Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 JANUARI 2026. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023betreffende de gemeenschappelijke begrippen voor de interventies en steunmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de conditionaliteit
Titre
15 JANVIER 2026. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif aux notions communes aux interventions et aides de la politique agricole commune et à la conditionnalité
Documentinformatie
Info du document
Tekst (13)
Texte (13)
Artikel 1. In artikel 2, § 1, eerste lid, van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de gemeenschappelijke begrippen voor de interventies en steunmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de conditionaliteit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 6 februari 2025, wordt punt 27° aangevuld met de woorden: "en die met een partner verbonden zijn".
Article 1er. Dans l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif aux notions communes aux interventions et aides de la politique agricole commune et à la conditionnalité, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, le 27° est complété par les mots " qui sont liés à un partenaire ".
Art. 2. In artikel 41/1, § 1 tweede lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 6 februari 2025, wordt het woord "agrometeorologisch" vervangen door het woord "meteorologisch".
Art. 2. Dans l'article 41/1, § 1er, alinéa 2, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, le mot " agrométéorologie " est remplacé par le mot " météorologie ".
Art. 3. In artikel 43 van hetzelfde besluit worden de woorden "31 augustus" vervangen door de woorden "31 oktober".
Art. 3. Dans l'article 43 du même arrêté, les mots " 31 août " sont remplacés par les mots " 31 octobre ".
Art. 4. In artikel 44 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "15 september" vervangen door de woorden "15 november";
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "15 september" vervangen door de woorden "15 november";
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 4. A l'article 44 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " 15 septembre " sont remplacés par les mots " 15 novembre " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " 15 septembre " sont remplacés par les mots " 15 novembre " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 5. In artikel 45, derde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "15 september" vervangen door de woorden "15 november".
Art. 5. Dans l'article 45, alinéa 3, du même arrêté, les mots " 15 septembre " sont remplacés par les mots " 15 novembre ".
Art. 6. In deel 3, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen als volgt:
"Onderafdeling 1. Kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (GLMC1)".
"Onderafdeling 1. Kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (GLMC1)".
Art. 6. Dans la partie 3, titre 2, chapitre 1er, section 2, du même arrêté, l'intitulé de la sous-section 1ère est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 1ère. Cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau (ERMG 1) ".
" Sous-section 1ère. Cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau (ERMG 1) ".
Art. 7. Artikel 51 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 51. De landbouwer voldoet aan de volgende bepalingen:
1° de artikelen D.40, D.159 en D.169 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, met betrekking tot de onttrekking van zoet water uit oppervlaktewater en grondwater;
2° artikel D.I.IV, eerste lid, 9°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met betrekking tot de ingrijpende wijziging van het bodemreliëf bedoeld in artikel R.IV.4-3, eerste lid, 11°, van dat Wetboek;
3° artikel 3 van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein met betrekking tot de onttrekking van zoet water uit oppervlaktewater en grondwater.
De landbouwer voldoet aan de artikelen D.33/3, vierde lid, D.42-1 en D.52-1 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.".
"Art. 51. De landbouwer voldoet aan de volgende bepalingen:
1° de artikelen D.40, D.159 en D.169 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, met betrekking tot de onttrekking van zoet water uit oppervlaktewater en grondwater;
2° artikel D.I.IV, eerste lid, 9°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met betrekking tot de ingrijpende wijziging van het bodemreliëf bedoeld in artikel R.IV.4-3, eerste lid, 11°, van dat Wetboek;
3° artikel 3 van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein met betrekking tot de onttrekking van zoet water uit oppervlaktewater en grondwater.
De landbouwer voldoet aan de artikelen D.33/3, vierde lid, D.42-1 en D.52-1 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.".
Art. 7. L'article 51 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 51. L'agriculteur respecte les dispositions suivantes :
1° les articles D.40, D.159 et D.169 du livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau en ce qui concerne les captages d'eau douce dans les eaux de surface et les eaux souterraines ;
2° l'article D.I.IV, alinéa 1er, 9°, du Code du Développement territorial en ce qui concerne la modification sensible du relief du sol visée à l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 11°, dudit Code ;
3° l'article 3 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques en ce qui concerne les captages d'eau douce dans les eaux de surface.
L'agriculteur respecte les articles D.33/3, alinéa 4, D.42-1 et D.52-1 du livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau. ".
" Art. 51. L'agriculteur respecte les dispositions suivantes :
1° les articles D.40, D.159 et D.169 du livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau en ce qui concerne les captages d'eau douce dans les eaux de surface et les eaux souterraines ;
2° l'article D.I.IV, alinéa 1er, 9°, du Code du Développement territorial en ce qui concerne la modification sensible du relief du sol visée à l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 11°, dudit Code ;
3° l'article 3 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques en ce qui concerne les captages d'eau douce dans les eaux de surface.
L'agriculteur respecte les articles D.33/3, alinéa 4, D.42-1 et D.52-1 du livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau. ".
Art. 8. In deel 3, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 3, van hetzelfde besluit, worden de onderafdelingen 1 en 2 bevattende de artikelen 54 tot 56, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 10 januari 2024 en gewijzigd bij het decreet van de Waalse Regering van 6 februari 2025, opgeheven.
Art. 8. Dans la partie 3, titre 2, chapitre 1er, section 3, du même arrêté, les sous-sections 1ère et 2, comportant les articles 54 à 56, remplacés par l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 janvier 2024 et modifiés par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, sont abrogées.
Art. 9. In deel 3, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, bevattende de artikelen 60/1 tot en met 60/6, die als volgt luidt :
"Onderafdeling 2/1. Minimaal grondbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse om de erosie te beperken (GLMC 5)".
Art. 60/1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
1° "inrichting": de heggen en taluds op het landbouwperceel en de aan het landbouwperceel grenzende oppervlakten die bestaan uit weidegrassen of wintergranen, die als zuivere teelt of in mengteelt met peulvruchten worden aangeplant;
2° "aanvankelijk balans": de TOC/kleiverhouding die in het eerste jaar van de verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem " wordt beoordeeld overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen;
3° "eindbalans": de TOC/kleiverhouding die in het laatste jaar van de verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem " wordt beoordeeld overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen;
4° "pixel": de kaarteenheid van tien bij tien meter waarvoor een langjarig gemiddeld jaarlijks bodemverlies wordt bepaald overeenkomstig artikel 60/2, § 1 ;
5° "gunstige TOC/kleiverhouding": de verhouding tussen het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem, afgekort TOC, en het granulometrische kleigehalte, afgekort klei, die is beoordeeld op het maaiveld van een betrokken perceel en die in het kader van agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodems" overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen als gunstig beoordeeld en geclassificeerd is.
Art. 60/2. § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt aan elke pixel van het landbouwperceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van het gemiddelde jaarlijkse bodemverlies op lange termijn, dat wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A = R*K*LS.
Voor de toepassing van de in lid 1 genoemde formule geldt het volgende:
1° "A" komt overeen met het gemiddelde jaarlijkse bodemverlies op lange termijn, uitgedrukt in ton per hectare per jaar (t/(ha. jaar));
2° "R" komt overeen met de erosiviteitsindex van regen, uitgedrukt in megajoule vermenigvuldigd met millimeter en gedeeld door hectare, per uur en per jaar;
3° "K" komt overeen met de erosie-index van de bodem, die kenmerkend is voor de textuur van de bodem en het gehalte aan organische stoffen, uitgedrukt in tonnen vermenigvuldigd met uren en gedeeld door megajoule en millimeters;
4° "LS" komt overeen met de topografische factor, die de lengte van de helling en de hellingsgraad combineert en wordt geschat door rekening te houden met de positie van de pixel op de helling.
§ 2. Op basis van het resultaat van de in paragraaf 1 bedoelde formule, uitgedrukt in relatieve gegevens, wordt aan elke pixel van het perceel een van de volgende zes erosiegevoeligheidsklassen toegekend:
a) klasse 1: zeer laag, wanneer "A" groter is dan 0 en kleiner dan of gelijk aan 1;
b) klasse 2: laag, wanneer "A" groter is dan 1 en kleiner dan of gelijk aan 5;
c) klasse 3: gemiddeld, wanneer "A" groter is dan 5 en kleiner dan of gelijk aan 7,5;
d) klasse 4: hoog, wanneer "A" groter is dan 7,5 en kleiner dan of gelijk aan 12,5;
klasse 5: zeer hoog, wanneer "A" groter is dan 12,5 en kleiner dan of gelijk aan 20;
f) klasse 6: extreem, wanneer "A" groter is dan 20.
§ 3. Voor landbouwpercelen met een oppervlakte van één hectare of meer wordt aan het gehele perceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van de vijftig pixels van het perceel met de hoogste gemiddelde jaarlijkse bodemverliezen op lange termijn, overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, waarbij de toegekende erosiegevoeligheidsklasse die van de vijftigste pixel in afnemende volgorde is.
Voor landbouwpercelen met een oppervlakte van minder dan één hectare wordt aan het gehele perceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van de helft van de pixels van de oppervlakte ervan met de hoogste gemiddelde jaarlijkse bodemverliezen op lange termijn, overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, waarbij de toegekende erosiegevoeligheidsklasse die is van de laatste pixel van deze helft in afnemende volgorde.
Voor de toepassing van lid 1 en lid 2 wordt een pixel die zich op de grens van het landbouwperceel bevindt, alleen meegeteld als deze voor ten minste 95% door de oppervlakte van dat perceel wordt bedekt.
§ 4. Wanneer de landbouwer de verzamelaanvraag overeenkomstig artikel 3 indient, stelt de administratie hem in kennis van de erosiegevoeligheidsklasse van elk landbouwperceel dat is opgenomen in het overeenkomstig paragraaf 3 toegewezen geospatiale aanvraagformulier.
Art. 60/3. Wanneer een landbouwer een identiek gewas teelt op aangrenzende percelen die samen een perceel zouden vormen dat overeenkomstig artikel 60/2, § 3, is ingedeeld in erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6, moet hij voldoen aan artikel 60/5, § 1 op alle betrokken percelen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gewassen geacht verschillend te zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 63/1, § 2.
Art. 60/4. § 1. Om de erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6, toegekend aan een landbouwperceel overeenkomstig artikel 60/2, § 3, te verlagen, kan de landbouwer een of meer van de volgende acties uitvoeren:
1° de voorlegging van een analyse van een bodemmonster van het betrokken landbouwperceel, uitgevoerd door een erkend laboratorium, die niet ouder is dan vijf jaar en waaruit blijkt dat het gehalte aan organische koolstof ten minste overeenkomt met de door de Minister vastgestelde waarden en dat de pHKCl-waarde ten minste 5,5 bedraagt;
2° de splitsing, bij de indiening van de verzamelaanvraag, van het landbouwperceel in twee of meer percelen met verschillende gewassen;
3° de aanleg van een of meer inrichtingen op een deel van het landbouwperceel;
4° de voorlegging van het gunstige TOC/klei-rapport dat is opgenomen in de aanvankelijke balans of de eindbalans en dat is opgesteld door een bevoegd laboratorium overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wanneer het betrokken landbouwperceel het voorwerp uitmaakt van een verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem".
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de te bereiken waarden voor het gehalte aan organische koolstof op basis van de landbouwstreken die zijn vastgesteld bij het besluit van de Waalse Regering van 24 november 2016 tot bepaling van de landbouwstreken die op het grondgebied van het Waalse Gewest aanwezig zijn;
2° de criteria waaraan de bevoegde laboratoria moeten voldoen;
3° de procedure voor de aanwijzing van de bevoegde laboratoria;
4° de minimale inhoud van het rapport van de analyse die door de bevoegde laboratoria is uitgevoerd.
De in lid 1, 1°, bedoelde actie is niet toegestaan voor percelen akkerland die in de vijf jaar voorafgaand aan hun aangifte via de verzamelaanvraag zijn omgezet vanuit blijvend grasland.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gewassen geacht verschillend te zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 63/1, § 2.
In het in lid 1, 3°, bedoelde geval wordt de inrichting uiterlijk op 31 december van het voorgaande jaar aangelegd en blijft deze ten minste tot de oogst van het hoofdgewas behouden. Het maaien is daar verboden vóór 1 juli als ze na 30 november van het voorgaande jaar is aangelegd.
§ 2. De in paragraaf 1, lid 1, bedoelde verlaging van de erosieklasse wordt als volgt toegepast:
1° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de erosiegevoeligheidsklasse toegekend, die rechtstreeks onder de erosiegevoeligheidsklasse ligt die aanvankelijk overeenkomstig artikel 60/2, § 3, was toegekend;
2° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt aan de nieuw gecreëerde percelen een nieuwe erosiegevoeligheidsklasse toegekend, overeenkomstig artikel 60/2, lid 3,
3° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt aan het landbouwperceel een nieuwe erosiegevoeligheidsklasse toegekend overeenkomstig artikel 60/2, § 3, zonder rekening te houden met de pixels die betrekking hebben op de oppervlakte van de inrichting.
Wanneer de landbouwer meer dan één van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde acties verricht, zijn de in lid 1 bedoelde gevolgen cumulatief van toepassing.
§ 3. De in paragraaf 2, lid 1, 1°, genoemde herindeling gaat in op 1 januari van het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd en geldt voor vijf jaar.
De in paragraaf 2, lid 1, 3°, genoemde herindeling is geldig voor de volgende jaren op voorwaarde dat de geïnstalleerde inrichtingen behouden blijven.
Wanneer het landbouwperceel van vorm of oppervlakte verandert, blijft de herindeling bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, geldig indien het oorspronkelijke perceel waarop de bemonstering werd uitgevoerd, voor ten minste 80% van het gewijzigde perceel overlapt.
Art. 60/5. § 1. Onverminderd artikel 60/6 past de landbouwer jaarlijks één of meer toegestane teeltpraktijken toe afhankelijk van het type gewassen die op alle landbouwpercelen van zijn bedrijf ingedeeld in de erosiegevoeligheidsklassen 4, 5 en 6 overeenkomstig artikel 60/2, § 3, artikel 60/3 en artikel 60/4, § 2 zijn aangeplant.
Een waarde uitgedrukt in punten wordt toegekend aan elke toegestane teeltpraktijk naargelang het type gewas dat aangeplant wordt.
Afhankelijk van de erosiegevoeligheidsklasse van de in lid 1 bedoelde landbouwpercelen moet elk perceel jaarlijks een minimumaantal punten behalen.
Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 3 wordt verstaan onder:
1° de lijst van de toegestane teeltpraktijken naargelang het type gewassen die aangeplant worden;
2° de waarden uitgedrukt in punten toegekend aan elke praktijk naargelang het type gewassen die aangeplant worden;
3° het minimumaantal punten dat elk perceel moet behalen volgens zijn erosiegevoeligheidsklasse.
§ 2. De in paragraaf 1, eerste lid, vastgestelde eis geldt niet voor landbouwpercelen met een oppervlakte van minder dan twee hectare.
§ 3. Een landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of wetenschappelijke proeven in samenwerking met een onderzoekscentrum andere dan de in lid 1 bedoelde teelpraktijken ter beperking van het erosiegevaar op een perceel landbouwgrond wil toepassen, moet het door de administratie verstrekte formulier invullen.
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de criteria waaraan de bevoegde onderzoekscentra moeten voldoen;
2° de minimale inhoud van het door de administratie ter beschikking gestelde formulier.
Art. 60/6. Elke landbouwer kan het advies inwinnen van een aangewezen bodembeschermingsadviseur die zal bepalen welke verbeteringen of teeltpraktijken moeten worden toegepast op landbouwpercelen die zijn ingedeeld in erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6 van zijn bedrijf.
Wanneer de landbouwer alle voorschriften van het advies van de adviseur met betrekking tot een van de landbouwpercelen waarop het advies betrekking heeft, naleeft, is artikel 60/5 niet van toepassing op dat landbouwperceel.
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de criteria en de procedure voor de aanwijzing van bodembeschermingsadviseurs;
2° de modaliteiten voor het aanvragen van een advies;
3° de verplichte voorschriften en de voorwaarden voor het uitbrengen van advies door de adviseur;
4° de geldigheidsduur van het advies van de adviseur.
De Minister kan de toepassing van de leden 1 en 2 beperken tot bepaalde landbouwers op basis van criteria die hij vaststelt met betrekking tot het risico op erosie van alle landbouwpercelen op hun bedrijf. ".
"Onderafdeling 2/1. Minimaal grondbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse om de erosie te beperken (GLMC 5)".
Art. 60/1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
1° "inrichting": de heggen en taluds op het landbouwperceel en de aan het landbouwperceel grenzende oppervlakten die bestaan uit weidegrassen of wintergranen, die als zuivere teelt of in mengteelt met peulvruchten worden aangeplant;
2° "aanvankelijk balans": de TOC/kleiverhouding die in het eerste jaar van de verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem " wordt beoordeeld overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen;
3° "eindbalans": de TOC/kleiverhouding die in het laatste jaar van de verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem " wordt beoordeeld overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen;
4° "pixel": de kaarteenheid van tien bij tien meter waarvoor een langjarig gemiddeld jaarlijks bodemverlies wordt bepaald overeenkomstig artikel 60/2, § 1 ;
5° "gunstige TOC/kleiverhouding": de verhouding tussen het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem, afgekort TOC, en het granulometrische kleigehalte, afgekort klei, die is beoordeeld op het maaiveld van een betrokken perceel en die in het kader van agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodems" overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen als gunstig beoordeeld en geclassificeerd is.
Art. 60/2. § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt aan elke pixel van het landbouwperceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van het gemiddelde jaarlijkse bodemverlies op lange termijn, dat wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A = R*K*LS.
Voor de toepassing van de in lid 1 genoemde formule geldt het volgende:
1° "A" komt overeen met het gemiddelde jaarlijkse bodemverlies op lange termijn, uitgedrukt in ton per hectare per jaar (t/(ha. jaar));
2° "R" komt overeen met de erosiviteitsindex van regen, uitgedrukt in megajoule vermenigvuldigd met millimeter en gedeeld door hectare, per uur en per jaar;
3° "K" komt overeen met de erosie-index van de bodem, die kenmerkend is voor de textuur van de bodem en het gehalte aan organische stoffen, uitgedrukt in tonnen vermenigvuldigd met uren en gedeeld door megajoule en millimeters;
4° "LS" komt overeen met de topografische factor, die de lengte van de helling en de hellingsgraad combineert en wordt geschat door rekening te houden met de positie van de pixel op de helling.
§ 2. Op basis van het resultaat van de in paragraaf 1 bedoelde formule, uitgedrukt in relatieve gegevens, wordt aan elke pixel van het perceel een van de volgende zes erosiegevoeligheidsklassen toegekend:
a) klasse 1: zeer laag, wanneer "A" groter is dan 0 en kleiner dan of gelijk aan 1;
b) klasse 2: laag, wanneer "A" groter is dan 1 en kleiner dan of gelijk aan 5;
c) klasse 3: gemiddeld, wanneer "A" groter is dan 5 en kleiner dan of gelijk aan 7,5;
d) klasse 4: hoog, wanneer "A" groter is dan 7,5 en kleiner dan of gelijk aan 12,5;
klasse 5: zeer hoog, wanneer "A" groter is dan 12,5 en kleiner dan of gelijk aan 20;
f) klasse 6: extreem, wanneer "A" groter is dan 20.
§ 3. Voor landbouwpercelen met een oppervlakte van één hectare of meer wordt aan het gehele perceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van de vijftig pixels van het perceel met de hoogste gemiddelde jaarlijkse bodemverliezen op lange termijn, overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, waarbij de toegekende erosiegevoeligheidsklasse die van de vijftigste pixel in afnemende volgorde is.
Voor landbouwpercelen met een oppervlakte van minder dan één hectare wordt aan het gehele perceel een erosiegevoeligheidsklasse toegekend op basis van de helft van de pixels van de oppervlakte ervan met de hoogste gemiddelde jaarlijkse bodemverliezen op lange termijn, overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, waarbij de toegekende erosiegevoeligheidsklasse die is van de laatste pixel van deze helft in afnemende volgorde.
Voor de toepassing van lid 1 en lid 2 wordt een pixel die zich op de grens van het landbouwperceel bevindt, alleen meegeteld als deze voor ten minste 95% door de oppervlakte van dat perceel wordt bedekt.
§ 4. Wanneer de landbouwer de verzamelaanvraag overeenkomstig artikel 3 indient, stelt de administratie hem in kennis van de erosiegevoeligheidsklasse van elk landbouwperceel dat is opgenomen in het overeenkomstig paragraaf 3 toegewezen geospatiale aanvraagformulier.
Art. 60/3. Wanneer een landbouwer een identiek gewas teelt op aangrenzende percelen die samen een perceel zouden vormen dat overeenkomstig artikel 60/2, § 3, is ingedeeld in erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6, moet hij voldoen aan artikel 60/5, § 1 op alle betrokken percelen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gewassen geacht verschillend te zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 63/1, § 2.
Art. 60/4. § 1. Om de erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6, toegekend aan een landbouwperceel overeenkomstig artikel 60/2, § 3, te verlagen, kan de landbouwer een of meer van de volgende acties uitvoeren:
1° de voorlegging van een analyse van een bodemmonster van het betrokken landbouwperceel, uitgevoerd door een erkend laboratorium, die niet ouder is dan vijf jaar en waaruit blijkt dat het gehalte aan organische koolstof ten minste overeenkomt met de door de Minister vastgestelde waarden en dat de pHKCl-waarde ten minste 5,5 bedraagt;
2° de splitsing, bij de indiening van de verzamelaanvraag, van het landbouwperceel in twee of meer percelen met verschillende gewassen;
3° de aanleg van een of meer inrichtingen op een deel van het landbouwperceel;
4° de voorlegging van het gunstige TOC/klei-rapport dat is opgenomen in de aanvankelijke balans of de eindbalans en dat is opgesteld door een bevoegd laboratorium overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, wanneer het betrokken landbouwperceel het voorwerp uitmaakt van een verbintenis voor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem".
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de te bereiken waarden voor het gehalte aan organische koolstof op basis van de landbouwstreken die zijn vastgesteld bij het besluit van de Waalse Regering van 24 november 2016 tot bepaling van de landbouwstreken die op het grondgebied van het Waalse Gewest aanwezig zijn;
2° de criteria waaraan de bevoegde laboratoria moeten voldoen;
3° de procedure voor de aanwijzing van de bevoegde laboratoria;
4° de minimale inhoud van het rapport van de analyse die door de bevoegde laboratoria is uitgevoerd.
De in lid 1, 1°, bedoelde actie is niet toegestaan voor percelen akkerland die in de vijf jaar voorafgaand aan hun aangifte via de verzamelaanvraag zijn omgezet vanuit blijvend grasland.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gewassen geacht verschillend te zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 63/1, § 2.
In het in lid 1, 3°, bedoelde geval wordt de inrichting uiterlijk op 31 december van het voorgaande jaar aangelegd en blijft deze ten minste tot de oogst van het hoofdgewas behouden. Het maaien is daar verboden vóór 1 juli als ze na 30 november van het voorgaande jaar is aangelegd.
§ 2. De in paragraaf 1, lid 1, bedoelde verlaging van de erosieklasse wordt als volgt toegepast:
1° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de erosiegevoeligheidsklasse toegekend, die rechtstreeks onder de erosiegevoeligheidsklasse ligt die aanvankelijk overeenkomstig artikel 60/2, § 3, was toegekend;
2° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt aan de nieuw gecreëerde percelen een nieuwe erosiegevoeligheidsklasse toegekend, overeenkomstig artikel 60/2, lid 3,
3° in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt aan het landbouwperceel een nieuwe erosiegevoeligheidsklasse toegekend overeenkomstig artikel 60/2, § 3, zonder rekening te houden met de pixels die betrekking hebben op de oppervlakte van de inrichting.
Wanneer de landbouwer meer dan één van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde acties verricht, zijn de in lid 1 bedoelde gevolgen cumulatief van toepassing.
§ 3. De in paragraaf 2, lid 1, 1°, genoemde herindeling gaat in op 1 januari van het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd en geldt voor vijf jaar.
De in paragraaf 2, lid 1, 3°, genoemde herindeling is geldig voor de volgende jaren op voorwaarde dat de geïnstalleerde inrichtingen behouden blijven.
Wanneer het landbouwperceel van vorm of oppervlakte verandert, blijft de herindeling bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, geldig indien het oorspronkelijke perceel waarop de bemonstering werd uitgevoerd, voor ten minste 80% van het gewijzigde perceel overlapt.
Art. 60/5. § 1. Onverminderd artikel 60/6 past de landbouwer jaarlijks één of meer toegestane teeltpraktijken toe afhankelijk van het type gewassen die op alle landbouwpercelen van zijn bedrijf ingedeeld in de erosiegevoeligheidsklassen 4, 5 en 6 overeenkomstig artikel 60/2, § 3, artikel 60/3 en artikel 60/4, § 2 zijn aangeplant.
Een waarde uitgedrukt in punten wordt toegekend aan elke toegestane teeltpraktijk naargelang het type gewas dat aangeplant wordt.
Afhankelijk van de erosiegevoeligheidsklasse van de in lid 1 bedoelde landbouwpercelen moet elk perceel jaarlijks een minimumaantal punten behalen.
Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 3 wordt verstaan onder:
1° de lijst van de toegestane teeltpraktijken naargelang het type gewassen die aangeplant worden;
2° de waarden uitgedrukt in punten toegekend aan elke praktijk naargelang het type gewassen die aangeplant worden;
3° het minimumaantal punten dat elk perceel moet behalen volgens zijn erosiegevoeligheidsklasse.
§ 2. De in paragraaf 1, eerste lid, vastgestelde eis geldt niet voor landbouwpercelen met een oppervlakte van minder dan twee hectare.
§ 3. Een landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of wetenschappelijke proeven in samenwerking met een onderzoekscentrum andere dan de in lid 1 bedoelde teelpraktijken ter beperking van het erosiegevaar op een perceel landbouwgrond wil toepassen, moet het door de administratie verstrekte formulier invullen.
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de criteria waaraan de bevoegde onderzoekscentra moeten voldoen;
2° de minimale inhoud van het door de administratie ter beschikking gestelde formulier.
Art. 60/6. Elke landbouwer kan het advies inwinnen van een aangewezen bodembeschermingsadviseur die zal bepalen welke verbeteringen of teeltpraktijken moeten worden toegepast op landbouwpercelen die zijn ingedeeld in erosiegevoeligheidsklasse 4, 5 of 6 van zijn bedrijf.
Wanneer de landbouwer alle voorschriften van het advies van de adviseur met betrekking tot een van de landbouwpercelen waarop het advies betrekking heeft, naleeft, is artikel 60/5 niet van toepassing op dat landbouwperceel.
Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Minister:
1° de criteria en de procedure voor de aanwijzing van bodembeschermingsadviseurs;
2° de modaliteiten voor het aanvragen van een advies;
3° de verplichte voorschriften en de voorwaarden voor het uitbrengen van advies door de adviseur;
4° de geldigheidsduur van het advies van de adviseur.
De Minister kan de toepassing van de leden 1 en 2 beperken tot bepaalde landbouwers op basis van criteria die hij vaststelt met betrekking tot het risico op erosie van alle landbouwpercelen op hun bedrijf. ".
Art. 9. Dans la partie 3, titre 2, chapitre 1er, section 3, du même arrêté, il est inséré une sous-section 2/1, comportant les articles 60/1 à 60/6, rédigée comme suit :
" Sous-section 2/1. Gestion minimale de la terre reflétant les conditions locales spécifiques en vue de limiter l'érosion (BCAE 5) ".
Art. 60/1. Pour l'application de la présente sous-section, l'on entend par :
1° " aménagement " : les haies et les talus présents sur la parcelle agricole ainsi que les surfaces adjacentes à la parcelle agricole composées de graminées prairiales ou de céréales d'hiver, implantées en culture pure ou en mélange avec des légumineuses ;
2° " bilan initial " : le rapport COT/argile évalué la première année de l'engagement dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques ;
3° " bilan final " : le rapport COT/argile évalué la dernière année de l'engagement dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques ;
4° " pixel " : l'unité cartographique de dix mètres par dix mètres pour laquelle une perte en sol annuelle moyenne à long terme est déterminée conformément à l'article 60/2, § 1er ;
5° " rapport COT/argile favorable " : le rapport entre la teneur en carbone organique totale du sol, en abrégé COT, et la teneur en argile granulométrique, en abrégé argile, évalué sur l'horizon de surface d'une parcelle considérée et ayant été évalué et classé comme favorable dans le cadre de la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques.
Art. 60/2. § 1er. Pour l'application de la présente sous-section, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à chaque pixel de la parcelle agricole en fonction de sa perte en sol annuelle moyenne à long terme déterminée selon la formule suivante : A = R*K*LS.
Pour l'application de la formule visée à alinéa 1er :
1° " A " correspond à la perte en sol annuelle moyenne à long terme exprimée en tonnes par hectare et par an (t/(ha.an)) ;
2° " R " correspond à l'indice d'érosivité des pluies exprimé en Mégajoules multipliés par des millimètres et divisés par hectare, par heure et par an ;
3° " K " correspond à l'indice d'érodibilité du sol caractéristique de la texture du sol et de sa teneur en matière organique, exprimé en tonnes multipliées par des heures et divisés par des Mégajoules et par des millimètres ;
4° " LS " correspond au facteur topographique, combinant la longueur de la pente et son inclinaison et estimé en considérant la position du pixel dans le versant.
§ 2. Selon le résultat de la formule visée au paragraphe 1er exprimé en données relatives, chaque pixel de la parcelle se voit attribuer l'une des six classes de sensibilité à l'érosion suivantes :
a) classe 1 : très faible, lorsque " A " est supérieur à 0 et inférieur ou égal à 1 ;
b) classe 2 : faible, lorsque " A " est supérieur à 1 et inférieur ou égal à 5 ;
c) classe 3 : moyenne, lorsque " A " est supérieur à 5 et inférieur ou égal à 7,5 ;
d) classe 4 : élevée, lorsque " A " est supérieur à 7,5 et inférieur ou égal à 12,5 ;
e) classe 5 : très élevée, lorsque " A " est supérieur à 12,5 et inférieur ou égal à 20 ;
f) classe 6 : extrême, lorsque " A " est supérieur à 20.
§ 3. Pour les parcelles agricoles d'une superficie égale ou supérieure à un hectare, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à l'ensemble de la parcelle sur la base des cinquante pixels de la parcelle présentant les pertes en sol annuelles moyennes à long terme les plus élevées, conformément aux paragraphes 1er et 2, la classe de sensibilité à l'érosion attribuée étant celle du cinquantième pixel classé par ordre décroissant.
Pour les parcelles agricoles d'une superficie inférieure à un hectare, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à l'ensemble de la parcelle sur la base de la moitié des pixels de sa superficie présentant les pertes en sol annuelles moyennes à long terme les plus élevées conformément aux paragraphes 1er et 2, la classe de sensibilité à l'érosion attribuée étant celle du dernier pixel de cette moitié classée par ordre décroissant.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, un pixel situé sur les limites de la parcelle agricole est uniquement pris en compte s'il est couvert à au moins 95 % par la superficie de ladite parcelle.
§ 4. Lors de l'introduction de la demande unique par l'agriculteur conformément à l'article 3, l'administration l'informe de la classe de sensibilité à l'érosion de chaque parcelle agricole reprise dans le formulaire de demande géospatialisée attribuée conformément au paragraphe 3.
Art. 60/3. Lorsqu'un agriculteur cultive une culture identique sur des parcelles adjacentes qui, réunies, formeraient une parcelle classée en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 conformément à l'article 60/2, § 3, il respecte sur l'ensemble des parcelles concernées l'article 60/5, § 1er.
Pour l'application de l'alinéa 1er, des cultures sont considérées comme étant différentes si elles répondent aux conditions reprises à l'article 63/1, § 2.
Art. 60/4. § 1er. Afin de réduire la classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 attribuée à une parcelle agricole en application de l'article 60/2, § 3, l'agriculteur peut procéder à l'une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la présentation d'une analyse d'un échantillon de sol de la parcelle agricole concernée, réalisée auprès d'un laboratoire compétent et datant de maximum cinq ans, démontrant que la teneur en carbone organique est supérieure ou égale aux valeurs déterminées par le ministre et que le taux de pHKCl est supérieur ou égal à 5,5 ;
2° le découpage, lors de la soumission de sa demande unique, de la parcelle agricole en deux ou plusieurs parcelles de cultures différentes ;
3° l'installation d'un ou plusieurs aménagements sur une partie de la parcelle agricole ;
4° la présentation du rapport COT/argile favorable repris dans le bilan initial ou le bilan final réalisé par un laboratoire compétent conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, lorsque la parcelle agricole concernée fait l'objet d'un engagement pour la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols ".
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre détermine :
1° les valeurs à atteindre pour la teneur en carbone organique en fonction des régions agricoles établies par l'arrêté du Gouvernement wallon du 24 novembre 2016 définissant les régions agricoles présentes sur le territoire de la Région wallonne ;
2° les critères auxquels répondent les laboratoires compétents ;
3° la procédure de désignation des laboratoires compétents ;
4° le contenu minimal du bulletin de l'analyse réalisée par les laboratoires compétents.
L'action visée à l'alinéa 1er, 1°, n'est pas autorisée pour les parcelles de terres arables ayant été converties à partir d'une prairie permanente au cours des cinq années précédant leur déclaration via la demande unique.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, des cultures sont considérées comme étant différentes si elles répondent aux conditions reprises à l'article 63/1, § 2.
Dans l'hypothèse prévue à l'alinéa 1er, 3°, l'aménagement est implanté au plus tard le 31 décembre de l'année précédente et est maintenu en place au minimum jusqu'à la récolte de la culture principale. La fauche y est interdite avant le 1er juillet s'il est implanté après le 30 novembre de l'année précédente.
§ 2. La réduction de la classe d'érosion prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, s'applique selon les modalités suivantes :
1° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la classe de sensibilité à l'érosion directement inférieure à la classe de sensibilité à l'érosion initialement attribuée en application de l'article 60/2, § 3, est attribuée ;
2° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, l'alinéa 1er, 2°, une nouvelle classe de sensibilité à l'érosion est attribuée aux parcelles nouvellement créées, conformément à l'article 60/2, § 3 ;
3° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, une nouvelle classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à la parcelle agricole conformément à l'article 60/2, § 3, en ne tenant pas compte des pixels relatifs à la superficie de l'aménagement.
Lorsque l'agriculteur procède à plusieurs des actions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, les effets visés à l'alinéa 1er s'appliquent cumulativement.
§ 3. Le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, commence le 1er janvier de l'année de la réalisation de l'analyse de sol et est valide pendant cinq années.
Le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, est valable les années ultérieures à condition que les aménagements installés restent en place.
Lorsque la parcelle agricole change de forme ou de superficie, le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, reste valable si la parcelle d'origine sur laquelle a été effectué l'échantillonnage se superpose avec au minimum 80 % de la parcelle modifiée.
Art. 60/5. § 1er. Sans préjudice de l'article 60/6, l'agriculteur met en place annuellement une ou plusieurs pratiques culturales admissibles en fonction du type de culture implantée sur toutes les parcelles agricoles de son exploitation classées en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 et 6 conformément aux articles 60/2, § 3, 60/3 et 60/4, § 2.
Une valeur exprimée en points est attribuée à chaque pratique culturale admissible en fonction du type de cultures implantées.
En fonction de la classe de sensibilité à l'érosion des parcelles agricoles visées à l'alinéa 1er, un minimum de points est à atteindre annuellement par chaque parcelle.
Pour l'application des alinéas 1er à 3, le ministre détermine :
1° la liste des pratiques culturales admissibles en fonction du type de cultures implantées ;
2° les valeurs exprimées en points attribuées à chaque pratique en fonction du type de cultures implantées ;
3° le minimum de points à atteindre par chaque parcelle en fonction de sa classe de sensibilité à l'érosion.
§ 2. L'exigence prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux parcelles agricoles d'une superficie inférieure à deux hectares.
§ 3. L'agriculteur qui souhaite mettre en place, dans le cadre de démonstrations éducatives ou d'essais scientifiques en collaboration avec un centre de recherches, d'autres pratiques culturales qui visent à limiter le risque d'érosion d'une parcelle agricole que celles visées au paragraphe 1er, remplit le formulaire mis à disposition par l'administration.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre détermine :
1° les critères auxquels répondent les centres de recherches ;
2° le contenu minimal du formulaire mis à disposition par l'administration.
Art. 60/6. Tout agriculteur peut solliciter l'avis d'un conseiller de la protection des sols désigné qui détermine les aménagements ou les pratiques culturales adaptées à mettre en place sur les parcelles agricoles classées en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 de son exploitation.
Lorsque l'agriculteur respecte l'ensemble des prescriptions de l'avis du conseiller relatives à une des parcelles agricoles visées par celui-ci, l'article 60/5 ne s'applique pas à cette parcelle agricole.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre fixe :
1° les critères et la procédure de désignation des conseillers de la protection des sols ;
2° les modalités de demande d'avis ;
3° les prescriptions obligatoires et les modalités d'émission de l'avis du conseiller ;
4° la durée de validité de l'avis du conseiller.
Le ministre peut limiter l'application des alinéas 1er et 2 à certains d'agriculteurs sur base de critères qu'il détermine au regard du risque d'érosion de l'ensemble des parcelles agricoles de leur exploitation. ".
" Sous-section 2/1. Gestion minimale de la terre reflétant les conditions locales spécifiques en vue de limiter l'érosion (BCAE 5) ".
Art. 60/1. Pour l'application de la présente sous-section, l'on entend par :
1° " aménagement " : les haies et les talus présents sur la parcelle agricole ainsi que les surfaces adjacentes à la parcelle agricole composées de graminées prairiales ou de céréales d'hiver, implantées en culture pure ou en mélange avec des légumineuses ;
2° " bilan initial " : le rapport COT/argile évalué la première année de l'engagement dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques ;
3° " bilan final " : le rapport COT/argile évalué la dernière année de l'engagement dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques ;
4° " pixel " : l'unité cartographique de dix mètres par dix mètres pour laquelle une perte en sol annuelle moyenne à long terme est déterminée conformément à l'article 60/2, § 1er ;
5° " rapport COT/argile favorable " : le rapport entre la teneur en carbone organique totale du sol, en abrégé COT, et la teneur en argile granulométrique, en abrégé argile, évalué sur l'horizon de surface d'une parcelle considérée et ayant été évalué et classé comme favorable dans le cadre de la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols " conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques.
Art. 60/2. § 1er. Pour l'application de la présente sous-section, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à chaque pixel de la parcelle agricole en fonction de sa perte en sol annuelle moyenne à long terme déterminée selon la formule suivante : A = R*K*LS.
Pour l'application de la formule visée à alinéa 1er :
1° " A " correspond à la perte en sol annuelle moyenne à long terme exprimée en tonnes par hectare et par an (t/(ha.an)) ;
2° " R " correspond à l'indice d'érosivité des pluies exprimé en Mégajoules multipliés par des millimètres et divisés par hectare, par heure et par an ;
3° " K " correspond à l'indice d'érodibilité du sol caractéristique de la texture du sol et de sa teneur en matière organique, exprimé en tonnes multipliées par des heures et divisés par des Mégajoules et par des millimètres ;
4° " LS " correspond au facteur topographique, combinant la longueur de la pente et son inclinaison et estimé en considérant la position du pixel dans le versant.
§ 2. Selon le résultat de la formule visée au paragraphe 1er exprimé en données relatives, chaque pixel de la parcelle se voit attribuer l'une des six classes de sensibilité à l'érosion suivantes :
a) classe 1 : très faible, lorsque " A " est supérieur à 0 et inférieur ou égal à 1 ;
b) classe 2 : faible, lorsque " A " est supérieur à 1 et inférieur ou égal à 5 ;
c) classe 3 : moyenne, lorsque " A " est supérieur à 5 et inférieur ou égal à 7,5 ;
d) classe 4 : élevée, lorsque " A " est supérieur à 7,5 et inférieur ou égal à 12,5 ;
e) classe 5 : très élevée, lorsque " A " est supérieur à 12,5 et inférieur ou égal à 20 ;
f) classe 6 : extrême, lorsque " A " est supérieur à 20.
§ 3. Pour les parcelles agricoles d'une superficie égale ou supérieure à un hectare, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à l'ensemble de la parcelle sur la base des cinquante pixels de la parcelle présentant les pertes en sol annuelles moyennes à long terme les plus élevées, conformément aux paragraphes 1er et 2, la classe de sensibilité à l'érosion attribuée étant celle du cinquantième pixel classé par ordre décroissant.
Pour les parcelles agricoles d'une superficie inférieure à un hectare, une classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à l'ensemble de la parcelle sur la base de la moitié des pixels de sa superficie présentant les pertes en sol annuelles moyennes à long terme les plus élevées conformément aux paragraphes 1er et 2, la classe de sensibilité à l'érosion attribuée étant celle du dernier pixel de cette moitié classée par ordre décroissant.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, un pixel situé sur les limites de la parcelle agricole est uniquement pris en compte s'il est couvert à au moins 95 % par la superficie de ladite parcelle.
§ 4. Lors de l'introduction de la demande unique par l'agriculteur conformément à l'article 3, l'administration l'informe de la classe de sensibilité à l'érosion de chaque parcelle agricole reprise dans le formulaire de demande géospatialisée attribuée conformément au paragraphe 3.
Art. 60/3. Lorsqu'un agriculteur cultive une culture identique sur des parcelles adjacentes qui, réunies, formeraient une parcelle classée en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 conformément à l'article 60/2, § 3, il respecte sur l'ensemble des parcelles concernées l'article 60/5, § 1er.
Pour l'application de l'alinéa 1er, des cultures sont considérées comme étant différentes si elles répondent aux conditions reprises à l'article 63/1, § 2.
Art. 60/4. § 1er. Afin de réduire la classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 attribuée à une parcelle agricole en application de l'article 60/2, § 3, l'agriculteur peut procéder à l'une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la présentation d'une analyse d'un échantillon de sol de la parcelle agricole concernée, réalisée auprès d'un laboratoire compétent et datant de maximum cinq ans, démontrant que la teneur en carbone organique est supérieure ou égale aux valeurs déterminées par le ministre et que le taux de pHKCl est supérieur ou égal à 5,5 ;
2° le découpage, lors de la soumission de sa demande unique, de la parcelle agricole en deux ou plusieurs parcelles de cultures différentes ;
3° l'installation d'un ou plusieurs aménagements sur une partie de la parcelle agricole ;
4° la présentation du rapport COT/argile favorable repris dans le bilan initial ou le bilan final réalisé par un laboratoire compétent conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, lorsque la parcelle agricole concernée fait l'objet d'un engagement pour la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols ".
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre détermine :
1° les valeurs à atteindre pour la teneur en carbone organique en fonction des régions agricoles établies par l'arrêté du Gouvernement wallon du 24 novembre 2016 définissant les régions agricoles présentes sur le territoire de la Région wallonne ;
2° les critères auxquels répondent les laboratoires compétents ;
3° la procédure de désignation des laboratoires compétents ;
4° le contenu minimal du bulletin de l'analyse réalisée par les laboratoires compétents.
L'action visée à l'alinéa 1er, 1°, n'est pas autorisée pour les parcelles de terres arables ayant été converties à partir d'une prairie permanente au cours des cinq années précédant leur déclaration via la demande unique.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, des cultures sont considérées comme étant différentes si elles répondent aux conditions reprises à l'article 63/1, § 2.
Dans l'hypothèse prévue à l'alinéa 1er, 3°, l'aménagement est implanté au plus tard le 31 décembre de l'année précédente et est maintenu en place au minimum jusqu'à la récolte de la culture principale. La fauche y est interdite avant le 1er juillet s'il est implanté après le 30 novembre de l'année précédente.
§ 2. La réduction de la classe d'érosion prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, s'applique selon les modalités suivantes :
1° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la classe de sensibilité à l'érosion directement inférieure à la classe de sensibilité à l'érosion initialement attribuée en application de l'article 60/2, § 3, est attribuée ;
2° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, l'alinéa 1er, 2°, une nouvelle classe de sensibilité à l'érosion est attribuée aux parcelles nouvellement créées, conformément à l'article 60/2, § 3 ;
3° dans l'hypothèse visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, une nouvelle classe de sensibilité à l'érosion est attribuée à la parcelle agricole conformément à l'article 60/2, § 3, en ne tenant pas compte des pixels relatifs à la superficie de l'aménagement.
Lorsque l'agriculteur procède à plusieurs des actions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, les effets visés à l'alinéa 1er s'appliquent cumulativement.
§ 3. Le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, commence le 1er janvier de l'année de la réalisation de l'analyse de sol et est valide pendant cinq années.
Le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, est valable les années ultérieures à condition que les aménagements installés restent en place.
Lorsque la parcelle agricole change de forme ou de superficie, le reclassement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, reste valable si la parcelle d'origine sur laquelle a été effectué l'échantillonnage se superpose avec au minimum 80 % de la parcelle modifiée.
Art. 60/5. § 1er. Sans préjudice de l'article 60/6, l'agriculteur met en place annuellement une ou plusieurs pratiques culturales admissibles en fonction du type de culture implantée sur toutes les parcelles agricoles de son exploitation classées en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 et 6 conformément aux articles 60/2, § 3, 60/3 et 60/4, § 2.
Une valeur exprimée en points est attribuée à chaque pratique culturale admissible en fonction du type de cultures implantées.
En fonction de la classe de sensibilité à l'érosion des parcelles agricoles visées à l'alinéa 1er, un minimum de points est à atteindre annuellement par chaque parcelle.
Pour l'application des alinéas 1er à 3, le ministre détermine :
1° la liste des pratiques culturales admissibles en fonction du type de cultures implantées ;
2° les valeurs exprimées en points attribuées à chaque pratique en fonction du type de cultures implantées ;
3° le minimum de points à atteindre par chaque parcelle en fonction de sa classe de sensibilité à l'érosion.
§ 2. L'exigence prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux parcelles agricoles d'une superficie inférieure à deux hectares.
§ 3. L'agriculteur qui souhaite mettre en place, dans le cadre de démonstrations éducatives ou d'essais scientifiques en collaboration avec un centre de recherches, d'autres pratiques culturales qui visent à limiter le risque d'érosion d'une parcelle agricole que celles visées au paragraphe 1er, remplit le formulaire mis à disposition par l'administration.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre détermine :
1° les critères auxquels répondent les centres de recherches ;
2° le contenu minimal du formulaire mis à disposition par l'administration.
Art. 60/6. Tout agriculteur peut solliciter l'avis d'un conseiller de la protection des sols désigné qui détermine les aménagements ou les pratiques culturales adaptées à mettre en place sur les parcelles agricoles classées en classe de sensibilité à l'érosion 4, 5 ou 6 de son exploitation.
Lorsque l'agriculteur respecte l'ensemble des prescriptions de l'avis du conseiller relatives à une des parcelles agricoles visées par celui-ci, l'article 60/5 ne s'applique pas à cette parcelle agricole.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le ministre fixe :
1° les critères et la procédure de désignation des conseillers de la protection des sols ;
2° les modalités de demande d'avis ;
3° les prescriptions obligatoires et les modalités d'émission de l'avis du conseiller ;
4° la durée de validité de l'avis du conseiller.
Le ministre peut limiter l'application des alinéas 1er et 2 à certains d'agriculteurs sur base de critères qu'il détermine au regard du risque d'érosion de l'ensemble des parcelles agricoles de leur exploitation. ".
Art. 10. Artikel 62 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 6 februari 2025, wordt vervangen als volgt:
"Art. 62. De landbouwer zorgt ervoor dat 100 % van de percelen akkerland van zijn bedrijf die zijn ingedeeld in klasse 4, klasse 5 en klasse 6 overeenkomstig artikel 60/2, lid 3, van 15 september tot en met 31 december bedekt zijn met een plantendek. De bedekking kan niet worden vernietigd vóór 1 januari van het volgende jaar.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende elementen als plantendek beschouwd:
1° de residuen van gewassen op voorwaarde dat zij ten minste 75% van het perceel bedekken;
2° de aangegroeide graangewassen en oliehoudende planten, op voorwaarde dat deze op 1 november ten minste 75% van het perceel bedekken;
3° tussenteelten en secundaire gewassen die vóór 15 december zijn aangeplant;
4° het onderhoud van het bestaande gewas tijdens de periode bedoeld in het eerste lid;
5° het aanplanten van een wintergewas vóór 1 januari van het volgende jaar.
In het kader van de maïsteelt (Zea mays) worden de maïsstokken en hun wortelstelsel beschouwd als residuen van gewassen die ten minste 75% van het perceel bedekken in de zin van lid 2, 1°, indien zij na de oogst behouden blijven.
Tijdens de in lid 1 bedoelde periode is kale grond toegestaan gedurende een periode van twee weken voorafgaand aan de aanplanting van een tussenteelt of een secundair gewas. Bij weersomstandigheden die de inzaai verstoren en die in een wetenschappelijk rapport worden beschreven, kan de Minister kale grond toestaan gedurende een periode van maximaal vier weken.
De in lid 1 vastgestelde eis geldt niet voor braakliggend akkerland of voor akkerland bedekt met meerjarige gewassen, gras of andere kruidachtige voedergewassen op voorwaarde dat de bedekking gedurende de in het eerste lid bedoelde periode wordt gehandhaafd. ".
"Art. 62. De landbouwer zorgt ervoor dat 100 % van de percelen akkerland van zijn bedrijf die zijn ingedeeld in klasse 4, klasse 5 en klasse 6 overeenkomstig artikel 60/2, lid 3, van 15 september tot en met 31 december bedekt zijn met een plantendek. De bedekking kan niet worden vernietigd vóór 1 januari van het volgende jaar.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende elementen als plantendek beschouwd:
1° de residuen van gewassen op voorwaarde dat zij ten minste 75% van het perceel bedekken;
2° de aangegroeide graangewassen en oliehoudende planten, op voorwaarde dat deze op 1 november ten minste 75% van het perceel bedekken;
3° tussenteelten en secundaire gewassen die vóór 15 december zijn aangeplant;
4° het onderhoud van het bestaande gewas tijdens de periode bedoeld in het eerste lid;
5° het aanplanten van een wintergewas vóór 1 januari van het volgende jaar.
In het kader van de maïsteelt (Zea mays) worden de maïsstokken en hun wortelstelsel beschouwd als residuen van gewassen die ten minste 75% van het perceel bedekken in de zin van lid 2, 1°, indien zij na de oogst behouden blijven.
Tijdens de in lid 1 bedoelde periode is kale grond toegestaan gedurende een periode van twee weken voorafgaand aan de aanplanting van een tussenteelt of een secundair gewas. Bij weersomstandigheden die de inzaai verstoren en die in een wetenschappelijk rapport worden beschreven, kan de Minister kale grond toestaan gedurende een periode van maximaal vier weken.
De in lid 1 vastgestelde eis geldt niet voor braakliggend akkerland of voor akkerland bedekt met meerjarige gewassen, gras of andere kruidachtige voedergewassen op voorwaarde dat de bedekking gedurende de in het eerste lid bedoelde periode wordt gehandhaafd. ".
Art. 10. L'article 62, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 62. Du 15 septembre au 31 décembre, l'agriculteur assure une couverture végétale du sol sur 100 % des parcelles de terres arables de son exploitation classées en classe 4, classe 5 et classe 6 conformément à l'article 60/2, § 3. La couverture ne peut pas être détruite avant le 1er janvier de l'année suivante.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les éléments suivants sont considérés comme des couvertures végétales du sol :
1° les résidus de cultures pour autant qu'ils recouvrent au moins 75 % de la parcelle ;
2° les repousses de céréales ou d'oléagineux pour autant qu'elles recouvrent au moins 75 % de la parcelle en date du 1er novembre ;
3° les intercultures et les cultures secondaires implantées avant le 15 décembre ;
4° le maintien de la culture en place pendant la période visée à l'alinéa 1er ;
5° l'implantation d'une culture d'hiver avant le 1er janvier de l'année suivante.
Dans le cadre de la culture du maïs (Zea mays), les cannes ainsi que leur système racinaire sont considérés comme des résidus de culture qui recouvrent au moins 75 % de la parcelle au sens de l'alinéa 2, 1°, s'ils restent en place après la récolte.
Pendant la période visée à l'alinéa 1er, une présence de sol nu est autorisée pendant une durée de deux semaines précédant l'implantation d'une interculture ou d'une culture secondaire. En cas de contraintes météorologiques perturbant les semis et décrites dans un rapport scientifique, le ministre peut autoriser la présence d'un sol nu pendant une durée de quatre semaines maximum.
L'exigence prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux terres arables mises en jachère ou couvertes de cultures pluriannuelles, d'herbe ou d'autres plantes fourragères herbacées à condition que leur couverture soit maintenue pendant la période visée à l'alinéa 1er. ".
" Art. 62. Du 15 septembre au 31 décembre, l'agriculteur assure une couverture végétale du sol sur 100 % des parcelles de terres arables de son exploitation classées en classe 4, classe 5 et classe 6 conformément à l'article 60/2, § 3. La couverture ne peut pas être détruite avant le 1er janvier de l'année suivante.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les éléments suivants sont considérés comme des couvertures végétales du sol :
1° les résidus de cultures pour autant qu'ils recouvrent au moins 75 % de la parcelle ;
2° les repousses de céréales ou d'oléagineux pour autant qu'elles recouvrent au moins 75 % de la parcelle en date du 1er novembre ;
3° les intercultures et les cultures secondaires implantées avant le 15 décembre ;
4° le maintien de la culture en place pendant la période visée à l'alinéa 1er ;
5° l'implantation d'une culture d'hiver avant le 1er janvier de l'année suivante.
Dans le cadre de la culture du maïs (Zea mays), les cannes ainsi que leur système racinaire sont considérés comme des résidus de culture qui recouvrent au moins 75 % de la parcelle au sens de l'alinéa 2, 1°, s'ils restent en place après la récolte.
Pendant la période visée à l'alinéa 1er, une présence de sol nu est autorisée pendant une durée de deux semaines précédant l'implantation d'une interculture ou d'une culture secondaire. En cas de contraintes météorologiques perturbant les semis et décrites dans un rapport scientifique, le ministre peut autoriser la présence d'un sol nu pendant une durée de quatre semaines maximum.
L'exigence prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux terres arables mises en jachère ou couvertes de cultures pluriannuelles, d'herbe ou d'autres plantes fourragères herbacées à condition que leur couverture soit maintenue pendant la période visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 11. In artikel 63 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De in paragraaf 1, eerste lid, vastgestelde eis is niet van toepassing wanneer de landbouwer gedurende verscheidene opeenvolgende jaren op hetzelfde perceel maïs (Zea mays) wenst te telen, mits hij tussen elke maïsteelt een tussenteelt of een onderzaaiing van een andere teelt dan maïs aanplant. De tussenteelt moet gedurende ten minste drie maanden na de aanplanting ervan in stand worden gehandhaafd. De onderzaaiing wordt ten minste drie maanden na de oogst van het maïsgewas gehandhaafd.";
2° in paragraaf 3, gewijzigd bij besluit van de Waalse Regering van 6 februari 2025, wordt tussen de leden 3 en 4 een lid ingevoegd dat als volgt luidt:
"Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, wordt het aanplanten van een onderzaaiing die behoort tot een ander plantengeslacht dan dat van het hoofdgewas, beschouwd als een verandering van teelt indien de onderzaaiing gedurende ten minste drie maanden na de oogst van het hoofdgewas wordt gehandhaafd.".
1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De in paragraaf 1, eerste lid, vastgestelde eis is niet van toepassing wanneer de landbouwer gedurende verscheidene opeenvolgende jaren op hetzelfde perceel maïs (Zea mays) wenst te telen, mits hij tussen elke maïsteelt een tussenteelt of een onderzaaiing van een andere teelt dan maïs aanplant. De tussenteelt moet gedurende ten minste drie maanden na de aanplanting ervan in stand worden gehandhaafd. De onderzaaiing wordt ten minste drie maanden na de oogst van het maïsgewas gehandhaafd.";
2° in paragraaf 3, gewijzigd bij besluit van de Waalse Regering van 6 februari 2025, wordt tussen de leden 3 en 4 een lid ingevoegd dat als volgt luidt:
"Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, wordt het aanplanten van een onderzaaiing die behoort tot een ander plantengeslacht dan dat van het hoofdgewas, beschouwd als een verandering van teelt indien de onderzaaiing gedurende ten minste drie maanden na de oogst van het hoofdgewas wordt gehandhaafd.".
Art. 11. A l'article 63 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'exigence prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas lorsque l'agriculteur désire cultiver du maïs (Zea mays) pendant plusieurs années successives sur une même parcelle, à condition qu'il implante une interculture entre chaque culture de maïs ou un sous-semis d'une culture différente de la culture de maïs. L'interculture est conservée au moins trois mois à compter de son implantation. Le sous-semis est conservé au moins trois mois à compter de la récolte de la culture de maïs. " ;
2° dans le paragraphe 3, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 2, l'implantation d'un sous-semis appartenant à un genre botanique différent de celui de la culture principale est considérée comme un changement de culture si le sous-semis est conservé au moins trois mois à compter de la récolte de la culture principale. ".
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'exigence prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas lorsque l'agriculteur désire cultiver du maïs (Zea mays) pendant plusieurs années successives sur une même parcelle, à condition qu'il implante une interculture entre chaque culture de maïs ou un sous-semis d'une culture différente de la culture de maïs. L'interculture est conservée au moins trois mois à compter de son implantation. Le sous-semis est conservé au moins trois mois à compter de la récolte de la culture de maïs. " ;
2° dans le paragraphe 3, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 février 2025, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 2, l'implantation d'un sous-semis appartenant à un genre botanique différent de celui de la culture principale est considérée comme un changement de culture si le sous-semis est conservé au moins trois mois à compter de la récolte de la culture principale. ".
Art. 12. Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2026.
In afwijking van het eerste lid hebben de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 uitwerking op 1 januari 2027.
In afwijking van het eerste lid hebben de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 uitwerking op 1 januari 2027.
Art. 12. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2026.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions prévues aux articles 8 à 10 entrent en vigueur le 1er janvier 2027.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions prévues aux articles 8 à 10 entrent en vigueur le 1er janvier 2027.
Art. 13. De Minister van Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.