Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 NOVEMBER 2025. - Ministerieel besluit tot definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", zodat de ontginningsactiviteit kan worden voortgezet
Titre
25 NOVEMBRE 2025. - Arrêté ministériel adoptant définitivement la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) visant l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction
Documentinformatie
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. De herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", wordt overeenkomstig het hierbij gevoegde plan definitief aangenomen.
Article 1er. La révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) portant sur l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", est adopté définitivement conformément au plan ci-annexé.
Art. 2. De Waalse Overheidsdienst Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 2. Le SPW Territoire, Logement, Patrimoine, Energie est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage: Milieuverklaring
Milieuverklaring voor de definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", zodat de ontginningsactiviteit kan worden voortgezet
Inleiding
Deze milieuverklaring is vereist wegens artikel D.VIII.36 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling.
Deze verklaring is een bijlage van het Ministerieel besluit tot definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", zodat de ontginningsactiviteit kan worden voortgezet.
Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en is toegankelijk via de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsbeleid Wonen Erfgoed Energie.
De milieuverklaring is een samenvatting van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in het plan en waarop het milieueffectenverslag, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen alsook de redenen van het plan of van het ontwikkelingsplan zoals aangenomen rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.
I. Inhoud van de gewestplanherziening
De steengroeve van La Boverie ligt in de regio Calestienne, aan de noordwestelijke rand van het landbouwplateau van Gerny, binnen de grenzen van de stad Rochefort aangrenzend aan de stad Marche-en-Famenne, tussen de provincies Namen en Luxemburg. De site ligt vlakbij de dorpen Humain (1,2 km ten noordoosten) en Havrenne (1,5 km ten noorden). Het radioastronomiestation Humain ligt ongeveer 700 m ten noordoosten van de fronten, terwijl de abdij Notre-Dame de Saint-Remy ongeveer 1 km ten zuidwesten van de huidige steengroeve ligt.
De N.V. Lhoist Industrie ontgint een afzetting van kalksteenlenzen om er steen met een hoog calciumcarbonaatgehalte (CaCO3) uit te halen. Deze steen wordt gebruikt om de kalkproductiefabriek en de faciliteiten voor de productie van aggregaten in On (3 km ten zuidoosten van de groeve) te bevoorraden. De fabriek wordt uitsluitend bevoorraad met producten uit de steengroeve.
Het doel van de aanvraag tot herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort is om de uitbreiding van de ontginningsput naar het noordoosten mogelijk te maken, zodat de steengroeveactiviteiten kunnen worden voortgezet.
In het licht van de conclusies van het milieueffectrapport en naar aanleiding van het openbare onderzoek en de adviezen van de geraadpleegde instanties is de oorspronkelijke aanvraag gewijzigd.
Het besluit tot definitieve aanneming van het plan betreft de inschrijving op het grondgebied van de gemeente Rochefort, bij de plaats met naam "Carrière de la Boverie" als uitbreiding van de bestaande ontginning van de volgende gebieden :
- een ontginningsgebied, dat na afloop van de exploitatie een natuurgebied wordt, met een oppervlakte van 14,61 hectare in plaats van een landbouwgebied;
- een bosgebied, met een oppervlakte van 13,80 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
- een landbouwgebied, met een oppervlakte van ongeveer 3,22 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen.
Er is geen planologische compensatie vereist krachtens artikel D.II.45 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, hierna "Wetboek".
II. Chronologie van de procedure tot herziening van het gewestplan
Voorafgaande opmerking over de toepassing van de overgangsmaatregelen waarin het Wetboek voorziet ten aanzien van procedures die lopen op de datum van inwerkingtreding
Het decreet van 13 december 2023 wijzigde genoemd Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling en trad in werking op 1 april 2024. In artikel 246 van dit decreet wordt hetvolgende bepaald: "De voorbereiding of herziening van een gewestplan dat is vrijgesteld van een effectbeoordeling overeenkomstig artikel D.VIII.31, § 2, of dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande informatievergadering in de zin van artikel D.VIII.5 wordt voortgezet volgens de bepalingen die van kracht waren voor die datum.". Aangezien de voorafgaande informatievergadering met betrekking tot de aanvraag plaatsvond op 15 februari 2021, werd de procedure voor de herziening van het gewestplan voortgezet in overeenstemming met het Wetboek dat van kracht was vóór 1 april 2024.
Informatievergadering, advies van de gemeenteraad en indiening van de aanvraag
De voorafgaande informatievergadering werd georganiseerd op 15 februari 2021 na te zijn aangekondigd met de middelen en met inachtneming van de vorm die op dat moment werd voorgeschreven, overeenkomstig de bepalingen van het volmachtenbesluit nr. 48 van de Waalse Regering van 11 juni 2020 en hetvolmachtenbesluit nr. 62 van de Waalse Regering van 10 december 2020. Een videopresentatie van het project heeft de voorafgaande fysieke informatievergadering vervangen die vereist is volgens artikel D.VIII.5 van het Wetboek.
De Stad Rochefort heeft de vergadering omstandig genotuleerd. In de twee weken die daarop volgden, werden 30 brieven met opmerkingen of suggesties en een petitie met 42 handtekeningen aan het gemeentecollege overgemaakt. Deze brieven hadden betrekking op een breed scala aan onderwerpen (stof, geluid, trillingen, grondwater, landschap, landbouw, enz.), zodat er rekening mee kon worden gehouden bij het opstellen van het milieueffectrapport.
In haar advies van 17 maart 2021 sprak de CCATM (Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité) van Rochefort zich uit voor de aanvraag, waarbij zij opmerkte dat een aantal factoren nog moest worden geanalyseerd, waaronder met name de vermindering van de bufferende werking van de kalklaag op het grondwaterpeil. De CCATM stelde voor dat de belofte van S.A. Lhoist Industrie om de beboste heuvel nabij het dorp Havrenne niet af te graven, wordt gehandhaafd door de bijgebouwen van de winning in de betrokken gebieden in het bosgebied op te nemen.
In zijn advies van 24 maart 2021 was de Gemeenteraad van Rochefort van mening dat de aanvraag in dit stadium van de procedure gerechtvaardigd leek gezien de nagestreefde doelstellingen, op voorwaarde dat verschillende specifieke punten (impact op het grondwaterpeil, maatregelen om de impact op het landschap te beperken, installatie van meetinstrumenten, enz.), verder in de procedure meegenomen wordt.
De N.V. Lhoist Industrie heeft bij de Waalse regering een aanvraag ingediend voor een herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort, waardoor het zijn winningsactiviteiten op de site van La Boverie kan voortzetten. Bedoelde aanvraag werd op 14 april 2021 ontvangen door de Minister van Ruimtelijke ordening.
Besluit van 8 maart 2022 tot aanneming van een ontwerpplan
De aanvraag werd op 4 juni 2021 ingediend voor advies van de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening", de beleidsgroep "Leefmilieu", de gedelegeerd ambtenaar, de SPW Landbouw, Natuurlijke Rijkdommen en Leefmilieu, de SPW Mobiliteit en Infrastructuur, de Waalse Dienst voor het Patrimonium, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie, het Koninklijk Belgisch Meteorologisch Instituut, de Koninklijke Sterrenwacht van België, alsook voor advies van de technische dienst van de stad Rochefort die instaat voor de waterbevoorrading. Alle adviezen werden binnen de gestelde termijn toegezonden.
Dientengevolge heeft de Minister bij besluit van 8 maart 2022 beslist :
- tot herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3);
- tot aanneming van het ontwerp-plan, met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na afloop van de ontigging een groengebied wordt op het grondgebied van de stad Rochefort (Rochefort) teneinde de voortzetting van de ontginningsactiviteit mogelijk te maken;
- besloten tot opstelling van een milieueffectrapport van het ontwerp-plan en tot vaststelling van de ontwerp-inhoud ervan.
Overeenkomstig bijgevoegd plan.
Milieuverklaring voor de definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", zodat de ontginningsactiviteit kan worden voortgezet
Inleiding
Deze milieuverklaring is vereist wegens artikel D.VIII.36 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling.
Deze verklaring is een bijlage van het Ministerieel besluit tot definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na ontginning een natuurgebied wordt, een bosgebied en een landbouwgebied op het grondgebied van de stad ROCHEFORT (Rochefort) op de plaats "Carrière de La Boverie", zodat de ontginningsactiviteit kan worden voortgezet.
Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en is toegankelijk via de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsbeleid Wonen Erfgoed Energie.
De milieuverklaring is een samenvatting van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in het plan en waarop het milieueffectenverslag, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen alsook de redenen van het plan of van het ontwikkelingsplan zoals aangenomen rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.
I. Inhoud van de gewestplanherziening
De steengroeve van La Boverie ligt in de regio Calestienne, aan de noordwestelijke rand van het landbouwplateau van Gerny, binnen de grenzen van de stad Rochefort aangrenzend aan de stad Marche-en-Famenne, tussen de provincies Namen en Luxemburg. De site ligt vlakbij de dorpen Humain (1,2 km ten noordoosten) en Havrenne (1,5 km ten noorden). Het radioastronomiestation Humain ligt ongeveer 700 m ten noordoosten van de fronten, terwijl de abdij Notre-Dame de Saint-Remy ongeveer 1 km ten zuidwesten van de huidige steengroeve ligt.
De N.V. Lhoist Industrie ontgint een afzetting van kalksteenlenzen om er steen met een hoog calciumcarbonaatgehalte (CaCO3) uit te halen. Deze steen wordt gebruikt om de kalkproductiefabriek en de faciliteiten voor de productie van aggregaten in On (3 km ten zuidoosten van de groeve) te bevoorraden. De fabriek wordt uitsluitend bevoorraad met producten uit de steengroeve.
Het doel van de aanvraag tot herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort is om de uitbreiding van de ontginningsput naar het noordoosten mogelijk te maken, zodat de steengroeveactiviteiten kunnen worden voortgezet.
In het licht van de conclusies van het milieueffectrapport en naar aanleiding van het openbare onderzoek en de adviezen van de geraadpleegde instanties is de oorspronkelijke aanvraag gewijzigd.
Het besluit tot definitieve aanneming van het plan betreft de inschrijving op het grondgebied van de gemeente Rochefort, bij de plaats met naam "Carrière de la Boverie" als uitbreiding van de bestaande ontginning van de volgende gebieden :
- een ontginningsgebied, dat na afloop van de exploitatie een natuurgebied wordt, met een oppervlakte van 14,61 hectare in plaats van een landbouwgebied;
- een bosgebied, met een oppervlakte van 13,80 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
- een landbouwgebied, met een oppervlakte van ongeveer 3,22 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen.
Er is geen planologische compensatie vereist krachtens artikel D.II.45 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, hierna "Wetboek".
II. Chronologie van de procedure tot herziening van het gewestplan
Voorafgaande opmerking over de toepassing van de overgangsmaatregelen waarin het Wetboek voorziet ten aanzien van procedures die lopen op de datum van inwerkingtreding
Het decreet van 13 december 2023 wijzigde genoemd Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling en trad in werking op 1 april 2024. In artikel 246 van dit decreet wordt hetvolgende bepaald: "De voorbereiding of herziening van een gewestplan dat is vrijgesteld van een effectbeoordeling overeenkomstig artikel D.VIII.31, § 2, of dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande informatievergadering in de zin van artikel D.VIII.5 wordt voortgezet volgens de bepalingen die van kracht waren voor die datum.". Aangezien de voorafgaande informatievergadering met betrekking tot de aanvraag plaatsvond op 15 februari 2021, werd de procedure voor de herziening van het gewestplan voortgezet in overeenstemming met het Wetboek dat van kracht was vóór 1 april 2024.
Informatievergadering, advies van de gemeenteraad en indiening van de aanvraag
De voorafgaande informatievergadering werd georganiseerd op 15 februari 2021 na te zijn aangekondigd met de middelen en met inachtneming van de vorm die op dat moment werd voorgeschreven, overeenkomstig de bepalingen van het volmachtenbesluit nr. 48 van de Waalse Regering van 11 juni 2020 en hetvolmachtenbesluit nr. 62 van de Waalse Regering van 10 december 2020. Een videopresentatie van het project heeft de voorafgaande fysieke informatievergadering vervangen die vereist is volgens artikel D.VIII.5 van het Wetboek.
De Stad Rochefort heeft de vergadering omstandig genotuleerd. In de twee weken die daarop volgden, werden 30 brieven met opmerkingen of suggesties en een petitie met 42 handtekeningen aan het gemeentecollege overgemaakt. Deze brieven hadden betrekking op een breed scala aan onderwerpen (stof, geluid, trillingen, grondwater, landschap, landbouw, enz.), zodat er rekening mee kon worden gehouden bij het opstellen van het milieueffectrapport.
In haar advies van 17 maart 2021 sprak de CCATM (Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité) van Rochefort zich uit voor de aanvraag, waarbij zij opmerkte dat een aantal factoren nog moest worden geanalyseerd, waaronder met name de vermindering van de bufferende werking van de kalklaag op het grondwaterpeil. De CCATM stelde voor dat de belofte van S.A. Lhoist Industrie om de beboste heuvel nabij het dorp Havrenne niet af te graven, wordt gehandhaafd door de bijgebouwen van de winning in de betrokken gebieden in het bosgebied op te nemen.
In zijn advies van 24 maart 2021 was de Gemeenteraad van Rochefort van mening dat de aanvraag in dit stadium van de procedure gerechtvaardigd leek gezien de nagestreefde doelstellingen, op voorwaarde dat verschillende specifieke punten (impact op het grondwaterpeil, maatregelen om de impact op het landschap te beperken, installatie van meetinstrumenten, enz.), verder in de procedure meegenomen wordt.
De N.V. Lhoist Industrie heeft bij de Waalse regering een aanvraag ingediend voor een herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort, waardoor het zijn winningsactiviteiten op de site van La Boverie kan voortzetten. Bedoelde aanvraag werd op 14 april 2021 ontvangen door de Minister van Ruimtelijke ordening.
Besluit van 8 maart 2022 tot aanneming van een ontwerpplan
De aanvraag werd op 4 juni 2021 ingediend voor advies van de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening", de beleidsgroep "Leefmilieu", de gedelegeerd ambtenaar, de SPW Landbouw, Natuurlijke Rijkdommen en Leefmilieu, de SPW Mobiliteit en Infrastructuur, de Waalse Dienst voor het Patrimonium, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie, het Koninklijk Belgisch Meteorologisch Instituut, de Koninklijke Sterrenwacht van België, alsook voor advies van de technische dienst van de stad Rochefort die instaat voor de waterbevoorrading. Alle adviezen werden binnen de gestelde termijn toegezonden.
Dientengevolge heeft de Minister bij besluit van 8 maart 2022 beslist :
- tot herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3);
- tot aanneming van het ontwerp-plan, met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na afloop van de ontigging een groengebied wordt op het grondgebied van de stad Rochefort (Rochefort) teneinde de voortzetting van de ontginningsactiviteit mogelijk te maken;
- besloten tot opstelling van een milieueffectrapport van het ontwerp-plan en tot vaststelling van de ontwerp-inhoud ervan.
Overeenkomstig bijgevoegd plan.
Art. N. Annexe : Déclaration environnementale
Déclaration environnementale relative à l'adoption définitive de la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) portant sur l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction
Introduction
La présente déclaration environnementale est requise en vertu de l'article D.VIII.36 du Code du Développement territorial (CoDT).
Elle accompagne l'arrêté ministériel adoptant définitivement la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) portant sur l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction.
Elle est publiée au Moniteur belge et est accessible via le Géoportail de Wallonie et le site internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme " le territoire en Wallonie ", onglet " planification régionale " (Service public de Wallonie Territoire Logement Patrimoine Energie).
La présente déclaration environnementale résume la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan et dont le rapport sur les incidences environnementales, les avis, les réclamations et observations ont été pris en considération ainsi que les raisons du choix du plan tel qu'adopté, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.
I. Objet de la révision du plan de secteur
La carrière de La Boverie se situe dans la Calestienne, en bordure nord-ouest du plateau agricole du Gerny, sur le territoire de la ville de Rochefort, à la limite de la ville de Marche-en-Famenne et entre les provinces de Namur et de Luxembourg. Le site se situe à proximité des villages de Humain (1,2 km au nord-est) et Havrenne (1,5 km au nord). La station de radioastronomie de Humain se situe à environ 700 m au nord-est des fronts, tandis que l'abbaye Notre-Dame de Saint-Remy est située à environ 1 km au sud-ouest de la carrière actuelle.
La S.A. Lhoist Industrie exploite un gisement de lentilles calcaires afin d'en extraire des pierres à haute teneur en carbonate de calcium (CaCO3), destinées à alimenter son usine de production de chaux ainsi que les installations de production de granulats localisée à On (3 km au sud-est de la carrière). L'usine est alimentée exclusivement par les produits de la carrière.
La demande de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort vise à permettre l'extension de la fosse d'extraction vers le nord-est afin que l'activité de la carrière puisse se poursuivre.
Compte tenu des conclusions du rapport sur les incidences environnementales, et à la suite de l'enquête publique et à l'avis des instances consultées, une modification a été apportée à la demande initiale.
L'arrêté adoptant définitivement le plan porte sur l'inscription, sur le territoire de la ville de Rochefort, au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", en extension de l'exploitation existante, des zones suivantes :
- une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation d'une superficie d'environ 14,61 ha en lieu et place d'une zone agricole ;
- une zone forestière d'une superficie d'environ 13,80 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
- une zone agricole d'une superficie d'environ 3,22 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction.
Aucune compensation planologique n'est requise en vertu de l'article D.II.45, du CoDT.
II. Chronologie de la procédure de révision du plan de secteur
Remarque préliminaire relative à l'application des mesures transitoires prévues par le CoDT en ce qui concerne les procédures en cours à la date de son entrée en vigueur
Le décret du 13 décembre 2023 a modifié le Code du Développement territorial et est entré en vigueur le 1er avril 2024. Ce décret prévoit en son article 246 que " l'élaboration ou la révision d'un plan de secteur qui a fait l'objet d'une dispense d'évaluation des incidences en vertu de l'article D.VIII.31, § 2, ou qui a fait l'objet d'une réunion d'information préalable au sens de l'article D.VIII.5 se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date ". La réunion d'information préalable relative à la demande ayant eu lieu le 15 février 2021, la procédure de révision du plan de secteur s'est poursuivie selon le Code en vigueur avant le 1er avril 2024.
Réunion d'information, avis du conseil communal et dépôt de la demande
La réunion d'information préalable a été organisée le 15 février 2021 après avoir été annoncée par les voies et selon les formes prescrites à l'époque, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 48 du 11 juin 2020 et de l'arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 62 du 10 décembre 2020. Une vidéo de présentation du projet a remplacé la tenue de la réunion d'information préalable en présentiel telle que prévue par l'article D.VIII.5 du CoDT.
La ville de Rochefort a rédigé un procès-verbal détaillé de la réunion. Dans les quinze jours qui ont suivi, 30 courriers d'observations ou suggestions, ainsi qu'une pétition de 42 signatures ont été adressés au collège communal. Ces courriers abordaient des sujets très divers (poussières, bruits, vibrations, eaux souterraines, paysage, agriculture, etc.) afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
Aux termes de son avis du 17 mars 2021, la commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité (CCATM) de Rochefort est favorable à la demande, et constate que plusieurs éléments doivent encore être analysés, dont notamment la réduction de l'effet tampon de la couverture calcaire sur la nappe. La CCATM y suggère que l'engagement de la S.A. Lhoist Industrie de ne pas exploiter le coteau boisé du côté du village de Havrenne soit pérennisé par l'inscription en zone forestière de la zone de dépendances d'extraction sur les espaces concernés.
En son avis du 24 mars 2021, le conseil communal de Rochefort a estimé qu'à ce stade de la procédure, la demande paraissait justifiée au regard des objectifs poursuivis pour autant que divers points spécifiques (impact sur la nappe, mesures visant à limiter l'impact paysager, installation d'outils de mesure, etc.) soient pris en compte dans la suite de la procédure.
La S.A. Lhoist Industrie a adressé au Gouvernement wallon sa demande de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort permettant la poursuite de son activité d'extraction sur le site de La Boverie. Elle a été réceptionnée le 14 avril 2021 par le Ministre de l'Aménagement du territoire.
Arrêté du 8 mars 2022 : projet de plan
La demande a été soumise le 4 juin 2021 à l'avis du pôle " Aménagement du territoire ", du pôle " Environnement ", du fonctionnaire délégué, du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, du SPW Mobilité et Infrastructures, de l'Agence wallonne du Patrimoine, de l'Institut royal d'Aéronomie spatiale de Belgique, de l'Institut royal Météorologique de Belgique, de l'Observatoire royal de Belgique, ainsi qu'à l'avis du service technique de la ville de Rochefort responsable de l'alimentation en eau. Tous les avis émis ont été transmis dans le délai prescrit.
Par arrêté du 8 mars 2022, le Ministre a :
- décidé de réviser le plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) ;
- adopté le projet de plan visant à inscrire une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction ;
- décidé de faire réaliser un rapport sur les incidences environnementales du projet de plan et d'en fixer le projet de contenu ;
Conformément au plan repris ci-après.
Déclaration environnementale relative à l'adoption définitive de la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) portant sur l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction
Introduction
La présente déclaration environnementale est requise en vertu de l'article D.VIII.36 du Code du Développement territorial (CoDT).
Elle accompagne l'arrêté ministériel adoptant définitivement la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) portant sur l'inscription d'une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, d'une zone forestière et d'une zone agricole sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction.
Elle est publiée au Moniteur belge et est accessible via le Géoportail de Wallonie et le site internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme " le territoire en Wallonie ", onglet " planification régionale " (Service public de Wallonie Territoire Logement Patrimoine Energie).
La présente déclaration environnementale résume la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan et dont le rapport sur les incidences environnementales, les avis, les réclamations et observations ont été pris en considération ainsi que les raisons du choix du plan tel qu'adopté, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.
I. Objet de la révision du plan de secteur
La carrière de La Boverie se situe dans la Calestienne, en bordure nord-ouest du plateau agricole du Gerny, sur le territoire de la ville de Rochefort, à la limite de la ville de Marche-en-Famenne et entre les provinces de Namur et de Luxembourg. Le site se situe à proximité des villages de Humain (1,2 km au nord-est) et Havrenne (1,5 km au nord). La station de radioastronomie de Humain se situe à environ 700 m au nord-est des fronts, tandis que l'abbaye Notre-Dame de Saint-Remy est située à environ 1 km au sud-ouest de la carrière actuelle.
La S.A. Lhoist Industrie exploite un gisement de lentilles calcaires afin d'en extraire des pierres à haute teneur en carbonate de calcium (CaCO3), destinées à alimenter son usine de production de chaux ainsi que les installations de production de granulats localisée à On (3 km au sud-est de la carrière). L'usine est alimentée exclusivement par les produits de la carrière.
La demande de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort vise à permettre l'extension de la fosse d'extraction vers le nord-est afin que l'activité de la carrière puisse se poursuivre.
Compte tenu des conclusions du rapport sur les incidences environnementales, et à la suite de l'enquête publique et à l'avis des instances consultées, une modification a été apportée à la demande initiale.
L'arrêté adoptant définitivement le plan porte sur l'inscription, sur le territoire de la ville de Rochefort, au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", en extension de l'exploitation existante, des zones suivantes :
- une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation d'une superficie d'environ 14,61 ha en lieu et place d'une zone agricole ;
- une zone forestière d'une superficie d'environ 13,80 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
- une zone agricole d'une superficie d'environ 3,22 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction.
Aucune compensation planologique n'est requise en vertu de l'article D.II.45, du CoDT.
II. Chronologie de la procédure de révision du plan de secteur
Remarque préliminaire relative à l'application des mesures transitoires prévues par le CoDT en ce qui concerne les procédures en cours à la date de son entrée en vigueur
Le décret du 13 décembre 2023 a modifié le Code du Développement territorial et est entré en vigueur le 1er avril 2024. Ce décret prévoit en son article 246 que " l'élaboration ou la révision d'un plan de secteur qui a fait l'objet d'une dispense d'évaluation des incidences en vertu de l'article D.VIII.31, § 2, ou qui a fait l'objet d'une réunion d'information préalable au sens de l'article D.VIII.5 se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date ". La réunion d'information préalable relative à la demande ayant eu lieu le 15 février 2021, la procédure de révision du plan de secteur s'est poursuivie selon le Code en vigueur avant le 1er avril 2024.
Réunion d'information, avis du conseil communal et dépôt de la demande
La réunion d'information préalable a été organisée le 15 février 2021 après avoir été annoncée par les voies et selon les formes prescrites à l'époque, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 48 du 11 juin 2020 et de l'arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 62 du 10 décembre 2020. Une vidéo de présentation du projet a remplacé la tenue de la réunion d'information préalable en présentiel telle que prévue par l'article D.VIII.5 du CoDT.
La ville de Rochefort a rédigé un procès-verbal détaillé de la réunion. Dans les quinze jours qui ont suivi, 30 courriers d'observations ou suggestions, ainsi qu'une pétition de 42 signatures ont été adressés au collège communal. Ces courriers abordaient des sujets très divers (poussières, bruits, vibrations, eaux souterraines, paysage, agriculture, etc.) afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
Aux termes de son avis du 17 mars 2021, la commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité (CCATM) de Rochefort est favorable à la demande, et constate que plusieurs éléments doivent encore être analysés, dont notamment la réduction de l'effet tampon de la couverture calcaire sur la nappe. La CCATM y suggère que l'engagement de la S.A. Lhoist Industrie de ne pas exploiter le coteau boisé du côté du village de Havrenne soit pérennisé par l'inscription en zone forestière de la zone de dépendances d'extraction sur les espaces concernés.
En son avis du 24 mars 2021, le conseil communal de Rochefort a estimé qu'à ce stade de la procédure, la demande paraissait justifiée au regard des objectifs poursuivis pour autant que divers points spécifiques (impact sur la nappe, mesures visant à limiter l'impact paysager, installation d'outils de mesure, etc.) soient pris en compte dans la suite de la procédure.
La S.A. Lhoist Industrie a adressé au Gouvernement wallon sa demande de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort permettant la poursuite de son activité d'extraction sur le site de La Boverie. Elle a été réceptionnée le 14 avril 2021 par le Ministre de l'Aménagement du territoire.
Arrêté du 8 mars 2022 : projet de plan
La demande a été soumise le 4 juin 2021 à l'avis du pôle " Aménagement du territoire ", du pôle " Environnement ", du fonctionnaire délégué, du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, du SPW Mobilité et Infrastructures, de l'Agence wallonne du Patrimoine, de l'Institut royal d'Aéronomie spatiale de Belgique, de l'Institut royal Météorologique de Belgique, de l'Observatoire royal de Belgique, ainsi qu'à l'avis du service technique de la ville de Rochefort responsable de l'alimentation en eau. Tous les avis émis ont été transmis dans le délai prescrit.
Par arrêté du 8 mars 2022, le Ministre a :
- décidé de réviser le plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) ;
- adopté le projet de plan visant à inscrire une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation, sur le territoire de la ville de ROCHEFORT (Rochefort) au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", afin de permettre la poursuite de l'activité d'extraction ;
- décidé de faire réaliser un rapport sur les incidences environnementales du projet de plan et d'en fixer le projet de contenu ;
Conformément au plan repris ci-après.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-01-2026, p. 3798)
Besluit van 4 mei 2022 tot vaststelling van de definitieve inhoud van het milieueffectverslag
In overeenstemming met artikel D.VIII.33, § 4, van het Wetboek werd de ontwerpinhoud van het milieueffectrapport voor advies naar de beleidsgroepen "Ruimtelijke Ordening" en "Leefmilieu" gestuurd. De minister van Ruimtelijke Ordening vond het ook nuttig om SPW Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Milieu te raadplegen. De SPW Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieu wilde geen advies uitbrengen.
Op basis hiervan is bij ministerieel besluit van 4 mei 2022 de definitieve inhoud van het milieueffectrapport vastgesteld.
Opmaken van het milieueffectenrapport
De aanvrager heeft het ontwerpbureau ARIES Consultants SA aangewezen om het milieueffectverslag op te stellen. Deze projectauteur, naar behoren erkend, werd niet betwist.
Overeenkomstig artikel D.VIII.30 van het Wetboek werden de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de Beleidsgroep Leefmilieu en de gemeentelijke adviescommissie van Rochefort regelmatig op de hoogte gehouden van de evolutie van de voorafgaandelijke onderzoeken en van het opstellen van het effectenverslag. Deze instanties hebben opmerkingen en suggesties ingediend over fase I op 10 februari 2023 (beleidsgroep ruimtelijke ordening) en over fase II op 13 mei 2024 (beleidsgroep milieu) en 26 april 2024 (beleidsgroep ruimtelijke ordening).
Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen is de definitieve versie van het milieueffectrapport op 31 mei 2024 ingediend bij de minister van Ruimtelijke Ordening.
Openbaar onderzoek en advies na onderzoek
Het op 8 maart 2022 goedgekeurde ontwerp van herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort werd van 3 februari 2025 tot 19 maart 2025 onderworpen aan een openbaar onderzoek in de gemeenten Rochefort en Marche-en-Famenne.
Het openbaar onderzoek heeft aanleiding gegeven tot 55 bezwaren of bemerkingen.
Op 11 april 2025 heeft de gemeenteraad van Rochefort een gunstig advies uitgebracht over het ontwerp van herziening.
De gemeenteraad van Marche-en-Famenne heeft tijdens zijn vergadering van 28 april 2025 zijn advies uitgebracht buiten de voorgeschreven termijn. Het wordt daarom als gunstig beschouwd.
Het onderwerp van de bezwaren en het advies van de Gemeenteraad van Rochefort worden gedetailleerd beschreven in het ministerieel besluit waaraan de milieuverklaring is gehecht, waarin ook wordt aangegeven hoe er rekening mee is gehouden.
De adviezen van de Beleidsgroepen "Ruimtelijke Ordening" en "Leefmilieu" werden gevraagd op 15 mei 2025;
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening heeft op 16 juni 2025 een advies uitgebracht, dat dezelfde dag, dus binnen de vereiste termijn, is doorgestuurd. Het advies is gunstig en gaat vergezeld van opmerkingen en overwegingen.
De Beleidsgroep Leefmilieu heeft op 25 juni 2025, dus binnen de gestelde termijn, zijn advies uitgebracht. Het advies is gunstig en gaat vergezeld van opmerkingen en overwegingen.
De adviezen van de beleidsgroepen en de manier waarop hiermee rekening is gehouden, zijn gedetailleerd beschreven in het ministeriële besluit waaraan de milieuverklaring als bijlage is toegevoegd.
Definitieve aanneming
Het ministerieel besluit tot definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) bevat een wijziging van het op 8 maart 2022 goedgekeurde ontwerpplan om rekening te houden met de resultaten van het openbaar onderzoek.
De omtrek van de herziening bevatte immers de opname van een bosgebied (13,8 ha) en een landbouwgebied (3,2 ha) in plaats van een gebied met aanhorigheden van ontginningsgebieden. Deze wijziging van het ontwerpplan is het resultaat van een voorstel in het milieueffectrapport, ondersteund door verschillende brieven van het openbaar onderzoek, het advies van de gemeenteraad van Rochefort, de Beleidsgroep "Leefmilieu" en de SPW ARNE.
Het besluit tot definitieve aanneming van het plan betreft de inschrijving op het grondgebied van de gemeente Rochefort, bij de plaats met naam "Carrière de la Boverie" als uitbreiding van de bestaande ontginning van de volgende gebieden :
- een ontginningsgebied, dat na afloop van de exploitatie een natuurgebied wordt, met een oppervlakte van 14,61 hectare in plaats van een landbouwgebied;
- een landbouwgebied, met een oppervlakte van ongeveer 3,22 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
- een bosgebied, met een oppervlakte van 13,80 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
Overeenkomstig bijgevoegd plan.
Besluit van 4 mei 2022 tot vaststelling van de definitieve inhoud van het milieueffectverslag
In overeenstemming met artikel D.VIII.33, § 4, van het Wetboek werd de ontwerpinhoud van het milieueffectrapport voor advies naar de beleidsgroepen "Ruimtelijke Ordening" en "Leefmilieu" gestuurd. De minister van Ruimtelijke Ordening vond het ook nuttig om SPW Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Milieu te raadplegen. De SPW Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieu wilde geen advies uitbrengen.
Op basis hiervan is bij ministerieel besluit van 4 mei 2022 de definitieve inhoud van het milieueffectrapport vastgesteld.
Opmaken van het milieueffectenrapport
De aanvrager heeft het ontwerpbureau ARIES Consultants SA aangewezen om het milieueffectverslag op te stellen. Deze projectauteur, naar behoren erkend, werd niet betwist.
Overeenkomstig artikel D.VIII.30 van het Wetboek werden de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de Beleidsgroep Leefmilieu en de gemeentelijke adviescommissie van Rochefort regelmatig op de hoogte gehouden van de evolutie van de voorafgaandelijke onderzoeken en van het opstellen van het effectenverslag. Deze instanties hebben opmerkingen en suggesties ingediend over fase I op 10 februari 2023 (beleidsgroep ruimtelijke ordening) en over fase II op 13 mei 2024 (beleidsgroep milieu) en 26 april 2024 (beleidsgroep ruimtelijke ordening).
Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen is de definitieve versie van het milieueffectrapport op 31 mei 2024 ingediend bij de minister van Ruimtelijke Ordening.
Openbaar onderzoek en advies na onderzoek
Het op 8 maart 2022 goedgekeurde ontwerp van herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort werd van 3 februari 2025 tot 19 maart 2025 onderworpen aan een openbaar onderzoek in de gemeenten Rochefort en Marche-en-Famenne.
Het openbaar onderzoek heeft aanleiding gegeven tot 55 bezwaren of bemerkingen.
Op 11 april 2025 heeft de gemeenteraad van Rochefort een gunstig advies uitgebracht over het ontwerp van herziening.
De gemeenteraad van Marche-en-Famenne heeft tijdens zijn vergadering van 28 april 2025 zijn advies uitgebracht buiten de voorgeschreven termijn. Het wordt daarom als gunstig beschouwd.
Het onderwerp van de bezwaren en het advies van de Gemeenteraad van Rochefort worden gedetailleerd beschreven in het ministerieel besluit waaraan de milieuverklaring is gehecht, waarin ook wordt aangegeven hoe er rekening mee is gehouden.
De adviezen van de Beleidsgroepen "Ruimtelijke Ordening" en "Leefmilieu" werden gevraagd op 15 mei 2025;
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening heeft op 16 juni 2025 een advies uitgebracht, dat dezelfde dag, dus binnen de vereiste termijn, is doorgestuurd. Het advies is gunstig en gaat vergezeld van opmerkingen en overwegingen.
De Beleidsgroep Leefmilieu heeft op 25 juni 2025, dus binnen de gestelde termijn, zijn advies uitgebracht. Het advies is gunstig en gaat vergezeld van opmerkingen en overwegingen.
De adviezen van de beleidsgroepen en de manier waarop hiermee rekening is gehouden, zijn gedetailleerd beschreven in het ministeriële besluit waaraan de milieuverklaring als bijlage is toegevoegd.
Definitieve aanneming
Het ministerieel besluit tot definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan Dinant-Ciney-Rochefort (bladen 54/7 en 59/3) bevat een wijziging van het op 8 maart 2022 goedgekeurde ontwerpplan om rekening te houden met de resultaten van het openbaar onderzoek.
De omtrek van de herziening bevatte immers de opname van een bosgebied (13,8 ha) en een landbouwgebied (3,2 ha) in plaats van een gebied met aanhorigheden van ontginningsgebieden. Deze wijziging van het ontwerpplan is het resultaat van een voorstel in het milieueffectrapport, ondersteund door verschillende brieven van het openbaar onderzoek, het advies van de gemeenteraad van Rochefort, de Beleidsgroep "Leefmilieu" en de SPW ARNE.
Het besluit tot definitieve aanneming van het plan betreft de inschrijving op het grondgebied van de gemeente Rochefort, bij de plaats met naam "Carrière de la Boverie" als uitbreiding van de bestaande ontginning van de volgende gebieden :
- een ontginningsgebied, dat na afloop van de exploitatie een natuurgebied wordt, met een oppervlakte van 14,61 hectare in plaats van een landbouwgebied;
- een landbouwgebied, met een oppervlakte van ongeveer 3,22 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
- een bosgebied, met een oppervlakte van 13,80 hectare in plaats van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
Overeenkomstig bijgevoegd plan.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-01-2026, p. 3770)
Arrêté du 4 mai 2022 : fixation du contenu définitif du rapport sur les incidences environnementales
Conformément à l'article D.VIII.33, § 4, du CoDT, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales a été transmis pour avis au pôle " Aménagement du territoire " et au pôle " Environnement ". Le Ministre de l'Aménagement du territoire a également jugé utile de consulter le SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Le SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement n'a pas souhaité remettre d'avis.
Sur cette base, l'arrêté ministériel du 4 mai 2022 a adopté le contenu définitif du rapport sur les incidences environnementales.
Réalisation du rapport sur les incidences environnementales
Le demandeur a désigné le bureau d'étude ARIES Consultants SA afin de réaliser le rapport sur les incidences environnementales. Cet auteur de projet, dûment agréé, n'a pas été récusé.
Conformément à l'article D.VIII.30 du CoDT, le pôle " Environnement ", le pôle " Aménagement du territoire " et la CCATM de Rochefort ont été régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction du rapport sur les incidences environnementales. Ces instances ont formulé des observations et présenté des suggestions le 10 février 2023 (pôle " Aménagement du territoire ") sur la phase I ainsi que le 13 mai 2024 (pôle " Environnement ") et le 26 avril 2024 (pôle " Aménagement du territoire ") sur la phase II.
A la suite des remarques émises, la version définitive du rapport sur les incidences environnementales a été déposée le 31 mai 2024 auprès du Ministre de l'Aménagement du territoire.
Enquête publique et avis après enquête
Le projet de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort adopté le 8 mars 2022 a été soumis à enquête publique du 3 février 2025 au 19 mars 2025, dans les communes de Rochefort et de Marche-en-Famenne.
L'enquête publique a donné lieu à 55 réclamations ou observations.
En sa séance du 11 avril 2025, le conseil communal de Rochefort a émis de nombreuses remarques sur le projet de plan.
En sa séance du 28 avril 2025, le conseil communal de Marche-en-Famenne a émis son avis, en dehors du délai prescrit. Il est dès lors réputé favorable.
L'objet des réclamations et l'avis du conseil communal de Rochefort sont détaillés dans l'arrêté ministériel auquel est annexée la déclaration environnementale qui spécifie aussi la manière dont ils ont été pris en considération.
Les avis du pôle " Aménagement du territoire " et du pôle " Environnement " ont été sollicités le 15 mai 2025.
Le pôle " Aménagement du territoire " a émis un avis le 16 juin 2025, transmis le même jour, soit dans le délai requis. L'avis est favorable et est accompagné de remarques et considérations.
Le pôle " Environnement " a émis un avis le 25 juin 2025, soit dans le délai requis. L'avis est favorable et est accompagné de remarques et considérations.
Les avis des pôles et la manière dont ils ont été pris en considération sont détaillés dans l'arrêté ministériel auquel est annexée la déclaration environnementale.
Adoption définitive
L'arrêté ministériel qui adopte définitivement la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) présente une modification par rapport au projet de plan adopté le 8 mars 2022, afin de prendre en compte les résultats de l'enquête publique.
En effet, le périmètre de la révision a intégré l'inscription d'une zone forestière (13,8 ha) et d'une zone agricole (3,2 ha) en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction. Cette modification par rapport au projet de plan résulte d'une proposition du rapport sur les incidences environnementales, soutenue par divers courriers issus de l'enquête publique, l'avis du conseil communal de Rochefort, le pôle " Environnement " et le SPW ARNE.
L'arrêté adoptant définitivement le plan porte sur l'inscription, sur le territoire de la ville de Rochefort, au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", en extension de l'exploitation existante, des zones suivantes :
- une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation d'une superficie d'environ 14,61 ha en lieu et place d'une zone agricole ;
- une zone agricole d'une superficie d'environ 3,22 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
- une zone forestière d'une superficie d'environ 13,80 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
Conformément au plan repris ci-après.
Arrêté du 4 mai 2022 : fixation du contenu définitif du rapport sur les incidences environnementales
Conformément à l'article D.VIII.33, § 4, du CoDT, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales a été transmis pour avis au pôle " Aménagement du territoire " et au pôle " Environnement ". Le Ministre de l'Aménagement du territoire a également jugé utile de consulter le SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Le SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement n'a pas souhaité remettre d'avis.
Sur cette base, l'arrêté ministériel du 4 mai 2022 a adopté le contenu définitif du rapport sur les incidences environnementales.
Réalisation du rapport sur les incidences environnementales
Le demandeur a désigné le bureau d'étude ARIES Consultants SA afin de réaliser le rapport sur les incidences environnementales. Cet auteur de projet, dûment agréé, n'a pas été récusé.
Conformément à l'article D.VIII.30 du CoDT, le pôle " Environnement ", le pôle " Aménagement du territoire " et la CCATM de Rochefort ont été régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction du rapport sur les incidences environnementales. Ces instances ont formulé des observations et présenté des suggestions le 10 février 2023 (pôle " Aménagement du territoire ") sur la phase I ainsi que le 13 mai 2024 (pôle " Environnement ") et le 26 avril 2024 (pôle " Aménagement du territoire ") sur la phase II.
A la suite des remarques émises, la version définitive du rapport sur les incidences environnementales a été déposée le 31 mai 2024 auprès du Ministre de l'Aménagement du territoire.
Enquête publique et avis après enquête
Le projet de révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort adopté le 8 mars 2022 a été soumis à enquête publique du 3 février 2025 au 19 mars 2025, dans les communes de Rochefort et de Marche-en-Famenne.
L'enquête publique a donné lieu à 55 réclamations ou observations.
En sa séance du 11 avril 2025, le conseil communal de Rochefort a émis de nombreuses remarques sur le projet de plan.
En sa séance du 28 avril 2025, le conseil communal de Marche-en-Famenne a émis son avis, en dehors du délai prescrit. Il est dès lors réputé favorable.
L'objet des réclamations et l'avis du conseil communal de Rochefort sont détaillés dans l'arrêté ministériel auquel est annexée la déclaration environnementale qui spécifie aussi la manière dont ils ont été pris en considération.
Les avis du pôle " Aménagement du territoire " et du pôle " Environnement " ont été sollicités le 15 mai 2025.
Le pôle " Aménagement du territoire " a émis un avis le 16 juin 2025, transmis le même jour, soit dans le délai requis. L'avis est favorable et est accompagné de remarques et considérations.
Le pôle " Environnement " a émis un avis le 25 juin 2025, soit dans le délai requis. L'avis est favorable et est accompagné de remarques et considérations.
Les avis des pôles et la manière dont ils ont été pris en considération sont détaillés dans l'arrêté ministériel auquel est annexée la déclaration environnementale.
Adoption définitive
L'arrêté ministériel qui adopte définitivement la révision du plan de secteur de Dinant-Ciney-Rochefort (planches 54/7 et 59/3) présente une modification par rapport au projet de plan adopté le 8 mars 2022, afin de prendre en compte les résultats de l'enquête publique.
En effet, le périmètre de la révision a intégré l'inscription d'une zone forestière (13,8 ha) et d'une zone agricole (3,2 ha) en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction. Cette modification par rapport au projet de plan résulte d'une proposition du rapport sur les incidences environnementales, soutenue par divers courriers issus de l'enquête publique, l'avis du conseil communal de Rochefort, le pôle " Environnement " et le SPW ARNE.
L'arrêté adoptant définitivement le plan porte sur l'inscription, sur le territoire de la ville de Rochefort, au lieu-dit " Carrière de La Boverie ", en extension de l'exploitation existante, des zones suivantes :
- une zone d'extraction devenant une zone naturelle au terme de son exploitation d'une superficie d'environ 14,61 ha en lieu et place d'une zone agricole ;
- une zone agricole d'une superficie d'environ 3,22 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
- une zone forestière d'une superficie d'environ 13,80 ha en lieu et place d'une zone de dépendances d'extraction ;
Conformément au plan repris ci-après.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-01-2026, p. 3800)
III. Overwegingen inzake leefmilieu
In het verslag over de milieueffecten werden het ontwerpplan, de opmerkingen van het publiek tijdens de voorafgaande informatievergadering en de adviezen over het verzoek tot herziening uitvoerig onderzocht.
In zijn advies van 16 juni 2025 is de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening de mening toegedaan dat de Commissie, wat de kwaliteit van het milieueffectverslag betreft, de elementen bevat die nodig zijn voor de besluitvorming.
In zijn advies van 25 juni 2025 is de Beleidsgroep Leefmilieu de mening toegedaan dat het rapport over milieueffecten voldoetin artikel D.VIII.33, § 3, van het Wetboek. De Beleidsgroep prijst de kwaliteit en grondigheid van de hydrogeologische analyse en de daaruit voortvloeiende afzettingsberekeningen.
Op basis van deze twee adviezen mogen de volledigheid en de kwaliteit van het milieueffectverslag dan ook niet ter discussie worden gesteld.
Er is rekening gehouden met de relevante aanbevelingen in het verslag en deze zijn in het besluit verwerkt voor zover ze betrekking hebben op schaal en omvang van de interventie van het gewestplan. Voor zover ze betrekking hadden op aspecten die verband hielden met de toekomstige uitvoering van het plan, heeft de auteur van het plan ze ook toegelicht.
De verschillende onderdelen van de milieuanalyse worden hieronder behandeld.
1. Initiële stand van de sociaal-economische situatie
In het milieueffectrapport werden de sociaal-economische aspecten van de steengroeve La Boverie en de voorgestelde herziening van het gewestplan onderzocht.
De Lhoist Groep is een van de grootste kalkproducenten ter wereld en is actief in meer dan 25 landen. De steengroeve van La Boverie is een essentiële schakel in de Belgische productieketen van de Groep en bevoorraadt uitsluitend de kalkovens van de On-fabriek in Jemelle. Sinds juni 2020 is de volledige kalkproductie van de Lhoist Groep in België uitsluitend geconcentreerd op de site On.
De afzetting die door de aanvrager wordt geëxploiteerd bestaat voornamelijk uit chemisch zuivere kalkstenen die behoren tot de Arche en Lion leden, evenals het bovenste deel van het lid van La Boverie.
De kalkstenen worden gekenmerkt door hun hoge chemische zuiverheid en lage zwavelgehalte, waardoor ze voldoen aan de strenge eisen van historische klanten, met name in de staalindustrie. Deze zuivere kalkstenen vertegenwoordigen ongeveer 66% van de productie tussen 2018 en 2022, terwijl onzuivere kalkstenen (25% van de productie) worden teruggewonnen in de vorm van aggregaten voor civiele bouwkunde.
De kalk die geproduceerd wordt uit de kalksteen van La Boverie wordt gebruikt in een groot aantal sectoren, waaronder ijzer en staal, metallurgie, chemie, voedselverwerking, farmaceutica, landbouw, milieu, bouw, wegen en civiele techniek. De staalindustrie verbruikt 42% van de kalk en kalksteen, terwijl de weg- en waterbouw 43% van de aggregaten verbruikt.
De gemiddelde jaarlijkse extractie (2018-2020) bedroeg 1.380 kton (gesteente van alle kwaliteiten), stijgend tot 1.150 kton/jaar vanaf 2020. De aangekondigde gemiddelde jaarlijkse bruto-ontginning bedraagt 1.166 kton op de uitbreidingslocatie.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat de Europese kalkmarkt contrasterende trends doormaakt, met een daling in het staalsegment, maar ook groei in zich ontwikkelende sectoren zoals het milieu, de landbouw en de bouw. De On-fabriek houdt beter stand dan het Europese gemiddelde in het staalsegment en boekt een aanzienlijke groei in opkomende markten.
De steengroeve biedt direct werk aan bijna 100 mensen en indirect aan ongeveer 200 mensen. Zonder een uitbreiding van de winningscapaciteit zullen de steengroeve en de On-installatie (die uitsluitend door de steengroeve wordt bevoorraad, zonder mogelijk alternatief) op zeer korte termijn worden bedreigd. Ten slotte zijn er in België slechts twee kalkproducenten: door de lokale activiteit te behouden, wordt een monopoliesituatie vermeden en wordt een duurzame exploitatie van de lokale kalksteenbronnen gewaarborgd om aan de regionale vraag te voldoen.
In het milieueffectverslag wordt vastgesteld dat de reserve van de afzettingen die toegankelijk is in het verlengde van het gebied van aanhorigheden van ontginningen dat afhankelijk is van de mijnbouw en die momenteel in het gewestplan is opgenomen, bijna is uitgeput. Het bevestigt de kwaliteit van de bestaande afzetting binnen de voor de uitbreiding van de winningsput gevraagde verlenging en het ontbreken van een geldige alternatieve locatie. Er bestaat (bestaan) in een straal van 20 km geen ontginningsgebied of gebieden van aanhorigheden van ontginningen momenteel in het gewestplan opgenomen die een ertslaag van dezelfde aard omvat die aan de vraag kan voldoen en op een economisch rendabele afstand van de On-fabriek ligt.
Uit het milieueffectrapport blijkt dan ook dat de exploitatie van de afzetting op het terrein gerechtvaardigd is, niet alleen in het licht van de sociaal-economische behoeften van de onderneming, maar ook van de betrokken sector. Het draagt bij tot de ontwikkeling van een lokale hulpbron en van het erfgoed en beantwoordt op verschillende gebieden aan de behoeften van de gemeenschap.
De herziening van het gewestplan maakt het mogelijk de steengroeve-activiteiten op het terrein nog eens veertien jaar voort te zetten.
2. Leefkwaliteit en menselijke gezondheid
Het milieueffectrapport beschrijft de toekomstige activiteiten en beoordeelt de overlast die deze zouden kunnen veroorzaken, met name op het gebied van stof, geluid en trillingen.
Met deze noord-oostelijke uitbreiding zal de ontginning dichter bij het radio-astronomisch station en het dorp Humain komen, wat ook stof- en geluidshinder en trillingen dichter bij sommige omwonenden kan brengen.
De verandering van het geluidsniveau als gevolg van de uitbreiding bestaat uit een geleidelijke verplaatsing van de boringen, de explosies, de secundaire fragmentatie met behulp van breekhamers, het laden van dumpers naar het noordoosten, en de verlenging van de interne verkeerswegen.
Om geluidshinder objectief te kunnen beoordelen, heeft het adviesbureau dat verantwoordelijk is voor het opstellen van het milieueffectrapport de bestaande geluidsomgeving geanalyseerd aan de hand van een langlopende meetcampagne. Vervolgens werden akoestische modellen uitgevoerd en gekalibreerd op basis van de metingen om de voortplanting van geluid afkomstig van toekomstige steengroeveactiviteiten gedetailleerder te bestuderen en om naleving van de huidige normen te garanderen.
Voor deze verschillende exploitatiefasen waarvoor verschillende scenario's zijn opgesteld, waaronder het worstcasescenario (fase 1 - de machines bevinden zich zo dicht mogelijk bij het radioastronomisch station) werden de resultaten genalyseerd.
De verandering in de geluidsimpact is dus gunstig voor de abdij, vergelijkbaar voor het gebied rond Havrenne en iets hoger voor het dorp Humain, terwijl de grenswaarden nog steeds worden nageleefd. De toename van de geluidsbelasting is het grootst voor het radioastronomiestation, waar de geluidsniveaus onder de grenswaarden blijven maar zeer dicht in de buurt komen van de geldende normen voor fase 1 - slechtste geval.
Op basis van de verschillende verzamelde gegevens en de verschillende studies en methodologieën die zijn gebruikt, beveelt de auteur van de studies aan om de minimale gereduceerde afstand van 41m/'kg te respecteren en de wet van Chapot te gebruiken om de benodigde ladingen specifiek te dimensioneren en zo te voldoen aan de geldende normen. De drempels waaraan moet worden voldaan, zijn strenger voor het radioastronomiestation (dat dichter bij de toekomstige put ligt) dan voor woningen.
Systematisch toezicht op het radioastronomiestation en de dichtstbijzijnde bewoner wordt ook aanbevolen om meer gegevens te verzamelen en zo de voortplantingswet van Chapot, en dus de hoeveelheid explosieven, regelmatig te kunnen verfijnen. Het wordt ook aanbevolen om tweetraps of zelfs drietraps schoten zo dicht mogelijk bij het radioastronomiestation af te vuren om te voldoen aan de maximale eenheidsbelasting.
De locatie van bepaalde stofbronnen (mijnbouw, boren, laden van steen, transport over verlengde wegen) zal 200 tot 500 meter naar het noordoosten worden verplaatst.
Tijdens de afgravingsperiode, wanneer het droog is, kan er stof vrijkomen bij de strippingactiviteit, wat stof en overlast kan veroorzaken voor de omwonenden. Om deze overlast te beperken, is het raadzaam om de snelheid van de machines te beperken, om het verwijderen van de deklaag niet uit te voeren tijdens zeer droge en winderige perioden om stofemissies te beperken, of om extra besproeiingsmaatregelen te plannen tijdens deze perioden om stofemissies te beperken.
In de operationele fase merkt de auteur van de studie op dat de metingen van sedimenteerbaar stof momenteel onder de voorgeschreven waarden liggen. Aangezien bij de geplande uitbreiding dezelfde extractieprocessen zullen worden gebruikt, is het niet waarschijnlijk dat er stof in de omgeving van de locatie zal vrijkomen, met inbegrip van zwevend stof. Er zijn geen specifieke maatregelen geformuleerd met betrekking tot de impact van stofemissies op het radioastronomiestation.
Zowel de maatregelen die worden aanbevolen in het milieueffectrapport als de gedetailleerde kenmerken van de omtrekken of isolatievoorzieningen zijn echter een zaak voor de vergunningsaanvraag die zal worden ingediend om het opgenomen winningsgebied te implementeren. De overheidsinstanties zullen op basis van de conclusies van de in dit verband uit te voeren effectbeoordeling moeten beslissen over passende maatregelen.
3. Materiële goederen - gebouwd kader - Cultureel erfgoed
De site van de steengroeve La Boverie ligt vlakbij de dorpen Humain (1,2 km ten noordoosten) en Havrenne (1,5 km ten noorden). De abdij Notre-Dame de Saint-Remy ligt ongeveer 1 km ten zuidwesten van de huidige steengroevefronten en het radioastronomiestation Humain ligt ongeveer 700 m ten noordoosten van de steengroevefronten.
De uitbreiding van de extractieactiviteiten zal de put dichter bij de woningen van Humain en het radioastronomiestation brengen. Het milieueffectrapport specificeert dat er niettemin een minimumafstand van 670 meter zal worden aangehouden tussen het houwfront en de dichtstbijzijnde gebouwen, en 400 meter van het radioastronomiestation (de eerste antenne bevindt zich op 240 meter van het toekomstige houwfront).
In het milieueffectrapport wordt erop gewezen dat een haalbaarheidsstudie die is uitgevoerd in samenwerking tussen Lhoist en de drie federale wetenschappelijke instituten die het radioastronomiestation beheren, heeft geconcludeerd dat, met inachtneming van de gedane aanbevelingen, de gevraagde verlenging geen significant risico zou vormen voor de waarnemingen van het station. Regelmatige uitwisselingen tussen de gebruikers van het station en Lhoist worden ook aanbevolen, vooral in het geval van wijzigingen die de conclusies van de studie kunnen veranderen.
Daarmee rekening houdend, vrezen sommige omwonenden van de uitbreiding waarin de herziening van het gewestplan voorziet, een waardevermindering van hun goederen.
Een dergelijke waardevermindering valt evenwel niet onder het gewestplan, maar onder de tenuitvoerlegging ervan. Het is in dit stadium dat de effectstudies die moeten worden uitgevoerd, de relevante informatie zullen opleveren over hun effecten op materiële activa en dat de maatregelen kunnen worden aangenomen die bedoeld zijn om deze te vermijden, te verminderen en, indien nodig, te compenseren.
De waarde van onroerend goederen moet ook op lange termijn in aanmerking worden genomen. Na afloop van de uitbating zal het ontginningsgebied een landbouwgebied worden dat niet zal leiden tot waardeverlies van nabijgelegen onroerende goederen.
Wat erfgoedelementen betreft, wordt in het milieueffectrapport opgemerkt dat er zich geen uitzonderlijke of beschermde erfgoedelementen bevinden in of nabij de steengroeve van La Boverie of de voorgestelde uitbreiding. Bovendien ligt de omtrek van het herziene gewestplan niet binnen een gebied dat op de Waalse archeologische kaart staat. In de milieubeoordeling die in de vergunningsaanvraagfase moet worden uitgevoerd, kan dit punt zo nodig nader worden onderzocht. Indien nodig kunnen er afgravingen worden uitgevoerd voordat de afzetting wordt ontgonnen.
4. Oppervlakte- en grondwater
a. Grondwater
De omtrek van herziening van het gewestplan, maakt deel uit van de watervoerende laag van La Boverie. De huidige steengroeve en de uitbreiding ervan bevinden zich in de herwinningszone van de Tridaine-galerij, die zowel wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening van de stad Rochefort als voor de productie van trappistenbier in de abdij Notre-Dame de Saint-Remy. De exploitatie van de uitbreiding van de groeve is niet van plan om onder de historische bovenste niveaus van de grondwaterspiegel te komen. Er is dus geen ontwatering nodig.
De afgraving van de uitbreiding betekent een toename van 15% van de huidige ontdekte oppervlakte. Dat betekent dat de waterlaag beter zal worden aangevuld: dat de effectieve regenval zal rechtstreeks bijdragen aan een grotere oppervlakte van het grondwater, wat zal leiden tot een aanzienlijke toename van het debiet in de Tridaine-galerij.
Op basis van historische gegevens van de afgelopen 10 jaar en recente gegevens van piëzometers die in 2021 zijn geïnstalleerd als onderdeel van de huidige herziening van het gewestplan, is een model gemaakt op basis van de historische aanvulling van het grondwater in 2011. Deze gegevens maakten het mogelijk om de configuratie van de put vast te stellen in het gebied van de geplande uitbreiding en om te concluderen dat mijnbouw op niveau de winning mogelijk zou maken met een veiligheidsmarge van enkele meters boven de gemeten of gemodelleerde maximale piëzometrische niveaus. De opsteller van het milieueffectrapport beveelt aan, de piëzometrische bewaking te handhaven, met name voor de laatste geplaatste piëzometers.
De kwaliteit van het water wordt zeer regelmatig gecontroleerd, zowel door de groep Lhoist als door de Abdij Notre Dame de Saint-Remy. Sinds 1956 is er geen vervuiling geweest en de waterwaarden zijn op dit moment zeer constant. Een verdere geleidelijke vermindering van 8% in het ontsluitingsgebied, onder vergelijkbare bedrijfsomstandigheden en bij afwezigheid van nieuwe infrastructuur, met een putbodem die hoger is dan de putbodem op de bestaande locatie, betekent dat het milieueffectrapport concludeert dat de voorgestelde uitbreiding geen significant effect zal hebben op de grondwaterkwaliteit.
De voorzorgsmaatregelen die zijn ingevoerd op de huidige winningslocatie, om de risico's van verontreiniging door puntbronnen en accidentele verontreiniging door het weglekken van koolwaterstoffen te beperken, moeten ook worden ingevoerd op de uitbreidingslocatie. Het wordt ook aanbevolen om de verschillende waterkwaliteitsparameters in de Tridaine-galerij twee keer per maand te blijven controleren.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat de concentratie sulfaationen in het water een belangrijke parameter is in het bierbereidingsproces in de Abdij Notre Dame de Saint-Remy. Deze concentratie is een uiterst variabele parameter, die meer afhangt van de oorsprong en weg van het grondwater dan van de meteorologische omstandigheden.
Het water in de Tridaine-galerij is het resultaat van een mengsel van watervolumes met contrasterende sulfaatsamenstellingen: het water is verrijkt met sulfaten wanneer het wordt geloosd in de Membre de l'Arche en wordt vervolgens verdund door water uit de noordoostelijke zone van de Lion lens. De fluctuatie in sulfaatconcentratie zal min of meer variabel zijn, afhankelijk van het volume water dat er doorheen stroomt. Het milieueffectrapport concludeert daaruit dat de ontginningsactiviteit geen invloed heeft op de fysisch-chemische parameters van het grondwater.
b. Oppervlaktewater
De groeve bevindt zich op het plateau van Gerny, op de hoogten van de Biranvallei, een waterloop van de categorie 2 die stroomafwaarts van Rochefort samenvloeit met de Lomme (waterloop van de categorie 1). De bron van de Biran bevindt zich aan de rand van het dorp Aye. Op dit moment stroomt het regenwater dat binnen de perimeter valt weg in deze beek.
Het afvalwater van de huidige locatie wordt gegenereerd door de sanitaire voorzieningen. Regenwater infiltreert op natuurlijke wijze in het kalksteenmassief van de groeve. Alleen water dat op de tankzone voor voertuigen valt, wordt naar een koolwaterstofafscheider geleid. Dit water wordt samen met het gezuiverde afvalwater naar de uitgang van de groeve gebracht, waar het in een greppel langs de weg wordt geloosd. Deze sloot ligt buiten de aanvullingszone van de waterlaag van de Boverie.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat regenwater naar de putbodem van de groeve zal stromen, in plaats van naar de Biranbeek, om te verdampen of te infiltreren in het kalksteenmassief. Dit effect is verwaarloosbaar, aangezien de oppervlakte van de deklaag in verband met de uitbreiding 0,6% van de totale oppervlakte van het stroomgebied van Biran beslaat.
Er is geen effect vastgesteld op de inzet van waterbronnen, aangezien het waterbeheer vergelijkbaar blijft met dat van de locatie in bedrijf.
5. Grond en ondergrond
De overgrote meerderheid van de natuurlijke bodems die in de omtrek van uitbreiding van de steengroeve aanwezig zijn, zijn van uitstekende landbouwkwaliteit.
Het afgraven van de afzetting bestaat uit het verwijderen van de laag akkerbouwaarde en de residuen die de gewenste gesteenten bedekken. In het geval van de groeve La Boverie wordt de hoogte van de deklaag geschat op +/- 1 m.
De capaciteit van het momenteel toegestane opvullingsgebied zal in 2029 het verzadigingspunt bereiken. Er zal een vergunningsaanvraag worden ingediend om dit gebied uit te breiden, zodat het afvalgesteente van de eerste drie jaar van de uitbreiding van de groeve kan worden opgeslagen. De rest zal vanaf januari 2032 de Devant le Gerny groeve opvullen.
Binnen de groeve, wanneer het gesteente blootligt, vormen de verschillende niveaus relatief vlakke, zeer doorlaatbare oppervlakken. Het afvloeiingsproces kan als verwaarloosbaar worden beschouwd in vergelijking met het infiltratieproces.
Na de ontginning zal de site op dezelfde manier herontwikkeld worden als de huidige steengroeve, d.w.z. als natuurgebied. De geplande ontwikkelingen zullen in overeenstemming zijn met de verbintenissen en de filosofie van het "Life in Quarries"-project. Overwegende ten slotte dat de precieze voorwaarden voor de herontwikkeling en de verplichtingen die in dit verband op de exploitant rusten, zullen worden vastgesteld in de gecombineerde vergunning die vereist is voor de exploitatie van de aangevraagde uitbreiding.
Het milieueffectbenrapport merkt dat er geen grootschalige karstverschijnselen zijn waargenomen in de groeve of binnen de omtrek van het ontwerpplan, noch tijdens de exploitatie, noch tijdens geologische onderzoeken. Het zeer kleine aantal karsten binnen de herzieningsomtrek en de aanwezigheid van zeer weinig epikarsten betekenen dat het hydrogeologische systeem van het kalksteenmassief niet zal worden aangetast.
6. Mobiliteit - netwerken
De La Boverie groeve en de On fabriek zijn direct verbonden door een privé toegangsweg. De On-fabriek ligt langs de N836 die als bedrijvenweg Marche-en-Famenne verbindt met de rotonde van Jemelle, waarbij de stedelijke gebieden van Waha, Marloie, On en Jemelle worden vermeden.
In het milieueffectrapport staat dat de uitbreiding van de winningsactiviteiten de aanvrager in staat zal stellen om terug te keren naar een vergelijkbaar exploitatieniveau als in 2020-2022. Er wordt dan ook geen bijkomend effect verwacht met betrekking tot auto- en spoorvervoer.
Buurtweg nr. 24 wordt buiten gebruik gesteld en Lhoist SA zal een voorstel doen voor een omleiding als onderdeel van de vergunningsaanvraagprocedure. Het tracé van deze weg kan het onderwerp zijn van aanbevelingen in de milieubeoordeling die in de vergunningsfase moet worden uitgevoerd.
7. Landschap
De groeve en de omtrek van het ontwerpplan liggen aan de noordelijke rand van het Gerny-plateau, dat wordt ingenomen door uitgestrekte landbouwvlakten. Het landschap is open, golvend in het zuiden en oosten en onderbroken door bosjes, heggen en bomengroepen.
In het milieueffectrapport staat dat de locatie binnen het bereik van het ontwerpplan gedeeltelijk zichtbaar is vanuit de directe omgeving, in het oosten en zuiden. Voor vergezichten is het gebied alleen zichtbaar vanuit het noordwesten, omdat het vanuit andere richtingen wordt gemaskeerd door reliëf en vegetatie.
De auteur van de studies beveelt aan om een afzonderingsmarge aan te leggen, bestaande uit een merlon aan de zuidoostelijke rand van de site, in het verlengde van de bestaande merlon. In het noordoosten wordt de installatie van een veiligheidshek aanbevolen om het uitzicht niet af te sluiten. Ten slotte wordt in het noordwesten een verdichting van het bestaande bos aanbevolen om de vergezichten over het gebied te verhelpen.
Het zal echter pas mogelijk zijn om de meer gedetailleerde kenmerken van deze faciliteiten te definiëren nadat de bouwvergunning is verleend. Het is in dit stadium dat de uit te voeren impactstudie nuttige informatie zal opleveren voor het ontwerp ervan.
Vergelijkend met het ontwerpplan gaat de definitieve herziening van het gewestplan uit van de herbestemming van de beboste heuvel aan de noordwestelijke rand van de ontginningsput, die momenteel in het huidige gewestplan is bestemd als gebied van aanhorigheden van ontginningen, naar bos- en landbouwgebied. Deze herbestemming heeft de bijzondere steun van de Gemeenteraad van Rochefort, SPW ARNE en de Beleidsgroep Leefmilieu. Er wordt ook geantwoord op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend.
Het behoud van de beboste heuvel zal een overgangszone creëren tussen de steengroeveactiviteit en het dorp Havrenne. Dit voorkomt elk direct zicht vanuit het dorp op de steengroeve en draagt zo bij aan het behoud van de levenskwaliteit van de plaatselijke bewoners.
8. Landbouwactiviteit
De herziening van het gewestplan voorziet in de opneming van een nieuw ontginningsgebied en een nieuw groengebied ten koste van het landbouwgebied.
Het gebied waarop het herziene gewestplan betrekking heeft, omvat twee landbouwpercelen (eigendom van S.A. Lhoist Industrie) met een totale oppervlakte van 12,28 ha, terwijl de rest braakliggende grond is. Deze percelen worden gebruikt voor akkerbouw. In het milieueffectrapport wordt benadrukt dat de bodem in kwestie van middelmatige tot gemiddelde landbouwkwaliteit is, met weinig overbelasting, en weinig afgegraven is. Het milieueffectrapport ziet geen significante gevolgen voor het nuttig landbouwgebied van de gemeente.
De conclusies van het milieueffectrapport doen geen afbreuk aan de beoordeling van het belangenevenwicht tussen de ontwikkeling van de Waalse landbouw en het sociaal-economische belang van het project van de onderneming Lhoist. Zij bevestigen derhalve het belang van een herziening van het gewestplan om de ontwikkeling van deze sector te ondersteunen.
Om de negatieve effecten van het project te milderen, staat in het milieueffectenverslag te lezen dat de aanvrager regelmatig landbouwgrond ter beschikking stelt van plaatselijke landbouwers en de mogelijkheid zal overwegen om de landbouwer die in kennis is gesteld van het einde van de pacht, het gebruik van andere landbouwgrond toe te vertrouwen zodra deze vrij is van bezetting.
Ten slotte is in de definitieve herziening van het gewestplan 3,2 ha landbouwgrond opgenomen op het bestaande terrein van de bijgebouwen van de winning, ten westen van de huidige put. De twee betrokken percelen worden momenteel gebruikt voor begrazing.
Deze aanpassing vermindert het planologische verlies van landbouwgrond tot 11,4 ha door de opname van het winningsgebied voor de uitbreiding van de steengroeve La Boverie.
9. Biologische diversiteit - Fauna en flora
De Lhoist Groep sloot zich in 2016 aan bij het "life in quarries"-project. Hoewel het project in 2021 afliep, heeft de exploitant een handvest ondertekend waarin hij zich verplicht tot het behoud van habitats en faciliteiten die gunstig zijn voor flora en fauna. Een beheerplan zorgt ervoor dat de ondernomen acties duurzaam zijn voor minstens 15 jaar. In het kader van deze logica van behoud en uitbreiding van maatregelen ten gunste van de biodiversiteit bepaalt het ontwerpplan dat het toekomstige ontginningsgebied na afloop van de exploitatie een natuurgebied zal worden.
In het milieueffectrapport wordt benadrukt dat het projectgebied buiten alle Natura 2000-gebieden ligt. Bijgevolg is er geen significant effect vastgesteld binnen Natura 2000-perimeters of op prioritaire habitats.
Het behoud van de beboste heuvel direct ten noordwesten van het voorgestelde plan, samen met de herclassificatie als bos van een deel van de aanhorigheden van ontginningen ten westen van de huidige mijn, zal de ecologische overgangsfunctie van deze beboste heuvel vanuit planologisch oogpunt waarborgen.
Deze herbestemming maakt het ook mogelijk om een aaneengesloten bosgebied te creëren dat de facto fungeert als "buffer" tussen het gebied dat momenteel wordt geëxploiteerd en het Natura 2000-gebied waaraan het grenst.
Om de impact van de afgravingswerkzaamheden te beperken, wordt aanbevolen om deze buiten het broed- en nestseizoen van vogels uit te voeren. Deze maatregel vermindert het risico op sterfte onder broedvogelsoorten binnen de omtrek.
Een haag tussen het kalkgrasland en de landbouwpercelen wordt verwijderd wanneer de groeve wordt uitgebreid. In het milieueffectrapport wordt aanbevolen om de bestaande haag langs de Rue Louis Banneux te behouden en uit te breiden langs het zuidelijke deel van de omtrek. Bij de aanplant moet gestreefd worden naar een diversiteit aan soorten (minimaal 5 verschillende inheemse soorten), vergelijkbaar met de soorten die al bestaan.
Het project zal leiden tot de vernietiging van 2 ha kalkgrasland. De auteur van het milieueffectrapport beveelt aan om een gelijkwaardig gebied te herstellen binnen de bestaande steengroeve, vooruitlopend op de geplande exploitatie.
De hommelorchis (een beschermde soort), die in 2021 in dit kalkgrasland werd waargenomen, kon niet worden gevonden tijdens veldbezoeken in 2023. Het milieueffectrapport beveelt een nieuw veldonderzoek aan, tijdens de bloeiperiode van de orchidee (tussen mei en juni), voordat de vergunning wordt verleend, om de aanwezigheid van de orchidee te bevestigen of niet. Als de aanwezigheid van deze soort wordt bevestigd, moet een aanvraag voor een afwijking van de Natuurbeschermingswet worden ingediend voordat de vergunning kan worden uitgevoerd. Eventuele individuen zullen moeten worden verplaatst naar een ander kalkgrasland in de groeve, dat niet bestemd is om te verdwijnen.
De implementatie van de relevante biodiversiteitsvriendelijke maatregelen die in het milieueffectrapport worden geïdentificeerd, valt echter binnen het toepassingsgebied van de implementatie van het gewestplan en zal daarom moeten worden gedetailleerd in het stadium van de bouwvergunning en de effectbeoordeling.
10. Klimaatfactoren
De herziening van het gewestplan zal het mogelijk maken de bestaande winningsactiviteiten binnen de steengroeve van Romont voort te zetten en daarmee de verdere benutting van een plaatselijke afzetting. Dit is vanuit klimatologisch oogpunt gunstig, omdat de stopzetting van steengroeven noodzakelijkerwijs ertoe zou leiden dat de vraag naar rotsgesteenten overgedragen wordt naar concurrerende steengroeven of uit het buitenland geïmporteerde rotsgesteenten. Deze situatie zou leiden tot een toename van de CO2 -emissies in verband met het vervoer van materialen.
Het feit dat de aanvrager een lokale grondstof in de onmiddellijke nabijheid van de steengroeve verwerkt, biedt dezelfde voordelen daar er geen vervoer nodig zal zijn van grondstoffen naar verwerkings- en terugwinningseenheden.
In het milieueffectrapport staat dat de wijze van extractie niet gaat veranderen en wordt aanbevolen om de meest vervuilende tuigen geleidelijk te vervangen door apparatuur die de energie-efficiëntie verbetert of minder brandstof verbruikt.
11. Interacties tussen de verschillende factoren
In het milieueffectrapport staat dat een aantal vormen van overlast cumulatief zijn en een directe impact hebben op de directe omgeving. De winning van gesteente veroorzaakt ook geluidsoverlast, stofuitstoot, zwaar transport enzovoort.
In dit geval is, gezien de ligging van de omtrek van het ontwerpplan, die in het verlengde ligt van de huidige groeve en waarbij geen nieuwe bijgebouwen voor de winning zullen worden gebouwd, de hinder als gevolg van de uitvoering van de geprojecteerde omtrek vrijwel identiek aan de bestaande hinder.
De uitvoering van de verschillende voorgestelde aanbevelingen zal de overlast op een laag niveau houden wat betreft de nabijheid van de winningsactiviteit bij het dorp Humain en het radioastronomiestation.
IV. Andere overwogen redelijke oplossingen
In het milieueffectrapport wordt voorgesteld om een landbouwgebied en een bosgebied te aan te leggen ten westen van de winningsput, op de plaats van een deel van de bestaande zone van de bijgebouwen van de winning in het gewestplan.
Dit voorstel werd gesteund door de aanvrager, de gemeenteraad van Rochefort, de Beleidsgroep LeefMilieu, SPW ARNE en door verschillende brieven die na het openbaar onderzoek werden ontvangen. Deze voorgestelde wijziging van het ontwerpplan werd opgenomen in het ministerieel besluit tot definitieve goedkeuring van de herziening.
In het milieueffectrapport werd een alternatieve afbakening voorgesteld, waarbij de omtrek van het ontwerpplan werd uitgebreid tot de stad Marche-en-Famenne, waarbij de beboste heuvel werd uitgesloten en de winningsactiviteit dus dichter bij het dorp Humain en het radioastronomiestation werd gebracht. Dit alternatief, dat niet werd gesteund door de autoriteiten of de omwonenden, werd niet gekozen. De argumenten die deze keuze rechtvaardigen worden uiteengezet in het ministerieel besluit tot definitieve aanneming van de herziening van het plan.
III. Overwegingen inzake leefmilieu
In het verslag over de milieueffecten werden het ontwerpplan, de opmerkingen van het publiek tijdens de voorafgaande informatievergadering en de adviezen over het verzoek tot herziening uitvoerig onderzocht.
In zijn advies van 16 juni 2025 is de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening de mening toegedaan dat de Commissie, wat de kwaliteit van het milieueffectverslag betreft, de elementen bevat die nodig zijn voor de besluitvorming.
In zijn advies van 25 juni 2025 is de Beleidsgroep Leefmilieu de mening toegedaan dat het rapport over milieueffecten voldoetin artikel D.VIII.33, § 3, van het Wetboek. De Beleidsgroep prijst de kwaliteit en grondigheid van de hydrogeologische analyse en de daaruit voortvloeiende afzettingsberekeningen.
Op basis van deze twee adviezen mogen de volledigheid en de kwaliteit van het milieueffectverslag dan ook niet ter discussie worden gesteld.
Er is rekening gehouden met de relevante aanbevelingen in het verslag en deze zijn in het besluit verwerkt voor zover ze betrekking hebben op schaal en omvang van de interventie van het gewestplan. Voor zover ze betrekking hadden op aspecten die verband hielden met de toekomstige uitvoering van het plan, heeft de auteur van het plan ze ook toegelicht.
De verschillende onderdelen van de milieuanalyse worden hieronder behandeld.
1. Initiële stand van de sociaal-economische situatie
In het milieueffectrapport werden de sociaal-economische aspecten van de steengroeve La Boverie en de voorgestelde herziening van het gewestplan onderzocht.
De Lhoist Groep is een van de grootste kalkproducenten ter wereld en is actief in meer dan 25 landen. De steengroeve van La Boverie is een essentiële schakel in de Belgische productieketen van de Groep en bevoorraadt uitsluitend de kalkovens van de On-fabriek in Jemelle. Sinds juni 2020 is de volledige kalkproductie van de Lhoist Groep in België uitsluitend geconcentreerd op de site On.
De afzetting die door de aanvrager wordt geëxploiteerd bestaat voornamelijk uit chemisch zuivere kalkstenen die behoren tot de Arche en Lion leden, evenals het bovenste deel van het lid van La Boverie.
De kalkstenen worden gekenmerkt door hun hoge chemische zuiverheid en lage zwavelgehalte, waardoor ze voldoen aan de strenge eisen van historische klanten, met name in de staalindustrie. Deze zuivere kalkstenen vertegenwoordigen ongeveer 66% van de productie tussen 2018 en 2022, terwijl onzuivere kalkstenen (25% van de productie) worden teruggewonnen in de vorm van aggregaten voor civiele bouwkunde.
De kalk die geproduceerd wordt uit de kalksteen van La Boverie wordt gebruikt in een groot aantal sectoren, waaronder ijzer en staal, metallurgie, chemie, voedselverwerking, farmaceutica, landbouw, milieu, bouw, wegen en civiele techniek. De staalindustrie verbruikt 42% van de kalk en kalksteen, terwijl de weg- en waterbouw 43% van de aggregaten verbruikt.
De gemiddelde jaarlijkse extractie (2018-2020) bedroeg 1.380 kton (gesteente van alle kwaliteiten), stijgend tot 1.150 kton/jaar vanaf 2020. De aangekondigde gemiddelde jaarlijkse bruto-ontginning bedraagt 1.166 kton op de uitbreidingslocatie.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat de Europese kalkmarkt contrasterende trends doormaakt, met een daling in het staalsegment, maar ook groei in zich ontwikkelende sectoren zoals het milieu, de landbouw en de bouw. De On-fabriek houdt beter stand dan het Europese gemiddelde in het staalsegment en boekt een aanzienlijke groei in opkomende markten.
De steengroeve biedt direct werk aan bijna 100 mensen en indirect aan ongeveer 200 mensen. Zonder een uitbreiding van de winningscapaciteit zullen de steengroeve en de On-installatie (die uitsluitend door de steengroeve wordt bevoorraad, zonder mogelijk alternatief) op zeer korte termijn worden bedreigd. Ten slotte zijn er in België slechts twee kalkproducenten: door de lokale activiteit te behouden, wordt een monopoliesituatie vermeden en wordt een duurzame exploitatie van de lokale kalksteenbronnen gewaarborgd om aan de regionale vraag te voldoen.
In het milieueffectverslag wordt vastgesteld dat de reserve van de afzettingen die toegankelijk is in het verlengde van het gebied van aanhorigheden van ontginningen dat afhankelijk is van de mijnbouw en die momenteel in het gewestplan is opgenomen, bijna is uitgeput. Het bevestigt de kwaliteit van de bestaande afzetting binnen de voor de uitbreiding van de winningsput gevraagde verlenging en het ontbreken van een geldige alternatieve locatie. Er bestaat (bestaan) in een straal van 20 km geen ontginningsgebied of gebieden van aanhorigheden van ontginningen momenteel in het gewestplan opgenomen die een ertslaag van dezelfde aard omvat die aan de vraag kan voldoen en op een economisch rendabele afstand van de On-fabriek ligt.
Uit het milieueffectrapport blijkt dan ook dat de exploitatie van de afzetting op het terrein gerechtvaardigd is, niet alleen in het licht van de sociaal-economische behoeften van de onderneming, maar ook van de betrokken sector. Het draagt bij tot de ontwikkeling van een lokale hulpbron en van het erfgoed en beantwoordt op verschillende gebieden aan de behoeften van de gemeenschap.
De herziening van het gewestplan maakt het mogelijk de steengroeve-activiteiten op het terrein nog eens veertien jaar voort te zetten.
2. Leefkwaliteit en menselijke gezondheid
Het milieueffectrapport beschrijft de toekomstige activiteiten en beoordeelt de overlast die deze zouden kunnen veroorzaken, met name op het gebied van stof, geluid en trillingen.
Met deze noord-oostelijke uitbreiding zal de ontginning dichter bij het radio-astronomisch station en het dorp Humain komen, wat ook stof- en geluidshinder en trillingen dichter bij sommige omwonenden kan brengen.
De verandering van het geluidsniveau als gevolg van de uitbreiding bestaat uit een geleidelijke verplaatsing van de boringen, de explosies, de secundaire fragmentatie met behulp van breekhamers, het laden van dumpers naar het noordoosten, en de verlenging van de interne verkeerswegen.
Om geluidshinder objectief te kunnen beoordelen, heeft het adviesbureau dat verantwoordelijk is voor het opstellen van het milieueffectrapport de bestaande geluidsomgeving geanalyseerd aan de hand van een langlopende meetcampagne. Vervolgens werden akoestische modellen uitgevoerd en gekalibreerd op basis van de metingen om de voortplanting van geluid afkomstig van toekomstige steengroeveactiviteiten gedetailleerder te bestuderen en om naleving van de huidige normen te garanderen.
Voor deze verschillende exploitatiefasen waarvoor verschillende scenario's zijn opgesteld, waaronder het worstcasescenario (fase 1 - de machines bevinden zich zo dicht mogelijk bij het radioastronomisch station) werden de resultaten genalyseerd.
De verandering in de geluidsimpact is dus gunstig voor de abdij, vergelijkbaar voor het gebied rond Havrenne en iets hoger voor het dorp Humain, terwijl de grenswaarden nog steeds worden nageleefd. De toename van de geluidsbelasting is het grootst voor het radioastronomiestation, waar de geluidsniveaus onder de grenswaarden blijven maar zeer dicht in de buurt komen van de geldende normen voor fase 1 - slechtste geval.
Op basis van de verschillende verzamelde gegevens en de verschillende studies en methodologieën die zijn gebruikt, beveelt de auteur van de studies aan om de minimale gereduceerde afstand van 41m/'kg te respecteren en de wet van Chapot te gebruiken om de benodigde ladingen specifiek te dimensioneren en zo te voldoen aan de geldende normen. De drempels waaraan moet worden voldaan, zijn strenger voor het radioastronomiestation (dat dichter bij de toekomstige put ligt) dan voor woningen.
Systematisch toezicht op het radioastronomiestation en de dichtstbijzijnde bewoner wordt ook aanbevolen om meer gegevens te verzamelen en zo de voortplantingswet van Chapot, en dus de hoeveelheid explosieven, regelmatig te kunnen verfijnen. Het wordt ook aanbevolen om tweetraps of zelfs drietraps schoten zo dicht mogelijk bij het radioastronomiestation af te vuren om te voldoen aan de maximale eenheidsbelasting.
De locatie van bepaalde stofbronnen (mijnbouw, boren, laden van steen, transport over verlengde wegen) zal 200 tot 500 meter naar het noordoosten worden verplaatst.
Tijdens de afgravingsperiode, wanneer het droog is, kan er stof vrijkomen bij de strippingactiviteit, wat stof en overlast kan veroorzaken voor de omwonenden. Om deze overlast te beperken, is het raadzaam om de snelheid van de machines te beperken, om het verwijderen van de deklaag niet uit te voeren tijdens zeer droge en winderige perioden om stofemissies te beperken, of om extra besproeiingsmaatregelen te plannen tijdens deze perioden om stofemissies te beperken.
In de operationele fase merkt de auteur van de studie op dat de metingen van sedimenteerbaar stof momenteel onder de voorgeschreven waarden liggen. Aangezien bij de geplande uitbreiding dezelfde extractieprocessen zullen worden gebruikt, is het niet waarschijnlijk dat er stof in de omgeving van de locatie zal vrijkomen, met inbegrip van zwevend stof. Er zijn geen specifieke maatregelen geformuleerd met betrekking tot de impact van stofemissies op het radioastronomiestation.
Zowel de maatregelen die worden aanbevolen in het milieueffectrapport als de gedetailleerde kenmerken van de omtrekken of isolatievoorzieningen zijn echter een zaak voor de vergunningsaanvraag die zal worden ingediend om het opgenomen winningsgebied te implementeren. De overheidsinstanties zullen op basis van de conclusies van de in dit verband uit te voeren effectbeoordeling moeten beslissen over passende maatregelen.
3. Materiële goederen - gebouwd kader - Cultureel erfgoed
De site van de steengroeve La Boverie ligt vlakbij de dorpen Humain (1,2 km ten noordoosten) en Havrenne (1,5 km ten noorden). De abdij Notre-Dame de Saint-Remy ligt ongeveer 1 km ten zuidwesten van de huidige steengroevefronten en het radioastronomiestation Humain ligt ongeveer 700 m ten noordoosten van de steengroevefronten.
De uitbreiding van de extractieactiviteiten zal de put dichter bij de woningen van Humain en het radioastronomiestation brengen. Het milieueffectrapport specificeert dat er niettemin een minimumafstand van 670 meter zal worden aangehouden tussen het houwfront en de dichtstbijzijnde gebouwen, en 400 meter van het radioastronomiestation (de eerste antenne bevindt zich op 240 meter van het toekomstige houwfront).
In het milieueffectrapport wordt erop gewezen dat een haalbaarheidsstudie die is uitgevoerd in samenwerking tussen Lhoist en de drie federale wetenschappelijke instituten die het radioastronomiestation beheren, heeft geconcludeerd dat, met inachtneming van de gedane aanbevelingen, de gevraagde verlenging geen significant risico zou vormen voor de waarnemingen van het station. Regelmatige uitwisselingen tussen de gebruikers van het station en Lhoist worden ook aanbevolen, vooral in het geval van wijzigingen die de conclusies van de studie kunnen veranderen.
Daarmee rekening houdend, vrezen sommige omwonenden van de uitbreiding waarin de herziening van het gewestplan voorziet, een waardevermindering van hun goederen.
Een dergelijke waardevermindering valt evenwel niet onder het gewestplan, maar onder de tenuitvoerlegging ervan. Het is in dit stadium dat de effectstudies die moeten worden uitgevoerd, de relevante informatie zullen opleveren over hun effecten op materiële activa en dat de maatregelen kunnen worden aangenomen die bedoeld zijn om deze te vermijden, te verminderen en, indien nodig, te compenseren.
De waarde van onroerend goederen moet ook op lange termijn in aanmerking worden genomen. Na afloop van de uitbating zal het ontginningsgebied een landbouwgebied worden dat niet zal leiden tot waardeverlies van nabijgelegen onroerende goederen.
Wat erfgoedelementen betreft, wordt in het milieueffectrapport opgemerkt dat er zich geen uitzonderlijke of beschermde erfgoedelementen bevinden in of nabij de steengroeve van La Boverie of de voorgestelde uitbreiding. Bovendien ligt de omtrek van het herziene gewestplan niet binnen een gebied dat op de Waalse archeologische kaart staat. In de milieubeoordeling die in de vergunningsaanvraagfase moet worden uitgevoerd, kan dit punt zo nodig nader worden onderzocht. Indien nodig kunnen er afgravingen worden uitgevoerd voordat de afzetting wordt ontgonnen.
4. Oppervlakte- en grondwater
a. Grondwater
De omtrek van herziening van het gewestplan, maakt deel uit van de watervoerende laag van La Boverie. De huidige steengroeve en de uitbreiding ervan bevinden zich in de herwinningszone van de Tridaine-galerij, die zowel wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening van de stad Rochefort als voor de productie van trappistenbier in de abdij Notre-Dame de Saint-Remy. De exploitatie van de uitbreiding van de groeve is niet van plan om onder de historische bovenste niveaus van de grondwaterspiegel te komen. Er is dus geen ontwatering nodig.
De afgraving van de uitbreiding betekent een toename van 15% van de huidige ontdekte oppervlakte. Dat betekent dat de waterlaag beter zal worden aangevuld: dat de effectieve regenval zal rechtstreeks bijdragen aan een grotere oppervlakte van het grondwater, wat zal leiden tot een aanzienlijke toename van het debiet in de Tridaine-galerij.
Op basis van historische gegevens van de afgelopen 10 jaar en recente gegevens van piëzometers die in 2021 zijn geïnstalleerd als onderdeel van de huidige herziening van het gewestplan, is een model gemaakt op basis van de historische aanvulling van het grondwater in 2011. Deze gegevens maakten het mogelijk om de configuratie van de put vast te stellen in het gebied van de geplande uitbreiding en om te concluderen dat mijnbouw op niveau de winning mogelijk zou maken met een veiligheidsmarge van enkele meters boven de gemeten of gemodelleerde maximale piëzometrische niveaus. De opsteller van het milieueffectrapport beveelt aan, de piëzometrische bewaking te handhaven, met name voor de laatste geplaatste piëzometers.
De kwaliteit van het water wordt zeer regelmatig gecontroleerd, zowel door de groep Lhoist als door de Abdij Notre Dame de Saint-Remy. Sinds 1956 is er geen vervuiling geweest en de waterwaarden zijn op dit moment zeer constant. Een verdere geleidelijke vermindering van 8% in het ontsluitingsgebied, onder vergelijkbare bedrijfsomstandigheden en bij afwezigheid van nieuwe infrastructuur, met een putbodem die hoger is dan de putbodem op de bestaande locatie, betekent dat het milieueffectrapport concludeert dat de voorgestelde uitbreiding geen significant effect zal hebben op de grondwaterkwaliteit.
De voorzorgsmaatregelen die zijn ingevoerd op de huidige winningslocatie, om de risico's van verontreiniging door puntbronnen en accidentele verontreiniging door het weglekken van koolwaterstoffen te beperken, moeten ook worden ingevoerd op de uitbreidingslocatie. Het wordt ook aanbevolen om de verschillende waterkwaliteitsparameters in de Tridaine-galerij twee keer per maand te blijven controleren.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat de concentratie sulfaationen in het water een belangrijke parameter is in het bierbereidingsproces in de Abdij Notre Dame de Saint-Remy. Deze concentratie is een uiterst variabele parameter, die meer afhangt van de oorsprong en weg van het grondwater dan van de meteorologische omstandigheden.
Het water in de Tridaine-galerij is het resultaat van een mengsel van watervolumes met contrasterende sulfaatsamenstellingen: het water is verrijkt met sulfaten wanneer het wordt geloosd in de Membre de l'Arche en wordt vervolgens verdund door water uit de noordoostelijke zone van de Lion lens. De fluctuatie in sulfaatconcentratie zal min of meer variabel zijn, afhankelijk van het volume water dat er doorheen stroomt. Het milieueffectrapport concludeert daaruit dat de ontginningsactiviteit geen invloed heeft op de fysisch-chemische parameters van het grondwater.
b. Oppervlaktewater
De groeve bevindt zich op het plateau van Gerny, op de hoogten van de Biranvallei, een waterloop van de categorie 2 die stroomafwaarts van Rochefort samenvloeit met de Lomme (waterloop van de categorie 1). De bron van de Biran bevindt zich aan de rand van het dorp Aye. Op dit moment stroomt het regenwater dat binnen de perimeter valt weg in deze beek.
Het afvalwater van de huidige locatie wordt gegenereerd door de sanitaire voorzieningen. Regenwater infiltreert op natuurlijke wijze in het kalksteenmassief van de groeve. Alleen water dat op de tankzone voor voertuigen valt, wordt naar een koolwaterstofafscheider geleid. Dit water wordt samen met het gezuiverde afvalwater naar de uitgang van de groeve gebracht, waar het in een greppel langs de weg wordt geloosd. Deze sloot ligt buiten de aanvullingszone van de waterlaag van de Boverie.
In het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat regenwater naar de putbodem van de groeve zal stromen, in plaats van naar de Biranbeek, om te verdampen of te infiltreren in het kalksteenmassief. Dit effect is verwaarloosbaar, aangezien de oppervlakte van de deklaag in verband met de uitbreiding 0,6% van de totale oppervlakte van het stroomgebied van Biran beslaat.
Er is geen effect vastgesteld op de inzet van waterbronnen, aangezien het waterbeheer vergelijkbaar blijft met dat van de locatie in bedrijf.
5. Grond en ondergrond
De overgrote meerderheid van de natuurlijke bodems die in de omtrek van uitbreiding van de steengroeve aanwezig zijn, zijn van uitstekende landbouwkwaliteit.
Het afgraven van de afzetting bestaat uit het verwijderen van de laag akkerbouwaarde en de residuen die de gewenste gesteenten bedekken. In het geval van de groeve La Boverie wordt de hoogte van de deklaag geschat op +/- 1 m.
De capaciteit van het momenteel toegestane opvullingsgebied zal in 2029 het verzadigingspunt bereiken. Er zal een vergunningsaanvraag worden ingediend om dit gebied uit te breiden, zodat het afvalgesteente van de eerste drie jaar van de uitbreiding van de groeve kan worden opgeslagen. De rest zal vanaf januari 2032 de Devant le Gerny groeve opvullen.
Binnen de groeve, wanneer het gesteente blootligt, vormen de verschillende niveaus relatief vlakke, zeer doorlaatbare oppervlakken. Het afvloeiingsproces kan als verwaarloosbaar worden beschouwd in vergelijking met het infiltratieproces.
Na de ontginning zal de site op dezelfde manier herontwikkeld worden als de huidige steengroeve, d.w.z. als natuurgebied. De geplande ontwikkelingen zullen in overeenstemming zijn met de verbintenissen en de filosofie van het "Life in Quarries"-project. Overwegende ten slotte dat de precieze voorwaarden voor de herontwikkeling en de verplichtingen die in dit verband op de exploitant rusten, zullen worden vastgesteld in de gecombineerde vergunning die vereist is voor de exploitatie van de aangevraagde uitbreiding.
Het milieueffectbenrapport merkt dat er geen grootschalige karstverschijnselen zijn waargenomen in de groeve of binnen de omtrek van het ontwerpplan, noch tijdens de exploitatie, noch tijdens geologische onderzoeken. Het zeer kleine aantal karsten binnen de herzieningsomtrek en de aanwezigheid van zeer weinig epikarsten betekenen dat het hydrogeologische systeem van het kalksteenmassief niet zal worden aangetast.
6. Mobiliteit - netwerken
De La Boverie groeve en de On fabriek zijn direct verbonden door een privé toegangsweg. De On-fabriek ligt langs de N836 die als bedrijvenweg Marche-en-Famenne verbindt met de rotonde van Jemelle, waarbij de stedelijke gebieden van Waha, Marloie, On en Jemelle worden vermeden.
In het milieueffectrapport staat dat de uitbreiding van de winningsactiviteiten de aanvrager in staat zal stellen om terug te keren naar een vergelijkbaar exploitatieniveau als in 2020-2022. Er wordt dan ook geen bijkomend effect verwacht met betrekking tot auto- en spoorvervoer.
Buurtweg nr. 24 wordt buiten gebruik gesteld en Lhoist SA zal een voorstel doen voor een omleiding als onderdeel van de vergunningsaanvraagprocedure. Het tracé van deze weg kan het onderwerp zijn van aanbevelingen in de milieubeoordeling die in de vergunningsfase moet worden uitgevoerd.
7. Landschap
De groeve en de omtrek van het ontwerpplan liggen aan de noordelijke rand van het Gerny-plateau, dat wordt ingenomen door uitgestrekte landbouwvlakten. Het landschap is open, golvend in het zuiden en oosten en onderbroken door bosjes, heggen en bomengroepen.
In het milieueffectrapport staat dat de locatie binnen het bereik van het ontwerpplan gedeeltelijk zichtbaar is vanuit de directe omgeving, in het oosten en zuiden. Voor vergezichten is het gebied alleen zichtbaar vanuit het noordwesten, omdat het vanuit andere richtingen wordt gemaskeerd door reliëf en vegetatie.
De auteur van de studies beveelt aan om een afzonderingsmarge aan te leggen, bestaande uit een merlon aan de zuidoostelijke rand van de site, in het verlengde van de bestaande merlon. In het noordoosten wordt de installatie van een veiligheidshek aanbevolen om het uitzicht niet af te sluiten. Ten slotte wordt in het noordwesten een verdichting van het bestaande bos aanbevolen om de vergezichten over het gebied te verhelpen.
Het zal echter pas mogelijk zijn om de meer gedetailleerde kenmerken van deze faciliteiten te definiëren nadat de bouwvergunning is verleend. Het is in dit stadium dat de uit te voeren impactstudie nuttige informatie zal opleveren voor het ontwerp ervan.
Vergelijkend met het ontwerpplan gaat de definitieve herziening van het gewestplan uit van de herbestemming van de beboste heuvel aan de noordwestelijke rand van de ontginningsput, die momenteel in het huidige gewestplan is bestemd als gebied van aanhorigheden van ontginningen, naar bos- en landbouwgebied. Deze herbestemming heeft de bijzondere steun van de Gemeenteraad van Rochefort, SPW ARNE en de Beleidsgroep Leefmilieu. Er wordt ook geantwoord op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend.
Het behoud van de beboste heuvel zal een overgangszone creëren tussen de steengroeveactiviteit en het dorp Havrenne. Dit voorkomt elk direct zicht vanuit het dorp op de steengroeve en draagt zo bij aan het behoud van de levenskwaliteit van de plaatselijke bewoners.
8. Landbouwactiviteit
De herziening van het gewestplan voorziet in de opneming van een nieuw ontginningsgebied en een nieuw groengebied ten koste van het landbouwgebied.
Het gebied waarop het herziene gewestplan betrekking heeft, omvat twee landbouwpercelen (eigendom van S.A. Lhoist Industrie) met een totale oppervlakte van 12,28 ha, terwijl de rest braakliggende grond is. Deze percelen worden gebruikt voor akkerbouw. In het milieueffectrapport wordt benadrukt dat de bodem in kwestie van middelmatige tot gemiddelde landbouwkwaliteit is, met weinig overbelasting, en weinig afgegraven is. Het milieueffectrapport ziet geen significante gevolgen voor het nuttig landbouwgebied van de gemeente.
De conclusies van het milieueffectrapport doen geen afbreuk aan de beoordeling van het belangenevenwicht tussen de ontwikkeling van de Waalse landbouw en het sociaal-economische belang van het project van de onderneming Lhoist. Zij bevestigen derhalve het belang van een herziening van het gewestplan om de ontwikkeling van deze sector te ondersteunen.
Om de negatieve effecten van het project te milderen, staat in het milieueffectenverslag te lezen dat de aanvrager regelmatig landbouwgrond ter beschikking stelt van plaatselijke landbouwers en de mogelijkheid zal overwegen om de landbouwer die in kennis is gesteld van het einde van de pacht, het gebruik van andere landbouwgrond toe te vertrouwen zodra deze vrij is van bezetting.
Ten slotte is in de definitieve herziening van het gewestplan 3,2 ha landbouwgrond opgenomen op het bestaande terrein van de bijgebouwen van de winning, ten westen van de huidige put. De twee betrokken percelen worden momenteel gebruikt voor begrazing.
Deze aanpassing vermindert het planologische verlies van landbouwgrond tot 11,4 ha door de opname van het winningsgebied voor de uitbreiding van de steengroeve La Boverie.
9. Biologische diversiteit - Fauna en flora
De Lhoist Groep sloot zich in 2016 aan bij het "life in quarries"-project. Hoewel het project in 2021 afliep, heeft de exploitant een handvest ondertekend waarin hij zich verplicht tot het behoud van habitats en faciliteiten die gunstig zijn voor flora en fauna. Een beheerplan zorgt ervoor dat de ondernomen acties duurzaam zijn voor minstens 15 jaar. In het kader van deze logica van behoud en uitbreiding van maatregelen ten gunste van de biodiversiteit bepaalt het ontwerpplan dat het toekomstige ontginningsgebied na afloop van de exploitatie een natuurgebied zal worden.
In het milieueffectrapport wordt benadrukt dat het projectgebied buiten alle Natura 2000-gebieden ligt. Bijgevolg is er geen significant effect vastgesteld binnen Natura 2000-perimeters of op prioritaire habitats.
Het behoud van de beboste heuvel direct ten noordwesten van het voorgestelde plan, samen met de herclassificatie als bos van een deel van de aanhorigheden van ontginningen ten westen van de huidige mijn, zal de ecologische overgangsfunctie van deze beboste heuvel vanuit planologisch oogpunt waarborgen.
Deze herbestemming maakt het ook mogelijk om een aaneengesloten bosgebied te creëren dat de facto fungeert als "buffer" tussen het gebied dat momenteel wordt geëxploiteerd en het Natura 2000-gebied waaraan het grenst.
Om de impact van de afgravingswerkzaamheden te beperken, wordt aanbevolen om deze buiten het broed- en nestseizoen van vogels uit te voeren. Deze maatregel vermindert het risico op sterfte onder broedvogelsoorten binnen de omtrek.
Een haag tussen het kalkgrasland en de landbouwpercelen wordt verwijderd wanneer de groeve wordt uitgebreid. In het milieueffectrapport wordt aanbevolen om de bestaande haag langs de Rue Louis Banneux te behouden en uit te breiden langs het zuidelijke deel van de omtrek. Bij de aanplant moet gestreefd worden naar een diversiteit aan soorten (minimaal 5 verschillende inheemse soorten), vergelijkbaar met de soorten die al bestaan.
Het project zal leiden tot de vernietiging van 2 ha kalkgrasland. De auteur van het milieueffectrapport beveelt aan om een gelijkwaardig gebied te herstellen binnen de bestaande steengroeve, vooruitlopend op de geplande exploitatie.
De hommelorchis (een beschermde soort), die in 2021 in dit kalkgrasland werd waargenomen, kon niet worden gevonden tijdens veldbezoeken in 2023. Het milieueffectrapport beveelt een nieuw veldonderzoek aan, tijdens de bloeiperiode van de orchidee (tussen mei en juni), voordat de vergunning wordt verleend, om de aanwezigheid van de orchidee te bevestigen of niet. Als de aanwezigheid van deze soort wordt bevestigd, moet een aanvraag voor een afwijking van de Natuurbeschermingswet worden ingediend voordat de vergunning kan worden uitgevoerd. Eventuele individuen zullen moeten worden verplaatst naar een ander kalkgrasland in de groeve, dat niet bestemd is om te verdwijnen.
De implementatie van de relevante biodiversiteitsvriendelijke maatregelen die in het milieueffectrapport worden geïdentificeerd, valt echter binnen het toepassingsgebied van de implementatie van het gewestplan en zal daarom moeten worden gedetailleerd in het stadium van de bouwvergunning en de effectbeoordeling.
10. Klimaatfactoren
De herziening van het gewestplan zal het mogelijk maken de bestaande winningsactiviteiten binnen de steengroeve van Romont voort te zetten en daarmee de verdere benutting van een plaatselijke afzetting. Dit is vanuit klimatologisch oogpunt gunstig, omdat de stopzetting van steengroeven noodzakelijkerwijs ertoe zou leiden dat de vraag naar rotsgesteenten overgedragen wordt naar concurrerende steengroeven of uit het buitenland geïmporteerde rotsgesteenten. Deze situatie zou leiden tot een toename van de CO2 -emissies in verband met het vervoer van materialen.
Het feit dat de aanvrager een lokale grondstof in de onmiddellijke nabijheid van de steengroeve verwerkt, biedt dezelfde voordelen daar er geen vervoer nodig zal zijn van grondstoffen naar verwerkings- en terugwinningseenheden.
In het milieueffectrapport staat dat de wijze van extractie niet gaat veranderen en wordt aanbevolen om de meest vervuilende tuigen geleidelijk te vervangen door apparatuur die de energie-efficiëntie verbetert of minder brandstof verbruikt.
11. Interacties tussen de verschillende factoren
In het milieueffectrapport staat dat een aantal vormen van overlast cumulatief zijn en een directe impact hebben op de directe omgeving. De winning van gesteente veroorzaakt ook geluidsoverlast, stofuitstoot, zwaar transport enzovoort.
In dit geval is, gezien de ligging van de omtrek van het ontwerpplan, die in het verlengde ligt van de huidige groeve en waarbij geen nieuwe bijgebouwen voor de winning zullen worden gebouwd, de hinder als gevolg van de uitvoering van de geprojecteerde omtrek vrijwel identiek aan de bestaande hinder.
De uitvoering van de verschillende voorgestelde aanbevelingen zal de overlast op een laag niveau houden wat betreft de nabijheid van de winningsactiviteit bij het dorp Humain en het radioastronomiestation.
IV. Andere overwogen redelijke oplossingen
In het milieueffectrapport wordt voorgesteld om een landbouwgebied en een bosgebied te aan te leggen ten westen van de winningsput, op de plaats van een deel van de bestaande zone van de bijgebouwen van de winning in het gewestplan.
Dit voorstel werd gesteund door de aanvrager, de gemeenteraad van Rochefort, de Beleidsgroep LeefMilieu, SPW ARNE en door verschillende brieven die na het openbaar onderzoek werden ontvangen. Deze voorgestelde wijziging van het ontwerpplan werd opgenomen in het ministerieel besluit tot definitieve goedkeuring van de herziening.
In het milieueffectrapport werd een alternatieve afbakening voorgesteld, waarbij de omtrek van het ontwerpplan werd uitgebreid tot de stad Marche-en-Famenne, waarbij de beboste heuvel werd uitgesloten en de winningsactiviteit dus dichter bij het dorp Humain en het radioastronomiestation werd gebracht. Dit alternatief, dat niet werd gesteund door de autoriteiten of de omwonenden, werd niet gekozen. De argumenten die deze keuze rechtvaardigen worden uiteengezet in het ministerieel besluit tot definitieve aanneming van de herziening van het plan.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-01-2026, p. 3772)
III. Considérations environnementales
Le rapport sur les incidences environnementales a étudié de manière détaillée le projet de plan, les remarques formulées par la population lors de la réunion d'information préalable et les avis émis sur la demande de révision.
Dans son avis du 16 juin 2025, le pôle " Aménagement du territoire " indique qu'en ce qui concerne la qualité du rapport sur les incidences environnementales, celui-ci contient les éléments nécessaires à la prise de décision.
Dans son avis du 25 juin 2025, le pôle " Environnement " estime que le rapport sur les incidences environnementales répond à l'article D.VIII.33, § 3, du CoDT. Il salue la qualité et la minutie de l'analyse hydrogéologique et des calculs de gisement qui en découlent.
Sur base de ces deux avis, il n'y a donc pas lieu de remettre en cause la complétude et la qualité du rapport sur les incidences environnementales.
Les recommandations pertinentes mises en évidence par le rapport ont été prises en compte et intégrées à la décision lorsqu'elles concernaient l'échelle d'intervention du plan de secteur. Lorsqu'elles concernaient des aspects liés à la mise en oeuvre future du plan, l'auteur du plan s'en est également expliqué.
Les différents volets de l'analyse environnementale sont visés ci-après.
1. Aspects pertinents de la situation socio-économique
Le rapport sur les incidences environnementales a examiné les aspects socio-économiques de la carrière de La Boverie et du projet de révision du plan de secteur.
Le groupe Lhoist est l'un des premiers producteurs mondiaux de chaux, active dans plus de 25 pays. La carrière de La Boverie constitue à ce titre un maillon essentiel de la chaîne de production belge du groupe, en alimentant exclusivement les fours à chaux de l'usine de On à Jemelle. Depuis juin 2020, l'ensemble de la production de chaux du groupe Lhoist en Belgique est concentré exclusivement sur le site de On.
Le gisement exploité par le demandeur est constitué principalement de calcaires chimiquement purs appartenant aux membres de l'Arche et du Lion, ainsi qu'à la partie supérieure du membre de la Boverie.
Les calcaires se distinguent par leur haute pureté chimique et leur faible teneur en soufre, répondant aux exigences strictes des clients historiques, notamment dans le secteur sidérurgique. Ces calcaires purs représentent environ 66 % de la production entre 2018 et 2022, tandis que les calcaires impurs (25 % de la production) sont valorisés sous forme de granulats pour le génie civil.
La chaux produite à partir des calcaires de la Boverie est utilisée dans une large variété de secteurs, tels que la sidérurgie, la métallurgie, la chimie, l'agroalimentaire, la pharmacie, l'agriculture, l'environnement, le bâtiment, les voiries et le génie civil. La sidérurgie absorbe 42 % de la chaux et des calcaires tandis que le génie civil consomme 43 % des agrégats.
L'extraction annuelle moyenne (2018-2020) s'élevait à 1.380 ktonnes (roches toutes qualités confondues) et à 1.150 kt/an à partir de 2020. Le brut d'extraction moyen annuel annoncé est de 1.166 ktonnes sur le site de l'extension.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que le marché européen de la chaux connaît une évolution contrastée, notamment une baisse du segment sidérurgique, mais également une croissance des secteurs en développement tels que l'environnement, l'agriculture ou encore la construction. L'usine de On résiste mieux que la moyenne européenne sur le segment sidérurgique et enregistre une progression significative sur les marchés émergents
L'activité extractive de la carrière emploie près de 100 emplois directs pour environ 200 emplois indirects. Sans extension des possibilités d'extraction, les activités de la carrière et de l'usine de On (exclusivement alimentée par la carrière, sans alternative possible) sont menacées à très court terme. Enfin, la Belgique ne compte que deux producteurs de chaux : le maintien d'une activité locale permet d'éviter une situation de monopole, tout en assurant une exploitation durable des ressources calcaires locales afin de répondre à une demande régionale.
Le rapport sur les incidences environnementales établit que la réserve de gisement accessible au droit de la zone de dépendances d'extraction inscrite au plan de secteur en vigueur est proche de l'épuisement. Il confirme la qualité du gisement existant au sein de l'extension sollicitée pour l'agrandissement de la fosse d'extraction ainsi que l'absence d'alternative de localisation valable. Ainsi, aucune zone d'extraction ou de dépendances d'extraction actuellement inscrites au plan de secteur, couvrant un gisement de même nature, permettant de répondre à la demande et à une distance économiquement viable de l'usine de On n'est disponible dans un rayon de 20 km à vol d'oiseau.
Le rapport sur les incidences environnementales démontre dès lors que l'exploitation du gisement présent sur le site projeté est justifiée, non seulement au regard des besoins socio-économiques de l'entreprise, mais aussi du secteur d'activité concerné. La demande contribue à la valorisation d'une ressource locale et patrimoniale et rencontre, dans plusieurs domaines, les besoins de la collectivité.
La révision du plan de secteur permet la poursuite des activités de la carrière sur le site pendant quatorze années supplémentaires.
2. Qualité de vie et santé humaine
Le rapport sur les incidences environnementales décrit la future exploitation et évalue les nuisances qu'elle pourrait engendrer, notamment en matière de poussières, de bruit et de vibrations.
En s'étendant vers le nord-est, l'exploitation se rapprochera de la station de radioastronomie et du village de Humain et certains riverains seront donc plus proches des sources de poussières, de bruit et de vibrations.
La modification de l'environnement sonore induite par l'extension consiste en un déplacement progressif des forages, des tirs de mines, des fragmentations secondaires à l'aide de brise-roches et du chargement de dumpers vers le nord-est, ainsi que l'allongement des pistes de circulation interne.
Afin d'objectiver les nuisances liées au bruit, le bureau d'études en charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales a analysé l'environnement sonore existant à l'aide d'une campagne de mesures de longue durée. Une modélisation acoustique a ensuite été réalisée et calibrée grâce aux mesures afin d'étudier, plus précisément, la propagation du bruit émis par les activités futures de la carrière et s'assurer du respect des normes en vigueur.
Les résultats ont été analysés pour les différentes phase d'exploitation, pour lesquelles plusieurs scénarios ont été établis, dont le worse case (c'est-à-dire lorsque les engins seront au plus proche de la station de radioastronomie).
L'évolution des incidences sonores est ainsi bénéfique en ce qui concerne l'abbaye, similaire pour la zone de Havrenne et en légère augmentation pour le village de Humain, tout en respectant les valeurs limites. L'augmentation des incidences sonores est la plus significative pour la station de radioastronomie, le niveau sonore restant en deçà des valeurs limites mais se rapprochant fortement des normes en vigueur pour la phase 1 - worse case.
Sur base de différentes données récoltées et de différentes études et méthodologies utilisées, l'auteur d'études recommande de respecter la distance réduite minimale de 41m/'kg et d'utiliser la loi de Chapot afin de dimensionner spécifiquement les charges nécessaires, et ainsi respecter les normes applicables en vigueur. Les seuils à respecter sont plus limitatifs pour la station de radioastronomie (plus proche de la future fosse) que pour les habitations.
Un monitoring systématique au niveau de la station de radioastronomie et du riverain le plus proche est également recommandé afin d'acquérir davantage de données et ainsi pouvoir affiner régulièrement la loi de propagation de Chapot, et donc la quantité d'explosifs. Il est également recommandé de réaliser des tirs bi-étagés, voir tri-étagés, au plus près de la station de radioastronomie afin de respecter la charge unitaire maximale.
Certaines sources de poussière (tirs de mines, forage, chargement de la pierre, transport sur des pistes rallongées) seront décalées de 200 à 500 m vers le nord-est.
Lors de la période de découverture, en période sèche, l'activité de découverture pourrait impliquer l'envol de poussières et causer une gêne pour les riverains les plus proches. Afin de réduire ces nuisances, il convient de limiter la vitesse des engins, d'éviter de réaliser la découverture lors des périodes très sèches et venteuses afin de limiter les envols de poussières ou de prévoir des mesures complémentaires d'arrosage lors de ces périodes afin de contenir les envols de poussières.
En phase d'exploitation, l'auteur d'études relève que les mesures des poussières sédimentables sont actuellement en-deçà des valeurs réglementaires. Etant donné que l'extension projetée impliquera les mêmes procédés d'extraction, elle ne sera pas de nature à générer de façon significative des poussières dans l'environnement du site, y compris pour les poussières en suspension. Aucune mesure spécifique n'est formulée en ce qui concerne l'impact de l'émission de poussières sur la station de radioastronomie.
Tant les mesures préconisées par le rapport sur les incidences environnementales que les caractéristiques détaillées des périmètres ou dispositifs d'isolement relèvent cependant de l'instruction de la demande de permis qui sera introduite pour mettre en oeuvre la zone d'extraction inscrite. Les autorités publiques devront arrêter les mesures adéquates en se fondant sur les conclusions de l'étude d'incidences qui devra être réalisée dans ce cadre.
3. Biens matériels - Cadre bâti - Patrimoine culturel
La carrière de La Boverie se situe à proximité des villages de Humain (1,2 km au nord-est) et Havrenne (1,5 km au nord). L'abbaye Notre-Dame de Saint-Remy est située à environ 1 km au sud-ouest des fronts de la carrière actuelle, tandis que la station de radioastronomie de Humain se situe à environ 700 m au nord-est des fronts.
L'extension des activités d'extraction rapprochera la fosse des habitations de Humain et de la station de la station de radioastronomie. Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'une distance de 670 mètres minimum sera néanmoins conservée entre le front de taille et les bâtiments les plus proches, et de 400 m avec la station de radioastronomie (la première antenne étant localisée à 240 m du futur front de taille).
Le rapport sur les incidences environnementales rappelle qu'une étude de faisabilité, réalisée en partenariat entre la société Lhoist et les trois instituts scientifiques fédéraux exploitant la station de radioastronomie a conclu que sous respect des recommandations émises, l'extension demandée ne présenterait pas de risque significatif sur les observations de la station. Des échanges réguliers entre les utilisateurs de la station et la société Lhoist sont également recommandés, notamment en cas de changement susceptible de modifier les conclusions de l'étude.
Compte tenu de ce rapprochement, certains riverains proches de l'extension prévue par la révision du plan de secteur craignent une dépréciation de leurs biens.
Cependant, une telle dépréciation ne relève pas du plan de secteur mais de sa mise en oeuvre. C'est à ce stade que les études d'incidences qui devront être réalisées fourniront les informations utiles concernant leurs effets sur les biens matériels et que pourront être arrêtées les mesures destinées à les éviter, les réduire et, au besoin, les compenser.
La valeur des biens immobiliers doit aussi être considérée à long terme. A la fin de l'exploitation, la zone d'extraction (initialement une zone agricole) deviendra une zone naturelle ce qui n'entraînera aucune perte de valeur des biens immobiliers situés à proximité du site.
En ce qui concerne les éléments patrimoniaux, le rapport sur les incidences environnementales relève qu'aucun élément du patrimoine exceptionnel ou classé n'est situé au droit ou à proximité de la carrière de La Boverie ou de l'extension sollicitée. De plus, le périmètre de la révision du plan de secteur ne se localise pas dans un périmètre repris à la carte archéologique de la Wallonie. L'évaluation environnementale qui devra être réalisée au stade des demandes de permis pourra au besoin approfondir ce point. Si cela s'évérait nécessaire, des fouilles pourraient être effectuées préalablement à l'exploitation du gisement.
4. Eaux souterraines et de surface
a. Eaux souterraines
Le périmètre de la révision du plan de secteur s'inscrit dans l'aquifère de la Boverie. La carrière actuelle et l'extension sont localisées dans la zone d'alimentation de la galerie de Tridaine, utilisée tant pour l'alimentation en eau potable de la ville de Rochefort que pour la fabrication de la bière trappiste de l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. L'exploitation de l'extension de la carrière ne prévoit pas de descendre sous les niveaux supérieurs historiques de la nappe. Aucune exhaure ne sera donc nécessaire.
La découverture de l'extension constituera une augmentation de 15 % de la superficie découverte actuellement. La recharge de la nappe aquifère en sera augmentée : les pluies efficaces alimenteront directement la nappe sur une surface plus importante, ce qui induira une augmentation sensible des débits à la galerie de Tridaine.
Sur base de données historiques enregistrées depuis plus de 10 ans ainsi que sur des données récentes issues de piézomètres placés en 2021 dans le cadre de la présente révision du plan de secteur, une modélisation a été réalisée sur base de l'année de recharge historique de 2011 de la nappe. Ces données ont pu établir la configuration de la fosse au droit de l'extension projetée et conclure qu'une exploitation en palier permettait une activité extractive tout en assurant une marge de sécurité de plusieurs mètres au-dessus des niveaux piézométriques maximums mesurés ou modélisés. Enfin, le rapport sur les incidences environnementales recommande de maintenir le monitoring piézométrique, notamment pour les derniers piézomètres placés.
La qualité de l'eau fait l'objet d'un contrôle très régulier, tant par le groupe Lhoist que par l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. Aucune pollution n'a eu lieu depuis 1956 et les paramètres de l'eau restent très constants à l'heure actuelle. Une réduction supplémentaire progressive de 8 % de la surface d'affleurement, suivant des conditions d'exploitation similaires et en l'absence de nouvelles infrastructures, avec un fond de fosse rehaussé par rapport au fond de fosse du site existant, permettent au rapport sur les incidences environnementales de conclure à l'absence d'impact notable du projet d'extension sur la qualité des eaux souterraines.
Les mesures de précaution mises en place sur le site actuel d'extraction, en vue de limiter les risques de pollution ponctuelle et accidentelle liée à un épanchement d'hydrocarbures, devront être mises en place sur le site de l'extension. Il est également recommandé de maintenir le monitoring bi-mensuel des divers paramètres de qualité de l'eau au droit de la galerie de Tridaine.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que la concentration en ions sulfates de l'eau est un paramètre important du processus de fabrication de la bière par l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. Cette concentration est un paramètre extrêmement variable, dépendant davantage de l'origine et du cheminement des eaux souterraines que des conditions météorologiques.
Les eaux à la galerie Tridaine sont le résultat d'un mélange de volumes d'eau dont la composition en sulfates est contrastée : les eaux s'enrichissent en sulfates lors de leur déversement dans le Membre de l'Arche pour ensuite être diluées par les eaux en provenance de la zone nord-est de la lentille du Lion. Selon les volumes d'eaux traversés, la fluctuation de la concentration en sulfates sera plus ou moins variable. Le rapport sur les incidences environnementales en conclut que l'activité extractive n'a ainsi pas d'impact sur les paramètres physico-chimiques de la nappe aquifère.
b. Eaux de surface
La carrière est localisée sur le plateau du Gerny, sur les hauteurs de la vallée du Biran, cours d'eau de 2ème catégorie qui rejoint la Lomme (cours d'eau de 1ère catégorie) en aval de Rochefort. Le Biran prend sa source aux abords du village de Aye. Actuellement, les eaux de pluie tombant au sein du périmètre ruissellent jusqu'à ce ruisseau.
Les eaux usées du site actuellement exploité sont générées par les sanitaires. Les eaux pluviales du site s'infiltrent naturellement dans le massif calcaire de la carrière. Seules les eaux tombant sur l'aire de ravitaillement des véhicules sont dirigées vers un séparateur d'hydrocarbures. Ces eaux, ainsi que les eaux usées épurées, sont acheminées jusqu'à la sortie de la carrière, où elles sont rejetées dans un fossé en bord de route. Ce fossé est situé en dehors de la zone de recharge de l'aquifère de la Boverie.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que les eaux pluviales s'écouleront vers le fond de fosse de la carrière, au lieu du ruisseau de Biran, pour s'évaporer ou s'infiltrer dans le massif calcaire. Cette incidence est négligeable puisque la surface de découverture liée à l'extension représente 0,6 % de la surface totale du bassin versant du Biran.
Aucune incidence concernant la mobilisation des ressources en eau n'a été identifiée, la gestion des eaux restant similaire à celle du site en exploitation.
5. Sol et sous-sol
Les sols naturels en place au niveau du périmètre d'extension de la carrière sont de qualité agronomique médiocre à moyenne.
La découverture du gisement consiste à l'enlèvement de la couche de terre arable, des terrains superficiels et des stériles qui recouvrent les roches recherchées. Dans le cas de la carrière de La Boverie, la hauteur des terres de découverture est estimée à +/- 1 m.
La capacité de la zone de remblai actuellement autorisée arrivera à saturation en 2029. Une demande de permis sera introduite pour étendre cette zone de manière à pouvoir stocker les stériles issus de l'exploitation des trois premières années de l'extension de la carrière. Le solde viendra remblayer la carrière Devant le Gerny à partir de janvier 2032.
Au sein de la carrière, lorsque la roche est mise à nue, les différents paliers constituent des surfaces relativement planes et très perméables. Le processus de ruissellement pourra y être considéré comme négligeable comparativement au processus d'infiltration.
Après l'exploitation, le réaménagement sera le même que celui de la carrière actuelle, à savoir une zone naturelle. Les aménagements prévus s'inscriront dans les engagements et la philosophie du projet " life in quarries ". Enfin que les conditions précises de réaménagement et les obligations pesant sur l'exploitant dans ce cadre, seront fixées dans le permis unique nécessaire à l'exploitation de l'extension sollicitée.
Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'aucun phénomène karstique de grande ampleur n'a été observé au sein de la carrière ou du périmètre du projet de plan, au cours de son exploitation ou lors des investigations géologiques. Le nombre très faible de karsts dans le périmètre de révision et la présence d'un épikarst très peu développé permettent de dire qu'aucune atteinte ne sera portée au système hydrogéologique du massif calcaire.
6. Mobilité - réseaux
La carrière de La Boverie et l'usine de On sont directement connectées via une route d'accès privée. L'usine de On est localisée le long de la nationale N836, route industrielle reliant Marche-en-Famenne au rond-point de Jemelle en évitant les zones urbanisées de Waha, Marloie, On et Jemelle.
Le rapport sur les incidences environnementales précise que l'extension de l'activité extractive permettra au demandeur de retrouver un rythme d'exploitation similaire à celui de 2020-2022. Aucune incidence complémentaire n'est dès lors attendue en ce qui concerne le charroi, tant automobile que ferroviaire.
Le chemin vicinal n° 24 sera déclassé et une proposition de déviation sera formulée par la S.A. Lhoist Industrie dans le cadre de la procédure de demande du permis. Le tracé de ce chemin pourra faire l'objet de recommandations dans l'évaluation environnementale qui devra être réalisée au stade de la demande du permis.
7. Paysage
La carrière et le périmètre du projet de plan se trouvent en limite nord du plateau du Gerny, occupé par de larges plaines agricoles. Le paysage est ouvert, vallonné au sud et à l'est et ponctué par des bosquets, des haies et quelques boisements.
Le rapport sur les incidences environnementales mentionne que le site du périmètre du projet de plan est partiellement visible depuis les abords proches, l'est et le sud. En ce qui concerne les vues longues, le site est uniquement visible depuis le nord-ouest, étant masqué par le relief et la végétation depuis les autres directions.
L'auteur d'études recommande d'aménager un dispositif d'isolement, consistant sur sa frange sud-est en l'inscription d'un merlon en continuité du merlon existant. Au nord-est, l'installation d'une clôture de sécurité est recommandée afin de ne pas fermer les vues. Enfin, pour le nord-ouest, une densification du boisement existant est recommandée, afin de remédier aux vues longues sur le site.
Les caractéristiques plus détaillées de ces aménagements ne pourront cependant être définies qu'au terme de l'instruction des permis. C'est en effet à ce stade que l'étude d'incidences qui devra être réalisée fournira les informations utiles pour leur conception.
Comparativement au projet de plan, la révision définitive du plan de secteur réaffecte le coteau boisé situé en bordure nord-ouest de la fosse d'extraction, actuellement inscrit en zone de dépendances d'extraction au plan de secteur en vigueur, en une zone forestière et une zone agricole. Cette réaffectation est particulièrement soutenue par le conseil communal de Rochefort, le SPW ARNE et le pôle " Environnement ". Elle répond aussi aux réclamations formulées lors de l'enquête publique.
Le maintien du coteau boisé permet de constituer une zone de transition entre l'activité extractive et le village d'Havrenne. Celle-ci préserve toute vue directe sur la carrière depuis le village et contribue dès lors à préserver le cadre de vie des riverains.
8. Activité agricole
La révision du plan de secteur prévoit l'inscription de la zone d'extraction aux dépens de la zone agricole.
Le périmètre de la révision du plan de secteur couvre deux parcelles agricoles (propriété de la S.A. Lhoist Industrie) d'une superficie totale de 12,28 ha ainsi qu'une zone de friche pour le solde. Ces parcelles sont exploitées pour les grandes cultures. Le rapport sur les incidences environnementales met en avant que les sols concernés présentent une qualité agricole qualifiée de médiocre à moyenne, avec une faible épaisseur de découverture. Le rapport sur les incidences environnementales n'identifie pas d'impact significatif sur la superficie agricole utile à l'échelle communale.
Les conclusions du rapport sur les incidences environnementales ne remettent pas en cause l'appréciation de la balance des intérêts entre le développement de l'agriculture wallonne et l'importance socio-économique du projet de la société Lhoit. Elles permettent donc de confirmer l'importance de réviser le plan de secteur pour soutenir le développement de ce secteur d'activités.
Afin de réduire les effets négatifs du projet, le rapport sur les incidences environnementales précise que le demandeur met régulièrement à disposition des terrains cultivables pour les exploitants agricoles locaux et considèrera la possibilité de confier, à l'agriculteur à qui a été notifiée la fin de bail, l'exploitation d'autres terrains cultivables dès que ceux-ci seront libres d'occupation.
Enfin, la révision définitive du plan de secteur inscrit 3,2 ha de zone agricole sur de la zone de dépendances d'extraction actuellement en vigueur, à l'ouest de la fosse actuelle. Les deux parcelles concernées sont actuellement exploitées pour de la pâture.
Cette adaptation permet de réduire à 11,4 ha la perte planologique de zone agricole liée à l'inscription de la zone d'extraction pour l'extension de la carrière de La Boverie.
9. Diversité biologique - Faune et flore
Le groupe Lhoist a adhéré au projet " life in quarries " en 2016. Même si ce projet s'est arrêté en 2021, l'exploitant s'est engagé, au travers une charte, à maintenir les habitats et aménagements favorables à la faune et à la flore. Un plan de gestion permet d'ailleurs de pérenniser les actions menées pour une durée minimale de 15 ans. Dans cette logique de maintien et d'extension des actions en faveur de la biodiversité, le projet de plan prévoit que la future zone d'extraction deviendra une zone naturelle au terme de l'exploitation.
Le rapport sur les incidences environnementales souligne que le périmètre du projet est localisé en dehors de toutes zones Natura 2000. En conséquence, aucune incidence significative n'a été relevée ni au sein de périmètres Natura 2000 ni sur des habitats prioritaires.
La préservation du coteau boisé localisé directement au nord-ouest du projet de plan, ainsi que la réaffectation en zone forestière d'une partie de la zone de dépendances d'extraction située à l'ouest de la fosse actuelle permettent d'assurer, d'un point de vue planologique, la fonction de transition écologique de ce coteau boisé.
Cette réaffectation permet également d'assurer un ensemble forestier continu qui fait espace " tampon " de fait entre le site actuellement exploité et le site Natura 2000 qu'il jouxte.
Afin de réduire les incidences des travaux de découverture, il est recommandé de les effectuer en dehors de la période de reproduction et de nidification de l'avifaune. Cette mesure permettra de réduire le risque de mortalité des espèces d'oiseaux reproductrices au sein du périmètre.
Une haie, localisée entre la pelouse calcaire et les parcelles agricoles, sera supprimée lors de l'extension de la carrière. Le rapport sur les incidences environnementales recommande de maintenir la haie déjà existante le long de la rue Louis Banneux et de la prolonger tout au long de la partie sud du périmètre. Les plantations devront viser une diversité d'espèces (minimum 5 espèces indigènes différentes), semblables à celles déjà existantes.
Le projet d'exploitation va engendrer la destruction d'une surface de 2 ha de pelouse calcaire. L'auteur du rapport sur les incidences environnementales recommande qu'une surface équivalente soit restaurée au sein de la carrière existante, en amont de l'avancée de l'exploitation projetée.
L'Ophrys frelon (espère protégée), recensée en 2021 au niveau de cette pelouse calcaire n'a pu être retrouvée lors des visites de terrain en 2023. Le rapport sur les incidences environnementales recommande un nouveau relevé de terrain, en période de floraison de cette orchidée (entre mai et juin), avant l'obtention du permis, pour confirmer ou non sa présence. Si la présence de cette espèce est avérée, une demande de dérogation à la loi de la conservation de la nature devra être réalisée avant la mise en oeuvre du permis. Une translocation des éventuels individus devra être envisagée, vers une autre pelouse calcaire de la carrière, non vouée à disparaître.
La mise en place de mesures favorables à la biodiversité relevant identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales relèvent cependant de la mise en oeuvre du plan de secteur, celles-ci devront donc être détaillées au stade de l'instruction des permis et de l'évaluation des incidences y relative.
10. Facteurs climatiques
La révision du plan de secteur permet le maintien de l'activité extractive au sein de la carrière de La Boverie ainsi que la poursuite de la valorisation d'une roche locale. Cela est bénéfique du point de vue climatique car la cessation des activités de la carrière entraînerait obligatoirement le report de la demande sur des pierres provenant d'exploitations concurrentes ou importées de pays étrangers. Cette situation engendrerait une augmentation des émissions de CO2 liées au transport des matériaux.
Le fait que le demandeur transforme une ressource locale à proximité immédiate de la carrière présente les avantages identiques liés à l'absence de transport des matériaux bruts vers les unités de transformation et de valorisation.
Le rapport sur les incidences environnementales indique que les procédés d'exploitation ne sont pas amenés à évoluer et recommande de prévoir le remplacement progressif des engins les plus polluants par du matériel permettant d'améliorer les performances énergétiques ou consommant moins de carburant.
11. Interactions entre les différents facteurs
Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'un certain nombre de nuisances sont cumulatives et impactent directement l'environnement proche. En effet, l'extraction de la roche engendre simultanément des nuisances sonores, des émissions de poussières, du charroi lourd pour le transport, etc.
Dans le cas présent, étant donné la localisation du périmètre de projet de plan qui est en continuité avec la carrière actuelle et qui n'impliquera pas de nouvelles dépendances d'extraction, les nuisances occasionnées à la suite de la mise en oeuvre du périmètre projeté sont sensiblement identiques aux nuisances existantes.
La mise en oeuvre des différentes recommandations proposées permettra de maintenir l'ampleur des nuisances à un niveau faible en ce qui concerne le rapprochement de l'activité extractive du village de Humain et de la station de radioastronomie.
IV. Autres solutions raisonnables envisagées
Le rapport sur les incidences environnementales propose l'inscription d'une zone agricole et d'une zone forestière, à l'ouest de la fosse d'extraction, en lieu et place d'une partie de la zone de dépendances d'extraction en vigueur au plan de secteur.
Cette proposition a été soutenue par le demandeur, le conseil communal de Rochefort, le pôle " Environnement ", le SPW ARNE et par plusieurs courriers réceptionnés à la suite de l'enquête publique. Cette proposition de modification du projet de plan a été retenue dans l'arrêté ministériel qui adopte définitivement la révision du plan.
Le rapport sur les incidences environnementales a proposé une alternative de délimitation, étendant le périmètre du projet de plan sur le territoire de la ville de Marche-en-Famenne, excluant le coteau boisé et rapprochant de ce fait davantage l'activité extractive du village de Humain et de la station de radioastronomie. Cette alternative, non soutenue par les instances ainsi que par les riverains, n'a pas été retenue. Les arguments justifiant ce choix sont exposés dans l'arrêté ministériel adoptant définitivement la révision du plan.
III. Considérations environnementales
Le rapport sur les incidences environnementales a étudié de manière détaillée le projet de plan, les remarques formulées par la population lors de la réunion d'information préalable et les avis émis sur la demande de révision.
Dans son avis du 16 juin 2025, le pôle " Aménagement du territoire " indique qu'en ce qui concerne la qualité du rapport sur les incidences environnementales, celui-ci contient les éléments nécessaires à la prise de décision.
Dans son avis du 25 juin 2025, le pôle " Environnement " estime que le rapport sur les incidences environnementales répond à l'article D.VIII.33, § 3, du CoDT. Il salue la qualité et la minutie de l'analyse hydrogéologique et des calculs de gisement qui en découlent.
Sur base de ces deux avis, il n'y a donc pas lieu de remettre en cause la complétude et la qualité du rapport sur les incidences environnementales.
Les recommandations pertinentes mises en évidence par le rapport ont été prises en compte et intégrées à la décision lorsqu'elles concernaient l'échelle d'intervention du plan de secteur. Lorsqu'elles concernaient des aspects liés à la mise en oeuvre future du plan, l'auteur du plan s'en est également expliqué.
Les différents volets de l'analyse environnementale sont visés ci-après.
1. Aspects pertinents de la situation socio-économique
Le rapport sur les incidences environnementales a examiné les aspects socio-économiques de la carrière de La Boverie et du projet de révision du plan de secteur.
Le groupe Lhoist est l'un des premiers producteurs mondiaux de chaux, active dans plus de 25 pays. La carrière de La Boverie constitue à ce titre un maillon essentiel de la chaîne de production belge du groupe, en alimentant exclusivement les fours à chaux de l'usine de On à Jemelle. Depuis juin 2020, l'ensemble de la production de chaux du groupe Lhoist en Belgique est concentré exclusivement sur le site de On.
Le gisement exploité par le demandeur est constitué principalement de calcaires chimiquement purs appartenant aux membres de l'Arche et du Lion, ainsi qu'à la partie supérieure du membre de la Boverie.
Les calcaires se distinguent par leur haute pureté chimique et leur faible teneur en soufre, répondant aux exigences strictes des clients historiques, notamment dans le secteur sidérurgique. Ces calcaires purs représentent environ 66 % de la production entre 2018 et 2022, tandis que les calcaires impurs (25 % de la production) sont valorisés sous forme de granulats pour le génie civil.
La chaux produite à partir des calcaires de la Boverie est utilisée dans une large variété de secteurs, tels que la sidérurgie, la métallurgie, la chimie, l'agroalimentaire, la pharmacie, l'agriculture, l'environnement, le bâtiment, les voiries et le génie civil. La sidérurgie absorbe 42 % de la chaux et des calcaires tandis que le génie civil consomme 43 % des agrégats.
L'extraction annuelle moyenne (2018-2020) s'élevait à 1.380 ktonnes (roches toutes qualités confondues) et à 1.150 kt/an à partir de 2020. Le brut d'extraction moyen annuel annoncé est de 1.166 ktonnes sur le site de l'extension.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que le marché européen de la chaux connaît une évolution contrastée, notamment une baisse du segment sidérurgique, mais également une croissance des secteurs en développement tels que l'environnement, l'agriculture ou encore la construction. L'usine de On résiste mieux que la moyenne européenne sur le segment sidérurgique et enregistre une progression significative sur les marchés émergents
L'activité extractive de la carrière emploie près de 100 emplois directs pour environ 200 emplois indirects. Sans extension des possibilités d'extraction, les activités de la carrière et de l'usine de On (exclusivement alimentée par la carrière, sans alternative possible) sont menacées à très court terme. Enfin, la Belgique ne compte que deux producteurs de chaux : le maintien d'une activité locale permet d'éviter une situation de monopole, tout en assurant une exploitation durable des ressources calcaires locales afin de répondre à une demande régionale.
Le rapport sur les incidences environnementales établit que la réserve de gisement accessible au droit de la zone de dépendances d'extraction inscrite au plan de secteur en vigueur est proche de l'épuisement. Il confirme la qualité du gisement existant au sein de l'extension sollicitée pour l'agrandissement de la fosse d'extraction ainsi que l'absence d'alternative de localisation valable. Ainsi, aucune zone d'extraction ou de dépendances d'extraction actuellement inscrites au plan de secteur, couvrant un gisement de même nature, permettant de répondre à la demande et à une distance économiquement viable de l'usine de On n'est disponible dans un rayon de 20 km à vol d'oiseau.
Le rapport sur les incidences environnementales démontre dès lors que l'exploitation du gisement présent sur le site projeté est justifiée, non seulement au regard des besoins socio-économiques de l'entreprise, mais aussi du secteur d'activité concerné. La demande contribue à la valorisation d'une ressource locale et patrimoniale et rencontre, dans plusieurs domaines, les besoins de la collectivité.
La révision du plan de secteur permet la poursuite des activités de la carrière sur le site pendant quatorze années supplémentaires.
2. Qualité de vie et santé humaine
Le rapport sur les incidences environnementales décrit la future exploitation et évalue les nuisances qu'elle pourrait engendrer, notamment en matière de poussières, de bruit et de vibrations.
En s'étendant vers le nord-est, l'exploitation se rapprochera de la station de radioastronomie et du village de Humain et certains riverains seront donc plus proches des sources de poussières, de bruit et de vibrations.
La modification de l'environnement sonore induite par l'extension consiste en un déplacement progressif des forages, des tirs de mines, des fragmentations secondaires à l'aide de brise-roches et du chargement de dumpers vers le nord-est, ainsi que l'allongement des pistes de circulation interne.
Afin d'objectiver les nuisances liées au bruit, le bureau d'études en charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales a analysé l'environnement sonore existant à l'aide d'une campagne de mesures de longue durée. Une modélisation acoustique a ensuite été réalisée et calibrée grâce aux mesures afin d'étudier, plus précisément, la propagation du bruit émis par les activités futures de la carrière et s'assurer du respect des normes en vigueur.
Les résultats ont été analysés pour les différentes phase d'exploitation, pour lesquelles plusieurs scénarios ont été établis, dont le worse case (c'est-à-dire lorsque les engins seront au plus proche de la station de radioastronomie).
L'évolution des incidences sonores est ainsi bénéfique en ce qui concerne l'abbaye, similaire pour la zone de Havrenne et en légère augmentation pour le village de Humain, tout en respectant les valeurs limites. L'augmentation des incidences sonores est la plus significative pour la station de radioastronomie, le niveau sonore restant en deçà des valeurs limites mais se rapprochant fortement des normes en vigueur pour la phase 1 - worse case.
Sur base de différentes données récoltées et de différentes études et méthodologies utilisées, l'auteur d'études recommande de respecter la distance réduite minimale de 41m/'kg et d'utiliser la loi de Chapot afin de dimensionner spécifiquement les charges nécessaires, et ainsi respecter les normes applicables en vigueur. Les seuils à respecter sont plus limitatifs pour la station de radioastronomie (plus proche de la future fosse) que pour les habitations.
Un monitoring systématique au niveau de la station de radioastronomie et du riverain le plus proche est également recommandé afin d'acquérir davantage de données et ainsi pouvoir affiner régulièrement la loi de propagation de Chapot, et donc la quantité d'explosifs. Il est également recommandé de réaliser des tirs bi-étagés, voir tri-étagés, au plus près de la station de radioastronomie afin de respecter la charge unitaire maximale.
Certaines sources de poussière (tirs de mines, forage, chargement de la pierre, transport sur des pistes rallongées) seront décalées de 200 à 500 m vers le nord-est.
Lors de la période de découverture, en période sèche, l'activité de découverture pourrait impliquer l'envol de poussières et causer une gêne pour les riverains les plus proches. Afin de réduire ces nuisances, il convient de limiter la vitesse des engins, d'éviter de réaliser la découverture lors des périodes très sèches et venteuses afin de limiter les envols de poussières ou de prévoir des mesures complémentaires d'arrosage lors de ces périodes afin de contenir les envols de poussières.
En phase d'exploitation, l'auteur d'études relève que les mesures des poussières sédimentables sont actuellement en-deçà des valeurs réglementaires. Etant donné que l'extension projetée impliquera les mêmes procédés d'extraction, elle ne sera pas de nature à générer de façon significative des poussières dans l'environnement du site, y compris pour les poussières en suspension. Aucune mesure spécifique n'est formulée en ce qui concerne l'impact de l'émission de poussières sur la station de radioastronomie.
Tant les mesures préconisées par le rapport sur les incidences environnementales que les caractéristiques détaillées des périmètres ou dispositifs d'isolement relèvent cependant de l'instruction de la demande de permis qui sera introduite pour mettre en oeuvre la zone d'extraction inscrite. Les autorités publiques devront arrêter les mesures adéquates en se fondant sur les conclusions de l'étude d'incidences qui devra être réalisée dans ce cadre.
3. Biens matériels - Cadre bâti - Patrimoine culturel
La carrière de La Boverie se situe à proximité des villages de Humain (1,2 km au nord-est) et Havrenne (1,5 km au nord). L'abbaye Notre-Dame de Saint-Remy est située à environ 1 km au sud-ouest des fronts de la carrière actuelle, tandis que la station de radioastronomie de Humain se situe à environ 700 m au nord-est des fronts.
L'extension des activités d'extraction rapprochera la fosse des habitations de Humain et de la station de la station de radioastronomie. Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'une distance de 670 mètres minimum sera néanmoins conservée entre le front de taille et les bâtiments les plus proches, et de 400 m avec la station de radioastronomie (la première antenne étant localisée à 240 m du futur front de taille).
Le rapport sur les incidences environnementales rappelle qu'une étude de faisabilité, réalisée en partenariat entre la société Lhoist et les trois instituts scientifiques fédéraux exploitant la station de radioastronomie a conclu que sous respect des recommandations émises, l'extension demandée ne présenterait pas de risque significatif sur les observations de la station. Des échanges réguliers entre les utilisateurs de la station et la société Lhoist sont également recommandés, notamment en cas de changement susceptible de modifier les conclusions de l'étude.
Compte tenu de ce rapprochement, certains riverains proches de l'extension prévue par la révision du plan de secteur craignent une dépréciation de leurs biens.
Cependant, une telle dépréciation ne relève pas du plan de secteur mais de sa mise en oeuvre. C'est à ce stade que les études d'incidences qui devront être réalisées fourniront les informations utiles concernant leurs effets sur les biens matériels et que pourront être arrêtées les mesures destinées à les éviter, les réduire et, au besoin, les compenser.
La valeur des biens immobiliers doit aussi être considérée à long terme. A la fin de l'exploitation, la zone d'extraction (initialement une zone agricole) deviendra une zone naturelle ce qui n'entraînera aucune perte de valeur des biens immobiliers situés à proximité du site.
En ce qui concerne les éléments patrimoniaux, le rapport sur les incidences environnementales relève qu'aucun élément du patrimoine exceptionnel ou classé n'est situé au droit ou à proximité de la carrière de La Boverie ou de l'extension sollicitée. De plus, le périmètre de la révision du plan de secteur ne se localise pas dans un périmètre repris à la carte archéologique de la Wallonie. L'évaluation environnementale qui devra être réalisée au stade des demandes de permis pourra au besoin approfondir ce point. Si cela s'évérait nécessaire, des fouilles pourraient être effectuées préalablement à l'exploitation du gisement.
4. Eaux souterraines et de surface
a. Eaux souterraines
Le périmètre de la révision du plan de secteur s'inscrit dans l'aquifère de la Boverie. La carrière actuelle et l'extension sont localisées dans la zone d'alimentation de la galerie de Tridaine, utilisée tant pour l'alimentation en eau potable de la ville de Rochefort que pour la fabrication de la bière trappiste de l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. L'exploitation de l'extension de la carrière ne prévoit pas de descendre sous les niveaux supérieurs historiques de la nappe. Aucune exhaure ne sera donc nécessaire.
La découverture de l'extension constituera une augmentation de 15 % de la superficie découverte actuellement. La recharge de la nappe aquifère en sera augmentée : les pluies efficaces alimenteront directement la nappe sur une surface plus importante, ce qui induira une augmentation sensible des débits à la galerie de Tridaine.
Sur base de données historiques enregistrées depuis plus de 10 ans ainsi que sur des données récentes issues de piézomètres placés en 2021 dans le cadre de la présente révision du plan de secteur, une modélisation a été réalisée sur base de l'année de recharge historique de 2011 de la nappe. Ces données ont pu établir la configuration de la fosse au droit de l'extension projetée et conclure qu'une exploitation en palier permettait une activité extractive tout en assurant une marge de sécurité de plusieurs mètres au-dessus des niveaux piézométriques maximums mesurés ou modélisés. Enfin, le rapport sur les incidences environnementales recommande de maintenir le monitoring piézométrique, notamment pour les derniers piézomètres placés.
La qualité de l'eau fait l'objet d'un contrôle très régulier, tant par le groupe Lhoist que par l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. Aucune pollution n'a eu lieu depuis 1956 et les paramètres de l'eau restent très constants à l'heure actuelle. Une réduction supplémentaire progressive de 8 % de la surface d'affleurement, suivant des conditions d'exploitation similaires et en l'absence de nouvelles infrastructures, avec un fond de fosse rehaussé par rapport au fond de fosse du site existant, permettent au rapport sur les incidences environnementales de conclure à l'absence d'impact notable du projet d'extension sur la qualité des eaux souterraines.
Les mesures de précaution mises en place sur le site actuel d'extraction, en vue de limiter les risques de pollution ponctuelle et accidentelle liée à un épanchement d'hydrocarbures, devront être mises en place sur le site de l'extension. Il est également recommandé de maintenir le monitoring bi-mensuel des divers paramètres de qualité de l'eau au droit de la galerie de Tridaine.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que la concentration en ions sulfates de l'eau est un paramètre important du processus de fabrication de la bière par l'abbaye Notre Dame de Saint-Remy. Cette concentration est un paramètre extrêmement variable, dépendant davantage de l'origine et du cheminement des eaux souterraines que des conditions météorologiques.
Les eaux à la galerie Tridaine sont le résultat d'un mélange de volumes d'eau dont la composition en sulfates est contrastée : les eaux s'enrichissent en sulfates lors de leur déversement dans le Membre de l'Arche pour ensuite être diluées par les eaux en provenance de la zone nord-est de la lentille du Lion. Selon les volumes d'eaux traversés, la fluctuation de la concentration en sulfates sera plus ou moins variable. Le rapport sur les incidences environnementales en conclut que l'activité extractive n'a ainsi pas d'impact sur les paramètres physico-chimiques de la nappe aquifère.
b. Eaux de surface
La carrière est localisée sur le plateau du Gerny, sur les hauteurs de la vallée du Biran, cours d'eau de 2ème catégorie qui rejoint la Lomme (cours d'eau de 1ère catégorie) en aval de Rochefort. Le Biran prend sa source aux abords du village de Aye. Actuellement, les eaux de pluie tombant au sein du périmètre ruissellent jusqu'à ce ruisseau.
Les eaux usées du site actuellement exploité sont générées par les sanitaires. Les eaux pluviales du site s'infiltrent naturellement dans le massif calcaire de la carrière. Seules les eaux tombant sur l'aire de ravitaillement des véhicules sont dirigées vers un séparateur d'hydrocarbures. Ces eaux, ainsi que les eaux usées épurées, sont acheminées jusqu'à la sortie de la carrière, où elles sont rejetées dans un fossé en bord de route. Ce fossé est situé en dehors de la zone de recharge de l'aquifère de la Boverie.
Le rapport sur les incidences environnementales relève que les eaux pluviales s'écouleront vers le fond de fosse de la carrière, au lieu du ruisseau de Biran, pour s'évaporer ou s'infiltrer dans le massif calcaire. Cette incidence est négligeable puisque la surface de découverture liée à l'extension représente 0,6 % de la surface totale du bassin versant du Biran.
Aucune incidence concernant la mobilisation des ressources en eau n'a été identifiée, la gestion des eaux restant similaire à celle du site en exploitation.
5. Sol et sous-sol
Les sols naturels en place au niveau du périmètre d'extension de la carrière sont de qualité agronomique médiocre à moyenne.
La découverture du gisement consiste à l'enlèvement de la couche de terre arable, des terrains superficiels et des stériles qui recouvrent les roches recherchées. Dans le cas de la carrière de La Boverie, la hauteur des terres de découverture est estimée à +/- 1 m.
La capacité de la zone de remblai actuellement autorisée arrivera à saturation en 2029. Une demande de permis sera introduite pour étendre cette zone de manière à pouvoir stocker les stériles issus de l'exploitation des trois premières années de l'extension de la carrière. Le solde viendra remblayer la carrière Devant le Gerny à partir de janvier 2032.
Au sein de la carrière, lorsque la roche est mise à nue, les différents paliers constituent des surfaces relativement planes et très perméables. Le processus de ruissellement pourra y être considéré comme négligeable comparativement au processus d'infiltration.
Après l'exploitation, le réaménagement sera le même que celui de la carrière actuelle, à savoir une zone naturelle. Les aménagements prévus s'inscriront dans les engagements et la philosophie du projet " life in quarries ". Enfin que les conditions précises de réaménagement et les obligations pesant sur l'exploitant dans ce cadre, seront fixées dans le permis unique nécessaire à l'exploitation de l'extension sollicitée.
Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'aucun phénomène karstique de grande ampleur n'a été observé au sein de la carrière ou du périmètre du projet de plan, au cours de son exploitation ou lors des investigations géologiques. Le nombre très faible de karsts dans le périmètre de révision et la présence d'un épikarst très peu développé permettent de dire qu'aucune atteinte ne sera portée au système hydrogéologique du massif calcaire.
6. Mobilité - réseaux
La carrière de La Boverie et l'usine de On sont directement connectées via une route d'accès privée. L'usine de On est localisée le long de la nationale N836, route industrielle reliant Marche-en-Famenne au rond-point de Jemelle en évitant les zones urbanisées de Waha, Marloie, On et Jemelle.
Le rapport sur les incidences environnementales précise que l'extension de l'activité extractive permettra au demandeur de retrouver un rythme d'exploitation similaire à celui de 2020-2022. Aucune incidence complémentaire n'est dès lors attendue en ce qui concerne le charroi, tant automobile que ferroviaire.
Le chemin vicinal n° 24 sera déclassé et une proposition de déviation sera formulée par la S.A. Lhoist Industrie dans le cadre de la procédure de demande du permis. Le tracé de ce chemin pourra faire l'objet de recommandations dans l'évaluation environnementale qui devra être réalisée au stade de la demande du permis.
7. Paysage
La carrière et le périmètre du projet de plan se trouvent en limite nord du plateau du Gerny, occupé par de larges plaines agricoles. Le paysage est ouvert, vallonné au sud et à l'est et ponctué par des bosquets, des haies et quelques boisements.
Le rapport sur les incidences environnementales mentionne que le site du périmètre du projet de plan est partiellement visible depuis les abords proches, l'est et le sud. En ce qui concerne les vues longues, le site est uniquement visible depuis le nord-ouest, étant masqué par le relief et la végétation depuis les autres directions.
L'auteur d'études recommande d'aménager un dispositif d'isolement, consistant sur sa frange sud-est en l'inscription d'un merlon en continuité du merlon existant. Au nord-est, l'installation d'une clôture de sécurité est recommandée afin de ne pas fermer les vues. Enfin, pour le nord-ouest, une densification du boisement existant est recommandée, afin de remédier aux vues longues sur le site.
Les caractéristiques plus détaillées de ces aménagements ne pourront cependant être définies qu'au terme de l'instruction des permis. C'est en effet à ce stade que l'étude d'incidences qui devra être réalisée fournira les informations utiles pour leur conception.
Comparativement au projet de plan, la révision définitive du plan de secteur réaffecte le coteau boisé situé en bordure nord-ouest de la fosse d'extraction, actuellement inscrit en zone de dépendances d'extraction au plan de secteur en vigueur, en une zone forestière et une zone agricole. Cette réaffectation est particulièrement soutenue par le conseil communal de Rochefort, le SPW ARNE et le pôle " Environnement ". Elle répond aussi aux réclamations formulées lors de l'enquête publique.
Le maintien du coteau boisé permet de constituer une zone de transition entre l'activité extractive et le village d'Havrenne. Celle-ci préserve toute vue directe sur la carrière depuis le village et contribue dès lors à préserver le cadre de vie des riverains.
8. Activité agricole
La révision du plan de secteur prévoit l'inscription de la zone d'extraction aux dépens de la zone agricole.
Le périmètre de la révision du plan de secteur couvre deux parcelles agricoles (propriété de la S.A. Lhoist Industrie) d'une superficie totale de 12,28 ha ainsi qu'une zone de friche pour le solde. Ces parcelles sont exploitées pour les grandes cultures. Le rapport sur les incidences environnementales met en avant que les sols concernés présentent une qualité agricole qualifiée de médiocre à moyenne, avec une faible épaisseur de découverture. Le rapport sur les incidences environnementales n'identifie pas d'impact significatif sur la superficie agricole utile à l'échelle communale.
Les conclusions du rapport sur les incidences environnementales ne remettent pas en cause l'appréciation de la balance des intérêts entre le développement de l'agriculture wallonne et l'importance socio-économique du projet de la société Lhoit. Elles permettent donc de confirmer l'importance de réviser le plan de secteur pour soutenir le développement de ce secteur d'activités.
Afin de réduire les effets négatifs du projet, le rapport sur les incidences environnementales précise que le demandeur met régulièrement à disposition des terrains cultivables pour les exploitants agricoles locaux et considèrera la possibilité de confier, à l'agriculteur à qui a été notifiée la fin de bail, l'exploitation d'autres terrains cultivables dès que ceux-ci seront libres d'occupation.
Enfin, la révision définitive du plan de secteur inscrit 3,2 ha de zone agricole sur de la zone de dépendances d'extraction actuellement en vigueur, à l'ouest de la fosse actuelle. Les deux parcelles concernées sont actuellement exploitées pour de la pâture.
Cette adaptation permet de réduire à 11,4 ha la perte planologique de zone agricole liée à l'inscription de la zone d'extraction pour l'extension de la carrière de La Boverie.
9. Diversité biologique - Faune et flore
Le groupe Lhoist a adhéré au projet " life in quarries " en 2016. Même si ce projet s'est arrêté en 2021, l'exploitant s'est engagé, au travers une charte, à maintenir les habitats et aménagements favorables à la faune et à la flore. Un plan de gestion permet d'ailleurs de pérenniser les actions menées pour une durée minimale de 15 ans. Dans cette logique de maintien et d'extension des actions en faveur de la biodiversité, le projet de plan prévoit que la future zone d'extraction deviendra une zone naturelle au terme de l'exploitation.
Le rapport sur les incidences environnementales souligne que le périmètre du projet est localisé en dehors de toutes zones Natura 2000. En conséquence, aucune incidence significative n'a été relevée ni au sein de périmètres Natura 2000 ni sur des habitats prioritaires.
La préservation du coteau boisé localisé directement au nord-ouest du projet de plan, ainsi que la réaffectation en zone forestière d'une partie de la zone de dépendances d'extraction située à l'ouest de la fosse actuelle permettent d'assurer, d'un point de vue planologique, la fonction de transition écologique de ce coteau boisé.
Cette réaffectation permet également d'assurer un ensemble forestier continu qui fait espace " tampon " de fait entre le site actuellement exploité et le site Natura 2000 qu'il jouxte.
Afin de réduire les incidences des travaux de découverture, il est recommandé de les effectuer en dehors de la période de reproduction et de nidification de l'avifaune. Cette mesure permettra de réduire le risque de mortalité des espèces d'oiseaux reproductrices au sein du périmètre.
Une haie, localisée entre la pelouse calcaire et les parcelles agricoles, sera supprimée lors de l'extension de la carrière. Le rapport sur les incidences environnementales recommande de maintenir la haie déjà existante le long de la rue Louis Banneux et de la prolonger tout au long de la partie sud du périmètre. Les plantations devront viser une diversité d'espèces (minimum 5 espèces indigènes différentes), semblables à celles déjà existantes.
Le projet d'exploitation va engendrer la destruction d'une surface de 2 ha de pelouse calcaire. L'auteur du rapport sur les incidences environnementales recommande qu'une surface équivalente soit restaurée au sein de la carrière existante, en amont de l'avancée de l'exploitation projetée.
L'Ophrys frelon (espère protégée), recensée en 2021 au niveau de cette pelouse calcaire n'a pu être retrouvée lors des visites de terrain en 2023. Le rapport sur les incidences environnementales recommande un nouveau relevé de terrain, en période de floraison de cette orchidée (entre mai et juin), avant l'obtention du permis, pour confirmer ou non sa présence. Si la présence de cette espèce est avérée, une demande de dérogation à la loi de la conservation de la nature devra être réalisée avant la mise en oeuvre du permis. Une translocation des éventuels individus devra être envisagée, vers une autre pelouse calcaire de la carrière, non vouée à disparaître.
La mise en place de mesures favorables à la biodiversité relevant identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales relèvent cependant de la mise en oeuvre du plan de secteur, celles-ci devront donc être détaillées au stade de l'instruction des permis et de l'évaluation des incidences y relative.
10. Facteurs climatiques
La révision du plan de secteur permet le maintien de l'activité extractive au sein de la carrière de La Boverie ainsi que la poursuite de la valorisation d'une roche locale. Cela est bénéfique du point de vue climatique car la cessation des activités de la carrière entraînerait obligatoirement le report de la demande sur des pierres provenant d'exploitations concurrentes ou importées de pays étrangers. Cette situation engendrerait une augmentation des émissions de CO2 liées au transport des matériaux.
Le fait que le demandeur transforme une ressource locale à proximité immédiate de la carrière présente les avantages identiques liés à l'absence de transport des matériaux bruts vers les unités de transformation et de valorisation.
Le rapport sur les incidences environnementales indique que les procédés d'exploitation ne sont pas amenés à évoluer et recommande de prévoir le remplacement progressif des engins les plus polluants par du matériel permettant d'améliorer les performances énergétiques ou consommant moins de carburant.
11. Interactions entre les différents facteurs
Le rapport sur les incidences environnementales précise qu'un certain nombre de nuisances sont cumulatives et impactent directement l'environnement proche. En effet, l'extraction de la roche engendre simultanément des nuisances sonores, des émissions de poussières, du charroi lourd pour le transport, etc.
Dans le cas présent, étant donné la localisation du périmètre de projet de plan qui est en continuité avec la carrière actuelle et qui n'impliquera pas de nouvelles dépendances d'extraction, les nuisances occasionnées à la suite de la mise en oeuvre du périmètre projeté sont sensiblement identiques aux nuisances existantes.
La mise en oeuvre des différentes recommandations proposées permettra de maintenir l'ampleur des nuisances à un niveau faible en ce qui concerne le rapprochement de l'activité extractive du village de Humain et de la station de radioastronomie.
IV. Autres solutions raisonnables envisagées
Le rapport sur les incidences environnementales propose l'inscription d'une zone agricole et d'une zone forestière, à l'ouest de la fosse d'extraction, en lieu et place d'une partie de la zone de dépendances d'extraction en vigueur au plan de secteur.
Cette proposition a été soutenue par le demandeur, le conseil communal de Rochefort, le pôle " Environnement ", le SPW ARNE et par plusieurs courriers réceptionnés à la suite de l'enquête publique. Cette proposition de modification du projet de plan a été retenue dans l'arrêté ministériel qui adopte définitivement la révision du plan.
Le rapport sur les incidences environnementales a proposé une alternative de délimitation, étendant le périmètre du projet de plan sur le territoire de la ville de Marche-en-Famenne, excluant le coteau boisé et rapprochant de ce fait davantage l'activité extractive du village de Humain et de la station de radioastronomie. Cette alternative, non soutenue par les instances ainsi que par les riverains, n'a pas été retenue. Les arguments justifiant ce choix sont exposés dans l'arrêté ministériel adoptant définitivement la révision du plan.
ADVIES
Herziening van het gewestplan DINANT-CINEY-ROCHEFORT met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat aan het einde van de exploitatie een natuurgebied zal worden als uitbreiding van de steengroeve Boverie in ROCHEFORT - ontwerpplan.
Advies aangenomen op 22/12/2023 16/06/2025
Herziening van het gewestplan DINANT-CINEY-ROCHEFORT met het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat aan het einde van de exploitatie een natuurgebied zal worden als uitbreiding van de steengroeve Boverie in ROCHEFORT - ontwerpplan.
Advies aangenomen op 22/12/2023 16/06/2025
AVIS
Révision du plan de secteur de DINANT-CINEY-ROCHEFORT visant l'inscription d'une zone d'extraction devenant zone naturelle au terme de l'exploitation, en extension de la carrière de la Boverie à ROCHEFORT - Projet de plan
Avis adopté le 16/06/2025
Révision du plan de secteur de DINANT-CINEY-ROCHEFORT visant l'inscription d'une zone d'extraction devenant zone naturelle au terme de l'exploitation, en extension de la carrière de la Boverie à ROCHEFORT - Projet de plan
Avis adopté le 16/06/2025
| INLEIDENDE INFORMATIE | |
| Aanvraag: | |
| - Initiatiefnemer: | Lhoist Industrie S.A. |
| - Aanvrager : | Waalse Regering |
| -Auteur van het MER : | Aries Consultants |
| -Bevoegde autoriteit: | Waalse Regering |
| Advies: | |
| - Wettelijke basis: | Art.D.II.49, § 7 van het Wetboek van Ruimtelijke ontwikkeling |
| - Datum van verzending van het dossier: | 20/05/2025 |
| - Termijn voor het uitbrengen van adviezen | 60 agen |
| - Verhoor: | 3/06/2025 |
| Project: | |
| - Ligging en situatie gewestplan: | Carrière de la Boverie, rue Louis Banneux -landbouwgebied |
| - Voorgestelde bestemming(en ): | ontginningsgebied |
| - Compensaties: | / |
| Korte beschrijving van het project en de context ervan : | |
| De steengroeve van Boverie ligt ten noorden van de stad Rochefort, op de noordwestelijke hellingen van het plateau van Gerny. Er wordt kalksteen gewonnen voor de productie van kalk en aggregaten. Deze hoogwaardige kalksteen wordt gebruikt om kwaliteitskalk te produceren in de fabriek te On, 3 km verder naar het zuiden. Het doel van de herziening is om in het gewestplan een winningsgebied van 14,61 ha op te nemen in plaats van een landbouwgebied, dat na voltooiing van de operatie een natuurgebied wordt. De ontwerpherziening, aangenomen bij ministerieel besluit van 8/03/2022, stemt het ontginningsgebied af op de grenzen van de kadastrale percelen. Het breidt het bestaande ontginningsgegebied van 133 ha uit. De aanvraag wordt ingediend om een afzetting van 12.650 kt kalksteen vrij te maken en zo de activiteit voort te zetten en de afzetting nog 14 jaar langer te exploiteren (vanaf 2027). | |
| DONNEES INTRODUCTIVES | |
| Demande : | |
| - Initiateur : | Lhoist Industrie s.a. |
| - Demandeur : | Gouvernement wallon |
| - Auteur du RIE : | Aries Consultants |
| - Autorité compétente : | Gouvernement wallon |
| Avis : | |
| - Référence légale : | Art.D.II.49 § 7 du CoDT |
| - Date d'envoi du dossier : | 20/05/2025 |
| - Délai de remise d'avis : | 60 ours |
| - Audition : | 3/06/2025 |
| Projet : | |
| - Localisation & situation au plan de secteur : | Carrière de la Boverie, rue Louis Banneux - zone agricole |
| - Affectation(s) proposée(s) : | Zone d'extraction |
| - Compensation(s) : | / |
| Brève description du projet et de son contexte : | |
| La carrière de la Boverie est localisée au nord de la Ville de Rochefort, sur le versant nord-ouest du plateau du Gerny. Elle extrait des roches calcaires destinées à la production de chaux et de granulats. Il s'agit de calcaire à haute teneur qui permet la production de chaux de qualité à l'usine de On, à 3 km plus au sud. La révision vise l'inscription au plan de secteur d'une zone d'extraction d'une superficie de 14,61 ha en lieu et place d'une zone agricole et devenant, au terme de l'exploitation, une zone naturelle. Le projet de révision adopté par l'arrêté ministériel du 8/03/2022 fait coïncider la zone d'extraction avec les limites des parcelles cadastrales. Elle prolonge la zone d'extraction existante couvrant 133 ha. La demande est sollicitée afin de libérer un gisement de 12.650 kt de pierre à chaux et ainsi de pérenniser l'activité et d'exploiter le gisement pour 14 années supplémentaires (à partir de 2027). | |
| ADVIES |
Aanhef
De Beleidsgroep wijst op hetvolgende :
- Op 16/07/2021 heeft zij een gunstig advies uitgebracht over de aanvraag tot herziening (ref: AT.21.63.AV) ;
- Op 14/04/2022 heeft zij een gunstig advies uitgebracht over de ontwerp-inhoud van het effectenonderzoek (ref: AT.22.26.AV);
- Op 10/02/2023 is zij op de hoogte gesteld van de voortgang van de voorlopige analyses en het opstellen van het MER - fase 1 (ref. : AT.23.12.AV);
- Op 26/04/2024 is zij op de hoogte gesteld van de voortgang van de voorlopige analyses en het opstellen van het MER - fase 2 (ref. : AT.24.47.AV - #
Advies over het ontwerp tot herziening van het gewestplan
De Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" brengt een gunstig advies uit over het ontwerp van herziening van het gewestplan van DINANT-CINEY-ROCHEFORTmet het oog op de opneming van een ontginningsgebied dat na de exploitatie een natuurgebied wordt in ROCHEFORT.
In zijn adviezen van 16/07/2021 en 10/02/2023 wees de Beleidsgroep erop dat de toegankelijke reserves in het huidige ontginningsgebied uitgeput waren, waardoor verdere exploitatie op korte termijn beperkt was. De Beleidsgroep merkte ook op dat het gewestplan dringend moet worden herzien om toegang te krijgen tot een reserve van afzettingen en de toekomst van de activiteit op lange termijn te verzekeren. Uit de hoorzitting kwam naar voren dat deze urgentie relevanter is dan ooit, nu het einde van de exploitatie zonder herziening wordt geschat op 2029.
De Beleidsgroep wijst erop dat de variant die wordt voorgesteld in het milieueffectrapport (MER) het mogelijk maakt om de reikwijdte van de operatie en dus de duur ervan te vergroten. Anderzijds merkt de Beleidsgroep op dat deze variant tot gevolg heeft dat de mijnactiviteit dichter bij het dorp Humain, het radioastronomiestation en een deel van het reservaat komt te liggen en wordt uitgebreid tot een andere gemeente. Bijgevolg moeten voor de uitvoering van deze variant geologische en hydrogeologische analyses worden uitgevoerd, evenals analyses van de mogelijke gevolgen voor de activiteiten van het radioastronomiestation. De Beleidsgroep is van mening dat de tijd die nodig is om deze studies uit te voeren niet verenigbaar is met de eisen die worden gesteld aan de depositoreserves op korte termijn die nodig zijn om de kalkproductie-installatie in On-Jemelle in bedrijf te houden. Zij begrijpt dan ook dat deze specifieke situatie rechtvaardigt dat er geen rekening is gehouden met de variant die in het MER wordt voorgesteld.
In deze context heeft de Beleidsgroep ook begrepen dat het voorstel van het MER om een bosgebied van 17,2 ha en een deel in een landbouwzone in te schrijven ter vervanging van het gebied van aanhorigheden van ontginningen op de noordwestelijke strook van de huidige boerderij niet is overgenomen. Bovendien wijst zij erop dat deze aanbeveling leidt tot de overdracht van een zone bestemd voor stedelijke ontwikkeling naar een zone niet bestemd voor stedelijke ontwikkeling, terwijl het planherzieningsproject geen compensatie vereist in toepassing van artikel D.II.45, § 3, van het Wetboek. In dit geval heeft de voorgestelde wijziging van de bestemming tot doel een feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met een juridische situatie. Zij is van mening dat het geen zin heeft om deze wijziging door te voeren en dat deze gebieden behouden moeten blijven voor de planologische compensatie die wettelijk vereist is voor toekomstige projecten.
Advies over de kwaliteit van het milieueffectenrapport (MER)
De Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" is van mening dat het de informatie bevat die nodig is voor de besluitvorming.
Er zijn geen grote wijzigingen geweest in het definitieve MER sinds fase 1 en 2 werden gepresenteerd aan de Beleidsgroep.";
Y. HANIN
Voorzitter
| AVIS |
Préambule
Le Pôle rappelle que :
- En date du 16/07/2021, il a émis un avis favorable sur la demande de révision (réf. : AT.21.63.AV) ;
- En date du 14/04/2022, il a émis un avis favorable sur le projet de contenu du RIE (réf. : AT.22.26.AV) ;
- En date du 10/02/2023, il a pris acte de l'évolution des analyses préalables et la rédaction du RIE - Phase 1 (réf. : AT.23.12.AV) ;
- En date du 26/04/2024, il a pris connaissance de l'évolution des analyses préalables et la rédaction du RIE - Phase 2 (réf. : AT.24.47.AV).
Avis sur le projet de révision de plan de secteur
Le Pôle Aménagement du territoire remet un avis favorable sur le projet de révision du plan de secteur de DINANT-CINEY-ROCHEFORT en vue de l'inscription d'une zone d'extraction devenant zone naturelle au terme de l'exploitation à ROCHEFORT.
Le Pôle rappelle qu'il a souligné, dans ses avis du 16/07/2021 et du 10/02/2023, l'épuisement des réserves accessibles dans la zone d'extraction actuelle ce qui limite à court terme la poursuite de l'exploitation. Il y a aussi relevé l'urgence de procéder à la révision de plan de secteur en vue d'ouvrir l'accès à une réserve de gisement supplémentaire et de pérenniser l'activité. Il ressort de l'audition que cette urgence est plus que jamais d'actualité, le terme de l'exploitation étant estimé à 2029 sans révision.
Le Pôle souligne que la variante proposée dans le rapport sur les incidences environnementales (RIE) permet d'augmenter le périmètre de l'exploitation et donc la durée de celle-ci. En revanche, il constate qu'elle a pour effet de rapprocher l'activité extractive des noyaux villageois de Humain, de la station de radioastronomie et d'une partie de son périmètre de réservation ainsi que de l'étendre sur une autre commune. Par conséquent, la mise en oeuvre de la variante nécessite la réalisation d'analyses tant au niveau géologique et hydrogéologique que sur les incidences potentielles sur les activités de la station de radioastronomie. Le Pôle estime que le temps nécessaire pour effectuer ces études n'est pas compatible avec les besoins, à court terme, en réserves de gisement nécessaires au maintien en activité de l'usine de production de chaux de On-Jemelle. Il comprend dès lors que cette situation particulière justifie que la variante proposée dans le RIE n'ait pas été prise en considération.
Dans ce contexte, le Pôle comprend aussi que la proposition du RIE d'inscrire une zone forestière de 17,2 ha et une partie en zone agricole en lieu et place de la zone de dépendances d'extraction sur la bande nord-ouest de l'exploitation actuelle n'ait pas été retenue. En outre, il souligne que cette recommandation induit le passage d'une zone destinée à l'urbanisation vers une zone non destinée à l'urbanisation alors que le projet de révision de plan ne nécessite pas de compensation en application de l'article D.II.45, § 3, du CoDT. Le Pôle relève qu'en l'espèce, le changement d'affectation proposé vise à mettre en conformité une situation de fait et une situation de droit. Il considère qu'effectuer ce changement n'est pas utile et qu'il convient de conserver ces zones pour des compensations planologiques requises légalement dans le cadre de projets futurs.
Avis sur la qualité du rapport sur les incidences environnementales (RIE)
Le Pôle Aménagement du territoire estime que celui-ci contient les éléments nécessaires à la prise de décision.
Le RIE final ne présente pas de modification significative depuis les présentations des phases 1 et 2 devant le Pôle.
Y. HANIN
Président