Artikel 1. In artikel 24 van het ministerieel besluit van 23 februari 2023 tot uitvoering van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden "uiterlijk vijftien dagen na de overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Waalse regering van 23 februari 2023 vastgestelde termijn voor de wijziging van de verzamelaanvraag" vervangen door de woorden "ten vroegste de dag na de uiterste datum voor het naar boven bijstellen van de verzamelaanvraag, vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023, en ten laatste binnen dertig kalenderdagen van het betrokken jaar. ";
2° in paragraaf 3, worden de woorden "oktober van het lopende jaar" vervangen door de woorden "november van het jaar van de aanvraag bedoeld in paragraaf 1";
3° in paragraaf 4, worden de woorden "30 november van het betrokken jaar" vervangen door de woorden "15 januari van het jaar volgend op het jaar van de aanvraag bedoeld in paragraaf 1";
4° in paragraaf 5, worden de woorden ", waarvan de kosten ten laste zijn van de landbouwer," ingevoegd tussen de woorden "Een tegenanalyse" en de woorden "wordt uitgevoerd".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 DECEMBER 2025. - Ministerieel besluit tot wijziging vanhet ministerieel besluit van 23 februari 2023 tot uitvoering vanhet besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de steun voor agromilieu- en klimaatmaatregelen in het kader van maatregel nr. 14 "bodem"
Titre
8 DECEMBRE 2025. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 23 février 2023 exécutant l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques dans le cadre de la mesure n° 14 " sols "
Documentinformatie
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Article 1er. A l'article 24 de l'arrêté ministériel du 23 février 2023 exécutant l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif à l'aide aux mesures agro-environnementales et climatiques, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " au plus tard dans les quinze jours à compter de la date limite pour la modification de la demande unique, fixée conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023. " sont remplacés par les mots " au plus tôt le lendemain de la date limite pour la modification à la hausse de la demande unique, fixée conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023, et au plus tard dans les trente jours calendriers de l'année concernée. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " octobre de l'année en cours " sont remplacés par les mots " novembre de l'année de la demande visée au paragraphe 1er " ;
3° dans le paragraphe 4, les mots " 30 novembre de l'année concernée " sont remplacés par les mots " 15 janvier de l'année suivant l'année de la demande visée au paragraphe 1er " ;
4° dans le paragraphe 5, les mots " , dont le coût est à la charge de l'agriculteur, " sont insérés entre les mots " Une contre-analyse " et les mots " est réalisée ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " au plus tard dans les quinze jours à compter de la date limite pour la modification de la demande unique, fixée conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023. " sont remplacés par les mots " au plus tôt le lendemain de la date limite pour la modification à la hausse de la demande unique, fixée conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023, et au plus tard dans les trente jours calendriers de l'année concernée. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " octobre de l'année en cours " sont remplacés par les mots " novembre de l'année de la demande visée au paragraphe 1er " ;
3° dans le paragraphe 4, les mots " 30 novembre de l'année concernée " sont remplacés par les mots " 15 janvier de l'année suivant l'année de la demande visée au paragraphe 1er " ;
4° dans le paragraphe 5, les mots " , dont le coût est à la charge de l'agriculteur, " sont insérés entre les mots " Une contre-analyse " et les mots " est réalisée ".
Art. 2. In artikel 25 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 12 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de paragraaf wordt vervangen als volgt:
" § 1. In het eerste en het laatste jaar van de verbintenis, wordt aan de landbouwer een forfaitair bedrag van 15 euro toegekend voor elk monster dat voor de in artikel 24 bedoelde begin- en eindbalans wordt gebruikt. ";
b) de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
"Voor de aanvraagjaren 2024 en 2025, bedraagt het minimumbedrag dat wordt toegekend in het eerste en laatste jaar van de verbintenis krachtens het eerste lid, 250 euro. ";
2° in paragraaf 2, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 12 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
(1) de inleidende zin wordt vervangen door de volgende inleidende zin:
" § 2. Naast paragraaf 1, en voor elke jaarlijkse schijf, wordt een steun als volgt toegekend: ";
(2) in de punten 1°, 2° en 3°, wordt het woord "percelen" telkens vervangen door het woord "oppervlakten".
(3) het lid wordt aangevuld met een punt 4°, luidend als volgt:
"4° er wordt geen steun toegekend voor vastgelegde oppervlakten met een status "onbepaald". ";
b) in het tweede lid, worden de woorden "TOK/klei verhouding bepaald" vervangen door de woorden "TOK/klei verhouding en de status "onbepaald" vastgesteld;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de totale oppervlakte van de onder de verbintenis vallende percelen" telkens vervangen door de woorden "de totale oppervlakte onder verbintenis";
4° in paragraaf 3/1, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 12 januari 2024, worden de woorden "de onder de verbintenis vallende percelen" vervangen door de woorden "de oppervlakte onder verbintenis";
5° in paragraaf 5 van de Franse versie, wordt het woord "surface" vervangen door het woord "superficie".
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de paragraaf wordt vervangen als volgt:
" § 1. In het eerste en het laatste jaar van de verbintenis, wordt aan de landbouwer een forfaitair bedrag van 15 euro toegekend voor elk monster dat voor de in artikel 24 bedoelde begin- en eindbalans wordt gebruikt. ";
b) de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
"Voor de aanvraagjaren 2024 en 2025, bedraagt het minimumbedrag dat wordt toegekend in het eerste en laatste jaar van de verbintenis krachtens het eerste lid, 250 euro. ";
2° in paragraaf 2, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 12 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
(1) de inleidende zin wordt vervangen door de volgende inleidende zin:
" § 2. Naast paragraaf 1, en voor elke jaarlijkse schijf, wordt een steun als volgt toegekend: ";
(2) in de punten 1°, 2° en 3°, wordt het woord "percelen" telkens vervangen door het woord "oppervlakten".
(3) het lid wordt aangevuld met een punt 4°, luidend als volgt:
"4° er wordt geen steun toegekend voor vastgelegde oppervlakten met een status "onbepaald". ";
b) in het tweede lid, worden de woorden "TOK/klei verhouding bepaald" vervangen door de woorden "TOK/klei verhouding en de status "onbepaald" vastgesteld;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de totale oppervlakte van de onder de verbintenis vallende percelen" telkens vervangen door de woorden "de totale oppervlakte onder verbintenis";
4° in paragraaf 3/1, ingevoegd bij het ministerieel besluit van 12 januari 2024, worden de woorden "de onder de verbintenis vallende percelen" vervangen door de woorden "de oppervlakte onder verbintenis";
5° in paragraaf 5 van de Franse versie, wordt het woord "surface" vervangen door het woord "superficie".
Art. 2. A l'article 25 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 12 janvier 2024, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
a) il est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lors de la première et de la dernière année de l'engagement, un montant forfaitaire de 15 euros est octroyé à l'agriculteur par échantillon utilisé pour effectuer le bilan initial et final visé à l'article 24. " ;
b) il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les années de demande 2024 et 2025, le montant minimum accordé en première et en dernière année de l'engagement en vertu de l'alinéa 1er, est de 250 euros. " ;
2° au paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans l'alinéa 1er, modifié par l'arrêté ministériel du 12 janvier 2024, les modifications suivantes sont apportées :
(1) la phrase liminaire est remplacée par la phrase liminaire qui suit :
" § 2. Outre le paragraphe 1er et pour chaque tranche annuelle, une aide est octroyée comme suit : " ;
(2) dans les 1°, 2° et 3°, le mot " parcelles " est chaque fois remplacé par le mot " superficies "
(3) l'alinéa est complété par le 4° rédigé comme suit :
" 4° pour les superficies engagées en statut " indéterminé ", aucune aide n'est octroyée. " ;
b) dans l'alinéa 2, les mots " sont déterminés " sont remplacés par les mots " et le statut " indéterminé " sont établies " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des parcelles engagées " sont chaque fois remplacés par le mot " engagée " ;
4° dans le paragraphe 3/1, inséré par l'arrêté ministériel du 12 janvier 2024, les mots " les parcelles engagées " sont chaque fois remplacés par les mots " superficie engagée " ;
5° dans le paragraphe 5, le mot " surface " est remplacé par le mot " superficie ".
1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
a) il est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lors de la première et de la dernière année de l'engagement, un montant forfaitaire de 15 euros est octroyé à l'agriculteur par échantillon utilisé pour effectuer le bilan initial et final visé à l'article 24. " ;
b) il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les années de demande 2024 et 2025, le montant minimum accordé en première et en dernière année de l'engagement en vertu de l'alinéa 1er, est de 250 euros. " ;
2° au paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans l'alinéa 1er, modifié par l'arrêté ministériel du 12 janvier 2024, les modifications suivantes sont apportées :
(1) la phrase liminaire est remplacée par la phrase liminaire qui suit :
" § 2. Outre le paragraphe 1er et pour chaque tranche annuelle, une aide est octroyée comme suit : " ;
(2) dans les 1°, 2° et 3°, le mot " parcelles " est chaque fois remplacé par le mot " superficies "
(3) l'alinéa est complété par le 4° rédigé comme suit :
" 4° pour les superficies engagées en statut " indéterminé ", aucune aide n'est octroyée. " ;
b) dans l'alinéa 2, les mots " sont déterminés " sont remplacés par les mots " et le statut " indéterminé " sont établies " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des parcelles engagées " sont chaque fois remplacés par le mot " engagée " ;
4° dans le paragraphe 3/1, inséré par l'arrêté ministériel du 12 janvier 2024, les mots " les parcelles engagées " sont chaque fois remplacés par les mots " superficie engagée " ;
5° dans le paragraphe 5, le mot " surface " est remplacé par le mot " superficie ".
Art. 3. In artikel 26 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden "dat ten minste één parameter omvat" vervangen door de woorden ", waarvan het toepassingsgebied van de accreditatie ten minste één parameter omvat";
2° in paragraaf 2, 2°, worden de woorden "van de conclusies en relevante onderdelen van de audit die in het kader van de ISO 17025-accreditatie is uitgevoerd" vervangen door de woorden "van het ISO 17025-accreditatiesysteem, vergezeld van het jaarlijks document ter bevestiging van de accreditatie en van het toepassingsgebied van de accreditatie, afgegeven door de accreditatie-instelling BELAC in de zin van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling".
1° in paragraaf 1, worden de woorden "dat ten minste één parameter omvat" vervangen door de woorden ", waarvan het toepassingsgebied van de accreditatie ten minste één parameter omvat";
2° in paragraaf 2, 2°, worden de woorden "van de conclusies en relevante onderdelen van de audit die in het kader van de ISO 17025-accreditatie is uitgevoerd" vervangen door de woorden "van het ISO 17025-accreditatiesysteem, vergezeld van het jaarlijks document ter bevestiging van de accreditatie en van het toepassingsgebied van de accreditatie, afgegeven door de accreditatie-instelling BELAC in de zin van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling".
Art. 3. A l'article 26 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " incluant au minimum " sont remplacés par les mots " , dont la portée d'accréditation inclut au minimum " ;
2° dans le paragraphe 2, 2°, les mots " des conclusions et des parties pertinentes de l'audit réalisé dans le cadre de l'accréditation ISO 17025 " sont remplacés par les mots " du certificat d'accréditation ISO 17025, accompagné du document annuel de confirmation d'accréditation et de la portée d'accréditation, émanant de l'organisme d'accréditation BELAC au sens de l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " incluant au minimum " sont remplacés par les mots " , dont la portée d'accréditation inclut au minimum " ;
2° dans le paragraphe 2, 2°, les mots " des conclusions et des parties pertinentes de l'audit réalisé dans le cadre de l'accréditation ISO 17025 " sont remplacés par les mots " du certificat d'accréditation ISO 17025, accompagné du document annuel de confirmation d'accréditation et de la portée d'accréditation, émanant de l'organisme d'accréditation BELAC au sens de l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ".
Art. 4. In hetzelfde besluit wordt bijlage 3 vervangen door wat volgt:
"Bijlage nr 3. Methode voor de beoordeling van de verhouding TOK/klei van de subsidiabele percelen waarvoor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem" geldt
1) Drempels van de indicator die in aanmerking moeten worden genomen voor de indeling van de TOC/klei verhouding in "ongunstige", "overgangs-" en "gunstige" situaties
"Bijlage nr 3. Methode voor de beoordeling van de verhouding TOK/klei van de subsidiabele percelen waarvoor agromilieu- en klimaatmaatregel nr. 14 "bodem" geldt
1) Drempels van de indicator die in aanmerking moeten worden genomen voor de indeling van de TOC/klei verhouding in "ongunstige", "overgangs-" en "gunstige" situaties
Art. 4. Dans le même arrêté, l'annexe 3 est remplacée par ce qui suit :
" Annexe n° 3. Méthode d'évaluation du rapport COT/argile des parcelles admissibles et engagées dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols "
1) Seuils de l'indicateur à prendre en compte pour le classement du rapport COT/argile en situation " défavorable ", " transition " et " favorable "
" Annexe n° 3. Méthode d'évaluation du rapport COT/argile des parcelles admissibles et engagées dans la mesure agro-environnementale et climatique n° 14 " sols "
1) Seuils de l'indicateur à prendre en compte pour le classement du rapport COT/argile en situation " défavorable ", " transition " et " favorable "
| Bodemsoort (% klei) | "Ongunstige" TOK/kleiverhouding | TOK/kleiverhouding "in overgang" | "Gunstige" TOK/kleiverhouding |
| Licht (< 12%) | < 14% | 14 - 17% | > 17% |
| Gemiddeld (12 - 19%) | < 8% | 8 - 10% | > 10% |
| Zwaar (> 19%) | < 6% | 6 - 9% | > 9% |
(% klei) "Ongunstige" TOK/kleiverhouding TOK/kleiverhouding "in overgang" "Gunstige" TOK/kleiverhouding Licht (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17% Gemiddeld (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10% Zwaar (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
De status "onbepaald" wordt toegekend aan het perceel waarvoor geen TOC/kleiverhouding kon worden bepaald vanwege een technische onmogelijkheid in verband met de bemonstering van het perceel en het ontbreken van een andere mogelijkheid om deze verhouding te schatten overeenkomstig punt 2.
2) Procedure voor de uitvoering van de balansen TOK/kleiverhouding
a. Bemonsteringsmethoden en minimumaantal voor de balansen te nemen monsters
Het laboratorium dat belast is met het uitvoeren van een beoordeling van de TOK/kleiverhouding van de onder de verbintenis vallende percelen voert de grondbemonstering uit volgens de volgende referentiemethoden van het Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes (hierna "CWEA") bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, goedgekeurd door de Minister van Leefmilieu overeenkomstig artikel 84, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 6 december 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering:
- Methode voor het bottelen, vervoeren en opslaan van monsters (P-1);
- Methode voor georeferentie van bemonsterings- en meetpunten (P-8);
- Methode voor het benoemen van monsters (P-10);
- Methode voor de bemonstering van landbouwgrond (P-11).
In afwijking van de criteria voor het bepalen van homogene gebieden in punt 4.4 van de bemonsteringsmethode voor landbouwgrond (P-11) zijn de homogeniteitscriteria die in het kader van de vaststelling van een TOC/kleiverhouding moeten worden gehanteerd de volgende:
- de geschiedenis van de grondbezetting in de vijf jaar vóór de bemonsteringsdatum, waarbij ten minste de volgende bezettingen worden onderscheiden: bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten;
- pedologie, ten minste gebaseerd op de kaart van de belangrijkste bodemtypes van Wallonië, en op aanvullende criteria indien verschillende kenmerken naar voren komen op het niveau van de bodem (met name kleur, structuur, textuur, diepte, grove elementen, drainage en substraat) of via de vegetatieve toestand van de aanwezige vegetatie;
- topografie, indien gerechtvaardigd;
- het beheer van het perceel (met name de vorige oogst, bemesting of bodemverbeteraars).
De binnen een perceel bepaalde homogene gebied kan met een homogene oppervlakte van een ander betrokken perceel van het bedrijf worden gegroepeerd in een gemeenschappelijke homogene groep, mits de homogeniteitscriteria van de gegroepeerde gebieden gelijkwaardig zijn. Een homogene groep kan slechts uit één homogeen gebied bestaan. Het laboratorium stelt een lijst op van homogene groepen die alle betrokken percelen omvatten en geeft aan in welke mate elk perceel tot de betrokken homogene groep behoort, naar gelang van het deel van de oppervlakte van het perceel dat door die groep wordt bestreken. Van elke homogene groep moet minstens één bodemmonster genomen worden.
Als de bemonstering van een homogeen gebied om technische redenen door het laboratorium tijdens de bemonsteringscampagne niet kan worden uitgevoerd, voegt het laboratorium zijn verantwoording bij het bemonsteringsverslag dat bij de balans wordt gevoegd die naar de landbouwer en de organisatie wordt overgemaakt. Naast deze verantwoording onderzoekt het laboratorium de alternatieve mogelijkheid om een ander gelijkwaardig homogeen gebied van het bedrijf te bemonsteren. Als dit alternatief niet mogelijk is, wordt een schatting gemaakt van de TOC/klei verhouding van dit homogeen gebied op basis van relevante bestaande metingen. Bij gebrek daaraan wordt de status "onbepaald" toegekend aan het niet-bemonsterde homogene gebied en aan de groep van homogene gebieden waartoe het behoort, op voorwaarde dat deze groep uitsluitend bestaat uit homogene gebieden met de status "onbepaald".
Ten minste 25% van het areaal onder verbintenis van het bedrijf en het aantal betrokken percelen moet worden bemonsterd. Deze 25% betreft bij voorrang de percelen bouwland waarvoor verbintenissen zijn aangegaan.
In totaal moeten minimaal vijf monsters van verschillende percelen worden genomen, mits ten minste vijf percelen zijn vastgelegd. Indien het aantal vastgelegde percelen minder dan vijf bedraagt, moeten alle percelen worden bemonsterd, evenals alle homogene zones waaruit zij bestaan.
b. Methoden voor de analyse van bodemmonsters
Voor de analyse van het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem bij de eerste balans van de TOK/kleiverhouding, analyseert het laboratorium de bodemmonsters volgens een van de volgende CWEA-referentiemethoden, goedgekeurd door de Minister van Milieu overeenkomstig artikel 84, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 6 december 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering:
- Methode voor de bepaling van organische en totale koolstof door droge verbranding (S-III-8.1) of een andere gelijkwaardige methode, op voorwaarde dat deze laatste is gevalideerd door het ondersteunend referentielaboratorium dat door de organisatie is aangewezen;
- Methode voor de bepaling van organische koolstof door middel van sulfochroomoxidatie (S-II-8.2) of een andere gelijkwaardige methode, op voorwaarde dat deze laatste is gevalideerd door het ondersteunend referentielaboratorium dat door de organisatie is aangewezen;
Een ondersteunend referentielaboratorium is een laboratorium dat tot taak heeft laboratoria te ondersteunen door de test- of referentiematerialen voor te bereiden die bij interlaboratoriumproeven worden gebruikt, door nieuwe analysetechnieken te ontwikkelen en door deze ontwikkelingen na evaluatie en validatie rechtstreeks aan de laboratoria over te dragen.
Voor de analyse van het granulometrische kleigehalte van de bodem bij de eerste balans van de TOK/kleiverhouding, in afwachting van een daartoe in het CWEA gedefinieerde methode, past het met de beoordeling van de betrokken percelen belaste laboratorium de zogenaamde "pipetmethode" toe (methode afgeleid van de Franse norm NF-X-31-107) of gebruikt het de kaartlaag van het kleigehalte van de oppervlaktehorizont die voor dit doel door de administratie is gedefinieerd en beschikbaar gesteld.
De bemonstering en analyse van de totale hoeveelheid organische koolstof of het granulometrische kleigehalte van de bodem van een perceel mogen opnieuw worden gebruikt in het kader van de balans voor de maatregel "bodem", op voorwaarde dat ze zijn uitgevoerd volgens de procedures die zijn vastgesteld voor de maatregel "bodem", en dat het jaar van bemonstering en analyse hetzelfde is als het jaar waarin de balans voor de maatregel "bodem" moet worden uitgevoerd.
Voor de eindbalans TOK/kleiverhouding moeten de analyses van het totale gehalte aan organische koolstof van de bodem en het granulometrische kleigehalte van de bodem worden uitgevoerd volgens dezelfde methoden als die welke voor de beginbalans zijn gebruikt.
c. Toewijzing van de resultaten van de TOK/kleiverhouding analyses aan alle betrokken percelen
De resultaten van de TOK/kleiverhouding analyses zijn gemiddeld per homogene groep.
Het resultaat van de TOK/kleiverhouding die aan elk perceel moet worden toegekend, gebeurt in verhouding tot de oppervlakte van de homogene groep die binnen het perceel aanwezig is. Voor elk perceel toont de balans de rangschikking van de TOC/klei verhouding naargelang deze "gunstig", "in overgang" of "ongunstig" is.
Wanneer een groep homogene zones wordt gekenmerkt door een "onbepaalde" status, wordt, als het deel van het perceel dat door deze groep wordt bedekt groter is dan 5%, de status "onbepaald" ook aan het perceel toegekend. Anders wordt bij de berekening van de TOC/kleiverhouding voor dit perceel geen rekening gehouden met deze groep. ".
| Type de sol (% argile) | Rapport COT/argile " défavorable " | Rapport COT/argile " en transition " | Rapport COT/argile " favorable " |
| Léger (< 12%) | < 14% | 14 - 17% | > 17% |
| Moyen (12 - 19%) | < 8% | 8 - 10% | > 10% |
| Lourd (> 19%) | < 6% | 6 - 9% | > 9% |
(% argile) Rapport COT/argile " défavorable " Rapport COT/argile " en transition " Rapport COT/argile " favorable " Léger (< 12%) < 14% 14 - 17% > 17% Moyen (12 - 19%) < 8% 8 - 10% > 10% Lourd (> 19%) < 6% 6 - 9% > 9%
Le statut " indéterminé " est attribué à la parcelle pour laquelle aucun rapport COT/argile n'a pu être déterminé du fait d'une impossibilité technique liée au prélèvement de la parcelle et de l'absence de possibilité d'estimer autrement ce rapport conformément au point 2.
2) Procédure pour la réalisation des bilans portant sur le rapport COT/argile
a. Méthodes de prélèvement et d'échantillonnage et nombre minimum de prélèvements à effectuer pour les bilans
Le laboratoire en charge de réaliser un bilan sur le rapport COT/argile de parcelles engagées réalise le prélèvement de sol conformément aux méthodes de référence suivantes du Compendium wallon des méthodes d'échantillonnage et d'analyses (ci-après " CWEA ") visé à l'article 18, § 2, du Décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, approuvé par le Ministre de l'Environnement conformément à l'article 84, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2018 relatif à la gestion et l'assainissement des sols :
- Méthode concernant le flaconnage, le transport et la conservation des échantillons (P-1) ;
- Méthode pour le géoréférencement des points de prélèvement et de mesure (P-8) ;
- Méthode pour la dénomination des échantillons (P-10) ;
- Méthode d'échantillonnage des terres agricoles (P-11).
Par dérogation aux critères de détermination des zones homogènes prévus au point 4.4 de la méthode d'échantillonnage des terres agricoles (P-11), les critères d'homogénéité devant être suivis dans le cadre de l'établissement d'un bilan sur le rapport COT/argile sont les suivants :
- l'historique de l'occupation du sol au cours des cinq années précédant la date de l'échantillonnage, en distinguant au minimum les occupations suivantes : terres arables, prairies permanentes et cultures permanentes ;
- la pédologie, en se basant au minimum sur la Carte des Principaux Types de sol de Wallonie, et sur des critères complémentaires si des particularités différentes sont mises en évidence au niveau du sol (notamment couleur, structure, texture, profondeur, éléments grossiers, drainage et substrat) ou via l'état végétatif de la végétation en place ;
- la topographie, dans la mesure où cela est justifié ;
- la conduite de la parcelle (notamment précédent cultural, apports d'engrais ou d'amendements).
La zone homogène déterminée au sein d'une parcelle peut être regroupée avec une zone homogène d'une autre parcelle engagée de l'exploitation au sein d'un groupe homogène commun pour autant que les critères d'homogénéité des zones regroupées soient équivalents. Un groupe homogène peut n'être constitué que d'une seule zone homogène. Le laboratoire établit la liste des groupes homogènes permettant de couvrir l'ensemble des parcelles engagées et précise le degré d'appartenance de chaque parcelle au groupe homogène concerné en fonction de la proportion de la surface de la parcelle couverte par ce groupe. Chaque groupe homogène doit faire l'objet d'au moins un prélèvement de sol.
Dans le cas où le prélèvement d'une zone homogène ne peut être réalisé par le laboratoire pour raison technique au cours de la campagne de prélèvement, le laboratoire joint sa justification au rapport de prélèvement qui accompagne le bilan transmis à l'agriculteur et à l'organisation. Outre cette justification, le laboratoire examine la possibilité alternative de prélever une autre zone homogène équivalente de l'exploitation. Si cette alternative n'est pas possible, une estimation du rapport COT/argile de cette zone homogène est réalisée à partir de mesures existantes pertinentes. A défaut, le statut " indéterminé " est attribué à la zone homogène non prélevée ainsi qu'au groupe de zone homogène auquel elle appartient pour autant que ce groupe ne soit constitué que de zones homogènes avec statut " indéterminé ".
Au moins 25 % de la surface engagée de l'exploitation et du nombre de parcelles engagées, doit avoir fait l'objet d'un échantillonnage. Ces 25 % couvrent prioritairement les parcelles de terres arables engagées.
Au total, un minimum de cinq échantillons de parcelles différentes doit être prélevé, pour autant qu'au moins cinq parcelles soient engagées. Lorsque le nombre de parcelles engagées est inférieur à cinq, l'ensemble des parcelles engagées doit fait l'objet d'un prélèvement, de même que l'ensemble des zones homogènes les constituant.
b. Méthodes d'analyse des échantillons de sol
Pour l'analyse de la teneur en carbone organique totale du sol lors de la réalisation du bilan initial sur le rapport COT/argile, le laboratoire procède à l'analyse des échantillons de sol conformément à l'une des méthodes de référence suivantes du CWEA, approuvé par le Ministre de l'Environnement conformément à l'article 84, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2018 relatif à la gestion et l'assainissement des sols :
- Méthode de détermination du carbone organique et total par combustion sèche (S-III-8.1) ou une autre méthode équivalente pour autant que cette dernière ait fait l'objet d'une validation par le laboratoire d'encadrement référentiel tel que désigné par l'organisation ;
- Méthode de détermination du carbone organique par oxydation sulfochromique (S-III-8.2) ou une autre méthode équivalente pour autant que cette dernière ait fait l'objet d'une validation par le laboratoire d'encadrement référentiel tel que désigné par l'organisation.
Un laboratoire d'encadrement référentiel est un laboratoire dont le rôle est d'encadrer les laboratoires en préparant les matériaux d'essai ou de référence qui sont utilisés dans les essais interlaboratoires, en développant de nouvelles techniques d'analyses et en transférant ces développements, après évaluation et validation, directement dans les laboratoires.
Pour l'analyse de la teneur en argile granulométrique du sol lors de la réalisation du bilan initial sur le rapport COT/argile, en l'attente d'une méthode définie dans le CWEA à cet effet, le laboratoire en charge du bilan des parcelles engagées applique la méthode dite " de la pipette " (méthode dérivée de la norme française NF-X-31-107) ou utilise la couche cartographique de la teneur en argile de l'horizon de surface définie et mise à disposition à cet effet par l'administration.
Le prélèvement et l'analyse du sol d'une parcelle pour sa teneur en carbone organique total ou sa teneur en argile granulométrique peuvent être réutilisés dans le cadre de la réalisation du bilan de la mesure " sols ", pour autant qu'ils aient été faits conformément aux procédures prévues pour la mesure " sols ", et que l'année de l'échantillonnage et de l'analyse soit la même que celle au cours de laquelle le bilan de la mesure " sols " doit être réalisé.
Pour la réalisation du bilan final sur le rapport COT/argile, les analyses de la teneur en carbone organique total du sol et de la teneur en argile granulométrique du sol doivent être réalisées selon les mêmes méthodes que celles utilisées lors de la réalisation du bilan initial.
c. Attribution des résultats des analyses du rapport COT/argile à l'ensemble des parcelles engagées
Les résultats des analyses du rapport COT/argile sont moyennés par groupe homogène.
Le résultat du rapport COT/argile à attribuer à chaque parcelle se fait au prorata de la surface du groupe homogène présente au sein de la parcelle. Le bilan précise pour chaque parcelle le classement du rapport COT/argile selon le caractère " favorable ", " en transition " ou " défavorable " du rapport.
Lorsqu'un groupe de zones homogènes est caractérisé par un statut " indéterminé ", si la proportion de la parcelle couverte par ce groupe est supérieure à 5%, le statut " indéterminé " est également attribué à la parcelle, sinon, il n'est pas tenu compte de ce groupe lors du calcul du rapport COT/argile pour cette parcelle. ".
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2025.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2025.