Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 DECEMBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand
Titre
19 DECEMBRE 2025. - Arrêté du Gouvernement flamand réglant l'exportation, le transit et le transfert des biens à double usage et la fourniture d'assistance technique
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik.
Article 1er. Le présent arrêté prévoit l'exécution partielle du règlement (UE) 2021/821 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2021 instituant un régime de l'Union de contrôle des exportations, du courtage, de l'assistance technique, du transit et des transferts en ce qui concerne les biens à double usage.
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° DCSG: de Dienst Controle Strategische Goederen binnen het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken, vermeld in artikel 17, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
2° doorvoer: de doorvoer, vermeld in artikel 2, 11), van verordening 2021/821;
3° exporteur: de exporteur, vermeld in artikel 2, 3), van verordening 2021/821;
4° globale vergunning: een vergunning voor één specifieke vergunninghouder voor de uitvoer, doorvoer of overbrenging van een type of categorie producten voor tweeërlei gebruik naar een of meer met naam genoemde eindgebruikers of ontvangers of naar een of meer met naam genoemde landen;
5° individuele vergunning: een vergunning voor één specifieke vergunninghouder voor een transactie van een of meer producten voor tweeërlei gebruik voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land;
6° lijst I: bijlage I bij verordening 2021/821;
7° lijst IV: bijlage IV bij verordening 2021/821;
8° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid;
9° overbrenging: de verplaatsing van producten voor tweeërlei gebruik van het grondgebied van een lidstaat van de EU naar het grondgebied van een andere lidstaat, vermeld in artikel 11 van verordening 821/2021;
10° producten voor tweeërlei gebruik: de producten voor tweeërlei gebruik, vermeld in artikel 2, 1), van verordening 2021/821;
11° technische bijstand: de technische bijstand, vermeld in artikel 2, 9), van verordening 2021/821;
12° transactie: de uitvoer, de overbrenging, de doorvoer of de technische bijstand;
13° uitvoer: de uitvoer, vermeld in artikel 2, 2), van verordening 2021/821;
14° uniale algemene uitvoervergunning: de uniale algemene uitvoervergunning, vermeld in artikel 2, 15), van verordening 2021/821;
15° verordening 2021/821: verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik;
16° Vlaamse nationale algemene uitvoervergunning: de nationale algemene uitvoervergunning, vermeld in artikel 2, 16), van verordening 2021/821.
1° DCSG: de Dienst Controle Strategische Goederen binnen het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken, vermeld in artikel 17, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
2° doorvoer: de doorvoer, vermeld in artikel 2, 11), van verordening 2021/821;
3° exporteur: de exporteur, vermeld in artikel 2, 3), van verordening 2021/821;
4° globale vergunning: een vergunning voor één specifieke vergunninghouder voor de uitvoer, doorvoer of overbrenging van een type of categorie producten voor tweeërlei gebruik naar een of meer met naam genoemde eindgebruikers of ontvangers of naar een of meer met naam genoemde landen;
5° individuele vergunning: een vergunning voor één specifieke vergunninghouder voor een transactie van een of meer producten voor tweeërlei gebruik voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land;
6° lijst I: bijlage I bij verordening 2021/821;
7° lijst IV: bijlage IV bij verordening 2021/821;
8° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid;
9° overbrenging: de verplaatsing van producten voor tweeërlei gebruik van het grondgebied van een lidstaat van de EU naar het grondgebied van een andere lidstaat, vermeld in artikel 11 van verordening 821/2021;
10° producten voor tweeërlei gebruik: de producten voor tweeërlei gebruik, vermeld in artikel 2, 1), van verordening 2021/821;
11° technische bijstand: de technische bijstand, vermeld in artikel 2, 9), van verordening 2021/821;
12° transactie: de uitvoer, de overbrenging, de doorvoer of de technische bijstand;
13° uitvoer: de uitvoer, vermeld in artikel 2, 2), van verordening 2021/821;
14° uniale algemene uitvoervergunning: de uniale algemene uitvoervergunning, vermeld in artikel 2, 15), van verordening 2021/821;
15° verordening 2021/821: verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik;
16° Vlaamse nationale algemene uitvoervergunning: de nationale algemene uitvoervergunning, vermeld in artikel 2, 16), van verordening 2021/821.
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° SCBS : le Service Contrôle des Biens Stratégiques (" Dienst Controle Strategische Goederen ") du Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères, visé à l'article 17, § 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
2° transit : le transit, visé à l'article 2, 11) du règlement 2021/821 ;
3° exportateur : l'exportateur, visé à l'article 2, 3) du règlement 2021/821 ;
4° autorisation globale : une autorisation accordée à un seul titulaire spécifique pour l'exportation, le transit ou le transfert d'un type ou d'une catégorie de biens à double usage vers un ou plusieurs utilisateurs finaux ou destinataires nommément désignés ou vers un ou plusieurs pays nommément désignés ;
5° autorisation individuelle : une autorisation accordée à un seul titulaire spécifique pour une transaction portant sur un ou plusieurs biens à double usage destinés à un seul utilisateur final ou destinataire dans un pays tiers ;
6° liste I : annexe I du règlement 2021/821 ;
7° liste IV : annexe IV du règlement 2021/821 ;
8° ministre : le ministre flamand qui a la politique étrangère dans ses attributions ;
9° transfert : le déplacement de biens à double usage du territoire d'un Etat membre de l'UE vers le territoire d'un autre Etat membre, visé à l'article 11 du règlement 821/2021 ;
10° biens à double usage : les biens à double usage, visés à l'article 2, 1), du règlement 2021/821 ;
11° assistance technique : l'assistance technique, visée à l'article 2, 9), du règlement 2021/821 ;
12° transaction : l'exportation, le transfert, le transit ou l'assistance technique ;
13° exportation : l'exportation, visée à l'article 2, 2) du règlement 2021/821 ;
14° autorisation générale d'exportation de l'Union : l'autorisation générale d'exportation de l'Union, visée à l'article 2, 15) du règlement 2021/821 ;
15° règlement 2021/821 : le règlement (UE) 2021/821 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2021 instituant un régime de l'Union de contrôle des exportations, du courtage, de l'assistance technique, du transit et des transferts en ce qui concerne les biens à double usage ;
16° autorisation générale nationale flamande d'exportation : l'autorisation générale nationale d'exportation, visée à l'article 2, 16) du règlement 2021/821.
1° SCBS : le Service Contrôle des Biens Stratégiques (" Dienst Controle Strategische Goederen ") du Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères, visé à l'article 17, § 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
2° transit : le transit, visé à l'article 2, 11) du règlement 2021/821 ;
3° exportateur : l'exportateur, visé à l'article 2, 3) du règlement 2021/821 ;
4° autorisation globale : une autorisation accordée à un seul titulaire spécifique pour l'exportation, le transit ou le transfert d'un type ou d'une catégorie de biens à double usage vers un ou plusieurs utilisateurs finaux ou destinataires nommément désignés ou vers un ou plusieurs pays nommément désignés ;
5° autorisation individuelle : une autorisation accordée à un seul titulaire spécifique pour une transaction portant sur un ou plusieurs biens à double usage destinés à un seul utilisateur final ou destinataire dans un pays tiers ;
6° liste I : annexe I du règlement 2021/821 ;
7° liste IV : annexe IV du règlement 2021/821 ;
8° ministre : le ministre flamand qui a la politique étrangère dans ses attributions ;
9° transfert : le déplacement de biens à double usage du territoire d'un Etat membre de l'UE vers le territoire d'un autre Etat membre, visé à l'article 11 du règlement 821/2021 ;
10° biens à double usage : les biens à double usage, visés à l'article 2, 1), du règlement 2021/821 ;
11° assistance technique : l'assistance technique, visée à l'article 2, 9), du règlement 2021/821 ;
12° transaction : l'exportation, le transfert, le transit ou l'assistance technique ;
13° exportation : l'exportation, visée à l'article 2, 2) du règlement 2021/821 ;
14° autorisation générale d'exportation de l'Union : l'autorisation générale d'exportation de l'Union, visée à l'article 2, 15) du règlement 2021/821 ;
15° règlement 2021/821 : le règlement (UE) 2021/821 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2021 instituant un régime de l'Union de contrôle des exportations, du courtage, de l'assistance technique, du transit et des transferts en ce qui concerne les biens à double usage ;
16° autorisation générale nationale flamande d'exportation : l'autorisation générale nationale d'exportation, visée à l'article 2, 16) du règlement 2021/821.
HOOFDSTUK II. - Vergunningen en verboden
CHAPITRE II. - Autorisations et interdictions
Art. 3. § 1. Naast de vergunningen die vereist zijn conform artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 1, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, van verordening 2021/821, is een vergunning vereist in de volgende gevallen:
1° overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de voormelde verordening heeft de exporteur een gefundeerd vermoeden dat producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
2° overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de voormelde verordening heeft de exporteur een gefundeerd vermoeden dat producten voor cybersurveillance die niet op lijst I voorkomen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 5, lid 1, van de voormelde verordening;
3° overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de voormelde verordening heeft de verlener van technische bijstand een gefundeerd vermoeden dat producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij technische bijstand wil verlenen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
§ 2. Met toepassing van artikel 8, lid 4, van verordening 2021/821 is een vergunning vereist om technische bijstand te verlenen voor producten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, als de DCSG de verlener van technische bijstand meldt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
§ 3. De minister kan overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening 2021/821 de doorvoer via het grondgebied van het Vlaamse Gewest van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, verbieden, als de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
In het eerste lid wordt verstaan onder niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik: niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik als vermeld in artikel 2, 18), van de voormelde verordening.
Vóór een besluit te nemen over het al dan niet verbieden van de doorvoer, kan de DCSG in individuele gevallen een vergunning verplichten voor de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker of voor een specifiek eindgebruik.
1° overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de voormelde verordening heeft de exporteur een gefundeerd vermoeden dat producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
2° overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de voormelde verordening heeft de exporteur een gefundeerd vermoeden dat producten voor cybersurveillance die niet op lijst I voorkomen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 5, lid 1, van de voormelde verordening;
3° overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de voormelde verordening heeft de verlener van technische bijstand een gefundeerd vermoeden dat producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij technische bijstand wil verlenen, volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
§ 2. Met toepassing van artikel 8, lid 4, van verordening 2021/821 is een vergunning vereist om technische bijstand te verlenen voor producten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, als de DCSG de verlener van technische bijstand meldt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
§ 3. De minister kan overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening 2021/821 de doorvoer via het grondgebied van het Vlaamse Gewest van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, verbieden, als de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de gebruiken, vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
In het eerste lid wordt verstaan onder niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik: niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik als vermeld in artikel 2, 18), van de voormelde verordening.
Vóór een besluit te nemen over het al dan niet verbieden van de doorvoer, kan de DCSG in individuele gevallen een vergunning verplichten voor de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet opgenomen zijn in lijst I, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker of voor een specifiek eindgebruik.
Art. 3. § 1er. Outre les autorisations requises conformément aux articles 3, paragraphe 1, 4, paragraphe 1, 5, paragraphe 1, 10, paragraphe 1, et 11, paragraphe 1, du règlement 2021/821, une autorisation est requise dans les cas suivants :
1° conformément à l'article 4, paragraphe 3, du règlement précité, l'exportateur a des motifs de soupçonner que des biens à double usage ne figurant pas sur la liste I sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
2° conformément à l'article 5, paragraphe 3, du règlement précité, l'exportateur a des motifs de soupçonner que des biens de cybersurveillance ne figurant pas sur la liste I sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 5, paragraphe 1, du règlement précité ;
3° conformément à l'article 8, paragraphe 5, du règlement précité, le prestataire d'assistance technique a des motifs de soupçonner que des biens à double usage pour lesquels il souhaite fournir une assistance technique sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
§ 2. En application de l'article 8, paragraphe 4, du règlement 2021/821, une autorisation est requise pour fournir une assistance technique concernant des biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, si le SCBS notifie au prestataire d'assistance technique que les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à l'un des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
§ 3. Conformément à l'article 7, paragraphe 3, du règlement 2021/821, le ministre peut interdire le transit par le territoire de la Région flamande de biens à double usage non Union qui ne figurent pas sur la liste I, si les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à l'un des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
A l'alinéa 1er, on entend par biens à double usage non Union, les biens à double usage non Union visés à l'article 2, 18), du règlement précité.
Avant de prendre une décision quant à l'interdiction ou non du transit, le SCBS peut, dans des cas individuels, exiger une autorisation pour le transit de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique ou pour une utilisation finale spécifique.
1° conformément à l'article 4, paragraphe 3, du règlement précité, l'exportateur a des motifs de soupçonner que des biens à double usage ne figurant pas sur la liste I sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
2° conformément à l'article 5, paragraphe 3, du règlement précité, l'exportateur a des motifs de soupçonner que des biens de cybersurveillance ne figurant pas sur la liste I sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 5, paragraphe 1, du règlement précité ;
3° conformément à l'article 8, paragraphe 5, du règlement précité, le prestataire d'assistance technique a des motifs de soupçonner que des biens à double usage pour lesquels il souhaite fournir une assistance technique sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un ou plusieurs des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
§ 2. En application de l'article 8, paragraphe 4, du règlement 2021/821, une autorisation est requise pour fournir une assistance technique concernant des biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, si le SCBS notifie au prestataire d'assistance technique que les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à l'un des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
§ 3. Conformément à l'article 7, paragraphe 3, du règlement 2021/821, le ministre peut interdire le transit par le territoire de la Région flamande de biens à double usage non Union qui ne figurent pas sur la liste I, si les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à l'un des usages visés à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
A l'alinéa 1er, on entend par biens à double usage non Union, les biens à double usage non Union visés à l'article 2, 18), du règlement précité.
Avant de prendre une décision quant à l'interdiction ou non du transit, le SCBS peut, dans des cas individuels, exiger une autorisation pour le transit de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique ou pour une utilisation finale spécifique.
Art. 4. Ter uitvoering van artikel 9, lid 1, van verordening 2021/821 kan de minister:
1° de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker verbieden of een specifiek eindgebruik verbieden;
2° een vergunning verplichten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker of voor een specifiek eindgebruik;
3° een algemene vergunningsplicht opleggen voor de uitvoer van specifieke producten die niet op lijst I voorkomen, via een Vlaamse nationale controlelijst, ter uitvoering van artikel 9, lid 1, van de voormelde verordening. De minister legt de Vlaamse nationale controlelijsten vast.
Ter uitvoering van artikel 11, lid 2, van de voormelde verordening kan de minister een vergunning verplichten voor de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van de producten voor tweeërlei gebruik, die voorkomen op lijst IV bij de voormelde verordening.
1° de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker verbieden of een specifiek eindgebruik verbieden;
2° een vergunning verplichten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op lijst I voorkomen, naar een specifieke bestemmeling of eindgebruiker of voor een specifiek eindgebruik;
3° een algemene vergunningsplicht opleggen voor de uitvoer van specifieke producten die niet op lijst I voorkomen, via een Vlaamse nationale controlelijst, ter uitvoering van artikel 9, lid 1, van de voormelde verordening. De minister legt de Vlaamse nationale controlelijsten vast.
Ter uitvoering van artikel 11, lid 2, van de voormelde verordening kan de minister een vergunning verplichten voor de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van de producten voor tweeërlei gebruik, die voorkomen op lijst IV bij de voormelde verordening.
Art. 4. En exécution de l'article 9, paragraphe 1, du règlement 2021/821, le ministre peut :
1° interdire l'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique, ou interdire une utilisation finale spécifique ;
2° exiger une autorisation pour l'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique ou pour une utilisation finale spécifique ;
3° imposer une obligation générale d'autorisation pour l'exportation de biens spécifiques ne figurant pas sur la liste I, par le biais d'une liste de contrôle nationale flamande, en exécution de l'article 9, paragraphe 1, du règlement précité. Le ministre établit les listes de contrôle nationales flamandes.
En exécution de l'article 11, paragraphe 2, du règlement précité, le ministre peut exiger une autorisation pour le transfert de biens à double usage, à l'exception des biens à double usage figurant sur la liste IV du règlement précité.
1° interdire l'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique, ou interdire une utilisation finale spécifique ;
2° exiger une autorisation pour l'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I vers un destinataire ou un utilisateur final spécifique ou pour une utilisation finale spécifique ;
3° imposer une obligation générale d'autorisation pour l'exportation de biens spécifiques ne figurant pas sur la liste I, par le biais d'une liste de contrôle nationale flamande, en exécution de l'article 9, paragraphe 1, du règlement précité. Le ministre établit les listes de contrôle nationales flamandes.
En exécution de l'article 11, paragraphe 2, du règlement précité, le ministre peut exiger une autorisation pour le transfert de biens à double usage, à l'exception des biens à double usage figurant sur la liste IV du règlement précité.
Art. 5. § 1. De DCSG levert de individuele en globale vergunningen af ter uitvoering van artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 1, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, van verordening 2021/821, en artikel 3 en 4 van dit besluit, en de volgende individuele vergunningen, als de DCSG beslist dat de transacties vergunningsplichtig zijn:
1° ter uitvoering van artikel 4, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet voorkomen op lijst I, als de exporteur de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
2° ter uitvoering van artikel 5, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de uitvoer van producten voor cybersurveillance die niet op lijst I voorkomen, als de exporteur de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 5, lid 1, van de voormelde verordening;
3° ter uitvoering van artikel 7, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op lijst I, als de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
4° ter uitvoering van artikel 8, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de technische bijstand voor producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op lijst I, als de verlener van technische bijstand de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
De DCSG levert ook de vergunningen af ter uitvoering van een bepaling van een Europese beperkende maatregel, vastgesteld op grond van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie of artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als die bepaling stelt dat de vergunning verleend wordt overeenkomstig de voormelde verordening.
Vóór de DCSG de vergunning, vermeld in het eerste en tweede lid, aflevert, worden de volgende opeenvolgende handelingen gesteld:
1° de DCSG controleert of de gegevens in de aanvraag volledig en juist zijn;
2° de DCSG geeft een advies aan de minister;
3° de minister beslist over de aanvraag.
Een globale vergunning is alleen geldig voor civiele eindgebruikers en civiel eindgebruik. Bij twijfel over de aard van de eindgebruiker of het eindgebruik contacteert de vergunninghouder de DCSG.
§ 2. De volgende territoriale voorwaarden gelden voor de afgifte van een vergunning:
1° voor uitvoervergunningen: de aanvrager heeft zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest;
2° voor vergunningen voor overbrenging: de producten voor tweeërlei gebruik worden overgebracht vanuit het Vlaamse Gewest;
3° voor vergunningen voor doorvoer: de producten voor tweeërlei gebruik worden doorgevoerd via het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
4° voor vergunningen voor technische bijstand: de aanvrager heeft zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest.
In afwijking van punt 1°, kan de DCSG een individuele uitvoervergunning ook afleveren als de producten voor tweeërlei gebruik zich bevinden in het Vlaamse Gewest als de aanvrager geen ingezetene is van of niet gevestigd is in het douanegebied van de Unie.
In afwijking van punt 4° kan de DCSG een individuele vergunning voor technische bijstand ook afleveren als de aanvrager de technische bijstand vanaf het grondgebied van het Vlaamse Gewest verleent als de aanvrager geen ingezetene is van of niet gevestigd is in het douanegebied van de Unie.
§ 3. Naast de overwegingen, vermeld in artikel 15, lid 1, van verordening 2021/821 kan de minister rekening houden met de volgende elementen:
1° de naleving van vergunningsvoorwaarden die voorheen aan dezelfde aanvrager zijn opgelegd;
2° de implementatie van een intern nalevingsprogramma als vermeld in artikel 2, 21), van de voormelde verordening.
§ 4. De minister, kan na advies van de DCSG, in de volgende gevallen beperkingen en voorwaarden koppelen aan de vergunning:
1° bij het verlenen van vergunningen conform paragraaf 1;
2° bij het wijzigen van vergunningen conform artikel 16, lid 1, van verordening 2021/821.
§ 5. De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend via de systemen die de DCSG digitaal ter beschikking stelt. Als de toegang tot de systemen niet mogelijk is, biedt de DCSG een alternatieve wijze van indienen aan.
§ 6. Met uitzondering van vergunningen voor grote projecten als vermeld in artikel 2, 14), van verordening 2021/821, zijn de individuele en globale vergunningen drie jaar geldig, vanaf de datum van de toekenning, tenzij de minister gegronde redenen heeft om een kortere termijn te bepalen.
§ 7. Handelsbescheiden die producten voor tweeërlei gebruik bevatten die zijn opgenomen in lijst I, vermelden altijd dat die producten bij uitvoer uit het douanegebied van de Unie aan controle worden onderworpen.
1° ter uitvoering van artikel 4, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet voorkomen op lijst I, als de exporteur de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
2° ter uitvoering van artikel 5, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de uitvoer van producten voor cybersurveillance die niet op lijst I voorkomen, als de exporteur de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 5, lid 1, van de voormelde verordening;
3° ter uitvoering van artikel 7, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op lijst I, als de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening;
4° ter uitvoering van artikel 8, lid 2, van de voormelde verordening: de vergunning voor de technische bijstand voor producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op lijst I, als de verlener van technische bijstand de DCSG meedeelt dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor een gebruik als vermeld in artikel 4, lid 1, van de voormelde verordening.
De DCSG levert ook de vergunningen af ter uitvoering van een bepaling van een Europese beperkende maatregel, vastgesteld op grond van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie of artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als die bepaling stelt dat de vergunning verleend wordt overeenkomstig de voormelde verordening.
Vóór de DCSG de vergunning, vermeld in het eerste en tweede lid, aflevert, worden de volgende opeenvolgende handelingen gesteld:
1° de DCSG controleert of de gegevens in de aanvraag volledig en juist zijn;
2° de DCSG geeft een advies aan de minister;
3° de minister beslist over de aanvraag.
Een globale vergunning is alleen geldig voor civiele eindgebruikers en civiel eindgebruik. Bij twijfel over de aard van de eindgebruiker of het eindgebruik contacteert de vergunninghouder de DCSG.
§ 2. De volgende territoriale voorwaarden gelden voor de afgifte van een vergunning:
1° voor uitvoervergunningen: de aanvrager heeft zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest;
2° voor vergunningen voor overbrenging: de producten voor tweeërlei gebruik worden overgebracht vanuit het Vlaamse Gewest;
3° voor vergunningen voor doorvoer: de producten voor tweeërlei gebruik worden doorgevoerd via het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
4° voor vergunningen voor technische bijstand: de aanvrager heeft zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest.
In afwijking van punt 1°, kan de DCSG een individuele uitvoervergunning ook afleveren als de producten voor tweeërlei gebruik zich bevinden in het Vlaamse Gewest als de aanvrager geen ingezetene is van of niet gevestigd is in het douanegebied van de Unie.
In afwijking van punt 4° kan de DCSG een individuele vergunning voor technische bijstand ook afleveren als de aanvrager de technische bijstand vanaf het grondgebied van het Vlaamse Gewest verleent als de aanvrager geen ingezetene is van of niet gevestigd is in het douanegebied van de Unie.
§ 3. Naast de overwegingen, vermeld in artikel 15, lid 1, van verordening 2021/821 kan de minister rekening houden met de volgende elementen:
1° de naleving van vergunningsvoorwaarden die voorheen aan dezelfde aanvrager zijn opgelegd;
2° de implementatie van een intern nalevingsprogramma als vermeld in artikel 2, 21), van de voormelde verordening.
§ 4. De minister, kan na advies van de DCSG, in de volgende gevallen beperkingen en voorwaarden koppelen aan de vergunning:
1° bij het verlenen van vergunningen conform paragraaf 1;
2° bij het wijzigen van vergunningen conform artikel 16, lid 1, van verordening 2021/821.
§ 5. De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend via de systemen die de DCSG digitaal ter beschikking stelt. Als de toegang tot de systemen niet mogelijk is, biedt de DCSG een alternatieve wijze van indienen aan.
§ 6. Met uitzondering van vergunningen voor grote projecten als vermeld in artikel 2, 14), van verordening 2021/821, zijn de individuele en globale vergunningen drie jaar geldig, vanaf de datum van de toekenning, tenzij de minister gegronde redenen heeft om een kortere termijn te bepalen.
§ 7. Handelsbescheiden die producten voor tweeërlei gebruik bevatten die zijn opgenomen in lijst I, vermelden altijd dat die producten bij uitvoer uit het douanegebied van de Unie aan controle worden onderworpen.
Art. 5. § 1er. Le SCBS délivre les autorisations individuelles et globales en exécution des articles 3, paragraphe 1, 4, paragraphe 1, 5, paragraphe 1, 10, paragraphe 1, et 11, paragraphe 1, du règlement 2021/821, et des articles 3 et 4 du présent arrêté, ainsi que les autorisations individuelles suivantes, si le SCBS décide que les transactions sont soumises à autorisation :
1° en exécution de l'article 4, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, si l'exportateur informe le SCBS que les biens sont destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
2° en exécution de l'article 5, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'exportation de biens de cybersurveillance ne figurant pas sur la liste I, si l'exportateur informe le SCBS que les biens sont destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 5, paragraphe 1, du règlement précité ;
3° en exécution de l'article 7, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation de transit de biens à double usage figurant sur la liste I, si les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
4° en exécution de l'article 8, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'assistance technique pour les biens à double usage figurant sur la liste I, si le prestataire d'assistance technique informe le SCBS que les biens sont en tout ou partie destinés à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
Le SCBS délivre également les autorisations en exécution d'une disposition d'une mesure restrictive européenne, adoptée en vertu de l'article 29 du Traité sur l'Union européenne ou de l'article 215 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, si cette disposition prévoit que l'autorisation est accordée conformément au règlement précité.
Avant que le SCBS ne délivre l'autorisation figurant aux alinéas 1er et 2, les démarches suivantes sont effectuées :
1° le SCBS vérifie que les informations contenues dans la demande sont complètes et exactes ;
2° le SCBS rend un avis au ministre ;
3° le ministre statue sur la demande.
Une autorisation globale n'est valable que pour les utilisateurs finaux civils et l'utilisation finale civile. En cas de doute quant à la nature de l'utilisateur final ou de l'utilisation finale, le titulaire de l'autorisation contacte le SCBS.
§ 2. La délivrance d'une autorisation est soumise aux conditions territoriales suivantes :
1° pour les autorisations d'exportation : le domicile ou le siège social du demandeur est situé en Région flamande ;
2° pour les autorisations de transfert : les biens à double usage sont transférés à partir de la Région flamande ;
3° pour les autorisations de transit : les biens à double usage transitent par le territoire de la Région flamande ;
4° pour les autorisations d'assistance technique : le domicile ou le siège social du demandeur est situé en Région flamande.
Par dérogation au point 1°, le SCBS peut également délivrer une autorisation individuelle d'exportation si les biens à double usage se trouvent dans la Région flamande et si le demandeur n'est ni résident, ni établi dans le territoire douanier de l'Union.
Par dérogation au point 4°, le SCBS peut également délivrer une autorisation individuelle d'assistance technique si le demandeur fournit l'assistance technique à partir du territoire de la Région flamande et s'il n'est ni résident, ni établi dans le territoire douanier de l'Union.
§ 3. Outre les considérations figurant à l'article 15, paragraphe 1, du règlement 2021/821, le ministre peut tenir compte des éléments suivants :
1° le respect des conditions d'autorisation précédemment imposées au même demandeur ;
2° la mise en oeuvre d'un programme interne de conformité tel que visé à l'article 2, 21), du règlement précité.
§ 4. Le ministre peut, après avis du SCBS, assortir l'autorisation de restrictions et de conditions dans les cas suivants :
1° lors de l'octroi d'autorisations conformément au paragraphe 1er ;
2° lors de la modification d'autorisations conformément à l'article 16, paragraphe 1, du règlement 2021/821.
§ 5. La demande d'autorisation est introduite par le biais des systèmes mis à disposition sous forme numérique par le SCBS. Si l'accès aux systèmes n'est pas possible, le SCBS prévoit un autre mode d'introduction.
§ 6. A l'exception des autorisations pour les grands projets figurant à l'article 2, 14) du règlement 2021/821, les autorisations individuelles et globales sont valables trois ans à compter de la date de leur octroi, sauf si le ministre a des raisons valables de fixer une durée plus courte.
§ 7. Les documents commerciaux portant sur des biens à double usage qui figurent sur la liste I mentionnent toujours que ces biens sont soumis à un contrôle lors de leur exportation hors du territoire douanier de l'Union.
1° en exécution de l'article 4, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'exportation de biens à double usage ne figurant pas sur la liste I, si l'exportateur informe le SCBS que les biens sont destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
2° en exécution de l'article 5, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'exportation de biens de cybersurveillance ne figurant pas sur la liste I, si l'exportateur informe le SCBS que les biens sont destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 5, paragraphe 1, du règlement précité ;
3° en exécution de l'article 7, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation de transit de biens à double usage figurant sur la liste I, si les biens sont ou peuvent être destinés, en tout ou partie, à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité ;
4° en exécution de l'article 8, paragraphe 2, du règlement précité : l'autorisation d'assistance technique pour les biens à double usage figurant sur la liste I, si le prestataire d'assistance technique informe le SCBS que les biens sont en tout ou partie destinés à un usage visé à l'article 4, paragraphe 1, du règlement précité.
Le SCBS délivre également les autorisations en exécution d'une disposition d'une mesure restrictive européenne, adoptée en vertu de l'article 29 du Traité sur l'Union européenne ou de l'article 215 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, si cette disposition prévoit que l'autorisation est accordée conformément au règlement précité.
Avant que le SCBS ne délivre l'autorisation figurant aux alinéas 1er et 2, les démarches suivantes sont effectuées :
1° le SCBS vérifie que les informations contenues dans la demande sont complètes et exactes ;
2° le SCBS rend un avis au ministre ;
3° le ministre statue sur la demande.
Une autorisation globale n'est valable que pour les utilisateurs finaux civils et l'utilisation finale civile. En cas de doute quant à la nature de l'utilisateur final ou de l'utilisation finale, le titulaire de l'autorisation contacte le SCBS.
§ 2. La délivrance d'une autorisation est soumise aux conditions territoriales suivantes :
1° pour les autorisations d'exportation : le domicile ou le siège social du demandeur est situé en Région flamande ;
2° pour les autorisations de transfert : les biens à double usage sont transférés à partir de la Région flamande ;
3° pour les autorisations de transit : les biens à double usage transitent par le territoire de la Région flamande ;
4° pour les autorisations d'assistance technique : le domicile ou le siège social du demandeur est situé en Région flamande.
Par dérogation au point 1°, le SCBS peut également délivrer une autorisation individuelle d'exportation si les biens à double usage se trouvent dans la Région flamande et si le demandeur n'est ni résident, ni établi dans le territoire douanier de l'Union.
Par dérogation au point 4°, le SCBS peut également délivrer une autorisation individuelle d'assistance technique si le demandeur fournit l'assistance technique à partir du territoire de la Région flamande et s'il n'est ni résident, ni établi dans le territoire douanier de l'Union.
§ 3. Outre les considérations figurant à l'article 15, paragraphe 1, du règlement 2021/821, le ministre peut tenir compte des éléments suivants :
1° le respect des conditions d'autorisation précédemment imposées au même demandeur ;
2° la mise en oeuvre d'un programme interne de conformité tel que visé à l'article 2, 21), du règlement précité.
§ 4. Le ministre peut, après avis du SCBS, assortir l'autorisation de restrictions et de conditions dans les cas suivants :
1° lors de l'octroi d'autorisations conformément au paragraphe 1er ;
2° lors de la modification d'autorisations conformément à l'article 16, paragraphe 1, du règlement 2021/821.
§ 5. La demande d'autorisation est introduite par le biais des systèmes mis à disposition sous forme numérique par le SCBS. Si l'accès aux systèmes n'est pas possible, le SCBS prévoit un autre mode d'introduction.
§ 6. A l'exception des autorisations pour les grands projets figurant à l'article 2, 14) du règlement 2021/821, les autorisations individuelles et globales sont valables trois ans à compter de la date de leur octroi, sauf si le ministre a des raisons valables de fixer une durée plus courte.
§ 7. Les documents commerciaux portant sur des biens à double usage qui figurent sur la liste I mentionnent toujours que ces biens sont soumis à un contrôle lors de leur exportation hors du territoire douanier de l'Union.
Art. 6. De DCSG kan met toepassing van artikel 16, lid 1, van verordening 2021/821 een verleende individuele of globale vergunning schorsen, waarna de minister, na advies van de DCSG, de vergunning nietig kan verklaren, kan wijzigen of intrekken.
Art. 6. En application de l'article 16, paragraphe 1, du règlement 2021/821, le SCBS peut suspendre une autorisation individuelle ou globale accordée. Le ministre peut ensuite, sur avis du SCBS, déclarer l'autorisation nulle, la modifier ou la retirer.
Art. 7. § 1. Ter uitvoering van artikel 12, lid 1, c), en lid 6, b), van verordening 2021/821 kan de minister bij besluit Vlaamse nationale algemene uitvoervergunningen verlenen na advies van de DCSG.
§ 2. Als iemand een Vlaamse nationale of uniale algemene uitvoervergunning wil gebruiken, registreert die zich bij de DCSG in een register. De registratie is onbeperkt geldig.
Een aanvrager kan zich alleen registeren als vermeld in het eerste lid, als die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest heeft.
In afwijking van het tweede lid kan een aanvrager die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel buiten de Europese Unie heeft, zich registreren als hij producten uitvoert die zich fysiek op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevinden.
§ 3. De DCSG kan gebruikers van een Vlaamse nationale of uniale algemene uitvoervergunning in de volgende gevallen schrappen uit het register, vermeld in paragraaf 2:
1° ze rapporteren twee kalenderjaren na elkaar niet conform artikel 8 van dit besluit;
2° er bestaat redelijke twijfel over het vermogen van de gebruiker om de voorwaarden van de vergunning of een bepaling van dit besluit, na te leven.
De DCSG brengt de gebruiker in kwestie op de hoogte van de schrapping, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Als iemand een Vlaamse nationale of uniale algemene uitvoervergunning wil gebruiken, registreert die zich bij de DCSG in een register. De registratie is onbeperkt geldig.
Een aanvrager kan zich alleen registeren als vermeld in het eerste lid, als die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest heeft.
In afwijking van het tweede lid kan een aanvrager die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel buiten de Europese Unie heeft, zich registreren als hij producten uitvoert die zich fysiek op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevinden.
§ 3. De DCSG kan gebruikers van een Vlaamse nationale of uniale algemene uitvoervergunning in de volgende gevallen schrappen uit het register, vermeld in paragraaf 2:
1° ze rapporteren twee kalenderjaren na elkaar niet conform artikel 8 van dit besluit;
2° er bestaat redelijke twijfel over het vermogen van de gebruiker om de voorwaarden van de vergunning of een bepaling van dit besluit, na te leven.
De DCSG brengt de gebruiker in kwestie op de hoogte van de schrapping, vermeld in het eerste lid.
Art. 7. § 1er. En exécution de l'article 12, paragraphe 1, c), et paragraphe 6, b), du règlement 2021/821, le ministre peut accorder, par arrêté, des autorisations générales d'exportation nationales flamandes sur avis du SCBS.
§ 2. Toute personne souhaitant utiliser une autorisation générale d'exportation nationale flamande ou de l'Union s'inscrit dans un registre auprès du SCBS. L'inscription est valable sans limitation dans le temps.
Le demandeur ne peut s'inscrire, au sens de l'alinéa 1er, que si son domicile ou son siège social est situé en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa 2, le demandeur dont le domicile ou le siège social est situé en dehors de l'Union européenne peut s'inscrire s'il exporte des biens qui se trouvent physiquement sur le territoire de la Région flamande.
§ 3. Le SCBS peut radier du registre visé au paragraphe 2 les utilisateurs d'une autorisation générale d'exportation nationale flamande ou de l'Union dans les cas suivants :
1° ils omettent pendant deux années civiles consécutives de rendre compte conformément à l'article 8 du présent arrêté ;
2° il existe un doute raisonnable quant à la capacité de l'utilisateur à respecter les conditions de l'autorisation ou une disposition du présent arrêté.
Le SCBS informe l'utilisateur concerné de la radiation visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Toute personne souhaitant utiliser une autorisation générale d'exportation nationale flamande ou de l'Union s'inscrit dans un registre auprès du SCBS. L'inscription est valable sans limitation dans le temps.
Le demandeur ne peut s'inscrire, au sens de l'alinéa 1er, que si son domicile ou son siège social est situé en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa 2, le demandeur dont le domicile ou le siège social est situé en dehors de l'Union européenne peut s'inscrire s'il exporte des biens qui se trouvent physiquement sur le territoire de la Région flamande.
§ 3. Le SCBS peut radier du registre visé au paragraphe 2 les utilisateurs d'une autorisation générale d'exportation nationale flamande ou de l'Union dans les cas suivants :
1° ils omettent pendant deux années civiles consécutives de rendre compte conformément à l'article 8 du présent arrêté ;
2° il existe un doute raisonnable quant à la capacité de l'utilisateur à respecter les conditions de l'autorisation ou une disposition du présent arrêté.
Le SCBS informe l'utilisateur concerné de la radiation visée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK III. - Rapportering
CHAPITRE III. - Rapport
Art. 8. § 1. De gebruiker van een vergunning als vermeld in artikel 5, § 1, artikel 7, § 1 en artikel 7, § 2, van dit besluit, houden tien jaar vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de transactie plaatsvond, de gedetailleerde registers of dossiers, vermeld in artikel 27, lid 1, van verordening 2021/821, en alle bijhorende originele documenten en vergunningen bij, en leggen die op verzoek voor aan de DSCG.
§ 2. De gebruiker van een globale vergunning, of een uniale of Vlaamse nationale algemene uitvoervergunning bezorgt aan de DCSG via de systemen die de DCSG digitaal ter beschikking stelt, jaarlijks en uiterlijk op 31 januari een overzicht van de volgende gegevens over de activiteiten van het voorbije kalenderjaar:
1° een beschrijving van de producten voor tweeërlei gebruik, met, voor de producten voor tweeërlei gebruik uit lijst I, een verwijzing naar het subcategorienummer;
2° het aantal en de waarde van de uitgevoerde, doorgevoerde of overgebrachte producten voor tweeërlei gebruik of van de technische bijstand;
3° de data van de uitvoer, doorvoer of overbrenging of van de technische bijstand;
4° de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de gebruiker van de vergunning;
5° de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de bestemmeling;
6° als dat beschikbaar is, het eindgebruik, de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
De DCSG kan voor de rapportering een bepaald formaat opleggen.
Als de toegang tot het digitale systeem niet mogelijk is, biedt de DCSG een alternatieve wijze aan om de gegevens te bezorgen.
De rapporteringsplicht, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt ook als de vergunning niet is gebruikt in het voorbije kalenderjaar.
§ 3. Als de individuele vergunning voorwaarden omvat, kan de minister beslissen dat de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing zijn op de gebruiker van een individuele vergunning.
§ 4. De gebruiker van een vergunning bezorgt aan de DCSG digitaal een bewijs van de douaneafschrijvingen van de vergunningen, uiterlijk 30 dagen na hun volledig gebruik of afloop.
§ 5. In afwijking van paragraaf 2 rapporteert de gebruiker van een vergunning binnen dertig dagen na een van de volgende momenten:
1° nadat de geldigheid van de vergunning is verstreken;
2° nadat het gewicht of de waarde van de producten voor tweeërlei gebruik, waarvoor de vergunning geldt, is bereikt;
3° als de vergunningsvoorwaarden niet langer vervuld zijn.
§ 2. De gebruiker van een globale vergunning, of een uniale of Vlaamse nationale algemene uitvoervergunning bezorgt aan de DCSG via de systemen die de DCSG digitaal ter beschikking stelt, jaarlijks en uiterlijk op 31 januari een overzicht van de volgende gegevens over de activiteiten van het voorbije kalenderjaar:
1° een beschrijving van de producten voor tweeërlei gebruik, met, voor de producten voor tweeërlei gebruik uit lijst I, een verwijzing naar het subcategorienummer;
2° het aantal en de waarde van de uitgevoerde, doorgevoerde of overgebrachte producten voor tweeërlei gebruik of van de technische bijstand;
3° de data van de uitvoer, doorvoer of overbrenging of van de technische bijstand;
4° de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de gebruiker van de vergunning;
5° de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de bestemmeling;
6° als dat beschikbaar is, het eindgebruik, de naam, het fysieke en elektronische adres en de contactgegevens van de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
De DCSG kan voor de rapportering een bepaald formaat opleggen.
Als de toegang tot het digitale systeem niet mogelijk is, biedt de DCSG een alternatieve wijze aan om de gegevens te bezorgen.
De rapporteringsplicht, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt ook als de vergunning niet is gebruikt in het voorbije kalenderjaar.
§ 3. Als de individuele vergunning voorwaarden omvat, kan de minister beslissen dat de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing zijn op de gebruiker van een individuele vergunning.
§ 4. De gebruiker van een vergunning bezorgt aan de DCSG digitaal een bewijs van de douaneafschrijvingen van de vergunningen, uiterlijk 30 dagen na hun volledig gebruik of afloop.
§ 5. In afwijking van paragraaf 2 rapporteert de gebruiker van een vergunning binnen dertig dagen na een van de volgende momenten:
1° nadat de geldigheid van de vergunning is verstreken;
2° nadat het gewicht of de waarde van de producten voor tweeërlei gebruik, waarvoor de vergunning geldt, is bereikt;
3° als de vergunningsvoorwaarden niet langer vervuld zijn.
Art. 8. § 1er. Les utilisateurs d'une autorisation figurant aux articles 5, § 1er, 7, § 1er et 7, § 2, du présent arrêté conservent, pendant dix ans à compter du 1er janvier de l'année civile suivant celle au cours de laquelle la transaction a eu lieu, les registres ou relevés détaillés figurant à l'article 27, paragraphe 1, du règlement 2021/821, ainsi que l'ensemble des documents et autorisations originaux correspondants, et les présentent au SCBS sur demande.
§ 2. L'utilisateur d'une autorisation globale, d'une autorisation générale d'exportation de l'Union ou nationale flamande fournit chaque année au SCBS, au plus tard le 31 janvier, via les systèmes numériques mis à disposition par le SCBS, un aperçu des données suivantes relatives aux activités de l'année civile écoulée :
1° une description des biens à double usage, avec, pour les biens à double usage de la liste I, une référence au numéro de sous-catégorie ;
2° le nombre et la valeur des biens à double usage exportés, transités ou transférés ou de l'assistance technique ;
3° les dates d'exportation, de transit ou de transfert ou de l'assistance technique ;
4° le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées de l'utilisateur de l'autorisation ;
5° le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées du destinataire ;
6° si disponible, l'utilisation finale, le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées de l'utilisateur final des biens à double usage.
Le SCBS peut imposer un format spécifique pour ce rapport.
Si l'accès au système numérique n'est pas possible, le SCBS offre un autre mode de transmission des données.
L'obligation de rapport visée aux alinéas 1er et 2 s'applique également si l'autorisation n'a pas été utilisée au cours de l'année civile écoulée.
§ 3. Si l'autorisation individuelle prévoit des conditions, le ministre peut décider que les dispositions du paragraphe 2 s'appliquent à l'utilisateur d'une autorisation individuelle.
§ 4. L'utilisateur d'une autorisation transmet au SCBS, par voie électronique, une preuve des apurements douaniers des autorisations, au plus tard 30 jours après leur utilisation complète ou leur expiration.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 2, l'utilisateur d'une autorisation fait rapport dans les trente jours suivant l'un des moments suivants :
1° après l'expiration de la validité de l'autorisation ;
2° après que le poids ou la valeur des biens à double usage couverts par l'autorisation ont été atteints ;
3° lorsque les conditions de l'autorisation ne sont plus remplies.
§ 2. L'utilisateur d'une autorisation globale, d'une autorisation générale d'exportation de l'Union ou nationale flamande fournit chaque année au SCBS, au plus tard le 31 janvier, via les systèmes numériques mis à disposition par le SCBS, un aperçu des données suivantes relatives aux activités de l'année civile écoulée :
1° une description des biens à double usage, avec, pour les biens à double usage de la liste I, une référence au numéro de sous-catégorie ;
2° le nombre et la valeur des biens à double usage exportés, transités ou transférés ou de l'assistance technique ;
3° les dates d'exportation, de transit ou de transfert ou de l'assistance technique ;
4° le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées de l'utilisateur de l'autorisation ;
5° le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées du destinataire ;
6° si disponible, l'utilisation finale, le nom, l'adresse physique et électronique et les coordonnées de l'utilisateur final des biens à double usage.
Le SCBS peut imposer un format spécifique pour ce rapport.
Si l'accès au système numérique n'est pas possible, le SCBS offre un autre mode de transmission des données.
L'obligation de rapport visée aux alinéas 1er et 2 s'applique également si l'autorisation n'a pas été utilisée au cours de l'année civile écoulée.
§ 3. Si l'autorisation individuelle prévoit des conditions, le ministre peut décider que les dispositions du paragraphe 2 s'appliquent à l'utilisateur d'une autorisation individuelle.
§ 4. L'utilisateur d'une autorisation transmet au SCBS, par voie électronique, une preuve des apurements douaniers des autorisations, au plus tard 30 jours après leur utilisation complète ou leur expiration.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 2, l'utilisateur d'une autorisation fait rapport dans les trente jours suivant l'un des moments suivants :
1° après l'expiration de la validité de l'autorisation ;
2° après que le poids ou la valeur des biens à double usage couverts par l'autorisation ont été atteints ;
3° lorsque les conditions de l'autorisation ne sont plus remplies.
HOOFDSTUK IV. - Vertrouwelijkheid van de informatie
CHAPITRE IV. - Confidentialité des informations
Art. 9. Conform artikel 23, lid 5, van verordening 2021/821 garanderen de DCSG en de minister de geheimhouding van de informatie, aangeleverd in het kader van dit besluit door de aanvrager of andere overheden, en sturen die informatie uitsluitend naar de Europese Commissie, de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en instanties uit landen binnen en buiten de Europese Unie, die bevoegd zijn voor de handhaving en de vervolging ter uitvoering van artikel 4, lid 4 en 6, artikel 5, lid 4 en 8, artikel 10, lid 2, en lid 3, artikel 12, lid 7, tweede alinea, artikel 14, 16, lid 1 tot en met 5, artikel 21, lid 4, artikel 23, lid 2 en lid 4, artikel 26, lid 2, vijfde alinea, en lid 3, van de voormelde verordening.
Art. 9. Conformément à l'article 23, paragraphe 5, du règlement 2021/821, le SCBS et le ministre garantissent la confidentialité des informations fournies dans le cadre du présent arrêté par le demandeur ou d'autres autorités publiques, et transmettent ces informations exclusivement à la Commission européenne, aux autorités compétentes d'autres Etats membres et aux instances de pays à l'intérieur et à l'extérieur de l'Union européenne qui sont compétentes pour le contrôle du respect et la poursuite des infractions en exécution de l'article 4, paragraphes 4 et 6, article 5, paragraphe 4 et 8, article 10, paragraphe 2, et paragraphe 3, article 12, paragraphe 7, alinéa 2, article 14, 16, paragraphes 1 à 5, article 21, paragraphe 4, article 23, paragraphe 2 et paragraphe 4, article 26, paragraphe 2, alinéa 5, et paragraphe 3, du règlement précité.
HOOFDSTUK V. - Gegevensverwerking
CHAPITRE V. - Traitement des données
Art. 10. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
§ 2. De DCSG en de minister verwerken de volgende persoonsgegevens, op grond van artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming:
1° de naam, de contactgegevens, de handtekening en rijksregisternummer van de aanvragers van een vergunning en de volledige officiële naam en het ondernemingsnummer, voor de aanvragers die zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° de naam en de contactgegevens van de ontvangers van producten voor tweeërlei gebruik;
3° de naam en de contactgegevens van de eindgebruikers van producten voor tweeërlei gebruik.
De DCSG en de minister verwerken de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, met het oog op de afhandeling van vergunningen en om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in verordening 2021/821.
§ 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° betrokkene: een betrokkene als vermeld in artikel 4, 1), van de algemene verordening gegevensbescherming;
2° VTC: de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de algemene verordening gegevensbescherming kan de DCSG beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde tot en met het tiende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een onderzoek, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. Als de duur van het onderzoek meer bedraagt dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, herneemt de toepassing van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat de weigering of de beperking van de rechten, vermeld in het derde lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het tweede lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid. Verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat het onderzoek zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de termijn van dertig dagen met zestig dagen worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7) van de voormelde verordening, brengt de betrokkene binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de VTC conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing, vermeld in het zesde lid, is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de VTC.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening, opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het tweede lid bevat, naar de douane, het Openbaar Ministerie of de bevoegde handhavingsinstantie van de Europese Unie en van landen binnen en buiten de Europese Unie, is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van die instanties of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van die instanties of een onderzoeksrechter, kan de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op het verzoek van de betrokkene conform artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat die instanties, of in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
§ 4. De DCSG en de minister zijn verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de persoonsgegevens die zijn verwerkt in het kader van de toepassing van paragraaf 2.
§ 2. De DCSG en de minister verwerken de volgende persoonsgegevens, op grond van artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming:
1° de naam, de contactgegevens, de handtekening en rijksregisternummer van de aanvragers van een vergunning en de volledige officiële naam en het ondernemingsnummer, voor de aanvragers die zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° de naam en de contactgegevens van de ontvangers van producten voor tweeërlei gebruik;
3° de naam en de contactgegevens van de eindgebruikers van producten voor tweeërlei gebruik.
De DCSG en de minister verwerken de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, met het oog op de afhandeling van vergunningen en om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in verordening 2021/821.
§ 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° betrokkene: een betrokkene als vermeld in artikel 4, 1), van de algemene verordening gegevensbescherming;
2° VTC: de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de algemene verordening gegevensbescherming kan de DCSG beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde tot en met het tiende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een onderzoek, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. Als de duur van het onderzoek meer bedraagt dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, herneemt de toepassing van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat de weigering of de beperking van de rechten, vermeld in het derde lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het tweede lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid. Verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat het onderzoek zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de termijn van dertig dagen met zestig dagen worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7) van de voormelde verordening, brengt de betrokkene binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de VTC conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing, vermeld in het zesde lid, is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de VTC.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening, opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het tweede lid bevat, naar de douane, het Openbaar Ministerie of de bevoegde handhavingsinstantie van de Europese Unie en van landen binnen en buiten de Europese Unie, is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van die instanties of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van die instanties of een onderzoeksrechter, kan de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op het verzoek van de betrokkene conform artikel 12 tot en met 19, en artikel 21 en 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat die instanties, of in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
§ 4. De DCSG en de minister zijn verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de persoonsgegevens die zijn verwerkt in het kader van de toepassing van paragraaf 2.
Art. 10. § 1er. Dans le présent article, il faut entendre par règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
§ 2. Le SCBS et le ministre traitent les données à caractère personnel suivantes, en vertu de l'article 6, paragraphe 1, e), du règlement général sur la protection des données :
1° le nom, les coordonnées, la signature et le numéro de registre national des demandeurs d'une autorisation, ainsi que le nom officiel complet et le numéro d'entreprise des demandeurs inscrits à la Banque-Carrefour des Entreprises ;
2° le nom et les coordonnées des destinataires de biens à double usage ;
3° le nom et les coordonnées des utilisateurs finaux des biens à double usage.
Le SCBS et le ministre traitent les données à caractère personnel figurant à l'alinéa 1er en vue du traitement des autorisations et du respect des obligations prévues par le règlement 2021/821.
§ 3. Dans le présent paragraphe on entend par :
1° personne concernée : une personne concernée, telle que visée à l'article 4, 1) du règlement général sur la protection des données ;
2° CCF : la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel (" Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens "), visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement général sur la protection des données, le SCBS peut décider de ne pas appliquer les obligations et les droits figurant aux articles 12 à 19, et aux articles 21 et 22 du règlement précité, lors du traitement de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions visées aux alinéas 3 à 10 sont remplies.
La possibilité de dérogation figurant à l'alinéa 2 ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle la personne concernée fait l'objet d'une enquête, à condition que le bon déroulement de l'enquête nécessite ou puisse nécessiter que les obligations et les droits figurant aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Si la durée de l'enquête dépasse un an à compter de la réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, les articles 12 à 22 du règlement précité s'appliquent à nouveau.
La possibilité de dérogation figurant à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux données non liées à l'objet de l'enquête qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa 3.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 2, la personne concernée introduit une demande sur la base des articles 12 à 19 et des articles 21 et 22 du règlement précité pendant la période visée à l'alinéa 3, le délégué à la protection des données compétent en accuse réception.
Le délégué à la protection des données compétent informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits figurant à l'alinéa 2. Aucune information complémentaire ne doit être fournie sur le motif de refus ou de limitation si cette information risque de nuire à l'enquête, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai de trente jours peut être prolongé de soixante jours, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement précité, informe la personne concernée dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande, de cette prolongation et des motifs du report.
Le délégué à la protection des données compétent informe la personne concernée sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la CCF conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le délégué à la protection des données compétent consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision visée à l'alinéa 6. Il tient ces informations à la disposition de la CCF.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 19, et aux articles 21 et 22 du règlement précité sont, le cas échéant, à nouveau appliqués conformément à l'article 12 du règlement précité.
Lorsqu'un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 a été transmis aux douanes, au Ministère public ou à l'instance de contrôle compétente de l'Union européenne et des pays à l'intérieur et à l'extérieur de l'Union européenne, et peut donner lieu à des activités menées par ces instances ou un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête menée par ces instances ou un juge d'instruction, le délégué à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du règlement précité qu'après que ces instances ou, le cas échéant, le juge d'instruction a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut compromettre l'enquête.
§ 4. Le SCBS et le ministre sont les responsables du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données pour les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'application du paragraphe 2.
§ 2. Le SCBS et le ministre traitent les données à caractère personnel suivantes, en vertu de l'article 6, paragraphe 1, e), du règlement général sur la protection des données :
1° le nom, les coordonnées, la signature et le numéro de registre national des demandeurs d'une autorisation, ainsi que le nom officiel complet et le numéro d'entreprise des demandeurs inscrits à la Banque-Carrefour des Entreprises ;
2° le nom et les coordonnées des destinataires de biens à double usage ;
3° le nom et les coordonnées des utilisateurs finaux des biens à double usage.
Le SCBS et le ministre traitent les données à caractère personnel figurant à l'alinéa 1er en vue du traitement des autorisations et du respect des obligations prévues par le règlement 2021/821.
§ 3. Dans le présent paragraphe on entend par :
1° personne concernée : une personne concernée, telle que visée à l'article 4, 1) du règlement général sur la protection des données ;
2° CCF : la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel (" Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens "), visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives.
En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement général sur la protection des données, le SCBS peut décider de ne pas appliquer les obligations et les droits figurant aux articles 12 à 19, et aux articles 21 et 22 du règlement précité, lors du traitement de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions visées aux alinéas 3 à 10 sont remplies.
La possibilité de dérogation figurant à l'alinéa 2 ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle la personne concernée fait l'objet d'une enquête, à condition que le bon déroulement de l'enquête nécessite ou puisse nécessiter que les obligations et les droits figurant aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Si la durée de l'enquête dépasse un an à compter de la réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, les articles 12 à 22 du règlement précité s'appliquent à nouveau.
La possibilité de dérogation figurant à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux données non liées à l'objet de l'enquête qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa 3.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 2, la personne concernée introduit une demande sur la base des articles 12 à 19 et des articles 21 et 22 du règlement précité pendant la période visée à l'alinéa 3, le délégué à la protection des données compétent en accuse réception.
Le délégué à la protection des données compétent informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits figurant à l'alinéa 2. Aucune information complémentaire ne doit être fournie sur le motif de refus ou de limitation si cette information risque de nuire à l'enquête, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai de trente jours peut être prolongé de soixante jours, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement précité, informe la personne concernée dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande, de cette prolongation et des motifs du report.
Le délégué à la protection des données compétent informe la personne concernée sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la CCF conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le délégué à la protection des données compétent consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision visée à l'alinéa 6. Il tient ces informations à la disposition de la CCF.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 19, et aux articles 21 et 22 du règlement précité sont, le cas échéant, à nouveau appliqués conformément à l'article 12 du règlement précité.
Lorsqu'un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 a été transmis aux douanes, au Ministère public ou à l'instance de contrôle compétente de l'Union européenne et des pays à l'intérieur et à l'extérieur de l'Union européenne, et peut donner lieu à des activités menées par ces instances ou un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête menée par ces instances ou un juge d'instruction, le délégué à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du règlement précité qu'après que ces instances ou, le cas échéant, le juge d'instruction a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut compromettre l'enquête.
§ 4. Le SCBS et le ministre sont les responsables du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données pour les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'application du paragraphe 2.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 december 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie
CHAPITRE VI. - Modifications de l'arrêté royal du 30 décembre 1993 règlementant l'importation, l'exportation et le transit des marchandises et de la technologie y afférente
Art. 11. Artikel 1 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 30 december 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie worden opgeheven.
Art. 11. Les articles 1er à 8 de l'arrêté royal du 30 décembre 1993 règlementant l'importation, l'exportation et le transit des marchandises et de la technologie y afférente, sont abrogés.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
CHAPITRE VII. - Dispositions finales
Art. 12. Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018 en 11 september 2020, wordt opgeheven.
Art. 12. L'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2014 réglant l'exportation, le transit et le transfert de produits à double usage et l'octroi d'assistance technique, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 mars 2018 et 11 septembre 2020, est abrogé.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le ministre flamand qui a la politique étrangère dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.