Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° HPV: humaan papillomavirus;
2° immunisatieprogramma: het immunisatieprogramma, vermeld in artikel 1/3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2024 over initiatieven met betrekking tot biotische factoren;
3° immunisatieschema: het immunisatieschema, vermeld in artikel 43, § 1, van het decreet van 21 november 2003;
4° inhaalvaccinatie: een latere vaccinatie om bescherming te bieden als de aanbevolen vaccinatie uit het immunisatieprogramma of uit het immunisatieschema niet op de aanbevolen leeftijd is toegediend;
5° kinderen en jongeren: alle personen tot en met de leeftijd van achttien jaar;
6° SARS-CoV-2: severe acute respiratory syndrome coronavirus 2;
7° volwassenen: alle personen vanaf de leeftijd van negentien jaar.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 DECEMBER 2025. - Ministerieel besluit tot bepaling van het immunisatieschema voor de Vlaamse Gemeenschap en tot bepaling van de immunisaties, vermeld in artikel 43/1, § 2, derde lid, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
Titre
22 DECEMBRE 2025. - Arrêté ministériel fixant le schéma d'immunisation en Communauté flamande et déterminant les immunisations visées à l'article 43/1, § 2, alinéa 3, du décret du 21 novembre 2003 relatif à la politique de santé préventive
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° HPV : papillomavirus humain ;
2° programme d'immunisation : le programme d'immunisation figurant à l'article 1/3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 2024 relatif aux initiatives en matière de facteurs biotiques ;
3° schéma d'immunisation : le schéma d'immunisation figurant à l'article 43, § 1er, du décret du 21 novembre 2003 ;
4° vaccination de rattrapage : vaccination tardive visant à offrir une protection lorsque la vaccination recommandée selon le programme d'immunisation ou le schéma d'immunisation n'a pas été administrée à l'âge recommandé ;
5° enfants et adolescents : toutes les personnes âgées de dix-huit ans maximum ;
6° SARS-CoV-2 : severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 ;
7° adultes : toutes les personnes âgées de dix-neuf ans et plus.
1° HPV : papillomavirus humain ;
2° programme d'immunisation : le programme d'immunisation figurant à l'article 1/3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 2024 relatif aux initiatives en matière de facteurs biotiques ;
3° schéma d'immunisation : le schéma d'immunisation figurant à l'article 43, § 1er, du décret du 21 novembre 2003 ;
4° vaccination de rattrapage : vaccination tardive visant à offrir une protection lorsque la vaccination recommandée selon le programme d'immunisation ou le schéma d'immunisation n'a pas été administrée à l'âge recommandé ;
5° enfants et adolescents : toutes les personnes âgées de dix-huit ans maximum ;
6° SARS-CoV-2 : severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 ;
7° adultes : toutes les personnes âgées de dix-neuf ans et plus.
Art. 2. Het immunisatieprogramma bestaat uit:
1° een immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren;
2° een immunisatieprogramma voor volwassenen.
1° een immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren;
2° een immunisatieprogramma voor volwassenen.
Art. 2. Le programme d'immunisation comprend :
1° un programme d'immunisation pour enfants et adolescents ;
2° un programme d'immunisation pour adultes.
1° un programme d'immunisation pour enfants et adolescents ;
2° un programme d'immunisation pour adultes.
Art. 3. Het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren omvat een volledige vaccinatie tegen al de volgende ziektes of kiemen:
1° polio;
2° difterie;
3° tetanus;
4° kinkhoest;
5° Haemophilus influenzae type b;
6° hepatitis B;
7° pneumokokken;
8° mazelen;
9° bof;
10° rubella;
11° meningokokken van serogroepen ACWY;
12° HPV.
Binnen het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, omvatten de immunisaties tegen de ziektes of kiemen, vermeld in het eerste lid, behalve variaties om medische redenen, de toediening van de volgende preventieve geneesmiddelen op de volgende toedieningsmomenten:
1° een hexavalent vaccin tegen polio, difterie, tetanus, kinkhoest, Haemophilus influenzae type b en hepatitis B op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van acht weken;
b) op de leeftijd van twaalf weken;
c) op de leeftijd van zestien weken;
d) op de leeftijd tussen dertien en vijftien maanden;
2° een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van acht weken;
b) op de leeftijd van zestien weken;
c) op de leeftijd van twaalf maanden;
3° een vaccin tegen mazelen, bof en rubella op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van twaalf maanden;
b) op de leeftijd van vierentwintig maanden;
4° een geconjugeerd vaccin tegen meningokokken van serogroepen ACWY op de leeftijd tussen dertien en vijftien maanden;
5° een tetravalent vaccin tegen polio, difterie, tetanus en kinkhoest in het eerste leerjaar van het lager onderwijs, of op de leeftijd van zes jaar in het bijzonder onderwijs;
6° een volledige vaccinatie tegen HPV ter preventie van baarmoederhalskanker en andere kankers die aan HPV gerelateerd zijn, in het eerste jaar secundair onderwijs of op de leeftijd van twaalf jaar in het bijzonder onderwijs;
7° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest in het derde jaar secundair onderwijs of op de leeftijd van veertien jaar in het bijzonder onderwijs;
8° een inhaalvaccinatie met de vaccins, vermeld in punt 1° tot en met 7°, voor alle kinderen en jongeren als bij controle van de vaccinatiestatus vastgesteld wordt dat die onvolledig is, behalve voor:
a) de vaccinatie tegen HPV nadat het derde jaar van het secundair onderwijs is doorlopen, en in elk geval nadat de leeftijd van zeventien jaar is bereikt;
b) de vaccinatie tegen meningokokken van serogroepen ACWY als de kinderen of jongeren in het verleden al zijn gevaccineerd tegen meningokokken van serogroep C;
9° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor kinderen en jongeren die zullen zorgen voor of zorgen voor een kind dat jonger is dan zes maanden en waarbij de vorige vaccinatie tegen die kiemen meer dan vijf jaar geleden is, of die ongevaccineerd zijn;
10° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor zwangere meisjes of vrouwen tijdens elke zwangerschap;
11° een volledige hervaccinatie met de vaccins, vermeld in punt 1° tot en met 7°, van personen die hun immuniteit verloren zijn na een beenmerg- of stamceltransplantatie.
In afwijking van het tweede lid, 1°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, voor kinderen en jongeren die het hexavalente vaccin tegen polio, difterie, tetanus, kinkhoest, Haemophilus influenzae type b en hepatitis B weigeren of om een andere reden niet ontvangen, een vaccinatie tegen poliomyelitis met een poliovaccin op al de volgende toedieningsmomenten:
1° op de leeftijd van acht weken;
2° op de leeftijd van zestien weken;
3° op de leeftijd van twaalf maanden.
In afwijking van het tweede lid, 2°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, voor premature kinderen of voor kinderen met een te laag geboortegewicht een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken op al de volgende toedieningsmomenten:
1° op de leeftijd van acht weken;
2° op de leeftijd van twaalf weken;
3° op de leeftijd van zestien weken;
4° op de leeftijd van twaalf maanden.
In afwijking van het tweede lid, 3°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, die geboren zijn vanaf het jaar 2018 tot en met jaar 2022, een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella in het tweede leerjaar.
In afwijking van het tweede lid, 3° omvat het vaccinatieprogramma voor kinderen en jongeren die geboren zijn in het jaar 2016 of 2017, een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella in het vierde leerjaar.
1° polio;
2° difterie;
3° tetanus;
4° kinkhoest;
5° Haemophilus influenzae type b;
6° hepatitis B;
7° pneumokokken;
8° mazelen;
9° bof;
10° rubella;
11° meningokokken van serogroepen ACWY;
12° HPV.
Binnen het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, omvatten de immunisaties tegen de ziektes of kiemen, vermeld in het eerste lid, behalve variaties om medische redenen, de toediening van de volgende preventieve geneesmiddelen op de volgende toedieningsmomenten:
1° een hexavalent vaccin tegen polio, difterie, tetanus, kinkhoest, Haemophilus influenzae type b en hepatitis B op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van acht weken;
b) op de leeftijd van twaalf weken;
c) op de leeftijd van zestien weken;
d) op de leeftijd tussen dertien en vijftien maanden;
2° een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van acht weken;
b) op de leeftijd van zestien weken;
c) op de leeftijd van twaalf maanden;
3° een vaccin tegen mazelen, bof en rubella op al de volgende toedieningsmomenten:
a) op de leeftijd van twaalf maanden;
b) op de leeftijd van vierentwintig maanden;
4° een geconjugeerd vaccin tegen meningokokken van serogroepen ACWY op de leeftijd tussen dertien en vijftien maanden;
5° een tetravalent vaccin tegen polio, difterie, tetanus en kinkhoest in het eerste leerjaar van het lager onderwijs, of op de leeftijd van zes jaar in het bijzonder onderwijs;
6° een volledige vaccinatie tegen HPV ter preventie van baarmoederhalskanker en andere kankers die aan HPV gerelateerd zijn, in het eerste jaar secundair onderwijs of op de leeftijd van twaalf jaar in het bijzonder onderwijs;
7° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest in het derde jaar secundair onderwijs of op de leeftijd van veertien jaar in het bijzonder onderwijs;
8° een inhaalvaccinatie met de vaccins, vermeld in punt 1° tot en met 7°, voor alle kinderen en jongeren als bij controle van de vaccinatiestatus vastgesteld wordt dat die onvolledig is, behalve voor:
a) de vaccinatie tegen HPV nadat het derde jaar van het secundair onderwijs is doorlopen, en in elk geval nadat de leeftijd van zeventien jaar is bereikt;
b) de vaccinatie tegen meningokokken van serogroepen ACWY als de kinderen of jongeren in het verleden al zijn gevaccineerd tegen meningokokken van serogroep C;
9° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor kinderen en jongeren die zullen zorgen voor of zorgen voor een kind dat jonger is dan zes maanden en waarbij de vorige vaccinatie tegen die kiemen meer dan vijf jaar geleden is, of die ongevaccineerd zijn;
10° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor zwangere meisjes of vrouwen tijdens elke zwangerschap;
11° een volledige hervaccinatie met de vaccins, vermeld in punt 1° tot en met 7°, van personen die hun immuniteit verloren zijn na een beenmerg- of stamceltransplantatie.
In afwijking van het tweede lid, 1°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, voor kinderen en jongeren die het hexavalente vaccin tegen polio, difterie, tetanus, kinkhoest, Haemophilus influenzae type b en hepatitis B weigeren of om een andere reden niet ontvangen, een vaccinatie tegen poliomyelitis met een poliovaccin op al de volgende toedieningsmomenten:
1° op de leeftijd van acht weken;
2° op de leeftijd van zestien weken;
3° op de leeftijd van twaalf maanden.
In afwijking van het tweede lid, 2°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, voor premature kinderen of voor kinderen met een te laag geboortegewicht een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken op al de volgende toedieningsmomenten:
1° op de leeftijd van acht weken;
2° op de leeftijd van twaalf weken;
3° op de leeftijd van zestien weken;
4° op de leeftijd van twaalf maanden.
In afwijking van het tweede lid, 3°, omvat het immunisatieprogramma voor kinderen en jongeren, die geboren zijn vanaf het jaar 2018 tot en met jaar 2022, een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella in het tweede leerjaar.
In afwijking van het tweede lid, 3° omvat het vaccinatieprogramma voor kinderen en jongeren die geboren zijn in het jaar 2016 of 2017, een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella in het vierde leerjaar.
Art. 3. Le programme d'immunisation pour enfants et adolescents comprend une vaccination complète contre l'ensemble des maladies ou germes suivants :
1° poliomyélite ;
2° diphtérie ;
3° tétanos ;
4° coqueluche ;
5° Haemophilus influenzae type b ;
6° hépatite B ;
7° pneumocoque ;
8° rougeole ;
9° oreillons ;
10° rubéole ;
11° méningocoque des sérogroupes ACWY ;
12° HPV.
Dans le cadre du programme d'immunisation pour enfants et adolescents, les immunisations contre les maladies ou germes figurant à l'alinéa 1er comprennent, sauf variations pour raisons médicales, l'administration des médicaments préventifs suivants aux moments d'administration suivants :
1° un vaccin hexavalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos, la coqueluche, Haemophilus influenzae de type b et l'hépatite B à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de huit semaines ;
b) à l'âge de douze semaines ;
c) à l'âge de seize semaines ;
d) à l'âge compris entre treize et quinze mois ;
2° un vaccin conjugué contre le pneumocoque à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de huit semaines ;
b) à l'âge de seize semaines ;
c) à l'âge de douze mois ;
3° un vaccin contre la rougeole, les oreillons et la rubéole à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de douze mois ;
b) à l'âge de vingt-quatre mois ;
4° un vaccin conjugué contre le méningocoque des sérogroupes ACWY à l'âge compris entre treize et quinze mois ;
5° un vaccin tétravalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos et la coqueluche en première année de l'enseignement primaire, ou à l'âge de six ans dans l'enseignement spécial ;
6° une vaccination complète contre le HPV visant à prévenir le cancer du col de l'utérus et autres cancers liés au HPV, en première année de l'enseignement secondaire ou à l'âge de douze ans dans l'enseignement spécial ;
7° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche en troisième année de l'enseignement secondaire ou à l'âge de quatorze ans dans l'enseignement spécial ;
8° une vaccination de rattrapage par les vaccins figurant aux points 1° à 7° pour tous les enfants et adolescents dont le statut vaccinal s'avère incomplet lors d'un contrôle, sauf pour :
a) la vaccination contre le HPV après la troisième année de l'enseignement secondaire et, en tout état de cause, après l'âge de dix-sept ans ;
b) la vaccination contre le méningocoque des sérogroupes ACWY si les enfants ou adolescents ont déjà été vaccinés contre le méningocoque du sérogroupe C dans le passé ;
9° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les enfants et adolescents qui s'occupent ou s'occuperont d'un enfant de moins de six mois et dont la dernière vaccination contre ces germes remonte à plus de cinq ans, ou qui ne sont pas vaccinés ;
10° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les filles ou femmes à chaque grossesse ;
11° une revaccination complète avec les vaccins figurant aux points 1° à 7° pour les personnes qui ont perdu leur immunité après une greffe de moelle osseuse ou de cellules souches.
Par dérogation à l'alinéa 2, 1°, pour les enfants et les adolescents qui refusent ou ne reçoivent pas pour une autre raison le vaccin hexavalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos, la coqueluche, Haemophilus influenzae type b et l'hépatite B, le programme d'immunisation comprend une vaccination contre la poliomyélite avec un vaccin antipoliomyélitique à tous les moments d'administration suivants :
1° à l'âge de huit semaines ;
2° à l'âge de seize semaines ;
3° à l'âge de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa 2, 2°, pour les enfants et adolescents, pour les enfants prématurés ou pour les enfants présentant un poids insuffisant à la naissance, le programme d'immunisation comprend un vaccin conjugué contre le pneumocoque à tous les moments d'administration suivants :
1° à l'âge de huit semaines ;
2° à l'âge de douze semaines ;
3° à l'âge de seize semaines ;
4° à l'âge de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, pour les enfants et adolescents nés entre 2018 et 2022, le programme d'immunisation comprend une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole en deuxième année du primaire.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, pour les enfants et adolescents nés en 2016 ou 2017 le programme de vaccination comprend une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole en quatrième année du primaire.
1° poliomyélite ;
2° diphtérie ;
3° tétanos ;
4° coqueluche ;
5° Haemophilus influenzae type b ;
6° hépatite B ;
7° pneumocoque ;
8° rougeole ;
9° oreillons ;
10° rubéole ;
11° méningocoque des sérogroupes ACWY ;
12° HPV.
Dans le cadre du programme d'immunisation pour enfants et adolescents, les immunisations contre les maladies ou germes figurant à l'alinéa 1er comprennent, sauf variations pour raisons médicales, l'administration des médicaments préventifs suivants aux moments d'administration suivants :
1° un vaccin hexavalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos, la coqueluche, Haemophilus influenzae de type b et l'hépatite B à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de huit semaines ;
b) à l'âge de douze semaines ;
c) à l'âge de seize semaines ;
d) à l'âge compris entre treize et quinze mois ;
2° un vaccin conjugué contre le pneumocoque à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de huit semaines ;
b) à l'âge de seize semaines ;
c) à l'âge de douze mois ;
3° un vaccin contre la rougeole, les oreillons et la rubéole à tous les moments d'administration suivants :
a) à l'âge de douze mois ;
b) à l'âge de vingt-quatre mois ;
4° un vaccin conjugué contre le méningocoque des sérogroupes ACWY à l'âge compris entre treize et quinze mois ;
5° un vaccin tétravalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos et la coqueluche en première année de l'enseignement primaire, ou à l'âge de six ans dans l'enseignement spécial ;
6° une vaccination complète contre le HPV visant à prévenir le cancer du col de l'utérus et autres cancers liés au HPV, en première année de l'enseignement secondaire ou à l'âge de douze ans dans l'enseignement spécial ;
7° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche en troisième année de l'enseignement secondaire ou à l'âge de quatorze ans dans l'enseignement spécial ;
8° une vaccination de rattrapage par les vaccins figurant aux points 1° à 7° pour tous les enfants et adolescents dont le statut vaccinal s'avère incomplet lors d'un contrôle, sauf pour :
a) la vaccination contre le HPV après la troisième année de l'enseignement secondaire et, en tout état de cause, après l'âge de dix-sept ans ;
b) la vaccination contre le méningocoque des sérogroupes ACWY si les enfants ou adolescents ont déjà été vaccinés contre le méningocoque du sérogroupe C dans le passé ;
9° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les enfants et adolescents qui s'occupent ou s'occuperont d'un enfant de moins de six mois et dont la dernière vaccination contre ces germes remonte à plus de cinq ans, ou qui ne sont pas vaccinés ;
10° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les filles ou femmes à chaque grossesse ;
11° une revaccination complète avec les vaccins figurant aux points 1° à 7° pour les personnes qui ont perdu leur immunité après une greffe de moelle osseuse ou de cellules souches.
Par dérogation à l'alinéa 2, 1°, pour les enfants et les adolescents qui refusent ou ne reçoivent pas pour une autre raison le vaccin hexavalent contre la poliomyélite, la diphtérie, le tétanos, la coqueluche, Haemophilus influenzae type b et l'hépatite B, le programme d'immunisation comprend une vaccination contre la poliomyélite avec un vaccin antipoliomyélitique à tous les moments d'administration suivants :
1° à l'âge de huit semaines ;
2° à l'âge de seize semaines ;
3° à l'âge de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa 2, 2°, pour les enfants et adolescents, pour les enfants prématurés ou pour les enfants présentant un poids insuffisant à la naissance, le programme d'immunisation comprend un vaccin conjugué contre le pneumocoque à tous les moments d'administration suivants :
1° à l'âge de huit semaines ;
2° à l'âge de douze semaines ;
3° à l'âge de seize semaines ;
4° à l'âge de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, pour les enfants et adolescents nés entre 2018 et 2022, le programme d'immunisation comprend une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole en deuxième année du primaire.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, pour les enfants et adolescents nés en 2016 ou 2017 le programme de vaccination comprend une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole en quatrième année du primaire.
Art. 4. In dit artikel wordt verstaan onder personen die zullen zorgen voor of zorgen voor een kind dat jonger is dan zes maanden: personen die behoren tot een van de volgende categorieën:
1° gezinsleden of personen die samenwonen of zullen samenwonen met een kind dat jonger is dan zes maanden;
2° broers, zussen, ouders, grootouders van een kind dat jonger is dan zes maanden;
3° professionele zorgverleners die zorg verlenen aan kinderen die jonger zijn dan zes maanden.
Het immunisatieprogramma voor volwassenen omvat een vaccinatie of een inhaalvaccinatie tegen al de volgende ziektes of kiemen:
1° difterie;
2° tetanus;
3° kinkhoest;
4° pneumokokken;
5° mazelen;
6° bof;
7° rubella;
8° influenza.
Binnen het immunisatieprogramma voor volwassenen, omvatten de immunisaties tegen de ziektes of kiemen, vermeld in het tweede lid, behalve variaties om medische redenen, de toediening van de volgende preventieve geneesmiddelen op de volgende toedieningsmomenten:
1° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest om de tien jaar;
2° vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor zwangere vrouwen tijdens elke zwangerschap;
3° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor personen die zullen zorgen voor of zorgen voor een kind dat jonger is dan zes maanden en waarbij de vorige vaccinatie tegen die kiemen meer dan vijf jaar geleden is, of die ongevaccineerd zijn;
4° een jaarlijkse vaccinatie tegen influenza voor alle bewoners van residentiële zorginstellingen;
5° een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella bij volwassenen die geboren zijn na 1970, als bij controle van de vaccinatiestatus vastgesteld wordt dat ze geen twee vaccinaties tegen mazelen gehad hebben;
6° een hervaccinatie met alle immunisaties, vermeld in artikel 3, van personen die hun immuniteit verloren zijn na beenmerg- en stamceltransplantatie.
In het derde lid, 4°, wordt verstaan onder residentiële zorginstellingen:
1° de woonzorgcentra, vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
2° de residentiële centra voor herstelverblijf, vermeld in artikel 28 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
3° de residentiële afdelingen van voorzieningen die erkend, vergund of gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
4° de revalidatieziekenhuizen, vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;
5° de psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;
6° de residentiële revalidatievoorzieningen of de residentiële afdelingen van revalidatievoorzieningen, vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.
1° gezinsleden of personen die samenwonen of zullen samenwonen met een kind dat jonger is dan zes maanden;
2° broers, zussen, ouders, grootouders van een kind dat jonger is dan zes maanden;
3° professionele zorgverleners die zorg verlenen aan kinderen die jonger zijn dan zes maanden.
Het immunisatieprogramma voor volwassenen omvat een vaccinatie of een inhaalvaccinatie tegen al de volgende ziektes of kiemen:
1° difterie;
2° tetanus;
3° kinkhoest;
4° pneumokokken;
5° mazelen;
6° bof;
7° rubella;
8° influenza.
Binnen het immunisatieprogramma voor volwassenen, omvatten de immunisaties tegen de ziektes of kiemen, vermeld in het tweede lid, behalve variaties om medische redenen, de toediening van de volgende preventieve geneesmiddelen op de volgende toedieningsmomenten:
1° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest om de tien jaar;
2° vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor zwangere vrouwen tijdens elke zwangerschap;
3° een vaccinatie tegen difterie, tetanus en kinkhoest voor personen die zullen zorgen voor of zorgen voor een kind dat jonger is dan zes maanden en waarbij de vorige vaccinatie tegen die kiemen meer dan vijf jaar geleden is, of die ongevaccineerd zijn;
4° een jaarlijkse vaccinatie tegen influenza voor alle bewoners van residentiële zorginstellingen;
5° een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella bij volwassenen die geboren zijn na 1970, als bij controle van de vaccinatiestatus vastgesteld wordt dat ze geen twee vaccinaties tegen mazelen gehad hebben;
6° een hervaccinatie met alle immunisaties, vermeld in artikel 3, van personen die hun immuniteit verloren zijn na beenmerg- en stamceltransplantatie.
In het derde lid, 4°, wordt verstaan onder residentiële zorginstellingen:
1° de woonzorgcentra, vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
2° de residentiële centra voor herstelverblijf, vermeld in artikel 28 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
3° de residentiële afdelingen van voorzieningen die erkend, vergund of gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
4° de revalidatieziekenhuizen, vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;
5° de psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;
6° de residentiële revalidatievoorzieningen of de residentiële afdelingen van revalidatievoorzieningen, vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.
Art. 4. Aux fins du présent article, on entend par personnes qui s'occupent ou s'occuperont d'un enfant de moins de six mois, les personnes appartenant à l'une des catégories suivantes :
1° les membres de la famille ou les personnes qui cohabitent ou cohabiteront avec un enfant de moins de six mois ;
2° les frères, soeurs, parents, grands-parents d'un enfant de moins de six mois ;
3° les professionnels des soins prodiguant des soins à des enfants de moins de six mois.
Le programme d'immunisation pour adultes comprend une vaccination ou une vaccination de rattrapage contre l'ensemble des maladies ou germes suivants :
1° diphtérie ;
2° tétanos ;
3° coqueluche ;
4° pneumocoque ;
5° rougeole ;
6° oreillons ;
7° rubéole ;
8° grippe.
Dans le cadre du programme d'immunisation pour adultes, les immunisations contre les maladies ou germes figurant à l'alinéa 2 comprennent, sauf variations pour raisons médicales, l'administration des médicaments préventifs suivants aux moments d'administration suivants :
1° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche tous les dix ans ;
2° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les femmes à chaque grossesse ;
3° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les personnes qui s'occupent ou s'occuperont d'un enfant de moins de six mois et dont la dernière vaccination contre ces germes remonte à plus de cinq ans, ou qui ne sont pas vaccinées ;
4° une vaccination annuelle contre la grippe pour tous les résidents des établissements de soins résidentiels ;
5° une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole pour les adultes nés après 1970, si le contrôle du statut vaccinal révèle qu'ils n'ont pas reçu deux vaccinations contre la rougeole ;
6° une revaccination avec l'ensemble des immunisations figurant à l'article 3 pour les personnes qui ont perdu leur immunité après une greffe de moelle osseuse et de cellules souches.
A l'alinéa 3, 4°, on entend par établissements de soins résidentiels :
1° les centres de soins résidentiels figurant à l'article 33 du décret Soins résidentiels du 15 février 2019 ;
2° les centres résidentiels de convalescence figurant à l'article 28 du décret Soins résidentiels du 15 février 2019 ;
3° les unités résidentielles des structures agréées, autorisées ou subventionnées par l'Agence flamande pour les personnes handicapées (" Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap "), créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les Personnes handicapées ;
4° les hôpitaux de revalidation figurant à l'article 2, 17°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
5° les maisons de soins psychiatriques figurant à l'article 2, 12°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
6° les structures résidentielles de revalidation ou les unités résidentielles des structures de revalidation, figurant à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.
1° les membres de la famille ou les personnes qui cohabitent ou cohabiteront avec un enfant de moins de six mois ;
2° les frères, soeurs, parents, grands-parents d'un enfant de moins de six mois ;
3° les professionnels des soins prodiguant des soins à des enfants de moins de six mois.
Le programme d'immunisation pour adultes comprend une vaccination ou une vaccination de rattrapage contre l'ensemble des maladies ou germes suivants :
1° diphtérie ;
2° tétanos ;
3° coqueluche ;
4° pneumocoque ;
5° rougeole ;
6° oreillons ;
7° rubéole ;
8° grippe.
Dans le cadre du programme d'immunisation pour adultes, les immunisations contre les maladies ou germes figurant à l'alinéa 2 comprennent, sauf variations pour raisons médicales, l'administration des médicaments préventifs suivants aux moments d'administration suivants :
1° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche tous les dix ans ;
2° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les femmes à chaque grossesse ;
3° une vaccination contre la diphtérie, le tétanos et la coqueluche pour les personnes qui s'occupent ou s'occuperont d'un enfant de moins de six mois et dont la dernière vaccination contre ces germes remonte à plus de cinq ans, ou qui ne sont pas vaccinées ;
4° une vaccination annuelle contre la grippe pour tous les résidents des établissements de soins résidentiels ;
5° une vaccination contre la rougeole, les oreillons et la rubéole pour les adultes nés après 1970, si le contrôle du statut vaccinal révèle qu'ils n'ont pas reçu deux vaccinations contre la rougeole ;
6° une revaccination avec l'ensemble des immunisations figurant à l'article 3 pour les personnes qui ont perdu leur immunité après une greffe de moelle osseuse et de cellules souches.
A l'alinéa 3, 4°, on entend par établissements de soins résidentiels :
1° les centres de soins résidentiels figurant à l'article 33 du décret Soins résidentiels du 15 février 2019 ;
2° les centres résidentiels de convalescence figurant à l'article 28 du décret Soins résidentiels du 15 février 2019 ;
3° les unités résidentielles des structures agréées, autorisées ou subventionnées par l'Agence flamande pour les personnes handicapées (" Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap "), créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les Personnes handicapées ;
4° les hôpitaux de revalidation figurant à l'article 2, 17°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
5° les maisons de soins psychiatriques figurant à l'article 2, 12°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
6° les structures résidentielles de revalidation ou les unités résidentielles des structures de revalidation, figurant à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.
Art. 5. In dit artikel wordt verstaan onder RSV: respiratoir syncytieel virus.
Het immunisatieschema omvat naast de immunisaties, vermeld in artikel 3 en 4, ook de volgende immunisaties voor de volgende specifieke doelgroepen:
1° een vaccinatie tegen het rotavirus bij baby's die jonger dan zes maanden zijn;
2° een immunisatie tegen RSV bij kinderen in hun eerste levensjaar;
3° een vaccinatie tegen pneumokokken bij:
a) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
b) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een pneumokokkeninfectie;
4° een inhaalvaccinatie tegen polio bij personen die ouder dan achttien jaar zijn en die niet volledig zijn gevaccineerd conform artikel 3, tweede lid, 1°, of conform artikel 3, derde lid;
5° een vaccinatie tegen RSV bij personen vanaf vijfenzeventig jaar of vanaf zestig jaar bij een verhoogd risico op een ernstig verloop van een RSV-infectie;
6° een vaccinatie tegen RSV bij zwangere personen;
7° een vaccinatie tegen hepatitis A bij personen die in de voedselketen werken;
8° een vaccinatie tegen influenza bij:
a) zwangere personen;
b) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
c) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een influenza-infectie;
d) professionele zorgverleners;
9° een vaccinatie tegen SARS-CoV-2 bij:
a) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
b) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een SARS-CoV-2-infectie;
c) professionele zorgverleners.
Het immunisatieschema omvat naast de immunisaties, vermeld in artikel 3 en 4, ook de volgende immunisaties voor de volgende specifieke doelgroepen:
1° een vaccinatie tegen het rotavirus bij baby's die jonger dan zes maanden zijn;
2° een immunisatie tegen RSV bij kinderen in hun eerste levensjaar;
3° een vaccinatie tegen pneumokokken bij:
a) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
b) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een pneumokokkeninfectie;
4° een inhaalvaccinatie tegen polio bij personen die ouder dan achttien jaar zijn en die niet volledig zijn gevaccineerd conform artikel 3, tweede lid, 1°, of conform artikel 3, derde lid;
5° een vaccinatie tegen RSV bij personen vanaf vijfenzeventig jaar of vanaf zestig jaar bij een verhoogd risico op een ernstig verloop van een RSV-infectie;
6° een vaccinatie tegen RSV bij zwangere personen;
7° een vaccinatie tegen hepatitis A bij personen die in de voedselketen werken;
8° een vaccinatie tegen influenza bij:
a) zwangere personen;
b) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
c) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een influenza-infectie;
d) professionele zorgverleners;
9° een vaccinatie tegen SARS-CoV-2 bij:
a) volwassenen vanaf vijfenzestig jaar;
b) personen met een verhoogd risico op een ernstig verloop van een SARS-CoV-2-infectie;
c) professionele zorgverleners.
Art. 5. Aux fins du présent article, on entend par VRS : virus respiratoire syncytial.
Outre les immunisations figurant aux articles 3 et 4, le schéma d'immunisation comprend également les immunisations suivantes pour les groupes cibles spécifiques suivants :
1° une vaccination contre le rotavirus chez les bébés de moins de six mois ;
2° une immunisation contre le VRS chez les enfants au cours de leur première année de vie ;
3° une vaccination contre le pneumocoque chez :
a) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
b) les personnes présentant un risque accru de développer une infection pneumococcique grave ;
4° une vaccination de rattrapage contre la poliomyélite chez les personnes âgées de plus de dix-huit ans qui n'ont pas été complètement vaccinées conformément à l'article 3, alinéa 2, 1°, ou conformément à l'article 3, alinéa 3 ;
5° une vaccination contre le VRS chez les personnes âgées d'au moins soixante-quinze ans ou celles d'au moins soixante ans présentant un risque accru de développer une infection à VRS grave ;
6° une vaccination contre le VRS chez les femmes enceintes ;
7° une vaccination contre l'hépatite A chez les personnes travaillant dans la chaîne alimentaire ;
8° une vaccination contre la grippe chez :
a) les femmes enceintes ;
b) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
c) les personnes présentant un risque accru de développer une infection grippale grave ;
d) les professionnels des soins ;
9° une vaccination contre le SARS-CoV-2 chez :
a) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
b) les personnes présentant un risque accru de développer une infection à SARS-CoV-2 grave ;
c) les professionnels des soins.
Outre les immunisations figurant aux articles 3 et 4, le schéma d'immunisation comprend également les immunisations suivantes pour les groupes cibles spécifiques suivants :
1° une vaccination contre le rotavirus chez les bébés de moins de six mois ;
2° une immunisation contre le VRS chez les enfants au cours de leur première année de vie ;
3° une vaccination contre le pneumocoque chez :
a) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
b) les personnes présentant un risque accru de développer une infection pneumococcique grave ;
4° une vaccination de rattrapage contre la poliomyélite chez les personnes âgées de plus de dix-huit ans qui n'ont pas été complètement vaccinées conformément à l'article 3, alinéa 2, 1°, ou conformément à l'article 3, alinéa 3 ;
5° une vaccination contre le VRS chez les personnes âgées d'au moins soixante-quinze ans ou celles d'au moins soixante ans présentant un risque accru de développer une infection à VRS grave ;
6° une vaccination contre le VRS chez les femmes enceintes ;
7° une vaccination contre l'hépatite A chez les personnes travaillant dans la chaîne alimentaire ;
8° une vaccination contre la grippe chez :
a) les femmes enceintes ;
b) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
c) les personnes présentant un risque accru de développer une infection grippale grave ;
d) les professionnels des soins ;
9° une vaccination contre le SARS-CoV-2 chez :
a) les adultes à partir de soixante-cinq ans ;
b) les personnes présentant un risque accru de développer une infection à SARS-CoV-2 grave ;
c) les professionnels des soins.
Art. 6. De volgende immunisaties maken geen deel uit van het immunisatieschema, maar worden conform artikel 43/1, § 2, derde lid, van het decreet van 21 november 2003 geregistreerd in het registratiesysteem, vermeld in artikel 43/1, § 2, eerste lid, van het voormelde decreet:
1° elke vaccinatie tegen SARS-CoV-2, naast de vaccinatie, vermeld in artikel 5, tweede lid, 9°, van dit besluit;
2° de toediening van een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken bij kinderen jonger dan twee jaar, boven op de vaccinatie, vermeld in artikel 3, tweede lid, 2°, van dit besluit, of boven op de vaccinatie, vermeld in artikel 3, vierde lid, van dit besluit;
3° een vaccinatie tegen HPV bij personen vanaf zeventien jaar.
1° elke vaccinatie tegen SARS-CoV-2, naast de vaccinatie, vermeld in artikel 5, tweede lid, 9°, van dit besluit;
2° de toediening van een geconjugeerd vaccin tegen pneumokokken bij kinderen jonger dan twee jaar, boven op de vaccinatie, vermeld in artikel 3, tweede lid, 2°, van dit besluit, of boven op de vaccinatie, vermeld in artikel 3, vierde lid, van dit besluit;
3° een vaccinatie tegen HPV bij personen vanaf zeventien jaar.
Art. 6. Les immunisations suivantes ne font pas partie du schéma d'immunisation, mais sont enregistrées conformément à l'article 43/1, § 2, alinéa 3, du décret du 21 novembre 2003 dans le système d'enregistrement figurant à l'article 43/1, § 2, alinéa 1er, du décret précité :
1° toute vaccination contre le SARS-CoV-2, en plus de la vaccination figurant à l'article 5, alinéa 2, 9°, du présent arrêté ;
2° l'administration d'un vaccin conjugué contre le pneumocoque chez les enfants de moins de deux ans, en plus de la vaccination figurant à l'article 3, alinéa 2, 2°, du présent arrêté, ou en plus de la vaccination figurant à l'article 3, alinéa 4, du présent arrêté ;
3° une vaccination contre le HPV chez les personnes âgées de dix-sept ans et plus.
1° toute vaccination contre le SARS-CoV-2, en plus de la vaccination figurant à l'article 5, alinéa 2, 9°, du présent arrêté ;
2° l'administration d'un vaccin conjugué contre le pneumocoque chez les enfants de moins de deux ans, en plus de la vaccination figurant à l'article 3, alinéa 2, 2°, du présent arrêté, ou en plus de la vaccination figurant à l'article 3, alinéa 4, du présent arrêté ;
3° une vaccination contre le HPV chez les personnes âgées de dix-sept ans et plus.
Art. 7. Het ministerieel besluit van 29 januari 2015 tot het bepalen van het vaccinatieschema voor Vlaanderen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 26 januari 2017 en 11 oktober 2025, wordt opgeheven.
Art. 7. L'arrêté ministériel du 29 janvier 2015 fixant le schéma de vaccination en Flandre, modifié par les arrêtés ministériels des 26 janvier 2017 et 11 octobre 2025, est abrogé.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op 15 januari 2026.
Art. 8. Le présent arrêté entre en vigueur le 15 janvier 2026.