektronisch verzonden door een van hen naar een vooraf aangewezen ontvanger, die toelaat om de datum van verzending en ontvangst van de briefwisseling door de bestemmeling aan te tonen, hetzij het bericht dat door de Federale Overheidsdienst Financiën is verzonden in het kader van de uitoefening van haar taak van openbare dienst door middel van de dienst voor het versturen en ontvangen van elektronische berichten door bepaalde overheidsdiensten aangeboden aan de natuurlijke personen of hun vertegenwoordigers door de Federale Overheidsdienst belast met de Digitale Agenda en aan houders van een ondernemingsnummer zoals gedefinieerd in artikel III.16 van het Wetboek van economisch recht of aan hun vertegenwoordigers door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; 21° beveiligd elektronisch platform: elke computertoepassing ter beschikking gesteld door de Federale Overheidsdienst Financiën of door een andere openbare instelling in samenwerking met de Federale Overheidsdienst Financiën of een andere instelling die aan de burgers, de bedrijven, de rechtspersonen en bepaalde derden elektronische diensten aanbiedt om elektronische berichten uit te wisselen met de Federale Overheidsdienst Financiën op voorwaarde dat de authenticatie en identificatie worden uitgevoerd in toepassing van hoofdstuk 4 van de wet van 18 juli 2017 inzake elektronische identificatie en die, door middel van een stelsel voor elektronische identificatie zoals bedoeld in art. 8., 2., van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn (EG) 1999/93, dat ten minste een substantieel veiligheidsniveau in de zin van artikel 8., 2., b) van bovengenoemde Verordening inzake de integriteit van de inhoud, de tijdsaanduiding, en zo ook de bewaring van het verzonden bericht garandeert.
Vanaf 29 juli 2025 wordt artikel 2, § 1, aangevuld met een 22° en 22°, luidend als volgt:

22° Carried interest begunstigde: enige natuurlijke persoon of een met hem verbonden persoon die werkzaamheden, rechtstreeks of onrechtstreeks, verricht voor een Carried interest vehikel of zijn beheerder; 23° Carried interest vehikel: enige Belgische of buitenlandse instelling voor collectieve belegging, met inbegrip van zijn beleggingscompartimenten, die (i) bij een reeks beleggers kapitaal ophaalt om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van die beleggers te beleggen, en (ii) niet voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG of, voor instellingen voor collectieve belegging die niet in de Europese Unie zijn gevestigd, aan de voorwaarden van een gelijkaardige regeling als die van Richtlijn 2009/65/EG.

§ 2. Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek, van de bijzondere wettelijke bepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten in hun hoofde, worden de overdrager, de pandgever en de leninggever die handelen in het kader van een zakelijke- zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot financiële instrumenten geacht eigenaar te blijven van de betrokken financiële instrumenten gedurende de hele looptijd van het contract.
In afwijking van het eerste lid, worden de inkomsten van kapitalen en roerende waarden uit financiële instrumenten die zijn overgedragen, in pand zijn gegeven of zijn uitgeleend in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening niet geacht te zijn ontvangen door de overdrager, de pandgever of de leninggever.

§ 3. De termen "belasting Staat", "gereduceerde belasting Staat", "federale personenbelasting", "gewestelijke opcentiemen", "gewestelijke korting", "gewestelijke belasting- vermeerdering", "gewestelijke belastingverminde- ring", "gewestelijk belastingkrediet", "gewestelijke personenbelasting"en "totale belasting" hebben voor de toepassing van dit Wetboek en de besluiten die in uitvoering ervan worden genomen de betekenis die eraan wordt gegeven in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. § 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt een onderneming als een partneronderneming van een andere onderneming aangemerkt indien deze eerstgenoemde onderneming niet verbonden is met deze andere onderneming, en :
- de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden onderne- mingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere onderneming; of
- de andere onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming.
Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4° /1 niet beschouwd als partnerondernemingen.
Voor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1, 4° /1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming aangemerkt indien :
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere onderneming; - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde onderneming;
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderneming te benoemen of te ontslaan;
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerstgenoemde onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 4° /1, wordt onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemiddelde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het desbetreffende belastbare tijdperk. Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voorkomend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen die in de onderneming een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen en die niet werden geregistreerd in de DIMONA-databank noch werden ingeschreven in het voormelde algemene personeelsregister of het voormelde gelijkwaardig document.
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 2, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 1.1.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing ( zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 85

Art. 3bis. artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid, voor een bepaald havengebied door de Koning wordt erkend, aangemerkt als de werkgever van alle in dat havengebied tewerkgestelde havenarbeiders waarvoor deze organisatie alle verplichtingen vervult die krachtens de individuele en collectieve arbeidswetgeving en de sociale zekerheidswetgeving voortvloeien uit de tewerkstelling van deze havenarbeiders.
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations concernant du travail supplémentaire presté par le travailleur et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel qui est dû sur les rémunérations imposables dans lesquelles sont comprises les rémunérations obtenues suite aux heures supplémentaires prestées par le travailleur qui, conformément à l'article 29 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 ou à l'article 7 de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction donne droit à un sursalaire légal, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte.
De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk dat, overeenkomstig

Art. 4. Aan de personenbelasting zijn niet onderworpen :

1° de buitenlandse diplomatieke ambtenaren en de consulaire beroepsambtenaren die in België zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden ;

2° op voorwaarde van wederkerigheid, de andere leden van buitenlandse diplomatieke zendingen en consulaire posten in België, alsmede hun inwonende gezinsleden, mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten of niet duurzaam verblijf houden in België ;

3° op voorwaarde van wederkerigheid, de ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van vreemde Staten of van staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten of niet duurzaam verblijf houden in België en hun diensten niet verstrekken in het kader van enig handels- of nijverheidsbedrijf; 4° de natuurlijke personen ingeschreven in het wachtregister overeenkomstig artikel 1, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van de personen die vóór hun inschrijving in het wachtregister hun zetel van fortuin reeds in België hadden gevestigd en van de echtgenoten van belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting voor zover die echtgenoten zich niet in één van de in artikel 126, § 2, eerste lid, 1° tot 3° vermelde gevallen bevinden.

Art. 4bis. artikel 4bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, de belastingadministratie tussenkomt in een strafzaak door middel van de burgerlijke vordering, kan de verschijning in persoon namens de Belgische Staat alsook elke procedurehandeling worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. RÉGION FLAMANDE A. VLAAMSE GEWEST
1 januari 2014, wordt artikel 379, tel que d’application au précompte immobilier, est
zoals van toepassing voor de onroerende abrogé (voir article 5.0.0.0.1., § 1er, 1°, du Code
voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 –
1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van MB 23 décembre 2013).
13 december 2013 – BS 23 december 2013).
A partir du 1er janvier 2014, l’article 3.8.0.0.3. du même Code est d'application (voir Code flamand de la Fiscalité).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.8.0.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. RÉGION BRUXELLES CAPITALE B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK
GEWEST
Texte : CIR 92 - Version historique – Région de Bruxelles-Capitale
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Art. 380 Art. 380
Le conseiller général de l'administration en charge de l'établissement des impôts sur les revenus ou le fonctionnaire délégué par lui, peut exécuter la décision judiciaire qui accorde un dégrèvement ou annule une cotisation, par la voie de l'inscription, au nom du contribuable intéressé, du montant dégrevé ou annulé dans un rôle rendu exécutoire.
De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan de gerechtelijke beslissing die een ontheffing verleent of een aanslag vernietigt, uitvoeren door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
Art. 381 Art. 381
En cas de non-respect par le contribuable ou par un tiers des obligations prévues au Titre VII, Chapitre III, Section I ou Section II, l'administration fiscale peut requérir du juge compétent visé à l'alinéa 2 la condamnation du contribuable ou du tiers concerné au paiement d'une astreinte, conformément aux articles 1385bis à 1385nonies du Code judiciaire.
In geval van niet-naleving door de belastingplichtige of door een derde van de verplichtingen opgenomen in respectievelijk Titel VII, Hoofdstuk III, Afdeling I of Afdeling II, kan de fiscale administratie van de in het tweede lid bevoegde rechter eisen dat de betrokken belastingplichtige of de derde veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom in overeenstemming met de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek.
L'action est portée devant le juge compétent pour statuer sur l'application d'une loi d'impôt visée à l'article 569, alinéa 1er, 32°, du Code Judiciaire et cette action est introduite et traitée comme en matière de référé.
De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is om te oordelen over de toepassing van de belastingwet zoals bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek en deze vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
dwangsom kan gevorderd worden investigations sont réalisées à la demande d'un
wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden Etat avec lequel la Belgique a conclu une
op vraag van een Staat waarmee België een convention préventive de la double imposition, ou
overeenkomst tot voorkoming van dubbele avec lequel la Belgique a conclu un accord en vue
belasting heeft gesloten, of waarmee België een de l'échange de renseignements en matière fiscale
akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre
van inlichtingen met betrekking tot instrument juridique bilatéral ou multilatéral,
belastingaangelegenheden, of die samen met pourvu que cette convention, cet accord ou cet
België deelneemt aan een ander bilateraal of instrument juridique permette l'échange
multilateraal gesloten juridisch instrument, op d'informations entre les Etats contractants en
voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord matière fiscale.
of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt.
Art. 382 - 392 Art. 382 - 392
Respect de l'obligation de retenue, délai de paiement et intérêts
Naleving van de inhoudingsplicht, betaaltermijn en interesten
Section première.- Respect de l'obligation de retenue
Afdeling I.- Naleving van de inhoudingsplicht
Art. 393 Art. 393

§ 1er. Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de l'établissement des impôts sur les revenus vérifient que l'obligation de retenue et de versement prévue à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales est respectée par le donneur d'ordre et l'entrepreneur.

§ 1. De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen gaan na of de inhoudings- en stortingsplicht bedoeld in

Art. 5. Rijksinwoners zijn aan de personenbelasting onderworpen op grond van al hun in dit Wetboek als belastbaar vermelde inkomsten, zelfs indien sommige daarvan in het buitenland zijn behaald of verkregen.

Art. 5/1.

§ 1. De inkomsten die werden verkregen door de juridische constructie zijn belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de juridische constructie, alsof die rijksinwoner ze rechtstreeks heeft verkregen.
In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie.
De inkomsten die worden uitgekeerd door de dochterconstructie aan een juridische constructie zijn niet belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate en op voorwaarde dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze inkomsten aan de voorwaarden van artikel 21, eerste lid, 12°, en tweede lid, voldoen. …

Wanneer de juridische constructie is opgericht door meerdere oprichters, is elke oprichter belastbaar in verhouding tot zijn inbreng in de juridische constructie of, wanneer die niet kan worden vastgesteld, elk voor een gelijk deel.
In het geval van splitsing van de eigendom op de juridische rechten aangehouden door de in artikel 2, § 1, 14°, vierde streepje, bedoelde oprichters, is elke oprichter belastbaar in verhouding tot het gedeelte van de economische rechten die worden aangehouden in de juridische constructie bedoeld in artikel 2, § 1, 13°, b, of, wanneer die niet kan worden vastgesteld, elk voor een gelijk deel.
Wat de in artikel 2, § 1, 14°, derde streepje, bedoelde oprichters, betreft, is elke oprichter belastbaar in verhouding tot zijn deel in de juridische constructie of, wanneer die niet kan worden vastgesteld, in verhouding tot zijn rechten in het nalatenschap van de oprichter waarvoor hij in de plaats is getreden.
De vermoedens inzake de verdeling van de inkomsten die overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf worden toegepast, kunnen, met alle in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen, door elke oprichter worden weerlegd voor zover wordt aangetoond aan welke andere persoon en in welke verhouding de door de juridische constructie verkregen inkomsten, moeten worden toegekend. Indien deze bewijzen niet op een voldoende wijze kunnen worden overgelegd, blijven de inkomsten van deze juridische constructie belastbaar in hoofde van de oprichters overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
De toepassing van deze paragraaf op de door de juridische constructie verkregen inkomsten, belet niet de toepassing van artikel 18, eerste lid, 3°, op de door deze juridische constructie betaalde of toegekende inkomsten.

§ 2 …



§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing voor het aanslagjaar waarvoor de oprichter:
a) aantoont dat de juridische constructie rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht dat haar beheerst of een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met die van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht, en onderworpen is aan een inkomstenbelasting die ten minste 15 pct. bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten, of;
b) in de jaarlijkse aangifte van de inkomstenbelasting verklaart en op eenvoudig verzoek aantoont dat de juridische constructie gevestigd is in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt, en dat:
- er wordt aangetoond dat de juridische constructie een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen en haar inkomsten in hoofdzaak hieruit behaalt, en dat;
- deze wezenlijke activiteit het beheer van het privévermogen van de oprichter of van een van de oprichters van deze juridische constructie niet tot doel heeft; c) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in toepassing van artikel 185/2 in hoofde van een binnenlandse vennootschap worden belast;
d) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in hoofde van een andere oprichter van deze juridische constructie in toepassing van paragraaf 1 of artikel 220/1 worden of werden belast.
Voor de toepassing van het eerste lid, b), moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen.

Art. 5/2. De roerende inkomsten die werden verkregen op een rekening op naam van een vereniging, die geen winsten of baten verkrijgt of die niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonen- belasting, zijn belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die gemachtigd is deze rekening te beheren, alsof deze rijksinwoner deze inkomsten rechtstreeks zou hebben verkregen.
In het geval de rekening wordt beheerd door meerdere personen is elke rijksinwoner belastbaar in verhouding tot het aantal personen dat gemachtigd is deze rekening te beheren. inkomen.

Art. 5quater. artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, tot een bedrag van 3.000 euro per jaar.
Pour apprécier si un contribuable assume la charge exclusive ou principale d’un enfant dont la garde lui a été confiée, il est fait abstraction des interventions des pouvoirs publics dans les frais d’entretien de l’enfant.
Om uit te maken of een aan de zorgen van de belastingplichtige toevertrouwd kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is, worden bijdragen van de overheid in de onderhoudskosten van dat kind niet meegerekend.
Art. 145 Art. 145
Ne sont pas considérées comme étant à charge, les personnes qui font partie du ménage du contribuable et :
Als ten laste worden niet aangemerkt de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en :

1° qui bénéficient de revenus professionnels constituant des frais professionnels pour le contribuable;

1° beroepsinkomsten genieten die voor de
belastingplichtige beroepskosten zijn;

2° qui bénéficient en tant qu'étudiants- indépendants visés à l'article 5quater de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants de rémunérations de dirigeant d'entreprise qui constituent des frais professionnels pour une société, lorsqu'il est satisfait aux deux conditions suivantes :

2° als student-zelfstandige zoals bedoeld in

Art. 6. Het belastbare inkomen wordt gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen.
Het totale netto-inkomen is de som van de netto-inkomens van de volgende categorieën :

1° inkomen van onroerende goederen ;

2° inkomen van roerende goederen en kapitalen ;

3° beroepsinkomen ;

4° divers inkomen.

Art. 7.

§ 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn :

1° voor niet verhuurde onroerende goederen:
- het kadastraal inkomen wanneer het gaat om ongebouwde onroerende goederen, materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, of de eigen woning;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft; 2° voor verhuurde onroerende goederen:
a) voor goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die ze noch geheel, noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid:
- het kadastraal inkomen wanneer het ongebouwde onroerende goederen of materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, betreft;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft;
b) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen overeenkomstig de pachtwetgeving of een vergelijkbaar buitenlands recht dat de pachtprijzen beperkt, zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
bbis) het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het gaat om gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is of een gewestelijke huisvestings- maatschappij of een door haar of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting, met het oog op het ter beschikking stellen ervan:
- aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
- aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken; c) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen dat niet lager mag zijn dan het kadastraal inkomen, wanneer het andere ongebouwde onroerende goederen of materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, betreft, of het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere gebouwde onroerende goederen betreft;

3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 7, § 1, als volgt :

§ 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn :

1° voor niet verhuurde onroerende goederen:
- het kadastraal inkomen wanneer het gaat om ongebouwde onroerende goederen, materieel en outillage die door incorporatie of door hun bestemming onroerend zijn, of de eigen woning;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft;

2° voor verhuurde onroerende goederen:
a) voor goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die ze noch geheel, noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid: - het kadastraal inkomen wanneer het ongebouwde onroerende goederen of materieel en outillage die door incorporatie of door hun bestemming onroerend zijn, betreft;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft;
b) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen overeenkomstig de pachtwetgeving of een vergelijkbaar buitenlands recht dat de pachtprijzen beperkt, zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
bbis) het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het gaat om gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is of een gewestelijke huisvestings- maatschappij of een door haar of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting, met het oog op het ter beschikking stellen ervan:
- aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
- aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken;
c) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen dat niet lager mag zijn dan het kadastraal inkomen, wanneer het andere ongebouwde onroerende goederen of materieel en outillage die door incorporatie of door hun bestemming onroerend zijn, betreft, of het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere gebouwde onroerende goederen betreft; 3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.

§ 2. Wanneer een huurvoordeel bestaat in een eenmaal door de huurder gedane uitgave, wordt het bedrag ervan over de gehele duur van het huurcontract verdeeld.

Art. 7ter. artikel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005, is vrijgesteld.
De in het eerste lid bedoelde pensioenbonus wordt vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake per-sonenbelasting van de genieter.
Art. 40 Art. 40
Les participations aux bénéfices attachées à des contrats d'assurance-vie, à des engagements de pension complémentaire concernant des travailleurs ou des dirigeants d'entreprise visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°, et occupés avec un contrat de travail, ou à des conventions de pension complémentaire concernant des travailleurs indépendants, sont exonérées pour autant qu'elles soient liquidées en même temps que les pensions, pensions complémentaires, rentes, capitaux ou valeurs de rachat résultant de ces contrats, engagements ou conventions.
Deelnemingen in de winst ter zake van levensverzekeringscontracten, van aanvullende pensioentoezeggingen betreffende werknemers of bedrijfsleiders als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, of van aanvullende pensioenovereenkomsten betreffende zelfstandigen zijn vrijgesteld op voorwaarde dat zij gelijktijdig met de uit die contracten, toezeggingen of overeenkomsten, voortvloeiende pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden worden vereffend.
Par participations aux bénéfices, on entend celles définies à l'article 183bis du Code des droits et taxes divers, même si elles sont exemptées de la taxe en vertu de l'article 183quinquies du même Code.
Onder deelnemingen in de winst worden de deelnemingen verstaan omschreven in

Art. 8. Ingeval een onroerend goed aan een natuurlijke persoon is verhuurd en de huurprijs en de huurvoordelen in een geregistreerde huurovereenkomst afzonderlijk zijn vastgesteld voor het gedeelte dat voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en het gedeelte dat voor andere doeleinden wordt gebruikt, worden de inkomsten van ieder gedeelte afzonderlijk bepaald ingevolge artikel 7, § 1, 2°, a of c, naar het geval.

Art. 8bis. artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
- la prime de fin d'année et la prime de fidélité octroyées par le Fonds social et de garantie pour les entreprises horticoles aux travailleurs saisonniers visés au premier tiret;
- de eindejaarspremie en de getrouwheids- premie die door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste streepje bedoelde gelegenheidswerkers;
de bezoldigingen voor prestaties als tant qu'ouvrier dans l'agriculture ou
arbeider in de land- of tuinbouw ingevolge l'horticulture effectuées dans le cadre d'un
een contract van bepaalde duur of voor een contrat à durée déterminée ou pour un
duidelijk omschreven werk van maximaal travail nettement défini de maximum six
zes opeenvolgende kalenderweken semaines calendrier d'affilée à la suite
onmiddellijk aansluitend op een immédiate d'une occupation en tant que
tewerkstelling als gelegenheidsarbeider in travailleur occasionnel dans l'agriculture ou
de land- of tuinbouw bij dezelfde l'horticulture auprès du même employeur ;
werkgever;
- le pécule de vacances relatif à la période d'occupation consécutive visée au troisième tiret.
- het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in het derde streepje bedoelde periode van aansluitende tewerkstelling.
Le ministre qui a les Finances dans ses attributions ou son délégué détermine comment il est indiqué sur la fiche visée à l'article 57 que la fiche concerne des rémunérations des travailleurs saisonniers dans l'agriculture ou l'horticulture visées à l'alinéa 2, 1°, c.
De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt hoe op de in

Art. 9. Voor de toepassing van deze afdeling en onder voorbehoud van artikel 494, §§ 3 en 6, wordt het uit een schatting of herschatting voortspruitend kadastraal inkomen, geacht te bestaan:

1° vanaf de dag waarop het feit waarvan de aangifte bij toepassing van artikel 473, § 1 en § 2, eerste lid, is voorgeschreven, zich heeft voorgedaan;

2° vanaf 1 januari 2021 voor de in artikel 473, § 2, tweede lid, bedoelde onroerende goederen;

3° vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de belastingplichtige onderworpen wordt aan de personenbelasting voor de in artikel 473, § 2, derde lid, bedoelde onroerende goederen. Wanneer in een belastbaar tijdperk het kadastraal inkomen wordt vastgesteld of gewijzigd, of de bestemming van een onroerend goed wordt gewijzigd, worden de inkomsten van dat tijdperk vastgesteld in verhouding tot de werkelijke duur, uitgedrukt in dagen, van elk deel van het belastbare tijdperk vóór en na de wisseling van omstandigheden.

Art. 9bis. Artikel 9bis van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, aldaar ingevoegd door het koninklijk besluit van 21 september 1966 en in stand gehouden door het koninklijk besluit van 6 januari 1971, is niet meer toepasselijk op de meerwaarden die verwezenlijkt zijn na 31 december 1980 of, voor belastingplichtigen die anders boekhouden dan per kalenderjaar, na de datum van afsluiting van het boekjaar waarvan het resultaat belastbaar is voor het aanslagjaar 1981.
Art. 513 Art. 513
Par dérogation à l'article 24, alinéa 1er, 2°, lorsque le prix de réalisation est remployé dans les formes et délais ci-après, les plus-values réalisées au plus tard dans une période imposable qui débute avant le 1er janvier 2020 sur des titres émis ou garantis par des organismes publics au plus tard le 31 décembre 1989 et acquis depuis plus de cinq ans au moment de leur réalisation, sont considérées comme des bénéfices de la période imposable au cours de laquelle elles sont réalisées et de chacune des cinq périodes imposables subséquentes et ce à concurrence d'un sixième de leur montant pour chacune desdites périodes imposables.
Wanneer de verkoopprijs wordt herbelegd in de hierna vermelde vormen en termijnen, worden, in afwijking van artikel 24, eerste lid, 2°, de meerwaarden die ten laatste in een belastbaar tijdperk dat aanvangt vóór 1 januari 2020 zijn verwezenlijkt op effecten die ten laatste op 31 december 1989 zijn uitgegeven of gewaarborgd door openbare instellingen en die op het ogenblik van de verwezenlijking sedert meer dan vijf jaar in het bezit zijn, aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin zij zijn verwezenlijkt en voor elk van de vijf volgende belastbare tijdperken en dat ten belope van één zesde van hun bedrag voor elk van die belastbare tijdperken.
Le remploi du prix de réalisation des titres doit être effectué en titres nouveaux cotés à la bourse de Bruxelles et d'une durée d'au moins cinq ans, émis ou garantis par des organismes publics.
De herbelegging van de verkoopprijs van de effecten moet worden verricht in nieuwe effecten die genoteerd zijn op de beurs van Brussel en waarvan de duur ten minste vijf jaar bedraagt en die uitgegeven of gewaarborgd zijn door openbare instellingen.
Le remploi doit être effectué dans un délai expirant trois mois après la date de réalisation des titres.
De herbelegging dient uiterlijk te zijn gedaan binnen drie maanden na de datum van de verwezenlijking van de effecten.
als herbelegging verkregen effecten conservés pendant au moins cinq ans.
moeten gedurende ten minste vijf jaar worden behouden.
Pour bénéficier du régime ci-avant, les établissements concernés doivent produire à l'appui de leurs déclarations afférentes à la période imposable de réalisation des titres et à chacune des cinq périodes imposables subséquentes, un relevé conforme au modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué pour l'application de l'article 47.
Om voorgaand stelsel te kunnen genieten moeten de betrokken instellingen bij hun aangifte betreffende het belastbare tijdperk waarin de effecten zijn verwezenlijkt en voor elk van de vijf volgende belastbare tijdperken een opgave voorleggen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld voor de toepassing van artikel 47.
A défaut de remploi dans les formes et délais prescrits ou de production du relevé requis, en cas de cession des titres acquis en remploi avant l'expiration du délai de cinq ans de conservation exigé ou en cas de cessation d'activité, la partie non encore imposée de la plus-value réalisée est considérée comme un bénéfice imposable, selon le cas, de la période imposable au cours de laquelle le délai de remploi est venu à expiration, pour laquelle le relevé requis n'est pas produit, au cours de laquelle les titres acquis en remploi ont été cédés ou au cours de laquelle a lieu la cessation d'activité.
In geval van overdracht van de herbelegde effecten vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar of in geval van stopzetting van de werkzaamheid wordt, bij gebrek aan herbelegging in de voorgeschreven vormen en termijnen of bij niet voorleggen van de vereiste opgave, het nog niet belaste gedeelte van de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een belastbare winst van het belastbare tijdperk waarin, naar het geval, de herbeleggingstermijn is verstreken, de vereiste opgave niet wordt ingediend, de als herbelegging verkregen effecten worden overgedragen of de werkzaamheid wordt stopgezet.
Art. 514 Art. 514
... ...
Art. 515 Art. 515

§ 1er. Par dérogation à l'article 47, § 1er, 4° de la loi du 27 décembre 1984 portant des dispositions fiscales :

§ 1. In afwijking van artikel 47, § 1, 4°, van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen :

1° la rente de conversion des capitaux, valeurs de rachat et autres allocations uniques visés à l'article 171, 4°, littera f à h, qui ont été payés ou attribués avant le 1er janvier 1985, est imposée globalement avec les autres revenus du bénéficiaire à partir de la période imposable au cours de laquelle le montant constitutif de ladite rente est payé ou attribué :

1° wordt de omzettingsrente van de in artikel 171, 4°, littera f tot h, bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en andere éénmalige toelagen die vóór 1 januari 1985 zijn betaald of toegekend, gezamenlijk met de andere inkomsten van de verkrijger belast vanaf het belastbare tijdperk waarin het bedrag dat die rente vormt, is betaald of toegekend :
a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van artikel 169, 5 pct. bedraagt, gedurende tien opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van deze periode van tien belastbare tijdperken ;
b) lorsque la rente de conversion est inférieure à 5 p.c. conformément aux dispositions de l'article 169, pendant treize périodes imposables consécutives ou jusqu'à la période imposable au cours de laquelle le bénéficiaire est décédé lorsque cet événement se produit avant l'expiration dudit délai de treize périodes imposables ;
b) wanneer die omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van

Art. 10.

§ 1. De bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, omvatten de erfpacht- of opstalvergoeding en alle andere voordelen verkregen door de overdrager.
De waarde van de verkregen voordelen is gelijk aan de waarde die daaraan wordt toegekend voor de heffing van het registratierecht op de overeenkomst van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, waarin die voordelen worden bedongen.
Die bedragen zijn inkomsten van het jaar waarin ze worden betaald of toegekend, zelfs indien ze betrekking hebben op de gehele duur van het recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, of op een deel daarvan.

§ 2. De in § 1 vermelde inkomsten omvatten niet de bedragen die worden verkregen voor het verlenen van het recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen ingevolge een niet opzegbare overeenkomst van erfpacht of van opstal of van een gelijkaardig onroerend recht, op voorwaarde dat :

1° de bij overeenkomst bepaalde termijnen het de eigenaar mogelijk maken het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan volledig weer samen te stellen en de rentelast en andere kosten van de verrichting te dekken ;

2° de eigendom van het gebouw bij het einde van de overeenkomst van rechtswege op de gebruiker overgaat of de overeenkomst een aankoopoptie voor de gebruiker bevat. 96

Art. 11. De inkomsten als omschreven in artikel 7, § 1, 1° en 2°, zijn, naar het geval, belastbaar ten name van de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van het goed.

Art. 12.

§ 1. Vrijgesteld zijn de inkomsten van onroerende goederen of delen van onroerende goederen gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

§ 2. Onverminderd de heffing van de onroerende voorheffing zijn vrijgesteld de inkomsten van onroerende goederen gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die bij loopbaanpacht of bij een gelijkaardige pachtovereenkomst in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte worden verhuurd.
Dezelfde vrijstelling geldt voor inkomsten van onroerende goederen gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die bij pachtovereenkomst van gronden of een gelijkaardige overeenkomst in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte worden verhuurd en die voorzien in een eerste gebruiksperiode van minimaal achttien jaar.

§ 3. Het inkomen van de eigen woning wordt vrijgesteld.

§ 4. In afwijking van artikel 7, § 1, 3°, is de overdracht onder bezwarende titel van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten op een grond waarop een gebouw is opgericht, op een bebouwd onroerend goed of op een gebouw, vrijgesteld hetzij : 1° indien het recht wordt overgedragen ten vroegste vijf jaar na datum van de authentieke akte van vestiging of verkrijging van het recht;

2° indien de woning die gedurende een ononderbroken periode van ten minste 12 maanden die de maand van de overdracht voorafgaat, de eigen woning is geweest van de belastingplichtige. Evenwel mag tussen de periode van ten minste 12 maanden en de maand van vervreemding nog een periode van maximaal 6 maanden liggen, gedurende dewelke de woning niet in gebruik mag zijn genomen;

3° indien het recht toebehoort :
a) aan al dan niet ontvoogde minder- jarigen ingeval een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven;
b) aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstuk X van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter;

4° in geval van onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, wanneer die overdrachten overeenkomstig artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffie-rechten kosteloos aan de registratie- formaliteit zijn onderworpen. inkomen.

Art. 13. Met betrekking tot de huurprijs en de huurvoordelen van onroerende goederen wordt onder netto-inkomen verstaan het brutobedrag van de inkomsten, uit hoofde van onderhouds- en herstellingskosten verminderd met :
- 40 pct. voor gebouwde onroerende goederen, alsmede voor materieel en de outillage, die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, zonder dat de vermindering, met betrekking tot de in artikel 7, § 1, 2°, c, vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen dan twee derde van het kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met een coëfficiënt die 4,23 bedraagt. Die revalorisatiecoëfficiënt wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex van het Rijk met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gezondheidsindexcijfer van de maand december van twee jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door dat van de maand december 2013. De coëfficiënt die zo wordt bekomen, wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt. De geïndexeerde revalorisatiecoëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet 5 bereikt;
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 13, eerste streepje, als volgt : - 40 pct. voor gebouwde onroerende goederen, alsmede voor materieel en de outillage, die door incorporatie of door hun bestemming onroerend zijn, zonder dat de vermindering, met betrekking tot de in artikel 7, § 1, 2°, c, vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen dan twee derde van het kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met een coëfficiënt die 4,23 bedraagt. Die revalorisatiecoëfficiënt wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex van het Rijk met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gezondheidsindexcijfer van de maand december van twee jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door dat van de maand december 2013. De coëfficiënt die zo wordt bekomen, wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt. De geïndexeerde revalorisatiecoëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet 5 bereikt;
- 10 pct. voor ongebouwde onroerende goederen. 100

Art. 14. Les redevances et la valeur des charges y assimilées afférentes à l'acquisition d'un droit d'emphytéose, de superficie ou de droits immobiliers similaires, relatifs aux biens immobiliers dont les revenus sont compris dans les revenus immobiliers imposables après application de l'article 12, à l'exclusion des droits d'usage visés à l'article 10, § 2, sont déduits des revenus des biens immobiliers, à la condition d'être payés ou supportés pendant la période imposable.
Wanneer het onroerend goed waarvoor de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn betaald, na toepassing van artikel 12 slechts gedurende een gedeelte van het belastbaar tijdperk belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht, zijn de in het eerste lid vermelde termijnen slechts aftrekbaar wanneer ze zijn betaald in het gedeelte van het belastbaar tijdperk waarin het onroerend goed belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht.
Het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrek is beperkt tot het overeenkomstig de artikelen 7 tot 13 bepaalde onroerend inkomen.
Deze aftrek wordt evenredig afgetrokken van de inkomsten van onroerende goederen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid bedoelde aftrek van de ene belastingplichtige groter is dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige. 101

Art. 14.11. artikel 14.11 van de Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees geneesmiddelenbureau;
- des articles 10.1, 10.5 ou 74bis de la directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain;
- de artikelen 10.1, 10.5 of 74bis van de Richtlijn Nr. 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betref- fende geneesmiddelen voor menselijk gebruik;
- des articles 13.1, 13.5 ou 13bis de la directive 2001/82/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments vétérinaires;
- de artikelen 13.1, 13.5 of 13bis van de Richtlijn Nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betref- fende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;
- de l'article 8 du règlement (CE) n° 141/2000 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1999 concernant les médicaments orphelins;
-

Art. 15.

§ 1. Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproduktiviteit, van het ontbreken van het genot van inkomsten of van het verlies ervan :

1° wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht ;

2° wanneer materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, in het jaar gedurende ten minste 90 dagen buiten werking zijn gebleven ;

3° wanneer een onroerend goed of materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, zijn vernield.

§ 2. De voorwaarden voor de vermindering moeten worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel wanneer dat gedeelte is ofwel een afzonderlijke huisvesting, ofwel een afdeling van de produktie of van de werkzaamheden die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken of kan worden geacht afzonderlijk te werken, ofwel een eenheid die van de andere goederen of delen die het perceel vormen kan worden afgezonderd en afzonderlijk kan worden gekadastreerd.
Voor de in het buitenland gelegen goederen is het kadastraal perceel gelijk aan het onroerend goed of de groep van onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 3, een kadastraal inkomen wordt bepaald.

Art. 17.

§ 1. Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk :

1° dividenden ;

2° interest ;

3° de niet in 5° vermelde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen ;

4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis en 2°ter, zijn geen pensioenen ;

5° de inkomsten:
- verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie door de oorspronkelijke rechthebbende, zijn erfgenamen of legatarissen, van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld, bedoeld in boek XI, titel 5, van het Wetboek van economisch recht of in analoge bepalingen van buitenlands recht; - die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.van het Wetboek van economisch recht of op prestaties van uitvoerende kunstenaars zoals bedoeld in artikel XI.van hetzelfde Wetboek;
- met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik van deze rechten, behalve in het geval van een gebeurtenis veroorzaakt buiten de wil van de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
- op voorwaarde dat de voormelde oorspronkelijke rechthebbende beschikt over een kunstwerkattest als bedoeld in artikel 7 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, of in analoge bepalingen of met gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
- bij gebrek daaraan, dat de rechthebbende in het kader van de overdracht of de verlening van een licentie in overeenstemming met de eerste drie streepjes deze rechten overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie;
Vanaf 29 juli 2025 wordt artikel 17, § 1, aangevuld met een 6°, luidend als volgt:

6° Carried interest verkregen door een Carried interest begunstigde.



alsmede de voormelde inkomsten die door de voormelde rechthebbende worden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde beheersorganisatie.

§ 2. Wanneer het bedrag van de inkomsten in vreemde valuta is bepaald, wordt het in euro omgezet naar de wisselkoers bij de betaling of de toekenning van die inkomsten.

Art. 17/1. art. 17/1 PW 27.12.2021, ingevoegd bij art. W
05.07.2022 (BS 15.07.2022) afwijking
- met ingang van 01.01.2022 (art. 71, 1e lid)
(wijziging) - met ingang van 01.01.2022 (art. 46, 1e lid)
(wijziging)
(wijziging)
- heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2023 en zijn
van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend
vanaf die datum (art. 59, 2e lid)
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van een (vervanging)
ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke
personen, op een datum respectievelijk te bepalen door
de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art. 222)
INWERKINGTREDING
- van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend
vanaf 1 januari 2025 (art. 18) (opheffing)
- met ingang van aj. 1994 (art. 47, § 3)
- met ingang van aj. 1998, in de mate dat het
belastingplichtigen betreft als vermeld in art. 220, 2°,
WIB 92.
Elke wijziging die vanaf 17.12.1996 aan de datum van
afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is
zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.
(art. 49, 1e lid)
- vanaf aj. 2004 (art. 37, § 1)
- op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf
01.01.2022 (art. 4)
- vanaf aj. 2004 (art. 37, § 1)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, d.w.z.
vanaf 11.07.2020
Elke wijziging die vanaf 15 mei 2020 aan de
afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht,
blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de
bepalingen die bij dit hoofdstuk worden ingevoegd in het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel
26 van deze wet. (art. 27)
- op 01.01.2018 (art. 36)
het
hof bij arrest nr.
INWERKINGTREDING
23.01.2020 (BS
de
wet totdat, in
nieuwe
werking
tot en met
- op 01.01.2020 en van toepassing is vanaf aj. 2021
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste het
aanvangt op 01.01.2020 (art. 36) hof bij arrest nr.
23.01.2020 (BS
de
wet totdat, in
nieuwe
werking
tot en met
(invoeging - op 01.03.2019 (art. 12, 1e lid)
1e en 2e lid)
vernietigde wet
uitwerking meer
- op 01.01.2020 en van toepassing is vanaf aj. 2021 (wijziging)
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste vernietigde wet
aanvangt op 01.01.2020 (art. 12, 2e lid) uitwerking meer
- met ingang van aj. 1993, met uitzondering van art. 52, 9°,
1451, WIB 92, in zoverre het wordt vervangen door art. 1°,
INWERKINGTREDING
van hetzelfde Wetboek, dat in werking treedt met ingang
van het aj. 1994 (art. 101, 2e lid)
- met ingang van aj. 1993 (art. 101, 1e lid)
- met ingang van aj. 1993 (art. 101, 1e lid)
- vanaf aj. 2001 (art. 11)
- vanaf aj. 1999 (art. 4, § 1)
- vanaf aj. 2005 (art. 82, 2e lid)
- de Koning bepaalt de datum waarop de bepalingen van
deze wet in werking treden (art. 114).

Art. 18. Dividenden omvatten :

1° alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen ;

2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van kapitaal, met uitzondering van de terugbetalingen die overeenkomstig het tweede lid geacht worden voort te komen uit het gestort kapitaal of uit de in 2° bis vermelde bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld en die zijn verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder het Wetboek ressorteert, overeenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst; 2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgiftepremies en andere bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen is ingeschreven, met uitzondering van terugbetalingen van bedragen die overeenkomstig artikel 184, tweede lid, met gestort kapitaal worden gelijkgesteld en die worden gedaan ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, overeenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst, in de mate dat deze terugbetalingen overeenkomstig het tweede lid geacht worden voort te komen uit het gestort kapitaal of uit de voormelde bedragen die met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld;

2°ter uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of van verkrijging van eigen aandelen door een dergelijke vennootschap;
Vanaf 29 juli 2025, wordt in artikel 18, tweede lid, een 2°quater ingevoegd, luidend als volgt :

2°quater het gedeelte van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap dat in toepassing van artikel 209 als uitgekeerd dividend in de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt, verhoudingsgewijs beperkt tot het deel van de uitgekeerde winst waarop de door de belastingplichtige gehouden aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, recht geven, in de volgende gevallen: - in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 4°, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België;
- in geval van een verrichting bedoeld in artikel 210, § 1, 1° en 1° bis, en slechts in de mate dat dit dividend betrekking heeft op bestanddelen die als gevolg van de verrichting niet meer aangewend worden of behouden blijven in België.

3° uitkeringen andere dan deze bedoeld in 1°, 2°, 2°bis en 2°ter, toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken werd aangemerkt als een juridische constructie die niet, krachtens artikel 5/1, § 3, van de toepassing van artikel 5/1, § 1, of van artikel 220/1 is uitgesloten, in de mate dat de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat deze toekenning of betaalbaarstelling, het vermogen van de juridische constructie doet dalen beneden het door de oprichter ingebrachte vermogen

3°/1 de niet uitgekeerde winst van een in artikel 2, § 1, 13°, a) en b), bedoelde juridische constructie die wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter van een juridische constructie, op het ogenblik:
- dat de economische rechten, de aandelen of de activa van de juridische constructie worden ingebracht in een andere juridische constructie of rechtspersoon of worden overgedragen naar een andere Staat of rechtsgebied dan België, of;
- dat de natuurlijke persoon die de oprichter is van deze juridische constructie zijn woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland verplaatst, of; - waarop de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van deze juridische constructie wordt overgebracht naar het buitenland.

4° interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding :
- ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
- ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.
Onverminderd de toepassing van artikel 537 en van het zevende lid van dit artikel, worden de terugbetalingen bedoeld in het eerste lid, 2° en 2° bis, geacht voort te komen:
- uit het gestort kapitaal en uit de met gestort kapitaal gelijkgestelde bedragen vermeld in het eerste lid, 2° bis, ten belope van een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen, in de teller, de som van het gestort kapitaal en van de voormelde bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en, in de noemer, de som van de belaste reserves, de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves en het bedrag bepaald in de teller;
- voor het saldo, uit de belaste reserves en uit de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves.
Onverminderd de toepassing van het zevende lid, worden de terugbetalingen als bepaald in het vorige lid, aangerekend als volgt:
a) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt uit de reserves voort te komen, eerst op de in het kapitaal geïncorporeerde belaste reserves, vervolgens op de niet in het kapitaal geïncorporeerde belaste reserves en ten slotte op de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves; b) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt voort te komen uit het gestort kapitaal en uit de voormelde bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld:
- in het geval van een terugbetaling van kapitaal bedoeld in het eerste lid, 2°, eerst op het gestort kapitaal en, indien dat bedrag ontoereikend is, op de voormelde bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, beginnend met de uitgiftepremies;
- in het geval van een terugbetaling van uitgiftepremies bedoeld in het eerste lid, 2° bis, eerst op de uitgiftepremies die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en, indien dat bedrag ontoereikend is, achtereenvolgens op het gestort kapitaal en op de andere bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen is ingeschreven en die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld;
- in het geval van een terugbetaling van andere bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen is ingeschreven, bedoeld in het eerste lid, 2° bis, eerst op de voormelde bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en, indien dat bedrag ontoereikend is, achtereen- volgens op het gestort kapitaal en op de uitgiftepremies die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het bedrag van de reserves bepaald op het einde van het belastbare tijdperk dat voorafgaat aan datgene waarin de terugbetaling van de in het eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde bedragen is verricht, verminderd met het bedrag van de tijdens het belastbare tijdperk en ten laatste op de datum waarop deze terugbetaling is verricht, uitgekeerde tussentijdse dividenden.
Om de pro rata bedoeld in het tweede en vierde lid te bepalen, wordt geen rekening gehouden met : - de negatieve belaste reserves, andere dan het overgedragen verlies en andere dan deze die naar aanleiding van een terugbetaling van kapitaal of van hierboven bedoelde met gestort kapitaal gelijkgestelde bedragen, zijn aangelegd;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in artikel 44, § 1, 1°, en andere vrijgestelde reserves die niet in het kapitaal zijn geïncorporeerd;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in artikel 44, § 1, 1°, die in het kapitaal zijn geïncorporeerd, in de mate dat ze niet uitgekeerd kunnen worden;
- de vrijgestelde reserves, die in geval van fusie, splitsing, met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 211, § 1, in kapitaal worden heraangelegd wanneer de inbreng niet volledig wordt vergoed met nieuwe aandelen als bedoeld in artikel 211, § 2, derde lid, omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap;
- de reserves bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 4°, 184quater en 541;
- de wettelijke reserve ten belope van het wettelijk minimum;
- de onbeschikbare reserves voor eigen aandelen en voor eigen winstbewijzen binnen de grens van 20 pct. bedoeld in artikel 186, zesde lid;
- de voorzieningen voor risico's en kosten en waardeverminderingen, al dan niet vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 48, 194 en 194bis;
- of voor buitenlandse vennootschappen, de in gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht bedoelde reserves of voorzieningen.
De onaantastbaarheidsvoorwaarde bedoeld in artikel 190, wordt niet langer als voldaan geacht in de mate dat de vermindering op de vrijgestelde reserves is aangerekend. Niettegenstaande het bepaalde in het tweede tot zesde lid wordt, wanneer de in het eerste lid, 2° en 2° bis, (bedoelde (1)) beslissing van de vennootschap een wijze van aanrekening van vermindering van het eigen vermogen voorziet die zowel op het gestort kapitaal als, naargelang het geval, op de ermee gelijkgestelde bedragen, alsook op andere dan in het vijfde lid bedoelde reserves betrekking heeft, die als zodanig wordt geboekt en die leidt tot de bepaling van een bedrag aan dividenden gelijk aan of hoger dan het bedrag aan dividenden dat zou voortvloeien uit een vermindering van gestort kapitaal of van ermee gelijkgestelde bedragen voor eenzelfde totaal bedrag, waarop de in het tweede tot zesde lid bedoelde regels zouden zijn toegepast, het bedrag van de dividenden op basis van de voormelde beslissing bepaald.
(1) De Nederlandse tekst is foutief: “bedoelde” moet behouden blijven
Als voorschot in de zin van het eerste lid, 4°, wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde vordering van een natuurlijk persoon op een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of van een persoon op een vennootschap waarin hij een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent, alsmede in voorkomend geval, elke vordering op die vennootschap van hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, met uitzondering van :

1° obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen ;

2° vorderingen op die vennootschap van overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende coöperatieve vennootschappen ;

3° vorderingen van in artikel 179 vermelde vennootschappen.
De dividenden omvatten niet de inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 4°, en 19bis. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 2° bis, ingeval van verrichtingen gedaan door een buitenlandse vennootschap, dient het begrip gestort kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1, 6°, b begrepen te worden in de zin van de bepalingen van dit Wetboek betreffende de vennootschapsbelasting.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3° /1, wordt de niet uitgekeerde winst van een dochterconstructie, die overeenkomstig die bepaling wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter, beperkt overeenkomstig de mate dat hij via een tussenconstructie of een keten van meerdere tussenconstructies de oprichter is van de dochterconstructie.
Het eerste lid, 3° /1, is niet van toepassing op een juridische constructie die krachtens artikel 5/1, § 3, van de toepassing van artikel 5/1, § 1, of van artikel 220/1 is uitgesloten.

Art. 19.

§ 1. Interest omvat :

1° interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen, daaronder begrepen zakelijke- zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten, van gelddeposito's en van elke andere schuldvordering ;

2° de in artikel 10, § 2, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, met uitzondering van het in die termijnen begrepen gedeelte dat dient om het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan, volledig weer samen te stellen ;

3° de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende levensverzekeringscontracten die de belastingplichtige individueel heeft gesloten, wanneer het gaat om : a) hetzij contracten die een gewaarborgd rendement bepalen en waarvan geen enkele premie aanleiding heeft gegeven tot :
- een belastingvermindering voor het lange termijnsparen overeenkomstig de artikelen 1451 tot 14516 ;
- een gewestelijke belastingver- mindering of een gewestelijk belastingkrediet ;
b) hetzij contracten die verbonden zijn aan één of verschillende beleggingsfondsen wanneer bij hun inschrijving verbintenissen worden aangegaan die wat betreft hun duur en hun bedrag of hun rendementsvoet bepaald zijn ;

4° de inkomsten uit aandelen betaald of toegekend door niet in artikel 19bis bedoelde beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij het openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingsbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner dan of gelijk aan acht jaar.
De in het eerste lid, 3°, bedoelde afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten omvatten eveneens : 1° de afkoopwaarden bedoeld in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten, die worden uitbetaald door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen opgericht door het genoemde koninklijk besluit van 14 november 2008, of door een gelijkwaardig garantiefonds gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ;

2° iedere som die door een vereffenaar of een curator wordt uitbetaald aan de verzekeringnemer wanneer is vastgesteld dat de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven, namelijk :
a) hetzij wanneer de verzekerings- onderneming failliet is verklaard ;
b) hetzij wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het toezicht van prudentiële aard, het Garantiefonds of een gelijkwaardig Fonds ter kennis heeft gebracht dat zij vastgesteld heeft dat de financiële toestand van de verzekeringsonderneming haar ertoe geleid heeft de terugbetaling van een opeisbaar tegoed te weigeren en haar niet meer in staat stelt om een dergelijk tegoed onmiddellijk of binnen afzienbare termijn terug te betalen.

§ 2. Met betrekking tot vastrentende effecten of in § 1, eerste lid, 4°, vermelde aandelen omvatten de inkomsten iedere som die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag.
Die inkomsten zijn ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten belastbaar in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest. In afwijking van het vorige lid, is het totaal bedrag van de in het eerste lid bedoelde inkomsten van financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke-zekerheids- overeenkomst of van een lening, dat, tijdens de looptijd van die overeenkomst, is betaald of toegekend op de vastgestelde vervaldag, belastbaar ten name van de cessionaris, van de pandnemer of van de leningnemer.

§ 3. Met betrekking tot gelddeposito's, omvatten de inkomsten de opbrengsten uit verrichtingen, niet zijnde zakelijke-zekerheids- overeenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten, tot afstand, uit welken hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen. De inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van

§ 4. Met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in § 1, eerste lid, 3°, stemmen de inkomsten overeen met het verschil tussen, enerzijds de betaalde of toegekende bedragen met uitsluiting van de overeenkomstig artikel 40 vrijgestelde deelnemingen in de winst, en, anderzijds, het totaal van de gestorte premies.
Het belastbare bedrag van de inkomsten vermeld in § 1, eerste lid, 3°, a, mag evenwel niet lager zijn dan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interesten tegen 4,75 pct. per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies. 115

Art. 19/2. artikel 19/2 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance in het toepassingsgebied van dit artikel heeft opgenomen, in een inrichting die gelegen is op het grondgebied van het in

Art. 19bis.

§ 1. Interest omvat eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van overdracht onder bezwarende titel van aandelen, ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een instelling voor collectieve belegging waarvan meer dan 10 pct. van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger deze rechten door schenking heeft verkregen, wordt deze periode verlengd met de periode gedurende dewelke de schenker houder is geweest van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger of de schenker de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verkregen, of indien de verkrijger de datum van verkrijging niet kan aantonen, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.
Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto- opbrengst voorzien.
Een instelling voor collectieve belegging waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.
Het belastbaar bedrag van de inkomsten bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die werden belegd in schuldvorderingen, wanneer de beheerder van de instelling voor collectieve belegging in staat is dat gedeelte vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming. Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, a) van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Het in het eerste lid bedoelde percentage van 10 pct. wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.
Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de instelling voor collectieve belegging dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht 100 pct. te bedragen.

§ 2. Wanneer de beheerder niet in de mogelijkheid is om dat gedeelte te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage (1) van het vermogen van de instelling voor collectieve belegging dat belegd is in schuldvorderingen.


(1) art. 1bis, KB/WIB 92.
Wanneer de aanschaffings- of beleggingswaarde niet gekend is, is het belastbaar bedrag van de inkomsten het ontvangen bedrag tijdens de verrichting vermenigvuldigd met het percentage bedoeld in het eerste lid.

§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, worden, wat de instellingen voor collectieve belegging zonder Europees paspoort betreft en waarvoor § 1 slechts vanaf 1 juli 2013 van toepassing is, de interesten begrepen in het bedrag dat overeenstemt met de verkregen inkomsten, berekend vanaf 1 juli 2008. Wanneer de beheerder van een instelling voor collectieve belegging die zijn zetel heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en niet beschikt over een Europees paspoort, niet in de mogelijkheid is om het belastbaar bedrag te bepalen zoals bedoeld in § 1, vierde lid, worden de interesten die begrepen zijn in het verkregen bedrag, in afwijking van de § 1, eerste en vierde lid, berekend op basis van een fictief tarief voor het jaarlijks rendement vastgelegd op 3 pct. en toe te passen op de investeringswaarde van de schuldvorderingen zoals bedoeld in § 1, vijfde lid, voor de periode begrepen tussen 1 juli 2008 en 1 juli 2013 en waarin deze werden behouden.
Het op deze wijze bepaalde bedrag wordt verminderd met het gedeelte van de interesten die reeds in het voorkomend geval zijn uitgekeerd.
Voor de toepassing van het eerste lid moeten de woorden "1 juli 2005" in § 2, tweede lid, gelezen worden als "1 juli 2008".

Art. 19quater. Carried interest omvat: 1° het deel in de winst van een Carried interest vehikel, inbegrepen dividenden, dat wordt betaald of toegekend door of middels het Carried interest vehikel aan een Carried interest begunstigde op welke wijze ook, na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering;

2° de meerwaarde die wordt verwezenlijkt door de Carried interest begunstigde, bij de overdracht van zijn rechten in het Carried interest vehikel na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering; 3° uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een Carried interest vehikel of van verkrijging van eigen aandelen door deze aan de Carried interest begunstigde na aftrek van de aanschaffingswaarde van de rechten in het Carried interest vehikel en met uitsluiting van het deel in de winst van een Carried interest vehikel dat de opbrengst is van een investering door de Carried interest begunstigde in dat Carried interest vehikel voor zover deze opbrengst proportioneel, globaal beschouwd, niet meer bedraagt dan hetgeen een belegger die geen Carried interest begunstigde is als opbrengst verwerft uit zijn investering.
In afwijking van het eerste lid, omvat Carried interest niet de inkomsten verkregen in verband met aandelen verworven door de uitoefening van aandelenopties met toepassing van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.



Art. 19ter. Interest omvat eveneens elke som toegekend of betaalbaar gesteld aan zijn leden door een gemeenschappelijk beleggingsfonds, andere dan toegekend naar aanleiding van de inkoop van eigen aandelen of de gehele of gedeeltelijke verdeling van zijn maatschappelijk vermogen.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien de beheersvennootschap van de instellingen voor collectieve beleggingen niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 321bis.
Vanaf 29 juli 2025, wordt een artikel 19quater ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 20. Wanneer in artikel 17, § 1, 4°, vermelde lijfrenten of tijdelijke renten zijn aangelegd tegen storting met afstand van het kapitaal, wordt het belastbare bedrag ervan beperkt tot 3 pct. van dat kapitaal ; betreft het renten die voortvloeien uit de overdracht van de eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen, dan wordt de waarde van het kapitaal bepaald zoals op het stuk van registratierechten.

Art. 20bis. In geval van toekenning of betaalbaarstelling van roerende inkomsten in de vorm van goederen in natura is het bedrag van het belastbaar inkomen gelijk aan de verkoopwaarde van de goederen op de datum van de toekenning of betaalbaarstelling ervan, zelfs wanneer de werkelijke overdracht van de goederen pas later plaatsvindt. In geval van toekenning of betaalbaarstelling van inkomsten onder de vorm van effecten, mag, voor de toepassing van het eerste lid, de in aanmerking te nemen waarde niet lager zijn dan de beurswaarde op de Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten op de dag vóór de datum van toekenning of betaalbaarstelling ; zijn de effecten niet op een Belgische of op een gelijkaardige buitenlandse markt genoteerd, dan is het aan de belastingplichtige om de verkoopwaarde onder toezicht van de administratie aan te geven.
Onder beurswaarde wordt de slotkoers verstaan zoals bepaald op basis van de koersinformatie beschikbaar in de gespecialiseerde pers en/of middels gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen.
roerende goederen en kapitalen belastbare inkomsten.

Art. 21. De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet :

1° …

2° inkomsten van aandelen, andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 4°, en 19bis, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door een beleggingsvennootschap die in het land van haar fiscale woonplaats, een belasting- regeling geniet die afwijkt van het gemeen recht ;
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 21, eerste lid, 2°, als volgt : 2° inkomsten van aandelen, andere dan die vermeld in artikel 17, § 1, 6°, 19, § 1, eerste lid, 4°, en 19bis, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door een beleggingsvennootschap die in het land van haar fiscale woonplaats, een belasting- regeling geniet die afwijkt van het gemeen recht ;

3° inkomsten uit Belgische overheidsfondsen en uit leningen van voormalig Belgisch Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen, of van elke belasting ;

4° loten van effecten van leningen ;

5° de eerste schijf van 625 EUR per jaar van de inkomsten uit spaardeposito's die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in artikel 56, § 2, 2°, a, bedoelde kredietinstellingen,
met dien verstande dat :
- deze deposito's bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning (1) stelt op advies van de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, ieder wat zijn bevoegdheden betreft, wat de munt betreft waarin deze deposito's luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat de structuur, het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan betreft, of, voor de deposito's die zijn ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, deze deposito's aan analoge vereisten moeten voldoen zoals vastgesteld door de gelijkwaardige bevoegde overheidsinstanties van de andere lidstaat ; - als opzeggingstermijn in de zin van deze bepaling niet worden beschouwd de termijnen die slechts een waarborg zijn die de depositaris voor zich heeft bedongen ;
- wanneer de spaardeposito is uitgedrukt in een vreemde munt, de omvorming in euro een keer per jaar plaats vindt op 31 december of bij de definitieve vereffening van het deposito ;


(1) art. 2, KB/WIB 92.

6° …

7° inkomsten uit effecten van leningen voor de herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Land- maatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting.
Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1987 en 18 juni 1987 ;

8° inkomsten van roerende goederen en kapitalen, die in het kader van het pensioensparen worden verleend of toegekend aan daartoe erkende instellingen voor collectieve belegging of aan houders van een individuele spaarrekening ter zake van de in die rekening begrepen activa, voor zover aan de op dat stuk gestelde vereisten is voldaan en de gestorte bedragen in het kader van het pensioensparen voor belastingvermindering in aanmerking zijn genomen ; de Koning neemt (1) bijzondere maatregelen voor de toepassing van en de controle op deze bepaling ;


(1) art. 635, KB/WIB 92. 9° inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levens- verzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals die in artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen :
a) wanneer de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 pct. van het totaal van de gestorte premies ;
b) wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract ;

10° de eerste schijf van 125 euro van interesten betaald of toegekend door hetzij overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende sociale ondernemingen, hetzij door vennootschappen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die er onderworpen zijn aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die van toepassing zijn op de overeenkomstig artikel 8:5 van dat Wetboek erkende sociale ondernemingen:
- die erkend zijn zowel door de minister van Financiën als door de minister of ministers die bevoegd zijn tot de verlening ervan of, voor de vennootschappen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, erkend zijn op een gelijkaardige manier; - die uitsluitend als maatschappelijk doel hebben : a) de bijstand aan personen;
b) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimtes; c) de bescherming van het leefmilieu, daaronder begrepen de recyclage;
d) de natuurbescherming en het natuurbehoud;
e) de verwerving, het bouwen, de vernieuwing, de verkoop of het verhuren van sociale huisvesting;
f) de hulp aan ontwikkelingslanden;
g) de productie van duurzame energie;
h) de vorming;
i) de financiering van de hierboven bedoelde vennootschappen,
en voor zover hun statuten bepalen dat in geval van vereffening het volledige netto-actief opnieuw wordt geïnvesteerd in een andere sociale onderneming of in een andere vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die er onderworpen is aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die van toepassing zijn op de onder het vorig streepje vermelde sociale ondernemingen. 11° de dividenden bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt van een vermindering van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of de dividenden van buitenlandse oorsprong in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 21, eerste lid, 11°, als volgt : 11° de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° ter en 2° quater, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt van een vermindering van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of de dividenden van buitenlandse oorsprong in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

12° inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken aangemerkt werd als een juridische constructie of tussenconstructie, in de mate dat wordt aangetoond dat de door een juridische constructie verkregen inkomsten, die reeds in hoofde van een natuurlijke persoon of een in de artikelen 220 bedoelde rechtspersoon in toepassing van artikel 5/1, 18, eerste lid, 3° /1, of 220/1, in België hun belastingregime hebben ondergaan, in deze eerstgenoemde inkomsten voorkomen;

13° onverminderd de toepassing van artikel 18, eerste lid, 4°, en tweede lid, interesten met betrekking tot de eerste schijf van 9.965 euro per jaar en per belastingplichtige van nieuwe buiten de beroepswerkzaamheid van de kredietgever afgesloten leningen die gedurende vier jaar werd uitgeleend door een natuurlijk persoon aan een onderneming met tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform teneinde die onderneming in staat te stellen nieuwe economische initiatieven te financieren, mits de volgende voorwaarden worden nageleefd:
a) de kredietnemer wordt aangemerkt als kleine vennootschap; b) de kredietnemer is sinds ten hoogste 48 maanden ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of in een gelijkaardig register in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
c) de leningen zijn afgesloten op basis van een jaarlijks te betalen interestvoet voor een minimale looptijd van 4 jaar;
d) de herfinancieringsleningen worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze maatregel;
e) het Belgische crowdfundingplatform of het crowdfundingplatform naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte moet als crowdfundingdienstverlener zijn vergund door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten of door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, overeen- komstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937; f) de leningen worden aan de startende ondernemingen verstrekt door de belastingplichtigen die op beleggingsinstrumenten inschrijven, die deze leningen materialiseren en die door deze ondernemingen worden uitgegeven in het kader van een aanbieding tot verkoop of tot inschrijving conform de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding aan het publiek van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggings- instrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en Verordening 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van richtlijn 2003/71/EG.

14° de eerste schijf van 512,50 EUR van de in artikel 18, eerste lid, 1°, bedoelde dividenden, met uitzondering van dividenden uitgekeerd door juridische constructies of bij toepassing van artikel 5/1 verkregen door tussenkomst van juridische constructies, van dividenden van instellingen voor collectieve belegging en van dividenden die zijn verkregen door tussenkomst van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.
Vanaf 29 juli 2025, wordt artikel 21, eerste lid, aangevuld met een 15°, luidend als volgt :

15° dividenden uitgekeerd door een vennootschap in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat zij voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt. ----------
Voor de toepassing van het eerste lid, 12°, en artikel 5/1, § 1, derde lid, worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen of krachtens dit Wetboek of een verdrag worden vrijgesteld.
De Koning (1) bepaalt de wijze waarop het bewijs moet worden geleverd dat aan de in het eerste lid, 13°, vermelde voorwaarden wordt voldaan.


(1) art. 2bis, KB/WIB 92.
De Koning wijzigt desgevallend het in het eerste lid, 14°, vermelde bedrag zodat het na toepassing van artikel 178 gelijk is aan 800 euro voor de inkomsten die worden betaald of toegekend in 2019. Onverminderd de toepassing van artikel 178, blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2019 worden betaald of toegekend.
inkomen.

Art. 22.

§ 1. Onder netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen wordt het bedrag verstaan dat in enige vorm is geïnd of verkregen, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten, en verhoogd met de roerende voorheffing en met de fictieve roerende voorheffing.
Behalve indien dat inkomen ingevolge artikel 171, 2°bis, 3° en 3°quater tot 3°septies, afzonderlijk wordt belast, wordt het verminderd met de desbetreffende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten.

§ 2. Interest van schulden aangegaan om inkomsten van roerende goederen en kapitalen te verkrijgen of te behouden is niet aftrekbaar. § 3. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2, wordt onder netto-inkomen van in artikel 17, § 1, 3°, bedoelde verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen en in artikel 17, § 1, 5°, bedoelde overdracht of verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten, alsook wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld het brutobedrag verstaan, verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden ; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt (1).


(1) art. 3 tot 5, KB/WIB 92.



Art. 23.

§ 1. Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard en de daarmee gelijkgestelde inkomsten, met name :

1° winst ;

2° baten ;

3° winst en baten van een vorige beroeps- werkzaamheid ;

4° bezoldigingen ;

5° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen.

§ 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen : 1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de beroepskosten die op deze inkomsten betrekking hebben ;

2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de inkomsten van andere beroeps- werkzaamheden ;

3° van de beroepsinkomsten, bepaald overeenkomstig 1° en 2°, worden de beroepsverliezen van vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken afgetrokken.

4° …

§ 3. De Koning bepaalt (1) de wijze waarop en de volgorde waarin de vrijstellingen en aftrekken worden aangerekend.


(1) art. 6 tot 10, KB/WIB 92.

Art. 24. Winst bestaat uit inkomsten van alle nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die voortkomen :

1° uit alle verrichtingen gedaan door de inrichtingen van die ondernemingen of door toedoen daarvan ;

2° uit enige waardevermeerdering van activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en uit enige uit die werkzaamheid volgende waardevermindering van passiva, wanneer de desbetreffende meerwaarden of minder- waarden zijn verwezenlijkt of in de boekhouding of jaarrekening zijn uitge- drukt ; 3° uit enige, zelfs niet-uitgedrukte of zelfs niet- verwezenlijkte meerwaarde op financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, indien de waarde daarvan op het einde van het belastbare tijdperk is toegenomen en in zover ze niet hoger is dan de aanschaffings- of beleggingswaarde ;

4° uit onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva, in zover de onderwaardering of de overwaardering niet samenvalt met een al dan niet uitgedrukte vermeerdering of vermindering, naar het geval, noch met afschrijvingen die voor de toepassing van de belasting in aanmerking zijn genomen.
De bovenvermelde activa omvatten alle vermogensbestanddelen, met inbegrip van voorraden en bestellingen in uitvoering.
De belastbare winst wordt, onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen in dit Wetboek, in de bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen en in de tot uitvoering ervan genomen besluiten, vastgesteld overeenkomstig de Belgische wetgeving met betrekking tot de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen.
Meerwaarden op in artikel 66 vermelde voertuigen worden slechts in aanmerking genomen tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen, voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct., en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstem- mende belastbare tijdperken.
Het onverdeeld vermogen van een gemeenschappelijk beleggingsfonds wordt niet als een in het eerste lid bedoelde onderneming aangemerkt.
Als verwezenlijkt worden beschouwd, de vastgestelde meerwaarden bij omzetting van effecten in rechten van deelneming in beleggingsfondsen. 132

Art. 25. Winst omvat eveneens :

1° het loon dat de ondernemer zich voor zijn persoonlijke arbeid toekent ;

2° de voordelen van alle aard die de ondernemer behaalt uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid ;

3° de baten van de speculaties van de ondernemer ;

4° de sommen gebruikt om geleende kapitalen geheel of gedeeltelijk terug te betalen, om de onderneming uit te breiden of om de waarde van de activa te verhogen ;

5° alle reserves, voorzorgfondsen of voorzieningen, het naar het volgende jaar overgebrachte resultaat en alle sommen waaraan een soortgelijke bestemming is gegeven ;

6° de vergoedingen van alle aard die de ondernemer gedurende de exploitatie verkrijgt :
a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerk- zaamheid of van de winst van de onderneming tot gevolg kan hebben ;
b) tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke winstderving.

7° voor het aanslagjaar 2021: een bedrag gelijk aan de vrijstelling die overeenkomstig artikel 67sexies voor het aanslagjaar 2020 werd gevraagd.

Art. 25/1. 133 Wanneer het bedrag van de winst voor het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021 het in artikel 25, 7° bedoelde inkomen omvat en het bedrag van de winst na aftrek van de beroepskosten positief is, wordt de totale belasting voor dat belastbare tijdperk vermeerderd met het bedrag dat wordt bekomen door op de overeenkomstig het tweede lid bepaalde grondslag het overeenkomstig het derde lid bepaalde tarief toe te passen.
De vermeerdering wordt berekend op het bedrag van de winst na aftrek van de beroepskosten, verminderd met 10 pct. van het positieve verschil tussen het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen en het bedrag van de winst na de aftrek van de beroepskosten. Het aldus bepaalde bedrag kan niet meer bedragen dan het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen.
Het in het eerste lid bedoelde tarief is gelijk aan 9 pct. vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het in het eerste lid vermelde positieve bedrag en de noemer gelijk is aan het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen verminderd met het in het eerste lid vermelde positieve bedrag. De breuk kan niet meer bedragen dan 2 en is gelijk aan 2 wanneer het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen gelijk is aan of kleiner is dan het in eerste lid vermelde positieve bedrag. Het aldus vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.

Art. 26. Wanneer een in België gevestigde onder- neming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onverminderd de toepassing van artikel 49 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.
Niettegenstaande de in het eerste lid vermelde beperking worden de abnormale of goedgunstige voordelen bij de eigen winst gevoegd wanneer die voordelen worden verleend aan : 1° een in artikel 227 vermelde belasting- plichtige ten aanzien waarvan de in België gevestigde onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt ;

2° een in artikel 227 vermelde belasting- plichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, aldaar niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan de in België gevestigde onderneming is onderworpen ;

3° een in artikel 227 vermelde belasting- plichtige die belangen gemeen heeft met de in 1° of 2° vermelde belastingplichtige of inrichting.

Art. 27. Baten zijn alle inkomsten uit een vrij beroep, een ambt of post en alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid.
Zij omvatten :

1° de ontvangsten ;

2° de voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid ;

3° alle verwezenlijkte meerwaarden op activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt ;

4° de vergoedingen van alle aard die gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn verkregen :
a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de baten daarvan tot gevolg kan hebben ; b) tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van baten ;

5° de vergoedingen van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de gemeenschaps- en gewestparlementen en het Europees Parlement, alsmede de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in die vergaderingen, met uitzondering van de terugbetalingen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de gemeenschaps- en gewestparlementen en het Europees Parlement van gedane kosten ;

6° de vergoedingen van de leden van de provincieraden;

7° voor het aanslagjaar 2021: een bedrag gelijk aan de vrijstelling die overeenkomstig artikel 67sexies voor het aanslagjaar 2020 werd gevraagd.
Meerwaarden op de in artikel 66 vermelde voertuigen worden slechts in aanmerking genomen tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen, voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct., en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstem- mende belastbare tijdperken.
Als verwezenlijkt worden beschouwd, de vastgestelde meerwaarden bij omzetting van effecten in rechten van deelneming in beleggingsfondsen.

Art. 27/1. Wanneer het bedrag van de baten voor het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021 het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen omvat en het bedrag van de baten na aftrek van de beroepskosten positief is, wordt de totale belasting voor dat belastbare tijdperk vermeerderd met het bedrag dat wordt bekomen door op de overeenkomstig het tweede lid bepaalde grondslag het overeenkomstig het derde lid bepaalde tarief toe te passen. De vermeerdering wordt berekend op het bedrag van de baten na aftrek van de beroepskosten, verminderd met 10 pct. van het positieve verschil tussen het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen en het bedrag van de baten na de aftrek van de beroepskosten. Het aldus bepaalde bedrag kan niet meer bedragen dan het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen.
Het in het eerste lid bedoelde tarief is gelijk aan 9 pct. vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het in het eerste lid vermelde positieve bedrag en de noemer gelijk is aan het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen verminderd met het in het eerste lid vermelde positieve bedrag. De breuk kan niet meer bedragen dan 2 en is gelijk aan 2 wanneer het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen gelijk is aan of kleiner is dan het in eerste lid vermelde positieve bedrag. Het aldus vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.

Art. 28. Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend, zijn :

1° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt ;

2° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid ;

3° de vergoedingen van alle aard die na de stopzetting zijn verkregen : a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de werkzaamheid, van de winst of van de baten tot gevolg heeft of zou kunnen hebben ;
b) of tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten.
Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer één of meer bedrijfstakken gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid volledig en definitief worden stopgezet.

Art. 29.

§ 1. In vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, andere dan deze bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, a, eerste lid, tweede streepje, die winst of baten verkrijgen, worden de opnemingen van de vennoten of leden en hun deel in de verdeelde of onverdeelde winst of baten, als winst of baten van de vennoten of leden aangemerkt.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, worden geacht verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid te zijn :

1° …

2° vennootschappen erkend als landbouw- onderneming, als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die de rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap, behalve indien deze voor de heffing van de vennoot- schapsbelasting hebben gekozen ; de Koning bepaalt (1) de voorwaarden waaraan de keuze en het behoud ervan zijn onderworpen ;


(1) art. 12 tot 16, KB/WIB 92.

3° Europese economische samenwerkings- verbanden ; 4° de vennootschappen onder firma voortkomende uit de omvorming van een economisch samenwerkingsverband bij toepassing van artikel 41 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen op voorwaarde dat de activiteiten van de vennootschap onder firma uitsluitend tot doel hebben om de economische bedrijvigheid van haar vennoten te vergemakkelijken of te ontwikkelen, dan wel de resultaten van die bedrijvigheid te verbeteren of te vergroten; daarenboven moet de bedrijvigheid van de vennootschap onder firma aansluiten bij deze van haar vennoten en van ondergeschikte betekenis zijn;

5° verenigingen van medeëigenaars die krachtens artikel 3.86, § 1, van het Burgerlijk Wetboek rechtspersoonlijkheid bezitten.

Art. 30. Bezoldigingen omvatten, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend :

1° bezoldigingen van werknemers ;

2° bezoldigingen van bedrijfsleiders ;

3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten.

Art. 30bis. artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders vallen, overeenkomstig dat artikel bij de Rijksdienst van Sociale Zekerheid werden aangemeld;
- et pour autant que ces entreprises paient ou attribuent aux travailleurs concernés dans l'équipe précitée un salaire horaire brut, avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale, d'au moins 13,75 euros.
- en in zover deze ondernemingen aan de betrokken werknemers in de voormelde ploeg een bruto-uurloon toekennen of betalen, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, van minstens 13,75 euro.
Si ces entreprises paient ou attribuent un salaire horaire brut, avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale, d'au moins 13,75 euros, visé à l'alinéa précédent, elles sont censées avoir payé ou attribué une prime d'équipe telle que visée au § 1er, alinéa 1er.
Indien deze ondernemingen het in het vorige lid beoogde bruto uurloon, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, van minstens 13,75 euro, betalen of toekennen, worden zij geacht een ploegenpremie als bedoeld in § 1, eerste lid te hebben betaald of toegekend.
Pour les entreprises visées par l'alinéa 1er, la dispense visée au paragraphe 1er est fixée à 18 p.c. de l'ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés.
Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid wordt de vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 bepaald op 18 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen.
in deze paragraaf bedoelde vrijstelling professionnel visée par le présent paragraphe ne
van doorstorting van bedrijfsvoorheffing geldt s'applique que pour les rémunérations imposables
enkel voor de belastbare bezoldigingen van de des travailleurs qui exécutent des travaux
werknemers die in ploegverband werken in immobiliers en équipe sur place.
onroerende staat verrichten op locatie.
Les rémunérations imposables, primes d'équipe comprises, visées à l'alinéa précédent sont les rémunérations imposables des travailleurs déterminées conformément à l'article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l'exclusion des primes, du pécule de vacances, de la prime de fin d'année et des arriérés de rémunérations.
De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van de premies, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.
La dispense de versement de précompte professionnel visée au présent paragraphe n'est accordée que pour autant qu'il s'agit de rémunérations pour les travailleurs qui, conformément au régime de travail auquel ils sont soumis, exécutent au minimum un tiers de leur temps des travaux immobiliers en équipe sur place durant le mois pour lequel l'avantage est demandé. Les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail sans maintien de salaire ne sont pas prises en compte. Pour l'application de cette norme sont prises en considération :
De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor zover het bezoldigingen betreft voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegverband werken in onroerende staat verrichten op locatie. Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van deze norm omvat :
- au numérateur: le nombre d'heures de travail effectivement prestées en équipe ainsi que les heures pour lesquelles l'exécution du contrat de travail a été suspendue et pour lesquelles le salaire a été maintenu par l'employeur, s'il peut être démontré que le travailleur concerné, conformément à son règlement de travail, aurait exécuté des travaux immobiliers en équipe sur place ;
- de teller: het aantal effectief in ploegverband gepresteerde arbeidsuren evenals de uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkomstig zijn arbeidsregeling, in ploegverband werken in onroerende staat op locatie zou verrichten ;
- au dénominateur: le nombre total d'heures de travail effectivement prestées ainsi que le nombre total d'heures pour lesquelles l'exécution du contrat de travail a été suspendue mais avec maintien du salaire.
- de noemer: het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren evenals het totale aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald.
ondernemingen die erkend zijn voor intérimaire qui mettent des intérimaires à
uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking disposition d'entreprises visées à l'alinéa 1er sont,
stellen van ondernemingen bedoeld in het eerste en ce qui concerne la dispense de versement du
lid, zijn voor wat betreft de vrijstelling van précompte professionnel sur les rémunérations
doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de imposables de ces intérimaires, assimilées à ces
belastbare bezoldigingen van deze entreprises à condition qu'elles puissent fournir la
uitzendkrachten, gelijkgesteld met die preuve qu'elles satisfont à toutes les conditions
ondernemingen, op voorwaarde dat zij het bewijs d'application du présent article. En outre,
kunnen leveren dat zij aan al de l'assimilation des entreprises agréées pour le
toepassingsvoorwaarden van dit artikel voldoen. travail intérimaire qui est visée au présent alinéa
De in dit lid bedoelde gelijkstelling van de n'est autorisée que pour les rémunérations
ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid d'intérimaires qui sont payées ou attribuées à partir
wordt voor de belastbare bezoldigingen van du 1er octobre 2022 à condition qu'elles aient
uitzendkrachten die vanaf 1 oktober 2022 worden obtenu l'accord de la manière déterminée par le
betaald of toegekend bovendien enkel toegestaan Roi de l'entreprise dans laquelle les travailleurs
op voorwaarde dat zij op de door de Koning intérimaires sont employés pour appliquer la
bepaalde wijze het akkoord hebben gekregen van dispense visée au présent paragraphe
de onderneming waarin de uitzendkrachten zijn tewerkgesteld om de in deze paragraaf bedoelde vrijstelling toe te passen.
Le montant visé à l'alinéa 1er, troisième tiret, et à l'alinéa 2 est lié à l'indice santé lissé visé à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales pour le mois de septembre 2017 (103,42). Ce montant, le cas échéant augmenté en application de l'alinéa 8, est adapté chaque année, au 1er janvier, en le multipliant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre de l'année précédant celle au cours de laquelle le nouveau montant sera applicable et en le divisant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre 2017. Le montant obtenu est arrondi au centime supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes atteint ou non 5.
Het in het eerste lid, derde streepje, en tweede lid vermelde bedrag is gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen voor de maand september 2017 (103,42). Op 1 januari van elk jaar wordt dat bedrag, desgevallend verhoogd bij toepassing van het achtste lid, aangepast door het te vermenigvuldigen met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2017. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter le montant visé à l'alinéa 1er, troisième tiret, et à l'alinéa 2. Cette augmentation ne peut, à chaque fois, dépasser plus de 10 p.c. du montant visé à l'alinéa 1er, troisième tiret, et à l'alinéa 2, le cas échéant après application de l'augmentation déjà appliquée en exécution du présent alinéa et confirmée conformément à l'alinéa suivant.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het eerste lid, derde streepje, en tweede lid vermelde bedrag, verhogen. Die verhoging mag telkens niet meer bedragen dan 10 pct. van het in het eerste lid, derde streepje en tweede lid vermelde bedrag, desgevallend na toepassing van reeds in uitvoering van dit lid toegepaste verhogingen die overeenkomstig het volgende lid zijn bekrachtigd.
Koning zal bij de Kamer van immédiatement si elle est réunie, sinon dès
volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un
in zitting is, zo niet bij de opening van de projet de loi de confirmation des arrêtés pris en
eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen exécution de l'alinéa précédent. Lesdits arrêtés
tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het sont censés n'avoir jamais produit leurs effets s'ils
vorige lid genomen besluiten. Deze besluiten n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze
worden geacht geen uitwerking te hebben gehad mois qui suivent la date de leur publication au
indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen Moniteur belge.
twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
La dispense de versement visée au présent paragraphe ne peut pas être accordée si une autre dispense prévue au présent article est appliquée à la même rémunération.
De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting kan niet worden verleend indien een andere in dit artikel bedoelde vrijstelling op dezelfde bezoldiging wordt toegepast.

§ 6. Le Roi détermine les formalités qui doivent être remplies pour l'application du présent article. Il détermine notamment les règles et modalités pour l'introduction de l'attestation visée au paragraphe 4, alinéa 7.

§ 6. De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld voor de toepassing van dit artikel. Hij bepaalt inzonderheid de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in paragraaf 4, zevende lid, bedoelde verklaring.
Art. 2756 Art. 2756
Les redevables de précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 1°, qui paient ou attribuent des rémunérations visées à l'article 30, 1°, à des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans le 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense est demandée, sont dispensés de verser au Trésor 75 p.c. de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte.
De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, eerste lid, 1°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 75 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
La dispense de versement de précompte professionnel visée à l'alinéa 1er est également octroyée lorsqu'ils paient ou attribuent des rémunérations visées à l'article 30, 1°, à des sportifs non visés à l'alinéa 1er, à condition d'affecter au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense a été demandée, 55 p.c. de cette dispense de versement de précompte professionnel à la formation de jeunes sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 23 ans au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense est demandée.
De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in het eerste lid wordt eveneens toegekend wanneer ze bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan niet in het eerste lid bedoelde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, 55 pct. van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
de toepassing van het tweede lid par fonds affectés à la formation de jeunes
wordt verstaan onder bedragen besteed aan de sportifs, la rémunération des personnes chargées
opleiding van jonge sportbeoefenaars, de de la formation, de l'encadrement ou du soutien de
bezoldiging van personen belast met de opleiding, ces jeunes sportifs dans leur pratique sportive ainsi
begeleiding of ondersteuning van deze jonge que la rémunération des jeunes sportifs. La
sportbeoefenaars in hun sportbeoefening en de rémunération de jeunes sportifs comprend la
bezoldiging van de jonge sportbeoefenaars. De rémunération payée ou attribuée à concurrence
bezoldiging van jonge sportbeoefenaars omvat de maximale de huit fois le montant visé à l'article 2,
betaalde of toegekende bezoldiging tot maximaal § 1er, de la loi du 24 février 1978 relative au
van het achtvoud van het bedrag bedoeld in artikel contrat de travail du sport rémunéré ainsi que les
2, § 1, van de wet van 24 februari 1978 frais connexes visés à l'article 52, 3.
betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en de ermee verband houdende kosten bedoeld in artikel 52, 3°.
Les rémunérations visées aux l'alinéas 1er et 2 entrent uniquement en considération dans la mesure où les sportifs auxquels ces rémunérations ont été payées ou attribuées, ont fourni des prestations sportives pour le redevable visé à l'alinéa 1er, durant la période à laquelle se rapporte la dispense.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bezoldigingen komen enkel in aanmerking in de mate dat gedurende de periode waarop de vrijstelling betrekking heeft, de sportbeoefenaars aan wie deze bezoldigingen werden betaald of toegekend sportprestaties hebben geleverd voor de in het eerste lid bedoelde schuldenaar.
A l'expiration du délai précité, les fonds non affectés conformément aux alinéas 2 et 3 doivent être versés au Trésor, augmentés des intérêts de retard, calculés conformément à l'article 414.
Bij het verstrijken van de voormelde termijn, moeten de niet overeenkomstig het tweede en derde lid bestede bedragen in de Schatkist worden gestort, verhoogd met nalatigheidsinteresten berekend overeenkomstig artikel 414.
Pour bénéficier de la dispense de versement de précompte professionnel visée aux alinéas 1er et 2, le redevable doit tenir à la disposition du Service public fédéral Finances les preuves que les sportifs pour lesquels la dispense est invoquée répondent aux conditions pendant toute la période à laquelle se rapporte la dispense et que les fonds ont été réellement affectés conformément aux alinéas 2 et 3. Le Roi fixe les modalités d'administration de ces preuves (1).
Om de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs dat de sportbeoefenaar in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden tijdens de hele periode waarop de vrijstelling betrekking heeft en dat de bedragen werkelijk overeenkomstig het tweede en derde lid werden besteed, ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs (1).


--------------- (1) art. 952, AR/CIR 92. (1) art. 952, KB/WIB 92.
... ...
Le présent article s'applique également aux redevables du précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 3°, qui paient ou attribuent directement à des sportifs des rémunérations visées à l'article 232, alinéa 1er, 2°, c.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, eerste lid, 3°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 232, eerste lid, 2°, c, rechtstreeks betalen of toekennen aan sportbeoefenaars.
in dit artikel bedoelde vrijstelling van professionnel visée au présent article ne peut pas
doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet être appliquée au précompte professionnel qui est
worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die retenu complémentairement en sus du minimum
aanvullend bovenop de bedrijfsvoorheffing die réglementaire du précompte professionnel dû.
reglementair minimaal verschuldigd is, wordt ingehouden.
Art. 2757 Art. 2757
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte.
De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
Les dispositions du présent article s'appliquent :
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op :
a) pour autant qu'il s'agisse d'employeurs qui, soit considérés comme petites sociétés, soit sont des personnes physiques qui satisfont mutatis mutandis aux critères de l'article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations:
a) voor zover het werkgevers betreft die, hetzij als kleine vennootschappen worden aangemerkt, hetzij natuurlijke personen zijn die op overeenkomstige wijze beantwoorden aan de criteria opgenomen in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen:
- aux employeurs qui sont compris dans le champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
- werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
- aux entreprises agréées pour le travail intérimaire qui mettent des intérimaires à disposition des entreprises visées au premier tiret;
- de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van de in het eerste streepje bedoelde ondernemingen;
b) aux employeurs des travailleurs qui ressortissent au champ d'application des commissions et sous-commissions paritaires énumérées à l'article 1er, 1°, a) à s) inclus, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand, y compris les ateliers sociaux visés à l'article 1er, 1 °, a) à s), précité et les entreprises de travail adapté;
b) werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met s), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, met inbegrip van de sociale werkplaatsen beoogd in voormeld artikel 1, 1°, a) tot s), en de maatwerkbedrijven;
de naamloze vennootschap van publiek recht et la société anonyme de droit public bpost
Proximus en de naamloze vennootschap van pour leurs travailleurs qui, autrement qu'en
publiek recht bpost voor hun werknemers die vertu d'un contrat de travail, exécutent des
anders dan krachtens een arbeidsovereen- prestations de travail pour ces sociétés.
komst, arbeid verrichten voor deze vennootschappen.
Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal à :
De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt :
a) 0,12 p.c. du montant brut des rémunérations avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale pour les employeurs visés à l'alinéa 2, a);
a) 0,12 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage voor de in het tweede lid, a), bedoelde werkgevers;
b) 1° 1 p.c. du montant brut des rémunérations avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale pour les employeurs visés à l'alinéa 2, b).
b) 1° 1 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage voor de in het tweede lid, b), bedoelde werkgevers.

2° Lorsque ces employeurs soit sont considérés comme petites sociétés, soit sont des personnes physiques qui satisfont mutatis mutandis aux critères de l'article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations, ce pourcentage est porté à 1,12 p.c.

2° Wanneer deze werkgevers hetzij als kleine vennootschappen worden aangemerkt, hetzij natuurlijke personen zijn die op overeenkomstige wijze beantwoorden aan de criteria opgenomen in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennoot- schappen en verenigingen, wordt dit percentage verhoogd tot 1,12 pct.

3° De werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassings- gebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector moeten een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteden aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen. Dit bedrag moet door de werkgever aan de bevoegde ontvanger worden gestort op hetzelfde moment dat de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt gestort. De Schatkist boekt deze bedragen over aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die ze op zijn beurt verdeelt tussen de begunstigde Sociale Maribelfondsen;
c) 1 p.c. du montant brut des rémunérations avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale pour les employeurs visés à l'alinéa 2, c).
c) 1 pct van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage voor de in het tweede lid, c), bedoelde werkgevers.
Le Roi détermine les modalités d'application du présent article (1).
De Koning bepaalt de toepassingsmodali- teiten van dit artikel (1).


--------------- (1) art. 952, AR/CIR 92. (1) art. 952, KB/WIB 92.

§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement qui est situé au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5 dans une zone d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du Pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé au § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visés au § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte.

§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier gelegen is in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van

Art. 31. Onder voorbehoud van artikel 90, eerste lid, 1° ter, zijn bezoldigingen van werknemers alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever.
Daartoe behoren inzonderheid : 1° wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle andere soortgelijke beloningen, met inbegrip van fooien en toelagen die, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid op enige andere wijze worden verkregen dan als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever ;

2° voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid ;

3° vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst ;

4° vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, daarin begrepen de vergoedingen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en de vergoedingen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, vierde streepje ;

5° bezoldigingen die door een werknemer zijn verkregen, zelfs indien ze zijn betaald of toegekend aan zijn rechtverkrijgenden.

De Koning bepaalt (1) minimumbedragen voor bezoldigingen die belastbaar zijn ten name van werknemers die volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigd worden.


(1) art. 17, KB/WIB 92.
Als bezoldigingen zijn eveneens belastbaar, de wedden en vergoedingen van de gedeputeerden van de provincie, met uitzondering van de terugbetaling van de kosten verbonden aan de uitoefening van het ambt. 140

Art. 31bis. De in artikel 31, tweede lid, 4°, bedoelde vergoedingen omvatten eveneens :

1° de werkloosheidsuitkeringen met bedrijfs- toeslagen en de aanvullende vergoedingen die de werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige. De voormelde aanvullende vergoedingen zijn, voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting wel is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding :
- de aanvullende vergoedingen die bovenop een werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag zijn verkregen door een gewezen werknemer die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt ;
- de aanvullende vergoedingen die een gewezen werknemer, die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en die werkloosheidsuitkeringen als volledige werkloze verkrijgt of zou kunnen verkrijgen indien hij het werk niet had hervat, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen en voor zover de desbetreffende overeenkomst geen sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is die is afgesloten voor 30 september 2005 of geen sectorale overeenkomst is die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking verlengt ;

2° de in het 1° bedoelde aanvullende vergoedingen voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting niet is opgenomen in een collectieve arbeids- overeenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding.
… De werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag bestaan uit de volgende componenten :

1° een werkloosheidsuitkering ;

2° de bedrijfstoeslag als bedoeld in artikel 4, § 3, tweede streepje, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, alsmede de bedrijfstoeslag bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités en die voorziet in voordelen die op zijn minst gelijkwaardig zijn aan de voordelen die in de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 zijn vastgesteld.

Art. 32. Bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijk persoon die :

1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent ;

2° in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.
Daartoe behoren inzonderheid :

1° vaste of veranderlijke tantièmes, zitpenningen, emolumenten en alle andere sommen toegekend door vennootschappen, andere dan dividenden of terugbetalingen van eigen kosten van de vennootschap ; 2° voordelen, vergoedingen en bezoldigingen die in wezen gelijkaardig zijn aan die vermeld in artikel 31, tweede lid, 2° tot 5° ;

3° in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen van een gebouwd onroerend goed verhuurd door de in het eerste lid, 1°, vermelde personen aan de vennootschap waarin zij een opdracht of gelijksoortige functies uitoefenen, voor zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed niet in aftrek gebracht.
Het eerste lid is niet van toepassing op natuurlijke personen, die onbezoldigd een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen in verenigingen zonder winstoogmerk of andere rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 220, 3°, mits de inkomsten van onroerende goederen die zij uit diezelfde vereniging of rechtspersoon verkrijgen niet voor de in het tweede lid, 3°, bedoelde herkwalificatie tot bezoldiging in aanmerking komen.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op natuurlijke personen die bezoldigde functies uitoefenen in een vennootschap, waarin zij ook onbezoldigd een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen, mits de inkomsten van onroerende goederen die zij uit diezelfde vennootschap verkrijgen niet voor de in het tweede lid, 3°, bedoelde herkwalificatie tot bezoldiging in aanmerking komen.

Art. 32/1.

§ 1. In hoofde van ingekomen belastingplichtigen die in artikel 30, 1° of 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever of de vennootschap beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "eigen kosten van de werkgever" verstaan, in het geval van een werknemer, de eigen kosten van de werkgever en, in het geval van een bedrijfsleider, de eigen kosten van de vennootschap waarbinnen een mandaat of soortgelijke functies worden uitgeoefend.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "bedrijfsleider" een natuurlijke persoon verstaan, die een mandaat of soortgelijke functies zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent en belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming of in de onderneming een functie of werkzaamheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 2° uitoefent, uitgezonderd een natuurlijke persoon die een dergelijk mandaat, functie of werkzaamheid uitoefent in de eigen onderneming waarvan hij oprichter of medeoprichter is of waarin hij aandelen bezit die 30 pct. of meer van het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "ingekomen belastingplichtige", verstaan:

1° de werknemer of bedrijfsleider die rechtstreeks wordt aangeworven in het buitenland door een onderneming of vestiging van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen;

2° de werknemer of bedrijfsleider die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep ter beschikking wordt gesteld aan één of meer ondernemingen of vestigingen van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "multinationale groep", elke groep verstaan die twee of meer ondernemingen omvat die inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend. § 3. De volgende voorwaarden moeten bovendien cumulatief worden vervuld in hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige:

1° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een afstand van 150 kilometer van de grens, noch onderworpen zijn geweest aan de belasting van niet- inwoners voor beroepsinkomsten in België;

2° van de paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap een in België belastbare bezoldiging ontvangen hebben van meer dan 70.000 euro per kalenderjaar voor de prestaties die de ingekomen belastingplichtige ten behoeve van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap levert en op de resultaten van die werkgever of vennootschap worden aangerekend, met uitsluiting van de inkomsten die in aanmerking komen voor de in de artikelen 155 en 156 bedoelde vermindering voor buitenlandse inkomsten;

3° het akkoord verkrijgen van de administratie in het kader van de bij paragraaf 8 bepaalde procedure.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde bezoldiging omvat de brutobezoldiging, vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, de vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de in paragraaf 5 en 6 bedoelde terugbetalingen.
Voor het jaar van aankomst in België, alsook voor het jaar van vertrek uit België of het jaar waarin dit stelsel overeenkomstig paragraaf 7 een einde neemt, wordt het in het eerste lid, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen dat de arbeidsverhouding in België dat jaar heeft bestaan en aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. In het geval dat de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, wordt het in het eerste lid, 2°, bedoelde bedrag pro rata berekend op basis van het aantal dagen waarop de ingekomen belastingplichtige zijn beroepswerkzaamheid wel kon uitoefenen.
Onverminderd de toepassing van paragraaf 4, wordt het voldoen aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarde beoordeeld op het moment van de indiening van de in paragraaf 8 bedoelde aanvraag.
De Koning kan het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Hiertoe wordt het in het eerste lid, 2°, vermelde bedrag vermenigvuldigd met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het nieuwe bedrag voor het eerst van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2020 (107,85). Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdtal naargelang het cijfer van de tientallen al dan niet 5 bereikt.

§ 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 of paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden, wordt de toepassing van dit stelsel beëindigd. § 5. Het ten laste nemen, bovenop de bezoldiging, door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 35 pct. van de in paragraaf 3, tweede lid, omschreven bezoldiging.



Wanneer de ingekomen belastingplichtige zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever of de vennootschap, wordt de bezoldiging waarop het 35 pct.-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken.

§ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door de werkgever of de vennootschap, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken:

1° de kosten die voortvloeien uit de verhuis van de ingekomen belastingplichtige naar België;

2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België gedaan in de eerste zes maanden na aankomst in België; 3° het schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen belastingplichtige of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de leerplichtige leeftijd hebben en als dusdanig kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs volgen in België in een privéschool of een internationale school.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen belastingplichtige zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen belastingplichtige. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen belastingplichtige, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde kosten, omvatten enkel de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van materiaal dat bestemd is om in de woning in België te blijven of voor de aankoop van huishoudtoestellen volgens de geldende normen in België.
De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde eigen kosten van de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot het bedrag van 1 500 euro. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in paragraaf 3, zesde lid.
Het komt aan de belastingplichtige toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken of, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten

§ 7. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de belastingplichtige in België, met een maximum van 5 jaar. Indien het verblijf van belastingplichtige in België de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 verlengd met 3 jaar voor zover dat:

1° de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen;
en dat

2° de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde drempel bereikt blijft.

§ 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel bedoelde stelsel, moet de werkgever of de vennootschap via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
De aanvraag voor de in paragraaf 7, tweede lid, bedoelde verlenging van het stelsel wordt op straffe van verval via elektronische weg gedaan door de werkgever of de vennootschap bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de eerste termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de start van de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in artikel 32/1, § 8, het eerste en tweede lid vervangen als volgt: § 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel bedoelde stelsel, moet de werkgever of de vennootschap een aanvraag verzenden naar de door de administrateur-generaal van de Algemene administratie van de fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet op straffe van verval worden verzonden binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
De aanvraag voor de in paragraaf 7, tweede lid, bedoelde verlenging van het stelsel wordt op straffe van verval verzonden door de werkgever of de vennootschap naar de door de administrateur- generaal van de Algemene administratie van de fiscaliteit aangeduide dienst uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de eerste termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de start van de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken werknemer of bedrijfsleider ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de toepassing van het stelsel bevestigt.
De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De belastingplichtige en de werkgever of de vennootschap worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie.
In geval van een positief antwoord, is het in dit artikel beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen belastingplichtige worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België.

§ 9. In het geval van een wijziging van werkgever of vennootschap in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever of de nieuwe vennootschap, zoals omschreven in paragraaf 8. In dat geval kan dit stelsel opnieuw worden toegekend aan de ingekomen belastingplichtige voor zover dat:

1° de werkgever of de vennootschap aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden blijft voldoen;
en dat

2° de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde drempel wordt bereikt;
en dat

3° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van de belastingplichtige niet meer bedraagt dan 5 jaar, in voorkomend geval te verlengen met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België.
In het in deze paragraaf bedoelde geval, moet de in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarde inzake de drempel worden beoordeeld in verhouding tot de tewerkstelling van de belastingplichtige bij de respectievelijke werkgevers of de respectievelijke vennootschappen in de loop van het jaar.

§ 10. De werkgever of de vennootschap vermeldt de volgende gegevens op de in artikel 57 bedoelde fiche:

1° het bedrag van de aan de ingekomen belastingplichtige voor dat belastbaar tijdperk betaalde of toegekende bezoldiging zoals omschreven in paragraaf 3, tweede lid;

2° het bedrag aangemerkt als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever in toepassing van paragraaf 5;

3° het bedrag aangemerkt als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever in toepassing van paragraaf 6. 151

Art. 32/2.

§ 1. In hoofde van ingekomen onderzoekers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "ingekomen onderzoeker", verstaan:

1° de onderzoeker die rechtstreeks in het buitenland aangeworven wordt door een onderneming of vestiging van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, teneinde er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen;

2° de onderzoeker die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep, ter beschikking wordt gesteld aan één of meerdere ondernemingen of vestigingen van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, teneinde een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "multinationale groep" verstaan, elke groep die twee of meer ondernemingen omvat die inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een Belgische of buitenlandse inrichting worden uitgeoefend.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "onderzoeker", elke werknemer verstaan die: 1° alleen of in groep, uitsluitend of hoofdzakelijk onderzoeksactiviteiten verricht met wetenschappelijk, fundamenteel, industrieel of technisch karakter, binnen een laboratorium of een bedrijfstak zoals bedoeld in artikel 12:11 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, van een onderneming waarvan sprake in het eerste lid, 1° en 2°, van deze paragraaf, die in hoofdzaak een of meerdere programma's inzake onderzoek en ontwikkeling voert;
en die

2° in het bezit is van een in het vijfde lid bedoeld diploma of een relevante beroepservaring van minstens 10 jaar kan aantonen.
Met een uitsluitende of hoofdzakelijke activiteit wordt in dit geval een tijdsbesteding bedoeld van minstens 80 pct. van de werktijd.
Het in het derde lid, 2°, bedoelde diploma is een diploma van doctor of master in de studiegebieden van de exacte of toegepaste technische wetenschappen, de burgerlijke ingenieurswetenschappen, de medische wetenschappen, de dierengeneeskunde, de farmaceutische wetenschappen, de architectuur- wetenschappen of de landbouwwetenschappen.

§ 3. In hoofde van de in paragraaf 2 bedoelde ingekomen onderzoeker moeten bovendien de onderstaande voorwaarden cumulatief zijn vervuld:

1° in de loop van de 60 maanden voorafgaand aan de indiensttreding in België, geen rijksinwoner zijn geweest, noch gewoond hebben binnen een afstand van 150 kilometer van de grens, noch onderworpen zijn geweest aan de belasting van niet- inwoners voor beroepsinkomsten in België;

2° het akkoord verkrijgen van de administratie in het kader van de bij paragraaf 8 bepaalde procedure.
… § 4. Wanneer in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode niet langer voldaan is aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden, wordt de

§ 5. Het ten laste nemen, bovenop de bezoldiging, door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, van terugkerende uitgaven die rechtstreeks voortkomen uit de ter beschikking stelling of de tewerkstelling in België, wordt aangemerkt als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever tot een bedrag van 35 pct. van de bezoldiging.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "bezoldiging" verstaan, de brutobezoldiging voor de prestaties die de ingekomen onderzoeker ten behoeve van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever levert en op de resultaten van die werkgever worden aangerekend, met uitsluiting van de inkomsten die in aanmerking komen voor de in de artikelen 155 en 156 bedoelde vermindering voor buitenlandse inkomsten vóór aftrek van sociale zekerheidsbijdragen, met uitsluiting van de opzeggingsvergoedingen, vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen en de bij toepassing van artikel 38 vrijgestelde bezoldigingen en met uitsluiting van de terugbetalingen van de in deze paragraaf en in paragraaf 6 bedoelde terugbetalingen.


Wanneer de ingekomen onderzoeker zijn werkzaamheid moet onderbreken en zijn bezoldiging niet wordt doorbetaald, maar de in het eerste lid bedoelde kosten ingevolge een contractuele verplichting toch verder ten laste worden genomen door de werkgever, wordt de bezoldiging waarop het 35 pct.-plafond wordt berekend, bepaald alsof de werkzaamheid niet werd onderbroken.

§ 6. Worden eveneens aangemerkt als terugbetalingen van eigen kosten van de werkgever, de kosten die door de werkgever, hetzij rechtstreeks, hetzij onder de vorm van specifieke terugbetalingen, zijn gedragen in de mate dat deze kosten tot doel hebben om het volgende te dekken: 1° de kosten die voortvloeien uit de verhuis van de ingekomen onderzoeker naar België;

2° de kosten die verband houden met de inrichting van de woning in België gedaan in de eerste zes maanden na aankomst in België;

3° het schoolgeld voor de kinderen van de ingekomen onderzoeker of zijn partner die met hun ouders of een van hen verhuizen, wanneer ze volgens de Belgische wetgeving de leerplichtige leeftijd hebben en als dusdanig kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs volgen in België in een privéschool of een internationale school.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde kosten omvatten enkel de kosten van één reis om een nieuwe verblijfplaats in België te zoeken, de reiskosten van de ingekomen onderzoeker zelf, van zijn partner en de kinderen die tot zijn gezin behoren, alsook de kosten voor het demonteren, verpakken, laden, vervoeren, ontladen, uitpakken en monteren van het meubilair dat toebehoort aan de ingekomen onderzoeker. In voorkomend geval, worden ook de hotelkosten van de ingekomen onderzoeker, zijn partner en van de kinderen die tot zijn gezin behoren gedurende de eerste drie maanden na de indiensttreding in België beoogd.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde kosten, omvatten enkel de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van materiaal dat bestemd is om in de woning in België te blijven of voor de aankoop van huishoudtoestellen volgens de geldende normen in België.
De kosten die als in het eerste lid, 2°, bedoelde eigen kosten van de werkgever worden aanvaard, zijn beperkt tot het bedrag van 1 500 euro. De Koning kan dit bedrag om de drie jaar en voor het eerst voor het inkomstenjaar 2024 aanpassen aan de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex overeenkomstig de regels vastgelegd in artikel 32/1, § 3, zesde lid. Het komt aan de ingekomen onderzoeker toe om de werkelijkheid en het bedrag van deze kosten te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken of, indien dit niet mogelijk is, op basis van alle andere door het gemeen recht toegelaten

§ 7. De paragrafen 5 en 6 zijn van toepassing gedurende de periode van de opdracht van de ingekomen onderzoeker in België, met een maximum van 5 jaar.
Indien het verblijf van de onderzoeker de in het eerste lid vermelde duur overschrijdt, wordt de toepassing van de paragrafen 5 en 6 met 3 jaar verlengd, voor zover voldaan blijft aan de bij paragraaf 2 bepaalde voorwaarden met betrekking tot de werkgever.

§ 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel bedoelde stelsel, moet de werkgever via elektronische weg een aanvraag indienen bij de door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de ingekomen onderzoeker in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
De aanvraag voor de in paragraaf 7, tweede lid, bedoelde verlenging van het stelsel wordt op straffe van verval via elektronische weg door de werkgever gedaan bij de door de administrateur- generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aangeduide dienst ten laatste 3 maanden na het aflopen van de eerste termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de start van de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in artikel 32/2, § 8, het eerste en tweede lid vervangen als volgt: § 8. Om te kunnen genieten van het in dit artikel bedoelde stelsel, moet de werkgever een aanvraag verzenden naar de door de administrateur- generaal van de Algemene administratie van de fiscaliteit aangeduide dienst. De aanvraag moet op straffe van verval worden verzonden binnen een termijn van drie maanden vanaf de indiensttreding van de ingekomen onderzoeker in België. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
De aanvraag voor de in paragraaf 7, tweede lid, bedoelde verlenging van het stelsel wordt op straffe van verval door de werkgever verzonden naar de door de administrateur-generaal van de Algemene administratie van de fiscaliteit aangeduide dienst ten laatste 3 maanden na het aflopen van de eerste termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de start van de indiensttreding van de belastingplichtige in België. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het formulier dat hiertoe moet worden ingevuld.
In bijlage bij de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraag moet een door de betrokken onderzoeker ondertekend attest worden gevoegd, dat zijn akkoord met de aanvraag voor de
De administratie spreekt zich uit binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De onderzoeker en de werkgever worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de administratie.
In geval van een positief antwoord, is het in dit artikel beoogde stelsel van toepassing op de bezoldigingen die door de ingekomen onderzoeker worden verkregen vanaf zijn indiensttreding in België.

§ 9. In het geval van een wijziging van werkgever in de loop van de in paragraaf 7 bedoelde periode, kan een nieuwe aanvraag voor de toepassing van dit stelsel worden ingediend door de nieuwe werkgever, zoals omschreven in paragraaf 8.
In dat geval kan de regeling opnieuw toegekend worden aan de onderzoeker voor zover: 1° aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden met betrekking tot de werkgever voldaan blijft;
en

2° overeenkomstig paragraaf 7, de totale duur van de toepassing van dit stelsel in hoofde van de ingekomen onderzoeker niet meer bedraagt dan 5 jaar, in voorkomend geval verlengd met 3 jaar, te rekenen vanaf de eerste tewerkstelling in België.

§ 10. De werkgever vermeldt de volgende gegevens op de in artikel 57 bedoelde fiche:

1° het bedrag van de aan de ingekomen onderzoeker betaalde of toegekende bezoldiging bedoeld in paragraaf 5, tweede lid;

2° het bedrag aangemerkt als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever in toepassing van paragraaf 5;

3° het bedrag aangemerkt als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever in toepassing van paragraaf 6.

Art. 33. Bezoldigingen van meewerkende echtgenoten zijn alle toekenningen van een deel van de winst en de baten aan de meewerkende echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet binnen het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent. Deze bezoldigingen moeten overeen- stemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mogen niet hoger zijn dan 30 pct. van het netto bedrag van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel.
Zijn eveneens belastbaar als bezoldigingen van meewerkende echtgenoten, de vergoedingen van alle aard tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van de voormelde bezoldigingen.

Art. 33bis. Voor de toekenning van de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen worden de beroeps- inkomsten die afzonderlijk worden belast evenals de in de artikelen 25, 7° en 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomsten buiten beschouwing gelaten.

Art. 34.

§ 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend :

1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die worden toegekend in het kader van een wettelijke sociale beschermingsregeling of rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid ; 1°bis pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken ;

2° kapitalen, afkoopwaarden van levens- verzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van :
a) persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of werkgeversbijdragen. Wat de in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleiders betreft die zijn tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, moet de notie " werkgeversbijdragen " voor de toepassing van deze bepaling worden vervangen door de notie " bijdragen van de onderneming " ;
b) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19° ;
c) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de onder b vermelde wet wanneer die bijdragen zijn gedaan in het kader van een individuele voortzetting van een pensioen- toezegging als bedoeld in artikel 33 van dezelfde wet ; c/1) bijdragen en premies voor een vrij aanvullend pensioen voor werknemers als bedoeld in titel 2 van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen;
d) bijdragen als vermeld in artikel 1451, 2° ;
e) bijdragen waarvoor een gewestelijke belastingvermindering of een gewestelijk belastingkrediet werd verleend.
Onder aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt verstaan het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaals- waarde, die op basis van de in een pensioenreglement of een pensioen- overeenkomst bepaalde verplichte stortingen worden toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen ;

2°bis aanvullende pensioenen voor zelfstandigen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I,
24 december 2002 ;

2°ter aanvullende pensioenen van zelfstandigen als bedoeld in titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;

3° inkomsten uit pensioensparen ingevolge artikel 1458. § 2. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren :

1° spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening ;

2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoop- waarden van een spaarverzekering ;

3° de volgende overdrachten :
- gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaar- verzekeringen ;
- volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaar- verzekering ;
- volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaar-verzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening ;
- niet in de vorige streepjes bedoelde overdrachten wanneer ze worden gedaan naar een individuele of collectieve pensioenspaar-rekening of een spaarverzekering die niet voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de artikelen 1458 tot 14516 en in de besluiten die in uitvoering van die bepalingen zijn genomen.
De Koning kan aan de in artikel 14515 vermelde instellingen, die in België gevestigd zijn of die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, gemachtigd zijn hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen door de vestiging van een bijkantoor, de verplichting opleggen om de belastingadministratie in te lichten over inkomsten uit het pensioensparen als bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, en overdrachten als vermeld in het eerste lid, 3°. § 3. Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 pct. per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen.
De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 pct., bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

§ 4. De kapitalen die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract of een spaarverzekeringscontract dat heeft gediend voor het wedersamenstellen of waarborgen van een door de verzekerde gesloten lening voor een onroerend goed, en die worden vereffend ingevolge zijn overlijden, zijn belastbaar :

1° tot het bedrag dat dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van die lening :
- in hoofde van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed verwerven waarvoor de lening is gesloten en waarvan de verzekerde op het tijdstip van overlijden volle eigenaar was ;
- in hoofde van de erfgenamen van de verzekerde in alle andere gevallen ;

2° voor het eventuele saldo, in hoofde van de in het contract vermelde begunstigde.

§ 5. De afkoopwaarden van levens- verzekeringscontracten als bedoeld in § 1, 2°, die zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of door bijdragen als vermeld in § 1, 2°, eerste lid, d en e, en de afkoopwaarden van een spaarverzekering als bedoeld in § 2, 2°, omvatten eveneens : 1° de afkoopwaarden bedoeld in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten, die worden uitbetaald door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen opgericht door het genoemde koninklijk besluit van 14 november 2008, of door een gelijkwaardig garantiefonds gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ;

2° iedere som die door een vereffenaar of een curator wordt uitbetaald aan de verzekeringnemer wanneer is vastgesteld dat de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven, namelijk :
a) hetzij wanneer de verzekerings- onderneming failliet is verklaard ;
b) hetzij wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het toezicht van prudentiële aard, het Garantiefonds of een gelijkwaardig Fonds ter kennis heeft gebracht dat zij vastgesteld heeft dat de financiële toestand van de verzekeringsonderneming haar ertoe geleid heeft de terugbetaling van een opeisbaar tegoed te weigeren en haar niet meer in staat stelt om een dergelijk tegoed onmiddellijk of binnen afzienbare termijn terug te betalen.

Art. 35. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, worden aangemerkt als inkomsten van iedere echtgenoot in verhouding tot de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in die pensioenen heeft opgebouwd.
De in het eerste lid beoogde verhouding wordt vastgesteld door de instelling die instaat voor de toekenning van de pensioenrechten. inkomsten.

Art. 36.

§ 1. Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger.
In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning (1) regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen.


(1) art. 18, KB/WIB 92.

§ 2. Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig als bedoeld in artikel 65 wordt berekend door een CO2-percentage toe te passen op zes zevenden van de cataloguswaarde van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig.
Onder cataloguswaarde wordt verstaan de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.
De cataloguswaarde wordt vermenigvuldigd met een percentage dat is bepaald in de onderstaande tabel, teneinde rekening te houden met de periode die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving van het voertuig :
Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand) Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde
Van 0 tot 12 maanden 100 %
Van 13 tot 24 maanden 94 %
Van 25 tot 36 maanden 88 % Van 37 tot 48 maanden 82 %
Van 49 tot 60 maanden 76 %
Vanaf 61 maanden 70 %
Het CO2-basispercentage bedraagt 5,5 pct. voor een referentie-CO2-uitstoot van 115 g/km voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor, en voor een referentie-CO2-uitstoot van 95 g/km voor voertuigen met dieselmotor.
De Koning bepaalt jaarlijks de referentie- CO2-uitstoot in functie van de gemiddelde CO2- uitstoot over een periode van twaalf opeenvolgende maanden die eindigt op 30 september van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk ten opzichte van de gemiddelde CO2-uitstoot van het referentiejaar 2011 volgens de modaliteiten die Hij vastlegt. De gemiddelde CO2-uitstoot wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die als nieuw zijn ingeschreven. De referentie-CO2-uitstoot kan nooit hoger zijn dan de referentie-CO2-uitstoot van het vorige belastbaar tijdperk.
Wanneer de uitstoot van het betrokken voertuig hoger ligt dan de voormelde referentie- uitstoot wordt het basispercentage met 0,1 pct. per CO2-gram vermeerderd, tot maximum 18 pct.
Wanneer de uitstoot van het betrokken voertuig lager ligt dan de voormelde referentie- uitstoot wordt het basispercentage met 0,1 pct. per CO2-gram verminderd, tot minimum 4 pct.
De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2- uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 g/km. Indien een vanaf 1 januari 2018 aangekocht, geleased of gehuurd oplaadbaar hybridevoertuig uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e1-bis norm of een latere norm, is de in aanmerking te nemen uitstoot van het betrokken voertuig gelijk aan deze van het overeenstemmende voertuig dat voorzien is van een motor die uitsluitend gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5. Voor de berekening van de energiecapaciteit wordt het verkregen resultaat afgerond tot de hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
Onder oplaadbaar hybridevoertuig wordt verstaan het in artikel 65 bedoelde voertuig dat zowel is uitgerust met een brandstofmotor als een elektrische batterij die opgeladen kan worden via een aansluiting op een externe energiebron buiten het voertuig.
De Koning (1) kan bepalen wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het negende lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.


(1) KB 05.09.2019 – BS 17.09.2019 gewijzigd bij KB 20.12.2020 – BS 29.12.2020, ed. 2
Het voordeel mag nooit minder bedragen dan 820 euro per jaar.
Wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, is het in aanmerking te nemen voordeel datgene wat overeenkomstig de vorige leden is vastgesteld, verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel 167 I.- Inkomsten van onroerende en roerende goederen met beroepskarakter.

Art. 37. Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten.
In afwijking daarvan behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in de mate dat:
- de verhouding tussen de totale vergoedingen voor de overdrachten of verleningen van licenties van de auteursrechten en naburige rechten en de totale vergoedingen, waarin ook de vergoedingen voor de geleverde prestaties zijn begrepen, meer dan 30 pct. bedraagt;
- zij meer bedragen dan 37.500 euro;
en voor zover dat het gemiddelde inkomen uit auteursrechten en naburige rechten, vastgesteld vóór de toepassing van de in de voorgaande streepjes bedoelde beperkingen, die in de vier vorige belastbare tijdperken zijn ontvangen, in voorkomend geval met uitsluiting van de periode waarin de activiteit is begonnen, het absolute maximumplafond van 37.500 euro niet overschrijdt.
De bepaling onder het tweede lid, eerste streepje,
- is enkel van toepassing wanneer de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten gepaard gaat met een geleverde prestatie; - is niet van toepassing wanneer de vergoedingen voor de overdracht of de verlening van een licentie van de auteursrechten en de naburige rechten naderhand worden verkregen, losstaand van de initiële vergoeding die ook een vergoeding voor de geleverde prestatie omvat, onverminderd de toepassing van het tweede lid, tweede streepje en van de voorwaarde met betrekking tot de vergelijking van de inkomsten van het tijdperk met het gemiddelde van de tijdens de vier voorgaande belastbare tijdperken ontvangen inkomsten, overeenkomstig het tweede lid.
De netto-inkomsten van die roerende goederen en kapitalen omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.
In afwijking van het eerste lid behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten.

Art. 37bis.

§ 1. Onverminderd de toepassing van de roerende voorheffing, worden vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betreffende financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke- zekerheidsovereenkomst of van een lening, aangemerkt als beroepsinkomsten wanneer de financiële instrumenten die het voorwerp zijn van de overeenkomst worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten. § 2. Alle in artikel 90, eerste lid, 1°ter, vermelde beloningen voor prestaties die in een bepaald kalenderjaar worden geleverd, worden als beroepsinkomsten aangemerkt van zodra voor dat kalenderjaar één van de in artikel 17, § 1, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders vermelde grenzen of de in artikel 17 bis, § 2, van hetzelfde besluit vermelde jaargrens van 190 uren wordt overschreden.
De in artikel 90, eerste lid, 1°bis en 1°ter, vermelde inkomsten worden, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het totale bruto bedrag van die inkomsten, met inbegrip van het bruto bedrag van de inkomsten die bij toepassing van het eerste lid als beroepsinkomsten worden aangemerkt, in het kalenderjaar of in het vorige kalenderjaar meer bedraagt dan 3 830 euro.

Art. 38.

§ 1. Vrijgesteld zijn :

1° wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies ;

2° pensioenen of renten ten laste van de Schatkist toegekend aan militaire en burgerlijke slachtoffers van de twee oorlogen of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van militaire anciënniteits- pensioenen ;

2°/1 pensioenen, renten en alle andere al dan niet periodieke uitkeringen toegekend door buitenlandse autoriteiten of krachtens een buitenlands stelsel van sociale zekerheid aan slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 of aan hun rechtverkrijgenden; 3° de dotatie die op basis van de wet van 21 juni 1960 is toegekend aan de militairen die tijdens de oorlog 1940-1945 in de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië hebben gediend ;

4° tegemoetkomingen die krachtens de desbetreffende wetgeving aan mindervaliden of gehandicapten worden toegekend ten laste van de Schatkist ;

5° toelagen voor geneeskundige verzorging en voor begrafeniskosten, toegekend krachtens de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte en invaliditeit, betreffende de schadevergoedingen voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg van en naar het werk en betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten ;

6° toelagen voor geneeskundige verzorging en voor begrafeniskosten, in het kader van de vrije ziekenfondsverzekering toegekend door de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die goedgekeurd zijn overeenkomstig de wet van 6 augustus 1990 ;

7° vergoeding voor begrafeniskosten door de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten toegekend aan de rechtverkrijgenden van zijn personeelsleden of zijn oud-personeelsleden ;

8° vergoedingen verkregen ter uitvoering van een individueel verzekeringscontract tegen lichamelijke ongevallen ;

9° voor de werknemer wiens beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor zover de werknemer die verplaatsing maakt :
a) met het openbaar gemeenschappelijk vervoer : voor het volledige bedrag van de vergoeding ; b) met een gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand ;
c) met een ander dan in a of b vermeld vervoermiddel : voor een maximum bedrag van 250 EUR per jaar ;

10° renten toegekend aan invaliden uit vredestijd of aan hun rechtverkrijgenden, in zover zij meer bedragen dan hetgeen overeenstemt met het rust- of overlevingspensioen waarop de betrokkenen normaal aanspraak hadden kunnen maken ;

11° de volgende sociale voordelen verkregen door de personen die in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen ontvangen of hebben ontvangen, alsmede hun rechtverkrijgenden :
a) voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen ;
b) voordelen die, alhoewel individua- liseerbaar, niet de aard van een werkelijke bezoldiging hebben ;
c) geringe voordelen of gelegenheids- geschenken verkregen uit hoofde of naar aanleiding van gebeurtenissen die niet rechtstreeks in verband staan met de beroepswerkzaamheid ;

12° de vergoedingen van de vrijwillige brandweerlieden, van de vrijwillige ambulanciers en van de vrijwilligers van de Civiele Bescherming ten belope van 3 750 euro; 13° het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA- arbeidsovereenkomst zoals bepaald in artikel 3 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst tot 6 EUR per gepresteerd uur ;

14° voor de werknemer of bedrijfsleider wiens beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald:
a) ten belope van maximum 1.795 euro per belastbaar tijdperk, de kilometervergoeding voor een bedrag van maximum 0,177 euro per kilometer toegekend voor de werkelijk gedane verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een rijwiel, een gemotoriseerd rijwiel of een speed pedelec, zoals gedefinieerd in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, met dien verstande dat de gemotoriseerde rijwielen en de speed pedelecs enkel in aanmerking komen wanneer ze elektrisch worden aangedreven;
b) het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een rijwiel of een speed pedelec, zoals bedoeld in a), en de toebehoren, met inbegrip van de onderhouds- en stallingskosten, die daadwerkelijk wordt gebruikt voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling ;

15° de deelnames in het kapitaal of de winstpremies toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers evenals de deelnames in het kader van een investeringsspaarplan en onderworpen aan de belasting op de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschap en op de winstpremie voor de werknemers; 16° voordelen die ten name van de verkrijger voortvloeien uit de rechtstreekse betaling door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van bijdragen of premies aan een pensioeninstelling voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ;

17° …

18° de voordelen die voor de werknemers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, op voorwaarde, wanneer het een individuele toezegging betreft, dat bij de werkgever ook een collectieve toezegging bestaat die voor de werknemers of een bijzondere categorie ervan op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is ;

19° de voordelen die voor de bedrijfsleiders die in artikel 30, 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de op de onderneming of op de in artikel 220 of 227, 3°, bedoelde rechtspersoon rustende betaling van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, die betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en tenminste om de maand worden betaald of toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend ;

20° de voordelen die voor de verkrijgers van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, voortvloeien uit het ten laste nemen, door de persoon die de bezoldigingen verschuldigd is, van de bijdragen of premies betreffende collectieve of individuele toezeggingen als bedoeld in § 2, en de uitkeringen gedaan ter uitvoering van die toezeggingen, voorzover die toezeggingen niet tot doel hebben een inkomensverlies te vergoeden ; 21° de forfaitaire vergoedingen, met betrekking tot ten hoogste acht, tijdens het belastbaar tijdperk, uitgeoefende voogdijopdrachten, die zijn verkregen door voogden die door de dienst Voogdij van de Federale Overheidsdienst Justitie zijn aangewezen teneinde de vertegenwoordiging van niet- begeleide minderjarige vreemdelingen te verzekeren ;

22° de tegemoetkomingen van het Schadeloos- stellingsfonds voor asbestslachtoffers ;

23° de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties voor maximum 30 dagen waarop dergelijke prestaties worden geleverd rekening van een opdrachtgever, voor per kalenderjaar evenals de terugbetaling van de werkelijke kosten voor de verplaatsingen in het kader van die prestaties, voor zover de in § 4 gestelde voorwaarden worden nageleefd.

24° ten belope van een maximumbedrag van 2756 euro per kalenderjaar, de niet- recurrente resultaatsgebonden voordelen betaald of toegekend met toepassing van
2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en van Titel XIII, Enig Hoofdstuk "Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven" van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) en die daadwerkelijk onderworpen zijn aan de bijzondere bijdrage en de solidariteitsbijdrage bepaald in artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;

25° de voordelen die bestaan uit de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques, de sport/cultuurcheques of de eco-cheques die beantwoorden aan de in artikel 38/1 vermelde voorwaarden; 26° de ontslaguitkering bedoeld in de artikelen 38 tot 43 van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord;

27° de "ontslagcompensatievergoeding" zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

28° kapitaal- en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden betaald in het kader van de steun aan de landbouw met het oog op vestiging en/of materiële of immateriële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen;

29° de bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-jobarbeids- overeenkomst als bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken voor prestaties door in artikel 2, § 1, eerste tot vijfde lid, van de voormelde wet bedoelde werknemers, op voorwaarde dat deze daadwerkelijk zijn onderworpen aan de bijzondere bijdrage van 28 pct. bepaald in artikel 38, § 3sexdecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Wanneer de werknemer geen gepensioneerde is als bedoeld in artikel 3, 7°, van de voormelde wet van 16 november 2015, geldt deze vrijstelling evenwel slechts ten belope van 8.955 euro per belastbaar tijdperk; 30° de bezoldigingen met betrekking tot 300 overuren als bedoeld in artikel 3, 5°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die geen gebruik maken van het geregistreerd kassasysteem als bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, en tot 360 overuren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die in elke plaats van uitbating wel gebruik maken van een dergelijk kassasysteem en die dit kassasysteem overeenkomstig dat besluit hebben aangegeven bij de belastingadministratie;

31° de in artikel 31bis, eerste lid, 1°, eerste streepje, bedoelde aanvullende vergoeding evenals de in het tweede lid, 2°, van hetzelfde artikel bedoelde bedrijfstoeslag wanneer ze worden verkregen voor een periode van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige;

32° de compenserende toeslag als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;

33° het deel van het mobiliteitsbudget dat terbeschikking wordt gesteld van de werknemer overeenkomstig artikel 8, § 2, 2°, en § 3, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget;

34° ten belope van maximum 420 euro, de opleidingspremies die door een gewest of de Duitstalige gemeenschap worden toegekend en die voldoen aan de in paragraaf 7 bedoelde voorwaarden;

35° …

36° de jobbonus als bedoeld in de artikelen 3 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus. Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voordelen zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezoldigingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen.
De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 9°, kan voor dezelfde verplaatsing of voor een deel hiervan niet worden gecumuleerd met de vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°.
De in het eerste lid, 12°, bedoelde vergoedingen van vrijwilligers, de in het eerste lid, 21°, bedoelde vergoedingen van voogden, de in het eerste lid, 23° bedoelde vergoedingen wegens het leveren van artistieke prestaties alsook de in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi- jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b), en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsbudget ontvangt van dezelfde werkgever met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, tenzij het geval bedoeld in artikel 10, § 3, van dezelfde wet.
De Koning wijzigt, in voorkomend geval, het in het eerste lid, 14°, a), bedoelde bedrag van de kilometervergoeding zodat het na toepassing van artikel 178 gelijk is aan 0,35 euro voor de in 2024 toegekende vergoedingen. Onverminderd de toepassing van artikel 178 blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing op de vergoedingen die vanaf 1 januari 2024 worden toegekend.

§ 2. De vrijstelling waarin § 1, eerste lid, 20°, voorziet, is eveneens van toepassing op de bijdragen en premies die door de werkgever of de onderneming ten laste worden genomen ten gunste van werknemers of bedrijfsleiders:
- met loopbaanonderbreking of tijdskrediet; - die zijn toegetreden tot het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of gepensioneerd zijn;
- die naar een andere werkgever of naar een andere onderneming zijn overgestapt.
De in § 1, eerste lid, 20°, bedoelde collectieve of individuele toezeggingen zijn :

1° toezeggingen die uitsluitend tot doel hebben medische kosten te vergoeden die verband houden met hospitalisatie, dagverpleging, ernstige aandoeningen en palliatieve thuiszorg van de werknemer of bedrijfsleider en in voorkomend geval van alle inwonende gezinsleden ;

2° toezeggingen die uitsluitend tot doel hebben specifieke kosten te vergoeden, veroorzaakt door de afhankelijkheid van de werknemer of bedrijfsleider ;

3° toezeggingen die uitsluitend voorzien in de uitkering van een rente ingeval de werknemer of bedrijfsleider het slachtoffer is van een ernstige aandoening ;

4° andere persoonsverzekeringen of gelijkaardige toezeggingen dan die welke hiervoor en in § 1, eerste lid, 18° en 19°, zijn bedoeld, voor zover deze verzekeringen of toezeggingen gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) de verzekeringscontracten of de toezeggingen kunnen worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen toegekend in het kader van de wetgeving inzake de sociale zekerheid ;
b) de contracten en toezeggingen mogen uitsluitend voorzien in uitkeringen tijdens het dienstverband van de voornoemde personen. Periodes van schorsing van het dienstverband worden ook in aanmerking genomen. Voor de in artikel 30, 1°, bedoelde werknemers en de in 30, 2°, bedoelde bedrijfsleiders die overeenkomstig de bepalingen van artikel 195, § 1, tweede lid, niet regelmatig worden bezoldigd, komt een in het vorige lid bedoelde individuele toezegging slechts voor de vrijstelling als voordeel van alle aard in aanmerking op voorwaarde dat in de onderneming ook een collectieve toezegging bestaat die op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is voor de genoemde werknemers en bedrijfsleiders of een bijzondere categorie ervan.
Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 20°, hebben de volgende termen de hiernavolgende betekenis :
- hospitalisatie : elk medisch noodzakelijk verblijf van ten minste één nacht in een instelling die wettelijk als ziekenhuisinstelling wordt aangezien ;
- dagverpleging : het medisch noodzakelijk verblijf zonder overnachting in een instelling die wettelijk als ziekenhuisinstelling wordt aangezien ;
- ernstige aandoeningen : aandoeningen die als zodanig door de minister bevoegd voor Sociale Zaken erkend zijn ;
- palliatieve thuiszorg : de behandeling thuis van terminale patiënten die gericht is op de fysische en psychische noden van de patiënt en bijdragen tot het bewaren van een zekere kwaliteit van het leven ;
- afhankelijkheid : de medisch vaststaande nood aan hulp voor het vervullen van gewone en instrumentele activiteiten van het dagelijkse leven. § 3. Wanneer de in § 1, eerste lid, 18° tot 20°, bedoelde voordelen en uitkeringen worden toegezegd in het kader van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of in het kader van een plan met twee of meer toezeggingen, zijn de in § 1, eerste lid, 18° tot 20°, beoogde vrijstellingen slechts van toepassing voor zover die solidariteitstoezegging of dat plan door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen op een gedifferentieerde wijze wordt beheerd zodat te allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en inzake diverse rechten en taksen kan worden gewaarborgd zowel inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen.

§ 4. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 23°, en deze paragraaf moet worden verstaan onder :
- " artistieke prestatie": de prestatie die een noodzakelijke artistieke bijdrage levert aan een artistieke creatie of uitvoering binnen de domeinen van de kunsten, zijnde de beeldende en audiovisuele kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal, met uitsluiting van een artistiek-technische en een artistiek-ondersteunende prestatie. Een artistieke bijdrage wordt beschouwd als noodzakelijk wanneer zonder deze bijdrage hetzelfde artistieke resultaat niet zou worden bereikt;
- "opdrachtgever" : diegene die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het leveren van een artistieke prestatie. Wordt ook als opdrachtgever beschouwd, de persoon bij wie de uitvoerder ter beschikking wordt gesteld.
- "uitvoerder": de persoon die artistieke prestaties levert; - "beveiligde elektronische toepassing" de beveiligde elektronische toepassing in het kader van de amateurkunstenvergoeding ter beschikking gesteld door de Rijksdienst voor sociale zekerheid, bedoeld in artikel 9 van de wet van 13 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
Om de in § 1, eerste lid, 23°, bedoelde vrijstelling te bekomen moeten de volgende voorwaarden worden nageleefd :

1° a) de belastingplichtige is voorafgaandelijk aan de prestatie geldig geregistreerd als uitvoerder via de beveiligde elektronische toepassing;
b) de opdrachtgever is voorafgaandelijk aan de prestatie geldig geregistreerd als opdrachtgever via de beveiligde elektronische toepassing;
c) de prestatie is, uiterlijk op het tijdstip waarop ze wordt aangevat, door de opdrachtgever aangegeven via de beveiligde elektronische toepassing;
d) de geleverde prestatie stemt volledig overeen met het soort prestatie dat voorafgaandelijk werd aangegeven;

2° de forfaitaire onkostenvergoeding mag per opdrachtgever niet hoger zijn dan 70 euro per dag, desgevallend verhoogd met een terugbetaling van de werkelijke verplaatsingskosten die niet hoger mag zijn dan 20 euro per dag. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag uitbetaalt, komt de volledige vergoeding, met inbegrip van de terugbetaling van de werkelijke verplaatsingskosten, niet in aanmerking voor de vrijstelling ; 3° de belastingplichtige mag op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemings- overeenkomst of een statutaire aanstelling met dezelfde opdrachtgever, tenzij hij en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van verschillende aard zijn.
Voor de toepassing van het tweede lid, 2°, worden de werkelijke verplaatsingskosten voor het gebruik van het persoonlijk voertuig en het gebruik van de fiets vastgesteld overeenkomstig de regels die gelden voor de verplaatsingen ten behoeve van de dienst door de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.

§ 5. In geval van vervreemding van één van de in § 1, eerste lid, 28°, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de vrijstelling met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.

§ 5/1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in paragraaf 1, eerste lid, 29°, bedoelde vrijstelling van toepassing maken op de bezoldigingen voor prestaties door werknemers die bij toepassing van artikel 2, § 1, zesde tot achtste lid, en § 2, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken onder het toepassingsgebied van de in hoofdstuk 2 van diezelfde wet bedoelde flexi-jobregeling worden gebracht.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het eerste lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. § 6. Om de periode van werkhervatting als bedoeld in § 1, eerste lid, 31°, te bepalen, wordt de totale duur van de werkhervattingen in een maand uitgedrukt in aantal gepresteerde dagen omgezet naar een arbeidsregeling van zes dagen, of zesentwintig dagen voor een volledige maand. Elke werkdag wordt in aanmerking genomen, ongeacht het aantal effectief gepresteerde uren, en de volledige periode gedekt door een arbeidsovereenkomst of een activiteit als zelfstandige in hoofdberoep wordt beschouwd als een periode van werkhervatting, ongeacht het aantal effectief gepresteerde dagen.

§ 7. Om in aanmerking te komen voor de in paragraaf 1, eerste lid, 34°, bedoelde vrijstelling moeten de premies worden toegekend naar aanleiding van het met succes gevolgd hebben van een opleiding met het oog op een tewerkstelling in een knelpuntberoep zoals gedefinieerd door de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling aan personen die bij de aanvang van de opleiding uitkeringsgerechtigd werkloos waren.
Voor de toepassing van het eerste lid kan een opleiding eveneens worden geacht met succes te zijn afgerond wanneer een of meerdere modules werden behaald, in geval van een modulaire opleiding, of wanneer de opleiding werd onderbroken om effectief aan het werk te gaan in een knelpuntberoep.

Art. 38/1.

§ 1. De volgende voordelen vormen een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, voor zover ze niet zijn verleend ter vervanging van de bezoldiging, premies, voordelen van alle aard of van enig andere vergoeding : 1° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques die beantwoorden aan de in paragraaf 2 bepaalde voorwaarden;

2° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de sport/cultuurcheques die beantwoorden aan de in paragraaf 3 bepaalde voorwaarden;

3° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de eco-cheques die beantwoorden aan de in paragraaf 4 bepaalde voorwaarden.

§ 2. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de elektronische maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :

1° de toekenning van de elektronische maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak, of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° het aantal toegekende elektronische maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal werkelijke arbeidsdagen van de werknemer of bedrijfsleider;

3° de elektronische maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer of bedrijfsleider afgeleverd;

4° de elektronische maaltijdcheque vermeldt duidelijk dat zijn geldigheidsduur beperkt is tot twaalf maanden en dat hij slechts mag worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding; 5° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in het bedrag van de elektronische maaltijdcheque mag ten hoogste 8,91 euro per maaltijdcheque bedragen;

6° de tussenkomst van de werknemer of de bedrijfsleider bedraagt ten minste 1,09 euro.
Onverminderd het eerste lid, 4°, kan de werknemer of de bedrijfsleider die een elektronische maaltijdcheque heeft verkregen binnen de drie maanden na de vervaldatum van de elektronische maaltijdcheque bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de cheque. De gereactiveerde elektronische maaltijdcheque heeft een geldigheidsduur van drie maanden.

§ 3. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de sport/cultuurcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de sport/cultuurcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :

1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

3° op de sport/cultuurcheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer of de bedrijfsleider;

4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 100 euro per jaar; 5° de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild.
Onverminderd het eerste lid, 3°, kan de werknemer of de bedrijfsleider die een sport/cultuurcheque heeft verkregen binnen de drie maanden na de vervaldatum van de sport/cultuurcheque bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de cheque. De gereactiveerde sport/cultuurcheque heeft een geldigheidsduur van drie maanden.

§ 4. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de eco-cheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de eco- cheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :

1° de toekenning van de eco-cheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° de collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de eco-cheque, met een maximum van 10 euro per eco-cheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;

3° de eco-cheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

4° op de eco-cheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 24 maanden beperkt is, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer of de bedrijfsleider en dat hij slechts mag worden aangewend voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter als bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst die is afgesloten in de Nationale Arbeidsraad; 5° de eco-cheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild;

6° het totale bedrag van de eco-cheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 250 euro per jaar.
Onverminderd het eerste lid, 4°, kan de werknemer of de bedrijfsleider die een eco-cheque heeft verkregen binnen de drie maanden na de vervaldatum van de eco-cheque bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de cheque. De gereactiveerde eco-cheque heeft een geldigheidsduur van drie maanden.

§ 5. De Koning bepaalt de toepassings- modaliteiten van dit artikel.
spaartegoeden en afkoopwaarden.

Art. 39.

§ 1. De in artikel 34, § 1, 1°, vermelde pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten en als zodanig geldende toelagen, die zijn toegekend in geval van blijvende ongeschiktheid met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten, zijn vrijgesteld in de mate waarin ze geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken.
Worden inzonderheid geacht geen herstel uit te maken van een dergelijke derving, de pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen vermeld in het vorige lid die zijn toegekend hetzij ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte die een invaliditeitsgraad tot gevolg hebben die niet meer bedraagt dan 20 pct., hetzij als aanvulling op een rust- of overlevings- pensioen. In de gevallen die niet zijn bedoeld in het tweede lid, worden de in het eerste lid vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, behoudens tegenbewijs, geacht geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uit te maken ten belope van het deel dat overeenstemt met de totale vergoeding vermenigvuldigd met een breuk met als teller 20 pct. en met als noemer de invaliditeitsgraad uitgedrukt in procent.

§ 2. Pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden zijn vrijgesteld :

1° indien en in zover zij zijn gevormd volgens de techniek van de aan de levensverzekering eigen individuele kapitalisatie en door bijdragen gestort vóór 1 januari 1950 :

2° indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, en :
a) geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1993 van toepassing waren, de in artikel 1451, 2°, vermelde belastingvermindering niet is verleend, en geen gewestelijke belastingvermindering of gewestelijk belastingkrediet is verleend ;
b) de vrijstelling krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 13 juli 1959 is geweigerd ;
c) van de vrijstelling overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de voormelde wet of overeenkomstig artikel 508 afstand is gedaan ; d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming, noch van bijdragen of premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 16°, noch van bijdragen die, overeenkomstig artikel 52, 7°bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten, noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 1451, 1° of 1°bis;

3° indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen vermindering werd verleend ingevolge artikel 1451, 5° ;

4° indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen, met uitzondering van de vervroegde inning van de taks, bepaald bij artikel 185, § 4 van dat wetboek, of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten omvatten niet, inkomsten die voortkomen uit pensioenen, aanvullende pensioenen, kapitalen, renten en afkoopwaarden, die zijn opgebouwd in het kader van een al dan niet buitenlands pensioenstelsel, ongeacht of de aangeslotene al dan niet individueel is toegetreden tot het pensioenstelsel en ongeacht of de opbouw van het pensioen, het kapitaal of de rente al dan niet in het definitief en uitsluitend voordeel van de aangeslotene gebeurt. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioenstelsel verstaan, een collectieve pensioentoezegging van een werkgever waarvoor bij een pensioeninstelling of bij een intern pensioenfonds voor of door werkgevers ten behoeve van ten minste twee aangesloten werknemers, vroegere werknemers of hun rechtverkrijgenden gelden worden bijeengebracht en beheerd met het oog op de uitkering van een pensioen, een kapitaal of een rente, en die beheerst wordt door een reglement dat gemeenschappelijk van toepassing is op alle aangeslotenen en desgevallend hun rechtverkrijgenden, al dan niet opgedeeld in verschillende categorieën.

§ 3. De pensioenbonus die wordt betaald of toegekend in toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, van artikel 3/2 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact of van artikel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005, is vrijgesteld.
De in het eerste lid bedoelde pensioenbonus wordt vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake per-sonenbelasting van de genieter.

Art. 40. Deelnemingen in de winst ter zake van levensverzekeringscontracten, van aanvullende pensioentoezeggingen betreffende werknemers of bedrijfsleiders als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, of van aanvullende pensioenovereenkomsten betreffende zelfstandigen zijn vrijgesteld op voorwaarde dat zij gelijktijdig met de uit die contracten, toezeggingen of overeenkomsten, voortvloeiende pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden worden vereffend.
Onder deelnemingen in de winst worden de deelnemingen verstaan omschreven in artikel 183bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, zelfs als die krachtens artikel 183quinquies van hetzelfde Wetboek vrijgesteld zijn van de taks. C.- Meerwaarden.

Art. 41. Voor de toepassing van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3° en 28, worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt :

1° de vaste activa die in het kader van die werkzaamheid zijn aangeschaft of vervaardigd en als activabestanddeel zijn geboekt ;

2° de vaste activa of gedeelten ervan waarvoor fiscaal afschrijvingen of waardevermin- deringen zijn aangenomen ;

3° de immateriële activa die tijdens de beroepswerkzaamheid tot stand zijn gekomen, ongeacht of zij als activabestanddeel zijn geboekt.

Art. 42. In afwijking van artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek worden bestanddelen die het onderwerp zijn van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde, geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid slechts te zijn gebruikt vanaf de datum waarop aan die voorwaarde is voldaan.
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 42, als volgt :
Bestanddelen die het onderwerp zijn van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid slechts te zijn gebruikt vanaf de datum waarop aan die voorwaarde is voldaan.



192

Art. 43. De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.

Art. 44.

§ 1. In afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3°, 28, eerste lid, 1° en laatste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 24, eerste lid, 3°, zijn vrijgesteld :

1° uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, met uitsluiting van meerwaarden op voorraden en bestellingen in uitvoering ;

2° verwezenlijkte meerwaarden op immateriële, materiële en financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden in zover de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed niet hoger is dan de gerevaloriseerde waarde van de vervreemde activa verminderd met de vroeger aangenomen afschrijvingen en waardeverminderingen.

§ 2. Niettegenstaande het bepaalde in § 1, 2°, zijn meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- en tuinbouw- ondernemingen volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld, onverminderd het belasten als diverse inkomsten ingevolge artikel 90, eerste lid, 8°.

§ 3. Paragraaf 1, 1°, is niet van toepassing op uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van deelnemingsrechten in een afdeling van een beleggingsvennootschap, in deelnemingsrechten in een andere van dezelfde beleggingsvennootschap. 193

Art. 44bis.

§ 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
Vanaf 31 augustus 2025, luidt artikel 44bis, § 1, 1e lid, als volgt:

§ 1. De meerwaarden die uiterlijk op 31 augustus 2025 in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :

1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of

2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van bedrijfsvoertuigen, voor zover de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan 3 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
Onder bedrijfsvoertuigen moet worden verstaan :
a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder ;
b) voertuigen aangewend voor goederen- vervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton. § 2. De herbelegging moet gebeuren in bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in § 1, derde lid, die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning (1), bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. ------------------------------ (1) art. 20, KB/WIB 92.

§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :

1° van 1 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 1°.

2° van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 2°, zijn verwezenlijkt.

§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 2 en 3 wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing. 195

Art. 44ter.

§ 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op voor de commerciële vaart bestemde binnenschepen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag dat gelijk is aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :

1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of

2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart, voorzover deze sedert meer dan vijf jaar vóór de vervreemding ervan de aard van vaste activa hadden.
Onder binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart moet worden verstaan :

1° vaartuigen die worden aangewend voor goederen- of personenvervoer, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden ;

2° vaartuigen die worden aangewend voor het duwen van binnenvaartuigen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden.

§ 2. De herbelegging moet gebeuren in binnenschepen die :

1° beantwoorden aan de ecologische normen die door de Koning (1) zijn bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ;


(1) art. 21, KB/WIB 92.

2° bestemd zijn voor de commerciële vaart ;

3° in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt ; 4° gelijktijdig beantwoorden aan minstens twee van de volgende voorwaarden, met uitzondering van de binnenschepen met een maximum tonnenmaat van 1 500 ton die uitsluitend aan de in a) hierna bedoelde voorwaarde moeten voldoen :
a) van een recenter bouwjaar zijn - minstens 5 jaar - dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft ;
b) minstens 25 pct. meer laadvermogen of, in het geval van een duwboot, 25 pct. meer motorvermogen hebben dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft ;
c) maximum twintig jaar in gebruik zijn.

§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :

1° die verstrijkt vijf jaar na het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde meerwaarden ;

2° van vijf jaar te rekenen van de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt of van de eerste dag van het voorlaatste belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt, voor in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde meerwaarden.

§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingtermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld. § 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen die bij §§ 2 en 3, zijn bepaald, wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing.

Art. 45.

§ 1. Vrijgesteld zijn eveneens de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen of in intra-Europese vennootschappen:

1° wanneer die meerwaarden zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding van een fusie door overneming, een fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, een splitsing door overneming, een splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, een gemengde splitsing, een met splitsing gelijkgestelde verrichting of het aannemen van een andere rechtsvorm, tot stand gebracht met toepassing van hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1, hetzij van bepalingen van gelijke aard in de andere Lidstaat van de Europese Unie, voor zover de verrichting wordt vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven; 2° die worden gerealiseerd naar aanleiding van de inbreng van deze aandelen in een binnenlandse vennootschap of een intra- Europese vennootschap in ruil voor nieuwe aandelen uitgegeven door de inbreng- verkrijgende vennootschap, waardoor de inbrengverkrijgende vennootschap in het totaal meer dan 50 pct. van de stemrechten verwerft in de vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht, of waardoor zij, indien zij reeds over een meerderheid van de stemrechten beschikt, haar deelneming vergroot, en dit indien geen opleg in geld plaatsvindt die meer bedraagt dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij gebreke aan nominale waarde, van de fractiewaarde van de nieuwe uitgegeven aandelen. Indien de inbrengverkrijgende vennootschap een vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet onder de fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders of vennoten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders of vennoten kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.
In deze gevallen worden meerwaarden of minderwaarden op de in ruil ontvangen aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de omgeruilde aandelen, eventueel verhoogd met de belaste meerwaarden of verminderd met de aangenomen minderwaarden, zowel vóór als na de ruil. Voor de toepassing van artikelen 44, § 1, 2°, en 192, § 1, eerste lid, worden de in ruil ontvangen aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen. Ingeval van een splitsing is de fiscale nettowaarde van de aandelen ontvangen vanwege elk van de verkrijgende vennootschappen proportioneel aan de werkelijke waarde van de inbrengen verkregen door de verkrijgende vennootschappen ten opzichte van de werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap. Ingeval van een met splitsing gelijkgestelde verrichting is het totaal van de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap, en van de ontvangen aandelen gelijk aan de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap onmiddellijk vóór de met splitsing gelijkgestelde verrichting. De fiscale nettowaarde van de in ruil ontvangen aandelen is evenredig met de werkelijke waarde van de inbreng in verhouding tot de totale werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap voor de verrichting. Dienaangaande wordt de verrichting inzake een met splitsing gelijkgestelde verrichting, ten name van de aandeelhouder, gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing.
De in het eerste lid bepaalde vrijstelling is slechts van toepassing voor zover de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis.

§ 2. Zijn eveneens vrijgesteld de meerwaarden die betrekking hebben op rechten van deelneming van gemeenschappelijke beleggingsfondsen van de Europese Unie, wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding van de omvorming van zulke fondsen in beleggingsvennootschappen van de Europese Unie of in een van hun afdelingen.
In dat geval, worden de meer- of minderwaarden met betrekking tot de in ruil ontvangen aandelen van de beleggings- vennootschap bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de omgeruilde rechten van deelneming van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, eventueel verhoogd met de belaste meerwaarden of verminderd met de aangenomen minderwaarden zowel vóór als na de ruil. Voor de toepassing van artikel 44, § 1, 2°, worden de in ruil ontvangen aandelen geacht te zijn verworven op de datum van aanschaffing van de geruilde rechten van deelneming. 200

Art. 46.

§ 1. Stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, hierin begrepen de meerwaarden die zijn verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid, worden volledig maar tijdelijk vrijgesteld :
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 46, § 1, 1e lid, inleidende zin, als volgt :

§ 1. Stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, hierin begrepen de meerwaarden die zijn verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van één of meer bedrijfstakken, worden volledig maar tijdelijk vrijgesteld :

1° wanneer ofwel de onderneming, ofwel de beroepswerkzaamheid, ofwel één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid worden voortgezet door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn van de persoon die de onderneming, de beroepswerkzaamheid, de bedrijfsafdeling of de tak van werkzaamheid heeft gestaakt ;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 46, § 1, 1e lid, 1°, als volgt :

1° wanneer ofwel de onderneming, ofwel de beroepswerkzaamheid, ofwel één of meer bedrijfstakken worden voortgezet door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn van de persoon die de onderneming, de beroepswerkzaamheid, de bedrijfstak heeft gestaakt ;



2° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld, ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen ;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 46, § 1, 1e lid, 2°, als volgt :

2° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld, ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfstakken of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen ;

3° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding van een inbreng in een vennootschap erkend als landbouw- onderneming bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die geacht wordt geen rechtspersoonlijkheid te bezitten voor het belastbare tijdperk waarin de inbreng heeft plaatsgehad.
Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing wanneer de verkrijger van de inbreng een door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende beleggingsvennootschap is met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, een gereglementeerde vastgoedvennootschap, een Europese langetermijn- beleggingsinstelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap.
Het eerste lid, 2°, is slechts van toepassing voor zover:

1° de vennootschap die de inbreng ontvangt een binnenlandse vennootschap of een intra- Europese vennootschap is;

2° … 3° de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis.
Wanneer de verkrijger van de inbreng een intra-Europese vennootschap is, geldt de in het eerste lid bedoelde vrijstelling slechts voor de ingebrachte goederen die ten gevolge van de inbreng aangewend en behouden worden binnen een in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische inrichting waarover de inbrengverkrijgende vennootschap in België, al dan niet ten gevolge van deze inbreng, beschikt, en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag.
De toepassing van het eerste lid, 1° en 3°, laat evenwel onverlet de eventuele belastingheffing van de verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van land- of tuinbouwondernemingen ingevolge artikel 90, eerste lid, 8°.
Financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille zijn geen bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid ; zij worden slechts beschouwd als tot een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid te behoren indien zij normaal in de onderneming van die bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid zijn opgenomen zonder het hoofdbestanddeel daarvan te vormen.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 46, § 1, 6e lid, als volgt :
Financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille zijn geen bedrijfstak ; zij worden slechts beschouwd als tot een bedrijfstak te behoren indien zij normaal in de onderneming van die bedrijfstak zijn opgenomen zonder het hoofdbestanddeel daarvan te vormen.
(…) § 2. De ten name van de nieuwe belastingplichtige in aanmerking te nemen afschrijvingen, aftrekken voor octrooi-inkomsten, aftrekken voor innovatie-inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal, investeringsaftrekken, belasting- kredieten voor onderzoek en ontwikkeling, minderwaarden of meerwaarden met betrekking tot de bij haar ingebrachte bestanddelen worden bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd, behoudens in de gevallen waarin
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van toepassing op de bij de vroegere belastingplichtige bestaande meerwaarden, waardeverminderingen, voorzie- ningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies en vorderingen in zover die bestanddelen worden teruggevonden bij de nieuwe belastingplichtige.
In de gevallen vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47, kan de voortzetting of inbreng van werkzaamheid niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.
Voor de toepassing van deze paragraaf op de in § 1, eerste lid, 3°, vermelde vennootschappen erkend als landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen omvat de uitdrukking "de nieuwe belastingplichtige" alle vennoten van zulke vennootschappen, met inbegrip van de tot de vennootschap toegelaten rechtverkrijgenden van overleden vennoten.

§ 3. Niettegenstaande de uit § 2 voortvloeiende overdracht van belastingheffing wordt ter bepaling van de meerwaarden of minderwaarden op aandelen die ter vergoeding van een in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bepaalde inbreng zijn verkregen, aan de aandelen een waarde toegekend gelijk aan de waarde die de ingebrachte activa, uit fiscaal oogpunt, bij de vroegere belastingplichtige hadden. Ingeval de aandelen worden vervreemd, worden ze bij het bepalen van de krachtens artikel 44, § 1, 2°, eventueel vrijgestelde meerwaarde geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt vanaf de datum waarop de ingebrachte activa daartoe werden gebruikt en wordt de gemiddelde gerevaloriseerde waarde van elk aandeel bepaald naar rata van de totale gerevaloriseerde waarde van die activa.

Art. 47.

§ 1. Wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld, worden de meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa die niet zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 44, § 1, 2°, en § 2, en 44bis en 44 ter, en die zijn verwezenlijkt,

1° naar aanleiding van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of

2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van immateriële vaste activa waarop fiscaal afschrijvingen werden aangenomen of van materiële vaste activa en voor zover de vervreemde goederen sedert meer dan 5 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden,
aangemerkt als winst of baten van het belastbare tijdperk waarin de herbelegde goederen zijn verkregen of tot stand gebracht en van ieder volgende belastbare tijdperk en zulks naar verhouding tot de afschrijvingen op die goederen die respectievelijk op het einde van het eerst vermelde belastbare tijdperk en voor elk volgende belastbare tijdperk in aanmerking worden genomen en, in voorkomend geval, tot het saldo op het ogenblik dat de goederen ophouden gebruikt te worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid. Met materiële vaste activa worden gelijkgesteld, de terreinen en gebouwen die voorkomen onder de actiefpost beleggingen, overeenkomstig de wetgeving betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.

§ 2. De herbelegging moet gebeuren in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.

§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :

1° die verstrijkt na 3 jaar volgend op het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, 1° ;

2° van 3 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarden vermeld in § 1, 2°, zijn verwezenlijkt.

§ 4. Wanneer wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig, verstrijkt voor meerwaarden vermeld in § 1, 1° de herbeleggingstermijn ten vroegste na 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt.
Wanneer wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig, wordt, in afwijking van § 3, 2°, de herbeleggingstermijn gebracht op 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt, of vanaf de eerste dag van het voorlaatste belastbare tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.
In afwijking van § 1 wordt in gevallen als vermeld in het eerste en het tweede lid, de meerwaarde in het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt als winst of baten aangemerkt naar verhouding tot het bedrag van de afschrijvingen op het door herbelegging verkregen goed die op het ogenblik van verwezenlijking van de meerwaarde reeds in aanmerking zijn genomen. § 5. Om het in § 1 vermelde belastingstelsel te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar van de verwezenlijking van de meerwaarde en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de verwezenlijkte meerwaarde volledig belast is, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

§ 6. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in de §§ 2 tot 4 wordt de verwezenlijkte meerwaarde, of het gedeelte ervan dat nog niet is belast, aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.

§ 7. De paragraaf 1 is niet van toepassing indien de meerwaarde is onderworpen aan het in artikel 217, eerste lid, 1°, bedoelde tarief en werd gerealiseerd in het kader van de in hetzelfde artikel bedoelde verrichtingen waaraan een door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap, een Europese langetermijn- beleggingsinstelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennoot- schap deelneemt.
voorzieningen.

Art. 48. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt (1), worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.


(1) art. 22 tot 27, KB/WIB 92. De waardeverminderingen en voorzieningen op schuldvorderingen op de medecontractanten ten gevolge van de vaststelling van een minnelijk akkoord in uitvoering van de artikelen XX.38 of XX.65, met uitzondering van paragraaf 3, tweede lid, of XX.83/30, met uitzondering van paragraaf 3, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht of ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan in uitvoering van de artikelen XX.of XX.83/15 of XX.83/35 van hetzelfde Wetboek, worden vrijgesteld en dit gedurende de belastbare tijdperken tot de volledige tenuitvoerlegging van het minnelijk akkoord of van het plan, of tot de intrekking ervan.

Art. 48/1. De winst die voortvloeit uit de minderwaarden die door de schuldenaar zijn opgetekend op bestanddelen van het passief ten gevolge van de vaststelling van een minnelijk akkoord in uitvoering van de artikelen XX.38 of XX.65, met uitzondering van paragraaf 3, tweede lid, of XX.83/30, met uitzondering van paragraaf 3, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht of ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan in uitvoering van de artikelen XX.of XX.83/15 of XX.83/35 van hetzelfde Wetboek, worden vrijgesteld volgens de nadere toepassingsregels die de Koning vaststelt en dit gedurende de belastbare tijdperken tot de volledige tenuitvoerlegging van het minnelijk akkoord of van het plan, of tot de intrekking ervan.
Het overeenkomstig het eerste lid vrijgestelde bedrag wordt opgenomen in de belastbare grondslag van het derde tot en met het zesde belastbare tijdperk volgend op dat waarin de volledige tenuitvoerlegging van het minnelijk akkoord of van het plan werd bewerkstelligd, of de intrekking ervan plaatsvond, ten belope van een vierde voor elk van deze tijdperken, en uiterlijk van het belastbare tijdperk waarin de stopzetting van de werkzaamheid plaatsvindt voor het eventuele saldo. In voorkomend geval, heeft de gehele of gedeeltelijke herleving van een kwijtgescholden schuld tot gevolg dat het saldo, zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, wordt opgenomen in de belastbare grondslag van het tijdperk waarin de herleving heeft plaatsgevonden.
inkomen.

Art. 49. Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.

Art. 50.

§ 1. De kosten waarvan het bedrag niet is verantwoord, mogen in overleg met de administratie op een vast bedrag worden bepaald. Indien geen akkoord wordt bereikt, taxeert de administratie die kosten op een redelijk bedrag. § 2. De Koning kan, ten aanzien van de categorieën belastingplichtigen die Hij aanwijst, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met inachtneming van de omzet, de ontvangsten of de bezoldigingen, criteria en normen stellen om het hoogste aftrekbare bedrag te bepalen van beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, met name representatiekosten, uitgaven voor onderhouds- produkten, kleine kantoorkosten, bijdragen van sociale aard, kosten voor beroepskledij, linnen en wassen en uitgaven voor tijdschriften zonder faktuur.

Art. 51. Met betrekking tot andere bezoldigingen, winst en baten dan de in de artikelen 25, 7° en 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomsten en vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, winst of baten, worden de beroepskosten, de in artikel 52, 7° en 8°, bedoelde bijdragen en sommen en, wat winst betreft, de aankoopprijs van de verkochte handelsgoederen en van de grondstoffen uitgezonderd, bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percentages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met de voormelde bijdragen en sommen en de voormelde aankoopprijs.
Die percentages bedragen :

1° voor bezoldigingen van werknemers : 30 pct ;

2° voor bezoldigingen van bedrijfsleiders : 3 pct. ;

3° voor bezoldigingen van meewerkende echtgenoten : 5 pct. ;

4° voor baten :
a) 28,7 pct. van de eerste schijf van 3.750 EUR ;
b) 10 pct. van de schijf van 3.750 EUR tot 7.450 EUR ; c) 5 pct. van de schijf van 7.450 EUR tot 12.400 EUR ;
d) 3 pct. van de schijf boven 12.400 EUR ;

5° voor winst : 30 pct.
In geen geval mag het forfait meer bedragen dan 2.950 EUR voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 1° en 5°, noch meer dan 1.555,50 EUR voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 2°, noch meer dan 2.592,50 EUR voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 3° en 4°.

De belastingplichtigen die bij toepassing van artikel 342, § 1, worden belast op grond van forfaitaire grondslagen van aanslag, evenals hun meewerkende echtgenoot voor het aandeel dat hij uit dergelijke forfaitair vastgestelde inkomsten verkrijgt, kunnen geen gebruik maken van het forfait bepaald in het tweede lid, 3°, 4° en 5°.

Art. 52. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66bis worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt :

1° de huur en de huurlasten, evenals de onroerende voorheffing, met inbegrip van de opcentiemen betreffende onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en alle kosten wegens het onderhouden, verwarmen, verlichten daarvan, enz. ;

2° interest van aan derden ontleende en in de onderneming gebruikte kapitalen alsmede alle lasten, renten en soortgelijke uitkeringen betreffende die onderneming ;

3° de bezoldigingen van de personeelsleden en de volgende ermee verband houdende kosten :
a) de wettelijk verschuldigde sociale lasten ; b) de werkgeversbijdragen en -premies, gestort ter uitvoering van :
- een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of overlijden ;
- een collectieve of individuele aanvullende pensioentoe- zegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden ;
- een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid ;
- een collectieve of individuele toezegging die moet worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeids- ongeschiktheid door arbeids- ongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte ;
c) de bijdragen inzake sociale verzekering of voorzorg die in b) niet worden genoemd en die verschuldigd zijn krachtens contractuele verplichtingen ;
d) de bijzondere bijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 38, § 3novies , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; e) de bijzondere bijdragen die verschuldigd zijn krachtens artikel 38, § 3sexdecies, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
f) …

4° de bezoldigingen van de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken ;

5° pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten en als zodanig geldende toelagen die ter uitvoering van een contractuele verbintenis worden toegekend aan gewezen personeelsleden of hun rechtverkrijgenden ;

6° afschrijvingen die betrekking hebben op oprichtingskosten en op immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is ;

7° de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen van het toepassingsgebied van de sociale wetgeving uitsluit ;

7°bis tot de in 7° bedoelde bijdragen behoren inzonderheid de bijdragen als vermeld in artikel 45 van de programmawet van 24 december 2002, met uitzondering van de premies of bijdragen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering rechtstreeks aan een pensioeninstelling worden betaald voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en die ten name van de verkrijger zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, eerste lid, 16° ; 8° de sommen die de belastingplichtige voor zichzelf, voor zijn echtgenoot en voor de gezinsleden te zijnen laste aan een bij koninklijk besluit erkend ziekenfonds bijdraagt in het kader van een aanvullende verzekering voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen die terugbetaalbaar zijn ingevolge de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, doch niet onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van diezelfde gecoördineerde wet tot de zelfstandigen wordt verruimd, tot het bedrag van de tegemoetkoming die ingevolge de voornoemde gecoördineerde wet kan worden verstrekt ;

9° de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen die worden betaald of toegekend met toepassing van hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en van Titel XIII, Enig Hoofdstuk "Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voor-delen voor de autonome overheidsbedrijven" van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) en die daadwerkelijk onderworpen zijn aan de bijzondere bijdrage en de solidariteitsbijdrage die bepaald zijn in artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ;

10° de bijdragen ter verkrijging van een vergoeding bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit ; 11° de door bedrijfsleiders werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor het verkrijgen van aandelen die een fractie van het kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen ; behalve met betrekking tot instellingen als vermeld in artikel 56, worden niet als een derde aangemerkt, de voormelde vennootschap zelf, zomede elke onderneming ten aanzien waarvan die vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt;

12° het saldo van het mobiliteitsbudget dat overeenkomstig artikel 8, § 3, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget ter beschikking wordt gesteld van de werknemer;

13° de in rubriek II.A. "handelsgoederen, grond- en hulpstoffen" van de resultatenrekening, zoals omschreven in artikel 3:90 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, te boeken inkopen van goederen en diensten.

Art. 52bis. De sommen die een belastingplichtige, die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt, werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, worden onder de volgende voorwaarden als beroepskosten aangemerkt :

1° de opvangvoorziening is erkend, vergund of gesubsidieerd door Opgroeien regie, het Office de la naissance et de l'enfance of de Regering van de Duitstalige Gemeenschap ;

2° de sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de in 1° vermelde bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de toepasselijke reglementering van de betreffende gemeenschap ; 3° de sommen worden door de opvang- voorziening gebruikt om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar, die voldoen aan de door de betreffende gemeenschap gestelde voorwaarden, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen ;

4° de sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen ;

5° de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR per in 3° vermelde opvangplaats ;

6° de bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort, een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden vermeld in dit artikel is voldaan en waarin ze zowel het bedrag dat is gebruikt voor het creëren of behouden van in 3° vermelde opvangplaatsen, als het aantal desbetreffende plaatsen opgeeft.

Art. 53. Als beroepskosten worden niet aangemerkt :

1° uitgaven van persoonlijke aard, zoals de huurprijs en de huurlasten van onroerende goederen of gedeelten daarvan die tot woning dienen, de onderhoudskosten van het gezin, de kosten van onderwijs of opvoeding en alle andere uitgaven die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk zijn ; 2° de personenbelasting met inbegrip van de in mindering daarvan gestorte sommen, zomede de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen heeft gedragen tot ontlasting van de verkrijger ;

3° de aanvullende belastingen en de desbetreffende opcentiemen berekend naar de grondslag of het bedrag van de personenbelasting en de onroerende voorheffing, geheven ten voordele van de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten ;

4° de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid ;

5° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de personenbelasting en de voorheffingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing, verhoogd met de opcentiemen, met betrekking tot het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of gedeelten daarvan die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt ;

6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer deze geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting, verbeurd- verklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30, verhogingen van sociale bijdragen, fiscale of sociale regularisatieheffingen, alsook de geld- sommen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering; 7° onverminderd artikel 52, 13°, kosten voor kledij, tenzij het specifieke beroepskledij betreft,
a) die door de reglementering op de arbeidsbescherming of door een collectieve arbeidsovereenkomst als werkkledij wordt opgelegd, of
b) die als bijzondere kledij bij het uitoefenen van de beroepswerk- zaamheid wordt gedragen, daaraan is aangepast en wegens de aard van de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijk is,
in beide gevallen met uitsluiting van kledij die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt of als zodanig dient ;

8° onverminderd artikel 52, 13°, 50 pct. van de beroepsmatig gedane receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken, met uitsluiting evenwel van reclameartikelen die opvallend en blijvend de benaming van de schenkende onderneming dragen ;

8°bis onverminderd artikel 52, 13°, 31 pct. (1) van de beroepsmatig gedane restaurantkosten, met uitsluiting evenwel van restaurantkosten van vertegenwoordigers van de voedingssector waarvan de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn in het kader van een mogelijke of werkelijke relatie van leverancier tot klant ;


(1) 25 pct. overeenkomstig artikel 364, 2°, van de programmawet van 27 december 2004 - BS 31 december 2004, ed. 2 – err. 18 januari 2005 - V 3402 - Bull. 856. De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgelegd besluit, de datum van inwerkingtreding van voormeld artikel 364, 2° (artikel 365, tweede lid - programmawet van 27 december 2004). Het KB dat de inwerkingtreding van voormeld artikel 364, 2° van de programmawet vastlegt, is nog niet getroffen. 9° onverminderd artikel 52, 13°, kosten van allerlei aard met betrekking tot jacht, visvangst, yachten of andere pleziervaartuigen en lusthuizen, behalve indien en in zover de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk zijn, of in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen ;

10° alle kosten in zover deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen ;

11° toekenningen aan derden ter vergoeding voor gedane kosten als vermeld in 7° tot 10°, in zover die kosten zelf niet als beroepskosten worden aangemerkt ;

12° bezoldigingen die de belastingplichtige toekent aan zijn echtgenoot die met hem samenwerkt, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen ;

13° bezoldigingen van de andere gezinsleden van de belastingplichtige in zover zij meer bedragen dan een normale wedde of een normaal loon, gelet op de aard en de duur van de werkelijke prestaties van de verkrijgers ;

14° in artikel 38, § 1, eerste lid, 11° en 25°, bedoelde voordelen met uitzondering van de in voorkomend geval tot 2 euro per elektronische maaltijdcheque beperkte tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques wanneer die tussenkomst voldoet aan de in artikel 38/1 gestelde voorwaarden;
Vanaf 31 december 2025 luidt artikel 53, 14°, volgt : 14° in artikel 38, § 1, eerste lid, 11° en 25°, bedoelde voordelen met uitzondering van de in voorkomend geval tot 2 euro per elektronische maaltijdcheque beperkte tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques wanneer die tussenkomst voldoet aan de in artikel 38/1 gestelde voorwaarden, verhoogd tot 4 euro wanneer die tussenkomst het bedrag bedoeld in artikel 38/1, § 2, eerste lid, 5°, bereikt;

15° verliezen van vennootschappen ten laste genomen door natuurlijke personen, behoudens indien het gaat om bedrijfsleiders die deze tenlasteneming verwezenlijken door de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som voor het behoud van beroepsinkomsten welke die leiders periodiek uit de vennootschap verkrijgen en de aldus betaalde som door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen ;

16° interest als vermeld in artikel 52, 11°, vanaf de datum waarop de bedrijfsleider zijn aandelen vervreemdt of vanaf de datum en in zover de vennootschap het kapitaal terugbetaalt dat door die aandelen is vertegenwoordigd ;

17° de bijdragen die door de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen, het Europees Parlement en de deputatie van de provincie aan hun partij of aan een van de geledingen ervan worden gestort ;

18° onverminderd artikel 52, 11°, de interest van schulden aangegaan door een natuurlijk persoon voor het inschrijven op of het verwerven van aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap ;

19° voor de belastingplichtigen die in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen toekennen, de beroepskosten die eigen zijn aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten ; 20° voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten, de beroepskosten die betrekking hebben op de activiteiten van de echtgenoot met wie wordt meegewerkt.

21° de in artikel 38, § 1, eerste lid, 20°, bedoelde werkgeversbijdragen en -premies ;

22° in de mate waarin zij een maximumbedrag van 1.525 EUR per jaar overschrijden, de in artikel 52, 3°, b, vermelde werkgeversbijdragen en -premies die zijn gestort in uitvoering van in artikel 6 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid bedoelde individuele aanvullende pensioentoezeggingen, gesloten in het voordeel van personen die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen ontvangen ;

23° kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot volledig of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van inkomsten bij arbeidsongeschiktheid en die rechtstreeks door de werkgever of de gewezen werkgever worden uitgekeerd aan personeelsleden of gewezen personeelsleden.

24° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet- toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend aan een persoon :
a) in het kader van een in artikel 246 van het Strafwetboek vermelde openbare omkoping in België of van een in artikel 504bis van hetzelfde Wetboek vermelde private omkoping in België ;
b) in het kader van een in artikel 250 van hetzelfde Wetboek vermelde openbare omkoping van een persoon die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde staat of een internationale publiekrechtelijke organisatie; 25° het deel van de in artikel 67quinquies bedoelde compensatievergoedingen dat voorheen definitief werd vrijgesteld en dat wordt terugbetaald ten gunste van het betrokken gewest;

26° de compenserende toeslag als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die bij toepassing van artikel 27511 in mindering wordt gebracht van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing;

27° …

28° premies voor een rechtsbijstandsverzekering als bedoeld in artikel 14549, § 1.

29° de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen vermeld in artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

30° de taks op de inscheping van een luchtvaartuig vermeld in artikel 160 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

31° onverminderd artikel 52, 13°, de toekenningen aan derden ter vergoeding van de taks als bedoeld in 30°.

32° de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° en 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

33° de huurprijs en toegekende huurvoordelen evenals de uit hoofde van een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op onroerend goed toegekende vergoedingen en voordelen wanneer:
a) de in artikel 307, § 2/2, bedoelde verplichting voor die kosten niet is nageleefd; of 222 b) de huurprijs en toegekende huurvoordelen die betrekking hebben op een onroerend goed waarvan de huurovereenkomst kosteloos is geregistreerd overeenkomstig artikel 161, 12°, a) of b), van het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten of overeenkomstig die bepalingen kosteloos had kunnen worden geregistreerd wanneer het een in België gelegen onroerend goed was geweest, tenzij dat onroerend goed door de belastingplichtige wordt gehuurd met als uitsluitend doel de huisvesting van één of meer werknemers of bedrijfsleiders en, desgevallend, hun gezin ingevolge een wettelijke of contractuele verplichting.

34° de financiële bijdrage bedoeld in artikel 5bis, lid 9, van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren.

Art. 53/1. In afwijking van artikel 53 worden kosten of toekenningen bedoeld in artikel 53, 7° tot 9°, die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten of toekenningen uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld, als beroepskosten aangemerkt.
In afwijking van artikel 53 wordt de in artikel 53, 30°, bedoelde taks die aan derden wordt doorgerekend, als beroepskost aangemerkt mits deze taks uitdrukkelijk en afzonderlijk op de factuur is vermeld. 223

Art. 54.

§ 1. Interesten, in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde vergoedingen, die worden betaald als compensatie voor deze intresten, retributies voor de concessie van het gebruik van uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés en andere dergelijke rechten, of bezoldigingen voor prestaties of diensten, worden niet als beroepskosten aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling dat aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België.

§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.

§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de betaling
zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.

Art. 55. Interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen worden slechts als beroepskosten aangemerkt in zover ze niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met : 1° voor interesten van niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd, andere dan deze betaald aan verbonden vennootschappen in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een in artikel 198, § 4, vijfde lid, bedoelde groep : de door de Nationale Bank van België bekendgemaakte MFI rentevoet voor leningen voor een bedrag tot 1 000 000 euro met variabel tarief en initiële rentebepaling tot een jaar verstrekt aan niet-financiële vennootschappen gesloten in de maand november van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de interesten betrekking hebben, verhoogd met 2,5 pct.;

2° voor andere dan in 1° bedoelde interesten : de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet, rekening houdende met de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, is de in aanmerking te nemen rentevoet:

1° ofwel die welke wordt toegepast op de dag waarop de geleende of in deposito ontvangen sommen inkomsten beginnen op te brengen, met dien verstande dat de verlenging en de stilzwijgende vernieuwing van een overeenkomst na de aanvankelijk gestelde termijn worden gelijkgesteld met het sluiten van een nieuwe overeenkomst ;

2° ofwel wanneer in de overeenkomst een veranderlijke rente of een indexering wordt bedongen, de rentevoet die wordt toegepast op de vervaldag van de inkomsten, of de voeten die eventueel achtereenvolgens zijn toegepast in het tijdvak waarop de inkomsten betrekking hebben, indien en in zover de contractuele bepalingen uitwerking hebben gehad. 225

Art. 56.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 55 wordt geen beperking toegepast voor sommen betaald door de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen evenals door de Nationale Bank van België en het Herdisconterings- en Waarborginstituut.

§ 2. Evenmin wordt enige beperking toegepast op de sommen die zijn betaald :

1° op openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van leningen ;

2° aan een van de volgende instellingen :
a) kredietinstellingen naar Belgisch recht die zijn erkend overeenkomstig de voornoemde wet van 25 april 2014, kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de voornoemde wet van 25 april 2014, gemachtigd zijn om hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kader van het vrij verrichten van diensten, en andere kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die Staat die de Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstelling- en, omzetten, en die niet actief zijn op Belgisch grondgebied ;
b) de Nationale Bank van België ;
c) het Herdisconterings- en Waarborg- instituut ; d) ondernemingen van hypothecaire leningen onderworpen aan het koninklijk besluit nr. van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, zomede hypotheek-ondernemingen onderwor- pen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet of ondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die onder de toepassing vallen van een gelijkaardige wetgeving die van kracht is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ;
e) vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en die erkend zijn overeenkomstig de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, en gelijkaardige ondernemingen onder- worpen aan het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die Staat tot omzetting van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EG van de Raad ;
f) de Europese Investeringsbank ;
g) ... ; h) verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die erkend zijn overeenkomstig de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de voornoemde wet van 13 maart 2016, gemachtigd zijn hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen, ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kader van het vrij verrichten van diensten, en de andere verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepa- lingen van die Staat tot omzetting van de Europese Richtlijnen inzake erkenning van verzekeringsonder- nemingen, en die niet actief zijn op Belgisch grondgebied ;
i) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschap- pijen die onder de wet van 2 april 1962 vallen, zomede die welke onder het Vlaams decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschap- pijen van de Vlaamse overheid vallen ;
j) ... ;
k) ... ;

§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van toepassing op de sommen betaald aan een instelling waarmee de schuldenaar rechtstreeks of onrechtstreeks is verbonden in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van een gelijkaardige bepaling die van kracht is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. 228

Art. 57. De volgende kosten worden slechts als beroepskosten aangenomen wanneer ze worden verantwoord door individuele fiches die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt (1) :


(1) art. 30 tot 33 en 86 tot 95, KB/WIB 92.

1° commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet- toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die voor de verkrijgers al dan niet in België belastbare beroepsinkomsten zijn, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen ;

2° bezoldigingen, pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen, betaald aan personeelsleden, aan gewezen perso- neelsleden of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld ;

3° vaste vergoedingen toegekend aan de leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever;

4° inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°.
Variabele vergoedingen toegekend aan de leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever moeten worden verantwoord door individuele fiches die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing wanneer de er beoogde kosten verbonden zijn aan de leveringen van goederen of diensten verricht door een belastingplichtige gevestigd op het grondgebied van de Gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein, waarvoor overeenkomstig het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of elke andere wettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige, een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld.
In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de Koning een drempel bepalen waaronder de er beoogde beroepskosten per jaar en per leverancier van goederen of dienstverrichter niet moeten worden verantwoord door de opmaak van een individuele fiche. De drempel mag niet meer dan 1 000 euro bedragen.
Elke gegevensverwerking die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met de naleving van het eerste tot het vierde lid is een verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van artikel 6 van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG. Het doel van die gegevensverwerking is verenigbaar met de doeleinden die de fiscale bevoegdheden omschreven in dit Wetboek nastreven. Dit Wetboek vormt de rechtsgrondslag in de zin van artikel 6, lid 3, van de voornoemde Verordening voor de verwerking van de gegevens tijdens de uitoefening van de erin omschreven fiscale bevoegdheden. De uitoefening van die fiscale bevoegdheden vormt in het kader van gegevensverwerking een gewichtige reden van algemeen belang.

Art. 59.

§ 1. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, kunnen slechts als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende perken :

1° ze moeten definitief worden gestort aan een in een lidstaat van de Europese Eco- nomische Ruimte gevestigde verzekerings- onderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoor- zieningen ;

2° de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale brutojaarbezoldiging en moeten worden berekend op basis van de normale duur van een beroepswerkzaamheid ;
Wat de overeenkomsten betreft die geen toezeggingen van het type "vaste prestatie" zijn, worden de daaraan verbonden bovenwettelijke uitkeringen vastgesteld door rekening te houden met de eigenschappen van de overeenkomst, de aan de overeenkomst verbonden verworven reserves en de volgende parameters :
- het verhogingspercentage van de bezoldigingen, indexering inbe- grepen ;
- het percentage van kapitalisatie dat moet worden toegepast op de verworven reserves ;
- het percentage van de deelnemingen in de winst ;

3° de wettelijke en aanvullende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan de normale brutojaarbezoldiging ; 4° de werkgever moet de bewijsstukken overleggen in de vorm en binnen de termijnen die de Koning bepaalt (1) ;


(1) art. 35, KB/WIB 92.

5° de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, moeten zijn verstrekt.
Om na te gaan of de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde begrenzingen in acht genomen zijn, moeten de aldaar bedoelde uitkeringen die in kapitaal worden uitgekeerd, in rente worden omgezet met de gegevens van de door de Koning vastgelegde tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 pct. per jaar te rekenen vanaf hun aanvang, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro. Zo nodig, mogen de gegevens van de tabel worden aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 pct. per jaar te rekenen vanaf hun aanvang.
De uitkeringen die overeenkomen met reeds gepresteerde dienstjaren, kunnen worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies. De dienstjaren die buiten de onderneming werden gepresteerd, worden maximaal slechts ten beloop van 10 daadwerkelijk gepresteerde jaren in aanmerking genomen. Uitkeringen die slaan op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid kunnen eveneens worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies.

§ 2. Een indexering van de renten bedoeld in § 1, eerste lid, 2° en 3°, is toegestaan. § 3. De begrenzingen genoemd in § 1, eerste lid, 2° en 3°, worden enerzijds toegepast op de bijdragen en premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen en, anderzijds op de bijdragen en premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte. Voor de berekening van die begrenzingen worden de in artikel 52, 3°, b, derde streepje, bedoelde bijdragen en premies, gestort ter uitvoering van een solidariteitstoezegging, naar gelang van hun aard, omgedeeld over elk van die categorieën.

§ 4. Voor de werkgeversbijdragen en - premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen, moet de begrenzing tot 80 pct., bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. De uitkeringen op grond van pensioensparen en van andere individuele levensverzekeringscontracten dan die welke worden gesloten ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, worden niet in aanmerking genomen.
De extrawettelijke pensioenen omvatten inzonderheid de pensioenen :
- die met persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, artikel 1453 of artikel 1453/1 zijn gevormd ;
- die met werkgeversbijdragen zijn gevormd ;
- die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte, moet de begrenzing tot de normale bruto jaarbezoldiging worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.
De extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid omvatten inzonderheid :
- de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid die met werkgeversbijdragen zijn gevormd ;
- de uitkeringen die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.

§ 5. De Koning (1) bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :

1° wat onder "normale bruto jaarbezoldiging", "laatste normale bruto jaarbezoldiging" en "normale duur van een beroepswerkzaamheid" in de zin van § 1, eerste lid, 2° en 3°, moet worden verstaan ;

2° de verschillende in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde percentages.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het eerste lid, 2°, genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van


(1) art. 34 en 35, KB/WIB 92. § 6. Voorschotten op prestaties, inpand- gevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, eerste lid, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.
De beperking bedoeld in het eerste lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioen- overeenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.

Art. 60. Pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen worden als beroepskosten aangemerkt onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende grenzen :

1° ze worden toegekend aan personen die vroeger bezoldigingen hebben genoten waarop de wetgeving betreffende de Sociale Zekerheid van de werknemers of van de zelfstandigen is toegepast, of aan de rechtverkrijgenden van die personen;

2° ze bedragen niet meer dan hetgeen door storting van bijdragen als bedoeld in artikel 59 zou zijn verkregen; 3° de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, moeten zijn verstrekt.

Art. 61. Afschrijvingen worden als beroepskosten aangemerkt naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
Onder aanschaffings- of beleggingswaarde wordt verstaan, volgens het geval, de aan- schaffingsprijs, de vervaardigingsprijs, de in- brengwaarde of, met betrekking tot een recht van gebruik van materiële vaste activa waarover de onderneming bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of van opstal beschikt of met betrekking tot een gelijkaardig onroerend recht, het deel van de contractueel bepaalde termijnen dat overeenstemt met het weer samen te stellen kapitaal ter waarde van het goed waarop het contract of de overeenkomst betrekking heeft, met dien verstande dat deze begrippen de betekenis hebben die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.

Art. 62. Het gedeelte van de aanschaffings- of beleggingswaarde dat overeenstemt met het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten of van de onrechtstreekse produktiekosten, en de oprichtingskosten mogen worden afgeschreven, of wel ineens tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt, ofwel bij gelijke fracties zonder onderbreking gespreid over het aantal jaren dat de belastingplichtige bepaalt. 236

Art. 63. Met uitzondering van de investeringen in audiovisuele werken worden de immateriële vaste activa afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen.

Art. 64. De Koning kan (1), bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden, binnen de grenzen en volgens de regels die Hij bepaalt, in een keuzestelsel van degressieve afschrijvingen voorzien.
De Koning bepaalt (1) de vaste activa waarop de degressieve afschrijving van toepassing is.


(1) art. 36 tot 43, KB/WIB 92.
Het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuïteit mag in geen geval meer bedragen dan 40 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde.

Art. 64bis. In de ontwikkelingszones van categorie 1, vermeld in artikel 11 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, kan machtiging verleend worden om, in afwijking van de artikelen 61, eerste lid en 64, gedurende maximaal drie opeenvolgende belastbare tijdperken overeengekomen in het tegemoet-komingscontract, een jaarlijkse afschrijving toe te passen die gelijk is aan tweemaal de normale lineaire afschrijvingsannuïteit op investeringen in materiële vaste activa bestaande uit gebouwen, installaties, machines en uitrusting die zijn aangeschaft of vervaardigd overeenkomstig de in het kader van die wet aangemoedigde verrichting. Dezelfde machtiging kan onder de volgende voorwaarden eveneens verleend worden voor investeringen in materiële vaste activa van dezelfde aard die zijn aangeschaft of vervaardigd overeenkomstig een in het kader van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering aangemoedigde verrichting :

1° de machtiging kan slechts verleend worden aan ondernemingen onderworpen aan de bepalingen van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, van het Wetboek van economisch recht, voor zover ze aan alle in die wet vermelde bepalingen voldoen ;

2° de machtiging kan slechts verleend worden ten voordele van de bedoelde vaste activa waarvoor een investeringstegemoetkoming, een rentetoelage of een kapitaalpremie is toegestaan voor een periode van drie jaar of meer en die nog niet in een of andere vorm versneld worden afgeschreven.
Deze machtigingen worden verleend door de bevoegde Gewestregering of het lid dat erdoor is aangewezen.
Zij worden geregeld in een beslissing tot aanwijzing van de belastbare tijdperken waarvoor de normale lineaire afschrijving mag worden verdubbeld en tot aanwijzing van de bedoelde vaste activa. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen die voor de uitvoering ervan zorgt. 238

Art. 64quater. De afschrijvingen met betrekking tot in nieuwe staat verkregen of tot stand gebrachte vaste laadstations voor elektrische wagens die publiek toegankelijk zijn, zijn aftrekbaar:
- ten belope van 200 pct. voor afschrijvingen met betrekking tot investeringen gedaan in de periode van 1 september 2021 tot 31 maart 2023;
- ten belope van 150 pct. voor afschrijvingen met betrekking tot investeringen gedaan in de periode van 1 april 2023 tot 31 augustus 2024.
De in het eerste lid bedoelde verhoogde aftrek is van toepassing: - slechts wanneer het laadstation lineair over minstens vijf belastbare tijdperken wordt afgeschreven;
- slechts wanneer voor de uitgaven met betrekking tot het laadstation geen aanspraak wordt gemaakt op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;
- ten vroegste vanaf het aanslagjaar verbonden met het belastbaar tijdperk in de loop waarvan het laadstation operationeel en publiek toegankelijk is;
- wat de daaropvolgende aanslagjaren betreft, slechts voor deze verbonden met een belastbaar tijdperk waarvoor gedurende het hele tijdperk aan de in het derde lid bedoelde voorwaarde is voldaan, zonder rekening te houden met ontoegankelijkheden veroorzaakt buiten de wil van de belastingplichtige om;
Voor de toepassing van dit artikel wordt een laadstation als publiek toegankelijk beschouwd wanneer het ten minste gedurende de gangbare openingstijden, dan wel sluitingstijden van de onderneming vrij toegankelijk is voor elke derde.
Enkel laadstations die via een gestandaardiseerd protocol digitaal gekoppeld kunnen worden met een beheerssysteem, met inbegrip van die van derde partijen tegen uiterlijk 1 januari 2023, dat de laadtijd en het laadvermogen van het laadstation kan sturen, dat meldingen over het effectieve laadvermogen en statusmeldingen kan terugsturen, en waarbij deze verbinding vrij ter beschikking wordt gesteld van de gebruikers komen voor deze verhoogde aftrek in aanmerking. Het bovenvermelde gestandaardiseerd protocol moet ofwel van het type OCPP zijn, ofwel een eigen protocol waarvan de beschrijving in de technische documentatie van het laadstation is opgenomen, ofwel van een andere internationale standaard die voor deze connectie ontwikkeld wordt. Het type connectie wordt bij de technische specificaties van het laadstation vermeld. Het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk wordt bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met, naargelang het geval, 100 pct. of 50 pct. te verhogen.
De afschrijvingen die overeenkomstig het vijfde lid worden aanvaard bovenop de aanschaffings- of beleggingswaarde van de in het eerste lid bedoelde laadstations, komen niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden en minderwaarden op die laadstations.

Art. 64ter. Zijn ten belope van 120 pct. aftrekbaar :

1° de kosten, met uitzondering van deze die bestaan uit afschrijvingen, verbonden aan factureringspakketten voor het opstellen, verzenden en ontvangen van elektronische facturen in een gestructureerde vorm die automatische en elektronische verwerking ervan mogelijk maakt in het kader van de verplichtingen opgelegd overeenkomstig de wet van 6 februari 2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft;
Vanaf 1 januari 2028 (en van toepassing vanaf aanslagjaar 2029 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2028), wordt artikel 64ter, eerste lid, 1°, opgeheven.

1° …

2° de volgende kosten die zijn gedaan of gedragen inzake beveiliging :
a) de abonnementskosten voor de aansluiting op een vergunde alarmcentrale voor het beheer van alarmen afkomstig van systemen geïnstalleerd in onroerende goederen teneinde misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of tegen te gaan ; b) de kosten met betrekking tot het beroep doen op een vergunde bewakingsonderneming voor het verrichten van beveiligd vervoer als bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 7 april 2003 houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer ;
c) de kosten met betrekking tot het gezamenlijk beroep doen door een groep van ondernemingen op een vergunde bewakingsonderneming voor de uitvoering van bewakingsopdrachten met betrekking tot het toezicht op en bescherming van roerende en onroerende goederen.




Art. 65. Met betrekking tot de andere dan uitsluitend voor bezoldigd vervoer van personen gebruikte personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de in artikel 62 bedoelde bijkomende kosten evenwel op dezelfde wijze als de aanschaffings- of beleggingswaarde van die voertuigen afgeschreven.

Art. 66.

§ 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts binnen de volgende grenzen aftrekbaar:

1° 40 pct. indien ze een uitstoot hebben van 200 gram CO2 per kilometer of meer of indien geen gegevens met betrekking tot het CO2- uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen; 2° een tarief vastgesteld door toepassing van de volgende formule in alle andere gevallen : 120 pct. - (0,5 pct. * coëfficiënt * aantal gram CO2 per kilometer), waarbij de coëfficiënt wordt vastgesteld op 1 voor voertuigen met enkel een dieselmotor en op 0,95 voor andere voertuigen. Wanneer het voertuig is uitgerust met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen heeft van minder dan 12 fiscale paardenkracht wordt de coëfficiënt verder verlaagd tot 0,90. Het tarief wordt afgerond tot de hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 juli 2023 kan het overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde tarief niet lager zijn dan 50 pct., noch hoger zijn dan 100 pct. en bedraagt het minimum 75 pct. voor de gedane of gedragen beroepskosten met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen.
Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2025 wordt, in afwijking van het eerste lid, de in het eerste lid, 2°, bedoelde formule ook toegepast voor de voertuigen bedoeld in het eerste lid, 1°, en kan het overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde tarief niet hoger zijn dan 75 pct., tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot. Voor de voertuigen waarvan geen gegevens met betrekking tot het CO2-uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen bedraagt het tarief 0 pct. Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e1-bis norm of een latere norm, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2- uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5. Voor de berekening van de energiecapaciteit, wordt het verkregen resultaat afgerond tot de hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
Het overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde tarief kan niet hoger zijn dan 50 pct. voor wat betreft de benzine- of dieselkosten met betrekking tot het gebruik van een vanaf 1 januari 2023 aangekocht, geleased of gehuurd oplaadbaar hybridevoertuig als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid.
In afwijking van het eerste lid zijn de minderwaarden met betrekking tot de in datzelfde lid bedoelde voertuigen slechts als beroepskosten aftrekbaar tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen, voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct., en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken.
De Koning kan bepalen wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid vermelde coëfficiënt van toepassing voor voertuigen uitgerust met een aardgasmotor en met een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale paardenkracht verlagen tot minimum 0,75, en de in het vierde lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht. Het vierde lid is niet van toepassing voor de hybridevoertuigen die worden aangekocht vóór 1 januari 2018.
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot.
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, in welk geval het tarief van de aftrekbaarheid gebracht wordt op:
- 100 pct. indien het een vóór 1 januari 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 95 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2028, luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, in welk geval het tarief van de aftrekbaarheid gebracht wordt op:
- 100 pct. indien het een vóór 1 januari 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 95 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft; - 90 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2029, luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, in welk geval het tarief van de aftrekbaarheid gebracht wordt op:
- 100 pct. indien het een vóór 1 januari 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 95 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 90 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 82,5 pct. indien het een in 2029 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2030, luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, in welk geval het tarief van de aftrekbaarheid gebracht wordt op:
- 100 pct. indien het een vóór 1 januari 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 95 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 90 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft; - 82,5 pct. indien het een in 2029 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 75 pct. indien het een in 2030 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2031, luidt artikel 66, § 1, als volgt :
Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn niet aftrekbaar, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, in welk geval het tarief van de aftrekbaarheid gebracht wordt op:
- 100 pct. indien het een vóór 1 januari 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 95 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 90 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 82,5 pct. indien het een in 2029 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 75 pct. indien het een in 2030 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 67,5 pct. indien het een vanaf 1 januari 2031 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2026, wordt een § 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : § 1/1. In afwijking van paragraaf 1, indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, zijn ook de beroepskosten, met uitsluiting van de brandstofkosten, met betrekking tot het gebruik van de bedoelde voertuigen, aftrekbaar tegen de volgende percentages:
a) met betrekking tot elektriciteitskosten: tegen het in paragraaf 1 bedoelde percentage;
b) wat de andere kosten betreft: tegen het percentage bepaald door de volgende formule:
120 pct.. - (0,5 pct. * gram CO2 per kilometer).
Het overeenkomstig het eerste lid, b), vastgestelde percentage mag niet hoger zijn dan 75 pct. indien het een voertuig betreft dat vóór 1 januari 2028 is gekocht, geleased of gehuurd, tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 bedoelde tarief voor voertuigen die geen CO2 uitstoten.
Vanaf 1 januari 2028, luidt § 1/1 , 2e lid, als volgt :
Het overeenkomstig het eerste lid, b), vastgestelde percentage mag niet hoger zijn dan:
- 75 pct. indien het een voertuig betreft dat vóór 1 januari 2028 is gekocht, geleased of gehuurd, tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 bedoelde tarief voor voertuigen die geen CO2 uitstoten;
- 65 pct. indien het een voertuig betreft dat in 2028 is gekocht, geleased of gehuurd.
Vanaf 1 januari 2029, wordt § 1/1 , 2e lid aangevuld met een streepje, luidend als volgt : - 57,5 pct. indien het een voertuig betreft dat in 2029 is gekocht, geleased of gehuurd.
Vanaf 1 januari 2030, wordt § 1/1 , 2e lid aangevuld met een streepje, luidend als volgt :
- 0 pct. indien het een voertuig betreft dat vanaf 1 januari 2030 is gekocht, geleased of gehuurd.
Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is, gekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 januari 2018, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e1- bis norm of een latere norm, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2- uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.

§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing :
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt de inleidende zin van artikel 66, § 2, als volgt :

§ 2. De paragrafen 1 en 1/1 en artikel 550 zijn niet van toepassing :



1° op voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrijgesteld zijn ;

2° op voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust ;

3° op voertuigen die uitsluitend aan derden worden verhuurd;

4° voor de kosten die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld;

5° voor de kosten met betrekking tot laadstations voor elektrische wagens.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde beroeps- kosten omvatten:

1° de kosten die zijn gedaan met betrekking tot de in paragraaf 2, 1° en 3°, bedoelde voertuigen die toebehoren aan derden en gedaan worden door de eindgebruiker van deze voertuigen;

2° het bedrag van de in dit artikel bedoelde kosten die aan derden worden terugbetaald;

3° de kosten van een voertuig dat ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, met uitzondering van het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig.
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 66, § 3, als volgt :

§ 3. De in de paragrafen 1 en 1/1 en in artikel 550 bedoelde beroepskosten omvatten: 1° de kosten die zijn gedaan met betrekking tot de in paragraaf 2, 1° en 3°, bedoelde voertuigen die toebehoren aan derden en gedaan worden door de eindgebruiker van deze voertuigen;

2° het bedrag van de in dit artikel bedoelde kosten die aan derden worden terugbetaald;

3° de kosten van een voertuig dat ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, met uitzondering van het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig.

§ 4. In afwijking van § 1 worden de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een in die bepaling vermeld voertuig forfaitair op 0,15 EUR per afgelegde kilometer bepaald. Deze afwijking geldt niet voor voertuigen die, overeenkomstig artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen, van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld.
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 66, § 4, als volgt :

§ 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 1/1 en artikel 550 worden de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een in die bepalingen bedoeld voertuig forfaitair op 0,15 euro per afgelegde kilometer bepaald. Deze afwijking geldt niet voor voertuigen die, overeenkomstig artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld, noch voor voertuigen waarvan de beroepskosten overeenkomstig paragraaf 1 niet aftrekbaar zijn. ----------

§ 5. Het in § 4 vermelde forfaitair bedrag mag uitsluitend worden toegekend aan de belastingplichtige indien het betrokken voertuig :

1° hetzij zijn eigendom is ;

2° hetzij op zijn naam is ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen ;

3° hetzij door een huur- of leasing- overeenkomst bestendig of gewoonlijk te zijner beschikking is ;

4° hetzij aan zijn werkgever of vennootschap toebehoort en het eventueel voordeel voort- spruitend uit het gebruik van dat voertuig op zijn naam wordt belast.
In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, mag dat forfait worden toegekend aan de echtgenoot of aan een kind van de belasting- plichtige indien die echtgenoot of dat kind het voertuig gebruikt voor de in § 4 vermelde verplaatsing, met dien verstande evenwel dat het forfait slechts aan één enkele belastingplichtige mag worden toegekend voor het gezamenlijk afgelegde traject.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 4°, mag dat forfait nooit meer bedragen dan het eventueel voordeel voortspruitend uit het gebruik van dat voertuig dat op naam van de belastingplichtige wordt belast, desgevallend verhoogd met de bijdrage bedoeld in artikel 36, § 2, laatste lid.
Vanaf 1 januari 2030, wordt artikel 66, aangevuld met een § 6, luidend als volgt :

§ 6. De kosten met betrekking tot vanaf 1 januari 2030 aangekochte, geleasede of gehuurde laadstations voor elektrische wagens zijn slechts ten belope van 75 pct. aftrekbaar.



252

Art. 66bis. De beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die anders dan met een in artikel 66, § 5, vermeld voertuig wordt gedaan, worden, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op 0,15 EUR per afgelegde kilometer zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 25 kilometer mag zijn.
De Koning kan (1), bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de grens van 25 (2) kilometer verhogen.
In afwijking van het eerste lid worden beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die per rijwiel of per speed pedelec als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, wordt gedaan, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op 0,177 euro per afgelegde kilometer.


(1) art. 431, KB/WIB 92.
(2) Vanaf aanslagjaar 2003 : 50 kilometer (art. 1, KB van 22.08.2002 – BS 05.09.2002 – V 3077 – Bull. 830) ;
(2) Vanaf aanslagjaar 2006 : 75 kilometer (art. 1, A, KB van 12.05.2004 – BS 27.05.2004, ed. 2 – V 3336 – Bull. 849) ; (2) Vanaf aanslagjaar 2007 : 100 kilometer (art. 1, B, KB van 12.05.2004 – BS 27.05.2004, ed. 2 – V 3336 – Bull. 849) ;
De Koning wijzigt, in voorkomend geval, het in het derde lid vermelde bedrag zodat het na toepassing van artikel 178 gelijk is aan 0,35 euro voor de kosten met betrekking tot de in 2024 gemaakte verplaatsingen. Onverminderd de toepassing van artikel 178 blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing voor de kosten met betrekking tot de verplaatsingen die vanaf 1 januari 2024 worden gemaakt.

1° Uitvoer - Integrale kwaliteitszorg



Vanaf aanslagjaar 2027, wordt het

1° …



Art. 67.

§ 1. Winst wordt vrijgesteld tot een bedrag van 10.000 EUR per bijkomende uiterlijk op 31 augustus 2025 aangeworven personeelseenheid die in België voltijds in een onderneming wordt tewerkgesteld voor :

1° …

2° …

3° een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer ;

4° een betrekking van diensthoofd van de

§ 2. Winst wordt eveneens vrijgesteld tot een bedrag van 10.000 EUR in geval van tewerkstelling uiterlijk op 31 augustus 2025 voor een in § 1, 3° en 4°, vermelde betrekking van een personeelslid dat reeds voltijds de betrekking van diensthoofd in de onderneming uitoefende, op voorwaarde dat die onderneming zich ertoe verplicht uiterlijk binnen 30 dagen die volgen op de nieuwe tewerkstelling van het personeelslid, een nieuwe voltijdse werknemer aan te werven om de vrijgekomen betrekking in te nemen.

§ 3 …

§ 4. Wanneer een personeelslid niet meer voor het in § 1 bepaalde doel wordt tewerkgesteld, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag. § 5. De Koning (1) regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.


(1) art. 44 tot 46, KB/WIB 92.

§ 6. Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning de in de §§ 1 en 2 vermelde bedragen verhogen.



Vanaf aanslagjaar 2027, wordt artikel 67 opgeheven.

1°bis …

Art. 67quater. Winsten en baten worden van belasting vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag aan bezoldigingen toegekend tot en met 30 september 2025 aan werknemers die bij de betrokken belastingplichtige minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014. Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt drie weken bezoldiging, vanaf het zesde door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014 tot uiterlijk 31 augustus 2025.
Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.
De Koning (1) kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer invoeren met betrekking tot de bezoldiging als bedoeld in het tweede lid waarop de vrijstelling wordt berekend.


(1) art. 46ter, KB/WIB 92.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd.
Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd met drie en gedeeld door dertien. Wanneer de betrokken werknemer de onderneming verlaat, moet het totale voor deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die werknemer niet meer vrijgesteld worden.
Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden
De Koning (1) regelt de wijze van uitvoering van dit artikel


(1) art. 46quater, KB/WIB 92.

1°quinquies Compensatievergoedingen

Art. 67quinquies. De inkomenscompensatievergoedingen die door de gewesten overeenkomstig de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, of overeenkomstig andere gewestelijke regelgeving, worden toegekend aan ondernemingen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, worden vrijgesteld.

1°sexies Vrijstelling voor toekomstige verliezen

Art. 67sexies.

§ 1. De winst en baten van het belastbare tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar 2020 kunnen geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021. Het maximumbedrag van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling is gelijk aan het bruto bedrag van de winst of baten van Belgische oorsprong die in het belastbare tijdperk werden behaald of verkregen, de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten en de in artikel 27, tweede lid, 5° en 6°, vermelde inkomsten uitgezonderd, verminderd met de beroepskosten die op die inkomsten betrekking hebben.

§ 2. De belastingplichtige vraagt de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling aan in een formulier waarvan de vorm en de inhoud evenals de termijn waarbinnen het moet worden ingediend door de Koning worden bepaald. De aanvraag omvat onder meer de verantwoording van het bedrag van de gevraagde vrijstelling. De aanvraag is definitief en onherroepelijk.

§ 3. De belastingplichtige die de in dit artikel beoogde vrijstelling aanvraagt, verbindt er zich toe voor om voor het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2021 geen gebruik te maken van de forfaitaire grondslagen van aanslag als bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid. Deze verbintenis wordt opgenomen in het in de tweede paragraaf bedoelde formulier.

§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.

2° Investeringsaftrek.

Art. 67ter.

§ 1. Winst en baten van belastingplichtigen die op 31 december 1997 of aan het einde van het jaar waarin de uitoefening van hun beroep is aangevangen, als die op een latere datum is begonnen, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, tewerkstellen, worden tot en met aanslagjaar 2025 vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 3.720 EUR per uiterlijk op 31 december 2024 in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan 90,32 of 11,88 EUR. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit bedrag van het bruto dag- of uurloon verhogen tot 100 of 13 EUR.

§ 2. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, te vergelijken met dat van het voorgaande kalenderjaar of, voor natuurlijke personen die niet per kalenderjaar boekhouden en hun boekjaar vóór 31 december afsluiten, door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige van het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, te vergelijken met dat van het voorgaande kalenderjaar.
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 5. § 3. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens § 1 vrijgestelde winst of baten echter verminderd met 3.720 EUR per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 2, tweede lid.

§ 4. …

§ 5. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Vanaf aanslagjaar 2027, wordt artikel 67ter, opgeheven.

1°quater Sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut

Art. 68. Winst en baten worden vrijgesteld tot een
van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Deze vrijstelling wordt "investeringsaftrek" genoemd. Wanneer evenwel in de aanschaffingswaarde of beleggingswaarde van de vaste activa die in nieuwe staat tot stand worden gebracht, bezoldigingen zijn begrepen, waarvan de werkgever in toepassing van titel 6, hoofdstuk 1,
van de bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist heeft gestort, mag deze niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing niet in de berekeningsbasis van de investeringsaftrek worden opgenomen.

Art. 69.



De investeringsaftrek komt in mindering van de winst of de baten van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht en kent volgende aftrekcategorieën:

1° de basisaftrek van 10 pct.;

2° de verhoogde thematische aftrek van 40 pct.;

3° de technologie-aftrek van 13,5 pct.
De belastingplichtige kan voor éénzelfde vast actief slechts één aftrekcategorie kiezen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde basisaftrek wordt verhoogd met 10 percentpunten indien het digitale vaste activa betreft.

Art. 69/1.

§ 1. De verhoogde thematische aftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2°, kent volgende thema's waarbinnen de investeringen moeten gebeuren:

1° investering in efficiënt energieverbruik en hernieuwbare energie;

2° investering in koolstofemissievrij vervoer;

3° milieuvriendelijke investering; 4° ondersteunende digitale investering.
De verhoogde thematische aftrek kan niet worden toegepast door ondernemingen in moeilijkheden of door een onderneming waarvoor een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

§ 2. De aftrek voor investeringen in efficiënt energieverbruik en hernieuwbare energie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, betreffen aanschaffingen van vaste activa voor de productie van hernieuwbare energie en het efficiënt verbruik van energie.
De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het energiebeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de Overleggroep Staat-Gewesten voor de energie ingericht door het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991 tussen de Staat, het Waals gewest, het Vlaams gewest en het Brussels gewest betreffende de coördinatie van de activiteiten verbonden aan Energie. Deze lijst wordt de "energie-investeringslijst" genoemd.
Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
Indien de in het tweede lid bedoelde overleggroep geen advies overmaakt binnen de drie maanden, wordt door de minister van Financiën een adviesvraag gesteld aan de verschillende ministers van Energie in België afzonderlijk, met een antwoordtermijn van één maand.
Indien in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers van Energie geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan zonder hun advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de energie- investeringslijst. De energie-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de energie-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen.

§ 3. De aftrek voor investeringen in koolstofemissievrij vervoer bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, betreffen aanschaffingen van vaste activa voor vervoersmiddelen die geen CO2 uitstoten.
De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het transportbeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies gevraagd aan de minister bevoegd voor Mobiliteit. Deze lijst wordt de "vervoer-investeringslijst" genoemd.
Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
Indien de minister bevoegd voor Mobiliteit geen antwoord op de adviesvraag geeft binnen de drie maanden, kan, in afwijking van het tweede lid, zonder voorafgaandelijk advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de vervoer-investeringslijst.
De vervoer-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de vervoer-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen. § 4. De aftrek voor milieuvriendelijke investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, betreft aanschaffingen van vaste activa die een gunstige milieu-impact hebben buiten de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde specifieke gevallen.
De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het milieubeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de bij samenwerkingsakkoord opgerichte thematische overleggroepen binnen de bevoegdheden Leefmilieu en Omgeving, of van de Interministeriële conferentie leefmilieu opgericht overeenkomstig artikel 31bis van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Deze lijst wordt de "milieu- investeringslijst" genoemd.
Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
Indien de in het tweede lid bedoelde overleggroepen geen advies overmaken binnen de drie maanden, wordt opnieuw een adviesvraag gesteld aan de verschillende ministers bevoegd voor Leefmilieu afzonderlijk, met een antwoordtermijn van één maand.
Indien, in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan zonder hun advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de milieu- investeringslijst.
De milieu-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de milieu-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen. § 5. De investeringsaftrek voor ondersteunende digitale investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, betreft aanschaffingen van digitale vaste activa ter ondersteuning van de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 3° bedoelde investeringen.
De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt, in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de minister bevoegd voor Digitalisering. Deze lijst wordt de "investeringslijst voor digitale ondersteuning" genoemd.
Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
Indien de minister bevoegd voor Digitalisering geen antwoord op de adviesvraag geeft binnen de drie maanden, kan, in afwijking van het tweede lid, zonder voorafgaandelijk advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de investeringslijst voor digitale ondersteuning.
De investeringslijst voor digitale ondersteuning, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de investeringslijst voor digitale ondersteuning éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen.

Art. 69/2. De technologieaftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 3°, wordt toegekend voor:

1° octrooien; 2° vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu van bestaande producten en technologieën zoveel mogelijk te beperken.

Art. 69/3.

§ 1. Om te kunnen genieten van de in artikel 69/1, § 1, bedoelde investeringsaftrek moet de belastingplichtige een attest bij de aangifte voegen van het door dit artikel aangewezen gewest of de door dit artikel aangewezen federale minister.

§ 2. De overheid die instaat voor de attestering van het vast actief opgenomen in de energie-investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 2, en de milieu-investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 4, is deze die door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen als bevoegd wordt aangewezen.
Voor vaste activa opgenomen op de lijsten bedoeld in artikel 69/1 in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid, staat de federale overheid in.
Voor vaste activa opgenomen in de vervoer- investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 3, staat de federale overheid in.
Voor vaste activa opgenomen in de investeringslijst voor digitale ondersteuning bedoeld in artikel 69/1, § 5, staat de federale overheid in.

§ 3. De minister die instaat voor de attestering van de investeringen die door paragraaf 2 toegewezen is aan de federale overheid is:
- voor de investeringen op de energie- investeringslijst: de minister van Energie;
- voor de investeringen op de vervoer- investeringslijst: de minister van Mobiliteit; - voor de investeringen op de milieu- investeringslijst: de minister van Leefmilieu;
- voor de investeringen op de investeringslijst voor digitale ondersteuning: de minister van Digitalisering.
De materieel bevoegde minister of instantie voor investeringen die door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen toegewezen zijn aan de gewesten, wordt bepaald in een samenwerkingsakkoord.
De in artikel 69/1 bedoelde investeringsaftrek wordt niet verleend indien de investering onredelijke schade voor het leefmilieu met zich meebrengt of als er geen conformiteit is met een investering op de respectievelijke lijst.

§ 4. Er wordt een attest uitgereikt door de bevoegde overheid waarin wordt gemotiveerd waarom aan de specificaties vermeld in de lijsten bedoeld in artikel 69/1 is voldaan. Bij gebrek aan een motivering waaruit blijkt dat de investering aan deze specificaties werd getoetst, is het attest niet tegenstelbaar aan de administratie, tenzij de belastingplichtige alsnog aantoont dat aan de specificaties is voldaan.
Onverminderd de gebruikelijke rechtsmiddelen, heeft de verwerping van de attestering de weigering van de investeringsaftrek tot gevolg.

§ 5. De conformiteit van het vast actief met de lijsten bedoeld in artikel 69/1 wordt beoordeeld op basis van de lijst die van kracht is op het moment van de indiening van de aanvraag van de attestering.

Art. 70. De belastingplichtigen kunnen desgewenst de investeringsaftrek spreiden over de afschrijvingsperiode van de verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, wanneer de over de afschrijvingsperiode van de vaste activa te spreiden investeringsaftrek betrekking heeft op de vaste activa bedoeld in artikel 69/2, 2°, 267 In dat geval wordt de aftrek eenvormig vastgesteld op 20,5 pct. en wordt hij berekend op de afschrijvingen die voor elk belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode worden aangenomen.



Art. 71. Indien bij de overdracht of bij de buitengebruikstelling van een vast activum het totaal van de overeenkomstig artikel 70 verrichte aftrekken lager is dan de aftrek die had kunnen worden toegepast overeenkomstig artikel 69, zoals het van toepassing was voor het belastbaar tijdperk waarin de betrokken vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht, wordt een aanvullende aftrek tot het bedrag van dat verschil verleend.

Art. 72. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst of baten oplevert om de investeringsaftrek te kunnen verrichten, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst of baten van de volgende belastbare tijdperken.

Art. 73. De investeringsaftrek komt niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden op de vaste activa waarvoor hij is verleend. 268

Art. 73/1. art. 73/1 in - op 01.01.2019 en zijn van toepassing vanaf aj. 2020
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten
vroegste aanvangt op 01.01.2019 (art. 86, B1) en 7e lid (invoeging)
Elke wijziging die vanaf 26.07.2017 aan de
afsluitingsdatum van het boekjaar wordt
aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de
toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde
bepalingen (art. 86, D)
- op 01.05.2019 (art. 119, § 1, 1e lid)
- op de inkomsten die zijn behaald of verkregen vanaf (wijziging)
01.01.2018 (art. 21, 1e lid)
- op 01.05.2019 en is van toepassing op de indiening
van de aangiftes in de personenbelasting die ten
vroegste betrekking hebben op het aj. 2019 (art. 21,
3e lid)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
inleidende zin - Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december
2020. (art. 11, 1e lid)

Art. 74. Geen investeringsaftrek wordt verleend wanneer de winst of de baten worden bepaald volgens forfaitaire grondslagen van aanslagen waarin de afschrijvingen forfaitair zijn opgenomen, behalve indien het vaste activa betreft als vermeld in artikel 69, eerste lid, 2° en 3°, waarvoor van overheidswege geen financiële steun tot aanmoediging van energiebesparing is verleend.

Art. 75. De investeringsaftrek is evenmin van toepassing op :

1° vaste activa die niet uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt ;

2° vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen ;

3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon of aan een vennootschap, die zelf aan de voorwaarden, criteria en grenzen voor de toepassing van de investeringsaftrek tegen eenzelfde of een hoger percentage voldoet, die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt ;

4° vaste activa die niet afschrijfbaar zijn en vaste activa waarvan de afschrijving over minder dan 3 belastbare tijdperken is gespreid ; 5° personenauto's en auto's voor dubbel gebruik zoals deze omschreven zijn in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen, daaronder niet begrepen :
a) voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrijgesteld zijn ;
b) voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust ;

6° bij de aankoopprijs komende kosten en onrechtstreekse productiekosten wanneer die kosten niet samen met de vaste activa waarop zij betrekking hebben worden afgeschreven.

7° voor wat betreft de in artikel 69, eerste lid, 1°, bedoelde basisaftrek, vaste activa gebaseerd op of die gebruik maken van voor het milieu en klimaat schadelijke stoffen, met uitzondering van de vaste activa waarvoor er geen economisch vergelijkbaar koolstofemissievrij alternatief is.
De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt, in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad welke investeringen onder de in het eerste lid, 7°, bedoelde uitsluiting vallen op basis van de noodwendigheden van de markt, de stand van de technologie en de rentabiliteit voor de investeerder in een te actualiseren lijst. Deze lijst wordt de "klimaat- en milieu-uitsluitingslijst" genoemd. De klimaat- en milieu-uitsluitingslijst wordt opgemaakt of gewijzigd na voorafgaandelijk advies gevraagd door de minister van Financiën aan de bij samenwerkingsakkoord opgerichte thematische overleggroepen of, bij gebrek daaraan, aan de interministeriële conferentie in de zin van artikel 31bis van de gewone wet tot hervorming instellingen van 9 augustus 1980 binnen de bevoegdheden energie en omgeving, en aan de minister bevoegd voor Mobiliteit.
Indien de in het derde lid aangeduide overleggroepen en minister geen advies overmaken binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën wordt de adviesvraag opnieuw gesteld aan de verschillende ministers van Leefmilieu en Energie in België, net als aan de minister bevoegd voor Mobiliteit, met een antwoordtermijn van een maand.
Indien, in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan de Ministerraad zonder hun advies overgaan tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de klimaat- en milieu- uitsluitingslijst.

Art. 76. De uitsluiting ingevolge artikel 75, 3°, is niet van toepassing op audiovisuele werken waarvan de distributierechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk worden overgedragen aan derden voor het uitzenden van deze werken in het buitenland.
Onder de in het vorige lid vermelde audiovisuele werken worden verstaan werken die als Belgisch worden erkend en voldoen aan de vereisten gesteld bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1963 tot hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid en waarvan de rechten door hun eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt en die beantwoorden aan de volgende criteria : - een dramatische film, fictie- of animatiefilm, of een documentaire filmcreatie zijn, met uitsluiting van filmjournaals en reclamefilms ;
- ten minste 60 minuten duren in een enkele projectie of door de samenvoeging van de projectietijden van een reeks episodes die samen een homogeen werk vormen.

Art. 77. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad :
- de aard van de activa die in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek bedoeld in artikel 69, derde lid;
- de kenmerken waaraan de in het eerste streepje beoogde activa moeten voldoen om recht te geven op de verhoogde aftrek bedoeld in artikel 69, derde lid.
De Koning kan in de in artikel 69/1, §§ 2 tot 5 bedoelde lijsten een maximumbedrag inschrijven voor één of meerdere specifieke vaste activa die in aanmerking komen voor de verhoogde thematische aftrek.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de in de artikelen 69/1, §§ 2 tot 5, en 75 bedoelde lijsten en hun eventuele éénmalige verlenging met inbegrip van de in het tweede lid bedoelde maximumbedragen, en van de in uitvoering van het eerste lid, eerste streepje, genomen besluiten. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de lijsten en besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad. De Koning bepaalt (1) de wijze waarop de investeringsaftrek moet worden toegepast, de verplichtingen die de belastingplichtigen moeten naleven om recht te hebben op het voordeel ervan, alsmede de kenmerken waaraan de octrooien en de vaste activa moeten voldoen om recht te geven op de aftrekken bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2° en 3°.


(1) art. 6 tot 10 en 47 tot 49bis, KB/WIB 92.
De Koning bepaalt de aanvraagprocedure, de vorm en inhoud van het in artikel 69/3 bedoelde attest dat de bevoegde ministers moeten afleveren.

Art. 78.

§ 1. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de beroepsinkomsten van elk volgend belastbare tijdperk afgetrokken.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en werd geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld protocol werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige en tot het bedrag van deze schade die door het Gewest binnen de grenzen van artikel 25 van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De Koning kan, na raadpleging van de Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid, op nadere wijze het tijdstip omschrijven waarop de schade definitief is vastgesteld.
De in het eerste lid omschreven achterwaartse verliesaftrek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grondgebied van een gewest dat met de federale overheid een in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt protocol heeft gesloten op grond van artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van Landbouw en Visserij, met het oog op de uitwisseling van informatie die nodig is voor de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van de voormelde verordening (EU) Nr. 702/2014.
Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de belastingplichtige :
- een middelgrote onderneming is; en
- een onderneming uitbaat die de productie van landbouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; - geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik dat de schade werd geleden; en
- geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.
Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstandigheden de weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van de voormelde verordening (EU) Nr. 702/2014, die formeel door een gewest als ramp worden erkend en waarvan die erkenning in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Natuurrampen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van diezelfde verordening, kunnen voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 206, § 4, evenwel niet aangemerkt worden als ongunstige weersomstandigheden.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan de hand van een formulier, waarvan het model door de Koning wordt vastgelegd en dat uitwerking heeft op de gevestigde aanslagen die betrekking hebben op de drie belastbare tijdperken die voorafgaan aan het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning bepaalt de indieningsmodaliteiten van dit formulier. 275

Art. 79. Beroepsverliezen worden niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voor- delen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrecht- streeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

Art. 80. Beroepsverliezen van vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 29, met uitzondering van de Europese economische samenwerkingsverbanden en de vennootschappen onder firma bedoeld in artikel 29, § 2, 4°, worden niet afgetrokken van de beroepsinkomsten van de vennoten of leden van die vennootschappen en verenigingen, tenzij en in zover die vennoten of leden winst of baten hebben en de daarop aan te rekenen beroepsverliezen uit een beroepswerkzaamheid van dezelfde aard voortspruiten of tenzij de vennoten of leden bewijzen dat die beroepsverliezen voortspruiten uit verrichtingen die beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
D - ...
Art. 81 - 85 ... een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot.

Art. 83/4. artikel 83/4 van het Wetboek der successierechten geeft de minister van Financiën een bindend advies over :

1° la question de savoir si les œuvres d’art offertes appartiennent au patrimoine culturel mobilier du pays ou sont de renommée international ;

1° de vraag of de aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationale faam genieten ;

2° la recevabilité de la donation ; 2° de ontvankelijkheid van de schenking ;

3° la valeur en argent de l’œuvre d’art offerte. 3° de geldwaarde van het aangeboden
kunstwerk.
Les frais de l’évaluation sont avancés par le contribuable.
De kosten van de schatting worden voorgeschoten door de belastingplichtige.
La reconnaissance par le ministre des Finances et la valeur fixée en argent, visées à l’alinéa 1er, sont valables pour une période de six mois prenant cours à partir de la notification, par envoi recommandée, au contribuable de cette reconnaissance et de cette valeur en argent.
De erkenning door de minister van Financiën en de vastgestelde geldwaarde bedoeld in het eerste lid, gelden voor een termijn van zes maanden vanaf de kennisgeving van die erkenning en die geldwaarde, bij aangetekende zending, aan de belastingplichtige.
kosten van de schatting van het sont remboursés au contribuable dès que celui-ci a
kunstwerk worden aan de belastingplichtige apporté la preuve que la donation a été effectuée
terugbetaald zodra hij het bewijs heeft geleverd dat dans le délai fixé à l’alinéa précédent.
de schenking binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn is verricht.
Le Roi définit les modalités de l’avance et du remboursement des frais d’évaluation.
De Koning stelt de nadere regels vast betreffende het voorschot en de terugbetaling van de schattingskosten.

§ 5. Le délégué désigné par le ministre des Finances fait chaque année rapport à ce même ministre pour les institutions agréées au cours de l'année qui précède, dans le cadre de la délégation.

§ 5. De door de minister van Financiën aangewezen afgevaardigde brengt jaarlijks, in het raam van de delegatie, verslag uit bij die minister over de instellingen die tijdens het voorafgaande jaar zijn erkend.
Sous-section IIquinquedecies - ...
Onderafdeling IIquinquedecies - ...
Art. 14534 Art. 14534
... ...
Sous-section IIsexdecies - Réduction d’impôts pour garde d’enfant
Onderafdeling IIsexdecies - Belastingvermindering voor kinderoppas
Art. 14535 Art. 14535
Il est accordé une réduction d’impôt pour les dépenses qui sont effectivement payées ou attribuées pendant la période imposable et qui sont engagées pour la garde d’un ou plusieurs enfants :
Er wordt een belastingvermindering verleend voor de in het belastbaar tijdperk werkelijk betaalde uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen :
- soit à charge du contribuable ; - ofwel ten laste van de belastingplichtige ;
- soit pour qui la moitié des suppléments à la quotité du revenu exemptée d’impôt visée à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 5°, est attribuée au contribuable en application de l’article 132bis.
- ofwel voor wie aan de belastingplichtige bij toepassing van artikel 132bis, de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, wordt toegekend.
La réduction d’impôt est accordée aux conditions suivantes :
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
de uitgaven hebben betrekking op het garde d’enfant dans l’Espace économique
vergoeden van kinderoppas in de Europese européen en dehors des heures normales de
Economische Ruimte buiten de normale classe durant lesquelles l’enfant suit
lesuren tijdens dewelke het kind onderwijs l’enseignement, et doivent être effectuées
volgt en moeten gedaan zijn voor kinderen pour les enfants qui n’ont pas atteint l’âge
die de leeftijd van veertien jaar niet hebben de quatorze ans ;
bereikt ;

2° le contribuable perçoit des revenus
professionnels ;

2° de belastingplichtige verkrijgt beroeps-
inkomsten ;

3° les dépenses sont payées : 3° de uitgaven zijn betaald :
a) soit à des institutions ou à des milieux d’accueil qui sont autorisés, agréés, subsidiés ou contrôlés ou auxquels un label de qualité a été accordé :
a) ofwel aan instellingen of opvang- voorzieningen die worden vergund, erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd of waaraan een kwaliteitslabel werd toegekend:
- par l’Office de la Naissance et de l’Enfance, par "Opgroeien regie" ou par le gouvernement de la Communauté germanophone ;
- door Opgroeien regie, door het “Office de la Naissance et de l’Enfance” of door de regering van de Duitstalige Gemeen- schap ;
- ou par les pouvoirs publics locaux, communautaires, autres que ceux visés au premier tiret, ou régionaux ;
- of door de lokale openbare besturen of openbare besturen van de gemeenschappen, andere dan de in het eerste streepje vermelde besturen, of van de gewesten ;
- ou par des institutions publiques étrangères établies dans un autre État membre de l’Espace économique européen ;
- of door buitenlandse openbare instellingen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ;
b) soit à des familles d’accueil indépendantes ou à des crèches, placées sous la surveillance des institutions visées au a, premier ou troisième tiret ;
b) ofwel aan kinderdagverblijven of zelfstandige opvanggezinnen die onder toezicht staan van de in a, eerste of derde streepje, vermelde instellingen ;
c) soit à des écoles établies dans l’Espace économique européen ou à des institutions ou des milieux d’accueil qui ont un lien avec l’école ou son pouvoir organisateur ;
c) ofwel aan scholen gevestigd in de Europese Economische Ruimte of aan instellingen of opvangvoorzieningen die verbonden zijn met de school of de inrichtende macht;
d) ofwel aan organisaties gevestigd in de Europese Economische Ruimte die thuisopvang voor zieke kinderen door professionele oppassers organiseren of aan zelfstandige oppassers die een ziek kind oppassen in het kader van hun beroepsactiviteit die ze uitoefenen in de Europese Economische Ruimte.

4° les dépenses sont justifiées par l'attestation que les organismes visés au 3° et qui sont établis sur le territoire belge sont tenus de délivrer au contribuable qui les a effectuées. Le modèle de cette attestation est déterminé par le Roi.

4° de uitgaven worden gerechtvaardigd door het attest dat de in 3° bedoelde instanties en die gevestigd zijn op het Belgische grondgebied verplicht zijn af te leveren aan de belastingplichtige die ze heeft gedaan. Het model van dit attest wordt bepaald door de Koning.
Par dérogation à l’alinéa 2, 1°, il est également accordé une réduction d’impôt pour les dépenses pour gardes d’enfants avec un handicap lourd qui n’ont pas atteint l’âge de vingt et un ans aux mêmes conditions.
In afwijking van het tweede lid, 1°, wordt de vermindering eveneens verleend voor de uitgaven gedaan voor de opvang van kinderen met een zware handicap die de leeftijd van éénentwintig jaar niet hebben bereikt, en dit onder dezelfde voorwaarden.
Pour l’application du présent article, on entend par “enfant avec un handicap lourd”, l’enfant qui est bénéficiaire d’allocations familiales majorées sur base d’un des critères suivants :
Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder “kind met zware handicap” verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van een van de volgende criteria :

1° soit, plus de 80 p.c. d’incapacité physique ou mentale avec 7 à 9 points de degré d’autonomie, mesuré à l’aide du guide annexé à l’arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l’article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales ;

1° ofwel, meer dan 80 pct. lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid met 7 tot 9 punten van de graad van zelfstandigheid gemeten aan de hand van de gids gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van

Art. 86. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd ten laste van twee echtgenoten, mag een deel van de winst of de baten van de activiteit van een van hen, als meewerkinkomen worden toegekend aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot die de andere echtgenoot in het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt, voorzover de meewerkende echtgenoot uit hoofde van een afzonderlijke werkzaamheid tijdens het belastbare tijdperk zelf niet meer dan 8.700 EUR aan beroepsinkomsten heeft verkregen.
Dat deel moet overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mag niet hoger zijn dan 30 pct. van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel.

Art. 87. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, wordt een deel daarvan toegerekend aan de andere echtgenoot, behalve wanneer daardoor de belasting Staat verhoogd met de belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, voor beide echtgenoten samen genomen wordt verhoogd.
Dat deel bedraagt 30 pct. van die inkomsten, doch mag niet hoger zijn dan 6.700 EUR. 277

Art. 88. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de beroepsinkomsten van één echtgenoot minder bedragen dan 30 pct. van het totale bedrag van de beroepsinkomsten van beide echtgenoten, wordt hem van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot een zodanig deel toegerekend dat de som van zijn eigen beroepsinkomsten en het toegerekend deel 30 pct. van dat totale bedrag bereikt, doch niet hoger is dan 6.700 EUR.
Deze bepaling wordt niet toegepast wanneer daardoor de belasting Staat verhoogd met de belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, voor beide echtgenoten samengenomen wordt verhoogd.

Art. 89. Voor het toekennen en het toerekenen van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot, worden de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten beschouwing gelaten.
Wanneer de beroepsinkomsten van een van de echtgenoten vallen onder twee of meer in artikel 23 bedoelde categorieën en een deel van die beroepsinkomsten wordt toegekend of toegerekend aan de andere echtgenoot, wordt dat deel evenredig samengesteld uit beroepsinkomsten van dezelfde categorieën. 278

Art. 90. Diverse inkomsten zijn :

1° onverminderd het bepaalde in 1°bis, 1°ter, 8° en 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé- vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen ;

1°bis winst of baten, die, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit diensten, andere dan diensten die uitsluitend inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het 5° van dit lid aan de belasting worden onderworpen, die door de belastingplichtige zelf worden verleend aan derden, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan :
a) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid;
b) de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform;
c) de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in b) vermelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.
d) … 1°ter de beloningen voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot 7° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarvoor bij toepassing van datzelfde artikel 17 zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 31 augustus 2022 tot wijziging van artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, geen sociale bijdragen verschuldigd zijn;

1°quater …

2° prijzen en gedurende twee jaar ontvangen subsidies, voor de schijf boven 2.500 EUR, en andere subsidies, renten of pensioenen die door Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerken zijn toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, met uitzondering van de sommen die zijn betaald of toegekend als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn.
De Koning stelt (1), bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de prijzen en subsidies vrij die zijn toegekend door de instellingen die Hij erkent ;


(1) art. 53, KB/WIB 92.

2°bis de premies voor de eerste schijf van 30 000 euro bruto per belastbaar tijdperk, toegekend door nationale of internationale sport- federaties, Nationale Olympische Comités, Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerk erkend door het Internationaal Olympisch Comité, naar aanleiding van een sportieve prestatie op Olympische Spelen, Paralympische Spelen, wereldkampioen- schappen of Europese of andere continentale kampioenschappen. 3° onderhoudsuitkeringen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer ze worden toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede kapitalen die zulke uitkeringen vervangen ;

4° uitkeringen of aanvullende uitkeringen als vermeld onder 3° die, ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben ;

5° inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen ;
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 90, eerste lid, 5°, als volgt :

5° inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die uit haar aard of door incorporatie onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen ;

6° loten van effecten van leningen, met uitzondering van de loten die van elke Belgische zakelijke en personele belasting of van elke belasting zijn vrijgesteld ; 7° opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht ;

8° meerwaarden op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op andere zakelijke rechten dan een recht van erfpacht of van opstal of dan een gelijkaardig onroerend recht met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt, ingeval :
a) die goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en zijn vervreemd binnen acht jaar na de datum van de authentieke akte waarbij de verkrijging is vastgesteld of, bij gebrek aan authentieke akte, na de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging is vastgesteld, aan de registratieformaliteit is onderworpen ;
b) die goederen bij schenking onder levenden zijn verkregen en zijn vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen acht jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker of, bij gebrek aan authentieke akte, na de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging onder bezwarende titel door de schenker is vastgesteld, aan de registratie- formaliteit is onderworpen ;

9° meerwaarden op aandelen die:
- ofwel, zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van die aandelen buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen (1); - ofwel, rechten in een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen en die naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende van die aandelen aan een in artikel 227, 2° of 3°, vermelde rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer niet in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gevestigd, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid zijn verwezenlijkt, indien de overdrager, of zijn rechtsvoorganger ingeval de aandelen niet onder bezwarende titel zijn verkregen, op enig tijdstip in de loop van vijf jaar vóór de overdracht, alleen of samen met zijn echtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot, middellijk of onmiddellijk meer dan 25 pct. heeft bezeten van de rechten in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen;
(1) Opmerking : uittreksel uit arrest nr. 124/2023 van het Grondwettelijk Hof 21.09.2023 (rolnummer 7852; B.S. 29.01.2024; Numac: 2024000453):
Artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje, junctis de artikelen 97 en 102, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2017, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre zij niet voorzien in een aftrek van de kosten die zijn gemaakt door de belastingplichtigen die diverse inkomsten vermeld in artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje, van het WIB 1992 verkrijgen.

10° meerwaarden die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, met uitzondering van het recht van erfpacht, het recht van opstal of een gelijkaardig onroerend recht, ingeval : a) die gebouwde onroerende goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging zijn vervreemd ;
b) die gebouwde onroerende goederen zijn verkregen bij schenking onder levenden en zijn vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker ;
c) de belastingplichtige een gebouw heeft opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed dat hij onder bezwarende titel of bij schenking onder levenden heeft verkregen, voor zover de bouwwerken een aanvang hebben genomen binnen de vijf jaar na de verkrijging van de grond onder bezwarende door de belastingplichtige of door de schenker en het geheel binnen de vijf jaar na de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw werd vervreemd.
Onder datum van verkrijging of vervreemding moet worden verstaan :
- de datum van de authentieke akte van verkrijging of van vervreemding ;
- of, bij gebrek aan authentieke akte, de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging of de vervreemding is vastgesteld, aan de registratieformaliteit is onderworpen.

11° de vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betreffende financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening ; 12° persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een universiteit, een hogeschool, het "Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen – FWO", het "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS- FNRS" of een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende wetenschappelijke instelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of wetenschappelijke instelling uitgevaardigd valorisatiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die - alleen of binnen een ploeg - onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende wetenschappelijke instelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.

13° …
De Koning erkent de in het eerste lid, 1° bis bedoelde platformen onder de voorwaarden die Hij bepaalt. Elk platform stelt bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter een document op dat het bezorgt aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de dienstverrichter en zijn rijksregisternummer in de zin van artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen, de omschrijving van de geleverde diensten, het bedrag van de vergoedingen en het bedrag en de aard van de ingehouden sommen worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden bezorgd, evenals de manier waarop het bij de bevoegde administratie wordt ingediend. Het gebruik van het rijksregisternummer is beperkt tot het doeleinde van het opstellen van het voornoemde document.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in artikel 90, het tweede lid vervangen als volgt:
De Koning erkent de in het eerste lid, 1° bis, bedoelde platformen onder de voorwaarden die Hij bepaalt. Elk platform stelt bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter een document op dat het verzendt aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de dienstverrichter en zijn rijksregisternummer in de zin van artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen, de omschrijving van de geleverde diensten, het bedrag van de vergoedingen en het bedrag en de aard van de ingehouden sommen worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden verzonden, evenals de manier waarop het naar de bevoegde administratie wordt verzonden. Het gebruik van het rijksregisternummer is beperkt tot het doeleinde van het opstellen van het voornoemde document
De inkomsten van onroerende goederen, de in artikel 17, § 1, 3° en 5°, bedoelde inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste lid, 5°, bedoelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen worden als in het eerste lid, 1 bis, vermelde inkomsten aangemerkt in de mate dat die goederen door de verkrijger van die inkomsten worden gebruikt voor het verwerven van de voormelde inkomsten. Elke schuldenaar van in het eerste lid, 1° ter, bedoelde beloningen stelt bij het einde van elk jaar voor elke verkrijger een document op dat hij bezorgt aan de betrokken verkrijger en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de verkrijger en zijn rijksregisternummer in de zin van artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen, de omschrijving van de geleverde prestaties, het aantal gepresteerde uren per kwartaal, en het bedrag van de beloningen, desgevallend opgesplitst naargelang de aard, worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden bezorgd, evenals de manier waarop het bij de bevoegde administratie wordt ingediend. Het gebruik van het rijksregisternummer is beperkt tot het doeleinde van het opstellen van het voornoemde document.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in artikel 90, het vierde lid vervangen als volgt:
Elke schuldenaar van in het eerste lid, 1° ter, bedoelde beloningen stelt bij het einde van elk jaar voor elke verkrijger een document op dat hij verzendt aan de betrokken verkrijger en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de verkrijger en zijn rijksregisternummer in de zin van artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen, de omschrijving van de geleverde prestaties, het aantal gepresteerde uren per kwartaal, en het bedrag van de beloningen, desgevallend opgesplitst naargelang de aard, worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden verzonden, evenals de manier waarop het naar de bevoegde administratie wordt verzonden. Het gebruik van het rijksregisternummer is beperkt tot het doeleinde van het opstellen van het voornoemde document.



Art. 91. In afwijking van artikel 90, eerste lid, 10°, is artikel 90, eerste lid, 8°, van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt op gronden waarop gebouwen zijn opgetrokken waarvan de verkoopwaarde lager is dan 30 pct. van de verkoopprijs van het geheel.

Art. 92. artikel 92 van dat Wetboek en samen met de aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend voor het betrokken aanslagjaar.

§ 2. Une société peut également constituer une réserve de liquidation dans un ou plusieurs comptes distincts du passif à concurrence d'une partie ou de la totalité du bénéfice comptable après impôt de l'exercice comptable qui se rattache à l'exercice d'imposition 2014, pour autant que les conditions suivantes soient respectées :

§ 2. Een vennootschap kan voor een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belasting van het boekjaar verbonden met aanslagjaar 2014 eveneens een liquidatiereserve aanleggen op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief, voor zover de volgende voorwaarden worden nageleefd :

1° la société est considérée comme petite société sur la base de l'article 15 du Code des sociétés pour l'exercice comptable qui se rattache à l'exercice d'imposition 2014;

1° de vennootschap wordt op grond van

Art. 93. In afwijking van artikel 90, eerste lid, 8°, zijn niet belastbaar, de meerwaarden vastgesteld ter gelegenheid van :

1° ruilingen bij vrijwillige of wettelijke ruilverkaveling van landeigendommen die kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen ;

2° ruilingen van ongebouwde landeigen- dommen die ingevolge artikel 72 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten van het evenredig recht zijn vrijgesteld ;

3° een overdracht onder bezwarende titel van goederen die toebehoren :
a) aan al dan niet ontvoogde minderjarigen ingeval een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven ;
b) aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstuk X van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter ; 4° onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, wanneer die overdrachten overeenkomstig artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen.

Art. 93bis. In afwijking van artikel 90, eerste lid, 10°, zijn niet belastbaar, de meerwaarden vastgesteld ter gelegenheid van :

1° een overdracht onder bezwarende titel van de woning die gedurende een ononderbroken periode van ten minste 12 maanden die de maand van de vervreemding voorafgaat, de eigen woning is geweest van de belastingplichtige. Evenwel mag tussen de periode van ten minste 12 maanden en de maand van vervreemding nog een periode van maximaal 6 maanden liggen, gedurende dewelke de woning niet in gebruik mag zijn genomen ;

2° een overdracht onder bezwarende titel van goederen die toebehoren :
a) aan al dan niet ontvoogde minderjarigen ingeval een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven ;
b) aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstuk X van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter ;

3° onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, wanneer die overdrachten overeenkomstig artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen. 289

Art. 94. Wanneer in het tijdvak van 12 maanden die voorafgaan aan de verwerving van de aandelen door een in artikel 227, 2° of 3°, vermelde rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gevestigd of die volgens de fiscale wetgeving van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, niet wordt geacht fiscaal in die Staat te zijn gevestigd zonder volgens een met een derde staat gesloten verdrag inzake dubbele belastingheffing te worden geacht fiscaal buiten de Europese Economische Ruimte te zijn gevestigd, één of meer overdrachten tussen andere belastingplichtigen hebben plaatsgevonden, zijn de in artikel 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, bedoelde meerwaarden die bij iedere overdracht in dat tijdvak zijn verwezenlijkt, belastbaar indien bij de eerste overdrager was voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de belangrijkheid van de maatschappelijke rechten in de vennootschap waarvan de aandelen vervreemd zijn geweest.

Art. 95. Niettegenstaande het bepaalde in artikel 90, eerste lid, 9°, worden de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen of in intra- Europese vennootschappen, in de mate dat ze worden gerealiseerd naar aanleiding van een fusie, een splitsing, een met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, een aanneming van een andere rechtsvorm of de inbreng van deze aandelen in een binnenlandse vennootschap of een intra- Europese vennootschap, tijdelijk vrijgesteld, op voorwaarde dat:
- de aandelen worden geruild voor nieuwe aandelen uitgegeven door de inbreng- verkrijgende vennootschap met eventueel een opleg in geld die niet meer bedraagt dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij gebreke aan nominale waarde, van de fractiewaarde van de nieuw uitgegeven aandelen ; - en dat de inbrengverkrijgende vennootschap in het totaal meer dan 50 pct. van de stemmen verwerft in de vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht, of dat deze, indien zij reeds over een meerderheid van de stemmen beschikt, haar deelneming vergroot; indien de inbrengverkrijgende vennootschap een vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet onder de fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.
De vrijstelling is slechts van toepassing indien de verrichting aan het bepaalde in artikel 183bis beantwoordt.
Het behoud van de vrijstelling is afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting, volgend op deze waarin de verrichting heeft plaatsgevonden, het bewijs levert dat hij de ontvangen aandelen nog in zijn bezit heeft en dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een gehele of gedeeltelijke terugbetaling.
De gerealiseerde meerwaarde of minderwaarde is gelijk aan het verschil tussen de werkelijke waarde van de ontvangen aandelen en de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen. Ze wordt beschouwd als een belastbaar inkomen voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de voorwaarde van bezit niet langer vervuld is. 291

Art. 96. Voor zover de in artikel 95 bedoelde tijdelijke vrijstelling van toepassing is, worden de artikelen 90, eerste lid, 9°, 94 en 95 toegepast op aandelen die naar aanleiding van een fusie, een splitsing, een met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting of een aanneming van een andere rechtsvorm, in ruil zijn ontvangen, alsof de ruiling niet had plaatsgevonden.
In dit geval worden meerwaarden of minderwaarden op de in ruil ontvangen aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de omgeruilde aandelen, eventueel verhoogd met de belaste meerwaarden of verminderd met de aangenomen minderwaarden, zowel vóór als na de ruil. Voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 9°, worden de in ruil ontvangen aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen.
Ingeval van een splitsing is de fiscale nettowaarde van de aandelen ontvangen vanwege elk van de verkrijgende vennootschappen proportioneel aan de werkelijke waarde van de inbrengen verkregen door de verkrijgende vennootschappen ten opzichte van de werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap. Ingeval van een met splitsing gelijkgestelde verrichting is het totaal van de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap, en van de ontvangen aandelen gelijk aan de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap onmiddellijk vóór de gedeeltelijke splitsing. De fiscale nettowaarde van de in ruil ontvangen aandelen is evenredig met de werkelijke waarde van de inbreng in verhouding tot de totale werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap voor de verrichting. Dienaangaande wordt de verrichting inzake een met splitsing gelijkgestelde verrichting, ten name van de aandeelhouder, gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing.

Art. 97.

§ 1. De in artikel 90, eerste lid, 1°, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden.

§ 2. Voorzover de in artikel 38, § 4, gestelde voorwaarden die van overeenkomstige toepassing zijn, worden nageleefd, wordt geen rekening gehouden met de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties voor rekening van een opdrachtgever voor maximum 30 dagen waarop dergelijke prestaties worden geleverd per kalenderjaar noch met de terugbetaling van de werkelijke kosten voor de verplaatsingen in het kader van die prestaties;
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.

Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis, bedoelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 50 pct. forfaitaire kosten.
Het bruto bedrag omvat het bedrag dat door of door tussenkomst van het platform daadwerkelijk is betaald of toegekend, verhoogd met alle sommen die door het platform of door tussenkomst van het platform zijn ingehouden.

Art. 97/2. De in artikel 90, eerste lid, 1°ter, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 50 pct. forfaitaire kosten. Het brutobedrag van de in artikel 90, eerste lid, 1°ter, vermelde inkomsten omvat alle beloningen voor de tewerkstelling, met inbegrip van de beloningen als vermeld in artikel 38 en vergoedingen tot geheel of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten.

Art. 98. De in artikel 90, eerste lid, 2°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen naar het aan de verkrijger werkelijk betaalde of toegekende bedrag, in voorkomend geval verhoogd met de bedrijfsvoorheffing.
De in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7° en 11°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen naar het aan de verkrijger werkelijk betaalde of toegekende bedrag, in voorkomend geval verhoogd met de roerende voorheffing.

Art. 99. De in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, vermelde uitkeringen of kapitalen worden in aanmerking genomen tot 70 pct. van het aan de verkrijger betaalde of toegekende bedrag.
Vanaf 1 januari 2026, luidt artikel 99, als volgt :
De in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, vermelde uitkeringen of kapitalen worden in aanmerking genomen tot 60 pct. van het aan de verkrijger betaalde of toegekende bedrag.
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 99, als volgt :
De in artikel 90, eerste lid, 3° en 4°, vermelde uitkeringen of kapitalen worden in aanmerking genomen tot 50 pct. van het aan de verkrijger betaalde of toegekende bedrag.



294

Art. 100. De in artikel 90, eerste lid, 5°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen :

1° met betrekking tot de onderverhuring of de overdracht van huur van onroerende goederen, naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
a) het totale bedrag van de door de huurder of overdrager verkregen huurprijs en andere huurvoordelen en van de huurwaarde van de lokalen die hij zelf betrekt ;
b) het totale bedrag van de door de huurder of overdrager betaalde huurprijs en huurlasten en van de kosten die hij verantwoordt in het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden ;

2° met betrekking tot de concessie van het recht om plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
a) het totale bedrag van de door de overdrager verkregen bedragen en voordelen ;
b) het totale bedrag van de kosten die de overdrager verantwoordt tijdens het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden ; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair vastgesteld op 5 pct. van de verkregen bedragen en voordelen.
In beide gevallen worden de voordelen die ineens worden verkregen of de kosten die ineens worden gedaan over de gehele duur van het huurcontract of van de concessie verdeeld. 295

Art. 101.

§ 1. De in artikel 90, eerste lid, 8°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :

1° de prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, met dien verstande dat die prijs of verkoopwaarde in voorkomend geval wordt verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed ;

2° de prijs waartegen het goed onder bezwarende titel is verkregen door de belastingplichtige of de schenker, naargelang het goed is vervreemd in de omstandigheden als omschreven in artikel 90, eerste lid, 8°, a of b, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, met dien verstande dat de verkrijgingsprijs :
a) wordt vermeerderd met de kosten van verkrijging of overgang en de uitgaven die bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens op 25 pct. van de verkrijgingsprijs worden bepaald en de aldus vermeerderde prijs wordt verhoogd met 5 pct. voor elk jaar dat is verlopen tussen de data waarop het goed respectievelijk is verkregen en de vervreemding ervan is vastgesteld ;
b) in voorkomend geval wordt verminderd met de vergoeding verkregen ter uitvoering van de wetgeving houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw. § 2. De in artikel 90, eerste lid, 10°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :

1° de prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, met dien verstande dat die prijs of die waarde in voorkomend geval wordt verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed ;

2° de verkrijgingsprijs van het goed, vermeerderd met 25 pct., of met de werkelijk gedragen kosten van verkrijging of van overgang wanneer deze meer bedragen dan 25 pct., met dien verstande dat onder verkrijgingsprijs moet worden verstaan :
a) voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 10°, eerste lid, a : de prijs waarvoor het goed door de belastingplichtige werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend ;
b) voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 10°, eerste lid, b : de prijs waarvoor het goed door de schenker werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend ;
c) voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 10°, eerste lid, c : de prijs waarvoor de grond door de belastingplichtige of door de schenker onder bezwarende werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, vermeerderd met de prijs van het door de belasting-plichtige opgetrokken gebouw die tot maatstaf van heffing van de BTW heeft gediend. De aldus vermeerderde verkrijgingsprijs wordt verhoogd met 5 pct. voor elk jaar dat is verlopen tussen de datum van verkrijging en die van de vervreemding, met dien verstande dat in het geval vermeld in het eerste lid, c, de verhoging van 5 pct. van toepassing is, eensdeels, op de verkrijgingsprijs van de grond, per verlopen jaar tussen de datum van verkrijging van de grond onder bezwarende titel en de datum van vervreemding van het geheel, en, anderdeels, op de bouwprijs van het gebouw, per verlopen jaar tussen de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw, en de datum van de vervreemding van het geheel.
De aldus vastgestelde verkrijgingsprijs wordt vervolgens :
a) verhoogd met de kosten van werken, die door de eigenaar zijn gedragen en die, in zoverre die werken aan het vervreemde gebouw zijn uitgevoerd tussen de datum van verkrijging, van eerste ingebruikname of van verhuring, en die van de vervreemding, aan hem zijn verstrekt en gefactureerd;
b) in voorkomend geval verminderd met de vergoedingen verkregen ingevolge schade aan het vervreemde gebouw.

§ 3. Voor zakelijke rechten met betrekking tot onroerende goederen, voor goederen die zijn verkregen of overgedragen tegen betaling van een lijfrente of van een tijdelijke rente, voor goederen die zijn ontvangen of overgedragen ingevolge ruiling, verdeling, inbreng in vennootschap, ontbinding van een vennootschap of een andere soortgelijke gebeurtenis, stelt de Koning (1) met inachtneming van het bepaalde in de §§ 1 en 2 regels voor de vaststelling van de belastbare meerwaarden.


(1) art. 54, KB/WIB 92. 298

Art. 102. De in artikel 90, eerste lid, 9°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen aandelen ontvangen prijs en de prijs waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen ; deze prijs wordt eventueel gerevaloriseerd overeenkomstig artikel 2, § 1,7°.
Wanneer de in het eerste lid bedoeld overgedragen aandelen die van een vennootschap zijn die bij een eerdere verrichting van vereenvoudigde zusterfusie als overnemende vennootschap werd aangeduid, wordt de aanschaffingswaarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger deze overgedragen aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen, bepaald door de aanschaffingswaarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de aandelen van de betrokken overnemende vennootschap onder bezwarende heeft verkregen te verhogen met de aanschaffingswaarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de aandelen van elke overgenomen vennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen.

Art. 102bis. De in artikel 90, 12°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen naar het aan de verkrijger werkelijk betaalde of toegekende bedrag, in voorkomend geval verhoogd met de bedrijfsvoorheffing en verminderd met 10 pct. forfaitaire kosten.

Art. 103.

§ 1. Verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, worden alleen van de inkomsten uit zulke handelingen afgetrokken.
De verliezen worden achtereenvolgens afgetrokken van de inkomsten van elk volgende belastbare tijdperk.

§ 2. Het bepaalde in § 1 geldt eveneens voor verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 8°.

§ 3. Het bepaalde in § 1 geldt eveneens voor verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in artikel 90, eerste lid,10°.

Art. 104. De volgende bestedingen worden van het totale netto-inkomen afgetrokken, in zover zij in het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald :

1° 70 pct. van de onderhoudsuitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede 70 pct. van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen ; 2° 70 pct. van de uitkeringen of de aanvullende uitkeringen die de belastingplichtige verschuldigd is volgens de voorwaarden bepaald in 1°, doch die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd. Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor kinderen voor welke voor een vorig aanslagjaar artikel 132bis werd toegepast, niet aftrekbaar ;
Vanaf 1 januari 2026, luidt artikel 104, 1° en 2°, als volgt :

1° 60 pct. van de onderhoudsuitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede 70 pct. van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen ;

2° 60 pct. van de uitkeringen of de aanvullende uitkeringen die de belastingplichtige verschuldigd is volgens de voorwaarden bepaald in 1°, doch die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd. Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor kinderen voor welke voor een vorig aanslagjaar artikel 132bis werd toegepast, niet aftrekbaar ;
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 104, 1° en 2°, als volgt : 1° 50 pct. van de onderhoudsuitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede 70 pct. van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen ;

2° 50 pct. van de uitkeringen of de aanvullende uitkeringen die de belastingplichtige verschuldigd is volgens de voorwaarden bepaald in 1°, doch die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd. Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor kinderen voor welke voor een vorig aanslagjaar artikel 132bis werd toegepast, niet aftrekbaar ;

3° …

4° …

4°bis …

4°ter …

5° …

6° …

7° …

8° …

9° …

10° …

11° … 302

Art. 105. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken bedoeld in artikel 104 als volgt aangerekend:

1° de uitgaven die door beide echtgenoten samen verschuldigd zijn, worden eerst evenredig aangerekend op de totale netto- inkomens van beide echtgenoten;

2° vervolgens worden de uitgaven die door één echtgenoot persoonlijk verschuldigd zijn, bij voorrang aangerekend op het totale netto- inkomen van die echtgenoot en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere echtgenoot aangerekend.

Art. 106. De Koning bepaalt (1) de wijze waarop de uitgaven van de verschillende inkomsten- categorieën worden afgetrokken.


(1) art. 56, KB/WIB 92.
B.- …
Art. 107 - 111 …

Art. 109. Artikel 109 is van toepassing zolang de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen niet in werking is getreden.(art. 109 en 110, W 11.02.2019 - B.S. 22.03.2019; Numac: 2019040488)
Art. 271 Art. 271
Le Roi peut (1), aux conditions qu'Il détermine, étendre l'application de l'article 270 aux bénéfices, aux profits, ainsi qu'aux revenus divers visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° à 4° et 12°.
De Koning kan (1), onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van

Art. 115. artikel 115 wordt de notie "in België" vervangen door de notie "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".

§ 2. Le présent paragraphe est applicable jusqu’à l’exercice d’imposition 2025 lorsqu’il est satisfait aux conditions suivantes:

§ 2. Deze paragraaf is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° le contribuable a conclu un ou plusieurs emprunts hypothécaires en vue de construire, acquérir ou transformer son habitation unique:

1° de belastingplichtige heeft een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen:
a) avant le 1er janvier 2005; a) vóór 1 januari 2005;
b) vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening die is bedoeld in a) in aanmerking komt voor de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of voor het bouwsparen;

2° l’habitation pour laquelle l’emprunt hypothécaire visé au 1° a été contracté, a été l’habitation propre du contribuable, et elle est devenue une habitation autre que l’habitation propre avant le 1er janvier 2016;

2° de woning waarvoor de in het 1° vermelde hypothecaire lening is aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest, en vóór 1 januari 2016 is ze een andere dan de eigen woning geworden;

3° le contribuable a postulé pour la période imposable précédente l’application des articles 14517 à 14520, tels qu’ils existaient avant d’être abrogés par l’article 400 de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour les paiements pour les emprunts hypothécaires visés au 1° et pour les cotisations payées en exécution d’un contrat d’assurance qui sert exclusivement à la reconstitution ou à la garantie de ces emprunts hypothécaires.

3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de betalingen voor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen en voor de bijdragen betaald ter uitvoering van een levensverzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire leningen, de toepassing gevraagd van de artikelen 14517 tot 14520, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door

Art. 119. artikel 119 van de wet van 28 december 1992.
Les revenus visés à l'alinéa 1er, 2°, ne comprennent pas les revenus qui résultent de pensions, de pensions complémentaires, de capitaux, de rentes et de valeurs de rachat, qui sont constitués dans le cadre d'un régime de pension, étranger ou non, que l'affilié ait ou non accédé individuellement au régime de pension et que la constitution de la pension, des capitaux ou des rentes ait lieu ou non au profit permanent et exclusif de l'affilié.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten omvatten niet, inkomsten die voortkomen uit pensioenen, aanvullende pensioenen, kapitalen, renten en afkoopwaarden, die zijn opgebouwd in het kader van een al dan niet buitenlands pensioenstelsel, ongeacht of de aangeslotene al dan niet individueel is toegetreden tot het pensioenstelsel en ongeacht of de opbouw van het pensioen, het kapitaal of de rente al dan niet in het definitief en uitsluitend voordeel van de aangeslotene gebeurt.
de toepassing van dit artikel wordt entend par régime de pension, un engagement
onder pensioenstelsel verstaan, een collectieve collectif de pension d'un employeur pour lequel
pensioentoezegging van een werkgever waarvoor des fonds sont collectés et gérés dans un
bij een pensioeninstelling of bij een intern organisme de pension ou un fonds de pension
pensioenfonds voor of door werkgevers ten interne pour ou par les employeurs pour le
behoeve van ten minste twee aangesloten compte d'au moins deux travailleurs affiliés,
werknemers, vroegere werknemers of hun anciens travailleurs ou leurs ayants droit, en vue
rechtverkrijgenden gelden worden bijeengebracht de la distribution d'une pension, d'un capital ou
en beheerd met het oog op de uitkering van een d'une rente, et qui est régi par un régime
pensioen, een kapitaal of een rente, en die beheerst applicable de façon commune à tous les
wordt door een reglement dat gemeenschappelijk travailleurs affiliés et, le cas échéant, à leurs
van toepassing is op alle aangeslotenen en ayants droit, répartis ou non en différentes
desgevallend hun rechtverkrijgenden, al dan niet catégories.
opgedeeld in verschillende categorieën.

§ 3. Le bonus de pension payé ou attribué en application du titre 3, chapitre 1er, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, de l'article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations ou de l'article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée, est exonéré.
Le bonus de pension visé à l'alinéa 1er est mentionné sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rôle en matière d'impôt des personnes physiques du bénéficiaire.

§ 3. De pensioenbonus die wordt betaald of toegekend in toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, van

Art. 123. artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet van toepassing.
Les dispositions des articles 202 à 205, de l'article 279 pour ce qui concerne le précompte mobilier retenu sur des dividendes d'origine belge et des articles 285 à 289, ne sont pas applicables dans le chef des sociétés d'investissement, des fonds européens d'investissement à long terme et des sociétés immobilières réglementées visées au § 1er.
Wat de in § 1 bedoelde beleggings- vennootschappen, de Europese langetermijn- beleggingsinstellingen en gereglementeerde vastgoedvennootschappen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205,

Art. 124. artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002;

4° les sociétés qui ont effectué, durant la période du 12 mars 2020 jusqu'au jour de l'introduction de la déclaration se rattachant à l'exercice d'imposition endéans lequel l'affectation de la réserve de reconstitution est présentée, un rachat d'actions ou de parts propres, l'attribution ou la distribution de dividendes visée à l'article 18, en ce compris les distributions de réserves de liquidation visées aux articles 184quater et 541, ou une diminution de capital, en ce compris la diminution de capital visée à l'article 537 ou toute autre diminution ou distribution de capitaux propres ;

4° de vennootschappen, die in de periode van 12 maart 2020 tot aan de dag van de indiening van de aangifte die verbonden is aan aanslagjaar waarin de wederopbouw- reserve wordt aangelegd, een inkoop van eigen aandelen, een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaal- vermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht;

5° les sociétés qui pouvaient être considérées comme entreprises en difficulté au 18 mars 2020.

5° vennootschappen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.

§ 3. L'exonération visée au paragraphe 1er est accordée à concurrence d'un montant maximal, comprenant les montants de la réserve de reconstitution déjà taxés conformément au paragraphe 5, égal au montant des pertes d'exploitation, déterminé conformément à la législation sur la comptabilité et les comptes annuels, de l'exercice comptable clôturé en 2020, plafonné à 20 millions d'euros.

§ 3. De in de eerste paragraaf bedoelde vrijstelling wordt verleend ten belope van een maximumbedrag, inclusief de overeenkomstig paragraaf 5 reeds belaste bedragen van de wederopbouwreserve, gelijk aan het bedrag van de bedrijfsverliezen van het boekjaar, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening op de afsluitdatum van het boekjaar in 2020, met een maximum van 20 miljoen euro.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les sociétés clôturant leur exercice comptable pendant la période allant du 1er janvier 2020 au 31 juillet 2020, peuvent choisir que le montant maximal de l'exonération visé à l'alinéa 1er soit limité au montant des pertes d'exploitation, déterminé conformément à la législation sur la comptabilité et les comptes annuels, de l'exercice comptable clôturé en 2021, plafonné à 20 millions d'euros. Ce choix est fait lors de la constitution de la réserve pour la première fois et il est irrévocable.
In afwijking van het eerste lid mogen de vennootschappen die hun boekjaar afsluiten tijdens de periode van 1 januari 2020 tot 31 juli 2020 ervoor kiezen dat het maximale bedrag van de vrijstelling als bedoeld in het eerste lid beperkt wordt tot het bedrag van de bedrijfsverliezen, bepaald in overeenstemming met de wetgeving inzake boekhouding en jaarrekening voor het boekjaar dat afsluit in 2021, met een maximum van 20 miljoen euro. Deze keuze wordt gemaakt wanneer de reserve voor het eerst wordt aangelegd en is onherroepelijk.

§ 4. La réserve de reconstitution n'est exonérée que pour autant :

§ 4. De wederopbouwreserve wordt alleen vrijgesteld in zoverre:
zij op één of meer afzonderlijke rekeningen plusieurs comptes distincts du passif et
van het passief geboekt is en blijft en niet tot qu'elle ne serve pas de base pour le calcul
grondslag dient voor de berekening van de de la dotation annuelle de la réserve légale
jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of ou des rémunérations ou attributions
van enige beloning of toekenning; en; quelconques, et pour autant ;

2° que la société, entre le 12 mars 2020 et la fin de la période imposable endéans laquelle la société bénéficie de la réserve de reconstitution, n'a pas détenu de participation directe dans une société établie dans un Etat qui est repris dans une des listes visées à l'article 307, § 1er/2, ou dans un Etat qui est repris dans la liste visée à l'article 179, AR/CIR 92, et n'a pas effectué des paiements à de telles sociétés d'un montant total de minimum 100 000 euros pour la période imposable, à moins qu'il n'ait été démontré que ces paiements ont été effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères résultant de besoins légitimes de caractère financier ou économique.

2° de vennootschap te rekenen vanaf 12 maart 2020 tot de laatste dag van het belastbaar tijdperk waarin de wederopbouwreserve wordt genoten geen rechtstreekse deelneming had in een vennootschap gevestigd in een Staat die is opgenomen in één van de lijsten bedoeld in artikel 307, § 1/2, of in een staat die is opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 179, KB/WIB 92, en geen betalingen heeft gedaan aan dergelijke vennootschappen voor een totaalbedrag van ten minste 100 000 euro voor het belastbare tijdperk, tenzij is aangetoond dat deze betalingen zijn verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen als gevolg van rechtmatige financiële of economische behoeften.

§ 5. Les montants affectés à la réserve de reconstitution sont partiellement ou entièrement considérés comme des bénéfices de la période imposable lorsque la société durant cette période imposable :

§ 5. De bedragen die aangelegd werden als wederopbouwreserve, worden geheel of gedeeltelijk aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk indien de vennootschap in dat belastbare tijdperk:

1° opère un rachat d'actions ou de parts propres, dans la mesure de la valeur du rachat ;

1° een inkoop van eigen aandelen verricht, ten
belope van de waarde van de inkoop;

2° distribue ou attribue des dividendes visés à l'article 18, en ce compris les distributions de réserves de liquidation visées aux articles 184quater et 541, dans la mesure du montant du dividende ;

2° dividenden toekent of uitkeert als bedoeld in

Art. 126.

§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.

§ 2. In de volgende gevallen is § 1 niet van toepassing :

1° voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van wettelijke samenwoning ;

2° vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt ; 3° voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ;

4° wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 6.700 EUR die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.
Voor het jaar waarin de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, blijft § 1 echter van toepassing tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning tijdens hetzelfde jaar is afgelegd.

§ 3. Voor het jaar van ontbinding van het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden, kan de overlevende echtgenoot kiezen voor een aanslag gevestigd overeenkomstig de bepalingen van § 1. In dat geval wordt de aanslag gevestigd op naam van de overlevende en de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
Wanneer beide echtgenoten zijn overleden, kan de keuze bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden. De aanslag wordt in dat geval gevestigd op naam van de beide overleden echtgenoten, vertegenwoordigd door de nalatenschap.

§ 4. Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang de ouders het wettelijk genot daarvan hebben.

§ 5. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke echtgenoot wordt vastgesteld. 305

Art. 127. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke belastingplichtige rekening gehouden met :

1° het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toepassing van de artikelen 86 tot 89 ;

2° de door hem behaalde of aan hem toegekende inkomsten vermeld in artikel 90, eerste lid, 1° tot 4, en 12° ;

3° de niet in 1° en 2° vermelde inkomsten die eigen zijn op grond van het vermogensrecht ;

4° 50 pct. van de totaliteit van alle andere inkomsten van beide belastingplichtigen.

Art. 129. Wanneer de inkomsten van een echtgenoot onvoldoende zijn om de overeenkomstig de artikelen 23, § 2, 2° en 3° en 103, aftrekbare verliezen erop aan te zuiveren, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de andere echtgenoot met inachtneming van de in die artikelen gestelde beperkingen.
De Koning bepaalt (1) de wijze waarop de aanrekening gebeurt.


(1) art. 63, KB/WIB 92. verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk

Art. 129/1. Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 21, eerste lid, 5°, 10° en 14°, 37, tweede lid, tweede streepje, 38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, 17° en 29°, 51, 86, eerste lid, 87, tweede lid, 88, eerste lid, en 126, § 2, eerste lid, 4°, vermelde bedragen, na toepassing van artikel 178, evenals de in artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, vermelde aantallen uren verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.
Vanaf aanslagjaar 2027, luidt artikel 129/1, 1e lid, alst volgt:
Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 21, eerste lid, 5°, 10° en 14°, 37, tweede lid, tweede streepje, 38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, en 29°, 51, 86, eerste lid, 87, tweede lid, 88, eerste lid, en 126, § 2, eerste lid, 4°, vermelde bedragen, na toepassing van artikel 178, evenals de in artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, vermelde aantallen uren verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.
Om de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbare tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen.
De overeenkomstig het eerste lid verminderde bedragen worden afgerond op het hogere of lagere veelvoud van 10 euro, naargelang de eenheid al dan niet 5 euro bereikt. In afwijking van het derde lid, wordt het in artikel 21, eerste lid, 14°, vermelde bedrag, dat overeenkomstig het eerste lid werd verminderd, afgerond op de hogere of lagere euro, naargelang het cijfer van de centiemen al dan niet 50 bereikt.
De overeenkomstig het eerste lid verminderde aantallen uren worden afgerond op de hogere eenheid.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de bedragen die worden vermeld in de in uitvoering van de artikelen 22, § 3, genomen bepalingen. 308

Art. 130. De basisbelasting wordt bepaald op :
25 pct. voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 8.120,00 EUR ;
40 pct. voor de schijf van 8.120,00 EUR tot 14.330,00 EUR ;
45 pct. voor de schijf van 14.330,00 EUR tot 24.800,00 EUR ;
50 pct. voor de schijf boven 24.800,00 EUR.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt het belastingtarief toegepast op het belastbare inkomen van elke belastingplichtige.

Art. 131. Voor de berekening van de belasting wordt een basisbedrag van 4.785 EUR vrijgesteld van belasting.

Dit bedrag wordt verhoogd met 870 EUR indien de belastingplichtige gehandicapt is.

Art. 132. Het overeenkomstig artikel 131 bepaalde basisbedrag wordt verhoogd met de volgende toeslagen voor personen ten laste : 1° voor een kind : EUR ; 2° voor twee kinderen : 2.240 EUR ; 3° voor drie kinderen : 5.020 EUR ; 4° voor vier kinderen : 8.120 EUR ; 5° voor meer dan vier kinderen : 8.120 EUR plus 3.100 EUR per kind boven het vierde ;

6° een bijkomende toeslag van 325 EUR voor ieder kind dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar, met dien verstande dat deze toeslag niet kan samengaan met de in artikel 14535 vermelde vermindering voor kinderoppas ; 7° voor elke persoon ten laste die is bedoeld in artikel 136, 2° en 3°, en die de leeftijd van 66 jaar heeft bereikt en zorgbehoevend is: EUR ; ----------
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt artikel 132, eerste lid, 7°, als volgt :

7° voor elke persoon ten laste die is bedoeld in artikel 136, 2° en 3°, en die de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt en zorgbehoevend is: EUR ; ----------

8° voor iedere andere persoon ten laste : EUR.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1° tot 6° en 8°, worden als gehandicapt aangemerkte kinderen en andere personen ten laste voor twee gerekend. Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, wordt als zorgbehoevend aangemerkt, de persoon voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. De zorgbehoevendheid wordt vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Art. 132bis. De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar die voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek van één of meer kinderen ten laste die recht geven op bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen:
- hetzij op grond van een geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen ;
- hetzij op grond van een rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen.
In dat geval worden de toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, waarop die kinderen recht geven, en die worden vastgesteld ongeacht of er al dan niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan ze deel uitmaken, voor de helft toegekend aan elk van de belastingplichtigen. In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, voor de helft toegekend aan de belastingplichtige die geen vermindering vraagt voor kinderoppas bedoeld in artikel 14535.
Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking worden gehouden van de administratie zolang zij voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, voor minstens één van de kinderen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.
Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.
Dit artikel is niet van toepassing op de in de eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in artikel 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen.

Art. 133. Het overeenkomstig artikel 131 bepaalde basisbedrag wordt bovendien verhoogd met de volgende toeslagen :

1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en :
- die één of meer kinderen ten laste heeft ;
- aan wie bij toepassing van artikel 132bis de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, wordt toegekend ;

2° 870 EUR wanneer voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samenwoning een aanslag per belastingplichtige wordt gevestigd en voor zover de echtgenoot tijdens het jaar geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 1.800 EUR netto bedragen. Het bedrag van de in het eerste lid, 1°, vermelde toeslag wordt verhoogd wanneer bijkomend aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan :
- geen andere persoon dan de kinderen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, maakt deel uit van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar;
- het belastbare inkomen van de belasting- plichtige bedraagt minder dan 10 700 euro;
- de netto-beroepsinkomsten van de belasting- plichtige zijn minstens gelijk aan 1 800 euro, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten.
De in het vorige lid bedoelde bijkomende toeslag is gelijk aan :
- wanneer het belastbare inkomen van de belastingplichtige 8 445 euro bedraagt of minder : 565 euro;
- wanneer het belastbaar inkomen van de belastingplichtige meer bedraagt dan 8 445euro : 565 euro vermenigvuldigd met een breuk met als teller het verschil tussen 10 700 euro en het belastbare inkomen en met als noemer het verschil tussen 10 700euro en 8 445 euro.
Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 126, § 2, eerste lid, 4°.
Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing wanneer zich in hetzelfde jaar een geval voordoet zoals bedoeld in artikel 126, § 2, eerste lid, 3°. De beëindiging van de wettelijke samenwoning door het feit dat de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, wordt voor de toepassing van dit lid niet in aanmerking genomen. 313

Art. 134.

§ 1. De belastingvrije som wordt vastgesteld als het totaal van het, eventueel verhoogde, basisbedrag en de toeslagen vermeld in de artikelen 132 en 133. § 2. De overeenkomstig artikel 130 berekende basisbelasting wordt verminderd met de belasting op de belastingvrije som.
Die belasting op de belastingvrije som wordt bepaald op :
25 pct. voor de schijf van de belastingvrije som van 0,01 EUR tot 5.705,00 EUR;
30 pct. voor de schijf van de belastingvrije som van 5.705,00 EUR tot 8.120 EUR;
40 pct. voor de schijf van de belastingvrije som van 8.120,00 EUR tot 13.530,00 EUR;
45 pct. voor de schijf van de belastingvrije som van 13.530,00 EUR tot 24.800,00 EUR;
50 pct. voor de schijf van de belastingvrije som boven 24.800,00 EUR.

§ 3. Het deel van de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, berekende belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting, wordt in de mate dat het betrekking heeft op de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen, omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.
Het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet kan niet meer bedragen dan:
- 550 euro per kind ten laste voor wie artikel 132bis niet wordt toegepast;
- de helft van het in het eerste streepje vermelde bedrag per kind voor wie artikel 132bis wordt toegepast. Voor de toepassing van het tweede lid worden als gehandicapt aangemerkte kinderen voor twee gerekend.
Om het deel van de belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting en betrekking heeft op de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen, te bepalen :

1° wordt de belastingvrije som geacht achtereenvolgens te bestaan uit :
- het in artikel 131 vermelde basisbedrag van de belastingvrije som;
- de in de artikelen 132, eerste lid, 7° en 8°, en 133 vermelde toeslagen;
- de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen;

2° wordt geen rekening gehouden met het gedeelte van de belastingvrije som dat het belastbare inkomen over-schrijdt en niet bestaat uit de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen.
Wanneer de in artikel 133, tweede lid, bedoelde bijkomende toeslag aan de belasting- plichtige wordt verleend :

1° wordt ook het deel van de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, berekende belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting, in de mate dat het betrekking heeft op de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag, omgezet in een verrekenbaar en terugbetaalbaar belasting- krediet;

2° gelden de volgende regels om het deel van de belasting op de belastingvrije som, dat betrekking heeft op de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen en de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag, te bepalen : a) de belastingvrije som wordt geacht achtereenvolgens te bestaan uit :
- het in artikel 131 vermelde basisbedrag van de belastingvrije som;
- de in de artikelen 132, eerste lid, 7° en 8°, en 133, eerste lid, vermelde toeslagen;
- de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen;
- de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag;
b) er wordt geen rekening gehouden met het gedeelte van de belastingvrije som dat het belastbare inkomen overschrijdt en niet bestaat uit de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen en de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag;

3° wordt het maximumbedrag van het belastingkrediet per belastingplichtige verhoogd met het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, en het 2° van dit lid berekende belasting op de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting.
Deze paragraaf is niet van toepassing :
- op de belastingplichtige die beroeps- inkomsten heeft die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten ;
- op de echtgenoot van een in het eerste streepje vermelde belastingplichtige die overeenkomstig artikel 126, § 2, eerste lid, 4°, alleen wordt belast. § 4. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt als volgt gehandeld :

1° de belastingvrije som wordt per echtgenoot vastgesteld ;

2° de toeslagen vermeld in artikel 132 worden toegevoegd aan het basisbedrag van de belastingvrije som van de echtgenoot met het hoogste belastbare inkomen;

3° wanneer het belastbare inkomen van de echtgenoot bij wie de in artikel 132 bedoelde toeslagen worden toegevoegd aan het basisbedrag van de belastingvrije som bij toepassing van het 2° van dit lid of het derde lid, lager is dan zijn belastingvrije som, wordt het overschot aan belastingvrije som, desgevallend beperkt tot het positieve verschil tussen het belastbare inkomen en de belastingvrije som van de andere echtgenoot, bij de belastingvrije som van de andere echtgenoot gevoegd;

4° wanneer het belastbare inkomen van de echtgenoot bij wie de in artikel 132 bedoelde toeslagen niet worden toegevoegd aan het basisbedrag van de belastingvrije som bij toepassing van het 2° van dit lid of het derde lid, lager is dan zijn belastingvrije som, wordt het volledige overschot aan belastingvrije som bij de belastingvrije som van de andere echtgenoot gevoegd;

5° de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting van elke echtgenoot wordt verminderd met de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, berekende belasting op zijn overeenkomstig het 1° tot 4° bepaalde belastingvrije som; 6° voor elke echtgenoot wordt het deel van de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, berekende belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting, in de mate dat het betrekking heeft op de toeslagen vermeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet. Dit belastingkrediet kan voor beide echtgenoten samengenomen, niet meer bedragen dan het overeenkomstig paragraaf 3, tweede en derde lid, bepaalde maximumbedrag.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden de in artikel 132 bedoelde toeslagen toegevoegd aan het basisbedrag van de belastingvrije som van de echtgenoot met het laagste belastbare inkomen wanneer daardoor de belasting Staat verhoogd met de belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, bedoelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, voor beide echtgenoten samen genomen, wordt verlaagd.
Voor de toepassing van het eerste lid, 6° :

1° wordt het gedeelte van de belastingvrije som dat bij toepassing van het eerste lid, 3°, wordt overgeheveld, ge-acht bij voorrang te bestaan uit het in artikel 131 vermelde basisbedrag van de belastingvrije som en de in artikel 132, eerste lid, 7° en 8° vermelde toeslagen;

2° wordt het maximumbedrag desgevallend evenredig omgedeeld in functie van het belastingkrediet van elk van de echtgenoten ten opzichte van de som van de belastingkredieten van de beide echtgenoten.

Art. 135. Als gehandicapt wordt aangemerkt :

1° diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar : - ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen ;
- ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandi- capten ;
- ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoör- dineerd op 14 juli 1994, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoör- dineerde wet ;
- ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard ;

2° het kind dat tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst, voor de toepassing van de belastingwet, de overheden aan die de toestand als gehandicapte vaststellen.

Art. 136. Als ten laste van de belastingplichtigen worden aangemerkt, mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het aanslagjaar en zij persoonlijk in het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 1.800 EUR netto bedragen :

1° hun kinderen ;

2° hun ascendenten ;

3° hun zijverwanten tot en met de tweede graad ;

4° personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest.

Art. 137. De kinderen van wie alle belastbare inkomsten worden samengevoegd met die van hun ouders, worden ten laste van deze laatsten beschouwd, ongeacht de omvang van hun inkomsten.

Art. 138. Een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.
Een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap wordt eveneens geacht op 1 januari van het aanslagjaar deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op voorwaarde dat de gebeurtenis zich gedurende het belastbaar tijdperk heeft voorgedaan. Een in de loop van het belastbaar tijdperk vermist of ontvoerd kind dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, wordt geacht op die datum deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren is en werd vermist of is ontvoerd en op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat hij de verdwijning of ontvoering uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen.

Art. 139. Ingeval een persoon als vermeld in artikel 136, 2° tot 4°, in het belastbare tijdperk is overleden, wordt hij geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was.

Art. 140. Wanneer verscheidene afzonderlijk belastbare belastingplichtigen deel uitmaken van hetzelfde gezin, worden de in artikel 136 vermelde personen die eveneens van dat gezin deel uitmaken, beschouwd als ten laste van de belastingplichtige die in feite aan het hoofd van dat gezin staat.

Art. 141. Het in artikel 136 bedoelde bedrag van 1.800 euro wordt gebracht op 5.265 euro voor kinderen ten laste.
… 321

Art. 142. Onder nettobedrag van de bestaansmiddelen wordt verstaan het brutobedrag daarvan verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt gedurende het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden.
Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten vastgesteld op 20 pct. van het brutobedrag van de bestaansmiddelen. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten, bedragen de aftrekbare kosten ten minste 250 EUR.

Art. 143. Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :

1° wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies, evenals studiebeurzen die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid en premies voor het voorhuwelijkssparen ;

2° inkomsten verkregen door een persoon met een handicap die in beginsel recht heeft op de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ten belope van het maximumbedrag waarop die persoon in uitvoering van die wet recht kan hebben ;

3° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als bedoeld in artikel 34 die zijn verkregen door in artikel 132, eerste lid, 7°, bedoelde personen, tot beloop van 14.500 EUR per jaar ;

4° bezoldigingen verkregen door in artikel 135, bedoelde gehandicapten ingevolge tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats ; 5° uitkeringen of aanvullende uitkeringen tot onderhoud die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben ;

5°/1 overlevingspensioenen aan wezen in de publieke sector en wezenrenten waarvan de uitbetaling of toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop ze in werkelijkheid betrekking hebben;

6° de uitkeringen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 3°, de niet in 5° /1 bedoelde overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en de niet in 5° /1 bedoelde wezenrenten, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1.800 EUR per jaar;

7° bezoldigingen en in artikel 90, eerste lid, 1°ter, bedoelde beloningen verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bezoldigingen verkregen door leerlingen in een alternerende opleiding als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, tot een bedrag van 3.000 euro per jaar. 323

Art. 144. Om uit te maken of een aan de zorgen van de belastingplichtige toevertrouwd kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is, worden bijdragen van de overheid in de onderhoudskosten van dat kind niet meegerekend.

Art. 145. Als ten laste worden niet aangemerkt de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en :

1° beroepsinkomsten genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn;

2° als student-zelfstandige zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bezoldigingen van bedrijfsleiders genieten die beroepskosten vormen voor een vennootschap, wanneer aan de twee onderstaande voorwaarden is voldaan :
a) de belastingplichtige oefent controle in de zin van artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen uit over de vennootschap;
b) de belastingplichtige is, rechtstreeks of onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider van de vennootschap.

3° een leefloon verkrijgen.
Het eerste lid, 2°, is slechts van toepassing wanneer de beoogde bezoldigingen van bedrijfsleiders meer bedragen dan 2 000 euro en meer dan de helft vormen van de belastbare inkomsten, met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen. Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt onder leefloon verstaan:
- het leefloon dat wordt toegekend bij toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht;
- de financiële hulp equivalent aan het leefloon die wordt verleend bij toepassing van artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht.
Vermindering voor het lange termijnsparen.

Art. 145/16. artikel 145/16 erkende pensioenspaarfondsen moet de activa van dat fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de kosten, uitsluitend beleggen in de investeringen vermeld en binnen de grenzen vastgelegd in 1° tot 7°, hierna:

1° 20 pct. au plus des actifs détenus tels que définis aux 2° à 6°, ci-après peuvent être libellés dans une monnaie autre que l'euro ;

1° ten hoogste 20 pct. van de in bezit zijnde activa die hierna zijn omschreven in 2° tot 6°, mogen in een andere munt dan de EUR uitgedrukt zijn;

2° 75 pct. au plus des actifs détenus peuvent être investis en obligations et autres titres de créances négociables sur le marché des capitaux, en prêts hypothécaires et en dépôts d'argent dans les limites et selon les modalités suivantes :

2° ten hoogste 75 pct. van de in bezit zijnde activa mogen worden geïnvesteerd in obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, in hypothecaire leningen en in gelddeposito's binnen de volgende grenzen en overeenkomstig de volgende modaliteiten:
- en obligations et autres titres de créances libellés en euros ou dans la monnaie d'un Etat membre de l'Espace économique européen, émis ou garantis inconditionnellement, en principal et en intérêts, par un Etat membre de l'Espace économique européen, par l'une de ses subdivisions politiques, par d'autres organismes ou établissements publics d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou par une organisation supranationale dont font partie un ou plusieurs Etats membres de l'Espace économique européen ou en prêts hypothécaires libellés en euros ou dans la monnaie d'un Etat membre de l'Espace économique européen ;
- in obligaties en andere schuld- instrumenten in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, door een van zijn politieke onderafdelingen, door andere openbare lichamen of instellingen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door een supranationale organisatie waarvan een of meer leden van de Europese Economische Ruimte deel uitmaken of in hypothecaire leningen in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
341
- maximum 40 pct. van het totaal van die obligaties en andere schuldinstru- menten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, van die hypothecaire leningen en van die gelddeposito's mag bestaan uit activa, in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven door publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of uit gelddeposito's, in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar bij een kredietinstelling die is erkend en wordt gecontroleerd door een toezichthoudende overheid van deze lidstaat;
- maximum 40 pct. van het totaal van die obligaties en andere schuldinstru- menten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, van die hypothecaire leningen en van die gelddeposito's mag bestaan uit activa, in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of onvoorwaar- delijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, door andere openbare lichamen of instellingen van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, of door een supranationale organisatie waarvan geen enkel lid van de Europese Economische Ruimte deel uitmaakt, of uit activa in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen uit diezelfde Staat, of uit gelddeposito's, in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar bij een kredietinstelling die is erkend en wordt gecontroleerd door een toezichthoudende overheid van deze Staat;

3° 75 pct. au plus des actifs détenus peuvent être investis directement en actions et autres valeurs assimilables à des actions dans les limites et selon les modalités suivantes :

3° ten hoogste 75 pct. van de in bezit zijnde activa mogen rechtstreeks worden geïnvesteerd in de volgende aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden binnen de volgende grenzen en overeenkomstig de volgende modaliteiten:
maximum 70 pct. van het totaal van actions et valeurs peuvent consister
die aandelen en waarden mag directement en actions et autres
rechtstreeks bestaan uit aandelen en valeurs assimilables à des actions de
andere met aandelen gelijk te stellen sociétés du droit d'un Etat membre
waarden van vennootschappen naar de l'Espace économique européen
het recht van een lidstaat van de dont la capitalisation boursière est
Europese Economische Ruimte supérieure à 3 000 000 000 euros ou
waarvan de beurskapitalisatie meer sa contre-valeur exprimée dans la
bedraagt dan 3 000 000 000 euro of de monnaie d'un Etat membre de
tegenwaarde daarvan uitgedrukt in de l'Espace économique européen et qui
munt van een lidstaat van de Europese sont cotées sur un marché
Economische Ruimte en die genoteerd réglementé;
zijn op een gereglementeerde markt;
- maximum 30 pct. du total de ces actions et valeurs peuvent consister directement en actions et autres valeurs assimilables à des actions de sociétés du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, dont la capitalisation boursière est inférieure à 3 000 000 000 euros ou sa contre-valeur exprimée dans la monnaie d'un Etat membre de l'Espace économique européen, et qui sont cotées sur un marché réglementé ;
- maximum 30 pct. van het totaal van die aandelen en waarden mag rechtstreeks bestaan uit aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden van vennootschappen naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en waarvan de beurskapitalisatie minder bedraagt dan 3 000 000 000 euro of de tegenwaarde daarvan uitgedrukt in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt;
- maximum 20 pct. du total de ces actions et valeurs peuvent consister directement en actions et autres valeurs assimilables à des actions de sociétés du droit d'un Etat non- membre de l'Espace économique européen, non libellées en euros ou dans une monnaie d'un Etat membre de l'Espace économique européen, et cotées sur un marché de fonctionnement régulier, surveillé par les autorités reconnues des pouvoirs publics d'un Etat membre de l'Organisation de coopération et de développement économique ;
- maximum 20 pct. van het totaal van die aandelen en waarden mag rechtstreeks bestaan uit aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden van vennootschappen naar het recht van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, die niet in EUR of in een munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn uitgedrukt, en die genoteerd zijn op een regelmatig werkende markt, waarop wordt toegezien door overheden die erkend zijn door de publieke overheid van een lidstaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
ten hoogste 10 pct. van de activa mogen investis sur (a) un compte en euros ou dans
worden geïnvesteerd (a) in contanten op een une monnaie d'un Etat membre de l'Espace
rekening in EUR of in een munt van een économique européen, auprès d'un
lidstaat van de Europese Economische établissement de crédit agréé et contrôlé par
Ruimte, bij een kredietinstelling die is une autorité de contrôle d'un Etat membre
erkend en wordt gecontroleerd door een de l'Espace économique européen ou (b)
toezichthoudende overheid van een lidstaat dans des parts d'organismes de placement
van de Europese Economische Ruimte of (b) collectif visés à l'article 52, § 1er, 5° et 6°,
in rechten van deelneming van instellingen de l'arrêté royal du 12 novembre 2012
voor collectieve belegging bedoeld in artikel relatif aux organismes de placement
52, § 1, 5° en 6°, van het Koninklijk Besluit collectif qui répondent aux conditions de la
van 12 november 2012 met betrekking tot de directive 2009/65/CE ou à l'article 35, §
instellingen voor collectieve belegging die 1er, 5° et 6°, de l'arrêté royal du 25 février
voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2017 relatif à certains organismes de
2009/65/EG of in artikel 35, § 1, 5° en 6°, placement collectif alternatifs publics et à
van het Koninklijk Besluit van 25 februari leurs sociétés de gestion, et portant des
2017 met betrekking tot bepaalde openbare dispositions diverses qui investissent
alternatieve instellingen voor collectieve principalement en instruments du marché
belegging en hun beheervennootschappen, monétaire et liquidités, conformément au
en houdende diverse bepalingen die Règlement (UE) 2017/1131 du Parlement
hoofdzakelijk beleggen in geldmarkt- européen et du Conseil du 14 juin 2017 sur
instrumenten en liquiditeiten, overeen- les fonds monétaires ;
komstig Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen;

5° 10 pct. au plus des actifs détenus peuvent être investis dans d'autres valeurs mobilières et instruments du marché monétaire tels que visés à l'article 52, § 2, de l'arrêté royal du 12 novembre 2012 relatif aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE ou à l'article 35, § 2, de l'arrêté royal du 25 février 2017 relatif à certains organismes de placement collectif alternatifs publics et à leurs sociétés de gestion, et portant des dispositions diverses ;

5° ten hoogste 10 pct. van de in bezit zijnde activa mogen worden geïnvesteerd in andere effecten en geldmarktinstrumenten zoals vermeld in artikel 52, § 2, van het Koninklijk Besluit van 12 november 2012 met betrekking tot de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG of in artikel 35, § 2, van het Koninklijk Besluit van 25 februari 2017 met betrekking tot bepaalde openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheervennootschappen, en houdende diverse bepalingen;
ten hoogste 20 pct. van de activa mogen être investis dans des parts d'organismes de
geïnvesteerd worden in rechten van placement collectif visés à l'article 52, §
deelneming van instellingen voor collectieve 1er, 5° et 6° de l'arrêté royal du 12
belegging bedoeld in artikel 52, § 1, 5° en 6° novembre 2012 relatif aux organismes de
van het Koninklijk Besluit van 12 november placement collectif qui répondent aux
2012 met betrekking tot de instellingen voor conditions de la directive 2009/65/CE ou à
collectieve belegging die voldoen aan de l'article 35, § 1er, 5° et 6°, de l'arrêté royal
voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG of in du 25 février 2017 relatif à certains
artikel 35, § 1, 5° en 6°, van het Koninklijk organismes de placement collectif
Besluit van 25 februari 2017 met betrekking alternatifs publics et à leurs sociétés de
tot bepaalde openbare alternatieve gestion, et portant des dispositions diverses
instellingen voor collectieve belegging en dont l'objet exclusif est le placement
hun beheervennootschappen, en houdende collectif de moyens financiers recueillis
diverse bepalingen die uitsluitend de auprès du public dans des actifs visés aux
collectieve belegging van uit het publiek points 2° et/ou 3° ;
aangetrokken financieringsmiddelen in activa bedoeld in 2° en/of 3° als doel hebben;

7° les actifs décrits ci-dessus aux points 2° à 6°, et émis dans une devise autre que l'euro peuvent être couverts partiellement ou complètement pour le risque de change par des instruments financiers dérivés, de façon à ce que le pourcentage couvert ne soit pas pris en compte pour le maximum mentionné au point 1°.

7° de in bezit zijnde activa die hierboven zijn omschreven in 2° tot 6°, en in een andere munt dan de EUR uitgedrukt zijn, mogen voor het muntrisico geheel of gedeeltelijk met financiële derivaten worden afgedekt, zodat het afgedekte gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van het maximumpercentage vermeld in 1°.
Art. 14512 Art. 14512
Lors de l’ouverture d’un compte-épargne individuel, le contribuable est tenu de remettre à l'établissement visé à l'article 14515, alinéa 1er, auprès de laquelle ce compte est ouvert, l’engagement écrit d’affecter, de la manière et dans les proportions prévues à l’article 14511, les sommes qui seront portées à son compte, ainsi que les remboursements et les produits des ventes de valeurs mobilières. L’affectation doit s’effectuer dans les deux mois du paiement ou de la mise à disposition des sommes.
Bij de opening van een individuele spaarrekening moet de belastingplichtige aan de in artikel 14515, eerste lid, vermelde instelling, waarbij die rekening wordt geopend, de schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, te beleggen op de wijze en in de verhoudingen als omschreven in artikel 14511. De belegging moet geschieden binnen twee maanden na de betaling of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
Le respect de cet engagement se constate sur base de la production, au plus tard le jour du paiement, d’une instruction écrite d’affectation à l’institution ou entreprise à laquelle le paiement a été effectué.
Het naleven van die verbintenis moet ten laatste op de dag van de betaling blijken uit de overlegging van een schriftelijke beleggingsopdracht aan de instelling of onderneming waaraan de betaling is verricht.
houder van een individuele individuel peut donner mandat à l'établissement
spaarrekening mag evenwel aan de in artikel 14515, visé à l'article 14515, alinéa 1er, auprès de laquelle
eerste lid, vermelde instelling waarbij die rekening ce compte est ouvert, d’affecter les sommes
is geopend volmacht geven om de op zijn rekening portées à son compte de la manière et dans les
geboekte sommen te beleggen op de wijze en proportions prévues à l’article 14511.
volgens de verhoudingen als omschreven in artikel 14511.
A défaut de production d’instruction écrite, ou si l’affectation mentionnée dans l’instruction produite n’est pas conforme à ce qui est prévu à l’article 14511 ou si le mandat prévu à l’alinéa précédent n’a pas été donné, la somme payée ne peut être portée au compte-épargne individuel.
Wanneer geen schriftelijke beleggings- opdracht wordt overgelegd of de in de opdracht vermelde belegging niet overeenstemt met het bepaalde in

Art. 146. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende begripsomschrijvingen :

1° pensioenen : pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als vermeld in artikel 34 ;

2° … ;

2°bis … ;

3° werkloosheidsuitkeringen : wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen van alle aard verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen ten gevolge van volledige of gedeeltelijke onvrijwillige werkloosheid, doch met uitsluiting van de in artikel 31bis, tweede lid, 1°, bedoelde uitkeringen, alsmede het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA- arbeidsovereenkomst, voor het saldo dat overblijft na toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 13° ;

4° wettelijke ziekte- en invaliditeits- uitkeringen : uitkeringen krachtens de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte of invaliditeit ; 5° andere vervangingsinkomsten : vergoe- dingen van alle aard verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst, baten of bezoldigingen met uitzondering van de sub 3° en 4° vermelde vervangingsinkomsten en, bij gebrek aan werkhervatting bij een andere werkgever of bij gebrek aan werkhervatting als zelfstandige, van de in artikel 31bis, eerste lid, 2°, vermelde aanvullende vergoedingen.

Art. 147. Op de overeenkomstig de artikelen 130 tot 145 bepaalde belasting met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten worden de volgende verminderingen verleend :

1° als het netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een basisvermindering van 1 148,93 EUR en een aanvullende vermindering van 236,38 EUR;

2° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een gedeelte van de in 1° bedoelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen, enerzijds, het netto bedrag van de pensioenen en de andere vervangingsinkomsten en, anderzijds, het netto-inkomen met uitsluiting :
a) van het loon dat bij de nieuwe werkgever wordt verkregen of van het inkomen dat uit een nieuwe zelfstandige beroepsactiviteit wordt verkregen, in geval van het verkrijgen van een in artikel 31bis, eerste lid, 1°, tweede streepje, bedoelde aanvullende vergoeding;
b) van de activiteitsinkomsten, in geval van het verkrijgen door een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, van een wettelijk pensioen dat niet meer bedraagt dan 10 160 EUR of in geval van het verkrijgen van een overlevingspensioen of van een overgangsuitkering ; c) van een gedeelte van de activiteitsinkomsten, in geval van het verkrijgen door een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt van een wettelijk pensioen dat meer dan 10 160 EUR, maar niet meer dan 14 900 EUR bedraagt.

3° … ;

4° … ;

5° … ;

6° … ;

7° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : een basisvermindering van 1 148,93 euro en een aanvullende vermindering van 236,38 euro;

8° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen, bestaat : een gedeelte van de in 7° vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen, enerzijds en het netto-inkomen anderzijds ;

9° als het netto-inkomen uitsluitend uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : 1.541,69 EUR ;

10° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : een gedeelte van het in 9° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds.
Onder activiteitsinkomsten als bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan de beroepsinkomsten verminderd met :

1° de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde inkomsten ; 2° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, c, wordt het gedeelte van de activiteitsinkomsten dat wordt uitgesloten uit het netto-inkomen bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 14 900 EUR en het wettelijke pensioen en, anderdeels, het verschil tussen 14 900 EUR en 10 160 EUR.
Wanneer voor een bepaald aanslagjaar de belasting op pensioenen en andere vervangings- inkomsten of op werkloosheidsuitkeringen na toepassing van deze afdeling niet tot nul is teruggebracht voor een belastingplichtige met een belastbaar inkomen dat gelijk is aan 10 160 EUR en uitsluitend bestaat uit pensioenen en andere vervangingsinkomsten of uit werkloosheids- uitkeringen, verhoogt de Koning de in het eerste lid, 1° en 7°, vermelde bedragen van de aanvullende vermindering tot het bedrag dat nodig is om voor de voormelde belastingplichtige de belasting alsnog tot nul terug te brengen. Deze verhoogde bedragen zijn enkel van toepassing voor het betrokken aanslagjaar.

Art. 150. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden, de in deze onderafdeling bepaalde verminderingen en grenzen per belastingplichtige berekend.
...
... 423

Art. 151. Wanneer het belastbare inkomen 18.600 EUR of meer bedraagt, worden de verminderingen voor werkloosheidsuitkeringen andere dan die welke zijn toegekend aan werklozen die op 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn en een anciënniteitstoeslag bevatten, niet toegepast. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14.900 EUR en 18.600 EUR, worden die verminderingen slechts verleend tot een
eensdeels, het verschil tussen 18.600 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 18.600 EUR en 14.900 EUR.

Art. 151/1. De aanvullende verminderingen voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten en voor werkloosheidsuitkeringen worden niet verleend wanneer het belastbare inkomen 14 900 EUR of meer bedraagt. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 10 160 EUR en 14 900 EUR, worden die verminderingen slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 14 900 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 14 900 EUR en 10 160 EUR.

Art. 152. Wanneer het belastbare inkomen 29.800 EUR of meer bedraagt, worden de niet in de artikelen 151 en 151/1 vermelde verminderingen slechts tot één derde verleend. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14.900 EUR en 29.800 EUR, wordt deze grens van één derde vermeerderd met een deel van de resterende tweederde bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en 14.900 EUR.

Art. 153. Geen vermindering ingevolge deze
de overeenkomstig de artikelen 130 tot 145 bepaalde belasting dat betrekking heeft op de inkomsten waarvoor zij is verleend.

Art. 154.

§ 1. Een bijkomende vermindering wordt verleend wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit:

1° werkloosheidsuitkeringen;

2° werkloosheidsuitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds.
De bijkomende vermindering wordt berekend volgens de in de volgende paragrafen bepaalde regels.

§ 2. De bijkomende vermindering is gelijk aan 40 pct. van de belasting die overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit :
Vanaf aanslagjaar 2027, luidt de inleidende zin van artikel 154, § 2, eerste lid, als volgt:

§ 2. De bijkomende vermindering is gelijk aan 20 pct. van de belasting die overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit :

1° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend tijdens de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid; 2° werkloosheidsuitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan 10 160 euro.

3° …
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de totale netto-inkomens van de beide echtgenoten samengeteld voor de

§ 3. In de andere dan in § 2 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheidsuitkeringen, is de bijkomende vermindering gelijk aan 40 pct. van het positieve verschil tussen :
Vanaf aanslagjaar 2027, luidt de inleidende zin van artikel 154, § 3, eerste lid, als volgt:

§ 3. In de andere dan in § 2 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheidsuitkeringen, is de bijkomende vermindering gelijk aan 20 pct. van het positieve verschil tussen :

1° het bedrag van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153, en

2° het verschil tussen die werkloosheids- uitkeringen en het maximumbedrag dat overeenkomstig § 2, eerste lid, 1°, van
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden zowel de totale netto- inkomens als het bedrag van de overblijvende belasting van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid. De aldus berekende bijkomende vermindering wordt verdeeld in verhouding tot het bedrag van de belasting van elke echtgenoot die nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153.

§ 3/1. In de andere dan in de paragraaf 2 en 3 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto- inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheids- uitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds is de bijkomende vermindering gelijk aan 40 pct. van het positieve verschil tussen :
Vanaf aanslagjaar 2027, luidt de inleidende zin van artikel 154, § 3/1, eerste lid, als volgt:

§ 3/1. In de andere dan in de paragraaf 2 en 3 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto- inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheids- uitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds is de bijkomende vermindering gelijk aan 20 pct. van het positieve verschil tussen :

1° het bedrag van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153, en

2° 90 pct. van het verschil tussen het bedrag van de vervangingsinkomsten en, desgevallend, pensioenen en 10 160 euro.
De bijkomende vermindering wordt in voorkomend geval verdeeld naar de verhouding van het gedeelte van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 en dat respectievelijk betrekking heeft op pensioenen of andere vervangingsinkomsten, op werkloosheids- uitkeringen of op wettelijke ziekte- en invaliditeitsvergoedingen met het totaal van de belasting dat overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden zowel de totale netto- inkomens als het bedrag van de overblijvende belasting van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.
De aldus berekende bijkomende vermindering wordt verdeeld in verhouding tot het bedrag van de belasting van elke echtgenoot die nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153.

§ 4. Voor de aanslagjaren 2020 en volgende wordt het in paragraaf 2, eerste lid, 1°, bedoelde maximumbedrag bepaald op basis van de bedragen van de wettelijke werkloosheidsuitkering voor het vierde jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
Vanaf aanslagjaar 2028, wordt artikel 154, opgeheven.

bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag

Art. 154bis. Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag en die :
- hetzij onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door één van de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;
- hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.
De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 130 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 130 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de aanslagjaren 2020, 2021, 2023, 2024, 2025 en 2026. Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt eveneens opgetrokken tot 180 uren voor het aanslag-jaar 2022 voor zover dat die bijkomende 50 uren overwerk worden gepresteerd in de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot:
- 180 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V,
betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem; - 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde en in de mate dat die werknemers daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken hebben uitgevoerd tijdens de overuren die voor die werkgevers worden gepresteerd. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit streepje.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 360 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal (1) :
- 66,81 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is ;
- 57,75 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is.


(1) art. 6319, KB/WIB 92 430 De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het zesde lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de voormelde termijn worden de besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad.
De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting Staat met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen die overeenkomstig artikel 130 zijn belast, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.
De belastingvermindering is niet van toepassing op het overwerk :
a) dat in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30° ;
b) waarvoor de belasting op de bezoldiging die erop betrekking heeft, wordt verminderd bij
uit het buitenland.

Art. 155. Inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar deze wordt verminderd naar de verhouding tussen de inkomsten die zijn vrijgesteld en het geheel van de inkomsten.
Dit is eveneens het geval voor :
- inkomsten vrijgesteld krachtens andere internationale verdragen of akkoorden, voor zover zij een clausule van progressievoorbehoud bevatten; - beroepsinkomsten betaald of toegekend aan leden en voormalige leden van het Europees Parlement of hun rechthebbenden en die worden onderworpen aan de Europese Gemeenschapsbelasting;
- bezoldigingen betaald of toegekend door een buitenlandse of internationale gerecht of instantie met gerechtelijk karakter bedoeld in de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.

Art. 156. Tot de helft wordt verminderd het deel van de overeenkomstig de artikelen 130 tot 145, 146 tot 154, 169 en 170 berekende belasting dat evenredig overeenstemt :

1° met inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen ;

2° met in het buitenland behaalde en belaste beroepsinkomsten, met uitzondering van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die de belastingplichtige gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in inrichtingen waarover hij in België beschikt ; op bezoldigingen van bedrijfsleiders is deze bepaling slechts van toepassing in zover die inkomsten uit hoofde van een werkzaamheid die de verkrijgers ten behoeve van in het buitenland gelegen inrichtingen uitoefenen, op de resultaten van die inrichtingen worden toegerekend ;

3° met de hierna vermelde diverse inkomsten :
a) in het buitenland behaalde en belaste winst of baten ;
b) prijzen, subsidies, renten of pensioenen ten laste van vreemde openbare machten of openbare instellingen ; c) onderhoudsuitkeringen ten laste van niet-rijksinwoners.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.
verminderingen in een terugbetaalbaar belastingkrediet

Art. 157. In zover de totale belasting op winst, baten en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen niet als voorheffing is geheven of in het jaar waarin het inkomen wordt verkregen niet bij voorafbetaling is voldaan, wordt ze vermeerderd met een bedrag dat wordt vastgesteld zoals bepaald in deze onderafdeling.
Het overschot van de voorafbetalingen gedaan door een echtgenoot die met toepassing van artikel 86 een gedeelte van zijn winst of baten toekent aan de meewerkende echtgenoot, komt van rechtswege toe aan de meewerkende echtgenoot.

Art. 158. Bij het bepalen van het belastingbedrag waarop de vermeerdering wordt berekend worden de winst, baten en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen en de desbetreffende kosten en aftrekken afzonderlijk in aanmerking genomen en wordt de totale belasting op die inkomsten in voorkomend geval verminderd met de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en de belastingkredieten die op die inkomsten betrekking hebben. 433

Art. 159. De vermeerdering is gelijk aan het positieve verschil tussen :

1° het belastingbedrag waarop de vermeer- dering wordt berekend, vermenigvuldigd met 2,25 maal de basisrentevoet, en

2° de bedragen van de voorafbetalingen vermenigvuldigd met 3 maal, 2,5 maal, 2 maal en 1,5 maal de basisrentevoet, naargelang zij uiterlijk zijn gedaan op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

Art. 161. De basisrentevoet is het, in voorkomend geval tot de lagere eenheid afgeronde, rentetarief van de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, zonder dat die basisrentevoet lager mag zijn dan 1 pct.

Art. 162. Wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, kan de Koning (1) bij in Ministerraad overlegd besluit een hoger of lager percentage van vermeerdering vaststellen.


(1) art. 64 tot 71, KB/WIB 92.
Geen vermeerdering wordt toegepast op de voorafbetalingen die, onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald ter uitvoering van artikel 167, uiterlijk binnen de maand na de bekendmaking van dat besluit in het Belgisch Staatsblad, ter voldoening van de verschuldigde belastingen worden gestort. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vorige lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 163. Geen vermeerdering is verschuldigd wanneer het ingevolge de artikelen 159 en 160 berekende bedrag ervan lager is dan 0,5 pct. van de belasting waarop zij is berekend of 50 EUR.

Art. 164. Geen vermeerdering is verschuldigd op de belasting op de winst, de baten en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen die personen als zij zich voor de eerste maal vestigen in een zelfstandig beroep, uit de uitoefening van de werkzaamheid gedurende de eerste drie jaren verkrijgen. Het jaar waarin elke werkzaamheid aanvangt wordt voor een volledig jaar geteld.

Art. 166. Voor de toepassing van deze onderafdeling omvatten de winst, de baten en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen niet: 1° de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst, bezoldigingen of baten;

2° de inkomsten die overeenkomstig artikel 171 zijn belast. 435

Art. 167. De Koning bepaalt (1) de voorwaarden en de regels van uitvoering van de artikelen 157 tot 166 en stelt vast welke de belastingplichtigen hiervan op straffe van verval in acht moeten nemen.
Hij stelt (1) eveneens de bijzondere regels vast die van toepassing zijn ingeval de winst, de baten en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen betrekking hebben op een tijdperk van minder of meer dan twaalf maanden of op een boekjaar dat op een andere datum dan 31 december wordt afgesloten, dan wel op een seizoenwerkzaamheid.


(1) art. 64 tot 71, KB/WIB 92.

Art. 168. De Koning kan van de vermeerdering geheel of gedeeltelijk afzien wanneer de voorafbetalingen worden gedaan volgens de regels, onder de voorwaarden en binnen de termijnen die Hij bepaalt.
overschrijding van de maximale steunintensiteit ten gevolge van de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen.

Art. 168/1.

§ 1. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2 en ingevolge deze aftrek het teveel aan belasting in toepassing van artikel 375/1 van rechtswege is ontheven, wordt de totale belasting van het belastbare tijdperk waarvoor de in paragraaf 2 omschreven alternatieve berekening overeenkomstig het tweede lid van diezelfde paragraaf voor het laatst wordt gemaakt, vermeerderd met het overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde bedrag. § 2. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2, worden alternatieve berekeningen gemaakt van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting waarbij die belasting telkens wordt bepaald alsof de belastingplichtige niet zou hebben geopteerd voor de achterwaartse aftrek van verliezen, waarbij de beroepsverliezen die effectief zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie voorgaande belastbare tijdperken achtereenvolgens worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de volgende belastbare tijdperken overeenkomstig artikel 78, § 1.
De alternatieve berekening wordt gemaakt voor elk van de belastbare tijdperken vanaf het derde belastbare tijdperk voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin de in artikel 78, § 2, bedoelde schade definitief is vastgesteld tot het belastbare tijdperk waarin ofwel : - het gecumuleerde bedrag van de beroepsverliezen die in de alternatieve berekeningen overeenkomstig artikel 78, worden afgetrokken gelijk is aan het bedrag aan beroepsverliezen dat in dezelfde belastbare tijdperken in toepassing van artikel 78 daadwerkelijk van de beroepsinkomsten werd afgetrokken;
- de landbouwactiviteit wordt stopgezet.

§ 3. De vermeerdering is gelijk aan het positieve verschil tussen : - het brutosubsidie-equivalent van het voordeel dat verbonden is met de overeenkomstig artikel 375/1 toegepaste ontheffing ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen, berekend op basis van het verschil tussen de werkelijke berekeningen van de belasting en de overeenkomstig paragraaf 2 uitgevoerde alternatieve berekeningen van de belasting, en
- het bedrag van de schade, verhoudingsgewijs beperkt tot de beschikbare steunintensiteit. Voor de toepassing van het eerste lid moet onder de beschikbare steunintensiteit, de maximale steunintensiteit worden begrepen zoals omschreven in artikel 25 van de verordening (EU) 702/2014, van de Commissie van 25 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bossector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, in voorkomend geval verminderd met de steunintensiteit van de gewestelijke steun die is verleend ter compensatie van de in artikelen 78, § 2, of 206, § 4, bedoelde schade.

§ 4. De Koning legt de nadere regels vast om het in paragraaf 3 bedoelde brutosubsidie- equivalent van het voordeel dat verbonden is met de overeenkomstig artikel 375/1 toegepaste ontheffing ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen en het in paragraaf 3 bedoelde bedrag van de vermeerdering te bepalen. Dit brutosubsidie-equivalent en deze vermeerdering worden bepaald met toepassing van de relevante bepalingen van voormelde verordening (EU) 702/2014 en andere relevante Europeesrechtelijke bepalingen.
kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden in lijfrente.

Art. 169.

§ 1. De hierna vermelde kapitalen worden voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die zou voortvloeien uit de omzetting van die kapitalen en afkoopwaarden volgens door de Koning in Ministerraad overlegd besluit (1) vastgestelde coëfficiënten die niet meer dan 5 pct. mogen bedragen: ------------------------------ (1) art. 73, KB/WIB 92. 1° de kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot geheel of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van beroepsinkomsten;

2° de kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde evenals afkoopwaarden die worden vereffend in één der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, voor zover het kapitalen en afkoopwaarden betreft die worden uitgekeerd uit hoofde van:
a) aanvullende pensioenen overeen- komstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen, of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I,
24 december 2002;
b) individueel gesloten levensverzeke- ringscontracten, andere dan in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, c, bedoelde individuele verderzettingen van een pensioentoezegging en dan in artikel 14516, 3°, bedoelde spaarverzekerings- contracten, en dit tot het bedrag dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening. Hetzelfde omzettingsstelsel is van toepassing op de eerste schijf van 50.000 EUR van het kapitaal of van de afkoopwaarde van een aanvullend pensioen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c/1, en 2°ter, waarop voorschotten op prestaties zijn opgenomen of dat heeft gediend voor het waarborgen van een lening of het weder samenstellen van een hypothecair krediet, in zover die voorschotten verleend of die leningen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven, het verbouwen, het verbeteren of het herstellen van de in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen enige woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden.
In afwijking van het eerste lid, worden kapitalen van aanvullende pensioenen toegekend overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002, voor de vaststelling van de belastbare grondslag, slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die zou voortvloeien uit de omzetting van 80 pct. van die kapitalen volgens de in het eerste lid bedoelde coëfficiënten in zover ze:
hetzij, bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of in zover ze worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven; hetzij, bij leven ten vroegste bij het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving, worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of in zover ze worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan, en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven.
In afwijking van het tweede lid, wordt de eerste schijf waarop het omzettingsstelsel van toepassing is, slechts ten belope van 80 pct. in aanmerking genomen wanneer de in dat lid bedoelde kapitalen:
hetzij, bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of wanneer ze worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven;
hetzij, bij leven ten vroegste bij het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving, worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of in zover ze worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan, en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven.

§ 2. De omzettingsrente wordt voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast vanaf de dag waarop het kapitaal of de afkoopwaarde is betaald of toegekend : a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van § 1, 5 pct. bedraagt, gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt vóór het verstrijken van die periode van 10 belastbare tijdperken ;
b) wanneer die omzettingsrente overeen- komstig dezelfde bepalingen minder dan 5 pct. bedraagt, gedurende 13 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt vóór het verstrijken van die periode van 13 belastbare tijdperken.

Art. 169ter. Artikel 169ter van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde meerwaarden, die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.
2. Wanneer paragraaf 1 moet worden appliqué, afin de garantir la perception du
toegepast om de inning van de précompte professionnel afférent aux plus-values,
bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de les débiteurs du précompte professionnel visés à
meerwaarden te verzekeren, zijn de in artikel l'article 270, alinéa 1er, 5°, sont tenus d'établir
270, eerste lid, 5°, vermelde schuldenaars van l'avis visé, selon le cas, à l'article 433 ou à l'article
bedrijfsvoorheffing verplicht, het bericht 35 du Code du recouvrement amiable et forcé des
vermeld, naargelang het geval, in

Art. 170. Wanneer de inkomsten een in artikel 90, eerste lid, 3°, vermeld kapitaal omvatten, komt dat kapitaal voor de berekening van de belasting slechts in aanmerking tot het bedrag van de jaarlijkse uitkering die erdoor wordt vervangen.
Het bedrag van de jaarlijkse uitkering die voor de berekening van de belasting in aanmerking moet worden genomen, wordt vastgesteld door op het kapitaal een van de in artikel 169, § 1, vermelde omzettingscoëfficiënten toe te passen.
Vanaf de dag waarop dat kapitaal is betaald of toegekend en tot de dag van het overlijden van de verkrijger wordt 80 pct. van het bedrag van de jaarlijkse uitkering voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast. 442

Art. 171. In afwijking van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 156, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting Staat op de andere inkomsten, meer bedraagt dan de overeenkomstig de voormelde artikelen bepaalde belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd met de belasting Staat met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten :

1° tegen een aanslagvoet van 33 pct. :
a) de in artikel 90, eerste lid, 1°, 9°, eerste streepje, en 12°, vermelde diverse inkomsten ;
b) de in artikel 90, eerste lid, 8°, vermelde meerwaarden, ingeval de desbetreffende goederen worden vervreemd binnen 5 jaar na de verkrijging ervan ;
c) onverminderd de toepassing van 2°, a, en 4°, b, stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, en de in de artikelen 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare nettowinst of -baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen. Onder belastbare nettowinst of -baten van elk in het vorige lid vermelde jaar wordt verstaan het overeenkomstig artikel 23, § 2, 1°, vastgestelde inkomen, maar met uitzondering van de ingevolge deze afzonderlijk belaste inkomsten ;
d) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2° quater, 3° bis, b, en 4°, f, in zover zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd en niet worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 4°, f ;
e) de bezoldigingen voor prestaties geleverd tijdens maximaal 50 dagen per jaar en die worden betaald of toegekend aan gelegenheids- werknemers die worden tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen en waarvoor de sociale bijdragen worden berekend op een uur- of dagforfait zoals bepaald in artikel 31ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders evenals het vakantiegeld dat ingevolge de hiervoor bedoelde prestaties wordt toegekend;
f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend ;
g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden ingevolge artikel 171, 1°bis, indien anders uitgekeerd ; h) de in 4°, g, bedoelde kapitalen geldend als pensioen wanneer die kapitalen in omstandigheden als bedoeld in 4°, g, door de werkgever of de onderneming worden uitgekeerd aan een andere begunstigde dan degene die is bedoeld in 4°, g, zonder dat zij met voorafgaande stortingen zijn gevormd ;
i) de beroepsinkomsten, met uitzonde- ring van de bezoldigingen van bedrijfsleiders, voor een maximumbedrag van 12.300 euro bruto per belastbaar tijdperk die worden betaald of toegekend aan :
- sportbeoefenaars, voor hun sportieve activiteiten en voor zover zij op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt ;
- scheidsrechters, voor hun activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden ;
- opleiders, trainers en bege- leiders, voor hun opleidende, omkaderende of ondersteunen- de activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars ;
op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal brutobelastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal brutobelastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit het geheel van hun voornoemde activiteiten in de sportsector.
j) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, c), indien anders uitgekeerd; 1°bis tegen een aanslagvoet van 8 pct.: spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden gevormd in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 1451, 5°, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;

2° tegen een aanslagvoet van 10 pct. :
a) stopzettingsmeerwaarden als bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1°, die naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting zijn verkregen of vastgesteld op :
- immateriële vaste activa, in zover ze niet meer bedragen dan de in 1°, c, vermelde grens;
- andere activa dan immateriële vaste activa.
Onder gedwongen definitieve stopzetting wordt verstaan de definitieve stopzetting die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis, evenals de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als bedoeld in artikel 135, eerste lid, 1° ;
b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover :
- zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd en worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 2° quater, 3° bis en 4°, f ; - het kapitalen betreffen die door werkgeversbijdragen of bij- dragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven ;
- het kapitalen betreffen die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven ten vroegste bij het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving, worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan, en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven;
c) de kapitalen en afkoopwaarden die inkomsten vormen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, c/1 en 2° ter, die niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 169, § 1, wanneer ze aan de rechthebbende worden uitgekeerd bij leven vanaf de leeftijd waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn al dan niet vervroegd rustpensioen op te nemen of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is; d) kapitalen en afkoopwaarden van de levensverzekeringscontracten gevormd met bijdragen als vermeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, d, en e, indien die kapitalen worden vereffend bij overlijden van de verzekerde of bij het normale verstrijken van het contract, of indien die afkoopwaarden worden vereffend in één van de 5 jaren die aan het normale verstrijken van het contract voorafgaan, voor zover die kapitalen en afkoopwaarden niet dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening. Hierin zijn eveneens begrepen de kapitalen en afkoopwaarden die worden toegekend aan een werknemer of aan een niet in artikel 195, § 1, bedoelde bedrijfsleider en die voortvloeien uit een individuele aanvullende pensioentoezegging wanneer :
- voor die werknemer gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoe- zegging in de onderneming geen collectieve aanvullende pensioentoezegging bestaat of heeft bestaan ;
- die bedrijfsleider gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoe- zegging tijdens geen enkel belastbaar tijdperk regelmatig bezoldigd is ;
e) …
f) …

2°bis tegen een aanslagvoet van 15 pct.:
a) de in artikel 17, § 1, 5°, bedoelde inkomsten die niet worden bedoeld in artikel 37, eerste tot derde lid; b) de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;

2°ter …

2°quater tegen een aanslagvoet van 18 pct., kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd aan de werknemer of bedrijfsleider op de leeftijd van 61 jaar ;

3° tegen een aanslagvoet van 30 pct., de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, andere dan deze bedoeld in de bepalingen onder 2°bis en 3°quater tot 3°octies, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7° ;

3°bis tegen een aanslagvoet van 20 pct.:
a) de in artikel 90, eerste lid, 1°bis en 1°ter, vermelde diverse inkomsten;
b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd:
- aan de werknemer of de bedrijfsleider op de leeftijd van 60 jaar; - aan de werknemer naar aanleiding van de pensionering als bedoeld in artikel 27, § 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belasting- stelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake Sociale Zekerheid, zoals en voor zover het krachtens artikel 104, tweede en derde lid, van de programmawet van 27 december 2021 van kracht blijft, vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar;

3°ter tegen de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, eerste lid, 6°, bedoelde loten waarop de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betrekking hebben ; 3°quater tegen een aanslagvoet van 15 pct., de dividenden die worden uitgekeerd door een beleggingsvennootschap met vast kapitaal bedoeld in de artikelen 195, eerste lid, en 288, § 1, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, die als uitsluitend doel heeft de collectieve belegging in de in artikel 183, eerste lid, 3°, van deze wet bedoelde categorie "vastgoed", door een in deel III, boek I, titel III, van deze wet bedoelde beleggingsvennootschap van gelijke aard of door een gereglementeerde vastgoedvennootschap, of deze beleggings- vennootschap of deze gereglementeerde vastgoedvennootschap haar effecten openbaar aanbiedt in België of niet, voor zover door de betrokken lidstaat een uitwisseling van inlichtingen wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 338 of een gelijkaardige reglementering, in zoverre tenminste 80 pct. van het vastgoed in de zin van artikel 2, 20°, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap, van artikel 2, 5°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennootschappen, rechtstreeks of onrechtstreeks door deze beleggings- vennootschap of door deze gereglementeerde vastgoedvennootschap belegd is in onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn.
Wanneer het vastgoed niet uitsluitend voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend wordt of bestemd is, of slechts gedurende een deel van het belastbaar tijdperk, wordt enkel de verhouding van de tijd en de oppervlakte die werkelijk besteed wordt aan woonzorg of gezondheidszorg in aanmerking genomen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage. De vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage gebeurt door de waarden van de waarderingen en actualiseringen in de zin van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap, overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoed- vennootschappen, die betrekking hebben op onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn op de verschillende referentietijdstippen op te tellen en te delen door de totale waarde van deze waarderingen en actualiseringen op de verschillende referentietijdstippen.
De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het te leveren bewijs van de hierboven vermelde voorwaarden.

3°quinquies tegen een aanslagvoet van 15 pct., de in artikel 21, eerste lid, 5°, bedoelde inkomsten uit spaardeposito's, in zoverre zij meer bedragen dan de in de bepaling onder 5° van dat artikel bepaalde grenzen ;

3°sexies tegen een aanslagvoet van 15 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het derde boekjaar na dat van de inbreng of later, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, vermelde tarief onderworpen te worden; 3°sexies/1 tegen een aanslagvoet van 20 pct., de in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, bedoelde dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de ten laatste op 31 december 2025 verrichte inbreng, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, vermelde tarief onderworpen te worden;

3°septies tegen een aanslagvoet van 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of de in het buitenland geïnde of verkregen dividenden in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval:
- de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje; - de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;

3°octies tegen een aanslagvoet van 25 pct., de inkomsten vermeld in artikel 17, § 1, 6°, ;

4° tegen een aanslagvoet van 16,5 pct. :
a) onverminderd de toepassing van 2°, a, verwezenlijkte meerwaarden op materiële of financiële vaste activa die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaam- heid worden gebruikt en waarvoor niet voor de in artikel 47 vermelde gespreide belasting is geopteerd, en op andere aandelen die sedert meer dan 5 jaar zijn verworven.
De in het vorige lid gestelde voorwaarde van de vijfjarige belegging is niet vereist wanneer de meerwaarden worden verwezenlijkt naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van één of meer takken daarvan ;
b) de in 1°, c, vermelde vergoedingen die worden verkregen naar aanleiding van een handeling verricht vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling. Onder gedwongen handeling wordt verstaan de handeling die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis;
b/1) de in artikel 90, eerste lid, 2° bis bedoelde premies;
c) de in artikel 90, eerste lid, 2°, vermelde prijzen, subsidies, renten en pensioenen ;
d) de in artikel 90, eerste lid, 8°, vermelde meerwaarden, wanneer de goederen waarop zij betrekking hebben meer dan 5 jaar na de verkrijging ervan zijn vervreemd ;
e) de in artikel 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, en 10°, vermelde meerwaarden ;
f) kapitalen en afkoopwaarden die inkomsten vormen zoals bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, wanneer ze niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 169, § 1, en ze aan de begunstigde worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering of bij leven vanaf de leeftijd van 62 jaar, of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, met uitzondering van :
- kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1° ; - kapitalen en afkoopwaarden die krachtens een individuele aanvullende pensioentoezeg- ging, als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, worden toegekend ofwel aan een werknemer als bedoeld in artikel 31 wanneer er gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoezegging in de onderneming geen collectieve aanvullende pensioentoezegging bestaat die beantwoordt aan de voorwaarden van de voornoemde wet, ofwel aan een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32 die, gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoe- zegging, geen bezoldigingen heeft gekregen die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 195, § 1, tweede lid ;
- kapitalen die door werkgevers- bijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en die bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven ; - het kapitalen betreffen die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven ten vroegste bij het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving, worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de leeftijd, waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan, en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven;
- kapitalen die door werkgevers- bijdragen zijn gevormd en worden uitgekeerd in omstandigheden als bedoeld in 3° bis, tweede streepje;
- kapitalen die door werkgevers- bijdragen zijn gevormd en worden uitgekeerd in omstandigheden als bedoeld in 3° bis, b, tweede streepje;
f)bis …
g) kapitalen geldend als pensioenen wanneer die kapitalen door de onderneming worden uitgekeerd aan de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde bedrijfsleider die het statuut van zelfstandige heeft en die is bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan of wanneer die kapitalen naar aanleiding van zijn overlijden worden uitgekeerd aan de persoon die zijn rechtverkrijgende is, zonder dat zij met voorafgaande stortingen zijn gevormd ; h) de afkoop van de gekapitaliseerde waarde van een deel van het wettelijk rust- of overlevingspensioen ;
i) de premies en vergoedingen ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector, andere dan deze opgenomen onder 4°bis ;
j) de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen voor een maximum- bedrag van 12.300 euro bruto per belastbaar tijdperk, betaald of toegekend aan sportbeoefenaars voor een als zodanig verrichte werkzaamheid, voorzover zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 23 jaar op 1 januari van het aanslagjaar;
k) de premie bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot

4°bis tegen een aanslagvoet van 12,5 pct., de premies en betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegekend in het kader van de steunregelingen "rechtstreekse betalingen" zoals ingesteld door de Europese regelgeving in de landbouwsector;

5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten heeft gehad die wordt bepaald op basis van de belasting die verschuldigd is bij toepassing van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 154, verminderd met de belastingverminderingen als vermeld in de artikelen 1451 tot 14516, 14524, 14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548 tot 14550 en 154bis zoals ze voor het betrokken belastbare tijdperk van toepassing waren : a) vergoedingen die al of niet contractueel betaald zijn ten gevolge van stopzetting van arbeid of beëindiging van een arbeids- overeenkomst;
b) vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van beroepsinkomsten als bedoeld in de artikelen 25, 6°, b, 27, tweede lid, 4°, b, 32, tweede lid, 2°, en 33, derde lid, en bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen als vermeld in de artikelen 31 en 34, waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben ;
c) winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid als vermeld in artikel 28, eerste lid, 2° en 3°, a ;
d) vergoedingen die door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft ;
e) de EGKS-vergoedingen die door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening ten gevolge van de herstructurering of sluiting van een onderneming worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft ;
f) de inschakelingsvergoedingen bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk 5, Afdeling 3, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact ; 6° tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten die wordt bepaald op basis van de belasting die verschuldigd is bij toepassing van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 154, verminderd met de in de artikelen 1451 tot 14516, 14526, 14527, 14533, 14535 en 154bis vermelde belastingverminderingen :
- het vakantiegeld dat, tijdens het jaar dat de werknemer of de bedrijfsleider die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald ;
- de in artikel 23, § 1, 2°, vermelde baten die betrekking hebben op gedurende een periode van meer dan 12 maanden geleverde diensten en die door toedoen van de overheid niet betaald zijn in het jaar van de prestaties maar in eenmaal worden vergoed, en zulks uitsluitend voor het evenredige deel dat een vergoeding van 12 maanden prestaties overtreft ;
- de in artikel 90, eerste lid, 4°, vermelde uitkeringen ;
- de in de artikelen 31, tweede lid, 1° en 4°, en 34 bedoelde bezoldigingen en pensioenen van de maand december die door een overheid voor het eerst zijn betaald of toegekend tijdens die maand december in plaats van tijdens de maand januari van het volgend jaar ingevolge een beslissing van die overheid om de bezoldigingen of de pensioenen van de maand december voortaan in de maand december te betalen of toe te kennen in plaats van tijdens de maand januari van het volgend jaar. 7° tegen een aanslagvoet van 10,38 pct. : de gewestelijke weerwerkpremie die, krachtens een voor 1 januari 2006 afgekondigd decreet of ordonnantie of een voor dezelfde datum getroffen besluit, gedurende de periode en onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in dat decreet, ordonnantie of besluit, wordt betaald of toegekend aan een oudere werknemer die ontslagen is uit een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering en die na een periode van werkloosheid terug wordt tewerkgesteld door een nieuwe werkgever, voor zover die premie bruto niet meer bedraagt dan 120 EUR per maand. De begrippen "oudere werknemer", "onderneming in moeilijk- heden of in herstructurering" en "nieuwe werknemer" hebben voor de toepassing van deze bepaling dezelfde betekenis als in het desbetreffende decreet, ordonnantie of besluit.

8° tegen een aanslagvoet van 0 pct.: de in 1° tot 7° vermelde inkomsten waarvoor de belasting bij toepassing van artikel 155 zou worden verminderd indien ze overeen- komstig artikel 130 zouden worden belast.

Art. 171/1. Artikel 171 is niet van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-jobarbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken maar die niet worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, omwille van het overschrijden van het in diezelfde bepaling vermelde maximumbedrag.

Art. 172. Om het belastbare bedrag van de in artikel 171 vermelde inkomsten te bepalen, worden de artikelen 104 tot 106 niet toegepast.
Om te bepalen of de in artikel 90, eerste lid, 8°, b, vermelde meerwaarden belastbaar zijn tegen de aanslagvoet van 33 pct. of van 16,5 pct. wordt de verkrijging van het goed door de schenker in aanmerking genomen. Wanneer de inkomsten bedoeld in artikel 171, 1°, i, en 4°, j, uit verschillende bestanddelen bestaan, wordt elk van die bestanddelen verhoudingsgewijs aangerekend op het bruto bedrag van 12.300 euro en vervolgens wordt het niet aangerekende saldo belast overeenkomstig het fiscaal regime dat op elk van deze bestanddelen van toepassing is.

Art. 173. Verwezenlijkte meerwaarden op financiële vaste activa of andere aandelen worden slechts aan de belasting tegen het tarief van 10 of 16,5 pct. onderworpen in zover het belastbare bedrag ervan hoger is dan het totale bedrag van de vroeger op diezelfde bestanddelen aangenomen minder- waarden, verminderd met het totale bedrag van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, zijn belast.
In voorkomend geval vindt artikel 42, toepassing om te bepalen of de in artikel 171, 4°, a, bedoelde activa zijn vervreemd nadat zij meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt.

Art. 174. Behoudens in geval van overlijden vinden de bepalingen van artikel 171, 1°bis, slechts toepassing op voorwaarde dat :

1° de in artikel 1459, eerste lid, 1°, b, bepaalde minimumlooptijd van 10 jaar verstreken is ;

2° de belastingplichtige gedurende ten minste 5 belastbare tijdperken stortingen heeft verricht op een collectieve of op een individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering ;

3° elke storting gedurende ten minste 5 jaar belegd is gebleven.
… verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk

Art. 174/1. Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 131, 132, 133, 134, § 3, tweede lid, 136, 141, 142, tweede lid, 143, 145, tweede lid, 1456, eerste lid, eerste streepje, 1457, § 1, vierde lid, 1458, § 1, tweede en derde lid, 14526, § 3, vierde lid, 14527, § 2, zesde lid,, 14533, § 1, vierde lid, 147, 151 tot 152, 154, 171, 1°, i, 2° bis, tweede streepje, en 4°, j, en 172, derde lid, vermelde bedragen, desgevallend na toepassing van artikel 178, evenals het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.
Vanaf aanslagjaar 2028, luidt artikel 174/1, eerste lid, als volgt :
Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 131, 132, 133, 134, § 3, tweede lid, 136, 141, 142, tweede lid, 143, 145, tweede lid, 1456, eerste lid, eerste streepje, 1457, § 1, vierde lid, 1458, § 1, tweede en derde lid, 14526, § 3, vierde lid, 14526/1, § 2, eerste lid, 14527, § 2, zesde lid, 14528, § 1, derde lid, 14532, § 1, vierde lid, 14533, § 1, vierde lid, 14534, tweede lid, 1°, en vijfde lid, 147, 151 tot 152, 171, 1°, i, 2° bis, tweede streepje, en 4°, j, en 172, derde lid, vermelde bedragen, desgevallend na toepassing van artikel 178, verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.
Om de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbare tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen. De overeenkomstig het eerste lid verminderde bedragen worden afgerond op het hogere of lagere veelvoud van 10 euro, naargelang de eenheid al dan niet 5 euro bereikt.
In afwijking van het derde lid, worden de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen en het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, na overeenkomstig het eerste lid te zijn verminderd, afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
Vanaf aanslagjaar 2028, luidt artikel 174/1, vierde lid, als volgt :
In afwijking van het derde lid, worden de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen, na overeenkomstig het eerste lid te zijn verminderd, afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
de belasting.

Art. 175. Op de totale belasting, verhoogd tot 106 pct., vermeerderd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, en 168/1, bedoelde vermeerderingen en verminderd met,

1° de als voorheffing, als forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en als federaal of gewestelijk belastingkrediet verrekenbare bedragen,

2° het bedrag van de voorafbetalingen die nodig zijn om de in artikel 157 genoemde vermeerdering te vermijden,
wordt een bonificatie verleend in zover die belasting op de door de Koning vastgestelde wijze is voorafbetaald (1).


(1) art. 64 tot 71, KB/WIB 92.

Art. 176. Het gedeelte van de in artikel 157 bedoelde voorafbetalingen dat hoger is dan het in artikel 175, 2°, genoemde bedrag, komt in aanmerking als een voorafbetaling die recht geeft op bonificatie.

Art. 177. De in artikel 175 vermelde bonificatie is gelijk aan het bedrag van de voorafbetalingen vermenigvuldigd met 1,5 maal, 1,25 maal, 1 maal en 0,75 maal de in artikel 161 vermelde basisrentevoet naar gelang zij uiterlijk op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van het jaar vóór dat waarvoor het aanslagjaar wordt genoemd, zijn gedaan.

Art. 178.

§ 1. De bedragen die in deze titel en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt in euro, worden met betrekking tot inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3.

§ 2. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast :

1° het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt ; 2° de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet 5 bereikt.
Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen, met uitzondering van die vermeld in de artikelen 21, eerste lid, 14°, 66bis, derde lid, 14535, zesde lid, van het in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, vermelde bedrag van de kilometervergoeding en van de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen, afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. Het bedrag van de kilometervergoeding vermeld in artikel 38, § 1, eerste lid 14°, a, het bedrag vermeld in artikel 66bis, derde lid, en de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen worden afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt. Het in artikel 14535, zesde lid, vermelde bedrag wordt afgerond tot op het hogere of lagere veelvoud van 10 cent naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt. Het in artikel 21, eerste lid, 14°, vermelde bedrag, wordt afgerond tot de hogere of lagere euro naargelang het cijfer van de centen al dan niet 50 bereikt.

§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de in de artikelen 131 tot 133, 134, §§ 3 en 4, 136 en 141 tot 143 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt :

1° voor de aanslagjaren 1994 tot 1999 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 ;

2° voor de aanslagjaren 2000 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991. In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 21, 1456 tot 1458, en 14533, vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:

1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;

2° voor de aanslagjaren 2019 en 2020 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;

3° voor de aanslagjaren 2021 tot 2024 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2018, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;

4° voor de aanslagjaren 2025 tot 2030 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2023, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018. 5° voor de aanslagjaren 2031 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2028 en 2023.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat het in artikel 38, § 1, eerste lid, 9, c, bedoelde bedrag betreft, de aanpassing vanaf het aanslagjaar 2026 verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2024 en 2023.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 147, 151 tot 152 en 154 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
Vanaf aanslagjaar 2028, luidt de inleidende zin van artikel 178, § 3, derde lid, als volgt :
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 147 en 151 tot 152 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:

1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991; 2° voor de aanslagjaren 2019 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012.
In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, vermelde bedragen voor het aanslagjaar 2021 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig het vierde lid, 2°. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2022 tot 2024.
In afwijking van het tweede lid, 4°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, bedoelde bedragen voor het aanslagjaar 2026 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk rekening houdende met het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2023. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2027 tot 2030.

§ 4. In afwijking van § 2, eerste lid, zijn de in artikel 38, § 4, vermelde bedragen gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021. Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens welk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De Federale Overheids- dienst Financiën vermeldt die inlichting eveneens op zijn webstek.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1, worden de volgende bedragen niet geïndexeerd : 1° de in artikel 38/1 vermelde bedragen;

2° het in artikel 53, 14°, vermelde bedrag;

2°/1 het in artikel 57, vierde lid, vermelde bedrag;

3° de bedragen van het brutodag- of uurloon bedoeld in artikel 67ter, § 1;
Vanaf aanslagjaar 2027, wordt art. 178, § 5, 3°, opgeheven.

3° …

3°/1 de in de artikelen 134, § 3, tweede lid, en 145, tweede lid, bedoelde bedragen;

§ 6. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt het bedrag opgenomen in artikel 38, § 1, eerste lid, 24°, gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2012, 119,95. Dit bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast volgens de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn, en gedeeld door de gezondheidsindex van de maand november 2012. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond.

§ 7. De toepassing van dit artikel mag geen aanleiding geven tot een lager bedrag dan dat van het jaar voordien, met uitzondering voor de bepalingen bedoeld in de paragrafen 4 en 6.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. WAALSE GEWEST

Art. 178/1.

§ 1. De belastingverminderingen als vermeld in de artikelen 1451 tot 14516, 14526, 14527, 14533, 14535, en 154bis, worden aangerekend op de gereduceerde belasting Staat met betrekking tot de overeenkomstig artikel 130 belaste inkomsten en op de belasting met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en de meerwaarden op roerende waarden en titels die belastbaar zijn op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, wanneer deze overeenkomstig artikel 130 worden belast.
De in het eerste lid vermelde belasting- verminderingen die niet kunnen worden aangerekend op de aldaar vermelde belasting, worden aangerekend op de gewestelijke personenbelasting met betrekking tot de overeenkomstig artikel 130 belaste inkomsten.

§ 2. De belastingverminderingen en kortingen worden aangerekend op de belasting met betrekking tot elke inkomenscategorie, in verhouding tot de belasting die op elk van die categorieën betrekking heeft.
De belastingverminderingen worden aangerekend in de hierna vermelde volgorde: 1° eerst worden de belastingverminderingen aangerekend die niet in een belastingkrediet kunnen worden omgezet en geen aanleiding kunnen geven tot een latere belastingheffing en dit in de volgorde waarin ze in dit Wetboek zijn opgenomen;

2° vervolgens worden de belastingverminde- ringen aangerekend die niet in een belastingkrediet kunnen worden omgezet maar wel aanleiding kunnen geven tot een latere belastingheffing en dit in de volgorde waarin ze in dit Wetboek zijn opgenomen;

3° tenslotte worden de belastingverminderingen aangerekend die in een belastingkrediet kunnen worden omgezet. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. WAALSE GEWEST

Art. 179. Aan de vennootschapsbelasting zijn de binnenlandse vennootschappen onderworpen en de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Art. 179/1. De in artikel 220 bedoelde verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen, die erkend zijn als in aanmerking komende productievennootschap of in aanmerking komende tussenpersoon als bedoeld in de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3, zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar verbonden aan een belastbaar tijdperk waarin ze een raamovereenkomst op grond van artikel 194ter, 194ter/1 of 194ter/3 hebben gesloten en voor de drie daaropvolgende aanslagjaren.

Art. 180. Aan de vennootschapsbelasting zijn niet onderworpen :

1° in het tweede lid bedoelde intercommunales, samenwerkingsverbanden, project- verenigingen, autonome gemeentebedrijven en verenigingen die, in het kader van hun maatschappelijk belang, hoofdzakelijk :
- een ziekenhuis zoals gedefinieerd in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, uitbaten; of 473 - een instelling die oorlogsslachtoffers, mindervaliden, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaat, uitbaten;

2° …

3° de Delcredere;

4° de Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid ;

5° … ;

5°bis het Participatiefonds - Vlaanderen, het Participatiefonds - Wallonië en het Participatiefonds - Brussel;

6° de Waalse vervoersoperator "Opérateur de Transport de Wallonie";

7° de Vlaamse Vervoermaatschappij en de autonome exploitatieëntiteiten binnen de Maatschappij ;

8° de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel ;

9° waterzuiveringsmaatschappijen beheerst door de wet van 26 maart 1971 ;

10° ... ;

11° de vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk Enabel, Belgisch Ontwikkelingsagentschap;

12° de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel ;

13° de naamloze vennootschap van publiek recht ASEVA.
De in het eerste lid, 1° bedoelde intercommunales, samenwerkingsverbanden, projectverenigingen, autonome gemeentebedrijven en verenigingen zijn :
a) intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales; b) intercommunales beheerst door het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2006 tot wijziging van Boek V van het eerste deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en betreffende de wijzen van samenwerking tussen gemeenten;
c) samenwerkingsverbanden, met uitzondering van interlokale verenigingen, beheerst door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
d) projectverenigingen beheerst door het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2006 tot wijziging van Boek V van het eerste
democratie en de decentralisatie en betreffende de wijzen van samenwerking tussen gemeenten;
e) autonome gemeentebedrijven beheerst door de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988;
f) autonome gemeentebedrijven beheerst door het gemeentedecreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 juli 2005;
g) de verenigingen beheerst door hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
h) de verenigingen beheerst door titel VIII van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Art. 181. Aan de vennootschapsbelasting zijn ook niet onderworpen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en :

1° uitsluitend of hoofdzakelijk het bestuderen, het beschermen en het bevorderen van de professionele of interprofessionele belangen van hun leden tot doel hebben ; 2° het verlengstuk of de emanatie zijn van rechtspersonen als vermeld onder 1°, wanneer ze uitsluitend of hoofdzakelijk tot doel hebben het vervullen, in naam en voor rekening van hun aangeslotenen, van alle of van een deel van de verplichtingen of formaliteiten die aan die aangeslotenen zijn opgelegd wegens het feit dat zij personeel tewerkstellen of ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving, of het helpen van hun aangeslotenen bij het vervullen van die verplichtingen of formaliteiten ;

3° ter uitvoering van de sociale wetgeving belast zijn met het innen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de fondsen bestemd voor de toekenning van de voordelen bepaald in die wetgeving ;

4° uitsluitend of hoofdzakelijk het verstrekken of het steunen van onderwijs tot doel hebben ;

5° uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstellingen tot doel hebben ;

6° door de bevoegde organen van de Gemeenschappen als dienst voor gezins- en bejaardenhulp zijn erkend ;

7° erkend zijn voor de toepassing van artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, b, d, e, h tot l, 2° en 3°, of erkend zouden zijn indien ze daartoe een aanvraag indienden of omdat ze aan alle voorwaarden voldoen waaraan de erkenning is onderworpen behoudens die welke erin bestaat de bedrijvigheid op nationaal vlak te ontwikkelen of een invloedssfeer te hebben die één van de gemeenschappen of gewesten of het gehele land bestrijkt, naar het geval. 8° onder toepassing vallen van Deel 3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, voor zover hun activiteit louter bestaat in certificatie in de zin van de wet van 15 juli 1998 betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen, en de door hen uitgegeven certificaten krachtens artikel 13, § 1, eerste lid, van dezelfde wet voor de toepassing van het WIB 1992 gelijkgesteld worden met de effecten waarop ze betrekking hebben.

Art. 182. Voor verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven worden niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt :

1° alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen ;

2° verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht ;

3° verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouw- verrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd. 477

Art. 183. Onder voorbehoud van de in deze titel omschreven afwijkingen zijn, wat hun aard betreft, de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd ; het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.

Art. 183bis. Voor de toepassing van de artikelen 45, § 1, eerste lid, 46, § 1, eerste lid, 2°, 95, eerste lid, 211, § 1, eerste lid, en 231, § 2, eerste lid, mag de verrichting niet als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben.
Wanneer de verrichting niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de verrichting betrokken vennootschappen, kan dit doen vermoeden, behalve het bewijs van het tegendeel, dat die verrichting als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft.

Art. 183quinquies. artikel 183quinquies van hetzelfde Wetboek vrijgesteld zijn van de taks.
Art. 41 Art. 41
Pour l'application des articles 24, alinéa 1er, 2°, 27, alinéa 2, 3° et 28, sont considérées comme affectées à l'exercice de l'activité professionnelle :
Voor de toepassing van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3° en 28, worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt :

1° les immobilisations acquises ou constituées dans le cadre de cette activité professionnelle et figurant parmi les éléments de l'actif ;

1° de vaste activa die in het kader van die werkzaamheid zijn aangeschaft of vervaardigd en als activabestanddeel zijn geboekt ;

2° les immobilisations ou la partie de celles-ci en raison desquelles des amortissements ou des réductions de valeur sont admis fiscalement ;

2° de vaste activa of gedeelten ervan waarvoor fiscaal afschrijvingen of waardevermin- deringen zijn aangenomen ;

3° les immobilisations incorporelles constituées pendant l'exercice de l'activité professionnelle et qui figurent ou non parmi les éléments de l'actif.

3° de immateriële activa die tijdens de beroepswerkzaamheid tot stand zijn gekomen, ongeacht of zij als activabestanddeel zijn geboekt.
Art. 42 Art. 42
Les éléments qui ont fait l'objet d'un acte d'aliénation soumis à une condition résolutoire sont censés, par dérogation à l'article 1183 du Code civil, n'avoir été affectés à l'exercice de l'activité professionnelle qu'à partir de la date à laquelle cette condition s'est accomplie.
In afwijking van

Art. 184. Het gestort kapitaal is het kapitaal voor zover dat gevormd wordt door werkelijk gestorte inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid, en in zoverre er geen terugbetaling of vermindering heeft plaatsgevonden. In zoverre zij niet in het eerste lid zijn bedoeld, worden uitgiftepremies en andere bedragen waarop wordt ingeschreven door werkelijk gestorte inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid, ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen, gelijkgesteld met het gestort kapitaal op voorwaarde dat ze op een of meer afzonderlijke rekeningen onder het eigen vermogen op het passief van de balans worden en blijven vermeld.
In verenigingen, stichtingen, vennoot- schappen en andere instellingen die rechts- persoonlijkheid bezitten en die een belangeloos doel nastreven zijn de eerste twee leden alleen van toepassing op het gedeelte van de inbrengen die door de inbrenger of zijn rechthebbenden wettelijk kunnen worden teruggenomen.
Ingeval van een inbreng van aandelen waarvoor de meerwaarden ofwel zijn vrijgesteld krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, en niet vallen onder de vrijstelling van meerwaarden op aandelen bepaald in artikel 192, ofwel niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje, of artikel 228, § 2, 9°, h, is het gestort kapitaal naar aanleiding van ruil van nieuwe aandelen uitgegeven door de inbrengverkrijgende vennootschap gelijk aan de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger. Bij gebrek hieraan, wordt het gestort kapitaal geacht overeen te stemmen met de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd, in het totaal gestort kapitaal van de vennootschap waarvan ze de vertegenwoordiging zijn. Voor het overige wordt deze inbreng als een belaste reserve aangemerkt.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 184, vierde lid, als volgt : Ingeval van een inbreng van aandelen waarvoor de meerwaarden ofwel zijn vrijgesteld krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, en niet vallen onder de vrijstelling van meerwaarden op aandelen bepaald in artikel 192, ofwel niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje, of artikel 228, § 2, 9°, h, is het gestort kapitaal naar aanleiding van ruil van nieuwe aandelen uitgegeven door de inbrengverkrijgende vennootschap gelijk aan de aanschaffingswaarde in voorkomend geval met toepassing van artikel 102, tweede lid, van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger. Bij gebrek hieraan, wordt het gestort kapitaal geacht overeen te stemmen met de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd, in het totaal gestort kapitaal van de vennootschap waarvan ze de vertegenwoordiging zijn. Voor het overige wordt deze inbreng als een belaste reserve aangemerkt.
In de andere gevallen dan het in het vorige lid bedoelde geval, wordt het gestort kapitaal geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen in de mate dat de inbreng wordt vergoed in aandelen.
Voor de toepassing van deze titel, wordt het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gestort kapitaal en de bedragen die overeenkomstig het tweede lid met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, geacht niet verminderd te zijn ten belope van de terugbetalingen die overeenkomstig artikel 18, tweede tot vijfde lid, als dividenden op de belaste reserves of op de vrijgestelde reserves zijn aangerekend.

Art. 184bis.

§ 1 Wanneer een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht en de door de inbrenger gerealiseerde meerwaarde wordt vrijgesteld krachtens artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die de inbreng had bij de inbrenger.



Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 184bis, § 1, 1e lid, als volgt :

§ 1 Wanneer een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht en de door de inbrenger gerealiseerde meerwaarde wordt vrijgesteld krachtens artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die de inbreng had bij de inbrenger.
Ingeval deze verrichting niet valt onder artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, met als enige reden dat er aan de in artikel 46, § 1, derde lid, 3°, bedoelde voorwaarde niet is voldaan, dan :
- wordt het gestorte kapitaal dat in hoofde van de inbrengverkrijgende vennootschap voortkomt uit de inbreng, geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van de in deze vennootschap verrichte inbreng ;
- wordt de aanschaffingswaarde van de ingebrachte bestanddelen geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde die deze hadden bij de inbrengende vennootschap op de datum waarop de verrichting plaatsvond.

§ 2. Wanneer een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap wordt ingebracht onder de voorwaarden voor toepassing van artikel 231, §§ 2 en 3, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op het ogenblik van de inbreng, de inrichting had bij de inbrenger, na aftrek van:

1° de belaste reserves ;

2° de vrijgestelde reserves. § 3. Ingeval een binnenlandse vennootschap vanwege een buitenlandse vennootschap een buitenlandse inrichting of in het buitenland gelegen bestanddelen verkrijgt ten gevolge van een inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen tegen de uitgifte van aandelen die het kapitaal van deze binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen, die in het buitenland al dan niet is vrijgesteld met toepassing van bepalingen gelijkaardig aan artikel 46, dan vormt de naar aanleiding van deze verrichting verkregen netto- boekwaarde van deze verkregen inrichting of bestanddelen, gestort kapitaal ten name van deze binnenlandse vennootschap.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 184bis, § 3, 1e lid, als volgt :

§ 3. Ingeval een binnenlandse vennootschap vanwege een buitenlandse vennootschap een buitenlandse inrichting of in het buitenland gelegen bestanddelen verkrijgt ten gevolge van een inbreng van één of meer bedrijfstakken of van een algemeenheid van goederen tegen de uitgifte van aandelen die het kapitaal van deze binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen, die in het buitenland al dan niet is vrijgesteld met toepassing van bepalingen gelijkaardig aan artikel 46, dan vormt de naar aanleiding van deze verrichting verkregen netto-boekwaarde van deze verkregen inrichting of bestanddelen, gestort kapitaal ten name van deze binnenlandse vennootschap.
Deze netto-boekwaarde is gelijk aan de boekwaarde van de activa van de inrichting of van de bestanddelen verminderd met de boekwaarde van de eraan verbonden schulden. § 4. Ingeval een binnenlandse vennootschap een intra-Europese vennootschap geheel of gedeeltelijk overneemt naar aanleiding of ten gevolge van een fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting, stemt het ten gevolge van deze verrichting in hoofde van de binnenlandse vennootschap gestorte kapitaal overeen met het kapitaal, de uitgiftepremies en de bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen in de mate en binnen de grenzen bedoeld in artikel 184, eerste en tweede lid, en ingeval van een splitsing of een met een splitsing gelijkgestelde verrichting met toepassing van de verhouding bedoeld in artikel 213.
De andere bestanddelen van het eigen vermogen worden als belaste reserves aangemerkt, met uitzondering van de vrijgestelde reserves verbonden aan een Belgische inrichting van de overgenomen of gesplitste vennootschap.
In de in deze paragraaf bedoelde gevallen wordt het bedrag aan gestort kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap verminderd ten belope van het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven. Deze vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de vrijgestelde reserves en ten slotte op het gestort kapitaal. In de mate echter de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap, wordt de vermindering verhoudingsgewijs aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend. Geen enkele vermindering wordt aangerekend op de meerwaarden en kapitaalsubsidies, noch, indien de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap, op de vrijgestelde reserves verbonden aan de Belgische inrichting, noch daarenboven op de vrijgestelde waarde- verminderingen en provisies, die als dusdanig voorkomen in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen. ----------
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 184bis, § 4, derde lid, als volgt :
In de in deze paragraaf bedoelde gevallen, behalve die van een vereenvoudigde zusterfusie, wordt het bedrag aan gestort kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap verminderd ten belope van het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven. Deze vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de vrijgestelde reserves en ten slotte op het gestort kapitaal. In de mate echter de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap, wordt de vermindering verhoudingsgewijs aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend. Geen enkele vermindering wordt aangerekend op de meerwaarden en kapitaalsubsidies, noch, indien de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap, op de vrijgestelde reserves verbonden aan de Belgische inrichting, noch daarenboven op de vrijgestelde waarde- verminderingen en provisies, die als dusdanig voorkomen in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen.

§ 5. Ingeval een buitenlandse vennootschap haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer naar België overbrengt en ten gevolge van deze overbrenging onderworpen wordt aan de Belgische vennootschapsbelasting, dan wordt ten name van de ten gevolge van deze overbrenging ontstane binnenlandse vennootschap, het bedrag van het gestorte kapitaal geacht overeen te stemmen met het kapitaal, de uitgiftepremies en de bedragen waarop ingeschreven is ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen, in de mate en binnen de grenzen bedoeld in artikel 184, eerste en tweede lid. De andere bestanddelen van het eigen vermogen worden als belaste reserves aangemerkt, met uitzondering van de vrijgestelde reserves verbonden aan een Belgische inrichting waarover die buitenlandse vennootschap beschikte vóór de overbrenging.
In afwijking van het tweede lid worden de andere uit het buitenland overgebrachte bestanddelen van het eigen vermogen als vrijgestelde reserves aangemerkt indien de overbrenging gebeurt vanuit een vennootschap als bedoeld in artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, behalve wanneer die vennootschap gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Unie en daar aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen is onderworpen.
De in het derde lid vermelde vrijstelling is en blijft van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.

Art. 184quater. Een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt, kan een liquidatiereserve aanleggen.
Deze liquidatiereserve wordt gevormd door een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belasting over te boeken naar één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief.
De liquidatiereserve moet op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief worden geboekt en blijven en mag niet tot grondslag dienen voor enige beloning of toekenning.
De belastingplichtige moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar waarin de liquidatiereserve wordt aangelegd, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
Indien een gedeelte van de liquidatiereserve wordt aangetast, worden de oudst gevormde reserves geacht eerst te zijn aangetast.
Deze liquidatiereserve kan niet worden aangelegd zolang de in het eerste lid bedoelde vennootschap aandelen of deelbewijzen van een Carried interest vehikel bezit, daaronder begrepen het jaar waarin deze aandelen of deelbewijzen definitief zijn vervreemd en voor zover deze aldus onrechtstreeks worden aangehouden door een Carried interest begunstigde. 491

Art. 184quinquies. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 30 van de wet van 12 augustus 2000 houdende diverse bepalingen betreffende de organisatie van de financiële markten en diverse andere bepalingen, artikel 347 van de programmawet van 22 december 2003, artikel 154 van de programmawet van 27 december 2005 en van artikel 3 van de wet van 29 mei 2018 tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrijven, vindt de overgang van een voorheen aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersoon naar de vennootschapsbelasting plaats onder de volgende voorwaarden:

1° onder voorbehoud van de bepaling van artikel 184ter, § 1, eerste lid, het deel van het kapitaal, van de uitgiftepremies, van de bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen of van andere inbrengen in geld of in natura, dat voorheen werkelijk werd gestort en waarvan geen terugbetaling of vermindering heeft plaatsgevonden tijdens de boekjaren afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt aangemerkt als gestort kapitaal in de zin van artikel 184 onder de voorwaarden bedoeld in het eerste tot derde lid van dat artikel;

2° de voorheen gereserveerde winsten, al dan niet geïncorporeerd in kapitaal, en de voorzieningen voor risico's en kosten die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden als reeds belaste reserves beschouwd; 3° de herwaarderingsmeerwaarden en de kapitaalsubsidies die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden slechts vrijgesteld voor zover ze op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt blijven en niet tot grondslag dienen voor enige beloning of toekenning;

4° de kosten die werkelijk door de rechtspersoon worden gedragen tijdens een aanslagjaar dat aanvangt vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorziening voor risico's en kosten in de zin van de boekhoudwetgeving die werd aangelegd tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de rechtspersonenbelasting was onderworpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar tijdens hetwelk zij werkelijk zijn gedragen voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49;

5° definitieve verliezen op activa, die door de rechtspersoon zijn verwezenlijkt in de zin van artikel 49 tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een waardevermindering geboekt tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de rechtspersonenbelasting was onder- worpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar gedurende hetwelk deze werden gerealiseerd;

6° de in hoofde van de rechtspersoon in aanmerking te nemen afschrijvingen, min- of meerwaarden op activa worden bepaald alsof de rechtspersoon altijd aan de vennootschapsbelasting onderworpen is geweest; 7° de door de rechtspersoon voorheen geleden verliezen die zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, mogen niet in rekening worden gebracht voor de bepaling van de belastbare grondslag van aanslagjaren voor dewelke de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen.
Elke terugname van een in het eerste lid vermelde waardevermindering zal, in voorkomend geval, het voorwerp uitmaken van een verhoging van de begintoestand van de belaste reserves van het desbetreffende aanslagjaar ten belope van het bedrag van deze terugname.
Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een belastbaar tijdperk voor hetwelk de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva vermeld in artikel 24, eerste lid, 4°, worden vastgesteld, worden deze, in afwijking van artikel 361, niet als winst van dit belastbaar tijdperk aangemerkt op voorwaarde dat de rechtspersoon aantoont dat deze hun oorsprong vinden tijdens een belastbaar tijdperk voor hetwelk zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen was.

Art. 184ter.

§ 1. Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 214, § 1, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto-actief vermeld in artikel 14:42 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, dat het kapitaal uitmaakt van een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende sociale ondernemingof dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 190. Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 3°, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto actief bedoeld in boek II,
maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, dat het kapitaal van een vennootschap uitmaakt of dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 190.

§ 2. Ingeval van verkrijging door fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting, door een binnenlandse vennootschap van een buitenlandse inrichting of in het buitenland gelegen bestanddelen, worden de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
Ingeval van de overbrenging naar België van haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap worden voor wat betreft de bestanddelen aangewend in de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
In geval van de overdracht van één of meerdere bestanddelen verbonden aan een buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting naar de Belgische voornaamste inrichting, de zetel van bestuur of beheer of een andere Belgische inrichting, worden de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. In geval van de overdracht van één of meerdere Belgische bestanddelen naar een buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, worden de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld overeenkomstig artikel 185/1 uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
Indien de waarde van deze bestanddelen naar aanleiding van een in het eerste tot derde lid bedoelde verrichting werd vastgesteld door de Staat waar deze bestanddelen op het ogenblik van de verrichting zijn gelegen, en de niet gerealiseerde meerwaarde op deze bestanddelen ten gevolge van deze verrichtingen daadwerkelijk door deze Staat in de belastinggrondslag wordt opgenomen, wordt de door deze Staat vastgestelde waarde vermoed overeen te stemmen met werkelijke waarde ervan, tenzij kan worden aangetoond dat de door deze Staat vastgestelde waarde hoger is dan de werkelijke waarde.
Het vijfde lid is enkel van toepassing voor wat de bestanddelen betreft die op het ogenblik van de verrichting gelegen zijn in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst heeft gesloten of die met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat dit akkoord, deze overeenkomst of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen mogelijk maakt met het oog op de toepassing van het interne recht van de overeenkomstsluitende Staten.
Indien het vijfde lid niet van toepassing is, wordt de werkelijke waarde van de in het eerste tot derde lid bedoelde bestanddelen vermoed overeen te stemmen met de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek zouden hebben voorgedaan, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Behalve wanneer die vennootschap gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en daar aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen is onderworpen, is het tweede lid niet van toepassing indien de overbrenging gebeurt vanuit een in artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde vennootschap. In dat geval worden de later gerealiseerde waardeverminderingen, meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek in aanmerking zouden zijn genomen en worden de afschrijvingen met betrekking tot de op het moment van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde.
In de in het tweede lid bedoelde gevallen blijven wat de in dat lid geviseerde inrichting en bestanddelen betreft, de bepalingen van dit Wetboek op de wijze en onder de voorwaarden als daarin zijn gesteld, van toepassing op de waardeverminderingen, voorzieningen, onder- en overwaarderingen, kapitaalsubsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves met betrekking tot de Belgische inrichting of de in België gelegen bestanddelen van de vennootschap voorafgaand aan de verplaatsing van haar zetel naar België. De overbrenging mag niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd.
Voor zover, wat betreft in België geaffecteerde of gelegen bestanddelen, meerwaarden worden uitgedrukt naar aanleiding van een in het tweede lid bedoelde overbrenging, worden deze gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden. In het geval het vijfde lid niet van toepassing is, worden de afschrijvingen met betrekking tot de op het ogenblik van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen, in afwijking van het eerste tot derde lid, evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde en worden de later gerealiseerde minderwaarden of waardeverminderingen op deze bestanddelen vastgesteld uitgaande van de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan.

§ 3. De fiscale nettowaarde van een bestanddeel is de boekwaarde van dit bestanddeel, gecorrigeerd voor :
- de uitgedrukte, niet belaste meerwaarden van welke aard ook, tenzij in de mate het bedrag van deze meerwaarde teruggevonden wordt tussen de belaste reserves wegens de verwerping als beroepskost van afschrijvingen op deze uitgedrukte meerwaarde, en met uitzondering van de in artikel 511, § 2, vermelde meerwaarden uit de herschatting van bepaalde activa ;
- de niet als beroepskosten aanvaarde afschrijvingen en, tenzij voor wat betreft aandelen andere dan de eigen aandelen van de vennootschap, de niet in aftrek aanvaarde waardeverminderingen ;
- de fiscaal in aanmerking genomen onderschattingen van voorraad of van activa, en overschattingen van passiva. De totale fiscale nettowaarde van de in het eerste lid bedoelde bestanddelen overgenomen door een vennootschap, een inrichting of een inbreng, vastgesteld naar aanleiding van een inbreng van een bedrijfsafdeling, een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen, een fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting, is bepaald onder aftrek van alle eraan verbonden schulden ten aanzien van derden, en is gelijk aan het verschil tussen de fiscale waarde van de ingebrachte activa en de fiscale waarde van de ingebrachte schulden, verminderd met de vrijgestelde waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen en de vrijgestelde voorzieningen voor risico's en kosten als bedoeld in artikel 48, doch met uitsluiting van de voorziening voor sociaal passief, voor zover ze terug te vinden zijn in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen. Deze totale fiscale nettowaarde kan niet lager zijn dan nul.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 184ter, § 3, tweede lid, als volgt :
De totale fiscale nettowaarde van de in het eerste lid bedoelde bestanddelen overgenomen door een vennootschap, een inrichting of een inbreng, vastgesteld naar aanleiding van een inbreng van een bedrijfstak of van een algemeenheid van goederen, een fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting, is bepaald onder aftrek van alle eraan verbonden schulden ten aanzien van derden, en is gelijk aan het verschil tussen de fiscale waarde van de ingebrachte activa en de fiscale waarde van de ingebrachte schulden, verminderd met de vrijgestelde waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen en de vrijgestelde voorzieningen voor risico's en kosten als bedoeld in artikel 48, doch met uitsluiting van de voorziening voor sociaal passief, voor zover ze terug te vinden zijn in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen. Deze totale fiscale nettowaarde kan niet lager zijn dan nul.



490

Art. 185.

§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen, met uitzondering van het gedeelte van de aan natuurlijke personen toegekende dividenden van overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en erkende vennootschappen dat niet meer bedraagt dan 125 euro per natuurlijke persoon. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede lid. De vennootschappen zijn tevens belastbaar op de aan een vaste inrichting toerekenbare winst die vrijgesteld is op grond van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die met een lidstaat van de Europese Unie gesloten werd, indien die winst verwezenlijkt werd in het kader van een hybridemismatch en niet belastbaar is in het rechtsgebied van de vaste inrichting omdat die als vaste inrichting niet wordt beschouwd.
Indien een of meer geassocieerde entiteiten die geen inwoner zijn in totaal een direct of indirect belang hebben van 50 pct. of meer van de stemrechten, de kapitaalbelangen of de rechten op een deel van de winst van een in artikel 29 bedoelde entiteit die is opgericht of gevestigd in België, zich bevinden in een rechtsgebied dat of in rechtsgebieden die de entiteit als een belastingplichtige aanmerken, wordt de entiteit, in afwijking van het eerste lid en van artikel 29, beschouwd als inwoner van België en belast op haar inkomsten voor zover die inkomsten niet anderszins worden belast krachtens de Belgische wetgeving of die van een ander rechtsgebied.
Het derde lid is niet van toepassing op instellingen voor collectieve belegging.

§ 2. Voor twee vennootschappen die deel uitmaken van een multinationale groep van verbonden vennootschappen en met betrekking tot hun grensoverschrijdende onderlinge relaties :
a) indien tussen de twee vennootschappen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke vennootschappen, mag winst die één van de vennootschappen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die vennootschap ; b) indien in de winst van een vennootschap winst is opgenomen die eveneens is opgenomen in de winst van een andere vennootschap die gevestigd is in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en die in hoofde van die andere vennootschap reeds werd belast, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die deze andere vennootschap zou hebben behaald indien tussen de twee vennootschappen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke vennootschappen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van de eerstbedoelde vennootschap op passende wijze herzien.

§ 2/1. In afwijking van paragraaf 1, en onverminderd artikel 203, § 1, 6°, zijn de inkomsten die verwezenlijkt werden in het kader van een hybridemismatch en niet opgenomen zijn in de winst van de Belgische vennootschappen of inrichtingen die de gerechtigden zijn tot die winst of op grond van de wetgeving van een andere Staat als dusdanig beschouwd worden, belastbaar of naargelang het geval niet aftrekbaar, voor zover een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan die inkomsten van de belastbare inkomsten mag aftrekken.
De volgende inkomsten die verwezenlijkt zijn in het kader van een hybridemismatch worden bedoeld :
a) een inkomen dat verwezenlijkt werd in het kader van een financieel instrument, wanneer de aftrek ervan in hoofde van de buitenlandse onderneming of van een vestiging daarvan, samen met de niet- belasting in hoofde van de Belgische vennootschappen of inrichtingen die er de gerechtigden toe zijn of die als dusdanig beschouwd worden op grond van de wetgeving van een andere Staat, terug te voeren is op de verschillen in de kwalificatie van het financieel instrument. Een inkomen dat de onderliggende opbrengst van een overgedragen financieel instrument vormt, geeft geen aanleiding tot een hybridemismatch wanneer het inkomen betaald wordt door een financieel handelaar in het kader van een hybrideoverdracht op de markt, op voorwaarde dat het rechtsgebied van de betaler van de financieel handelaar eist dat hij alle bedragen die hij in verband met het overgedragen financiële instrument heeft ontvangen, als inkomsten opneemt.
Voor de toepassing van deze bepaling, worden verstaan onder :
- financieel instrument : elk instrument dat leidt tot rendement op vreemd of eigen vermogen dat wordt belast volgens de regels voor het belasten van vreemd vermogen, eigen vermogen en derivaten uit hoofde van de Belgische wetgeving of van de wetgeving van de Staat van de buitenlandse onderneming of van de vestiging daarvan, met inbegrip van elke hybrideoverdracht;
- hybrideoverdracht op de markt : een hybrideoverdracht waartoe door een financieel handelaar wordt overgegaan in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten, en niet als onderdeel van een gestructureerde regeling;
- financieel handelaar : een persoon of entiteit die als beroepsactiviteit regelmatig voor eigen rekening financiële instrumenten koopt en verkoopt, met als doel winst te maken;
b) een inkomen betaald door een buitenlandse onderneming of door een vestiging daarvan, die een hybride-entiteit is, voor zover dat inkomen voor die hybride-entiteit aftrekbaar is van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de Belgische vennoot- schappen of inrichtingen aan wie dat inkomen betaald werd of als dusdanig beschouwd wordt op grond van de wetgeving van een andere Staat. § 3. Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en waarvan de winsten behaald in deze inrichtingen of door middel van deze activa bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting door België worden vrijgesteld, blijft buiten beschouwing om de belastbare grondslag vast te stellen, tenzij het definitieve beroepsverliezen geleden binnen een lidstaat van de Europese Economische Ruimte betreft.
Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en waarvan de belasting op de winst behaald in deze inrichtingen of door middel van deze activa bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd, blijft in dezelfde verhouding buiten beschouwing om de belastbare grondslag vast te stellen, als de mate waarin deze overeenkomst de belasting op de winst vermindert, tenzij het definitieve beroepsverliezen geleden binnen een lidstaat van de Europese Economische Ruimte betreft.
Aan het belastbare inkomen wordt een bedrag toegevoegd ter grootte van de vorige beroepsverliezen die in de loop van een belastbaar tijdperk dat is aangevangen voor 1 januari 2020 werden geleden binnen een buitenlandse inrichting waarvan de winst werd vrijgesteld of waarvan de belasting op de winst werd verminderd krachtens een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting, in de mate dat deze verliezen in enig belastbaar tijdperk door de vennootschap werden verrekend met de Belgische winst of de niet bij verdrag vrijgestelde winst, en beperkt tot:
- het proportionele gedeelte van deze verliezen, waarvoor de vennootschap met betrekking tot het belastbare tijdperk niet langer aantoont dat dit niet in aftrek is genomen van de winsten van deze buitenlandse inrichting die door de Staat waar deze inrichting is gelegen werden vastgesteld; - het resterende gedeelte van deze verliezen die nog niet aan het belastbare inkomen van enig belastbaar tijdperk werden toegevoegd, indien in het belastbare tijdperk de desbetreffende buitenlandse inrichting wordt overgedragen in het kader van een inbreng, een fusie, een splitsing of een gelijkgestelde verrichting.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden de hiernavolgende beroepsverliezen als definitief aangemerkt :
a) de verliezen die bestaan op het ogenblik dat de vennootschap haar activiteiten in een bepaalde lidstaat definitief stopzet voor zover voor deze verliezen geen enkele aftrek van welke aard dan ook is verleend in de lidstaat waarin de buitenlandse inrichting was gelegen;
b) bij afwezigheid van een buitenlandse inrichting, de verliezen die bestaan op het ogenblik dat de vennootschap over geen activa meer beschikt in een bepaalde lidstaat, voor zover voor deze verliezen geen enkele aftrek van welke aard dan ook is verleend in de lidstaat waar die activa waren gelegen.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden de beroepsverliezen niet als definitief beschouwd voor zover deze verliezen in de Staat waarin de buitenlandse inrichting was gelegen of waar de activa waren gelegen nog in aanmerking komen voor aftrek bij andere in die Staat gelegen inrichtingen of vaste activa waarover de vennootschap beschikt, of voor zover het recht van aftrek van deze verliezen in die andere Staat overgaat op een andere persoon. Indien de vennootschap binnen de drie jaar na de aftrek van het definitieve beroepsverlies opnieuw activiteiten opstart in de lidstaat waar de inrichting was gelegen of de activa waren gelegen die aanleiding hebben gegeven tot het vaststellen van het definitieve beroepsverlies, wordt een bedrag ter grootte van het met de winst van Belgische oorsprong of de winst van buitenlandse oorsprong die niet bij verdrag werd vrijgesteld verrekende definitieve beroepsverlies terug opgenomen in de belastbare grondslag van het belastbaar tijdperk waarin de activiteiten opnieuw werden opgestart.
Wanneer een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting naar gelang de grootte van de buitenlandse belasting ofwel voorziet in de vrijstelling van Belgische belasting dan wel in de vermindering van de Belgische belasting op de winsten die overeenkomstig die overeenkomst in de andere Staat mogen worden belast, wordt deze overeenkomst voor de toepassing van deze paragraaf beschouwd als een overeenkomst die de winsten in België vrijstelt van belasting.

§ 4. Indien de vennootschap in toepassing van de in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst van het aanslagjaar zich ertoe heeft verbonden het bedrag van de groepsbijdrage als winst van het belastbaar tijdperk op te nemen wordt dit bedrag van de groepsbijdrage opgenomen in de belastbare grondslag van het belastbaar tijdperk dat verbonden is met dat aanslagjaar.
Indien de vennootschap in toepassing van de in artikel 205/5, § 4, bedoelde groepsbijdrage- overeenkomst in een voorgaand belastbaar tijdperk een groepsbijdrage in aftrek heeft genomen en de activiteiten van de buitenlandse vennootschap waarmee de overeenkomst werd gesloten binnen drie jaar na de stopzetting ervan opnieuw worden opgestart, wordt in het belastbaar tijdperk waarin deze activiteiten opnieuw werden opgestart, een bedrag ter grootte van deze groepsbijdrage opgenomen in de belastbare grondslag. § 5. Indien in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, het bedrag van de in dat artikel bedoelde reserve wordt toegevoegd aan het bedrag van de belaste gereserveerde winst, wordt, onverminderd deze toevoeging, de belastbare grondslag aanvullend verhoogd met een bedrag dat wordt gevormd door het in het tweede lid of zesde lid bedoelde tarief toe te passen op het bedrag van deze reserve.
In het geval artikel 215, tweede lid, van toepassing is voor het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd of voor het belastbare tijdperk waarin deze reserve wordt teruggenomen, is het tarief van deze verhoging gelijk aan het verschil tussen het percentage dat wordt bekomen na de toepassing van de hiernavolgende verhouding en 100 pct.
Deze verhouding wordt bepaald door:
a) in de teller, het bedrag A te verminderen met het bedrag B:
- waarbij het bedrag A gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing was in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, toe te passen op het belastbare inkomen C;
- waarbij het bedrag B gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing was in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, toe te passen op het belastbare inkomen D; - waarbij het belastbare inkomen C gelijk is aan het belastbare inkomen dat werd vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijge- stelde reserve werd aangelegd, vermeerderd met de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve;
- waarbij het belastbare inkomen D gelijk is aan het belastbare inkomen dat werd vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijge- stelde reserve werd aangelegd;
b) in de noemer, het bedrag E te verminderen met het bedrag F:
- waarbij het bedrag E gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing is in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggeno- men, toe te passen op het belastbare inkomen G;
- waarbij het bedrag F gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing is in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggeno- men, toe te passen op het belastbare inkomen H; - waarbij het belastbare inkomen G gelijk is aan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, verminderd met de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging;
- waarbij het belastbare inkomen H gelijk is aan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, achtereenvolgens verminderd met de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging en de vrijgestelde reserve die in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, wordt teruggenomen.
Voor de bepaling van de in het derde lid bedoelde verhouding kan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen niet lager zijn dan de som van de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging en de vrijgestelde reserve die in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, wordt teruggenomen.
Het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.
In het geval het tweede lid niet van toepassing is bedraagt het tarief:
- 14,91 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen voor 1 januari 2018 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen op of na 1 januari 2018; - 0 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen op of na 1 januari 2018 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen voor 1 januari 2020;
- 18,32 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen voor 1 januari 2020 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen op of na 1 januari 2020.

Art. 185/1. In afwijking van artikel 24 komt winst eveneens voort uit de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van een binnenlandse vennootschap naar haar buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting.
In het geval van een in het eerste lid bedoelde overdracht wordt als winst aangemerkt, het positieve verschil tussen enerzijds de werkelijke waarde van deze bestanddelen en anderzijds de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan, verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.

Art. 185/2.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 2, a), omvat winst eveneens de in paragraaf 2 omschreven niet-uitgekeerde winst, van de buitenlandse vennootschap, van de buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap of van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als gecontroleerde buitenlandse vennootschap of CFC wordt aangemerkt en niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld voor zover die niet-uitgekeerde winst door de CFC werd behaald in de loop van een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten in de loop van het belastbare tijdperk van de belastingplichtige. § 2. De winst van een buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap wordt vastgesteld alsof deze vennootschap of inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen. De winst die wordt toegerekend aan een Belgische inrichting of in een derde land gelegen inrichting die krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd wordt buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van de winst van de buitenlandse vennootschap.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt deze winst vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat omvat en de noemer het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden omvat. Voor de vaststelling van deze breuk worden reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden die aangerekend worden aan een in een derde land gelegen inrichting waarvan de winst krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd, buiten beschouwing gelaten. Wanneer bij de vaststelling van de teller de som van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat negatief is, wordt deze breuk geacht gelijk te zijn aan nul. Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, met uitzondering van de inkomsten die bij verdrag of krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de volgende inkomsten bevat, voor zover deze niet bij verdrag of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld:
- interesten of andere inkomsten die gelijkwaardig zijn aan interesten;
- royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
- dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen, obligaties, opties en soortgelijke effecten;
- inkomsten uit verhuur, of uit operationele of financiële leasing;
- inkomsten uit vermogensbeheer, beleggings- , verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
- inkomsten uit de aan- en verkoop van goederen en diensten, waaraan door de buitenlandse vennootschap of inrichting weinig of geen economische waarde wordt toegevoegd.
Tot slot wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden, beperkt in verhouding tot het hoogste van de volgende drie percentages:
- het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in de stemrechten van de buitenlandse vennootschap die als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt; - het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in het kapitaal van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt;
- het percentage van de winst van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, waarop de belastingplichtige in geval van uitkering rechtstreeks recht heeft.
De winst van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige wordt vastgesteld alsof deze inrichting in België zou zijn gelegen.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van het vorige lid vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de in het vierde lid, eerste tot zesde streepje bedoelde inkomsten bevat, voor zover deze niet of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld.

§ 3. De buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die vennootschap, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien: - de belastingplichtige al dan niet samen met zijn geassocieerde entiteiten de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze buitenlandse vennootschap bezit, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten een deelneming bezit van ten minste 50 pct. van het kapitaal van deze buitenlandse vennootschap, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten recht heeft op ten minste 50 pct. van de winst van deze vennootschap; en indien
- de buitenlandse vennootschap of de buitenlandse inrichting krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar zij is gevestigd, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen.
De buitenlandse inrichting van de belastingplichtige, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien deze inrichting gelegen is in een land waarmee België een verdrag ter vermijding van dubbele belasting heeft gesloten en aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, tweede streepje, is voldaan.
De in het eerste lid, tweede streepje, bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel door de belastingplichtige, indien de in het eerste lid bedoelde buitenlandse vennootschap of indien de in het eerste of tweede lid bedoelde inrichting is gevestigd of gelegen in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk is opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of in een Staat die is opgenomen op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2. Bij de toepassing van het eerste lid, tweede streepje, wordt voor de berekening van de vennootschapsbelasting van een buitenlandse vennootschap, die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap in België was gevestigd, geen rekening gehouden met het
vennootschap dat werd behaald door middel van één of meerdere buitenlandse inrichtingen van deze buitenlandse vennootschap waarvan de winst wordt vrijgesteld in toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten tussen het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse vennootschap is gevestigd en het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse inrichting is gelegen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als een geassocieerde entiteit van de belastingplichtige aangemerkt indien ofwel:
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze entiteit bezit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van deze entiteit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van deze entiteit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van de belastingplichtige bezit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van de belastingplichtige; - deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van de belastingplichtige.

§ 4. De niet-uitgekeerde winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, wordt van de toepassing van dit artikel vrijgesteld indien de belastingplichtige aantoont dat aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- er wordt aangetoond dat de CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit de relevante feiten en omstandigheden;
- er wordt aangetoond dat de in paragraaf 2, vierde lid, bedoelde breuk lager is dan 1/3;
- er wordt aangetoond dat de CFC onder het toepassingsgebied valt van één van de in artikel 198/1, § 6, 1° tot 12°, bedoelde definities en deze haar inkomsten die in de teller van de breuk bedoeld in paragraaf 2, vierde lid, zijn opgenomen, voor één derde of minder voortkomen uit transacties met de belastingplichtige of met de belastingplichtige geassocieerde entiteiten.
Voor de toepassing van het eerste lid, eerste streepje, moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen. 510

Art. 185bis.

§ 1. In afwijking van artikel 185 zijn de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggings- vennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, slechts belastbaar op het totaal van de ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen en van de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten andere dan waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen en het in artikel 198/1 bedoelde ook niet als beroepskosten aangemerkte financieringskostensurplus en het in artikel 198/1 bedoelde ook niet als beroepskosten aangemerkte financieringskostensurplus, onverminderd evenwel het feit dat zij de in artikel 219 bedoelde bijzondere bijdrage verschuldigd zijn.

§ 2. Wat de in § 1 bedoelde organismen voor de financiering van pensioenen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205 en 285 tot 289 en van artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet van toepassing.
Wat de in § 1 bedoelde beleggings- vennootschappen, de Europese langetermijn- beleggingsinstellingen en gereglementeerde vastgoedvennootschappen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205, artikel 279 met betrekking tot de roerende voorheffing ingehouden op Belgische dividenden en artikelen 285 tot 289, niet van toepassing. Wanneer de deelbewijzen van een compartimenten van een in het tweede lid bedoelde beleggingsvennootschap uitsluitend worden aangehouden door in het eerste lid bedoelde organismen voor de financiering van pensioenen zijn de bepalingen van het eerste lid voor de beleggingsvennootschap van toepassing met betrekking tot dit compartiment.

§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014, de volgende bepalingen niet naleeft :

1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling ;

2° een of meer statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als instelling voor collectieve belegging.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de onder het in de §§ 1 en 2 bedoelde regime voordien gevormde reserves beschouwd als :

1° belaste reserves in de mate dat de private privak bewijst dat zij voortkomen van gerealiseerde meerwaarden of ontvangen dividenden van beleggingen bedoeld in artikel 192, § 3, 1° et 2° ;

2° vrijgestelde reserves voor het saldo en in zoverre het bedrag van die reserves op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning ;

3° winst van dat belastbare tijdperk indien en in zoverre de voorwaarden van het 2° niet langer worden nageleefd. De reserves bedoeld in het tweede lid, 2°, worden bovendien beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk waarin de vennootschappen bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 worden geschrapt van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 302, § 1, van deze wet, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 5°.
De FOD Financiën kan de vennootschap schrappen van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 302, § 1, van de wet van 19 april 2014 in de gevallen bepaald door de Koning of in geval van overtreding van statutaire regels bepaald door de Koning. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 185bis, § 3, vierde lid, als volgt:
De FOD Financiën kan de vennootschap schrappen van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 302, § 1, van de wet van 19 april 2014 in de gevallen bepaald door de Koning of in geval van overtreding van statutaire regels bepaald door de Koning. De FOD Financiën deelt de vennootschap de schrapping mee met een aangetekende zending. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.
De paragrafen 1 en 2 zijn opnieuw van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders opnieuw voor het volledige belastbare tijdperk de volgende bepalingen naleeft :

1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling; 2° de statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als instelling voor collectieve belegging.

§ 4. In de gevallen bepaald door de Koning kan de FOD Financiën een institutionele alternatieve instelling voor collectieve belegging schrappen van de in artikel 289, § 1 van de wet van 19 april 2014 bedoelde lijst of een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen van de in artikel 271/15 van de wet van 3 augustus 2012 bedoelde lijst. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 185bis, § 4, als volgt:

§ 4. In de gevallen bepaald door de Koning kan de FOD Financiën een institutionele alternatieve instelling voor collectieve belegging schrappen van de in artikel 289, § 1 van de wet van 19 april 2014 bedoelde lijst of een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen van de in artikel 271/15 van de wet van 3 augustus 2012 bedoelde lijst. De FOD Financiën deelt de vennootschap de schrapping mee met een aangetekende zending. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.



Art. 186. Wanneer een vennootschap op enige wijze eigen aandelen verkrijgt, wordt als uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de verkrijgingsprijs of, bij ontstentenis daarvan, de waarde van die aandelen, en het gedeelte van het gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat de verkregen aandelen vertegenwoordigen.
In geval de aandelen vóór de ontbinding van de vennootschap worden verkregen onder de voorwaarden gesteld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen terzake of, indien de vennootschap niet door dat Wetboek wordt beheerst, onder de voorwaarden gesteld in het rechtspersonenrecht dat haar beheerst, is het eerste lid slechts van toepassing :

1° wanneer op de verkregen aandelen waardeverminderingen worden geboekt ;

2° wanneer de aandelen worden vervreemd ;

3° wanneer de aandelen worden vernietigd of van rechtswege nietig worden ;

4° en uiterlijk bij de ontbinding van de vennootschap.
In een geval als vermeld in het tweede lid, 1°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het bedrag van de geboekte waardeverminderingen.
In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de verkrijgingsprijs of de waarde van de aandelen.
In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, 3° en 4°, wordt het dividend in voorkomend geval verminderd met de in 1° van dat lid bedoelde reeds belaste waardeverminderingen. In de mate dat de verkrijging tot gevolg heeft dat de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven eigen aandelen in portefeuille houdt die meer dan 20 pct. van haar kapitaal vertegenwoordigen, worden de nieuw verworven aandelen geacht te zijn vernietigd in de zin van het tweede lid, 3°. In geval van een gelijktijdige verkrijging van aandelen van verschillende overdragers of tegen een verschillende aanschaffingswaarde, duidt de vennootschap de nieuw verworven aandelen aan die geacht worden te zijn vernietigd. Bij gebrek aan dergelijke aanduiding, worden de nieuw verworven aandelen proportioneel geacht te zijn vernietigd naar het aantal aandelen per overdrager of per aanschaffingswaarde. Zolang de aandelen die geacht worden te zijn vernietigd in portefeuille worden gehouden, is hun fiscale nettowaarde gelijk aan nul en de waarde waarvoor ze op de balans zijn ingeschreven vormt een uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarde bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 190.
De toepassing van het vorige lid heeft geen invloed op de toepassing van het artikel 192, § 1, in hoofde van de vennootschap die eigen aandelen overdraagt die in portefeuille werden gehouden.

Art. 187. Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap gedeeltelijk wordt verdeeld ten gevolge van overlijden, uittreding of uitsluiting van een vennoot wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen of toekenningen in geld, in effecten of in enige andere vorm aan de belanghebbende of zijn rechthebbenden en zijn aandeel in de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.

Art. 188. In geval van toepassing van de artikelen 186 en 187 wordt het gestorte kapitaal verminderd met het deel daarvan dat door de verkregen aandelen wordt vertegenwoordigd of met het aandeel in het gestorte kapitaal van de overleden, uitgetreden of uitgesloten vennoot. Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, blijft buiten aanmerking bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de in het vorige lid vermelde vermindering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.
Wanneer de aandelen verworven in het geval bedoeld in artikel 186, zesde lid, later worden vervreemd, wordt:

1° de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde, verminderd met de kosten van vervreemding, niet in aanmerking genomen om de belastbare winst te bepalen ten belope van de aanschaffingswaarde ervan;

2° het gestort kapitaal van de vennootschap verhoogd met een bedrag gelijk aan de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde, verminderd met de kosten van vervreemding, zonder dat deze verhoging meer kan bedragen dan het bedrag van de vermindering van het gestort kapitaal doorgevoerd naar aanleiding van de verwerving van de aandelen. Deze regel blijft zonder gevolg voor het bepalen van de belastbare winst.

Art. 189.

§ 1. In coöperatieve verbruiksverenigingen worden als winst aangemerkt de restorno's en voordelen die zijn verleend :

1° aan vennoten, voor zover restorno's en voordelen voortkomen uit door de belanghebbenden niet zelf gedane aankopen ;

2° aan niet-vennoten.

§ 2. Als coöperatieve verbruiksvereniging wordt aangemerkt die welke rechtstreeks aan de verbruikers verkoopt.
De voordelen bestaan inzonderheid uit het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs, verhoogd met het evenredig aandeel der algemene kosten. Vennoten zijn uitsluitend leden die volledige maatschappelijke rechten hebben.
De restorno's en voordelen worden ten name van de coöperatieve vereniging belast en worden bepaald zonder dat rekening wordt gehouden met de algemene uitslag van de onderneming.

Art. 190. Het voor de personenbelasting geldende meerwaardenstelsel, bepaald in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47, is ook voor vennootschappen van toepassing.
Met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47, is dat meerwaardenstelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
De voormelde voorwaarden zijn mede van toepassing op de in artikel 45 en 46, § 1, eerste lid, 2°, vermelde meerwaarden, behalve ingeval die meerwaarden niet worden uitgedrukt overeenkomstig het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
Indien en in zoverre die voorwaarden niet langer worden nageleefd in enig belastbaar tijdperk, wordt het vroeger vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden als winst van dat belastbare tijdperk beschouwd. 518

Art. 190bis. Het behoud van de aftrek van 20 pct. van de in artikel 64ter, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd door artikel 10 van de wet van 25 december 2017 houdende de hervorming van de vennootschapsbelasting, en artikel 198bis, eerste lid, 1°, a, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd door artikel 41, 5°, van de vermelde wet van 25 december 2017, bedoelde kosten, dat werd aanvaard boven het bedrag van de werkelijk gedane of gedragen kosten, is onderworpen aan de in artikel 190, tweede lid, bedoelde voorwaarde.

Art. 192.

§ 1. De niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, §§ 1 en 2, en 203, van de winst te worden afgetrokken of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aangehouden aandelen, krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 2°, en 203, van de winst te worden afgetrokken.
De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waarde- verminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast. In afwijking van het eerste lid wordt voor de meerwaarden gerealiseerd op aandelen of delen verkregen in ruil ten gevolge van een verrichting die is vrijgesteld met toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, omdat op het ogenblik van de ruil de eventuele inkomsten van de geruilde aandelen niet in aanmerking kwamen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van de winst te worden afgetrokken, het met toepassing van dit artikel vrijgestelde bedrag beperkt tot het verschil tussen de vervreemdingsprijs en de werkelijke waarde van de aandelen of delen op het ogenblik van de inbrengverrichting.
De vrijstelling bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen waarvoor het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennoot- schappen van instellingen voor collectieve belegging, geldt, voor de gerealiseerde verrichtingen op de effecten die behoren tot de handelsportefeuille, zoals bedoeld in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van hetzelfde besluit.
Voor de ondernemingen bedoeld in het vorige lid wordt de interne overdracht van aandelen van of naar de handelsportefeuille beschouwd als een vervreemding. De uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden en de latente meerwaarden op deze aandelen worden beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze aandelen de handelsportefeuille verlaten. Daarentegen worden de uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden en de latente meerwaarden op aandelen beschouwd als vrijgestelde winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze aandelen deel beginnen uitmaken van de handelsportefeuille als de onderneming ze gedurende tenminste één jaar behouden heeft, of als belastbare winst als de onderneming ze gedurende minder dan een jaar behouden heeft.
Voor de berekening van de meerwaarde die krachtens het vierde en het vijfde lid belastbaar is, zal de waarde van de aandelen bepaald op 31 december 2011 beschouwd worden als de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de voorheen aangenomen waardevermin- deringen als de betreffende aandelen reeds in de boekhouding van de vennootschap zijn opgenomen op 31 december 2011. Voor de toepassing van het eerste lid, worden de in ruil ontvangen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom is voldaan.
Vanaf 25 november 2025, wordt artikel 192, § 1, 7e lid, vervangen als volgt :
Voor de toepassing van het eerste lid, om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste een jaar in volle eigendom is voldaan:

1° worden de in ruil ontvangen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen;

2° wordt ingeval van een vereenvoudigde zusterfusie, die beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis:
- het gedeelte van de waarde van de aandelen van de overnemende vennootschap dat, overeenkomstig artikel 102, tweede lid, voortkomt uit de aanschaffingswaarde van de aandelen van de overgenomen vennootschap, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de aandelen van de overgenomen vennootschap zijn verkregen;
- het gedeelte van de waarde van de aandelen van de overnemende vennootschap dat, overeenkomstig artikel 102, tweede lid, niet voortkomt uit de aanschaffingswaarde van de aandelen van de overgenomen vennootschap, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de aandelen van de overnemende vennootschap zijn verkregen 521 ----------
Om vast te stellen of aan de in artikel 202, § 2, eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde is voldaan in hoofde van de overnemende of verkrijgende vennootschap, worden de overgedragen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, geacht te zijn verkregen op de datum waarop ze zijn verkregen door de inbrenger of de omgevormde, overgenomen of gesplitste vennootschap.

§ 2. Wanneer met betrekking tot verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, de herbelegging als bedoeld in artikel 47
geval, wanneer de inbrengverkrijgende vennoot- schap zich onherroepelijk verbonden heeft die herbelegging te verwezenlijken, wordt het op het ogenblik van de verrichting voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarde als vermeld in artikel 47, ten name van de vroegere belastingplichtige volledig vrijgesteld, onverminderd de toepassing betreffende die meerwaarde, van de bepalingen van artikel 190 ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap. Het boekhoudkundig uitdrukken van die meerwaarde ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap blijft zonder invloed op de vaststelling van het resultaat van het belastbaar tijdperk.

§ 3. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, wordt de voorwaarde verbonden aan de eventuele inkomsten van aandelen van private privaks bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, geacht vervuld te zijn wanneer deze het geheel van hun activa beleggen :

1° in aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 integraal van de winst te worden afgetrokken ; of

2° in aandelen van in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 bedoelde private privaks ; of 522 3° mits naleving van de regels bepaald in artikel 304, § 3, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en artikel 16 van het koninklijk besluit van 23 mei 2007 met betrekking tot de private privak.
Voor de toepassing van deze paragraaf, worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 298 van deze wet.

§ 4. De meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een buitenlandse vennootschap waarvan de winst van die vennootschap of van een in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap, in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de belastingplichtige werd belast, kan in het geval deze meerwaarden op aandelen niet krachtens paragrafen 1 en 2 volledig werden vrijgesteld, alsnog worden vrijgesteld voor het bedrag van de winst van deze buitenlandse vennootschap dat in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, en voor zover:
- deze winst nog niet eerder was uitgekeerd;
- nog bestond op een rekening van het passief op het tijdstip van de vervreemding van deze aandelen.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd. De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast.
In geval van verwerving of van wijziging tijdens het huidige of in een voorgaand belastbaar tijdperk van de controle van de belastingplichtige die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, kunnen de meerwaarden niet krachtens deze paragraaf worden vrijgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt onder voorgaand belastbaar tijdperk elk belastbare tijdperk bedoeld sinds het belastbare tijdperk waarin de in deze paragraaf bedoelde winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast

Art. 193. De in artikel 44, § 2, vermelde vrijstelling op verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- of tuinbouw- ondernemingen is niet van toepassing.
Vrijgestelde gewestelijke steunmaatregelen

Art. 193bis.

§ 1. De tewerkstellingspremies en beroepsoverstappremies, die door de bevoegde gewestelijke instellingen worden toegekend aan vennootschappen en die beantwoorden aan de in de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, gestelde voorwaarden of die in dat kader door de Europese Commissie worden aanvaard of aanvaard zijn, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste. Kapitaal- en interestsubsidies die door de gewesten in het kader van de economische expansiewetgeving worden toegekend aan vennootschappen om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.

§ 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1, tweede lid, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van het belastbaar tijdperk gedurende hetwelk de vervreemding heeft plaatsgevonden.

Art. 193quater.

§ 1. Voor vennootschappen die op het einde van het belastbare tijdperk op grond van artikel 1, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, door het bevoegde gewest als inschakelingsbedrijf zijn erkend, wordt de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden en die is verwezenlijkt in een belastbaar tijdperk waarvoor zij als inschakelingsbedrijf is erkend onder de hierna gestelde voorwaarden gedeeltelijk vrijgesteld.
Het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde winst dat reeds in dit of een vorig belastbaar tijdperk overeenkomstig artikel 193bis, § 1, eerste lid, is vrijgesteld, komt niet in aanmerking voor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling.
Het in het eerste en tweede lid bedoelde gereserveerde belastbare resultaat dat niet als winst wordt aangemerkt, wordt beperkt tot een bedrag gelijk aan de loonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers die behoren tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 1, § 2, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit van 3 mei 1999, met een minimum van 7 440 euro per in België tewergestelde personeelseenheid behorend tot deze doelgroep. Dit minimumbedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast aan de hand van de in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.

§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vrijstelling van de winst wordt slechts verleend en behouden indien :
- de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft; - de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning;
De in het eerste lid vermelde voorwaarden zijn eveneens van toepassing op winst die overeenkomstig artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals het bestond voor het is opgeheven door artikel 87 van de wet van 25 december 2017 houdende de hervorming van de vennootschapsbelasting, is vrijgesteld.
Indien en in zoverre de in het eerste lid bedoelde voorwaarden in enig belastbaar tijdperk niet langer worden nageleefd, wordt de voorheen vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.

§ 3. ….

Art. 193ter.

§ 1. De winst wordt vrijgesteld ten belope van het bedrag van de premies, en de kapitaal- of interestsubsidies op immateriële en materiële vaste activa, die aan vennootschappen worden toegekend in het raam van de steun aan onderzoek en ontwikkeling door de bevoegde gewestelijke instellingen, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun.

§ 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1 vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van het belastbaar tijdperk gedurende hetwelk de vervreemding heeft plaatsgevonden. Inschakelingsbedrijven

Art. 194. Onverminderd de toepassing van artikel 194bis, is de vrijstelling voor voorzieningen voor risico's en kosten voorzien in artikel 48 slechts van toepassing op de volgende voorzieningen :
- de voorzieningen die voortvloeien uit verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbaar tijdperk of een van de voorgaande belastbare tijdperken;
- de voorzieningen die voortvloeien uit wettelijke of reglementaire verplichtingen, andere dan de verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering. verzekeringsondernemingen.

Art. 194bis. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald door de Koning (1) worden de technische voorzieningen bedoeld in artikel 15, 68°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen vrijgesteld.


(1) art. 731 tot 734, KB/WIB 92.
kader van een taxshelter-stelsel investeren in een raamovereenkomst voor de productie van audiovisueel werk, een podiumwerk of een videospel

Art. 194octies. De artikelen 51, tweede lid, 5° en 64ter, eerste lid, 2° en 3°, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing.



Vanaf 1 januari 2028 (en van toepassing vanaf aanslagjaar 2029 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2028), luidt artikel 194octies, als volgt :
De artikelen 51, tweede lid, 5°, en 64ter zijn niet van toepassing.
Artikel 64ter, eerste lid, 1°, is slechts van toepassing ten name van vennootschappen die als kleine vennootschap worden aangemerkt.
Vanaf 1 januari 2028 (en van toepassing vanaf aanslagjaar 2029 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2028), wordt artikel 194octies, tweede lid opgeheven.

Artikel 53, 33°, b, is evenmin van toepassing op de huurprijs en huurvoordelen die betrekking hebben op een onroerend goed dat door een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt gehuurd met het oog op het ter beschikking stellen ervan:
- aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
- aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken.

Art. 194quater.

§ 1. De investeringsreserve die bij het verstrijken van een belastbaar tijdperk dat ten laatste afsluit op 30 december 2018 is aangelegd door vennootschappen die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan dat belastbare tijdperk, wordt niet als winst aangemerkt binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden.

§ 2. Het bedrag van de investeringsreserve wordt vrijgesteld tot beloop van 50 pct. van het gereserveerde belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk, vóór aanleg van de investeringsreserve, en verminderd met :

1° de krachtens artikel 192 vrijgestelde meerwaarden op aandelen ;

2° het gedeelte van de meerwaarde op in artikel 66 vermelde voertuigen dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, derde lid ;

3° de vermindering van het gestort kapitaal, berekend als gewogen gemiddelde van het belastbaar tijdperk tegenover het vorig belastbaar tijdperk waarin laatst het voordeel van het aanleggen van een investerings- reserve werd genoten ;

4° de vermeerdering van de vorderingen van de vennootschap, berekend zoals sub 3°, op de volgende natuurlijke personen :
- personen die aandelen bezitten van de vennootschap ;
- personen die een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefenen ;
- de echtgenoot ervan of hun kinderen, wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben. Het gereserveerde belastbare resultaat welke, na vermindering, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de investeringsreserve overeenkomstig het eerste lid, wordt beperkt tot 37.500 EUR per belastbaar tijdperk.
De aldus berekende investeringsreserve wordt slechts vrijgesteld indien en in zoverre de belaste reserves, vóór aanleg van de investeringsreserve, op het einde van het belastbaar tijdperk hoger zijn dan de belaste reserves op het einde van het vorig belastbaar tijdperk, waarin laatst het voordeel van het aanleggen van een investeringsreserve werd genoten.
De investeringsreserve wordt slechts vrijgesteld voorzover voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.

§ 3. Een bedrag gelijk aan de investeringsreserve moet door de vennootschap worden geïnvesteerd :
a) in afschrijfbare materiële of immateriële vaste activa die recht kunnen geven op het voordeel van de investeringsaftrek ;
b) binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarvoor de investeringsreserve is aangelegd, en ten laatste bij de ontbinding van de vennootschap.
De vaste activa die als herbelegging in aanmerking worden genomen krachtens artikel 47, worden voor de toepassing van het vorige lid uitgesloten als investering.

§ 4. Indien niet wordt geïnvesteerd op de wijze en binnen de termijn gesteld in § 3 wordt de voorheen vrijgestelde investeringsreserve aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de investeringstermijn verstreken is. De voorheen vrijgestelde investeringsreserve wordt aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de in § 3 in aanmerking genomen investering, wordt vervreemd, wanneer die investering op het ogenblik van de vervreemding minder dan drie jaar in de vennootschap is belegd, en zulks, naar verhouding tot de nog niet aangenomen afschrijvingen op die investering. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de vervreemding geschiedt naar aanleiding van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis.

§ 5. Om het voordeel van de investeringsreserve te rechtvaardigen moet de vennootschap bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor het aanslagjaar waarvoor de reserve wordt aangelegd en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de investering moet zijn verricht.

§ 6. De Koning bepaalt (1) de investeringsmodaliteiten als vermeld in § 3, in geval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, en ingeval van fusie of splitsing als vermeld in artikel 211, § 1.


(1) art. 734bis, KB/WIB 92.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 194quater, § 6, eerste lid, als volgt :

§ 6. De Koning bepaalt (1) de investeringsmodaliteiten als vermeld in § 3, in geval van inbreng van een bedrijfstak of van een algemeenheid van goederen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, en ingeval van fusie of splitsing als vermeld in artikel 211, § 1.


(1) art. 734bis, KB/WIB 92.



De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, een bedrag vaststellen dat hoger is dan 37.500 EUR.
Art. 194quater/1 § 1. De wederopbouwreserve, die bij het verstrijken van het belastbaar tijdperk dat verbonden is aan een van de aanslagjaren 2022, 2023 of 2024, is aangelegd door de vennootschap, wordt niet als winst aangemerkt binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden.
Onverminderd het maximale bedrag van de vrijstelling bedoeld in paragraaf 3, wordt per belastbaar tijdperk de wederopbouwreserve aangelegd ten belope van een bedrag beperkt tot de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in dit artikel.

§ 2. Deze regeling is niet van toepassing voor volgende vennootschappen:

1° beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennoot- schappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de gereglementeerde vastgoed- vennootschappen, de Europese langetermijn- beleggingsinstellingen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioen- voorziening;

2° de coöperatieve participatievennoot- schappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemers- participatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers; 3° de zeescheepvaartvennootschappen die aan belasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002;

4° de vennootschappen, die in de periode van 12 maart 2020 tot aan de dag van de indiening van de aangifte die verbonden is aan aanslagjaar waarin de wederopbouw- reserve wordt aangelegd, een inkoop van eigen aandelen, een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaal- vermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht;

5° vennootschappen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.

§ 3. De in de eerste paragraaf bedoelde vrijstelling wordt verleend ten belope van een maximumbedrag, inclusief de overeenkomstig paragraaf 5 reeds belaste bedragen van de wederopbouwreserve, gelijk aan het bedrag van de bedrijfsverliezen van het boekjaar, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening op de afsluitdatum van het boekjaar in 2020, met een maximum van 20 miljoen euro.
In afwijking van het eerste lid mogen de vennootschappen die hun boekjaar afsluiten tijdens de periode van 1 januari 2020 tot 31 juli 2020 ervoor kiezen dat het maximale bedrag van de vrijstelling als bedoeld in het eerste lid beperkt wordt tot het bedrag van de bedrijfsverliezen, bepaald in overeenstemming met de wetgeving inzake boekhouding en jaarrekening voor het boekjaar dat afsluit in 2021, met een maximum van 20 miljoen euro. Deze keuze wordt gemaakt wanneer de reserve voor het eerst wordt aangelegd en is onherroepelijk.

§ 4. De wederopbouwreserve wordt alleen vrijgesteld in zoverre: 1° zij op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning; en;

2° de vennootschap te rekenen vanaf 12 maart 2020 tot de laatste dag van het belastbaar tijdperk waarin de wederopbouwreserve wordt genoten geen rechtstreekse deelneming had in een vennootschap gevestigd in een Staat die is opgenomen in één van de lijsten bedoeld in artikel 307, § 1/2, of in een staat die is opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 179, KB/WIB 92, en geen betalingen heeft gedaan aan dergelijke vennootschappen voor een totaalbedrag van ten minste 100 000 euro voor het belastbare tijdperk, tenzij is aangetoond dat deze betalingen zijn verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen als gevolg van rechtmatige financiële of economische behoeften.

§ 5. De bedragen die aangelegd werden als wederopbouwreserve, worden geheel of gedeeltelijk aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk indien de vennootschap in dat belastbare tijdperk:

1° een inkoop van eigen aandelen verricht, ten belope van de waarde van de inkoop;

2° dividenden toekent of uitkeert als bedoeld in artikel 18 met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, ten belope van het bedrag van het dividend;

3° een kapitaalvermindering, met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen verricht, ten belope van het bedrag van de kapitaalvermindering of verdeling; 4° in haar resultatenrekening onder de post "620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen" een bedrag opneemt onder een drempel van 85 pct. van het bedrag dat voor deze zelfde post is vastgesteld op de afsluitdatum van het boekjaar dat is geëindigd in 2019 als voor het eerst tijdens het belastbare tijdperk aan deze voorwaarde wordt voldaan, of onder deze zelfde post een bedrag opneemt onder de drempel die voorheen de laagste was als aan dezelfde voorwaarde is voldaan in een vorig belastbaar tijdperk, ten belope van het verschil tussen:
a) enerzijds het bedrag van de eerder genoemde drempel van 85 pct. respectievelijk het bedrag van de voorheen laagste drempel, en;
b) anderzijds het bovengenoemde bedrag van de post "620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen" voor het belastbare tijdperk dat respectievelijk onder de boven- genoemde drempel van 85 pct. ligt, of dat onder de voorheen laagste drempel ligt.
Het belastbare bedrag bedoeld in deze paragraaf, gecumuleerd voor de verschillende belastbare tijdperken, gaat slechts tot het bedrag van de vrijgestelde wederopbouwreserve.

§ 6. In geval van vrijstelling van winst op grond van dit artikel is de belastingplichtige verplicht een formulier volgens het door de Koning vastgestelde model bij de aangifte inkomsten- belasting te voegen voor de aanslagjaren waarin de vrijstelling toegepast wordt. inkomsten.

Art. 194quater/1. Art. 194quater/1

§ 1. De wederopbouwreserve, die bij het
verstrijken van het belastbaar tijdperk dat
verbonden is aan een van de aanslagjaren 2022,
2023 of 2024, is aangelegd door de vennootschap,
wordt niet als winst aangemerkt binnen de grenzen
en onder de hierna gestelde voorwaarden.
Onverminderd het maximale bedrag van de
vrijstelling bedoeld in paragraaf 3, wordt per
belastbaar tijdperk de wederopbouwreserve
aangelegd ten belope van een bedrag beperkt tot de
belastbare gereserveerde winst van het belastbaar
tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de
vrijgestelde reserve bedoeld in dit artikel.

§ 2. Deze regeling is niet van toepassing
voor volgende vennootschappen:

1° beleggingsvennootschappen bedoeld in de
artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3
augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en
de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen, de beleggingsvennoot-
schappen bedoeld in de artikelen 190, 195,
285, 288 en 298 van de wet van 19 april
2014 betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun
beheerders, de gereglementeerde vastgoed-
vennootschappen, de Europese langetermijn-
beleggingsinstellingen, alsmede de
organismen voor de financiering van
pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet
van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht
op de instellingen voor bedrijfspensioen-
voorziening;

2° de coöperatieve participatievennoot-
schappen, in toepassing van de wet van 22
mei 2001 betreffende de werknemers-
participatie in het kapitaal van de
vennootschappen en tot instelling van een
winstpremie voor de werknemers;

3° de zeescheepvaartvennootschappen die aan
belasting worden onderworpen met
inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of
van artikel 124 van de programmawet van 2
augustus 2002;

4° de vennootschappen, die in de periode van
12 maart 2020 tot aan de dag van de
indiening van de aangifte die verbonden is
aan aanslagjaar waarin de wederopbouw-
reserve wordt aangelegd, een inkoop van
eigen aandelen, een toekenning of uitkering
van dividenden als bedoeld in artikel 18, met
inbegrip van de uitkering van
liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen
184quater en 541, of een kapitaal-
vermindering met inbegrip van de
kapitaalvermindering als bedoeld in artikel
537, of elke andere vermindering of
verdeling van het eigen vermogen hebben
verricht;

5° vennootschappen die op 18 maart 2020
konden worden aangemerkt als een
onderneming in moeilijkheden.

§ 3. De in de eerste paragraaf bedoelde
vrijstelling wordt verleend ten belope van een
maximumbedrag, inclusief de overeenkomstig
paragraaf 5 reeds belaste bedragen van de
wederopbouwreserve, gelijk aan het bedrag van de
bedrijfsverliezen van het boekjaar, vastgesteld
overeenkomstig de wetgeving betreffende de
boekhouding en de jaarrekening op de afsluitdatum
van het boekjaar in 2020, met een maximum van
20 miljoen euro.
In afwijking van het eerste lid mogen de
vennootschappen die hun boekjaar afsluiten tijdens
de periode van 1 januari 2020 tot 31 juli 2020
ervoor kiezen dat het maximale bedrag van de
vrijstelling als bedoeld in het eerste lid beperkt
wordt tot het bedrag van de bedrijfsverliezen,
bepaald in overeenstemming met de wetgeving
inzake boekhouding en jaarrekening voor het
boekjaar dat afsluit in 2021, met een maximum van
20 miljoen euro. Deze keuze wordt gemaakt
wanneer de reserve voor het eerst wordt aangelegd
en is onherroepelijk.

§ 4. De wederopbouwreserve wordt alleen
vrijgesteld in zoverre:

1° zij op één of meer afzonderlijke rekeningen
van het passief geboekt is en blijft en niet tot
grondslag dient voor de berekening van de
jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of
van enige beloning of toekenning; en;

2° de vennootschap te rekenen vanaf 12 maart
2020 tot de laatste dag van het belastbaar
tijdperk waarin de wederopbouwreserve
wordt genoten geen rechtstreekse
deelneming had in een vennootschap
gevestigd in een Staat die is opgenomen in
één van de lijsten bedoeld in artikel 307, §
1/2, of in een staat die is opgenomen in de
lijst bedoeld in artikel 179, KB/WIB 92, en
geen betalingen heeft gedaan aan dergelijke
vennootschappen voor een totaalbedrag van
ten minste 100 000 euro voor het belastbare
tijdperk, tenzij is aangetoond dat deze
betalingen zijn verricht in het kader van
werkelijke en oprechte verrichtingen als
gevolg van rechtmatige financiële of
economische behoeften.

§ 5. De bedragen die aangelegd werden als
wederopbouwreserve, worden geheel of
gedeeltelijk aangemerkt als winst van het
belastbare tijdperk indien de vennootschap in dat
belastbare tijdperk:

1° een inkoop van eigen aandelen verricht, ten
belope van de waarde van de inkoop;

2° dividenden toekent of uitkeert als bedoeld in
artikel 18 met inbegrip van de uitkering van
liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen
184quater en 541, ten belope van het bedrag
van het dividend;

3° een kapitaalvermindering, met inbegrip van
de kapitaalvermindering als bedoeld in
artikel 537, of elke andere vermindering of
verdeling van het eigen vermogen verricht,
ten belope van het bedrag van de
kapitaalvermindering of verdeling;

4° in haar resultatenrekening onder de post
"620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale
voordelen" een bedrag opneemt onder een
drempel van 85 pct. van het bedrag dat voor
deze zelfde post is vastgesteld op de
afsluitdatum van het boekjaar dat is
geëindigd in 2019 als voor het eerst tijdens
het belastbare tijdperk aan deze voorwaarde
wordt voldaan, of onder deze zelfde post een
bedrag opneemt onder de drempel die
voorheen de laagste was als aan dezelfde
voorwaarde is voldaan in een vorig
belastbaar tijdperk, ten belope van het
verschil tussen:
a) enerzijds het bedrag van de eerder
genoemde drempel van 85 pct.
respectievelijk het bedrag van de
voorheen laagste drempel, en;
b) anderzijds het bovengenoemde bedrag
van de post "620 Bezoldigingen en
rechtstreekse sociale voordelen" voor
het belastbare tijdperk dat
respectievelijk onder de boven-
genoemde drempel van 85 pct. ligt, of
dat onder de voorheen laagste drempel
ligt.
Het belastbare bedrag bedoeld in deze
paragraaf, gecumuleerd voor de verschillende
belastbare tijdperken, gaat slechts tot het bedrag
van de vrijgestelde wederopbouwreserve.

§ 6. In geval van vrijstelling van winst op
grond van dit artikel is de belastingplichtige
verplicht een formulier volgens het door de Koning
vastgestelde model bij de aangifte inkomsten-
belasting te voegen voor de aanslagjaren waarin de
vrijstelling toegepast wordt.

Art. 194quinquies.

§ 1. Voor het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag voor een in artikel 205/1, § 2, 1°, a) tot d) bedoeld intellectueel eigendomsrecht nog lopende is, wordt 85 pct. van het bedrag dat overeenkomstig artikel 205/3 vastgesteld zou zijn in het geval het intellectueel eigendomsrecht reeds zou zijn verleend, niet als winst aangemerkt binnen de grenzen en onder de voorwaarden die hierna worden voorzien.
Per belastbaar tijdperk worden de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen verleend ten belope van een bedrag beperkt tot de winst van het belastbaar tijdperk dat overblijft vóór toepassing van artikel 207, tweede lid, derde streepje, zonder rekening te houden met de aanleg van de in deze paragraaf bedoelde vrijgestelde reserve en de
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de vrijstellingen te kunnen toepassen, worden de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstellingen achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij vrijstellingen en de in § 2, tweede en derde lid, bedoelde definitieve vrijstellingen samen beperkt worden tot de winst van het belastbaar tijdperk die overblijft vóór toepassing van artikel 207, derde lid, tweede streepje, zonder rekening te houden met de aanleg van de in dit lid bedoelde overgedragen vrijstellingen en de toepassing van § 2, tweede of derde lid.
De vrijgestelde reserve blijft slechts behouden voor zover voldaan is aan de in artikel 190, tweede lid, bedoelde voorwaarden.

§ 2. Het bedrag dat overeenkomstig § 1 met betrekking tot een intellectueel eigendomsrecht tijdelijk is vrijgesteld, wordt definitief vrijgesteld vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk dat intellectueel eigendomsrecht is verleend. Het uit het vorig belastbaar tijdperk, na toepassing van § 1, derde lid, resterende bedrag aan niet verleende vrijstellingen wordt definitief vrijgesteld in het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk dat intellectueel eigendomsrecht is verleend, beperkt tot de in § 1, derde lid, bedoelde grens.
Indien dat belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de in het tweede lid bedoelde vrijstelling te kunnen toepassen, worden de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstellingen overeenkomstig § 1, derde lid, overgedragen naar de volgende belastbare tijdperken.

§ 3. De voorheen vrijgestelde winst met betrekking tot een intellectueel eigendomsrecht wordt aangemerkt als winst van het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag voor dat intellectueel eigendomsrecht niet langer lopende is en het intellectueel eigendomsrecht niet werd verleend.

§ 4. Om de in dit artikel bedoelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag voor een intellectueel eigendomsrecht is gebeurd, tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbaar tijdperk vanaf wanneer de aanvraag niet langer lopende is, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
Specifieke vrijstellingen

Art. 194septies. De winst wordt vrijgesteld :
- ten belope van de in artikel 205/5, § 3, vierde lid, bedoelde vergoeding die in uitvoering van de in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst wordt verkregen in ruil voor de opname van het bedrag van de groepsbijdrage in de winst van het belastbaar tijdperk;
- ten belope van de in artikel 198/1, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding die wordt verkregen van de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die
vennootschappen als de belastingplichtige, in ruil voor de overdracht van het in artikel 198/1, § 3, bedoelde grensbedrag.
- ten belope van het bedrag dat als vergoeding dient voor de in de artikelen 28 en 35 van de wet van 19 december 2023, houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen bedoelde belasting die betaald is door de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting.
Vrijstelling ter versterking van de solvabiliteit en het eigen vermogen van de vennootschappen ten gevolge van de COVID-19 pandemie.
Art. 194septies/1 569 § 1. Voor het aanslagjaar 2019 of 2020 dat verband houdt met een boekjaar dat afgesloten werd tussen 13 maart 2019 tot 31 juli 2020, kan een vennootschap aanspraak maken op de tijdelijke vrijstelling van het geheel of een deel van het resultaat van het belastbare tijdperk vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het volgende belastbare tijdperk dat verbonden is met, naar gelang het geval, het aanslagjaar 2020 of 2021, binnen de hierna bepaalde grenzen en voorwaarden.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt verleend door de vorming van een tijdelijke vrijgestelde reserve die in mindering wordt gebracht op het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst van het in het eerste lid bedoelde belastbare tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020.
De tijdelijke vrijgestelde reserve mag voor slechts één belastbaar tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020 worden gevormd.

§ 2. Het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling mag niet groter zijn dan:
- het bedrag van het resultaat van het belastbare tijdperk, vastgesteld alsof de in dit artikel bedoelde vrijstelling niet werd gevraagd, en verminderd met de overeenkomstig artikelen 202 tot 205/1 en 543 bedoelde aftrekbare inkomsten die in de loop van het belastbare tijdperk werden verkregen;
- 20 miljoen euro.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar 2021 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht. Deze regeling is ook niet van toepassing voor de vennootschappen die tijdens het belastbare tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar waarin aanspraak wordt gemaakt op de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling, in het toepassingsgebied van één van de volgende bepalingen zijn opgenomen:

1° beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggings- vennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioen- voorziening;

2° de coöperatieve participatievennoot- schappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemers- participatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers;

3° de zeescheepvaartvennootschappen die aan inkomstenbelasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002.
Vervolgens is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.
Ten slotte, is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van het indienen van de aangifte die verbonden is met het aanslagjaar 2021, ofwel: - een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of,
- betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

§ 4. Het in toepassing van paragraaf 1 totale vrijgestelde bedrag wordt toegevoegd aan het bedrag van de belaste gereserveerde winst aan het einde van het belastbare tijdperk dat volgt op het in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde belastbare tijdperk.

§ 5. In geval van vrijstelling op grond van dit artikel moet de belastingplichtige bij de aangifte in de inkomstenbelasting naar gelang het geval voor de aanslagjaren 2019 en 2020 of 2020 en 2021, een opgave toevoegen, waarvan het model door de Koning wordt vastgelegd of, indien de aangifte met betrekking tot één of meerdere van deze aanslagjaren op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel al is ingediend, deze opgave samen met de aangifte uiterlijk op 30 november 2020 toezenden volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Art. 194septies/1. Art. 194septies/1

§ 1. Voor het aanslagjaar 2019 of 2020 dat
verband houdt met een boekjaar dat afgesloten
werd tussen 13 maart 2019 tot 31 juli 2020, kan
een vennootschap aanspraak maken op de tijdelijke
vrijstelling van het geheel of een deel van het
resultaat van het belastbare tijdperk vanwege
eventuele verliezen die worden geleden in de loop
van het volgende belastbare tijdperk dat verbonden
is met, naar gelang het geval, het aanslagjaar 2020
of 2021, binnen de hierna bepaalde grenzen en
voorwaarden.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling
wordt verleend door de vorming van een tijdelijke
vrijgestelde reserve die in mindering wordt
gebracht op het totale bedrag van de belastbare
gereserveerde winst van het in het eerste lid
bedoelde belastbare tijdperk dat wordt afgesloten
in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020.
De tijdelijke vrijgestelde reserve mag voor
slechts één belastbaar tijdperk dat wordt afgesloten
in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020
worden gevormd.

§ 2. Het bedrag van de in paragraaf 1
bedoelde vrijstelling mag niet groter zijn dan:
- het bedrag van het resultaat van het
belastbare tijdperk, vastgesteld alsof de in dit
artikel bedoelde vrijstelling niet werd
gevraagd, en verminderd met de
overeenkomstig artikelen 202 tot 205/1 en
543 bedoelde aftrekbare inkomsten die in de
loop van het belastbare tijdperk werden
verkregen;
- 20 miljoen euro.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling is
niet van toepassing op de vennootschappen die
tijdens de periode van 12 maart 2020 tot en met de
dag van de indiening van de aangifte verbonden
met het aanslagjaar 2021 een inkoop van eigen
aandelen of een toekenning of uitkering van
dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip
van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld
in de artikelen 184quater en 541, of een
kapitaalvermindering met inbegrip van de
kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of
elke andere vermindering of verdeling van het
eigen vermogen hebben verricht.
Deze regeling is ook niet van toepassing
voor de vennootschappen die tijdens het belastbare
tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar
waarin aanspraak wordt gemaakt op de in paragraaf
1 bedoelde vrijstelling, in het toepassingsgebied
van één van de volgende bepalingen zijn
opgenomen:

1° beleggingsvennootschappen bedoeld in de
artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3
augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en
de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen, de beleggings-
vennootschappen bedoeld in de artikelen
190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19
april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging en
hun beheerders, de gereglementeerde
vastgoedvennootschappen, de Europese
langetermijnbeleggingsinstellingen, alsmede
de organismen voor de financiering van
pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet
van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht
op de instellingen voor bedrijfspensioen-
voorziening;

2° de coöperatieve participatievennoot-
schappen, in toepassing van de wet van 22
mei 2001 betreffende de werknemers-
participatie in het kapitaal van de
vennootschappen en tot instelling van een
winstpremie voor de werknemers;

3° de zeescheepvaartvennootschappen die aan
inkomstenbelasting worden onderworpen
met inachtneming van de artikelen 115 tot
120 of van artikel 124 van de programmawet
van 2 augustus 2002.
Vervolgens is deze regeling niet van
toepassing voor de vennootschappen die op 18
maart 2020 konden worden aangemerkt als een
onderneming in moeilijkheden.
Ten slotte, is deze regeling niet van
toepassing voor de vennootschappen die, in de
periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van
het indienen van de aangifte die verbonden is met
het aanslagjaar 2021, ofwel:
- een rechtstreekse deelneming aanhouden in
een vennootschap die gevestigd is in een
Staat die is opgenomen op één van de lijsten
waarnaar wordt verwezen in artikel 307,

§ 1/2, of een Staat die is opgenomen in de
lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of,
- betalingen hebben gedaan aan
vennootschappen die gevestigd zijn in één
van de in het eerste streepje bedoelde Staten,
voor zover deze betalingen in de loop van
het belastbare tijdperk een totaalbedrag
vormen van ten minste 100 000 euro, en niet
werd aangetoond dat deze betalingen werden
verricht in het kader van werkelijke en
oprechte verrichtingen die het gevolg zijn
van rechtmatige financiële of economische
behoeften.

§ 4. Het in toepassing van paragraaf 1 totale
vrijgestelde bedrag wordt toegevoegd aan het
bedrag van de belaste gereserveerde winst aan het
einde van het belastbare tijdperk dat volgt op het in
paragraaf 1, tweede lid, bedoelde belastbare
tijdperk.

§ 5. In geval van vrijstelling op grond van dit
artikel moet de belastingplichtige bij de aangifte in
de inkomstenbelasting naar gelang het geval voor
de aanslagjaren 2019 en 2020 of 2020 en 2021, een
opgave toevoegen, waarvan het model door de
Koning wordt vastgelegd of, indien de aangifte met
betrekking tot één of meerdere van deze
aanslagjaren op het ogenblik van de
inwerkingtreding van dit artikel al is ingediend,
deze opgave samen met de aangifte uiterlijk op 30
november 2020 toezenden volgens de nadere regels
bepaald door de Koning.

Art. 194sexies. De winst wordt vrijgesteld ten belope van het totaal van het in artikel 198/1, § 2 bedoelde financieringskostensurplus dat in toepassing van artikel 198/1, § 1, in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost werd aangemerkt en dat in toepassing van dit artikel niet als grondslag heeft gediend voor de vrijstelling van de winst in hoofde van de belastingplichtige. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling kan niet groter zijn dan het positieve verschil tussen het in artikel 198/1, § 3, bedoelde grensbedrag en het in artikel 198/1, § 2 bedoelde financierings- kostensurplus.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling kan enkel worden verkregen indien de vennootschap bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een opgave voegt waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.

Art. 194ter.

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :

1° in aanmerking komende investeerder:
- de binnenlandse vennootschap, of;
- de Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2°;
andere dan:
- een in aanmerking komende productievennootschap zoals bedoeld in 2°, of een gelijkaardige productie- vennootschap die niet erkend is; of
- een vennootschap die verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met een in het eerste streepje bedoelde vennootschap die deelneemt aan het desbetreffende in aanmerking komend werk; of
- een televisieomroep, 528 die een raamovereenkomst ondertekent zoals bedoeld in 5° waarin hij zich verbindt sommen te storten met het oog op het bekomen van een tax shelter-attest zoals bedoeld in 10°;

2° in aanmerking komende productievennoot- schap : de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een belasting- plichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die geen televisieomroep is of geen onderneming die in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen en die als voornaamste doel en kernactiviteit de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft en die door de minister bevoegd voor Financiën als dusdanig is erkend volgens een eenvoudige procedure waarvan de Koning (1) de modaliteiten en voorwaarden bepaalt ;
Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als een met Belgische of buitenlandse televisieomroepen verbonden onderneming beschouwd, de onderneming die verbonden is met een Belgische of buitenlandse televisieomroep, maar die zich ertoe verbindt om geen raamovereenkomst af te sluiten in het kader van het Tax Shelter stelsel voor de productie van een in aanmerking komend werk waarvoor deze televisieomroep voordelen zou verkrijgen die rechtstreeks verbonden zijn met de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de in aanmerking komende productievennootschap zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de in aanmerking komende investeerder als ten aanzien van de federale overheid;
De in het eerste lid bedoelde kernactiviteit wordt bepaald op basis van de resultatenrekening en de balans waaruit moet blijken dat de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken de activiteit is waarmee de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2°, in hoofdzaak bezig is. De Koning kan de praktische modaliteiten ter vaststelling van de kernactiviteit bepalen. De in het eerste lid vermelde erkenning kan door de minister bevoegd voor Financiën worden geschorst of ingetrokken volgens een eenvoudige tegensprekelijke procedure waarvan de Koning de modaliteiten bepaalt, wanneer de erkende productievennootschap haar voornaamste doel en kernactiviteit niet langer de ontwikkeling en de productie van in aanmerking komende werken is of wanneer blijkt dat de erkende productievennootschap § 6, § 11 of § 12 van dit artikel herhaaldelijk heeft geschonden.

3° in aanmerking komende tussenpersoon:
de natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van de onderhandelingen en het afsluiten van een raamovereenkomst tussenkomt met het oog op het afleveren van een tax shelter-attest in ruil voor een vergoeding of een voordeel,
die niet zelf een in aanmerking komende productievennootschap of investeerder is,
en die door de minister bevoegd voor Financiën als dusdanig is erkend, volgens een eenvoudige procedure waarvan de Koning de modaliteiten en voorwaarden bepaalt (1) ;


(1) art. 734/1 tot 734/6, KB/WIB 92.

4° in aanmerking komend werk : - een Europees audiovisueel werk zoals een fictiefilm, documentaire, animatiefilm, kortfilm, een fictie- of animatieserie die worden geproduceerd met tussenkomst van een in aanmerking komende productievennootschap met een commercieel oogmerk andere dan voor reclamedoeleinden met als doel vertoond te worden aan een breed publiek, die door de bevoegde diensten van de betrokken gemeenschap zijn erkend als zijnde een Europese productie zoals bedoeld in de richtlijn "Audiovisuele mediadiensten" van 10 maart 2010 (210/13/EU). Internationale producties in de categorie fictiefilm, documentaire of animatiefilm bestemd om aan een breed publiek te worden vertoond, komen in aanmerking voor zover zij:
- ofwel vallen binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten);
- ofwel vallen binnen het toepassingsgebied van een bilaterale overeenkomst inzake coproductie afgesloten door België met een andere Staat. Onder Staat, en dat geldt evenzeer voor België, wordt zowel het federale niveau als alle administratieve onderliggende niveaus bedoeld; - waarvoor de productie- en exploitatie- uitgaven die in België werden gedaan zoals bedoeld in 7°, worden gedaan binnen een periode van 18 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in 5° en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst. Voor animatiefilms en voor animatieseries wordt deze termijn van 18 maanden tot 24 maanden verlengd; De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de raamovereenkomsten bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.

5° raamovereenkomst: de overeenkomst die binnen de maand volgend op haar ondertekening, en voor de voltooiing van het in aanmerking komend werk, is aangemeld bij de Federale Overheidsdienst Financiën door de in aanmerking komende productievennootschap, waardoor de in aanmerking komende investeerder zich verbindt, ten aanzien van een in aanmerking komende productievennootschap, een som te storten met het oog op het bekomen van een tax shelter-attest van een in aanmerking komend werk;

6° kwalificerende productie- en exploitatie- uitgaven in de Europese Economische Ruimte: de uitgaven die zijn verricht in de Europese Economische Ruimte met betrekking tot de productie en de exploitatie van een in aanmerking komend werk, in de mate dat tenminste 70 pct. van deze uitgaven, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie; 7° de productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan: de in België gedane uitgaven die betrekking hebben op de productie en exploitatie van een in aanmerking komend werk en waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschaps- belasting of in de belasting van niet- inwoners, aan het gewoon stelsel van aanslag, met uitzondering van uitgaven die in hoofde van de productievennootschap aangemerkt kunnen worden als niet als beroepskosten aftrekbare bedragen vermeld in artikel 206/1, tweede lid, 2°, alsmede van alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk.

8° uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie: de uitgaven die verbonden zijn met de creatieve en technische productie van het in aanmerking komend werk, zoals:
- kosten met betrekking tot de artistieke rechten met uitzondering van de ontwikkelingskosten van het scenario die dateren van de periode voor de raamovereenkomst. Deze periode voorafgaand aan de raamovereen- komst wordt in voorkomend geval aangepast overeenkomstig het zesde lid; - lonen en andere vergoedingen van het personeel, vergoedingen van zelfstandige dienstverleners; - kosten toegerekend aan de betaling van de acteurs, muzikanten en artistieke functies voor zover zij bijdragen aan de interpretatie en realisatie van het in aanmerking komend werk; - sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede en derde streepje; - kosten van decors, rekwisieten, kostuums en attributen, die in beeld worden gebracht, alsook de kosten die noodzakelijk zijn voor de recuperatie van decors, rekwisieten, kostuums en attributen in zoverre aangetoond wordt dat deze recuperatie er niet toe leidt dat de decors, rekwisieten, kostuums en attributen opnieuw als grondslag voor kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven dienen; - kosten van vervoer en accommodatie, beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten, bedoeld in het tweede en derde streepje; - kosten toegewezen aan hardware en andere technische middelen; - kosten van laboratorium en de aanmaak van de master; - verzekeringskosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie; - kosten van publicatie en van promotie eigen aan de productie: aanmaken van het persdossier, basiswebsite, de montage van een trailer, alsook de première; - vergoedingen betaald aan de productiemanager, de postproductie- coördinator en de line producer;

9° uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie:
inzonderheid de volgende uitgaven:
- de uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve en financiële organisatie en begeleiding van de audiovisuele productie; - … - kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk of de sommen die werden gestort op basis van een raamovereenkomst zoals bedoeld in 5°, maar met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, garantiekosten en administratieve kosten; - facturen die zijn opgesteld door de in aanmerking komende investeerder met uitzondering van facturen van facilitaire audiovisuele bedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tussenkomende vennootschappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn; - distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn. Als uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk worden eveneens aangemerkt:
- wanneer alle activiteiten van producers die niet in 8° worden bedoeld effectief gepresteerd zijn door de in aanmerking komende productievennootschap, een forfaitair bepaalde vergoeding ten belope van maximaal 10 pct. van de productie- en exploitatie-uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie en die in België werden gedaan; - wanneer de in aanmerking komende productievennootschap niet alle in het eerste streepje bedoelde activiteiten van producers die niet in 8° worden bedoeld verricht, de marktconforme vergoedingen betaald of toegekend aan producers die niet in 8° worden bedoeld en die verband houden met werkelijke prestaties; - de marktconforme financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die een raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk hebben afgesloten; - algemene kosten van de productie ten bate van de producer. De in het tweede lid vermelde vergoedingen, kosten en commissielonen worden enkel als uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk aangemerkt in de mate dat het geheel daarvan niet meer dan 18 pct. bedraagt van de productie- en exploitatie-uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie en die in België werden gedaan.

10° tax shelter-attest: een fiscaal attest, of een
de in aanmerking komende productie- vennootschap wordt afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Financiën, volgens de modaliteiten en voorwaarden zoals bepaald in § 7 kunnen die worden aangevuld door de Koning, op basis van de raamovereenkomst zoals bedoeld in 5° en de uitgaven gedaan voor de financiering van de productie en de exploitatie van een in aanmerking komend werk zoals bepaald in 4°. Het tax shelter-attest wordt bijgehouden door de in aanmerking komende investeerder.
In afwijking van het eerste lid, 7°, worden, wanneer de uitgaven, voor de begunstigde, de vergoeding van dienstverrichtingen vertegenwoor- digen en wanneer de begunstigde een beroep doet op één of meerdere onderaannemers voor de verwezenlijking van deze dienstverrichtingen, deze kosten slechts als in België gedane uitgaven aangemerkt indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 pct. van de uitgaven niet overschrijdt. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de begunstigde zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de productievennootschap als ten aanzien van de federale overheid. Voor de berekening van het percentage bepaald in het tweede lid, wordt er geen rekening gehouden met de vergoedingen van de onderaannemers welke hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane uitgaven indien deze onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de productievennootschap.

§ 2. Ten name van de in aanmerking komende investeerder wordt de belastbare winst in het belastbaar tijdperk waarin de raamovereen- komst is getekend, binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden voorlopig vrijgesteld ten belope van 421 pct. van de sommen waartoe de investeerder zich in uitvoering van deze raamovereenkomst verbonden heeft voor zover deze werkelijk door die investeerder gestort zijn binnen de drie maanden na de ondertekening van deze raamovereenkomst.

§ 3. Per belastbaar tijdperk wordt de vrijstelling als bedoeld in § 2 verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct., met een maximum van 750 000 EUR, van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in § 4.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de vrijstelling per belastbaar tijdperk nooit hoger mag zijn dan de in het eerste lid gestelde grenzen.
De in aanmerking komende investeerder die, tijdens een belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 33 pct. bedraagt, sommen heeft gestort waarbij het belastbaar tijdperk onvoldoende winst kent om de vrijstelling bedoeld in § 2 uit te oefenen, en die daarom overeenkomstig het tweede lid de niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overdraagt naar de volgende belastbare tijdperken, kan bij de eerste overdracht van deze niet verleende vrijstelling een vermenigvuldigings- coëfficiënt toepassen van: - 356/310 indien het tarief van de vennootschapsbelasting 29 pct. bedraagt voor het belastbaar tijdperk waarnaar het niet uitgeoefende deel van de vrijstelling wordt overgedragen;
- 421/310 indien het tarief van de vennootschapsbelasting 25 pct. bedraagt voor het belastbaar tijdperk waarnaar het niet uitgeoefende deel van de vrijstelling wordt overgedragen.
De in aanmerking komende investeerder die, tijdens een belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, sommen heeft gestort waarbij het belastbaar tijdperk onvoldoende winst kent om de vrijstelling bedoeld in § 2 uit te oefenen, en die daarom overeenkomstig het tweede lid de niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overdraagt naar de volgende belastbare tijdperken, kan bij de eerste overdracht van deze niet verleende vrijstelling een vermenigvuldigings- coëfficiënt toepassen van 421/356 indien het tarief van de vennootschapsbelasting 25 pct. bedraagt voor het belastbaar tijdperk waarnaar het niet uitgeoefende deel van de vrijstelling wordt overgedragen.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 850 000 euro.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 25 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 1 000 000 euro.

§ 4. De vrijstelling die is toegekend op basis van de overgemaakte sommen in uitvoering van een raamovereenkomst met het oog op het bekomen van een tax shelter-attest wordt slechts verleend en behouden wanneer:

1° de in § 2 bedoelde vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft tot de investeerder de definitieve vrijstelling opeist overeenkomstig de in § 5 vermelde termijnen en voorwaarden ; 2° de vrijgestelde winst bedoeld in § 2 niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning tot op de datum waarop het tax shelter-attest door de Federale Overheidsdienst Financiën wordt afgeleverd ;

3° het totaal van de door het geheel van in aanmerking komende investeerders daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 pct. van het totale budget van de uitgaven voor het in aanmerking komend werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend ;

4° de in § 2 vrijgestelde winst beperkt is tot 203 pct. van de uiteindelijk verwachte fiscale waarde van het tax shelter-attest zoals vermeld in de raamovereenkomst.

5° de investeerder op het ogenblik van het afsluiten van de raamovereenkomst geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge een besluit van de Europese Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

§ 4bis. …

§ 5. De vrijstelling wordt slechts definitief toegekend indien het Tax Shelter attest uiterlijk op 31 december van het vierde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst wordt getekend, daadwerkelijk wordt afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Financiën.
De vrijstelling waarop aanspraak wordt gemaakt uit hoofde van ofwel de sommen die op grond van de raamovereenkomst werkelijk betaald zijn in het in § 2, bedoelde tijdperk ofwel de fiscale waarde van het tax shelter-attest, en van de in § 3, tweede lid, bedoelde overdracht, kan uiterlijk worden toegekend in het aanslagjaar verbonden met het vierde belastbaar tijdperk dat volgt op het jaar van de ondertekening van de raamovereen- komst. De definitieve vrijstelling die is toegekend op basis van de gestorte sommen in uitvoering van een raamovereenkomst en met het oog op het behalen van een tax shelter-attest wordt slechts toegekend indien de investeerder bij de aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbaar tijdperk in de loop van hetwelk hij aanspraak heeft gemaakt op de definitieve vrijstelling, een kopie voegt van het tax shelter-attest dat hij ontvangen heeft in overeenstemming met § 1, eerste lid, 10°, en in de mate waarin per belastbaar tijdperk, de grens en het maximum bedoeld in § 3 nageleefd worden.

§ 6. Voor de periode verstreken tussen de datum van de eerste storting op grond van een raamovereenkomst en het ogenblik waarop het tax shelter-attest wordt afgeleverd, maar met een maximum van 18 maanden, kan de in aanmerking komende productievennootschap aan de in aanmerking komende investeerder een som storten berekend op de in het kader van de raamovereenkomst effectief uitgevoerde stortingen die worden verricht ter verkrijging van het tax shelter-attest, prorata van de verlopende dagen, en waarvan de maximumrente gelijk is aan het gemiddelde van EURIBOR 12 maanden van de laatste dag van elke maand van het kalenderhalfjaar dat voorafgaat aan de betaling de door de in aanmerking komende investeerder gedane stortingen, verhoogd met 450 basispunten.

§ 7. Het tax shelter-attest wordt slechts uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Financiën indien aan de hieronder bepaalde modaliteiten en voorwaarden evenals aan degene die eventueel door de Koning zijn bepaald, is voldaan:

1° de in aanmerking komende productie- vennootschapheeft de raamovereenkomst bij de Federale Overheidsdienst Financiën in overeenstemming met § 1, eerste lid, 5°, aangemeld; 2° de in aanmerking komende productie- vennootschap heeft het tax shelter-attest aangevraagd binnen een periode van 9 maanden na de voltooiing van het in aanmerking komend werk op basis van de aangemelde raamovereenkomst en de uitgaven die zijn verricht voor de uitvoering van de productie en de exploitatie van een in aanmerking komend werk zoals gedefinieerd in § 1, eerste lid, 6° en 7°;

3° de in aanmerking komende productie- vennootschap heeft aan de Federale Overheidsdienst Financiën samen met de aanvraag voor een tax shelter-attest voorgelegd:
- een document waarin de betrokken gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een in aanmerking komend werk zoals bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, en dat, in het geval waarbij de productie- vennootschap verbonden is met een televisieomroep, overeenkomstig § 1, eerste lid, 2°, tweede lid, zij in een eerste analyse inschat of de televisieomroep geen voordelen verkrijgt die rechtstreeks verbonden zijn met de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk;
- een document waarin de betrokken gemeenschap bevestigt dat het werk is voltooid en dat de in toepassing van dit artikel uitgevoerde globale financiering van het werk is uitgevoerd in overeenstemming met de voorwaarde en grens bedoeld in § 4, 3°;

3°bis de televisieomroep zoals bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, verkrijgt geen voordelen die rechtstreeks verbonden zijn met de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk;

4° tenminste 70 pct. van de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven in de Europese Economische Ruimte zijn uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie; 4°bis tenminste 70 pct. van de productie- en exploitatie-uitgaven die in België zijn gedaan, zijn uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie;

5° de productievennootschap heeft geen achterstallen bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het ogenblik van het afsluiten van de raamovereenkomst;

6° de voorwaarden bedoeld in § 4, 1° tot 3°, worden ononderbroken nageleefd;

7° alle voorwaarden die betrekking hebben op de hoedanigheid, de grens, het maximum, de termijn en territorialiteit bedoeld in dit artikel worden nageleefd.
In het geval dat wordt vastgesteld dat een van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk.
In het geval dat de in aanmerking komende investeerder op 31 december van het vierde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst wordt getekend, het tax shelter-attest niet heeft ontvangen wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het laatse belastbare tijdperk tijdens hetwelk het tax shelter-attest rechtsgeldig kon worden afgeleverd.
De definitieve vrijstelling is in ieder geval beperkt tot 203 pct. van de fiscale waarde van het tax shelter-attest. Het eventuele overschot van de sommen die zijn gestort en die in aanmerking zijn genomen als tijdelijk vrijgestelde winst overeenkomstig §§ 2 en 3 wordt beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelke het tax shelter-attest is afgeleverd. Het tarief van de vennootschapsbelasting dat van toepassing is op de in het tweede lid bedoelde voorheen vrijgestelde winst, op de in het derde lid bedoelde voorheen vrijgestelde winst en op het in het vierde lid vermelde overschot, bedraagt het in artikel 215 bedoelde tarief van de vennootschapsbelasting dat geldt voor het aanslagjaar waarvoor de vrijstelling voor de eerste keer werd gevraagd, verhoogd in voorkomend geval met de in artikel 463bis bedoelde

De Koning kan de nadere toepassingsregels bepalen, met name voor de toekenning, de bewaring, de overdracht, de administratie en de aanmelding van het attest alsook voor de wijze waarop de in § 1, eerste lid, 6° en 7° vermelde uitgaven dienen aangetoond te worden.

§ 8. De fiscale waarde van het tax shelter- attest, zoals bedoeld in § 1, eerste lid, 10°, wordt vastgelegd, conform de door de Koning bepaalde modaliteiten, op: - 70 pct. van het bedrag van de in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven verricht in de Europese Economische Ruimte en uitgevoerd voor de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk, in de mate dat deze 70 pct. van het bedrag van de uitgaven, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie;
- met een maximum van tien negende van het bedrag dat betrekking heeft op de productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan zoals bedoeld in § 1, eerste lid, 7°, binnen een termijn van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het tax shelter-attest voor de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk, die eventueel is aangepast overeenkomstig § 1, eerste lid, 4°, tweede streepje.
Voor animatiefilms en animatieseries wordt deze termijn van 18 maanden verlengd met zes maanden. Indien evenwel het totaal van de in België gedane uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie minder is dan 70 pct. van het totaal van de in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven, zal de fiscale waarde van het Tax Shelter attest proportioneel worden verminderd a rato van het percentage van de in België gedane uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie, in verhouding tot de vereiste 70 pct.
De som van alle fiscale waarden van de Tax Shelter attesten bedraagt per in aanmerking komend werk maximaal 15 000 000 euro.

§ 9. De stortingen die zijn overeengekomen in het kader van een raamovereenkomst moeten in hun geheel ten laatste drie maand voor de aflevering van het tax shelter-attest zijn uitgevoerd.

§ 10. De raamovereenkomst die tot doel heeft een in aanmerking komend werk te produceren bevat verplicht: 1° de benaming, het ondernemingsnummer, het maatschappelijk doel en de datum van de erkenning van de in aanmerking komende productievennootschap;

2° de benaming, het ondernemingsnummer en het maatschappelijk doel van de in aanmerking komende investeerder;

3° de benaming, het ondernemingsnummer, het maatschappelijk doel of de identiteit en het nationaal nummer, alsook de datum van de erkenning van de in aanmerking komende tussenpersoon;

4° de identificatie en de beschrijving van het in aanmerking komend werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;

5° de begroting van de uitgaven die nodig zijn voor het werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen:
- het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de in aanmerking komende productievennootschap; - het gedeelte dat gefinancierd wordt door elk van de in aanmerking komende investeerders, dat reeds is vastgelegd;

6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die bestemd zijn voor de uitvoering van de raamovereenkomst;

7° de waarborg dat elke in aanmerking komende investeerder noch een in aanmerking komende productievennoot- schap, noch een televisieomroep, noch een in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met een in aanmerking komende productievennootschap verbonden vennootschap is;

8° de verbintenis van de productie- vennootschap:
- dat ze geen onderneming is die verbonden is met een Belgische of buitenlandse televisieomroep, of dat ze niet als een met een Belgische of buitenlandse televisieomroep verbon- den onderneming beschouwd kan worden overeenkomstig § 1, 2°, tweede lid, gezien deze televisieomroep geen voordelen verkrijgt die rechtstreeks verbonden zijn met de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk;
- het definitieve bedrag dat wordt aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst door de vrijstelling van de winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van de begroting van de totale uitgaven van het in aanmerking komend werk voor het geheel van de in aanmerking komende investeerders, en om alle overeenkomstig § 2 gestorte bedragen daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van deze begroting; - dat ten minste 70 pct. van de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven in de Europese Economische Ruimte, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie;
- dat ten minste 70 pct. van de productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie;
- dat ten minste 90 pct. van de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven die in aanmerking genomen worden bij de berekening van de uiteindelijk verwachte fiscale waarde van het Tax Shelter attest zoals vermeld in de raamovereen- komst, in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven zijn, zodat deze fiscale waarde kan worden bereikt;
- in de eindgeneriek van het werk de steun te vermelden aangebracht door de Belgische wetgever inzake de tax shelter;

9° de verbintenis van de in aanmerking komende productievennootschap en de in aanmerking komende tussenpersonen om de wetgeving na te leven die betrekking heeft op het tax shelter stelsel en meer in het bijzonder, van § 12 van dit artikel.
De Koning kan de praktische modaliteiten van uitwerking, inhoud en vorm van de raamovereenkomst bepalen. § 11. Geen enkel economisch of financieel voordeel kan worden toegekend aan de in aanmerking komende investeerder, met uitzondering van handelsgeschenken van geringe waarde in de zin van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. De waarborg van het voltooien van het in aanmerking komend werk en de aflevering van het tax shelter-attest wordt niet beschouwd als een economisch of financieel voordeel, voor zover de in aanmerking komende investeerder, in het geval dat deze zich beroept op deze waarborg, niet meer ontvangt dan het bedrag van de belastingen en de nalatigheidsinteresten verschuldigd door deze investeerder in het geval van niet naleving van de vrijstellingsvoorwaarde.
De in aanmerking komende investeerder mag geen rechten, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het in aanmerking komend werk bezitten of in bezit gehad hebben.
De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de in aanmerking komende investeerder om aanspraak te maken op een eventuele aftrek als beroepskosten van de andere bedragen dan degene die in het kader van de raamovereenkomst gestort zijn en die evenzeer betrekking hebben op de productie van een in aanmerking komend werk, en dit binnen de voorwaarden bepaald door de artikelen 49 en volgende.
In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn de kosten en verliezen evenals de minderwaarden, voorzieningen en afschrijvingen die betrekking hebben op de aankoop van een tax shelter-attest, noch aftrekbaar als beroepskost, of - verlies, noch vrijstelbaar. § 12. Het aanbod van een tax shelter-attest door de in aanmerking komende productievennootschap of door de in aanmerking komende tussenpersoon en de bemiddeling in raamovereenkomsten worden uitgevoerd in overeenstemming met de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding aan het publiek van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en met Verordening 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van richtlijn 2003/71/EG.
Art. 194ter/1 § 1. De toepassing van artikel 194ter wordt verruimd tot de in aanmerking komende productievennootschappen die als voornaamste doel en kernactiviteit de productie en de ontwikkeling van nieuwe podiumproducties hebben.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1° in aanmerking komend werk: in afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, een nieuwe podiumproductie als bedoeld in 2°, die door de bevoegde diensten van de betrokken Gemeenschap erkend wordt als Europees podiumwerk, dat wil zeggen:
- tot stand gebracht door een of meer producenten die in een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn of gesuperviseerd en daadwerkelijk gecontroleerd door een of meer producenten die in een of meer van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn; - waarvoor de productie- en exploitatie- uitgaven die in België werden gedaan zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 7°, worden gedaan binnen een periode van 24 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 24 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst, en uiterlijk 1 maand na de Première van de podiumproductie;
De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de raamovereenkomsten bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.

2° nieuwe podiumproductie: een theater-, circus-, straattheater-, opera-, klassieke muziek-, dans- of muziektheaterproductie, met inbegrip van musical en ballet, alsook de productie van een totaalspektakel, waarbij het scenario, de theatertekst, de regie of de scenografie nieuw is, of die een herinterpretatie betreft en waarvan het hoofddoel of een van de hoofddoelen niet het reclame maken voor of bevorderen van bepaalde andere goederen of diensten is;

3° totaalspektakel: de combinatie van diverse van de onder 2° vermelde podiumkunsten, eventueel op bijkomstige wijze aangevuld met choreografie, toneelspel, speciale effecten, pyrotechnische effecten en innoverende technologieën qua geluid, beeld en scenografie;

4° Première: de eerste voorstelling van de podiumproductie in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die ten laatste twee maanden na de eerste Try-out plaatsvindt ; 5° Try-out: een proefvoorstelling van de podiumproductie bedoeld om de reactie van het publiek te peilen en eventueel alsnog wijzigingen in de podiumproductie aan te brengen waarvoor de toegangsprijs die wordt aangerekend aan het publiek beduidend lager ligt dan de toegangsprijs voor de première en de daaropvolgende voorstellingen.

§ 3. In afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 8° en 9°, wordt verstaan onder:

1° uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie: de uitgaven die verbonden zijn met de creatieve en technische productie van het in aanmerking komende werk, zoals:
- kosten met betrekking tot de artistieke rechten, met uitzondering van de ontwikkelingskosten van het scenario die dateren van de periode voor de raamovereenkomst;
- lonen en andere vergoedingen van het personeel of vergoedingen van zelfstandige dienstverleners, verbon- den aan de creatie en uitvoering van het in aanmerking komend werk;
- lonen en andere vergoedingen van acteurs, acrobaten, dansers, dirigenten, muzikanten, zangers en artistieke functies, al dan niet zelfstandig, die enkel verbonden zijn aan de uitvoering van het in aanmerking komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten van decors, rekwisieten, instrumenten, kostuums en attributen, die op het podium worden gebracht;
- kosten met betrekking tot licht, geluid, speciale effecten en andere technische middelen;
- de transportkosten met betrekking tot de kosten bedoeld in het vijfde en zesde streepje; - kosten van vervoer en accommodatie van personen, beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten bedoeld in het tweede en derde streepje;
- kosten van huur van repetitie- en voorstellingsruimten;
- verzekeringskosten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie;
- kosten van publicatie en van promotie eigen aan de productie: affiches, flyers, aanmaken van het persdossier, website of webpagina eigen aan de productie, alsook de Première;

2° uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie:
inzonderheid de volgende uitgaven:
- de uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve, financiële en juridische organisatie en begeleiding van de podiumproductie;
- financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die een raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk hebben afgesloten;
- kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk of de sommen die werden gestort op basis van een raamovereenkomst zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, interesten, garantiekosten, administratieve kosten, commissielo- nen en representatiekosten; - facturen die zijn opgesteld door de in aanmerking komende investeerder met uitzondering van facturen van facilitaire podiumbedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tussenkomende vennoot- schappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn. De kosten die in principe ten laste zijn van de structuur waar de podium- productie wordt opgevoerd, zoals culturele centra, komen niet in aanmerking.

§ 4. …

§ 5. Per belastbaar tijdperk wordt de vrijstelling bedoeld in artikel 194ter, § 2, verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct. van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in artikel 194ter, § 4, met een maximum van 750 000 euro. Dit grensbedrag en dit maximum zijn van toepassing op het totaal van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 850 000 euro.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 25 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 1 000 000 euro. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling overeenkomstig artikel 194ter, § 3, tweede tot vierde lid, achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de in artikel 194ter; § 2, en in artikel 194ter/1, § 5, bedoelde vrijstellingen, in voorkomende geval gezamenlijk toegepast, per belastbaar tijdperk nooit hoger mogen zijn dan de in het eerste lid gestelde grenzen.
In afwijking van artikel 194ter, § 8, vierde lid, bedraagt de som van alle fiscale waarden van de taxshelter-attesten per in aanmerking komend werk, maximaal 2 500 000 euro.

§ 6. Om overeenkomstig artikel 194ter, § 7, eerste lid, 3°, tweede streepje, te kunnen bevestigen dat de realisatie van de nieuwe podiumproductie is voltooid, moet de betrokken Gemeenschap zich ervan vergewissen dat het werk voor het eerst in de Europese Economische Ruimte publiekelijk werd vertoond.
Art. 194ter/2 Wanneer het in artikel 194ter, 194ter/1, § 2, eerste lid, 1°, of artikel 194ter/3, § 2, 1°, bedoelde in aanmerking komend werk wordt geproduceerd door een rechtspersoon gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die onder de bevoegdheid van de Federale Staat valt, wordt voor de toepassing van de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3 onder "betrokken Gemeenschap" verstaan de "bevoegde Instantie van de Federale Staat".
De Koning bepaalt de in het eerste lid bedoelde bevoegde Instantie van de Federale Staat en de procedures die deze betreffen voor de toepassing van de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3.
Art. 194ter/3 § 1. Artikel 194ter is eveneens van toepassing op de in aanmerking komende productievennootschappen die als voornaamste doel en kernactiviteit de productie en de ontwikkeling van videospellen hebben. § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1° een in aanmerking komend werk: in afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, een origineel videospel zoals bepaald onder 2°, dat door de bevoegde diensten van de betrokken Gemeenschap erkend wordt als Europees videospel, dat wil zeggen:
- hoofdzakelijk tot stand gebracht met de hulp van auteurs en creatieve medewerkers, die Belgisch rijksinwoner zijn of inwoner zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, door een of meer producenten en coproducenten die in een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn of die gesuperviseerd en daadwerkelijk gecontroleerd worden door een of meer producenten en coproducenten die in een of meer van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn;
- in overeenstemming met een culturele test zoals die is goedgekeurd door de Europese Commissie;
- waarvoor de productie- en exploitatie- uitgaven die in de Europese Economische Ruimte werden gedaan, worden gedaan binnen een periode van 24 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 24 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst, en uiterlijk 3 maanden na de realisatie van de finale versie; De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de overeenkomst bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.

2° videospel: een interactief werk inclusief audio, video, computercode, scenario/script en spelervaring, dat gebruikt wordt door één of meerdere personen tegelijk en bedoeld is om te worden gedistribueerd en geëxploiteerd op mobiele apparaten, desktop-, online- of thuisconsoles waarvoor de interactieve en speelse mechanismen zijn bedoeld om te worden geprojecteerd op een audiovisueel scherm met of zonder randapparatuur;

3° origineel videospel: het videospel waarin het verhaal, de afbeeldingen, de personages, de inhoud, de gameplay of de spelfuncties origineel zijn. De uitbreiding van een bestaand videospel, waarin deze originele elementen of sommige daarvan zijn opgenomen, wordt gelijkgesteld met een origineel videospel voor zover de nieuwe originele elementen ten minste 50 pct. vertegenwoordigen van het verhaal, de afbeeldingen, de personages, de inhoud, de gameplay of de spelfuncties;

4° finale versie: de versie zoals deze is op het ogenblik van zijn commercialisering in de Europese Economische Ruimte. Met commercialisering wordt bedoeld de datum waarop het videospel voor het eerst te koop wordt aangeboden; 5° productie- en exploitatie-uitgaven in de Europese Economische Ruimte: de in de Europese Economische Ruimte gedane uitgaven die betrekking hebben op de productie en exploitatie van een in aanmerking komend werk en waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners of in een gelijkaardig regime in een ander land van de Europese Economische Ruimte, met uitzondering van uitgaven die in hoofde van de productievennootschap aangemerkt kunnen worden als niet als beroepskosten aftrekbare bedragen vermeld in artikel 206/1, tweede lid, 2°, alsmede van alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk.

§ 3. In afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 8° en 9°, wordt verstaan onder:

1° uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie: de uitgaven die verbonden zijn met de creatieve en technische productie van het in aanmerking komende werk, zoals :
- uitgaven met betrekking tot de aankoop van de intellectuele rechten die noodzakelijk of nuttig zijn voor de realisatie van het in aanmerking komend werk in verhouding tot hun aandeel bij de totstandkoming ervan wanneer de aankoop aan marktprijs is gedaan, na de ondertekening van de raamovereenkomst, bij een persoon of een vennootschap die niet verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
- lonen en andere vergoedingen van het personeel of vergoedingen van zelfstandige dienstverleners, verbonden aan de creatie en uitvoering van het in aanmerking komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en kosten bedoeld in het tweede streepje; - aankopen van materialen, benodigd- heden en uitrusting in verhouding tot hun aandeel bij de totstandkoming van het in aanmerking komend werk;
- uitgaven in verband met de tests die noodzakelijk of nuttig zijn voor de totstandkoming van het in aanmerking komend werk;
- kosten van huur van klank-, acteer- en webruimtes;
- verzekeringskosten die rechtstreeks verband houden met de totstandkoming van het in aanmerking komend werk;
- vertaalkosten van het in aanmerking komend werk;
- kosten van publicatie en van promotie eigen aan de productie: affiches, flyers, aanmaken van het persdossier, website of webpagina, TV- of radioreclame en socialemedia- marketing eigen aan de productie, alsook de kosten eigen aan het op de markt brengen van de finale versie;

2° uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie, waaronder:
- uitgaven die gerelateerd zijn aan de administratieve, financiële en juridische organisatie en begeleiding bij de productie van een in aanmerking komend werk;
- financiële vergoedingen en commissielonen betaald in verband met de werving van ondernemingen die een raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk hebben afgesloten; - kosten inherent aan de financiering van het in aanmerking komend werk of de sommen die werden gestort op basis van een raamovereenkomst zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, met inbegrip van kosten voor juridische bijstand, advocatenkosten, interesten, garantiekosten, administratieve kosten, commissie- lonen en representatiekosten;
- facturen die zijn opgesteld door de in aanmerking komende investeerder met uitzondering van facturen van facilitaire productiebedrijven voor zover de aangerekende goederen of diensten tot de directe productiekosten kunnen gerekend worden en voor zover de gehanteerde prijzen overeenkomen met de prijs die zou worden betaald als de tegemoetkomende vennootschappen totaal onafhankelijk van elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening van de productievennootschap zijn.
Voor de toepassing van dit artikel worden, in afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 9°, tweede lid, derde lid, vierde lid, § 7, eerste lid, 4° bis, § 8, eerste lid, tweede streepje, derde lid, § 10, eerste lid, 8°, vierde en vijfde streepje, de in artikel 194ter bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan telkens verruimd tot de productie- en exploitatie-uitgaven die werden gedaan in Europese Economische Ruimte.

§ 4. …

§ 5. Per belastbaar tijdperk wordt de in artikel 194ter, § 2, bedoelde vrijstelling verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 procent van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de in artikel 194ter, § 4, bedoelde vrijgestelde reserve, met een maximum van 750 000 euro. Dit grensbedrag en dit maximum zijn van toepassing op het totaal van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3. Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 850 000 euro.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, 25 pct. bedraagt, wordt het maximumbedrag bedoeld in het eerste lid opgetrokken tot 1 000 000 euro.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling overeenkomstig artikel 194ter, § 3, tweede tot vierde lid, achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de in artikel 194ter; § 2, 194ter/1, § 5, en 194ter/3, § 5, bedoelde vrijstellingen, in voorkomende geval gezamenlijk toegepast, per belastbaar tijdperk nooit hoger mogen zijn dan de in het eerste lid gestelde grenzen.
In afwijking van artikel 194ter, § 8, vierde lid, bedraagt de som van alle fiscale waarden van de taxshelter-attesten per in aanmerking komend werk, maximaal 2 500 000 euro.

§ 6. Om overeenkomstig artikel 194ter, § 7, eerste lid, 3°, tweede streepje, te kunnen bevestigen dat de realisatie van het originele videospel is voltooid, moet de betrokken Gemeenschap zich ervan vergewissen of een finale versie in de Europese Economische Ruimte werd tot stand gebracht. 559

Art. 194ter/1. Art. 194ter/1

§ 1. De toepassing van artikel 194ter wordt
verruimd tot de in aanmerking komende
productievennootschappen die als voornaamste
doel en kernactiviteit de productie en de
ontwikkeling van nieuwe podiumproducties
hebben.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt
verstaan onder:

1° in aanmerking komend werk: in afwijking
van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, een
nieuwe podiumproductie als bedoeld in 2°,
die door de bevoegde diensten van de
betrokken Gemeenschap erkend wordt als
Europees podiumwerk, dat wil zeggen:
- tot stand gebracht door een of meer
producenten die in een of meer
lidstaten van de Europese
Economische Ruimte gevestigd zijn of
gesuperviseerd en daadwerkelijk
gecontroleerd door een of meer
producenten die in een of meer van de
lidstaten van de Europese
Economische Ruimte gevestigd zijn;
- waarvoor de productie- en exploitatie-
uitgaven die in België werden gedaan
zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1,
eerste lid, 7°, worden gedaan binnen
een periode van 24 maanden die ten
vroegste aanvangt 6 maanden voor de
datum van de ondertekening van de
raamovereenkomst voor het bekomen
van het taxshelterattest voor de
productie van dit werk zoals bedoeld
in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en
ten laatste loopt tot 24 maanden na de
ondertekening van laatstgenoemde
raamovereenkomst, en uiterlijk 1
maand na de Première van de
podiumproductie;
De in het eerste lid bedoelde productie- en
exploitatie-uitgaven gedaan in de periode
voorafgaand aan de datum van de
ondertekening van de raamovereenkomsten
bedragen maximaal 50 pct. van het totaal
van deze productie- en exploitatie-uitgaven.

2° nieuwe podiumproductie: een theater-,
circus-, straattheater-, opera-, klassieke
muziek-, dans- of muziektheaterproductie,
met inbegrip van musical en ballet, alsook de
productie van een totaalspektakel, waarbij
het scenario, de theatertekst, de regie of de
scenografie nieuw is, of die een
herinterpretatie betreft en waarvan het
hoofddoel of een van de hoofddoelen niet
het reclame maken voor of bevorderen van
bepaalde andere goederen of diensten is;

3° totaalspektakel: de combinatie van diverse
van de onder 2° vermelde podiumkunsten,
eventueel op bijkomstige wijze aangevuld
met choreografie, toneelspel, speciale
effecten, pyrotechnische effecten en
innoverende technologieën qua geluid, beeld
en scenografie;

4° Première: de eerste voorstelling van de
podiumproductie in België of in een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte die ten laatste twee maanden na de
eerste Try-out plaatsvindt ;

5° Try-out: een proefvoorstelling van de
podiumproductie bedoeld om de reactie van
het publiek te peilen en eventueel alsnog
wijzigingen in de podiumproductie aan te
brengen waarvoor de toegangsprijs die wordt
aangerekend aan het publiek beduidend lager
ligt dan de toegangsprijs voor de première en
de daaropvolgende voorstellingen.

§ 3. In afwijking van artikel 194ter, § 1,
eerste lid, 8° en 9°, wordt verstaan onder:

1° uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met
de productie en de exploitatie: de uitgaven
die verbonden zijn met de creatieve en
technische productie van het in aanmerking
komende werk, zoals:
- kosten met betrekking tot de artistieke
rechten, met uitzondering van de
ontwikkelingskosten van het scenario
die dateren van de periode voor de
raamovereenkomst;
- lonen en andere vergoedingen van het
personeel of vergoedingen van
zelfstandige dienstverleners, verbon-
den aan de creatie en uitvoering van
het in aanmerking komend werk;
- lonen en andere vergoedingen van
acteurs, acrobaten, dansers, dirigenten,
muzikanten, zangers en artistieke
functies, al dan niet zelfstandig, die
enkel verbonden zijn aan de
uitvoering van het in aanmerking
komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en
kosten bedoeld in het tweede en derde
streepje;
- kosten van decors, rekwisieten,
instrumenten, kostuums en attributen,
die op het podium worden gebracht;
- kosten met betrekking tot licht, geluid,
speciale effecten en andere technische
middelen;
- de transportkosten met betrekking tot
de kosten bedoeld in het vijfde en
zesde streepje;
- kosten van vervoer en accommodatie
van personen, beperkt tot een bedrag
dat gelijk is aan 25 pct. van de kosten
bedoeld in het tweede en derde
streepje;
- kosten van huur van repetitie- en
voorstellingsruimten;
- verzekeringskosten die rechtstreeks
verbonden zijn met de productie;
- kosten van publicatie en van promotie
eigen aan de productie: affiches,
flyers, aanmaken van het persdossier,
website of webpagina eigen aan de
productie, alsook de Première;

2° uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn
met de productie en de exploitatie:
inzonderheid de volgende uitgaven:
- de uitgaven die gerelateerd zijn aan de
administratieve, financiële en
juridische organisatie en begeleiding
van de podiumproductie;
- financiële vergoedingen en
commissielonen betaald in verband
met de werving van ondernemingen
die een raamovereenkomst voor de
productie van een in aanmerking
komend werk hebben afgesloten;
- kosten inherent aan de financiering
van het in aanmerking komend werk
of de sommen die werden gestort op
basis van een raamovereenkomst zoals
bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste
lid, 5°, met inbegrip van kosten voor
juridische bijstand, advocatenkosten,
interesten, garantiekosten,
administratieve kosten, commissielo-
nen en representatiekosten;
- facturen die zijn opgesteld door de in
aanmerking komende investeerder met
uitzondering van facturen van
facilitaire podiumbedrijven voor zover
de aangerekende goederen of diensten
tot de directe productiekosten kunnen
gerekend worden en voor zover de
gehanteerde prijzen overeenkomen
met de prijs die zou worden betaald
als de tussenkomende vennoot-
schappen totaal onafhankelijk van
elkaar zouden zijn;
- distributiekosten die voor rekening
van de productievennootschap zijn.
De kosten die in principe ten laste zijn
van de structuur waar de podium-
productie wordt opgevoerd, zoals
culturele centra, komen niet in
aanmerking.

§ 4. …

§ 5. Per belastbaar tijdperk wordt de
vrijstelling bedoeld in artikel 194ter, § 2, verleend
ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct. van
de belastbare gereserveerde winst van het
belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de
samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld
in artikel 194ter, § 4, met een maximum van
750 000 euro. Dit grensbedrag en dit maximum
zijn van toepassing op het totaal van de
vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 194ter,
194ter/1 en 194ter/3.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het
tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in
artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, wordt het
maximumbedrag bedoeld in het eerste lid
opgetrokken tot 850 000 euro.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het
tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in
artikel 215, eerste lid, 25 pct. bedraagt, wordt het
maximumbedrag bedoeld in het eerste lid
opgetrokken tot 1 000 000 euro.
Indien een belastbaar tijdperk geen of
onvoldoende winst oplevert om de sommen ter
uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen
aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk
niet verleende vrijstelling overeenkomstig artikel
194ter, § 3, tweede tot vierde lid, achtereenvolgens
overgedragen op de winst van de volgende
belastbare tijdperken, waarbij de in artikel 194ter;

§ 2, en in artikel 194ter/1, § 5, bedoelde
vrijstellingen, in voorkomende geval gezamenlijk
toegepast, per belastbaar tijdperk nooit hoger
mogen zijn dan de in het eerste lid gestelde
grenzen.
In afwijking van artikel 194ter, § 8, vierde
lid, bedraagt de som van alle fiscale waarden van
de taxshelter-attesten per in aanmerking komend
werk, maximaal 2 500 000 euro.

§ 6. Om overeenkomstig artikel 194ter, § 7,
eerste lid, 3°, tweede streepje, te kunnen bevestigen
dat de realisatie van de nieuwe podiumproductie is
voltooid, moet de betrokken Gemeenschap zich
ervan vergewissen dat het werk voor het eerst in de
Europese Economische Ruimte publiekelijk werd
vertoond.

Art. 194ter/2. Art. 194ter/2
Wanneer het in artikel 194ter, 194ter/1, § 2,
eerste lid, 1°, of artikel 194ter/3, § 2, 1°, bedoelde
in aanmerking komend werk wordt geproduceerd
door een rechtspersoon gevestigd in het tweetalige
gebied Brussel-Hoofdstad die onder de
bevoegdheid van de Federale Staat valt, wordt voor
de toepassing van de artikelen 194ter, 194ter/1 en
194ter/3 onder "betrokken Gemeenschap" verstaan
de "bevoegde Instantie van de Federale Staat".
De Koning bepaalt de in het eerste lid
bedoelde bevoegde Instantie van de Federale Staat
en de procedures die deze betreffen voor de
toepassing van de artikelen 194ter, 194ter/1 en
194ter/3.

Art. 194ter/3. Art. 194ter/3

§ 1. Artikel 194ter is eveneens van
toepassing op de in aanmerking komende
productievennootschappen die als voornaamste
doel en kernactiviteit de productie en de
ontwikkeling van videospellen hebben.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt
verstaan onder:

1° een in aanmerking komend werk: in
afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid,

4°, een origineel videospel zoals bepaald
onder 2°, dat door de bevoegde diensten van
de betrokken Gemeenschap erkend wordt als
Europees videospel, dat wil zeggen:
- hoofdzakelijk tot stand gebracht met
de hulp van auteurs en creatieve
medewerkers, die Belgisch
rijksinwoner zijn of inwoner zijn van
een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte, door een of
meer producenten en coproducenten
die in een of meer lidstaten van de
Europese Economische Ruimte
gevestigd zijn of die gesuperviseerd
en daadwerkelijk gecontroleerd
worden door een of meer producenten
en coproducenten die in een of meer
van de lidstaten van de Europese
Economische Ruimte gevestigd zijn;
- in overeenstemming met een culturele
test zoals die is goedgekeurd door de
Europese Commissie;
- waarvoor de productie- en exploitatie-
uitgaven die in de Europese
Economische Ruimte werden gedaan,
worden gedaan binnen een periode
van 24 maanden die ten vroegste
aanvangt 6 maanden voor de datum
van de ondertekening van de
raamovereenkomst voor het bekomen
van het taxshelterattest voor de
productie van dit werk zoals bedoeld
in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en
ten laatste loopt tot 24 maanden na de
ondertekening van laatstgenoemde
raamovereenkomst, en uiterlijk 3
maanden na de realisatie van de finale
versie;
De in het eerste lid bedoelde
productie- en exploitatie-uitgaven
gedaan in de periode voorafgaand aan
de datum van de ondertekening van de
overeenkomst bedragen maximaal 50
pct. van het totaal van deze productie-
en exploitatie-uitgaven.

2° videospel: een interactief werk inclusief
audio, video, computercode, scenario/script
en spelervaring, dat gebruikt wordt door één
of meerdere personen tegelijk en bedoeld is
om te worden gedistribueerd en
geëxploiteerd op mobiele apparaten,
desktop-, online- of thuisconsoles waarvoor
de interactieve en speelse mechanismen zijn
bedoeld om te worden geprojecteerd op een
audiovisueel scherm met of zonder
randapparatuur;

3° origineel videospel: het videospel waarin het
verhaal, de afbeeldingen, de personages, de
inhoud, de gameplay of de spelfuncties
origineel zijn. De uitbreiding van een
bestaand videospel, waarin deze originele
elementen of sommige daarvan zijn
opgenomen, wordt gelijkgesteld met een
origineel videospel voor zover de nieuwe
originele elementen ten minste 50 pct.
vertegenwoordigen van het verhaal, de
afbeeldingen, de personages, de inhoud, de
gameplay of de spelfuncties;

4° finale versie: de versie zoals deze is op het
ogenblik van zijn commercialisering in de
Europese Economische Ruimte. Met
commercialisering wordt bedoeld de datum
waarop het videospel voor het eerst te koop
wordt aangeboden;

5° productie- en exploitatie-uitgaven in de
Europese Economische Ruimte: de in de
Europese Economische Ruimte gedane
uitgaven die betrekking hebben op de
productie en exploitatie van een in
aanmerking komend werk en waaruit
beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten
name van de begunstigde, belastbaar zijn in
de personenbelasting, in de
vennootschapsbelasting, de belasting van
niet-inwoners of in een gelijkaardig regime
in een ander land van de Europese
Economische Ruimte, met uitzondering van
uitgaven die in hoofde van de
productievennootschap aangemerkt kunnen
worden als niet als beroepskosten aftrekbare
bedragen vermeld in artikel 206/1, tweede
lid, 2°, alsmede van alle andere kosten die
niet werden gedaan voor de productie of de
exploitatie van het in aanmerking komend
werk.

§ 3. In afwijking van artikel 194ter, § 1,
eerste lid, 8° en 9°, wordt verstaan onder:

1° uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met
de productie en de exploitatie: de uitgaven
die verbonden zijn met de creatieve en
technische productie van het in aanmerking
komende werk, zoals :
- uitgaven met betrekking tot de
aankoop van de intellectuele rechten
die noodzakelijk of nuttig zijn voor de
realisatie van het in aanmerking
komend werk in verhouding tot hun
aandeel bij de totstandkoming ervan
wanneer de aankoop aan marktprijs is
gedaan, na de ondertekening van de
raamovereenkomst, bij een persoon of
een vennootschap die niet verbonden
is in de zin van artikel 1:20 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen;
- lonen en andere vergoedingen van het
personeel of vergoedingen van
zelfstandige dienstverleners,
verbonden aan de creatie en uitvoering
van het in aanmerking komend werk;
- sociale lasten in verband met lonen en
kosten bedoeld in het tweede streepje;
- aankopen van materialen, benodigd-
heden en uitrusting in verhouding tot
hun aandeel bij de totstandkoming van
het in aanmerking komend werk;
- uitgaven in verband met de tests die
noodzakelijk of nuttig zijn voor de
totstandkoming van het in aanmerking
komend werk;
- kosten van huur van klank-, acteer- en
webruimtes;
- verzekeringskosten die rechtstreeks
verband houden met de
totstandkoming van het in aanmerking
komend werk;
- vertaalkosten van het in aanmerking
komend werk;
- kosten van publicatie en van promotie
eigen aan de productie: affiches,
flyers, aanmaken van het persdossier,
website of webpagina, TV- of
radioreclame en socialemedia-
marketing eigen aan de productie,
alsook de kosten eigen aan het op de
markt brengen van de finale versie;

2° uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn
met de productie en de exploitatie,
waaronder:
- uitgaven die gerelateerd zijn aan de
administratieve, financiële en
juridische organisatie en begeleiding
bij de productie van een in
aanmerking komend werk;
- financiële vergoedingen en
commissielonen betaald in verband
met de werving van ondernemingen
die een raamovereenkomst voor de
productie van een in aanmerking
komend werk hebben afgesloten;
- kosten inherent aan de financiering
van het in aanmerking komend werk
of de sommen die werden gestort op
basis van een raamovereenkomst zoals
bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste
lid, 5°, met inbegrip van kosten voor
juridische bijstand, advocatenkosten,
interesten, garantiekosten,
administratieve kosten, commissie-
lonen en representatiekosten;
- facturen die zijn opgesteld door de in
aanmerking komende investeerder met
uitzondering van facturen van
facilitaire productiebedrijven voor
zover de aangerekende goederen of
diensten tot de directe productiekosten
kunnen gerekend worden en voor
zover de gehanteerde prijzen
overeenkomen met de prijs die zou
worden betaald als de
tegemoetkomende vennootschappen
totaal onafhankelijk van elkaar zouden
zijn;
- distributiekosten die voor rekening
van de productievennootschap zijn.
Voor de toepassing van dit artikel worden, in
afwijking van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 9°,
tweede lid, derde lid, vierde lid, § 7, eerste lid, 4°
bis, § 8, eerste lid, tweede streepje, derde lid, § 10,
eerste lid, 8°, vierde en vijfde streepje, de in artikel
194ter bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven
die in België werden gedaan telkens verruimd tot
de productie- en exploitatie-uitgaven die werden
gedaan in Europese Economische Ruimte.

§ 4. …

§ 5. Per belastbaar tijdperk wordt de in
artikel 194ter, § 2, bedoelde vrijstelling verleend
ten belope van een bedrag beperkt tot 50 procent
van de belastbare gereserveerde winst van het
belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de
samenstelling van de in artikel 194ter, § 4,
bedoelde vrijgestelde reserve, met een maximum
van 750 000 euro. Dit grensbedrag en dit maximum
zijn van toepassing op het totaal van de
vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 194ter,
194ter/1 en 194ter/3.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het
tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in
artikel 215, eerste lid, 29 pct. bedraagt, wordt het
maximumbedrag bedoeld in het eerste lid
opgetrokken tot 850 000 euro.
Voor het belastbaar tijdperk waarvoor het
tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in
artikel 215, eerste lid, 25 pct. bedraagt, wordt het
maximumbedrag bedoeld in het eerste lid
opgetrokken tot 1 000 000 euro.
Indien een belastbaar tijdperk geen of
onvoldoende winst oplevert om de sommen ter
uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen
aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk
niet verleende vrijstelling overeenkomstig artikel
194ter, § 3, tweede tot vierde lid, achtereenvolgens
overgedragen op de winst van de volgende
belastbare tijdperken, waarbij de in artikel 194ter;

§ 2, 194ter/1, § 5, en 194ter/3, § 5, bedoelde
vrijstellingen, in voorkomende geval gezamenlijk
toegepast, per belastbaar tijdperk nooit hoger
mogen zijn dan de in het eerste lid gestelde
grenzen.
In afwijking van artikel 194ter, § 8, vierde
lid, bedraagt de som van alle fiscale waarden van
de taxshelter-attesten per in aanmerking komend
werk, maximaal 2 500 000 euro.

§ 6. Om overeenkomstig artikel 194ter, § 7,
eerste lid, 3°, tweede streepje, te kunnen bevestigen
dat de realisatie van het originele videospel is
voltooid, moet de betrokken Gemeenschap zich
ervan vergewissen of een finale versie in de
Europese Economische Ruimte werd tot stand
gebracht.

Art. 195.

§ 1. Bedrijfsleiders worden voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers gelijkgesteld en hun bezoldigingen en de ermede verband houdende sociale lasten worden als beroepskosten aangemerkt. Stortingen van sociale verzekering of voorzorg, zijn slechts aftrekbaar in zover zij betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij door de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend.

§ 2. Behalve indien de overeenkomsten enkel voorzien in voordelen bij overlijden, worden premies van levensverzekeringen betreffende overeenkomsten die in het voordeel van de onderneming zijn gesloten, met de in artikel 52, 3°, b, vermelde bijdragen gelijkgesteld en zijn zij, onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde grens, slechts aftrekbaar indien deze overeenkomsten werden gesloten op het hoofd van een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst.
Om het aftrekbare deel van de premies te bepalen komen uitsluitend de in § 1, tweede lid, omschreven bezoldigingen in aanmerking.

Art. 195/1. De kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbare tijdperk, en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, zijn slechts als beroepskosten aftrekbaar in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen, ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk.

Art. 196.

§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, criteria en normen stellen om te bepalen in hoeverre de kosten betreffende autovoertuigen die ter beschikking van bedrijfsleiders en van leden van het directiepersoneel worden gesteld, moeten worden aangemerkt als kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen. § 2. De eerste afschrijvingsannuïteit ten aanzien van tijdens het boekjaar verkregen of tot stand gebrachte vaste activa wordt slechts als beroepskost aangemerkt in verhouding tot het gedeelte van het boekjaar waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht.

§ 3. Het in artikel 64 voorziene degressieve afschrijvingsstelsel is niet van toepassing.

§ 4. In afwijking van artikel 62 wordt ten name van de vennootschappen die als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht, het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten ofwel ineens afgeschreven tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt, ofwel op dezelfde wijze als de hoofdsom van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende vaste activa.
In afwijking van artikel 62 wordt ten name van de vennootschappen die niet als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht, het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten op dezelfde wijze als de hoofdsom van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende vaste activa afgeschreven.

Art. 197. Niet-verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten, die ingevolge artikel 219 aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen, worden als niet-aftrekbare beroepskosten aangemerkt.
Bij toepassing van artikel 219, vijfde en zesde lid, worden in afwijking van artikel 57, eerste lid, de niet verantwoorde uitgaven beschouwd als beroepskosten.

Art. 198.

§ 1. Als beroepskosten worden niet aangemerkt : 1° de vennootschapsbelasting, de in mindering van de vennootschapsbelasting gestorte sommen, en de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen met miskenning van artikel 261 tot ontlasting van de verkrijger heeft gedragen ;

2° de belasting en de aanvullende belasting op de deelnames die ten laste van de schuldenaar van het inkomen vallen ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten, bedoeld in artikel 113 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen ;

3° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de voorheffingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing ;

4° de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen vermeld in artikel 183bis van het Wetboek diverse rechten en taksen ;

5° onverminderd de toepassing van artikel 53, 32°, de gewestelijke belastingen, heffingen en retributies andere dan deze bedoeld in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten en andere dan deze ingevoerd door de Gewesten op het gebruik van voertuigen of op het gebruik van de openbare weg, alsmede de verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze niet-aftrekbare belastingen, heffingen en retributies ;

6° de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen vermeld in artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

6°/1 de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen vermeld in artikel 20111 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

6°/2 de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen vermeld in artikel 20121 van het Wetboek diverse rechten en taksen; 6°/3 de jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 20130 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het verlies aan gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd en de waardeverminderingen en de minderwaarden op de aandelen die behoren tot de handelsportefeuille, zoals bedoeld in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging ;

8° het in kosten opgenomen deel van een op niet-afschrijfbare immateriële of materiële, of financiële vaste activa geboekt disconto, voor zover de aankoopprijs lager is dan de werkelijke waarde verhoogd met het disconto;

9° de kosten van in artikel 65 bedoelde voertuigen die, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld, ten belope van 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid;

9°bis in afwijking van de bepaling onder 9°, de kosten van in artikel 65 bedoelde voertuigen die, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld, ten belope van 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de vennootschap ten laste zijn genomen; 10° onverminderd de toepassing van artikel 219, de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht naar Staten die in artikel 307, § 1/2, eerste lid, zijn bedoeld, en die niet zijn aangegeven overeenkomstig genoemd artikel 307, § 1/2, eerste lid,, of, als ze toch aangegeven zijn, waarvoor de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht ;

10°/1 de betalingen die werden gedaan in het kader van een hybridemismatch, voor zover :
- de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting die ze wenst af te trekken zulks wenst te doen van de beroepsinkomsten die niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan; en
- een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan die betalingen mag aftrekken van haar belastbare inkomsten.
De betalingen waarvan de aftrek op grond van deze bepaling werd geweigerd, mogen worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de volgende belastbare tijdperken, voor zover die beroepsinkomsten ook opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan.

10°/2 de volgende betalingen die werden gedaan in het kader van een hybridemismatch, voor zover ze niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigden :
a) een betaling uit hoofde van een financieel instrument, wanneer : - het gegeven dat die betaling zonder deze bepaling aftrekbaar zou zijn zonder opgenomen te zijn in belastbare inkomsten van de gerechtigde, terug te voeren is op de verschillen in de kwalificatie van het financieel instrument of van de betaling die uit hoofde van het financieel instrument gedaan werd; en
- die betaling niet binnen een redelijke termijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde wordt opgenomen.
Een betaling uit hoofde van een financieel instrument wordt geacht binnen een redelijke termijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde te zijn opgenomen wanneer :
- de betaling in het rechtsgebied van de begunstigde wordt opgenomen in een belastbaar tijdperk dat begint binnen 12 maanden na het einde van het belastbaar tijdperk van de betaler; of
- redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de betaling in het rechtsgebied van de gerechtigde in een toekomstig belastbaar tijdperk in de heffing zal worden betrokken en er betalingsvoorwaarden gelden die normaliter tussen onafhankelijke ondernemingen zouden worden overeengekomen.
Een betaling die de onderliggende opbrengst van een overgedragen financieel instrument vormt, geeft geen aanleiding tot een hybridemismatch indien de betaling door een financieel handelaar wordt verricht in het kader van een hybrideoverdracht op de markt.
Voor de toepassing van deze bepaling, worden verstaan onder : - financieel instrument : elk instrument dat leidt tot rendement op vreemd of eigen vermogen dat wordt belast volgens de regels voor het belasten van vreemd vermogen, eigen vermogen en derivaten uit hoofde van de wetgeving van België of van de Staat van buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan, het rechtsgebied van de ontvanger of de betaler, en dat een hybrideoverdracht omvat;
- hybrideoverdracht op de markt : elke hybrideoverdracht waartoe door een financieel handelaar wordt overgegaan in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten, en niet als van een gestructureerde regeling; en
- financieel handelaar : elke persoon of entiteit die regelmatig voor eigen rekening financiële instrumenten koopt en verkoopt, met als doel winst te maken;
b) een betaling aan een hybride-entiteit;
c) een betaling aan een entiteit die over een of meer vestigingen beschikt, wanneer het feit dat die betaling niet is opgenomen in de belastbare inkomsten van die entiteit het gevolg is van verschillen in de toerekening van betalingen tussen het hoofdkantoor van die entiteit en haar vestiging of tussen twee of meer vestigingen van die entiteit op grond van de wetgeving van de rechtsgebieden waar de entiteit haar bedrijf uitoefent; d) een betaling aan een vestiging die beschouwd wordt als aanleiding gevend tot een vaste inrichting op grond van de wetgeving van het rechtsgebied van het hoofdkantoor van de entiteit waarvan de vestiging uitmaakt, maar die niet beschouwd wordt als een vaste inrichting op grond van de wetgeving van het rechtsgebied waar de vestiging zich bevindt, behalve wanneer het met die betaling overeenkomende inkomen als belastbaar beschouwd wordt op grond van de wetgeving van het rechtsgebied van het hoofdkantoor van de entiteit waarvan de vestiging
e) een door een hybride-entiteit gedane betaling, voor zover die betaling zonder deze bepaling zou afgetrokken worden van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde;
f) een veronderstelde betaling tussen het hoofdkantoor van de vestiging of tussen twee of meer vestigingen, voor zover die betaling zonder deze bepaling zou afgetrokken worden van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde; 10°/3 betalingen gedaan in het kader van een hybridemismatch voor zover ze direct of indirect de uitgaven financieren die aftrekbaar zijn in hoofde van meerdere buitenlandse ondernemingen, van een buitenlandse onderneming en een vestiging daarvan, van meerdere vestigingen van eenzelfde buitenlandse onderneming of van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, maar zonder dat er in dit laatste geval met die uitgaven inkomsten overeenkomen die opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde. Die betalingen worden niettemin beschouwd als beroepskosten voor zover een van de rechtsgebieden die bij de hybridemismatch betrokken zijn een gelijkwaardige aanpassing heeft gemaakt met betrekking tot deze hybridemismatch;

10°/4 betalingen gedaan door een binnenlandse vennootschap die eveneens als binnenlandse vennootschap beschouwd wordt door een of meer andere rechtsgebieden binnen dewelke die betalingen aftrekbaar zijn van de belastbare inkomsten die niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van die vennootschap in België. Die betalingen worden niettemin als beroepskosten beschouwd wanneer het andere rechtsgebied of de andere rechtsgebieden lidstaten zijn van de Europese Unie waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten heeft op grond waarvan de vennootschap beschouwd wordt als een inwoner van België. 11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van leningen wanneer de werkelijke verkrijger ervan niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de in België toepasselijke bepalingen van gemeen recht en indien, in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk;

11°/1 onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van de in artikel 198/1, § 2, tweede lid, eerste streepje, bedoelde leningen, wanneer de werkelijke verkrijger ervan deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen waartoe ook de schuldenaar behoort indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk;

12° de deelnames in het kapitaal of in de winst evenals de deelnames toegekend aan de werknemers in het kader van een investeringsspaarplan overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers ; 13° de vergoedingen voor ontbrekende coupon betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten of leningen met betrekking tot aandelen, tot een bedrag gelijk aan het verschil tussen enerzijds het totale bruto dividend betaald of toegekend voor de aandelen waar deze vergoedingen voor ontbrekend coupon betrekking op hebben en anderzijds het totale bruto bedrag als dividend ofwel daadwerkelijk verkregen ofwel met betrekking waartoe een vergoeding voor ontbrekend coupon werd verkregen met betrekking tot deze aandelen ;

14° het deel van de in de artikelen 193bis, § 1, tweede lid, en 193ter, § 1, vermelde premies, kapitaal- en interestsubsidies, dat voorheen definitief werd vrijgesteld en dat wordt terugbetaald ten gunste van het betrokken gewest ;

15° de in artikel 198/1, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding;

16° de in artikel 205/5, § 3, vierde lid, of de in artikel 205/5, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding.

17° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet- toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om:
a) hetzij een sportbeoefenaar bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst bij een sportclub; b) hetzij een in artikel 270, 1° of 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar;
c) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen.

18° de in artikel 2, § 2, van de wet van 19 december 2023, houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen bedoelde minimumbelasting, de in mindering van de voormelde minimumbelasting gestorte sommen, alsmede de verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze minimumbelasting en de voorheffingen;

19° de in artikel 194septies, derde streepje, bedoelde vergoeding ter compensatie van de in de artikelen 28 en 35 van de wet van 19 december 2023, houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen bedoelde minimumbelasting betaald door de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting.

§ 2. Uitsluitend voor de toepassing van § 1, 7°, worden, in afwijking van artikel 184, toch als gestort kapitaal aangemerkt, de verminderingen van gestort kapitaal die voorheen zijn gedaan om geleden verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om een reserve tot dekking van een voorzienbaar verlies te vormen waarmede het geleden verlies boekhoudkundig is aangezuiverd. Voor de toepassing van § 1, 7°, wat de ondernemingen bedoeld in artikel 192, § 1, vierde lid, betreft, wordt de interne transfer van aandelen van of naar de handelsportefeuille beschouwd als een vervreemding. De waardeverminderingen op deze aandelen worden beschouwd als aftrekbare uitgaven van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de aandelen de handelsportefeuille verlaten. Daarentegen worden de waardeverminderingen op deze aandelen beschouwd als niet-aftrekbare uitgaven van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de aandelen deel beginnen uitmaken van de handelsportefeuille overeenkomstig § 1, 7°.
Voor de berekening van de waardevermindering in toepassing van het tweede lid, zal de waarde van de aandelen bepaald op 31 december 2011 beschouwd worden als de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen als de betreffende aandelen reeds in de boekhouding van de vennootschap staan op datum van 31 december 2011.
Voor de toepassing van § 1, 7°, ingeval van verrichtingen gedaan door een buitenlandse vennootschap, dient het begrip gestort kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1, 6°, begrepen te worden in de zin van de bepalingen van dit Wetboek betreffende de vennootschapsbelasting.

§ 3. …
In geval van leningen gewaarborgd door een derde of leningen waarbij een derde aan de schuldeiser de nodige middelen heeft verschaft met het oog op de financiering van de leningen, en geheel of gedeeltelijk de aan de leningen verbonden risico's draagt, wordt deze derde voor de toepassing van paragraaf 1, 11° en 11° /1 geacht de werkelijke verkrijger van de interesten van deze lening te zijn, indien deze waarborg of dit verschaffen van middelen als hoofddoel belasting ontwijking heeft.
De aftrekbeperking bedoeld in in paragraaf 1, 11° /1, is niet van toepassing op leningen aangegaan door : - vennootschappen voor roerende leasing bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur, en vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit factoring of onroerende leasing en dit binnen de financiële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor leasing- en factoringactiviteiten;
- vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheids- opdrachten.
Voor de verenigingen en stichtingen op wie
verenigingen van toepassing is en die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, wordt onder gestort kapitaal, als bedoeld in paragraaf 1, 11° en 11° /1, de fondsen van de vereniging verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 11° en 11°/1, moeten met belaste reserves worden gelijkgesteld de vrijgestelde reserves die werden aangelegd naar aanleiding van een verrichting bedoeld in artikel 184bis, § 4, of in artikel 211, door opneming op de belaste reserves of met correlatieve creatie van een negatieve belaste reserve, omwille van het feit dat de overnemende of verkrijgende vennootschap aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap bezat op het ogenblik van de verrichting.

§ 4. Voor de toepassing van § 1, 11° /1, wat de financieringsverrichtingen die worden verricht in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een groep betreft, wordt, in hoofde van de vennootschap belast met dat gecentraliseerd beheer, onder de betaalde of toegekende interesten van leningen verstaan het positieve verschil tussen :
- enerzijds, de betaalde of toegekende interesten voor de sommen die haar ter beschikking worden gesteld door vennootschappen van de groep; - en anderzijds, de ontvangen of verkregen interesten voor de sommen die effectief zijn ter beschikking gesteld aan vennootschappen van de groep in het kader van deze raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer, met uitzondering van de in artikel 56, § 2, 2°, bedoelde instellingen, en van de vennootschappen die zijn bedoeld in § 3, derde lid, of die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en activiteiten van gelijke aard als deze laatste uitoefenend.
Voor de bepaling van het eerder genoemde positieve verschil wordt geen rekening gehouden met de ontvangen of verkregen interesten voor de sommen die de vennootschap belast met het gecentraliseerd beheer ter beschikking stelt aan vennootschappen van de groep die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard zijn onderworpen of die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België.
Voor de toepassing van het tweede lid, worden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België.
De vennootschap moet aantonen dat zowel de betaalde of toegekende interesten als de ontvangen of verkregen interesten betrekking hebben op het gecentraliseerd thesauriebeheer en het gevolg zijn van de raamovereenkomst voor dit gecentraliseerd thesauriebeheer.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder :

1° het gecentraliseerd thesauriebeheer, het beheer van dagelijkse thesaurieverrichtingen of het thesauriebeheer op korte termijn of uitzonderlijk op langere termijn om rekening te houden met specifieke omstandigheden binnen een normaal thesauriebeheer; 2° raamovereenkomst, de overeenkomst waarin de vennootschappen die deel uitmaken van een groep, duidelijkheid scheppen over het gebruikte financieringsmodel en de activiteiten binnen het gecentraliseerd thesauriebeheer. Deze overeenkomst moet onder andere bepalen :
a) de activiteiten die tot het dagelijkse thesauriebeheer behoren en die de vennootschap voor de leden van de groep uitvoert;
b) de wijze waarop uitstaande vorderingen en schulden worden verrekend tussen de vennootschappen die zijn aangesloten bij de bovenvermelde raamovereenkomst;
c) de modaliteiten voor de tussenkomst van de vennootschappen en de gehanteerde interestvoeten.

Art. 198/1.

§ 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55 wordt het in § 2 bedoelde financieringskostensurplus niet als beroepskosten aangemerkt in de mate dat het totale bedrag van deze interesten, hoger is dan het in § 3 bedoelde grensbedrag.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder financieringskostensurplus het positieve verschil verstaan tussen :
- enerzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die overeenkomstig de overige artikelen uit dit Wetboek in het belastbaar tijdperk als beroepskost worden aangemerkt en die niet verbonden zijn met een vaste inrichting waarvan de winst wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting; - en anderzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die in de winst van het belastbaar tijdperk zijn begrepen en die niet krachtens een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting worden vrijgesteld.
Indien aan de door de Koning vastgestelde modaliteiten wordt voldaan, worden de interesten en andere door de Koning omschreven kosten of opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten van de volgende leningen niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het financieringskostensurplus :
- leningen waarvan de belastingplichtige heeft aangetoond dat het contract werd gesloten vóór 17 juni 2016 en waaraan vanaf deze datum geen fundamentele wijzigingen werden aangebracht;
- leningen die worden gesloten in uitvoering van een langlopend openbaar infrastructuurproject, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden.
In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, komen de interesten en andere door de Koning omschreven kosten of opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten en die verschuldigd zijn aan of door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die deel uitmaakt van deze groep en die niet uitgesloten zijn van de toepassing van dit artikel, niet in aanmerking voor de vaststelling van het financieringskostensurplus.

§ 3. Het in dit artikel bedoelde grensbedrag is het hoogste van de volgende twee bedragen :
a) 3 miljoen euro;
b) 30 pct. van de overeenkomstig deze paragraaf samengestelde EBITDA van de belastingplichtige. De EBITDA wordt samengesteld door het resultaat van het belastbaar tijdperk te vermeerderen met :
- de afschrijvingen en waardeverminderingen die voor het belastbaar tijdperk als beroepskosten worden aangemerkt;
- de in artikel 194sexies bedoelde vrijgestelde winst;
- het in paragraaf 2, bedoelde financierings- kostensurplus, met uitzondering van het gedeelte dat overeenkomstig de eerste paragraaf niet als beroepskosten wordt aangemerkt;
en te verminderen met :
- het in artikel 205/5 bedoelde bedrag van de groepsbijdrage dat in mindering wordt gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk;
- de in artikel 202 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig de artikelen 203 tot 205, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken;
- 85 pct. van de in artikelen 205/2 en 205/3 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig artikel 205/1, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken;
- 80 pct. van de overeenkomstig artikel 543 bepaalde octrooi-inkomsten die in aanmerking worden genomen om van de winst van het belastbaar tijdperk te worden afgetrokken;
- het deel van de winst van het belastbaar tijdperk dat krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting wordt vrijgesteld; - de winst die werd behaald in uitvoering van een langlopend openbaar infrastructuur- project, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden.
In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen :
- wordt het in het eerste lid, a, bedoelde bedrag evenredig verdeeld, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde methode over de binnenlandse vennootschappen en de Belgische inrichtingen die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel hebben uitgemaakt van deze groep en die niet zijn uitgesloten van toepassing van dit artikel;
- worden de kosten die verschuldigd zijn aan of de opbrengsten die verschuldigd zijn door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van dit artikel, buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de in het eerste lid, b, bedoelde EBITDA;
- heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om een interestaftrek-overeenkomst te sluiten met een andere binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet is uitgesloten van toepassing van dit artikel;
- wordt het grensbedrag van de belastingplichtige naargelang hetgeen is overeengekomen verhoogd of verlaagd met het overgedragen grensbedrag dat in de interestaftrek-overeenkomst werd vastgelegd.
De Koning bepaalt de wijze waarop de in het derde lid, tweede streepje bedoelde kosten en opbrengsten buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van de EBITDA van een belastingplichtige die deel uit-maakt van een groep van vennootschappen. § 4. Een overeenkomst komt slechts in aanmerking als interestaftrek-overeenkomst indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht.
De belastingplichtige en de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen worden als de twee partijen van de interestaftrek-overeenkomst geïdentificeerd.
In deze overeenkomst wordt het over te dragen grensbedrag vastgelegd. In het geval de belastingplichtige een bedrag overdraagt dat groter is dan het grensbedrag van de belastingplichtige worden de uitgaven van de belastingplichtige verworpen voor een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen het overgedragen bedrag en het grensbedrag.
In deze overeenkomst verbinden beide partijen zich ertoe om het overgedragen grensbedrag in de aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van de niet- inwoners van het belastbaar tijdperk te verwerken dat verbonden is met het in de overeenkomst vermelde aanslagjaar.
In deze overeenkomst kunnen de partijen enkel voorzien in de betaling van een vergoeding die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die door één van de partijen verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.

§ 5. Om een wijziging aan het grensbedrag te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij haar aangifte van de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners de in paragraaf 4 bedoelde overeenkomst voegen waarvan het model door de door de Koning wordt vastgesteld.

§ 6. Dit artikel is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat hij binnen het toepassingsgebied valt van een van de hiernavolgende definities : 1° de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschap- pen;

2° de beleggingsondernemingen in de zin van artikel 3, § 1, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;

3° de beheerders van AICB's in de zin van artikel 3, 13°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

4° de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;

5° de verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 1°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen;

6° de herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 2°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen;

7° de instelling voor bedrijfspensioen- voorziening in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; 8° pensioeninstellingen die pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels vallen, alsook elke juridische entiteit die is opgericht met het oog op de beleggingen van die regelingen;

9° de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;

10° de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG in de zin van artikel 3, 8°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;

11° een centrale tegenpartij als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc- derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;

12° een centrale effectenbewaarinstelling als omschreven in artikel 2, eerste lid, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstel- lingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012; 13° een vennootschap waarvan de enige activiteit bestaat in het uitvoeren van een langlopend openbaar infrastructuurproject, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden;

14° een vennootschap die geen deel uitmaakt van een groep van vennootschappen en die geen buitenlandse inrichtingen heeft en die geen :
- rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aanhoudt in een vennootschap die ten minste 25 pct. bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschap of waarbij deze deelneming recht geeft op ten minste 25 pct. van de winst van deze vennootschap;
- natuurlijke persoon of rechtspersoon als aandeelhouder heeft die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhoudt in deze en in een andere vennootschap die elk op zich ten minste 25 pct. bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschappen of waarbij deze deelnemingen elk op zich recht geven op ten minste 25 pct. van de winst van deze twee vennootschappen;

15° …

16° …
De Koning kan de wijze bepalen waarop het bewijs moet worden geleverd dat de belastingplichtige zich binnen het toepassings- gebied bevindt van een van de in het eerste lid bedoelde definities.

Art. 198bis. Het in artikel 66, § 1, tweede lid, vermelde minimum van 75 pct. voor de met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen gedane of gedragen beroepskosten is niet van toepassing.



Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 198bis, als volgt :
De artikelen 66, § 1/1, en 550, derde en vijfde lid, zijn niet van toepassing.

Art. 199. Met uitzondering van in de in artikel 21, eerste lid, 5°, 10°, 11°, 13° en 14°, vermelde inkomsten en van de in artikel 14533, § 1, eerste lid, 4°, b, vermelde giften in de vorm van kunstwerken worden, bij het bepalen van het belastbare inkomen, krachtens dit Wetboek of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen vrijgestelde inkomsten en uitgaven die krachtens dit Wetboek of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen voor een belastingvermindering voor giften in aanmerking komen, die begrepen zijn in de winst van het belastbare tijdperk, van die winst afgetrokken.

Art. 200. Het percentage van 10 pct. en het maximumbedrag van 250.000 EUR die inzake vermindering voor giften zijn vermeld in artikel 14533, § 1, vierde lid, worden respectievelijk op 5 pct. en op 500.000 EUR gebracht.

Art. 201.

§ 1. De in artikel 69, eerste lid, 1°, en derde lid bedoelde basisaftrek van de investeringsaftrek bedraagt:
Vanaf aanslagjaar 2027, luidt artikel 201, § 1, 1e lid, inleidende zin, als volgt:
De in artikel 69, eerste lid, 1°, en derde lid bedoelde basisaftrek van de investeringsaftrek bedraagt:

1° voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht door een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht, 10 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de nieuwe materiële of immateriële vaste activa voor zover deze vaste activa rechtstreeks verband houden met de bestaande of geplande economische werkzaamheid die door de vennootschap werkelijk wordt uitgeoefend ;

1°/1 voor digitale vaste activa verkregen of tot stand gebracht door een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht, het basispercentage, zoals bedoeld in de bepaling onder 1°, verhoogd met 10 percentpunten ;

2° voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht door een vennootschap die niet vermeld wordt in de bepalingen onder 1° en 1°/1, 0 pct.
… …
De in het eerste lid bedoelde aftrek wordt altijd in één keer toegepast.




De belastingplichtige die onherroepelijk heeft geopteerd voor het in artikel 289quater vermelde belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, kan niet meer genieten van de in de artikelen 69, eerste lid, 3°, en 70, vermelde investeringsaftrek.

§ 2. Het percentage van de verhoogde thematische aftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2°, bedraagt 30 pct. voor vennootschappen die niet als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht.
Vanaf aanslagjaar 2027, wordt artikel 201, § 2, opgeheven

§ 2. …
winst.

Art. 201/4. artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

30° la taxe sur l'embarquement dans un aéronef visée à l'article 160 du Code des droits et taxes divers ;

30° de taks op de inscheping van een luchtvaartuig vermeld in

Art. 202.

§ 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, in zover zij erin voorkomen :

1° dividenden met uitzondering van inkomsten die zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap ; 2° in zover het een dividend betreft waarop de artikelen 186, 187 of 209 of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast, het positieve verschil tussen de verkregen sommen of de waarde van de ontvangen bestanddelen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden ;

3° …
Vanaf 29 juli 2025, wordt artikel 202, § 1, 3°, hersteld als volgt :

3° het bedrag dat geacht wordt toegekend te worden aan aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, ten gevolge van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater.

4° …

5° …

§ 2. De in § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten behalve voor zover deze voortkomen uit de toepassing van artikel 211, § 2, derde lid, of van bepalingen met een gelijkaardig effect in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zijn slechts aftrekbaar in zoverre :
Vanaf 29 juli 2025, luidt de inleidende zin van artikel 202, § 2, eerste lid, als volgt :

§ 2. De in paragraaf 1, 1° tot 3°, vermelde inkomsten behalve voor zover deze voortkomen uit de toepassing van artikel 211, § 2, derde lid, of van bepalingen met een gelijkaardig effect in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zijn slechts aftrekbaar in zoverre : 600 ----------

1° op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 10 pct. of een deelneming bezit met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro die, indien deze vennootschap die de inkomsten verkrijgt geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft ;

2° deze inkomsten betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden.
De omruiling van aandelen ingevolge verrichtingen als vermeld in artikel 45 of de vervreemding of verkrijging van aandelen ingevolge belastingneutrale verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1 en 231, §§ 2 en 3, worden geacht niet te hebben plaatsgegrepen voor de toepassing van het eerste lid, 2°.
De voorwaarden vermeld in het eerste lid zijn evenwel niet van toepassing op de inkomsten :

1° die worden verkregen door beleggingsvennootschappen en gereglemen- teerde vastgoedvennootschappen ;

2° die worden verleend of toegekend door de in artikel 180, eerste lid, 1°, bedoelde intercommunales, samenwerkingsverbanden, projectverenigingen, autonome gemeente- bedrijven en verenigingen;

3° die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen en gereglemen- teerde vastgoedvennootschappen.

De in artikel 2, § 2, bedoelde fictie van niet overdracht van eigendom, is niet van toepassing voor de vaststelling of aan de in het eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde is voldaan. De in § 1, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten verkregen uit hoofde van aandelen die verworven zijn krachtens een zakelijke- zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten zijn bovendien niet aftrekbaar.

§ 3. Van de winst van het belastbare tijdperk wordt eveneens de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap afgetrokken, in zover zij erin voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze winst reeds in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 in zijn hoofde werd belast en nog niet eerder werd vrijgesteld.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of de winst van een in een derde land gelegen inrichting van deze vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.
Vanaf 29 juli 2025, wordt in artikel 202, een § 4 ingevoegd, luidend als volgt :

§ 4. Van de winst van het belastbaar tijdperk worden eveneens dividenden afgetrokken in de mate dat zij er in voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze dividenden voortvloeien uit de realisatie van de bestanddelen die naar het buitenland zijn overgebracht als gevolg van één van de verrichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, en tot ten hoogste het bedrag dat in toepassing van die bepaling in hoofde van de belastingplichtige als dividend werd aangemerkt.



Art. 203.

§ 1. De in artikel 202, § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn bovendien niet aftrekbaar wanneer ze worden verleend of toegekend door : 1° een vennootschap die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting is onderworpen of die gevestigd is in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België of die gevestigd is in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk is opgenomen op de EU- lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden;

2° een financieringsvennootschap, een thesaurievennootschap of een beleggings- vennootschap andere dan deze bedoelde onder 2° bis die, alhoewel ze in het land van haar fiscale woonplaats onderworpen is aan een in 1° vermelde belasting, in dat land een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht ;

2°bis een beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap :
- waarvan het hoofddoel de verwerving of de bouw van onroerende goederen met het oog op de ter beschikkingstelling aan gebruikers is, of het rechtstreeks of onrechtstreeks aanhouden van deelnemingen in entiteiten met een vergelijkbaar maatschappelijk doel is;
- die onderworpen is aan beperkingen, die ten minste de verplichting omvat om een deel van zijn inkomen aan zijn aandeelhouders uit te keren;
- die, alhoewel hij in het land van zijn fiscale woonplaats onderworpen is aan een in 1° vermelde belasting, in dat land een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht;
in de mate dat de inkomsten van onroerende goederen die hij verkrijgt : - niet afkomstig zijn van onroerende goederen die zich bevinden in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag voorziet in een uitwisseling van inlichtingen die noodzakelijk is voor de toepassing van de wettelijke bepalingen van de contracterende Staten, of;
- niet onderworpen werden aan de vennootschapsbelasting, aan de belasting van niet-inwoners, of aan een buitenlandse belasting die analoog is aan deze belastingen, of genieten van een belastingregeling die afwijkt van het gemeen recht;

3° een vennootschap voor zover de inkomsten die ze verkrijgt, niet zijnde dividenden, hun oorsprong vinden buiten het land van haar fiscale woonplaats en ze in het land van de fiscale woonplaats een afzonderlijke belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht ;

4° een vennootschap voor zover ze winsten verwezenlijkt door tussenkomst van een of meer buitenlandse inrichtingen die globaal genomen zijn onderworpen aan een aanslagregeling die aanzienlijk gunstiger is dan in België ;

5° een vennootschap, andere dan een beleggingsvennootschap of een in 2° bis bedoelde vennootschap, die dividenden wederuitkeert die in toepassing van het 1° tot 4°, zelf niet zouden kunnen worden afgetrokken ten belope van ten minste 90 pct.

6° een vennootschap in de mate dat die deze inkomsten in aftrek heeft genomen of kan nemen van haar winst; 7° een vennootschap die inkomsten uitkeert die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de administratie, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, heeft aangetoond, tenzij bewijs van het tegendeel, dat deze handeling of dit geheel van handelingen kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de aftrek op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde inkomsten, de in artikel 266, eerste lid, bedoelde verzaking op deze inkomsten of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU in een andere lidstaat van de Europese Unie te verkrijgen.

De gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen als vermeld in het eerste lid, 1°, worden geacht aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België, wanneer in de gevallen bepaald door de Koning (1), bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit :
- hetzij, het gemeenrechtelijk nominaal tarief op de winsten van de vennootschap, lager is dan 15 pct. ;
- hetzij, gemeenrechtelijk, het tarief dat met de werkelijke belastingdruk overeenstemt, lager is dan 15 pct.


(1) Art. 734quater, KB/WIB 92.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een Lidstaat van de Europese Unie geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België.

§ 2. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op dividenden die worden verleend of toegekend door de in artikel 180, eerste lid, 1°, bedoelde intercommunales, samenwerkings- verbanden, projectverenigingen, autonome gemeentebedrijven en verenigingen. Paragraaf 1, eerste lid, 2° en 2° bis, is niet van toepassing op de dividenden respectievelijk verdeeld door de beleggingsvennootschappen en door de in § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde vennootschappen waarvan de statuten in de jaarlijkse uitkering voorzien van ten minste 90 pct., of wanneer het gaat om in § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde vennootschappen, ten minste van 80 pct., van de inkomsten die ze hebben verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, voor zover en in de mate dat die inkomsten voortkomen uit dividenden die zelf beantwoorden aan de in § 1, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde aftrekvoorwaarden of uit meerwaarden die ze hebben verwezenlijkt op aandelen die krachtens artikel 192, § 1, voor vrijstelling in aanmerking komen. De bovenvermelde drempel van 90 pct. is niet van toepassing op dividenden die worden uitgekeerd door Europese langetermijnbeleggings- instellingen.
Paragraaf 1, eerste lid, 2°, is niet van toepassing op dividenden verdeeld door private privaks als bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, in de mate dat de inkomsten voortkomen van gerealiseerde meerwaarden op beleggingen als bedoeld in artikel 192, § 3, 1° en 2°, of dividenden voortkomende van die beleggingen.
Voor de toepassing van het derde lid, worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming als bedoeld in artikel 3, 9°, van de wet van 19 april 2014, die zijn geregeld bij statuten, opgericht voor een bepaalde duur en met als uitsluitend doel de collectieve belegging in toegelaten financiële instrumenten uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen en waarvan de financiële instrumenten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 298 van deze wet. Paragraaf 1, eerste lid, 2° en 5°, is niet van toepassing op verkregen dividenden wegens een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming in een financieringsvennootschap gelegen in een Lidstaat van de Europese Unie die, voor de aandeelhouder, beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, voor zover en in de mate dat de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk van de financieringsvennootschap niet hoger is dan 33 pct. van de schulden.
Paragraaf 1, eerste lid, 2°, voor wat betreft de door een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap of een door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten erkende Europese langetermijnbeleggingsinstelling verleende of toegekende inkomsten, en 2° bis, is niet van toepassing op het deel van de verleende of toegekende inkomsten dat voorkomt uit inkomsten van onroerende goederen:
- die zich bevinden in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag voorziet in een uitwisseling van inlichtingen die noodzakelijk is voor de toepassing van de nationale wettelijke bepalingen van de contracterende Staten, en;
- die onderworpen werden aan de vennootschapsbelasting, aan de belasting van niet-inwoners, of aan een buitenlandse belasting die analoog is aan deze belastingen, en niet genieten van een belastingregeling die buitensporig afwijkt van het gemeen recht.
Paragraaf 1, eerste lid, 4°, is niet van toepassing wanneer de daadwerkelijk geheven belasting globaal genomen op de winsten die voortkomen uit de buitenlandse inrichting ten minste 15 pct. bedraagt of wanneer de vennootschap en haar buitenlandse inrichting gevestigd zijn in Lidstaten van de Europese Unie. Paragraaf 1, eerste lid, 5°, is niet van toepassing wanneer de vennootschap die wederuitkeert :

1° een binnenlandse vennootschap is of een buitenlandse vennootschap, gevestigd in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft ondertekend en die er is onderworpen aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht, en waarvan de aandelen zijn opgenomen in de notering aan een effectenbeurs van een Lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, of van een derde Staat waarvan de wetgeving minstens gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet ;

2° een vennootschap is waarvan de verkregen inkomsten uitgesloten werden van het recht op aftrek dat door dit artikel in België wordt geregeld of door een maatregel met gelijkwaardige uitwerking naar buitenlands recht.
Voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 7°, wordt een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.

§ 3. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 5°, en onverminderd § 2, worden de dividenden die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend of toegekend door de in § 1, eerste lid, 1° tot 2° bis, bedoelde vennootschappen, geacht niet aan de aftrekvoorwaarden te beantwoorden. § 4. Wat de toekenning betreft van het regime van de definitief belaste inkomsten aan dividenden afkomstig van door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende vennootschappen met vast kapitaal voor belegging in niet-genoteerde aandelen, wordt de 90 pct. drempel bedoeld in § 2, tweede lid, geacht vervuld te zijn wanneer die beleggingsvennootschappen de winst van het boekjaar hebben uitgekeerd met toepassing van artikel 35 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 met betrekking tot de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in niet- genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven en voorzover zij daartoe met toepassing van dit artikel verplicht waren.

§ 5. Voor de toekenning van het stelsel van definitief belaste inkomsten aan dividenden afkomstig van beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of van in § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde vennootschappen, wordt de 80 pct. drempel bedoeld in § 2, tweede lid, geacht vervuld te zijn wanneer die beleggingsvennootschappen de netto-opbrengst hebben uitgekeerd met toepassing van respectievelijk artikel 27, § 1, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks, van artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 13 juli 2014 met betrekking tot gereglementeerde vastgoedvennootschappen en van artikel 22 van het koninklijk besluit van 9 november 2016 met betrekking tot gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen, en dit voor zover zij daar in toepassing van de voormelde artikelen toe verplicht waren.

Art. 204. De ingevolge artikel 202, § 1, aftrekbare inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen ten belope van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de roerende voorheffing of de fictieve roerende voorheffing. 609

Art. 205.

§ 1. Geen aftrek ingevolge artikel 202 wordt verleend ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige in het buitenland beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.

§ 2. De aftrek ingevolge artikel 202 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199, verminderd met :

1° de niet als beroepskosten aftrekbare giften, met uitzondering van de giften die in toepassing van de artikelen 199 en 200 van de winst worden afgetrokken ;

2° de in artikel 53, 6° tot 11°, 14° en 21° tot 24°, vermelde kosten ;

3° de interesten, retributies en bezoldigingen als bedoeld in artikel 54 ;

4° de niet-aftrekbare interesten als bedoeld in artikel 55 ;

5° de bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, en de ermee gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, voor zover die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de begrenzingen gesteld in de artikelen 59 en 195, alsmede de pensioenen, aanvullende pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60 ;

6° het niet aftrekbaar gedeelte van de kosten en de minderwaarden met betrekking tot het gebruik van in artikel 66 vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen ;

7° de als winst aan te merken restorno's zoals bedoeld in artikel 189, § 1 ;

8° de taksen als bedoeld in de artikelen 53, 30°, en 198, § 1, 4°, en 6°. 9° het niet als beroepskost aftrekbaar gedeelte van de taksen als bedoeld in artikel 198, § 1, 6°/1, 6°/2 en 6°/3.
De in het eerste lid opgesomde verminderingen zijn niet van toepassing op in artikel 202, § 1, 1° en 3°, vermelde inkomsten, verleend of toegekend door een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, in zoverre de in artikel 202, § 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarden worden vervuld.

§ 3. De in artikel 202, § 1, 1° en 3°, bedoelde inkomsten verleend of toegekend door een in § 2, tweede lid, bedoelde vennootschap, die niet kunnen worden afgetrokken, met inbegrip van de inkomsten die niet worden afgetrokken bij toepassing van artikel 207, negende en tiende lid, mogen naar volgende belastbare tijdperken worden overgedragen.
Aftrek voor innovatie-inkomsten.

Art. 205/1.

§ 1. De winst van het belastbare tijdperk wordt verminderd met 85 pct. van de overeenkomstig artikel 205/3 vastgestelde bedragen. Deze vermindering wordt "aftrek voor innovatie-inkomsten" genoemd.
Indien het belastbare tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om deze aftrek voor innovatie-inkomsten in haar geheel toe te passen, mag het deel dat niet kon worden afgetrokken naar de volgende belastbare tijdperken overgedragen worden. In afwijking van artikel 207, tweede lid, derde streepje, en derde lid, tweede streepje, kan de vennootschap er voor kiezen om een deel of het geheel van de in het eerste lid bedoelde aftrek voor innovatie-inkomsten, alsook van de in artikel 207, derde lid, tweede streepje, bedoelde aftrek van de overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten niet in mindering te brengen op de winst van het belastbare tijdperk, maar overeenkomstig de artikelen 289decies en 292ter om te zetten in een niet-terugbetaalbaar belastingkrediet voor innovatie-inkomsten.
De in artikel 207 bedoelde bedragen van de overige aftrekken en de resterende saldi worden bepaald alsof de vennootschap niet zou hebben gekozen voor de in het derde lid bedoelde omzetting in een belastingkrediet.

§ 2. Voor de toepassing van deze

1° intellectueel eigendomsrecht : de hieronder bedoelde rechten, waarvan de vennootschap volle eigenaar, mede-eigenaar, vrucht- gebruiker, licentiehouder of rechtenhouder is:
a) een octrooi of aanvullend beschermingscertificaat dat niet door de vennootschap, een licentienemer of verbonden onderneming is gebruikt voor de verkoop van goederen of diensten aan onafhankelijke derden vóór 1 januari 2007; of
b) een kwekersrecht waarvan de aanvraag ten vroegste op 1 juli 2016 is ingediend of, in het geval van een verworven kwekersrecht, dat na 30 juni 2016 is verworven; of
c) een weesgeneesmiddel, beperkt tot de eerste 10 jaar dat het als dusdanig is ingeschreven in het Europees Register van weesgeneesmiddelen, en waarvan de aanvraag ten vroegste op 1 juli 2016 is ingediend of, in het geval van een verworven weesgeneesmiddel, dat na 30 juni 2016 is verworven; of 612 d) na 30 juni 2016 van overheidswege toegekende data- of marktexclusiviteit, beperkt tot de eerste 11 jaar, op grond van toepassing van :
- artikel 59 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
- artikel 14.11 van de Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees geneesmiddelenbureau;
- de artikelen 10.1, 10.5 of 74bis van de Richtlijn Nr. 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betref- fende geneesmiddelen voor menselijk gebruik;
- de artikelen 13.1, 13.5 of 13bis van de Richtlijn Nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betref- fende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;
- artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen; - analoge bepalingen van nationaal of internationaal recht; of
e) een auteursrechtelijk beschermd computerprogramma, met inbegrip van een afgeleid werk of aanpassing van een bestaand computer- programma, dat is voortgevloeid uit een in artikel 2753, § 3, bedoeld onderzoeks- of ontwikkelingsproject of - programma en nog geen inkomsten heeft voortgebracht vóór 1 juli 2016;

2° in aanmerking te nemen innovatie-inkomsten : de hieronder bedoelde inkomsten die indien er bijzondere verhoudingen bestaan tussen de schuldenaar van de vergoedingen en de ontvangende vennootschap, slechts in aanmerking komen in zoverre zij niet hoger zijn dan deze die tussen niet-verbonden ondernemingen zouden zijn overeengekomen :
- licentievergoedingen, in zover deze vergoedingen in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk voorkomen;
- vergoedingen die aan de vennootschap voor het belastbaar tijdperk zouden verschuldigd zijn indien de goederen die door of voor rekening van de vennootschap worden geproduceerd of de diensten die door of voor rekening van de vennootschap worden geleverd, zouden worden geproduceerd of geleverd door een derde op grond van een licentie verleend door de vennootschap en in zover deze vergoedingen in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk zouden voorkomen; - vergoedingen die aan de vennootschap voor het belastbaar tijdperk zouden verschuldigd zijn indien het productieproces, dat onlosmakelijk verbonden is met de in de bepaling onder 1° bedoelde rechten en dat door of voor rekening van de vennootschap wordt gevolgd, zou worden gevolgd door een derde op grond van een licentie verleend door de vennootschap en in zover deze vergoedingen in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk zouden voorkomen;
- schadevergoedingen die, hetzij op grond van een rechterlijke of arbitrale beslissing, hetzij op grond van een minnelijke schikking, hetzij op grond van een verzekeringsovereenkomst, aan de vennootschap verschuldigd zijn ingevolge een schending van een intellectueel eigendomsrecht, en in zover deze schadevergoedingen rechtstreeks betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht en in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk voorkomen;
- vergoedingen verkregen bij de vervreemding van een intellectueel eigendomsrecht dat de aard van vast actief heeft, en dat ten laatste in het vorige belastbaar tijdperk tot stand is gebracht of, indien het een verworven intellectueel eigendomsrecht betreft, dat minstens 24 maanden voorafgaand aan de vervreemding is aangeschaft, in zover deze vergoedingen in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk voorkomen;

3° netto-inkomsten : het brutobedrag van de innovatie-inkomsten, verminderd met de in kosten opgenomen in 5° bedoelde uitgaven, gedaan of gedragen in dat belastbaar tijdperk, en die niet lager zijn dan de kosten die tussen niet-verbonden ondernemingen van toepassing zouden zijn; 4° kwalificerende uitgaven : uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die rechtstreeks betrekking hebben op een in de bepaling onder 1° bedoeld intellectueel eigendomsrecht, met uitsluiting van intresten, uitgaven met betrekking tot terreinen en gebouwen, alsook andere uitgaven die niet rechtstreeks betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht, en die zijn gedaan door de vennootschap voor de door de vennootschap zelf uitgevoerde activiteiten van onderzoek en ontwikkeling, of door de vennootschap werden betaald :
- aan een niet-verbonden onderneming; of
- aan een verbonden onderneming, voor zover deze onderneming de ontvangen vergoedingen zonder marge doorstort aan een niet-verbonden onderneming;

5° globale uitgaven : het totaal van :
- de kwalificerende uitgaven bedoeld in de bepaling onder 4° ; en
- de uitgaven voor de verwerving van het in de bepaling onder 4° bedoeld intellectueel eigendomsrecht, met uitsluiting van intresten alsook andere uitgaven die niet rechtstreeks betrekking hebben op de verwerving van het intellectueel eigendomsrecht; en
- de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die rechtstreeks betrekking hebben op het in de bepaling onder 4° bedoeld intellectueel eigendomsrecht, met uitsluiting van intresten, uitgaven met betrekking tot terreinen en gebouwen, alsook andere uitgaven die niet rechtstreeks betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht, die aan een verbonden onderneming zijn gedaan, met uitzondering van de in de bepaling onder 4°, tweede streepje, bedoelde uitgaven; 6° verbonden onderneming : een onderneming ten aanzien waarvan de vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt;

7° niet-verbonden onderneming : een onderneming ten aanzien waarvan de vennootschap zich rechtstreeks, noch onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

Art. 205/2.

§ 1. Om de aftrek voor innovatie-inkomsten voor een belastbaar tijdperk te bepalen, stemmen de in aanmerking te nemen innovatie-inkomsten overeen met het deel van de netto-inkomsten dat uitsluitend betrekking heeft op een intellectueel eigendomsrecht . Wanneer voor een deel van dit belastbaar tijdperk met betrekking tot hetzelfde intellectueel eigendomsrecht ook de aftrek voor octrooi-inkomsten overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 7 van de wet van 3 augustus 2016 houdende dringende fiscale bepalingen, is toegepast, worden de innovatie- inkomsten met betrekking tot dat deel van het belastbaar tijdperk niet in aanmerking genomen.
Het bepalen van de in het eerste lid bedoelde innovatie-inkomsten, moet afzonderlijk per intellectueel eigendomsrecht gebeuren. Indien de vennootschap aanspraak kan maken op de in artikel 205/4, § 1, tweede lid, bedoelde afwijking, mag zij de innovatie-inkomsten echter, hetzij per type product of dienst, hetzij per groep van producten of diensten, bepalen.
Indien de bepaling van de innovatie- inkomsten een negatief resultaat oplevert, wordt dit negatieve resultaat achtereenvolgens van de netto innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij hetzelfde intellectueel eigendomsrecht, hetzij hetzelfde type product of dienst, hetzij dezelfde groep van producten of diensten van elk volgend belastbaar tijdperk in mindering gebracht. § 2. Voor het belastbaar tijdperk waarvoor de innovatie-inkomsten voor de eerste maal overeenkomstig § 1 afzonderlijk zijn bepaald, wordt dit bedrag verminderd met de in vorige belastbare tijdperken eindigend na 30 juni 2016 in kosten opgenomen globale uitgaven, die niet reeds in mindering zijn gebracht voor het bepalen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 194quinquies. Kosten gedaan of gedragen in een belastbaar tijdperk waarin de vennootschap met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten de aftrek voor octrooi- inkomsten overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 7 van de wet van 3 augustus 2016 houdende dringende fiscale bepalingen, heeft toegepast, moeten niet in mindering worden gebracht. Wanneer slechts met betrekking tot een deel van het belastbaar tijdperk de bovenvermelde aftrek voor octrooi-inkomsten is toegepast, worden enkel de kosten gedaan of gedragen in verhouding tot het deel van het belastbaar tijdperk dat de bovenvermelde aftrek voor octrooi-inkomsten is toegepast, niet in mindering gebracht.
Het eventuele negatieve resultaat na toepassing van het eerste lid wordt achtereenvolgens van de netto innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij hetzelfde intellectueel eigendomsrecht, hetzij hetzelfde type product of dienst, hetzij dezelfde groep van producten of diensten van elk volgend belastbaar tijdperk in mindering gebracht.
In afwijking van het eerste lid kan de vennootschap, in het belastbaar tijdperk dat de innovatie-inkomsten voor de eerste maal overeenkomstig § 1 afzonderlijk zijn bepaald, er onherroepelijk voor opteren de in het eerste lid bedoelde uitgaven lineair te spreiden gedurende een periode van maximaal zeven opeenvolgende belastbare tijdperken. In het laatste belastbaar tijdperk van de in het derde lid gekozen termijn of, eventueel vroeger, waarin de aftrek voor innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten niet langer wordt toegepast, wordt de winst van het belastbaar tijdperk verhoogd met een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen de voor dat belastbaar tijdperk en voor de hoogstens zes voorgaande belastbare tijdperken verleende of overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten en de aftrek voor innovatie-inkomsten die voor deze belastbare tijdperken met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten zou zijn toegepast indien de belastingplichtige niet had geopteerd voor de in het derde lid bedoelde methode.
Bovendien wordt, wanneer de aftrek voor innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten, verder wordt toegepast na afloop van de in het vierde lid bedoelde termijn, het saldo aan in het eerste lid bedoelde uitgaven die niet in mindering zouden zijn gebracht indien de belastingplichtige niet had geopteerd voor de in het derde lid bedoelde methode van lineaire spreiding, verder overeenkomstig het tweede lid in mindering gebracht in de loop van de volgende belastbare tijdperken.

Art. 205/3.

§ 1. De overeenkomstig artikel 205/2 afzonderlijk bepaalde innovatie-inkomsten worden vermenigvuldigd met een breuk waarvan : - de teller gelijk is aan de in het belastbaar tijdperk en in vorige belastbare tijdperken gedane kwalificerende uitgaven met betrekking tot hetzij het intellectueel eigendomsrecht, hetzij het type product of dienst, hetzij de groep van producten of diensten waaruit deze innovatie-inkomsten voortvloeien. Het aldus bekomen cijfer mag vervolgens met 30 pct. worden verhoogd, tot maximum het cijfer van de noemer;
- de noemer gelijk is aan de in het belastbaar tijdperk en in vorige belastbare tijdperken gedane globale uitgaven met betrekking tot hetzij het intellectueel eigendomsrecht, hetzij het type product of dienst, hetzij de groep van producten of diensten waaruit deze innovatie-inkomsten voortvloeien.
In afwijking van het eerste lid, worden, voor de aanslagjaren 2019 en vorige, voor zover er niet ten minste voor drie opeenvolgende belastbare tijdperken bewijsstukken ter beschikking konden worden gehouden overeenkomstig artikel 205/4, § 1, de overeenkomstig artikel 205/2 afzonderlijk bepaalde innovatie-inkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan :
- de noemer gelijk is aan alle in dat belastbaar tijdperk en in een van de twee voorgaande belastbare tijdperken gedane uitgaven in het kader van onderzoeks- of ontwikkelings- projecten of -programma's zoals bedoeld in artikel 2753, § 3;
- de teller gelijk is aan het cijfer van de noemer exclusief de uitgaven voor de verwerving van een intellectueel eigendomsrecht en de uitgaven die vergoedingen aan een verbonden onderneming vertegenwoordigen, behoudens voor zover deze verbonden onderneming die vergoedingen zonder marge doorstort aan een niet-verbonden onderneming. Het aldus bekomen cijfer mag vervolgens verhoogd worden met 30 pct., tot maximum het cijfer van de noemer. Vanaf het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk een vennootschap die met betrekking tot hetzij een intellectueel eigendomsrecht, hetzij een type product of dienst, hetzij een groep van producten of diensten, in vorige belastbare tijdperken de in dit artikel bedoelde breuk op basis van de in het tweede lid bedoelde methode heeft toegepast, overeenkomstig artikel 205/4, § 1, voor drie opeenvolgende belastbare tijdperken bewijsstukken ter beschikking kan houden met betrekking tot hetzij dat intellectuele eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten, en ten laatste vanaf aanslagjaar 2020, wordt de breuk op basis van het eerste lid bepaald en beperkt tot de uitgaven gedaan in het eerste belastbare tijdperk waarvoor de vennootschap met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten, bewijsstukken ter beschikking kon houden, en in latere belastbare tijdperken.

§ 2. In afwijking van § 1, kan de vennootschap de breuk waarmee de overeenkomstig artikel 205/2 afzonderlijk bepaalde innovatie-inkomsten worden vermenigvuldigd, bepalen op basis van de verhouding van de toegevoegde waarde van de zelf uitgevoerde activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling tot het geheel van activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling, met betrekking tot hetzij een intellectueel eigendomsrecht, hetzij een type product of dienst, hetzij een groep van producten of diensten, onder de voorwaarden dat :
- de overeenkomstig de eerste paragraaf, eerste of tweede lid, bepaalde breuk, vóór toepassing van de verhoging van 30 pct., minstens 25 pct. bedraagt;
- de vennootschap aantoont dat de overeenkomstig de eerste paragraaf, eerste of tweede lid, bepaalde breuk omwille van uitzonderlijke omstandigheden niet overeenstemt met de toegevoegde waarde van de zelf uitgevoerde activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling in verhouding tot het geheel van activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling, met betrekking tot hetzij een intellectueel eigendomsrecht, hetzij een type product of dienst, hetzij een groep van producten of diensten. De vennootschap levert ieder jaar het bewijs dat nog steeds aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid is voldaan.
Het eerste lid vindt toepassing bij voorafgaande beslissing overeenkomstig de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelas- tingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

Art. 205/4.

§ 1. De belastingplichtige houdt ter beschikking van de administratie de bewijsstukken die per intellectueel eigendomsrecht de vaststelling mogelijk maken van :
- de werkelijke waarde van de van een verbonden onderneming verworven intellectuele eigendomsrechten waaruit het intellectueel eigendomsrecht is ontstaan;
- de in artikel 205/1, § 2, 2°, bedoelde innovatie-inkomsten die uitsluitend betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht;
- de van de innovatie-inkomsten in mindering gebrachte kosten om tot de in artikel 205/1, § 2, 3°, bedoelde netto-inkomsten te komen;
- de in artikel 205/1, § 2, 4°, bedoelde uitgaven die rechtstreeks betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht;
- de in kosten opgenomen in artikel 205/1, § 2, 5°, bedoelde uitgaven die rechtstreeks betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht. Wanneer de vennootschap kan aantonen dat de vaststelling van de innovatie-inkomsten per intellectueel eigendomsrecht vanuit praktisch oogpunt niet uitvoerbaar is, mag zij de innovatie- inkomsten vaststellen, hetzij per type product of dienst, hetzij per groep van producten of diensten, die voortvloeien uit intellectuele eigendoms- rechten.

§ 2. De Koning bepaalt de nadere regels en de termijn voor de in § 1 bedoelde verplichting.

§ 3. Om het voordeel van de aftrek voor innovatie-inkomsten te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor elk aanslagjaar waarvoor :
- ofwel, de aftrek voor innovatie-inkomsten wordt toegepast;
- ofwel, de termijn van de in een vorig belastbaar tijdperk gekozen methode van lineaire spreiding bedoeld in artikel 205/2, § 2, derde lid, nog niet is komen te vervallen, tenzij de aftrek voor innovatie-inkomsten met betrekking tot hetzij dat intellectueel eigendomsrecht, hetzij dat type product of dienst, hetzij die groep van producten of diensten, waarvoor de methode van lineaire spreiding werd gekozen, niet langer wordt toegepast;
- ofwel, de in § 5 bedoelde termijn van herbelegging als gevolg van de vervreemding van een intellectueel eigendomsrecht in een vorig belastbaar tijdperk nog niet is komen te vervallen.

§ 4. Indien de vennootschap de aftrek voor octrooi-inkomsten overeenkomstig artikel 543 toepast, zijn de artikelen 205/1 tot 205/4 niet van toepassing voor dat belastbaar tijdperk alsmede voor de daarop volgende belastbare tijdperken die afsluiten vóór 1 juli 2021, met betrekking tot het octrooi waarvoor de aftrek voor octrooi-inkomsten wordt toegepast. § 5. Indien de vennootschap de vergoedingen verkregen bij de vervreemding van een in artikel 205/1, § 2, 2°, vijfde streepje, bedoeld intellectueel eigendomsrecht niet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, heeft besteed aan in artikel 205/1, § 2, 4°, bedoelde uitgaven betreffende een of meerdere andere in artikel 205/1, § 2, 1°, bedoelde intellectuele eigendomsrechten, wordt het totaal bedrag van de in een vorig belastbaar tijdperk krachtens de artikelen 205/1 tot 205/4 vrijgestelde winst met betrekking tot deze vervreemding als een inkomen van het belastbaar tijdperk beschouwd.
Aftrek van de groepsbijdrage.

Art. 205/5.

§ 1. Bij de bepaling van het belastbaar inkomen wordt het in dit artikel omschreven bedrag van de groepsbijdrage in mindering gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk. Deze vermindering wordt "aftrek van de groepsbijdrage" genoemd.

§ 2. Het bedrag van de groepsbijdrage wordt vastgesteld in een overeenkomstig paragraaf 3 of 4 bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst die wordt gesloten tussen de belastingplichtige en een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap en die betrekking heeft op een bepaald aanslagjaar.
Er kan geen bedrag van de groepsbijdrage in mindering van de winst worden gebracht op basis van een groepsbijdrage-overeenkomst die betrekking heeft op een ander aanslagjaar.
Een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap is een vennootschap die gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar, die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, verbonden is met de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige of een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige werd opgericht binnen de in het derde lid vermelde periode ingevolge een fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, een splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, een gemengde splitsing of een hiermee gelijkgestelde verrichting, mag voor de toepassing van dit derde lid de belastingplichtige of de met de belastingplichtige verbonden vennootschap gelijk worden gesteld met de vennootschap of met elke vennootschap waarin het totale vermogen van de belastingplichtige of van de hiermee verbonden vennootschap zich bevond voor de uitwerking van deze fusie, splitsing of hiermee gelijkgestelde verrichting.
Indien het vermogen of een deel van het vermogen van een vennootschap is overgegaan in het vermogen van de belastingplichtige of van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige binnen de in het derde lid vermelde periode ingevolge een fusie door overneming, splitsing door overneming of een hiermee gelijkgestelde verrichting, een inbreng van een tak van werkzaamheid of een inbreng van de algemeenheid van goederen, zal voor de toepassing van het derde lid elke vennootschap waarin een van het totale vermogen van de belastingplichtige of van de vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige zich bevond voor de uitwerking van deze fusie, splitsing, inbreng of hiermee gelijkgestelde verrichting worden gelijkgesteld met de belastingplichtige of de binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige en zullen deze eveneens aan de toepassingsvoorwaarden van dit derde lid moeten voldoen.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 205/5, § 2, vijfde lid, als volgt : Indien het vermogen of een deel van het vermogen van een vennootschap is overgegaan in het vermogen van de belastingplichtige of van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige binnen de in het derde lid vermelde periode ingevolge een fusie door overneming, splitsing door overneming of een hiermee gelijkgestelde verrichting, een inbreng van een bedrijfstak of een inbreng van de algemeenheid van goederen, zal voor de toepassing van het derde lid elke vennootschap waarin een deel van het totale vermogen van de belastingplichtige of van de vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige zich bevond voor de uitwerking van deze fusie, splitsing, inbreng of hiermee gelijkgestelde verrichting worden gelijkgesteld met de belastingplichtige of de binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige en zullen deze eveneens aan de toepassingsvoorwaarden van dit derde lid moeten voldoen.
Voor de toepassing van dit artikel is een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige een vennootschap :
- die beschikt over een rechtstreekse deelneming van ten minste 90 pct. in het kapitaal van de belastingplichtige; of
- waarvan het kapitaal rechtstreeks voor ten minste 90 pct. wordt aangehouden door de belastingplichtige; of
- waarvan het kapitaal rechtstreeks voor ten minste 90 pct. wordt aangehouden door een andere binnenlandse of buitenlandse vennootschap en voor zover deze andere binnenlandse of buitenlandse vennootschap beschikt over een deelneming van ten minste 90 pct. in het kapitaal van de belastingplichtige.
Een buitenlandse vennootschap wordt voor de toepassing van dit artikel enkel als een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap aangemerkt indien deze gevestigd is in de Europese Economische Ruimte. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan niet worden gesloten indien één van beide partijen :
- een vennootschap is die een onroerend goed of ander zakelijke recht met betrekking tot dergelijk goed ter beschikking stelt aan een of meerdere natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, uitoefenen, of aan de echtgenoot of kinderen van deze personen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben;
- een in artikel 185bis bedoelde vennootschap is;
- een zeescheepvaartvennootschap is die aan de belasting wordt onderworpen met toepassing van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002;
- een als diamanthandelaar geregistreerde vennootschap is die aan de belasting wordt onderworpen met toepassing van artikel 67 tot 71 van de programmawet van 10 augustus 2015;
- een vennootschap is die in toepassing van artikel 342, § § 2 en 4, forfaitair wordt belast op de winst van het belastbaar tijdperk;
- voor de toepassing van paragraaf 4, een in het buitenland gevestigde vennootschap is die, alhoewel ze in het land van haar fiscale woonplaats onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting, in dat land een belastingregeling geniet dat afwijkt van het gemeen recht.

§ 3. Een overeenkomst komt slechts in aanmerking als groepsbijdrage-overeenkomst indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht. De belastingplichtige en de in aanmerking komende binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap worden als de twee partijen van de overeenkomst geïdentificeerd.
In deze overeenkomst verbindt deze binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting zich ertoe om het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage overeenkomstig artikel 185, § 4, eerste lid, in de aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van de niet- inwoners als winst van een belastbaar tijdperk op te nemen dat verbonden is met het aanslagjaar waarop de overeenkomst betrekking heeft.
In deze overeenkomst verbindt de belastingplichtige zich ertoe aan deze binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting een vergoeding te betalen die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of belasting van de niet- inwoners die verschuldigd zou zijn indien het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage niet in mindering was gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk.

§ 4. In het geval een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap haar activiteiten definitief heeft stopgezet en deze activiteiten door een andere vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen als deze buitenlandse vennootschap niet worden overgenomen binnen drie jaar na de stopzetting ervan, kan de belastingplichtige een groepsbijdrage-overeenkomst met deze buitenlandse vennootschap sluiten indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht.
De belastingplichtige en de in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende buitenlandse vennootschap worden als de twee partijen van de overeenkomst geïdentificeerd.
In deze overeenkomst wordt het bedrag van de groepsbijdrage opgenomen. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan het overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek vast te stellen beroepsverlies dat in hoofde van de in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende buitenlandse vennootschap in het belastbaar tijdperk wordt geleden waarin de activiteiten definitief werden stopgezet. In het geval het voormelde beroepsverlies geheel of gedeeltelijk door de buitenlandse vennootschap of door een andere persoon in aftrek kan worden genomen, wordt het in het vorige lid bedoelde beroepsverlies, beperkt tot het deel van het beroepsverlies dat niet door de buitenlandse vennootschap of door een andere persoon in aftrek kan worden genomen.
In deze overeenkomst verbindt de belastingplichtige zich ertoe aan deze buitenlandse vennootschap een vergoeding te betalen die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners die verschuldigd was geweest indien het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage niet in mindering zou zijn gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk.

§ 5. Ten einde het voordeel van de aftrek van de groepsbijdrage te rechtvaardigen, moet de belastingplichtige bij haar aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van niet- inwoners vennootschappen de in paragraaf 3 of 4 bedoelde overeenkomst voegen waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.

Art. 206.

§ 1. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de winst van elk volgende belastbare tijdperk afgetrokken.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder vorige beroepsverliezen, de verliezen begrepen die werden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing was voor de betreffende belastbare tijdperken en die niet vroeger konden worden afgetrokken of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld, of, in het geval van vorige beroepsverliezen die zijn geleden in landen waar de winsten bij verdrag zijn vrijgesteld, voorheen niet door bij verdrag vrijgestelde winst waren gedekt.
Vorige beroepsverliezen die werden geleden in de loop van een belastbaar tijdperk dat is aangevangen voor 1 januari 2020, in een buitenlandse inrichting die gelegen is in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten: - worden van de toepassing van het eerste lid uitgesloten indien de vennootschap niet heeft aangetoond dat dit verlies niet in aftrek werd of wordt genomen van de winsten van deze buitenlandse inrichting die door de Staat waar deze inrichting is gelegen werden of worden vastgesteld. Bovendien worden deze verliezen eveneens van de toepassing van het eerste lid uitgesloten indien de desbetreffende buitenlandse inrichting werd overgedragen in het kader van een inbreng, een fusie, een splitsing of een gelijkgestelde verrichting;
- kunnen slechts van de resterende winst worden afgetrokken in zover ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.
Het in artikel 185, § 3, bedoelde definitieve beroepsverlies, kan eveneens slechts van de resterende winst worden afgetrokken in zover ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.
In het geval de vennootschap binnen de drie jaar na de aftrek van het definitieve beroepsverlies opnieuw activiteiten opstart, zoals bedoeld in artikel 185, § 3, zesde lid, worden de resterende definitieve beroepsverliezen die in vorige belastbare tijdperken nog niet in toepassing van dit artikel werden afgetrokken, van de toepassing van het eerste lid uitgesloten. § 2. Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen heeft verkregen of een andere vennootschap door fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° en derde lid, of van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór die inbreng of die overneming nog niet heeft kunnen aftrekken slechts definitief aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden van die vennootschap en van de ingebrachte of overgenomen bestanddelen, eveneens vóór de verrichting. Geen vorig beroepsverlies kan worden verrekend indien de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting gelijk is aan nul.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 206, § 2, eerste lid, als volgt :

§ 2. Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfstak of van een algemeenheid van goederen heeft verkregen of een andere vennootschap door fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° en derde lid, of van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór die inbreng of die overneming nog niet heeft kunnen aftrekken slechts definitief aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden van die vennootschap en van de ingebrachte of overgenomen bestanddelen, eveneens vóór de verrichting. Geen vorig beroepsverlies kan worden verrekend indien de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting gelijk is aan nul.



In geval van fusie met toepassing van artikel 211, § 1, zijn de en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die een overgenomen vennootschap vóór die fusie nog niet heeft kunnen aftrekken bij de overnemende vennootschap bij voortduur aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen van de eerstgenoemde vennootschap vóór de fusie in het totaal van de fiscale nettowaarden, eveneens vóór de fusie, van de overnemende vennootschap en van de overgenomen bestanddelen. In geval van splitsing met toepassing van artikel 211, § 1, geldt de vorenstaande regel op het gedeelte van het bedoelde beroepsverlies dat is bepaald naar verhouding van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen in de totale fiscale nettowaarde van de overgenomen vennootschap.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de fiscale nettowaarde van de inbrengen gelijk is aan nul.
Het eerste lid is eveneens van toepassing ingeval van fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting of van inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of een algemeenheid van goederen indien de overgenomen, gesplitste of inbrengende vennootschap een intra-Europese vennootschap is en de verrichting fiscaal neutraal is.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 206, § 2, vierde lid, als volgt :
Het eerste lid is eveneens van toepassing ingeval van fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting of van inbreng van een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen indien de overgenomen, gesplitste of inbrengende vennootschap een intra-Europese vennootschap is en de verrichting fiscaal neutraal is.



Ingeval van een verrichting als bedoeld in artikel 231, § 2 of § 3 zijn de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór deze verrichting nog niet heeft kunnen aftrekken slechts definitief aftrekbaar zijn naar verhouding tot het evenredig aandeel van de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden eveneens vóór de verrichting, van deze vennootschap en van de vóór de verrichting in België aanwezige Belgische inrichting en andere in België gelegen ingebrachte elementen van de overgenomen, gesplitste of inbrengende vennootschap.
Ingeval van verrichting als bedoeld in artikel 231, § 2 of § 3, is het tweede lid enkel van toepassing voor wat betreft de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overgenomen, gesplitste of inbrengende vennootschap vóór de verrichting binnen haar Belgische inrichting nog niet heeft kunnen aftrekken en wordt de in het tweede lid vermelde verhouding vastgesteld enkel uitgaande van de fiscale nettowaarde van de Belgische inrichting vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden, eveneens vóór de verrichting, van de overnemende of verkrijgende binnenlandse vennootschap en die overgenomen of verkregen Belgische inrichting.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de beperking van de aftrekbaarheid geacht eerst plaats te vinden op de beroepsverliezen en vervolgens op de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten.

§ 3. Ingeval een buitenlandse vennootschap haar voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar België overbrengt, geldt het bepaalde in § 1, eerste lid, voor wat betreft beroepsverliezen door deze vennootschap geleden binnen een Belgische inrichting waarover deze vennootschap vóór deze overbrenging beschikte. § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld protocol werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het overeenkomstig artikel 78, § 2, tweede lid, omschreven bedrag van deze schade die in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De Koning kan, na raadpleging van de Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid, op nadere wijze het tijdstip omschrijven waarop de schade definitief is vastgesteld.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan de hand van een formulier, waarvan het model door de Koning wordt vastgelegd en dat uitwerking heeft op de gevestigde aanslagen die betrekking hebben op de drie belastbare tijdperken die voorafgaan aan het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning bepaalt de indieningsmodaliteiten van dit formulier. volgorde van toepassing van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het belastbaar inkomen

Art. 206/1. Om het belastbare resultaat vast te stellen, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens dit Wetboek of de krachtens specifieke wettelijke bepalingen vrijgestelde gereserveerde winst, vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld:

1° reserves;

2° verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat;

3° dividenden.
Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan:

1° onder "reserves", het gereserveerde resultaat, verminderd met:
a) de winst die voortvloeit uit de minderwaarden die door de schuldenaar zijn opgetekend op bestanddelen van het passief ten gevolge van de homologatie van een reorganisatieplan door de rechtbank of ten gevolge van de vaststelling door de rechtbank van een minnelijk akkoord krachtens Boek XX, titel V van het Wetboek van economisch recht, voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbare tijdperk tijdens hetwelk het reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd voor zover de overeenkomstig artikel 48/1 vastgestelde voorwaarden worden nageleefd; b) het gedeelte van de meerwaarde op de in artikel 65, bedoelde voertuigen, andere dan die bedoeld in artikel 66, § 2, 1° tot 3°, dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, vierde lid;
c) de krachtens artikel 192 vrijgestelde meerwaarden op aandelen en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, § 1, 7°, als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk niet meer verantwoord zijn;
d) de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van artikel 184, met uitsluiting van de terugbetalingen van gestort kapitaal ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder dit Wetboek ressorteert, overeenkomstig het recht dat de vennootschap beheerst;
e) de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die vroeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de regulariseringen van geraamde belastingschulden die voorheen als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen worden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen die bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk moeten worden gevoegd;
f) de sommen die definitief werden vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 194ter, 194ter/1 of 194ter/3; g) de sommen die overeenkomstig de artikelen 193bis, § 1, en 193ter, § 1, zijn vrijgesteld;
h) het onder de belastingvrije winst van de inbrengende vennootschap opgenomen bedrag, naar aanleiding van een inbreng van een tak van werkzaamheid of van een algemeen- heid van goederen uitgevoerd in overeenstemming met artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, dat onder de voorwaarden van artikel 192, § 2, wordt vrijgesteld en dat zijn oorsprong vindt in een herbelegging als bedoeld in artikel 47 of in een kapitaalsubsidie als bedoeld in artikel 362, die deel uitmaakt van die inbreng;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 206/1, tweede lid, h), als volgt :
h) het onder de belastingvrije winst van de inbrengende vennootschap opgenomen bedrag, naar aanleiding van een inbreng van een bedrijfstak of van een algemeenheid van goederen uitgevoerd in overeenstemming met artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, dat onder de voorwaarden van artikel 192, § 2, wordt vrijgesteld en dat zijn oorsprong vindt in een herbelegging als bedoeld in artikel 47 of in een kapitaalsubsidie als bedoeld in artikel 362, die deel uitmaakt van die inbreng;
i) de sommen die definitief vrijgesteld zijn krachtens artikel 194quinquies, § 2;
j) de winst ten belope van het financieringskostensurplus, vrijgesteld krachtens artikelen 194sexies en 194septies, tweede streepje; k) de winst ten belope van de vergoeding ontvangen in uitvoering van een groepsbijdrage-overeenkomst, vrijgesteld krachtens artikel 194septies, eerste streepje;
l) de winst die voortkomt van de terugbetaling tijdens het belastbaar tijdperk van een gedeelte van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig artikel 292bis, § 1, vijfde lid;
m) …
n) de definitief vrijgestelde sommen voor de terugneming van waardeverminde- ringen overeenkomstig artikel 184quinquies, tweede lid;
o) …
p) de winst die op basis van artikel 185, § 2, b, wordt herzien;
q) overige bij wet vrijgestelde winst, andere dan deze bedoeld in artikel 206/5;
en verhoogd met de bedragen in mindering gebracht van de begintoestand van de reserves;

2° onder "verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat":
- de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen;
- het bedrag, vóór aftrek van het vrijgestelde gedeelte, van de giften bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, a;
- de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt in de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze niet in het gereserveerde resultaat is begrepen;
- de overige bij wet vastgestelde belastbare bestanddelen, die niet tot een andere categorie behoren; 3° onder "dividenden", de dividenden bedoeld in artikel 18.

Art. 206/2. Het totale bedrag van het overeenkomstig artikel 206/1 vastgestelde resultaat wordt verminderd met het werkelijke resultaat van de activiteiten van de zeescheepvaart of van het beheer van zeeschepen voor rekening van derden, waarvoor de winst forfaitair wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de programmawet van 2 augustus 2002.

Art. 206/3.

§ 1. Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht:
- het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen bedoeld in artikel 79;
- de verkregen financiële voordelen of voordelen van alle aard bedoeld in artikel 53, 24° ;
- de grondslag van de in artikel 219 bedoelde afzonderlijke aanslag;
- het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgaven bedoeld in artikel 198, § 1, 9°, 9° bis, 12° en 17°;
- het gedeelte van de winst uit de niet- naleving van artikel 194quater, § 2, vierde lid, en de toepassing van artikel 194quater, § 4;
- de in artikel 217, eerste lid, 4°, bedoelde kapitaal- en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers wordt toegekend;
- de grondslag van de in artikel 519ter, § 1, bedoelde belasting; - het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt.
Vanaf 9 januari 2026, wordt artikel 206/3, § 1, 1e lid, achtste streepje, opgeheven.
- …
Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden eveneens de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht met uitzondering van de overeenkomstig artikel 205, § 2, aftrekbare inkomsten:
- het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van een wijziging van de aangifte bedoeld in artikel 346 of een aanslag van ambtswege bedoeld in artikel 351 waarvoor de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen tegen een percentage gelijk of hoger dan 10 pct. effectief worden toegepast.
Vanaf 9 januari 2026, wordt artikel 206/3, § 1, 2e lid, aangevuld met een streepje, luidend als volgt
- het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt.



§ 2. Na toepassing van paragraaf 1 wordt vervolgens het totale bedrag van het resultaat vermeerderd met het bedrag van de verliezen die krachtens artikel 185, § 3, eerste of tweede lid buiten beschouwing worden gelaten.

Art. 206/4. Het totale bedrag van het overeenkomstig de artikelen 206/1 tot 206/3 vastgestelde resultaat wordt eventueel volgens oorsprong onderverdeeld in:

1° in België behaald resultaat, indien positief hierna "Belgische winst" te noemen;

2° in het buitenland behaald resultaat dat niet vrijgesteld is krachtens internationale verdragen, indien positief hierna "niet bij verdrag vrijgestelde winst" te noemen;

3° in het buitenland behaald resultaat dat van belasting is vrijgesteld krachtens internationale verdragen, indien positief hierna "bij verdrag vrijgestelde winst" te noemen.
Alvorens die onderverdeling wordt gedaan, worden de verliezen van het belastbare tijdperk die in een land worden geleden, achtereenvolgens op het totale bedrag van de winst uit andere landen aangerekend in de hierna aangegeven volgorde:
a) verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bij verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de Belgische winst;
b) verliezen geleden in een land waarvoor de winst niet bij verdrag vrijgesteld is: eerst op de niet bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de Belgische winst; c) in België geleden verliezen: eerst op de Belgische winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de niet bij verdrag vrijgestelde winst.
Indien de winst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet is vrijgesteld op basis van de internationale verdragen, of indien de winst van deze buitenlandse vaste inrichting op grond van artikel 185/2 moet worden belast, wordt deze winst opgenomen in de categorie "niet bij verdrag vrijgestelde winst".
In het geval in de categorie "niet bij verdrag vrijgestelde winst", winst is begrepen waarvan de belasting op die winst bij toepassing van de internationale verdragen wordt verminderd, worden bij de toepassing van het tweede lid:
- ofwel de verliezen eerst aangerekend op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, alvorens te worden aangerekend op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd;
- ofwel wanneer de belastingplichtige hier in zijn aangifte op onherroepelijke wijze om verzoekt, de verliezen enkel aangerekend op de overige niet bij verdrag vrijgestelde winst, zonder te worden aangerekend op de winst waarvan de belasting bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd.
Verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag is vrijgesteld kunnen in toepassing van het tweede lid, a), enkel worden aangerekend op de Belgische winst of de niet bij verdrag vrijgestelde winst, indien de belastingplichtige in een bijlage bij zijn aangifte op onherroepelijke wijze het land vermeldt waarin deze verliezen werden geleden, evenals het bedrag van deze verliezen en het belastbare tijdperk waarin deze verliezen werden geleden.

Art. 206/5. Van het saldo van de winst dat overeenkomstig de artikelen 206/1 tot 206/4 is vastgesteld en onderverdeeld, worden achtereenvolgens afgetrokken, in zover ze er nog in voorkomen: 1° de bij verdrag vrijgestelde winst;

2° in globo:
a) het vrijgestelde gedeelte van giften bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 3° en 4°, a;
b) de andere niet-belastbare bestanddelen die in de winst voorkomen en niet in 1° of 2°, a), zijn bedoeld, in het bijzonder de in artikel 67quater, vermelde vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, de inkomenscompensatievergoedingen bedoeld in artikel 67quinquies en de terugbetalingen van de in artikel 53, 6°, bedoelde boeten.
De som van de in het eerste lid, 2°, bedoelde bedragen wordt bij voorrang van de Belgische winst van het belastbare tijdperk afgetrokken en, tot het eventuele overschot, van de niet bij verdrag vrijgestelde winst van dat tijdperk.

Art. 207. De in de artikelen 201 tot 206, 536 en 543 bedoelde aftrekken worden vervolgens van de resterende winst die overblijft na toepassing van artikel 206/5 afgetrokken. Deze aftrekken gebeuren met inachtneming van de oorsprong van de winst en bij voorrang van de winst waarin die bedragen voorkomen.
In eerste orde en in de hierna bepaalde volgorde, ten belope van het resterende saldo van de winst van het belastbare tijdperk :
- de in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek, met uitsluiting van het deel van deze aftrek dat betrekking heeft op de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
- de in artikel 543 bedoelde aftrek voor octrooi-inkomsten; - de in de artikelen 205/1 tot 205/4 bedoelde aftrek, met uitsluiting van het deel van deze aftrek dat betrekking heeft op de in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
- de investeringsaftrek, die enkel wordt afgetrokken van het bedrag van de Belgische winst dat overblijft na toepassing van de voorgaande streepjes;
- de in artikel 205/5 bedoelde aftrek van de groepsbijdrage.
In tweede orde en in de hierna bepaalde volgorde, ten belope van het na toepassing van het tweede lid resterende saldo van de winst van het belastbare tijdperk :

- de aftrek van de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat of in een later tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
- de aftrek van de in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat of in een later tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
- de in artikel 206 bedoelde vorige beroepsverliezen;
- de in artikel 536, derde lid, bedoelde aftrek;
- de in artikel 536, eerste en tweede lid, bedoelde aftrek.
De Koning kan de berekeningswijze van de in de artikelen 199 tot 206 en 536 bepaalde aftrekken verduidelijken. Het totale bedrag van de in het derde lid bedoelde aftrekken wordt voor het belastbare tijdperk beperkt tot 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro overstijgt. De aldus beperkte aftrek wordt uitgevoerd in de in het derde lid bepaalde volgorde. De Koning kan de berekeningswijze van deze aftrekken verduidelijken.
Ten name van een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is het vijfde lid niet van toepassing op de in artikel 206 bedoelde verliezen, gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zoals bedoeld in artikel 14526, § 1, derde en vierde lid.
De aftrek van de vorige beroepsverliezen wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel 206/4.
In geval van verwerving of van wijziging tijdens het belastbaar tijdperk van de controle van een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, zijn, noch aftrekbaar van de winst van dat tijdperk, noch van deze van enig later belastbaar tijdperk :
- in afwijking van artikel 72, de niet-verleende investeringsaftrek wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk;
- in afwijking van artikel 202, § 3, de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap die in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 werd belast;
- in afwijking van artikel 205, § 3, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet-verleende in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek; - in afwijking van artikel 205/1, § 1, tweede lid, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet- verleende aftrek voor innovatie-inkomsten;
- in afwijking van artikel 536, de niet- verleende aftrek voor risicokapitaal wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk ;
- in afwijking van artikel 206, de vorige beroepsverliezen.

Art. 207/1. Het resultaat na toepassing van artikel 207 wordt verhoogd met de op forfaitaire wijze overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 van de programmawet van 2 augustus 2002, vastgestelde winst uit zeescheepvaart en uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden.

Art. 207/2. Het in artikel 206/3, § 1, eerste lid, bedoelde gedeelte van het resultaat wordt opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikel 207/1.
Het in artikel 206/3, § 1, tweede lid, vermelde gedeelte van het resultaat wordt eveneens na aftrek van de resterende overeenkomstig artikel 205, § 2, aftrekbare inkomsten, opnieuw gevoegd bij het resultaat na toepassing van artikel 207/1.
Art. 207/3 tot 207/9 …

Art. 208. Vennootschappen in vereffening blijven aan de vennootschapsbelasting onderworpen volgens de bepalingen van de artikelen 183 tot 207/2. Hun winst bevat mede de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van hun vermogen.

Art. 209. Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap wordt verdeeld ten gevolge van ontbinding of om enige andere reden, wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.
De uitkeringen worden geacht achtereen- volgens voort te komen :

1° eerst uit de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal ;

1°/1 vervolgens uit de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater ou 541 ;

2° vervolgens uit de voorheen gereserveerde winst, andere dan deze bedoeld in de bepaling onder 1°/1, die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van het vermogen inbegrepen ;

3° en ten slotte uit de voorheen vrijgestelde winst.
Wanneer de verdeling van het maatschap- pelijk vermogen trapsgewijze plaatsvindt, wordt het eerste lid toegepast telkens wanneer een verdeling het verschil overtreft tussen, eensdeels, het bedrag van het bij de ontbinding gestorte kapitaal, gerevaloriseerd volgens de coëfficiënten van toepassing op de datum van die verdeling en, anderdeels, de vroegere verdelingen na revalorisatie daarvan volgens de coëfficiënten die op dezelfde datum van toepassing zijn voor de jaren waarin die verdelingen hebben plaatsgehad. 648

Art. 210.

§ 1. De artikelen 208 en 209 zijn mede van toepassing :

1° bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing of bij met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting ;

1°bis bij met splitsing gelijkgestelde verrichting ;

2° bij ontbinding zonder gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen, anders dan in de gevallen als vermeld onder 1° en 1°bis ;

2°bis in geval van overdracht zonder ontbinding, van het geheel of een gedeelte van het maatschappelijk vermogen in het kader van een verrichting gelijkaardig aan deze bedoeld in 1° bis;

3° bij het aannemen van een andere rechtsvorm, behalve in gevallen als vermeld in de artikelen 14:2 tot 14:14, 15:32 tot 15:33 en 16:10 tot 16:11 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en in de andere gevallen waarbij een andere rechtsvorm wordt aangenomen op voorwaarde dat deze omzetting plaatsvindt zonder onderbreking van de rechtspersoon- lijkheid en in overeenstemming met het rechtspersonenrecht dat de omzetting beheerst ;

4° bij het overbrengen van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar het buitenland ; 5° bij de erkenning door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, tenzij zij op het ogenblik van de erkenning reeds erkend was als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, of reeds ingeschreven was bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds;

6° bij de inschrijving bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds, tenzij zij op het ogenblik van de inschrijving reeds door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkend was als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, of als gereglementeerde vastgoedvennootschap;

7° in geval van erkenning als landbouw- onderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, behoudens wanneer de vennootschap aan de vennootschapsbelasting onderworpen blijft;

8° wanneer een landbouwonderneming als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, niet langer aan de vennootschapsbelasting is onderworpen.

§ 2. In de in § 1 vermelde gevallen, wordt de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen op de datum waarop de bedoelde verrichtingen hebben plaatsgevonden, gelijkgesteld met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som.

§ 3. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van de artikelen 208 en 209 in geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in § 1, 1°bis en overdracht bedoeld in § 1, 2° bis, niet van toepassing op het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting niet door de overdragende vennootschap wordt overgedragen. In dat geval wordt de gelijkstelling met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som als bedoeld in § 2, beperkt tot de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ten gevolge van de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht.
Voor de toepassing van artikel 209, tweede lid, 1°, wordt met betrekking tot dergelijke verrichting het gestorte kapitaal van de overdragende vennootschap bepaald naar verhouding tot het evenredige aandeel van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht, in het totaal van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen van de overdragende vennootschap, vóór de verrichting.
Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de overeenkomstig het vorige lid op het gestorte kapitaal aan te rekenen uitkering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.

§ 4. Bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing en bij met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, wordt ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap :
- het door de inbreng gestorte kapitaal geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen bedoeld in § 2 of § 3, tweede lid, dat bij deze vennootschap is ingebracht, voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven ;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 210, § 4, eerste streepje, als volgt : - het door de inbreng gestorte kapitaal geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen bedoeld in § 2 of § 3, tweede lid, dat bij deze vennootschap is ingebracht, ingeval van een vereenvoudigde zusterfusie, de verrichtingen bedoeld in artikel 2, § 1, 6° /1, vierde lid, of, in andere gevallen, in de mate dat de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven;
- de aanschaffingswaarde van de ingebrachte bestanddelen geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde die zij hadden bij de overgenomen of gesplitste vennootschap op de datum waarop de verrichting heeft plaatsgevonden.

§ 5. Voor de toepassing van artikel 209, bij de erkenning door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, of bij de inschrijving van deze vennootschap bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoedbeleggings- fonds, wordt, overeenkomstig § 1, 5° en 6°, het bedrag van het gestorte kapitaal, in afwijking van de artikelen 184, 184bis en 184ter, § 1, eerste lid, evenals het bedrag van de voorheen gereserveerde winst, verminderd ten belope van het positieve verschil tussen het bedrag van de herwaarderingsmeerwaarden en het bedrag van de afschrijvingen die reeds werden geboekt op deze herwaarderingsmeerwaarden voorafgaand aan de erkenning van deze vennootschap als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of als gereglementeerde vastgoedvennootschap of voorafgaand aan de inschrijving van deze vennootschap bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds, en dit in de mate dat de sommen die overeenstemmen met dit verschil teruggevonden worden in het bedrag aan gestort kapitaal of van de voorheen gereserveerde winst. Voor de toepassing van het eerste lid, in het geval een vereniging zonder winstoogmerk werd omgevormd tot een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende sociale onderneming, voorafgaand aan de erkenning door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten van deze vennootschap, die al dan niet haar statuten de hoedanigheid als een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende sociale onderneming behoudt, als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, of aan de inschrijving van deze vennootschap bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoed- beleggingsfonds, wordt het bedrag van het gestorte kapitaal van deze vennootschap, in afwijking van de artikelen 184, 184bis en 184ter, § 1, eerste lid, evenals het bedrag van de voorheen gereserveerde winst, verminderd ten belope van het positieve verschil tussen het bedrag van de herwaarderingsmeerwaarden en het bedrag van de afschrijvingen die reeds werden geboekt op deze herwaarderingsmeerwaarden voorafgaand aan de omvorming van deze vereniging zonder winstoogmerk tot een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende sociale onderneming, en dit in de mate dat de sommen die overeenstemmen met dit verschil teruggevonden worden in het bedrag aan gestort kapitaal of van de voorheen gereserveerde winst.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de vennootschappen die worden erkend als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of als gereglementeerde vastgoed- vennootschap, of die worden ingeschreven als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds, en die sinds hun oprichting aan de vennootschaps- belasting worden onderworpen.
De toepassing van deze paragraaf heeft geen invloed op de vaststelling van het bedrag aan dividenden dat in hoofde van de vennoten en aandeelhouders wordt vastgesteld. 653

Art. 210/1. De artikelen 208 en 209 zijn eveneens van toepassing in het geval dat een vennootschap niet langer onderworpen is aan de vennootschaps- belasting en onderworpen wordt aan de rechtspersonenbelasting.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het gedeelte van de vrijgestelde reserves dat werd aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden met een aanslagjaar waarvoor de vennootschap niet aan de vennootschapsbelasting was onderworpen, alsook het gedeelte van de naar aanleiding van de toepassing van het eerste lid vastgestelde meerwaarden dat betrekking heeft op een belastbaar tijdperk verbonden met een aanslagjaar waarvoor de vennootschap niet aan de vennootschapsbelasting was onderworpen, niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de belastbare grondslag.

Art. 211.

§ 1. Ingeval van fusie, splitsing of met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting als bedoeld in artikel 210, § 1, 1°, en ingeval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als bedoeld in artikel 210, § 1, 1°bis,:

1° komen de meerwaarden bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 362, die op het ogenblik van de verrichting nog niet als winst worden aangemerkt, alsmede de meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking voor belastingheffing ingevolge artikel 208, tweede lid, of artikel 209; 2° blijft belastingheffing ingevolge artikel 209 voor het overige achterwege in de mate dat de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven, of in de mate dat, in de in § 2, derde lid, bedoelde gevallen, de overnemende of verkrijgende vennootschap de vóór de verrichting bij de overgenomen of gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves, die niet zijn verbonden aan een buitenlandse inrichting van deze vennootschap gelegen in een Staat waarmee België een overeenkomst ter vermijding van de dubbele belasting heeft ondertekend, overneemt.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 211, § 1, eerste lid, 2°, als volgt :

2° blijft belastingheffing ingevolge artikel 209 voor het overige achterwege in de mate dat de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven, of in de mate dat, in het geval van een vereenvoudigde zusterfusie, de verrichtingen bedoeld in artikel 2, § 1, 6° /1, vierde lid, of in de in § 2, derde lid, bedoelde gevallen, de overnemende of verkrijgende vennootschap de vóór de verrichting bij de overgenomen of gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves, die niet zijn verbonden aan een buitenlandse inrichting van deze vennootschap gelegen in een Staat waarmee België een overeenkomst ter vermijding van de dubbele belasting heeft ondertekend, overneemt.
Ingeval van splitsing of met splitsing gelijkgestelde verrichting wordt de in het eerste lid, 2°, bedoelde overname van vrijgestelde reserves beperkt tot het gedeelte van de bij de gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves dat evenredig is met het gedeelte van de totale fiscale nettowaarde van de gesplitste vennootschap dat is overgegaan naar de overnemende of verkrijgende vennootschap. Indien de fiscale nettowaarde van de gesplitste vennootschap nul is, is de in het eerste lid, 2°, bedoelde overneming, in afwijking van het vorige lid, beperkt tot het gedeelte van de vrijgestelde reserves van de gesplitste vennootschap dat evenredig is met de fiscale nettowaarde van de actiefbestanddelen van de gesplitste vennootschap die zijn overgegaan naar de overnemende of verkrijgende vennootschap.
Het eerste lid is slechts van toepassing op voorwaarde dat:

1° de overnemende of verkrijgende vennoot- schap een binnenlandse vennootschap of een intra-Europese vennootschap is;

2° …

3° de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis.
Ingeval de overnemende of verkrijgende vennootschap een intra-Europese vennootschap is, is het eerste lid van toepassing voor wat betreft:
- de ten gevolge van de verrichting verkregen bestanddelen die worden aangewend en behouden binnen een in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische inrichting waarover de overnemende of verkrijgende vennootschap in België, al dan niet ten gevolge van deze verrichting, beschikt, en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag;
- en de vrijgestelde reserves van de overgenomen of gesplitste vennootschappen, andere dan de vrijgestelde reserves verbonden aan een buitenlandse inrichting, die worden teruggevonden binnen het eigen vermogen van de voormelde Belgische inrichting. Het eerste lid is evenmin van toepassing op verrichtingen waaraan deelnemen een door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, een gereglementeerde vastgoedvennoot- schap of een Europese langetermijnbeleggings- instelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de private privaks ingeschreven vennootschap of op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennoot- schap, behoudens indien uitsluitend zulke vennootschappen aan de verrichting deelnemen.

§ 2. Indien de inbreng anders wordt vergoed dan met nieuw uitgegeven aandelen van de overnemende of verkrijgende vennootschap, wordt het bedrag van het gestorte kapitaal en van de gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap, ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap, verminderd met het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven.
De vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de vrijgestelde reserves en ten slotte op het gestort kapitaal.
Indien de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap wordt, in afwijking van het tweede lid, de vermindering verhoudingsgewijs aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend.
Vanaf 25 november 2025, wordt in artikel 211, § 2, tussen het derde en het vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
In geval van een vereenvoudigde zusterfusie en de verrichtingen bedoeld in artikel 2, § 1, 6° /1, vierde lid, wordt, in afwijking van het eerste lid, geen vermindering aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves.



Geen vermindering wordt aangerekend op de meerwaarden en kapitaalsubsidies als bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, noch op de vrijgestelde reserves bedoeld in § 1, eerste lid, 2° of op de waardeverminderingen en vrijgestelde provisies die als dusdanig voorkomen in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen of van de Belgische inrichting bedoeld in § 1, vijfde lid.
De vermindering van het gestorte kapitaal wordt geacht te zijn gedaan op de datum van de in § 1, eerste lid, bedoelde verrichting.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is eveneens van toepassing voor zover, ingeval van overneming of verkrijging door een intra-Europese vennootschap, de ten gevolge van de verrichting overgenomen of verkregen bestanddelen niet aangewend worden binnen een in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische inrichting waarover de overnemende of verkrijgende vennootschap in België, al dan niet ten gevolge van deze verrichting, beschikt, of niet bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de belastinggrondslag.

Art. 212. In gevallen als vermeld in artikel 211 worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-inkomsten, aftrekken voor innovatie-inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal, kapitaalsubsidies, het in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost aangemerkte financieringskosten- surplus, minderwaarden of meerwaarden die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de bij hen ingebrachte bestanddelen in aanmerking worden genomen en het gestorte kapitaal bepaald alsof de fusie of de splitsing niet had plaatsgevonden. In dezelfde gevallen blijven de bepalingen van dit Wetboek op de wijze en onder de voorwaarden als daarin zijn gesteld, van toepassing op de waardeverminderingen, voorzieningen, onder- en overwaarderingen, kapitaalsubsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves die bij de overgenomen of gesplitste vennootschappen bestonden, in zover die bestanddelen worden teruggevonden in de activa van de overnemende of verkrijgende vennootschappen ; de fusie of splitsing mag niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd.
Voor de toepassing van dit Wetboek worden de in artikel 211, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, geacht niet te zijn verwezenlijkt. Voor zover deze meerwaarden worden uitgedrukt, worden deze gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden.

Art. 213. Bij het bepalen van het gestort kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die in geval van splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, en bij het bepalen van de in artikel 211, § 2, vermelde vermindering, worden die vennootschappen geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen.
Indien de fiscale nettowaarde van de gesplitste vennootschap gelijk is aan nul, is het eerste lid van toepassing rekening houdende met de fiscale nettowaarde van de actiefbestanddelen overgedragen door deze vennootschap naar ieder van de overnemende of verkrijgende vennootschappen. In geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting bedoeld in artikel 211, § 1, wordt voor de toepassing van dit Wetboek, de overdragende vennootschap, al naargelang van het geval, aangemerkt hetzij als gesplitste vennootschap, hetzij als overnemende of verkrijgende vennootschap.

Art. 214.

§ 1. Artikel 212 is van toepassing op de vennootschap die een andere rechtsvorm heeft aangenomen met vrijstelling van belasting bij
Artikel 212 is mede van toepassing ingeval vennootschappen die zijn opgericht in een der vormen bepaald in het Wetboek van koophandel, met vrijstelling van belasting zijn omgezet vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 februari 1967 tot wijziging, wat de omzetting van vennootschappen betreft, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.

§ 2. Artikel 212 zoals het bestaat na de wet van 22 december 1998, houdende fiscale en andere bepalingen, is mede van toepassing ingeval van fusie of splitsing van vennootschappen die vóór 1 oktober 1993 met vrijstelling van belasting hebben plaatsgevonden.

§ 3. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 worden de fusies, splitsingen en omzettingen, alsmede de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen waarin de overgenomen, gesplitste of omgezette vennootschappen voorheen met vrijstelling van belasting hebben deelgenomen, geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 214, § 3, als volgt : § 3. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 worden de fusies, splitsingen en omzettingen, alsmede de inbreng van één of meer bedrijfstakken of van een algemeenheid van goederen waarin de overgenomen, gesplitste of omgezette vennootschappen voorheen met vrijstelling van belasting hebben deelgenomen, geacht niet te hebben plaatsgevonden.



Art. 214bis. Niettegenstaande artikel 210, § 1, 4°, ingeval van overbrenging van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer door een binnenlandse vennootschap naar een andere lidstaat van de Europese Unie, vindt geen belastingheffing ingevolge artikel 208, tweede lid, of artikel 209 plaats:
- voor wat betreft de bestanddelen die blijvend worden aangewend binnen een in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische inrichting waarover de vennootschap in België, al dan niet ten gevolge van deze verrichting, beschikt, en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de belastinggrondslag;
- in de mate dat de vrijgestelde reserves van de binnenlandse vennootschap vóór deze overbrenging, die niet verbonden zijn aan een buitenlandse inrichting, als dusdanig teruggevonden worden binnen het eigen vermogen van de Belgische inrichting van deze vennootschap. 661

Art. 215. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 25 pct.
Voor vennootschappen die als kleine vennootschappen worden aangemerkt, wordt het tarief van de belasting op de eerste schijf van 0 tot 100 000 euro evenwel vastgesteld op 20 pct.
Het tweede lid is niet van toepassing :

1° op vennootschappen, andere dan overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen, die aandelen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de aandelen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de aandelen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50 pct. overschreden is, worden de aandelen, die ten minste 75 pct. vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen ;

2° op vennootschappen waarvan de aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen en die geen overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen zijn ; 3° …

4° op vennootschappen, andere dan overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen, bedoelde vennootschappen, die niet aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider een bezoldiging toekennen ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk die ten minste gelijk is aan 45 000 euro vanaf het vijfde belastbaar tijdperk vanaf hun oprichting zoals bedoeld in artikel 14526, § 1, derde en vierde lid. Indien de bezoldiging minder bedraagt dan 45 000 euro, moet deze bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk gelijk zijn of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap;

5° …

6° op de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 6, 271/5 en 281/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging inschuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 181, 282, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, in de mate dat artikel 185bis, § 1, toepassing vindt.

Art. 216. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt : 1° …

1°bis …

2° 5 pct :
a) …
b) voor de hierna volgende vennootschappen voor huisvestingskrediet:
- de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaat- schappij, de Vlaamse Landmaat- schappij of andere gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, en de door hen of de door de bevoegde regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen;
- het Vlaams Woningfonds, de Société wallonne du Crédit social, de Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zomede de door het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest erkende vennoot- schappen of instellingen die tot doel hebben leningen toe te staan voor de aankoop van een bouwgrond, voor de aankoop, het bouwen, het verbouwen, het renoveren of het inrichten van een gezinswoning, alsmede voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair of voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen;

Art. 216bis. artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering;
onverminderd artikel 52, 13°, kosten voor de vêtements, sauf s'il s'agit de vêtements
kledij, tenzij het specifieke beroepskledij professionnels spécifiques,
betreft,
a) qui sont imposés comme vêtements de travail par la réglementation relative à la protection du travail ou par une convention collective de travail, ou
a) die door de reglementering op de arbeidsbescherming of door een collectieve arbeidsovereenkomst als werkkledij wordt opgelegd, of
b) qui, en tant que vêtements spéciaux, sont portés pour exercer la profession, qui sont adaptés à cette fin et qui, compte tenu de la nature de l'activité professionnelle, sont obligatoires, nécessaires ou d'usage,
b) die als bijzondere kledij bij het uitoefenen van de beroepswerk- zaamheid wordt gedragen, daaraan is aangepast en wegens de aard van de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijk is,
à l'exclusion, dans les deux cas, des vêtements qui, dans la vie privée courante, sont considérés ou peuvent servir comme tenues de ville, du soir, de cérémonie, de voyage ou de loisir ;
in beide gevallen met uitsluiting van kledij die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt of als zodanig dient ;

8° sans préjudice de l'article 52, 13°, 50 p.c. de la quotité professionnelle des frais de réception et de cadeaux d'affaires, à l'exclusion toutefois des articles publicitaires portant de manière apparente et durable la dénomination de l'entreprise donatrice ;

8° onverminderd artikel 52, 13°, 50 pct. van de beroepsmatig gedane receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken, met uitsluiting evenwel van reclameartikelen die opvallend en blijvend de benaming van de schenkende onderneming dragen ;

8°bis sans préjudice de l'article 52, 13°, 31 p.c. (1) de la quotité professionnelle des frais de restaurant, à l'exclusion toutefois des frais de restaurant des représentants du secteur alimentaire, dont la nécessité dans l'exercice de l'activité professionnelle, dans le cadre d'une relation potentielle ou réelle de fournisseur à client, est établie par le contribuable ;

8°bis onverminderd artikel 52, 13°, 31 pct. (1) van de beroepsmatig gedane restaurantkosten, met uitsluiting evenwel van restaurantkosten van vertegenwoordigers van de voedingssector waarvan de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn in het kader van een mogelijke of werkelijke relatie van leverancier tot klant ;


------------------------------ (1) 25 p.c. conformément à l'article 364, 2°, de la loi- programme du 27 décembre 2004 - MB 31 décembre 2004, éd. 2 - err. 18 janvier 2005 - R 3402 - Bull. 856.
(1) 25 pct. overeenkomstig artikel 364, 2°, van de programmawet van 27 december 2004 - BS 31 december 2004, ed. 2 – err. 18 januari 2005 - V 3402 - Bull. 856. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la date d'entrée en vigueur de l'article 364, 2°, précité (article 365, alinéa 2, loi-programme du 27 décembre 2004).
De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgelegd besluit, de datum van inwerkingtreding van voormeld artikel 364, 2° (artikel 365, tweede lid - programmawet van 27 december 2004). L'AR qui détermine l'entrée en vigueur de l'article 364, 2°, précité de la loi-programme, n'est pas encore pris .
Het KB dat de inwerkingtreding van voormeld artikel 364, 2° van de programmawet vastlegt, is nog niet getroffen.
onverminderd artikel 52, 13°, kosten van de toute nature qui se rapportent à la
allerlei aard met betrekking tot jacht, chasse, à la pêche, à des yachts ou autres
visvangst, yachten of andere bateaux de plaisance et à des résidences de
pleziervaartuigen en lusthuizen, behalve plaisance ou d'agrément, sauf dans
indien en in zover de belastingplichtige l'éventualité et dans la mesure où le
bewijst dat zij bij het uitoefenen van de contribuable établit qu'ils sont nécessités
beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de par l'exercice de son activité
eigen aard daarvan noodzakelijk zijn, of in professionnelle en raison même de l'objet
de belastbare bezoldigingen van de de celle-ci ou qu'ils sont compris parmi les
begunstigde personeelsleden zijn begrepen ; rémunérations imposables des membres du personnel au profit desquels ils sont exposés ;

10° tous frais dans la mesure où ils dépassent de manière déraisonnable les besoins professionnels ;

10° alle kosten in zover deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen ;

11° les allocations à des tiers en remboursement de frais visés aux 7° à 10°, dans la mesure où ces frais ne sont eux- mêmes pas considérés comme des frais professionnels ;

11° toekenningen aan derden ter vergoeding voor gedane kosten als vermeld in 7° tot 10°, in zover die kosten zelf niet als beroepskosten worden aangemerkt ;

12° les rémunérations que le contribuable attribue à son conjoint travaillant avec lui, à l'exception des rémunérations visées à l'article 30, 3° ;

12° bezoldigingen die de belastingplichtige toekent aan zijn echtgenoot die met hem samenwerkt, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen ;

13° les rémunérations des autres membres de la famille du contribuable dans la mesure où elles dépassent un traitement ou salaire normal eu égard à la nature et à la durée des prestations effectives des bénéficiaires ;

13° bezoldigingen van de andere gezinsleden van de belastingplichtige in zover zij meer bedragen dan een normale wedde of een normaal loon, gelet op de aard en de duur van de werkelijke prestaties van de verkrijgers ;

14° les avantages visés à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 11° et 25°, à l'exclusion de l'intervention de l'employeur ou de l'entreprise dans le montant des titres-repas électroniques limitée, le cas échéant, à 2 euro par titre-repas électronique lorsque cette intervention répond aux conditions visées à l'article 38/1;

14° in artikel 38, § 1, eerste lid, 11° en 25°, bedoelde voordelen met uitzondering van de in voorkomend geval tot 2 euro per elektronische maaltijdcheque beperkte tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de elektronische maaltijdcheques wanneer die tussenkomst voldoet aan de in

Art. 217. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt evenwel :

1° 15 pct. wat betreft : - de belastbare bedragen bij een in de artikelen 46, § 1, tweede lid, 210, § 1, 5° en 6° en 211, § 1, zesde lid, vermelde verrichting;
- een meerwaarde verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed in een door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, gereglementeerde vastgoedvennootschap, Europese langetermijnbeleggingsinstelling of in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap voor zover ze genieten van de toepassing van het regime voorzien in artikel 185bis;

2° …

3° …

4° 5 pct., met betrekking tot kapitaal- en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers wordt toegekend in het kader van de steun aan de landbouw met het oog op vestiging en/of immateriële of materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
Het in het eerste lid, 4°, vermelde tarief geldt als de subsidies betrekking hebben op investeringen in materiële vaste activa of immateriële vaste activa die afschrijfbaar zijn en die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater. In geval van vervreemding van een in het eerste lid, 4°, vermeld vast actief, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de verlaagde belasting met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden.

Art. 217/1.

§ 1. Het tarief van de vennootschaps- belasting is evenwel gelijk aan het in het derde lid bedoelde percentage wat betreft :
- het gedeelte van de in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002 bedoelde vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 190, vierde lid, belastbaar is geworden alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze als respectievelijk bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, §§ 2 tot 4, van de programmawet van 2 augustus 2002;
- het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5, of 47, § 6, van dit Wetboek of artikel 122, § 6, van de programmawet van 2 augustus 2002, belastbaar is geworden;
- het gedeelte van de in artikel 48 bedoelde vrijgestelde voorzieningen dat is teruggenomen;
- het gedeelte van de in artikel 194quater bedoelde investeringsreserve dat krachtens artikel 190, vierde lid, alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze bedoeld in artikel 194quater, § 3, of krachtens artikel 194quater, § 4, belastbaar is geworden.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien de vrijgestelde reserve of de voorziening waarop het in het eerste lid bedoelde belastbaar feit betrekking heeft, is aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit. Het in het eerste lid vermelde tarief wordt bepaald op 33,99 pct. of 29,58 pct., naargelang het in het eerste lid bedoelde belastbare feit respectievelijk betrekking heeft op een vrijgestelde reserve of voorziening aangelegd in een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2018 en vorige, of aan de aanslagjaren 2019 en volgende.
In geval van terugname van een voorziening worden de oudste bedragen van de voorziening geacht eerst te zijn teruggenomen.
of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.

Art. 218.

§ 1. De belasting berekend overeenkomstig de artikelen 215 tot 217, met uitsluiting van het in artikel 413/1, § 1, beoogd gedeelte van de belasting, wordt eventueel vermeerderd zoals vermeld in de artikelen 157 tot 168, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
Voor de toepassing van dit artikel mag de in artikel 161 bedoelde basisrentevoet niet lager zijn dan 3 pct.
In afwijking van de artikelen 160 en 165, vinden de beperking van de vermeerdering tot 90 pct. en de verhoging van de berekeningsgrondslag tot 106 pct. van de Rijksbelasting evenwel geen
De bij artikel 163 bepaalde uitzondering op de vermeerdering is niet van toepassing.

§ 2. Ten name van een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is geen vermeerdering verschuldigd op de belasting die betrekking heeft op de eerste drie boekjaren vanaf haar oprichting. overschrijding van de maximale steunintensiteit ten gevolge van de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen

Art. 218/1. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 206, § 4, en ingevolge deze aftrek het teveel aan belasting in toepassing van artikel 375/1 van rechtswege is ontheven, wordt de totale belasting van het belastbare tijdperk waarvoor de in artikel 168/1, § 2, omschreven alternatieve berekening overeenkomstig het tweede lid van diezelfde paragraaf voor het laatst wordt gemaakt, vermeerderd met het overeenkomstig in artikel 168/1, § 3, bepaalde bedrag.
De Koning legt de nadere regels vast overeenkomstig artikel 168/1, § 4.

Art. 219. Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57, eerste lid, en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, die niet worden verantwoord door individuele fiches alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.



Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 219, eerste lid, als volgt : Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57, eerste lid, en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, en op dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, die niet worden verantwoord door individuele fiches alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.
Die aanslag is gelijk aan 100 pct. van die kosten, voordelen van alle aard, inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, financiële voordelen en verdoken meerwinsten, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard, die financiële voordelen en die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.



Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 219, tweede lid, als volgt :
Die aanslag is gelijk aan 100 pct. van die kosten, voordelen van alle aard, inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, financiële voordelen en verdoken meerwinsten, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen, inkomsten en dividenden een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.



Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°.
Bovendien worden de voormelde verdoken meerwinsten slechts onderworpen aan deze aanslag in het geval zij niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten.
Deze aanslag wordt niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.



Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 219, vijfde lid, als volgt :
Deze aanslag wordt niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.



Wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, wordt deze aanslag in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar of indien het bedrag begrepen is in een aanslag die met akkoord van een in artikel 305, eerste lid, bedoelde belastingplichtige verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 354, eerste en tweede lid, en 358.



Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 219, zesde lid, als volgt :
Wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°quater niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, wordt deze aanslag in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar of indien het bedrag begrepen is in een aanslag die met akkoord van een in artikel 305, eerste lid, bedoelde belastingplichtige verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 354, eerste en tweede lid, en 358.



671

Art. 219bis.

§ 1. Ten name van de kredietverenigingen en van de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet en van de kredietkassen erkend door de NV Crelan, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning. Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze vereniging, maatschappij of kas wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenning wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning. Die aanslag is gelijk aan 34 pct. van het totaal bedrag van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993. § 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015, en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du logement, de Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning. Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning. Deze aanslag is gelijk aan het totale bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk, te vermenigvuldigen met een percentage afhankelijk van het belastbaar tijdperk waarin de belaste reserves werden aangelegd. Dit percentage bedraagt: - 34 pct., voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2003 en vorige;
- 28 pct., voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten laatste aanvangt op 31 december 2017 en verbonden is aan de aanslagjaren 2004 tot 2019;
- 24 pct., voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2019, en verbonden is aan de aanslagjaren 2019 tot 2021;
- 20 pct., voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en verbonden is aan de aanslagjaren 2021 en volgende.
Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015, worden enkel de reserves die werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op de reserves die worden overgedragen naar een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de toepassing van dit artikel worden deze reserves bij de vennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn aangelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een in artikel 210, § 1, 1°, bedoelde verrichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor de toepassing van dit artikel ook als een overgedragen reserve beschouwd. § 3. Ten name van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, wordt een afzonderlijke
Die aanslag is gelijk aan 20 pct. van die dividenduitkering. Het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing, ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015. In dit geval, worden enkel de dividenden die voortkomen uit reserves die werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. De aanslag wordt evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend onmiddellijk in het kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering doorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte kapitalen voort te komen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van deze ingebrachte kapitalen in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als een dividend beschouwd. § 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de oudst gevormde reserves geacht eerst te zijn aangetast.

Art. 219quater. Voor het belastbaar tijdperk waarin een liquidatiereserve wordt aangelegd zoals bedoeld in artikel 184quater, wordt een afzonderlijke
De grondslag van deze aanslag wordt gevormd door de winsten bedoeld in artikel 184quater, tweede lid. De afzonderlijke aanslag is gelijk aan 10 pct. van de in het vorige lid vermelde
Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn. 676

Art. 219quinquies.

§ 1. Een afzonderlijke aanslag van 10 pct. wordt gevestigd wat betreft:
- de belastbare bedragen bij een in de artikelen 210, § 1, 6°, en 211, § 1, zesde lid, vermelde verrichting;
- de belastbare bedragen bij een in artikel 46, § 1, tweede lid, vermelde verrichting of een meerwaarde verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanslag wordt enkel gevestigd voor zover het in artikel 217, eerste lid, 1°, bedoelde tarief werd toegepast en wanneer:
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste streepje, het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds dat aan de in die bepaling bedoelde verrichtingen heeft deelgenomen, niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van zijn inschrijving bij de FOD Financiën op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ononderbroken ingeschreven is gebleven; of
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, tweede streepje, de inbrenger de aandelen verkregen in ruil voor de inbreng in het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van verkrijging van die aandelen ononderbroken heeft aangehouden.

§ 3. Paragraaf 1 is van toepassing in het belastbare tijdperk waarin aan de in paragraaf 2 bedoelde ononderbroken periode niet langer voldaan is. 677

Art. 219sexies. In hoofde van de vennootschappen die overeenkomstig artikel 192, § 1, vrijgestelde meerwaarden verwezenlijken op de in het tweede lid bedoelde aandelen, wordt een afzonderlijke
Het toepassingsgebied van de in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag omvat de aandelen van een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, waarvan de uitgekeerde inkomsten in ten minste één van de voorgaande belastbare tijdperken in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst werden afgetrokken.
De in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag wordt niet geheven op de vrijgestelde meerwaarde gerealiseerd op aandelen van private privaks, als bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. De beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 298 van de voormelde wet van 19 april 2014, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 298 van dezelfde wet.
Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbare tijdperk tijdens hetwelk deze meerwaarden worden verwezenlijkt. Die aanslag is gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de verwezenlijkte meerwaarden, in de mate dat die overeenkomstig artikel 192, § 1, worden vrijgesteld.
Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn. RECHTSPERSONENBELASTING.
Aan de belasting onderworpen rechtspersonen.

Art. 219ter.

§ 1. Voor het belastbare tijdperk waarin het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag belastbaar wordt gesteld overeenkomstig paragraaf 4 van datzelfde artikel, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd waarvan de grondslag overeenkomstig paragraaf 2 en het tarief overeenkomstig paragraaf 3 worden vastgesteld. § 2. De grondslag van de afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het in artikel 215, eerste lid, bedoelde tarief van de vennootschapsbelasting, te vermenigvuldigen met het in het tweede lid omschreven bedrag van de winst dat wordt verminderd met 10 pct. van het verlies dat zou zijn geleden zonder de terugname van de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde reserve, en waarvan het bedrag wordt bepaald door het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld, te vermeerderen met het in artikel 185, § 5 bedoelde bedrag, en te verminderen met het overeenkomstig het tweede lid omschreven bedrag van de winst.
Het in deze paragraaf bedoelde bedrag van de winst wordt gevormd door het positieve resultaat van het belastbare tijdperk waarin het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag, in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld te verminderen met de overeenkomstig artikelen 202 tot 205/1 en 543 bedoelde aftrekbare inkomsten die in de loop van het belastbare tijdperk werden verkregen.
Het in het tweede lid bedoelde bedrag kan niet groter zijn dan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld.
Voor de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde grondslag kan het bedrag van het verlies niet lager zijn dan 0.

§ 3. Het tarief van deze afzonderlijke aanslag bedraagt ten minste 2 pct., en ten hoogste 40 pct., en wordt bepaald door 20 pct. te vermenigvuldigen met de overeenkomstig het tweede lid vastgestelde factor.
De in deze paragraaf bedoelde factor wordt vastgesteld door de verhouding waarbij in de teller het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst wordt opgenomen en in de noemer het bedrag dat gevormd wordt door het bedrag A achtereenvolgens te vermeerderen met het bedrag B en te verminderen met het bedrag C: - waarbij het bedrag A gelijk is aan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld;
- waarbij het bedrag B gelijk is aan het in artikel 185, § 5, bedoelde bedrag;
- waarbij het bedrag C gelijk is aan het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst.
Het overeenkomstig deze paragraaf vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.
In het geval het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst gelijk is of groter is dan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld, vermeerderd met het in artikel 185, § 5 bedoelde bedrag, is het tarief van deze afzonderlijke

Art. 220. Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen :

1° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare kerkelijke instellingen, de hulpverleningszones, de politiezones en de polders en wateringen ;

2° de rechtspersonen die ingevolge artikel 180, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen ;

3° de rechtspersonen die in België hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, of ingevolge artikel 181 en 182, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen;

4° de verenigingen die niet worden bedoeld door de voorgaande bepalingen, die niet onderworpen zijn aan de vennootschaps- belasting, die geen winsten of baten verkrijgen en die voor een termijn van ten minste zes opeenvolgende belastbare tijdperken op de door de Koning bepaalde wijze hebben geopteerd aan de rechtspersonenbelasting te worden onderworpen. 680

Art. 220/1.

§ 1. De inkomsten die werden verkregen door de juridische constructie zijn belastbaar in hoofde van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter van die juridische constructie is, alsof deze rechtspersoon ze rechtstreeks heeft verkregen.
In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie
De in artikel 5/1, § 1, derde tot zesde, achtste en negende lid, bedoelde bepalingen zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen.
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 220/1, § 1, derde lid, als volgt :
De in artikel 5/1, § 1, derde tot vijfde, zevende en achtste lid, bedoelde bepalingen zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen.

§ 2. …

§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing in de in artikel 5/1, § 3, bedoelde gevallen. 681

Art. 221. De aan de rechtspersonenbelasting onder- worpen rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van :

1° het kadastraal inkomen van hun in België gelegen onroerende goederen, wanneer dit kadastraal inkomen niet van onroerende voorheffing is vrijgesteld ingevolge artikel 253 of ingevolge bijzondere wettelijke bepalingen ;

2° inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, eerste lid, 5°, 10° en 14°, vermelde eerste inkomstenschijven en de in artikel 21, eerste lid, 13°, vermelde interesten, evenals in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7° en 11°, vermelde diverse inkomsten.
Artikel 21, eerste lid, 12°, is van toepassing op de overeenkomstig artikel 220/1 belaste rechts- personen.

Art. 222. De in de artikelen 180, 1°, en 220, 3°, vermelde rechtpersonen zijn eveneens belastbaar ter zake van :

1° de inkomsten van hun in het buitenland gelegen onroerende goederen, behalve indien het onroerende goederen betreft waarvan het kadastraal inkomen zou vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing indien die goederen in België gelegen waren ; het belastbare bedrag van die inkomsten wordt vastgesteld overeen- komstig de artikelen 7 tot 11 en 13 ;

2° het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen, behoudens indien het betreft : - goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die die goederen noch geheel noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid ;
- goederen verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving en die door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt ;
- andere goederen mits de huurder geen winstoogmerken nastreeft en die goederen worden gebruikt voor een van de bestemmingen vermeld in artikel 12, § 1 ;
het belastbare bedrag van die inkomsten wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 11 en 13 ;

3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten betreffende in België of in het buitenland gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen vermeld in 2° ; het belastbare bedrag van die sommen wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 11 en 13 ;

4° de meerwaarden op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in artikel 90, eerste lid, 8°, worden verwezenlijkt ; het belastbare bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 101 en 103, § 2 ;

5° de meerwaarden op belangrijke deel- nemingen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel vermeld in artikel 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, worden verwezenlijkt ; het belastbare bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 102 ; 6° de meerwaarden op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een in artikel 90, eerste lid, 10°, vermelde overdracht onder bezwarende titel worden verwezenlijkt ; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt overeenkomstig de artikelen 101, §§ 2 en 3, en 103, § 3, vastgesteld.

Art. 223. De rechtspersonen vermeld in artikel 220, 2° en 3°, zijn eveneens belastbaar ter zake van :

1° kosten als bedoeld in de artikelen 57, eerste lid, en 195, § 1, eerste lid, voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en van inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, die niet worden verantwoord door individuele fiches ;

2° de bijdragen en premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, en 195, § 2, in zover zij niet voldoen, ofwel aan de grens bedoeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en, wat de in artikel 195, § 2, bedoelde premies betreft, aan de voorwaarden van regelmatigheid bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen bedoeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen ;

3° de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard

4° een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld; 5° in afwijking van de bepaling onder 4°, een bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen;
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), wordt artikel 223, eerste lid, aangevuld met een 6°, luidend als volgt :

6° de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen, aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 januari 2026, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot.
Vanaf 1 januari 2027, wordt artikel 223, eerste lid, aangevuld met een 7°, luidend als volgt :

7° een bedrag gelijk aan 5 pct. van de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die geen CO2 uitstoten en die zijn aangekocht, geleased of gehuurd in 2027.
Vanaf 1 januari 2028, luidt artikel 223, eerste lid, 7°, als volgt :

7° een bedrag gelijk aan het hieronder bedoelde percentage van de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die geen CO2 uitstoten:
- 5 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft; - 10 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2029, wordt artikel 223, eerste lid, 7°, aangevuld met een derde streepje, luidend als volgt :
- 17,5 pct. indien het een in 2029 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2030, wordt artikel 223, eerste lid, 7°, aangevuld met een vierde streepje, luidend als volgt :
- 25 pct. indien het een in 2030 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2031, wordt artikel 223, eerste lid, 7°, aangevuld met een vijfde streepje, luidend als volgt :
- 32,5 pct. indien het een vanaf 1 januari 2031 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.

8° de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet- toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om:
a) hetzij een sportbeoefenaar bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst bij een sportclub; b) hetzij een in artikel 270, 1° of 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar;
c) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen.
De in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders worden voor de toepassing van het eerste lid met werknemers gelijkgesteld.
De aanslag bedoeld in het eerste lid, 1°, is niet van toepassing als de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° opgenomen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.
De aanslag bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar of indien het bedrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, of van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, begrepen is in een aanslag die met akkoord van een in artikel 305, eerste lid, bedoelde belastingplichtige verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 354, eerste en tweede lid, en 358. ----------
Vanaf 1 januari 2026 (en van toepassing vanaf het aj. 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2026), wordt artikel 223, aangevuld met een vijfde lid, luidend als volgt : Wanneer het in het eerste lid, 6°, bedoelde voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, omvatten de in het eerste lid, 6°, bedoelde kosten niet het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig. ----------
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 223, vijfde lid, als volgt :
Wanneer het in het eerste lid, 6° en 7°, bedoelde voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, omvatten de in het eerste lid, 6° en 7°, bedoelde kosten niet het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig. ----------

Art. 224. De in artikel 180, 1°, bedoelde intercommunales, samenwerkingsverbanden, projectverenigingen, autonome gemeente- bedrijven en verenigingen zijn eveneens belastbaar op het totale bedrag van de sommen toegekend als dividenden aan enige vennootschap of andere rechtspersoon, met uitzondering van die toegekend aan de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 688

Art. 225. De belasting met betrekking tot in artikel 221 vermelde inkomsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing.
De belasting wordt berekend :

1° tegen het tarief van 20 pct. op de inkomsten vermeld in artikelen 222, 1° tot 3° ;

2° tegen het tarief van 33 pct. of van 16,5 pct. op in artikel 222, 4°, vermelde meerwaarden, volgens het onderscheid in artikel 171, 1°, b, en 4°, d ;

3° tegen het tarief van 16,5 pct. op in artikel 222, 5° en 6°, vermelde meerwaarden ;

4° tegen het tarief van 100 pct. op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5° en op in artikel 223, eerste lid, 3°, vermelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, en die financiële voordelen een rechtspersoon is, in welke gevallen de aanslag gelijk is aan 50 pct.; 5° tegen het tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid, op de in artikel 223, eerste lid, 2°, bedoelde bijdragen, premies, pensioenen, renten en toelagen, op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard en op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragen;
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 225, tweede lid, 5°, als volgt :

5° tegen het tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid, op de in artikel 223, eerste lid, 2°, bedoelde bijdragen, premies, pensioenen, renten en toelagen, op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, op de in artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde bedragen en op de in artikel 223, eerste lid, 6°, bedoelde kosten;
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 225, tweede lid, 5°, als volgt : 5° tegen het tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid, op de in artikel 223, eerste lid, 2°, bedoelde bijdragen, premies, pensioenen, renten en toelagen, op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 223, eerste lid, 8°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, op de in artikel 223, eerste lid, 4°, 5° en 7°, bedoelde bedragen en op de in artikel 223, eerste lid, 6°, bedoelde kosten;

6° tegen het tarief van 25 pct. op in artikel 224 vermelde dividenden.

Art. 226. De belasting op de dividenden vermeld in artikel 224, wordt vermeerderd zoals bepaald in artikel 218, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen als vermeld in dat artikel zijn gedaan. INWONERS.

Art. 227. Aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen :

1° niet-rijksinwoners, met inbegrip van de in artikel 4 vermelde personen ;

2° buitenlandse vennootschappen, zomede verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid die zijn opgericht in een rechtsvorm die vergelijkbaar is met de rechtsvorm van een vennootschap naar Belgisch recht en die hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer niet in België hebben ;

3° vreemde Staten, staatkundige onderdelen en plaatselijke gemeenschappen daarvan, alsmede alle rechtspersonen die hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer niet in België hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden of zich zonder winstoogmerk uitsluitend met in artikel 182, vermelde verrichtingen bezighouden met uitzondering van de in artikel 227/1 bedoelde rechtspersonen. 692

Art. 227/1. De rechtspersonen die aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen en die erkend zijn als in aanmerking komende productievennootschap of in aanmerking komende tussenpersoon bedoeld in de artikelen 194ter, 194ter/1 en 194ter/3, overeenkomstig artikel 179/1, zijn onderworpen aan de belasting van niet-inwoners volgens de bepalingen van toepassing op de in artikel 227, 2°, vermelde niet- inwoners voor het aanslagjaar gekoppeld aan een belastbaar tijdperk waarin ze een raamovereenkomst op grond van artikel 194ter, 194ter/1 of 194ter/3 hebben gesloten en voor de drie daarop volgende aanslagjaren. 693

Art. 228.

§ 1. De belasting wordt geheven van in België behaalde of verkregen inkomsten die aan de belasting zijn onderworpen.

§ 2. In de in § 1 bedoelde inkomsten zijn begrepen :

1° de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen ;

2° wanneer ze zijn behaald of verkregen in België, de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonen-belasting of de belasting van niet-inwoners ;
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 228, § 2, 2°, als volgt :

2° wanneer ze zijn behaald of verkregen in België, de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, met inbegrip van de in artikel 18, eerste lid 2° quater, bedoelde dividenden, waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonen-belasting of de belasting van niet-inwoners ;

3° winst opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen als vermeld in artikel 229, met inbegrip van de vastgestelde of verwezenlijkte meerwaarden op zulke inrichtingen of op hun activabestanddelen alsmede winst die zelfs zonder bemiddeling van zulke inrichtingen voortkomt : a) uit de vervreemding of de verhuring van in België gelegen onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten ;
b) uit in België gedane verrichtingen van buitenlandse verzekeraars die er gewoonlijk andere contracten dan herverzekeringscontracten inzamelen ;
c) ...
d) uit werkzaamheden uitgeoefend door een in artikel 227, 2°, vermelde niet- inwoner in een Belgische inrichting waarover een andere in artikel 227, 2°, vermelde niet-inwoner beschikt, of uit de uitoefening door die niet- inwoner van een opdracht of van functies in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, in een binnenlandse vennootschap ;
e) uit de hoedanigheid van vennoot in vennootschappen, samenwerkings- verbanden of verenigingen die krachtens artikel 29, § 2, worden geacht verenigingen zonder rechts- persoonlijkheid te zijn ;

3°bis de volgende winst opgebracht door bemiddeling van een Belgische inrichting als bedoeld in artikel 229:
- de afnamen of verminderingen om welke reden ook van het bedrag van de binnen de Belgische inrichting aanwezige vrijgestelde reserves, evenals het bedrag van de vrijgestelde reserves voor zover deze naar aanleiding van de zetelverplaatsing van een buitenlandse vennootschap naar België niet worden overgenomen door de ten gevolge van de zetelverplaatsing binnenlands geworden vennootschap; - ten van gerealiseerde meerwaarde of minderwaarde, elke meerwaarde of minderwaarde vastgesteld naar aanleiding van de onttrekking door de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer uit het vermogen van de inrichting van bestanddelen die niet binnen de inrichting behouden blijven.

4° de baten als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, die voortkomen uit een in België uitgeoefende werkzaamheid ;

5° winst en baten die betrekking hebben op een vorige zelfstandige beroepswerkzaamheid die in België werd uitgeoefend door de verkrijger of door de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is ;

6° de in artikel 23, § 1, 4°, vermelde bezoldigingen, rechtstreeks of onrechtstreeks ten laste :
a) van een rijksinwoner ;
b) van een binnenlandse vennootschap of van een vereniging, instelling of lichaam met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België ;
c) van de Belgische Staat, Gemeen- schappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten ;
d) van een Belgische inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner beschikt ;

7° bezoldigingen als vermeld in artikel 23, § 1, 4°, ten laste van een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner uit hoofde van een in België uitgeoefende werkzaamheid door een verkrijger die er voor die werkzaamheid tijdens enig tijdperk van 12 maanden gedurende meer dan 183 dagen verblijft ; 7°bis de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde pensioenen, renten en toelagen die worden betaald of toegekend door :
a) een rijksinwoner;
b) een binnenlandse vennootschap of een vereniging, instelling of lichaam met voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België;
c) de Belgische Staat, gemeenschappen, gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten;
d) een Belgische inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet- inwoner beschikt ;
e) een andere dan de voorvermelde schuldenaars, wanneer :
- de bijdragen of premies voor het pensioen, de rente of de toelage aanleiding hebben gegeven tot enig fiscaal voordeel in de inkomstenbelasting in hoofde van de schuldenaar van die bijdragen of premies of;
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan het pensioen, de rente of de toelage wordt betaald of toegekend, geheel of gedeeltelijk in België werd uitgeoefend;

8° inkomsten van welke aard ook, uit een in België door een podiumkunstenaar of een sportbeoefenaar persoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid, zelfs indien de inkomsten niet worden toegekend aan de podiumkunstenaar of aan de sportbeoefenaar zelf, maar aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon ;

9° diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1° tot 12°, in geval het betreft : a) in België behaalde of verkregen winst of baten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°en 1°bis;
a/1) in België behaalde of verkregen inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°ter;
b) prijzen, subsidies, renten of pensioenen ten laste van Belgische openbare machten of openbare instellingen ;
c) onderhoudsuitkeringen ten laste van rijksinwoners wanneer de verkrijger inwoner is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland;
d) inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen of plaatsen ;
e) loten betreffende in België uitgegeven effecten van leningen ;
f) opbrengsten uit de verhuring in België van het jacht-, vis- of vogelvangstrecht ;
g) meerwaarden verwezenlijkt op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen ;
h) meerwaarden verwezenlijkt op aandelen in binnenlandse vennoot- schappen, behalve in zover de meerwaarden niet belastbaar zijn ingevolge artikel 95 ;
i) meerwaarden verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen. j) vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot verkregen in uitvoering van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten, wanneer ze zijn behaald of verkregen in België, en waarvan de schuldenaar een leningnemer, een cessionaris of een pandnemer is die is onderworpen aan de personenbelasting, de vennoot- schapsbelasting, de rechtspersonen- belasting of de belasting van niet- inwoners.
k) persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een Belgische universiteit of hogeschool, door het "Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek- Vlaanderen - FWO", het "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" of door een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende onderzoeks- instelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of onder- zoeksinstelling uitgevaardigd valori- satiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die – alleen of binnen een ploeg – onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende onderzoeks-instelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvin-dingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerpro- gramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.
l) … § 3. De belasting wordt eveneens geheven van de winst en baten bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 1°, 25, 2°, 27, tweede lid, 1° en 2°, en 28, eerste lid, 2° en 3°, die niet door de paragrafen 1 en 2 worden beoogd en die voortkomen van om het even welke dienst geleverd aan :
- een rijksinwoner, in het kader van een beroepsactiviteit die baten of winst voortbrengt;
- een aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtige;
- een in artikel 220 bedoelde rechtspersoon; of
- een Belgische inrichting,
ten aanzien waarvan de dienstverrichter zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
Het eerste lid is enkel van toepassing in de mate dat :
- hetzij deze inkomsten ingevolge een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting in België belastbaar zijn;
- hetzij, in geval geen overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting bestaat, de belastingplichtige niet het bewijs levert dat deze inkomsten daadwerkelijk worden belast in de Staat waarvan hij inwoner is.

Art. 229.

§ 1. Onder de uitdrukking "Belgische inrichting" wordt verstaan elke vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de beroepswerkzaamheden van een buitenlandse onderneming geheel of gedeeltelijk in België worden uitgeoefend.
Een vaste bedrijfsinrichting vormt in het bijzonder :

1° een plaats waar leiding wordt gegeven ;

2° een filiaal ;

3° een kantoor ; 4° een fabriek ;

5° een werkplaats ;

6° een agentuur ;

7° een mijn, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen ;

8° een bouw- of constructiewerk waarvan de duur een ononderbroken periode van 30 dagen overschrijdt ;

9° een opslagplaats ;

10° een goederenvoorraad.

§ 2. Een Belgische inrichting is eveneens de vertegenwoordiger of andere tussenpersoon die in België optreedt voor een buitenlandse onderneming, zelfs wanneer die persoon geen machtiging bezit om namens die onderneming overeenkomsten te sluiten.
In afwijking van het eerste lid is er geen sprake van een Belgische inrichting indien de persoon die voor de buitenlandse onderneming optreedt, in België een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke tussenhandelaar en voor de onderneming in de normale uitoefening van dat bedrijf optreedt. Een persoon die uitsluitend of bijna uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt niet geacht een onafhankelijke tussenhanderlaar te zijn. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een persoon geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft in de andere of dat ze beiden onder zeggenschap staan van dezelfde personen of ondernemingen. In alle gevallen wordt een persoon geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 50 pct. bezit van het uiteindelijke belang in de andere persoon, of, in het geval van een vennootschap, meer dan 50 pct. bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van de vennootschap of van het uiteindelijk belang in het vermogen van de vennootschap, of indien een andere persoon rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 50 pct. bezit van het uiteindelijk belang, of, in het geval van een vennootschap, meer dan 50 pct. bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van de vennootschap of van het uiteindelijke belang in het vermogen van de vennootschap, in de persoon en in de onderneming.

§ 2/1. Wanneer een buitenlandse onderneming in België voor eenzelfde of voor met elkaar verband houdende projecten diensten levert door middel van één of meer natuurlijke personen die in België aanwezig zijn en er die diensten leveren gedurende een tijdvak of tijdvakken waarvan de duur in het totaal 30 dagen te boven gaat of gaan tijdens enig tijdperk van twaalf maanden, vormen de werkzaamheden die in België in het kader van die levering van diensten worden uitgeoefend een Belgische inrichting. § 2/2. Wanneer een buitenlandse onderneming verbonden of geassocieerd is met één of meerdere andere ondernemingen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wordt de gecumuleerde duur van de gelijkaardige werkzaamheden die door deze ondernemingen in België worden uitgeoefend, in aanmerking genomen om vast te stellen of de duur van de door de bedoelde buitenlandse onderneming in België uitgeoefende werkzaamheden meer bedraagt dan de minimale duur die in § 1, tweede lid, 8°, en in § 2/1 is vastgelegd om een Belgische inrichting te vormen, of dan de minimale duur die door een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting is vastgelegd om een vaste inrichting te vormen. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de buitenlandse onderneming bewijst dat het uitoefenen van gelijkaardige werkzaamheden door haarzelf of door één of meer ondernemingen waarmee ze verbonden of geassocieerd is, gerechtvaardigd is op grond van andere motieven dan te vermijden dat die werkzaamheden, naargelang het geval, een Belgische inrichting of een vaste inrichting vormen met behulp waarvan die werkzaamheden worden uitgeoefend.

§ 3. Iedere vennoot of ieder lid van een vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 29 die haar haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft of die in de zin van artikel 228, § 2, 3°, 3°bis of 4°, in België inkomsten behaalt of verkrijgt, wordt geacht, volgens het geval, over een Belgische inrichting te beschikken of, persoonlijk in België werkzaamheden uit te oefenen.

§ 4. Wat de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft bestaat het eigen vermogen van een Belgische inrichting uit :
- de vrijgestelde reserves ;
- de belaste reserves ;
- de door de buitenlandse vennootschap aan de inrichting ter beschikking gestelde kapitaalsdotatie. Het eigen vermogen van een Belgische inrichting wordt verminderd met het bedrag aan ten name van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer ontleende middelen met betrekking tot dewelke de interesten ten laste van het belastbaar resultaat van de Belgische inrichting worden gelegd.
Wanneer een bedrijfsafdeling, een tak van werkzaamheid of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht in een intra-Europese vennootschap onder de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, vermelde vrijstelling, of, ingeval van een inbreng verricht door een intra-Europese vennootschap, onder de voorwaarden van artikel 231, § 2 of van een gelijkaardige vrijstelling van toepassing in de Lidstaat waar de intra-Europese vennootschap is gevestigd, is het door deze inbreng ontstane bedrag aan kapitaalsdotatie gelijk aan de fiscale nettowaarde die de in België aangehouden bestanddelen van deze inbreng hadden bij de inbrenger.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 229, § 4, derde lid, als volgt :
Wanneer een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht in een intra-Europese vennootschap onder de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, vermelde vrijstelling, of, ingeval van een inbreng verricht door een intra-Europese vennootschap, onder de voorwaarden van artikel 231, § 2 of van een gelijkaardige vrijstelling van toepassing in de Lidstaat waar de intra-Europese vennootschap is gevestigd, is het door deze inbreng ontstane bedrag aan kapitaalsdotatie gelijk aan de fiscale nettowaarde die de in België aangehouden bestanddelen van deze inbreng hadden bij de inbrenger.
Ingeval van fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting wordt ten name van de verkrijgende Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende intra-Europese vennootschap : - de kapitaalsdotatie geacht overeen te stemmen met het positieve verschil tussen de werkelijke waarde van de activa en van de passiva binnen deze inrichting in België aangewend, weerhouden voor de vaststelling van de belasting verschuldigd ten gevolge van de verrichting en dit in de mate deze inbrengen worden vergoed door hiertoe nieuw uitgegeven aandelen ;
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 229, § 4, vierde lid, eerste streepje, als volgt :
- de kapitaalsdotatie geacht overeen te stemmen met het positieve verschil tussen de werkelijke waarde van de activa en van de passiva binnen deze inrichting in België aangewend, weerhouden voor de vaststelling van de belasting verschuldigd ten gevolge van de verrichting en dit in de mate deze inbrengen worden vergoed door hiertoe nieuw uitgegeven aandelen, behalve ingeval van een vereenvoudigde zusterfusie ;
- de aanschaffingswaarde van de ingebrachte bestanddelen geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde die zij hadden bij de overgenomen of gesplitste vennootschap op de datum waarop de verrichting heeft plaatsgevonden. In afwijking van het vierde lid, worden ingeval van fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting, bedoeld in artikel 211 waarbij een intra-Europese vennootschap als overnemende of verkrijgende vennootschap is betrokken, de vóór de verrichting binnen de overgenomen of gesplitste binnenlandse vennootschap aanwezige vrijgestelde en belaste reserves, binnen de Belgische inrichting na de verrichting, en in de mate de verrichting leidt tot de vorming of de toename van de totale fiscale nettowaarde van de Belgische inrichting, in aanmerking genomen als respectievelijk vrijgestelde en belaste reserves van de Belgische inrichting, en worden tevens de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-inkomsten, aftrekken voor innovatie- inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal, kapitaalsubsidies, minderwaarden of meerwaarden die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de binnen een Belgische inrichting verkregen bestanddelen in aanmerking worden genomen, bepaald alsof de fusie, splitsing of de ermee gelijkgestelde verrichting niet had plaatsgevonden.
In het in het vijfde lid bedoelde geval wordt het bedrag van de gereserveerde winst van de overgenomen vennootschap dat ten name van de Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende vennootschap in aanmerking wordt genomen, verminderd:
- in de mate de inbrengen anders worden vergoed dan met nieuwe aandelen van de overnemende of verkrijgende vennootschap die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven. Deze vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, en vervolgens op de vrijgestelde reserves die binnen de Belgische inrichting worden overgenomen; - indien de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap. In dit geval wordt de vermindering proportioneel aangerekend op de reserves van de Belgische inrichting die worden overgenomen, waarbij de aanrekening in de eerste plaats geschiedt op de belaste reserves, en op het bedrag aan kapitaalsdotatie dat wordt vastgesteld als het saldo tussen de nettowaarde van de ontvangen bestanddelen en het bedrag van de overgenomen reserves. Geen vermindering wordt aangerekend op de meerwaarden en kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 211, § 1, eerste lid, 1°, noch op de vrijgestelde reserves bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde artikel, noch op de waardeverminderingen en vrijgestelde provisies die als dusdanig voorkomen in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen of van de Belgische inrichting bedoeld in § 1, vijfde lid, van hetzelfde artikel.
Het bepaalde in het vijfde en zesde lid is eveneens van toepassing ingeval een intra- Europese vennootschap binnen een Belgische inrichting bestanddelen verwerft vanwege een andere intra-Europese vennootschap naar aanleiding van een verrichting voor zover de in artikel 231, § 2, eerste lid, bedoelde vrijstelling wordt toegepast in hoofde van de overdragende vennootschap. Hierbij leidt het bedrag dat aan vrijgestelde en belaste reserves, en aan kapitaalsdotatie aanwezig was binnen een overgedragen Belgische inrichting, tot respectievelijk vrijgestelde en belaste reserves, en kapitaalsdotatie binnen de Belgische inrichting van de overnemende vennootschap, die onderworpen worden aan het bepaalde in het zesde lid. In dezelfde gevallen bedoeld in het vijfde en zevende lid blijven de bepalingen van dit Wetboek op de wijze en onder de voorwaarden als daarin zijn gesteld, van toepassing op de waardeverminderingen, voorzieningen, onder- en overwaarderingen, kapitaalsubsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves die bij de Belgische inrichtingen van de overgenomen of gesplitste vennootschappen bestonden, in zover die bestanddelen worden teruggevonden in de activa van de Belgische inrichtingen van de overnemende of verkrijgende vennootschappen; de fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting mag niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd.
Ingeval van de toepassing van de artikelen 211 en 231, §§ 2 en 3, worden de meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, beschouwd als niet gerealiseerde meerwaarden. In de mate deze meerwaarden worden uitgedrukt, worden zij gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden.
Het bepaalde in het vijfde lid is eveneens van toepassing voor wat betreft de bestanddelen en het eigen vermogen die ingeval van de overbrenging van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer door een binnenlandse vennootschap naar een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van het bepaalde in artikel 214bis blijvend aangewend worden binnen een Belgische inrichting waarover deze vennootschap na de overbrenging beschikt.

§ 5. Wat de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft, worden in het geval van een in het tweede lid bedoelde overdracht van een of meerdere in het buitenland gelegen bestanddelen, de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardevermin- deringen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
Het toepassingsgebied van het eerste lid strekt zich uit tot de volgende verrichtingen : 1° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van de fiscale woonplaats van een buitenlandse vennootschap naar een Belgische inrichting;

2° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van een buitenlandse inrichting naar een Belgische inrichting, voor zover deze buitenlandse inrichting en deze Belgische inrichting deel uitmaken van dezelfde buitenlandse vennootschap;

3° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief die blijvend worden aangewend door een buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap in het geval deze inrichting naar België wordt verplaatst en ten gevolge hiervan wordt beschouwd als een Belgische inrichting.
Indien de waarde van deze bestanddelen naar aanleiding van een in het tweede lid bedoelde verrichting werden vastgesteld door de Staat waar deze bestanddelen op het ogenblik van de verrichting waren gelegen, en de niet gerealiseerde meerwaarde op deze bestanddelen ten gevolge van deze verrichtingen daadwerkelijk door deze Staat in de belastinggrondslag worden opgenomen, wordt de door deze Staat vastgestelde waarde vermoed overeen te stemmen met de werkelijke waarde ervan, tenzij kan worden aangetoond dat de door deze Staat vastgestelde waarde hoger is dan de werkelijke waarde.
Het derde lid is enkel van toepassing voor wat de bestanddelen betreft die voor de verrichting gelegen waren in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst heeft gesloten of die met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen mogelijk maakt met het oog op de toepassing van het interne recht van de overeenkomst sluitende Staten.
Indien het derde lid niet van toepassing is : - wordt de werkelijke waarde vermoed overeen te stemmen met de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan van die bestanddelen, tenzij de werkelijke waarde van de in het eerste lid bedoelde bestanddelen kan worden aangetoond;
- worden, in afwijking van het eerste lid, de afschrijvingen met betrekking tot de op het moment van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde;
- worden, in afwijking van het eerste lid, de later gerealiseerde minderwaarden of waardeverminderingen op deze bestanddelen vastgesteld uitgaande van de aanschaffings-of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan.

Art. 230. Vrijgesteld zijn :

1° inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan dividenden, zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de rechts- personenbelasting, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt en door de verkrijger niet in België verkregen zijn ;

2° de volgende inkomsten onder de voorwaarden als bedoeld in het tweede lid : a) inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan dividenden, zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschaps-belasting of de rechtspersonen-belasting, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt ;
b) de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan de inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, alsmede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten, waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de belasting der niet-inwoners, die de genoemde inkomsten niet heeft toegerekend op de resultaten van de Belgische inrichting waarover hij beschikt ;
c) de inkomsten verkregen in uitvoering van een zakelijke-zekerheids- overeenkomst of een lening met betrekking tot buitenlandse financiële instrumenten waarvan de schuldenaar is onderworpen aan de personen-belasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting der niet-inwoners, op voorwaarde dat in dat laatste geval de inkomsten zijn toegerekend op de resultaten van de Belgische inrichting waarover hij beschikt ;

2°bis …

3° bezoldigingen vermeld in artikel 23, § 1, 4°, in zover zij een door de verkrijger in het buitenland uitgeoefende werkzaamheid bezoldigen en zij worden betaald of toegekend : a) hetzij door een schuldenaar die aan de personenbelasting of de vennoot- schapsbelasting is onderworpen en zij op de resultaten van een in het buitenland gelegen inrichting worden toegerekend ;
b) hetzij, wanneer de verkrijger rechtstreeks is aangeworven in de Staat waar de beoogde activiteiten worden uitgeoefend, hij geen inwoner is van een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en dat niet was op het ogenblik van zijn aanwerving en hij op datzelfde ogenblik evenmin een rijksinwoner was, door een van de volgende werkgevers :
- het Rode Kruis van België, in het kader van de hulpverlening in het buitenland ;
- Enabel, Belgisch Ontwikke- lingsagentschap, in het kader van de hulpverlening aan ontwikkelingslanden ;
- een werkgever bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, a of b, in het kader van onderzoeksprojecten in het buitenland ;
- een werkgever bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 2°, in het kader van de hulpverlening aan ontwikkelingslanden ;
- een werkgever bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 3°, in het kader van de hulpverlening aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen in het buitenland ;
- een werkgever bedoeld in artikel 228, § 2, 6°, c). De in b) bedoelde vrijstelling is niet van toepassing wanneer de betreffende bezoldigingen in de Staat waarin de activiteiten worden uitgevoerd, van belasting zijn vrijgesteld krachtens een overeenkomst inzake ontwikkelingssamenwerking.

4° bezoldigingen die in artikel 4, 1°, bedoelde personen verkrijgen in hun hoedanigheid ;

4°bis pensioenen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c/1, die worden betaald of toegekend door een instelling als bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, wanneer en in de mate dat:
- de bijdragen of premies voor het pensioen in België geen aanleiding hebben gegeven tot enig fiscaal voordeel in de inkomstenbelasting in hoofde van de schuldenaar van de bijdragen of de premies;
en
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan het pensioen wordt betaald, geen in België belastbare beroeps- inkomsten heeft opgebracht;

5° diverse inkomsten als vermeld in artikel 228, § 2, 9°, a tot i, verkregen door vreemde Staten of door staatkundige onderdelen daarvan, zomede door inrichtingen, instellingen of andere rechtspersonen zonder winstoogmerk naar buitenlands publiek recht. 6° kapitaal- en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, betaald worden aan landbouwers die belastingplichtigen zijn beoogd in artikel 227, 1°, door de bevoegde gewestelijke instellingen in het kader van de steun aan de landbouw met het oog op vestiging en/of immateriële of materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
De voorwaarden waaronder de inkomsten bedoeld in het eerste lid, 2°, worden vrijgesteld, zijn de volgende :
a) de verkrijger van de inkomsten moet aan de in b) of c) bedoelde tussenpersoon of aan de schuldenaar van de inkomsten een attest overleggen waarmee hij bevestigt :
- dat hij een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner is,
- dat hij de kapitalen of financiële instrumenten die de inkomsten voortbrengen, niet heeft aangewend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in België ;
- dat hij volle eigenaar of vruchtgebruiker is van de kapitalen of financiële instrumenten die de inkomsten voortbrengen ;
- en dat hij, voor de gevallen bedoeld in c, tweede streepje, behoort tot dezelfde groep van verbonden of geassocieerde vennootschappen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als de schuldenaar van de inkomsten en de tussenkomende financiële onderneming ;
b) de in het eerste lid, 2°, a), bedoelde inkomsten, moeten aan de verkrijger ervan worden betaald door bemiddeling van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling of door de schuldenaar van de inkomsten ; c) de in het eerste lid, 2°, b), bedoelde inkomsten moeten aan de verkrijger ervan worden betaald :
- hetzij door bemiddeling van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffening- sinstelling ;
- hetzij, wat de interest begrepen in die inkomsten betreft, door bemiddeling van een in België gevestigde financiële onderneming zoals bepaald in het derde lid, wanneer de verkrijger, de schuldenaar en de in België gevestigde financiële onderneming behoren tot een groep van verbonden of geassocieerde vennootschappen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
Voor de toepassing van het tweede lid, c), tweede streepje, verstaat men onder financiële onderneming, een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap :
- die behoort tot een groep van verbonden of geassocieerde vennootschappen in de zin van respectievelijk de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen ;
- die haar activiteiten uitsluitend uitoefent in het voordeel van de vennootschappen van de groep ;
- die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard ;
- die zich uitsluitend financiert bij binnenlandse vennootschappen of rechtspersonen als bedoeld in de artikelen 220 en 227 van dit Wetboek, met als enig doel eigen verrichtingen of verrichtingen van verbonden of geassocieerde vennootschappen te financieren ; - en die geen aandelen bezit waarvan de aanschaffingswaarde meer bedraagt dan 10 pct. van de fiscale netto waarde van de financiële onderneming.
In geval van vervreemding van één van de in het eerste lid, 6°, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de vrijstelling met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.

Art. 231.

§ 1. Op voorwaarde van wederkerigheid zijn vrijgesteld :

1° inkomsten van onroerende goederen die een vreemde Staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden ;

2° bezoldigingen die ten laste van in België geaccrediteerde buitenlandse diplomatieke en consulaire zendingen of van de hoofden van die zendingen worden verkregen door hun personeelsleden die de Belgische nationaliteit niet bezitten, en bezoldigingen die ten laste van een vreemde staat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam worden verkregen door personen als bedoeld in artikel 4, 3° ;

3° winst die een buitenlandse onderneming in België verkrijgt uit de exploitatie van schepen of vliegtuigen waarvan zij eigenares of bevrachtster is en die België aandoen. § 2. Wanneer een Belgische inrichting of in België gelegen bestanddelen behoren tot de goederen die door een binnenlandse vennootschap of door een intra-Europese vennootschap vanwege een intra-Europese vennootschap worden verworven, naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing, of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of inbreng van een algemeenheid van goederen die plaatsvindt met toepassing in de Staat van vestiging van de overgenomen, gesplitste of inbrengende intra-Europese vennootschap van de belastingvrijstelling bepaald door de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 als bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b)bis, dan :
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 231, § 2, eerste lid, inleidende zin, als volgt :

§ 2. Wanneer een Belgische inrichting of in België gelegen bestanddelen behoren tot de goederen die door een binnenlandse vennootschap of door een intra-Europese vennootschap vanwege een intra-Europese vennootschap worden verworven, naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing, of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of inbreng van een algemeenheid van goederen die plaatsvindt met toepassing in de Staat van vestiging van de overgenomen, gesplitste of inbrengende intra- Europese vennootschap van de belastingvrijstelling bepaald door de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 als bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b)bis, dan :

1° komen de meerwaarden bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 362, die op het ogenblik van de verrichting nog niet als winst worden aangemerkt, alsmede de meerwaarden die naar aanleiding van de verrichting zijn verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking voor belastingheffing ; 2° blijft belastingheffing voor het overige achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen, of voor zover, ingeval van fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting, de vóór de verrichting binnen de Belgische inrichting van de overgenomen of gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves worden overgenomen door de overnemende of verkrijgende binnenlandse vennootschap of binnen een Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende intra-Europese vennootschap.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 231, § 2, eerste lid, 2°, als volgt :

2° blijft belastingheffing voor het overige achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen, of in de mate dat, in geval van fusie, splitsing of een verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing, de vóór de verrichting binnen de Belgische inrichting van de overgenomen of gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves worden overgenomen door de overnemende of verkrijgende binnenlandse vennootschap of binnen een Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende intra- Europese vennootschap.
Het eerste lid is slechts van toepassing voor wat betreft de ten gevolge van de verrichting overgenomen of verkregen bestanddelen die aangewend worden binnen een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag, of voor wat betreft de in België gelegen bestanddelen die in België behouden blijven en onder de toepassing van artikel 233 vallen.
Het eerste lid is daarenboven slechts van toepassing op voorwaarde dat de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten erkende vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, gereglementeerde vastgoedvennootschap of Europese langetermijnbeleggingsinstelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap heeft deelgenomen aan voormelde verrichting.
In het in het eerste lid bedoelde geval, worden bij de verkrijgende of overnemende binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van de verkrijgende of overnemende intra-Europese vennootschap de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-inkomsten, aftrekken voor innovatie- inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.
Volgens de wijze en onder de voorwaarden die daarin zijn gesteld, blijven de bepalingen van dit Wetboek van toepassing op de bij de ingebrachte Belgische inrichting bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves, alsof die inbreng niet had plaatsgevonden.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47, kan de verrichting niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.

§ 3. Vrijgesteld zijn de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld ter gelegen- heid van de inbreng van een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.

Het bedrag van de voorheen bij de Belgische inrichting gereserveerde winst, wordt ten name van de binnenlandse vennootschap bepaald alsof de inbrengverrichting niet had plaatsgevonden. Ten name van de binnenlandse vennootschap worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-inkomsten, aftrekken voor innovatie- inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof de inbrengverrichting niet had plaatsgevonden.
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van toepassing op de bij de Belgische inrichting bestaande meer-waarden, waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies en vorderingen in zover die bestanddelen als dusdanig worden teruggevonden in de boekhouding van de binnenlandse vennootschap.
In de gevallen vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47, kan de inbrengverrichting niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd. 720

Art. 232. Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, wordt de belasting gevestigd :

1° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, wanneer die belastingplichtigen inkomsten verkrijgen uit verhuurde onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten ;

2° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, van hun in artikel 228, § 1, bedoelde beroepsinkomsten, van hun in artikel 228, § 2, 9°, a/1, vermelde inkomsten en van de in artikel 228, § 2, 9°, h, vermelde meerwaarden, wanneer zij :
a) in België over één of meer inrichtingen beschikken vermeld in artikel 229 ;
b) in België inkomsten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a en e, 4°, 5°, 6°, 7°, 7°bis en 9°, a/1 en h ;
c) in België persoonlijk een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen gedurende meer dan 30 dagen, te berekenen per tijdperk van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van de in artikel 228, § 2, 8°, bedoelde inkomsten.
In de gevallen als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt de belasting evenwel niet gevestigd wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan 2.500 EUR. In geval van een gemeenschappelijke aanslag is het tweede lid slechts van toepassing op voorwaarde dat :
- geen van beide echtgenoten inkomsten heeft behaald of verworven als bedoeld in het eerste lid, 2°, of de in artikel 248, § 2, vermelde keuze heeft gemaakt, en
- het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen van elke echtgenoot lager is dan 2.500 euro.

Art. 233. Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 2°, wordt de belasting gevestigd op het totale bedrag van de winst, opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen, en de in artikel 228, § 2, 3°, a en e, vermelde winst die zonder bemiddeling van zulke inrichtingen is opgebracht.
Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd volgens de regels bepaald in artikel 219 op de niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, op de verdoken meerwinsten en op de financiële voordelen of voordelen van alle aard als vermeld in artikel 219.
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 233, tweede lid, als volgt :
Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd volgens de regels bepaald in artikel 219 op de niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, op de verdoken meerwinsten en op de financiële voordelen of voordelen van alle aard als vermeld in artikel 219.
Daarnaast wordt een afzonderlijke aanslag vastgesteld volgens de regels voorzien in artikel 219ter. Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag vastgesteld volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies.

Art. 234. Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 3°, wordt de belasting gevestigd :

1° op het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen, behoudens indien het betreft :
- goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die die goederen noch geheel noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerk-zaamheid ;
- goederen verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving en die door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt ;
- andere goederen mits de huurder geen winstoogmerken nastreeft en die goederen worden gebruikt voor een van de bestemmingen vermeld in artikel 12, § 1 ;

2° op de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot een in België gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen vermeld in het 1° ; 3° op de bijdragen en premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, en 195, § 2, in zover zij niet voldoen ofwel aan de grens bedoeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en, wat de in artikel 195, § 2, bedoelde premies betreft, aan de voorwaarden van regelmatigheid bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, op de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen bedoeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en op de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen ;

4° op de kosten als bedoeld in artikel 57, eerste lid, de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, en de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, die niet worden verantwoord door individuele fiches, tenzij:
- de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van die kosten of de voordelen van alle aard begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte;
- of, wanneer het niet is begrepen in een dergelijke aangifte, de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar of het bedrag van de kosten begrepen is in een aanslag die met akkoord van een in artikel 305, eerste lid, bedoelde belastingplichtige verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 354, eerste en tweede lid, en 358;

5° op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard; 6° op een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld;

7° in afwijking van de bepaling onder 6°, op een bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen;
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), wordt artikel 234, eerste lid, aangevuld met een 8°, luidend als volgt :

8° op de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen, aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 januari 2026, tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot.
Vanaf 1 januari 2027, wordt artikel 234, eerste lid, aangevuld met een 9°, luidend als volgt :

9° op een bedrag gelijk aan 5 pct. van de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die geen CO2 uitstoten en die zijn aangekocht, geleased of gehuurd in 2027.
Vanaf 1 januari 2028, luidt artikel 234, eerste lid, 9°, als volgt : 9° op een bedrag gelijk aan het hieronder bedoelde percentage van de kosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die geen CO2 uitstoten:
- 5 pct. indien het een in 2027 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft;
- 10 pct. indien het een in 2028 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2029, wordt artikel 234, eerste lid, 9°, aangevuld met een derde streepje, luidend als volgt :
- 17,5 pct. indien het een in 2029 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2030, wordt artikel 234, eerste lid, 9°, aangevuld met een vierde streepje, luidend als volgt :
- 25 pct. indien het een in 2030 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft.
Vanaf 1 januari 2031, wordt artikel 234, eerste lid, 9°, aangevuld met een vijfde streepje, luidend als volgt :
- 32,5 pct. indien het een vanaf 1 januari 2031 aangekocht, geleased of gehuurd voertuig betreft. 10° in de mate dat zij meer bedragen dan 3 pct. van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst, op de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst die tot doel heeft om:
a) hetzij een sportbeoefenaar bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst bij een sportclub;
b) hetzij een in artikel 270, 1° en 3°, bedoelde schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar;
c) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen.
De in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders worden voor de toepassing van het eerste lid met werknemers gelijkgesteld.
Vanaf 1 januari 2026 (en van toepassing vanaf het aj. 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2026), wordt artikel 234, aangevuld met een derde lid, luidend als volgt : Wanneer het in het eerste lid, 8°, bedoelde voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, omvatten de in het eerste lid, 8°, bedoelde kosten niet het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig. ----------
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 234, derde lid, als volgt :
Wanneer het in het eerste lid, 8° en 9°, bedoelde voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het persoonlijk gebruik door een derde, omvatten de in het eerste lid, 8° en 9°, bedoelde kosten niet het bedrag dat overeenstemt met het voordeel van alle aard dat op naam van die derde wordt belast en de eigen bijdrage van die derde voor het persoonlijk gebruik van dat voertuig. ----------
de samen te voegen inkomsten.

Art. 235. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 236 tot 240bis, wordt het nettobedrag van de belastbare inkomsten bepaald volgens de regels die van toepassing zijn :

1° op de personenbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 7 tot 103 en 129/1 ;

2° op de vennootschapsbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 2°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 183, 185, § 2 en § 5, 185quater, 185quinquies en 190 tot 208;

3° op de rechtspersonenbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 3°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 221 tot 224. 728

Art. 236bis. De artikelen 205/1 tot 205/4 zijn van toepassing op de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen voor de innovatie-inkomsten met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten die worden aangewend in hun Belgische inrichtingen.
Voor de toepassing van artikel 205/2, worden de bruto innovatie-inkomsten verminderd met de kosten voor zelf uitgevoerde activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling, aan derden verschuldigde vergoedingen, evenals met de afschrijvingen op de verworven intellectuele eigendomsrechten die ten laste van het belastbaar resultaat van de Belgische inrichtingen worden gelegd.

Art. 237. Voor aftrek als beroepskosten komen alleen in aanmerking de kosten die uitsluitend op de overeenkomstig de artikelen 228 tot 231 in België belastbare beroepsinkomsten drukken.

Art. 238. Voor de toepassing van artikel 53, 2°, of artikel 198, § 1, 1°, wordt de belasting van niet- inwoners naar het geval gelijkgesteld met de personenbelasting of met de vennootschaps- belasting.

Art. 240. Ten name van vennootschappen, ver- enigingen, instellingen of lichamen vermeld in artikel 227, 2°, omvat de belastbare winst het totale bedrag van de in België verkregen inkomsten met als enige aftrek uit hoofde van in artikel 195 vermelde beroepskosten, de bezoldigingen en de erop betrekking hebbende sociale lasten, die worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting waarover die belastingplichtigen beschikken, wegens de in die inrichting uitgeoefende werkzaamheden.
Ten name van de in het eerste lid vermelde vennootschappen zijn de bepalingen inzake investeringsaftrek en belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling de bepalingen die van

Art. 240bis.

§ 1. De beperkingen inzake overdracht van beroepsverliezen en van de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten, zoals bedoeld in artikel 206, § 2, zijn van toepassing wat betreft de in de artikelen 229, § 4, vijfde lid, en 231 bedoelde verrichtingen :

1° de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting binnen haar vóór de verrichting aanwezige Belgische inrichting nog niet heeft kunnen aftrekken, blijven enkel aftrekbaar na de verrichting naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van deze inrichting vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarde van de inrichting en de fiscale nettowaarde vóór de verrichting van de naar aanleiding van de verrichting binnen de inrichting verkregen of overgenomen en behouden bestanddelen ; 2° de beroepsverliezen en de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten die de overgenomen of gesplitste binnenlandse vennootschap vóór de verrichting nog niet heeft kunnen aftrekken of die de overgenomen of gesplitste intra-Europese vennootschap vóór de verrichting binnen haar Belgische inrichting nog niet heeft kunnen aftrekken, zijn aftrekbaar na de verrichting binnen de Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende vennootschap naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde vóór de verrichting van de naar aanleiding van de verrichting binnen de inrichting verkregen of overgenomen bestanddelen in het totaal van de fiscale nettowaarden, eveneens vóór de verrichting, van de vóór de verrichting aanwezige Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende vennootschap en van de naar aanleiding van de verrichting binnen de inrichting verkregen of overgenomen bestanddelen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de beperking van de aftrekbaarheid geacht eerst plaats te vinden op de beroepsverliezen en vervolgens op de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten.

§ 2. Ingeval van de overbrenging van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer door een binnenlandse vennootschap naar een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van het bepaalde in artikel 214bis, zijn de beroepsverliezen in België geleden vóór deze overbrenging door de vennootschap enkel aftrekbaar binnen de Belgische inrichting waarover de vennootschap na deze overbrenging beschikt. 731

Art. 240quater. Indien een in artikel 32/2, § 2, bedoelde ingekomen onderzoeker moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/2 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen onderzoekers afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de fiscale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest ter beschikking houdt van de Belgische belastingadministratie, waarin wordt bevestigd dat hij in die Staat als fiscaal inwoner onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Een dergelijk attest moet ook worden gevoegd bij de in artikel 32/2, § 8, bedoelde aanvraag.
In dat geval zijn de in artikel 32/2, § 5, tweede lid, bedoelde bezoldigingen, de soortgelijke bezoldigingen die effectief aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen.

Art. 240ter.

§ 1. Indien een in artikel 32/1, § 2, bedoelde ingekomen belastingplichtige moet worden aangemerkt als een niet-rijksinwoner, wordt de toepassing van het in artikel 32/1 omschreven bijzonder stelsel voor ingekomen belastingplichtigen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat hij jaarlijks een door de fiscale administratie van zijn woonstaat afgeleverd attest ter beschikking houdt van de Belgische belastingadministratie, waarin wordt bevestigd dat hij in die Staat als fiscaal inwoner onderworpen is aan een inkomstenbelasting. Een dergelijk attest moet ook gevoegd worden bij de in artikel 32/1, § 8, bedoelde aanvraag.
In dit geval zijn de in artikel 32/1, § 3, eerste lid, 2°, bedoelde bezoldigingen, de soortgelijke bezoldigingen die effectief aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen.

Art. 242.

§ 1. Wanneer de belastingplichtige in België belastbare beroepsinkomsten heeft behaald of verkregen die tenmiste 75 pct. bedragen van het geheel van zijn in het belastbaar tijdperk behaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten, zijn de in artikel 104 vermelde bestedingen aftrekbaar van het totale bedrag van de in artikel 232 vermelde netto- inkomsten.

§ 1/1. De in artikel 104 vermelde bestedingen zijn eveneens aftrekbaar van het totale bedrag van de in artikel 232 vermelde netto- inkomsten voor zover en in de mate dat de belastingplichtige aan de hand van een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonstaat aantoont dat hij en, desgevallend, de echtgenoot van de belastingplichtige die aftrek in de woonstaat niet kan/kunnen genieten omwille van de geringe omvang van zijn, desgevallend hun, in die staat belastbare inkomsten en die aftrek niet kan worden overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk.
De in het eerste lid bedoelde aftrek wordt enkel toegepast indien ook aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

1° de belastingplichtige is een inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

2° de in artikel 232 vermelde netto- inkomsten van de belastingplichtige omvatten beroepsinkomsten;

3° de belastingplichtige behaalt niet het geheel of nagenoeg het geheel van zijn beroepsinkomsten in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
De Koning legt de inhoud en de vorm van de in het eerste lid bedoelde inkomensverklaring vast.

§ 2. De in de paragrafen 1 en 1/1 vermelde uitgaven zijn slechts aftrekbaar onder de in de artikelen 104 tot 106 bepaalde voorwaarden. 733

Art. 243. In gevallen vermeld in artikel 232 vinden de bepalingen van de artikelen 86 tot 89 geen toepassing en wordt de belasting berekend volgens de belastingschaal vermeld in artikel 130.
Op de overeenkomstig het vorige lid berekende belasting worden de verminderingen genoemd in de artikelen 146 tot 154 verleend binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in die artikelen en met inachtneming van het geheel van de binnenlandse en de buitenlandse inkomsten.
De artikelen 25/1, 27/1, 126 tot 129, 1451, 1°, 1° bis en 4°, 1452 tot 1453/1, 1457, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, §§ 2 en 3, 154bis, 157 tot 169, en 171 tot 178/1 zijn eveneens van toepassing, met dien verstande dat :
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 243, derde lid, inleidende zin, als volgt:
De artikelen 25/1, 27/1, 126 tot 129, 1451, 1°, 1° bis en 4°, 1452 tot 1453/1, 1457, 14526, § 5, 14527, § 4, 154bis, 157 tot 169, en 171 tot 178/1 zijn eveneens van toepassing, met dien verstande dat :

1° de in artikel 1451, 1°, en 1°bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3; 2° de in artikel 1451, 4°, bedoelde betalingen slechts in aanmerking worden genomen wanneer de vennootschap-werkgeefster tijdens het belastbare tijdperk aan de belastingplichtige bezoldigingen heeft betaald of toegekend die voor hem in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

3° voor de toepassing van artikel 154bis, enkel het overwerk waarvoor de bezoldigingen in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, in aanmerking wordt genomen;

4° voor de toepassing van artikel 178/1, de belastingverminderingen worden aangere- kend op de overeenkomstig de artikelen 130, 146 tot 154 en 169 bepaalde belasting;

5° voor de toepassing van de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, 157, 158, 165, 168/1 en 175, onder totale belasting wordt verstaan de overeenkomstig de artikelen 130, 1451, 1° et 4°, 1452, 1453, 1457, § 1, 146 tot 154bis, 169, en 171 tot 178/1, bepaalde belasting.
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 243, derde lid, 5°, als volgt:

5° voor de toepassing van de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 157, 158, 165, 168/1 en 175, onder totale belasting wordt verstaan de overeenkomstig de artikelen 130, 1451, 1° et 4°, 1452, 1453, 1457, § 1, 146 tot 154bis, 169, en 171 tot 178/1, bepaalde belasting.



735

Art. 243/1. Wanneer de belastingplichtige in België belastbare beroepsinkomsten heeft behaald of verkregen die ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van zijn in het belastbaar tijdperk behaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten, zijn, in afwijking van artikel 243, de artikelen 86 tot 89 van toepassing en wordt de belasting berekend overeenkomstig de artikelen 25/1, 27/1, 130 tot 14516, 14526, 14527, 14533, 14535, 146 tot 154bis, 157 tot 169, en 171 tot 178/1, met dien verstande dat: 1° voor de toepassing van de artikelen 86 tot 89 en 146 tot 154, het geheel van de binnenlandse en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen;

1°bis de in artikel 1451, 1°, en 1°bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

2° de artikelen 1451, 2°, wat de individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, en 1451, 3°, slechts van toepassing zijn wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor:
- een in België gelegen woning;
- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de eigen woning is van de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten; 2°bis de in artikel 1451, 4°, bedoelde betalingen slechts in aanmerking worden genomen wanneer de vennootschap-werkgeefster tijdens het belastbare tijdperk aan de belastingplichtige bezoldigingen heeft betaald of toegekend die voor hem in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

2°bis/1 …

2°ter voor de toepassing van de in artikel 154bis, bedoelde belastingvermindering enkel het overwerk waarvoor de bezoldigingen in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, in aanmerking worden genomen;

3° voor de toepassing van artikel 178/1, de belastingverminderingen worden aangere- kend op de overeenkomstig de artikelen 130 tot 145, 146 tot 154 en 169 bepaalde belasting;

4° voor de toepassing van de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, 157, 158, 165, 168/1 en 175 onder totale belasting wordt verstaan de overeenkomstig de artikelen 130 tot 1456, 1457, § 1, 1458 tot 14516, 14527, §§ 1 tot 3, 14533, 14535, 154bis, 169 en 171 tot 178/1 bepaalde belasting.
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 243/1, , 4°, als volgt:

4° voor de toepassing van de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 157, 158, 165, 168/1 en 175 onder totale belasting wordt verstaan de overeenkomstig de artikelen 130 tot 1456, 1457, § 1, 1458 tot 14516, 14527, §§ 1 tot 3, 14533, 14535, 154bis, 169 en 171 tot 178/1 bepaalde belasting.



737

Art. 244. Wanneer de belastingplichtige inwoner is van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in België belastbare beroepsinkomsten heeft behaald of verkregen die ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van zijn in het belastbaar tijdperk behaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten, wordt, in afwijking van de artikelen 243 en 243/1, de belasting berekend volgens de regels bepaald in titel II, hoofdstuk III en met de inachtneming van de artikelen 86 tot 89 en 126 tot 129, met dien verstande dat:

1° voor de toepassing van de artikelen 86 tot 89 en 146 tot 154 het geheel van de binnenlandse en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen;

1°bis de in artikel 1451, 1°, en 1° bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

2° de artikelen 1451, 2°, en 14539, eerste lid, 1°, wat de premies van individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, en de artikelen 1451, 3°, en 14539, eerste lid, 2°, slechts van toepassing zijn wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor:
- een in België gelegen woning;
- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de eigen woning is van de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten. 2°bis de in artikel 1451, 4°, bedoelde betalingen slechts in aanmerking worden genomen wanneer de vennootschap-werkgeefster tijdens het belastbare tijdperk aan de belastingplichtige bezoldigingen heeft betaald of toegekend die voor hem in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

2°bis/1 …;

2°ter voor de toepassing van de in artikel 154bis, bedoelde belastingvermindering enkel het overwerk waarvoor de bezoldigingen in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, in aanmerking worden genomen;

Art. 244bis. Voor de toepassing van de artikelen 243 tot 244 is er geen aanleiding tot een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten wanneer slechts één van de echtgenoten in België aan de belasting onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot binnenlandse beroepsinkomsten die bij overeenkomst zijn vrijgesteld of buitenlandse beroepsinkomsten heeft van meer dan 6.700 EUR.
De toeslagen voor personen ten laste die vermeld zijn in artikel 132, worden slechts verleend wanneer de aan de belasting onderworpen echtgenoot de meeste beroepsinkomen heeft. De toeslag vermeld in artikel 133, eerste lid, 1°, wordt niet verleend.
Artikel 174/1 is van toepassing op het in het eerste lid vermelde bedrag.

Art. 245. De belasting gevestigd ingevolge de artikelen 243 tot 244 wordt verhoogd met zes opcentiemen ten bate van de Staat, berekend: 1° wat de ingevolge de artikel 243 en 243/1 gevestigde belasting betreft: op de belasting vastgesteld :
- vóór toepassing van de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2 en 157 tot 168/1 vermelde vermeerderingen;
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 245, 1°, eerste streepje, als volgt:
- vóór toepassing van de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, en 157 tot 168/1 vermelde vermeerderingen;
- vóór verrekening van de in de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, vermelde belastingkredieten, de in de artikelen 175 tot 177 vermelde bonificatie, de in de artikelen 157 tot 168/1 en 175 tot 177 vermelde voorafbetalingen, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing en de belastingkredieten als vermeld in de artikelen 289bis, 289ter en 289ter/1;
- vóór toepassing van de in artikel 444 vermelde belastingverhogingen;

2° wat de ingevolge artikel 244 gevestigde belasting betreft: op de wijze als bepaald in artikel 466.
De Koning kan (1) bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen verhogen tot maximaal zeven opcentiemen.


(1) art. 80, KB/WIB 92. 740

Art. 246. In gevallen vermeld in artikel 233 :

1° onverminderd de toepassing van artikel 218, wordt de belasting berekend volgens de tarieven en regels bepaald in de artikelen 215, 217 en 217/1, met dien verstande dat, met betrekking tot de in dat artikel 215, tweede en derde lid, 4°, vastgestelde regels, alleen de winst vermeld in artikel 233, eerste lid, in aanmerking wordt genomen ;

2° wordt de afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, op verdoken meerwinsten en op de financiële voordelen of voordelen van alle aard bedoeld in artikel 233, tweede lid berekend tegen 100 pct., tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten of voordelen een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.;
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 246, eerste lid, 2°, als volgt :

2° wordt de afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2° quater, op verdoken meerwinsten en op de financiële voordelen of voordelen van alle aard bedoeld in artikel 233, tweede lid berekend tegen 100 pct., tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten of voordelen een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.;

3° wordt de afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, derde lid, berekend tegen het tarief bedoeld in artikel 219ter, § 3; 4° De afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, derde lid, wordt berekend volgens de regels van artikel 219ter.

5° De afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, vierde lid, wordt berekend volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies.
De belasting wordt berekend tegen het in artikel 217, eerste lid, 1°, bepaalde tarief, onverminderd de toepassing van artikel 218, in de volgende gevallen :
- in het in artikel 231, § 2, vierde lid vermelde geval;
- in het geval van een meerwaarde verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed door een in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige, bij de inbreng van een onroerende goed, in voorkomend geval naar aanleiding van een inbreng zoals bedoeld in artikel 231, § 3, in een door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten erkende beleggings- vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, gereglementeerde vastgoedvennootschap, Europese langetermijnbeleggingsinstelling of in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap voor zover ze genieten van de toepassing van het regime voorzien in artikel 185bis.
In afwijking van het eerste lid, wordt het tarief bepaald op 5 pct., met betrekking tot de kapitaal- en interestsubsidies die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatsteun, betaald worden aan landbouwers die belastingplichtigen zijn beoogd in artikel 227, 2°, door de bevoegde gewestelijke instellingen in het kader van de steun aan de landbouw met het oog op vestiging en/of immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen en tot stand te brengen. Het in het derde lid vermelde tarief geldt als de subsidies betrekking hebben op investeringen in materiële vaste activa of immateriële vaste activa die afschrijfbaar zijn en die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater.
Geen van de bij de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken noch enige compensatie voor het verlies van het belastbaar tijdperk mag worden verricht op de grondslag van de in het derde lid vermelde belasting.
In geval van vervreemding van een in het derde lid vermeld vast actief, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt het verlaagde tarief met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.

Art. 247. In gevallen vermeld in artikel 234 wordt de belasting berekend :

1° tegen het tarief van 20 pct. van de inkomsten vermeld in artikel 234, eerste lid, 1° en 2°;

2° tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, wat betreft de in artikel 234, eerste lid, 3°, bedoelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen, de in artikel 234, eerste lid, 5°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 234, eerste lid, 6° en 7°, bedoelde bedragen en de in artikel 234, eerste lid, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard;



Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), luidt artikel 247, 2°, als volgt :

2° tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, wat betreft de in artikel 234, eerste lid, 3°, bedoelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen, de in artikel 234, eerste lid, 5°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 234, eerste lid, 6° en 7°, bedoelde bedragen en de in artikel 234, eerste lid, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard en de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten;
Vanaf 1 januari 2027, luidt artikel 247, 2°, als volgt :

2° tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, wat betreft de in artikel 234, eerste lid, 3°, bedoelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen, de in artikel 234, eerste lid, 5°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, de in artikel 234, eerste lid, 6°, 7° en 9° bedoelde bedragen en de in artikel 234, eerste lid, 10°, bedoelde commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallig vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard, bedoelde bedragen en de in artikel 234, eerste lid, 8°, bedoelde kosten;



3° tegen het tarief van 100 pct. wat de in artikel 234, 4°, vermelde niet verantwoorde kosten, voordelen van alle aard en inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, en 5°, en financiële voordelen of voordelen van alle aard betreft, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten of voordelen een rechtspersoon, is in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.

Art. 248.

§ 1. De belasting betreffende de niet in de artikelen 232 tot 234 vermelde inkomsten, is gelijk aan de verschillende voorheffingen en aan de in artikel 301 vermelde bijzondere aanslag, die op die inkomsten betrekking hebben.
Met betrekking tot de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste lid eveneens van toepassing :

1° in afwijking van artikel 232 :
a) op de winst of de baten behaald of verkregen door vennoten of leden van een vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 229, § 3;
b) op de bezoldigingen verkregen uit hoofde van een werkzaamheid uitgeoefend aan boord van een zeeschip door een zeeman die geen inwoner is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en niet is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 1bis, eerste lid, 1°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij ; c) op de bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw, op voorwaarde dat de belastingplichtige en, desgevallend, zijn echtgenoot in het betrokken belastbare tijdperk geen andere in artikel 232, vermelde inkomsten heeft of hebben behaald of verkregen en de belastingplichtige aan zijn werkgever een door de fiscale administratie van zijn woonstaat uitgereikte woonplaatsverklaring heeft bezorgd;

2° op de inkomsten van onroerende goederen waarop artikel 232, tweede lid, van
Voor de toepassing van het tweede lid 1°, b), wordt onder een zeeschip een in artikel 1.1.1.3, § 1, 7°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek bedoeld zeeschip verstaan dat is ingericht voor het vervoer van goederen, lading of personen of het verlenen van bijstand op zee.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, c, wordt verstaan onder bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw:
- de bezoldigingen voor prestaties als gelegenheidswerker in de land- of tuinbouw als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
- de eindejaarspremie en de getrouwheids- premie die door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf worden toegekend aan de in het eerste streepje bedoelde gelegenheidswerkers; - de bezoldigingen voor prestaties als arbeider in de land- of tuinbouw ingevolge een contract van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal zes opeenvolgende kalenderweken onmiddellijk aansluitend op een tewerkstelling als gelegenheidsarbeider in de land- of tuinbouw bij dezelfde werkgever;
- het vakantiegeld dat betrekking heeft op de in het derde streepje bedoelde periode van aansluitende tewerkstelling.
De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt hoe op de in artikel 57 bedoelde fiche wordt vermeld dat de fiche bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw als bedoeld in het tweede lid, 1°, c, betreft.
De belastingplichtige bezorgt de in het tweede lid, 1°, c, bedoelde woonplaatsverklaring aan zijn werkgever uiterlijk op de dag van de eerste betaling door die werkgever van bezoldigingen van seizoenarbeiders in de land- of tuinbouw. De werkgever houdt dit document ter beschikking van de fiscale administratie. De minister bevoegd voor Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt hoe op de in artikel 57 bedoelde fiche wordt vermeld dat de woonplaatsverklaring aan de werkgever werd bezorgd.

§ 2. Evenwel kunnen de in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen die inkomsten verkrijgen als bedoeld in ofwel artikel 228, § 2, 8° en 9°, k, met uitsluiting van de in artikel 232, eerste lid, 2°, c, vermelde inkomsten, ofwel in artikel 229, § 3, ervoor opteren om § 1, eerste lid, niet toe te passen voor die inkomsten. Deze keuze is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige. In dat geval worden de voormelde inkomsten toegevoegd aan de artikel 232, eerste lid, 2°, vermelde inkomsten om het netto- bedrag te bepalen en de belasting te berekenen. De in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen die bezoldigingen hebben verkregen als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, c, en inwoners zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kunnen ervoor opteren om paragraaf 1, eerste lid, niet toe te passen.

§ 3. De in artikel 227 beoogde belastingplichtigen die inkomsten verkrijgen zoals bedoeld in artikel 228, § 3, kunnen er ook voor opteren om § 1 niet op die inkomsten toe te passen. Die keuze is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige. In dat geval worden voormelde inkomsten toegevoegd aan de, naargelang het geval, in artikel 232, 233 of 234 bedoelde inkomsten om het netto bedrag te bepalen en de belasting te berekenen.
Toepassing van de gewestelijke belastingregels

Art. 248/1. Om rekening te houden met de gewestelijke belastingregels wordt een in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtige in wiens hoofde de belasting overeenkomstig artikel 244 wordt berekend, in een gewest gelokaliseerd overeenkomstig de artikelen 248/2 en 248/3.

Art. 248/2.

§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in artikel 227, 1° bedoelde niet- inwoners in één enkel gewest gelokaliseerd.
Enkel de in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeen- komstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, worden in aanmerking genomen voor de

§ 2. Om een niet-inwoner in een gewest te lokaliseren, worden achtereenvolgens de volgende regels toegepast: 1° wanneer de niet-inwoner zijn in België belastbare beroepsinkomen in een enkel gewest heeft behaald, wordt hij geacht in dat gewest gelokaliseerd te zijn;

2° wanneer de niet-inwoner zijn in België belastbare beroepsinkomen in meer dan één gewest heeft behaald, wordt hij geacht gelokaliseerd te zijn in het gewest waar het hoogste netto beroepsinkomen – berekend op twee decimalen – werd behaald;

3° wanneer de niet-inwoner zijn in België belastbare beroepsinkomen in meer dan één gewest heeft behaald en hij ofwel in elk gewest een gelijk netto beroepsinkomen heeft behaald – berekend op twee decimalen –, ofwel in twee gewesten een gelijk hoogste netto beroepsinkomen heeft behaald, wordt hij geacht gelokaliseerd te zijn in het gewest waar het hoogste aantal effectief gewerkte dagen werd gepresteerd;

4° wanneer de niet-inwoner in meer dan één gewest een gelijk hoogste netto beroepsinkomen heeft behaald en in elk van die gewesten een gelijk aantal effectief gewerkte dagen heeft gepresteerd, wordt hij geacht gelokaliseerd te zijn in het gewest waarin hij het vorige belastbaar tijdperk was gelokaliseerd.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder netto-beroepsinkomen verstaan het beroepsinkomen na aftrek van de beroepskosten en vóór toepassing van de economische vrijstellingen en de aftrek van beroepsverliezen.

§ 3. In geval van een gemeenschappelijke aanslag: 1° worden beide echtgenoten in hetzelfde gewest gelokaliseerd;

2° worden voor de toepassing van § 2, eerste lid, 1° en 2°, de netto beroepsinkomsten van beide echtgenoten samengeteld; 3° worden voor de toepassing van § 2, eerste lid, 3°, de effectief gepresteerde dagen van beide echtgenoten samengeteld.

Art. 248/3.

§ 1. Om te bepalen in welk gewest een beroepsinkomen werd behaald, worden de in paragraaf 2 vermelde regels toegepast.

§ 2. Bezoldigingen van werknemers, andere dan vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, worden geacht te zijn behaald: 1° wat de bezoldigingen van een werknemer die het belangrijkste van zijn verplichtingen ten aanzien van zijn werkgever op eenzelfde plaats van tewerkstelling in België vervult, betreft, in het gewest waar die gewoonlijke plaats van tewerkstelling is gelegen.
Een werknemer die zijn beroepswerkzaamheid uitoefent aan boord van een transportmiddel dat wordt geëxploiteerd in het nationaal of internationaal transport, wordt geacht zijn gewoonlijke plaats van tewerkstelling te hebben op de plaats in België waar hij in de regel een dienstperiode of een reeks van dienstperiodes aanvangt en beëindigt;

2° wat de bezoldigingen van een werknemer die geen gewoonlijke plaats van tewerkstelling heeft in de zin van het 1° betreft: in het gewest waar de vestiging van de werkgever is gelegen waar of van waaruit hij zijn instructies ontvangt;

3° wat de niet bij toepassing van het 1° en 2° lokaliseerbare bezoldigingen betreft:
- in het gewest waar de beroepswerkzaamheid effectief werd uitgeoefend, indien de beroepswerkzaamheid in België wordt uitgeoefend;
- in het gewest waar de werkgever is gevestigd, in de andere gevallen. Bezoldigingen van bedrijfsleiders, andere dan vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, worden geacht te zijn behaald:

1° wat de beloningen die zijn verkregen voor de uitoefening van een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of soortgelijke functies betreft, in het gewest waar de rechtspersoon is gevestigd;

2° wat de andere beloningen betreft, in het gewest dat wordt bepaald overeenkomstig de in het eerste lid vermelde regels voor bezoldigingen van werknemers.
Winst, andere dan vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke winstderving, wordt geacht te zijn behaald: 1° in het gewest waar de Belgische inrichting is gelegen waaraan de winst kan worden toegekend;

2° wat de inkomsten uit de verhuring of vervreemding van een onroerend goed of uit de vestiging of overdracht van zakelijke rechten op een onroerend goed die niet aan een Belgische inrichting kunnen worden toegekend betreft, in het gewest waar het onroerend goed is gelegen;

3° wat de winst die voortkomt uit de hoedanigheid van vennoot in een vennootschap, een samenwerkingsverband of een vereniging die bij toepassing van artikel 29, § 2, wordt geacht een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid te zijn, betreft, in het gewest waar de zetel van de vennootschap, het samenwerkingsverband of de vereniging is gevestigd.
Baten, andere dan vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van baten, worden geacht te zijn behaald: 1° in het gewest waar de inrichting is gelegen waaraan de baten kunnen worden toegekend; 2° wat de niet overeenkomstig het 1° lokaliseerbare inkomsten betreft, in het gewest waar de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend.
Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid worden geacht te zijn behaald in het gewest dat wordt bepaald overeenkomstig de regels voor winst of baten, naargelang het geval.
Bezoldigingen van meewerkende echtgenoten worden geacht te zijn behaald in het gewest waar de toekennende echtgenoot winst of baten behaalt.
Vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten worden geacht te zijn behaald: 1° wat de vergoedingen die door een gewest worden toegekend betreft, in het gewest dat de vergoeding toekent;

2° wat de andere vergoedingen betreft:
- in het gewest waar de inkomsten uit de beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan de vergoedingen worden uitgekeerd, overeenkomstig de regels die zijn omschreven in de vorige leden, laatst werden behaald;
- in het gewest waar de schuldenaar van de vergoedingen is gevestigd, wanneer de vergoedingen niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid worden uitgekeerd.
Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen worden geacht te zijn behaald: 1° in het gewest waar, overeenkomstig de regels die zijn omschreven in de vorige leden, het hoogste netto beroepsinkomen werd behaald of, in geval van toepassing van artikel 248/2, § 2, eerste lid, 3°, het hoogste aantal effectief gewerkte dagen werd gepresteerd, in het belastbaar tijdperk voorafgaand aan het belastbaar tijdperk van de pensionering of de vaststelling van de bestendige arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige;

2° onder voorbehoud van het 1°, in het gewest waar, overeenkomstig de regels die zijn omschreven in de vorige leden, de beroepsinkomsten die de pensioenrechten hebben doen ontstaan werden behaald;

3° onder voorbehoud van het 1° en 2°, in het gewest waar de schuldenaar van het pensioen is gevestigd, wanneer:
- de beroepsinkomsten die de pensioenrechten hebben doen ontstaan, geen verband houden met een in België uitgeoefende beroepswerkzaamheid;
- niet kan worden aangetoond in welk gewest de beroepsinkomsten die de pensioenrechten hebben doen ontstaan, werden behaald;
- het pensioen geen verband houdt met het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid.
De in artikel 228, § 3, vermelde inkomsten worden geacht te zijn behaald in het gewest waar de schuldenaar van de inkomsten is gevestigd. BELASTINGEN GEMENE BEPALINGEN.

Art. 249. De belasting wordt geheven bij wijze van voorheffingen, volgens het onderscheid en op de wijze hierna aangegeven, in zover zij betrekking heeft op inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, op inkomsten van roerende goederen en kapitalen, op beroepsinkomsten of op diverse inkomsten.
Deze voorheffingen worden onder- scheidenlijk door de volgende uitdrukkingen aangeduid : onroerende voorheffing, roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.1.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wat de onroerende voorheffing betreft (BS 23 december 2013) van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 250. De Koning bepaalt (1) de wijze van storting van de roerende voorheffing en de bedrijfs- voorheffing.


(1) art. 83 tot 95 en 137 tot 144, KB/WIB 92. 754

Art. 251. De onroerende voorheffing is verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen, volgens de regels bepaald door de Koning (1).


(1) art. 128 tot 136, KB/WIB 92.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 251, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 253. Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld : 1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen ;

2° van de in artikel 231, § 1, 1°, vermelde onroerende goederen ;

3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt ; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 253, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, zijn de artikelen 2.1.6.0.1. en 2.1.6.0.2. van dezelfde Codex van
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 254. Het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd naar het jaar waarvan de inkomsten als grondslag van die voorheffing dienen. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 254, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST

Art. 255. De onroerende voorheffing bedraagt 1,25 pct. van het kadastraal inkomen, zoals dit is vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar.
Zij bedraagt 0,8 pct. voor woningen toebehorend aan bouwmaatschappijen die door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting of door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas zijn erkend, voor eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn of aan gemeenten toebehoren, zomede voor eigendommen die aan de Nationale Landmaatschappij of aan door haar erkende maatschappijen toebehoren en als sociale woningen worden verhuurd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 757 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 255, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, zijn de artikelen 2.1.3.0.1. en 2.1.4.0.1. van dezelfde Codex van
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 256. Voor de vestiging van de onroerende voorheffing wordt geen rekening gehouden met verminderingen ingevolge artikel 15.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 256, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.3.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 257. Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend : 1° een vermindering van een vierde van de onroerende voorheffing in verband met de door de belastingplichtige volledig betrokken woning, wanneer het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke in België gelegen onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 EUR.
Die vermindering wordt op 50 pct. gebracht voor een tijdperk van 5 jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, voor zover het een woning betreft die de belastingplichtige heeft doen bouwen of nieuwgebouwd heeft aangekocht, zonder het voordeel van een in de desbetreffende wetgeving bepaalde bouw- of aankooppremie ;

2° een vermindering van de onroerende voorheffing in verband met de woning die wordt betrokken door een groot- oorlogsverminkte die het voordeel geniet van de wet van 13 mei 1929 of van artikel 13 van de wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948, of door een in de zin van artikel 135, eerste lid, 1°, gehandicapte persoon.
Die vermindering bedraagt 20 pct. voor een groot-oorlogsverminkte en 10 pct. voor een gehandicapte persoon ;

3° een vermindering van onroerende voorheffing in verband met het onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met ten minste twee kinderen in leven of met een in de zin van artikel 135, eerste lid, gehandicapte persoon.
Die vermindering bedraagt 10 pct. voor ieder niet gehandicapt kind ten laste en 20 pct. voor iedere gehandicapte persoon ten laste, met inbegrip van de echtgenoot.
Een kind dat gedurende de veldtochten 1914-1918 of 1940-1945 als militair, weerstander, politiek gevangene of burgerlijk oorlogsslachtoffer overleden of vermist is, wordt meegerekend alsof het in leven was ; 4° kwijtschelding of proportionele verminde- ring van de onroerende voorheffing voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 257, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, zijn de artikelen 2.1.5.0.1.en 2.1.5.0.2., van dezelfde Codex van
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 1.1.0.0.2., tweede lid, van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 258. De verminderingen ingevolge artikel 257, 1° tot 3° worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd, en mogen worden samengevoegd. Deze verminderingen mogen slechts slaan op één enkel, eventueel door de betrokkene aan te wijzen onroerend goed ; zij worden niet verleend voor het gedeelte van de woning dat voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, wanneer het gedeelte van het inkomen dat erop betrekking heeft meer bedraagt dan een vierde van het kadastraal inkomen van de volledige woning.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 258, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.5.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 259. De verminderingen ingevolge artikel 257, 2° en 3° zijn van de huur aftrekbaar niettegenstaande elk hiermee strijdig beding ; zij zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die niet tot het gezin van de betrokken groot-oorlogsverminkte, van de gehandicapte of van het betrokken gezinshoofd behoren. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 259, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.5.0.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 260. Wanneer de in artikel 257, 1°, vermelde grens van 745 EUR wordt overschreden, blijft de vermindering van één vierde ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang :

1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken ;

2° het overschrijden van de grens van 745 EUR uitsluitend het gevolg is van de algemene perekwatie van de kadastrale inkomens van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1980 ;

3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 EUR.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN 762 A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 260, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.5.0.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 260bis. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 260bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.5.0.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 763 Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 260ter. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 260ter, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.5.0.7. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
voorheffing.

Art. 261. De roerende voorheffing is verschuldigd :

1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instel- lingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, eerste lid, 14°, bedoelde inkomstenschijf, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° of 11°, andere dan deze bedoeld in het tweede lid, verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° tot 4°, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, worden aangerekend ; 2° door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze tussen beide komen bij de uitbetaling van inkomsten uit kapitalen en roerende goederen van buitenlandse oorsprong, met inbegrip van de in artikel 21, eerste lid, 14°, bedoelde inkomstenschijf, van inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, of van inkomsten als bedoeld in het tweede lid, tenzij :
a) hen wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden ;
b) ze bewijzen dat die inkomsten zijn betaald aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling ;
c) ze de hoedanigheid hebben van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffenings-instelling die de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan de inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, alsmede in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, bedoelde inkomsten betaalt aan een in het vierde lid bedoelde in het buitenland gevestigde onderneming ;

2°bis In afwijking op de bepalingen onder 1° en het 2°, wat de interesten bedoeld in artikel 19bis betreft, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ;

2°ter … 3° door beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die zijn erkend door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten om één of meerdere in artikel 271/9 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen bedoelde fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze gemeenschappelijke beleggingsfondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten ;

4° door rijksinwoners, binnenlandse vennoot- schappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, verschuldigd zijn.
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 261, eerste lid, 4°, als volgt :

4° door rijksinwoners, binnenlandse vennoot- schappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° en 6°, verschuldigd zijn.



De van het eerste lid, 1°, uitgesloten inkomsten, zijn inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan dividenden, zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschaps-belasting of de rechtspersonenbelasting, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt en wanneer ze door de schuldenaar niet rechtstreeks aan de verkrijger van de inkomsten worden betaald.
Met betrekking tot de interest van leningen van financiële instrumenten en de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten die worden betaald in uitvoering van een lening betreffende financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, is, in afwijking van het eerste lid, de schuldenaar van de roerende voorheffing welke deze voorheffing op de belastbare inkomsten moet inhouden niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, de beheerder van het erkend gecentraliseerd systeem. Onder "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" wordt verstaan een systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van effecten te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor effecten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b, van de wet van 28. april 1999 houdende omzetting van de richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet, erkend door de minister van Financiën of zijn gedelegeerde. De Koning bepaalt (1) de erkenningsvoorwaarden waaraan het systeem moet voldoen en de periode tijdens dewelke de erkenning kan worden verleend.


(1) art. 735 tot 7312, KB/WIB 92. De in het eerste lid, 2°, c), bedoelde in het buitenland gevestigde ondernemingen zijn :

1° de kredietinstellingen ;

2° de financiële tussenpersonen zoals gedefinieerd in artikel 2, 9°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten ;

3° de verrekeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 16°, van de wet van 2 augustus 2002 ;

4° de vereffeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 ;

5° de ondernemingen wiens waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het beheer van vermogens, het adviseren bij het beheer van vermogens of uit de bewaarneming en het beheer van financiële instrumenten, alsmede de ondernemingen die uit hoofde van de wetgeving waaraan ze zijn onderworpen, gemachtigd zijn een van die activiteiten uit te oefenen.
Vanaf 29 juli 2025, wordt in artikel 261, tussen het vierde en vijfde lid, een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidend als volgt :
Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, wordt:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige; b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest betaalt of toekent.
Behoudens in het geval bedoeld in artikel 268, moeten de in het eerste lid vermelde belastingplichtigen :
- de roerende voorheffing inhouden op de belastbare inkomsten die in geld zijn toegekend of betaalbaar gesteld ;
- zich, op welke manier ook, het bedrag van de verschuldigde roerende voorheffing op die inkomsten doen overhandigen in geval van toekenning of betaalbaarstelling onder de vorm van goederen in natura.

Art. 262.

§ 1. De roerende voorheffing is verschuldigd door aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen die inkomsten van kapitalen en roerende goederen en in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, bedoelde inkomsten verkrijgen waarbij die inkomsten ofwel zijn toegekend of betaalbaar gesteld, als het gaat om inkomsten van Belgische oorsprong, ofwel zijn geïnd of verkregen in België, als het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong:
- zonder enige inhouding of storting van roerende voorheffing en dit overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen;
- en in zoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een roerende voorheffing verschuldigd is. § 2. In afwijking van artikel 261 is de roerende voorheffing over de volgende inkomsten verschuldigd door de verkrijger daarvan:

1° in zoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een roerende voorheffing verschuldigd is, inkomsten van kapitalen en roerende goederen en in artikel 90, 6° en 11°, bedoelde inkomsten, van buitenlandse oorsprong die zijn verkregen door aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen waarbij die inkomsten zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon in het buitenland zijn geïnd of verkregen;

2° inkomsten van verhuring van roerende goederen die voortkomen uit de verhuring van stofferende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen, inkomsten uit onderverhuring, overdracht van een huurceel en concessie van een gebruiksrecht als vermeld in artikel 90, 5°, en opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, indien die inkomsten worden verkregen door rechtspersonen als vermeld in artikel 220 of door niet-inwoners;

3° inkomsten van roerende goederen en kapitalen, loten van effecten van leningen en de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten, waarvan de voorheffing ten onrechte aan de verkrijger van de inkomsten is terugbetaald of die ofwel op grond van een onjuiste verklaring, ofwel op collectieve of individuele spaarrekeningen die niet voldoen aan de vereisten van artikel 21, eerste lid, 8°, onrechtmatig met vrijstelling van voorheffing zijn verkregen;

4° in artikel 19, § 1, eerste lid, 4°, bedoelde inkomsten, wanneer ze van buitenlandse oorsprong zijn, evenals de inkomsten van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong, verkregen door aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen, indien de rentegevende effecten vóór de vervaldag van de inkomsten worden vervreemd; 5° de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen van buitenlandse oorsprong, de inkomsten van buitenlandse oorsprong bedoeld in artikel 90, 6° en 11°, of de inkomsten bedoeld in artikel 261, tweede lid :
- die op grond van artikel 261, eerste lid, 2°, b), in België werden geïnd of verkregen zonder enige inhouding van roerende voorheffing, of
- die op grond van artikel 261, eerste lid, 2°, c), werden verkregen door de vaste inrichting in het buitenland van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling;

6° dividenden van buitenlandse oorsprong die zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon in het buitenland zijn geïnd of verkregen door een in België gevestigde belastingplichtige waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen.

Art. 263. De Koning kan bijzondere maatregelen nemen om de betaling te waarborgen van de roerende voorheffing op inkomsten van vreemde waarden, van schuldvorderingen op of van gelddeposito's in het buitenland, op de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong, alsook op in artikel 267, derde lid, vermelde inkomsten.
Hij regelt de uitvoering van artikel 262, § 2, 3°, in geval van het onrechtmatig met vrijstelling van voorheffing verkrijgen van inkomsten op collectieve of individuele spaarrekeningen die niet voldoen aan de vereisten van artikel 21, 8°, en bepaalt de gegevens die de instellingen en ondernemingen, die gerechtigd zijn dergelijke rekeningen te openen, daartoe moeten verstrekken. de voorheffing.

Art. 264. De roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van dividenden :

1° dat wordt verleend of toegekend aan de Staat, de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten, gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

2° dat, in geval van fusie, splitsing, met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 211, § 1 :
- in artikel 210, § 1, 1° en 1°bis wordt bedoeld, wanneer de inbreng niet volledig wordt vergoed met nieuwe aandelen als bedoeld in artikel 211, § 2, derde lid, omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap ;
- in artikel 186 wordt vermeld, wanneer de overnemende of verkrijgende vennootschappen onder algemene eigen aandelen verkrijgen ;

2°bis dat in artikel 186 wordt vermeld, wanneer een vennootschap eigen aandelen verkrijgt die zijn toegelaten tot een Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 2, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, of tot een door de Koning(1), op advies van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, voor de toepassing van dit artikel daarmee erkende gelijkgestelde andere gereglementeerde markt, voor zover de verhandeling plaatsvindt op de centrale beursmarkt van Euronext of op een analoge markt ; 772 ------------------------------ (1) art. 101bis en 101ter, KB/WIB 92.

2°ter dat wordt verleend of toegekend bij gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door een overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende coöperatieve vennootschap ;

2°quater dat wordt geacht toegekend te zijn ingevolge de erkenning door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, zoals bedoeld in artikel 210, § 1, 5°, of ingevolge de inschrijving bij de FOD Financiën als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds zoals bedoeld in artikel 210, § 1, 6° ;

3° dat, in geval van opneming van gereserveerde winst, gelijk is :
a) aan de bedragen die van de gereserveerde winst zijn afgetrokken als definitief belaste reserves, aangelegd tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige ;
b) aan de winst die vroeger ten name van de vennoten is belast;
c) aan de winst die voorheen werd belast ten belope van de in artikel 18, § 1, eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde bedragen, die overeenkomstig het tweede tot zesde lid van hetzelfde artikel op de gereserveerde winst werden aangerekend. 4° dat wordt verleend of toegekend aan een rijksinwoner door een vennootschap waarvan de aandelen zijn opgenomen in de notering aan een effectenbeurs van een lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de Richtlijn 2001/34/EG van 28 mei 2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, of van een derde Staat waarvan de wetgeving minstens gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, onder de vorm van in de notering aan een voormelde effectenbeurs opgenomen aandelen van een nieuw opgerichte vennootschap of een bestaande vennootschap die de uitkerende vennootschap heeft verkregen in ruil voor de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid, voor zover de inbreng en de verkrijging van de aandelen het onderwerp uitmaken van een en dezelfde herstructureringsverrichting die plaatsvindt in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat dit akkoord of deze overeenkomst, of een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument waaraan deze Staat met België deelneemt, de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk maakt, en in die Staat als belastingneutraal of vrijgesteld van belasting wordt beschouwd.
Vanaf 25 november 2025, luidt artikel 264, eerste lid, 4°, als volgt : 4° dat wordt verleend of toegekend aan een rijksinwoner door een vennootschap waarvan de aandelen zijn opgenomen in de notering aan een effectenbeurs van een lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de Richtlijn 2001/34/EG van 28 mei 2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, of van een derde Staat waarvan de wetgeving minstens gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, onder de vorm van in de notering aan een voormelde effectenbeurs opgenomen aandelen van een nieuw opgerichte vennootschap of een bestaande vennootschap die de uitkerende vennootschap heeft verkregen in ruil voor de inbreng van een bedrijfstak, voor zover de inbreng en de verkrijging van de aandelen het onderwerp uitmaken van een en dezelfde herstructureringsverrichting die plaatsvindt in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat dit akkoord of deze overeenkomst, of een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument waaraan deze Staat met België deelneemt, de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk maakt, en in die Staat als belastingneutraal of vrijgesteld van belasting wordt beschouwd.
Het eerste lid, 3°, c, is niet van toepassing op de in artikel 18, eerste lid, 2° ter, bedoelde bedragen.
Voor de toepassing van de in het eerste lid, 3°, c, bedoelde vrijstelling worden de opnemingen van gereserveerde winsten geacht bij voorrang voort te komen uit de gereserveerde winsten die niet het onderwerp hebben uitgemaakt van zulke aanrekening. Voor de toepassing van deze bepaling stelt de Koning (1) de volgorde vast voor het aanrekenen van die opnemingen op de verschillende bestanddelen van de gereserveerde winst.


(1) art. 102 tot 104, KB/WIB 92.

Art. 264/1.

§ 1. De roerende voorheffing is niet verschuldigd op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde dividenden waarvan de schuldenaar een binnenlandse vennootschap is en waarvan de verkrijger een vennootschap is die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.
Dit artikel is evenwel slechts van toepassing indien op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde dividenden de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt en deze deelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom wordt of werd behouden.
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 264/1, § 1, tweede lid, als volgt : Dit artikel is evenwel slechts van toepassing indien op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde dividenden de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft en deze deelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom wordt of werd behouden.
Dit artikel is slechts van toepassing in de mate dat de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, niet zou kunnen worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijger.
Dit artikel is slechts van toepassing indien de schuldenaar en de verkrijger vennootschappen zijn die : - een rechtsvorm hebben die in de bijlage I,
november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochter- ondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd met dien verstande dat met betrekking tot vennootschappen naar Belgisch recht, bedoeld onder punt b, de verwijzingen naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", naar "coöperatieve vennootschap met beperkte aansprake- lijkheid" en "coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid" en naar de "gewone commanditaire vennootschap" ook moeten worden begrepen als verwijzend naar respectievelijk de "besloten vennootschap", de "coöperatieve vennootschap" en de "commanditaire vennootschap" of een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met de rechtsvormen die zijn genoemd in die bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door het recht van een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
- zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.

§ 2. De vrijstelling wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de dividenden in het bezit is van een attest dat bevestigt : 1° dat de verkrijger een rechtsvorm heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochter- ondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd met dien verstande dat met betrekking tot vennootschappen naar Belgisch recht, bedoeld onder punt b, de verwijzingen naar "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", naar "coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" en "coöperatieve ven- nootschap met onbeperkte aansprakelijk- heid" en naar de "gewone commanditaire vennootschap" ook moeten worden begrepen als verwijzend naar respectievelijk de "besloten vennootschap", de "coöperatieve vennootschap" en de "commanditaire vennootschap" of een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met de rechtsvorm die zijn genoemd in die bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door het recht van een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;

2° dat de verkrijger onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht;

3° dat de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffings- waarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt;
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 264/1, § 2, 3°, als volgt : 3° dat de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffings- waarde ten minste 2.500.000 euro bedraagt die, indien deze verkrijger geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft;

4° dat de dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden;

5° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde dividend;

6° wat de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer van de verkrijgende vennootschap is.

Art. 264/2.

§ 1. De roerende voorheffing is niet verschuldigd op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde dividenden waarvan de schuldenaar een Europese langetermijnbeleggingsinstelling is en waarvan de verkrijger een vennootschap is die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten. Dit artikel is evenwel slechts van toepassing voor zover de inkomsten uitgekeerd door de schuldenaar afkomstig zijn van dividenden die zelf voldoen aan de voorwaarden voor aftrek bedoeld in artikel 203, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, of van meerwaarden op aandelen of rechten van deelneming die op grond van artikel 192, § 1, voor vrijstelling in aanmerking komen. Dit artikel is slechts van toepassing in de mate dat de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, niet zou kunnen worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijger.
Dit artikel is slechts van toepassing indien de verkrijger een vennootschap is die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.

§ 2. De vrijstelling wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de dividenden een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd:

1° dat de verkrijger onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht;

2° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde dividend;

3° wat de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer van de verkrijgende vennootschap is.

Art. 264bis. 781 Wanneer een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling, aan een niet in artikel 261, vierde lid, bedoelde tussenpersoon in artikel 230, eerste lid, 2°, a) of b), bedoelde inkomsten betaalt, is de roerende voorheffing op deze inkomsten niet verschuldigd mits de laatstgenoemde tussenpersoon hem een attest bezorgt waarin wordt bevestigd dat de verkrijgers :
- in artikel 227 bedoelde niet inwoners zijn ;
- de kapitalen en financiële instrumenten die de inkomsten voortbrengen, niet hebben aangewend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in België ;
- volle eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de kapitalen en financiële instrumenten die de inkomsten voortbrengen.

Art. 265. Evenmin is roerende voorheffing verschuldigd op inkomsten die zijn verleend of toegekend :

1° aan de Staat uit hoofde van financiële beheersverrichtingen verwezenlijkt in het algemeen belang van de Schatkist of voortvloeiend uit de vorming van onmiddellijk beschikbare gelden om het hoofd te bieden aan de kastekorten, wegens de onmogelijkheid toegang te verkrijgen tot de geldmarkt door middel van dagelijkse uitgiften van schatkistcertificaten ;

2° aan de vennootschappen bedoeld in artikel 261, eerste lid, 3°, met betrekking tot de activa die behoren tot de beleggingsfondsen waarvan zij het beheer verzorgen ;

3° op de inkomsten bedoeld in artikel 19bis wanneer die worden betaald of toegekend aan belastingplichtigen andere dan diegenen onderworpen aan de personenbelasting; 4° door een gemeenschappelijk beleggings- fonds aan zijn deelnemers in de mate dat deze inkomsten voortkomen uit inkomsten als bedoeld in de artikelen 18, 19 en 19bis, en voor zover de beheersvennootschap van instellingen voor collectieve beleggingen voldaan heeft aan de verplichting van artikel 321bis.
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 265, eerste lid, 4°, als volgt :

4° door een gemeenschappelijk beleggings- fonds aan zijn deelnemers in de mate dat deze inkomsten voortkomen uit inkomsten als bedoeld in de artikelen 18, 19, 19bis en 19quater, en voor zover de beheersvennootschap van instellingen voor collectieve beleggingen voldaan heeft aan de verplichting van artikel 321bis.

5° …
Vanaf 29 juli 2025, wordt artikel 265, eerste lid, 5°, hersteld als volgt :

5° op inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 6°, wanneer die worden toegekend aan belastingplichtigen andere dan diegenen onderworpen aan de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners op grond van artikel 227, 1°.
De roerende voorheffing is evenmin verschuldigd :

1° op de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong waarvan de verkrijger een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige onderworpen aan de belasting op de niet- inwoners overeenkomstig artikel 233 ; 2° op de interesten van leningen van buitenlandse financiële instrumenten of op de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, die zijn betaald in uitvoering van een lening met betrekking tot die financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door middel van een in artikel 261, derde lid, bedoeld erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten.

3° op de interesten :
- die worden verleend of toegekend door een verzekeringsonderneming aan een lokaal bestuur in het kader van artikel 5, §§ 1, 2 en 5, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigings- bepalingen, en onderworpen aan de rechtspersonenbelasting ;
- en die worden voortgebracht door kapitalen die zijn bestemd voor toekomstige pensioenuitkeringen, voorzover :
a) in hoofde van de verzekerings- onderneming, het voorwerp van de afgesloten overeenkomst louter bestaat uit het inzamelen, het centraliseren, het kapita- liseren en het verdelen van de fondsen die uitsluitend bestemd zijn voor de dekking van toekomstige lasten inzake wettelijke pensioenen als bedoeld in de artikelen 16 en 20 van de genoemde wet van 24 oktober 2011 ; b) de kapitalen die door het voornoemd lokaal bestuur zijn geïnvesteerd, bestemd zijn om de lasten te dekken met betrekking tot de wettelijke pensioenen door middel van een storting vanwege de verzekeringsonderneming :
1. ofwel rechtstreeks aan de gewezen werknemers van het betrokken lokaal bestuur of aan hun rechthebbenden ;
2. ofwel onrechtstreeks door tussenkomst van het voornoemd lokaal bestuur aan een instelling voor sociale zekerheid belast met de betaling van de voormelde wettelijke pensioenen ;
c) de sommen die aan de gepensioneerden of hun recht- hebbenden worden gestort, beroepsinkomsten zijn als bedoeld in artikel 23, § 1, 5° ;
d) op het tijdstip van de toekenning of de betaal- baarstelling van de interesten, de verzekeringsonderneming in het bezit wordt gesteld van een attest uitgereikt door het lokaal bestuur dat bevestigt dat aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan, en dat ter beschikking van de administratie wordt gehouden. 785

Art. 266. De Koning kan (1), onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt, geheel of ten dele afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten, indien het verkrijgers betreft van wie de identiteit kan worden vastgesteld of door collectieve beleggings-instellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld, of effecten aan toonder en gedematerialiseerde effecten waarvan de inkomsten begrepen zijn in één van de volgende categorieën :

1° inkomsten van vóór 1 december 1962 uitgegeven effecten die wettelijk van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen zijn vrijgesteld of aan belastingen zijn onderworpen tegen een aanslagvoet van minder dan 21 pct. ;

2° inkomsten uit certificaten van Belgische instellingen voor collectieve belegging ;

3° uitgiftepremies met betrekking tot obligaties, kasbons of andere effecten van leningen uitgegeven vanaf 1 december 1962.
In geen geval kan hij afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten :

1° van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd, behalve indien de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die hij definieert ;

2° van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven voor een looptijd van ten minste één jaar met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest, behalve indien de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die hij definieert ; 3° uit vastgoedcertificaten, voor wat de toekenningen of betaalbaarstellingen van inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verwezenlijking van het onderliggend onroerend goed.

4° …
Het tweede lid is niet van toepassing op effecten voortgekomen uit de splitsing van lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat.


(1) art. 105 tot 119, KB/WIB 92.
De in het eerste lid bedoelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing kan geen uitwerking hebben op dividenden die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de administratie, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, heeft aangetoond, tenzij bewijs van het tegendeel, dat deze handeling of dit geheel van handelingen kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de aftrek op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde inkomsten, de in het eerste lid bedoelde verzaking op deze inkomsten of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU in een andere lidstaat van de Europese Unie te verkrijgen. Een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen wordt als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het feit dat een verkrijger van dividenden waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, de effecten waaruit de dividenden voortkomen niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste 60 dagen in volle eigendom heeft behouden, vormt een weerlegbaar vermoeden dat de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen waarmee de dividenden verbonden zijn, kunstmatig is. voorheffing.

Art. 267. De toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten, in geld of in natura, brengt de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede.
Als toekenning wordt inzonderheid beschouwd : de inschrijving van een inkomen op een ten bate van de verkrijger geopende rekening, zelfs als die rekening onbeschikbaar is, mits de onbeschikbaarheid het gevolg is van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst met de verkrijger.
De toekenning of de betaalbaarstelling van inkomsten door een in artikel 265, eerste lid, 2°, vermeld fonds voor belegging in schuldvorderingen, brengt eveneens de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede, voor zover die inkomsten voortkomen uit inkomsten als vermeld in artikel 17.
Inkomsten van gelddeposito's worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het tijdperk waarop ze betrekking hebben.
De renten van geldsommen gedeponeerd bij de Deposito- en Consignatiekas worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van de maand van terugbetaling.
Inkomsten waarop de roerende voorheffing door de verkrijger is verschuldigd ingevolge artikel 262, § 1 en § 2, 1° tot 4°, worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin zij door de verkrijger zijn verkregen.
Als toekenning wordt eveneens aangemerkt, de verwerving van inkomsten uit de vervreemding van aandelen van buitenlandse beleggings-vennootschappen onder de in artikel 19, § 1, eerste lid, 4°, gestelde voorwaarden.
… voorheffing.

Art. 268. De roerende voorheffing die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten, wordt aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de roerende voorheffing.

Art. 269.

§ 1. De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld :

1° op 30 pct. voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen, andere dan deze bedoeld in de bepalingen onder onder 2° tot 4° en 8°, alsmede voor in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten ;

2° op 15 pct. voor de inkomsten uit in artikel 21, eerste lid, 5°, bedoelde spaardeposito's, en in zoverre zij, wat de inkomsten betaald of toegekend aan natuurlijke personen betreft, meer bedragen dan de in artikel 21, eerste lid, 5°, bepaalde grenzen ; 3° op 15 pct. voor de dividenden die worden uitgekeerd door een beleggingsvennootschap met vast kapitaal bedoeld in de artikelen 195, eerste lid, en 288, § 1, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, die als uitsluitend doel heeft de collectieve belegging in de in artikel 183, eerste lid, 3°, van deze wet bedoelde categorie "vastgoed", door een in deel III, boek I, titel III, van deze wet bedoelde beleggingsvennootschap van gelijke aard of door een gereglementeerde vastgoed- vennootschap, of deze beleggingsvennoot- schap of deze gereglementeerde vastgoed- vennootschap haar effecten openbaar aanbiedt in België of niet, voor zover door de betrokken lidstaat een uitwisseling van inlichtingen wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 338 of een gelijkaardige reglementering, in zoverre tenminste 80 pct. van het vastgoed in de zin van artikel 2, 20°, van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap, van artikel 2, 5°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennootschappen, rechtstreeks of onrechtstreeks door deze beleggings- vennootschap of door deze gereglementeerde vastgoedvennootschap belegd is in onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn.
Wanneer het vastgoed niet uitsluitend voor woonzorg of gezondheidszorg aangewend wordt of bestemd is, of slechts gedurende een deel van het belastbaar tijdperk, wordt enkel de verhouding van de tijd en de oppervlakte die werkelijk besteed wordt aan woonzorg of gezondheidszorg in aanmerking genomen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage. De vaststelling van het in het eerste lid bedoelde percentage gebeurt door de waarden van de waarderingen en actualiseringen in de zin van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 december 2010 met betrekking tot vastgoedbevaks of, voor wat betreft de gereglementeerde vastgoedvennootschap, overeenkomstig artikel 47 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoed- vennootschappen, die betrekking hebben op onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan woonzorg of gezondheidszorg aangepaste wooneenheden aangewend worden of bestemd zijn op de verschillende referentietijdstippen op te tellen en te delen door de totale waarde van deze waarderingen en actualiseringen op de verschillende referentietijdstippen.
De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het te leveren bewijs van de hierboven vermelde voorwaarden.

4° op 15 pct., voor de eerste schijf die overeenkomt met het bedrag dat niet meer bedraagt dan 30 pct. of 37.500 euro, bedoeld in artikel 37, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 37, derde lid, of met het in artikel 551 bedoelde bedrag, van de in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten of die werden verkregen via een in artikel I.16, § 1, 4° tot 6°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde organisatie;

5° …

6° tegen de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, eerste lid, 6°, bedoelde loten waarop de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betrekking hebben ;

7° … 8° op 5 of 20 pct., voor de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of voor de dividenden van buitenlandse oorsprong die in België zijn geïnd of verkregen in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves gedurende ten minste 5 jaar of minder dan 5 jaar, te rekenen vanaf de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk, behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541;
Vanaf 29 juli 2025 (en zijn van toepassing op dividenden die worden toegekend of betaaldbaar vanaf die datum gesteld), wordt in artikel 269, § 1, het 8°, vervangen als volgt :

8° op 5 pct., 6,5 pct. of 20 pct., voor de dividenden, andere dan deze bedoeld in artikel 209, in de mate dat hun toekenning of betaalbaarstelling voortkomt uit een aantasting van de liquidatiereserve bedoeld in de artikelen 184quater of 541, of voor de dividenden van buitenlandse oorsprong die in België zijn geïnd of verkregen in zoverre hun toekenning of betaalbaarstelling het gevolg is van analoge bepalingen of gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en naargelang het aangetaste gedeelte van deze reserves werd toegevoegd aan de bedoelde liquidatiereserve:
a) ten laatste op 31 december 2025, in welk geval: - de aanslagvoet 5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 5 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;
- de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende een periode tussen 3 en 5 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
- de aanslagvoet 20 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende minder dan 3 jaar behouden is gebleven op dezelfde wijze zoals vermeld in het eerste streepje;
b) op een latere datum dan 31 december 2025, in welk geval de aanslagvoet 6,5 pct. bedraagt indien dit gedeelte gedurende ten minste 3 jaar behouden is gebleven op de wijze bedoeld in de artikelen 184quater, derde lid, of 541, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg;

9° op 20 of 15 pct. voor de dividenden die worden uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, indien en in de mate dat deze inkomsten voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om respectievelijk aan het in § 2, tweede lid, 1°, of het in § 2, tweede lid, 2°, vermelde tarief onderworpen te worden.
Vanaf 29 juli 2025, wordt artikel 269, § 1, aangevuld met een 10°, luidend als volgt : 10° op 25 pct. voor de in artikel 17, § 1, 6°, vermelde inkomsten.

§ 2. . In afwijking van paragraaf 1, 1°, wordt het tarief van de roerende voorheffing op de dividenden, met uitzondering van de in artikel 18, eerste lid, 2° ter, en 3°, bedoelde dividenden, verlaagd in zoverre dat:

1° de vennootschap die deze dividenden uitkeert, een vennootschap is die als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan ;

2° die dividenden voortkomen uit nieuwe aandelen op naam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van de vennootschap of een verhoging van haar kapitaal;

3° de volstorting van het kapitaal dat deze aandelen vertegenwoordigt, volledig gebeurt door middel van nieuwe inbrengen in geld;

4° deze inbrengen in geld niet voortkomen uit de verdeling van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537, eerste lid, worden onderworpen aan een verlaagde roerende voorheffing zoals bedoeld in datzelfde lid;

5° de uitgifte van de aandelen gedaan is vanaf 1 juli 2013;

6° de belastingplichtige deze aandelen op naam ononderbroken in volle eigendom heeft behouden vanaf hun uitgifte;

7° deze dividenden zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging, of voor volgende boekjaren.
De roerende voorheffing bedraagt: 1° 20 pct. voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging;
Vanaf 8 augustus 2025, luidt artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, als volgt :

1° 20 pct. voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar volgend op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging, wanneer deze inbreng ten laatste op 31 december 2025 is verricht;

2° 15 pct. voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar volgend op dat van de verrichte inbreng bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging, of voor volgende boekjaren.
De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, van de aandelen ingevolge een erfopvolging of schenking wordt geacht niet te hebben plaatsgehad voor de toepassing van de in het eerste lid, 6°, bedoelde voorwaarde inzake het ononderbroken behoud.
De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, van de aandelen wordt evenmin geacht te hebben plaatsgehad voor de toepassing van de voorwaarde van volle eigendom wanneer die overdracht het gevolg is van:

1° een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfvolging;

2° een ascendentenverdeling die geen afbreuk doet aan het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. De erfgenamen of begiftigden nemen de plaats in van de belastingplichtige inzake de voordelen en verplichtingen van de maatregel.
De omruiling van aandelen ingevolge verrichtingen als bedoeld in artikel 45 of de vervreemding of verkrijging van aandelen ingevolge fiscaal neutrale verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, worden geacht niet te hebben plaatsgevonden voor de toepassing van het eerste lid, 6°.
De kapitaalsverhogingen die tot stand komen na een vermindering van dit kapitaal die plaatsvinden vanaf 1 mei 2013 komen niet in aanmerking voor het toekennen van het verlaagd tarief, behalve in de mate waarin de kapitaalsverhoging de vermindering overstijgt.
De sommen die voortkomen uit een vanaf 1 mei 2013 georganiseerde vermindering van het kapitaal of uitkering van liquidatiereserves bedoeld in artikel 184quater of 541 die onderworpen zijn aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 pct., van een vennootschap verbonden of geassocieerd met een persoon in de zin van de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die door deze persoon worden geïnvesteerd in een verhoging van het kapitaal van een andere vennootschap kunnen niet genieten van het voormeld verlaagd tarief.
Vanaf 29 juli 2025 (en zijn van toepassing op dividenden die worden toegekend of betaaldbaar vanaf die datum gesteld), luidt artikel 269, § 2, achtste lid, als volgt : De sommen die voortkomen uit een vanaf 1 mei 2013 georganiseerde vermindering van het kapitaal of uitkering van liquidatiereserves bedoeld in artikel 184quater of 541 die onderworpen zijn aan een verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 of 6,5 pct. als bedoeld in paragraaf 1, 8°, van een vennootschap verbonden of geassocieerd met een persoon in de zin van de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die door deze persoon worden geïnvesteerd in een verhoging van het kapitaal van een andere vennootschap kunnen niet genieten van het voormeld verlaagd tarief.
Voor de toepassing van het achtste lid wordt onder "persoon" ook begrepen zijn echtgenoot, zijn ouders en zijn kinderen wanneer deze persoon of zijn echtgenoot het wettelijk genot van hun inkomsten hebben.
Als de vennootschap, die aandelen heeft uitgegeven of haar kapitaal heeft verhoogd in het kader van deze paragraaf, later overgaat tot verminderingen van dat kapitaal, zullen deze verminderingen prioritair worden afgehouden van de kapitalen die ter uitvoering van de betrokken oprichting of verhoging zijn gestort.
De onderschreven sommen bij de uitgifte van de aandelen moeten volledig volstort zijn en aan deze aandelen mag geen voorkeursrecht verbonden zijn ten aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen. Voor de vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 beslist hebben over te gaan tot een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen, waardoor aan de voorwaarde vermeld in het elfde lid in principe nooit meer zou kunnen worden voldaan, en die vóór 31 december 2022 een kapitaalverhoging in geld doorvoeren, waardoor het bedrag van het gestorte kapitaal in geldmiddelen opnieuw op dezelfde hoogte wordt gebracht van het initieel onderschreven bedrag vóór de vrijstelling tot volstorting, kunnen de dividenden met betrekking tot zowel de aandelen uitgegeven bij de oprichting na 1 juli 2013 als de aandelen uitgegeven bij de kapitaalverhoging in aanmerking komen voor het verlaagde tarief, op voorwaarde dat aan de andere voorwaarden is voldaan. In voorkomend geval is kapitaalverhoging mogelijk zonder de uitgifte van nieuwe aandelen.

Art. 270. De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door :

1° de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen, evenals de in artikel 227 vermelde niet- inwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 ; 2° degenen die in België diensten bezigen van personen verbonden door een arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten ;

3° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars betalen of toekennen of bij ontstentenis daarvan de organisator van de vertoningen of van de sportwedstrijden ;

4° degene die door de leden van een in artikel 229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging wordt aangesteld om hen in belastingzaken te vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden ;

5° degenen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verplicht zijn de akten of verklaringen ter registratie aan te bieden wanneer het akten of verklaringen betreft waarbij de overdracht onder bezwarende
onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot die goederen door een in artikel 227, 1° of 2°, vermelde belasting- plichtige ;

6° diegenen die als curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of als personen die gelijkaardige functies uitoefenen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 ;

7° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 3, vermelde inkomsten betalen of toekennen.
Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden : a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belasting- plichtige in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.
Opmerking : De verwijzingen naar artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, opgenomen in de artikelen 8 en 22 van deze wet, moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen. Art. 110. Artikel 109 is van toepassing zolang de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen niet in werking is getreden.(art. 109 en 110, W 11.02.2019 - B.S. 22.03.2019; Numac: 2019040488)

Art. 271. De Koning kan (1), onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van artikel 270 uitbreiden tot winst, baten, alsmede tot in artikel 90, eerste lid, 1° tot 4° en 12°, vermelde diverse inkomsten.


(1) art. 86 tot 95, KB/WIB 92. berekening van de voorheffing

Art. 271/15. artikel 271/15 van de wet van 3 augustus 2012 bedoelde lijst. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 185bis, § 4, est rédigé comme suit :
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 185bis, § 4, als volgt:

§ 4. Dans les cas fixés par le Roi, le SPF Finances peut radier un organisme de placement collectif alternatif institutionnel de la liste visée à l'article 289, § 1er de la loi du 19 avril 2014 ou un organisme de placement en créances institutionnelles de la liste visée à l'article 271/15 de la loi du 3 août 2012. Le SPF Finances fait part à la société de la radiation par un envoi recommandé. Un recours est ouvert contre une décision de radiation selon la procédure de droit commun en matière administrative.

§ 4. In de gevallen bepaald door de Koning kan de FOD Financiën een institutionele alternatieve instelling voor collectieve belegging schrappen van de in artikel 289, § 1 van de wet van 19 april 2014 bedoelde lijst of een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen van de in

Art. 271/9. artikel 271/9 van de wet van 3 de la loi du 3 août 2012 relative aux
augustus 2012 betreffende de instellingen organismes de placement collectif qui
voor collectieve belegging die voldoen aan répondent aux conditions de la Directive
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG 2009/65/CE et aux organismes de placement
en de instellingen voor belegging in en créances, pour les revenus attribués ou
schuldvorderingen bedoelde fondsen voor mis en paiement par ces fonds communs de
belegging in schuldvorderingen te beheren, placement en créances ;
voor de door deze gemeenschappelijke beleggingsfondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten ;

4° les habitants du Royaume, les sociétés résidentes, associations, institutions, établissements et organismes quelconques et les personnes morales assujetties à l'impôt des personnes morales, ainsi que les contribuables assujettis à l'impôt des non- résidents, débiteurs de revenus visés à l'article 17, § 1er, 5°.

4° door rijksinwoners, binnenlandse vennoot- schappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, verschuldigd zijn.


----------
A partir du 29 juillet 2025, l'article 261, alinéa 1er, 4°, est rédigé comme suit :
Vanaf 29 juli 2025, luidt artikel 261, eerste lid, 4°, als volgt :

4° les habitants du Royaume, les sociétés résidentes, associations, institutions, établissements et organismes quelconques et les personnes morales assujetties à l'impôt des personnes morales, ainsi que les contribuables assujettis à l'impôt des non- résidents, débiteurs de revenus visés à l'article 17, § 1er, 5° et 6°.

4° door rijksinwoners, binnenlandse vennoot- schappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° en 6°, verschuldigd zijn.


----------
van het eerste lid, 1°, uitgesloten des revenus de capitaux et biens mobiliers, autres
inkomsten, zijn inkomsten uit kapitalen en que des dividendes, ainsi que les revenus divers
roerende goederen, andere dan dividenden, visés à l'article 228, § 2, 9°, j, dont le débiteur est
zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde assujetti à l'impôt des personnes physiques, à
diverse inkomsten waarvan de schuldenaar l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes
onderworpen is aan de personenbelasting, de morales, lorsque ces revenus sont imputés sur les
vennootschaps-belasting of de résultats d'un établissement dont le débiteur
rechtspersonenbelasting, wanneer die inkomsten dispose à l'étranger et lorsqu'ils ne sont pas payés
worden toegerekend op de resultaten van een directement par le débiteur au bénéficiaire des
inrichting waarover de schuldenaar in het revenus.
buitenland beschikt en wanneer ze door de schuldenaar niet rechtstreeks aan de verkrijger van de inkomsten worden betaald.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en ce qui concerne les intérêts de prêts d'instruments financiers et les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 11°, qui sont payés en exécution d'un prêt portant sur des instruments financiers, conclu et intégralement liquidé par le biais d'un système centralisé agréé de prêts d'instruments financiers, le redevable du précompte mobilier, qui doit retenir celui-ci sur les revenus imposables nonobstant toute convention contraire, est le gestionnaire du système centralisé agréé. Par "système centralisé agréé de prêts d'instruments financiers", on entend un système de prêts d'instruments financiers ayant pour objectif de faciliter, en dernier recours, le règlement des ordres de transfert de titres et intégré dans un système de règlement-titres visé à l'article 2, § 1er, b, de la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres, ou dans un système d'un autre Etat dont la législation prévoit des conditions de fonctionnement au moins équivalentes, agréé par le ministre des Finances ou son délégué. Le Roi détermine (1) les conditions d'agrément auxquelles le système doit satisfaire et la période durant laquelle l'agrément peut être octroyé.
Met betrekking tot de interest van leningen van financiële instrumenten en de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten die worden betaald in uitvoering van een lening betreffende financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, is, in afwijking van het eerste lid, de schuldenaar van de roerende voorheffing welke deze voorheffing op de belastbare inkomsten moet inhouden niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, de beheerder van het erkend gecentraliseerd systeem. Onder "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" wordt verstaan een systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van effecten te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor effecten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b, van de wet van 28. april 1999 houdende omzetting van de richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet, erkend door de minister van Financiën of zijn gedelegeerde. De Koning bepaalt (1) de erkenningsvoorwaarden waaraan het systeem moet voldoen en de periode tijdens dewelke de erkenning kan worden verleend.

------------------- (1) art. 735 à 7312, AR/CIR 92. (1) art. 735 tot 7312, KB/WIB 92.
in het eerste lid, 2°, c), bedoelde in het l'alinéa 1er, 2°, c), sont :
buitenland gevestigde ondernemingen zijn :

1° les établissements de crédit ; 1° de kredietinstellingen ;

2° les intermédiaires financiers tels que définis à l'article 2, 9°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers ;

2° de financiële tussenpersonen zoals gedefinieerd in artikel 2, 9°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten ;

3° les organismes de compensation tels que définis à l'article 2, 16°, de la loi du 2 août 2002 ;

3° de verrekeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 16°, van de wet van 2 augustus 2002 ;

4° les organismes de liquidation tels que définis à l'article 2, 17°, de la loi du 2 août 2002 ;

4° de vereffeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 ;

5° les entreprises dont l'activité principale consiste en la gestion de patrimoine, le conseil en gestion de patrimoine ou la conservation et l'administration d'instruments financiers, ainsi que les entreprises habilitées en vertu de la législation à laquelle elles sont soumises à exercer l'une de ces activités.

5° de ondernemingen wiens waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het beheer van vermogens, het adviseren bij het beheer van vermogens of uit de bewaarneming en het beheer van financiële instrumenten, alsmede de ondernemingen die uit hoofde van de wetgeving waaraan ze zijn onderworpen, gemachtigd zijn een van die activiteiten uit te oefenen.


----------
A partir du 29 juillet 2025, il est inséré dans l'article 261, entre les alinéas 4 et 5, un nouveau 5e alinéa, rédigé comme suit :
Vanaf 29 juli 2025, wordt in artikel 261, tussen het vierde en vijfde lid, een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidend als volgt :
Pour l'application de l'alinéa 1er, 4° : Voor de toepassing van het eerste lid, 4°,
wordt:
a) le contribuable visé à l'article 179 ou 220 est censé attribuer les intéressements aux plus- values visées à l'article 17, § 1er, 6°, qu'un bénéficiaire d'un intéressement aux plus- values reçoit d'un véhicule carried interest étranger lié au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité du bénéficiaire au profit du contribuable;
a) de in

Art. 272. Behoudens strijdig beding :

1° hebben de in artikel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7°, vermelde belastingschuldigen het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden ;

2° hebben de in artikel 270, eerste lid, 2° vermelde belastingschuldigen het recht zich het bedrag van de voorheffing, verschuldigd wegens fooien of dienstpercenten, bij voorbaat te doen overhandigen ;

3° hebben de belastingschuldigen overeen- komstig artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te houden.
Ondanks elk strijdig beding moeten de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde belastingschuldigen de desbetreffende voorheffing inhouden op de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten.

Art. 273. De bedrijfsvoorheffing is opeisbaar uit hoofde van :

1° het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen ;

2° de verwezenlijking van in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden.

Art. 275.

§ 1. De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de regels vastgelegd door de Koning (1).

§ 2. De Koning kan (1) verschillende categorieën van belastingplichtigen en inkomsten onderscheiden. Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt op forfaitaire wijze bepaald.

§ 3. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van dit artikel genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.


(1) art. 86 tot 95, KB/WIB 92.
van de voorheffing

Art. 276. De in artikel 1 vermelde belastingen worden naar de mate als hierna is bepaald gekweten door verrekening van de onroerende, de roerende en de bedrijfsvoorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en de belastingkredieten.
Geen voorheffing, noch forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, noch belastingkrediet mag worden verrekend met de in artikelen 217, eerste lid, 4°, en 246, derde lid, vermelde belasting.
Voor de toepassing van de artikelen 175, 296, 304, § 2, en 376, § 3, 1°, wordt het bedrag van de 1 tot 5 vervroegde inningen van de taks op het lange termijnsparen toegepast in de loop van de jaren 2015 tot 2019 beoogd in de artikelen 185, § 4, en 186, § 3, van het Wetboek van de diverse rechten en taksen, op de vastgestelde theoretische afkoopwaarde of de spaartegoeden geplaatst tot 31 december 2014 in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 1451, 5°, of in de artikelen 104, eerste lid, 10°, en 117, alvorens deze artikelen respectievelijk werden opgeheven bij artikel 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992, ten belope van het totale werkelijk geïnde bedrag, beschouwd als ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Art. 279. Als roerende voorheffing wordt verrekend het bedrag van de roerende voorheffing vastgesteld overeenkomstig artikel 269.

Art. 280. Ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen, niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt de roerende voorheffing slechts verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar of vruchtgebruiker van de roerende goederen en kapitalen of schuldeiser is geweest.
Wanneer de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen die goederen of kapitalen gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, wordt de roerende voorheffing slechts verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige de volle eigendom van de goederen of kapitalen heeft gehad.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, stemt het tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben, voor de in artikel 266, tweede lid, vermelde inkomsten, overeen met de periode die aanvangt op het ogenblik van de uitgifte van de effecten en eindigt op de dag van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten.
Opmerking : Artikel 280, 3e lid, WIB 92 werd ingevoegd door artikel 4 van de wet van 4 juli 2004 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de omzetting van de richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 (2003/49/EG) betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lid- Staten te verwezenlijken (BS 07.09.2004 – V 3365 – Bull. 852).
Het arrest van het Arbitragehof nr. 7/2006 van 18 januari 2006 (BS van 01.02.2006) vernietigt voormeld artikel 4, evenals de inwerkingtreding ervan, behoudens wanneer het vastgoedcertificaat door een belastingplichtige voor wie de roerende voorheffing bevrijdend is, vóór de vervaldag ervan is overgedragen aan een belastingplichtige voor wie dat niet het geval is.
Bovendien wordt, voor de toepassing van het tweede lid ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvan hij de eigendom heeft verkregen krachtens een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten, de roerende voorheffing verrekend ten belope van het bedrag van de voorheffing dat verhoudingsgewijze betrekking heeft op de totale periode bestaande uit de periode bepaald overeenkomstig het vermelde lid en die tijdens dewelke de leninggever, de overdrager of de pandgever de volle eigendom heeft gehad van die financiële instrumenten.

Art. 281. De roerende voorheffing betreffende dividenden waarvan de verkrijger de effecten gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, wordt slechts verrekend op voorwaarde dat de belastingplichtige de volle eigendom van de effecten had op de datum waarop de rechthebbenden van de dividenden worden geïdentificeerd. 872

Art. 281/1. Uit hoofde van dividenden wordt geen roerende voorheffing verrekend indien de verkrijger, waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, de effecten waaruit de dividenden voortkomen niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste 60 dagen in volle eigendom heeft behouden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de dividenden waarvan de verkrijger heeft aangetoond dat zij niet verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen die kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de verrekening van de roerende voorheffing op deze dividenden te verkrijgen.

Art. 282. Uit hoofde van dividenden wordt geen roerende voorheffing verrekend in zover de toekenning of betaalbaarstelling daarvan een waardevermindering of een minderwaarde tot gevolg heeft van de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben.
Het eerste lid is niet van toepassing op de dividenden die voortkomen uit aandelen waarvoor de belastingplichtige aantoont dat hij de volle eigendom ervan heeft gehad tijdens een ononderbroken periode van twaalf maanden vóór de toekenning van de dividenden of dat, tijdens de bewuste periode, de genoemde aandelen, in volle eigendom, op geen enkel ogenblik toebehoord hebben aan een belastingplichtige die geen vennootschap is die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse vennootschap welke deze aandelen op een ononderbroken wijze heeft belegd in een Belgische inrichting.
Vanaf aanslagjaar 2026, wordt een artikel 282/1 ingevoegd, luidend als volgt: 873

Art. 282/1. Uit hoofde van dividenden die in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst worden afgetrokken, wordt geen roerende voorheffing verrekend indien deze dividenden worden betaald of toegekend door een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, tenzij de belastingplichtige aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider de minimale bezoldiging bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°, ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de inkomsten worden verkregen, heeft toegekend.
Dit artikel is niet van toepassing op de dividenden die worden verkregen door in artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde erkende coöperatieve vennootschappen



Art. 283. Behalve indien de lening wordt gesloten door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten bedoeld in artikel 261, derde lid, wordt geen enkele roerende voorheffing verrekend uit hoofde van inkomsten uit aandelen van Belgische vennootschappen waarvan de verkrijger de eigendom heeft verkregen naar aanleiding van een lening met betrekking tot financiële instrumenten wanneer de leninggever van deze financiële instrumenten een inwoner is van een Staat waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten en deze financiële instrumenten niet heeft gebruikt voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België. In afwijking van het vorige lid en onverminderd de in de artikelen 281 en 282 bedoelde bepalingen, wordt in hoofde van de leningnemer, wanneer deze aantoont dat de leninggever van de aandelen zonder lening zou kunnen hebben genieten van een verzaking aan de inning van de roerende voorheffing of van een vermindering van de roerende voorheffing als bedoeld in een overeenkomst die België ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met betrekking tot dividenden toegekend of betaalbaar gesteld voor die aandelen, de roerende voorheffing verrekend ten belope van het verschil tussen de werkelijk op de dividenden ingehouden roerende voorheffing en het bedrag van de roerende voorheffing dat definitief zou verschuldigd zijn geweest door de leninggever indien deze laatste zelf de dividenden had ontvangen.

Art. 284. De Koning kan (1) de verrekening van een fictieve voorheffing voorschrijven binnen de grenzen en onder de voorwaarden die Hij bepaalt met betrekking tot :

1° inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7° waarvoor Hij ingevolge artikel 266 geheel of ten dele afziet van de inning van de roerende voorheffing ;

2° roerende inkomsten van effecten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen zijn uitgegeven.


(1) art. 121 en 122, KB/WIB 92.

Art. 285. Met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen en met betrekking tot diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7°, wordt met de belasting een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend voor zover die inkomsten in het buitenland werden onderworpen aan een gelijkaardige belasting als de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet- inwoners, en voor zover de desbetreffende goederen en kapitalen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.
In afwijking van het eerste lid wordt met betrekking tot dividenden enkel een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend wanneer het gaat om dividenden die zijn toegekend of toegewezen door beleggingsvennootschappen en in zover vaststaat dat deze dividenden voortkomen uit inkomsten die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid en in artikel 289.

Art. 286. Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedraagt vijftien vijfentachtigsten van het netto-inkomen voor aftrek van de roerende voorheffing.
In afwijking van het eerste lid, wordt met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van alle roerende goederen, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bepaald volgens het product van een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, zonder 15 pct. van dit inkomen te mogen overschrijden en waarvan de noemer gelijk is aan 100 verminderd met het cijfer van de teller. Het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting dat betrekking heeft op innovatie- inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie-inkomsten wordt verleend is slechts verrekenbaar ten belope van de belasting verschuldigd op diezelfde innovatie-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen 205/1 tot 205/4 of artikel 236bis een aftrek voor innovatie- inkomsten wordt verleend.
Wanneer de schuldenaar van het inkomen de buitenlandse belasting heeft gedragen tot ontlasting van de verkrijger, bedraagt de in het tweede lid vermelde noemer 100.

Art. 287. Met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bepaald volgens het produkt :
a) van een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, beperkt tot 15, en waarvan de noemer gelijk is aan 100 verminderd met het cijfer van de teller ;
b) en van een breuk waarvan de teller gelijk is aan het positieve verschil tussen het totale bedrag van de noemer en het totale bedrag van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, met uitsluiting van dividenden, die de vennootschap in het belastbare tijdperk heeft gedragen, en waarvan de noemer gelijk is aan de som van het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen, roerende goederen en kapitalen en van het totale brutobedrag van de beroepsinkomsten met uitsluiting van al dan niet verwezenlijkte meerwaarden.
Wanneer de schuldenaar van het inkomen de buitenlandse belasting heeft gedragen tot ontlasting van de verkrijger, bedraagt de in het eerste lid, a, vermelde noemer 100. Voor de toepassing van het eerste lid, b, omvatten de inkomsten van roerende goederen en kapitalen eveneens de in artikel 21 bedoelde inkomsten.

Art. 288. Ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting slechts verrekend tot het deel dat betrekking heeft op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige de volle eigendom van de goederen of kapitalen heeft gehad.

Art. 289. Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt niet verrekend ter zake van inkomsten van schuldvorderingen en leningen die de schuldeiser in België gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, wanneer de schuldeiser, niettegenstaande hij de verrichting in eigen naam heeft gedaan, in werkelijkheid is opgetreden voor rekening van derden die hem voor de financiering van de verrichting de nodige middelen hebben verschaft en geheel of gedeeltelijk de aan de verrichting verbonden risico's dragen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt een in het buitenland gevestigde onderneming die over een Belgische inrichting beschikt die als schuldeiser optreedt, mede als derde aangemerkt.
Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt niet verrekend terzake van interesten opgebracht door financiële instrumenten, welke in België zijn gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten wanneer hij deze financiële instrumenten bezit hetzij in zijn hoedanigheid van leningnemer in het kader van een lening met betrekking tot deze financiële instrumenten, hetzij in zijn hoedanigheid van cessionaris of pandnemer in uitvoering van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst. belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst

Art. 289/1. In het geval overeenkomstig artikel 185/2 de niet uitgekeerde winst van een in datzelfde artikel bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, in het voorgaande belastbare tijdperk werd belast in hoofde van de belastingplichtige, dan mag de belasting die de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting daadwerkelijk heeft betaald aan de Staat waar deze buitenlandse vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is ter voldoening van de buitenlandse inkomstenbelasting die voor dat belastbare tijdperk verschuldigd is, worden verrekend met de vennootschapsbelasting die voor het belastbare tijdperk verschuldigd is, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse vennootschap of de inrichting van de buitenlandse vennootschap verschuldigd is aan de Staat waar deze vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, vijfde lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, tweede lid, werd vastgesteld. Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige verschuldigd is aan de Staat waar deze buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, achtste lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, zevende lid, werd vastgesteld.
Voor het bepalen van het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting van het belastbare tijdperk worden ook de voorafbetalingen voor deze inkomstenbelastingen meegeteld die in de loop van het tijdperk dat voorafgaat aan het belastbare tijdperk werden gedaan, maar worden in voorkomend geval de belastingverhogingen, boeten of andere vormen van administratieve sancties uitgesloten.
belastingplichtigen - natuurlijke personen

Art. 289bis.

§ 1. Aan rijksinwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en in artikel 227, 1°, vermelde niet- inwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°, wordt een belastingkrediet verleend van 10 pct., met een maximum van 3 750 euro, van het meerdere van:
Vanaf aanslagjaar 2026, luidt artikel 289bis, § 1, 1e lid, inleidende zin, als volgt: § 1. Aan rijksinwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en in artikel 227, 1°, vermelde niet- inwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°, wordt een belastingkrediet verleend van 20 pct., met een maximum van 7 500 euro, van het meerdere van:
- het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen ;
- ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.
Voor de berekening van het belastingkrediet wordt geen rekening gehouden met de vaste activa en de schulden in de mate dat die verband houden met werkzaamheden die inkomsten opbrengen waarvoor artikel 155 of 156 kan worden toegepast.
Het verlenen van het belastingkrediet is onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een attest voegt waarvan het model door de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld en waarbij wordt bevestigd dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige.
In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden het percentage, het bedrag en de grens bepaald in het eerste lid per echtgenoot beoordeeld. Voor de in artikel 227, 1°, vermelde niet- inwoners, wordt: - het belastingkrediet enkel verleend wanneer de belasting is berekend overeenkomstig artikel 243/1 of 244;
- voor de berekening van het belastingkrediet rekening gehouden met de vaste activa en de schulden die verband houden met de werkzaamheden die in de belasting niet- inwoners belastbare inkomsten opleveren.

§ 2. Artikel 174/1 is van toepassing op het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde bedrag.

§ 3. Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening vraagt, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

Art. 289decies. Wat de in artikel 205/1, § 1, derde lid, bedoelde aftrek voor innovatie-inkomsten betreft die niet of niet volledig in mindering werd gebracht op de winst in het voorgaande belastbare tijdperk, kan een belastingkrediet worden verrekend met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen, dat gelijk is aan het bedrag van de aftrek voor innovatie- inkomsten dat niet werd afgetrokken, vermenigvuldigd met het in artikel 215, eerste lid, voorziene tarief. Dit belastingkrediet wordt het "belastingkrediet voor innovatie-inkomsten" genoemd.
roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, de buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst en de belastingkredieten.

Art. 289octies. De in de artikelen 75 en 76 vermelde bepalingen van uitsluiting van vaste activa voor de investeringsaftrek zijn ook van toepassing voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling. 888

Art. 289quater. Wat de in artikel 69/2 vermelde vaste activa betreft, kan een belastingkrediet worden verrekend met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen, dat gelijk is aan het in het tweede lid voorziene tarief op een
van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Dit belastingkrediet wordt "belastingkrediet voor
Het tarief van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling is gelijk aan het in artikel 215, eerste lid, voorziene tarief.
Om het in het eerste lid vermelde belastingkrediet te genieten, dienen de belastingplichtigen voor deze mogelijkheid onherroepelijk te opteren vanaf een bepaald belastbaar tijdperk.
Wanneer in de aanschaffingswaarde of beleggingswaarde van de in het eerste lid bedoelde activa, bezoldigingen van de in artikel 2753 bedoelde onderzoekers zijn begrepen, waarvan de werkgever in toepassing van artikel 2753 een deel van de bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist heeft gestort, mag deze niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing niet in de berekeningsbasis van het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet worden opgenomen.

Art. 289quinquies. Het in artikel 289quater, eerste lid, vermelde deel is gelijk aan het in artikel 69, eerste lid, 3°, voorziene percentage. 887

Art. 289septies. Het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling komt niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden op de vaste activa waarvoor het is verleend.

Art. 289sexies. Wat de in artikel 69/2, 2°, vermelde vaste activa, kunnen de belastingplichtigen desgewenst het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling over de afschrijvingsperiode van die vaste activa spreiden. In dit geval is het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling gelijk aan het in artikel 289quater, tweede lid, voorziene tarief toegepast op de afschrijving die voor elk belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode worden aangenomen, vermenigvuldigd met het in artikel 70, tweede lid, voorzien percentage.
Indien bij de overdracht of bij de buitengebruikstelling van een vast activum het totaal van de overeenkomstig het eerste lid verrekende belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling lager is dan het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat had kunnen worden verrekend overeenkomstig artikel 289quinquies, wordt voor het verschil een aanvullend belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling verleend.

Art. 289ter.

§ 1. Wanneer het totale netto-inkomen van het belastbare tijdperk niet meer bedraagt dan 14.140 EUR, heeft de rijksinwoner recht op een belastingkrediet waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van het bedrag van de activiteitsinkomsten.
Het bedrag van de activiteitsinkomsten is gelijk aan het nettobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met :

1° de in artikel 23, § 1, 5°, vermelde inkomsten ;

2° de bezoldigingen die zijn bedoeld in :
- artikel 30, 1°, verworven door belastingplichtigen andere dan personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector ; - artikel 30, 2°, wat de bedrijfsleiders betreft die zijn bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en die tewerkgesteld zijn in dienstverband ;

3° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten ;

4° de beroepsinkomsten die overeenkomstig artikel 171 afzonderlijk worden belast ;

5° de winst, baten en in artikel 30, 2° bedoelde bezoldigingen die voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep of van een student-zelfstandige worden beschouwd.
Geen belastingkrediet wordt verleend aan de belastingplichtige voor wie de belastbare winst of baten bij toepassing van artikel 342, § 3, worden bepaald.
Bij een gemeenschappelijke aanslag worden het belastingkrediet, de inkomsten en de grenzen berekend per belastingplichtige vóór
Geen belastingkrediet wordt verleend aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten wanneer hun bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt voor het belastingkrediet of dat wordt toegekend door een belastingplichtige als bedoeld in het derde lid.

§ 2. Om recht te geven op een belastingkrediet moet het bedrag van de activiteitsinkomsten hoger zijn dan 3.260 EUR. Het bedrag van het belastingkrediet wordt als volgt bepaald :

1° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 3.260 EUR bedraagt doch niet meer dan 4.350 EUR : EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de activiteitsinkomsten en 3.260 EUR en de noemer gelijk is aan het verschil tussen 4.350 EUR en 3.260 EUR ;

2° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 4.350 EUR bedraagt doch niet meer dan 10.880 EUR : EUR ;

3° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 10.880 EUR bedraagt doch niet meer dan 14.140 EUR : EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14.140 EUR en het bedrag van de activiteitsinkomsten en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14.140 EUR en 10.880 EUR.
Wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan, wordt het belastingkrediet bepaald overeenkomstig het tweede lid verminderd in verhouding tot het gedeelte dat de activiteitsinkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van het nettobedrag van de beroepsinkomsten.
Wanneer het totale netto-inkomen meer bedraagt dan 10.880 EUR doch niet meer dan 14.140 EUR , kan het belastingkrediet niet meer bedragen dan de uitkomst van de vermenigvuldiging van 440 EUR met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14.140 EUR en het bedrag van het totale netto- inkomen en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14.140 EUR en 10.880 EUR.
In afwijking van de vorige leden wordt het bedrag van 440 euro telkens vervangen door: 1° het bedrag van 200 euro voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten;

2° het bedrag van 485 euro voor de werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in de overheidssector.

§ 2/1. De in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtige voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 wordt berekend, heeft eveneens recht op het in de vorige paragrafen vermelde belastingkrediet, met dien verstande dat voor de beoordeling van de voorwaarden waaronder het krediet wordt verleend en de berekening ervan het geheel van de binnen- en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen.

§ 3. De bepalingen van de artikelen 174/1 en 178, § 3, eerste lid, 2°, zijn van toepassing op de in dit artikel vermelde bedragen.
Art. 289ter/1 Er wordt een belastingkrediet verleend aan rijksinwoners en niet-inwoners voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 wordt berekend met lage lonen die onderworpen zijn :
- ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, 1° tot 3° en 5°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers,
- ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 3°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.
Het belastingkrediet is gelijk aan: - 33,14 pct. van het bedrag van het luik A van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/1, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid; en
- 52,54 pct. van het bedrag van het luik B van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/2 van de voormelde wet van 20 december 1999.
Het belastingkrediet mag per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 710 EUR. De bepalingen van artikel 174/1 en 178, § 3, eerste lid, 2°, zijn van toepassing op dit bedrag.
Vanaf aanslagjaar 2026, luidt artikel 289ter/1, derde lid, als volgt :
Het belastingkrediet mag per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 765 EUR. De bepalingen van artikel 174/1 en 178, § 3, eerste lid, 2°, zijn van toepassing op dit bedrag.



belastingplichtigen - vennootschappen

Art. 289ter/1. Art. 289ter/1
Er wordt een belastingkrediet verleend aan
rijksinwoners en niet-inwoners voor wie de
belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244
wordt berekend met lage lonen die onderworpen
zijn :
- ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel
21, § 1, 1° tot 3° en 5°, van de wet van 29
juni 1981 houdende de algemene
beginselen van de sociale zekerheid voor
werknemers,
- ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel
1, 1° tot 3°, van de besluitwet van 7
februari 1945 betreffende de
maatschappelijke veiligheid van de
zeelieden ter koopvaardij.
Het belastingkrediet is gelijk aan:
- 33,14 pct. van het bedrag van het luik A
van de vermindering van de persoonlijke
bijdragen van sociale zekerheid op de
tijdens het belastbaar tijdperk verkregen
bezoldigingen die daadwerkelijk is
verleend met toepassing van artikel 2, §
1/1, van de wet van 20 december 1999 tot
toekenning van een werkbonus aan
werknemers met lage lonen en van andere
verminderingen van de persoonlijke
bijdragen van sociale zekerheid; en
- 52,54 pct. van het bedrag van het luik B
van de vermindering van de persoonlijke
bijdragen van sociale zekerheid op de
tijdens het belastbaar tijdperk verkregen
bezoldigingen die daadwerkelijk is
verleend met toepassing van artikel 2, § 1/2
van de voormelde wet van 20 december
1999.
Het belastingkrediet mag per belastbaar
tijdperk niet meer bedragen dan 710 EUR. De
bepalingen van artikel 174/1 en 178, § 3, eerste
lid, 2°, zijn van toepassing op dit bedrag.
Vanaf aanslagjaar 2026, luidt
artikel 289ter/1, derde lid, als volgt :
Het belastingkrediet mag per belastbaar
tijdperk niet meer bedragen dan 765 EUR. De
bepalingen van artikel 174/1 en 178, § 3, eerste
lid, 2°, zijn van toepassing op dit bedrag.



Art. 290. Voor rijksinwoners :

1° is het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting in het geval bedoeld in artikel 285 slechts met de belasting verrekenbaar in de mate dat het niet meer bedraagt dan het
heeft op de beroepsinkomsten;

2° worden de belastingkredieten als bedoeld in de artikelen 289bis, § 1, 289ter en 289ter/1, volledig met de belasting verrekend. Voor de toepassing van het eerste lid moet onder belasting worden verstaan de totale belasting, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen.
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 290, tweede lid, als volgt:
Voor de toepassing van het eerste lid moet onder belasting worden verstaan de totale belasting, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen.



Art. 292. Voor binnenlandse vennootschappen worden de als fictieve roerende voorheffing en forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekenbare sommen volledig met de vennootschapsbelasting verrekend en wordt het eventuele teveel niet terugbetaald.
Geen voorheffingen worden verrekend met de afzonderlijke aanslagen gevestigd ingevolge de artikelen 219 en 219bis.
De in het eerste lid bedoelde verrekenbare sommen worden niet verrekend met het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat in de belastbare grondslag wordt opgenomen. In afwijking van het eerste lid wordt het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting slechts verrekend tot het aandeel van de vennootschapsbelasting dat betrekking heeft op de belastbare netto-inkomsten die voortkomen uit een hybride overdracht. Die netto-inkomsten bestaan uit het verschil tussen de inkomsten die zijn verkregen in het kader van die hybride overdracht en de eventuele betalingen die eveneens in het kader van die hybride overdracht moesten gedaan worden.

Art. 292/1. De in artikel 289/1 bedoelde buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst wordt volledig met de vennootschapsbelasting verrekend.
Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om de in het eerste lid bedoelde buitenlandse belasting te kunnen verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende buitenlandse belasting niet terugbetaald, maar overgedragen naar een volgend aanslagjaar.

Art. 292bis.

§ 1. De belastingplichtige kiest om het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling volledig met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen te verrekenen, of het over te dragen volgens de in deze paragraaf bepaald regels.
Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling achtereenvolgens overgedragen naar de volgende drie aanslagjaren. De verrekening van het overgedragen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling met de belasting van elk van de volgende aanslagjaren mag in geen geval per aanslagjaar meer bedragen dan 105 400 EUR of, wanneer het totale bedrag van het overgedragen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling op het einde van het vorig aanslagjaar 421 600 EUR overtreft, 25 pct. van dat totale bedrag. Deze bedragen worden jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.
Het saldo van overgedragen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van het oudste aanslagjaar wordt het eerst verrekend.
Indien er voor een bepaald aanslagjaar na verrekening met de belasting van vier opeenvolgende aanslagjaren, een gedeelte van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat verband houdt met dat aanslagjaar niet kan worden verrekend, wordt dit gedeelte terugbetaald.

§ 2. Indien, in de loop van het belastbare tijdperk, een verwerving van of een wijziging van de controle over een vennootschap plaatsgrijpt die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, wordt het nog niet verrekende belastingkrediet niet overgedragen op de vennootschapsbelasting met betrekking tot dat belastbare tijdperk, noch tot enig ander later belastbaar tijdperk.

§ 3. …

Art. 292ter.

§ 1. Het belastingkrediet voor innovatie- inkomsten wordt volledig met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen verrekend.
De belastingplichtige kan er voor opteren om een deel of het geheel van het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet voor innovatie- inkomsten niet te laten verrekenen. Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om het belastingkrediet voor innovatie-inkomsten te kunnen verrekenen en/of indien de belastingplichtige er overeenkomstig het tweede lid voor opteert om het geheel of een gedeelte van het belastingkrediet niet te verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen naar de volgende aanslagjaren.

§ 2. Indien, in de loop van het belastbare tijdperk, een verwerving van of een wijziging van de controle over een vennootschap plaatsgrijpt die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, wordt het nog niet verrekende belastingkrediet niet overgedragen op de vennootschapsbelasting met betrekking tot dat belastbare tijdperk, noch tot enig ander later belastbaar tijdperk.

Art. 293. Geen voorheffingen worden verrekend met de aanslagen in de rechtspersonenbelasting gevestigd ingevolge artikel 225, tweede lid.

Art. 294. De bepalingen van de artikelen 290 tot 292 zijn, volgens het in de artikelen 243 tot 245 en 246, eerste lid, 1°, en tweede lid, bepaalde onderscheid, eveneens van toepassing op niet- inwoners als vermeld in artikel 227.
Voor niet-inwoners als vermeld in artikel 232 wordt voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 evenwel: 1° wanneer de belasting overeenkomstig artikel 243 of 243/1 wordt gevestigd, onder "belasting Staat" verstaan de belasting berekend overeenkomstig de artikelen 130 tot 145, 146 tot 154, 169 en 171 tot 174;

2° onder "belasting" verstaan: - wanneer de belasting overeenkomstig artikel 243 wordt gevestigd: de totale belasting als omschreven in artikel 243, derde lid, 3°, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen;
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 292, tweede lid, 2°, eerste streepje, als volgt:
- wanneer de belasting overeenkomstig artikel 243 wordt gevestigd: de totale belasting als omschreven in artikel 243, derde lid, 3°, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 14526, § 5, 14527, § 4, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen;
- wanneer de belasting overeenkomstig artikel 243/1 wordt gevestigd: de totale belasting als omschreven in artikel 243/1, 4°, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 14532, § 2, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen;
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt art. 292, tweede lid, 2°, tweede streepje, als volgt:
- wanneer de belasting overeenkomstig artikel 243/1 wordt gevestigd: de totale belasting als omschreven in artikel 243/1, 4°, verhoogd met de in de artikelen 25/1, 27/1, 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4, 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen;



- wanneer de belasting overeenkomstig artikel 244 wordt gevestigd: de belasting zoals bepaald overeenkomstig artikel 290, tweede lid.
Voor niet-inwoners als vermeld in artikel 232 die in België andere inkomsten verkrijgen dan die vermeld in voornoemd artikel of dan inkomsten die overeenkomstig artikel 248, §§ 2 en 3, aan de in artikel 232 bedoelde inkomsten worden toegevoegd, wordt met de volgens de artikelen 243 tot 245 berekende belasting geen verrekening verricht uit hoofde van voorheffingen op die andere inkomsten. Bovendien worden de voorheffingen met betrekking tot de inkomsten waarvoor artikel 248, § 1, tweede lid, van toepassing is, evenmin met deze belasting verrekend.
Voor niet-inwoners als vermeld in artikel 233 die in België andere inkomsten verkrijgen dan die vermeld in voornoemd artikel of dan inkomsten die overeenkomstig artikel 248, § 3, aan de in artikel 233 bedoelde inkomsten worden toegevoegd, wordt met de overeenkomstig artikel 246, eerste lid, 1° en tweede lid, berekende belasting geen verrekening verricht uit hoofde van voorheffingen op die andere inkomsten.
Geen voorheffingen worden verrekend met de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, gevestigd ingevolge artikel 246, eerste lid, 2°.
Voor niet-inwoners als vermeld in artikel 234, die in België andere inkomsten verkrijgen dan die vermeld in voornoemd artikel of dan inkomsten die overeenkomstig artikel 248, § 3, aan de in artikel 234 vermelde inkomsten worden toegevoegd, wordt met de volgens artikel 247 berekende belasting geen verrekening verricht uit hoofde van voorheffingen op die andere inkomsten.

Art. 295. De Koning regelt (1) de uitvoering van de artikelen 276 tot 294.


(1) art. 123 tot 125, KB/WIB 92. 895

Art. 296. Met de belasting, eventueel verminderd met de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en de belastingkredieten, wordt het bedrag van de geheven bedrijfsvoorheffing verrekend. De geheven bedrijfsvoorheffing is : - de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing ; - de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die werkelijk in de Schatkist wordt gestort. VAN DE BELASTINGEN.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Opheffingsmaatregelen van VII, van toepassing op de onroerende voorheffing, zie artikelen 143 en 144 van de Brusselse Codex Fiscale Procedure



Art. 297. Voor de bij artikel 27, 5°, bedoelde personen is één enkel, bij koninklijk besluit te bepalen (1), controlecentrum met de ontvangst en het


(1) art. 125bis tot 127, KB/WIB 92.

Art. 298.

§ 1. Voor de belasting en voor de voorheffingen, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, ten behoeve van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook voor de boeten, worden de kohieren opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de leidinggevende ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§ 2. …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 897 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 298, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.2.2.0.1., 3.10.3.2.1. en 3.10.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 299. De gegevens van de kohieren die door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, of onder haar toezicht, op een gepaste informatiedrager worden geregistreerd en bewaard, evenals hun leesbare weergave, hebben dezelfde bewijskracht als de originele gegevens.

Art. 300.

§ 1. De Koning regelt de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen en de kwijtschriften.
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 300, § 1, als volgt : § 1. De Koning regelt de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving van de kohieren.

§ 2. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen en de voorheffingen, interesten, administratieve geldboeten, belastingverhogingen en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 300, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.1.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Vanaf 1 januari 2014, is het besluit van 20 december 2013 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 31 december 2013) van toepassing (zie deel II bijlage 2: uittreksel uit het besluit de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 301. Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, vermelde belastingplichtigen wordt de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, vermelde meerwaarden die geen betrekking hebben op in artikel 44, § 2, vermelde ongebouwde onroerende goederen, gevestigd en ingevorderd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie tegen de tarieven en volgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°, b, en 4°, d en e.
De Koning regelt (1) de uitvoering van dit artikel.


(1) art. 177, KB/WIB 92.
Vanaf 1 januari 2028, luidt artikel 301, als volgt :
Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, vermelde belastingplichtigen wordt de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, vermelde meerwaarden die geen betrekking hebben op in artikel 44, § 2, vermelde ongebouwde onroerende goederen, berekend tegen de tarieven en volgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°, b en 4°, d en e, door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, en geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, bij de registratie van de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot deze goederen, ter gelegenheid waarvan de meerwaarden bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g en i, worden gerealiseerd, of bij de registratie van een verklaring waarbij deze overdracht wordt vastgesteld. Wanneer blijkt dat de belasting niet- inwoners bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk, niet werd geïnd overeenkomstig het eerste lid, wordt de belasting gevestigd door de bevoegde dienst van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, en geïnd en ingevorderd door de bevoegde diensten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering.
De Koning regelt de uitvoering van dit artikel.



Art. 302. Al de mededelingen betreffende de aangifte en de controle, alsmede de aanslagbiljetten betreffende de inkomstenbelastingen moeten in gesloten omslag aan de belastingschuldigen gezonden worden.
In afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten uitsluitend door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding via dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet. Wanneer het aanslagbiljet betrekking heeft op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, moeten beide belastingplichtigen zich uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard. In afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten en de voorstellen van vereenvoudigde aangifte, uitsluitend door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding via dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet en van het voorstel van vereenvoudigde aangifte. Wanneer het aanslagbiljet en het voorstel van vereenvoudigde aangifte betrekking hebben op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, moeten beide belastingplichtigen zich uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard.
De Koning bepaalt de toepassings- modaliteiten van de in het vorige lid bedoelde procedure. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 302, opgeheven

GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 302, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.5.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 303. Bij het vaststellen van de belastbare inkomsten en behoudens het bepaalde in artikel 505, wordt slechts rekening gehouden met bedragen in euro, ongeacht eventuele pariteitswijzigingen.

Art. 304.

§ 1. De onroerende voorheffing wordt opgenomen in kohieren. Aanslagen in de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan 15 EUR per artikel van de kadastrale legger worden niet in een kohier opgenomen.
Bij ontstentenis van betaling binnen de in artikel 412 gestelde termijn worden de aanslagen in de roerende voorheffing en in de bedrijfsvoorheffing altijd ten kohiere gebracht, ongeacht het bedrag ervan.
Behoudens in de gevallen bepaald bij de artikelen 225, eerste lid, en 248, § 1, worden de aanslagen in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting, in de rechtsper- sonenbelasting en in de belasting van niet- inwoners altijd ten kohiere gebracht, onafgezien het bedrag ervan, maar dit bedrag wordt niet gevorderd of teruggegeven wanneer het na verrekening van de voorheffingen, vooraf- betalingen en andere bestanddelen kleiner is dan 2,50 EUR.
Om te bepalen of de grens van 2,50 EUR is bereikt, wordt rekening gehouden met de opcentiemen en de aanvullende belastingen als vermeld in de artikelen 245 en 466. § 2. Voor rijksinwoners wordt het eventuele overschot van de in de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, bedoelde belastingkredieten, van de in de artikel 157 en 175 bedoelde voorafbetalingen, van de in de artikelen 270 tot 272 bedoelde bedrijfsvoorheffingen, van de in de artikelen 279 en 284 bedoelde werkelijke of fictieve roerende voorheffingen, van de in de artikelen 289bis, § 1, 289ter en 289ter/1 bedoelde belastingkredieten en van de gewestelijke belastingkredieten, in voorkomend geval, verrekend met de in titel VIII bedoelde aanvullende belastingen op de personenbelasting en wordt het saldo teruggegeven indien het tenminste 2,50 euro bedraagt.
Bij binnenlandse vennootschappen wordt het eventuele overschot van de in artikel 279 vermelde roerende voorheffing en van de in artikelen 157 tot 168 en 218 vermelde voorafbetalingen desvoorkomend verrekenend met de afzonderlijke aanslagen gevestigd ingevolge de artikelen 219 tot 219quater en wordt het saldo teruggegeven indien het ten minste 2,50 EUR bedraagt.
Bij belastingplichtigen die aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, worden de niet-verrekende voorafbetalingen teruggegeven indien zij ten minste 2,50 EUR bedragen.
Bij belastingplichtigen die ingevolge artikel 232 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, is het eerste lid van deze paragraaf van toepassing op de belasting berekend volgens de artikelen 243 tot 245.
Bij belastingplichtigen die ingevolge artikel 233 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, is het tweede lid van deze paragraaf van toepassing op de belasting berekend volgens artikel 246 en wordt het eventuele overschot van de in artikel 270 tot 272 vermelde bedrijfsvoorheffing met die belasting verrekend, het saldo wordt teruggegeven indien het ten minste 2,50 EUR bedraagt.



Opmerking vanaf aanslagjaar 2008 tot en met aanslagjaar 2011 : invoeging van een forfaitaire vermindering in de personenbelasting voor het Vlaamse Gewest
Decreet 30.06.2006 – BS 26.09.2006 gewijzigd bij : Decreet 23.05.2008 – BS 13.06.2008 en Decreet 19.12.2008 – BS 29.12.2008 en Decreet 18.12.2009 – BS 30.12.2009 en Decreet 23.12.2010 – BS 31.12.2010, ed. 2
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 304, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.2.1.0.1. en 3.2.1.0.2. van dezelfde Codex van
B. WAALSE GEWEST

Art. 304/1.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, gebeurt de terugbetaling van de in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen rekening houdend met de voor dit doel aan de administratie meegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of, voor de natuurlijke personen en bij gebrek aan dergelijke bankgegevens, per postassignatie of internationaal mandaat.
Vanaf 1 december 2025, luidt artikel 304/1, § 1, als volgt : § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, gebeurt de terugbetaling van de in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten terug te geven bedragen rekening houdend met de voor dit doel aan de administratie meegedeelde bankgegevens die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken.

§ 2. Wanneer het terug te betalen bedrag aan een natuurlijke persoon minder bedraagt dan 50 euro en voor zover aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken, of voor zover aan de administratie niet kenbaar werd gemaakt dat de belastingplichtige over geen enkele bankrekening beschikt, wordt de terugbetaling, in afwijking van paragraaf 1, tot het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, verricht door aanwending overeenkomstig het artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004.
Wanneer bij het verstrijken van het einde van het derde jaar dat volgt op dat in de loop waarvan het recht op terugbetaling is ontstaan, aan de administratie voor dit doel geen bankgegevens werden meegedeeld die de uitvoering van de terugbetaling mogelijk maken of aan deze niet kenbaar werd gemaakt dat de belastingplichtige over geen enkele bankrekening beschikt en dat het terug te betalen bedrag, geheel of gedeeltelijk, niet kon worden terugbetaald overeenkomstig het eerste lid, wordt het terug te betalen bedrag of het saldo ervan, in afwijking van artikel 304, niet terugbetaald. 906

Art. 304bis. Voor zover hiervan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van deze titel die van toepassing zijn op de roerende voorheffing, van toepassing op de belasting en de aanvullende belasting op participaties in het kapitaal en in de winst, bedoeld in Titel VII van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
De toegekende premie bedoeld in artikel 117 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de werknemer.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in Titel VII, een Hoofdstuk I/1 ingevoegd, luidend als volgt :
Digitalisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de belastingplichtigen en bepaalde derden
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304ter ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 304nonies. Art. 304nonies
Voor de toepassing van titel VII, hoofdstuk
I/1, wordt verstaan onder "bericht": alle
schriftelijke mededelingen betreffende de rechten
en plichten opgenomen in dit Wetboek, in de
bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de
inkomstenbelastingen of in de ter uitvoering ervan
genomen besluiten, inclusief de briefwisseling,
formulieren en verzendingen van gegevens,
ongeacht de gebruikte drager.



Art. 304octies. Wanneer een document elektronisch wordt ondertekend door de opsteller of opstellers, gebeurt die ondertekening minstens door middel van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Wanneer een document elektronisch wordt ondertekend door middel van het stelsel voor elektronische identificatie aangemeld door België overeenkomstig artikel 9.1. van de Verordening (EU) nr. 910/2014, wordt die ondertekening beschouwd als gekwalificeerd in de zin van artikel 3.12. van die Verordening.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304nonies ingevoegd, luidend als volgt :
Art. 304nonies Voor de toepassing van titel VII, hoofdstuk I/1, wordt verstaan onder "bericht": alle schriftelijke mededelingen betreffende de rechten en plichten opgenomen in dit Wetboek, in de bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, inclusief de briefwisseling, formulieren en verzendingen van gegevens, ongeacht de gebruikte drager.



vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet-inwoners.

Art. 304quater. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, wordt elk bericht aan de Federale Overheidsdienst Financiën dat uitgaat van een persoon die houder is van een ondernemingsnummer, verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform.
Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, wordt elk bericht van de Federale Overheidsdienst Financiën aan een persoon die houder is van een ondernemingsnummer, verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304quinquies ingevoegd, luidend als volgt : 909

Art. 304quinquies. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, zal een bericht wanneer dat bericht niet verzonden kan worden door middel van een beveiligd elektronisch platform ingevolge overmacht, worden verzonden onder gesloten omslag.
Wanneer een persoon zich niet heeft kunnen identificeren bij een beveiligd elektronisch platform omdat het beveiligd elektronisch platform technisch niet geconfigureerd is om deze persoon toe te staan er verbinding mee te maken, wordt het bericht eveneens onder gesloten omslag verzonden.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304sexies ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 304septies. De rechtsgevolgen van een bericht verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform of onder gesloten omslag zijn dezelfde. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304octies ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 304sexies.

§ 1. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, wordt elk bericht door een persoon verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform, onmiddellijk ter beschikking gesteld op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën. De datum van de terbeschikkingstelling geldt als datum van de ontvangst van het bericht door de Federale Overheidsdienst Financiën.
Elk bericht door de Federale Overheidsdienst Financiën verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform bevat in het opschrift van het bericht op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën een datum van terbeschikkingstelling van het bericht. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen is het, voor elk bericht verzonden of ontvangen door middel van een beveiligd elektronisch platform, de derde werkdag die volgt op de datum van terbeschikkingstelling in het opschrift van het bericht op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën die het vertrekpunt zal zijn van de termijnen die van toepassing zijn voor het vervullen van de rechten en plichten in dit Wetboek, in de bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen of in de tot uitvoering ervan genomen besluiten.
Wanneer een bericht wordt verzonden door de Federale Overheidsdienst Financiën door middel van een beveiligd elektronisch platform en wanneer de datum van terbeschikkingstelling van het bericht in het opschrift van het bericht op het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën en de datum van verzending van het bericht verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform verschillend zijn, zal de datum die het voordeligst is voor de betrokken persoon het vertrekpunt van de termijn zijn.

§ 2. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, is het de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van het bericht verzonden of ontvangen onder gesloten omslag, die het vertrekpunt zal zijn van de termijnen die van toepassing zijn voor het vervullen van de rechten en plichten in dit Wetboek, in de bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen of in de tot uitvoering ervan genomen besluiten.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304septies ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 304ter.

§ 1. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, wordt elk bericht aan de Federale Overheidsdienst Financiën dat uitgaat van een natuurlijk persoon die geen houder is van een ondernemingsnummer, verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform voor zover hij er expliciet voor gekozen heeft om met de Federale Overheidsdienst Financiën langs elektronische weg te communiceren. Bij het ontbreken van een uitdrukkelijke verklaring overeenkomstig het eerste lid, wordt elk bericht onder gesloten omslag verzonden.
Wanneer het bericht aan de Federale Overheidsdienst Financiën dat uitgaat van een belastingplichtige, natuurlijk persoon, betrekking heeft op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, en slechts een van de twee gehuwden of wettelijk samenwonenden expliciet gekozen heeft om langs elektronische weg met de Federale Overheidsdienst Financiën te communiceren, wordt het bericht aan de Federale Overheidsdienst Financiën altijd onder gesloten omslag verzonden.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de uitwisselingsprocedure van berichten via elektronische weg.

§ 2. Behoudens indien de wettelijke of reglementaire bepalingen anders bepalen, wordt elk bericht van de Federale Overheidsdienst Financiën aan een natuurlijk persoon die geen houder is van een ondernemingsnummer verzonden door middel van een beveiligd elektronisch platform voor zover hij er expliciet voor gekozen heeft om met de Federale Overheidsdienst Financiën langs elektronische weg te communiceren.
Bij het ontbreken van een uitdrukkelijke verklaring overeenkomstig het eerste lid, wordt elk bericht onder gesloten omslag verzonden.
Wanneer het bericht van de Federale Overheidsdienst Financiën aan een belastingplichtige, natuurlijk persoon, betrekking heeft op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, en slechts een van de twee gehuwden of wettelijk samenwonenden expliciet gekozen heeft om langs elektronische weg met de Federale Overheidsdienst Financiën te communiceren, wordt het bericht altijd onder gesloten omslag verzonden naar beide echtgenoten of beide wettelijk samenwonenden.. § 3. De keuze van een natuurlijk persoon die geen houder is van een ondernemingsnummer om langs elektronische weg met de Federale Overheidsdienst Financiën te communiceren gebeurt door de uitdrukkelijke en voorafgaande aanvaarding van het elektronische communicatieproces met de Federale Overheidsdienst Financiën door middel van een beveiligd elektronisch platform. Deze voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming moet vrij, weloverwogen en ondubbelzinnig zijn. De natuurlijk persoon die geen houder is van een ondernemingsnummer kan zijn instemming op elk moment intrekken. Het bericht zal dan voor de toekomst onder gesloten omslag worden verstuurd en deze intrekking van toestemming zal onmiddellijk van kracht worden.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt een artikel 304quater ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 305. Belastingplichtigen die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, zomede de in artikel 227 beoogde belastingplichtigen waarvoor overeenkomstig de artikelen 232 tot 234 en 248, §§ 2 en 3 de belasting wordt gevestigd, zijn gehouden ieder jaar aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 305, eerste lid als volgt:
Belastingplichtigen die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, zomede de in artikel 227 beoogde belastingplichtigen waarvoor overeenkomstig de artikelen 232 tot 234 en 248, §§ 2 en 3 de belasting wordt gevestigd, zijn gehouden ieder jaar aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen een aangifte te verzenden in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt in artikel 305, tussen het eerste en tweede lid, een nieuw tweede, derde en vierde lid ingevoegd, luidend als volgt : De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, moeten hun aangifte langs elektronische weg indienen vanaf een datum vastgesteld door de Koning voor alle of bepaalde categorieën van houders van een ondernemingsnummer.
De belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting en aan de belasting van niet- inwoners overeenkomstig artikel 227, 1°, die, overeenkomstig artikel 304ter, § 3, het elektronische communicatieproces met de Federale Overheidsdienst Financiën door middel van een beveiligd elektronisch platform uitdrukkelijk aanvaard hebben of die, overeenkomstig artikel 304quater, de verplichting hebben om te communiceren langs elektronische weg met de Federale Overheidsdienst Financiën door middel van een beveiligd elektronisch platform, zijn verplicht om hun aangifte eveneens elektronisch in te dienen.
De Koning bepaalt de indieningsmodaliteiten.
Indien de belastingplichtige overleden of wettelijk onbekwaam is, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, in het tweede geval op de wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de zonder vereffening ontbonden vennootschappen in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing of een andere ontbinding zonder verdeling van het gehele maatschappelijke vermogen, rust de verplichting tot aangifte naargelang het geval op de overnemende vennootschap of op de verkrijgende vennootschappen. Bij de andere ontbonden vennootschappen rust deze verplichting op de vereffenaars. Belastingplichtigen die niet kunnen lezen, noch ondertekenen, mogen hun aangifte laten invullen door de personeelsleden van de aanslagdienst waaronder zij ressorteren, mits zij de vereiste inlichtingen verstrekken. In dat geval wordt van deze omstandigheid melding gemaakt in de aangifte en wordt deze ondertekend door het personeelslid die ze ingevuld heeft.
De aangiften mogen ook worden overgelegd door een lasthebber, die alsdan van de algemene lastgeving krachtens welke hij optreedt moet doen blijken.

Art. 306.

§ 1. Volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning (1), bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van belastingplichtigen vrijstellen van de in artikel 305 vermelde aangifteplicht in de personenbelasting.


(1) art. 178, KB/WIB 92.
Die belastingplichtigen zijn niettemin verplicht een aangifte te doen wanneer hen dat uitdrukkelijk gevraagd wordt door een daartoe gemachtigd ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.

§ 2. Aan de belastingplichtigen die overeenkomstig § 1 van aangifteplicht zijn vrijgesteld wordt een voorstel van vereenvoudigde aangifte toegestuurd. Dit voorstel vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, zomede alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 306, § 2, eerste lid als volgt:

§ 2. Aan de belastingplichtigen die overeenkomstig § 1 van aangifteplicht zijn vrijgesteld wordt een voorstel van vereenvoudigde aangifte verzonden. Dit voorstel vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, zomede alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen. ----------
In afwijking van het eerste lid en volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, kan de Koning (1), bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gevallen bepalen waarin de administratie geen voorstel van vereenvoudigde


(1) art. 178/1, KB/WIB 92.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 306, § 2, tweede lid als volgt:
In afwijking van het eerste lid en volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, kan de Koning (1), bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gevallen bepalen waarin de administratie geen voorstel van vereenvoudigde


(1) art. 178/1, KB/WIB 92.

§ 3. Indien de belastingplichtige niet akkoord gaat met het voorstel van vereenvoudigde aangifte, dient hij de administratie daarvan binnen de maand na de datum van de verzending van dat voorstel in kennis te stellen met vermelding van zijn motieven.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 306, § 3, eerste lid, als volgt:

§ 3. Indien de belastingplichtige niet akkoord gaat met het voorstel van vereenvoudigde aangifte, dient hij de administratie daarvan binnen de maand na de datum van de verzending van dat voorstel in kennis te stellen met vermelding van zijn motieven via het daarvoor bestemde antwoordformulier.



Bovendien dient de belastingplichtige binnen dezelfde termijn iedere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van vereenvoudigde aangifte aan de administratie mede te delen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 306, § 3, tweede lid, als volgt:
Bovendien dient de belastingplichtige binnen dezelfde termijn iedere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van vereenvoudigde aangifte aan de administratie mede te delen via het daarvoor bestemde antwoordformulier.

§ 4. Het voorstel van vereenvoudigde aangifte, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in § 3 vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, heeft dezelfde waarde als een in de voorgeschreven vormen en termijnen gedane aangifte.
Indien de belastingplichtige evenwel de in § 3, tweede lid, vermelde verplichting niet heeft nageleefd wordt het voorstel van vereenvoudigde aangifte met een onvolledige of onjuiste aangifte gelijkgesteld.

Art. 307.

§ 1. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de door de Koning aangewezen dienst.

§ 1/1. De jaarlijkse aangifte in de personenbelasting moet het volgende vermelden : a) het bestaan van rekeningen van elke aard waarvan de belastingplichtige, zijn echtgenoot, alsmede de kinderen waarvan, overeenkomstig artikel 126, § 4, de inkomsten bij die van de ouders worden gevoegd, op enigerlei ogenblik tijdens het belastbaar tijdperk titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling, evenals van rekeningen waarvoor deze personen gemachtigd zijn geweest deze, op enigerlei ogenblik tijdens het belastbaar tijdperk, te beheren en waarvan één of meerdere in artikel 5/2 bedoelde verenigingen titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen bank-, wissel-, krediet- of spaar- instelling, en het land of de landen waar die rekeningen geopend zijn geweest;
b) het bestaan van de door de belastingplichtige of zijn echtgenoot alsmede door de kinderen waarover hij overeenkomstig artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek het ouderlijk gezag uitoefent, individueel gesloten levens- verzekeringsovereenkomsten bij een in het buitenland gevestigde verzekerings- onderneming en van het land of de landen waar deze overeenkomsten afgesloten werden;
c) het bestaan van een juridische constructie waarvan de belastingplichtige, zijn echtgenoot of de kinderen waarover hij het ouderlijk gezag uitoefent overeenkomstig artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij een oprichter van de juridische constructie is, hetzij tijdens het belastbaar tijdperk een dividend of op het even welke wijze enig ander voordeel van een juridische constructie heeft verkregen;
d) het aantal leningen bedoeld in artikel 21, eerste lid, 13°, die belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting hebben afgesloten in hun hoedanigheid van kredietgever; Ten laatste gelijktijdig met de indiening van de aangifte waarin het bestaan van in het eerste lid, a, bedoelde buitenlandse rekeningen wordt vermeld, moeten de nummers van die rekeningen, de benaming van de bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling en het land of de landen waar die rekeningen geopend zijn geweest, worden gemeld bij het in artikel 322, § 3, bedoelde centraal aanspreekpunt, tenzij die melding reeds is gebeurd in een vorig aanslagjaar. De Koning (1) bepaalt de nadere regels voor deze mededeling en de bewaringstermijn van de bedoelde gegevens. Het formulier van aangifte in de personenbelasting bevat de nodige rubrieken om het bestaan van buitenlandse rekeningen te melden en om te bevestigen dat de nummers van die rekeningen zijn aangemeld bij het genoemde aanspreekpunt.


(1) KB van 23.06.2019 – BS 08.07.2019
Wanneer een rijksinwoner artikel 21, eerste lid, 14°, wenst toe te passen voor dividenden waarvoor in toepassing van artikel 261 roerende voorheffing is ingehouden, vraagt hij de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling van die roerende voorheffing in zijn aangifte in de personenbelasting voor het belastbare tijdperk waarin die dividenden werden betaald of toegekend. Deze vraag wordt gestaafd met bewijsstukken, die ter beschikking worden gehouden van de administratie.
De Koning bepaalt de manier waarop het in het derde lid bedoelde bewijs wordt geleverd.

§ 1/2. De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de belasting van niet-inwoners, zijn gehouden aangifte te doen van alle betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen of vaste inrichtingen gevestigd of gelegen in een Staat, op bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij één van deze personen of vaste inrichtingen in een Staat, of op bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij kredietinstellingen gevestigd of met een vaste inrichting in een Staat die op het tijdstip waarop de betaling heeft plaatsgevonden: a) ofwel door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast;
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting;
c) ofwel is opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder Staat verstaan, een door de meerderheid van de leden van de Verenigde Naties erkende onafhankelijke Staat of een deel van deze Staat dat op autonome wijze bevoegd is om de grondslag of het tarief van de vennootschapsbelasting, geheel of gedeeltelijk, te bepalen en wordt onder een Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en :
- die geen vennootschapsbelasting heft, op inkomsten van binnenlandse oorsprong of van buitenlandse oorsprong of;
- waarvan het nominale tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct. of;
- waarvan het tarief van de vennootschapsbelasting dat met de werkelijke belastingdruk op inkomsten van buitenlandse oorsprong overeenstemt lager is dan 15 pct.
De lijst van Staten zonder of met een lage belasting wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze lijst wordt herzien bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De in het eerste lid bedoelde aangifte moet slechts worden gedaan voor zover het totaal van de betalingen die tijdens het belastbare tijdperk werden gedaan vermeerderd met de tijdens het belastbare tijdperk vastgestelde toename van de schulden aan de in het eerste lid bedoelde personen of vaste inrichtingen, een minimum bedrag van 100 000 euro bereikt. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning (1) wordt vastgesteld en gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid, bedoelde aangifte.


(1) KB van 26.04.2021 – BS 03.05.2021
De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting zijn eveneens gehouden in de aangifte het bestaan te melden van elke buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting, die in toepassing van artikel 185/2 § 3, als CFC wordt aangemerkt.
In het geval in de aangifte het bestaan wordt gemeld van een in artikel 185/2, § 3, bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2, § 3, als CFC wordt aangemerkt, wordt eveneens vermeld:
- de naam van de vennootschap;
- het adres van de zetel van bestuur of beheer van de vennootschap;
- in voorkomend geval het identificatienummer van deze vennootschap;
- in voorkomend geval het land waar de buitenlandse inrichting gelegen is;
- het in artikel 185/2, § 2, vijfde lid, bedoelde percentage;
- of de vrijstelling bedoeld in respectievelijk artikel 185/2, § 4, eerste streepje, tweede streepje of derde streepje wordt ingeroepen.
… § 1/3. De jaarlijkse aangifte in de rechtspersonenbelasting vermeldt het bestaan van een juridische constructie hetzij waarvan de belastingplichtige een oprichter is, hetzij waarvan de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk een dividend of op het even welke wijze enig ander voordeel heeft verkregen.

§ 1/4. In het geval in de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting het bestaan wordt vermeld van een juridische constructie, wordt in een bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting waarvan het model door de Koning wordt bepaald:
- de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het identificatienummer van de juridische constructie vermeld;
- de naam en het adres van de beheerder van deze juridische constructie vermeld, indien het een in artikel 2, § 1, 13°, a), bedoelde juridische constructie betreft;
- de in de aangifte opgenomen inkomsten uiteengezet die door elke juridische constructie afzonderlijk worden verkregen evenals het bedrag van het vermogen van de juridische constructie op het einde van het belastbare tijdperk, het deel van het vermogen dat door de oprichter werd ingebracht, de in artikel 18, eerste lid, 3° en 3° /1 bedoelde dividenden, die in de aangifte werden opgenomen, evenals deze die in toepassing van artikel 21, eerste lid, 12°, werden vrijgesteld en deze die niet in de aangifte moeten worden opgenomen omdat er roerende voorheffing op werd ingehouden. § 1/5. Wanneer een in artikel 227, 1°, bedoelde niet-inwoner, artikel 21, eerste lid, 14°, wenst toe te passen voor dividenden waarvoor in toepassing van artikel 261 roerende voorheffing is ingehouden en die werden betaald of toegekend in een belastbaar tijdperk waartoe ook inkomsten behoren die hij overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, regulariseert in een aangifte in de belasting van niet-inwoners, vraagt hij de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling van die roerende voorheffing in zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners voor het betreffende belastbare tijdperk. Deze vraag wordt gestaafd met bewijsstukken, die ter beschikking worden gehouden van de administratie.
De Koning bepaalt de manier waarop het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd.

§ 2. Het formulier wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 307, § 2, eerste lid, als volgt:

§ 2. Het formulier wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen. Ze geldt als gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte. Wanneer het formulier op papier wordt ingevuld, wordt dit gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend
Het aangifteformulier ingediend door de belastingplichtige, tijdens een bezoek ten kantore of op een tot dat doeleinde door de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën vastgestelde plaats, met behulp van een ambtenaar van die administratie, moet door de belastingplichtige worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend middels een digitale handtekening nadat de ambtenaar de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens heeft ingebracht in de computerbestanden van de administratie via tax- on-web.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 307, § 2, tweede lid, onveranderd.
Het aangifteformulier ingediend door de belastingplichtige, tijdens een bezoek ten kantore of op een tot dat doeleinde door de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën vastgestelde plaats, met behulp van een ambtenaar van die administratie, moet door de belastingplichtige worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend middels een digitale handtekening nadat de ambtenaar de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens heeft ingebracht in de computerbestanden van de administratie via tax- on-web.
De in het tweede lid bedoelde waarmerking, dagtekening en ondertekening aangebracht door de belastingplichtige zijn gelijkgesteld met de waarmerking, de dagtekening en ondertekening die op papier zijn gemaakt.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307, § 2, derde lid, opgeheven.

Indien echter het gebruik van het middel, waarmee de in het tweede lid bedoelde digitale handtekening wordt aangebracht, niet mogelijk is vanwege een storing in deze service, brengt de belastingplichtige de in het eerste lid bedoelde waarmerking, dagtekening en ondertekening aan op een papieren toestemmingsformulier, nadat de ambtenaar de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens heeft ingevoerd in de computerbestanden van de administratie via tax-on-web.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 307, § 2, vierde lid, onveranderd.
Indien echter het gebruik van het middel, waarmee de in het tweede lid bedoelde digitale handtekening wordt aangebracht, niet mogelijk is vanwege een storing in deze service, brengt de belastingplichtige de in het eerste lid bedoelde waarmerking, dagtekening en ondertekening aan op een papieren toestemmingsformulier, nadat de ambtenaar de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens heeft ingevoerd in de computerbestanden van de administratie via tax-on-web.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307, § 2, aangevuld met een vijfde lid, luidend als volgt:
De in het derde lid bedoelde waarmerking, dagtekening en ondertekening aangebracht door de belastingplichtige zijn gelijkgesteld met de waarmerking, de dagtekening en ondertekening die langs elektronische weg zijn uitgevoerd.

§ 2/1. Bij de aangifte in de vennootschapsbelasting en de belasting van niet- inwoners voor wat betreft belastingplichtigen zoals bedoeld in artikel 227, 2°, moet de jaarrekening zoals bedoeld in artikel 320/1 in bijlage worden aangehecht. Als de vennootschap gehouden is dergelijke jaarrekening te publiceren, moet de gepubliceerde jaarrekening niet bij de aangifte worden gevoegd. Zij wordt niettemin geacht deel uit te maken van de aangifte. § 2/2. Wanneer de belastingplichtige huurder is van een onroerend goed of houder is van een recht van opstal, van een recht van erfpacht of van een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed , met uitzondering van het onroerend goed dat overeenkomstig de pachtwetgeving of een vergelijkbaar buitenlands recht dat de pachtprijzen beperkt, is verhuurd en wordt gebruikt voor land- of tuinbouw, en de belastingplichtige een rechtspersoon is die ertoe gehouden is een aangifte in de inkomstenbelastingen in te dienen of een natuurlijke persoon is die de huurvergoedingen voor dat onroerend goed of de vergoedingen voor de vestiging of overdracht voor dat recht geheel of gedeeltelijk in aftrek brengt als werkelijke beroepskosten, moet de aangifte een bijlage met de volgende inlichtingen bevatten:
a) de identificatiegegevens van de verhuurder(s) of degene(n) die een opstalrecht, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht verleent (verlenen), per goed;
b) het adres van het onroerend goed of de onroerende goederen;
c) het bedrag van de huurvergoedingen en de vergoedingen voor een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed, die in het betrokken belastbaar tijdperk zijn betaald of toegekend, per goed;
d) wanneer de belastingplichtige een natuurlijke persoon is, het deel van de in c) bedoelde bedragen die als werkelijke beroepskosten zijn ingebracht;
e) wanneer de belastingplichtige onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of een in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige is, het bedrag van de huurvergoedingen en de vergoedingen voor een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed die in het betrokken belastbare tijdperk als beroepskosten zijn ingebracht.
De in het eerste lid, a), bedoelde identificatiegegevens zijn: a) wanneer het een natuurlijke persoon betreft:
- de naam, de voornaam en het volledige adres;
- desgevallend, het identificatienummer van het Rijksregister of van het wachtregister;
- desgevallend, het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
b) wanneer het een rechtspersoon betreft:
- de naam, het volledige adres van de maatschappelijke zetel;
- desgevallend, het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
- verhuurder: de persoon op wie de verplichtingen bedoeld in artikel 1719 van het Burgerlijk Wetboek rusten;
- huurvergoedingen: de huurprijs en de huurvoordelen die aan de verhuurder zijn verleend;
- vergoedingen voor een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed: de eigenlijke vergoedingen voor dat recht van opstal, recht van erfpacht of ander zakelijk gebruiksrecht en alle andere voordelen die uit hoofde van dat gebruiksrecht zijn toegekend aan de verlener ervan. Deze paragraaf is niet van toepassing op de huurvergoedingen en vergoedingen voor een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed die verbonden zijn aan de leveringen van goederen of diensten verricht door een belastingplichtige gevestigd op het grondgebied van de Gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein, waarvoor overeenkomstig het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of elke andere wettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige, een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld.
Het model van de in het eerste lid bedoelde bijlage wordt vastgesteld door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde.
Met als enig doel de verplichtingen van deze paragraaf na te komen, hebben de betrokken belastingplichtigen de toestemming om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of van het wachtregister te gebruiken om de verhuurders of personen die een opstalrecht, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht verlenen te identificeren. Dit nummer zal niet langer bewaard worden dan de duur voorzien in de artikelen 315 en 315bis.

§ 3. De bescheiden, opgaven en inlichtingen waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, vormen een integrerend deel van de
Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard ; andere bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend, behoudens indien zij uitgaan van derden.
De nomenclatuur en het model van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, opgaven en inlichtingen worden vastgesteld in overleg met de meest representatieve organisaties uit de nijverheid, de landbouw, de handel en het ambachtswezen en de meest representatieve werknemersorganisaties. § 4. De aangifte moet worden teruggezonden of afgegeven aan de dienst die op het formulier is vermeld. De aangifte in de personenbelasting moet worden teruggezonden aan de dienst die op het formulier is vermeld.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 307, § 4, als volgt:

§ 4. De aangifte moet worden verzonden aan de dienst die op het formulier is vermeld. De aangifte in de personenbelasting moet worden verzonden aan de dienst die op het formulier is vermeld.

§ 5. De belastingplichtige kan onder de door de Koning bepaalde voorwaarden de in het aangifteformulier gevraagde gegevens eveneens verstrekken bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307, § 5, opgeheven.

§ 5. …



Art. 307bis.

§ 1. De elektronische aangifte, door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte bedoeld in artikel 307, § 2.

§ 2. De bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte zijn van toepassing op de elektronische aangifte voorzover deze bepalingen omwille van hun aard of hun modaliteiten er niet strijdig zouden mee zijn. § 3. De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, moeten hun aangifte langs elektronische weg indienen.
De belastingplichtigen bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van de aangifte geschieden op papier.
De Koning bepaalt de modaliteiten met betrekking tot haar indiening. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307bis, opgeheven.
… ----------

Art. 308.

§ 1. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, inzake personenbelasting, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen ten laatste op 30 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending van het aangifteformulier. Indien de belastingplichtige opteert voor de in artikel 307bis bedoelde elektronische aangifte, moet hij deze ten laatste op 15 juli van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd indienen, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf ofwel de verzending ervan ofwel de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 308, § 1, eerste en tweede lid, als volgt:

§ 1. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, inzake personenbelasting, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld verzenden ten laatste op 30 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending van het aangifteformulier. Indien de belastingplichtige opteert voor de elektronische aangifte, moet hij deze ten laatste op 15 juli van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd verzenden, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld, verzenden binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf ofwel de verzending ervan ofwel de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën. ----------
De indieningsverplichting binnen de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen geldt eveneens voor de in artikel 305, tweede lid, beoogde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden met betrekking tot de aangifte voor het jaar van overlijden van de belastingplichtige.

§ 2. Voor wat betreft de aangifte voor een belastbaar tijdperk voorafgaand aan het jaar van overlijden van de belastingplichtige: indien de in § 1 en artikel 308/1 gestelde termijnen niet zijn verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te doen, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum, behalve indien de termijnen voorzien in paragraaf 1 en in artikel 308/1 later zijn.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 308, § 2, als volgt:

§ 2. Voor wat betreft de aangifte voor een belastbaar tijdperk voorafgaand aan het jaar van overlijden van de belastingplichtige: indien de in § 1 en artikel 308/1 gestelde termijnen niet zijn verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te verzenden, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum, behalve indien de termijnen voorzien in paragraaf 1 en in artikel 308/1 later zijn.

§ 3. De in § 1, eerste lid, bedoelde belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 15 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier aanvragen.
Deze verplichting geldt niet voor de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 306 van de aangifteplicht zijn vrijgesteld.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 308, § 3, als volgt:

§ 3. De in § 1, eerste lid, bedoelde belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 304ter, niet uitdrukkelijk gekozen hebben voor de elektronische communicatie en die geen papieren aangifteformulier hebben ontvangen moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 15 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, er een aanvragen en, zo zulks nodig is, de termijn vermelden waarop zij in voorkomend geval ingevolge paragraaf 2 aanspraak kunnen maken.
Deze verplichting geldt niet voor de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 306 van de aangifteplicht zijn vrijgesteld.

§ 4. Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigen die er voor kiezen de aangifte voor het jaar van overlijden in te dienen op papier, geldt eveneens de verplichting opgenomen in paragraaf 3, eerste lid.
Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden die er voor kiezen de aangifte voor een jaar voorafgaand aan het jaar van overlijden in te dienen op papier, dient het aangifteformulier aangevraagd te worden binnen een termijn van vier maand te rekenen vanaf het overlijden van de belastingplichtige. In dit geval moet, indien nodig, de termijn vermeld worden waarop ze in voorkomend geval ingevolge paragraaf 2 aanspraak kunnen maken.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 308, § 4, als volgt:

§ 4. Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigen die er voor kiezen de aangifte voor het jaar van overlijden te verzenden op papier, geldt eveneens de verplichting opgenomen in paragraaf 3, eerste lid. Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden die er voor kiezen de aangifte voor een jaar voorafgaand aan het jaar van overlijden te verzenden op papier, dient het aangifteformulier aangevraagd te worden binnen een termijn van vier maand te rekenen vanaf het overlijden van de belastingplichtige. In dit geval moet, indien nodig, de termijn vermeld worden waarop ze in voorkomend geval ingevolge paragraaf 2 aanspraak kunnen maken.



Art. 308/1. In afwijking van artikel 308, § 1, beschikken de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting en, in voorkomend geval de in artikel 305, tweede lid, bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, die opteren voor de in artikel 307bis bedoelde elektronische aangifte en die tijdens het inkomstenjaar waarop het aanslagjaar betrekking heeft:
- buitenlandse beroepsinkomsten hebben verkregen of
- de in artikel 23, § 1, 1° en 2°, beoogde inkomsten hebben verkregen en die geen gebruik maken van de forfaitaire grondslagen bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid, of
- in de gevallen bedoeld in artikel 126, § 2, de in artikel 30, 3°, beoogde inkomsten hebben verkregen van de andere echtgenoot die belast wordt op in artikel 23, § 1, 1° en 2° bedoelde inkomsten zonder gebruik te maken van de forfaitaire grondslagen bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid, of
- de in artikel 30, 2°, beoogde inkomsten verkregen hebben,
tot en met 16 oktober van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd om hun aangifte tijdig in te dienen. In afwijking van het eerste lid wordt de aangiftetermijn verlengd zodat deze minimaal vijf maanden is vanaf de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte van het aanslagjaar op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
In afwijking van artikel 308, § 1, eerste lid, beschikken de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting, die de in de artikel 23, § 1, 1°, bedoelde inkomsten verkrijgen en die gebruik maken van de forfaitaire grondslagen bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid, en, in voorkomend geval, hun erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, tot en met 15 januari van het jaar volgend op het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd om hun aangifte in te dienen.
In afwijking van artikel 308, § 1, eerste lid, beschikken de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting, die, in de gevallen bedoeld in artikel 126, § 2, de in artikel 30, 3°, bedoelde inkomsten verkrijgen van hun echtgenoten die gebruik maken van de forfaitaire grondslagen bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid, en, in voorkomend geval, de in artikel 305, tweede lid, bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, tot en met 15 januari van het jaar volgend op het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd om hun aangifte in te dienen.

Art. 309. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen waarvoor de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet- inwoners, vóór 31 december zijn weggevallen, zijn eveneens gehouden aan de aanslagdienst waaronder zij ressorteren een aangifteformulier te vragen voor het gedeelte van het jaar waarvan die gronden aanwezig waren.

In het geval van het eerste lid moet de aangifte bij de daarop vermelde dienst toekomen binnen drie maanden na de dag waarop de gronden van belastbaarheid zijn weggevallen. 935

Art. 310. Voor binnenlandse vennootschappen of aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen, zomede voor belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 246 en 247 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, wordt de uiterste datum van indiening van de aangifte vastgesteld op de laatste dag van de zevende maand volgend op het afsluiten van het boekjaar. De aangifte dient te zijn gebaseerd op de goedgekeurde jaarrekening.
Bij de zonder vereffening ontbonden vennootschappen ten gevolge van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing, of een andere ontbinding zonder verdeling van het gehele maatschappelijke vermogen wordt de uiterste datum van indiening van de aangifte, na de goedkeuring van deze verrichting door de algemene vergaderingen van alle vennootschappen die tot de verrichting hebben beslist, vastgesteld op de laatste dag van de zevende maand volgend op de maand waarin de verrichting plaatsvond.
Voor de andere ontbonden ondernemingen, wordt de uiterste datum van indiening van de aangifte, na goedkeuring van ofwel de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar dat eindigt door de ontbinding ofwel de vereffeningsrekeningen, vastgesteld op de laatste dag van de zevende maand volgend op de laatste dag van het tijdperk waarop de rekeningen betrekking hebben.
In afwijking van de eerste drie leden wordt de uiterste datum van indiening van de aangifte vastgesteld op 30 september van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, indien het belastbaar tijdperk van de betrokken vennootschap of rechtspersoon eindigt in de periode vanaf 31 december van het jaar voorafgaand aan het betrokken aanslagjaar tot en met de laatste dag van februari van het betrokken aanslagjaar. 936

Art. 311. De administrateur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of zijn gedelegeerde kunnen afwijkingen van de in de artikelen 306 en 308 tot 310 gestelde termijnen toestaan.
De administrateur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of zijn gedelegeerde kan een uitstel van de in de artikelen 306 en 308 tot 310 gestelde termijnen verlenen in het geval van ernstige reden of overmacht.
De Koning kan bijkomende toepassingsregels vastleggen met het oog op het bepalen in welke omstandigheden een ernstige reden kan worden ingeroepen alsook aangaande de wijze waarop uitstel aangevraagd moet worden.
voorheffing, bedrijfsvoorheffing en vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

Art. 312. De Koning bepaalt (1) de wijze waarop de schuldenaars van roerende voorheffing en van bedrijfsvoorheffing aangifte moeten doen.
De Koning bepaalt eveneens de wijze, de periodiciteit van de aangifte die moet gedaan worden door de genieters en de voorwaarden van de terugbetaling van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
De Koning kan bepalen dat de in het tweede lid bedoelde aangifte, voor elk van de werknemers of sommige van deze werknemers van wie de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is in het belastbare tijdperk waarop de aangifte betrekking heeft niet of niet volledig aan de Schatkist wordt doorgestort, het volgende moet vermelden:
a) de identificatiegegevens van elk van deze werknemers, zoals door de Koning bepaald, met inbegrip van zijn nationaal nummer; b) het bedrag of bedragen van de in het belastbare tijdperk, periodiek betaalde of toegekende bezoldigingen die als grondslag hebben gediend voor de vaststelling van de bedrijfsvoorheffing;
c) het bedrag of de bedragen van de op deze bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorhef- fing;
d) per vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk vastgesteld naar gelang de aard ervan:
- de door de Koning vastgestelde code die betrekking heeft op de aard van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing;
- het door de Koning omschreven bedrag of bedragen die ofwel de grondslag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing omvatten, ofwel de betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen omvatten waarop de bedrijfsvoorhef- fing werd ingehouden die geheel of gedeeltelijk niet in de Schatkist moet worden gestort;
- het bedrag of bedragen van de bedrijfsvoorheffing die niet in de Schatkist moeten worden gestort.


(1) art. 83 tot 95, KB/WIB 92. bepaalde inkomsten uit kapitalen en bepaalde diverse inkomsten aan te geven.

Art. 313. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, bedoelde inkomsten te vermelden waarvoor daadwerkelijk roerende voorheffing werd ingehouden of waarvoor een fictieve roerende voorheffing verrekenbaar is krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen, noch die welke krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld, behalve indien het gaat om :

1° inkomsten uit hypothecaire schuld- vorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op in het Belgisch Scheepsregister ingeschreven schepen, met uitsluiting van inkomsten uit hypothecaire obligaties ;

2° in artikel 17, § 1, 3°, vermelde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen ;

3° in artikel 17, § 1, 4°, vermelde inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten ;

4° in artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten verkregen uit de overdracht of de verlening van een licentie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld;

5° in artikel 19, § 1, eerste lid, 2°, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend ;

6° in artikel 21, eerste lid, 5°, 10° en 13°, vermelde inkomsten in zoverre zij meer bedragen dan de aldaar bepaalde grenzen en voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere. De roerende voorheffing op de aldus niet aangegeven inkomsten wordt noch met de personenbelasting verrekend, noch terugbetaald.
Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 307, § 1/1, derde lid, wordt de roerende voorheffing niet met de personenbelasting verrekend, noch terugbetaald, wanneer de belastingplichtige beroepsinkomsten verwerft die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.
belastingplichtige.

Art. 314.

§ 1. Aan de belastingplichtigen die aan de in artikel 1 vermelde belastingen zijn onderworpen, wordt door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen een fiscaal identificatienummer toegekend.
Voor natuurlijke personen stemt dit fiscaal nummer overeen met hun identificatienummer in het Rijksregister van de natuurlijke personen.
Wanneer natuurlijke personen beschikken over een ondernemingsnummer toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen, wordt dit nummer ook als fiscaal identificatienummer gebruikt voor alles wat hun ondernemingsactiviteit aanbelangt.
Het fiscaal identificatienummer van de rechtspersonen stemt overeen met hun ondernemingsnummer toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Het fiscaal identificatienummer van de natuurlijke personen en van de rechtspersonen die geen ondernemingsnummer hebben, wordt toegekend en gebruikt volgens de regels bepaald door de Koning. § 2. Het in § 1, tweede lid, bedoelde fiscaal identificatienummer van de natuurlijke personen mag worden gebruikt onder de voorwaarden en tot de doeleinden bepaald in het koninklijk besluit van 25 april 1986 waarbij sommige overheden van de Federale Overheidsdienst Financiën gemachtigd worden om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken en in het ministerieel besluit van 27 maart 1987 waarbij sommige ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen gemachtigd worden om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken.
Het ondernemingsnummer van de natuurlijke personen en de rechtspersonen mag worden gebruikt onder de voorwaarden en tot de doeleinden bepaald bij de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.

§ 3. Behalve het in § 2, eerste lid, bedoelde gebruik mag het in § 1, tweede lid, bedoelde fiscaal identificatienummer van de natuurlijke personen worden gebruikt, alleen als identificatiemiddel, in de hierna vermelde externe betrekkingen welke nodig zijn voor de uitvoering van de wets- en verordeningsbesluiten waarmede de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen is belast :

1° met de houder van dat nummer of diens wettelijk vertegenwoordigers ;

2° met de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden indien de houder van dat nummer overleden is ;

3° met de lasthebbers aan wie de houder van dat nummer een algemene lastgeving inzake inkomstenbelastingen heeft verleend, op voorwaarde dat de houder van dat nummer zijn schriftelijke toestemming geeft aan de lasthebber.
Deze toestemming kan op ieder ogenblik worden ingetrokken ; de intrekking ervan heeft slechts uitwerking voor de toekomst ; 4° met de openbare overheden of de instellingen gemachtigd krachtens artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen ;

5° met de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die ertoe gehouden zijn informatie te verstrekken omtrent de houder van dat identificatienummer, in het kader van de verplichtingen welke hun zijn opgelegd door een wets- of verordeningsbepaling betreffende de inkomstenbelastingen ;

6° met de in artikel 328 bedoelde diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen die met het oog op het verstrekken van bepaalde voordelen, inkomstengetuigschriften aanvragen betref- fende de fiscale toestand van de houder van dat nummer.
De hier vermelde personen, instellingen en verenigingen mogen slechts over dat nummer beschikken voor de uitvoering van de bedoelde verplichtingen.

§ 4. Wanneer de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen aan een derde uitvoering toevertrouwt van werken die nodig zijn voor het vervullen van taken waarmede zij is belast, is de voormelde administratie gemachtigd, uitsluitend voor de uitvoering van die werken :

1° aan die derde de in toepassing van het koninklijk besluit van 27 september 1984, waarbij aan sommige overheden van de Federale Overheidsdienst Financiën toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen informatiegegevens mede te delen welke voor het uitvoeren van die werken noodzakelijk zijn ;

2° alleen als identificatiemiddel het fiscaal identificatienummer te gebruiken. Onder "derde" dient te worden verstaan elke Belgische onderneming die een opdracht van algemeen belang vervult en door de Koning (1) bij name is aangewezen om mededeling te verkrijgen van de nodige gegevens, uitsluitend voor de uitvoering van die werken. ------------------------------ (1) art. 180 en 181, KB/WIB 92.
Deze derden mogen slechts over de beoogde informatiegegevens en over het fiscaal identificatienummer beschikken gedurende de tijd die nodig is voor de uitvoering van die werken en uitsluitend tot dat doel.

§ 5. Inbreuken op de bepalingen van de § 2, eerste lid, en van de §§ 3 en 4 vormen een overtreding van artikel 9 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en kunnen worden gestraft overeenkomstig artikel 13 van die wet.

§ 6. Onverminderd de regels betreffende het verplicht gebruik van het ondernemingsnummer, zijn aan de verplichting tot het vermelden van het fiscaal identificatienummer van de natuurlijke personen onderworpen :

1° de openbare overheden en instellingen bedoeld in § 3, eerste lid, 4°, in hun betrekkingen met de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen telkens zij ertoe gehouden zijn inlichtingen te verstrekken omtrent de houder van dat identificatienummer ; 2° de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich bevinden in de toestand bedoeld in § 3, eerste lid, 5°, en die verplicht zijn gebruik te maken van het identificatienummer van de natuurlijke personen ingevolge de koninklijke besluiten van 5 december 1986 tot regeling in de sociale sector van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen. De Koning kan, in de door Hem bepaalde gevallen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de verplichting tot het vermelden van het fiscaal identificatienummer uitbreiden tot de natuurlijke personen en rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich in de in § 3, eerste lid, 5°, vermelde omstandigheden bevinden. § 7. De niet-naleving van de bepalingen van § 6 wordt bestraft overeenkomstig artikel 445.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 314, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.1.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 314bis. De door de belastingplichtigen ingediende aangiften bedoeld in de afdelingen I en II van dit
en verantwoordingsstukken, die door de administratie die bevoegd is voor de vestiging van de inkomstenbelastingen, fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 944 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 314bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.1.0.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 945

Art. 315. Eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet- inwoners is verplicht de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen.
De verplichting tot voorlegging :

1° omvat, voor rijksinwoners, de boeken en bescheiden betreffende de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, vermelde rekeningen, levensverzekeringsovereenkomsten en juridische constructies ;

2° strekt zich uit, voor vennootschappen, tot de registers van de aandelen en obligaties op naam, alsmede tot de presentielijsten van de algemene vergaderingen.

3° omvat, voor rechtspersonen, de boeken en bescheiden betreffende de in artikel 307, § 1/3, vermelde juridische constructies ;

4° omvat, voor de in artikel 307, § 1/1, d), vermelde belastingplichtigen, de boeken en bescheiden betreffende de in artikel 21, eerste lid, 13°, vermelde leningen.
Behoudens wanneer zij door het gerecht in beslag genomen zijn, of behoudens afwijking toegestaan door de administratie, moeten de boeken en bescheiden aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden vastgesteld, ter beschikking van de administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privélokaal van de belastingplichtige waar die boeken en bescheiden werden gehouden, opgesteld of toegezonden, tot het verstrijken van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk. ----------
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 315, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 315bis. De natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat om de boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 315, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, zijn eveneens verplicht, op verzoek van de administratie, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten, ter inzage voor te leggen.
De op de informatiedragers geplaatste gegevens moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.
Wanneer de administratie hen erom verzoekt, zijn de in het eerste lid bedoelde personen verplicht op hun uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopies te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens, alsook de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen. Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, heeft de voorlegging van boeken en bescheiden bedoeld in artikel 315 eerste lid, voor de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, eveneens betrekking op de terbeschikkingstelling van die boeken en bescheiden via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 315bis, vierde lid, als volgt:
Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, heeft de voorlegging van boeken en bescheiden bedoeld in artikel 315 eerste lid, voor de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, eveneens betrekking op de terbeschikkingstelling van die boeken en bescheiden via het beveiligd elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De bepalingen van artikel 315, derde lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook op de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten. In afwijking van deze bepalingen verstrijkt de bewaartermijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat, op het einde van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk waarin het in die gegevens omschreven systeem werd gebruikt.
De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.

Art. 315quater. De relevante belastingplichtige, bedoeld in artikel 326/1, 5°, is gehouden alle informatie die hij zelf, dan wel middels zijn intermediair, in toepassing van artikelen 326/1 tot en met 326/9 heeft gemeld of diende te melden, aan de Administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, voor te leggen, met inbegrip van de onderliggende documenten die zij voor of na de melding van diens intermediair heeft ontvangen, of die zij zelf heeft opgesteld met betrekking tot de meldingsplichtige constructie.

Art. 315quinquies. De platformexploitant bedoeld in artikel 321quater, 4° of 5°, moet de administratie op haar verzoek en op elektronische wijze alle informatie en documenten bezorgen die nodig zijn om na te gaan of de verplichtingen die krachtens de artikelen 321quinquies tot en met 321octies op hem rusten, worden nageleefd.
De platformexploitant die verklaart een uitgesloten platformexploitant te zijn in de zin van artikel 321quater, 3°, bezorgt de administratie op haar verzoek en op elektronische wijze alle informatie en documenten die nodig zijn om na te gaan of hij een uitgesloten platformexploitant is in de zin van artikel 321quater, 3°.

Art. 315ter. De ambtenaren van de administratie bevoegd voor de inkomstenbelastingen hebben het recht om de boeken en bescheiden die overeenkomstig artikel 315 moeten worden voorgelegd, te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken en bescheiden nodig zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige of van derden te bepalen.
Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten.
De in het eerste lid bedoelde retentie maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal van retentie dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen. Een afschrift van dit proces- verbaal wordt binnen de vijf werkdagen volgend op de retentie aan de in het eerste lid bedoelde persoon uitgereikt.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 315bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 949

Art. 316. Onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet- inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 316,onveranderd
Onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet- inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 316, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit an 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 317. De in de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid, 315ter en 316 bedoelde verificaties en vragen om inlichtingen mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen en de aldus ingewonnen inlichtingen kunnen eveneens worden ingeroepen met het oog op het belasten van derden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 951 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 317, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 318. In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de toepassing van de artikelen 315, 315bis, 315ter en 316, is de administratie niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis, 315ter en 316 uitgevoerd onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld door de Minister van Financiën (1) een ambtenaar met een titel van ten minste attaché ermee belasten uit de rekeningen boeken en documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde belastingen te bepalen.


(1) art. 2, MB 29.08.2006 - BS 05.09.2006 art. 1, MB 05.07.2012 - BS 13.07.2012 ed. 2
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 952 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 318, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 319. Natuurlijke of rechtspersonen zijn gehouden aan de ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen welke als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen, ten einde aan die ambtenaren enerzijds de mogelijkheid te verschaffen de aard en de belangrijkheid van de bedoelde werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen van alle aard welke die personen er bezitten of er uit enigen hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de installaties en het rollend materieel en anderzijds de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken.
De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, voorzien van hun aanstellingsbrief, mogen, wanneer zij met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid en waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank. De voormelde ambtenaren, voorzien van hun aanstellingsbewijs, mogen door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen als vermeld in artikel 315bis, derde lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 319, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 319bis.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 319bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.2.7. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 954

Art. 320.

§ 1. Personen die een vrij beroep, een ambt of een post uitoefenen zijn gehouden voor elke in geld, per check of op andere wijze gedane inning van honoraria, commissielonen, bezoldigingen, terugbetalingen van kosten of andere beroeps- ontvangsten, een gedagtekend en ondertekend ontvangstbewijs af te leveren dat gelijktijdig in origineel en duplo wordt opgesteld en dat wordt getrokken uit een boekje waarvan het model en de wijze waarop de bedoelde belastingplichtigen ervan worden voorzien, worden vastgesteld door de Minister van Financiën (1) ; deze kan : -------------------- (1) MB van 17.12.1998 – BS 30.12.1998 (4 MB) 18.12.2001 – BS 25.12.2001 (4 MB) 28.03.2003 – BS 04.04.2003 (4 MB) 15.05.2007 – BS 23.05.2007 (4 MB) 23.04.2009 – BS 30.04.2009, ed. 3 23.05.2012 – BS 01.06.2012 (2 MB) 27.12.2013 – BS 02.01.2014 22.12.2015 – BS 28.12.2015, ed. 2 (5 MB) 02.05.2019 – BS 13.05.2019

1° onder door hem bepaalde voorwaarden, de verplichting opheffen, of wel voor bepaalde ontvangsten een ontvangstbewijs af te leveren, of wel op het ontvangstbewijs de naam van de schuldenaar van de geïnde sommen te vermelden ;

2° voor zekere categorieën van de bedoelde personen de vermelding op het ontvangstbewijs van alle gegevens of de inlassing van alle formules voorschrijven die nuttig blijken om de ontvangsten en de uitgaven van die belastingplichtigen na te zien.
Onverminderd de bepalingen en de bevoegdheden van de minister, zoals omschreven in het eerste lid, mogen het ontvangstbewijs en het getuigschrift voor verstrekte hulp die de personen die medische en paramedische beroepen uitoefenen als bedoeld in het koninklijk besluit nr. van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies dienen uit te reiken aan de gerechtigden om deze laatsten in staat te stellen te genieten van de tussenkomst voorzien in de Z.I.V.- reglementering, niet van elkaar worden gescheiden. § 2. De in § 1 vermelde personen houden daarenboven een dagboek dat dag voor dag het bedrag aanwijst, eensdeels van de uit hun ontvangstbewijsboekje overgebrachte ontvangsten en anderdeels van alle andere ontvangsten of voordelen waarvoor zij ervan ontslagen zijn een ontvangstbewijs af te leveren, zomede de uiteenzetting van hun behoorlijk verantwoorde beroepsuitgaven.
Het model van het dagboek wordt vastgesteld door de Minister van Financiën (1) die de inschrijving van voor sommige gevallen nuttig geoordeelde aanvullende gegevens oplegt en die zekere categorieën van de hiervoor bedoelde personen van de dagelijkse inschrijving in het dagboek van hun ontvangsten en uitgaven kan ontslaan en die inschrijving op een ander tijdstip kan bepalen.
Met uitzondering van een dagboek gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide bladzijden met voorgedrukte paginanummering, dient het dagboek, vóór het wordt gebruikt, te worden genummerd en geparafeerd door een bevoegde ambtenaar belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.


(1) MB van 17.12.1998 – BS 30.12.1998 (4 MB) 18.12.2001 – BS 25.12.2001 (4 MB) 28.03.2003 – BS 04.04.2003 (4 MB) 15.05.2007 – BS 23.05.2007 (4 MB) 23.04.2009 – BS 30.04.2009, ed. 3 23.05.2012 – BS 01.06.2012 (2 MB) 27.12.2013 – BS 02.01.2014 22.12.2015 – BS 28.12.2015, ed. 2 (3 MB) 02.05.2019 – BS 13.05.2019



956

Art. 320/1. Elke binnenlandse vennootschap, alsook elke in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die winst in de zin van artikel 228, § 2, 3°, voortbrengt door middel van een in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting is ertoe gehouden, met het oog op het bepalen en het nazien van zijn fiscale toestand, een boekhouding te voeren, een inventaris op te stellen en een jaarrekening bij te houden overeenkomstig het Belgische boekhoudrecht dat van toepassing is op ondernemingen die aan dat recht zijn onderworpen, een gelijkaardige rechtsvorm hebben en dezelfde activiteit uitoefenen. Indien de belastingplichtige aan de belasting der niet-inwoners onderworpen is, zijn deze verplichtingen beperkt tot de verrichtingen, bezittingen, rechten, vorderingen, schulden, verplichtingen van welke aard ook die verbonden zijn aan bovenvermelde Belgische inrichting. Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt de binnenlandse vennootschap, die door een buitenlands recht wordt beheerst, gelijkgesteld met een commanditaire vennootschap als tenminste een van de vennoten aansprakelijk is voor de schulden van de venootschap in minstens dezelfde mate als een beherende vennoot.
De Koning kan de volledige of gedeeltelijke vrijstellingen van de in het eerste lid bedoelde boekhoudkundige verplichtingen voorzien, in de mate dat deze niet noodzakelijk zijn voor de controle en vaststelling van de belastbare basis.

Art. 321. Onverminderd de bepalingen van artikel 320, kan de Minister van Financiën (1) eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet- inwoners, alsmede de verenigingen, instellingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid, de verplichting opleggen boeken te houden of documenten en formulieren te bezigen waarvan hij het model en het gebruik bepaalt en die hij hetzij voor de controle van hun ontvangsten of hun uitgaven, hetzij voor de controle van de ontvangsten of de uitgaven van derden nodig acht.


(1) MB van 17.12.1998 – BS 30.12.1998 (5 MB) 18.12.2001 – BS 25.12.2001 (5 MB) 28.03.2003 – BS 04.04.2003 (5 MB) 15.05.2007 – BS 23.05.2007 (5 MB) 23.02.2009 – BS 11.03.2009, ed. 2 31.03.2009 – BS 10.04.2009, ed. 2 23.04.2009 – BS 30.04.2009, ed. 3 23.05.2012 – BS 01.06.2012 (2 MB) 27.12.2013 – BS 02.01.2014 22.12.2015 – BS 28.12.2015, ed. 2 (5 MB) 02.05.2019 – BS 13.05.2019
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 321, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 1.1.0.0.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
verplichtingen inzake verrekenprijzen

Art. 321/1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :

1° de uitdrukking "groep" : een verzameling ondernemingen die door eigenaarschap of controle op zulkdanige manier verbonden zijn dat ze ofwel op grond van de geldende boekhoudkundige regels een geconsolideerde jaarrekening moet opmaken voor de financiële verslaggeving, ofwel dit zou moeten doen indien aandelenbelangen in een van de ondernemingen zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt;

2° de uitdrukking "onderneming" : elke vorm van bedrijfsuitoefening door elke persoon zoals die is bedoeld in artikel 338, paragraaf 2, 13°, b., c. en d.; 3° de uitdrukking "multinationale groep" : elke groep die twee of meer ondernemingen omvat die van een verschillend rechtsgebied inwoner zijn, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend;

4° de uitdrukking "groepsentiteit" :
a) elke afzonderlijke entiteit van een multinationale groep die opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep voor de financiële verslaggeving, of die in die jaarrekening zou opgenomen worden indien aandelenbelangen in dergelijke entiteit van een multinationale groep op een gereglementeerde markt zouden verhandeld worden;
b) elke dergelijke entiteit die enkel op grond van omvang of materieel belang niet opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep; en
c) elke vaste inrichting van elke afzonderlijke entiteit van de multinationale groep die onder punt a) of b) hierboven valt, op voorwaarde dat de entiteit voor die vaste inrichting een afzonderlijke jaarrekening opmaakt met het oog op de financiële verslaggeving, op het naleven van de reglementering, op het aangeven van de belastingen of op interne beheerscontrole;

5° de uitdrukking "gereglementeerde markt" : een markt in de zin van artikel 2, laatst gewijzigd door de wet van 25 april 2014, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;

6° de uitdrukking "Belgische groepsentiteit" : elke groepsentiteit die fiscaal inwoner is van België; 7° de uitdrukking "rapporterende entiteit" : de groepsentiteit die, in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is, namens de multinationale groep een landenrapport moet indienen. De rapporterende entiteit kan de uiteindelijke moederentiteit zijn, de surrogaatmoederentiteit, of elke andere entiteit die is omschreven in paragraaf 2 van artikel 321/2;

8° de uitdrukking "uiteindelijke moeder- entiteit" : een groepsentiteit van een multinationale groep die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) ze bezit middellijk of onmiddellijk een belang in een of meer andere groepsentiteiten van die multinationale groep dat voldoende groot is om verplicht te zijn een geconsolideerde jaarrekening op te maken op grond van de boekhoudkundige regels die over het algemeen van toepassing zijn in het rechtsgebied waar die entiteit fiscaal inwoner is, of om verplicht te zijn dit te doen indien haar aandelenbelangen in het rechtsgebied waar ze haar fiscale woonplaats heeft, zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt, en
b) geen andere groepsentiteit van die multinationale groep bezit middellijk of onmiddellijk een belang in de eerstgenoemde groepsentiteit zoals omschreven in alinea a) hierboven;

9° de uitdrukking "surrogaatmoederentiteit" : een groepsentiteit van de multinationale groep die door die multinationale groep werd aangewezen als enige plaatsvervanger voor de uiteindelijke moederentiteit om namens die multinationale groep het landenrapport in te dienen, wanneer een of meer van de in artikel 321/2, § 2, eerste lid opgenoemde voorwaarden van toepassing zijn; 10° de uitdrukking "rapporteringsperiode", gebruikt in verband met een multinationale groep : de periode waarvoor de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep haar geconsolideerde jaarrekening opmaakt;

11° de uitdrukking "internationaal akkoord" : de Multilaterale overeenkomst inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van 25 januari 1988, elk bilateraal of multilateraal belastingverdrag of elk akkoord inzake de uitwisseling van belastinggegevens waarbij België partij is en die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, daaronder begrepen de automatische uitwisseling van die gegevens;

12° de uitdrukking "kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten" : een akkoord :
a) dat gesloten is tussen gemachtigde vertegenwoordigers van België en rechtsgebieden buiten de Europese Unie die partij zijn bij een internationaal akkoord, en
b) dat de automatische uitwisseling vereist van landenrapporten tussen de rechtsgebieden die partij zijn;

13° de uitdrukking "geconsolideerde jaarrekening" : de jaarrekening van een multinationale groep waarin de activa, passiva, de opbrengsten, de kosten en, in voorkomend geval, de kasstromen van de uiteindelijke moederentiteit en van de groepsentiteiten weergegeven zijn als die van een enkele economische entiteit; 14° de uitdrukking "systematische nalatigheid", gebruikt in verband met een rechtsgebied : het feit dat een rechtsgebied een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten heeft met België, maar dat dit rechtsgebied om andere redenen dan die welke in overeenstemming zijn met de bepalingen van dat akkoord, die automatische uitwisseling opgeschort heeft, dan wel anderszins stelselmatig nagelaten heeft om aan België automatisch de landenrapporten te bezorgen die het in zijn bezit heeft en die multinationale groepen betreffen die groepsentiteiten hebben in België;

15° de uitdrukking "landenrapport" : een rapport dat de volgende elementen bevat :
a) verzamelde informatie over het bedrag van de opbrengsten en van de winst of verlies vóór inkomstenbelasting, over de betaalde inkomstenbelasting, in de enkelvoudige jaarrekening opgenomen nog verschuldigde inkomstenbelasting, het gestorte kapitaal, de gereserveerde winst, het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, en alle activa met uitzondering van liquiditeiten, geldbeleggingen met een vervaldatum korter dan drie maanden dewelke niet onderhevig zijn aan significante waardeschommelingen, immateriële vaste activa en aandelen geboekt binnen de financiële vaste activa, en dit voor elk rechtsgebied waarin de multinationale groep actief is;
b) een identificatie van elke groepsentiteit van de multinationale groep met vermelding van het rechtsgebied waarvan die groepsentiteit inwoner is, en indien verschillend, het rechtsgebied op grond van wiens wetgeving die groepsentiteit werd opgericht, en de aard van de voornaamste bedrijfsactiviteit of -activiteiten van die groepsentiteit; 16° de uitdrukking "bedrijfseenheid" : elk
Belgische groepsentiteit gegroepeerd rond een bepaalde activiteit, productgroep of technologie.

Art. 321/2.

§ 1. Elke Belgische groepsentiteit die de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode.

§ 2. Een Belgische groepsentiteit die niet de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen, dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode van de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is, indien een van de volgende voorwaarden vervuld is :
- de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep is in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is niet verplicht om een landenrapport in te dienen; of
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode heeft het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is geen in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is; of
- de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen heeft aan de Belgische groepsentiteit laten weten dat er sprake geweest is van systematische nalatigheid vanwege het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is. De Belgische groepsentiteit zal aan haar ultieme moederentiteit verzoeken om haar al de nodige informatie te verschaffen teneinde te voldoen aan haar verplichtingen om een landenrapport in te dienen. Indien een Belgische groepsentiteit desondanks niet alle vereiste informatie verkregen of verworven heeft om voor de multinationale groep te rapporteren, zal de Belgische groepsentiteit een landenrapport indienen met alle verkregen of verworven informatie waarover zij beschikt, en zal zij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen ervan in kennis stellen dat de uiteindelijke moederentiteit geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen. De Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen zal alle lidstaten van de Europese Unie, alsook de Europese Commissie, op de hoogte brengen van die weigering.
Wanneer meerdere groepsentiteiten van dezelfde multinationale groep fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie, en een of meer van de in het eerste lid uiteengezette voorwaarden vervuld zijn, mag de multinationale groep een van die groepsentiteiten aanwijzen om :
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode het landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode, en
- de belastingadministratie waar het landenrapport wordt ingediend kennis te geven van het feit dat die indiening gebeurt teneinde gevolg te geven aan de indieningsvereisten die gelden voor al de groepsentiteiten van die multinationale groep die fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie. Wanneer een groepsentiteit niet alle informatie kan verkrijgen of verwerven die vereist is voor het indienen van een landenrapport, zal die groepsentiteit niet in aanmerking komen om te worden aangewezen als rapporterende entiteit voor de multinationale groep zoals omschreven in het voorafgaande lid. Deze regel doet geen afbreuk aan de verplichting van de groepsentiteit om de lidstaat waarvan zij inwoner is in kennis te stellen van het feit dat de uiteindelijke moedermaatschappij geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen.

§ 3. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, is een Belgische groepsentiteit niet verplicht om bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op enige rapporteringsperiode indien de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode een landenrapport ter beschikking stelt, dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode, via een surrogaat- moederentiteit die dat landenrapport indient bij de belastingautoriteit van het rechtsgebied waarvan zij inwoner is. Hierbij moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :
1. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, verplicht het indienen van een landenrapport;
2. uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode waarvoor het landenrapport moet ingediend worden, heeft het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is;
3. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, heeft de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen geen kennis gegeven van een systematische nalatigheid; 965 4. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, werd uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep door de groepsentiteit die fiscaal inwoner is van dat rechtsgebied op de hoogte gebracht van het feit dat die groepsentiteit de surrogaatmoederentiteit is; en
5. er werd aan de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een kennisgeving bezorgd in overeenstemming met artikel 321/3, § 2.

§ 4. De verplichtingen in voorgaande paragrafen gelden voor multinationale groepen die, voor de rapporteringsperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de laatste afgesloten rapporteringsperiode, een totaal van 750 miljoen euro of meer geconsolideerde bruto- groepsopbrengsten behalen zoals dat tot uiting komt in de geconsolideerde jaarrekening van die groep voor die voorafgaande rapporteringsperiode.

§ 5. Het landenrapport wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de wijze van indiening door de Koning (1) wordt vastgesteld.


(1) KB van 28.10.2016 – BS 02.12.2016 en toelichting BS 02.12.2016, err. 14.08.2017

Art. 321/3.

§ 1. Elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, zal de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen laten weten of zij de uiteindelijke moederentiteit dan wel de surrogaatmoederentiteit of de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, en dit uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep (2). ------------------------------ (1) KB van 15.10.2018 – BS 24.10.2018

§ 2. Wanneer een Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, noch de uiteindelijke moederentiteit noch de surrogaatmoederentiteit is noch de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, zal ze uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen op de hoogte brengen van de identiteit en de woonplaats van de rapporterende entiteit.

§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde inlichtingen die moeten worden verstrekt door een Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, moeten worden meegedeeld binnen de in paragrafen 1 en 2 voorziene termijn voor zover deze inlichtingen verschillen van deze die werden meegedeeld met betrekking tot de voorgaande rapporteringsperiode.

Art. 321/4.

§ 1. Een Belgische groepsentiteit moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een groepsdossier indienen dat betrekking heeft op die laatst afgesloten rapporteringsperiode.

§ 2. In het groepsdossier wordt een overzicht gegeven van de multinationale groep, inclusief de aard van de bedrijfsactiviteiten, de immateriële vaste activa, de intra-groep financiële verrichtingen en de geconsolideerde financiële en fiscale positie van de multinationale groep, haar algehele verrekenprijspolitiek en haar wereldwijde allocatie van haar inkomsten en economische activiteiten om belastingadministraties te ondersteunen bij de beoordeling van de aanwezigheid van een verrekenprijsrisico. § 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening :
- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeels- bestand van 100 voltijdse equivalenten.

§ 4. Het groepsdossier wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de indieningsmodaliteiten door de Koning (1) wordt vastgesteld.


(1) KB van 28.10.2016 – BS 02.12.2016 en toelichting BS 02.12.2016, err. 14.08.2017

Art. 321/5.

§ 1. Een Belgische groepsentiteit, dient bij haar aangifte een lokaal dossier in met betrekking tot het boekjaar waarop die aangifte betrekking heeft.

§ 2. Het lokaal dossier bestaat uit een formulier waarin informatie opgenomen is met betrekking tot de lokale entiteit en een gedetailleerd inlichtingenformulier aangaande de verrekenprijsanalyse van de verrichtingen tussen de lokale entiteit en de buitenlandse entiteiten van de multinationale groep, in het bijzonder de relevante financiële informatie van deze verrichtingen, de vergelijkbaarheidsstudie en de selectie en de toepassing van de meest aangewezen verrekenprijsmethode.

§ 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening : - een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeels- bestand van 100 voltijdse equivalenten.
Het inlichtingenformulier bij het lokaal dossier dient slechts ingevuld te worden wanneer voor ten minste één van de bedrijfseenheden binnen de Belgische groepsentiteit de drempelwaarde van een totaal van 1 000 000 euro aan grensoverschrijdende transacties met groepsentiteiten werd overschreden in het laatste afgesloten boekjaar. In dat geval moet het inlichtingenformulier ingevuld worden voor elke bedrijfseenheid die deze drempelwaarde overschrijdt.

§ 4. Het lokale dossier moet ingediend worden in een formulier waarvan het model door de Koning (1) werd vastgesteld.


(1) KB van 28.10.2016 – BS 02.12.2016 en toelichting BS 02.12.2016, err. 14.08.2017

Art. 321/6. Het landenrapport zal gebruikt worden voor het beoordelen van grote verrekenprijsrisico's en van andere risico's die verband houden met de uitholling van de belastbare grondslag en met winstverschuiving, daaronder begrepen het risico dat leden van de multinationale groep waarvoor regels in verband met verrekenprijzen van toepassing zijn, die regels niet naleven en, waar aangewezen, ook voor het maken van een economische en statistische analyse. Aanpassingen van de verrekenprijzen, mogen niet louter gebaseerd zijn op het landenrapport. Niettegenstaande het voorafgaande, is het niet verboden om het landenrapport als basis te gebruiken om in het kader van een controle verder onderzoek te verrichten naar de verrekenprijsafspraken van de multinationale groep of naar andere belastingaangelegenheden, van een groepsentiteit met als gevolg dat passende correcties mogen gemaakt worden aan het belastbaar inkomen van een groepsentiteit. 969

Art. 321/7. Voor de toepassing van deze afdeling en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten kan de rapportage van de daarin bedoelde formulieren, naast de gebruikelijke landstalen, ook in het Engels gebeuren.
Voor elk ander gebruik van de formulieren dan de rapportage voorzien onder deze afdeling of een daaruit volgende controle, moet, indien vereist, een vertaling in een van de Belgische landstalen, al dan niet door een beëdigd vertaler, door de belastingplichtige ingediend worden.
beleggingsinstellingen

Art. 321bis. De beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, 24°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of in analoge bepalingen van buitenlands recht, en de beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, 12°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders of in analoge bepalingen van buitenlands recht, moeten inzonderheid, volgens de door de Koning vastgestelde regels, per categorie het bedrag opgeven van de toegekende of uitgekeerde inkomsten. 970

Art. 321decies. De rapporterende platformexploitanten bewaren de in artikel 321quinquies, § 9, beoogde registers en de overeenkomstig artikelen 321quinquies en 321sexies verkregen en verstrekte persoonsgegevens gedurende de bewaartermijn van de boeken en documenten vastgesteld in de artikelen 315 en 315bis. In voorkomend geval worden deze gegevens na deze periode bewaard indien dit noodzakelijk is voor de behandeling van een geschil.
De belastingadministratie bewaart de persoonsgegevens die haar zijn verstrekt overeenkomstig artikel 321sexies voor de periode waarin zij, krachtens de artikelen 333 en 354, de belasting kan vestigen en onderzoeken kan instellen. In voorkomend geval worden deze gegevens na deze periode bewaard indien dit noodzakelijk is voor de behandeling van een geschil.
… 991

Art. 321nonies. Art. 321nonies
De Koning bepaalt de modellen van de
formulieren, de verzendingsmodaliteiten aan de
FOD Financiën voor het verstrekken van de in
artikel 321sexies, § 5 bedoelde inlichtingen, de te
volgen modaliteiten zodat de platformexploitant
kan worden beschouwd als uitgesloten in de zin
van artikel 321quater, 3°, de te volgen modaliteiten
zodat de platformexploitant België kan aanduiden
met het oog op het voldoen van zijn
rapportageverplichtingen overeenkomstig artikel
321sexies, § 1, tweede lid, alsook de modaliteiten
zodat de platformexploitant de in artikel 321sexies,

§§ 6 en 7 bedoelde mededelingen kan uitvoeren.

Art. 321octies. Indien een verkoper de rapporterende platformexploitant niet de inlichtingen verstrekt zoals vereist in artikel 321quinquies, § 1, na twee aanmaningen die zijn gedaan na het eerste verzoek dat door de rapporterende platformexploitant is verzonden, maar niet voor het verstrijken van een termijn van 60 dagen, sluit de rapporterende platformexploitant de rekening van de verkoper af en voorkomt hij dat die verkoper zich opnieuw zou registreren op het platform of houdt hij de betaling in van de tegenprestatie die bedoeld is voor de verkoper zolang de verkoper niet de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt. Art. 321nonies De Koning bepaalt de modellen van de formulieren, de verzendingsmodaliteiten aan de FOD Financiën voor het verstrekken van de in artikel 321sexies, § 5 bedoelde inlichtingen, de te volgen modaliteiten zodat de platformexploitant kan worden beschouwd als uitgesloten in de zin van artikel 321quater, 3°, de te volgen modaliteiten zodat de platformexploitant België kan aanduiden met het oog op het voldoen van zijn rapportageverplichtingen overeenkomstig artikel 321sexies, § 1, tweede lid, alsook de modaliteiten zodat de platformexploitant de in artikel 321sexies, §§ 6 en 7 bedoelde mededelingen kan uitvoeren.

Art. 321quater. Art. 321quater van het WIB 92 zoals ingevoegd door
artikel 15 (lees 16) van de wet houdende dringende
diverse fiscale en fraudebestrijding bepalingen van
20.12.2020 en zoals deze bestond alvorens
vervangen geworden te zijn door artikel 4 van
huidige wet, is van toepassing tot en met 31.03.2023
(art. 17, W 21.12.2022)
(vervanging) - op 01.01.2023 (art. 18)
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
(wijziging) - op 31.12.2024 (art. 19)
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
- op 31.12.2024 (art. 19)
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
- op 31.12.2024 (art. 19)
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2023 (art. 18)
(opheffing) - op 31.12.2024 (art. 19)
tekst wordt § 1 - op 01.07.2011 (art. 57)
(invoeging)
- niet vermeld dus 10 dagen na de publicatie in het BS, (invoeging)
d.w.z. vanaf 09.01.2012
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 16.04.2012
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 08.07.2013 (invoeging)
- op de dag van bekendmaking in het BS (art. 202, 1e
lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 16.05.2016 (wijziging)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 17.07.2017
- op 01.01.2018 (art. 100, 2e lid)
(invoeging tussen - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS,
lid en 2e lid) d.w.z. vanaf 10.04.2018
Deze afdeling voorziet in de omzetting van de
Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van
06.12.2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
wat betreft toegang tot anti-witwasinlichtingen door
belastingautoriteiten (art. 82).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 26.07.2018 5e lid (opheffing)
2e lid (invoeging tussen - niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS,
en 2e lid) d.w.z. vanaf 01.04.2019
dat 3e lid wordt
(wijziging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de 2° (wijziging)
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(vervanging) - op 31.12.2020 (art. 21)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 07.02.2022
1e lid en 1e lid wordt - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen (invoeging)
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van (wijziging)
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
- op de attesten die moeten worden uitgereikt met (invoeging)
betrekking tot de betalingen vanaf aj. 2017 met het
oog op het bekomen van een belastingvoordeel als
1451, 14524, 14537 bedoeld in de artikelen 2° en 3°, § 3,
14542, 14546ter 14546quinquies, tot tot 526, § 2, en 539
van het WIB 92 (art. 93)
- op de attesten die worden uitgereikt met betrekking (invoeging)
tot de betalingen vanaf aj. 2020 met het oog op het
14549 bekomen van de in artikel van het WIB 92
bedoelde belastingvermindering (art. 26, 3e lid)
- van toepassing op de attesten die moeten worden (wijziging)
uitgereikt met betrekking tot de betalingen vanaf (opheffing)
aanslagjaar 2026 met het oog op het bekomen van
een belastingvoordeel voor individueel gesloten
levensverzekeringscontracten en hypothecaire
leningsovereenkomsten (art. 14, 2e lid)
(vroegere 3e lid) - van toepassing vanaf 1 januari 2026 (art. 90, 6e lid)
- de dag van de bekendmaking van deze wet in het BS (invoeging)
en zijn van toepassing op de uitgaven voor
kinderoppas die worden gedaan vanaf 01.01.2021 (art.
12, 2e lid)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
- op de dag van hun bekendmaking in het Belgisch (invoeging)
Staatsblad en zijn van toepassing op de giften
gedaan vanaf 01.01.2024 (art. 69)
(invoeging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(wijziging) - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 14.07.2016
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(wijziging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(wijziging) - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand (invoeging)
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van (wijziging)
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
(wijziging) - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand (vervanging)
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen (invoeging)
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van (wijziging)
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
- op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(wijziging) - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
103/2022 van 15.09.2022 Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
van het Grondwette- inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
vernietigt artikel 326/7, § 3, bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
92, ingevoegd bij constructies waarvan de eerste stap is
de wet van 20 december geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
omzetting van Richtlijn Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
van de Raad van 25 grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
wijziging van Richtlijn op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
wat betreft verplichte
uitwisseling van
op belastinggebied met
tot meldingsplichtige
constructies »,
zij erin voorzien dat de
die gehouden is tot het
gesanctioneerde
zich niet kan
het beroepsgeheim ten
de periodieke
inzake marktklare
in de zin van artikel
het WIB 92, van artikel
het Wetboek der
hypotheek- en
van artikel 146nonies
Wetboek der successie-
van artikel 211bis/4 van
diverse rechten en
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
1/2024 van 11.01.2024 van
Hof vernietigt

§ 1, eerste lid, 1°, van
van de
1992,
bij de artikel 9 van de wet
december 2019 « tot
van Richtlijn (EU)
van de Raad van 25 mei
wijziging van Richtlijn
wat betreft verplichte
uitwisseling van
op belastinggebied met
tot meldingsplichtige
constructies »,
zij een advocaat die
intermediair verplichten
intermediair die niet
te informeren.
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
(invoeging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- de Koning regelt, bij in Ministerraad overlegd besluit,
de inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet
(art. 277)
- op de datum waarop art. 243 van de wet van
17.06.1991 (BS 09.07.1991) tot organisatie van de
openbare kredietsector en harmonisering van de
controle en de werkingsvoorwaarden van de
kredietinstellingen overeenkomstig art. 277 van
dezelfde wet in werking treedt (art. 38, § 2), m.n.
- voor het Centraal bureau voor Hypothecair Krediet
op 01.01.1996 (KB 18.08.1995 – BS 12.09.1995)
- voor de Nationale Kas voor het Beroepskrediet op
01.01.1993 (KB 19.08.1992 BS 09.09.1992)
- voor het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet op
01.01.1993 (KB 19.08.1992 – BS 09.09.1992)
- op 01.02.1996 (art. 9)
- niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 06.04.1999
- niet vermeld dus 10 dagen na de publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 05.07.1999
- op de dag van bekendmaking in het BS (art. 78, 1e lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 07.08.2006
- op 01.01.2011 (art. 61, 1e lid)
De Koning kan voor iedere bepaling van deze wet een
datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan
de in het 1e lid vermelde datum (art. 61, 2e lid)
- met ingang van 01.07.2011 (art. 11, 1e lid)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 10.02.2013
(wijziging) - op de dag van de publicatie in het BS (art. 99)
(wijzigingen) - op 01.01.2020 (art. 139, 1e lid)
De Koning kan voor iedere categorie van schuld- (wijziging)
vordering een vroegere datum van inwerkingtreding
bepalen (art. 139, 2e lid)
(wijziging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(vervanging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(wijziging) - met ingang van aj. 1992 (art. 91, 2e lid)
de Nederlandse tekst)
(wijziging) - op de dag van de publicatie in het BS (art. 99)
- niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS, (opheffing)
d.w.z. vanaf 06.04.1999
- voor zover de procedureregels wijzigen treedt art. 11 (wijziging)
in werking vanaf aj. 1999 (art. 97, 1e lid, 1e streepje)
(wijziging) - vanaf de dag van bekendmaking in het BS (art. 193)
(invoeging) - op de dag van bekendmaking in het BS (art. 15)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 17.07.2017
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 01.04.2019 (wijzigingen)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 10.07.2021
(wijziging) -op 01.04.2022 (art. 27, 2e lid)
(vervanging) - vanaf aj. 2023 (art. 102, 1e lid)
(invoeging tussen
lid en 3e lid)
(3e lid oud) (vervanging)
(vervanging) - vanaf aj. 2023 (art. 96)
(invoeging) - op 01.07.2011 (art. 57)
- op de 1e dag van de maand na die van publicatie in (vervanging)
het BS d.w.z. vanaf 01.12.2011 (art. 11, 1e lid)
(invoeging) - met ingang van 01.07.2011 (art. 11, 1e lid)
van art. 9, 2° van de
7.11.2011 houdende fiscale
bepalingen door Arrest
van 16.5.2013 van het
Hof

5° (wijziging) - met ingang van 01.07.2011 (art. 11, 1e lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 10.01.2014 (invoeging)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, 4° lid (vervanging)
d.w.z. vanaf 17.07.2017
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(wijziging) - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand (wijzigingen)
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen (wijzigingen)
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van (wijziging)
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke (wijziging)
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
(invoeging) - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 14.07.2016
(invoeging) - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 08.01.2018
(wijziging) - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
d.w.z. vanaf 08.01.2024
(wijziging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(invoeging) - met ingang van 01.01.1993 (art. 91, 5e lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 09.01.2010
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 09.01.2010
(wijziging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 91, 10e lid)
(invoeging tussen - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
en 3e lid) d.w.z. vanaf 06.04.1999
(wijziging)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
en 6e lid (wijzigingen) - op de dag van de publicatie in het BS (art. 99)
(invoeging tussen - niet vermeld dus 10 dagen na publicatie in het BS,
en 3e lid) d.w.z. vanaf 08.01.2018
(oud 4e lid)(wijziging)
(oud 5e lid)(wijziging)
(wijziging) - op 01.01.2020 (art. 139, 1e lid)
De Koning kan voor iedere categorie van schuld-
vordering een vroegere datum van inwerkingtreding
bepalen (art. 139, 2e lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (wijziging)
d.w.z. vanaf 10.07.2021
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 08.01.2024
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (invoeging)
d.w.z. vanaf 17.07.2017
- de Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na wordt § 2
overleg in de Ministerraad de inwerkingtreding van (invoeging)
dit artikel (art. 15, § 1).
inwerkingtreding - Artikel 12 van de wet van 17.05.2004 treedt in
werking de dag waarop de wet van 20 juni 2005 tot
wijziging van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 en van het Wetboek der
met het zegel gelijkgestelde taksen inzake de
wederzijdse van de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten op het gebied van de directe belastingen en
heffingen op verzekeringspremies, in het BS wordt
bekendgemaakt, d.w.z. op 24.06.2005 (art. 4, 2°)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(vervanging) - op de dag van publicatie in het BS (art. 8, 1e lid)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 07.06.2010
(vervanging) - met ingang van 01.01.2013 (art. 21)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (vervanging)
d.w.z. vanaf 21.08.2017 20° (invoeging)
6/3 (invoeging)
4e lid (invoeging)
- niet vermeld, dus 10 dagen na publicatie in het BS, (invoeging)
d.w.z. vanaf 10.04.2018
Deze afdeling voorziet in de omzetting van de
Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van
06.12.2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
wat betreft toegang tot anti-witwasinlichtingen door
belastingautoriteiten (art. 82).
en c) (vervanging) - op 01.01.2020 (art. 61, 1e lid)
Onverminderd het eerste lid moeten eveneens de (invoeging)
inlichtingen verstrekt worden over de in deze wet
bedoelde meldingsplichtige grensoverschrijdende
constructies waarvan de eerste stap is
geïmplementeerd tussen 25.06.2018 en 01.07.2020.
Deze inlichtingen over die meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies worden uiterlijk
op 31.08.2020 meegedeeld (art. 61, 2e lid).
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
(wijziging) - op 01.01.2025 (art. 219, 1e lid)
De Koning kan een inwerkingtreding voorafgaand
aan de in het eerste lid vermelde datum vastleggen
voor de verschillende bepalingen van deze wet (art.
219, 2e lid)
- opgeheven door art. 213, W 12.05.2024 (B.S.
30.05.2024)
en c) (vervanging) - op 01.01.2023 (art. 18)

23° (invoeging)
(wijziging)
(wijziging)
(vervanging)
(vervanging)
(vervanging)
(vervanging)
(wijziging)
(invoeging)
(invoeging)

1° (vervanging)
(vervanging)
(vervanging)
(wijziging)
VOORWERP INWERKINGTREDING
6 7
- voor alle of bepaalde categorieën van houders van (wijziging)
een ondernemingsnummer, evenals voor natuurlijke (wijzigingen)
personen, op een datum respectievelijk te bepalen
door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028 (art.
222)
- op 31.12.2024 (art. 19)
- de Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na (invoeging)
overleg in de Ministerraad de inwerkingtreding van
artikel 338bis, § 1, 4e lid en § 2 en § 3, (art. 15, § 1).
- Art. 1 van het KB 12.11.2008 houdende
inwerkingtreding van artikel 13 van de wet van
17.05.2004 tot omzetting in het Belgisch recht van
de Richtlijn 2003/48/EG van 03.06.2003 van de
Raad van de Europese Unie betreffende
belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de
vorm van rentebetaling en tot wijziging van het WIB
92 inzake de roerende voor-heffing (BS 20.11.2008
(ed. 2)), bepaalt dat voormeld art. 13 in werking
treedt met ingang van 20.11.2008.

Art. 321quinquies.

§ 1. De rapporterende platformexploitant als omschreven in artikel 321quater, 4°, stelt elke betrokken natuurlijke persoon in kennis van het feit dat de hem betreffende inlichtingen overeenkomstig deze afdeling en artikel 338, § 6/5, zullen worden verzameld en doorgegeven en verzamelt, voor elke verkoper natuurlijke persoon, alle volgende inlichtingen:
a) de naam en voornaam;
b) het hoofdadres;
c) elk aan die verkoper afgegeven TIN, met vermelding van elk rechtsgebied van afgifte, en, bij gebrek van het TIN, de geboorteplaats van die verkoper;
d) het btw-identificatienummer van die verkoper, indien van toepassing;
e) de geboortedatum.
Voor elke verkoper die de hoedanigheid van entiteit heeft, zonder een uitgesloten verkoper te zijn, als omschreven in artikel 321quater, 15°, a tot c, verzamelt de rapporterende platformexploitant alle volgende inlichtingen:
a) de handelsnaam;
b) het hoofdadres;
c) elk aan die verkoper afgegeven TIN, met de vermelding van elk rechtsgebied van afgifte;
d) in voorkomend geval, het btw- identificatienummer van deze verkoper;
e) het bedrijfsregistratienummer; f) het bestaan van elke vaste inrichting met behulp waarvan relevante activiteiten worden verricht in de Unie, in voorkomend geval, met aanduiding van elke lidstaat waar een vaste inrichting is gelegen.
In afwijking van het eerste en tweede lid, is de rapporterende platformexploitant niet verplicht de inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, b) tot e), en in het tweede lid, b) tot f), te verzamelen indien de inlichtingen gebaseerd zijn op een directe bevestiging van de identiteit en de woonplaats van de verkoper via een identificatiedienst die door een aan rapportering onderworpen rechtsgebied of door de Europese Unie beschikbaar is gesteld om de identiteit en de fiscale woonplaats van de verkoper vast te stellen.
In afwijking van de leden 1, c), en 2, c) en e), is de rapporterende platformexploitant niet verplicht het TIN of, naargelang het geval, het bedrijfsregistratienummer te verzamelen in de volgende gevallen:
a) Het rechtsgebied waarvan de verkoper een ingezetene is, geeft geen TIN of bedrijfsregistratienummer af aan de verkoper;
b) Het rechtsgebied waarvan de verkoper een ingezetene is, vereist niet dat het aan de verkoper afgegeven TIN wordt verzameld.

§ 2. Teneinde te bepalen of een verkoper kan beschouwd worden als een uitgesloten verkoper in de zin van artikel 321quater, 15°, a en b, kan de rapporterende platformexploitant zich baseren op de openbaar beschikbare informatie of een bevestiging van de verkoper die de hoedanigheid heeft van entiteit.
Teneinde te bepalen of een verkoper kan worden beschouwd als een uitgesloten verkoper in de zin van artikel 321quater, 15°, c en d, kan de rapporterende platformexploitant zich baseren op de registers waarover hij beschikt. § 3. De rapporterende platformexploitant bepaalt of de inlichtingen die zijn verzameld op grond van § 1, eerste lid en tweede lid, a) tot e) en van §§ 2 en 5, betrouwbaar zijn, door gebruik te maken van alle inlichtingen en documenten waarover hij in zijn registers beschikt, alsmede van elke elektronische interface die gratis beschikbaar is gesteld door een aan rapportering onderworpen rechtsgebied of door de Europese Unie teneinde de geldigheid van het TIN en/of van het btw- identificatienummer vast te stellen.
Niettegenstaande het vorige lid, kan de rapporterende platformexploitant voor de voltooiing van de due diligence-procedures overeenkomstig § 6, tweede lid, bepalen of de inlichtingen die zijn verzameld op grond van § 1, eerste lid, tweede lid a) tot e) en van §§ 2 en 5, betrouwbaar zijn door gebruik te maken van de inlichtingen en documenten waarover hij in zijn elektronisch doorzoekbare registers beschikt.
In toepassing van § 6, derde lid, b), en niettegenstaande het eerste en tweede lid van huidige paragraaf, ingeval de rapporterende platformexploitant redenen heeft om aan te nemen dat gegevens als bedoeld in § 1 of in § 5 onnauwkeurig kunnen zijn op basis van inlichtingen die zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van een aan rapportering onderworpen rechtsgebied naar aanleiding van een verzoek betreffende een specifieke verkoper, verzoekt hij de verkoper de gegevens die niet correct zijn gebleken, te corrigeren, en ondersteunende documenten, gegevens of inlichtingen te verstrekken die betrouwbaar zijn en afkomstig zijn uit een onafhankelijke bron, zoals:
a) een geldig identiteitsbewijs afgegeven door de nationale autoriteiten;
b) een recent certificaat van fiscale woonplaats. § 4. Een rapporterende platformexploitant beschouwt de verkoper als een ingezetene van het rechtsgebied waar deze verkoper zijn hoofdadres heeft. Indien het rechtsgebied waarvan de verkoper ingezetene is, verschillend is van het rechtsgebied waar het hoofdadres van de verkoper gelegen is, beschouwt de rapporterende platformexploitant de verkoper ook als een ingezetene van het rechtsgebied dat aan de verkoper een TIN heeft afgegeven, indien dit rechtsgebied eveneens een lidstaat is. Indien de verkoper inlichtingen heeft verstrekt in verband met het bestaan van een vaste inrichting op grond van § 1, tweede lid, f), beschouwt de rapporterende platformexploitant de verkoper ook als een ingezetene van die lidstaat die de verkoper heeft opgegeven.
Niettegenstaande het eerste lid, beschouwt de rapporterende platformexploitant de verkoper als een ingezetene van elk rapporterend rechtsgebied dat wordt bevestigd door een elektronische identificatiedienst die door een aan rapportering onderworpen rechtsgebied of door de Unie op grond van § 1, derde lid, beschikbaar is gesteld.

§ 5. Indien een verkoper een relevante activiteit bestaande uit de verhuur van onroerend goed verricht, verzamelt de rapporterende platformexploitant de adresgegevens van elke eigendomslijst en, voor zover toegekend, het respectieve kadasternummer of het equivalent daarvan in het nationale recht van het rechtsgebied waar het onroerend goed gelegen is. Indien een rapporterende platformexploitant meer dan 2.000 relevante activiteiten heeft gefaciliteerd door een eigendomslijst te verhuren voor dezelfde verkoper die de hoedanigheid van entiteit heeft, verzamelt de rapporterende platformexploitant ondersteunende documenten, gegevens of inlichtingen waaruit blijkt dat de eigendomslijst eigendom is van dezelfde eigenaar.

§ 6. De rapporterende platformexploitant voltooit uiterlijk op 31 december van de rapporteringsperiode de due diligence-procedures zoals bedoeld in de §§ 1 tot 5. In afwijking van het eerste lid, moeten voor verkopers die al op het platform waren geregistreerd op datum van 1 januari 2023 of op de datum waarop een entiteit een rapporterende platformexploitant wordt, de in §§ 1 tot 5 bedoelde due diligence-procedures worden voltooid uiterlijk op 31 december van de tweede rapporteringsperiode door de rapporterende platformexploitant.
Niettegenstaande het eerste lid, kan een rapporterende platformexploitant zich baseren op de due diligence-procedures die in eerdere rapporteringsperioden werden uitgevoerd, mits:
a) de in § 1, eerste en tweede lid, vereiste inlichtingen over de verkoper werden hetzij verzameld en geverifieerd, hetzij bevestigd, in de laatste 36 maanden; en
b) er voor de rapporterende platformexploitant geen redenen zijn om aan te nemen dat de inlichtingen die op grond van de §§ 1 en 5 zijn verzameld, niet of niet meer betrouwbaar of correct zijn.

§ 7. De rapporterende platformexploitant kan ervoor kiezen de in §§ 1 tot 6 bepaalde due diligence-procedures uitsluitend te voltooien voor actieve verkopers in de zin van artikel 321quater, 13°.

§ 8. Een rapporterende platformexploitant kan een beroep doen op een externe dienstverlener om de in dit artikel bedoelde due diligence- verplichtingen te vervullen, maar de verantwoordelijkheid ter zake blijft bij de rapporterende platformexploitant berusten.
Indien een platformexploitant de due diligence-verplichtingen vervult voor een rapporterende platformexploitant met betrekking tot hetzelfde platform overeenkomstig het eerste lid, voert die platformexploitant de due diligence- procedures op grond van de voorschriften van dit artikel uit. De verantwoordelijkheid voor het vervullen van de due diligence-verplichtingen blijft bij de rapporterende platformexploitant berusten. § 9. De platformexploitant houdt een register bij van de stappen die zijn genomen en van eventuele inlichtingen die zijn gebruikt voor de uitvoering van de due diligence-procedures en zijn rapportageverplichtingen aan de Belgische bevoegde autoriteit.

Art. 321septies.

§ 1. De rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 4°, b), registreert zich, indien hij niet heeft gekozen om zich in een andere lidstaat te registreren, bij de Belgische bevoegde autoriteit wanneer hij zijn activiteit als platformexploitant begint of uiterlijk op 31 maart 2023 indien hij deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van deze bepaling. § 2. De platformexploitant verstrekt aan de Belgische bevoegde autoriteit, voor zijn unieke registratie:
a) zijn naam;
b) zijn postadres;
c) zijn e-mailadres, met inbegrip van websites;
d) elk TIN dat hem zou zijn toegekend;
e) een verklaring met informatie over de identificatie van die rapporterende platformexploitant voor btw-doeleinden binnen de Unie, overeenkomstig titel XII,
2006/112 (EG) van de Raad;
f) de lidstaten waarvan de te rapporteren verkopers ingezetenen zijn, overeenkomstig artikel 321quinquies, § 4.

§ 3. De rapporterende platformexploitant stelt de Belgische bevoegde autoriteit in kennis van alle wijzigingen van de inlichtingen bepaald in § 2.

§ 4. De bevoegde autoriteit kent een individueel identificatienummer toe aan de rapporterende platformexploitant en deelt dit via elektronische weg mee aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

§ 5. Indien een rapporterende platformexploitant niet voldoet aan zijn rapportageverplichtingen zoals voorzien in artikel 321sexies, herroept de Belgische bevoegde autoriteit, na twee aanmaningen en het verstrijken van een termijn van ten minste 30 dagen en voor het verstrijken van een termijn van 90 dagen na de datum van de tweede aanmaning, de registratie van de rapporterende platformexploitant. § 6. De rapporterende platformexploitant waarvan de registratie werd herroepen overeenkomstig paragraaf 5 of door een andere lidstaat wordt slechts toegelaten om opnieuw te worden geregistreerd op voorwaarde van het leveren van voldoende waarborgen aan de Belgische bevoegde autoriteit van zijn engagement om zijn rapportageverplichtingen te vervullen, hieronder begrepen deze waaraan hij nog niet aan heeft voldaan in België of in de lidstaat waar hij voordien geregistreerd was.

§ 7. De Belgische bevoegde autoriteit verzoekt de Commissie om een rapporterende platformexploitant uit het centrale register te schrappen:
a) indien de platformexploitant de Belgische bevoegde autoriteit ervan in kennis stelt dat hij niet langer als platformexploitant actief is;
b) indien er, bij gebreke aan een kennisgeving bedoeld in de bepaling onder a), redenen zijn om te veronderstellen dat een platformexploitant zijn activiteiten heeft stopgezet;
c) indien de platformexploitant niet langer beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 321quater, eerste lid, 4° ;
d) indien de Belgische bevoegde autoriteit de registratie heeft herroepen op grond van paragraaf 5.

Art. 321sexies.

§ 1. Een rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 4°, a), verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de FOD Financiën de in § 5, vermelde inlichtingen met betrekking tot de rapporteringsperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt. Indien er meer dan één rapporterende platformexploitant is, is eenieder onder hen die overeenkomstig het nationale recht kan aantonen dat dezelfde inlichtingen door een andere rapporterende platformexploitant zijn verstrekt, vrijgesteld van de verplichting die inlichtingen te verstrekken.
Indien een rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 4°, a), in meer dan een lidstaat voldoet aan een van de daarin genoemde voorwaarden, kiest hij een van die lidstaten uit waarin hij aan de rapportageverplichtingen van dit artikel zal voldoen. De rapporterende platformexploitant die ervoor kiest om deze verplichtingen in België te voldoen geeft kennis van zijn keuze aan het geheel van bevoegde autoriteiten van de andere betrokken bevoegde lidstaten en verstrekt de in § 5 genoemde inlichtingen met betrekking tot de rapporteringsperiode aan de bevoegde autoriteit uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper is aangemerkt als een te rapporteren verkoper.
Indien er meer dan één rapporterende platformexploitant is, is eenieder onder hen die overeenkomstig het nationale recht kan aantonen dat dezelfde inlichtingen door een andere rapporterende platformexploitant zijn verstrekt in een andere lidstaat of in een bevoegd rechtsgebied buiten de Unie, vrijgesteld van de verplichting die inlichtingen te verstrekken. § 2. Een rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 4°, b), die in België geregistreerd is overeenkomstig artikel 321septies verstrekt de in § 5 genoemde inlichtingen met betrekking tot de rapporteringsperiode aan de Belgische bevoegde autoriteit, uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper is aangemerkt als een te rapporteren verkoper.
Niettegenstaande het voorafgaande lid, is een rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, 4°, b), niet verplicht de in § 5 bedoelde informatie te verstrekken met betrekking tot gekwalificeerde relevante activiteiten die vallen onder een van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten, die reeds voorziet in de automatische uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen met een lidstaat over te rapporteren verkopers die ingezetene zijn van die lidstaat.

§ 3. Een rapporterende platformexploitant verstrekt tevens de in § 5, 2) en 3) vermelde inlichtingen aan de te rapporteren verkoper waarop zij betrekking hebben, uiterlijk op 10 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper is aangemerkt als een te rapporteren verkoper.

§ 4. De inlichtingen met betrekking tot de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd in een fiduciaire valuta, worden verstrekt in de munt waarin zij is betaald of gecrediteerd. Ingeval de tegenprestatie is betaald of gecrediteerd in een andere vorm dan een fiduciaire valuta, worden de inlichtingen gerapporteerd in de lokale munt, omgezet of gewaardeerd op een door de rapporterende platformexploitant consistent vastgestelde wijze.
Inlichtingen over de tegenprestatie en andere bedragen worden verstrekt voor het kwartaal van de rapporteringsperiode waarin de tegenprestatie is betaald of gecrediteerd.

§ 5. Elke rapporterende platformexploitant verstrekt de volgende inlichtingen: 985 1) de naam, het adres van de hoofdzetel, het TIN en, in voorkomend geval, het door de Belgische bevoegde autoriteit overeen- komstig artikel 321septies toegewezen individueel identificatienummer van de rapporterende platformexploitant, alsook de handelsnamen van het (de) platform(s) waarover de rapporterende platform- exploitant rapporteert;
2) Met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die een andere relevante activiteit heeft verricht dan de verhuur van onroerend goed:
a) de inlichtingen die op grond van artikel 321quinquies verzameld moeten worden;
b) de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van het aan rapportering onderworpen rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is in de zin van artikel 321quinquies, § 4, niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
c) indien verschillend van de naam van de te rapporteren verkoper, bovenop de identificatiecode van de financiële rekening, de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
d) elk rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is in de zin van artikel 321quinquies, § 4; e) het totale bedrag van de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode, en het aantal relevante activiteiten waarvoor deze is betaald of gecrediteerd;
f) alle kosten, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode ingehouden of geheven werden;
3) Met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die een relevante activiteit bestaande uit de verhuur van onroerend goed heeft verricht:
a) de inlichtingen die op grond van artikel 321quinquies, verzameld moeten worden;
b) de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van het aan rapportering onderworpen rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is in de zin van artikel 321quinquies, § 4, niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
c) indien verschillend van de naam van de te rapporteren verkoper, bovenop de identificatiecode van de financiële rekening, de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
d) elk rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is in de zin van artikel 321quinquies, § 4; e) het adres van elke eigendomslijst, vastgesteld op basis van de procedures als omschreven in artikel 321quinquies, § 5, en het respectieve kadasternummer of het equivalent daarvan in het nationale recht van het rechtsgebied waar het goed gelegen is, in voorkomend geval;
f) het totale bedrag van de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode, en het aantal relevante activiteiten dat is verricht voor elke eigendomslijst;
g) alle kosten, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode ingehouden of geheven werden;
h) voor zover beschikbaar, het aantal dagen dat elke eigendomslijst werd verhuurd tijdens de rapporterings- periode en het type van elke eigendomslijst.

§ 6. Wanneer op grond van § 1, eerste lid, in fine en derde lid de rapporterende platformexploitant vrijgesteld is om de inlichtingen bedoeld in § 5 te verstrekken, verstrekt deze laatste aan de administratie de identiteit van de platformexploitant die reeds de mededeling heeft uitgevoerd die deze vrijstelling rechtvaardigt.

§ 7. Wanneer de platformexploitant geen enkele inlichting heeft te verstrekken over actieve verkopers of te rapporteren verkopers voor een bepaalde periode, dan vervolledigt deze laatste het mededelingsformulier in die zin.

Art. 321ter. De instellingen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen bezorgen jaarlijks via elektronische weg aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting voor elk van de in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen aan wie ze pensioenen betalen of toekennen die bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld, uiterlijk op het einde van de derde maand van het jaar volgend op dat waarin die pensioenen werden betaald of toegekend, een individuele fiche waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 321ter, eerste lid, als volgt:
De instellingen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen bezorgen jaarlijks aan de administratie die belast is met de vestiging van de belasting voor elk van de in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtigen aan wie ze pensioenen betalen of toekennen die bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld, uiterlijk op het einde van de derde maand van het jaar volgend op dat waarin die pensioenen werden betaald of toegekend, een individuele fiche waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald.
De individuele fiche bevat minstens de volgende gegevens : 1° de gegevens die toelaten de persoon aan wie het pensioen is betaald of toegekend, te identificeren en zijn woonplaats;

2° de identiteit van de werkgevers of vennootschappen die premies of bijdragen hebben betaald voor de opbouw van het pensioen;

3° het bedrag van het pensioen dat bij toepassing van artikel 230, eerste lid, 4° bis, is vrijgesteld.
Vanaf 9 januari 2021 wordt in Titel VII,
321quater ingevoegd, luidend als volgt :
Deze tekst treedt buiten werking op de dag waarop de richtlijn over administratieve samenwerking op belastinggebied in ons intern recht in werking treedt.
Art. 17 van de wet van 21.12.2022 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2021/514 van de Raad van 22.03.2021 tot wijziging van Richtlijn 2011/16 (EU) betreffende de administratieve samen- werking op het gebied van de belastingen (BS 30.12.2022) bepaalt dat art. 321quater van het WIB 92 zoals ingevoegd door artikel 15 (lees 16) van de wet houdende dringende diverse fiscale en fraudebestrijding bepalingen van 20.12.2020 en zoals deze bestond alvorens vervangen geworden te zijn door art. 4 van huidige wet van 21.12.2022, van toepassing blijft tot en met 31.03.2023.
platformexploitanten
Voor de toepassing van deze afdeling worden de volgende termen als volgt gedefinieerd: 1° "Platform": de term "platform" betekent elke software, met inbegrip van een website of daarvan en toepassingen waaronder mobiele toepassingen, die toegankelijk zijn voor gebruikers en waardoor verkopers in staat worden gesteld verbonden te zijn met andere gebruikers voor het verrichten van een relevante activiteit, direct of indirect, ten behoeve van dergelijke andere gebruikers. Daaronder begrepen zijn ook alle regelingen voor de inning en betaling van een tegenprestatie met betrekking tot de relevante activiteit.
De term "platform" omvat niet de software die zonder enige verdere interventie bij het verrichten van een relevante activiteit uitsluitend een van de volgende activiteiten mogelijk maakt:
a) het uitvoeren van betalingen in verband met een relevante activiteit;
b) het aanbieden of adverteren van een relevante activiteit door gebruikers;
c) het doorverwijzen of overbrengen van gebruikers naar een platform;

2° "Platformexploitant": een entiteit die een overeenkomst sluit met verkopers om een platform geheel of gedeeltelijk beschikbaar te stellen aan die verkopers;

3° "Uitgesloten platformexploitant": een platformexploitant die vooraf en jaarlijks ten genoegen van de bevoegde autoriteit waaraan hij anders had moeten rapporteren, overeenkomstig de voorschriften van artikel 321sexies, heeft aangetoond dat het volledige bedrijfsmodel van het platform van dusdanige aard is dat het niet over te rapporteren verkopers beschikt;

4° "Rapporterende platformexploitant": een andere platformexploitant dan een uitgesloten platformexploitant, die in een van de volgende situaties verkeert: a) hij is een Belgische fiscaal ingezetene of, indien dat niet het geval is, voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
i) hij is opgericht in overeenstemming met de Belgische wetgeving;
ii) zijn plaats van leiding (inclusief de werkelijke leiding) bevindt zich in België;
iii) hij heeft een vaste inrichting in België en is geen gekwalificeerde platformexploitant buiten de Unie;
b) hij is geen fiscaal ingezetene van een lidstaat, noch is hij opgericht of wordt hij bestuurd in een lidstaat, noch heeft hij een vaste inrichting in een lidstaat, maar hij faciliteert de verrichting van een relevante activiteit door te rapporteren verkopers of een relevante activiteit bestaande uit de verhuur van onroerend goed dat in een lidstaat is gelegen, en hij is geen gekwalificeerde platformexploitant buiten de Unie;

5° "Gekwalificeerde platformexploitant buiten de Unie": een platformexploitant van wie alle relevante activiteiten die hij faciliteert ook gekwalificeerde relevante activiteiten zijn en die een fiscaal ingezetene is van een gekwalificeerd rechtsgebied buiten de Unie of, indien hij geen fiscaal ingezetene is van een gekwalificeerd rechtsgebied buiten de Unie, die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
a) hij is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een gekwalificeerd rechtsgebied buiten de Unie; of 974 b) zijn plaats van leiding (inclusief de werkelijke leiding) bevindt zich in een gekwalificeerd rechtsgebied buiten de Unie;

6° "Gekwalificeerd rechtsgebied buiten de Unie": een rechtsgebied buiten de Unie dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten heeft gesloten met de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten die in een door dit rechtsgebied buiten de Unie gepubliceerde lijst zijn aangemerkt als te rapporteren rechtsgebieden;

7° "Van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten": een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat en een rechtsgebied buiten de Unie, die de automatische en verplichte uitwisseling oplegt van inlichtingen die gelijkwaardig zijn aan die welke in artikel 321sexies, § 5, zijn gespecificeerd, zoals bevestigd in een uitvoeringshandeling overeenkomstig artikel 8 bis quater, lid 7 van de richtlijn 2011/16, zoals gewijzigd bij de richtlijn 2021/514;

8° "Relevante activiteit": een van de onderstaande activiteiten die worden verricht voor een tegenprestatie:
a) de verhuur van een onroerend goed, daaronder begrepen zakelijk en niet- zakelijk onroerend goed, alsmede elk ander onroerend goed en parkeerruimten;
b) een persoonlijke dienst;
c) de verkoop van goederen;
d) de verhuur van transportmiddelen;
De term "relevante activiteit" omvat niet de activiteiten die door een verkoper worden verricht in de hoedanigheid van werknemer van de rapporterende platformexploitant of van een met de platformexploitant gelieerde entiteit. 9° "Gekwalificeerde relevante activiteit": elke relevante activiteit die valt onder de automatische uitwisseling op grond van een van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten;

10° "Tegenprestatie": een compensatie onder welke vorm ook, met aftrek van de kosten, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant worden ingehouden of geheven, die wordt betaald of gecrediteerd aan een verkoper in verband met de relevante activiteit, en waarvan het bedrag door de platformexploitant gekend is of redelijkerwijs gekend kan zijn;

11° "Persoonlijke dienst": een dienst die een tijdgebonden of taakgerichte activiteit omvat die door een of meer natuurlijke personen wordt uitgevoerd, hetzij zelfstandig, hetzij namens een entiteit, en die wordt verricht op verzoek van een gebruiker, hetzij online, hetzij fysiek offline, na facilitering door een platform;

12° "Verkoper": een gebruiker van een platform, hetzij een natuurlijke persoon, hetzij een entiteit, die op enig ogenblik tijdens de rapporteringsperiode op het platform is geregistreerd en een relevante activiteit verricht;

13° "Actieve verkoper": elke verkoper die tijdens de rapporteringsperiode een relevante activiteit verricht, of aan wie een tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd in verband met een relevante activiteit tijdens de rapporteringsperiode;

14° "Te rapporteren verkoper": elke actieve verkoper, die geen uitgesloten verkoper is, die een ingezetene is van een aan rapportering onderworpen rechtsgebied of die een onroerend goed heeft verhuurd dat in een aan rapportering onderworpen rechtsgebied is gelegen;

15° "Uitgesloten verkoper": elke verkoper:
a) die een overheidsinstantie is; b) die een entiteit is waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een erkende effectenbeurs of een gelieerde entiteit is van een entiteit waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een erkende effectenbeurs;
c) die een entiteit is waarvoor de platformexploitant tijdens de rapporteringsperiode meer dan 2.000 relevante activiteiten heeft gefaciliteerd door de verhuur van onroerend goed met betrekking tot een eigendomslijst; of
d) voor wie de platformexploitant tijdens de rapporteringsperiode minder dan 30 relevante activiteiten heeft gefaciliteerd door de verkoop van goederen, en waarvoor het totale bedrag van de tegenprestatie dat is betaald of gecrediteerd, ten hoogste 2.000 euro bedroeg;
Het uitgesloten karakter van een verkoper beoogd door punt c) en d) wordt beoordeeld op het einde van de periode waarvoor de mededeling aan de Belgische bevoegde autoriteit moet worden gedaan.

16° "Entiteit": een rechtspersoon of een juridische constructie, zoals een vennootschap, samenwerkingsverband, trust of stichting. Een entiteit is een gelieerde entiteit van een andere entiteit indien een van beide entiteiten zeggenschap heeft over de andere, of indien beide entiteiten onder een gemeenschappelijk zeggenschap vallen. Daartoe wordt onder zeggenschap mede verstaan de directe of indirecte deelneming van meer dan 50 % van het aantal stemmen of van de waarde in een entiteit. Bij indirecte deelneming wordt de nakoming van het vereiste dat meer dan 50 % van het eigendomsrecht in het kapitaal van de andere entiteit wordt gehouden, bepaald door vermenigvuldiging van de deelnemingspercentages door de opeenvolgende niveaus heen. Een persoon die meer dan 50 % van de stemrechten houdt, wordt geacht 100 % van die rechten te houden; 17° "Overheidsinstantie": de regering van een lidstaat of van een ander rechtsgebied, een staatkundig onderdeel van een lidstaat of van een ander rechtsgebied (met inbegrip van een staat, gemeenschap, gewest, provincie, of gemeente), of elk agentschap dat of elke instantie die volledig behoort tot de voornoemde entiteiten;

18° "TIN": een fiscaal identificatienummer, of een functioneel equivalent bij gebreke van een fiscaal identificatienummer, toegekend door een lidstaat of door het rechtsgebied waarvan de verkoper ingezetene is;

19° "Btw-identificatienummer": het unieke nummer ter identificatie van een belastingplichtige of van een niet- belastingplichtige rechtspersoon, die is geregistreerd voor btw-doeleinden;

20° "Hoofdadres": het adres van de hoofdverblijfplaats van een verkoper die de hoedanigheid van natuurlijke persoon heeft, alsook het adres van de hoofdzetel van een verkoper die de hoedanigheid van entiteit heeft;

21° "Rapporteringsperiode": het kalenderjaar waarvoor de rapportage wordt gedaan op grond van artikel 321sexies;

22° "Eigendomslijst": alle onroerende goederen die op hetzelfde adres gelegen zijn, in het bezit zijn van dezelfde eigenaar en door dezelfde verkoper via een platform te huur worden aangeboden;

23° "Identificatiecode van de financiële rekening": het unieke identificatienummer of referentienummer van de rekening bij een bank of van elke andere rekening bij een vergelijkbare betalingsdienst waarover de platformexploitant beschikt en waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd;

24° "Goederen": elke lichamelijke zaak; 25° "Aan rapportering onderworpen rechtsgebied" betekent alle lidstaten en elk rechtsgebied buiten de Unie dat als zodanig is geïdentificeerd op een door België gepubliceerde lijst.

Art. 322.

§ 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.
Het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren die minstens de graad van financieel deskundige bezitten, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen.
De administratie mag wat een bepaalde belastingplichtige betreft, het register van de uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO- register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, raadplegen teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging.

§ 2. Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de administratie over één of meer aanwijzingen beschikt dat de bepalingen van de artikelen 326/1 tot en met 326/9 niet correct werden nageleefd of wanneer de administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen overeenkomstig artikel 341, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van paragraaf 1 onverminderd van 992 In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de titel van adviseur (1), die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën, een ambtenaar met een titel van ten minste attaché ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen.


(1) MB van 24.06.2011 – BS 30.06.2011, gewijzigd bij MB van 16.12.2016 – BS 23.12.2016
De door de minister aangestelde ambtenaar mag de machtiging slechts verlenen :

1° nadat de ambtenaar die het onderzoek voert, de inlichtingen en gegevens met betrekking tot de rekeningen tijdens het onderzoek middels een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 316 heeft gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de toepassing van artikel 322, § 2, kan vragen indien de belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of ze weigert te verschaffen. De opdracht bedoeld in het tweede lid kan pas aanvangen wanneer de termijn bepaald in artikel 316 is verlopen ;

2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een eventuele toepassing van artikel 341 uitwijst of één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd of er aanwijzingen zijn dat de bepalingen van de artikelen 326/1 tot en met 326/9 niet correct werden nageleefd en dat er vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een in het tweede lid bedoelde instelling verborgen houdt of dat de belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen. § 3. Elke bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling is ertoe gehouden aan het Centraal Aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, de gegevens mee te delen die bedoeld zijn in artikel 4 van voormelde wet en die betrekking hebben op bank- en betaalrekeningen in de zin van artikel 2, 7°, van dezelfde wet en op financiële contracten in de zin van artikel 2, 10°, van dezelfde wet.
Artikel 5 van voormelde wet van 8 juli 2018 is van toepassing op die gegevens.
Deze verplichting geldt enkel voor zover de mededeling van dezelfde gegevens niet reeds is opgelegd door de voornoemde wet van 8 juli 2018.
Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf 2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt. In voorkomend geval kunnen bij het centraal aanspreekpunt de identificatiegegevens worden opgevraagd betreffende een rekeningnummer dat tijdens het voormelde onderzoek is ontdekt en waarvan de belastingplichtige de titularis niet identificeert.

Met als enig doel de verplichtingen van deze paragraaf na te komen, hebben de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen en de Nationale Bank van België de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken om de cliënten te identificeren.
… § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn eveneens van toepassing wanneer een inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse Staat : 1° hetzij in het geval bedoeld in artikel 338, § 5;

2° hetzij overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in een van toepassing zijnde overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting of een andere internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is gewaarborgd.
De vraag van de buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld in paragraaf 2. In dat geval verleent de door de minister aangestelde ambtenaar, in afwijking van paragraaf 2, de machtiging op basis van de vraag gesteld door de buitenlandse Staat.

§ 5. Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in § 2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in § 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd of dat het gevoerde onderzoek een eventuele toepassing van artikel 341 met zich meebrengt, kan hij de beschikbare gegevens over de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a, bedoelde buitenlandse bankrekeningen van die belastingplichtige opvragen bij het centraal aanspreekpunt.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de raadpleging door de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in § 2, derde lid, van de gegevens over de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, a, bedoelde buitenlandse bankrekeningen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 322, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 995 Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 323. De administratie mag eveneens van natuurlijke of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor alle of een deel van hun verrichtingen of activiteiten de overlegging vorderen van inlichtingen slaande op elke persoon of groep van personen, zelfs niet met name aangeduid, met wie zij rechtstreeks of onrechtstreeks in betrekking zijn geweest uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 323, als volgt:
De administratie mag eveneens van natuurlijke of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor alle of een deel van hun verrichtingen of activiteiten de verzending vorderen van inlichtingen slaande op elke persoon of groep van personen, zelfs niet met name aangeduid, met wie zij rechtstreeks of onrechtstreeks in betrekking zijn geweest uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 996 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 323, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 323/1.

§ 1. Wanneer een kredietinstelling of - organisme of een verzekeringsonderneming een attest aflevert met het oog op het bekomen van een belastingvoordeel als bedoeld in de artikelen 1451, 2° en 3°, 14537 tot 14542 en 14546ter tot 14546quinquies, is zij er jaarlijks toe gehouden om aan de administratie de gegevens mee te delen met betrekking tot individueel gesloten levensverzekeringscontracten en hypothecaire leningsovereenkomsten.

Wanneer een verzekeringsonderneming een attest aflevert met het oog op het bekomen van de in artikel 14549 bedoelde belastingvermindering, is zij er jaarlijks toe gehouden om aan de administratie de gegevens mee te delen met betrekking tot de verzekeringsovereenkomsten rechtsbijstand.
Vanaf 1 januari 2026, wordt art. 323/1, § 1, tweede lid, opgeheven.



§ 2. De in paragraaf 1 vermelde mededeling geschiedt binnen de termijn en in de vorm die door de Koning (1) wordt bepaald. Hij bepaalt eveneens de gegevens die moeten worden meegedeeld.


(1) KB van 09.02.2017 – BS 20.02.2017, ed. 2, gewijzigd bij KB 16.07.2019 – BS 29.07.2019, gewijzigd bij KB 20.12.2020 – BS 29.12.2020, ed. 2, gewijzigd bij KB 16.09.2021 – BS 21.09.2021 Bericht 23.09.2019

§ 3. Met als enig doel de verplichtingen van paragraaf 1 na te komen, hebben de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen en -organismen en verzekeringsondernemingen de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen evenals het identificatie- nummer toegekend door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, te verzamelen, te verwerken en mede te delen om de cliënten te identificeren.
Wanneer het voormeld identificatienummer van een cliënt reeds voor andere doeleinden in het bezit is van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen en -organismen en verzekeringsondernemingen, mag het gebruikt worden voor de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting.

Art. 323/2.

§ 1. Wanneer een instantie als bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, een attest aflevert met het oog op het bekomen van de belastingvermindering voor kinderoppas, deelt zij de administratie jaarlijks elektronisch de gegevens mee die daarop betrekking hebben.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 323/2, § 1, als volgt: § 1. Wanneer een instantie als bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, een attest aflevert met het oog op het bekomen van de belastingvermindering voor kinderoppas, deelt zij de administratie jaarlijks de gegevens mee die daarop betrekking hebben.

§ 2. De instanties bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, zijn vrijgesteld van de jaarlijkse verplichting om de elektronische mededeling bedoeld in paragraaf 1 te voldoen zolang zij niet beschikken over de nodige geïnformatiseerde middelen om aan deze verplichting te voldoen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 323/2, § 2, als volgt:

§ 2. De instanties bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, zijn vrijgesteld van de jaarlijkse verplichting om de mededeling bedoeld in paragraaf 1 te voldoen zolang zij niet beschikken over de nodige geïnformatiseerde middelen om aan deze verplichting te voldoen.

§ 3. De in paragraaf 1 vermelde mededeling geschiedt binnen de termijn en in de vorm die door de Koning wordt bepaald.
De Koning bepaalt eveneens de gegevens die moeten worden meegedeeld.

§ 4. Met als enig doel paragraaf 1 toe te passen, hebben de betrokken instanties de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te verzamelen, te verwerken en mee te delen.
Wanneer het voormeld identificatienummer reeds voor andere doeleinden in het bezit is van de betrokken instanties, mag het gebruikt worden voor de toepassing van de paragraaf 1. 999

Art. 323/3.

§ 1. Wanneer een instantie als bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, een attest aflevert met het oog op het bekomen van de belastingvermindering voor giften, deelt zij de administratie jaarlijks elektronisch de gegevens mee die daarop betrekking hebben.
De in het eerste lid bedoelde elektronische verzending dient te geschieden voor 1 maart van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het attest betrekking heeft, en voor het eerst voor 1 maart 2025.

§ 2. De instanties bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, zijn vrijgesteld van de jaarlijkse verplichting om de elektronische mededeling bedoeld in paragraaf 1 te voldoen, zolang zij niet beschikken over de nodige geïnformatiseerde middelen om aan deze verplichting te voldoen.

§ 3. De gegevens die worden meegedeeld door de instanties bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1° tot 4° zijn:

1° het kalenderjaar waarvoor het attest is uitgereikt;

2° het volgnummer van het attest;

3° de statutaire benaming, het adres van de maatschappelijke zetel alsmede het ondernemingsnummer van de begiftigde instantie;

4° de naam, voornaam, het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of, in voorkomend geval, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid of het ondernemingsnummer in de Kruispuntbank voor ondernemingen voor rechtspersonen en vennootschappen en het adres van de schenker;

5° het bedrag van de gift en de bevestiging dat ze definitief en onherroepelijk is verricht. § 4. Met als enig doel paragraaf 1 toe te passen, hebben de betrokken instanties de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te verzamelen, te verwerken en mee te delen.
Wanneer het voormeld identificatienummer reeds voor andere doeleinden in het bezit is van de betrokken instanties, mag het gebruikt worden voor de toepassing van paragraaf 1.

§ 5. Onverminderd de noodzakelijke bewaring voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn (EG) 95/46, worden de gegevens ontvangen door de Federale Overheidsdienst Financiën met toepassing van paragraaf 3 niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verzameld met een maximale bewaartermijn die verstrijkt na 10 jaar vanaf de ontvangst van deze gegevens, met uitzondering van de gevallen waarin nog een beroep of een gerechtelijke procedure hangende is bij het verlopen van deze termijn.

Art. 323bis. De bepalingen van artikel 315bis zijn van toepassing op verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alsook op derden waarop een beroep wordt gedaan om de boeken en bescheiden, waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 315, geheel of gedeeltelijk te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren door middel van informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1001 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 323bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 323ter. De fiscale administratie mag binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor zover zij die informatie nodig acht om de correcte naleving van de artikelen 326/1 t.e.m. 326/9 te verzekeren, van de betrokken intermediair(s) de informatie vorderen die in toepassing van artikelen 326/1 tot en met 326/9 diende te worden gemeld aan de Belgische bevoegde autoriteit en die, na toepassing te hebben gemaakt van artikel 315quater, niet werden overgemaakt.

Art. 324. De administratie mag de juistheid nagaan van de in de artikelen 322, 323 en 323bis bedoelde inlichtingen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 324, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1002

Art. 325. De belastingplichtige wordt bij ter post aangetekende brief opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 325, eerste lid, als volgt:
De belastingplichtige wordt met een aangetekende zending opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan zij kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing der belastingwetten op de feiten waarover geschil is.
Alvorens te getuigen leggen zij de bij artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed af.
Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 325, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1003

Art. 326. Van de verklaringen van de getuigen en, indien de belastingplichtige zulks verlangt, van zijn eigen verklaringen, wordt proces-verbaal opgemaakt.
Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingplichtigen ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand voorgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert een van de betrokkenen te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 326, tweede lid, als volgt:
Na lezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingplichtigen ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand voorgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert een van de betrokkenen te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingplichtige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 326, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). verplichtingen voor intermediairs of relevante belastingplichtigen inzake grensoverschrijdende constructies

Art. 326/1. Voor de toepassing van deze afdeling en van artikel 338, § 6/4, wordt verstaan onder:

1° "grensoverschrijdende constructie": een constructie die ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land betreft, waarbij ten minste één van de volgende voorwaarden is vervuld:
a) niet alle deelnemers aan de constructie hebben hun fiscale woonplaats in hetzelfde rechtsgebied;
b) een of meer van de deelnemers aan de constructie heeft zijn fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan één rechtsgebied;
c) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied via een in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting en de constructie behelst een deel of het geheel van de activiteit van die vaste inrichting;
d) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied zonder in dat rechtsgebied zijn fiscale woonplaats te hebben of zonder in dat rechtsgebied een vaste inrichting te creëren;
e) een dergelijke constructie heeft mogelijk gevolgen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen of de vaststelling van het uiteindelijk belang.
Een constructie betekent ook een reeks constructies. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan; 2° "meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie": iedere grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de in artikel 326/2 bedoelde wezenskenmerken bezit;

3° "wezenskenmerk": een in artikel 326/2 bedoelde eigenschap of kenmerk van een grensoverschrijdende constructie die geldt als een indicatie van een mogelijk risico op belastingontwijking;

4° "intermediair": een persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert;
Een intermediair is ook een persoon die, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat hij, rechtstreeks of via andere personen, heeft toegezegd hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Elke persoon heeft het recht bewijs te leveren van het feit dat hij niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat hij bij een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie betrokken was. Daartoe kan die persoon alle relevante feiten en omstandigheden, beschikbare informatie en zijn relevante deskundigheid en begrip ervan vermelden.
Om een intermediair te zijn, dient een persoon ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden te vervullen:
a) fiscaal inwoner van een lidstaat zijn;
b) beschikken over een vaste inrichting in een lidstaat via welke de diensten in verband met de constructie worden verleend; c) opgericht zijn in of onder de toepassing van de wetten vallen van een lidstaat;
d) ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in een lidstaat;

5° "relevante belastingplichtige": elke persoon voor wie een meldingsplichtige grens- overschrijdende constructie beschikbaar wordt gemaakt voor implementatie, of die gereed is om een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie te implementeren of die de eerste stap van een dergelijke constructie heeft geïmplementeerd;

6° "marktklare constructie": een grens- overschrijdende constructie die is bedacht of aangeboden, implementeerbaar is of beschikbaar is gemaakt voor implementatie zonder dat er wezenlijke aanpassingen nodig zijn;

7° "constructie op maat": een grens- overschrijdende constructie die geen marktklare constructie is.

Art. 326/10. Voor de toepassing van deze afdeling, artikel 338, § 6/4, en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten dient de melding van de inlichtingen, voor de onderdelen die de Koning nader bepaalt, naast het gebruik van één van de officiële landstalen, ook in het Engels te gebeuren. 1019

Art. 326/11. De Koning bepaalt het formulier waarop de intermediair of de relevante belastingplichtige de verplichtingen opgenomen in deze afdeling moeten naleven.
instellingen en inrichtingen.

Art. 326/2. De in artikel 326/1, 3°, bedoelde wezenskenmerken van een grensoverschrijdende constructie kunnen worden onderverdeeld in vijf categorieën, categorie A zijnde de algemene wezenskenmerken die aan de in het tweede lid bedoelde "main benefit test" zijn gekoppeld, categorie B zijnde de specifieke wezenskenmerken die aan de hiervoor vermelde "main benefit test" zijn gekoppeld, categorie C zijnde specifieke wezenskenmerken in verband met grensoverschrijdende transacties, categorie D zijnde specifieke wezenskenmerken in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen en uiteindelijk belang en categorie E zijnde specifieke wezenskenmerken in verband met verrekenprijzen. De algemene wezenskenmerken in categorie A bedoeld in het vierde lid, de specifieke wezenskenmerken in categorie B bedoeld in het vijfde lid en de specifieke wezenskenmerken in categorie C bedoeld in het zesde lid, 1°, b), eerste streepje, c) en d) mogen uitsluitend in aanmerking worden genomen indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel of één van de belangrijkste voordelen die, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van de constructie, het verkrijgen van een belastingvoordeel is. Dit is de zogenaamde "main benefit test".
In het kader van het specifieke wezenskenmerk van categorie C, bedoeld in het zesde lid, 1° is de aanwezigheid van één van de voorwaarden bedoeld in hetzelfde zesde lid, 1°, b), eerste streepje, c) en d) niet voldoende om te besluiten dat een constructie voldoet aan de in het tweede lid bedoelde "main benefit test".
Wordt beschouwd als een algemeen wezenskenmerk van categorie A:

1° een constructie waarbij de relevante belastingplichtige of een deelnemer aan de constructie zich tot geheimhouding verbindt en op grond hiervan niet aan andere intermediairs of de belastingautoriteiten mag onthullen hoe de constructie een belastingvoordeel kan opleveren;

2° een constructie waarbij de intermediair aanspraak maakt op een vergoeding (of rente, betaling van financieringskosten en andere uitgaven) voor de constructie en die vergoeding wordt vastgelegd op basis van:
a) het bedrag van het belastingvoordeel dat de constructie oplevert; of
b) de vraag of de constructie daadwerkelijk een belastingvoordeel heeft opgeleverd. De intermediair moet daarbij de vergoeding gedeeltelijk of volledig terugbetalen wanneer het met de constructie beoogde belastingvoordeel niet gedeeltelijk of volledig werd verwezenlijkt; 3° een constructie waarbij gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde documenten en/of een gestandaardiseerde structuur en die beschikbaar is voor meer dan één relevante belastingplichtige zonder dat er voor implementatie wezenlijke aanpassingen nodig zijn.
Wordt beschouwd als een specifiek wezenskenmerk van categorie B:

1° een constructie waarbij een deelnemer aan de constructie een reeks geplande stappen onderneemt die erin bestaan een verlieslijdende onderneming te verwerven, de hoofdactiviteit van die onderneming stop te zetten en de verliezen ervan te gebruiken om de door hem verschuldigde belastingen te verminderen, onder meer door overdracht van die verliezen naar een ander rechtsgebied of door een versneld gebruik van die verliezen;

2° een constructie die tot gevolg heeft dat inkomsten worden omgezet in vermogen, schenkingen of andere inkomstencategorieën die lager worden belast of van belasting worden vrijgesteld;

3° een constructie die circulaire transacties omvat met als resultaat dat middelen worden rondgepompt ("round-tripping"), meer bepaald met behulp van tussengeschoven entiteiten zonder ander primair handelsdoel of van transacties die elkaar compenseren of tenietdoen of andere soortgelijke kenmerken hebben.
Wordt beschouwd als een specifiek wezenskenmerk van categorie C:

1° een constructie met aftrekbare grensoverschrijdende betalingen tussen twee of meer verbonden ondernemingen waarbij ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:
a) de ontvanger is in geen van de fiscale rechtsgebieden fiscaal inwoner; b) de ontvanger is fiscaal inwoner in een rechtsgebied, maar dat rechtsgebied:
- heft geen vennootschapsbelasting, of heft vennootschapsbelasting tegen een nultarief of bijna- nultarief; of
- is opgenomen in een lijst van rechtsgebieden van derde landen die door de lidstaten gezamenlijk of in het kader van de OESO als niet- coöperatief zijn beoordeeld;
c) de betaling geniet een volledige belastingvrijstelling in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is;
d) de betaling geniet een fiscaal gunstregime in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is;

2° in meer dan één rechtsgebied wordt aanspraak gemaakt op aftrekken voor dezelfde afschrijving;

3° in meer dan één rechtsgebied wordt aanspraak gemaakt op voorkoming van dubbele belasting voor hetzelfde inkomens- of vermogensbestanddeel;

4° een constructie met overdrachten van activa waarbij er een wezenlijk verschil bestaat tussen het bedrag dat in de betrokken rechtsgebieden wordt aangemerkt als de voor die activa te betalen vergoeding.
Wordt beschouwd als een specifiek wezenskenmerk van categorie D: 1° een constructie die kan leiden tot het ondermijnen van de rapportageverplichting uit hoofde van de wetgeving ter omzetting van Uniewetgeving of evenwaardige overeenkomsten inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen, waaronder overeenkomsten met derde landen, of die profiteert van het gebrek aan die wetgeving of overeenkomsten. Dergelijke constructies omvatten ten minste het volgende:
a) het gebruik van een rekening, product of belegging die geen financiële rekening is of niet als zodanig te boek staat, maar die over eigenschappen beschikt die in wezen vergelijkbaar zijn met die van een financiële rekening;
b) de overdracht van financiële rekeningen of activa aan, of het gebruik van rechtsgebieden die niet gebonden zijn aan de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen met de staat van verblijf van de relevante belastingplichtige;
c) de herkwalificatie van inkomsten en vermogen in producten of betalingen die niet onder de automatische uitwisseling van inlichtingen vallen;
d) de overdracht of omzetting van een financiële instelling of een financiële rekening of de activa daarvan in een financiële instelling of een financiële rekening of activa die niet onder de rapportage in het kader van de automatische uitwisseling van inlichtingen vallen;
e) het gebruik van rechtspersonen, juridische constructies of structuren die de rapportage over één of meer rekeninghouders of uiteindelijk begunstigden in het kader van de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen stopzetten of daartoe strekken; f) constructies die due-diligence- procedures die door financiële instellingen worden gebruikt om te voldoen aan hun verplichtingen tot het rapporteren van inlichtingen over financiële rekeningen, ondermijnen of zwakke punten ervan benutten, onder meer via het gebruik van rechtsgebieden met ontoereikende of zwakke regelingen voor de handhaving van antiwitwaswetgeving of met zwakke transparantievereisten voor rechtspersonen of juridische constructies;

2° een constructie waarbij de juridische of feitelijke eigendom niet-transparant is door het gebruik van personen, juridische constructies of structuren:
a) die geen wezenlijke economische, door voldoende personeel, uitrusting, activa en gebouwen ondersteunde activiteit uitoefenen; en
b) die zijn opgericht in, worden beheerd in, inwoner zijn van, onder zeggenschap staan in, of gevestigd zijn in een ander rechtsgebied dan het rechtsgebied van verblijf van een of meer van de uiteindelijk begunstigden van de activa die door die personen, juridische constructies of structuren worden aangehouden; en
c) indien de uiteindelijk begunstigden van die personen, juridische constructies of structuren, zoals bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik niet- identificeerbaar zijn gemaakt.
Wordt beschouwd als een specifiek wezenskenmerk van categorie E: 1° een constructie met gebruik van unilaterale veiligehavenregels:

2° een constructie met overdracht van moeilijk te waarderen immateriële activa. De term "moeilijk te waarderen immateriële activa" omvat immateriële activa of rechten op immateriële activa waarvoor, op het tijdstip van de overdracht ervan tussen verbonden ondernemingen:
a) geen betrouwbare vergelijkbare activa bestaan; en
b) de prognoses van de toekomstige kasstromen of inkomsten die naar verwachting uit de overgedragen activa voortvloeien, of de aannames die worden gebruikt voor het waarderen van de immateriële activa, bijzonder onzeker zijn, waardoor het moeilijk is te voorspellen hoe succesvol de immateriële activa op het moment van de overdracht uiteindelijk zullen zijn;

3° een constructie met een grensover- schrijdende overdracht binnen de groep van functies, en/of risico's en/of activa, indien de geraamde jaarlijkse winst vóór interest en belastingen (ebit) van de overdrager of overdragers, tijdens de periode van drie jaar na de overdracht, minder dan 50 % bedraagt van de geraamde jaarlijkse ebit van die overdrager of overdragers indien de overdracht niet had plaatsgevonden.

Art. 326/3.

§ 1. Elke intermediair moet de in artikel 338, § 6/4, bedoelde inlichtingen, inzake meldingsplichtige grensoverschrijdende construc- ties waarvan zij kennis, bezit of controle hebben, verstrekken aan de in artikel 338, § 2, 6°, bedoelde Belgische bevoegde autoriteit binnen 30 dagen te rekenen vanaf het hierna vermelde geval dat het eerst plaatsvindt:
- de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie beschikbaar is gesteld; of 1013 - de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie gereed is voor implementatie; of
- het ogenblik dat de eerste stap in de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is ondernomen.
Onverminderd het eerste lid moeten de intermediairs bedoeld in artikel 326/1, 4°, tweede lid, eveneens inlichtingen verstrekken met betrekking tot een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie binnen 30 dagen te rekenen vanaf de dag nadat zij, rechtstreeks of via andere personen, hulp, bijstand of advies hebben verstrekt.

§ 2. Wanneer de intermediair inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies moet verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van meer dan één lidstaat dan verstrekt hij deze inlichtingen enkel aan de Belgische bevoegde autoriteit indien België als eerste op de onderstaande, aflopende lijst voorkomt:

1° de lidstaat waar de intermediair fiscaal inwoner is;

2° de lidstaat waar de intermediair een vaste inrichting heeft via welke de diensten met betrekking tot de constructie worden verstrekt;

3° de lidstaat waar de intermediair is opgericht of onder toepassing van de wetten valt;

4° de lidstaat waar de intermediair is ingeschreven bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten.
Wanneer er op grond van het eerste lid een meervoudige meldingsplicht bestaat, wordt de intermediair ontheven van het verstrekken van de inlichtingen als hij een schriftelijk bewijs voorlegt dat dezelfde inlichtingen in een andere lidstaat zijn verstrekt. 1014

Art. 326/4. Indien het gaat om een marktklare constructie moet de intermediair om de drie maanden een periodiek verslag opstellen met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige inlichtingen zoals bedoeld in artikel 338, § 6/4, 1°, 4°, 7° en 8°, die sinds het laatste ingediende verslag beschikbaar zijn geworden.

Art. 326/5. Naar aanleiding van de melding van een grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de in artikel 326/2 vermelde wezenskenmerken bezit, wordt een uniek referentienummer toegekend, dat naar aanleiding van elke volgende melding betreffende diezelfde grensoverschrijdende constructie moet worden meegedeeld, zowel voor meldingen door elke betrokken intermediair als voor meldingen door de relevante belastingplichtige.
De intermediair die het uniek referentienummer van de bevoegde instanties ontvangt, dient dit, samen met de samenvatting betreffende de gemelde constructie, onverwijld aan de andere betrokken intermediairs en aan de relevante belastingplichtige door te geven.

Art. 326/6. Wanneer meerdere intermediairs betrokken zijn bij dezelfde meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, moeten alle betrokken intermediairs de inlichtingen verstrekken over de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.
Een intermediair is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen indien hij een schriftelijk bewijs kan voorleggen dat een andere intermediair de inlichtingen bedoeld in artikel 338, § 6/4, tweede lid, reeds heeft verstrekt.

Art. 326/7.

§ 1. Wanneer een intermediair gebonden is door een beroepsgeheim, is hij gehouden: 1° de betrokken intermediair of intermediairs schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen, waardoor deze meldingsplicht automatisch rust op de andere intermediair of intermediairs;
, en tant (1) Opmerking : arrest nr. 1/2024 van 11.01.2024 van het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 326/7, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 289bis/7, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikel 146duodecies, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/7, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de artikelen 9, 26, 41 en 55 van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies », in zoverre zij een advocaat die optreedt als intermediair verplichten om een andere intermediair die niet zijn cliënt is te informeren.

2° bij gebreke aan een andere intermediair, de relevante belastingplichtige of belasting- plichtigen schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen van zijn of hun meldingsplicht.
De ontheffing van de meldingsplicht krijgt slechts uitwerking op het tijdstip dat een intermediair voldaan heeft aan de in het eerste lid bedoelde verplichting.

§ 2. De relevante belastingplichtige kan de intermediair door schriftelijke instemming toelaten alsnog te voldoen aan de in artikel 326/3 bedoelde meldingsplicht.
Indien de relevante belastingplichtige geen instemming verleent, blijft de meldingsplicht bij de belastingplichtige en bezorgt de intermediair de nodige gegevens voor het vervullen van de in artikel 326/3 bedoelde meldingsplicht aan de relevante belastingplichtige. § 3. Geen beroepsgeheim overeenkomstig paragraaf 1 of ontheffing van rechtswege kan worden ingeroepen aangaande de meldingsplicht van marktklare constructies die aanleiding geven tot een periodiek verslag overeenkomstig artikel 326/4. (1)
(1) Opmerking : arrest nr. 103/2022 van 15.09.2022 van het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 326/7, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 289bis/7, § 3, van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten, artikel 146duodecies, § 3, van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/7, § 3, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de artikelen 9, 26, 41 en 55 van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende con- structies », in zoverre zij erin voorzien dat de intermediair die gehouden is tot het strafrechtelijk gesanctioneerde beroepsgeheim zich niet kan beroepen op het beroepsgeheim ten aanzien van de periodieke meldingsplicht inzake marktklare constructies in de zin van artikel 326/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van artikel 289bis/4 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, van artikel 146nonies van het Wetboek der successierechten en van artikel 211bis/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen



Art. 326/8.

§ 1. In de volgende gevallen ligt de meldingsplicht bij de relevante belastingplichtige:

1° wanneer er geen intermediair betrokken was bij het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of het beheren voor implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie; of 1017 2° wanneer de intermediair ontheven is van de verplichting om inlichtingen te verstrekken overeenkomstig artikel 326/7, § 1, en hij de relevante belastingplichtige of belastingplichtigen op de hoogte heeft gesteld van zijn of hun meldingsplicht, overeenkomstig artikel 326/7, § 1, 2° ;

3° wanneer deze niet de in artikel 326/7, § 2, eerste lid bedoelde toestemming heeft verleend.

§ 2. Ingeval de meldingsplicht overeenkomstig paragraaf 1 bij de relevante belastingplichtige ligt, verstrekt deze de inlichtingen binnen dertig dagen te rekenen vanaf het hierna vermelde geval dat eerst plaatsvindt:
- de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie ter beschikking van de relevante belastingplichtige is gesteld of;
- de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie gereed is voor implementatie door de relevante belastingplichtige of;
- vanaf het ogenblik dat de eerste stap voor de implementatie ervan met betrekking tot de relevante belastingplichtige is ondernomen.

§ 3. Wanneer de relevante belastingplichtige inlichtingen over de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie moet verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van meer dan één lidstaat, dan moet hij deze inlichtingen enkel aan de Belgische bevoegde autoriteit verstrekken wanneer België als eerste op de onderstaande lijst voorkomt:

1° de lidstaat waar de relevante belastingplichtige fiscaal inwoner is;

2° de lidstaat waar de relevante belastingplichtige een vaste inrichting heeft die begunstigde van de constructie is; 3° de lidstaat waar de relevante belastingplichtige inkomsten ontvangt of winsten genereert, hoewel de relevante belastingplichtige geen fiscaal inwoner van een lidstaat is noch een vaste inrichting in een lidstaat heeft;

4° de lidstaat waar de relevante belastingplichtige een activiteit uitoefent, hoewel de relevante belastingplichtige geen fiscaal inwoner van een lidstaat is noch een vaste inrichting in een lidstaat heeft.
Wanneer er op grond van het eerste lid een meervoudige meldingsplicht bestaat, wordt de relevante belastingplichtige ontheven van het verstrekken van de inlichtingen als hij een schriftelijk bewijs voorlegt dat dezelfde inlichtingen in een andere lidstaat zijn verstrekt.

Art. 326/9. Wanneer de meldingsplicht bij de relevante belastingplichtige ligt en er meer dan één relevante belastingplichtige is, worden de inlichtingen overeenkomstig artikel 326/8 verstrekt door de relevante belastingplichtige die als eerste op de onderstaande lijst voorkomt:

1° de relevante belastingplichtige die de meldingsplichtige constructie is overeen- gekomen met de intermediair;

2° de relevante belastingplichtige die de implementatie van de constructie beheert.
Een relevante belastingplichtige wordt ontheven van de verplichting tot het verstrekken van de inlichtingen indien hij een schriftelijk bewijs voorlegt dat een andere relevante belastingplichtige de inlichtingen bedoeld in artikel 338, § 6/4, reeds heeft verstrekt.

Art. 327.

§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der Hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten zomede de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de vestiging van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de vestiging van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
(1) De Nederlandse tekst is correct.
Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie. De originelen echter van de ontvangst- bewijzen-getuigschriften voor verstrekte hulp, uitgereikt door de geneesheren, de tandheel- kundigen en de paramedische medewerkers mogen niet worden medegedeeld zonder dat de nationale raad van de Orde der geneesheren of de provinciale geneeskundige commissies de gelegenheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen hierdoor geen inlichtingen krijgt betreffende de identiteit van de zieken en van de verzekerden.

§ 2. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op het Nationaal Instituut voor de Statistiek en het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.

§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de naamloze vennootschap van publiek recht bpost.
Paragraaf 1 blijft evenwel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 318, tweede lid, en 322, §§ 2 tot 4.

§ 4. ...

§ 5. ...

§ 6. De kansspelcommissie als bedoeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspel- inrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de minister van Financiën er onverwijld van in kennis stellen dat zij bij een orgaan dat zij controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1021 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 327, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.4.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit)

Art. 328. De bestuursdiensten van de Staat, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten alsmede de vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar publiek recht, mogen slechts kredieten, leningen, premies, toelagen of alle andere voordelen toekennen welke rechtstreeks of onrechtstreeks gegrond zijn op het bedrag van de inkomsten of op elementen die in aanmerking komen voor de vaststelling van die inkomsten, dan na kennis genomen te hebben van de recente fiscale toestand van de aanvrager.
Deze toestand is tegen de aanvrager in te roepen voor het toekennen van gezegde kredieten, leningen, premies, toelagen of andere voordelen.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing op vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar privaat recht, doch alleen wat betreft de verrichtingen waaraan rechtstreeks of onrechtstreeks een door de Staat of door een Gemeenschap of een Gewest toegekend voordeel is verbonden. 1022

Art. 329. Onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan, in de zin van de artikelen 327 en 328, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale Regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 329, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.4.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 330. Ten opzichte van de in de artikelen 327 en 328 bedoelde diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, die zouden nalaten aan de verplichtingen ingevolge die artikelen te voldoen, kan de Minister van Financiën, al naar het geval, vorderen dat de inspecteur van financiën of een afgevaardigde van de Regering optreedt, een commissaris aanwijzen om de nodig geachte inlichtingen in te winnen of de erkenning met het oog op de door de Staat verleende voordelen intrekken.

Art. 331. De aangiften inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting of belasting van niet- inwoners zijn tegen de belastingplichtigen in te roepen voor de vaststelling van de vergeldingen of schadevergoedingen die zij voor om het even welke rechtsmacht vorderen van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten en andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen, wanneer het bedrag van die vergeldingen of schadevergoedingen rechtstreeks of onrechtstreeks afhangt van het bedrag van hun winst of inkomsten.
Voor de toepassing van dit artikel is de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen ontheven van het beroepsgeheim en gehouden aan de met de betwisting belaste rechtsmacht aanslagbiljetten of een attest van niet-belastbaarheid te verstrekken over de laatste drie jaren die de schade waarvoor herstel wordt gevraagd voorafgaan.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met inkomsten- wijzigingen welke door de belastingplichtige na het schadeverwekkend feit spontaan werden gedaan.

Art. 333. Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald.
Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in alle termijnen bedoeld in artikel 354.
Echter mogen zij slechts worden verricht gedurende de in artikel 354, § 2, bedoelde aanvullende termijn, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige voorafgaandelijk schriftelijk en nauwkeurig kennis gegeven heeft van de aanwijzingen inzake belastingontduiking, die wat hem betreft bestaan, voor de betreffende periode. Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt, is de in artikel 354, § 2, bedoelde onderzoekstermijn van toepassing en dit, met het oog op het beantwoorden van de voormelde vraag, zonder voorafgaande kennisgeving of aanwezigheid van vermoedens van fraude. Indien de bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, onderzocht wordt, mogen deze onderzoekingen betrekking hebben op de belastbare tijdperken waarbinnen de arbeidsplaats geacht wordt behouden te zijn gebleven zoals bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, zonder dat hiervoor een voorafgaande kennisgeving vereist is.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 333, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.1.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit.)

Art. 333/1.

§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 333/1, § 1, eerste lid, als volgt: § 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende zending gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen.
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 333/1, § 1, tweede lid, als volgt:
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij een aangetekende zending, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 322, § 4, bedoelde verzoeken om inlichtingen vanwege een buitenlandse Staat. De kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd, gebeurt in dit geval post factum bij aangetekende zending uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat.
In afwijking van het derde lid gebeurt geen kennisgeving post factum : 1° wanneer die buitenlandse Staat aantoont zelf reeds een kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd, te hebben verstuurd;

2° wanneer uit het verzoek om inlichtingen van die buitenlandse Staat blijkt dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude zijn en deze buitenlandse Staat uitdrukkelijk vraagt om de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd niet in kennis te stellen van deze vraag.

§ 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar een verslag dat onder meer volgende informatie bevat :

1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten ;

2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen ;

3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen ;

4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren ;

5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, tweede lid, is gevoerd.
Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Art. 333/2. Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 3, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 2°, vermelde jaren.

Art. 333/3. Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie, inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 2, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 1°, bedoelde jaren.

Art. 333bis. Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 333bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.1.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1029

Art. 334. Wanneer een krachtens de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid, 316 en 322 tot 324 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 334, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.19.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 334bis. De in dit bedoelde onderzoekingen mogen door ambtenaren van andere fiscale administraties worden verricht. De Koning wijst (1) die administraties en, wanneer Hij dat nodig acht, de ambtenaren aan.


(1) art. 181bis, KB/WIB 92. bepalingen.

Art. 335. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 335, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.1.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 336. Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 336, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.1.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 337. Hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen, is, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft. De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen en van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, aan de administraties van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, evenals aan de in artikel 329 bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die diensten, instellingen of inrichtingen nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen.
De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, oefenen hun ambt uit wanneer zij tijdens een fiscale controle teneinde de correcte vestiging van de belasting te verzekeren, een beroep doen op de specifieke kennis en de ervaring van de personeelsleden van het Federaal Agentschap van de Schuld, zoals opgericht bij de Wet van 25 oktober 2016 houdende de oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentefonds.
De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij met betrekking tot de fiscale toestand van een belastingplichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of van een medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Personen die deel uitmaken van diensten waaraan de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen of de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie ingevolge het tweede en het derde lid inlichtingen van fiscale aard heeft verstrekt, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlichtingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt.
De bepalingen van het vijfde lid zijn eveneens toepasselijk op de personen die behoren tot diensten waaraan ingevolge de controle georganiseerd ter uitvoering van de artikelen 320 en 321, inlichtingen van fiscale aard zouden worden verstrekt.
De ambtenaren van de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij inlichtingen, uittreksels of afschriften uit de kadastrale bescheiden verstrekken:

1° in uitvoering van de bepalingen van artikel 504, tweede en derde lid;

2° na de betekening van het kadastraal inkomen, hetzij binnen de termijn voorzien in de artikelen 499, 1°, en 500, hetzij in het kader van de bezwaarprocedure overeenkomstig de artikelen 497 tot 503.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 337, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.19.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 1034 Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 337/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking.
Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.

Art. 338.

§ 1. Dit artikel legt de voorschriften en procedures vast voor de samenwerking tussen België en de andere lidstaten van de Europese Unie met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van alle lidstaten met betrekking tot de inkomstenbelastingen.
Dit artikel legt tevens de bepalingen vast voor de elektronische uitwisseling van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen. Dit artikel laat de toepassing van de regels inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken onverlet. Zij laat eveneens onverlet de verplichtingen van de lidstaten inzake ruimere administratieve samenwerking, welke voortvloeien uit andere rechtsinstrumenten, waaronder bilaterale en multilaterale overeenkomsten.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: 1° "richtlijn": de richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG;

2° "lidstaat": een lidstaat van de Europese Unie;

3° "centraal verbindingsbureau": het bureau dat als zodanig is aangewezen door de bevoegde autoriteit en belast is met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;

4° "verbindingsdienst": elk ander bureau dan het centraal verbindingsbureau dat als zodanig is aangewezen door de bevoegde autoriteit om op grond van dit artikel rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;

5° "bevoegde ambtenaar": elke ambtenaar die op grond van dit artikel gemachtigd is door de bevoegde autoriteit om rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;

6° "Belgische bevoegde autoriteit": de door België als zodanig aangewezen autoriteit. Het Belgisch centraal verbindingsbureau, de Belgische verbindingsdiensten en de Belgische bevoegde ambtenaren worden eveneens als Belgische bevoegde autoriteit bij delegatie beschouwd; 7° "buitenlandse bevoegde autoriteit": de door een lidstaat andere dan België, als zodanig aangewezen autoriteit. Het centraal verbindingsbureau, de verbindingsdiensten en de bevoegde ambtenaren van deze lidstaat worden eveneens als buitenlandse bevoegde autoriteit bij delegatie beschouwd;

8° "verzoekende autoriteit": het centraal verbindingsbureau, een verbindingsdienst, of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de Belgische of een buitenlandse bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt;

9° "aangezochte autoriteit": het centraal verbindingsbureau, een verbindingsdienst of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de Belgische of een buitenlandse bevoegde autoriteit om bijstand wordt verzocht;

10° "administratief onderzoek": alle door de lidstaten bij het vervullen van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties ter waarborging van de juiste toepassing van de belastingwetgeving;

11° "automatische uitwisseling":
a) voor de toepassing van paragrafen 6, eerste lid, 6/1, 6/3, 6/4 en 6/5, de systematische mededeling met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen, zonder voorafgaand verzoek, van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat; b) voor de toepassing van de wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële rekeningen, door de Belgische financiële instellingen en de FOD Financiën, in het kader van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor belastingdoeleinden, de systematische verstrekking van de in voornoemde wet bepaalde inlichtingen over inwoners van andere lidstaten aan de betrokken lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, uiterlijk binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de inlichtingen betrekking hebben;
c) voor de toepassing van alle andere bepalingen van dit artikel, dan de bepalingen van voormelde paragrafen 6, eerste lid, 6/1, 6/3, 6/4 en 6/5, de systematische mededeling van vooraf bepaalde inlichtingen, bepaald in de punten a) en b);

12° "spontane uitwisseling": het niet- systematisch, te eniger tijd en ongevraagd verstrekken van inlichtingen aan een andere lidstaat;

13° "persoon":
a. een natuurlijk persoon;
b. een rechtspersoon;
c. indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de status van rechtspersoon bezit; of
d. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of de vorm, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, bezit of beheert welke aan belastingen in de zin van de richtlijn zijn onderworpen; 14° "langs elektronische weg": door middel van elektronische apparatuur voor gegevens- verwerking - met inbegrip van digitale compressie - en gegevensopslag, met gebruikmaking van kabels, radio, optische technologie of andere elektromagnetische middelen;

15° "CCN-netwerk": het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk gebaseerde gemeenschappelijke platform dat de Europese Unie heeft ontwikkeld voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.

16° "grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing" : elk akkoord, elke mededeling of enig ander instrument of handeling met soortgelijke effecten, inbegrepen deze verstrekt, gewijzigd of hernieuwd, in het kader van een belastingcontrole, en die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
a) verstrekt, gewijzigd of hernieuwd door de FOD Financiën, ongeacht of deze beslissingen effectief gebruikt worden;
b) verstrekt, gewijzigd of hernieuwd, voor een welbepaalde persoon of een groep van personen, en voor zover deze persoon of groep van personen er zich kan op beroepen;
c) betreft de interpretatie of toepassing van een wettelijke of administratieve bepaling betreffende de handhaving of de toepassing van dit Wetboek en met de inkomstenbelastingen verband houdende autonome bepalingen;
d) heeft betrekking op een grensoverschrijdende verrichting of op de vraag of er op grond van de activiteiten van een persoon in een lidstaat al dan niet sprake is van een vaste inrichting; en 1039 e) is tot stand gekomen voorafgaand aan de verrichtingen of activiteiten in een lidstaat op grond waarvan mogelijkerwijs sprake is van een vaste inrichting, of voorafgaand aan de indiening van een belastingaangifte voor het tijdvak waarin de verrichting of reeks verrichtingen of de activiteiten hebben plaatsgevonden.

17° "voorafgaande verrekenprijsafspraak" : elke beslissing, elke mededeling of enig ander instrument of handeling met soortgelijke effecten, inbegrepen deze verstrekt, gewijzigd of hernieuwd, in het kader van een belastingcontrole, en die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
a) verstrekt, gewijzigd of hernieuwd door of namens de FOD Financiën, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt;
b) verstrekt, gewijzigd of hernieuwd, voor een welbepaalde persoon of een groep van personen, en deze persoon of deze groep van personen kan er zich op beroepen; en
c) bepaalt, voorafgaand aan de neerlegging van de fiscale aangifte met betrekking tot het boekjaar waarin grensoverschrijdende verrichtingen tussen verbonden ondernemingen hebben plaatsgevonden, hetzij een geheel van passende criteria om de verrekenprijzen voor die verrichtingen te bepalen hetzij de toerekening van winsten aan een vaste inrichting.
Voor de toepassing van dit punt zijn ondernemingen verbonden ondernemingen wanneer een onderneming rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt in het kapitaal, het beheer, of de controle van een andere onderneming of wanneer dezelfde persoon rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt in het kapitaal, het beheer of de controle van de ondernemingen. Verrekenprijzen zijn de prijzen die een onderneming aan verbonden ondernemingen in rekening brengt voor de overdracht van materiële en immateriële goederen of voor het verlenen van diensten. Het "bepalen van verrekenprijzen" moet voor de toepassing van dit punt in die zin worden begrepen; 18° "grensoverschrijdende verrichting" als vermeld in de bepaling onder 16° : een verrichting of reeks van verrichtingen die voldoen aan een of meer van de volgende voorwaarden :
a) waarbij niet alle partijen bij de verrichting of reeks van verrichtingen fiscaal inwoners van België zijn;
b) waarbij een van de partijen bij de verrichting of reeks van verrichtingen fiscaal inwoner is in meer dan een rechtsgebied;
c) waarbij een van de partijen betrokken bij de verrichting of reeks van verrichtingen haar activiteit uitoefent in een ander rechtsgebied door middel van een vaste inrichting, waarbij de verrichting of reeks van verrichtingen de volledige of gedeeltelijke activiteit van de vaste inrichting uitmaakt. Een grensoverschrijdende verrichting of reeks van grensoverschrijdende verrichtingen omvatten eveneens de regelingen die worden getroffen door een persoon met betrekking tot de handelsactiviteiten die deze persoon in een ander rechtsgebied door middel van een vaste inrichting uitoefent.
d) wanneer de verrichtingen of reeks van verrichtingen een grensoverschrijdend effect hebben; 19° "grensoverschrijdende verrichting" als vermeld in de bepaling onder 17° : een verrichting of reeks van verrichtingen tussen verbonden ondernemingen die niet allemaal hun fiscale woonplaats op het grondgebied van hetzelfde rechtsgebied hebben of een verrichting of reeks van verrichtingen die een grensoverschrijdend effect heeft;

20° "onderneming" als vermeld in de bepalingen onder 17° en 19° : iedere vorm van bedrijfsvoering onder de vorm van een persoon.

21° "verbonden onderneming", voor de toepassing van paragraaf 6/4 en de artikelen 326/1 tot en met 326/9: een persoon die gelieerd is met een andere persoon op ten minste een van de volgende wijzen:
a) een persoon neemt deel aan de leiding van een andere persoon waarbij hij invloed van betekenis kan uitoefenen op die andere persoon;
b) een persoon neemt deel aan de zeggenschap over een andere persoon door middel van een deelneming van meer dan 25 % van de stemrechten;
c) een persoon neemt deel in het kapitaal van een andere persoon door middel van een eigendomsrecht van, rechtstreeks of middellijk, meer dan 25 % van het kapitaal;
d) een persoon heeft recht op 25 % of meer van de winsten van een andere persoon.
Indien meer dan één persoon deelneemt, als bedoeld onder a) tot en met d), aan de leiding van, aan de zeggenschap over of in het kapitaal of de winsten van dezelfde persoon, worden alle betrokken personen als verbonden ondernemingen beschouwd.
Indien dezelfde personen deelnemen, als bedoeld onder a) tot en met d), aan de leiding van, aan de zeggenschap over of in het kapitaal of de winsten van meer dan één persoon, worden alle betrokken personen als verbonden ondernemingen beschouwd. Voor de toepassing van dit punt wordt een persoon die met betrekking tot de stemrechten of het kapitaalbezit van een entiteit samen met een andere persoon optreedt, beschouwd als houder van een deelneming in alle stemrechten of het volledige kapitaalbezit dat die andere persoon in de genoemde entiteit heeft.
Bij middellijke deelneming wordt vastgesteld of aan de eisen onder c) is voldaan door vermenigvuldiging van de deelnemingspercentages door de opeenvolgende niveaus heen. Een persoon die meer dan 50 % van de stemrechten houdt, wordt geacht 100 % te houden.
Een natuurlijk persoon, zijn of haar echtgenoot en bloedverwanten in de rechte lijn worden behandeld als één persoon. 22° "Gezamenlijke audit": een administratief onderzoek dat gezamenlijk door de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt uitgevoerd, en verband houdt met een of meer personen van gezamenlijk of complementair belang voor de bevoegde autoriteiten van die lidstaten;

23° "Gegevensinbreuk": een inbreuk op de beveiliging die leidt tot vernietiging, verlies, wijziging of elk voorval van ongepaste of ongeoorloofde inzage, openbaarmaking of gebruik van inlichtingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, persoonsgegevens die worden doorgegeven, opgeslagen of anderszins verwerkt, als gevolg van opzettelijke onwettige handelingen, nalatigheid of ongevallen. Een gegevensinbreuk kan betrekking hebben op de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid en de integriteit van gegevens.

§ 3. De Belgische bevoegde autoriteit wisselt met de buitenlandse bevoegde autoriteiten inlichtingen uit. § 4. Met betrekking tot een specifiek geval kan de Belgische bevoegde autoriteit een buitenlandse bevoegde autoriteit verzoeken alle in de eerste paragraaf vermelde inlichtingen die deze in haar bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkregen heeft, te verstrekken. Het verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief
De Belgische bevoegde autoriteit kan de aangezochte autoriteit verzoeken haar de originele stukken over te maken.

§ 5. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek van een buitenlandse bevoegde autoriteit met betrekking tot een specifiek geval alle in de eerste paragraaf vermelde inlichtingen die ze in haar bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkregen heeft, dat werd ingesteld om die inlichtingen te verkrijgen.
In voorkomend geval deelt de Belgische bevoegde autoriteit de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht.
Voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen of het verrichten van het gevraagde administratief onderzoek gaat de Belgische bevoegde autoriteit te werk volgens dezelfde procedures als handelde zij uit eigen beweging of op verzoek van een andere Belgische instantie.
Op specifiek verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de Belgische bevoegde autoriteit de originele stukken, tenzij de Belgische voorschriften zich hiertegen verzetten.
De inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekt. Indien de Belgische bevoegde autoriteit evenwel de inlichtingen al in haar bezit heeft, verstrekt zij deze binnen twee maanden. In bijzondere gevallen kunnen de Belgische bevoegde autoriteit en de verzoekende autoriteit een andere termijn overeenkomen. De ontvangst van het verzoek wordt door de Belgische bevoegde autoriteit aan de verzoekende autoriteit onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na ontvangst, indien mogelijk langs elektronische weg, bevestigd.
De Belgische bevoegde autoriteit laat in voorkomend geval, uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit weten welke tekortkomingen het verzoek vertoont en preciseert welke aanvullende achtergrondinformatie zij verlangt. In dit geval gaan de in het vijfde lid gestelde termijnen in op de datum waarop de Belgische bevoegde autoriteit de
Indien de Belgische bevoegde autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt zij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit mee, met vermelding van de datum waarop zij meent aan het verzoek te kunnen voldoen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek
Indien de Belgische bevoegde autoriteit niet over de gevraagde inlichtingen beschikt en niet aan het verzoek om inlichtingen kan voldoen of het verzoek om de in paragraaf 20 genoemde redenen afwijst, deelt zij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit mee.

§ 5/1. Wat betreft een in paragraaf 4 en in paragraaf 5 bedoeld verzoek worden de verzochte inlichtingen geacht van verwacht belang te zijn indien op het ogenblik van het verzoek de verzoekende autoriteit van oordeel is dat er overeenkomstig haar nationale wetgeving een redelijke mogelijkheid bestaat dat de verzochte inlichtingen van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van één of meer belastingplichtigen, hetzij bij naam geïdentificeerd of anderszins, en het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek. Om het verwacht belang van de verzochte inlichtingen aan te tonen, verstrekt de verzoekende autoriteit ten minste de volgende inlichtingen aan de aangezochte autoriteit: a) het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd;
b) een specificering van de inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering of handhaving van haar nationale recht.

§ 5/2. Een in § 4 en in § 5 bedoeld verzoek kan betrekking hebben op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, maar die uitsluitend kunnen worden aangeduid op basis van een gemeenschappelijke reeks kenmerken.
In dergelijke gevallen, verstrekt de bevoegde verzoekende autoriteit de volgende informatie aan de aangezochte autoriteit: a) een gedetailleerde beschrijving van de groep;
b) een toelichting bij de toepasselijke wetgeving en bij de feiten op basis waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden dat de belastingplichtigen in de groep de toepasselijke wetgeving niet hebben nageleefd;
c) een toelichting bij de manier waarop de gevraagde inlichtingen zouden bijdragen tot het bepalen van de mate waarin de belastingplichtigen in de groep aan hun verplichtingen voldoen;
d) in voorkomend geval, feiten en omstandigheden die verband houden met de tussenkomst van een derde die actief heeft bijgedragen tot de mogelijke niet-naleving van de toepasselijke wetgeving door de belastingplichtigen in de groep. § 6. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt de buitenlandse bevoegde autoriteit automatisch alle inlichtingen waarover zij ten aanzien van ingezetenen van die andere lidstaat beschikt inzake de volgende specifieke inkomsten- en vermogenscategorieën, op te vatten in de zin van de Belgische wetgeving:
a) inkomen uit een dienstbetrekking;
b) tantièmes en presentiegelden;
c) levensverzekeringsproducten die niet vallen onder andere Unierechtsinstrumenten inzake de uitwisseling van inlichtingen noch onder soortgelijke voorschriften;
d) pensioenen;
e) eigendom van en inkomsten uit onroerend goed;
f) royalty's.
Voor belastingtijdvakken die ingaan op of na 1 januari 2024, omvat de verstrekking van de in de eerste alinea genoemde inlichtingen het door de lidstaat van verblijf afgegeven fiscaal identificatienummer (TIN) van ingezetenen.
België stelt de Commissie jaarlijks in kennis van ten minste twee inkomsten- en vermogenscategorieën die zijn opgenomen in de eerste alinea ten aanzien waarvan zij inlichtingen verstrekken over ingezetenen van een andere lidstaat.
De inlichtingen worden ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn geworden.
"Beschikbare inlichtingen" betekent inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingenverstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat. § 6/1. In het kader van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissingen en voorafgaande verrekenprijs- afspraken, zijn de voorwaarden de volgende :

1° uitgezonderd in de gevallen bedoeld in de bepaling onder 7° van deze paragraaf, verstrekt de Belgische bevoegde autoriteit automatisch inlichtingen aan de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten en de Europese Commissie, overeenkomstig de volgens § 24 vastgestelde van toepassing zijnde praktische modaliteiten, wanneer een grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of een voorafgaande verreken- prijsafspraak werd verstrekt, gewijzigd of hernieuwd na 31 december 2016;

2° de Belgische bevoegde autoriteit verstrekt eveneens, overeenkomstig de volgens § 24 vastgestelde van toepassing zijnde praktische modaliteiten, aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten, evenals aan de Europese Commissie, de inlichtingen over grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissingen en voorafgaande verreken- prijsafspraken die zijn verstrekt, gewijzigd of hernieuwd binnen de periode beginnend vijf jaar vóór 1 januari 2017, met uitzondering van de gevallen bedoeld in de
Indien de grensoverschrijdende vooraf- gaande beslissingen en voorafgaande verreken- prijsafspraken werden verstrekt, gewijzigd of hernieuwd tussen 1 januari 2012 en 31 december 2013, worden deze inlichtingen verstrekt op voorwaarde dat die grensoverschrijdende voorafgaande beslissingen of afspraken nog geldig waren op 1 januari 2014.
Als de grensoverschrijdende voorafgaande beslissingen en voorafgaande verrekenprijs- afspraken werden verstrekt, gewijzigd of hernieuwd tussen 1 januari 2014 en 31 december 2016, worden die inlichtingen verstrekt ongeacht of die beslissingen of afspraken al dan niet nog geldig zijn. 3° bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen worden uit het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen in toepassing van deze paragraaf, uitgesloten indien de internationale belasting- overeenkomst uit hoofde waarvan de voorafgaande verrekenprijsafspraak is onderhandeld, niet toestaat dat deze aan derden worden meegedeeld. Deze bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijs- afspraken zullen overeenkomstig § 7 worden uitgewisseld, wanneer de internationale belastingovereenkomst uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijs- afspraken is onderhandeld, toestaat dat deze worden meegedeeld en de bevoegde autoriteit van het derde land de toestemming geeft voor de mededeling van deze inlichtingen.
Echter in de gevallen waarin de bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken van de automatische uitwisseling van inlichtingen worden uitgesloten overeenkomstig het eerste lid van dit punt, worden de in de bapaling onder 6° van deze paragraaf bedoelde inlichtingen waarvan er sprake is in de vraag die tot de verstrekking van deze bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraak heeft geleid, uitgewisseld op grond van de bapaling onder 1° en 2° van deze paragraaf; 4° de bepalingen onder 1° en 2° zijn niet van toepassing wanneer een schrijdende voorafgaande fiscale beslissing of een voorafgaande verrekenprijsafspraak uitslui- tend betrekking heeft op de belastingzaken van een of meer natuurlijke personen;

5° de uitwisseling van inlichtingen geschiedt als volgt : a) voor de op grond van 1° uitgewisselde inlichtingen: onverwijld zodra de voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verreken- prijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd en uiterlijk binnen drie maanden na het einde van het semester van het kalenderjaar waarin de voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd;
b) voor de overeenkomstig de bepaling onder 2° uitgewisselde inlichtingen : vóór 1 januari 2018;

6° de door de Belgische bevoegde autoriteit uit hoofde van de bapalingen onder 1° en 2° te verstrekken inlichtingen omvatten onder meer de volgende gegevens :
a) de identificatiegegevens van de rechtspersoon, en in voorkomend geval van de groep van personen waartoe deze behoort;
b) een samenvatting van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, daaronder begrepen een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of transacties of reeks van transacties, alsook alle andere inlichtingen die voor de bevoegde autoriteit nuttig kunnen zijn bij de evaluatie van een mogelijk belastingrisico, die niet mag leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde;
c) de data van de aflevering, de wijziging of de hernieuwing van de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of de voorafgaande verrekenprijsafspraak; d) de aanvangsdatum van de geldig- heidsperiode van de grens- overschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of de voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
e) de einddatum van de geldigheids- periode van de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of de voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
f) het type grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verrekenprijsafspraak;
g) het bedrag van de verrichting of reeks van verrichtingen van de grens- overschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verreken- prijsafspraak, indien vermeld in de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verrekenprijsafspraak;
h) de criteria gebruikt voor de vaststelling van verrekenprijsmethode of de verrekenprijs zelf in het geval van een voorafgaande verrekenprijs- afspraak;
i) de gebruikte verrekenprijsmethode of de verrekenprijs zelf in het geval van een voorafgaande verrekenprijs- afspraak;
j) in voorkomend geval, de identificatie van de andere lidstaten die mogelijks betrokken kunnen zijn bij de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verrekenprijsafspraak; k) in voorkomend geval, de identificatie van personen, in de andere lidstaten mogelijks betrokken bij de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verrekenprijsafspraak waarbij vermeld dient te worden met welke lidstaten de betrokken personen verbonden zijn; en
l) de vermelding of de meegedeelde inlichtingen gebaseerd zijn op de grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of voorafgaande verrekenprijsafspraak zelf, dan wel op het verzoek bedoeld in de bepalming onder 3°, tweede lid, van deze paragraaf;

7° de inlichtingen gedefinieerd in de bepaling onder 6° a), b), h) en k) van deze paragraaf, worden niet medegedeeld aan de Europese Commissie;

8° de Belgische bevoegde autoriteit, bevestigt de ontvangst van de inlichtingen, indien mogelijk langs elektronische weg, zonder uitstel en in elk geval niet later dan zeven werkdagen na ontvangst, aan de verstrekkende bevoegde autoriteit. Deze maatregel is van toepassing totdat het in § 24, 3de en 4de lid, bedoelde gegevensbestand operationeel wordt;

9° de Belgische bevoegde overheid kan overeenkomstig § 4 en met inachtneming van de bepalingen van § 24, 2de lid, om aanvullende inlichtingen verzoeken, daaronder begrepen de volledige tekst van een grensoverschrijdende voorafgaande fiscale beslissing of een voorafgaande verrekenprijsafspraak.

§ 6/2. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt de Commissie jaarlijks de statistieken over de omvang van de automatische uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de §§ 6, eerste lid, 6/1 en 6/5, alsmede gegevens betreffende administratieve en andere relevante kosten en baten voor belastingdiensten en derden die betrekking hebben op de verrichte uitwisselingen, en mogelijke veranderingen. § 6/3. De Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen, bezorgt het in artikel 321/2 bedoelde landenrapport binnen de in het volgende lid bepaalde termijn via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waarvan, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer groepsentiteiten van de multinationale groep van de rapporterende entiteit fiscaal ingezetene zijn of waarin deze aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend.
De mededeling vindt plaats binnen een termijn van 15 maanden na de laatste dag van het boekjaar van de multinationale groep waarop het landenrapport betrekking heeft. Het eerste landenrapport wordt meegedeeld voor de rapporteringsperiode van de multinationale groep dat begint op of na 1 januari 2016, en wel binnen 18 maanden na de laatste dag van deze rapporteringsperiode.

§ 6/4. De Belgische bevoegde autoriteit deelt binnen de in het derde lid bedoelde termijn de in het tweede lid bedoelde gegevens inzake grensoverschrijdende constructies, waarvan zij ingelicht is door de intermediair of de relevante belastingplichtige overeenkomstig de artikelen 326/1 tot en met 326/8, via automatische uitwisseling mee aan de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten.
De door de Belgische bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid mee te delen gegevens zijn de volgende, voor zover van toepassing:

1° de identificatiegegevens van intermediairs en relevante belastingplichtigen bedoeld in artikel 326/1, 4° en 5°, met inbegrip van hun naam, geboortedatum en -plaats (in het geval van een natuurlijk persoon), fiscale woonplaats, fiscaal identificatienummer, en, in voorkomend geval, van de personen die overeenkomstig paragraaf 2, 21°, een verbonden onderneming vormen met de relevante belastingplichtige; 2° nadere bijzonderheden over de wezenskenmerken bedoeld in artikel 326/2 op grond waarvan de grensoverschrijdende constructie gemeld moet worden;

3° een samenvatting van de inhoud van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, met onder meer de benaming waaronder zij algemeen bekend staat, indien voorhanden, en een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of constructies, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan de onthullingen in strijd zou zijn met de openbare orde;

4° de datum waarop de eerste stap voor de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is of zal worden ondernomen;

5° nadere bijzonderheden van de nationale bepalingen die aan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ten grondslag liggen;

6° de waarde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;

7° de lidstaat van de relevante belastingbetaler(s) en eventuele andere lidstaten waarop de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn;

8° de identificatiegegevens van andere personen in een lidstaat, op wie de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij wordt vermeld met welke lidstaten deze personen verbonden zijn.
De automatische uitwisseling geschiedt binnen één maand te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarin de inlichtingen zijn verstrekt. De eerste inlichtingen worden uiterlijk op 31 oktober 2020 meegedeeld. De inlichtingen bedoeld in het tweede lid, 1°, 3° en 8° van deze paragraaf, worden niet medegedeeld aan de Europese Commissie.

§ 6/5. De bevoegde dienst van de FOD Financiën die de in artikel 321sexies, bedoelde rapportering heeft ontvangen, verstrekt, door middel van een automatische uitwisseling en in de vorm en binnen de termijn vastgesteld in het derde lid, aan de bevoegde autoriteit van het aan rapportering onderworpen rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is, vastgesteld overeenkomstig artikel 321quinquies, § 4, en indien de te rapporteren verkoper onroerend goed verhuurt, in ieder geval aan de bevoegde autoriteit van het aan rapportering onderworpen rechtsgebied waarin het onroerend goed is gelegen, de volgende inlichtingen over elke te rapporteren verkoper: 1) de naam, het adres van de hoofdzetel, het TIN en, in voorkomend geval, het door de Belgische bevoegde autoriteit toegewezen individueel identificatienummer van de rapporterende platformexploitant, alsook de handelsnamen van de platforms waarover de rapporterende platformexploitant rapporteert;
2) de voor- en achternaam van de te rapporteren verkoper als het gaat om een natuurlijke persoon, en de handelsnaam van de te rapporteren verkoper die de hoedanigheid van een entiteit heeft;
3) het hoofdadres;
4) elk TIN van de te rapporteren verkoper, met vermelding van elk rechtsgebied van afgifte, of, bij ontstentenis daarvan, de geboorteplaats van de te rapporteren verkoper die de hoedanigheid van een natuurlijke persoon heeft;
5) het bedrijfsregistratienummer van de te rapporteren verkoper die de hoedanigheid van een entiteit heeft;
6) het btw-identificatienummer van de te rapporteren verkoper, in voorkomend geval; 1055 7) de geboortedatum van de te rapporteren verkoper die de hoedanigheid van een natuurlijke persoon heeft;
8) de identificatiecode van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van het aan rapportering onderworpen rechtsgebied waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is in de zin van artikel 321quinquies, § 4 niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
9) indien verschillend van de naam van de te rapporteren verkoper, bovenop de identificatiecode van de financiële rekening, de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd, voor zover bekend aan de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
10) elke lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is zoals bepaald in de zin van artikel 321quinquies, § 4;
11) het totale bedrag van de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode, en het aantal relevante activiteiten waarvoor ze is betaald of gecrediteerd;
12) alle kosten, commissielonen of belastingen die door het rapporterende platform tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode ingehouden of geheven werden.
Indien de te rapporteren verkoper verhuurdiensten verstrekt van onroerende goederen, worden de volgende aanvullende inlichtingen meegedeeld: 1056 1) het adres van elke eigendomslijst, vastgesteld op basis van de procedures als omschreven in artikel 321quinquies, § 5, en het respectieve kadasternummer of het equivalent daarvan in het nationaal recht van het rechtsgebied waar het gelegen is, indien beschikbaar;
2) het totale bedrag van de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd tijdens elk kwartaal van de rapporteringsperiode, en het aantal relevante activiteiten dat is verricht voor elke eigendomslijst;
3) in voorkomend geval, het aantal verhuurdagen voor elke eigendomslijst tijdens de rapporteringsperiode en het type van elke eigendomslijst.
De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van het geautomatiseerde standaardformaat dat door de Europese Commissie is goedgekeurd en dat ontworpen is om die automatische uitwisseling te faciliteren, uiterlijk twee maanden na het einde van de rapporteringsperiode waarop de op de rapporterende platformexploitant toepasselijke verplichtingen betrekking hebben. De eerste inlichtingen worden meegedeeld voor rapporteringsperiodes vanaf 1 januari 2023.
Wanneer een platformexploitant wordt beschouwd als een door de Belgische bevoegde autoriteit uitgesloten platformexploitant, informeert deze laatste de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten, alsook elke latere wijziging.

§ 7. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt spontaan, in elk van de volgende gevallen, de in de eerste paragraaf bedoelde inlichtingen aan de buitenlandse bevoegde autoriteit: 1° de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om aan te nemen dat in de andere lidstaat een derving van belasting kan bestaan; 2° een belastingplichtige verkrijgt in België een vrijstelling of vermindering van belasting die voor hem een belastingplicht of een hogere belasting in de andere lidstaat zou moeten meebrengen;

3° transacties tussen een belastingplichtige in België en een belastingplichtige in een andere lidstaat worden over één of meer andere landen geleid, op zodanige wijze dat daardoor in één van beide of in beide lidstaten een belastingbesparing kan ontstaan;

4° de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om aan te nemen dat er belastingbesparing kan ontstaan door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep van ondernemingen;

5° de aan de Belgische bevoegde autoriteit verstrekte inlichtingen door een buitenlandse bevoegde autoriteit, hebben informatie opgeleverd die voor de vaststelling van de belastingschuld in die andere lidstaat toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is.
De Belgische bevoegde autoriteit kan een buitenlandse bevoegde autoriteit spontaan alle inlichtingen meedelen waarvan zij kennis heeft en die voor deze buitenlandse bevoegde autoriteit toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn.
De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen een maand nadat deze beschikbaar worden, aan de buitenlandse bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat verstrekt.

§ 8. De ontvangst van de in § 7 bedoelde inlichtingen wordt door de Belgische bevoegde autoriteit onmiddellijk en in elk geval binnen zeven werkdagen na ontvangst, indien mogelijk langs elektronische weg, aan de verstrekkende buitenlandse bevoegde autoriteit bevestigd. § 9. Met het oog op de uitwisseling van de inlichtingen als bedoeld in § 1, kan de Belgische bevoegde autoriteit een buitenlandse bevoegde autoriteit verzoeken dat door eerstgenoemde gemachtigde ambtenaren onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de buitenlandse bevoegde autoriteit mogen: 1° aanwezig zijn, op het grondgebied van de lidstaat, in de kantoren waar de administratieve autoriteiten van de lidstaat hun taken vervullen;

2° aanwezig zijn bij administratieve onderzoeken die worden uitgevoerd op het grondgebied van de buitenlandse bevoegde autoriteit;

3° deelnemen aan de administratieve onderzoeken die worden uitgevoerd op het grondgebied van de andere lidstaat, met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen, in voorkomend geval.
In de gevallen waarin de door België gemachtigde ambtenaren aanwezig zijn bij de administratieve onderzoeken of eraan deelnemen door middel van elektronische communicatie- middelen, kunnen zij personen ondervragen en bescheiden onderzoeken, onder voorbehoud van de door de buitenlandse bevoegde autoriteit gedefinieerde proceduremodaliteiten.

§ 10. Met het oog op de uitwisseling van de in § 1 bedoelde inlichtingen kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat de Belgische bevoegde autoriteit verzoeken dat door eerstgenoemde gemachtigde ambtenaren onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de Belgische bevoegde autoriteit mogen:: 1° aanwezig zijn, in België, in de kantoren waar de FOD Financiën zijn taken vervult;

2° aanwezig zijn bij administratieve onderzoeken die worden uitgevoerd op Belgisch grondgebied; 3° deelnemen aan de administratieve onderzoeken die worden uitgevoerd op Belgisch grondgebied, met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen, in voorkomend geval.
De Belgische bevoegde autoriteit antwoordt op het overeenkomstig de eerste alinea ingediende verzoek binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van het verzoek, om haar instemming te bevestigen of haar gemotiveerde weigering aan de buitenlandse bevoegde autoriteit mee te delen.
Indien de gevraagde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren van de Belgische bevoegde autoriteit toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de verzoekende autoriteit een afschrift van die bescheiden.
Indien ambtenaren van de verzoekende autoriteit aanwezig zijn tijdens een administratief onderzoek of daaraan deelnemen met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen, mogen zij personen ondervragen en bescheiden onderzoeken, onder de procedurevoorwaarden die zijn vastgesteld door de Belgische bevoegde autoriteit.
Elke weigering door een persoon op wie een onderzoek betrekking heeft, om de controlemaatregelen van de ambtenaren van de verzoekende autoriteit na te leven, wordt door de Belgische bevoegde autoriteit beschouwd als een weigering tegenover haar eigen ambtenaren.
De door de verzoekende lidstaat gemachtigde ambtenaren die overeenkomstig het eerste lid in België aanwezig zijn, moeten steeds een schriftelijk mandaat kunnen voorleggen waarin hun identiteit en hun officiële hoedanigheid worden vermeld.

§ 11. In de gevallen waarin België met één of meer lidstaten overeenkomt om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij een of meer personen te wier aanzien zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen, is deze paragraaf van toepassing. De Belgische bevoegde autoriteit bepaalt autonoom welke personen zij voor een gelijktijdige controle wil voorstellen. Zij deelt de buitenlandse bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaten met opgave van redenen mee welke dossiers zij voor een gelijktijdige controle voorstelt. Zij bepaalt binnen welke termijn de controle moet plaatsvinden.
Wanneer aan de Belgische bevoegde autoriteit een gelijktijdige controle wordt voorgesteld, beslist zij of ze aan de gelijktijdige controle wenst deel te nemen. Zij doet de buitenlandse bevoegde autoriteit die de controle voorstelt een bevestiging van deelname of een gemotiveerde weigering toekomen binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het voorstel.
De Belgische bevoegde autoriteit wijst een vertegenwoordiger aan die wordt belast met de leiding en de coördinatie van de controle.

§ 11/1. De bevoegde autoriteit van een of meer lidstaten kan de Belgische bevoegde autoriteit verzoeken een gezamenlijke audit uit te voeren. De Belgische bevoegde autoriteit aanvaardt of weigert het verzoek om een gezamenlijke audit binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek en motiveert haar beslissing ingeval ze het verzoek verwerpt.
Gezamenlijke audits worden op vooraf overeengekomen en gecoördineerde wijze, met inbegrip van taalregelingen, uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat, door de Belgische bevoegde autoriteit, en in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteiten van de andere aangezochte lidstaten en in overeenstemming met de Belgische wetgeving en procedurele voorschriften. De Belgische bevoegde autoriteit wijst een vertegenwoordiger aan die verantwoordelijk is voor het toezicht op en de coördinatie van de gezamenlijke audit op Belgisch grondgebied. De rechten en plichten van de ambtenaren van lidstaten die deelnemen aan de gezamenlijke audit op Belgisch grondgebied, worden vastgesteld overeenkomstig de Belgische wetgeving. Tegelijk met het naleven van die wetgeving, oefenen de ambtenaren van een andere lidstaat geen bevoegdheden uit die verder zouden gaan dan de bevoegdheden die hun krachtens de wetgeving van hun lidstaat zijn verleend.
Onverminderd het tweede en derde lid en voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde gezamenlijke audits, gerealiseerd op Belgisch grondgebied, zijn de ambtenaren van andere lidstaten die deelnemen aan de activiteiten van de gezamenlijke audit, gemachtigd om personen te ondervragen en bescheiden te onderzoeken in samenspraak met de ambtenaren van de Belgische bevoegde autoriteit, met inachtneming van de in België bepaalde proceduremaartregelen.
Onverminderd het tweede en derde lid en voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde gezamenlijke audits, gerealiseerd op Belgisch grondgebied, kan het bewijsmateriaal dat tijdens de activiteiten van de gezamenlijke audit is verzameld, worden beoordeeld, ook op de ontvankelijkheid ervan, onder dezelfde juridische voorwaarden als in het geval van een klassieke audit, uitgevoerd in België door Belgische ambtenaren, onder meer in de loop van een bezwaar-, herzienings- of beroepsprocedures.
Onverminderd het tweede en derde lid en voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde gezamenlijke audits, gerealiseerd op Belgisch grondgebied, genieten personen die aan een gezamenlijke audit worden onderworpen of erdoor worden geraakt, dezelfde rechten en hebben ze dezelfde plichten als in het geval van een klassieke audit waaraan alleen Belgische ambtenaren deelnemen, onder meer in de loop van een klachten-, herzienings- of beroepsprocedures. Indien de Belgische bevoegde autoriteit en de bevoegde autoriteit van een of meer lidstaten een gezamenlijke audit verrichten, trachten zij het eens te worden over de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de gezamenlijke audit, en streven zij naar overeenstemming over de fiscale positie van de geaudite persoon of personen op basis van de resultaten van de gezamenlijke audit. De bevindingen van de gezamenlijke audit worden neergelegd in een eindverslag. Punten waarover de bevoegde autoriteiten het eens zijn, worden in de conclusies van het eindverslag opgenomen en worden in aanmerking genomen in de relevante instrumenten die de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten naar aanleiding van die gezamenlijke audit uitvaardigen.
De geaudite persoon of personen word(t)en in kennis gesteld van het resultaat van de gezamenlijke audit en krijgt/krijgen een kopie van het eindverslag binnen 60 dagen na het uitbrengen van het eindverslag.

§ 11/2. De Belgische bevoegde autoriteit kan de bevoegde autoriteit van een andere of meerdere lidstaten verzoeken een gezamenlijke audit uit te voeren.
Gezamenlijke audits worden op vooraf overeengekomen en gecoördineerde wijze, met inbegrip van taalregelingen, uitgevoerd door de betrokken bevoegde autoriteiten, en in overeenstemming met de wetgeving en de procedurele voorschriften van de lidstaat waar de activiteiten van de gezamenlijke audit plaatsvinden.
De rechten en plichten van de Belgische ambtenaren die deelnemen aan de gezamenlijke audit op het grondgebied van een andere lidstaat, worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat. Tegelijk met het naleven van deze wetgeving, oefenen de Belgische ambtenaren geen bevoegdheden uit die verder zouden gaan dan de bevoegdheden die hun krachtens de Belgische wetgeving zijn verleend. Onverminderd het tweede en derde lid en voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde gezamenlijke audits, gerealiseerd op het grondgebied van een andere lidstaat, kan het bewijsmateriaal dat tijdens de activiteiten van de gezamenlijke audit is verzameld, worden beoordeeld, ook op de ontvankelijkheid ervan, onder dezelfde juridische voorwaarden als in het geval van een klassieke audit uitgevoerd in België door Belgische ambtenaren.
Indien de Belgische bevoegde autoriteit en de bevoegde autoriteit van een of meerdere andere lidstaten een gezamenlijke audit verrichten, trachten zij het eens te worden over de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de gezamenlijke audit, en streven zij naar overeenstemming over de fiscale positie van de geaudite persoon of personen op basis van de resultaten van de gezamenlijke audit. De bevindingen van de gezamenlijke audit worden neergelegd in een eindverslag. De punten waarover de bevoegde autoriteiten het eens zijn, worden in de conclusies van het eindverslag opgenomen en worden in aanmerking genomen in de relevante instrumenten die de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten naar aanleiding van die gezamenlijke audit uitvaardigen.
De geaudite persoon of personen worden in kennis gesteld van het resultaat van de gezamenlijke audit en krijgen een kopie van het eindverslag binnen 60 dagen na het uitbrengen van het eindverslag.

§ 12. De Belgische bevoegde autoriteit kan een verzoek aan een buitenlandse bevoegde autoriteit richten tot kennisgeving aan de geadresseerde, overeenkomstig de in de aangezochte lidstaat geldende voorschriften voor de kennisgeving van soortgelijke akten, van alle door de Belgische administratieve overheden afgegeven akten en besluiten die betrekking hebben op de toepassing in België van wetgeving betreffende inkomstenbelastingen.
Het verzoek tot kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de geadresseerde, evenals alle overige informatie ter identificatie van de geadresseerde, en het onderwerp van de akte of het besluit waarvan de geadresseerde kennis moet worden gegeven. Het verzoek tot kennisgeving wordt door de Belgische bevoegde autoriteit slechts gedaan indien de kennisgeving van de akten niet volgens de Belgische regels kan geschieden, of buitensporige problemen zou veroorzaken. De Belgische bevoegde autoriteit kan een document, per aangetekende brief of langs elektronische weg, rechtstreeks ter kennis brengen aan een persoon op het grondgebied van een andere lidstaat. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 338, § 12, derde lid, als volgt:
Het verzoek tot kennisgeving wordt door de Belgische bevoegde autoriteit slechts gedaan indien de kennisgeving van de akten niet volgens de Belgische regels kan geschieden, of buitensporige problemen zou veroorzaken. De Belgische bevoegde autoriteit kan een document, met een aangetekende zending of door middel van een beveiligd elektronisch platform, rechtstreeks ter kennis brengen aan een persoon op het grondgebied van een andere lidstaat. ----------

§ 13. Op verzoek van een buitenlandse bevoegde autoriteit gaat de Belgische bevoegde autoriteit, overeenkomstig de Belgische voorschriften voor de kennisgeving van soortgelijke akten, over tot kennisgeving aan de geadresseerde van alle door de administratieve overheden van de verzoekende lidstaat afgegeven akten en besluiten die betrekking hebben op de toepassing op haar grondgebied van wetgeving betreffende inkomstenbelastingen.
De Belgische bevoegde autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het aan het verzoek gegeven gevolg en, in het bijzonder, van de datum waarop de akte of het besluit aan de geadresseerde ter kennis is gebracht. § 14. Indien een buitenlandse bevoegde autoriteit inlichtingen overeenkomstig §§ 4 of 8 heeft verstrekt en terugmelding betreffende de ontvangen inlichtingen verzoekt, doet de ontvangende Belgische bevoegde autoriteit, zonder afbreuk te doen aan de Belgische voorschriften inzake beroepsgeheim en gegevensbescherming, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat het resultaat van het gebruik van de verlangde inlichtingen bekend is, een terugmelding aan de buitenlandse bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verzonden.
De Belgische bevoegde autoriteit doet eenmaal per jaar, overeenkomstig bilateraal overeengekomen praktische afspraken, een terugmelding over de automatische inlichtingen- uitwisseling naar de betrokken lidstaten.

§ 15. De Belgische bevoegde autoriteit die overeenkomstig §§ 5 of 7 inlichtingen heeft verstrekt, kan de ontvangende buitenlandse bevoegde autoriteit om terugmelding betreffende de ontvangen inlichtingen verzoeken.

§ 16. De Belgische verbindingsdienst of de Belgische bevoegde ambtenaar die een verzoek om samenwerking ontvangt dat een optreden vereist buiten de hem krachtens de Belgische wetgeving of het Belgische beleid verleende bevoegdheid, geeft het verzoek onmiddellijk door aan het Belgisch centraal verbindingsbureau en stelt de verzoekende buitenlandse bevoegde autoriteit hiervan in kennis. In dat geval gaat de in § 5 vermelde termijn in op de dag nadat het verzoek aan het Belgisch centraal verbindingsbureau is doorgezonden.

§ 17. De inlichtingen waarover de Belgische Staat uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht van artikel 337 en de bescherming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten.
Deze inlichtingen kunnen worden gebruikt: 1° voor de vestiging, de toepassing en de controle van de in artikel 2 van de richtlijn bedoelde belastingen, alsook op de btw en op andere indirecte belastingen, alsook op de toepassing van het Belgisch recht;

2° voor de vaststelling en invordering van andere belastingen en rechten vallend onder artikel 3 van de wet van 9 januari 2012 houdende omzetting van richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen, en voor de vaststelling en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen;

3° in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belasting- wetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
Mits toestemming van de buitenlandse bevoegde autoriteit die de inlichtingen overeenkomstig de Richtlijn heeft verstrekt en voor zover het in België wettelijk is toegestaan, kunnen de inlichtingen en bescheiden ontvangen van deze autoriteit voor andere dan de in het tweede lid bedoelde doeleinden worden gebruikt.
Wanneer de Belgische bevoegde autoriteit van oordeel is dat de van een buitenlandse bevoegde autoriteit verkregen inlichtingen de buitenlandse bevoegde autoriteit van een derde lidstaat van nut kunnen zijn voor de in het tweede lid beoogde doelen, stelt zij de bevoegde autoriteit van de inlichtingenverstrekkende lidstaat in kennis van haar voornemen om die inlichtingen met een derde lidstaat te delen. Indien de bevoegde autoriteit van de inlichtingenverstrekkende lidstaat zich niet binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving verzet heeft tegen die inlichtingenuitwisseling, geeft de Belgische bevoegde autoriteit de inlichtingen door aan de buitenlandse bevoegde autoriteit van de derde lidstaat, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de in dit artikel vastgelegde voorschriften en procedures. Indien de Belgische bevoegde autoriteit van oordeel is dat de door een buitenlandse bevoegde autoriteit doorgegeven inlichtingen gebruikt kunnen worden voor de in het derde lid bedoelde doelen, en dat deze doelen niet het voorwerp uitmaken van een mededeling, door een bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de inlichtingen afkomstig zijn, die het automatisch gebruik van deze inlichtingen voor de door de Belgische bevoegde autoriteit doeleinden toelaten, vraagt zij hiervoor toestemming aan de bevoegde autoriteit waarvan de inlichtingen afkomstig zijn.
Inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die door de aangezochte autoriteit zijn verkregen en overeenkomstig dit artikel aan de verzoekende Belgische bevoegde autoriteit zijn doorgegeven, worden door de Belgische bevoegde instanties op dezelfde voet als bewijs aangevoerd als soortgelijke inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden die door een andere Belgische instantie zijn verstrekt.

§ 18. De Belgische bevoegde autoriteit kan het gebruik toestaan van de overeenkomstig dit artikel verstrekte inlichtingen en bescheiden in de lidstaat die ze ontvangt, voor andere dan in § 17, tweede lid, bedoelde doeleinden. De Belgische bevoegde autoriteit verleent toestemming indien de inlichtingen in België voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.
De Belgische bevoegde autoriteit deelt, in voorkomend geval, aan de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten een lijst mee van andere dan in paragraaf 1 bedoelde doeleinden waarvoor overeenkomstig haar nationale recht, de inlichtingen en bescheiden kunnen worden gebruikt. De bevoegde autoriteit die inlichtingen en bescheiden ontvangt, kan de ontvangen inlichtingen en bescheiden zonder de in het eerste lid bedoelde toestemming gebruiken voor alle doeleinden die de Belgische bevoegde autoriteit heeft opgenoemd. De Belgische bevoegde autoriteit kan het gebruik overeenkomstig de in § 17, derde lid beoogde doelen van de inlichtingen afkomstig uit België die door een buitenlandse bevoegde autoriteit aan een buitenlandse bevoegde autoriteit van een derde lidstaat werden doorgegeven, in die derde lidstaat toestaan.

§ 19. Alvorens om de in § 4 bedoelde inlichtingen te verzoeken, tracht de Belgische bevoegde autoriteit eerst de inlichtingen te verkrijgen uit alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden kan aanspreken zonder dat het beoogde resultaat in het gedrang dreigt te komen.
De in § 5 bedoelde inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit aan een buitenlandse bevoegde autoriteit verstrekt, op voorwaarde dat de buitenlandse bevoegde autoriteit eerst de inlichtingen tracht te verkrijgen uit alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden kon aanspreken zonder dat het beoogde resultaat in het gedrang dreigt te komen.

§ 20. Het is de Belgische bevoegde autoriteit niet toegelaten onderzoek in te stellen of inlichtingen te verstrekken wanneer de Belgische wetgeving haar niet toestaat voor eigen doeleinden het onderzoek in te stellen of de gevraagde inlichtingen te verzamelen.
De Belgische bevoegde autoriteit kan weigeren inlichtingen te verstrekken indien: 1° de verzoekende lidstaat, op juridische gronden, soortgelijke inlichtingen niet kan verstrekken;

2° dit zou leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of indien het inlichtingen betreft waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.
De Belgische bevoegde autoriteit deelt de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij het verzoek om inlichtingen afwijst. § 21. De Belgische bevoegde autoriteit wendt de middelen aan waarover zij beschikt om de gevraagde inlichtingen te verzamelen, zelfs indien zij de inlichtingen niet voor eigen belastingdoeleinden nodig heeft. Deze verplichting geldt onverminderd § 20, eerste en tweede lid, die, wanneer er een beroep op wordt gedaan, in geen geval zo kunnen worden uitgelegd dat België kan weigeren inlichtingen te verstrekken uitsluitend omdat België geen binnenlands belang bij deze inlichtingen heeft.
In geen geval wordt § 20, eerste lid en tweede lid, 2° zo uitgelegd dat de Belgische bevoegde autoriteit kan weigeren inlichtingen te verstrekken, uitsluitend op grond dat deze berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde of een persoon die als vertegenwoordiger of trustee optreedt, of dat zij betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
Onverminderd het tweede lid kan de Belgische bevoegde autoriteit weigeren de gevraagde inlichtingen toe te zenden indien deze betrekking hebben op belastbare tijdperken vóór 1 januari 2011 en de toezending van de inlichtingen geweigerd had kunnen worden op grond van artikel 8, punt 1, van de richtlijn 77/799/EG indien daarom was verzocht vóór 11 maart 2011. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 338, § 21, derde lid, als volgt:
Onverminderd het tweede lid kan de Belgische bevoegde autoriteit weigeren de gevraagde inlichtingen te verzenden indien deze betrekking hebben op belastbare tijdperken vóór 1 januari 2011 en de verzending van de inlichtingen geweigerd had kunnen worden op grond van artikel 8, punt 1, van de richtlijn 77/799/EG indien daarom was verzocht vóór 11 maart 2011. ---------- § 22. Indien de Belgische overheid voorziet in een samenwerking met een derde land welke verder reikt dan de bij de Richtlijn geregelde samenwerking, kan de Belgische overheid de verderreikende samenwerking niet weigeren aan een andere lidstaat die met haar deze verderreikende, wederzijdse samenwerking wenst aan te gaan.

§ 23. Verzoeken om inlichtingen en de administratieve onderzoeken die zijn ingediend op grond van § 4, alsook de antwoorden op grond van § 5, de ontvangstbevestigingen, de verzoeken om inlichtingen van algemene aard en de verklaringen van ongeschiktheid of weigering krachtens §5 worden, voor zover mogelijk, overgemaakt door middel van een door de Commissie goedgekeurd standaardformulier. Er mogen rapporten, certificaten en andere bescheiden, of andere voor eensluidend verklaarde afschriften of uittreksels daarvan bij de standaardformulieren gevoegd worden.
De in het eerste lid bedoelde standaardformulieren bevatten ten minste de volgende gegevens, die de verzoekende autoriteit moet verstrekken: a) de identiteit van de persoon naar wie het onderzoek of de controle is ingesteld en, in het geval van vragen betreffende een groep zoals bedoeld in § 5/2, een gedetailleerde beschrijving van de groep;
b) het fiscale doel van de gevraagde informatie.
De Belgische bevoegde autoriteit kan, voor zover bekend en in overeenstemming met de ontwikkeling van de internationale situatie, de namen en adressen verstrekken van alle personen van wie er redenen zijn om aan te nemen dat ze in het bezit zijn van de gevraagde informatie, alsook alle elementen die het verzamelen van informatie door de aangezochte autoriteit kunnen vergemakkelijken. De spontane gegevensuitwisseling en de desbetreffende ontvangstbevestiging respectievelijk op grond van de §§ 7 en 8, de verzoeken tot administratieve kennisgeving op grond van §§ 12 en 13, de terugmeldingen op grond van §§ 14 en 15, de inlichtingen op grond van §§ 17, tweede lid, en 18, en van § 25, tweede lid, worden overgemaakt door middel van de door de Commissie goedgekeurde standaardformulieren.
De automatische inlichtingenuitwisseling op grond van de §§ 6 en 6/1 wordt verricht in een geautomatiseerd standaardformaat dat ontworpen is om die automatische uitwisseling te vergemakkelijken en dat is goedgekeurd door de Commissie.

§ 24. De krachtens dit artikel verstrekte inlichtingen worden voor zover mogelijk verzonden langs elektronische weg, via het CCN- netwerk.
Het verzoek om samenwerking, waaronder het verzoek tot kennisgeving en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door de aangezochte en de verzoekende autoriteit overeengekomen taal zijn gesteld. Slechts in bijzondere gevallen en mits het verzoek met redenen omkleed is, kan de Belgische bevoegde autoriteit verzoeken het verzoek vergezeld te laten gaan van een vertaling in één van de officiële talen van België.
Om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in § 6/1, 1° en 2°, te verstrekken inlichtingen, wordende gegevens die moeten worden meegedeeld opgeslagen in een beveiligd centraal gegevensbestand betreffende de administratieve samenwerking op belastinggebied, bestemd voor de lidstaten, ontwikkeld en ter beschikking gesteld door de Commissie uiterlijk op 31 december 2017. De Belgische bevoegde autoriteiten hebben toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen.
In afwachting dat dat beveiligd centraal gegevensbestand operationeel wordt, geschiedt de in § 6/1, 1° en 2°, bedoelde automatische uitwisseling van gegevens, volgens lid 1 van deze paragraaf en de toepasselijke praktische modaliteiten. § 24/1. De Belgische bevoegde autoriteit bezorgt de buitenlandse belastingautoriteiten op verzoek de gegevens die worden gehouden in het register van de uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO-register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, evenals de AML-mechanismen, -procedures, -documenten en -inlichtingen bedoeld in de artikelen 13, 30, 31, 32bis en 40 van de Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening nr. 648/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.

§ 25. De Belgische bevoegde autoriteit die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor haar administratie en de handhaving van de Belgische wetgeving betreffende inkomstenbelastingen, kan deze inlichtingen verstrekken aan de buitenlandse bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor wie die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke buitenlandse bevoegde autoriteit die erom verzoekt, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan.
De Belgische bevoegde autoriteit kan, met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheids- dienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, de overeenkomstig dit artikel ontvangen inlichtingen doorgeven aan een derde land, op voorwaarde dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: a) de buitenlandse bevoegde autoriteit van de lidstaat waaruit de inlichtingen afkomstig zijn, heeft daarin toegestemd; b) het derde land heeft zich ertoe verbonden de medewerking te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent het ongeoorloofde of onwettige karakter van verrichtingen die blijken in strijd te zijn met of een misbruik te vormen van de belastingwetgeving.

§ 26. Rapporterende financiële instellingen, intermediairs, rapporterende platformexploitanten en de Belgische bevoegde autoriteit worden als verwerkingsverantwoordelijken beschouwd wanneer zij, alleen of gezamenlijk, de doelen en middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepalen in de zin van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
De Belgische bevoegde autoriteit stelt de Commissie onverwijld in kennis van elke gegevensinbreuk en alle daaropvolgende corrigerende maatregelen.
De Belgische bevoegde autoriteit kan de uitwisseling van inlichtingen met de lidstaat of de lidstaten waar de gegevensinbreuk heeft plaatsgevonden, schorsen door de Commissie en de betrokken lidstaat of lidstaten daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Een dergelijke schorsing wordt onmiddellijk van kracht.
In geval van gegevensinbreuk, onderzoekt, beperkt en verhelpt de Belgische bevoegde autoriteit de gegevensinbreuk, en verzoekt zij de Commissie, daarvan schriftelijk in kennis gesteld, om de schorsing van de toegang tot het CCN- netwerk voor de toepassing van deze richtlijn, indien de gegevensinbreuk niet onmiddellijk en op passende wijze onder controle kan worden gebracht. Op een dergelijk verzoek schorst de Commissie de toegang van die lidstaat of lidstaten tot het CCN-netwerk voor de toepassing van de richtlijn. De Belgische bevoegde autoriteit stelt, in geval van een gegevensinbreuk, de Commissie op de hoogte wanneer zij deze inbreuk heeft verholpen. Indien een of meer lidstaten de Commissie verzoeken om gezamenlijk te verifiëren of de gegevensinbreuk is verholpen, geeft de Commissie pas na die verificatie de betrokken lidstaat of lidstaten opnieuw toegang tot het CCN-netwerk voor de toepassing van de richtlijn.
Indien voor de toepassing van deze richtlijn een gegevensinbreuk in het centrale gegevensbestand of het CCN-netwerk plaatsvindt die nadelige gevolgen kan hebben voor de uitwisseling van inlichtingen door de lidstaten via het CCN-netwerk, stelt de Commissie de lidstaten zonder onnodige vertraging in kennis van de gegevensinbreuk en van eventuele corrigerende maatregelen die zijn genomen. Zulke corrigerende maatregelen kunnen inhouden dat de toegang tot het centrale gegevensbestand of het CCN-netwerk voor de toepassing van de richtlijn wordt geschorst totdat de gegevensinbreuk is verholpen.

Art. 338bis.

§ 1. Dit artikel regelt de uitwisseling van gegevens in het kader van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.

§ 2. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van interesten woonachtig is in een andere lid-Staat, of in een van de afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een wederkerigheidsverplich- ting bestaat verstrekt de uitbetalende instantie aan de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen de door de Koning vastgestelde gegevens. De administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen wisselt de in het eerste lid bedoelde gegevens uit met de bevoegde autoriteit van de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
De gegevensuitwisseling gebeurt automatisch en ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte betalingen van interesten. De Koning legt de modaliteiten van die uitwisseling vast.
Voor toepassing van dit artikel bepaalt de Koning (1) :
- wat moet worden verstaan onder uiteindelijk gerechtigde, interesten en uitbetalende instantie ;
- de modaliteiten volgens dewelke de identificatie en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vastgelegd.


(1) KB van 27.09.2009 – BS 01.10.2009, ed. 2

§ 3...

§ 4…

Art. 338quater.

§ 1. Bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, vijfentwintig fiscale ambtenaren met minstens de graad van attaché. (1)
Het aantal van vijfentwintig fiscale ambtenaren kan door de Koning worden verhoogd na advies van het College van procureurs-generaal.
De Koning kan voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze fiscale ambtenaren bepalen.


(1) MB 22.11.2022 (BS 05.12.2022)

§ 2. De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 1 bedoelde fiscale ambtenaren, kunnen slechts uitgeoefend worden met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek of de tot uitvoering ervan genomen besluiten of in het artikel 505 van het Strafwetboek, prioritair maar niet exclusief georiënteerd op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en voor zover zij bijstand verlenen aan gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams, opgericht op basis van het artikel 105, § 11 van de wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 338quater, § 2, als volgt : § 2. De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 1 bedoelde fiscale ambtenaren, kunnen slechts uitgeoefend worden met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek of de tot uitvoering ervan genomen besluiten of in de artikelen 501 en 503 van het Strafwetboek, prioritair maar niet exclusief georiënteerd op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en voor zover zij bijstand verlenen aan gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams, opgericht op basis van het artikel 105, § 11 van de wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

§ 3. De ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 mogen evenwel geen bijstand verlenen aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam voor zover zij betrokken zijn in een lopend administratief onderzoek waarop het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 2 betrekking heeft.

§ 4. Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de fiscale ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen."
Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen. 1078

Art. 338ter. Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van derde landen, binnen de juridische grondslag die op basis van wederkerigheid de uitwisseling van informatie tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit. hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings

Art. 339. De aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen. Deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt.
Wanneer de belastingplichtige ingevolge artikel 306 van aangifteplicht is vrijgesteld, wordt de aanslag gevestigd op de in het voorstel van vereenvoudigde aangifte vermelde gegevens, desgevallend verbeterd aan de hand van de opmerkingen van de belastingplichtige.

Art. 339/1.

§ 1. …
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 339/1, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.1.0.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1079

Art. 340. Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processenverbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Onverminderd de toepassing van artikel 327, § 1, tweede lid, kunnen de bewijselementen die door de fiscale ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zoals bedoeld in artikel 338quater, § 1, worden verzameld tijdens hun medewerking aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam zoals bedoeld in artikel 338quater, § 2, worden gebruikt ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 340, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.17.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 341. Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.
Wanneer het tegenbewijs van de belasting- plichtige betrekking heeft op verkopen van roerende waarden of andere financiële instrumenten die hij zich als belegging heeft aangeschaft, hebben de ingeroepen aankoop- of verkoopborderellen of -documenten tegenover de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen slechts bewijskracht indien ze de vermelding "op naam" dragen en zijn opgesteld ten name van de belastingplichtige of van de personen van wie hij de rechthebbende is.

Art. 342.

§ 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, § 1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.
De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.
De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.
De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren. § 2. De Koning bepaalt (1), met inachtneming van de in § 1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn.

§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van § 2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep (2).

§ 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet- inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 40 000 euro.
Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.
Het minimum van de belastbare winst wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de regels van artikel 178, § 2, met dien verstande dat het bedrag van 40 000 euro eerst wordt gedeeld door de indexeringscoëfficiënt die van toepassing is voor aanslagjaar 2020 waarna het resultaat wordt afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 100 euro naargelang de cijfers van de eenheden en tientallen al dan niet 50 bereiken.


(1) art. 182, KB/WIB 92. (2) van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005 bij : - niet-aangifte ; - laattijdige overlegging van de aangifte na de tiende dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2005.

Art. 344.

§ 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. § 2. Aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen kan evenmin worden tegengeworpen, de verkoop, de cessie of de inbreng van aandelen, obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen, auteursrechten en naburige rechten, uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken of andere soortgelijke rechten of sommen geld, rechtstreeks of onrechtstreeks, aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij zijn gevestigd, niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling is onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1084 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 344, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.17.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 344/1. Indien op grond van vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen, en aan de hand van objectieve omstandigheden wordt aangetoond dat een juridische constructie één van de in artikel 344, § 1, tweede lid, bedoelde verrichtingen tot stand heeft gebracht, kan de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt evenmin worden tegengeworpen aan de administratie.
In voorkomend geval kan het in artikel 344, § 1, derde lid, bedoelde tegenbewijs worden geleverd door de oprichter van deze juridische constructie of door de belastingplichtige die tijdens het belastbaar tijdperk een dividend van deze juridische constructie heeft verkregen.
Indien deze oprichter of deze belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening hersteld overeenkomstig artikel 344, § 1, vierde lid.

Art. 346. Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 346, eerste lid, als volgt:
Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem met een aangetekende zending in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.



Wanneer de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel bedoeld in artikel 342, § 1, eerste lid, deelt zij op dezelfde wijze het bedrag mede van de winst of baten van drie soortgelijke belastingplichtigen, alsmede de gegevens die nodig zijn voor het verhoudingsgewijs bepalen van de winst of baten van de betrokken belastingplichtige.
Binnen de termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen ; de aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 346, derde lid, onveranderd:
Binnen de termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen ; de aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. De vorige leden zijn eveneens van toepassing op de inkomsten en andere gegevens die zijn vermeld in een in artikel 306 bedoeld voorstel van vereenvoudigde aangifte, wanneer hetzij dat voorstel van vereenvoudigde aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in artikel 306, § 3, vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, onjuist of onvolledig is, hetzij de administratie niet akkoord gaat met de haar binnen de termijn van artikel 306, § 3, ter kennis gebrachte opmerkingen van de belastingplichtige.
Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belasting- plichtige schriftelijk in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 346, vijfde lid, als volgt:
Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige schriftelijk in kennis, met een aangetekende zending, van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1088 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 346, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Art. 347 - 350 ...

Art. 351. De administratie kan de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft :
- ofwel een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311 of in de bepalingen genomen ter uitvoering van artikel 312 ;
- ofwel aan de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast binnen de daarvoor toegestane termijn, te verhelpen ;
- ofwel de in artikel 315 vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis bedoelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen ;
- ofwel de op grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken ;
- ofwel binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht. Voor de aanslag ambtshalve wordt gevestigd, geeft de administratie bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 351, tweede lid, als volgt:
Voor de aanslag ambtshalve wordt gevestigd, geeft de administratie met een aangetekende zending aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
Behalve in de laatste eventualiteit bedoeld in het eerste lid of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren ingevolge een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen of nog indien het gaat om roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, wordt aan de belasting-plichtige een termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van die kennisgeving toegestaan om zijn opmerkingen schriftelijk in te brengen en mag de aanslag niet vóór het verstrijken van die termijn worden gevestigd.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 351, derde lid, onveranderd: Behalve in de laatste eventualiteit bedoeld in het eerste lid of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren ingevolge een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen of nog indien het gaat om roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, wordt aan de belasting-plichtige een termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van die kennisgeving toegestaan om zijn opmerkingen schriftelijk in te brengen en mag de aanslag niet vóór het verstrijken van die termijn worden gevestigd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 351, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).

Art. 352. Indien hij ambtshalve is aangeslagen behoort het aan de belastingplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens.
Het behoort evenwel aan de administratie dat bewijs te leveren indien :
- de belastingplichtige aantoont dat wettige redenen hem hebben belet de in artikel 315, eerste en tweede lid, vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis, eerste tot derde lid, vermelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen of op de grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de gestelde tijd te verstrekken of binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht ; - de aanslag op de grondslag vermeld in het in artikel 346 bedoelde bericht werd gevestigd vóór het verstrijken van de in dat artikel vermelde termijn omdat de rechten van de Schatkist in gevaar verkeerden.

Art. 352bis. Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige schriftelijk in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig artikel 351, derde lid, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 352bis, als volgt:
Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige schriftelijk in kennis, met een aangetekende zending, van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig artikel 351, derde lid, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.



1092

Art. 353. De belasting met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311, wordt gevestigd binnen de in artikel 359 gestelde termijn, die evenwel niet korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de dienst die op het formulier is vermeld is toegekomen.
In afwijking van het eerste lid mag de in artikel 359 gestelde termijn evenwel niet korter zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 306 bedoelde voorstel van vereenvoudigde aangifte aan de belastingplichtige is toegestuurd.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 353, tweede lid, als volgt:
In afwijking van het eerste lid mag de in artikel 359 gestelde termijn evenwel niet korter zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 306 bedoelde voorstel van vereenvoudigde aangifte aan de belastingplichtige werd verzonden.



1093

Art. 354.

§ 1. Wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359 worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.
Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of bij complexe aangifte, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359 worden gevestigd gedurende vier jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.
Een aangifte wordt als complex beschouwd in de volgende gevallen:
- wanneer de aangifte een onderneming betreft die een lokaal dossier moet indienen overeenkomstig artikel 321/5;
- wanneer de aangifte een onderneming betreft die onderworpen is aan de verplichting tot het indienen van een landenrapport overeenkomstig artikel 321/2;
- wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/2, de aangifte vergezeld moet gaan van een formulier waarop de betalingen zijn vermeld die tijdens het belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gedaan aan personen of vaste inrichtingen gevestigd in bepaalde staten die door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, worden aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van transparantie en uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast, voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting of opgenomen in de lijst van de EU niet- coöperatieve rechtsgebieden; - wanneer in de aangifte in de roerende voorheffing vrijstellingen, verzakingen of verminderingen zijn opgenomen die worden toegekend op basis van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting, of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU of Richtlijn 2003/49/EG inzake roerende voorheffing aan een inwoner van ander lidstaat van de Europese Unie toekennen;
- wanneer de aangifte een verrekening bevat van het in artikel 285 bedoelde forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting;
- wanneer over de aangifte inlichtingen werden ontvangen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, en waarbij de inlichtingen betrekking hebben op:
a) meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies als bedoeld in artikel 326/1;
b) informatie van platformexploitanten, op voorwaarde dat het betrokken bedrag voor een bepaalde belastingplichtige minimaal 25.000 euro bedraagt;
- het betreft een hybridemismatch als bedoeld in artikel 2, § 1, 16° ;
- het betreft een niet-uitgekeerde winst bedoeld in artikel 185/2;
- wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/1, of § 1/3, de aangifte het bestaan van een juridische constructie moet vermelden.

… § 2. In afwijking van de termijnen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd gedurende zeven jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

§ 3. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de paragrafen 1 en 2.

§ 4. Wanneer de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing, de in paragrafen 1 en 2 bedoelde termijn verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.

§ 5. Wanneer de belastingplichtige, diens echtgeno(o)t(e) op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift of een verzoek tot ontheffing van ambtswege overeenkomstig artikel 376 heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de adviseur-generaal of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. Wanneer een belastingplichtige een vordering tot teruggave van de voorheffing op basis van artikel 368/1 binnen de termijn van drie jaar, indient, wordt deze termijn verlengd met een periode gelijk aan deze die tussen de datum van de indiening van de vordering tot teruggave en deze van de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zonder dat deze verlenging hoger mag zijn dan zes maanden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 354, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.3.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST

Art. 354/1. De aanvullende termijn bedoeld in artikel 354, § 1, tweede lid, kan, wanneer deze uitsluitend voortvloeit uit het feit dat een aangifte complex is, niet worden toegepast, voor het vierde jaar voorzien in dat artikel, op de vestiging van een belasting met betrekking tot de complexe aangifte indien het gaat om:
a) gewestelijke belastingen, heffingen en retributies als bedoeld in artikel 198, § 1, 5° ;
b) geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard als bedoeld in artikel 53, 6° ;
c) de niet-aftrekbare autokosten als bedoeld in artikel 66, § 1, of artikel 198bis; d) de niet-aftrekbare receptiekosten en kosten voor relatiegeschenken als bedoeld in artikel 53, 8° of 11° ;
e) de niet-aftrekbare restaurantkosten als bedoeld in artikel 53, 8° bis of 11° ;
f) de kosten voor niet-specifieke beroepskledij als bedoeld in artikel 53, 7° of 11° ;
g) de sociale voordelen, met inbegrip van voordelen voor maaltijdcheques, sport- of cultuurcheques, of ecocheques als bedoeld in artikel 38, § 1.

Art. 355. Wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
Wanneer de vernietigde aanslag tot een teruggave van een belastingkrediet, voorheffing of voorafbetaling aanleiding heeft gegeven, wordt bij de vestiging van de nieuwe vervangende aanslag rekening gehouden met deze teruggave.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 1098 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 355, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.7.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 356. Wanneer tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een
initiële aanslag.
Als de administratie een subsidiaire aanslag binnen de voornoemde termijn van zes maanden aan de rechter voorlegt, beginnen, in afwijking van het eerste lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing betreffende de subsidiaire aanslag. Wanneer de aanslag waarvan de nietigheid door de rechter wordt uitgesproken, aanleiding heeft gegeven tot een teruggave van een voorheffing of voorafbetaling, wordt bij de berekening van de aan het oordeel van de rechter onderworpen subsidiaire aanslag rekening gehouden met die teruggave.
De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing.
Wanneer de subsidiaire aanslag gevestigd wordt in hoofde van een overeenkomstig artikel 357 gelijkgestelde belastingschuldige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingschuldige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 356, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.7.0.0.2. en de opmerking in artikel 5.0.0.0.9. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 357. Voor de toepassing van de artikelen 355 en 356 worden met dezelfde belastingschuldige gelijkgesteld :

1° de erfgenamen van de belastingschuldige ; 2° zijn echtgenoot ;

3° naargelang het geval, de vennootschap die een fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld met een fusie of andere ontbinding zonder verdeling van het gehele maatschappelijke vermogen heeft doorgevoerd en de opslorpende of verkrijgende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen ;

4° de leden van het gezin, de vennootschap, de vereniging of de gemeenschap waarvan het hoofd, de directeur, de aandeelhouders of de vennoten oorspronkelijk werden aangeslagen en wederkerig;

5° de vereffenaar van de rechtspersoon waarvan de vereffening gesloten is, in die hoedanigheid, of, bij ontstentenis daarvan, de personen die beschouwd worden als vereffenaar krachtens deel 1, boek 2, titel 8 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gedurende de periode voorzien in artikel 2:143, van hetzelfde Wetboek
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 357, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.7.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 358.

§ 1. De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval : 1° eeen controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen ten name van een welbepaalde belastingplichtige uitwijst, dat de verschuldigde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing niet, laattijdig, onvolledig of onjuist is aangegeven, in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van de vaststelling ;

2° ofwel het bekomen van inlichtingen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, ofwel het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek ten gevolge van het bekomen van dergelijke inlichtingen uitwijst dat belastbare inkomsten, of verschuldigde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing in België niet werden aangegeven :
a) in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;
b) ingeval van bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in de loop van één der zeven jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;

3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten of verschuldigde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld ;

4° bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten of verschuldigde roerende voorheffing of bedrijfs- voorheffing niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van die gegevens; 5° er na een procedure voor onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990 of na een geschilbeslechtingsprocedure bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 10 of 15 van de wet van 2 mei 2019 tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie, nog belastingen verschuldigd zijn.

§ 2. In de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 3°, 4° en 5°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum :

1° van de in § 1, 1°, bedoelde vaststelling ;

2° waarop tegen de beslissing over de in § 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend ;

3° waarop de administratie kennis krijgt van de in § 1, 4°, vermelde bewijskrachtige gegevens;

4° waarop de procedure bedoeld in § 1, 5°, is beëindigd.

§ 3. In het geval bedoeld in § 1, 2°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de vierentwintig maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Belgische administratie kennis draagt van de inlichtingen bedoeld in § 1, 2°.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1103 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 358, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.3.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroepsverliezen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4, zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van vorige belastbare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen zijn ontstaan.

Art. 359. Het aanslagjaar begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31ste december.
Evenwel kan de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op geldige wijze gevestigd worden tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 359, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.3.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 360. De voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen.
De Koning bepaalt (1) het belastbare tijdperk en de inkomsten die daartoe behoren.


(1) art. 199 tot 206, KB/WIB 92.

Art. 361. Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een bepaald belastbaar tijdperk onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva vermeld in artikel 24, eerste lid, 4°, worden vastgesteld, worden deze als winst van dat belastbare tijdperk aangemerkt, zelfs indien ze blijken uit de boekhouding betreffende vorige belastbare tijdperken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat ermee rekening is gehouden bij het bepalen van het resultaat van deze laatste tijdperken. 1105

Art. 362. Kapitaalsubsidies die van overheidswege worden verkregen om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, worden als winst of baten van het belastbare tijdperk waarin ze respectievelijk zijn toegekend of ontvangen en van ieder volgend belastbare tijdperk aangemerkt in verhouding tot de afschrijvingen en waardeverminderingen op die activa die onderscheidelijk tot op het einde van dat belastbare tijdperk en tijdens ieder volgend belastbare tijdperk als beroepskosten in aanmerking zijn genomen en, in voorkomend geval, tot het bedrag van het saldo bij de vervreemding of de buitengebruikstelling van die activa.
Wanneer met betrekking tot verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, gesubsidieerde activa deel uitmaken van de inbreng wordt het gedeelte van de kapitaalsubsidie dat, op het ogenblik van de verrichting, nog niet als winst of baten werd aangemerkt ten name van de vroegere belastingplichtige volledig vrijgesteld, onverminderd de toepassing van het eerste lid ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap. Het boekhoudkundig uitdrukken van die kapitaalsubsidie ten name van de inbreng- verkrijgende vennootschap blijft zonder invloed op de vaststelling van het resultaat van het belastbaar tijdperk.

Art. 362bis.

§ 1. Ten name van belastingplichtigen die kapitalen, niet zijnde aandelen, gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid wordt het op een bepaald belastbaar tijdperk betrekking hebbende gedeelte van de verlopen interesten van die kapitalen of het gedeelte van de vergoedingen voor ontbrekende coupon dat betrekking heeft op de verlopen interesten van die kapitalen krachtens een zakelijke- zekerheidsovereenkomst of een lening, beschouwd als een inkomen van dat tijdperk, zelfs wanneer de interesten of de vergoedingen gedurende een later tijdperk worden geïnd of verkregen. In afwijking van het vorige lid, wordt, ten name van de cessionarissen, pandnemers of leningnemers bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, het totale bedrag van de interest die werd geïnd of verkregen gedurende een bepaald belastbaar tijdperk in het kader van hun beroepswerkzaamheid, beschouwd als een inkomen van dat belastbaar tijdperk.

§ 2. Het gedeelte van de in § 1 bedoelde verlopen interesten dat betrekking heeft op een kapitalisatieovereenkomst is gelijk aan het positieve verschil tussen enerzijds de waarde van de vordering die deze kapitalisatieovereenkomst vertegenwoordigt waarover de vennootschap op het einde van het belastbare tijdperk beschikt op een verzekeringsonderneming, en anderzijds de bedragen die als premie zijn gestort in uitvoering van die overeenkomst.
Het overeenkomstig het eerste lid bepaalde verschil wordt evenwel verminderd met het belaste gedeelte van de verlopen interesten zoals bepaald overeenkomstig het eerste lid op basis van de waarde van de vordering aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk voor die overeenkomst.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag van de premie in geval van gedeeltelijke afkoop van de overeenkomst proportioneel verminderd.

Art. 363. Vorderingen zonder rente die slechts eisbaar zijn na een termijn van ten minste één jaar, worden bij hun ontstaan slechts in aanmerking genomen onder aftrek van het geboekte disconto, voor zover dat disconto wordt berekend tegen een voet die niet hoger is dan het basisdiscontotarief op de datum dat de vordering is ontstaan. Voor vorderingen die eisbaar zijn na een termijn van ten minste één jaar en die een rente geven tegen een rentevoet die lager is dan het basisdiscontotarief op de datum dat de vordering is ontstaan, mag de aftrek van het geboekte verschil tussen het disconto en de rente niet meer bedragen dan het bedrag dat wordt verkregen door op die vordering een rentevoet toe te passen die gelijk is aan het verschil tussen het basisdiscontotarief en de bedongen rentevoet.
Het disconto of het verschil tussen het disconto en de rente is belastbaar in verhouding tot de reeds verlopen termijn van de vorderingen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder basisdiscontotarief verstaan, het rentetarief van de depositofaciliteit van de Europese Centrale Bank verhoogd met 0,75 punten.

Art. 364. In vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 29 wordt het geheel van de winst of de baten, geacht aan de vennoten of leden te zijn toegekend op de datum van de afsluiting van de jaarrekening waarop het betrekking heeft of op 31 december van het jaar bij gebreke van een boekhouding ; het deel van de niet uitgekeerde winst of baten dat geacht wordt aan ieder lid te zijn toegekend, wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het contract of de overeenkomst van associatie of nog, bij gebreke daarvan, volgens het hoofdelijk aandeel.

Art. 364bis. Wanneer de in artikel 34 vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden betaald of toegekend aan een belastingplichtige die zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin vooraf naar een buiten de Europese Economische Ruimte gelegen Staat heeft overgebracht, wordt de betaling of toekenning geacht daags voor de overbrengst te hebben plaatsgehad.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt elke overdracht als vermeld in artikel 34, § 2, 3°, met een toekenning gelijkgesteld. 1108

Art. 364quater.

§ 1. Wanneer in artikel 19, § 1, tweede lid, bedoelde afkoopwaarden rechtstreeks worden overgedragen naar een contract dat beantwoordt aan dezelfde fiscale voorwaarden als het oorspronkelijke contract, wordt deze verrichting niet aangemerkt als een betaling of toekenning, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning aan de begunstigde.

§ 2. Wanneer in artikel 34, § 5, bedoelde afkoopwaarden rechtstreeks worden overgedragen naar een contract dat beantwoordt aan dezelfde fiscale voorwaarden als het oorspronkelijke contract, wordt deze verrichting niet aangemerkt als een betaling of toekenning, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning aan de begunstigde. § 3. Wanneer krachtens de vorige paragrafen de overdracht van de aldaar bedoelde afkoopwaarden niet wordt aangemerkt als een betaling of toekenning :

1° worden, voor de berekening van de eventueel krachtens dit Wetboek na te leven termijnen inzake looptijd of termijn van uitkering, de verlopen termijnen van het oorspronkelijk contract, met inbegrip van de eventuele periode waarin het contract geschorst werd buiten de wil van de verzekeringnemer, en van het nieuwe contract samengeteld;

2° is in voorkomend geval de leeftijd waarop het oorspronkelijk contract is afgesloten, bepalend om na te gaan of is voldaan aan een krachtens dit Wetboek ter zake gestelde voorwaarde;

3° worden de betalingen in een belastbaar tijdperk in uitvoering van het originele contract en het nieuwe contract van een spaarverzekering samengeteld om na te gaan of het in dit Wetboek vermelde maximumbedrag niet is overschreden en worden die betalingen, in afwijking van artikel 1458, § 1, vierde lid, beschouwd als betalingen voor één enkele spaar- verzekering. overnemende of verkrijgende vennootschap

Art. 364ter. Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door in artikel 52, 7°bis, of in artikel 1451, 1°, of 1°bis, vermelde persoonlijke bijdragen, door werkgeversbijdragen of door bijdragen van de onderneming, door de verzekeringsonderneming, de voorzorgsinstelling of de instelling voor bedrijfspensioen- voorzieningen waarbij ze zijn gevestigd, ten bate van de begunstigde of van zijn rechtverkrijgenden worden overgedragen naar een soortgelijke pensioentoezegging of pensioen- overeenkomst, wordt deze verrichting niet als een betaling of toekenning aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de begunstigde geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de begunstigde.
Het eerste lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde voorzorgsinstelling, verzekeringsonder-neming of instelling voor bedrijfspensioen-voorzieningen.

Art. 365. Ingeval een vennootschap wordt overgenomen of gesplitst in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing, of het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere ontbinding zonder gehele verdeling van het maatschappelijke vermogen, mag de aanslag met betrekking tot belastbare inkomsten behaald door de vennootschap die het voorwerp heeft uitgemaakt van de verrichting tot en met de voornoemde verrichting, binnen de termijnen bepaald in dit
de overnemende of verkrijgende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen vanaf het tijdstip waarop de vennootschap die het voorwerp heeft uitgemaakt van de verrichting als rechtspersoon niet langer bestaat.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 365, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.2.4.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1111

Art. 366. De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen in wiens ambtsgebied de
Wanneer het bezwaarschrift is gericht aan een andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen dan deze bedoeld in het eerste lid, aan een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen of aan de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), blijft het bewaarschrift geldig ingediend vanaf de datum van ontvangst door die ambtenaar of die dienst.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 366, tweede lid, als volgt: Wanneer het bezwaarschrift is verzonden aan een andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen dan deze bedoeld in het eerste lid, aan een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen of aan de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), blijft het bewaarschrift geldig ingediend vanaf de datum van ontvangst door die ambtenaar of die dienst.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaar of bedoelde dienst zendt het bezwaarschrift onmiddellijk door aan de in het eerste lid bedoelde adviseur-generaal en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 366, derde lid, als volgt:
De in het tweede lid bedoelde ambtenaar of bedoelde dienst verzendt het bezwaarschrift onmiddellijk door aan de in het eerste lid bedoelde adviseur-generaal en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 366, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.3.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 1113 Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 367. Het bezwaarschrift gericht tegen een aanslag die gevestigd is op betwiste bestanddelen, geldt van ambtswege voor de andere aanslagen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement vóór de beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, zelfs wanneer de termijnen tot bezwaar tegen die andere aanslagen zouden zijn verstreken.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 368. Bij gebrek aan een kennisgeving van de inning van de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing op een andere wijze dan per kohier, moet de teruggave van deze voorheffingen, die ten onrechte aan de Schatkist werden gestort, worden gevraagd door middel van een bezwaarschrift zoals bepaald in artikel 366, binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin deze voorheffingen gestort zijn geweest 1114

Art. 368/1. In afwijking van artikel 368, moet de teruggave van de voorheffing gevraagd worden door middel van een bezwaarschrift zoals bepaald in artikel 366, binnen een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op datgene waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd wanneer het bezwaarschrift wordt ingediend op basis van een in titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
In afwijking van artikel 368 en het eerste lid, moet de teruggave van de voorheffing worden gevraagd door middel van een bezwaarschrift zoals bepaald in artikel 366, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar dat volgt op datgene waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd wanneer de aanvraag wordt ingediend op basis van de in artikel 2759/1 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Art. 369. De bepalingen van de artikelen 366, 367, 371 en 372 zijn mede van toepassing op aanvragen om kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in gevallen als bedoeld in artikel 257.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 369, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.3.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1115

Art. 371. De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 371, eerste lid, onveranderd:
De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige is aangeboden. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 371, tweede lid, opgheven.
… ----------
Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 371, derde lid, als volgt:
Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende zending, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening. ----------
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 371, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.5.2.0.1. en 3.5.2.0.4. van dezelfde Codex van

Art. 372. Zolang geen beslissing is gevallen mag de belastingschuldige, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, zijn oorspronkelijk bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als deze buiten de in artikel 371 gestelde termijn worden ingediend. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 372, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.2.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 373. Wanneer een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt krachtens artikel 353 of 354 en de nieuwe aanslag ten name van dezelfde belastingschuldige voor één of meer aanslagjaren een correlatieve overbelasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige, alsmede, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift tegen bedoelde overbelasting indienen.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 373, eerste lid, onveranderd: Wanneer een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt krachtens artikel 353 of 354 en de nieuwe aanslag ten name van dezelfde belastingschuldige voor één of meer aanslagjaren een correlatieve overbelasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige, alsmede, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift tegen bedoelde overbelasting indienen.
In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige werd aangeboden.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 373, tweede lid, opgeheven.

GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 373, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.2.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1119

Art. 374. Ten einde de behandeling van het bezwaarschrift of het verzoek tot rechtzetting te verzekeren beschikt elke bevoegde ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346.
Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen alle inlichtingen vorderen waarvan zij kennis hebben en welke nuttig kunnen zijn.
Wanneer de bezwaarindiener zulks in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden gehoord. Te dien einde zal hij worden uitgenodigd zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 374, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.5.4.0.1. en 3.5.8.0.1 van dezelfde Codex van
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 375.

§ 1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid, uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen.
Hij kan evenwel de aanslag vernietigen of een ontheffing verlenen voortkomende uit het geheel of ten dele aanvaarden van de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige, door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 375, § 1, derde lid, als volgt:
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing met een aangetekende zending. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.



§ 1/1. In afwijking van paragraaf 1 kan de belastingschuldige, de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd verzoeken zijn beslissing recht te zetten. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige voorafgaand aan het verzoek tot rechtzetting een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 375, § 1er/1, eerste lid, onveranderd:

§ 1/1. In afwijking van paragraaf 1 kan de belastingschuldige, de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd verzoeken zijn beslissing recht te zetten. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige voorafgaand aan het verzoek tot rechtzetting een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld.



De adviseur-generaal of zijn gedelegeerde kan de in paragraaf 1 genomen beslissing geheel of gedeeltelijk rechtzetten. Hij doet tevens gemotiveerd uitspraak over de aangevoerde grieven tegen de in paragraaf 1 genomen beslissing.
De kennisgeving van de met rede omklede beslissing genomen bij toepassing van het tweede lid geschiedt bij ter post aangetekende brief. De beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 375, § 1er/1, derde lid, als volgt:
De kennisgeving van de met rede omklede beslissing genomen bij toepassing van het tweede lid geschiedt met een aangetekende zending. De beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.

§ 2. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 1123 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 375, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.5.6.0.1. en 3.5.9.0.1 van dezelfde Codex van
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelas- tingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij

Art. 376.

§ 1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat : 1° die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd ;

2° de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond.

§ 2. Als nieuw gegeven wordt niet beschouwd een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie.

§ 3. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ook ambtshalve ontheffing :

1° van het overschot van de belastingkredieten, de voorheffingen en de voorafbetalingen bedoeld in artikel 304, § 2, voor zover dit overschot door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarmee die belastingkredieten, die voorheffingen en die voorafbetalingen zijn te verrekenen; 2° van de verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 88, 131 tot 135, 138, 139, 1451 tot 156 en 257 en van de gewestelijke belastingverminderingen en kortingen voor zover het tot die verminderingen aanleiding gevend feit door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend;

3° van de teveel betaalde belasting die werd vastgesteld na een procedure van onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting, na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990 of na een geschillenbeslechtingsprocedure bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 10 of 15 van de wet van 2 mei 2019 tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie.

§ 4. De Koning bepaalt (1) de voorwaarden waaronder en de wijze waarop ambtshalve teruggave wordt verleend van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 genoemde voorafbetalingen die nog niet met de werkelijk verschuldigde belasting werden verrekend.


(1) art. 64 tot 71, KB/WIB 92. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 376, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.6.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. WAALSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
C. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 376/1. Wanneer een in artikel 227, 1°, bedoelde niet-inwoner, artikel 21, eerste lid, 14°, wenst toe te passen voor dividenden waarvoor in toepassing van artikel 261 roerende voorheffing is ingehouden en die werden betaald of toegekend in een belastbaar tijdperk waarin hij geen inkomsten heeft verkregen die hij overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3, moet regulariseren in een aangifte in de belasting van niet-inwoners, vraagt hij de terugbetaling van die roerende voorheffing aan de door de Koning aangewezen ambtenaar. Deze vraag tot terugbetaling wordt uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de dividenden werden verkregen, ingediend en wordt gestaafd met een attest van het statuut van niet-inwoner en bewijsstukken.
De Koning bepaalt hoe het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd. De Koning bepaalt tevens de nadere modaliteiten van de aanvraag en de terugbetaling. 1127

Art. 376bis. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan, met één enkele met redenen omklede beslissing, een geheel van administratieve beroepen afwijzen die uitsluitend steunen op een bezwaar voortvloeiend uit de ongrondwettelijkheid van een bepaling van dit Wetboek, wanneer het Grondwettelijk Hof, gevat door hetzelfde bezwaar, het vernietigingsberoep tegen de aangevochten bepaling heeft verworpen of een prejudicieel arrest heeft geveld die de geldigheid van deze bepaling heeft vastgesteld.
De beslissing wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De publicatie geldt als betekening van de beslissing. Deze beslissing is onherroepelijk behalve tegenover hem die een rechtsvordering instelt voor de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn vastgesteld door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 376quater. Aan de verzoekers van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstbewijs uitgereikt dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
Wanneer de ambtshalve ontheffing door de administratie zelf wordt verleend, stelt zij de belastingplichtige in kennis van de oorzaak en de datum van deze vaststelling.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 376quater, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.1.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 376quinquies.

§ 1. Ingeval een bezwaarschrift werd ingediend bij de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of wanneer om de toepassing van artikel 376 werd verzocht, kan de belastingschuldige, evenals zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd en de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

§ 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar of over de toepassing van artikel 376.
Wanneer de belastingschuldige, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar of over de toepassing van artikel 376, vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.

Art. 376ter. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem aangewezen ambtenaar doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak nopens het verzoek ingediend door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen.
Hij kan evenwel, de ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen, het overschot van de voorheffingen of de voorafbetalingen en van andere verminderingen, bedoeld in artikel 376, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard. In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing aan de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 376ter, derde lid, als volgt:
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing aan de belastingplichtige met een aangetekende zending. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 376ter, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.6.0.0.2. en 3.6.0.0.3. van dezelfde Codex van
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 377. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 377, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.8.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1132

Art. 378. Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 378, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.8.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 379. Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kunnen de verschijning in persoon in naam van de Staat alsook elke procedurehandeling worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
Wanneer in toepassing van artikel 4bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, de belastingadministratie tussenkomt in een strafzaak door middel van de burgerlijke vordering, kan de verschijning in persoon namens de Belgische Staat alsook elke procedurehandeling worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 1133 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 379, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.8.0.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 380. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan de gerechtelijke beslissing die een ontheffing verleent of een aanslag vernietigt, uitvoeren door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.

Art. 381. In geval van niet-naleving door de belastingplichtige of door een derde van de verplichtingen opgenomen in respectievelijk
II, kan de fiscale administratie van de in het tweede lid bevoegde rechter eisen dat de betrokken belastingplichtige of de derde veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom in overeenstemming met de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek.
De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is om te oordelen over de toepassing van de belastingwet zoals bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek en deze vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. De dwangsom kan gevorderd worden wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt.
Art. 382 - 392 1135 Naleving van de inhoudingsplicht, betaaltermijn en interesten

Art. 393.

§ 1. De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen gaan na of de inhoudings- en stortingsplicht bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen wordt nageleefd door de opdrachtgever en de aannemer.

§ 2. Wanneer de stortingen bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen niet werden verricht, wordt het verschuldigde bedrag verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve geldboete ingekohierd lastens de overtreder.
De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de geldboete kan worden verminderd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 393, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.3.1.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1136

Art. 393bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 393bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.1.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 394.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 394, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.1.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1137

Art. 394bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 395.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 395, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.4.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 396.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN 1138 VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 396, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.4.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 397.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 397, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.4.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 398.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1139 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN

Art. 399.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 399, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.2.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 399bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 399ter.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 399ter, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.2.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 400.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 401.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1141

Art. 402.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 403.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 404.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 405.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 406.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1142

Art. 407.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 408.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 409.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 409, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.6.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 410. … Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 410, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.4.6.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 411.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
en belastingen.

Art. 412. De roerende voorheffing is betaalbaar binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten. De bedrijfsvoorheffing is betaalbaar binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de inkomsten werden betaald of toegekend of waarin de bedrijfsvoorheffing wordt aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vijfde lid en 2759, § 1, vijfde lid.
In afwijking van het tweede lid is de bedrijfsvoorheffing betaalbaar binnen 15 dagen na het verstrijken van iedere trimester waarin de inkomsten zijn betaald of toegekend, wanneer de bedrijfsvoorheffing op de inkomsten van het vorige jaar minder dan 25.000 EUR bedroeg ; dat bedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast, overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2°.


Gedwongen tenuitvoerlegging met betrekking tot de voorheffingen vermeld in het eerste tot derde lid moet evenwel worden voorafgegaan door opneming ervan in kohieren overeenkomstig artikel 304.

Art. 412bis.

§ 1. Art. 412bis. § 1. In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden betaalbaar bij de registratie van de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten of verklaringen. De in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde personen zijn gehouden om, bij de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, op het in artikel 39 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vermelde kantoor, de bedrijfsvoorheffing, bepaald overeenkomstig
het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, te betalen met betrekking tot de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4°, vermelde winst of baten, en die verwezenlijkt zijn bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen, door aan de belasting van niet- inwoners onderworpen belastingplichtigen.
Vanaf 1 januari 2028, luidt artikel 412bis, § 1, tweede lid, als volgt:
De in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde personen zijn gehouden om, bij de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, op de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, de bedrijfsvoorheffing, bepaald overeenkomstig hoofdstuk V, afdeling 8, van de bijlage III van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, te betalen met betrekking tot de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4°, vermelde winst of baten, en die verwezenlijkt zijn bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen, door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen.
Artikel 169ter van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde meerwaarden, die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald. § 2. Wanneer paragraaf 1 moet worden toegepast om de inning van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de meerwaarden te verzekeren, zijn de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing verplicht, het bericht vermeld, naargelang het geval, in artikel 433 of in artikel 35 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen op te stellen dat bovendien melding moet maken van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarden en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
Het bericht vermeldt eveneens de identiteit van de afzender, het goed dat het voorwerp is van de akte of de verklaring bedoeld in artikel 270, eerste lid, 5°, en de identiteit van de eigenaar of houder van een zakelijk recht op dat goed.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit van de afzender, de naam, voornaam, hoedanigheid, adres en ondernemingsnummer.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit van de eigenaar of houder van een zakelijk recht:
a) voor natuurlijke personen: de naam, voornamen en het identificatienummer van het Rijksregister, of bij gebreke daaraan het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, of bij gebreke aan zulke nummers, hun geboortedatum;
b) voor rechtspersonen: de naam, de rechtsvorm en het ondernemingsnummer.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identificatie van het goed dat het voorwerp is van de akte of de verklaring bedoeld in paragraaf 1, de aard van het goed, zijn adres, het nummer van de kadastrale legger, en indien deze gegevens gekend zijn, de verkoopprijs en de hypothecaire toestand. Het bericht bedoeld in het eerste lid moet, vóór registratie, worden meegedeeld aan:

1° de Stafdienst Informatie- en Communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze;

2° de bevoegde ontvanger wanneer de mededeling van het bericht niet kan gebeuren overeenkomstig 1° omwille van overmacht of een technische storing. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending meegedeeld.
Indien de akte of de verklaring waarvan sprake is in paragraaf 1 niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het bericht als niet bestaande beschouwd.
Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig het zesde lid, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de Stafdienst Informatie- en Communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures voorzien respectievelijk in het zesde lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het zesde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het zesde lid, 1°, voorafgaat.

§ 3. Door de ontvangers wordt aan de in paragraaf 2 vermelde schuldenaars, binnen de termijn gesteld, naargelang het geval, in artikel 434 of in artikel 36 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, bij aangetekende zending kennis gegeven van het bedrag van de krachtens artikel 273, 2°, verschuldigde bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de meerwaarden verwezenlijkt op de goederen welke het voorwerp van de akte of de verklaring bedoeld in paragraaf 1 zijn. In geval van openbare verkoop zullen de ontvangers, in afwijking van het eerste lid, aan de betrokken schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing enkel kennis geven van het totale bedrag dat van de overdrachtprijs moet worden afgetrokken om het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde te bekomen zodat deze, evenals de erop verschuldigde bedrijfsvoorheffing, door voormelde schuldenaar zelf kan berekend worden.

§ 4. De schuldenaar van de bedrijfs- voorheffing legt, vóór registratie, de in paragraaf 3 vermelde kennisgeving voor aan het kantoor belast met de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld.
Het kantoor belast met de registratie kan de registratie van de akte of de verklaring afhankelijk stellen van de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is zoals bedoeld in artikel 227, 1° of 2°.

§ 5. Na de bevestiging te hebben ontvangen dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing werd geïnd door de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, zal het kantoor belast met de registratie de in paragraaf 3 vermelde kennisgeving vervolledigen en in tweevoud aan de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing uitreiken. Deze laatste zal een exemplaar aan de overdrager van het onroerend goed of van de zakelijke rechten met betrekking tot dat goed overhandigen om hem in staat te stellen zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners in te vullen.
Het kantoor belast met de registratie stuurt een exemplaar van de in het eerste lid vermelde kennisgeving aan de bevoegde dienst van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen.

§ 6. De Koning bepaalt de vermeldingen die voorkomen in het bericht bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. 1149

Art. 413. De krachtens artikel 304 ten kohiere gebrachte directe belastingen en onroerende voorheffing zijn opeisbaar op de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier. Zij moeten betaald worden binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 413, eerste lid, als volgt:
De krachtens artikel 304 ten kohiere gebrachte directe belastingen en onroerende voorheffing zijn opeisbaar op de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier. Zij moeten betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige werd aangeboden. ----------
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 413, tweede lid, opgheven.
… ----------
De belastingen en de voorheffingen moeten over hun geheel onverwijld worden vereffend wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.
Wanneer de belastingschuldige betwist dat de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan zoals in kort geding door de beslagrechter van de plaats van het kantoor waar de belasting moet worden geïnd. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 413, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.4.2.0.1. en 3.4.2.0.4. van dezelfde Codex van

Art. 413/1.

§ 1. De in paragraaf 2 beoogde keuze tussen de onmiddellijke betaling en de gespreide betaling is enkel van toepassing op het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen gevestigd op basis van de volgende inkomsten:

1° de in artikel 28, eerste lid, 1°, en artikel 228, § 2, 5°, bedoelde stopzettings- meerwaarden, voor zover aan de voorwaarden van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, wordt voldaan en voor zover de ingebrachte goederen aangewend blijven in de Staat van de fiscale woonplaats van een intra-Europese vennootschap of binnen een buitenlandse inrichting van een intra-Europese vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet;

1°/1 de in artikel 185/1 bedoelde meerwaarde; 2° het gedeelte van het maatschappelijk vermogen dat als uitgekeerd dividend wordt aangemerkt ten gevolge van de overdracht als bedoeld in artikel 210, § 1, 4°, van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar een andere lidstaat van de Europese Unie of naar een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse bijstand voor de invordering voorziet en in de mate dat dit dividend voortvloeit uit de meerwaarden op de ten gevolge van de verrichting overgedragen bestanddelen, die aangewend worden en behouden blijven in de fiscale woonplaats van de vennootschap of binnen een buitenlandse inrichting van deze vennootschap die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet;

3° het gedeelte van het maatschappelijk vermogen dat als uitgekeerd dividend wordt aangemerkt ten gevolge van een fusie, een splitsing, een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of een met een splitsing gelijkgestelde verrichting, en waarop de bepalingen van artikel 211 van toepassing zijn en in de mate dat dit dividend voortvloeit uit de meerwaarden op de ten gevolge van de verrichting verkregen bestanddelen, die aangewend worden en behouden blijven in de fiscale woonplaats van een vennootschap of binnen een buitenlandse inrichting van deze vennootschap die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet; 4° de in artikel 228, § 2, 3°, bedoelde meerwaarde die wordt vastgesteld of verwezenlijkt naar aanleiding van een verrichting bedoeld in de inleidende zin van artikel 231, § 2, eerste lid, door een in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting, in de mate dat het een meerwaarde betreft op de ten gevolge van de verrichting verkregen bestanddelen, die aangewend worden en behouden blijven in de fiscale woonplaats van een vennootschap of een buitenlandse inrichting van deze vennootschap die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet;

5° de in artikel 228, § 2, 3°bis, bedoelde meerwaarde die wordt verwezenlijkt door een in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting en wordt vastgesteld naar aanleiding van de onttrekking van bestanddelen ten voordele van de fiscale woonplaats van een vennootschap of een buitenlandse inrichting van deze vennootschap die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet.

6° het gedeelte van het maatschappelijk vermogen dat als uitgekeerd dividend wordt aangemerkt bij toepassing van artikel 210/1 in het geval dat de vennootschap niet langer onderworpen is aan de vennootschapsbelasting en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen is.

7° de in artikel 18, eerste lid, 3° /1, bedoelde niet uitgekeerde winst, indien deze afkomstig is van een juridische constructie die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. 8° het bedrag dat als een in artikel 18, eerste lid, 2° quater, bedoeld dividend wordt aangemerkt, indien de overbrenging van bestanddelen gebeurt naar een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die met België een toepasselijke overeenkomst heeft gesloten die in wederzijdse bijstand bij invordering voorziet;
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen als volgt bepaald:
- in hoofde van de in artikel 3 bedoelde belastingplichtigen, het bedrag dat nog verschuldigd is na toepassing van de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen en de in artikel 466 bedoelde aanvullende belastingen en na verrekening van de in artikelen 175 tot 177 bedoelde bonificatie, de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing, de belastingkredieten als bedoeld in de artikelen 134, § 3 en 14535, tiende lid, 289bis, 289ter en 289ter/1, en de gewestelijke belasting- kredieten, vermenigvuldigd met de verhouding tussen, enerzijds, de belasting Staat op de in het eerste lid, 1°, bedoelde inkomsten en, anderzijds, de som van de belasting Staat en de belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6°, 9° en 13°, bedoelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn. In geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt het nog verschuldigde bedrag en de hiervoor bedoelde verhouding voor de beide echtgenoten samen bepaald; - in hoofde van de in artikel 179 bedoelde belastingplichtigen, het bedrag dat nog verschuldigd is, na toepassing van de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen en na verrekening van de in de artikelen 276 tot 289 en 289quater tot 295 bedoelde voorafbetalingen, voorheffingen en andere elementen, dat overeenstemt met het gedeelte van de overeenkomstig artikelen 215 tot 218 berekende belastingen naar verhouding tot het evenredige aandeel van de in het eerste lid, 1°, 1° /1, 2°, 3° en 6°, bedoelde inkomsten ten opzichte van het resultaat na toepassing van artikel 207/2;
- in hoofde van de in artikel 227, 1°, bedoelde belastingplichtigen, het bedrag dat nog verschuldigd is na toepassing van de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen en de in 245 bedoelde opcentiemen en na verrekening van de in artikelen 175 tot 177 bedoelde bonificatie, de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing, belastingkredieten als bedoeld in de artikelen 134, § 3 en 14535, tiende lid, 289bis, 289ter en 289ter/1, en, desgevallend, de gewestelijke belastingkredieten, vermenigvuldigd met de verhouding tussen, enerzijds, de overeenkomstig de artikelen 130 tot 144 en 171 berekende belasting op de in het eerste lid, 1°, bedoelde inkomsten en, anderzijds, de overeenkomstig diezelfde artikelen berekende belasting op alle overeenkomstig de artikelen 232, eerste lid, 2°, en 248, § 2 en § 3, aan de belasting onderworpen inkomsten. In geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt het nog verschuldigde bedrag en de hiervoor bedoelde verhouding voor de beide echtgenoten samen bepaald; - in hoofde van de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen, het bedrag dat nog verschuldigd is, na toepassing van de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen en na verrekening van de in artikel 276 tot 289 en 289quater tot 296 bedoelde voorafbetalingen, voorheffingen en andere elementen, dat overeenstemt met het gedeelte van de overeenkomstig artikel 246, eerste lid, 1°, berekende belastingen naar verhouding tot het evenredige aandeel van de in het eerste lid, 4° en 5°, bedoelde inkomsten ten opzichte van het geheel van de in de artikelen 246, eerste lid, 1°, bedoelde inkomsten.

§ 2. Het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen gevestigd op de in paragraaf 1 beoogde inkomsten moet worden betaald binnen een termijn van twee maanden vanaf de toezending van het aanslagbiljet:

1° ofwel voor het volledige bedrag;

2° ofwel voor één vijfde van dit bedrag, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige binnen dezelfde termijn gericht aan de bevoegde ontvanger en door middel van het in paragraaf 4 beoogde formulier. Het saldo wordt voldaan in gelijke termijnen in de loop van de volgende vier jaren ten laatste op elke verjaardatum van de vervaldag van de eerste betaling. Het saldo van het gedeelte van de belasting kan op elk moment in één keer worden betaald.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 413/1, § 2, eerste lid, als volgt:

§ 2. Het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen gevestigd op de in paragraaf 1 beoogde inkomsten moet worden betaald binnen een termijn van twee maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet:

1° ofwel voor het volledige bedrag; 2° ofwel voor één vijfde van dit bedrag, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige binnen dezelfde termijn verzonden aan de bevoegde ontvanger en door middel van het in paragraaf 4 beoogde formulier. Het saldo wordt voldaan in gelijke termijnen in de loop van de volgende vier jaren ten laatste op elke verjaardatum van de vervaldag van de eerste betaling. Het saldo van het gedeelte van de belasting kan op elk moment in één keer worden betaald.
Wanneer de belastingschuldige kiest voor de in het eerste lid bedoeld gespreide betaling, kan deze van geen enkele andere maatregel genieten die het uitstel van betalingen voor dit resterend verschuldigd gedeelte tot gevolg heeft.

§ 3. Het in paragraaf 2 bedoeld saldo van het resterend verschuldigd gedeelte van de belasting moet, ten laatste op de laatste dag van de maand volgend op die waarin een van de volgende gevallen zich voordoet, geheel worden betaald:

1° de overdracht van de fiscale woonplaats van de belastingplichtige naar een andere buitenlandse Staat dan een lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet;

2° de vervreemding van alle of een deel van de activa;

3° de overdracht van alle of een deel van de activa naar een andere buitenlandse Staat dan een lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet; 4° de ontbinding van de belastingplichtige, met uitsluiting van de ontbinding zonder vereffening in het kader van een fusie, splitsing en verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing, behalve indien de verrichting een in punt 3° bedoelde overdracht tot gevolg heeft;

5° het overlijden van de in artikel 28, eerste lid, 1°, bedoelde verkrijger natuurlijke persoon;

6° de overdracht van de woonplaats door de in artikel 28, eerste lid, 1°, bedoelde verkrijger natuurlijke persoon naar een andere buitenlandse Staat dan een lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarmee België een van toepassing zijnde overeenkomst heeft die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet;

7° de opening van een insolventieprocedure tegen de verkrijger van de gespreide betaling;

8° het niet respecteren van één van de vervaldagen van de in paragraaf 2, 2°, bedoelde gespreide betaling;

9° het niet binnen de wettelijke termijnen toesturen van het in paragraaf 4 bedoelde ingevuld, gedagtekend, ondertekend en voor volledig en juist gewaarmerkt formulier;
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 413/1, § 3, 9°, als volgt:

9° het niet binnen de wettelijke termijnen verzenden van het in paragraaf 4 bedoelde ingevuld, gedagtekend, ondertekend en voor volledig en juist gewaarmerkt formulier;



10° het niet stellen van een waarborg ter uitvoering van de overeenkomstig paragraaf 5 genomen beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen.

§ 4. De belastingschuldige die kiest voor de gespreide betaling, stuurt jaarlijks ten laatste op de vervaldag van de betalingstermijn aan de bevoegde ontvanger een ingevuld, gedagtekend, ondertekend en voor volledig en juist gewaarmerkt formulier waaruit de inlichtingen blijken die betrekking hebben op de overgedragen activa waarop het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelasting werd gevestigd, en waarvoor, overeenkomstig paragraaf 1, voor de gespreide betaling werd gekozen evenals op het zich voordoen van of de afwezigheid van oorzaken van verval.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 413/1, § 4, eerste lid, als volgt:

§ 4. De belastingschuldige die kiest voor de gespreide betaling, verzendt jaarlijks ten laatste op de vervaldag van de betalingstermijn aan de bevoegde ontvanger een ingevuld, gedagtekend, ondertekend en voor volledig en juist gewaarmerkt formulier waaruit de inlichtingen blijken die betrekking hebben op de overgedragen activa waarop het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelasting werd gevestigd, en waarvoor, overeenkomstig paragraaf 1, voor de gespreide betaling werd gekozen evenals op het zich voordoen van of de afwezigheid van oorzaken van verval.
De verzending van het in het eerste lid bedoelde formulier heeft van rechtswege tot gevolg dat afstand wordt gedaan van de op de verjaring verlopen termijn.



Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 413/1, § 4, tweede lid, onveranderd:
De verzending van het in het eerste lid bedoelde formulier heeft van rechtswege tot gevolg dat afstand wordt gedaan van de op de verjaring verlopen termijn.
Wanneer hij het saldo van het resterend verschuldigd gedeelte van de belasting in één keer betaalt, stuurt de belastingschuldige een laatste formulier.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 413/1, § 4, derde lid, als volgt:
Wanneer hij het saldo van het resterend verschuldigd gedeelte van de belasting in één keer betaalt, verzendt de belastingschuldige een laatste formulier.

§ 5. De adviseur-generaal van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen kan op elk moment, bij gemotiveerde beslissing, en dit op basis van het werkelijke risico van niet- invordering, de in paragraaf 2, 2°, bedoelde keuze voor gespreide betaling afhankelijk stellen van een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling.
Binnen de maand na de kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde beslissing kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar het kantoor is gevestigd van de ontvanger die belast is met de invordering van het geheel of een gedeelte van het resterend verschuldigd gedeelte waarvoor de garantie werd vereist.
De rechtspleging geschiedt zoals in kort geding.



1160

Art. 413bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 413octies.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 413quater.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 413quinquies.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1161 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN

Art. 413sexies.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 413ter.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 414.

§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412, 413, en 413/1 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist, voor de duur van het verwijl, een interest op aan een rentevoet zoals bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest.

… Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsgrijpt.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede en derde lid.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 5 EUR per maand bedraagt.

§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde beslissing niet binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 62 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en afloopt op het einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1163 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 414, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.9.1.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 415.

§ 1. In afwijking van artikel 414 is nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar als bedoeld bij artikel 359, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op alle sommen, andere dan de onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffingen opgenomen in kohieren die uitvoerbaar werden verklaard na 30 juni van hetzelfde jaar, behalve wanneer het gaat om :

1° belastingen gevestigd na deze uiterste datum binnen de termijn van zes maanden bepaald bij artikel 353 ;

2° belastingen begrepen in nieuwe of subsidiaire aanslagen, gevestigd bij toepassing van de artikelen 355 of 356 in vervanging van aanslagen die waren opgenomen in een kohier uitvoerbaar verklaard uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar als bedoeld bij artikel 359, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarvoor de belasting is verschuldigd ;

3° aanslagen zonder belastingverhoging of met een belastingverhoging waarvan het toe te passen percentage overeenkomstig de in uitvoering van artikel 444, eerste lid, vastgestelde schaal, minder dan vijftig bedraagt ; 4° belastingen gevestigd na het verstrijken van de twaalfde maand :
- na de datum van afsluiting van het boekjaar, ten laste van vennoot- schappen die hun boekhouding afsluiten na 30 juni van het aanslagjaar ;
- na de laatste dag van het tijdperk waarop de resultaten betrekking hebben, ten laste van ontbonden vennootschappen, wanneer bedoelde laatste dag na 30 juni van het aanslagjaar valt.
Evenwel, in de gevallen als bedoeld in het eerste lid, 4°, is nalatigheidsinterest verschuldigd met ingang van de dertiende maand volgend op de datum van afsluiting van het boekjaar of, voor de ontbonden vennootschappen, met ingang van de dertiende maand volgend op de laatste dag van het tijdperk waarop de resultaten betrekking hebben.

§ 2. Wanneer een in de artikelen 444 en 445 vermelde belastingverhoging of administratieve boete samen met de voorheffing waarop de verhoging of de boete betrekking heeft in het kohier wordt opgenomen, is de nalatigheidsinterest betreffende die verhoging of die boete verschuldigd vanaf het verstrijken van de in artikel 412 vermelde betalingstermijn.

Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 ontheffing werd verleend en het bedrag van de beroepsverliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek wordt gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend. 1165

Art. 416. In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt, met de krachtens de artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5 of 47, § 6, van dit Wetboek of artikel 122, § 6, van de programmawet van 2 augustus 2002, belastbaar geworden meerwaarden, met de krachtens artikel 194quater, § 4, belastbaar geworden investeringsreserve, of met de krachtens artikel 194quinquies, § 3, belastbaar geworden sommen een overeenkomstig artikel 414 berekende nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.
In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de krachtens artikel 190, vierde lid, van dit Wetboek, belastbaar geworden meerwaarden bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002, wanneer nog niet is herbelegd voor een bedrag en op de wijze respectievelijk bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, §§ 2 tot 4, van de programmawet van 2 augustus 2002, een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414 van dit Wetboek, vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.
In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de gereserveerde sommen welke belastbaar worden overeenkomstig artikel 194ter, § 7, tweede tot en met vierde lid, een nalatigheidsinterest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, vanaf 30 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling voor de eerste keer werd gevraagd. 1166

Art. 417.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 417, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.9.1.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 418. Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheids- interest, belastingverhogingen of administratieve boeten wordt een moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet (1) zoals bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, te rekenen van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte. Als de betaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestelling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de werkelijke betaling.

Die interest wordt per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro; de maand waarin de terugbetaling wordt voldaan, wordt niet meegerekend.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 418, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.9.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 419. Geen moratoriuminterest wordt toegekend :

1° wanneer hij geen 5 EUR per maand bedraagt, per aanslag, voor eenzelfde aanslagjaar;

2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belastingverhoging toegekend als genademaatregel ;

3° in geval van terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of voorafbetalingen aan de verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel 353 is verstreken ;

4° in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan ;

4°/1 in geval van terugbetaling van belasting met toepassing van artikel 375/1;

5° in geval van terugbetaling van voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376, § 4;

6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid van gegevens over de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde of begunstigden en dit, tijdens de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, en op voorwaarde dat deze onmogelijkheid ophield te bestaan. Wanneer de terugbetaling plaatsheeft na het verstrijken van de in het eerste lid, 3°, vastgestelde termijn, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 419, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.9.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 420.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 420, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 421.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1171 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 421, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.1.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 421bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 422.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 422, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.2.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1172

Art. 423.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 423, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.2.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 424. ...
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 425.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN 1173 VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 425, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 426.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 426, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 427.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1174 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 427, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit)
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 428.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 428, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 429.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 429, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 430.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 1176 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 430, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 431.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 431, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.7. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 432.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 432, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.10.5.3.8. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 433.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1178 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 433, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 434.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 434, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 1179 Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 435.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 435, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 436.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1180 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 436, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 437.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 437, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 438. … Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 438, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 439.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 439, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.7. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1182

Art. 440.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 440, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013) evenwel rekening houdend met de opmerking in artikel 5.0.0.0.6 van dezelfde Codex.
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.8. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 441.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST 1183 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 441, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.9. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 442.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 442, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.12.1.0.10. en 3.12.1.0.11. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 442bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 442bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.14. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 442quater.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 442quinquies.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92

Art. 442ter.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1185 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 442ter, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.1.0.15. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 443. … Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 443, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.12.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1187

Art. 443bis.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 443bis, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.14.1.0.1. en 3.14.2.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 443ter.
Opmerking: overgangsbepaling art. 138, W 13.04.2019 – BS 30.04.2019, numac 2019041000/ vorige tekst zie historisch wetboek WIB 92 1188 GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 443ter, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.14.3.0.1. en 3.14.3.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 444. Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van de aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen, bepaald voor enige verrekening van de voorheffingen, de belastingkredieten, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en de voorafbetalingen, vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning (1) worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen.


(1) art. 225 tot 229, KB/WIB 92.
Bij een onjuiste aangifte die aanleiding geeft tot een in titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4,
doorstorting van bedrijfsvoorheffing, worden de verschuldigde voorheffingen vermeerderd met een verhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de onjuist aangegeven vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
Er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351. Het totaal van de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen en de belasting- verhogingen bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan het bedrag van de niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomsten.
De in het eerste lid bedoelde verhoging wordt slechts toegepast wanneer de niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomsten 2500 EUR bereiken.

Art. 445.

§ 1. De door de adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar kan een geldboete van 50 EUR tot 1.250 EUR opleggen voor iedere overtreding van de bepalingen van dit Wetboek, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten. Deze geldboete wordt gevestigd en ingevorderd volgens de regelen die van
In afwijking van het tweede lid, wordt de geldboete, die samen met de voorheffing waarop zij betrekking heeft wordt ingekohierd, gevestigd en ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.
Geen boete wordt toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, legt de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar een geldboete op van 6 250 EUR wanneer niet voldaan is aan de in artikel 307, § 1/1, eerste lid, c, § 1/3 en § 1/4, bedoelde verplichting.
De voormelde geldboete wordt opgelegd per jaar en per niet gemelde juridische constructie.
Opmerking : zie arrest nr. 143/2021 van 14.10.2021 van het Grondwettelijk Hof (BS 21.02.2021)

§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar voor een overtreding van de bepalingen van de artikelen 321/1 tot 321/6, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, een boete opleggen van 1 250 EUR tot 25 000 EUR vanaf de tweede overtreding. Voor de overtredingen toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken kan voor de eerste overtreding een boete van 12 500 EUR worden opgelegd. Vanaf de tweede overtreding kan een boete van 25 000 EUR worden opgelegd.
De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar voor de overtreding van de bepalingen van de artikelen 326/1 tot en met 326/9, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, die bestaat uit het onvolledig verstrekken van de inlichtingen bedoeld in artikel 338, § 6/4, een boete opleggen van 1 250 euro tot 12 500 euro. Voor dergelijke overtredingen gedaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden wordt een boete van 2 500 euro tot 25 000 euro opgelegd. De door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar kan voor de overtreding van de bepalingen van de artikelen 326/1 tot en met 326/9, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, die bestaat uit het niet of laattijdig verstrekken van de inlichtingen bedoeld in artikel 338, § 6/4, een boete opleggen van 5 000 euro tot 50 000 euro. Voor dergelijke overtredingen gedaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden wordt een boete van 12 500 euro tot 100 000 euro opgelegd.
De Koning legt de progressieve schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1, kan de bevoegde adviseur-generaal van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie of de door hem gedelegeerde ambtenaar een administratieve geldboete opleggen van 250 euro tot 3 000 euro in geval van niet-naleving van de aangifteverplichtingen bedoeld in artikel 473.
De inbreuk voorzien in het vorige lid wordt geacht te bestaan vanaf zijn vaststelling en mededeling aan de belastingplichtige door de administratie.
De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.

§ 6. In afwijking van paragraaf 1 legt de bevoegde adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar, een administratieve boete van 25.000 euro op aan de platformexploitant, in geval van niet-naleving van diens registratieverplichtingen zoals bepaald in artikel 321septies, § 1.
In afwijking van paragraaf 1 legt de bevoegde adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar, een administratieve boete van 50.000 euro op aan de platformexploitant, in geval van voortzetting door de platformexploitant van zijn activiteit op het grondgebied van België, na de intrekking van zijn registratie door de Belgische bevoegde autoriteit, zoals bepaald in artikel 321septies, § 5. De in het eerste en tweede lid bedoelde boetes worden verhoogd met 50 % per opeenvolgende toepassing van deze laatste.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar, een administratieve boete van 1.250 euro tot 12.500 euro opleggen voor een inbreuk op de bepalingen van artikel 321sexies, alsook op de ter uitvoering ervan genomen besluiten, en die bestaat uit het onvolledig verstrekken van de in dat artikel bedoelde inlichtingen. Voor dergelijke inbreuken gepleegd met een frauduleus oogmerk of met het oogmerk om te schaden wordt een boete opgelegd van 2.500 euro tot 25.000 euro.
De door de bevoegde adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar kan, voor een inbreuk op de bepalingen van artikel 321sexies alsook op de ter uitvoering ervan genomen besluiten, die bestaat uit het niet of laattijdig indienen van de in hetzelfde artikel beoogde inlichtingen, een boete opleggen van 2.500 euro tot 25.000 euro. Voor dergelijke inbreuken gepleegd met een frauduleus oogmerk of met het oogmerk om te schaden wordt een boete opgelegd van 5.000 euro tot 50.000 euro.
Bij ontbreken van kwade trouw, kan worden afgezien van de toepassing van de boete.
De Koning bepaalt de schalen van de in het vierde en vijfde lid bedoelde administratieve boetes en regelt de wijze van toepassing ervan.

§ 7. De Koning kan voor de geldboeten die Hij bepaalt, voorzien in de toepassingsmodaliteiten van de maatregelen tot individualisering van de sanctie door de bevoegde rechter. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 445, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.18.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
belastingplichtigen te vertegenwoordigen.

Art. 446. De Minister van Financiën kan, bij gemotiveerd besluit, voor een tijdperk dat vijf jaar niet overtreft, elke persoon het recht ontzeggen belastingplichtigen te vertegenwoordigen in de hoedanigheid van lasthebber, behoudens wanneer die persoon onderworpen is aan een wettelijk ingerichte beroepstucht of zijn last vervult krachtens de wet of een rechterlijke beslissing.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 446, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.16.0.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1195

Art. 447. Het in artikel 446 bedoelde besluit mag slechts worden uitgevaardigd nadat de betrokken lasthebber is uitgenodigd om binnen twintig dagen te verschijnen, ten einde te worden gehoord door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, met een hogere titel dan degene die de feiten geconstateerd heeft, doch op zijn minst met de titel van adviseur.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 447, eerste lid, als volgt:
Het in artikel 446 bedoelde besluit mag slechts worden uitgevaardigd nadat de betrokken lasthebber is uitgenodigd om binnen twintig werkdagen te verschijnen, ten einde te worden gehoord door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, met een hogere titel dan degene die de feiten geconstateerd heeft, doch op zijn minst met de titel van adviseur.
De lasthebber mag zich door een raadsman laten bijstaan.
Proces-verbaal van dit verhoor wordt op- gemaakt. Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de ambtenaar en de betrokken lasthebber ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert de betrokkene te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt binnen acht dagen na zijn dagtekening aan de lasthebber ter kennis gegeven.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 447, vierde lid, als volgt: Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt binnen acht werkdagen na zijn dagtekening aan de lasthebber ter kennis gegeven.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 447, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.16.0.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Art. 448. Het in artikel 446 bedoelde besluit, waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij ter post aangetekende brief aan de betrokken lasthebber wordt toegestuurd, wordt in uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, tenzij betrokkene zijn beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. In dit geval zal de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad slechts geschieden zo het besluit niet door de Raad van State verbroken werd.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 448, als volgt: Het in artikel 446 bedoelde besluit, waarvan een eensluidend verklaard afschrift met een aangetekende zending aan de betrokken lasthebber wordt verzonden, wordt in uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, tenzij betrokkene zijn beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. In dit geval zal de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad slechts geschieden zo het besluit niet door de Raad van State verbroken werd.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 448, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.16.0.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 448/1.

§ 1. De minister van Financiën kan, wanneer een rapporterende platformexploitant in de zin van artikel 321quater, b), zijn activiteit uitoefent zonder eerst zijn unieke registratie te hebben uitgevoerd of na intrekking van zijn registratie zoals bepaald in artikel 321septies, § 5, bij een met redenen omkleed besluit, deze platformexploitant verbieden zijn diensten aan te bieden op het grondgebied van België, wanneer deze exploitant gedurende twee opeenvolgende jaren is onderworpen aan een sanctie bedoeld in artikel 445, § 6, eerste of tweede lid.

§ 2. Het in § 1 bedoelde besluit kan slechts worden genomen nadat de platformexploitant is uitgenodigd om te verschijnen, om te worden gehoord, door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, met een hogere titel dan degene die de feiten vastgesteld heeft, doch op zijn minst met de titel van adviseur. De platformexploitant mag zich door een raadsman laten bijstaan.
Er wordt een proces-verbaal van dit verhoor opgemaakt. Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de ambtenaar en door de vertegenwoordiger van de platformexploitant ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de handgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Indien de betrokkene weigert te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt binnen acht dagen na zijn dagtekening aan de platformexploitant ter kennis gegeven.

§ 3. In afwijking van § 2, kan de minister van Financiën, indien de platformexploitant niet verschijnt binnen de 30 dagen na de uitnodiging om te verschijnen, het besluit uitvaardigen zonder de platformexploitant te horen.

§ 4. Het in § 1 bedoelde besluit, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift bij ter post aangetekende brief aan de platformexploitant wordt bezorgd, wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, tenzij de belanghebbende in beroep is gegaan bij de Raad van State. In dat geval zal de publicatie in het Belgisch Staatsblad enkel plaatsvinden indien het besluit niet is vernietigd door de Raad van State.

§ 5. Het door de platformexploitant ingediende beroep bij de Raad van State tegen het besluit van de minister van Financiën heeft een schorsende werking op het besluit. 1199

Art. 449. Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of met een van die straffen alleen.
Er wordt geen strafrechtelijke sanctie toegepast wanneer: - de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte;
- in de artikel 219 en 233, tweede lid, bedoelde verdoken meerwinsten, binnen de in datzelfde artikel 219, vierde lid, bedoelde voorwaarden, terug in de boekhouding worden opgenomen in een later boekjaar dan het boekjaar tijdens hetwelk de meerwinst werd verwezenlijkt.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 449 als volgt : Eenieder die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van niveau 2, zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.
Indien de in het eerste lid bedoelde inbreuken gepleegd werden in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van niveau 3 zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1 van het Strafwetboek, kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.
Er worden geen strafrechtelijke sancties toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 57 of de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. ----------
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 449, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1201

Art. 450. Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 EUR tot 500.000 EUR of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 449 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.
Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 500.000 EUR of met één van die straffen alleen.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 450 als volgt :
Eenieder die, met het oog op het plegen van een van de in artikel 449 bedoelde inbreuken een vervalsing in geschrifte of op andere duurzame dragers pleegt of daarvan gebruik maakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van niveau 3, zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.
Hij die opzettelijk een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden, of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van niveau 2 zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.



GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 450, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 450bis. Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten en belasting- verhogingen.
Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 450bis, tweede lid, als volgt :
Artikel 53, § 2, 4°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.



Vanaf 9 april 2026, wordt artikel 450bis, aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
In het geval van het ontbreken van de effectieve betaling als voorzien in het tweede lid, zullen personen die werden veroordeeld voor de in de artikelen 449, 450, 451 en 452 bedoelde misdrijven, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de verbeurdverklaring.



Art. 451. Hij die een valse getuigenis aflegt, als tolk of als deskundige een valse verklaring aflegt, een of meer getuigen, deskundigen of tolken in een van de door de artikelen 322, 325 en 374 toegelaten informatiegevallen verleidt, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 220 tot 224 van het Strafwetboek.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 451, als volgt :
Eenieder die opzettelijk een valse getuigenis aflegt, als tolk of als deskundige een valse verklaring aflegt, of een of meer getuigen, deskundigen of tolken in een van de door de artikelen 322, 325 en 374 toegelaten onderzoeken ertoe aanzet, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 647 tot 650 van het Strafwetboek.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 451, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1204

Art. 452. De niet-verschijning of de weigering om te getuigen in de door de artikelen 322, 325 en 374 toegelaten onderzoeken wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 125 EUR tot 500.000 EUR of met één van die straffen alleen.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 452, als volgt :
Niet verschijnen als voorzien in het artikel 654 van het Strafwetboek of weigeren te getuigen in de onderzoeken die zijn toegestaan door de artikelen 322, 325 en 374 worden bestraft met een gevangenisstraf van niveau 1, zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 452, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 453. De schending van het bij artikel 337 bepaalde beroepsgeheim wordt gestraft overeen- komstig artikel 458 van het Strafwetboek. ----------
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 453, als volgt :
De schending van het bij artikel 337 bepaalde beroepsgeheim wordt gestraft overeen- komstig artikel 352 van het Strafwetboek.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 453, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 455.

§ 1. Wanneer de beoefenaar van een van de volgende beroepen :

1° belastingadviseur ;

2° zaakbezorger ;

3° deskundige in belastingzaken of in boekhouden ;

4° of enig ander beroep dat tot doel heeft voor een of meer belastingplichtigen boek te houden of te helpen houden, ofwel voor eigen rekening ofwel als hoofd, lid of bediende van enigerlei vennootschap, vereniging, groepering of onderneming ; 5° of, meer in het algemeen, het beroep dat erin bestaat een of meer belastingplichtigen raad te geven of bij te staan bij het vervullen van de verplichtingen opgelegd bij dit Wetboek of bij de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, wordt veroordeeld wegens een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 453, kan het vonnis hem verbod opleggen om gedurende drie maanden tot vijf jaar, rechtstreeks of onrechtstreeks, de hiervoren bedoelde beroepen op welke wijze ook uit te oefenen.
De rechter kan bovendien, mits hij zijn beslissing op dat stuk motiveert, voor een duur van drie maanden tot vijf jaar de sluiting bevelen van de inrichtingen van de vennootschap, vereniging, groepering of onderneming waarvan de veroordeelde hoofd, lid of bediende is.

§ 2. Het verbod en de sluiting bedoeld in § 1 treden in werking vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 455, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 456. Hij, die rechtstreeks of onrechtstreeks het verbod of de sluiting uitgesproken krachtens de artikelen 454 en 455 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 500.000 EUR of met één van die straffen alleen.



Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 456, als volgt :
Eenieder die, rechtstreeks of onrechtstreeks het verbod of de sluiting, bevolen op basis van de artikelen 454 en 455, overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van niveau 2, zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek. In afwijking van de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek kan de rechter als bijkomende straf een geldboete opleggen van 2.000 euro tot 4.000.000 euro.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 456, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.7. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 457.

§ 1. Alle bepalingen van Boek I, van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 zijn van toepassing op de in de artikelen 449 tot 453 en 456 bedoelde misdrijven.

§ 2. De wet van 5 maart 1952, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 20 juli 1991, betreffende de opdecimes op de strafrechterlijke geldboeten, is van toepassing op de misdrijven bedoeld in de artikelen 449, 450, 452 en 456.
Vanaf 9 april 2026, luidt artikel 457, als volgt : § 1. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, zijn van toepassing op de in artikel 449 tot 453 en 456 bedoelde misdrijven.
In afwijking van artikel 38 van het Strafwetboek worden de misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 453 als hoofdmisdrijf enkel bestraft met de geldboete voorzien in deze artikelen wanneer ze gepleegd worden door een rechtspersoon.

§ 2. De indexering van de bedragen van de geldboetes bedoeld in de artikelen 449 tot 453 en 456 gebeurt volgens dezelfde regels die van toepassing zijn op de bedragen van de geldboetes in de artikelen 38 en 52, § 1, van het Strafwetboek.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 457, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.8. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
Vanaf 9 april 2026, wordt een artikel 457/1 ingevoegd, luidend als volgt : 1209

Art. 457/1. Indien de rechter verzachtende omstandigheden aanneemt, wordt de gevangenisstraf van niveau 3 zoals bepaald in artikel 36 van het Strafwetboek vervangen door een gevangenisstraf van niveau 2 waarbij de rechter een geldboete van 200 euro tot 1.600.000 euro als bijkomende straf kan opleggen of door een geldboete van 200 euro tot 1.600.000 euro als hoofdstraf alleen. In het geval de rechter verzachtende omstandigheden aanneemt, wordt de gevangenisstraf van niveau 2 vervangen door een geldboete van 200 euro tot 1.600.000 euro als hoofdstraf.
Waar de boete die aanvankelijk als hoofdstraf was vastgesteld tussen 2.000 euro en 4.000.000 euro lag, wordt het een boete tussen 200 euro en 1.600.000 euro ingeval verzachtende omstandigheden worden aangenomen.
Vanaf 9 april 2026, wordt een artikel 457/2 ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 457/2. In het geval van een strafbare poging zoals bepaald in artikel 9 van het Strafwetboek, wordt de hoofdstraf van gevangenisstraf van niveau 3 vervangen door een hoofdstraf van gevangenisstraf van niveau 2 waarbij de rechter als bijkomende straf een geldboete tussen 200 euro en 1.600.000 euro kan opleggen. De hoofdstraf van gevangenisstraf van niveau 2 wordt vervangen door een geldboete als hoofdstraf tussen 200 euro en 1.600.000 euro.
Waar de boete die aanvankelijk als hoofdstraf was vastgesteld tussen 2.000 euro en 4.000.000 euro lag, wordt dit een boete tussen 200 euro en 1.600.000 euro in het geval van een strafbare poging.



1210

Art. 458. Personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten verschuldigd door de belastingschuldige op wiens naam de belasting werd ingekohierd.
De personen beschuldigd als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de feiten die de misdrijven opleveren bewezen verklaard zijn, wanneer zij genieten van :

1° een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;

2° een eenvoudig schuldigverklaring voorzien in artikel 27 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering;

4° de verjaring van de strafvordering.
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen welke krachtens de artikelen 449 tot 456 tegen hun aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1211 Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 458, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.9. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 459. De rechter kan bevelen dat ieder vonnis of arrest houdende veroordeling tot een gevangenisstraf, uitgesproken krachtens de artikelen 449 tot 452 en 456, wordt aangeplakt in de plaatsen die hij bepaalt en, eventueel bij uittreksel, wordt bekendgemaakt op de wijze die hij bepaalt, een en ander op kosten van de veroordeelde.
Hetzelfde kan gelden voor iedere krachtens de artikelen 454 en 455 uitgesproken beslissing tot verbod van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België of tot sluiting van de in het land geëxploiteerde inrichtingen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 459, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.3.0.10. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 460.

§ 1. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie. § 2. Het openbaar ministerie kan echter geen vervolgingen instellen, indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, § 2, van het Wetboek van Strafvordering.
Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 460, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.1.0.1. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 461. Onverminderd het in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde adviseur-generaal. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De adviseur-generaal antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.
In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 461, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.15.1.0.2. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 462. In het kader van de kennisgeving en het overleg bedoeld in artikel 29, § 2 en § 3, eerste en tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, deelt de bevoegde adviseur- generaal of de ambtenaar die hij aanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mede aan het openbaar ministerie.

Art. 463. De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en de Algemene Administratie van de inning en de invordering en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie mogen, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige worden gehoord.
Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op de ambtenaren van die administraties die, krachtens artikel 31 van de wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit, ter beschikking zijn gesteld van de federale politie. Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren zoals bedoeld in artikel 338quater, § 1, die bijstand leveren aan de gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams bedoeld in artikel 338quater, § 2.

Art. 464. De provincies, de agglomeraties en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van :

1° opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtsperso- nenbelasting en op de belasting van niet- inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen ;

2° belastingen op het vee.

Art. 464/1. In afwijking van artikel 464 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen vestigen op:

1° de onroerende voorheffing;

2° een niet in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 met betrekking tot de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten vermelde gewestbelasting, die het federaal kadastraal inkomen als belastbare grondslag of als element van zijn belastbare
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf aanslagjaar 2014, is artikel 2.1.4.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) van toepassing wat de onroerende voorheffing betreft (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ). 1217

Art. 465. In afwijking van artikel 464, mogen de agglomeraties en de gemeenten een aanvullende belasting vestigen op de personenbelasting.

Art. 466. De aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting worden berekend op de totale belasting.
Het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag wordt evenwel verminderd met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de roerende inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, die geen beroepskarakter hebben, evenals met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde roerende inkomsten.

Art. 466bis. Wanneer een rijksinwoner beroepsin- komsten uit het buitenland verkrijgt die krachtens een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting in België van personenbelasting zijn vrijgesteld, worden de in artikel 466 bedoelde aanvullende gemeentebe- lasting en aanvullende agglomeratiebelasting desalniettemin, voor zover de internationale overeenkomst zulks toelaat, berekend op de totale belasting die vastgesteld zou zijn indien de beroepsinkomsten in kwestie uit bronnen in België zouden zijn verkregen.

Art. 467. De aanvullende belasting op de personen- belasting wordt door de gemeente of door de agglomeratie geheven ten laste van de rijksinwoners die respectievelijk belastbaar zijn in die gemeente of in de gemeenten die deel uitmaken van die agglomeratie. 1218

Art. 468. De aanvullende belasting op de personen- belasting wordt voor alle belastingplichtigen van eenzelfde agglomeratie of gemeente vastgesteld op een eenvormig percentage van de berekeningsgrondslag vastgesteld overeenkomstig de artikelen 466 en 466bis.
Wanneer dat percentage een breukgedeelte omvat, moet dat breukgedeelte tot één decimaal worden beperkt ; dat percentage mag niet hoger liggen dan 1 pct. als de belasting wordt geheven door een agglomeratie.
Op de aanvullende belasting op de personen- belasting mag geen vermindering, vrijstelling of uitzondering worden toegepast.
Het percentage van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting wordt vastgesteld door een belastingreglement dat van toepassing is vanaf een welbepaald aanslagjaar en dat uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, in werking treedt. Bij ontstentenis daarvan, wordt de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting gevestigd op grond van het percentage dat van toepassing was voor het vorige aanslagjaar.

Art. 469. De vestiging en de inning van de aanvullende belastingen op de personenbelasting worden toevertrouwd aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen en deze belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen, onder de voorwaarden en volgens de regelen die de Koning bepaalt (1).


(1) art. 230 tot 233, KB/WIB 92.
Die aanvullende belastingen worden bij wijze van bedrijfsvoorheffing of voorafbetalingen geïnd alsof het totale tarief van deze belastingen eenvormig op 6 pct. was vastgesteld. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat percentage verhogen tot maximaal 7 pct (1).


(1) art. 233/1, KB/WIB 92. Voor zover hiervan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van titel VII van dit Wetboek op die belastingen van toepassing.

Art. 470. Op het bedrag van de in de artikelen 465 tot 469 bedoelde aanvullende belastingen wordt een korting van 1 pct. ingehouden voor de terugbetaling van de administratiekosten aan de Schatkist. Bijzondere invorderingsregels
Art. 470/1 (oud 470bis) De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen kent aan de provincies, de gemeenten en agglomeraties van gemeenten de voor hun rekening verwezenlijkte ontvangsten voor orde toe, verminderd met de ontheffingen die voor hun rekening worden uitbetaald tijdens de maand van de inning van die ontvangsten. Wanneer de ontheffingen die in de loop van een maand zijn betaald ten laste van een provincie, gemeente of agglomeratie van gemeenten, meer bedragen dan de ontvangsten die door de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid werden geïnd, vormt dat excedent voor genoemde administratie een in hoofde van de provincie, gemeente of agglomeratie van gemeenten terugvorderbare schuldvordering. De voormelde schuldvordering wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen ; dat uitstel van één maand wordt door de Algemene Administratie van de Thesaurie gefinancierd. Alvorens over te gaan tot de voormelde ambtshalve inhouding, geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen kennis van het bedrag van haar schuldvordering aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten. Indien het bedrag van de ontvangsten toegekend gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft na toepassing van het derde lid te vrijwaren, wordt dat laatste bedrag aangezuiverd door een ambtshalve debitering van de financiële rekening die de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten heeft aangeduid voor de storting van de voor haar rekening geïnde ontvangsten. De administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen geeft vooraf kennis aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten, alsmede aan de kredietinstelling van het bedrag van de schuldvordering dat moet worden aangezuiverd. De Koning (1) stelt de nadere regels vast die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel. --------------- (1) art. 233/2 en 233/3, KB/WIB 92

Art. 470/1. Art. 470/1 (oud 470bis)
De administratie belast met de inning en de
invordering van de inkomstenbelastingen kent aan
de provincies, de gemeenten en agglomeraties van
gemeenten de voor hun rekening verwezenlijkte
ontvangsten voor orde toe, verminderd met de
ontheffingen die voor hun rekening worden
uitbetaald tijdens de maand van de inning van die
ontvangsten.
Wanneer de ontheffingen die in de loop van
een maand zijn betaald ten laste van een provincie,
gemeente of agglomeratie van gemeenten, meer
bedragen dan de ontvangsten die door de
administratie belast met de inning en de
invordering van de inkomstenbelastingen
gedurende diezelfde maand voor rekening van die
overheid werden geïnd, vormt dat excedent voor
genoemde administratie een in hoofde van de
provincie, gemeente of agglomeratie van
gemeenten terugvorderbare schuldvordering.
De voormelde schuldvordering wordt
ingevorderd door ambtshalve inhouding op de
toekenning van de ontvangsten van de maand die
volgt op die van de verrekening van de
ontheffingen ; dat uitstel van één maand wordt
door de Algemene Administratie van de Thesaurie
gefinancierd.
Alvorens over te gaan tot de voormelde
ambtshalve inhouding, geeft de administratie belast
met de inning en de invordering van de
inkomstenbelastingen kennis van het bedrag van
haar schuldvordering aan de provincie, de
gemeente of de agglomeratie van gemeenten.
Indien het bedrag van de ontvangsten
toegekend gedurende de maand die volgt op die
van de verrekening van de ontheffing ontoereikend
is om het bedrag van de schuldvordering dat
overblijft na toepassing van het derde lid te
vrijwaren, wordt dat laatste bedrag aangezuiverd
door een ambtshalve debitering van de financiële
rekening die de provincie, de gemeente of de
agglomeratie van gemeenten heeft aangeduid voor
de storting van de voor haar rekening geïnde
ontvangsten.
De administratie belast met de inning en de
invordering van de inkomstenbelastingen geeft
vooraf kennis aan de provincie, de gemeente of de
agglomeratie van gemeenten, alsmede aan de
kredietinstelling van het bedrag van de
schuldvordering dat moet worden aangezuiverd.
De Koning (1) stelt de nadere regels vast die
nodig zijn voor de toepassing van dit artikel.
(1) art. 233/2 en 233/3, KB/WIB 92

Art. 470/2. Wat de opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting betreft, kent de Federale Overheidsdienst Financiën, in afwijking van artikel 470/1, gedurende een periode van acht maanden aan de gemeenten maandelijkse voorschotten toe met betrekking tot die opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, die 80 % vertegenwoordigen van de geraamde ontvangsten van het lopende aanslagjaar. Deze voorschotten worden betaald op de derde laatste werkdag van de maand voor de maanden september, oktober, november en december van het lopende aanslagjaar en voor de maanden januari, februari, maart en april van het kalenderjaar dat volgt op het betrokken aanslagjaar. Er wordt voor alle gemeenten een identiek toekenningspercentage van de geraamde ontvangsten van het lopende aanslagjaar vastgelegd voor elke maand in de periode september tot december en voor elke maand in de periode januari tot april. Het toekenningpercentage bedraagt 14 pct. van de geraamde ontvangsten van het lopende aanslagjaar voor elk van de maanden van september tot en met december van het lopende aanslagjaar en zes pct. voor elk van de maanden van januari tot en met april van het kalenderjaar volgend op het betrokken aanslagjaar. De Koning kan die percentages aanpassen zonder per periode van vier opeenvolgende maanden in het lopende aanslagjaar of in het daaropvolgende kalenderjaar lager te gaan dan vijf pct. per maand of hoger dan 15 pct. per maand. Het totaal van de op die manier vastgelegde percentages moet steeds tachtig procent vertegenwoordigen van de geraamde ontvangsten van een aanslagjaar.
In de loop van de maand mei van het kalenderjaar dat volgt op het betrokken aanslagjaar stuurt de Federale Overheidsdienst Financiën aan elke gemeente een overzicht met daarin voor elke maand in de periode die zich uitstrekt van 1 augustus van het betrokken aanslagjaar tot 30 april van het kalenderjaar dat volgt op het betrokken aanslagjaar:

1° het geheel van de werkelijk voor haar rekening geïnde ontvangsten en de ontheffingen die voor haar rekening werden betaald tijdens de maanden van de voormelde periode, ongeacht of ze al dan niet betrekking hebben op het aanslagjaar waarvoor de voorschotten werden toegekend;

2° het bedrag dat overeenstemt met de administratiekosten bedoeld in artikel 470 voor dezelfde maanden als deze bedoeld in de bepaling onder 1°, en berekend over de werkelijk geïnde ontvangsten na aftrek van de betaalde ontheffingen; 3° het geheel van de toegekende voorschotten voor de maanden september tot december van het betrokken aanslagjaar en de maanden januari tot april van het kalenderjaar volgend op het aanslagjaar;

4° het saldo bekomen door van de in de bepaling onder 1° bedoelde nettobedragen de in de bepaling onder 2° bedoelde administratiekosten en de in de bepaling onder 3° bedoelde toegekende voorschotten af te trekken.
Het positief saldo van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting wordt betaald ten laatste de derde laatste werkdag van de maand mei van het kalenderjaar dat volgt op het betrokken aanslagjaar.
Tijdens de maanden mei, juni en juli, kent de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen aan de gemeenten de voor hun rekening verwezenlijkte ontvangsten voor orde toe, verminderd met de ontheffingen die voor hun rekening worden uitbetaald tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
Wanneer het saldo in de maanden mei, juni of juli negatief is, wordt het afgetrokken van de door te storten bedragen tijdens de maanden juni tot augustus tot de volledige aanzuivering van het saldo.
Wanneer in augustus nog een negatief saldo overblijft, vormt dat saldo voor de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen een terugvorderbare schuldvordering op de gemeente. Dat bedrag wordt aangezuiverd door een ambtshalve debitering van de financiële rekening die de gemeente heeft aangeduid voor de storting van de voor haar rekening geïnde ontvangsten. Alvorens over te gaan tot het debiteren van de rekening, geeft de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen kennis van het bedrag van haar schuldvordering op de gemeente.
De voorschotten op de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting kunnen niet worden gecumuleerd met de betaling van de werkelijk geïnde netto-ontvangsten. ---------------
(1) art. 233/2 en 233/3, KB/WIB 92 1225 INKOMEN VAN ONROERENDE GOEDEREN.

Art. 471.

§ 1. Er wordt een kadastraal inkomen vastgesteld voor alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, voor zover die goederen:
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 471, § 1, eerste lid, inleidende zin, als volgt :

§ 1. Er wordt een kadastraal inkomen vastgesteld voor alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn door incorporatie of door hun bestemming, voor zover die goederen:

1° in België zijn gelegen of;

2° in het buitenland gelegen zijn en;
a) een andere dan in artikel 4 bedoelde rijksinwoner of een in artikel 180, 1° of 220, 3°, vermelde rechtspersoon, houder is van een zakelijk recht op die goederen of;
b) een juridische constructie waarvan een andere dan in artikel 4 bedoelde rijksinwoner of een in artikel 180, 1° of 220, 3°, vermelde rechtspersoon, oprichter is, houder is van een zakelijk recht op die goederen. Onder zakelijk recht moet worden verstaan elk soort buitenlands recht op een onroerend goed dat, door het feit dat zijn titularis er de vruchten van ontvangt, gelijkgesteld kan worden aan het eigendomsrecht, het recht van erfpacht, het opstalrecht of het recht van vruchtgebruik.

§ 2. Onder kadastraal inkomen wordt verstaan het gemiddeld normaal netto-inkomen van één jaar.

§ 3. Onder materieel en outillage worden verstaan, met uitsluiting van de lokalen, afdaken en hun onmisbaar toebehoren, alle toestellen, machines en andere installaties dienstig voor een nijverheids-, handels- of ambachtsbedrijf.
Evenwel wordt het materieel en de outillage die het karakter hebben van onroerende goederen door bestemming slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijvend aan het erf zijn verbonden of op blijvende wijze voor de dienst en de exploitatie zijn bestemd en voor zover zij, ingevolge hun gewicht, hun afmetingen, hun wijze van plaatsing of werking, moeten dienen om normaal blijvend te worden gebruikt op de plaats waar zij zich bevinden of om tijdens het gebruik ter plaatse te blijven.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 471, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) 1227

Art. 472.

§ 1. Het kadastraal inkomen wordt per kadastraal perceel bepaald. Tot dit doel gaat de Algemene Administratie van de Patrimonium- documentatie over tot de schatting der percelen volgens de regelen en de vormen die de Koning bepaalt (1).


(1) KB van 10.10.1979 – BS 13.10.1979.

§ 2. Wanneer een kadastraal perceel materieel of outillage omvat, wordt een afzonderlijk kadastraal inkomen vastgesteld, eensdeels, voor de grond, eventueel met inbegrip van de lokalen, afdaken en hun onmisbaar toebehoren, en, anderdeels, voor het materieel en de outillage.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1, wordt het kadastraal inkomen van onroerende goederen die gelegen zijn in het buitenland bepaald per onroerend goed, of, op voorwaarde van identieke zakelijke rechten zoals omschreven in artikel 471, § 1, tweede lid, per groep onroerende goederen bestaande uit één enkele woon- of exploitatie- eenheid.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 472, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteitvan 13 december 2013 (BS 23 december 2013) en recht van onderzoek van de administratie.

Art. 473.

§ 1. De eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van een in België gelegen goed, de in artikel 471, § 1, eerste lid, 2°, a, bedoelde houder van een zakelijk recht op een in het buitenland gelegen goed en de in artikel 471, § 1, eerste lid, 2°, b, bedoelde oprichter van een juridische constructie, in deze belastingplichtige genoemd, is ertoe gehouden, uit eigen beweging, bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie aan te geven :
- de ingebruikneming of de verhuring, indien deze de ingebruikneming voorafgaat, van de nieuw opgerichte of herbouwde onroerende goederen ;
- de voltooiing van de werken aan de gewijzigde gebouwde onroerende goederen ;
- de verandering in de wijze van exploitatie, de omvorming of de verbetering van ongebouwde onroerende goederen ;
- de ingebruikstelling van nieuw of toegevoegd materieel of outillage, alsook de wijziging of de definitieve buitengebruikstelling van materieel of outillage.
De aangifte moet ingediend worden binnen dertig dagen volgend op de gebeurtenis.
Onverminderd de vaststelling van de werkelijke ingebruikneming, wordt een in België gelegen nieuw opgericht of herbouwd onroerend goed vermoed in gebruik genomen te zijn door de belastingplichtige vanaf zijn inschrijving in de bevolkingsregisters op het adres van dit onroerend goed. § 2. De belastingplichtige die een zakelijk recht op een onroerend goed dat gelegen is in het buitenland, zoals omschreven in artikel 472, § 3, verwerft of vervreemdt, is ertoe gehouden dit uit eigen beweging binnen de 4 maanden vanaf de verwerving of de vervreemding aan te geven bij de Algemene Administratie van de Patrimonium- documentatie.
De belastingplichtige die op 31 december 2020 houder is van een zakelijk recht op een onroerend goed dat gelegen is in het buitenland, zoals omschreven in artikel 472, § 3, is ertoe gehouden dit uit eigen beweging uiterlijk op 31 december 2021 aan te geven bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
De belastingplichtige die onderworpen was aan de belasting van niet-inwoners en onderworpen wordt aan de personenbelasting of rechtspersonenbelasting en op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk dat hij onderworpen is aan de personenbelasting of rechtspersonen- belasting houder is van een zakelijk recht op een onroerend goed dat gelegen is in het buitenland, zoals omschreven in artikel 472, § 3, is ertoe gehouden dit uit eigen beweging aan te geven bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie binnen dertig dagen volgend op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin hij onderworpen wordt aan de personenbelasting of rechtspersonenbelasting. Dit geldt eveneens voor de rechtspersoon die onderworpen was aan de vennootschapsbelasting en onderworpen wordt aan de rechtspersonen- belasting.
Deze paragraaf is niet van toepassing wanneer het een nieuw opgericht of herbouwd onroerend goed betreft dat nog niet in gebruik werd genomen of verhuurd werd op het in het eerste tot derde lid vermelde tijdstip of wanneer het nieuw of toegevoegd materieel of outillage betreft dat op het voormelde tijdstip nog niet in gebruik werd genomen.

Art. 474. Op verzoek van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie is de belastingplichtige er bovendien toe gehouden een aangifte over te leggen van de voor het vaststellen van het kadastraal inkomen van het materieel en de outillage noodzakelijke gegevens. Deze aangifte, in te dienen op een formulier dat door voormelde administratie aan de betrokken belastingplichtige wordt toegezonden, dient, behoorlijk aangevuld en ondertekend, binnen de erop aangeduide termijn toe te komen bij de ambtenaar of bij de dienst waarvan het formulier uitgaat.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 474, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 475. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan :

1° van de belastingplichtige, alsmede van de eventuele huurders eisen dat zij, in de door haar gestelde vorm en binnen de door haar bepaalde termijn, alle inlichtingen dienstig voor het vaststellen van het kadastraal inkomen overleggen ; zij kan tevens eisen dat zij, zonder verplaatsing, inzage verlenen van de boeken en bescheiden, die het mogelijk maken de juistheid van de verstrekte inlichtingen na te gaan ; 2° van de openbare diensten, instellingen en inrichtingen, als bedoeld bij artikel 327, § 1, alsmede van de landmetersexperten in de wettelijke uitoefening van hun beschermde activiteiten, eisen dat zij zonder kosten een volledig afschrift overleggen van de plannen en de erbijhorende stukken waarover zij beschikken en die dienstig kunnen zijn voor het bijhouden van de kadastrale plannen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 475, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 475, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 476. Op voorwaarde dat zij van hun aanstellingsbewijs voorzien zijn, hebben de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het recht, alleen of vergezeld van het personeel dat hen bijstaat in hun verrichtingen of van de afgevaardigde aangeduid door de burgemeester, zich tussen 8 en 18 uur in de gebouwen en eender welke onroerende goederen te begeven, ten einde er de verrichtingen van opmeting, van verkenning van grensscheidingen en van raming uit te voeren.
Zo hun de toegang tot het eigendom wordt geweigerd, mogen zij er slechts binnendringen met de bijstand van de korpschef van de lokale politiezone waarbinnen de eigendom gelegen is of zijn gelastigde.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN 1232 VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 476, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 477.

§ 1. Voor de gebouwde percelen wordt het kadastraal inkomen vastgesteld op grond van de normale netto-huurwaarden op het bij artikel 486 bepaalde referentietijdstip. Wanneer het niet op die wijze kan worden vastgesteld, of indien het moet worden vastgesteld of herzien buiten de algemene perekwatie, kan het kadastraal inkomen eveneens worden bepaald bij vergelijking met gelijkaardige gebouwde percelen waarvan het kadastraal inkomen definitief is.
Bij gebrek aan geschikte vergelijkings- punten in de gemeente, worden de referenties gekozen in de naburige gemeenten, die, qua woonbestand en bevolkingsstructuur, gelijk- waardig zijn.

§ 2. Onder normale netto-huurwaarde dient verstaan te worden het normaal bruto-inkomen verminderd met 40 pct. wegens onderhouds- en herstellingskosten ; de vermindering slaat op het inkomen uit het gebouw en zijn gebouwde aanhorigheden alsook op de ongebouwde aanhorigheden tot een maximumoppervlakte van acht aren.

§ 3. Onder bruto-inkomsten wordt verstaan het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen. Wanneer een huurvoordeel bestaat in een eenmaal door de huurder gedane uitgave, wordt het bedrag ervan over de gehele duur van het huurcontract verdeeld.

Art. 478. Wanneer voor een gebouwd perceel geen gepast referentieperceel voorhanden is, wordt het kadastraal inkomen berekend door het tarief van 5,3 pct. toe te passen op de normale verkoop- waarde van het perceel op het referentietijdstip bepaald in artikel 486.
De normale verkoopwaarde wordt vastgesteld volgens de in een dergelijk geval door de schatters van onroerende goederen gevolgde methoden.
Wanneer er geen enkele referentie voorhanden is om de normale verkoopwaarde van het perceel vast te stellen op het referentietijdstip bepaald in artikel 486, wordt deze laatste vastgesteld op basis van de actuele normale verkoopwaarde waarop een correctiefactor wordt toegepast. Die correctiefactor wordt jaarlijks bepaald door de correctiefactor voor het voorgaande jaar te vermenigvuldigen met het gemiddelde van de maandelijkse referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op 10 jaar, zoals bekendgemaakt door het Federale Agentschap van de Schuld, voor datzelfde voorgaande jaar, verhoogd met 1. Voor het jaar 2020 wordt de correctiefactor vastgelegd op 15,036. De Federale Overheidsdienst Financiën maakt jaarlijks via een bericht in het Belgisch Staatsblad (1) de correctiefactor bekend.


(1) - Bericht BS 08.03.2021 voor aj 2021: 15,018 - Bericht BS 25.01.2022 voor aj 2022: 15,011 - Bericht BS 10.01.2023 voor aj 2023: 15,250



Art. 479.

§ 1. Voor de ongebouwde percelen wordt het kadastraal inkomen bepaald bij vergelijking met de kadastrale inkomens per hectare, vastgesteld voor de bouwlanden, hooilanden, weilanden en moestuinen, op grondslag van de normale netto- huurwaarden op het referentietijdstip bepaald in artikel 486, behoudens toepassing van de bepalingen van de artikelen 480 tot 482.

§ 2. Onder normale netto-huurwaarde van een ongebouwd perceel dient verstaan te worden het normaal bruto-inkomen, zoals bepaald bij artikel 477, § 3, verminderd met één tiende wegens onderhouds- en herstellingskosten.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 479, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 480.

§ 1. Worden beschouwd :

1° als moestuinen waarvan het kadastraal inkomen per hectare het hoogste in de gemeente of kadastrale van gemeente is : a) de lusttuinen en de parken, met uitzondering van de gedeelten welke met bomen van een in de bossen groeiende houtsoort beplant zijn en een oppervlakte van tenminste 50 aren hebben en die als bossen aangezien worden ;
b) de terreinen zonder speciale landbouwbestemming die, in een agglomeratie, tegen een tot het wegenisnet van de Staat, de provincie of de gemeente behorende verkeersweg gelegen zijn of waarvoor, onder de voorwaarden opgelegd door de organieke wettelijke bepalingen betreffende de ruimtelijke ordening en de stedebouw, een bouwvergunning is uitgereikt ;

2° als bouwlanden, hooilanden of weilanden waarvan het kadastraal inkomen per hectare het hoogste in de gemeente of kadastrale
a) de renbanen, de speel- of sportterreinen en de boomkwekerijen ;
b) de mijnen en groeven, het kadastraal inkomen van de oppervlakte of van het gedeelte van de oppervlakte tot deze doeleinden geëxploiteerd, wordt vastgesteld zonder inachtneming van de mijnader of de laag die er zich bevindt ;

3° als bouwlanden, hooilanden of weilanden waarvan het kadastraal inkomen per hectare het laagste in de gemeente of kadastrale
de vijvers en de kanalen die geen deel uitmaken van het openbaar domein.

§ 2. Bij gebrek aan vergelijkingspunten in de gemeente worden de referenties gekozen in de dichtst bijgelegen gemeente waar onroerende goederen van de gewenste aard aangetroffen worden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN 1236 VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 480, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 481.

§ 1. De beboste percelen worden, per streek, in drie klassen ingedeeld volgens de aard van hun bestand, de hoedanigheid van hun grond en van hun ligging, zonder inachtneming van de potentiële of effectieve kappingen.
De streken en de klassen worden bepaald door de Ministers die het kadaster en de landbouw in hun bevoegdheid hebben.

§ 2. Het kadastraal inkomen per hectare van een bebost perceel van de eerste klasse is, in iedere streek, gelijk aan het gemiddelde van de laagste kadastrale inkomens per hectare toegekend aan de bouwlanden van iedere gemeente van de streek.

§ 3. Het kadastraal inkomen per hectare van de beboste percelen gerangschikt in de tweede en derde klasse is respectievelijk gelijk aan 60 pct. en 30 pct. van het kadastraal inkomen per hectare vastgesteld voor de bossen van de eerste klasse van de streek.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 481, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1237

Art. 482. Het kadastraal inkomen van de percelen met een andere aard dan deze vermeld in de artikelen 479 tot 481 wordt vastgesteld bij vergelijking met het kadastraal inkomen per hectare toegekend aan gelijksoortige percelen.
In afwijking van het vorige lid, mag het kadastraal inkomen van openluchtparkeerplaatsen en, meer algemeen, dat van terreinen met handels- of nijverheidsgebruik, vastgesteld worden overeenkomstig de in artikel 478 vermelde methode.
Onder geen enkel beding mag het kadastraal inkomen per hectare van een ongebouwd perceel minder bedragen dan 2 EUR.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 482, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 482/1. Het kadastraal inkomen van ongebouwde onroerende goederen die gelegen zijn in het buitenland wordt vastgesteld op basis van de schaal van 2 euro per hectare.

Art. 483. Het kadastraal inkomen van het materieel en de outillage wordt berekend door op hun gebruikswaarde het bij artikel 478 bepaalde percentage toe te passen. De gebruikswaarde wordt verondersteld gelijk te zijn aan 30 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw, eventueel vermeerderd met de kosten der opeenvolgende veranderingen ; de genoemde gebruikswaarde wordt, in voorkomend geval, verbeterd door er de gerevaloriseerde waarde van te bepalen op het in artikel 486 omschreven referentietijdstip.
Niettemin wordt in de opeenvolgende schattingen buiten beschouwing gelaten de uitgave die betrekking heeft op het deel van het materieel en de outillage dat in zijn geheel werd vernieuwd. Voor het deel dat slechts herstellingen heeft ondergaan, houdt men zich aan de oorspronkelijke uitgave of aan de latere uitgaven, naargelang de eerste hoger of lager is dan de andere.
Het kadastraal inkomen van in het buitenland gelegen materieel en outillage wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 483, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 483, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1239

Art. 484. Het materieel en de outillage worden slechts in aanmerking genomen ingeval hun gebruikswaarde, berekend zoals in artikel 483 is aangeduid, per kadastraal perceel een door de Koning (1) bepaald minimum bereikt, zonder dat dit laatste 4.000 EUR mag overtreffen.


(1) K.B. van 10.10.1979 – BS 13.10.1979.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 484, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 485. Wanneer de in artikel 474 bedoelde aangifte niet steunt op bewijskrachtige gegevens wat betreft de datum, de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw alsmede de kostprijs van de werken, veranderingen en kosten waarvan sprake in artikel 483, of wanneer de belastingplichtige de aangifte of de inlichtingen welke hem krachtens de artikelen 474 en 475 werden gevraagd niet verstrekt heeft, mag de gebruikswaarde zo nodig geheel of gedeeltelijk bij vergelijking met die van gelijkaardig materieel of outillage worden bepaald. Deze vergelijkende methode mag steeds worden gevolgd voor het bepalen van de gebruikswaarde van het materieel en de outillage die door de belanghebbende of de belastingplichtige ver- vaardigd werden.

Art. 486. Met referentietijdstip wordt bedoeld de 1ste januari van het jaar vóór datgene waarin de ingevolge een algemene perekwatie vastgestelde kadastrale inkomens in voege treden.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 486, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). Tijdstip van vaststelling en invoegetreding van de kadastrale inkomens.
kadastrale inkomens.

Art. 487.

§ 1. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie gaat om de tien jaar over tot een algemene perekwatie van de kadastrale inkomens volgens de procedure voorzien onder

§ 2. De kadastrale inkomens, voortspruitend uit een algemene perekwatie, worden geacht te bestaan vanaf 1 januari volgend op het verstrijken van de termijn van tien jaar.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 487, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
inkomens.

Art. 488. Buiten de algemene perekwaties mag, in een gemeente of kadastrale afdeling van gemeente, tot een buitengewone herziening van de kadastrale inkomens van de gebouwde en ongebouwde onroerende goederen of slechts van één dezer categorieën worden overgegaan, indien belangrijke schommelingen van de huurwaarde der onroerende goederen het rechtvaardigen. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 488, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 489. De buitengewone herzieningen worden verricht volgens de procedure voorzien onder
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 489 voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).

Art. 490. De buitengewone herziening mag ambtshalve door de Minister van Financiën worden voorgeschreven.
Zij moet voorgeschreven worden zo de gemotiveerde aanvraag ertoe wordt gedaan door de burgemeester van de gemeente of door een groep belastingplichtigen die tenminste 1/10e bezitten van het totaal aantal der in de gemeente of kadastrale afdeling van gemeente gelegen percelen van de categorie of categorieën bedoeld in de aanvraag. De aanvraag wordt als gemotiveerd beschouwd wanneer zij gestaafd is door een opgave waarop tenminste 1 pct. der percelen van de bedoelde categorie of categorieën vermeld zijn waarvan de normale netto-huurwaarde op 1 januari van het jaar van de aanvraag tenminste 15 pct. hoger of lager is dan het kadastraal inkomen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 490 voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 491. Buiten de algemene perekwaties, mag de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde (1), hetzij uit eigen beweging, hetzij op aanvraag van de burgemeester van de gemeente of van de belastingplichtige, de speciale herziening van het kadastraal inkomen van een gebouwd onroerend goed bevelen wanneer er, ten gevolge van nieuwe en blijvende omstandigheden veroorzaakt door overmacht, door werken of maatregelen bevolen door de openbare macht of door toedoen van derden, buiten elke wijziging van het onroerend goed om, tussen het kadastraal inkomen en de normale netto-huurwaarde, zoals deze bepaald zou geweest zijn indien de voormelde omstandigheden op het tijdstip van zijn vaststelling hadden bestaan, een verschil, in min of in meer, van tenminste 15 pct. bestaat.


(1) MB van 08.02.2011 – BS 17.02.2011

Art. 492. De speciale herzieningen worden uitgevoerd volgens een summiere methode, door op de bestaande kadastrale inkomens het percentage toe te passen van de vermeerdering of de vermindering die de normale netto-huurwaarden hebben ondergaan.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 492, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 493. De kadastrale inkomens, voortspruitend uit een buitengewone of speciale herziening, worden geacht te bestaan vanaf de datum vastgesteld door de Minister van Financiën rekening gehouden met de vooruitgang der werkzaamheden. Zij zijn slechts geldig tot aan de eerstvolgende algemene perekwatie of buitengewone of speciale herziening van de kadastrale inkomens.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1245 Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 493, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 493, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
kadastrale inkomens.

Art. 494.

§ 1. Buiten de algemene perekwaties gaat de Algemene Administratie van de Patrimonium- documentatie over :

1° tot de schatting van het kadastraal inkomen van de nieuw opgerichte gebouwde onroerende goederen en van het in gebruik genomen nieuw materieel of outillage ;

2° tot de herschatting van de kadastrale inkomens van de vergrote, herbouwde of aanzienlijk gewijzigde onroerende goederen van alle aard ;

3° tot de herschatting van de kadastrale inkomens der gebouwde onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen werd vastgesteld vóór ze volkomen voltooid waren, zelfs zo de werken geen aanzienlijke wijziging aan het gebouw hebben teweeggebracht ;

3°/1 tot schatting of herschatting van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen waarvoor aangifte wordt gedaan op grond van artikel 473, § 2; 4° tot de schatting of de herschatting van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen van alle aard, wanneer het ontbreken of de ontoereikendheid van de schatting voortvloeit uit het niet indienen van de in de artikelen 473 en 474 beoogde aangiften of onjuistheden die in deze aangiften voorkomen ;

5° tot de verbetering van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen van welke aard ook, wanneer bij de vaststelling van dat kadastraal inkomen op onom- stootbare, aantoonbare en onweerlegbare wijze een schrijf- of rekenfout werd begaan of wanneer onroerende goederen bij vergissing werden verwisseld.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, 2°, worden als aanzienlijke wijzigingen beschouwd :

1° die welke aanleiding kunnen geven tot een vermeerdering of tot een vermindering van het aan een gebouwd perceel of aan een materieel of outillage, toegekend kadastraal inkomen met een bedrag van 50 EUR of meer of tenminste met een bedrag van 15 pct. van het bestaande inkomen ;

2° de verenigingen of verdelingen van gebouwde percelen of van materieel en outillage, de grensveranderingen tussen percelen, alsmede elke verandering in de wijze van exploitatie, elke omvorming, verbetering, beschadiging of waarde- vermindering van ongebouwde onroerende goederen en elke wijziging van hun grootte.
In geval van vereniging of verdeling van gebouwde percelen of grensverandering tussen gebouwde percelen als gevolg van een wijziging van zakelijke rechten, tegelijk met werkzaamheden in uitvoering als bedoeld in artikel 473, bestaat de herschatting van het kadastraal inkomen uit de proportionele verdeling van het bestaand kadastraal inkomen tussen de nieuwe percelen. § 3. Het in aanbouw nemen van onbebouwde en ledige gronden en de bebossing van gronden brengen, uit hoofde van de nieuwe aard, slechts de herschatting van het kadastraal inkomen mee met ingang van 1 januari van het elfde of van het eenentwintigste jaar na de ontginning of de bebossing.

§ 4. De schattingen of herschattingen worden uitgevoerd volgens de procedure voorzien onder hoofdstuk II van deze titel.

§ 5. De uit een schatting of herschatting voortspruitende kadastrale inkomens worden geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven of op het einde van de vrijstelling wanneer de gestelde voorwaarden niet meer vervuld zijn.
De met toepassing van § 1, 5°, verbeterde kadastrale inkomens worden geacht te bestaan :
- wanneer uit de verbetering een lager kadastraal inkomen voortspruit, vanaf 1 januari van het aanslagjaar voor het welk de onroerende voorheffing kan worden gevestigd, rekening houdende met de termijn van artikel 354, eerste lid ;
- wanneer uit de verbetering een hoger kadastraal inkomen voortspruit, vanaf 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de verbetering.
Deze kadastrale inkomens zijn slechts geldig tot aan de eerstvolgende algemene perekwatie of buitengewone of speciale herziening van de kadastrale inkomens.

§ 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, met uitzondering van de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking : - vanaf de eerste dag van het zesde jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven, wat de onroerende goederen betreft die volledig zijn gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 14525 zoals het tot aanslagjaar 2014 van toepassing was ;
- vanaf de eerste dag van het negende jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven, wat de onroerende goederen bedoeld in artikel 14530 zoals het tot aanslagjaar 2014 van toepassing was.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

1° het betreft een herschatting bedoeld in § 1, 2° of 3°;

2° het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven, heeft zich uiterlijk op 31 december 2013 voorgedaan.
Aan de periodes van 6 en 9 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 494, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1249

Art. 495.

§ 1. Elk nieuw vastgesteld, herzien, geschat of herschat kadastraal inkomen wordt, in de vorm die de Koning bepaalt (1), aan de belastingplichtige betekend, tenzij deze laatste zich schriftelijk heeft akkoord verklaard met het bedrag van bedoeld inkomen.


(1) KB van 10.10.1979 – BS 13.10.1979.

§ 2. In afwijking van § 1 geven de wijzigingen van het kadastraal inkomen van een ongebouwd onroerend goed geen aanleiding tot betekening wanneer zij voortvloeien uit een eenvoudige wijziging van de oppervlakte, buiten elke verandering in de wijze van exploitatie, elke omvorming, verbetering, beschadiging of waardevermindering die een wijziging van het kadastraal inkomen per hectare met zich brengen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 495, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 496. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie mag het bedrag van het kadastraal inkomen mededelen aan de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen vóór dat het aan de belastingplichtige werd betekend. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
UITSLUITEND voor wat de onroerende voorheffing betreft, luidt artikel 496, vanaf 1 juli 2006, als volgt :
De administratie van het kadaster mag het bedrag van het kadastraal inkomen mededelen aan de administratie der directe belastingen of de Vlaamse Belastingdienst vóór dat het aan de belastingplichtige werd betekend.
Vanaf 1 januari 2014, blijft deze wijziging, voor de onroerende voorheffing, behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). Bezwaar tegen het kadastraal inkomen.

Art. 497. De belastingplichtige mag tegen het hem betekend kadastraal inkomen bezwaar indienen, behoudens wanneer dat inkomen betrekking heeft op een gebouwd perceel en het werd vastgesteld volgens de gegevens van een door de betrokken belastingplichtige, door zijn rechtvoorgangers, zijn bevoegde lasthebbers of vertegenwoordigers gesloten huurcontract.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 497, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 498. Het enkel feit van de overdracht aan een derde van de eigendom van een perceel waarvan het kadastraal inkomen regelmatig werd vastgesteld op een tijdstip dat het aan de overdrager toebehoorde, geeft aan de verkrijger geen recht om tegen bewust kadastraal inkomen bezwaar in te dienen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST 1252 Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 498, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
bezwaar.

Art. 499. Op straffe van verval moet het bezwaar :

1° behoudens in geval van overmacht, ingediend worden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen ;

2° bij een ter post aangetekende brief gericht zijn aan de leidende ambtenaar van de dienst belast met de behandeling van de bezwaren tegen de kadastrale inkomens ;
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 499, 2°, als volgt:

2° met een aangetekende zending verzonden zijn aan de leidende ambtenaar van de dienst belast met de behandeling van de bezwaren tegen de kadastrale inkomens ;

3° het inkomen vermelden dat de bezwaarindiener stelt tegenover datgene dat aan zijn onroerend goed is toegekend.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 499, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1253

Art. 500. Geen enkel bezwaar tegen een kadastraal inkomen zal nog geldig kunnen ingediend worden meer dan één jaar na de betaling der eerste onroerende voorheffing gevestigd op grondslag van het betwiste inkomen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 500, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).
bezwaren.

Art. 501. Het bezwaar wordt onderzocht door een ambtenaar belast met de behandeling van de bezwaren.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 501, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1254

Art. 501bis.

§ 1. Indien in de loop van de behandeling van het bezwaar en na onderhandelingen de onenigheid blijft bestaan, kan de bezwaarindiener een aanvraag om bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).
Wanneer het proces-verbaal van niet- akkoord, dat opgesteld is met het oog op het vorderen van de scheidsrechterlijke beslissing bedoeld in § 2 aan de belastingplichtige werd betekend vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelings- dienst ontheven van zijn bevoegdheid.

§ 2. Indien de onderzoekende ambtenaar en de bezwaarindiener, ondanks de eventuele bemiddeling, geen akkoord bereiken over het kadastraal inkomen dat aan het onroerend goed moet worden toegekend, wordt een proces-verbaal van niet-akkoord opgesteld en hebben de onderzoekende ambtenaar en de bezwaarindiener de mogelijkheid een scheidsrechterlijke beslissing te vorderen teneinde het bedoelde kadastraal inkomen vast te stellen.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 501bis, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 502. De Koning bepaalt (1) de regelen in verband met de arbitrageprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld, wat de opdracht is van de scheidsrechters, het bedrag van de kosten van de arbitrage en wijst aan wie die bedoelde kosten moet dragen. ------------------------------ (1) KB van 10.10.1979 – BS 13.10.1979.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 502, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Art. 503. De eventuele wijziging van het kadastraal inkomen ingevolge een bezwaar heeft uitwerking zelfs ten opzichte van de reeds ten kohiere gebrachte aanslagen welke op grondslag van dat inkomen werden vastgesteld.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 503, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). Bewaring en bijhouding van de kadastrale bescheiden.

Art. 504. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie staat in voor het bewaren en het bijhouden van de kadastrale bescheiden volgens de regelen die de Koning bepaalt.
Enkel de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie is ertoe gemachtigd, volgens de regels en de tarieven bepaald door de Koning, uittreksels of afschriften van de kadastrale bescheiden te vervaardigen en uit te reiken.
Behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, is de nadruk van voormelde uittreksels of afschriften verboden, evenals de verwerking ervan volgens een op informatica gebaseerde of andere werkwijze.
GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
VLAAMSE GEWEST
Vanaf 1 januari 2014, blijft artikel 504, voor de onroerende voorheffing behouden volgens artikel 5.0.0.0.1., § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (BS 23 december 2013) (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit). 1257

Art. 504bis. artikel 504bis van hetzelfde Wetboek vermelde private omkoping in België ;
b) dans le cadre d'une corruption publique d'une personne exerçant une fonction publique dans un Etat étranger ou dans une organisation de droit international public, visée à l'article 250 du même Code ;
b) in het kader van een in

Art. 505.

§ 1. De belastbare meerwaarden waaromtrent de belastingplichtige het bewijs verstrekt dat zij teweeggebracht werden door de uit de muntwet van 30 maart 1935 voortvloeiende devaluatie, worden vrijgesteld binnen onderstaande grenzen en onder de volgende voorwaarden :

1° vrijgesteld worden slechts de meerwaarden verbonden aan voorraden en stocks van alle aard en aan activa als bedoeld in artikel 27, § 1, tweede lid, van de wetten betreffende de inkomstenbelastingen, gecoördineerd op 15 januari 1948, zoals dit bestond voor het werd opgeheven bij de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, na aftrek van de vermeerdering van passief die voortvloeit uit de verhoging in euro van in buitenlandse munten luidende schulden ;

2° de vrijstelling, die in geen geval hoger mag gaan dan het in vorig 1° bepaalde verschil, wordt toegestaan naar rato van 20 pct. van het gemiddelde bedrag der sommen waarvoor de activa die overeenstemmen met die welke een waardevermeerdering hebben ondergaan, werden gerekend in de balansen of inventarissen opgemaakt voor de laatste twee jaren of boekjaren waarvan de afsluiting onmiddellijk de 30e maart 1935 voorafgaat, zoals deze bescheiden door de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen werden aangenomen ; het vrijstellingspercentage wordt echter op 30 pct. gebracht voor activa als bedoeld in hetzelfde artikel 27, § 1, tweede lid, en voor de voorraden aan edelgesteenten en metalen die, met het oog op industriële verwerking, voorhanden worden gehouden.

§ 2. De beperkende bepalingen van artikel 190 zijn van toepassing op de krachtens § 1 vrijgestelde meerwaarden. 1258

Art. 506. Wanneer de grondbelasting krachtens vóór 1 januari 1962 gesloten overeenkomsten ten laste van de huurder gelegd is, wordt in die overeenkomsten de onroerende voorheffing in de plaats van genoemde belasting gesteld, en kan de huurder, niettegenstaande elk hiermee strijdig beding, niet verplicht worden meer dan twee derde van die voorheffing te dragen. Deze beperking is niet van toepassing op de provincie- en gemeente- opcentiemen.

Art. 507. Wanneer de mobiliënbelasting ten laste van de schuldenaar van de inkomsten gelegd is krachtens vóór 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, wordt die belasting in genoemde overeenkomsten vervangen door de roerende voorheffing en is de verplichting tot inhouding van die voorheffing, zoals bepaald in artikel 261, ter zake niet van toepassing.
Wanneer, krachtens vóór 1 januari 1967 gesloten overeenkomsten, de mobiliënbelasting of de roerende voorheffing ten laste van de schuldenaar is gelegd, heeft deze laatste het recht op de belastbare inkomsten het verschil in te houden tussen de krachtens dit Wetboek verschuldigde roerende voorheffing en die welke gezegde schuldenaar vóór 1 januari 1967 te zijnen laste nam.
De Koning regelt (1) toepassing van dit artikel.


(1) art. 234, KB/WIB 92. 1259

Art. 508. De pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die geheel of ten dele gevestigd zijn door middel van stortingen als bedoeld in artikel 30bis, 3°, van de wetten betreffende de inkomstenbelastingen, gecoördineerd op 15 januari 1948, zoals dit bestond vóór het werd opgeheven door de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, zullen van belasting vrijgesteld zijn wanneer de belastingplichtige, wegens de in artikel 169 bepaalde wijze van aanslag, schriftelijk vóór de aanslag aan de bevoegde ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen heeft te kennen gegeven dat hij met ingang van het aanslagjaar 1964 afziet van de vrijstelling van die stortingen.
Zulks geldt eveneens in de gevallen waarin de nieuwe voorwaarde, waaraan de vrijstelling verbonden is krachtens artikel 82, 1°, c, zoals het bestond alvorens door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven, verhindert dat de stortingen op lopende contracten verder vrijstelling genieten.
De vrijstelling blijft nochtans behouden voor de stortingen op lopende contracten van een duur van minder dan tien jaar die vóór 1 januari 1964 zijn aangepast aan de nieuwe voorwaarde van artikel 82, 1°, c, zoals het bestond alvorens door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven.

Art. 508bis. Onverminderd de toepassing van artikel 34 zijn vrijgesteld, de pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden : 1° indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling of belastingvermindering is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1990 van toepassing waren, en de aftrekken niet zijn verleend als vermeld in artikel 81, 1°, zoals het bestond alvorens door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven ;

2° indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen aftrek van de stortingen is verkregen ingevolge artikel 104, eerste lid, 10°, zoals het bestond alvorens door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven.

Art. 509. Aftrekbare beroepskosten zijn, wanneer zij tijdens het belastbare tijdperk werden gedaan :

1° door kapitaalvennootschappen en door vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als vermeld in artikel 227 : de belastingen die zouden aftrekbaar zijn van de inkomsten belastbaar in de bedrijfsbelasting van een aanslagjaar dat 1963 voorafgaat, indien zij tijdig waren gevestigd en ten laste genomen, alsook de grondbelasting van het aanslagjaar 1962 betreffende onroerende goederen die belegd zijn in een onderneming waarvan het boekjaar in 1962 vóór 31 december eindigt ;

2° door vennootschappen als bedoeld in artikel 95, zoals dit bestond vóór het werd opgeheven door de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen : de belastingen die zouden aftrekbaar zijn van de inkomsten belastbaar in de bedrijfsbelasting van een aanslagjaar dat 1964 voorafgaat, indien zij tijdig waren gevestigd en ten laste genomen, alsook de onroerende voorheffing van het aanslagjaar 1963 betreffende onroerende goederen die belegd zijn in een onderneming waarvan het boekjaar in 1963 vóór 31 december eindigt ; 3° door rijksinwoners of niet-rijksinwoners respectievelijk bedoeld in de artikelen 3 of 227, 1° : de belastingen die zouden aftrekbaar zijn van de inkomsten belastbaar in de bedrijfs- en de aanvullende personele belasting van een aanslagjaar dat 1964 voorafgaat, indien zij tijdig waren gevestigd en ten laste genomen.

Art. 510. De bepalingen van artikel 509 zijn eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet van 29 december 1955 tot bevordering van de opslorping of de fusie van vennootschappen, in artikel 13, § 6, van de wet van 24 januari 1958 tot wijziging en aanvulling der wet van 13 augustus 1947 houdende instelling van de Nationale raad voor steenkolenmijnen en in artikel 7 van de wet van 15 juli 1959 tot bevordering van de opslorping of de fusie van vennootschappen en de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid.

Art. 511.

§ 1. De bepalingen van de artikelen 23bis, 107bis, 124, § 6, en 306bis, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven of gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. van 22 juni 1982 blijven van toepassing voor de investeringsreserve die voor het aanslagjaar 1982 is vrijgesteld.

§ 2. In afwijking van artikel 61 mag, met betrekking tot nijverheids-, handels- of landbouwoutillage, alsmede de ermede gelijkgestelde nijverheidsgebouwen die verkregen of tot stand gebracht zijn vóór de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1940 en die nog in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt vóór 31 december 1946 de afschrijving worden berekend op een, binnen de grenzen en termijnen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt (1), herschatte aanschaffings- of beleggingswaarde.


(1) art. 235 tot 253, KB/WIB 92. De herschatte waarde mag niet meer bedragen dan twee en een halve maal de waarde van bovenbedoelde activa, geschat op grondslag van de per 31 augustus 1939 geldende normale prijzen en met inachtneming van hun toestand van stoffelijk verval en van hun werkelijke waardevermindering op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946.

Art. 512. Artikel 9bis van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, aldaar ingevoegd door het koninklijk besluit van 21 september 1966 en in stand gehouden door het koninklijk besluit van 6 januari 1971, is niet meer toepasselijk op de meerwaarden die verwezenlijkt zijn na 31 december 1980 of, voor belastingplichtigen die anders boekhouden dan per kalenderjaar, na de datum van afsluiting van het boekjaar waarvan het resultaat belastbaar is voor het aanslagjaar 1981.

Art. 513. Wanneer de verkoopprijs wordt herbelegd in de hierna vermelde vormen en termijnen, worden, in afwijking van artikel 24, eerste lid, 2°, de meerwaarden die ten laatste in een belastbaar tijdperk dat aanvangt vóór 1 januari 2020 zijn verwezenlijkt op effecten die ten laatste op 31 december 1989 zijn uitgegeven of gewaarborgd door openbare instellingen en die op het ogenblik van de verwezenlijking sedert meer dan vijf jaar in het bezit zijn, aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin zij zijn verwezenlijkt en voor elk van de vijf volgende belastbare tijdperken en dat ten belope van één zesde van hun bedrag voor elk van die belastbare tijdperken.
De herbelegging van de verkoopprijs van de effecten moet worden verricht in nieuwe effecten die genoteerd zijn op de beurs van Brussel en waarvan de duur ten minste vijf jaar bedraagt en die uitgegeven of gewaarborgd zijn door openbare instellingen.
De herbelegging dient uiterlijk te zijn gedaan binnen drie maanden na de datum van de verwezenlijking van de effecten. De als herbelegging verkregen effecten moeten gedurende ten minste vijf jaar worden behouden.
Om voorgaand stelsel te kunnen genieten moeten de betrokken instellingen bij hun aangifte betreffende het belastbare tijdperk waarin de effecten zijn verwezenlijkt en voor elk van de vijf volgende belastbare tijdperken een opgave voorleggen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld voor de toepassing van artikel 47.
In geval van overdracht van de herbelegde effecten vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar of in geval van stopzetting van de werkzaamheid wordt, bij gebrek aan herbelegging in de voorgeschreven vormen en termijnen of bij niet voorleggen van de vereiste opgave, het nog niet belaste gedeelte van de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een belastbare winst van het belastbare tijdperk waarin, naar het geval, de herbeleggingstermijn is verstreken, de vereiste opgave niet wordt ingediend, de als herbelegging verkregen effecten worden overgedragen of de werkzaamheid wordt stopgezet.

Art. 515.

§ 1. In afwijking van artikel 47, § 1, 4°, van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen :

1° wordt de omzettingsrente van de in artikel 171, 4°, littera f tot h, bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en andere éénmalige toelagen die vóór 1 januari 1985 zijn betaald of toegekend, gezamenlijk met de andere inkomsten van de verkrijger belast vanaf het belastbare tijdperk waarin het bedrag dat die rente vormt, is betaald of toegekend : a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van artikel 169, 5 pct. bedraagt, gedurende tien opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van deze periode van tien belastbare tijdperken ;
b) wanneer die omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van artikel 169 minder dan 5 pct. bedraagt, gedurende dertien opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbaar tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van deze periode van dertien belastbare tijdperken ;

2° wordt de omzettingsrente van de vóór 1 januari 1985 betaalde of toegekende vergoedingen in kapitaal, die niet gewaarborgd zijn door een verzekerings- contract ten voordele van de schuldenaar of door het reglement van een voorzorgsfonds ingesteld ten voordele van het personeel van de onderneming en die bedoeld zijn in artikel 169, § 1, 2°, zoals de bepaling bestond alvorens te zijn gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, gezamenlijk met de andere inkomsten van de verkrijger belast vanaf het belastbare tijdperk waarin het bedrag dat die rente vormt is betaald of toegekend :
a) wanneer overeenkomstig de bepa- lingen van bedoeld artikel 169, de omzettingsrente 6,57 pct. of meer bedraagt, gedurende tien opeen- volgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van deze periode van tien belastbare tijdperken ; b) wanneer die omzettingsrente overeen- komstig de bepalingen van bedoeld artikel 169 minder dan 6,57 pct. bedraagt, gedurende dertien opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van deze periode van dertien belastbare tijdperken.

§ 2. De omzettingsrente van de in artikel 171, 4°, fbis, zoals het bestond alvorens door artikel 89, 4°, van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven vermelde kapitalen en afkoopwaarden die vóór 1 augustus 1992 zijn betaald of toegekend, wordt gezamenlijk met de andere inkomsten van de verkrijger belast vanaf het belastbare tijdperk waarin het bedrag dat die rente vormt, is betaald of toegekend :
a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van artikel 169, § 1, 5 pct. bedraagt, gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt vóór het verstrijken van die periode van 10 belastbare tijdperken ;
b) wanneer die omzettingsrente overeenkomstig dezelfde bepalingen minder dan 5 pct. bedraagt, gedurende 13 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt vóór het verstrijken van die periode van 13 belastbare tijdperken. 1266

Art. 515bis. Artikel 31, derde lid, zoals het bestond alvorens door artikel 74 van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde bezoldigingen hun oorsprong vinden in de overdracht van aandelen waarvan het betaalde bedrag voorheen van de beroepsinkomsten is afgetrokken.
Artikel 34, § 1, 2°, zoals het bestond alvorens door artikel 75, 1°, van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, en in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80, van voormelde wet werd opgeheven.
Artikel 34, § 1, 3° en § 3, eerste lid, zoals het bestond vóórdat het door artikel 75, 2° en 3°, van de wet van 28 december 1992 werden gewijzigd, blijven van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde inkomsten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bedragen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
Artikel 169, zoals het bestond voordat het door artikel 88 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensver- zekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven. Artikel 171, zoals het bestond voordat het door artikel 89 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of betalingen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
In afwijking van het tweede tot het vijfde lid, zijn vrijgesteld de kapitalen en de afkoopwaarden die worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven of gevormd in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 104, eerste lid, 10°, voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen zoals bepaald in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen, met uitzondering van de vervroegde inning van de taks bepaald bij artikel 185, § 4, van dat Wetboek, of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992. Wanneer de kapitalen die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, hetzij bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of het bereiken van de leeftijd, waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving, worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan één van die leeftijden effectief actief is gebleven, hetzij wanneer ze worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of de leeftijd waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden voor een volledige loopbaan en de overledene tot één van die leeftijden effectief actief is gebleven, moet, in afwijking van het vierde lid, voor de omzetting van de eerste schijf van 50.000 euro van die kapitalen dezelfde berekeningswijze worden gebruikt als bedoeld in artikel 169, § 1, vierde lid. Het bedrag van 50.000 euro wordt jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast overeenkomstig artikel 178.
In afwijking van het vijfde lid, is artikel 171, 4°, i, zoals het bestond voordat het door artikel 89, 6°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, niet van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden vanaf 1 januari 2017 aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn toetreding tot het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
Art. 515bis/1 In afwijking van artikel 171, 1° bis, en 2°, d, zijn de kapitalen, afkoopwaarden of spaartegoeden die zijn gevormd door middel van premies of betalingen die in 1992 werden gestort of gedaan, belastbaar aan de aanslagvoet van 16,5 pct.

Art. 515bis/1. Art. 515bis/1
In afwijking van artikel 171, 1° bis, en 2°, d,
zijn de kapitalen, afkoopwaarden of spaartegoeden
die zijn gevormd door middel van premies of
betalingen die in 1992 werden gestort of gedaan,
belastbaar aan de aanslagvoet van 16,5 pct.

Art. 515octies. Artikel 171, 4°, g, zoals het bestond vooraleer het werd gewijzigd door artikel 86 van de wet van 28 avril 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, blijft van toepassing op de in artikel 171, 1°, h, bedoelde kapitalen geldend als pensioenen wanneer die kapitalen worden uitgekeerd in uitvoering van een contractuele verbintenis die is gesloten voor de inwerkingtreding van de genoemde wet.

Art. 515quater.

§ 1. Wat de pensioentoezeggingen betreft, ingesteld door een collectieve arbeidsovereen- komst, een pensioenreglement of een pensioen- overeenkomst gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 86 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of die voortvloeien uit de verlenging van een vóór die datum gesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn, in afwijking van de artikelen 130 tot 168, afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de vermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten :
a) tegen een aanslagvoet van 33 pct. : kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in c, in zover zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd en niet worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in c ;
b) tegen een aanslagvoet van 10 pct. : kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in c, die worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in c, in zover zij met persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd of in zover het kapitalen betreffen die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven ; c) tegen een aanslagvoet van 16,5 pct. : niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen en afkoopwaarden als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, in zover die kapitalen of afkoopwaarden niet zijn gevormd door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, of in zover het geen kapitalen betreffen die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven of worden uitgekeerd bij overlijden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en de overledene tot die leeftijd effectief actief is gebleven, en wanneer die kapitalen of die afkoopwaarden tot uiterlijk 31 december 2009 aan de rechthebbende worden uitgekeerd :
1. wat de kapitalen en afkoopwaarden van een verzekeringscontract betreft :
- bij het normale verstrijken van het contract ;
- bij het overlijden van de verzekerde ;
- naar aanleiding van de pensionering of brug-pensionering van de verzekerde ;
- in een der 5 jaren vóór het normaal verstrijken van het contract ;
- op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroeps-werkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet ;
2. wat de andere kapitalen en afkoopwaarden betreft :
- ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan ; - naar aanleiding van zijn brugpensionering ;
- naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is ;
- op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroeps-werkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet.
Het vorige lid is tevens van toepassing op de niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen en afkoopwaarden van aanvullende pensioentoe- zeggingen die vóór de inwerkingtreding van het artikel 86 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid zijn gesloten ten gunste van bedrijfsleiders als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, die bezoldigingen hebben genoten waarop de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen is toegepast en die daardoor niet onder het toepassingsgebied van de genoemde wet vallen.

§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de pensioentoezeggingen ingesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, een pensioen- reglement of een pensioenovereenkomst gesloten gedurende zes maanden vanaf de datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, in artikel 171, 4°, f, de woorden "naar aanleiding van zijn pensionering of vanaf de leeftijd van 60 jaar of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is" tot en met 31 december 2009 vervangen door de woorden "naar aanleiding van zijn pensionering of vanaf de leeftijd van 58 jaar of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is". 1272

Art. 515quinquies. De artikelen 52, 3°, b, en 195, § 2, zoals ze bestonden vóórdat ze door de artikelen 79 en 87 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid werden gewijzigd, blijven van toepassing op de levensverzekeringspremies met betrekking tot contracten die werden gesloten vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet in het voordeel van de onderneming op het hoofd van de bedrijfsleiders

Art. 515septies. Dit artikel is van toepassing op de aanvullende pensioenkapitalen die door middel van voorzieningen zijn gevormd door belastingplichtigen die krachtens de artikelen 179, 220 of 227, 2° en 3°, aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen en bestaan op het einde van het laatste boekjaar met afsluitdatum voor 1 januari 2012.
Als dergelijke kapitalen ten bate van de begunstigde of zijn rechtverkrijgenden, worden overdragen naar een verzekeringsonderneming, een voorzorgsinstelling of een instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen, dan wordt die verrichting niet als de betaling of de toekenning van een pensioen aangemerkt, zelfs als die overdracht geschiedt op verzoek van de begunstigde, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de begunstigde of zijn rechtverkrijgenden. Het tweede lid is niet van toepassing bij overdracht van een kapitaal :

1° dat is gevormd ter uitvoering van een individuele pensioentoezegging die vanaf 1 januari 2004 is gedaan aan een andere begunstigde dan een in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde bedrijfsleider die is tewerkgesteld buiten een arbeids- overeenkomst;

2° naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderne- ming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Op de sommen die bij die gelegenheid worden overgedragen, worden bovendien de bepalingen van artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°, toegepast voor zover de voorwaarden van en de begrenzing gesteld in de artikelen 59 en 195 zijn nageleefd tot op het ogenblik van de overdracht.

Art. 515sexies. In geval van overdracht van kapitalen of afkoopwaarden gevormd door middel van levensverzekeringspremies als bedoeld in artikel 195, § 2, die worden gelijkgesteld met bijdragen als bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, zoals ze bestonden vooraleer ze door artikel 87 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid werden gewijzigd, die wordt verricht door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen bij dewelke deze kapitalen of afkoopwaarden werden gevormd, teneinde deze te bestemmen voor de uitvoering van een aanvullende pensioentoezegging inzake rust- en/of overlevingspensioen, uitsluitend in het voordeel van een bedrijfsleider op wiens hoofd een contract werd gesloten, is artikel 38, § 1, eerste lid, 19°, van toepassing op de sommen die naar aanleiding van zulk een verrichting zijn overgedragen, in zover is voldaan aan de volgende voorwaarden :
- de overdracht vindt plaats binnen een termijn van 3 jaar welke aanvangt vanaf de inwerkingtreding van de genoemde wet ;
- de voorwaarden van en de begrenzing gesteld in artikel 195 werden nageleefd tot op het ogenblik van de overdracht ; - en de aanvullende pensioentoezegging, onderschreven door de onderneming in het voordeel van de betrokken bedrijfsleider, wordt ten laatste op het ogenblik van overdracht van de kapitalen of afkoopwaarden aangepast.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt met een overdracht van kapitalen of afkoopwaarden gelijkgesteld, de toewijzing van de hoedanigheid van begunstigde van het contract van bedrijfsleiderverzekering uitsluitend in het voordeel van de verzekerde bedrijfsleider.
Bovendien wordt die verrichting niet als de betaling of toekenning van een pensioen aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de bedrijfsleider geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de bedrijfsleider.
Het vorige lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgs- instelling of instelling voor bedrijfspensioen- voorzieningen.

Art. 515ter. Artikel 174, eerste lid, 2°, is niet van toepassing op collectieve of individuele spaarrekeningen die zijn geopend of spaarverzekeringen die zijn aangegaan vóór 4 augustus 1992. 1269

Art. 516.

§ 1. In afwijking van artikel 1456, tweede lid, wordt de belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 zijn aangegaan slechts verleend op voorwaarde dat :

1° met betrekking tot contracten aangegaan tot 31 december 1988 :
a) de lening is aangegaan om een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die krachtens de Huisvestingscode ermede gelijkgesteld is, te bouwen, te verwerven of te verbouwen ;
b) de lening is aangegaan om een woning die krachtens de Huisvestingscode als middelgroot wordt beschouwd te bouwen, te verwerven of te verbouwen ; in dit geval wordt de lening slechts in aanmerking genomen tot een aanvangsbedrag van 9.915,74 EUR.
Met betrekking tot contracten die vanaf 1 mei 1986 tot 31 december 1988 zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven, wordt het aanvangsbedrag van 9.915,74 EUR op 49.578,70 EUR gebracht. Een woning wordt geacht in nieuwe staat te zijn verworven wanneer zij door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde is overgedragen aan de belastingplichtige ;

2° met betrekking tot contracten aangegaan tussen 1 januari 1989 en 31 december 1992, de lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen ; de betalingen komen slechts in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 49.578,70 EUR van het aanvangsbedrag van de lening.

§ 2. …

§ 3. …

§ 4. …

§ 5. De bedragen vermeld in § 1, 2° worden overeenkomstig artikel 178 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.

Art. 517. Voor de toepassing van de artikelen 131, tweede lid, en 132, tweede lid, wordt eveneens rekening gehouden met de handicap die vóór 1 januari 1989 is erkend overeenkomstig het op die datum vigerende artikel 81, § 3, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Art. 518. Voor de toepassing van de artikelen 7 tot 11, 221, 1° en 222, 2°, 234, eerste lid, 1°, en 255,wordt onder kadastraal inkomen verstaan het kadastraal inkomen aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk.
De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van de jaren 1988 en 1989.
… De coëfficiënt wordt berekend overeen- komstig artikel 178, § 2, tweede lid.
Na toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de hogere of de lagere euro naargelang het cijfer van de centiemen al of niet vijftig bereikt.

Art. 519ter.

§ 1. In afwijking van de artikelen 215 en 246, eerste lid, wordt, voor de aanslagjaren 2021 en 2022, het tarief van de vennootschapsbelasting of, voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen, van de belasting van niet- inwoners verlaagd tot 15 pct.:

1° met betrekking tot de overeenkomstig artikel 511, § 1, bedoelde belastbare opnemingen op de investeringsreserve, die is aangelegd gedurende het aanslagjaar 1982 ; 2° met betrekking tot de overeenkomstig artikel 190, vierde lid, bedoelde belastbare opnemingen, die zijn verricht op de verwezenlijkte meerwaarden, andere dan deze bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002, die zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 190, eerste tot derde lid, en die niet hoger zijn dan het totale bedrag van die meerwaarden die bestonden op het einde van het laatste belastbare tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017.

3° met betrekking tot de belastbare opnemingen op de in artikel 190bis bedoelde vrijgestelde bedragen die bestonden op het einde van het laatste belastbare tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017;

4° met betrekking tot de overeenkomstig artikel 193quater, § 2, derde lid, belastbare opnemingen, die zijn verricht op de overeenkomstig artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals het bestond voordat het door artikel 87 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting werd opgeheven, in een belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017 vrijgestelde winst;

5° met betrekking tot de belastbare opnemingen op de in een belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017 gevormde investeringsreserve bedoeld in artikel 194quater voor zover § 4, tweede lid, van dat artikel geen toepassing meer kan vinden.
… Het in het eerste lid bedoelde tarief wordt bovendien verlaagd tot 10 pct. voor het gedeelte van de opnemingen dat overeenstemt met investeringen die tijdens het belastbaar tijdperk zijn verricht, in materiële vaste activa, andere dan deze welke vermeld zijn in artikel 75, 5°, of immateriële vaste activa, die afschrijfbaar zijn en die niet als herbelegging of besteding worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 205/4, § 5, van dit Wetboek en artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002.

§ 2. …
In afwijking van artikel 276 mag geen voorheffing, noch forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, noch belastingkrediet worden verrekend op de in § 1 vermelde belasting.

§ 3. De in § 1 vermelde belasting wordt eventueel vermeerderd zoals bepaald in artikel 218, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.

§ 4. …

Art. 520. De artikelen 36, 40, § 2, tweede lid, 105, eerste lid, 124, § 3, tweede lid en 306bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zoals ze bestonden voordat ze werden opgeheven of gewijzigd door artikel 260 van de wet van 22 december 1989 en door artikel 3, A tot C, F en K, van de wet van 23 oktober 1991, blijven van toepassing op de meerwaarden die waren vrijgesteld overeenkomstig de hiervoren vermelde artikelen 36 en 105.

Art. 522. Met betrekking tot kapitalen die reeds op de eerste dag van het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1995 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt, worden voor de toepassing van artikel 362bis, de op die dag reeds verlopen en nog niet belaste interestgedeelten van die kapitalen, beschouwd als een inkomen van het tijdperk waarin de interest wordt geïnd of verkregen.

Art. 523. In afwijking van artikel 289bis, § 2, wordt het belastingkrediet nochtans niet verleend in zoverre de verhoging van het gestorte kapitaal de naleving tot doel heeft, door naamloze vennootschappen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen bestonden, van het voorschrift van artikel 8 van die wet.
Artikel 52, 11°, zoals het bestond alvorens door artikel 3 van de wet van 20 december 1995 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre het kapitaalverhogingen betreft die de naleving van het voorschrift van artikel 8 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen tot doel hebben, door naamloze vennootschappen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet bestonden.

Art. 524. Artikel 67, § 2, zoals het bestond alvorens te zijn vervangen door artikel 3 van de wet van 27 oktober 1997, blijft van toepassing voor wat betreft het personeel dat voor wetenschappelijk onderzoek werd tewerkgesteld tijdens één van de belastbare tijdperken verbonden aan de aanslagjaren 1996 en vorige.

Art. 525. Artikel 1454, 2°, a, zoals het bestond voor het door artikel 31 van de wet van 10 augustus 2001 werd gewijzigd, blijft van toepassing op de contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2002. 1282

Art. 526.

§ 1. Deze paragraaf is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de belastingplichtige heeft een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen:
a) vóór 1 januari 2005;
b) vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening die is bedoeld in a) in aanmerking komt voor de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of voor het bouwsparen;

2° de woning waarvoor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen zijn aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest, en ze is vóór 1 januari 2016 een andere dan de eigen woning geworden;

3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de interesten van de in het 1° vermelde hypothecaire leningen de toepassing gevraagd van de artikelen 104, 9°, 115 en 116 zoals die bestonden alvorens te zijn gewijzigd of opgeheven door de artikelen 394 en 395 van de programmawet van 27 december 2004.
In dat geval kan de belastingplichtige de toepassing vragen van de artikelen 104, 115 en 116, zoals die bestonden alvorens te zijn gewijzigd of opgeheven door de artikelen 394 en 395 van de programmawet van 27 december 2004, en artikel 242, § 2, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd bij artikel 74 van de wet van 8 mei 2014 voor de interesten van een in het eerste lid bedoelde hypothecaire lening, evenwel met dien verstande dat: 1° het voordeel wordt verleend onder de vorm van een belastingvermindering berekend op het bedrag dat overeenkomstig het voormelde artikel 116 aftrekbaar zou zijn van het totale netto-inkomen; 2° de belastingvermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130, met een minimum van 30 pct. In geval de uitgaven die voor de vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk
tarief in aanmerking genomen;

3° in geval van een gemeenschappelijke aanslag, het bedrag waarop de belastingvermindering wordt berekend, evenredig wordt omgedeeld in functie van het overeenkomstig artikel 130 belaste inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de overeenkomstig artikel 130 belaste inkomens van de beide echtgenoten;

4° de belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1, na de in artikel 1451, 1°, bedoelde belastingvermindering;

5° de belastingvermindering in aanmerking wordt genomen om de gemiddelde aanslagvoeten als bedoeld in artikel 171, 5° en 6 te bepalen.
De in het voormelde artikel 104, 9°, bedoelde interesten komen niet voor de belastingvermindering in aanmerking wanneer de woning waarvoor de hypothecaire lening is aangegaan op het moment van de betaling van de interesten de eigen woning is van de belastingplichtige.
Voor de toepassing van het voormelde artikel 115 wordt de notie "in België" vervangen door de notie "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".

§ 2. Deze paragraaf is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de belastingplichtige heeft een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen:
a) vóór 1 januari 2005; b) vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening die is bedoeld in a) in aanmerking komt voor de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of voor het bouwsparen;

2° de woning waarvoor de in het 1° vermelde hypothecaire lening is aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest, en vóór 1 januari 2016 is ze een andere dan de eigen woning geworden;

3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de betalingen voor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen en voor de bijdragen betaald ter uitvoering van een levensverzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire leningen, de toepassing gevraagd van de artikelen 14517 tot 14520, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door artikel 400 van de programmawet van 27 december 2004.
In dat geval kan de belastingplichtige de toepassing vragen van de artikelen 14517 tot 14520, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door artikel 400 van de programmawet van 27 december 2004, voor de betalingen voor de aflossing van een in het eerste lid, 1°, bedoelde hypothecaire lening of de bijdragen betaald ter uitvoering van een verzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire lening.

§ 3. De uitgaven met betrekking tot de in vorige paragrafen bedoelde leningen en contracten komen niet in aanmerking voor de aftrek als bedoeld in artikel 14 zoals het bestond alvorens het werd gewijzigd door artikel 2 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen noch voor de belastingverminderingen als bedoeld in artikel 1451, 2° en 3°, en in paragraaf 1 wanneer: 1° de belastingplichtige: a) tussen 1 januari 2005 en 31 december 2013 een hypothecaire lening heeft gesloten om de enige woning te verwerven of te behouden terwijl voor dezelfde woning nog een lening die is bedoeld in § 1, eerste lid, of § 2, eerste lid, 1°, in aanmerking kwam voor de aftrek van interesten bij toepassing van artikel 526, § 1, zoals het bestond voordat het werd vervangen door artikel 101 van de wet van 8 mei 2014, de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of het bouwsparen of;
b) een individueel levensverzekerings- contract sluit dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van een in a) bedoelde lening;

2° en de belastingplichtige in zijn aangifte betreffende het belastbaar tijdperk waarin een in 1°, a, bedoelde lening of een in 1°, b, bedoeld contract is gesloten, heeft vermeld dat hij voor die lening of dat contract opteert voor toepassing van de aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, zoals het bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven;
Die keuze is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, moeten beide belastingplichtigen dezelfde keuze maken. § 4. De in euro uitgedrukte bedragen bedoeld in de artikelen die in de §§ 1 en 2 zijn opgenomen, worden, naargelang het geval, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast overeenkomstig artikel 178. § 5. Voor de toepassing van § 2, eerste lid, 2°, worden de bijdragen en premies die zijn betaald in het kader van levensverzekerings-contracten die vóór 1 januari 2009 werden afgesloten en die niet voldoen aan de begunstigingsclausule bedoeld in artikel 1454, zoals het is gewijzigd bij artikel 173 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen en artikel 114 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (1), in afwijking van die bepaling, toch in aanmerking genomen voor de aldaar bedoelde belastingvermindering voor zover die contracten beantwoorden aan de begunstigingsclausule zoals die in het genoemde artikel bestond alvorens het werd gewijzigd door de hiervoor vermelde wetten.

Art. 527. Artikel 19, § 1, 3°, a, zoals dat bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 390 van de programmawet van 27 december 2004, blijft van toepassing op de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende niet in artikel 104, 9°, zoals het bestond voordat het werd opgeheven door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014, bedoelde levensverzekerings- contracten die de belastingplichtige individueel heeft gesloten, wanneer het gaat om contracten die een gewaarborgd rendement bepalen en waarvan geen enkele premie aanleiding heeft gegeven tot een belastingvermindering voor het lange termijnsparen, overeenkomstig de artikelen 1451, 1456, en 14517 tot 14520, zoals die bestonden voordat ze door de artikelen 397, 399 en 400 van de programmawet werden gewijzigd of opgeheven, of zoals die krachtens artikel 526, § 2, tweede lid, van toepassing zijn gebleven.
Artikel 34, § 1, 2°, d, zoals dat bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 391 van de programmawet van 27 december 2004, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 14517, 1°, zoals dat bestond voordat het door artikel 400 van de programmawet werd opgeheven of zoals dat krachtens artikel 526, § 2, tweede lid, van
Artikel 39, § 2, 2°, a, zoals dat bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 392 van de programmawet van 27 december 2004, blijft van toepassing op pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden indien ze voortkomen uit een niet in artikel 104, 9°, zoals het bestond voordat het werd opgeheven door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014, bedoeld individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, en waarvoor geen vermindering is verleend die was vermeld in artikel 14517, 1°, zoals dat bestond voordat het door artikel 400 van de programmawet werd opgeheven, of zoals dat krachtens artikel 526, § 2, tweede lid, van toepassing is gebleven. Artikel 169, § 1, eerste lid, zoals het bestond voordat het door artikel 401 van de programmawet van 27 december 2004 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 14517, 1°, zoals dat bestond voordat het door artikel 400 van de programmawet werd opgeheven, of zoals dat krachtens artikel 526, § 2, tweede lid, van toepassing is gebleven.
Artikel 171, 2°, d, zoals het bestond voordat het door artikel 402 van de programmawet van 27 december 2004 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre het gaat om kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten als bedoeld in artikel 1451, 2°, zoals dat bestond voordat het door artikel 397 van de programmawet werd gewijzigd, of zoals dat krachtens artikel 526, § 2, tweede lid, van toepassing is gebleven.

Art. 528. De bepaling van artikel 201, vijfde lid, zoals ze wordt ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, is niet van toepassing wat betreft de in artikel 70, eerste lid, vermelde investeringsaftrekken die worden toegelaten vanaf een aanslagjaar dat aan het aanslagjaar 2007 voorafgaat.

Art. 529. De bepalingen van het artikel 292bis, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, blijven van toepassing voor het in artikel 289bis, § 2, bedoelde belastingkrediet zoals dit bestond vóór het werd opgeheven bij voormelde wet en dat niet is verrekend vóór aanslagjaar 2007. 1289

Art. 530.

§ 1. Wat de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen of de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen die aan de belasting van niet-inwoners worden onderworpen betreft die vanaf een bepaald aanslagjaar voor het in artikel 289quater voorziene belastingkrediet hebben geopteerd, wordt van het totaal van de overgedragen investeringsaftrek op het einde van het voorafgaand aanslagjaar het gedeelte van het totaal dat verband houdt met de op grond van de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b), en 70, tweede lid, bepaalde investeringsaftrekken zoals ze bestonden voor ze werden gewijzigd bij de artikelen 4 en 8 van de wet van 12 mei 2024 houdende diverse fiscale bepalingen, of de artikelen 69, eerste lid, 3°, en 70, tweede lid, voor de drie voorafgaande aanslagjaren in mindering gebracht.
Het gedeelte dat in het eerste lid in mindering wordt gebracht, wordt omgezet in een overgedragen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling door dit gedeelte te vermenigvuldigen met het in artikel 289quater, tweede lid, vermelde tarief.
Dit belastingkrediet wordt geacht verband te houden met het aanslagjaar voorafgaand aan dit waarvoor werd geopteerd voor het belastingkrediet.
In afwijking van artikel 292bis, § 1, tweede en vijfde lid, is dit belastingkrediet niet terugbetaalbaar maar het kan zonder beperking in de tijd worden overgedragen. § 2. Wat dezelfde belastingplichtigen betreft, die, in toepassing van artikel 70, tweede lid, hadden gekozen de investeringsaftrek te spreiden voor vaste activa die worden verkregen of tot stand gebracht gedurende de belastbare tijdperken waarvoor niet werd geopteerd voor het belastingkrediet, is het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat in plaats van de gespreide investeringsaftrek voor deze vaste activa komt, voor elk aanslagjaar dat verband houdt met een nog te lopen belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode, gelijk aan de afschrijving die voor het belastbaar tijdperk wordt aangenomen, vermenigvuldigd met het in artikel 70, tweede lid, voorziene percentage en met het in artikel 289quater, tweede lid, voorziene tarief.

Art. 531. De bepalingen van artikel 67, § 4, blijven van toepassing op de voorheen vrijgestelde winst bij toepassing van artikel 67, § 1, 1°, en § 3, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006 en van artikel 67, § 1, 2°, zoals dit bestond vóór het werd opgeheven bij (de programmawet (I) van 27 december 2006) de wet houdende diverse bepalingen (I) van 24 juli 2008 (1).


(1) Bij art. 9 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (BS 07.08.2008) werd ten onrechte de tekst" de programmawet (I) van 27 december 2006" gebruikt i.p.v. "de wet houdende diverse bepalingen (I) van 24 juli 2008". De legistieke rechtzetting zal eerstdaags gebeuren.
Vanaf aanslagjaar 2027,luidt art. 531, als volgt:
De bepalingen van artikel 67, § 4, zoals het bestond voor het werd opgeheven door de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen blijven van toepassing op de voorheen vrijgestelde winst bij toepassing van artikel 67, § 1, 1°, en § 3, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006 en van artikel 67, § 1, 2°, zoals dit bestond vóór het werd opgeheven bij (de programmawet (I) van 27 december 2006) de wet houdende diverse bepalingen (I) van 24 juli 2008 (1). ------------------------------ (1) Bij art. 9 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (BS 07.08.2008) werd ten onrechte de tekst" de programmawet (I) van 27 december 2006" gebruikt i.p.v. "de wet houdende diverse bepalingen (I) van 24 juli 2008". De legistieke rechtzetting zal eerstdaags gebeuren.



Art. 532. De bepalingen van de artikelen 58 en 463bis, § 2, 1°, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de wet van 11 mei 2007 tot aanpassing van de wetgeving inzake de bestrijding van omkoping, blijven van toepassing op de geheime commissielonen die tot de dagelijkse praktijk behoren, indien ze werden betaald of toegekend vóór 8 juni 2007.

Art. 534. In afwijking van de artikelen 171, 3°, en 269, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing vastgesteld op 15 pct. voor de inkomsten uit Staatsbons waarop tijdens de periode van 24 november 2011 tot 2 december 2011 is ingeschreven en die op 4 december 2011 zijn uitgegeven
De in het eerste lid vermelde inkomsten die de inhouding van de roerende voorheffing van 15 pct. hebben ondergaan, moeten niet worden aangegeven in de personenbelasting.

Art. 536. De overeenkomstig artikel 205quinquies, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door artikel 48 van de wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, overgedragen vrijstellingen voor de aftrek voor risicokapitaal, die nog niet konden worden in mindering gebracht van de winst van een belastbaar tijdperk afgesloten op ten laatste 30 december 2012, alsmede de niet verleende vrijstelling bij geen of onvoldoende winst voor dit belastbaar tijdperk, worden achtereenvolgens in mindering gebracht van de winst van de zeven belastbare tijdperken volgend op dat waarin de aftrek voor risicokapitaal in eerste instantie niet in mindering gebracht kon worden, binnen de beperkingen en op de wijze voorzien in dit artikel.
Als het resultaat verkregen na de andere in de artikelen 199 tot 205/5, 206 en 543 bepaalde aftrekken, hoger is dan één miljoen euro, wordt het krachtens dit artikel vrijgesteld bedrag dat deze beperking overtreft, zelf beperkt tot 60 pct.
In afwijking van het eerste lid, worden de bedragen die nog niet konden worden in mindering gebracht omwille van deze beperking tot 60 pct. achtereenvolgens in mindering gebracht, binnen de beperkingen en op de wijze bedoeld in het tweede lid, van de winst van de volgende belastbare tijdperken, zelfs na de vervaldag van de periode van aftrek bedoeld in het eerste lid, zodat de beperking niet tot gevolg heeft dat het bedrag dat men had kunnen aftrekken indien de beperking niet had bestaan, wordt verminderd.
Geen aftrek van de overdracht voor risicokapitaal kan worden toegepast op het gedeelte van de winst vastgesteld na toepassing van artikel 207, negende en tiende lid, dat voortkomt uit de vermindering van de aftrekken waarin deze leden voorzien. 1293

Art. 537. In afwijking van de artikelen 171, 3°, en 269, § 1, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing vastgesteld op 10 pct. voor de dividenden die overeenkomen met de vermindering van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de Algemene Vergadering op voorwaarde dat en in de mate dat minstens het verkregen bedrag onmiddellijk wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober 2014.
De uitgekeerde dividenden die aan deze voorwaarden voldoen, komen niet in aanmerking voor de berekening van de grens als bedoeld in artikel 215, derde lid, 3°.
Wanneer de vennootschap een positief boekhoudkundig resultaat heeft behaald tijdens het belastbare tijdperk waarin een in het eerste lid bedoelde verrichting heeft plaats gehad, naar gelang het geval in 2013 of in 2014, en wanneer er door de algemene vergadering gedecreteerde dividenden zijn verleend of toegekend in de loop van minstens één van de vijf belastbare tijdperken voorafgaand aan deze verrichting, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op het positieve verschil tussen :

1° het product :
- van het boekhoudkundig resultaat van het belastbare tijdperk waarin de verrichting heeft plaatsgevonden en
- van de verhouding tussen de som van de dividenden verleend of toegekend in de loop van de vijf voorafgaande belastbare tijdperken en de som van de resultaten van deze belastbare tijdperken;
en

2° de dividenden die effectief zijn verleend of toegekend aan de aandeelhouders als winst van het belastbare tijdperk waarin de hierboven vermelde verrichting heeft plaatsgevonden. Deze aanslag is gelijk aan 15 pct. van het verschil berekend op basis van de hierboven beschreven formule en wordt niet beschouwd als een beroepskost.
Bij een latere kapitaalvermindering wordt die geacht eerst uit de volgens dit regime ingebrachte kapitalen voort te komen.
Wanneer deze kapitaalvermindering volgens dit regime tot stand komt binnen acht jaar na de laatste inbreng in kapitaal, wordt zij in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, beschouwd als een dividend. Het tarief van de personenbelasting en van de roerende voorheffing bedraagt, voor de verleende of toegekende dividenden :

1° tijdens de eerste vier jaar volgend op de inbreng, 17 pct.;

2° tijdens het vijfde en zesde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.;

3° tijdens het zevende en achtste jaar volgend op de inbreng, 5 pct.
In afwijking van het vorige lid wordt de voormelde termijn, voor de vennootschappen die als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan, op vier jaar gebracht en het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, bedraagt voor de verleende of toegekende dividenden :

1° tijdens de eerste twee jaar volgend op de inbreng, 17 pct.;

2° tijdens het derde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.;

3° tijdens het vierde jaar volgend op de inbreng, 5 pct.

Art. 539.

§ 1. Dit artikel is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de belastingplichtige heeft vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013 een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen;

2° de woning waarvoor een in het 1° vermelde hypothecaire lening is aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest en vervolgens vóór 1 januari 2016 een andere dan de eigen woning geworden;

3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de betalingen voor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen en voor de bijdragen betaald ter uitvoering van een verzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire leningen, de toepassing gevraagd van de artikelen 104, 9°, 115, 116 en 1451, 2° en 3°, zoals ze bestonden alvorens ze werden gewijzigd of opgeheven bij de artikelen 20, 22 en 24 van de wet van 8 mei 2014 .
In die gevallen kan de belastingplichtige voor die leningen en contracten de toepassing vragen van de artikelen 104, 9°, 115, 116, 1451, 2° en 3°, en 242, § 2, zoals ze bestonden alvorens ze werden gewijzigd of opgeheven bij de artikelen 20, 22, 24 en 74 van de wet van 8 mei 2014, evenwel met dien verstande dat: 1° het voordeel wordt verleend onder de vorm van een belastingvermindering;

2° het overeenkomstig de in voormelde artikelen 115, § 1, eerste lid, 6°, en 116 bepaalde maximumbedrag waarvoor de belastingvermindering kan worden verleend, wordt verminderd met het bedrag van de uitgaven voor het verwerven of behouden van de eigen woning waarvoor de in de artikelen 14537 en 14539 vermelde verminderingen kunnen worden verleend; 3° de belastingvermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130, met een minimum van 30 pct. In geval de uitgaven die voor de vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk
tarief in aanmerking genomen;

4° wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en beide echtgenoten uitgaven hebben gedaan waarvoor de toepassing van de voormelde artikelen wordt gevraagd, de echtgenoten deze uitgaven vrij kunnen verdelen binnen de in de voormelde artikelen 115, § 1, eerste lid, 6°, en 116 bedoelde begrenzingen;

5° de belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1, na de in artikel 1451, 1°, vermelde belastingvermin- dering;

6° de belastingvermindering in mindering wordt gebracht om de gemiddelde aanslagvoeten als bedoeld in artikel 171, 5° en 6° te bepalen.


(1) art. 255 en 256, KB/WIB 92.
De belastingvermindering wordt verleend voor zover de woning waarvoor de lening is aangegaan niet de eigen woning is van de belastingplichtige wanneer de uitgaven worden gedaan.

§ 2. De interesten van de in § 1, eerste lid, bedoelde leningen waarvoor de belastingplichtige overeenkomstig § 1, tweede lid, de toepassing heeft gevraagd van de daar vermelde artikelen, komen niet in aanmerking van de toepassing van artikel 14 zoals het tot en met aanslagjaar 2025 van 1297 Het bedrag waarvoor de belasting- vermindering wordt verleend, wordt in mindering gebracht van het in artikel 1456, eerste lid, eerste streepje, bedoelde bedrag, zonder rekening te houden met het verschil tussen de eventuele verhogingen bedoeld in het in § 1, tweede lid, vermelde artikel 116 en de eventuele verhogingen bedoeld in 14537, waarvoor de in datzelfde artikel bedoelde belastingvermindering kan worden verleend.

§ 3. De in euro uitgedrukte bedragen die zijn vermeld in de in § 1, tweede lid, vermelde artikelen 115 en 116 worden jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede lid.
Artikel 174/1 is van toepassing op diezelfde bedragen.

§ 4. Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in dit artikel bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd kan worden verleend dan het geval was op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.

Art. 540. Artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, a, zoals het bestond voordat het werd vervangen bij artikel 13 van de wet van 8 mei 2014, blijft van toepassing op de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven voor zover geen enkele premie voor de aldaar bedoelde contracten die in aanmerking kwam voor de aftrek voor enige woning als vermeld in artikel 104, 9°, zoals het bestond voor het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of zoals het op grond van artikel 539 van toepassing is gebleven, aanleiding heeft gegeven tot de hiervoor vermelde voordelen. Artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, d, zoals dat bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 15 van de wet van 8 mei 2014, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoop- waarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 104, 9°, zoals dat bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of op grond van artikel 539 van toepassing is gebleven.
Artikel 34, § 5, zoals het bestond vóórdat het door artikel 15 van de wet van 8 mei 2014 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 104, 9°, zoals dat bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of op grond van artikel 539 van toepassing is gebleven.
Artikel 39, § 2, 2°, a, zoals dat bestond alvorens te worden vervangen door artikel 16 van de wet van 8 mei 2014, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 104, 9°, zoals dat bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of op grond van artikel 539 van toepassing is gebleven.
Artikel 169, § 1, eerste lid, zoals het bestond voordat het door artikel 66 van de wet van 8 mei 2014 werd vervangen, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 104, 9°, zoals dat bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of op grond van artikel 539 van toepassing is gebleven.
Artikel 171, 2°, d, zoals het bestond voordat het door artikel 67 van de wet van 8 mei 2014 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre het gaat om kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten als bedoeld in artikel 104, 9°, zoals dat bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven of op grond van artikel 539 van 1299

Art. 541.

§ 1. Een vennootschap kan, voor een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belasting van het boekjaar verbonden met aanslagjaar 2013, eveneens een liquidatiereserve aanleggen op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief, voor zover de volgende voorwaarden worden nageleefd :

1° de vennootschap wordt op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap aangemerkt voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2013;

2° de vennootschap betaalt ten laatste op 30 november 2015 een bijzondere aanslag van 10 pct., die voor de toepassing van dit Wetboek wordt gelijkgesteld met de in artikel 219quater bedoelde afzonderlijke aanslag, waarvan zowel de grondslag als de toepassings- en betalingsmodaliteiten worden bepaald in de §§ 3 en 4;

3° de liquidatiereserve wordt ten laatste op de datum van afsluiten van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag is betaald, geboekt op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief;

4° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve overtreft het bedrag van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het belastbaar tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2013 niet;

5° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve is beperkt tot het in 4° bedoelde bedrag dat nog steeds in de reserves is geboekt bij het begin van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag is betaald;
6 de aanleg van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve gebeurt met inachtneming van de wettelijke en eventuele statutaire verplichtingen; 7° de vennootschap dient ten laatste op de datum van de betaling van de in 2° bedoelde bijzondere aanslag, bij de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de inning en invordering, een bijzondere aangifte in waarbij ze de administratie in kennis stelt van haar benaming en haar fiscaal identificatienummer evenals van de belastbare grondslag, het tarief, het bedrag van de hiervoor vermelde bijzondere aanslag en de bevestiging van het feit dat de vennootschap aan alle voorwaarden van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen voldeed voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2013;

8° de vennootschap voegt een kopie van de in 7° bedoelde bijzondere aangifte bij de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bijzondere aanslag werd betaald;

9° de jaarrekeningen met betrekking tot het boekjaar verbonden aan het aanslagjaar 2013 zijn ofwel neergelegd op datum van 31 maart 2015, ofwel, wat de in artikel 97 van het Wetboek van de vennootschappen bedoelde vennootschappen betreft, goedgekeurd door de algemene vergadering overeenkomstig artikel 92 van dat Wetboek en samen met de aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend voor het betrokken aanslagjaar.

§ 2. Een vennootschap kan voor een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belasting van het boekjaar verbonden met aanslagjaar 2014 eveneens een liquidatiereserve aanleggen op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief, voor zover de volgende voorwaarden worden nageleefd : 1° de vennootschap wordt op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap aangemerkt voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2014; 1301 2° de vennootschap betaalt ten laatste op 30 november 2016 een bijzondere aanslag van 10 pct., die voor de toepassing van dit Wetboek wordt gelijkgesteld met de in artikel 219quater bedoelde afzonderlijke aanslag, waarvan zowel de grondslag als de toepassings- en betalingsmodaliteiten worden bepaald in de §§ 3 en 4;

3° de liquidatiereserve wordt ten laatste op het einde van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag is betaald, geboekt op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief;

4° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve overtreft het bedrag van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het belastbaar tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2014 niet;

5° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve is beperkt tot de in 4° bedoelde bedragen die nog steeds in de reserves zijn geboekt bij het begin van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag werd betaald;

6° de aanleg van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve gebeurt met inachtneming van de wettelijke en eventuele statutaire verplichtingen;

7° de vennootschap dient ten laatste op de datum van de betaling van de in 2° bedoelde bijzondere aanslag, bij de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de inning en invordering, een bijzondere aangifte in waarbij ze de administratie in kennis stelt van haar benaming en haar fiscaal identificatienummer evenals van de belastbare grondslag, het tarief, het bedrag van de hiervoor vermelde bijzondere aanslag en de bevestiging van het feit dat de vennootschap aan alle voorwaarden van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen voldeed voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2014; 1302 8° de vennootschap voegt een kopie van de in 7° bedoelde bijzondere aangifte bij de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bijzondere aanslag werd betaald;

9° de jaarrekeningen met betrekking tot het boekjaar verbonden aan het aanslagjaar 2014 zijn ofwel neergelegd op datum van 31 maart 2015 of, wat de vennootschappen betreft die hun boekhouding afsluiten op een datum die valt van 1 september 2014 tot en met 30 december 2014, ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar, ofwel, wat in artikel 97 van het Wetboek van de vennootschappen bedoelde vennootschappen betreft, goedgekeurd door de algemene vergadering overeenkomstig artikel 92 van dat Wetboek en samen met de aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend voor het betrokken aanslagjaar.

§ 2/1. Een vennootschap die niet per kalenderjaar boekhoudt, en waarvan de belaste reserves van het aanslagjaar 2012, gelet op de datum van de algemene vergadering, zoals voorzien in het Wetboek van vennootschappen niet in aanmerking kwamen voor de toepassing van artikel 537, kan voor een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belasting van het boekjaar verbonden met aanslagjaar 2012, eveneens een liquidatiereserve aanleggen op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief, voor zover de volgende voorwaarden worden nageleefd : 1° de vennootschap wordt op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap aangemerkt voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2012;

2° de vennootschap betaalt ten laatste op 31 maart 2018 een bijzondere aanslag van 10 pct., die voor de toepassing van dit Wetboek wordt gelijkgesteld met de in artikel 219quater bedoelde afzonderlijke aanslag, waarvan zowel de grondslag als de toepassings- en betalingsmodaliteiten worden bepaald in de §§ 3 en 4; 1303 3° de liquidatiereserve wordt ten laatste op het einde van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag is betaald, geboekt op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief;

4° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve overtreft het bedrag van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het belastbaar tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2012 niet;

5° het bedrag van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve is beperkt tot de in 4° bedoelde bedragen die nog steeds in de reserves zijn geboekt bij het begin van het boekjaar waarin de in 2° bedoelde bijzondere aanslag werd betaald;

6° de aanleg van de in deze paragraaf bedoelde liquidatiereserve gebeurt met inachtneming van de wettelijke en eventuele statutaire verplichtingen;

7° de vennootschap dient ten laatste op de datum van de betaling van de in 2° bedoelde bijzondere aanslag, bij de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de inning en invordering, een bijzondere aangifte (1) in waarbij ze de administratie in kennis stelt van haar benaming en haar fiscaal identificatienummer evenals van de belastbare grondslag, het tarief, het bedrag van de hiervoor vermelde bijzondere aanslag en de bevestiging van het feit dat de vennootschap aan alle voorwaarden van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen voldeed voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2012;
(1) KB 28.01.2018 (BS 01.02.2018)

8° de vennootschap voegt een kopie van de in 7° bedoelde bijzondere aangifte bij de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bijzondere aanslag werd betaald; 1304 9° de jaarrekeningen met betrekking tot het boekjaar verbonden aan het aanslagjaar 2012 zijn ofwel neergelegd op datum van 31 maart 2013 of, wat de vennootschappen betreft die hun boekhouding afsluiten op een datum die valt van 1 september 2012 tot en met 30 december 2012, ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar, ofwel, wat in artikel 97 van het Wetboek van de vennootschappen bedoelde vennootschappen betreft, goedgekeurd door de algemene vergadering overeenkomstig artikel 92 van dat Wetboek en samen met de aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend voor het betrokken aanslagjaar;

10° artikel 537 was niet van toepassing op de vennootschap wat het aanslagjaar 2012 betreft gelet op de datum van de algemene vergadering zoals voorzien in het Wetboek van vennootschapen.

§ 3. De grondslag van de in § 1, 2°, bedoelde bijzondere aanslag wordt gevormd door het gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2013 en dat geboekt is op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief binnen de grenzen en volgens de voorwaarden vermeld in § 1.
De grondslag van de in § 2, 2°, bedoelde bijzondere aanslag wordt gevormd door het gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2014 en dat geboekt is op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief binnen de grenzen en volgens de voorwaarden vermeld in § 2.
De grondslag van de in § 2/1, 2°, bedoelde bijzondere aanslag wordt gevormd door het gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belastingen voor het boekjaar dat verbonden is met het aanslagjaar 2012 en dat geboekt is op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief binnen de grenzen en volgens de voorwaarden bedoeld in § 2/1. Deze bijzondere aanslagen staan los van en komen, in voorkomend geval, bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of, in voorkomend geval, in het kader van de uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn.
Voor de toepassing van dit Wetboek, worden de in § 1, 2°, § 2, 2,° en § 2/1, 2°, bedoelde bijzondere aanslagen niet aangemerkt als aftrekbare kosten in de zin van artikel 198, § 1, 1°.

§ 4. De Koning (1) bepaalt de vorm en de inhoud van de in § 1, 7°, in § 2, 7°, en in § 2/1, 7°, bedoelde bijzondere aangifte.
De in § 1, 2°, § 2, 2°, en § 2/1, 2°, bedoelde aanslagen zijn betaalbaar uiterlijk op respectievelijk 30 november 2015, 30 november 2016 en 31 maart 2018 op rekening van de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen.
De belastingschuldige moet op het betaalformulier zijn fiscaal identificatienummer, de vermelding "Art. 541, WIB 92" en het aanslagjaar vermelden waarop de bijzondere aanslag betrekking heeft.
De bij toepassing van dit artikel betaalde bijzondere aanslagen zijn definitief verworven door de Staat. Ze worden niet verrekend met de vennootschapsbelasting. De eventuele overschotten zijn niet terugbetaalbaar.

§ 5. De bepalingen van artikel 184quater, derde tot vijfde lid, zijn van toepassing op de op basis van dit artikel aangelegde liquidatiereserves.


(1) KB 18.09.2015 – BS. 25.09.2015

Art. 543. De belastingplichtige kan de toepassing vragen van de overeenkomstig de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis, zoals ze bestonden voor ze werden opgeheven door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 3 augustus 2016, bepaalde aftrek voor octrooi-inkomsten voor tot en met 30 juni 2021 verkregen octrooi-inkomsten uit in aanmerking komende octrooien waarvan de aanvragen zijn ingediend vóór 1 juli 2016 of, in het geval van verworven octrooien of licentierechten, die zijn verworven vóór 1 juli 2016 en waarvoor de aftrek voor innovatie-inkomsten vermeld in de artikelen 205/1 tot 205/4 nog niet werd toegepast.
Het eerste lid is niet van toepassing op vanaf 1 januari 2016 rechtstreeks of onrechtstreeks van een verbonden vennootschap verworven octrooien die bij de overdragende vennootschap niet voor de aftrek voor octrooi-inkomsten of voor een analoge regeling van buitenlands recht in aanmerking komen.

Art. 544.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 59, § 1, eerste lid, 1° en van de bepalingen van titel II,
wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie voor overeenkomsten ten laatste afgesloten op 31 december 2020.

§ 2. Voor de toepassing van artikel 2753, § 1, derde lid, 1°, wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie voor samenwerkingsovereenkomsten ten laatste afgesloten op 31 december 2020 en dit tot het initieel voorziene einde van deze overeenkomsten.

§ 3. Voor de toepassing van artikel 192, § 3, wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie voor de tot en met 31 december 2020 verwezenlijkte meerwaarden. 1307 § 4. Voor de toepassing van de artikelen 184bis, § 4 en § 5, 184ter, § 2, achtste lid, 211, § 1, vierde en vijfde lid, en § 2, zesde lid, 214bis, inleidende zin, 229, § 4, derde tot tiende lid en 231, § 2, wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie voor verrichtingen of overbrengingen die ten laatste op 31 december 2020 zijn bekend gemaakt in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.

Art. 545. Voor de toepassing van de artikelen 171, 3° quater, en 269, § 1, 3°, worden voor wat betreft de tot 31 december 2025 betaalde of toegekende inkomsten, de in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland gelegen onroerende goederen die de uitkerende vennootschap reeds op 31 december 2020 rechtstreeks of onrechtstreeks in haar bezit had en deze sindsdien ononderbroken tot en met de dag van de betaling of toekenning van de inkomsten in haar bezit heeft gehouden, als in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen beschouwd.

Art. 546. Artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals ze bestonden vooraleer ze werden gewijzigd bij de wet van 20 december 2020 blijven van toepassing voor de aanslagjaren 2022 tot 2025 voor de persoon die voor het aanslagjaar 2021 bij toepassing van het voormelde artikel 132, eerste lid, 7°, ten laste was van de belastingplichtige.
Dit artikel is niet van toepassing wanneer de toeslag op de belastingvrije som die voor de vermelde persoon kan worden toegekend lager is dan de toeslag op de belastingvrije som die bij toepassing van artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, kan worden toegekend. Art. 547 ?

Art. 548. Niettegenstaande artikel 198quater blijven de bepalingen van artikel 67 van toepassing op de winst die voorheen bij toepassing van artikel 67, §§ 1 en 2, vóór het aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 werd vrijgesteld.
Vanaf aansalgjaar 2027 wordt artikel 548 vervangen als volgt :
Wanneer een personeelslid waarvoor bij toepassing van artikel 67, §§ 1 en 2, zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij artikel 57 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, een deel van de winst werd vrijgesteld, wat de in de artikelen 179, 179/1 en 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en, wat de in de artikelen 3 en 227, 1°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2027, niet meer wordt tewerkgesteld voor de in het voormelde artikel 67, § 1, bepaalde doelen, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1° en 2°, 211, § 1, en 214, § 1, eerste lid, is dit artikel van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden. De Koning bepaalt de manier waarop wordt aangetoond dat de voorwaarden voor de vrijstelling nog zijn vervuld.



Art. 549.
Vanaf 1 januari 2026 (en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2026), wordt een artikel 550 ingevoegd, luidend als volgt :

Art. 550. In afwijking van artikel 66, §§ 1 en 1/1, zijn de beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die zijn aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 januari 2026 aftrekbaar tegen een tarief vastgelegd door toepassing van de volgende formule: 120 pct. - (0,5 pct. * coëfficiënt * aantal gram CO2 per kilometer), waarbij de coëfficiënt wordt vastgesteld op 1 voor voertuigen met enkel een dieselmotor en op 0,95 voor andere voertuigen. Wanneer het voertuig is uitgerust met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen heeft van minder dan 12 fiscale paardenkracht wordt de coëfficiënt verder verlaagd tot 0,90. Het tarief wordt afgerond tot de hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 juli 2023 kan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief niet lager zijn dan 50 pct., tenzij het een voertuig met een CO2- uitstoot van 200 gram per kilometer of meer betreft of een voertuig waarvan geen gegevens met betrekking tot het CO2-uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen, in welk geval het tarief 40 pct. bedraagt, noch hoger zijn dan 100 pct. In afwijking van het tweede lid, bedraagt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief voor de gedane of gedragen beroepskosten met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangekochte, geleasede of gehuurde voertuigen:
- minimum 75 pct. in aanslagjaar 2026;
- minimum 70 pct. in aanslagjaar 2027;
- minimum 65 pct. in aanslagjaar 2028;
- minimum 60 pct. in aanslagjaar 2029;
- minimum 55 pct. in aanslagjaar 2030;
- minimum 50 pct. vanaf aanslagjaar 2031.
Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 juli 2023 tot 31 december 2025 kan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief niet hoger zijn dan 50 pct., tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, en bedraagt het tarief 0 pct. indien geen gegevens met betrekking tot het CO2-uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen. In afwijking van het eerste en vierde lid, indien het een in artikel 36, § 2, tiende lid, bedoeld oplaadbaar hybridevoertuig betreft dat is aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 juli 2023 tot 31 december 2025, zijn de beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de bedoelde voertuigen, aftrekbaar tegen de volgende percentages:
a) met betrekking tot elektriciteitskosten: 100 pct.;
b) wat de benzine- of dieselkosten betreft: tegen het overeenkomstig het vierde lid vastgestelde percentage;
c) wat de andere kosten betreft: tegen het percentage bepaald door de in het eerste lid bedoelde formule. Dit percentage mag niet hoger zijn dan 75 pct., tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan 100 pct.
Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e-bis norm of een latere norm, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2- uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5. Voor de berekening van de energiecapaciteit, wordt het verkregen resultaat afgerond tot de hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
Het in het eerste lid vastgestelde tarief kan niet hoger zijn dan 50 pct. voor wat betreft de benzine- of dieselkosten met betrekking tot het gebruik van een vanaf 1 januari 2023 tot 30 juni 2023 aangekocht, geleased of gehuurd oplaadbaar hybridevoertuig. In afwijking van het eerste lid en van artikel 66, §§ 1 en 1/1, zijn de minderwaarden met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde voertuigen als beroepskosten aftrekbaar tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen, voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct., en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt van toepassing voor voertuigen uitgerust met een aardgasmotor en met een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale paardenkracht verlagen tot minimum 0,75, en de in het zesde lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.
Het zesde lid is niet van toepassing voor de hybride- voertuigen die worden aangekocht vóór 1 januari 2018.



Art. 551.

§ 1. Het percentage van 30 pct. bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, eerste streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, wordt gebracht op 50 pct. voor het aanslagjaar 2024 en op 40 pct. voor het aanslagjaar 2025.

§ 2. Artikel 17, § 1, 5°, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022, blijft van toepassing voor het aanslagjaar 2024 op de belastingplichtigen die voor het aanslagjaar 2023 belast werden op inkomsten die onder deze bepaling vallen en die vanaf het aanslagjaar 2024 niet langer aanspraak kunnen maken op de toepassing van artikel 17, § 1, 5°, zoals gewijzigd bij artikel 100 van de programmawet van 26 december 2022. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in de artikelen 37, tweede lid, tweede streepje, 171, 2° bis, en 269, § 1, 4°, bedoelde bedrag van 37.500 euro herleid tot 18.750 euro en de bedragen van 10.000 euro en 20.000 euro bedoeld in artikel 4, 1°, KB/WIB 92 worden herleid tot respectievelijk 5.000 euro en 10.000 euro voor het aanslagjaar 2024.
De overeenkomstig het tweede lid herleide bedragen worden overeenkomstig artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, en § 7, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
Artikel 129/1 is van toepassing op de in artikel 37, tweede lid, tweede streepje, en artikel 4, 1°, KB/WIB 92 bedoelde bedragen die overeenkomstig het tweede lid zijn herleid.
Artikel 174/1 is van toepassing op het in artikel 171, 2°bis, bedoelde bedrag dat overeenkomstig het tweede lid is herleid.

Art. 552. Voor de activa die werden verkregen of tot stand gebracht voor 1 januari 2025, worden de artikelen 69 tot 77, 201 en 289quater tot novies toegepast zoals deze bestonden voor te zijn vervangen of gewijzigd door de wet van 12 mei 2024 houdende diverse fiscale bepalingen.

Art. 654. artikel 654 van het Strafwetboek of weigeren te getuigen in de onderzoeken die zijn toegestaan door de artikelen 322, 325 en 374 worden bestraft met een gevangenisstraf van niveau 1, zoals bepaald in

Art. 934. artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed af.
La preuve contraire sera de droit. Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.


----------
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
RÉGION FLAMANDE VLAAMSE GEWEST
A partir du 1er janvier 2014, l'article 325, tel que d’application au précompte immobilier, est abrogé (voir article 5.0.0.0.1., § 1er, 1°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 – MB 23 décembre 2013).
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 325, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
A partir du 1er janvier 2014, l’article 3.13.1.3.5. du même Code est d'application (voir Code flamand de la Fiscalité).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.5. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Il est dressé procès-verbal des déclarations des témoins et, si le contribuable le désire, des déclarations de ce dernier.
Van de verklaringen van de getuigen en, indien de belastingplichtige zulks verlangt, van zijn eigen verklaringen, wordt proces-verbaal opgemaakt.
Le procès-verbal est, après lecture, signé par les témoins et le contribuable. Leur signature est précédée des mots manuscrits "Lu et approuvé". Si l'un des intéressés refuse de signer, mention en est faite au procès-verbal qui précise le motif du refus.
Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingplichtigen ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand voorgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert een van de betrokkenen te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.

----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 326, alinéa 2, reste inchangé.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 326, tweede lid, als volgt:
Le procès-verbal est, après lecture, signé par les témoins et le contribuable. Leur signature est précédée des mots manuscrits "Lu et approuvé". Si l'un des intéressés refuse de signer, mention en est faite au procès-verbal qui précise le motif du refus.
Na lezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingplichtigen ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand voorgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert een van de betrokkenen te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.

----------
Copie certifiée conforme du procès-verbal est notifiée au contribuable dans les huit jours de sa date.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingplichtige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
RÉGION FLAMANDE VLAAMSE GEWEST
A partir du 1er janvier 2014, l'article 326, tel que d’application au précompte immobilier, est abrogé (voir article 5.0.0.0.1., § 1er, 1°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 – MB 23 décembre 2013).
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 326, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
A partir du 1er janvier 2014, l’article 3.13.1.3.6. du même Code est d'application (voir Code flamand de la Fiscalité).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.13.1.3.6. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Afdeling II/1.-. Aanvullende rapporterings- verplichtingen voor intermediairs of relevante belastingplichtigen inzake grensoverschrijdende constructies
Art. 326/1 Art. 326/1
Pour l'application de cette section et de l'article 338, § 6/4, on entend par :
Voor de toepassing van deze afdeling en van artikel 338, § 6/4, wordt verstaan onder:

1° "dispositif transfrontière": un dispositif concernant plusieurs Etats membres ou un Etat membre et un pays tiers si l'une au moins des conditions suivantes est remplie :

1° "grensoverschrijdende constructie": een constructie die ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land betreft, waarbij ten minste één van de volgende voorwaarden is vervuld:
a) tous les participants au dispositif ne sont pas résidents à des fins fiscales dans la même juridiction ;
a) niet alle deelnemers aan de constructie hebben hun fiscale woonplaats in hetzelfde rechtsgebied;
b) un ou plusieurs des participants au dispositif sont résidents à des fins fiscales dans plusieurs juridictions simultanément ;
b) een of meer van de deelnemers aan de constructie heeft zijn fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan één rechtsgebied;
c) un ou plusieurs des participants au dispositif exercent une activité dans une autre juridiction par l'intermédiaire d'un établissement stable situé dans cette juridiction, le dispositif constituant une partie ou la totalité de l'activité de cet établissement stable ;
c) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied via een in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting en de constructie behelst een deel of het geheel van de activiteit van die vaste inrichting;
d) un ou plusieurs des participants au dispositif exercent une activité dans une autre juridiction sans être résidents à des fins fiscales ni créer d'établissement stable dans cette juridiction ;
d) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied zonder in dat rechtsgebied zijn fiscale woonplaats te hebben of zonder in dat rechtsgebied een vaste inrichting te creëren;
e) un tel dispositif peut avoir des conséquences sur l'échange automatique d'informations ou sur l'identification des bénéficiaires effectifs.
e) een dergelijke constructie heeft mogelijk gevolgen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen of de vaststelling van het uiteindelijk belang.
Un dispositif signifie également une série de dispositifs. Un dispositif peut comporter plusieurs étapes ou parties ;
Een constructie betekent ook een reeks constructies. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan;
"meldingsplichtige grensoverschrijdende d'une déclaration": tout dispositif
constructie": iedere grensoverschrijdende transfrontière comportant au moins l'un des
constructie die ten minste één van de in marqueurs visés à l'article 326/2 ;

Art. 1183. artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek worden bestanddelen die het onderwerp zijn van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde, geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid slechts te zijn gebruikt vanaf de datum waarop aan die voorwaarde is voldaan.


----------
A partir du 9 mars 2026, l’article 42, est rédigé comme suit :
Vanaf 9 maart 2026, luidt artikel 42, als volgt :
Les éléments qui ont fait l'objet d'un acte d'aliénation soumis à une condition résolutoire sont censés n'avoir été affectés à l'exercice de l'activité professionnelle qu'à partir de la date à laquelle cette condition s'est accomplie.
Bestanddelen die het onderwerp zijn van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid slechts te zijn gebruikt vanaf de datum waarop aan die voorwaarde is voldaan.

----------
La plus-value réalisée est égale à la différence positive entre d'une part l'indemnité perçue ou la valeur de réalisation du bien diminuée des frais de réalisation et d'autre part sa valeur d'acquisition ou d'investissement diminuée des réductions de valeur et amortissements admis antérieurement.
De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.
Art. 44 Art. 44

§ 1er. Par dérogation aux articles 24, alinéa 1er, 2°, 27, alinéa 2, 3°, et 28, alinéa 1er, 1° et dernier alinéa, et sans préjudice des dispositions de l'article 24, alinéa 1er, 3°, sont exonérées :

§ 1. In afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3°, 28, eerste lid, 1° en laatste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 24, eerste lid, 3°, zijn vrijgesteld :

1° les plus-values exprimées mais non réalisées, à l'exception des plus-values sur les stocks et les commandes en cours d'exécution ;

1° uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, met uitsluiting van meerwaarden op voorraden en bestellingen in uitvoering ;

2° les plus-values réalisées sur les immobilisations incorporelles, corporelles et financières et autres valeurs de portefeuille, dans la mesure où l'indemnité perçue ou la valeur de réalisation du bien n'excède pas la valeur réévaluée des actifs réalisés, diminuée des amortissements et réductions de valeur antérieurement admis.

2° verwezenlijkte meerwaarden op immateriële, materiële en financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden in zover de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed niet hoger is dan de gerevaloriseerde waarde van de vervreemde activa verminderd met de vroeger aangenomen afschrijvingen en waardeverminderingen.

§ 2. Nonobstant les dispositions du § 1er, 2°, les plus-values sur les immeubles non bâtis des exploitations agricoles ou horticoles sont totalement et inconditionnellement exonérées, sans préjudice de leur taxation à titre de revenus divers conformément à l'article 90, alinéa 1er, 8°.

§ 2. Niettegenstaande het bepaalde in § 1, 2°, zijn meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- en tuinbouw- ondernemingen volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld, onverminderd het belasten als diverse inkomsten ingevolge artikel 90, eerste lid, 8°.

§ 3. Le § 1er, 1°, ne s'applique pas aux plus-values exprimées mais non réalisées constatées à l'occasion de la conversion, dans le chef du même contribuable, de droits de participation dans un compartiment d'une société d'investissement en droits de participation dans un autre compartiment de la même société d'investissement.

§ 3. Paragraaf 1, 1°, is niet van toepassing op uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van deelnemingsrechten in een afdeling van een beleggingsvennootschap, in deelnemingsrechten in een andere afdeling van dezelfde beleggingsvennootschap.

§ 1er. Les plus-values qui sont réalisées sur les véhicules d'entreprise dans les circonstances visées à l'alinéa 2 sont entièrement exonérées, lorsqu'un montant égal à l'indemnité ou à la valeur de réalisation est remployé de la manière et dans les délais indiqués ci-après.

§ 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.


----------
A partir du 31 août 2025, l’article 44bis, § 1er, al. 1er, est rédigé comme suit :
Vanaf 31 augustus 2025, luidt artikel 44bis, § 1, 1e lid, als volgt:

§ 1er. Les plus-values qui sont réalisées au plus tard le 31 août 2025 sur les véhicules d'entreprise dans les circonstances visées à l'alinéa 2 sont entièrement exonérées, lorsqu'un montant égal à l'indemnité ou à la valeur de réalisation est remployé de la manière et dans les délais indiqués ci-après.

§ 1. De meerwaarden die uiterlijk op 31 augustus 2025 in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.


----------
Les plus-values doivent être réalisées : De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :

1° à l'occasion d'un sinistre, d'une réquisition en propriété ou d'un autre événement analogue, ou

1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of

2° à l'occasion d'une aliénation non visée au 1° de véhicules d'entreprise, pour autant que les véhicules aliénés aient la nature d'immobilisation depuis plus de 3 ans au moment de leur aliénation.

2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van bedrijfsvoertuigen, voor zover de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan 3 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
Par véhicules d'entreprise, on entend : Onder bedrijfsvoertuigen moet worden
verstaan :
a) les véhicules affectés au transport rémunéré de personnes, notamment les autobus, les autocars et les voitures affectées exclusivement soit à un service de taxi, soit à la location avec chauffeur ;
a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder ;
b) les véhicules affectés au transport de biens, notamment les tracteurs et camions, et les remorques et semi-remorques avec un poids maximal admis d'au moins 4 tonnes.
b) voertuigen aangewend voor goederen- vervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton.
2. De herbelegging moet gebeuren in véhicules d'entreprise visés au § 1er, alinéa 3, qui
bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in § 1, derde lid, correspondent aux normes écologiques
die beantwoorden aan de ecologische normen déterminées par le Roi (1) par arrêté délibéré en
bepaald door de Koning (1), bij een besluit Conseil des Ministres et qui sont utilisés en
vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in Belgique pour l'exercice de l'activité
België voor het uitoefenen van de professionnelle.
beroepswerkzaamheid worden gebruikt.


------------------------------ (1) art. 20, AR/CIR 92. (1) art. 20, KB/WIB 92.

§ 3. Le remploi doit être effectué au plus tard à la cessation de l'activité professionnelle et dans un délai :

§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :

1° expirant 1 an après la fin de la période imposable de perception de l'indemnité s'il s'agit de plus-values visées au § 1er, alinéa 2, 1° ;

1° van 1 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 1°.

2° de 2 ans prenant cours le premier jour de l'année civile de réalisation des plus-values visées au § 1er, alinéa 2, 2°.

2° van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 2°, zijn verwezenlijkt.

§ 4. Pour pouvoir bénéficier de l'exonération visée au § 1er, alinéa 1er, le contribuable est tenu de joindre un relevé conforme au modèle arrêté par le ministre des Finances ou son délégué, à la déclaration aux impôts sur les revenus à partir de l'exercice d'imposition afférent à la période imposable de réalisation de la plus-value et jusqu'à l'exercice d'imposition afférent à la période imposable dans laquelle le délai de remploi est venu à expiration.

§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

§ 5. A défaut de remploi dans les formes et délais prévus aux §§ 2 et 3, la plus-value réalisée est considérée comme un revenu de la période imposable pendant laquelle le délai de remploi est venu à expiration. Dans ce cas, l'article 47 n'est pas applicable.

§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 2 en 3 wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is

Art. 1385undecies. artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 375, § 1er, alinéa 3, est rédigé comme suit :
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 375, § 1, derde lid, als volgt:
Dans tous les cas, sa décision est notifiée par envoi recommandé. Cette décision est irrévocable à défaut d'intenter une action auprès du tribunal de première instance, dans le délai fixé par l'article 1385undecies du Code judiciaire.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing met een aangetekende zending. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in

Art. 1453/1. artikel 1453/1 zijn gevormd ;
- constituées au moyen de cotisations
patronales ;
- die met werkgeversbijdragen zijn gevormd ;
- attribuées par l'employeur en exécution
d'une obligation contractuelle.
- die door de werkgever ter uitvoering van een
contractuele verplichting zijn toegekend.
de werkgeversbijdragen en -premies relatives aux engagements qui doivent être
die verband houden met toezeggingen die moeten considérés comme un complément aux
worden beschouwd als een aanvulling van de indemnités légales en cas de décès ou
wettelijke uitkeringen bij overlijden of d'incapacité de travail par suite d'un accident du
arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of travail ou d'un accident ou bien d'une maladie
ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte, moet professionnelle ou d'une maladie, la limite à la
de begrenzing tot de normale bruto jaarbezoldiging rémunération brute annuelle normale doit
worden beoordeeld ten opzichte van het totale s'apprécier au regard de l'ensemble des
bedrag van de wettelijke uitkeringen bij prestations légales en cas d'incapacité de travail
arbeidsongeschiktheid en van de op jaarbasis et des prestations extra-légales en cas d'incapacité
berekende extrawettelijke uitkeringen bij de travail exprimées en rentes annuelles.
arbeidsongeschiktheid.
Les prestations extra-légales en cas d'incapacité de travail comprennent notamment :
De extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid omvatten inzonderheid :
- les prestations en cas d'incapacité de travail constituées au moyen de cotisations patronales ;
- de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid die
met werkgeversbijdragen zijn gevormd ;
- les prestations attribuées par l'employeur en exécution d'une obligation contractuelle.
- de uitkeringen die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.

§ 5. Le Roi (1) détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :

§ 5. De Koning (1) bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :

1° ce qu'il faut entendre par "rémunération brute annuelle normale", "dernière rémunération brute annuelle normale" et "durée normale d'activité professionnelle" au sens du § 1er, alinéa 1er, 2° et 3° ;

1° wat onder "normale bruto jaarbezoldiging", "laatste normale bruto jaarbezoldiging" en "normale duur van een beroepswerkzaamheid" in de zin van § 1, eerste lid, 2° en 3°, moet worden verstaan ;

2° les différents taux visés au § 1er, alinéa
1er, 2°.

2° de verschillende in § 1, eerste lid, 2°,
bedoelde percentages.
Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution de l'alinéa 1er, 2°. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les 12 mois de la date de leur publication au Moniteur belge.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het eerste lid, 2°, genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Il détermine les conditions et le mode d'application de la présente disposition.
Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling.


------------------------------ (1) art. 34 et 35, AR/CIR 92. (1) art. 34 en 35, KB/WIB 92.
6. Voorschotten op prestaties, inpand- gage des droits à la pension pour sûreté d'un
gevingen van pensioenrechten voor het waarborgen emprunt et l'affectation de la valeur de rachat à la
van een lening en de toewijzing van de reconstitution d'un emprunt hypothécaire ne font
afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een pas obstacle au caractère définitif du versement
hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de des cotisations et des primes requis par le § 1er,
definitieve storting van de bijdragen en premies die alinéa 1er, 1°, lorsqu'elles sont consenties pour
in § 1, eerste lid, 1°, wordt geëist wanneer ze permettre au travailleur d'acquérir, de construire,
worden toegestaan om het de werknemer mogelijk d'améliorer, de restaurer ou de transformer des
te maken in een lidstaat van de Europese biens immobiliers situés dans un état membre de
Economische Ruimte gelegen onroerende goederen l'Espace économique européen et productifs de
die in België of in een andere lidstaat van de revenus imposables en Belgique ou dans un autre
Europese Economische Ruimte belastbare état membre de l'Espace économique européen et
inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te pour autant que les avances et les prêts soient
verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op remboursés dès que les biens précités sortent du
voorwaarde dat de voorschotten en leningen patrimoine du travailleur.
terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.
La limite visée à l'alinéa 1er doit être inscrite dans les règlements d'assurance de groupe, les contrats d'assurance, les règlements de pension, les engagements de pension complémentaire visés dans la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale et les conventions de pension complémentaire pour les travailleurs indépendants visées dans la loi- programme (I) du 24 décembre 2002.
De beperking bedoeld in het eerste lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioen- overeenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.
Art. 60 Art. 60
Les pensions, rentes ou allocations en tenant lieu sont considérées comme des frais professionnels aux conditions et dans les limites suivantes :
Pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen worden als beroepskosten aangemerkt onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende grenzen :

1° elles sont attribuées à des personnes ayant bénéficié antérieurement de rémunérations en raison desquelles la législation concernant la sécurité sociale des travailleurs ou des indépendants a été appliquée, ou aux ayants droit des dites personnes;

1° ze worden toegekend aan personen die vroeger bezoldigingen hebben genoten waarop de wetgeving betreffende de Sociale Zekerheid van de werknemers of van de zelfstandigen is toegepast, of aan de rechtverkrijgenden van die personen;

2° elles ne dépassent pas celles qui seraient obtenues par le versement de cotisations visées à l'article 59;

2° ze bedragen niet meer dan hetgeen door storting van bijdragen als bedoeld in

Art. 1719. artikel 1719 van het Burgerlijk Wetboek rusten;
- indemnités locatives: le loyer et les avantages locatifs accordés au loueur ;
- huurvergoedingen: de huurprijs en de huurvoordelen die aan de verhuurder zijn verleend;
- indemnités pour un droit de superficie, un droit d'emphytéose ou un autre droit réel d'usage sur un bien immobilier: les redevances pour ce droit de superficie, droit d'emphytéose ou autre droit réel d'usage ainsi que tout autre avantage accordé en vertu de ce droit réel d'usage au cédant du droit.
- vergoedingen voor een recht van opstal, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed: de eigenlijke vergoedingen voor dat recht van opstal, recht van erfpacht of ander zakelijk gebruiksrecht en alle andere voordelen die uit hoofde van dat gebruiksrecht zijn toegekend aan de verlener ervan.
paragraaf is niet van toepassing op de aux indemnités locatives et aux indemnités pour
huurvergoedingen en vergoedingen voor een recht un droit de superficie, un droit d'emphytéose ou un
van opstal, een recht van erfpacht of een ander autre droit réel d'usage sur un bien immeuble qui
zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed die sont liées à des livraisons de biens ou des
verbonden zijn aan de leveringen van goederen of prestations de services effectuées par un assujetti
diensten verricht door een belastingplichtige établi sur le territoire de la Communauté au sens
gevestigd op het grondgebied van de Gemeenschap de l'article 1er, § 2, 2°, du Code de la taxe sur la
in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Wetboek valeur ajoutée ou en Norvège, en Islande ou au
van de belasting over de toegevoegde waarde of in Liechtenstein, pour lesquelles, conformément au
Noorwegen, IJsland of Liechtenstein, waarvoor Code de la taxe sur la valeur ajoutée, à la directive
overeenkomstig het Wetboek van de belasting over 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006
de toegevoegde waarde, de Richtlijn 2006/112/EG relative au système commun de taxe sur la valeur
van de Raad van 28 november 2006 betreffende ajoutée ou toute autre disposition légale ou
het gemeenschappelijke stelsel van belasting over réglementaire applicable à l'assujetti, une facture
de toegevoegde waarde of elke andere wettelijke of ou un document en tenant lieu a été établi.
reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige, een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld.
Le modèle de l'annexe visé l'alinéa 1er est fixé par le ministre des Finances ou son délégué.
Het model van de in het eerste lid bedoelde bijlage wordt vastgesteld door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde.
Dans le seul but de respecter les obligations du présent paragraphe, les contribuables concernés ont l'autorisation d'utiliser le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques ou du registre d'attente pour identifier les loueurs ou les personnes concédant un droit de superficie, un droit d'emphytéose ou un autre droit réel d'usage. Ce numéro ne sera pas conservé plus longtemps que la durée prévue aux articles 315 et 315bis.
Met als enig doel de verplichtingen van deze paragraaf na te komen, hebben de betrokken belastingplichtigen de toestemming om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of van het wachtregister te gebruiken om de verhuurders of personen die een opstalrecht, een recht van erfpacht of een ander zakelijk gebruiksrecht verlenen te identificeren. Dit nummer zal niet langer bewaard worden dan de duur voorzien in de artikelen 315 en 315bis.

§ 3. Les documents, relevés ou renseignements dont la production est prévue par la formule font partie intégrante de la déclaration et doivent y être joints.

§ 3. De bescheiden, opgaven en inlichtingen waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, vormen een integrerend deel van de aangifte en moeten worden bijgevoegd.
S'il s'agit de copies, elles doivent être certifiées conformes aux originaux ; les autres annexes à la déclaration doivent être certifiées exactes, datées et signées, sauf si elles émanent de tiers.
Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard ; andere bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend, behoudens indien zij uitgaan van derden.
La nomenclature et le modèle des documents, relevés ou renseignements visés à l'alinéa 1er sont déterminés en concertation avec les organisations les plus représentatives de l'industrie, l'agriculture, le commerce et l'artisanat et les organisations les plus représentatives des travailleurs.
De nomenclatuur en het model van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, opgaven en inlichtingen worden vastgesteld in overleg met de meest representatieve organisaties uit de nijverheid, de landbouw, de handel en het ambachtswezen en de meest representatieve werknemersorganisaties.
4. De aangifte moet worden teruggezonden remise au service indiqué sur la formule. La
of afgegeven aan de dienst die op het formulier is déclaration à l'impôt des personnes physiques doit
vermeld. De aangifte in de personenbelasting moet être renvoyée au service indiqué sur la formule.
worden teruggezonden aan de dienst die op het formulier is vermeld.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 307, § 4, est rédigé comme suit :
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 307, § 4, als volgt:

§ 4. La déclaration doit être transmise au service indiqué sur la formule. La déclaration à l'impôt des personnes physiques doit être transmise au service indiqué sur la formule.

§ 4. De aangifte moet worden verzonden aan de dienst die op het formulier is vermeld. De aangifte in de personenbelasting moet worden verzonden aan de dienst die op het formulier is vermeld.


----------

§ 5. Dans les conditions définies par le Roi, le contribuable peut également fournir les données demandées dans la formule de déclaration au moyen d'imprimés informatiques ou de supports d'information électroniques.

§ 5. De belastingplichtige kan onder de door de Koning bepaalde voorwaarden de in het aangifteformulier gevraagde gegevens eveneens verstrekken bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 307, § 5, est abrogé.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307, § 5, opgeheven.

§ 5. ... § 5. ...


----------
Art. 307bis Art. 307bis

§ 1er. La déclaration électronique mise à disposition par le Service Public Fédéral Finances, remplie et transmise conformément aux indications qui y figurent, est assimilée à une déclaration certifiée exacte, datée et signée visée à l'article 307, § 2.

§ 1. De elektronische aangifte, door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte bedoeld in artikel 307, § 2.

§ 2. Les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives à la déclaration sont applicables à la déclaration électronique pour autant que ces dispositions ne soient pas en raison de leur nature ou de leurs modalités incompatibles avec celle-ci.

§ 2. De bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte zijn van toepassing op de elektronische aangifte voorzover deze bepalingen omwille van hun aard of hun modaliteiten er niet strijdig zouden mee zijn.
3. De belastingplichtigen onderworpen des sociétés ou à l’impôt des personnes morales, et
aan de vennootschapsbelasting of de les contribuables soumis à l’impôt des non-
rechtspersonenbelasting, en de belastingplichtigen résidents conformément à l’article 227, 2° et 3°,
die, overeenkomstig artikel 227, 2° en 3°, aan de doivent introduire leur déclaration par voie
belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, électronique.
moeten hun aangifte langs elektronische weg indienen.
Les contribuables mentionnés à l’alinéa premier sont dispensés de l’obligation d’introduction par voie électronique aussi longtemps qu’eux-mêmes ou, le cas échéant, la personne qu’ils ont mandatée pour l’introduction d’une telle déclaration, ne disposent pas des moyens informatiques nécessaires pour remplir cette obligation. Dans ce cas, l’introduction de la déclaration s’effectue sur support papier.
De belastingplichtigen bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van de aangifte geschieden op papier.
Le Roi détermine les modalités relatives à son introduction.
De Koning bepaalt de modaliteiten met betrekking tot haar indiening.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 307bis, est abrogé.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 307bis, opgeheven.
.... ...

----------
Art. 308 Art. 308

§ 1er. Les contribuables visés à l'article 305 qui, au 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition, réunissent les conditions d'assujettissement telles que visées à l'article 360, à l'impôt des personnes physiques, doivent faire parvenir leur déclaration, au service indiqué sur la formule, au plus tard le 30 juin de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition, ce délai ne pouvant être inférieur à un mois à partir de l'envoi de la formule de déclaration. Si le contribuable opte pour la déclaration électronique visée à l'article 307bis, il doit la remettre au plus tard le 15 juillet de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition, ce délai ne pouvant être inférieur à un mois à partir de la mise à disposition de la déclaration électronique sur la plateforme électronique du Service public fédéral Finances.

§ 1. De in

Art. 2756. artikel 2756 bedoelde sportbeoefenaars zijn en die één of meerdere opleidingen hebben gevolgd zoals omschreven in paragraaf 3, die in hun geheel een minimale duurtijd hebben van 76 uren gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen.
La durée minimale de 76 heures visée à l'alinéa 1er s'applique au travailleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à l'entreprise concernée. Cette durée minimale est réduite proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné le jour où la dernière de ces formations a pris fin.
De in het eerste lid bedoelde minimale duurtijd van 76 uren is van toepassing op de werknemer die voltijds wordt tewerkgesteld volgens de op de betrokken onderneming toepasselijke wetgeving. Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar verhouding tot de arbeidsregeling die van toepassing is op de betrokken werknemer, op de dag waarop de laatste van deze opleidingen werd beëindigd.
Lorsque l'employeur est une entreprise où s'effectue un travail en équipe ou un travail de nuit, qui paie ou attribue une prime d'équipe et qui est redevable du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, la durée minimale de 76 heures durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est remplacée par une durée minimale de 76 heures durant une période ininterrompue de 60 jours calendaires pour le travailleur qui bénéficie de ladite prime durant cette période ininterrompue de 60 jours.
Wanneer de werkgever een onderneming is waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betaalt of toekent en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar is van de bedrijfsvoorheffing op die premie, wordt de minimale duurtijd van 76 uren gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het tweede lid vervangen door een minimale duurtijd van 76 uren gedurende een ononderbroken periode van 60 kalenderdagen voor de werknemer die begunstigde is van de voormelde premie tijdens de voormelde ononderbroken periode van 60 dagen.
de werkgever wordt aangemerkt une petite société ou est une personne physique
als kleine vennootschap of een natuurlijk persoon qui satisfait mutatis mutandis aux critères de
is die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan l'article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
de criteria opgenomen in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, des associations, la durée minimale de 76 heures
van het Wetboek van vennootschappen en durant une période ininterrompue de 30 jours
verenigingen, wordt de minimale duurtijd van 76 calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est
uren gedurende een ononderbroken periode van remplacée par une durée minimale de 38 heures
30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het durant une période ininterrompue de 75 jours
tweede lid vervangen door een minimale duurtijd calendaires.
van 38 uren gedurende een ononderbroken periode van 75 kalenderdagen.
Une rémunération d'un travailleur n'est pas prise en compte pour l'application du présent article lorsque les rémunérations précédentes de ce travailleur ont déjà été reprises dix fois dans la base de la dispense par le même employeur en application des paragraphes 4 et 5.
Een bezoldiging van een werknemer komt niet in aanmerking voor de toepassing van dit artikel wanneer eerdere bezoldigingen van deze werknemer reeds tien keer eerder door dezelfde werkgever in toepassing van paragrafen 4 en 5 in de vrijstellingsgrondslag werd opgenomen.
Les évènements qui suspendent le contrat de travail n'interrompent pas la période de 30 jours calendaires, de 60 jours calendaires ou de 75 jours calendaires, mais la prolongent d'autant de jours que dure la suspension.
De periode van 30 kalenderdagen, de periode van 60 kalenderdagen of de periode van 75 kalenderdagen wordt niet onderbroken door de gebeurtenissen die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schorsen. Ze wordt verlengd met zoveel dagen als de schorsing duurt.

§ 3. Pour être éligible, la formation visée au paragraphe 2 doit:

§ 3. Om in aanmerking te komen, moet de in paragraaf 2 bedoelde opleiding:
- répondre aux définitions mentionnées à l'article 9 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable;
- beantwoorden aan de in

Art. 2758. artikel 2758 d'affaire et le total du bilan annuel de l'employeur,
vraagt, wordt het overeenkomstig artikel 2758, § déterminés conformément à l'article 2758, § 2, et le
2, vastgestelde jaargemiddelde van het cas échéant ceux de la société qui a effectué
personeelsbestand, jaaromzet en het jaarlijkse l'investissement visée au paragraphe 1er, alinéa 4,
balanstotaal vermeld van de werkgever en in sont indiqués concernant les périodes imposables
voorkomend geval van de in paragraaf 1, vierde visées à l'article 2758, § 2, alinéa 1er.
lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, die betrekking hebben op de in artikel 2758, § 2, eerste lid bedoelde belastbare tijdperken.


--------------- (1) AR du 28.04.2015 (MB 30.04.2015, éd. 2), modifié par les AR du 09.04.2017 (MB 18.04.2017), du 21.11.2018 (MB 30.11.2018), 02.09.2021 (MB 07.09.2021) et 17.01.2022 (MB 15.02.2022)
(1) KB van 28.04.2015 – BS 30.04.2015, ed. 2, gewijzigd bij de KB’s van 09.04.2017 (BS 18.04.2017), 21.11.2018 (BS 30.11.2018), 02.09.2021 (BS 07.09.2021) en 17.01.2022 (BS 15.02.2022)
En cas d'application du paragraphe 1er, alinéa 4, ou de l'article 2759, § 1er, alinéa 4, l'employeur mentionne dans le formulaire le nom, l'adresse et le numéro d'entreprise de la société qui réalise l'investissement et l'employeur apporte la preuve que cette société fait partie d'un groupe de sociétés auquel lui-même appartient.
In het geval van toepassing van paragraaf 1, vierde lid, of artikel 2759, § 1 vierde lid, vermeldt de werkgever in het formulier de naam, het adres en het ondernemingsnummer van de vennootschap die de investering verricht en levert de werkgever het bewijs dat deze vennootschap deel uitmaakt van de groep van vennootschappen waartoe hij zelf behoort.
de aanvang van de investering wordt soit le début des travaux de construction, soit le
hetzij de start van de bouwwerkzaamheden premier engagement juridiquement contraignant
bedoeld, hetzij de eerste juridisch bindende de commande d'équipement ou tout autre
toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een engagement rendant l'investissement irréversible,
andere toezegging die de investering selon l'événement qui se produit en premier lieu.
onomkeerbaar maakt, naargelang wat als eerste L'achat de terrains et les préparatifs tels que
plaatsvindt. De aankoop van gronden en l'obtention d'autorisations et la réalisation d’études
voorbereidende werkzaamheden zoals het préliminaires de faisabilité ne sont pas considérés
verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van comme le début de l'investissement. Dans le cas
voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet des rachats, le début de l'investissement est le
als aanvang van de investering beschouwd. Bij moment de l'acquisition des actifs directement liés
overnames is de aanvang van de investering het à l'établissement.
tijdstip van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen inrichting verband houden.
Par finalisation de l'investissement, on entend le moment où cet investissement est effectivement mis en service par l'employeur.
Met de voltooiing van de investering wordt het tijdstip bedoeld waarop deze investering effectief door de werkgever in gebruik wordt genomen.
La dispense de versement n'est pas accordée s'il n'est pas démontré que les nouveaux emplois se rapportent à l'investissement.
De vrijstelling van doorstorting wordt niet verleend indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering.
Un formulaire n'est considéré comme valable que si :
Een formulier is slechts geldig overgelegd indien :
- il apparaît de manière satisfaisante des données mentionnées sur le formulaire ou des annexes ajoutées au formulaire que l'employeur ou l'investissement opéré par l'employeur se trouve dans le champ d'application des paragraphes 1er à 3 respectivement de cet article ou de l'article 2759;
- uit de op het formulier vermelde gegevens of uit de aan het formulier toegevoegde bijlagen voldoende blijkt dat de werkgever of de door de werkgever verrichte investering zich binnen het toepassingsgebied bevindt van paragrafen 1 tot en met 3 van respectievelijk dit artikel of artikel 2759;
- la finalisation effective de l'investissement a eu lieu avant la fin du sixième mois qui suit le mois prévu pour la finalisation de l'investissement tel qu'indiqué sur le formulaire.
- de effectieve voltooiing van de investering heeft plaatsgevonden voor het verstrijken van de zesde maand die volgt op de op het formulier vermelde maand waarin de voltooiing van de investering wordt verwacht.

§ 6. La dispense de versement de précompte professionnel visée au paragraphe 1er ne peut pas être appliquée au précompte professionnel qui est retenu complémentairement en sus du minimum réglementaire du précompte professionnel dû.

§ 6. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die aanvullend bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal verschuldigd is, wordt ingehouden.

§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement qui est situé au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, d'une part dans une zone d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du Pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, de l'autre part dans une zone assisté désignée sur la carte des aides à finalité régionale belge conformément aux lignes directrices concernant les aides d'Etat à finalité régionale (2021/C153/01), qui ont valablement remis un formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte.

§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting, die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier gelegen is, enerzijds in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van

Art. 2759. artikel 2759 en het ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.
5. Alvorens de in § 1, eerste lid, vermelde de versement visée au § 1er, alinéa 1er,
vrijstelling van doorstorting te kunnen verkrijgen, l'employeur est tenu de remettre, au plus tard dans
moet de werkgever ten laatste in de derde maand le courant du troisième mois qui suit la finalisation
na de voltooiing van de investering een door de de l'investissement, un formulaire élaboré par le
Koning (1) opgesteld formulier overleggen waarin Roi (1) où sont reprises les données ou
de nodige gegevens of verklaringen worden déclarations nécessaires relatives à l'identité et à
afgeleverd met betrekking tot de identiteit en l’activité de l’employeur, au projet et à l’exécution
activiteit van de werkgever, de opzet en de l'investissement, à la date de début et de
uitvoering van de investering, de datum van de finalisation attendue ou effective de
aanvang en verwachte of effectieve voltooiing van l'investissement et le cas échéant à l’aide régionale
de investering en in voorkomend geval de voor de demandée ou accordée pour l’investissement.
investering aangevraagde of verleende Dans le formulaire, l’employeur décrit les postes
gewestelijke steun. In het formulier beschrijft de de travail complémentaires attendus, description
werkgever de verwachte bijkomende où est démontré le lien entre ces emplois et
arbeidsplaatsen waarbij het verband tussen deze l'investissement. Dans le formulaire, l’employeur
arbeidsplaatsen en de investering wordt estime également les coûts salariaux liés à ces
aangetoond. In het formulier raamt de werkgever postes de travail complémentaires attendus et
eveneens de loonkosten die verbonden zijn aan calcule sur l'objet la dispense de versement qui
deze verwachte bijkomende arbeidsplaatsen en sera appliquée sur ces salaires. Dans le cas où
berekent hierop de vrijstelling van doorstorting l'employeur demande l'application de l'article
die op deze lonen zal worden toegepast. In het 2758, la moyenne annuelle de personnel, le chiffre
geval de werkgever de toepassing van

Art. 2759/1. artikel 2759/1 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
Art. 369 Art. 369
Les dispositions des articles 366, 367, 371 et 372, sont également applicables aux demandes en remise ou modération du précompte immobilier dans les cas visés à l'article 257.
De bepalingen van de artikelen 366, 367, 371 en 372 zijn mede van toepassing op aanvragen om kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in gevallen als bedoeld in artikel 257.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
RÉGION FLAMANDE VLAAMSE GEWEST
A partir du 1er janvier 2014, l'article 369, tel que d’application au précompte immobilier, est abrogé (voir article 5.0.0.0.1., § 1er, 1°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 – MB 23 décembre 2013).
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 369, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
A partir du 1er janvier 2014, l’article 3.5.3.0.3. du même Code est d'application (voir Code flamand de la Fiscalité).
Vanaf 1 januari 2014, is artikel 3.5.3.0.3. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
... ...
Art. 371 Art. 371
Les réclamations doivent être motivées et introduites, sous peine de déchéance, dans un délai d'un an à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avertissement-extrait de rôle mentionnant le délai de réclamation, telle qu’elle figure sur ledit avertissement-extrait de rôle, ou qui suit la date de l’avis de cotisation ou de la perception des impôts perçus autrement que par rôle.
De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.


----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 371, alinéa 1er, est rédigé comme suit :
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), blijft de tekst van artikel 371, eerste lid, onveranderd:
Les réclamations doivent être motivées et introduites, sous peine de déchéance, dans un délai d'un an à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date de transmission de l'avertissement- extrait de rôle mentionnant le délai de réclamation, telle qu’elle figure sur ledit avertissement-extrait de rôle, ou qui suit la date de l’avis de cotisation ou de la perception des impôts perçus autrement que par rôle.
De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

----------
Dans le cas visé à l’article 302, alinéa 2, le délai commence à courir à la date à laquelle l’avertissement-extrait de rôle est mis à disposition du contribuable au moyen d’une procédure utilisant des techniques informatiques.
In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige is aangeboden.

----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 371, alinéa 2, est abrogé.
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), wordt artikel 371, tweede lid, opgheven.
... ...
Si la réclamation est introduite par lettre recommandée, la date du cachet de la poste figurant sur la preuve d'envoi vaut comme date d'introduction.
Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.

----------
Au plus tard le 1er janvier 2028 (ou à une date à fixer respectivement par le Roi), l'article 371, alinéa 3, est rédigé comme suit :
Ten laatste op 1 januari 2028 (of op een datum respectievelijk te bepalen door de Koning), luidt artikel 371, derde lid, als volgt:
Si la réclamation est introduite par envoi recommandé, la date du cachet de la poste figurant sur la preuve d'envoi vaut comme date d'introduction.
Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende zending, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.

----------
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
RÉGION FLAMANDE VLAAMSE GEWEST
A partir du 1er janvier 2014, l'article 371, tel que d’application au précompte immobilier, est abrogé (voir article 5.0.0.0.1., § 1er, 1°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 – MB 23 décembre 2013).
Vanaf 1 januari 2014, wordt artikel 371, zoals van toepassing voor de onroerende voorheffing, opgeheven (zie artikel 5.0.0.0.1., § 1, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 – BS 23 december 2013).
A partir du 1er janvier 2014, les articles 3.5.2.0.1. et 3.5.2.0.4. du même Code sont d'application (voir Code flamand de la Fiscalité).
Vanaf 1 januari 2014, zijn de artikelen 3.5.2.0.1. en 3.5.2.0.4. van dezelfde Codex van toepassing (zie Vlaamse Codex Fiscaliteit ).
Art. 372 Art. 372
Aussi longtemps qu'une décision n'est pas intervenue, le redevable, son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, peut compléter sa réclamation initiale par des griefs nouveaux, libellés par écrit, même présentés en dehors des délais prévus à l'article 371.
Zolang geen beslissing is gevallen mag de belastingschuldige, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in

Art. 14511. artikel 14511 of wanneer de in het vorige lid vermelde volmacht niet is gegeven, wordt de betaalde som niet op de individuele spaarrekening geboekt.
Les revenus du compte-épargne individuel sont, sous déduction des charges, intégralement investis conformément aux dispositions de l’article 14511.
De inkomsten uit de individuele spaarrekening worden, na aftrek van de kosten, volledig belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 14511.
Le Roi détermine (1) les modalités du contrôle de l’application de cet article.
De Koning bepaalt (1) de wijze waarop de toepassing van dit artikel wordt nagegaan.


------------------------------ (1) art. 635, AR/CIR 92. (1) art. 635, KB/WIB 92.
Art. 14513 Art. 14513
Les valeurs représentatives des réserves techniques relatives à l’activité de l’assurance- épargne sont investies conformément aux dispositions de l’article 14511.
De dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekering worden belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 14511.
Art. 14514 Art. 14514
La réduction pour épargne-pension ne peut être cumulée avec la réduction relative à la libération d’actions ou parts de la société employeur prévue à l’article 1451, 4°.
De vermindering voor pensioensparen kan niet samen met de vermindering voor verwerving van werkgeversaandelen ingevolge artikel 1451, 4°, worden verkregen.
Art. 14515 Art. 14515
Seuls sont autorisés à ouvrir des comptes- épargne collectifs ou individuels les établissements visés à l’article 56, § 2, 2°, a. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, accorder, aux conditions qu’Il détermine, la même autorisation aux sociétés de bourse de droit belge.
Alleen de in artikel 56, § 2, 2°, a vermelde instellingen mogen collectieve of individuele spaarrekeningen openen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, hetzelfde recht toestaan aan beursvennootschappen naar Belgisch recht.
verzekeringsondernemingen als contrats d’assurance-épargne les entreprises
vermeld in artikel 56, § 2, 2°, h, die de tak d’assurances visées à l'article 56, § 2, 2°, h, qui
levensverzekering beoefenen overeenkomstig de exercent l'activité "vie" conformément à la loi du
wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des
toezicht op de verzekerings- of entreprises d'assurance ou de réassurance ou
herverzekeringsondernemingen of overeenkomstig conformément aux dispositions nationales
analoge nationale bepalingen van de andere lidstaat analogues de l'autre Etat membre de l'Espace
van de Europese Economische Ruimte waar ze économique européen où elles sont établies,
gevestigd zijn, die de Europese richtlijnen inzake transposant les Directives européennes en matière
de erkenning van verzekeringsondernemingen d'agrément des entreprises d'assurance ou s'y
omzetten of ernaar verwijzen, mogen spaarver- référant.
zekeringen afsluiten.
Art. 14516 Art. 14516
Pour l’application de l’épargne-pension et de l’article 34, § 1er, 3°, on entend :
Voor de toepassing van het pensioensparen en van artikel 34, § 1, 3°, wordt verstaan onder :

1° par compte-épargne collectif, les parts des fonds d’épargne-pension agréés aux conditions fixées par le Roi (1) ou, pour les fonds établis dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen visés à l'article 1458, § 2, alinéa 1er, de manière analogue et aux conditions analogues, pour se constituer une épargne disponible en cas de vie ou de décès ; ces parts font l’objet d’inscriptions nominatives auprès des établissements visés à l’article 14515, alinéa 1er ;

1° collectieve spaarrekening, de delen van pensioenspaarfondsen die ofwel onder de door de Koning (1) bepaalde voorwaarden, ofwel, voor de in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde fondsen bedoeld in artikel 1458, § 2, eerste lid, op een vergelijkbare wijze en onder vergelijkbare voorwaarden, zijn erkend voor het vormen van spaartegoeden die beschikbaar worden bij leven of bij overlijden ; die delen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 14515, eerste lid, vermelde instellingen ;


------------------------------ (1) art. 636 à 639, AR/CIR 92. (1) art. 636 tot 639, KB/WIB 92.

2° par compte-épargne individuel, les valeurs mobilières acquises et, accessoirement, les sommes conservées en compte par le contribuable en vue de se constituer une épargne disponible en cas de vie ou de décès ; ces valeurs et ces sommes font l’objet d’inscriptions nominatives auprès des établissements visés à l’article 14515, alinéa 1er ;

2° individuele spaarrekening, de door de belastingplichtige aangeschafte roerende waarden en, bijkomend, de op rekening gehouden bedragen, met het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt bij leven of bij overlijden ; die waarden en bedragen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 14515, eerste lid, vermelde instellingen ;

3° par assurance-épargne, l’assurance contractée sur sa tête par le contribuable pour se constituer, auprès d’une entreprise d’assurances visée à l’article 14515, alinéa 2, une pension, une rente ou un capital en cas de vie ou de décès.

3° spaarverzekering, de verzekering door de belastingplichtige op zijn hoofd aangegaan om een pensioen, een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden te vestigen bij een in artikel 14515, tweede lid, vermelde verzekeringsonderneming.
Art. 14516bis Art. 14516bis
... ...
Sous-section IIter.- ... Onderafdeling IIter.- ...
Art. 14517 - 14520 Art. 14517 - 14520
... ...
Sous-section IIquater.- Réduction pour dépenses payées pour des prestations dans le cadre des agences locales pour l’emploi et pour des prestations payées avec des titres-services autres que des titres-services sociaux.
Onderafdeling IIquater.- Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques.
Art. 14521 Art. 14521
Aux conditions prévues à l’article 14522, il est accordé une réduction d’impôt calculée sur les dépenses jusqu’à concurrence de 920 EUR au plus par contribuable qui ne constituent pas des frais professionnels et qui sont effectivement payées pendant la période imposable pour des prestations, à fournir par un travailleur dans le cadre des agences locales pour l’emploi ou pour des prestations payées avec des titres-services visés dans la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d’emplois de proximité, autres que des titres- services sociaux.
Onder de voorwaarden bepaald in artikel 14522, wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de uitgaven tot ten hoogste 920 EUR per belastingplichtige die geen beroepskosten zijn en die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties, te verrichten door een werknemer in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen of voor prestaties betaald met dienstencheques bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, andere dan sociale dienstencheques.
La réduction d’impôt est égale à 30 p.c. des dépenses visées à l’alinéa 1er.
De belastingvermindering is gelijk aan 30 pct. van de in het eerste lid bedoelde uitgaven.
Pour déterminer le montant des dépenses visées à l’alinéa 1er, il n’est tenu compte que de la valeur nominale des chèques-ALE visés par la réglementation relative aux agences locales pour l’emploi ou de la valeur nominale des titres- services visés dans la loi du 20 juillet 2001 visés à l’alinéa 1er.
Voor het bepalen van het bedrag van de in het eerste lid vermelde uitgaven wordt alleen rekening gehouden met de nominale waarde van de PWA-cheques vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheids- agentschappen of met de nominale waarde van de in het eerste lid bedoelde dienstencheques.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
Texte : CIR 92 - Version historique – Région flamande
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. RÉGION BRUXELLES CAPITALE B. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Texte : CIR 92 - Version historique – Région de Bruxelles-Capitale
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Art. 14522 Art. 14522
Le Roi détermine (1) les conditions auxquelles les dépenses visées à l’article 14521 doivent satisfaire pour être prises en considération pour la réduction d’impôt.
De Koning bepaalt (1) de voorwaarden waaraan de in

Art. 14515. artikel 14515 vermelde instellingen, die in België gevestigd zijn of die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, gemachtigd zijn hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen door de vestiging van een bijkantoor, de verplichting opleggen om de belastingadministratie in te lichten over inkomsten uit het pensioensparen als bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, en overdrachten als vermeld in het eerste lid, 3°.
Le Roi peut adapter ce taux en fonction de la modification du taux technique de 4,75 p.c. prévu à l'article 28, 1°, a, de l'arrêté royal du 5 juillet 1985 relatif à l'activité d'assurance sur la vie.

§ 3. Le montant imposable de l'épargne visée au § 2, 1°, est égal au montant correspondant à la capitalisation, au taux de 4,75 p.c. l'an, du montant total des sommes nettes portées au compte-épargne qui sont prises en considération pour la réduction d'impôt.
De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 pct., bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

§ 4. Les capitaux qui résultent d'un contrat d'assurance-vie individuelle ou d'un contrat d'assurance épargne qui a servi à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt conclu par l'assuré pour un bien immobilier, et qui sont liquidés suite à son décès, sont imposables :

§ 4. De kapitalen die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract of een spaarverzekeringscontract dat heeft gediend voor het wedersamenstellen of waarborgen van een door de verzekerde gesloten lening voor een onroerend goed, en die worden vereffend ingevolge zijn overlijden, zijn belastbaar :

1° à concurrence du montant qui sert à la reconstitution ou à la garantie de cet emprunt :

1° tot het bedrag dat dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van die lening :
- dans le chef des personnes qui, suite au décès de l'assuré, acquièrent la pleine propriété ou l'usufruit du bien immobilier pour lequel l'emprunt est conclu et dont l'assuré était, au moment du décès, plein propriétaire ;
- in hoofde van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed verwerven waarvoor de lening is gesloten en waarvan de verzekerde op het tijdstip van overlijden volle eigenaar was ;
- dans le chef des héritiers de l'assuré
dans les autres cas ;
- in hoofde van de erfgenamen van de
verzekerde in alle andere gevallen ;

2° pour le solde éventuel, dans le chef du bénéficiaire mentionné dans le contrat.

2° voor het eventuele saldo, in hoofde van de in het contract vermelde begunstigde.

§ 5. Les valeurs de rachat de contrats d'assurance-vie visées au § 1er, 2°, constituées au moyen de cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré en vue de la constitution d'une rente ou d'un capital en cas de vie ou en cas de décès, ou de cotisations visées au § 1er, 2°, alinéa 1er, d et e, , et les valeurs de rachat d'une assurance-épargne visées au § 2, 2°, comprennent également :

§ 5. De afkoopwaarden van levens- verzekeringscontracten als bedoeld in § 1, 2°, die zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of door bijdragen als vermeld in § 1, 2°, eerste lid, d en e, en de afkoopwaarden van een spaarverzekering als bedoeld in § 2, 2°, omvatten eveneens :
de afkoopwaarden bedoeld in artikel 6, § 2, de l'arrêté royal du 14 novembre 2008
van het koninklijk besluit van 14 november portant exécution des mesures anti-crise
2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen reprises dans la loi du 22 février 1998 fixant
voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot le statut organique de la Banque nationale
vaststelling van het organiek statuut van de de Belgique, en ce qui concerne la création
Nationale Bank van België, voor wat betreft du Fonds de garantie pour les services
de oprichting van het Garantiefonds voor financiers créé par ledit arrêté du 14
financiële diensten, die worden uitbetaald novembre 2008, ou par un Fonds similaire
door het Bijzonder Beschermingsfonds voor établi dans un autre Etat membre de
deposito's en levensverzekeringen opgericht l'Espace économique européen ;
door het genoemde koninklijk besluit van 14 november 2008, of door een gelijkwaardig garantiefonds gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ;

2° toute somme payée par un liquidateur ou un curateur au preneur d'assurance lorsqu'il est constaté que l'entreprise d'assurance est défaillante, à savoir :

2° iedere som die door een vereffenaar of een curator wordt uitbetaald aan de verzekeringnemer wanneer is vastgesteld dat de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven, namelijk :
a) soit lorsque l'entreprise d'assurance
est déclarée en faillite ;
a) hetzij wanneer de verzekerings-
onderneming failliet is verklaard ;
b) soit lorsque l'autorité compétente pour le contrôle de nature prudentielle a notifié au Fonds de garantie ou à un Fonds similaire qu'elle a constaté que la situation financière de l'entreprise d'assurance l'a conduite à refuser de rembourser un avoir exigible et ne lui permet plus, dans l'immédiat ou dans un délai rapproché, de procéder au remboursement d'un tel avoir.
b) hetzij wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het toezicht van prudentiële aard, het Garantiefonds of een gelijkwaardig Fonds ter kennis heeft gebracht dat zij vastgesteld heeft dat de financiële toestand van de verzekeringsonderneming haar ertoe geleid heeft de terugbetaling van een opeisbaar tegoed te weigeren en haar niet meer in staat stelt om een dergelijk tegoed onmiddellijk of binnen afzienbare termijn terug te betalen.
Art. 35 Art. 35
Les pensions, rentes et allocations en tenant lieu qui sont payées ou attribuées globalement aux deux conjoints, sont considérées comme des revenus de chaque conjoint en proportion des droits personnels dont dispose chacun d'eux dans ces pensions.
Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, worden aangemerkt als inkomsten van iedere echtgenoot in verhouding tot de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in die pensioenen heeft opgebouwd.
La proportion visée à l'alinéa 1er est fixée par l'organisme qui se porte garant pour l'attribution des droits à la pension.
De in het eerste lid beoogde verhouding wordt vastgesteld door de instelling die instaat voor de toekenning van de pensioenrechten.
- Raming van anders dan in geld verkregen qu'en espèces.
inkomsten.
Art. 36 Art. 36

§ 1er. Les avantages de toute nature qui sont obtenus autrement qu'en espèces sont comptés pour la valeur réelle qu'ils ont dans le chef du bénéficiaire.

§ 1. Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger.
Dans les cas qu'Il détermine, le Roi (1) peut fixer des règles d'évaluation forfaitaire de ces avantages.
In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning (1) regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen.


------------------------------ (1) art. 18, AR/CIR 92. (1) art. 18, KB/WIB 92.

§ 2. L'avantage de toute nature résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition visé à l'article 65 est calculé en appliquant un pourcentage-CO2 à 6/7 de la valeur catalogue du véhicule mis gratuitement à disposition.

§ 2. Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig als bedoeld in

Art. 14521. artikel 14521 vermelde uitgaven moeten voldoen om voor belastingvermindering in aanmerking te komen.


------------------------------ (1) art. 6310, AR/CIR 92. (1) art. 6310, KB/WIB 92.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
RÉGION WALLONNE WAALSE GEWEST
Texte : CIR 92 - Version historique – Région wallonne
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
Art. 14523 Art. 14523

§ 1er. Lorsqu’une imposition commune est établie, la réduction d’impôt visée à l’article 14521 est répartie proportionnellement en fonction du revenu imposé conformément à l’article 130 de chaque conjoint dans l’ensemble des revenus imposés conformément à l’article 130 des deux conjoints.

§ 1. In geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt de in

Art. 14530. artikel 14530 zoals het tot aanslagjaar 2014 van toepassing was.
L’alinéa 1er n’est applicable que lorsqu’il est satisfait aux conditions suivantes:
Het eerste lid is slechts van toepassing indien aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

1° il s’agit d’une réévaluation visée au § 1er, 2°
ou 3°;

1° het betreft een herschatting bedoeld in § 1,

2° of 3°;

2° l’évènement dont la déclaration est prescrite à l’article 473, s’est produit au plus tard le 31 décembre 2013.

2° het feit waarvan de aangifte bij

Art. 14535. artikel 14535 vermelde vermindering voor kinderoppas ;

7° pour chaque personne à charge visée à l’article 136, 2° et 3°, qui est dans une situation de dépendance et qui a atteint l’âge de 66 ans : 2610 EUR ;

7° voor elke persoon ten laste die is bedoeld in artikel 136, 2° en 3°, en die de leeftijd van 66 jaar heeft bereikt en zorgbehoevend is: 2610 EUR ;


----------
A partir de l'exercice d'imposition 2031, l'article 132, alinéa 1er, 7°, est rédigé comme suit :
Vanaf aanslagjaar 2031, luidt artikel 132, eerste lid, 7°, als volgt :

7° pour chaque personne à charge visée à l’article 136, 2° et 3°, qui est dans une situation de dépendance et qui a atteint l’âge de 67 ans : 2610 EUR ;

7° voor elke persoon ten laste die is bedoeld in artikel 136, 2° en 3°, en die de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt en zorgbehoevend is: 2610 EUR ;


----------

8° pour chaque autre personne à charge :
870 EUR.

8° voor iedere andere persoon ten laste :
870 EUR.
Pour l’application de l'alinéa 1er, 1° à 6° et 8°, les enfants et autres personnes à charge considérés comme handicapés sont comptés pour deux.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1° tot 6° en 8°, worden als gehandicapt aangemerkte kinderen en andere personen ten laste voor twee gerekend.
de toepassing van het eerste lid, 7°, considérée comme étant en situation de
wordt als zorgbehoevend aangemerkt, de persoon dépendance la personne pour laquelle le degré
voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten d'autonomie est évalué à au moins 9 points
minste 9 punten werd vastgesteld krachtens het conformément à l'arrêté ministériel du 30 juillet
ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling 1987 fixant les catégories et le guide pour
van de categorieën en van de handleiding voor de l'évaluation du degré d'autonomie en vue de
evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met l'examen du droit à l'allocation d'intégration. La
het oog op het onderzoek naar het recht op de situation de dépendance est constatée par la
integratietegemoetkoming. De zorgbehoevendheid Direction générale Personnes handicapées du SPF
wordt vastgesteld door de Directie-generaal Sécurité sociale, Medex ou le médecin-conseil
Personen met een handicap van de FOD Sociale auprès de la mutualité, ou une institution ou
Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij personne similaire d'un autre Etat membre de
het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of l'Espace économique européen.
persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Art. 132bis Art. 132bis
Les suppléments visés à l'article 132, alinéa 1er, 1° à 6°, sont répartis entre les deux contribuables qui ne font pas partie du même ménage mais qui remplissent l'obligation d'entretien prévue à l'article 203, § 1er, du Code civil à l'égard d'un ou plusieurs enfants à charge qui donnent droit aux suppléments visés ci-avant et dont l'hébergement est réparti de manière égalitaire entre les deux contribuables:
De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar die voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek van één of meer kinderen ten laste die recht geven op bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen:
- soit sur la base d’une convention enregistrée ou homologuée par un juge dans laquelle il est mentionné explicitement que l’hébergement de ces enfants est réparti de manière égalitaire entre les deux contribuables et qu’ils sont disposés à répartir les suppléments à la quotité du revenu exemptée d’impôt pour ces enfants ;
- hetzij op grond van een geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen ;
- soit sur la base d’une décision judiciaire où il est explicitement mentionné que l’hébergement de ces enfants est réparti de manière égalitaire entre les deux contribuables.
- hetzij op grond van een rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen.
Dans ce cas, les suppléments visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 5°, auxquels ces enfants donnent droit, déterminés abstraction faite de l’existence d’autres enfants dans le ménage dont ils font partie, sont attribués pour moitié à chacun des contribuables.
In dat geval worden de toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, waarop die kinderen recht geven, en die worden vastgesteld ongeacht of er al dan niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan ze deel uitmaken, voor de helft toegekend aan elk van de belastingplichtigen.
het geval bedoeld in het eerste lid wordt supplément visé à l’article 132, alinéa 1er, 6°, est
de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, attribué pour moitié au contribuable qui ne
voor de helft toegekend aan de belastingplichtige demande pas la réduction pour garde d’enfant
die geen vermindering vraagt voor kinderoppas visée à l’article 14535.
bedoeld in artikel 14535.
Une copie de la décision judiciaire ou de la convention visée à l'alinéa 1er, doit être tenue à la disposition de l'administration aussi longtemps qu'ils remplissent l'obligation d'entretien prévue à l'article 203, § 1er, du Code civil à l'égard d'au moins un des enfants, dont l'hébergement est réparti de manière égalitaire et qui donne droit aux suppléments visés au présent article.
Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking worden gehouden van de administratie zolang zij voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, voor minstens één van de kinderen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.
Le présent article n’est applicable que si, au plus tard au 1er janvier de l’exercice d’imposition, la convention visée à l’alinéa 1er est enregistrée ou homologuée ou la décision judiciaire visée à l’alinéa 1er est rendue.
Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.
Le présent article n’est pas applicable aux suppléments visés à l’alinéa 1er se rapportant à un enfant pour lequel des rentes alimentaires visées à l’article 104, 1°, sont déduites par un des contribuables susvisés.
Dit artikel is niet van toepassing op de in de eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in artikel 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen.
Art. 133 Art. 133
Le montant de base fixé conformément à l'article 131 est, en outre, majoré des suppléments suivants :
Het overeenkomstig

Art. 14537.

§ 1. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald:
- de interesten en de betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening die specifiek is gesloten om een enige woning te verwerven of te behouden;
- de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levens- verzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het weder samenstellen of het waarborgen van een dergelijke hypothecaire lening.
De in het eerste lid vermelde interesten, betalingen en bijdragen komen slechts voor de vermindering in aanmerking wanneer de woning waarvoor die uitgaven zijn gedaan, de eigen woning is van de belastingplichtige op het tijdstip van die uitgave.

§ 2. Het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde interesten, betalingenen bijdragen dat in aanmerking wordt genomen voor de belastingvermindering, mag per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 1 500 euro.
Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt verhoogd met 500 euro gedurende de eerste tien belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin de leningsovereenkomst wordt afgesloten. Het in het tweede lid vermelde bedrag wordt verhoogd met 50 euro wanneer de belastingplichtige drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na dat waarin de leningsovereenkomst is afgesloten.
Voor de toepassing van het derde lid worden als gehandicapt aangemerkte kinderen ten laste voor twee gerekend.
De in het tweede en derde lid vermelde verhogingen worden niet toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker wordt van een tweede woning. De toestand wordt beoordeeld op 31 december van dat belastbaar tijdperk.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en beide echtgenoten uitgaven hebben gedaan die recht geven op de belastingvermindering, kunnen de echtgenoten deze uitgaven vrij verdelen binnen de in de vorige leden bedoelde begrenzingen.

§ 3. De belastingvermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130, met een minimum van 30 pct. Ingeval de uitgaven die voor de vermindering in aanmerking komen, betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk deel van de bijdragen en betalingen het overeenstemmend tarief in aanmerking genomen.

§ 4. De belastingvermindering kan worden omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet wanneer aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: 1° de lening is afgesloten vóór 1 januari 2015;

2° er wordt een gemeenschappelijke aanslag gevestigd; 3° het overeenkomstig artikel 130 belaste inkomen van de belastingplichtige bedraagt minder dan de som van het bedrag van de belastingvrije som dat hem op grond van artikel 131 wordt toegekend en het overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 bepaalde bedrag waarvoor de belastingvermindering kan worden verleend.
Het belastingkrediet wordt evenwel beperkt tot het positieve verschil tussen: 1° het bedrag van de belastingvermindering bepaald overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, met uitzondering evenwel van de toepassing van het minimum van 30 pct., voor de in paragraaf 1 vermelde uitgaven die desgevallend worden beperkt tot het overeenkomstig artikel 130 belast inkomen en

2° de som van:
- het bedrag van de belastingvermindering dat werd aan- gerekend op de gewestelijke opcentiemen en belastingvermeer- deringen, verminderd met de gewestelijke kortingen, en op het saldo van de federale personen- belasting;
- het bedrag van de op grond van de artikelen 146 tot 154, 155 en 156 verleende belastingverminderingen;
- het bedrag van de andere gewestelijke belastingverminderingen dat werd aangerekend op de gewestelijke opcentiemen en belastingvermeer- deringen, verminderd met de gewestelijke kortingen, en op het saldo van de federale personenbelasting;
- het bedrag van de in de artikelen 1451 tot 14516, 14524, 14528, 14532 tot 14535 en 154bis, vermelde belastingvermin- deringen dat werd aangerekend.
Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag wordt bovendien beperkt tot de door de andere echtgenoot verschuldigde totale belasting. GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
A. VLAAMSE GEWEST
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. WAALSE GEWEST

Art. 14539. artikel 14539 vermelde uitgaven wanneer die:

1° des emprunts contractés en vue de construire, acquérir ou transformer l’habitation propre, qui sont conclus avant le 1er janvier 1993;

1° hypothecaire leningen betreffen die zijn gesloten om de eigen woning te bouwen, verwerven of verbouwen, die zijn aangegaan vóór 1 januari 1993;

2° des contrats d’assurance-vie qui servent exclusivement à la reconstitution ou à la garantie d’un emprunt hypothécaire visé au 1°.

2° levensverzekeringscontracten betreffen die uitsluitend dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een in 1° vermelde hypothecaire lening.
Dans ces cas: In die gevallen:

1° en ce qui concerne les emprunts contractés jusqu’au 31 décembre 1988, les sommes affectées à l’amortissement ou à la reconstitution d’un emprunt hypothécaire ne sont prises en considération pour la réduction d’impôt visée à l’article 14539 qu’aux conditions visées à l’article 516, § 1er, 1°;

1° komen, wat de tot 31 december 1988 aangegane leningen betreft, de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen, slechts voor de in

Art. 14540. artikel 14540 wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald:

1° à titre de cotisations d’une assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré que le contribuable a payées à titre définitif dans un État membre de l’Espace économique européen pour constituer une rente ou un capital en cas de vie ou en cas de décès en exécution d’un contrat d’assurance-vie qu’il a conclu individuellement lorsque ce capital sert à la reconstitution ou à la garantie d’un emprunt qui a été contracté spécifiquement pour acquérir ou conserver une habitation située dans un état membre de l’Espace économique européen qui est au moment du paiement de ces cotisations l’habitation propre du contribuable;

1° als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die een belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden wanneer dat kapitaal dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een lening die specifiek is aangegaan voor het verwerven of behouden van een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die op het moment van de betaling van die bijdragen de eigen woning is van de belastingplichtige;

2° à titre de sommes affectées à l’amortissement ou à la reconstitution d’un emprunt hypothécaire contracté spécifiquement en vue de construire, acquérir ou transformer une habitation située dans un État membre de l’Espace économique européen qui est au moment du paiement l’habitation propre du contribuable.

2° als betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening die specifiek is aangegaan om in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die op het moment van de betaling de eigen woning is van de belastingplichtige, te bouwen, te verwerven of te verbouwen.
La réduction d’impôt est calculée au taux de 30 p.c.
De belastingvermindering wordt berekend tegen het tarief van 30 pct.
DISPOSITIONS FISCALES REGIONALES GEWESTELIJKE FISCALE BEPALINGEN
Texte : CIR 92 - Version historique – Région flamande
Tekst : WIB 92 – Historische versie – Vlaams Gewest
B. RÉGION WALLONNE B. WAALSE GEWEST
Texte : CIR 92 - Version historique – Région wallonne
Tekst : WIB 92 – Historische versie –Waals Gewest
Art. 14540 Art. 14540

§ 1er. Les cotisations visées à l’article 14539, alinéa 1er, 1°, sont prises en considération pour la réduction d’impôt à condition:

§ 1. De in artikel 14539, eerste lid, 1°, vermelde bijdragen komen voor de belasting- vermindering in aanmerking op voorwaarde dat:

1° que le contrat d’assurance-vie soit souscrit: 1° het levensverzekeringscontract is aangegaan:
a) par le contribuable qui, en outre s’est
assuré exclusivement sur sa tête;
a) door de belastingplichtige die daarbij
alleen zichzelf heeft verzekerd;
b) avant l’âge de 65 ans; les contrats qui sont prorogés au-delà du terme initialement prévu, remis en vigueur, transformés ou augmentés, alors que l’assuré a atteint l’âge de 65 ans ne sont pas considérés comme souscrits avant cet âge;
b) vóór de leeftijd van 65 jaar; contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd worden wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan;
c) pour une durée minimum de 10 ans lorsqu’il prévoit des avantages en cas de vie;
c) voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;

2° que les avantages du contrat soient stipulés: 2° de voordelen van het contract bedongen zijn:
a) en cas de vie, au profit du contribuable à partir de l’âge de 65 ans;
a) bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar;
b) en cas de décès: b) bij overlijden:
- ten belope van het verzekerde kapitaal dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de lening, ten gunste van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van dat onroerend goed verkrijgen;
- à concurrence du capital assuré qui ne sert pas à la reconstitution ou à la garantie de l’emprunt, au profit du conjoint ou des parents jusqu’au deuxième degré du contribuable;
- ten belope van het verzekerde kapitaal dat niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de lening, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige;

3° que ces cotisations ne puissent pas entrer en considération, en tout ou en partie, pour l’application des articles 52, 7°bis, ou 14537.

3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van de artikelen 52, 7°bis, of 14537.

§ 2. Les sommes affectées à l’amortissement ou à la reconstitution d’un emprunt hypothécaire visées à l’article 14539, alinéa 1er, 2°, sont prises en considération pour la réduction d’impôt à condition:

§ 2. De in artikel 14539, eerste lid, 2°, vermelde betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening komen voor de belastingvermindering in aanmerking op voorwaarde dat:

1° que l’emprunt soit contracté pour une durée minimum de 10 ans auprès d’un établissement ayant son siège dans l’Espace économique européen;

1° de lening is aangegaan voor een looptijd van ten minste 10 jaar bij een instelling die in de Europese Economische Ruimte is gevestigd;

2° que ces sommes ne puissent pas entrer en considération pour l’application de l’article 14537.

2° de betalingen niet in aanmerking komen
voor de toepassing van artikel 14537.
Les paiements visés à l’article 14539, alinéa 1er, 2°, ne sont pris en considération pour l’octroi de la réduction que dans la mesure où ils concernent la première tranche de 50.000 euros du montant initial des emprunts contractés pour cette habitation.
De in artikel 14539, eerste lid, 2°, vermelde betalingen komen slechts voor de belastingvermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 euro van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen.
Pour les emprunts qui ont été contractés avant le 1er janvier 2001, la première tranche visée à l’alinéa précédent s’élève à 2 000.000 BEF. Ce montant est indexé conformément à l’article 178, tel qu’il était applicable pour l’exercice d’imposition lié à la période imposable pendant laquelle l’emprunt a été contracté et ensuite converti en euros.
Voor de leningen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2001, bedraagt de in het vorige lid vermelde eerste schijf 2 000.000 BEF. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig

Art. 14543. artikel 14543 vermelde belasting- vermindering;

2° ils n’excèdent pas les revenus de l’habitation propre déterminés conformément aux articles 7, § 1er, 1°, a, premier tiret, 8 à 11, 13, 15 et 518.

2° ze niet meer bedragen dan het overeenkomstig de artikelen 7, § 1, 1°, a, eerste streepje, 8 tot 11, 13, 15 en 518 bepaalde inkomen van de eigen woning.
La réduction d’impôt s’élève à 12,5 p.c. des intérêts et redevances pris en considération.
De belastingvermindering bedraagt 12,5 pct. van de in aanmerking genomen interesten en vergoedingen.
een gemeenschappelijke aanslag établie, la réduction d’impôt est calculée pour les
wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering deux conjoints ensemble. La réduction d’impôt
voor de beide echtgenoten samen berekend. De ainsi calculée est répartie proportionnellement en
aldus berekende belastingvermindering wordt fonction du revenu imposé conformément à
omgedeeld in functie van het overeenkomstig l’article 130 de chaque conjoint dans l’ensemble

Art. 20111. artikel 20111 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

6°/2 la taxe annuelle sur les organismes de placement collectif visée à l'article 20121 du Code des droits et taxes divers ;

6°/2 de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen vermeld in

Art. 20121. artikel 20121 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
de jaarlijkse taks op de d'assurance visée à l'article 20130 du Code
verzekeringsondernemingen vermeld in des droits et taxes divers ;

Art. 20130. artikel 20130 van het Wetboek diverse rechten en taksen;

7° les réductions de valeur et les moins-values sur les actions ou parts, à l'exception des moins-values actées à l'occasion du partage total de l'avoir social d'une société jusqu'à concurrence de la perte du capital libéré représenté par ces actions ou parts et des réductions de valeur et des moins-values sur les actions ou parts appartenant à un portefeuille commercial, tel que visé à l'article 35ter, § 1er, alinéa 2, a, de l'arrêté royal du 23 septembre 1992 relatif aux comptes annuels des établissements de crédit, des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif ;

7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het verlies aan gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd en de waardeverminderingen en de minderwaarden op de aandelen die behoren tot de handelsportefeuille, zoals bedoeld in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging ;

8° la partie prise en charge d'un escompte comptabilisé sur des immobilisations incorporelles ou corporelles non amortissables, ou financières, pour autant que le prix d'achat est inférieur à la valeur réelle majorée de l'escompte;

8° het in kosten opgenomen deel van een op niet-afschrijfbare immateriële of materiële, of financiële vaste activa geboekt disconto, voor zover de aankoopprijs lager is dan de werkelijke waarde verhoogd met het disconto;

9° les frais de véhicules visés à l'article 65, mis, gratuitement ou non, à disposition à des fins personnelles, à concurrence de 17 % du montant tel que déterminé conformément à l'article 36, § 2, alinéas 1er à 12 ;

9° de kosten van in

Art. 27511. artikel 27511 in mindering wordt gebracht van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing;

27° ... 27° ...

28° les primes pour une assurance protection juridique telle que visée à l'article 14549, § 1er.

28° premies voor een rechtsbijstandsverzekering
als bedoeld in artikel 14549, § 1.

29° la taxe annuelle sur les comptes-titres visée à l'article 201/4 du Code des droits et taxes divers ;

29° de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen vermeld in

Art. 27513. artikel 27513 van het WIB 1992) Het Hof vernietigt de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22.12.2023

§ 1er. Les dispositions du présent article sont applicables aux employeurs relevant de la commission paritaire pour les entreprises horticoles et dont l'activité principale est la fruiticulture ou la culture maraîchère.

§ 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt.

§ 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par:

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1° fruiticulture: la culture de fruits durs, de fruits mous et de fruits à noyaux, y compris la viticulture;

1° fruitteelt: de teelt van hard fruit, zacht fruit en steenvruchten met inbegrip van de druiventeelt;

2° culture maraîchère: la culture de légumes en plein air ou sous serre, à l'exclusion de la culture des champignons et des truffes;

2° groenteteelt: de teelt van groenten in open lucht of onder glas, met uitzondering van de teelt van paddenstoelen en truffels;

3° travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère: travailleur occasionnel tel que visé à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, qui est occupé par un employeur visé à l'article 4;

3° gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt: gelegenheidsarbeider als bedoeld in