Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 DECEMBER 2025. - Wet houdende diverse bepalingen
Titre
18 DECEMBRE 2025. - Loi portant des dispositions diverses
Documentinformatie
Numac: 2025009647
Datum: 2025-12-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2025009647
Date: 2025-12-18
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING TITEL 2. - FINANCIEN HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen betreffende de inkom... Afdeling 1. - Vastgoedfiscaliteit Afdeling 2. - Ingekomen belastingplichtigen en ... Afdeling 3. - Flexi-jobs Afdeling 4. - Autofiscaliteit Afdeling 5. - Investeringsaftrek Afdeling 6. - Onderhoudsuitkeringen Afdeling 7. - Bestaansmiddelen van personen ten... Afdeling 8. - Indexering van fiscale uitgaven Afdeling 9. - DBI-aftrek en DBI-beveks Onderafdeling 1. - Groepsbijdrage Onderafdeling 2. - DBI-beveks Afdeling 10. - Wijzigingen betreffende het bela... Afdeling 11. - Vereenvoudiging van de belasting... Onderafdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek ... Onderafdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 1... Onderafdeling 3. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK 2. - Procedure Afdeling 1. - Wijzigingen aangebracht aan de aa... Afdeling 2. - Wijzigingen aangebracht aan de ve... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek divers... HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 3 augus... HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 8 jul... HOOFDSTUK 6. - Maaltijdcheques TITEL 3. - VOLKSGEZONDHEID HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffen... Afdeling 1. - Groeinorm Afdeling 2. - Economische bijdrage HOOFDSTUK 2. - FAGG TITEL 4. - WERK HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen met betrekking tot h... HOOFDSTUK 2. - Startbaanverplichting - Wijzigin... TITEL 5. - PENSIOENEN HOOFDSTUK 1. - Afschaffing van de huidige pensi... HOOFDSTUK 2. - Responsabiliseringsfacturen van ... Afdeling 1. - Wijziging van de vermindering van... Afdeling 2. - Verlichting van de responsabilise... Afdeling 3. - Bijkomende financiering van het G... Afdeling 4. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK 3. - Bijdragevoet van de bijzondere b... HOOFDSTUK 4. - Afschaffing van de huidige pensi... HOOFDSTUK 5. - Solidariteitsbijdrage Afdeling 1. - 1e schijf Afdeling 2. - 2e schijf TITEL 6. - MOBILITEIT HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 8 mei 2... HOOFDSTUK 2. - Afschaffing van het Fonds betref... TITEL 7. - JUSTITIE ENIG HOOFDSTUK. - Bekrachtiging van het koninkl... BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE 1er. - DISPOSITION GENERALE TITRE 2. - FINANCES CHAPITRE 1er. . - Modifications relatives aux i... Section 1re. - Fiscalité immobilière Section 2. - Contribuables impatriés et cherche... Section 3. - Flexi-jobs Section 4. - Fiscalité automobile Section 5. - Déduction pour investissement Section 6. - Rentes alimentaires Section 7. - Ressources de personnes à charge Section 8. - Indexation de dépenses fiscales Section 9. - Déduction RDT et SICAV RDT Sous-section 1.re. - Transfert intra-groupe Sous-section 2. - SICAV-RDT Section 10. - Modifications relatives au crédit... Section 11. - Simplification de la déclaration ... Sous-section 1re. - Modifications du Code des i... Sous-section 2. - Modifications de la loi du 1e... Sous-section 3. - Entrée en vigueur CHAPITRE 2. - Procédure Section 1re. - Modifications apportées aux déla... Section 2. - Modifications apportées aux délais... CHAPITRE 3. - Modification du Code des droits e... CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 3 aoüt ... CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 8 juil... CHAPITRE 6. - Titres-repas TITRE 3. - SANTE PUBLIQUE CHAPITRE 1er. . - Modifications à la loi relati... Section 1re. - Norme de croissance Section 2. - Contribution économique CHAPITRE 2. - AFMPS TITRE 4. - EMPLOI CHAPITRE 1er. . - Modifications relatives à la ... CHAPITRE 2. - Obligation de premier emploi. - M... TITRE 5. - PENSIONS CHAPITRE 1er. . - Suppression de l'actuel bonus... CHAPITRE 2. - Factures de responsabilisation de... Section 1re. - Modification de la réduction de ... Section 2. - Allègement des factures de respons... Section 3. - Financement supplémentaire du Fond... Section 4. - Entrée en vigueur CHAPITRE 3. - Taux de la cotisation spéciale po... CHAPITRE 4. - Suppression de l'actuel bonus pen... CHAPITRE 5. - Cotisation de solidarité Section 1re. - 1re tranche Section 2. - 2e tranche Titre 6. - MOBILITE CHAPITRE 1er. . - Modification de la loi du 8 m... CHAPITRE 2. - Suppression du Fonds relatif au f... TITRE 7. - JUSTICE CHAPITRE UNIQUE. - Confirmation de l'arrêté roy... ANNEXES.
Tekst (219)
Texte (219)
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING
TITRE 1er. - DISPOSITION GENERALE
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - FINANCIEN
TITRE 2. - FINANCES
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen
CHAPITRE 1er. . - Modifications relatives aux impots sur les revenus
Afdeling 1. - Vastgoedfiscaliteit
Section 1re. - Fiscalité immobilière
Art. 2. In artikel 14 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "De termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot onroerende goederen waarvan het inkomen na toepassing van artikel 12 begrepen is in de belastbare onroerende inkomsten, met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, bedoelde rechten van gebruik, zijn aftrekbaar van de inkomsten van onroerende goederen mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "waarvoor de in het eerste lid, 1°, bedoelde schuld werd aangegaan of waarvoor de in het eerste lid, 2°, bedoelde termijnen zijn betaald" vervangen door de woorden "waarvoor de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn betaald" en worden de woorden "intresten en" opgeheven;
  3° in het derde lid wordt het woord "aftrekken" vervangen door het woord "aftrek";
  4° in het vierde lid worden de woorden "Deze aftrekken worden" vervangen door de woorden "Deze aftrek wordt";
  5° in het vijfde lid worden de woorden "de in het eerste lid vermelde aftrekken van de ene belastingplichtige groter zijn" vervangen door de woorden "de in het eerste lid bedoelde aftrek van de ene belastingplichtige groter is".
Art. 2. A l'article 14 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 6 juillet 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Les redevances et la valeur des charges y assimilées afférentes à l'acquisition d'un droit d'emphytéose, de superficie ou de droits immobiliers similaires, relatifs aux biens immobiliers dont les revenus sont compris dans les revenus immobiliers imposables après application de l'article 12, à l'exclusion des droits d'usage visés à l'article 10, § 2, sont déduits des revenus des biens immobiliers, à la condition d'être payés ou supportés pendant la période imposable. " ;
  2° dans l'alinéa 2, les mots " pour lequel la dette visée à l'alinéa 1er, 1°, a été contractée ou pour lequel les redevances visées à l'alinéa 1er, 2°, ont été payées, " sont remplacés par les mots " pour lequel les redevances visées à l'alinéa 1er ont été payées, " et les mots " les intérêts et redevances visés à l'alinéa 1er, ne sont déductibles que lorsqu'ils ont été payés pendant " sont remplacés par les mots " les redevances visées à l'alinéa 1er, ne sont déductibles que lorsqu'elles ont été payées pendant " ;
  3° dans l'alinéa 3, les mots " des déductions visées " sont remplacés par les mots " de la déduction visée " ;
  4° dans l'alinéa 4, les mots " Ces déductions sont imputées " sont remplacés par les mots " Cette déduction est imputée " ;
  5° dans l'alinéa 5, les mots " les déductions visées à l'alinéa 1er et afférentes à l'un des contribuables excèdent " sont remplacés par les mots " la déduction visée à l'alinéa 1er et afférente à l'un des contribuables excède ".
Art. 3. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling 2quinquies - Vermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning, die het artikel 14524 bevat, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, opgeheven.
Art. 3. Dans le titre II, chapitre III, section Ire, du même Code, la sous-section 2quinquies. - Réduction pour les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation, qui comprend l'article 14524, insérée par la loi du 10 août 2001 et modifiée en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, est abrogée.
Art. 4. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 5° worden in de inleidende zin de woorden "in de artikelen 1451 tot 14516, 14524, 14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548 tot 14550 en 154bis vermelde belastingverminderingen" vervangen door de woorden "belastingverminderingen als vermeld in de artikelen 1451 tot 14516, 14524, 14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548 tot 14550 en 154bis zoals ze voor het betrokken belastbare tijdperk van toepassing waren";
  b) in de bepaling onder 6° wordt in de inleidende zin het nummer "14524," opgeheven.
Art. 4. A l'article 171 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 18 juillet 2025, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au 5°, la phrase liminaire est complétée par les mots " telles qu'elles étaient applicables pour la période imposable concernée " ;
  b) au 6°, dans la phrase liminaire, le nombre " 14524, " est abrogé.
Art. 5. In artikel 178, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 20 december 2020, worden in de inleidende zin de woorden "14524, § 1," opgeheven.
Art. 5. Dans l'article 178, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi-programme du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 20 décembre 2020, dans la phrase liminaire, les mots " 14524, § 1er, " sont abrogés.
Art. 6. In artikel 178/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt het nummer "14524," opgeheven".
Art. 6. Dans l'article 178/1, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 18 juillet 2025, le nombre " 14524, " est abrogé.
Art. 7. In artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de inleidende zin wordt het nummer "14524," opgeheven;
  b) in de bepaling onder 4° wordt het nummer "14524," opgeheven.
Art. 7. A l'article 243/1 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase liminaire, le nombre " 14524, " est abrogé ;
  b) dans le 4°, le nombre " 14524, " est abrogé.
Art. 8. In artikel 323/1, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "14524, § 3, 14537 tot 14542, 14546ter tot 14546quinquies, 526, § 2, en 539," vervangen door de woorden "14537 tot 14542 en 14546ter tot 14546quinquies," en worden de woorden "individueel gesloten levensverzekeringscontracten, hypothecaire leningsovereenkomsten en leningsovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009" vervangen door de woorden "individueel gesloten levensverzekeringscontracten en hypothecaire leningsovereenkomsten";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 8. A l'article 323/1, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 décembre 2016 et modifié par la loi du 22 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " 14524, § 3, 14537 à 14542, 14546ter à 14546quinquies, 526, § 2, et 539, " sont remplacés par les mots " 14537 à 14542 et 14546ter à 14546quinquies, " et les mots " les contrats d'assurance-vie conclus individuellement, les emprunts hypothécaires et les contrats de prêt visés à l'article 2 de la loi de relance économique du 27 mars 2009 " sont remplacés par les mots " les contrats d'assurance-vie conclus individuellement et les emprunts hypothécaires " ;
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 9. In artikel 376, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 april 2019, worden de woorden "tot 156, 257, 526, § 1, en 539" vervangen door de woorden "tot 156 en 257".
Art. 9. Dans l'article 376, § 3, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 13 avril 2019, les mots " à 156, 257, 526, § 1er, et 539 " sont remplacés par les mots " à 156 et 257 ".
Art. 10. In artikel 516 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Art. 10. Dans l'article 516 du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 11. In artikel 526 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2004, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden in de inleidende zin de woorden "tot en met aanslagjaar 2025" ingevoegd tussen de woorden "Deze paragraaf is" en de woorden "van toepassing";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden in de inleidende zin de woorden "tot en met aanslagjaar 2025" ingevoegd tussen de woorden "Deze paragraaf is" en de woorden "van toepassing";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden in de inleidende zin de woorden "artikel 14" vervangen door de woorden "artikel 14 zoals het bestond alvorens het werd gewijzigd door artikel 2 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen".
Art. 11. A l'article 526 du même Code, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2004, remplacé par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, dans la phrase liminaire, les mots " jusqu'à l'exercice d'imposition 2025 " sont insérés entre les mots " Le présent paragraphe est applicable " et les mots " lorsqu'il est satisfait " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, dans la phrase liminaire, les mots " jusqu'à l'exercice d'imposition 2025 " sont insérés entre les mots " Le présent paragraphe est applicable " et les mots " lorsqu'il est satisfait " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, dans la phrase liminaire, les mots " l'article 14 " sont remplacés par les mots " l'article 14 tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 2 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses ".
Art. 12. Artikel 535 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 28 december 2011, vervangen bij de wet van 21 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014 en de programmawet van 19 december 2014, wordt opgeheven.
Art. 12. L'article 535 du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 2011, remplacé par la loi du 21 décembre 2013 et modifié par la loi du 8 mai 2014 et la loi-programme du 19 décembre 2014, est abrogé.
Art. 13. In artikel 539 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden in de inleidende zin de woorden "tot en met aanslagjaar 2025" ingevoegd tussen de woorden "Dit artikel is" en de woorden "van toepassing";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "zoals het tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing is".
Art. 13. A l'article 539 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, dans la phrase liminaire, les mots " jusqu'à l'exercice d'imposition 2025 " sont insérés entre les mots " Le présent article est applicable " et les mots " lorsqu'il est satisfait " ;
  2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est complété par les mots " tel qu'il est applicable jusqu'à l'exercice d'imposition 2025 ".
Art. 14. De artikelen 2 tot 7 en 9 tot 13 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
  Artikel 8 is van toepassing op de attesten die moeten worden uitgereikt met betrekking tot de betalingen vanaf aanslagjaar 2026 met het oog op het bekomen van een belastingvoordeel voor individueel gesloten levensverzekeringscontracten en hypothecaire leningsovereenkomsten.
Art. 14. Les articles 2 à 7 et 9 à 13 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2026.
  L'article 8 est applicable aux attestations qui doivent être délivrées en ce qui concerne les paiements à partir de l'exercice d'imposition 2026 en vue d'obtenir un avantage fiscal pour des contrats d'assurance-vie conclus individuellement et des emprunts hypothécaires.
Afdeling 2. - Ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers
Section 2. - Contribuables impatriés et chercheurs impatriés
Art. 15. In artikel 32/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2021 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt het getal "75.000" vervangen door het getal "70.000";
  2° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "30 pct." vervangen door de woorden "35 pct.";
  3° in paragraaf 5 worden het tweede, derde en vierde lid opgeheven;
  4° in paragraaf 5, vijfde lid, dat het tweede lid wordt, wordt het woord "30 pct.-plafond" vervangen door het woord "35 pct.-plafond";
  5° in paragraaf 9, derde lid:
  a) wordt het woord "moeten" vervangen door het woord "moet";
  b) worden de woorden "en het in paragraaf 5, tweede lid, vermelde maximumbedrag" opgeheven.
Art. 15. A l'article 32/1 du même Code, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2021 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, le nombre " 75.000 " est remplacé par le nombre " 70.000 " ;
  2° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots " 30 p.c. " sont remplacés par les mots " 35 p.c. " ;
  3° dans le paragraphe 5, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés ;
  4° dans le paragraphe 5, alinéa 5, devenant l'alinéa 2, les mots " plafond de 30 p.c. " sont remplacés par les mots " plafond de 35 p.c. " ;
  5° dans le paragraphe 9, alinéa 3 :
  a) les mots " doivent être appréciées " sont remplacés par les mots " doit être appréciée " ;
  b) les mots " ainsi que le montant maximum visé au paragraphe 5, alinéa 2, " sont supprimés.
Art. 16. In artikel 32/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2021 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "30 pct." vervangen door de woorden "35 pct.";
  2° in paragraaf 5 worden het derde en vierde lid opgeheven;
  3° in paragraaf 5, vijfde lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord "30 pct.-plafond" vervangen door het woord "35 pct.-plafond";
  4° in paragraaf 9 wordt het derde lid opgeheven.
Art. 16. A l'article 32/2 du même Code, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2021 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots " 30 p.c. " sont remplacés par les mots " 35 p.c. " ;
  2° dans le paragraphe 5, les alinéas 3 et 4 sont abrogés ;
  3° dans le paragraphe 5, alinéa 5, devenant l'alinéa 3, les mots " plafond de 30 p.c. " sont remplacés par les mots " plafond de 35 p.c. " ;
  4° dans le paragraphe 9, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 17. Belastingplichtigen die in België in dienst zijn getreden tussen 1 januari 2025 en de tiende dag na publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad en wiens bezoldiging niet voldeed aan de grens van 75.000 euro, bedoeld in artikel 32/1, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd door deze wet, maar wel aan alle andere voorwaarden van artikel 32/1 van hetzelfde Wetboek, kunnen alsnog een aanvraag tot het verkrijgen van het stelsel van ingekomen belastingplichtigen indienen binnen een periode van drie maanden te rekenen vanaf de tiende dag na de publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  De toepassing van het stelsel zoals omschreven in artikel 32/1, § 7, van hetzelfde Wetboek, start dan retroactief op de datum van indiensttreding in België, ten vroegste op 1 januari 2025.
Art. 17. Les contribuables qui sont entrés en fonction en Belgique entre le 1er janvier 2025 et le dixième jour suivant la publication de la présente loi au Moniteur belge, et dont la rémunération ne remplissait pas le seuil de 75.000 euros visé à l'article 32/1, § 3, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'il existait avant sa modification par la présente loi, mais qui remplissaient toutes les autres conditions de l'article 32/1 du même Code, peuvent encore introduire une demande pour bénéficier du régime des contribuables impatriés dans un délai de trois mois à compter du dixième jour suivant la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  L'application du système tel que défini dans l'article 32/1, § 7, du même Code, commence alors rétroactivement à la date d'entrée en fonction en Belgique, au plus tôt le 1er janvier 2025.
Art. 18. Deze afdeling is van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2025.
Art. 18. La présente section est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2025.
Afdeling 3. - Flexi-jobs
Section 3. - Flexi-jobs
Art. 19. In artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2023, worden de woorden "12.000 euro" vervangen door de woorden "8.955 euro".
Art. 19. Dans l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, du même Code, remplacé par la loi du 18 décembre 2016 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 2023, les mots " 12.000 euros " sont remplacés par les mots " 8.955 euros ".
Art. 20. In artikel 178, § 5, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2023, worden de woorden "in de artikelen 38, § 1, eerste lid, 29°, en 38/1" vervangen door de woorden "in artikel 38/1".
Art. 20. Dans l'article 178, § 5, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 2009 et modifié par la loi-programme du 22 décembre 2023, les mots " aux articles 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, et 38/1 " sont remplacés par les mots " à l'article 38/1 ".
Art. 21. Deze afdeling is van toepassing vanaf inkomstenjaar 2025.
Art. 21. La présente section est applicable à partir de l'année de revenus 2025.
Afdeling 4. - Autofiscaliteit
Section 4. - Fiscalité automobile
Art. 22. In artikel 36, § 2, negende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, zelf gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden "of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e-bis norm of een latere norm" ingevoegd tussen de woorden "meer dan 50 gram CO2 per kilometer" en de woorden ", is de in aanmerking te nemen uitstoot".
Art. 22. Dans l'article 36, § 2, alinéa 9, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017, elle-même modifiée par la loi du 2 mai 2019, et modifié par la loi du 27 juin 2021, les mots " ou 75 grammes si l'émission est calculée selon la norme Euro 6e-bis ou une norme ultérieure, " sont insérés entre les mots " ou émet plus de 50 grammes de CO2 par kilomètre " et les mots " , l'émission du véhicule concerné à prendre en considération ".
Art. 23. In artikel 66 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e-bis norm of een latere norm" ingevoegd tussen de woorden "of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer" en de woorden ", dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2-uitstootgehalte";
  2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
  "1/1. In afwijking van paragraaf 1, indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, zijn ook de beroepskosten, met uitsluiting van de brandstofkosten, met betrekking tot het gebruik van de bedoelde voertuigen, aftrekbaar tegen de volgende percentages:
  a) met betrekking tot elektriciteitskosten: tegen het in paragraaf 1 bedoelde percentage;
  b) wat de andere kosten betreft: tegen het percentage bepaald door de volgende formule:
  120 pct.. - (0,5 pct. * gram CO2 per kilometer).
  Het overeenkomstig het eerste lid, b), vastgestelde percentage mag niet hoger zijn dan 75 pct. indien het een voertuig betreft dat vóór 1 januari 2028 is gekocht, geleased of gehuurd, tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 bedoelde tarief voor voertuigen die geen CO2 uitstoten.
  Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is, gekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 januari 2018, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6e-bis norm of een latere norm, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2-uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5.
  De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.";
  3° paragraaf 1/1, tweede lid, ingevoegd bij de bepaling onder 2°, wordt vervangen als volgt:
  "Het overeenkomstig het eerste lid, b), vastgestelde percentage mag niet hoger zijn dan:
  - 75 pct. indien het een voertuig betreft dat vóór 1 januari 2028 is gekocht, geleased of gehuurd, tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 bedoelde tarief voor voertuigen die geen CO2 uitstoten;
  - 65 pct. indien het een voertuig betreft dat in 2028 is gekocht, geleased of gehuurd.";
  4° paragraaf 1/1, tweede lid, vervangen bij de bepaling onder 3°, wordt aangevuld met een streepje, luidende:
  "- 57,5 pct. indien het een voertuig betreft dat in 2029 is gekocht, geleased of gehuurd.";
  5° paragraaf 1/1, tweede lid, vervangen bij de bepaling onder 3° en gewijzigd bij de bepaling onder 4°, wordt aangevuld met een streepje, luidende:
  "- 0 pct. indien het een voertuig betreft dat vanaf 1 januari 2030 is gekocht, geleased of gehuurd.".
Art. 23. A l'article 66 du même Code, remplacé par la loi du 6 juillet 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots " ou 75 grammes si l'émission est calculée selon la norme Euro 6e-bis ou une norme ultérieure " sont insérés entre les mots " ou émet plus de 50 grammes de CO2 par kilomètre " et les mots " , l'émission de grammes de CO2 " ;
  2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit :
  " 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, lorsque le véhicule visé à l'article 65 est un véhicule hybride rechargeable visé à l'article 36, § 2, alinéa 10, les frais professionnels afférents à l'utilisation dudit véhicule, à l'exclusion des frais de carburant, sont également déductibles aux taux suivants :
  a) en ce qui concerne les frais d'électricité : au taux visé au paragraphe 1er ;
  b) en ce qui concerne les autres frais : au taux déterminé par la formule suivante :
  120 p.c.. - (0,5 p.c. * grammes de CO2 par kilomètre).
  Le taux visé à l'alinéa 1er, b), ne peut être supérieur à 75 p.c. s'il concerne un véhicule acheté, pris en leasing ou en location avant le 1er janvier 2028, sauf si le véhicule émet maximum 50 grammes de CO2 par kilomètre. Dans ce dernier cas, le taux déterminé ne peut être supérieur au taux visé au paragraphe 1er pour les véhicules qui n'émettent pas de CO2.
  Lorsque le véhicule visé à l'article 65 est un véhicule hybride rechargeable acheté, pris en leasing ou en location à partir du 1er janvier 2018, qui est équipé d'une batterie électrique avec une capacité énergétique de moins de 0,5 kWh par 100 kilogrammes de poids du véhicule ou émet plus de 50 grammes de CO2 par kilomètre ou 75 grammes si l'émission est calculée selon la norme Euro 6e-bis ou une norme ultérieure, l'émission de grammes de CO2 visée à l'alinéa 1er à prendre en considération est égale à celle du véhicule correspondant pourvu d'un moteur utilisant exclusivement le même carburant. S'il n'existe pas de véhicule correspondant pourvu d'un moteur utilisant exclusivement le même carburant, la valeur de l'émission est multipliée par 2,5.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par véhicule correspondant. " ;
  3° le paragraphe 1er/1, alinéa 2, inséré par le 2°, est remplacé par ce qui suit :
  " Le taux visé à l'alinéa 1er, b), ne peut être supérieur à :
  - 75 p.c. s'il concerne un véhicule acheté, pris en leasing ou en location avant le 1er janvier 2028, sauf si le véhicule émet au maximum 50 grammes de CO2 par kilomètre. Dans ce dernier cas, le taux déterminé ne peut être supérieur au taux visé au paragraphe 1er pour les véhicules qui n'émettent pas de CO2 ;
  - 65 p.c. s'il concerne un véhicule acheté, pris en leasing ou en location en 2028. " ;
  4° le paragraphe 1er/1, alinéa 2, remplacé par le 3°, est complété par un tiret rédigé comme suit :
  " - 57,5 p.c. s'il concerne un véhicule acheté, pris en leasing ou en location en 2029. " ;
  5° le paragraphe 1er/1, alinéa 2, remplacé par le 3° et modifié par le 4°, est complété par un tiret rédigé comme suit :
  " - 0 p.c. s'il concerne un véhicule acheté, pris en leasing ou en location à partir du 1er janvier 2030. ".
Art. 24. In artikel 3 van de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit worden de bepalingen onder 6°, 7° en 8° vervangen als volgt:
  "6° in paragraaf 2 worden de woorden "Paragraaf 1 is niet van toepassing" vervangen door de woorden "De paragrafen 1 en 1/1 en artikel 550 zijn niet van toepassing";
  7° in paragraaf 3 worden de woorden "in paragraaf 1" vervangen door de woorden "in de paragrafen 1 en 1/1 en in artikel 550";
  8° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
  " § 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 1/1 en artikel 550 worden de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een in die bepalingen bedoeld voertuig forfaitair op 0,15 euro per afgelegde kilometer bepaald. Deze afwijking geldt niet voor voertuigen die, overeenkomstig artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld, noch voor voertuigen waarvan de beroepskosten overeenkomstig paragraaf 1 niet aftrekbaar zijn.".
Art. 24. Dans l'article 3 de la loi du 25 novembre 2021 organisant le verdissement fiscal et social de la mobilité, les 6°, 7° et 8° sont remplacés par ce qui suit :
  " 6° dans le paragraphe 2, les mots " Le paragraphe 1er ne s'applique pas " sont remplacés par les mots " Les paragraphes 1er et 1er/1 et l'article 550 ne s'appliquent pas " ;
  7° dans le paragraphe 3, les mots " au paragraphe 1er, " sont remplacés par les mots " aux paragraphes 1er et 1er/1 et à l'article 550, " ;
  8° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er et 1er/1 et à l'article 550, les frais professionnels afférents aux déplacements entre le domicile et le lieu de travail au moyen d'un véhicule visé dans ces dispositions, sont fixés forfaitairement à 0,15 euros par kilomètre parcouru. La présente dérogation n'est pas applicable aux véhicules qui sont exonérés de la taxe de circulation conformément à l'article 5, § 1er, 3°, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, ni pour les véhicules dont les frais professionnels ne sont pas déductibles conformément au paragraphe 1er. ".
Art. 25. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 5. Artikel 198bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en vervangen bij de wet van 25 december 2017, wordt vervangen als volgt:
  "De artikelen 66, § 1/1, en 550, derde en vijfde lid, zijn niet van toepassing."
Art. 25. L'article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5. L'article 198bis du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et remplacé par la loi du 25 décembre 2017, est remplacé par ce qui suit :
  " Les articles 66, § 1er/1, et 550, alinéas 3 et 5, ne sont pas applicables. ". ".
Art. 26. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 10. In titel X van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 550 ingevoegd, luidende:
  "Art. 550. In afwijking van artikel 66, §§ 1 en 1/1, zijn de beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen die zijn aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 januari 2026 aftrekbaar tegen een tarief vastgelegd door toepassing van de volgende formule: 120 pct.. - (0,5 pct. * coëfficiënt * aantal gram CO2 per kilometer), waarbij de coëfficiënt wordt vastgesteld op 1 voor voertuigen met enkel een dieselmotor en op 0,95 voor andere voertuigen. Wanneer het voertuig is uitgerust met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen heeft van minder dan 12 fiscale paardenkracht wordt de coëfficiënt verder verlaagd tot 0,90. Het tarief wordt afgerond tot het hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
  Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 juli 2023 kan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief niet lager zijn dan 50 pct., tenzij het een voertuig met een CO2-uitstoot van 200 gram per kilometer of meer betreft of een voertuig waarvan geen gegevens met betrekking tot het CO2-uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen, in welk geval het tarief 40 pct. bedraagt, noch hoger zijn dan 100 pct.
  In afwijking van het tweede lid, bedraagt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief voor de gedane of gedragen beroepskosten met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangekochte, geleasede of gehuurde voertuigen:
  - minimum 75 pct. in aanslagjaar 2026;
  - minimum 70 pct. in aanslagjaar 2027;
  - minimum 65 pct. in aanslagjaar 2028;
  - minimum 60 pct. in aanslagjaar 2029;
  - minimum 55 pct. in aanslagjaar 2030;
  - minimum 50 pct. vanaf aanslagjaar 2031.
  Voor de voertuigen aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2025 kan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde tarief niet hoger zijn dan 50 pct., tenzij het een voertuig betreft dat geen CO2 uitstoot, en bedraagt het tarief 0 pct. indien geen gegevens met betrekking tot het CO2-uitstootgehalte beschikbaar zijn bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen.
  In afwijking van het eerste en vierde lid, indien het een in artikel 36, § 2, tiende lid, bedoeld oplaadbaar hybridevoertuig betreft dat is aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2025, zijn de beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de bedoelde voertuigen, aftrekbaar tegen de volgende percentages:
  a) met betrekking tot elektriciteitskosten: 100 pct.;
  b) wat de benzine- of dieselkosten betreft: tegen het overeenkomstig het vierde lid vastgestelde percentage;
  c) wat de andere kosten betreft: tegen het percentage bepaald overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde formule. Dit percentage mag niet hoger zijn dan 75 pct., tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot. In dat laatste geval mag het vastgestelde percentage niet hoger zijn dan 100 pct.
  Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of 75 gram indien de uitstoot berekend is volgens de Euro 6 e-bis norm of een latere norm, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2-uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5. Voor de berekening van de energiecapaciteit, wordt het verkregen resultaat afgerond tot het hogere of lagere tiende, naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.
  Het in het eerste lid vastgestelde tarief kan niet hoger zijn dan 50 pct. voor wat betreft de benzine- of dieselkosten met betrekking tot het gebruik van een vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 aangekocht, geleased of gehuurd oplaadbaar hybridevoertuig.
  In afwijking van het eerste lid en van artikel 66, §§ 1 en 1/1, zijn de minderwaarden met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde voertuigen als beroepskosten aftrekbaar tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen, voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct., en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken.
  De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt van toepassing voor voertuigen uitgerust met een aardgasmotor en met een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale paardenkracht verlagen tot minimum 0,75, en de in het zesde lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.
  Het zesde lid is niet van toepassing voor de hybridevoertuigen die worden aangekocht vóór 1 januari 2018.".".
Art. 26. L'article 10 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 10. Dans le titre X du même Code, il est inséré un article 550 rédigé comme suit :
  " Art. 550. Par dérogation à l'article 66, §§ 1er et 1er/1, les frais professionnels afférents à l'utilisation des véhicules visés à l'article 65, qui sont achetés, pris en leasing ou en location avant le 1er janvier 2026, sont déductibles à un taux déterminé par la formule suivante: 120 p.c. - (0,5 p.c. * coefficient * grammes de CO2 par kilomètre), où le coefficient est fixé à 1 pour les véhicules alimentés uniquement au diesel, et à 0,95 pour les autres véhicules. Lorsque le véhicule est équipé d'un moteur au gaz naturel et que sa puissance fiscale est inférieure à 12 chevaux fiscaux, le coefficient est réduit à 0,90. Le taux est arrondi au dixième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des centièmes atteint ou non 5.
  Pour les véhicules achetés, pris en leasing ou en location avant le 1er juillet 2023, le taux déterminé conformément à l'alinéa 1er ne peut être inférieur à 50 p.c., sauf si cela concerne un véhicule qui émet 200 grammes de CO2 par kilomètre ou plus, ou un véhicule pour lequel aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction pour l'Immatriculation des Véhicules, auquel cas le taux est fixé à 40 p.c., ni supérieur à 100 p.c.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le taux déterminé conformément à l'alinéa 1er, s'élève, pour les frais professionnels faits ou supportés afférents à l'utilisation des véhicules achetés, pris en leasing ou en location avant le 1er janvier 2018 :
  - à un minimum de 75 p.c. pour l'exercice d'imposition 2026 ;
  - à un minimum de 70 p.c. pour l'exercice d'imposition 2027 ;
  - à un minimum de 65 p.c. pour l'exercice d'imposition 2028 ;
  - à un minimum de 60 p.c. pour l'exercice d'imposition 2029 ;
  - à un minimum de 55 p.c. pour l'exercice d'imposition 2030 ;
  - à un minimum de 50 p.c. à partir de l'exercice d'imposition 2031.
  Pour les véhicules achetés, pris en leasing ou en location à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 31 décembre 2025, le taux déterminé conformément à l'alinéa 1er ne peut être supérieur à 50 p.c., sauf si cela concerne un véhicule qui n'émet pas de CO2, et le taux est égal à 0 p.c. si aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction pour l'Immatriculation des Véhicules.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 4, lorsqu'il s'agit d'un véhicule hybride rechargeable visé à l'article 36, § 2, alinéa 10, acheté, pris en leasing ou en location à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 31 décembre 2025, les frais professionnels afférents à l'utilisation dudit véhicule sont déductibles aux taux suivants :
  a) en ce qui concerne les frais d'électricité : 100 p.c. ;
  b) en ce qui concerne les frais d'essence ou de diesel : au taux déterminé conformément à l'alinéa 4 ;
  c) en ce qui concerne les autres frais : au taux déterminé conformément à la formule visée à l'alinéa 1er. Ce taux ne peut être supérieur à 75 p.c., sauf si le véhicule émet maximum 50 grammes de CO2 par kilomètre. Dans ce dernier cas, le taux déterminé ne peut être supérieur à 100 p.c.
  Lorsque le véhicule visé à l'article 65 est un véhicule hybride rechargeable visé à l'article 36, § 2, alinéa 10, qui est équipé d'une batterie électrique avec une capacité énergétique de moins de 0,5 kWh par 100 kilogrammes de poids du véhicule ou émet plus de 50 grammes de CO2 par kilomètre ou 75 grammes si l'émission est calculée selon la norme Euro 6 e-bis ou une norme ultérieure, l'émission de grammes de CO2 visée à l'alinéa 1er à prendre en considération est égale à celle du véhicule correspondant pourvu d'un moteur utilisant exclusivement le même carburant. S'il n'existe pas de véhicule correspondant pourvu d'un moteur utilisant exclusivement le même carburant, la valeur de l'émission est multipliée par 2,5. Pour le calcul de la capacité énergétique, le résultat obtenu est arrondi au dixième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des centièmes atteint ou non 5.
  Le taux déterminé conformément à l'alinéa 1er, ne peut être supérieur à 50 p.c. en ce qui concerne les frais d'essence ou de diesel afférents à l'utilisation d'un véhicule hybride rechargeable acheté, pris en leasing ou en location à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 juin 2023.
  Par dérogation à l'alinéa 1er et à l'article 66, §§ 1er et 1er/1, les moins-values relatives aux véhicules visés à l'alinéa 1er sont déductibles en tant que frais professionnels à concurrence du rapport exprimé en pour cent entre la somme des amortissements fiscalement admis antérieurement à la vente, limité à 100 p.c. pour chaque période imposable, et la somme des amortissements comptables pour les périodes imposables correspondantes.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par véhicule correspondant.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, diminuer le coefficient visé à l'alinéa 1er applicable aux véhicules équipés d'un moteur au gaz naturel et avec une puissance fiscale inférieure à 12 chevaux fiscaux, jusqu'à minimum 0,75, et augmenter la capacité énergétique minimale visée à l'alinéa 6 jusqu'à maximum 2,1 kWh par 100 kilogrammes de poids du véhicule.
  L'alinéa 6 n'est pas applicable aux véhicules hybrides achetés avant le 1er janvier 2018. ". ".
Art. 27. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) een bepaling onder 4° /1 wordt ingevoegd, luidende:
  "4° /1 in het vroegere vijfde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "In afwijking van het eerste en vierde lid" vervangen door de woorden "In afwijking van het eerste lid", en wordt de bepaling onder b) opgeheven;";
  b) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt:
  "5° in het vroegere tiende en elfde lid, die het achtste en negende lid worden, worden de woorden "zesde lid" telkens vervangen door de woorden "vierde lid".".
Art. 27. A l'article 11 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) un 4° /1 est inséré, rédigé comme suit :
  " 4° /1 dans l'ancien alinéa 5, qui devient l'alinéa 3, les mots " Par dérogation aux alinéas 1er et 4 " sont remplacés par les mots " Par dérogation à l'alinéa 1er ", et le b) est abrogé ; " ;
  b) le 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° dans les anciens alinéas 10 et 11, qui deviennent les alinéas 8 et 9, les mots " alinéa 6 " sont chaque fois remplacés par les mots " alinéa 4 ". ".
Art. 28. In artikel 12, twaalfde lid, van dezelfde wet, worden de woorden "Artikel 11, 1° tot 3° en 5° " vervangen door de woorden "Artikel 11, 1° tot 3°, 4° /1 en 5° ".
Art. 28. Dans l'article 12, alinéa 12, de la même loi, les mots " L'article 11, 1° à 3° et 5° " sont remplacés par les mots " L'article 11, 1° à 3°, 4° /1 et 5° ".
Art. 29. De artikelen 22 en 23, 1°, hebben uitwerking vanaf 1 januari 2025 en zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2026 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2025.
  Artikel 23, 2°, treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2027.
  Artikel 23, 3°, treedt in werking op 1 januari 2028.
  Artikel 23, 4°, treedt in werking op 1 januari 2029.
  Artikel 23, 5°, treedt in werking op 1 januari 2030.
Art. 29. Les articles 22 et 23, 1°, produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2025 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2026 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2025.
  L'article 23, 2°, entre en vigueur le 1er janvier 2026 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2027.
  L'article 23, 3°, entre en vigueur le 1er janvier 2028.
  L'article 23, 4°, entre en vigueur le 1er janvier 2029.
  L'article 23, 5°, entre en vigueur le 1er janvier 2030.
Afdeling 5. - Investeringsaftrek
Section 5. - Déduction pour investissement
Art. 30. In artikel 69/1, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 12 mei 2024, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 69/1, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 12 mai 2024, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 31. In artikel 72 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, zelf gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 31. Dans l'article 72 du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, lui-même modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 32. In artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 mei 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "artikel 69, eerste lid, 1° " vervangen door de woorden "artikel 69, eerste lid, 1°, en derde lid";
  2° in paragraaf 1, eerste lid, 1°, worden de woorden "Evenwel wordt dit basispercentage verhoogd met 10 percentpunten als het digitale vaste activa betreft" opgeheven;
  3° in paragraaf 1, eerste lid, wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende:
  "1/1° voor digitale vaste activa verkregen of tot stand gebracht door een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht, het basispercentage, zoals bedoeld in de bepaling onder 1°, verhoogd met 10 percentpunten;";
  4° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden "in de bepaling onder 1° " vervangen door de woorden "in de bepalingen onder 1° en 1° /1";
  5° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
  6° in paragraaf 1, in het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "artikelen 69, eerste lid, 2° en 3°, en 70" vervangen door de woorden "artikelen 69, eerste lid, 3°, en 70" en worden de woorden "en voor die belastingplichtige, worden de in artikel 72, tweede lid, bedoelde bedragen van 620.000 euro en 2.480.000 euro respectievelijk op 310.000 euro en 1.240.000 euro bepaald. Deze bedragen worden jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, bepaalde coëfficiënt" opgeheven;
  7° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  8° in paragraaf 1, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden " § 1. De in artikel 69" vervangen door de woorden "De in artikel 69".
Art. 32. A l'article 201 du même Code, remplacé par la loi du 28 juillet 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 12 mai 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, phrase liminaire, les mots " l'article 69, alinéa 1er, 1° " sont remplacés par les mots " l'article 69, alinéa 1er, 1°, et alinéa 3 " ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, les mots " Toutefois, le pourcentage de base est majoré de 10 points en ce qui concerne les immobilisations numériques " sont abrogés ;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, il est inséré un 1° /1 rédigé comme suit :
  " 1/1° pour les immobilisations numériques acquises ou constituées par une société considérée comme petite société pour l'exercice d'imposition lié à la période imposable au cours de laquelle elle a effectué ces investissements, le pourcentage de base visé au 1°, majoré de 10 points ; " ;
  4° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots " au 1° " sont remplacés par les mots " aux 1° et 1° /1 " ;
  5° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est abrogé ;
  6° dans le paragraphe 1er, dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 3, les mots " articles 69, alinéa 1er, 2° et 3°, et 70 " sont remplacés par les mots " articles 69, alinéa 1er, 3° et 70 " et les mots " et pour ce contribuable, les montants de 620.000 euros et de 2.480.000 euros prévus à l'article 72, alinéa 2, sont fixés respectivement à 310.000 euros et à 1.240.000 euros. Ces montants sont adaptés annuellement à l'indice des prix à la consommation du Royaume à l'aide du coefficient déterminé à l'article 178, § 3, alinéa 1er, 2° " sont abrogés ;
  7° le paragraphe 2 est abrogé ;
  8° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, phrase liminaire, les mots " § 1er. La déduction de base " sont remplacés par les mots " La déduction de base ".
Art. 33. De artikelen 30, 31 en 32, 1° tot 6°, zijn van toepassing op activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2025.
  Artikel 32, 7° en 8°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2027.
Art. 33. Les articles 30, 31 et 32, 1° à 6°, sont applicables aux immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025.
  L'article 32, 7° et 8°, entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2027.
Afdeling 6. - Onderhoudsuitkeringen
Section 6. - Rentes alimentaires
Art. 34. In artikel 99 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "80 pct." worden vervangen door de woorden "70 pct.";
  2° de woorden "70 pct." worden vervangen door de woorden "60 pct.";
  3° de woorden "60 pct." worden vervangen door de woorden "50 pct.".
Art. 34. A l'article 99 du même Code, modifié par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " 80 p.c. " sont remplacés par les mots " 70 p.c. " ;
  2° les mots " 70 p.c. " sont remplacés par les mots " 60 p.c. " ;
  3° les mots " 60 p.c. " sont remplacés par les mots " 50 p.c. ".
Art. 35. In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "aan personen" vervangen door de woorden "aan inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland";
  b) in de bepalingen onder 1° en 2° worden de woorden "80 pct." telkens vervangen door de woorden "70 pct.";
  c) in de bepalingen onder 1° en 2° worden de woorden "70 pct." telkens vervangen door de woorden "60 pct.";
  d) in de bepalingen onder 1° en 2° worden de woorden "60 pct." telkens vervangen door de woorden "50 pct.".
Art. 35. A l'article 104 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 1°, les mots " à des personnes " sont remplacés par les mots " à des résidents d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Suisse " ;
  b) dans le 1° et 2°, les mots " 80 p.c. " sont chaque fois remplacés par les mots " 70 p.c. " ;
  c) dans le 1° et 2°, les mots " 70 p.c. " sont chaque fois remplacés par les mots " 60 p.c. " ;
  d) dans le 1° et 2°, les mots " 60 p.c. " sont chaque fois remplacés par les mots " 50 p.c. ".
Art. 36. In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, wordt de bepaling onder c) aangevuld met de woorden "wanneer de verkrijger inwoner is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland".
Art. 36. Dans l'article 228, § 2, 9°, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 24 décembre 2020, le c) est complété par les mots " lorsque le bénéficiaire est un résident d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Suisse ".
Art. 37. De artikelen 35, a), en 36 treden in werking op de laatste dag van de maand waarin ze worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de belastbare tijdperken die eindigen na die datum.
  De artikelen 34, 1°, en 35, b), zijn van toepassing op de onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2025 worden betaald of toegekend en verbonden zijn met een belastbaar tijdperk dat eindigt na 30 december 2025.
  De artikelen 34, 2°, en 35, c), zijn van toepassing op de onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend.
  De artikelen 34, 3°, en 35, d), zijn van toepassing op de onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2027 worden betaald of toegekend.
Art. 37. Les articles 35, a), et 36 entrent en vigueur le dernier jour du mois au cours duquel ils sont publiés au Moniteur belge et sont applicables aux périodes imposables prenant fin après cette date.
  Les articles 34, 1°, et 35, b), sont applicables aux rentes alimentaires payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2025 et liées à une période imposable prenant fin après le 30 décembre 2025.
  Les articles 34, 2°, et 35, c), sont applicables aux rentes alimentaires payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2026.
  Les articles 34, 3°, et 35, d), sont applicables aux rentes alimentaires payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2027.
Afdeling 7. - Bestaansmiddelen van personen ten laste
Section 7. - Ressources de personnes à charge
Art. 38. Artikel 141 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 141. Het in artikel 136 bedoelde bedrag van 1.800 euro wordt gebracht op 5.265 euro voor kinderen ten laste.".
Art. 38. L'article 141 du même Code, remplacé par la loi du 10 août 2001 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 141. Le montant de 1.800 euros visé à l'article 136 est porté à 5.265 euros pour les enfants à charge. ".
Art. 39. In artikel 143 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2025, worden in de bepaling onder 1° de woorden "die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid" ingevoegd tussen de woorden "evenals studiebeurzen" en de woorden "en premies voor het voorhuwelijkssparen".
Art. 39. Dans l'article 143 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 10 avril 2025, dans le 1°, les mots " qui ne donnent pas lieu à la constitution de droits complets ou non complets en matière de sécurité sociale " sont insérés entre les mots " ainsi que des bourses d'études " et les mots " et des primes à l'épargne prénuptiale ".
Art. 40. In artikel 145 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, 1° wordt het woord "bezoldigingen" vervangen door het woord "beroepsinkomsten";
  b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
  "3° een leefloon verkrijgen.";
  c) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt onder leefloon verstaan:
  - het leefloon dat wordt toegekend bij toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht;
  - de financiële hulp equivalent aan het leefloon die wordt verleend bij toepassing van artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht.".
Art. 40. A l'article 145 du même Code, remplacé par la loi du 18 décembre 2016, et modifié par la loi du 17 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, 1°, le mot " rémunérations " est remplacé par les mots " revenus professionnels " ;
  b) l'alinéa 1er est complété par un 3° rédigé comme suit :
  " 3° qui bénéficient d'un revenu d'intégration. " ;
  c) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, on entend par revenu d'intégration :
  - le revenu d'intégration accordé en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les allocations similaires de droit étranger ;
  - l'aide financière équivalente au revenu d'intégration accordée en application de l'article 60, § 3, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale et des allocations similaires de droit étranger. ".
Art. 41. Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Art. 41. La présente section est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Afdeling 8. - Indexering van fiscale uitgaven
Section 8. - Indexation de dépenses fiscales
Art. 42. In artikel 134, § 3, tweede lid, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2022, worden de woorden "250 euro" vervangen door de woorden "550 euro".
Art. 42. Dans l'article 134, § 3, alinéa 2, premier tiret, du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2022, les mots " 250 euros " sont remplacés par les mots " 550 euros ".
Art. 43. In artikel 178 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij artikel 19 van deze wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 3, tweede lid, 4°, worden de woorden "en volgende" vervangen door de woorden "tot 2030" en worden de woorden "van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat," vervangen door de woorden "van het jaar 2023";
  b) paragraaf 3, tweede lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° voor de aanslagjaren 2031 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2028 en 2023.";
  c) in paragraaf 3 wordt tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
  "In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat het in artikel 38, § 1, eerste lid, 9, c, bedoelde bedrag betreft, de aanpassing vanaf het aanslagjaar 2026 verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2024 en 2023.";
  c)/1. in paragraaf 3, in het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "overeenkomstig het derde lid, 2°, " vervangen door de woorden "overeenkomstig het vierde lid, 2°, ";
  d) paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van het tweede lid, 4°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, bedoelde bedragen voor het aanslagjaar 2026 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk rekening houdende met het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2023. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2027 tot 2030.";
  e) in paragraaf 5 wordt de bepaling onder 3° /1 vervangen als volgt:
  "3° /1 de in de artikelen 134, § 3, tweede lid, en 145, tweede lid, bedoelde bedragen;".
Art. 43. A l'article 178 du même Code, modifié en dernier lieu par l'article 19 de la présente loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 3, alinéa 2, 4°, les mots " et suivants " sont remplacés par les mots " à 2030 " et les mots " de l'année qui précède celle des revenus " sont remplacés par les mots " de l'année 2023 " ;
  b) le paragraphe 3, alinéa 2, est complété par un 5° rédigé comme suit :
  " 5° pour les exercices d'imposition 2031 et suivants au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par successivement le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991, le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012, le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2022 et 2018 et le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2028 et 2023. " ;
  c) dans le paragraphe 3, il est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, l'adaptation en ce qui concerne le montant visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 9, c, est réalisée à partir de l'exercice d'imposition 2026 au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991 et le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2024 et 2023. " ;
  c)/1. dans le paragraphe 3, dans l'ancien alinéa 4, devenant l'alinéa 5, les mots " conformément à l'alinéa 3, 2°, " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 4, 2°, " ;
  d) le paragraphe 3 est complété d'un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, 4°, les montants visés à l'article 1458, § 1er, alinéas 2 et 3, sont adaptés pour l'exercice d'imposition 2026 à l'indice des prix à la consommation du Royaume en tenant compte de la moyenne des indices des prix de l'année 2024 au lieu de l'année 2023. Les montants ainsi indexés s'appliquent également pour les exercices d'imposition 2027 à 2030. " ;
  e) dans le paragraphe 5, le 3° /1 est remplacé par ce qui suit :
  " 3° /1 les montants visés aux articles 134, § 3, alinéa 2, et 145, alinéa 2 ; ".
Art. 44. Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Art. 44. La présente section est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Afdeling 9. - DBI-aftrek en DBI-beveks
Section 9. - Déduction RDT et SICAV RDT
Onderafdeling 1. - Groepsbijdrage
Sous-section 1.re. - Transfert intra-groupe
Art. 45. In artikel 206/3, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 januari 2022 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het achtste streepje opgeheven;
  2° het tweede lid wordt aangevuld met een streepje, luidende:
  "- het gedeelte van het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt.".
Art. 45. A l'article 206/3, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 21 janvier 2022 et modifié par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le huitième tiret est abrogé ;
  2° l'alinéa 2 est complété avec un tiret, rédigé comme suit :
  " - la partie du montant du transfert intra-groupe visé à l'article 185, § 4, alinéa 1er, excédant le résultat négatif établi avant la reprise du transfert intra-groupe dans la base imposable de la période imposable. ".
Onderafdeling 2. - DBI-beveks
Sous-section 2. - SICAV-RDT
Art. 46. In titel III, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 219sexies ingevoegd, luidende:
  "Art. 219sexies. In hoofde van de vennootschappen die overeenkomstig artikel 192, § 1, vrijgestelde meerwaarden verwezenlijken op de in het tweede lid bedoelde aandelen, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd.
  Het toepassingsgebied van de in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag omvat de aandelen van een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, waarvan de uitgekeerde inkomsten in ten minste één van de voorgaande belastbare tijdperken in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst werden afgetrokken.
  De in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag wordt niet geheven op de vrijgestelde meerwaarde gerealiseerd op aandelen van private privaks, als bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. De beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 298 van de voormelde wet van 19 april 2014, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 298 van dezelfde wet.
  Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbare tijdperk tijdens hetwelk deze meerwaarden worden verwezenlijkt.
  Die aanslag is gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de verwezenlijkte meerwaarden, in de mate dat die overeenkomstig artikel 192, § 1, worden vrijgesteld.
  Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn.".
Art. 46. Dans le titre III, chapitre III, section 2, du même Code, il est inséré un article 219sexies, rédigé comme suit :
  " Art. 219sexies. Dans le chef des sociétés qui réalisent conformément à l'article 192, § 1er, des plus-values exonérées sur des actions ou parts visées à l'alinéa 2, il est établi une cotisation distincte.
  Le champ d'application de la cotisation distincte visée à l'alinéa 1er comprend les actions ou parts d'une société d'investissement visée à l'article 203, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou d'une société d'investissement à capital fixe en biens immobiliers, d'une société immobilière réglementée ou d'une société étrangère visée à l'article 203, § 1er, alinéa 1er, 2° bis, dont les revenus distribués ont été déduits des bénéfices en application des articles 202 et 203 d'au moins une des périodes imposables antérieures.
  La cotisation distincte visée à l'alinéa 1er, n'est pas établie sur les plus-values exonérées réalisées sur des actions des pricaf privées, visées à l'article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires. Les sociétés d'investissement qui, dans un Etat membre de l'Union européenne, répondent aux caractéristiques d'un organisme de placement collectif alternatif visé à l'article 298 de la loi précitée du 19 avril 2014, dont les titres sont détenus de manière privée conformément aux dispositions analogues de cet Etat membre en ce qui concerne l'appel public à l'épargne, sont assimilées pour l'application du présent article aux pricaf privées visées à l'article 298 de la même loi.
  Cette cotisation est établie pour la période imposable au cours de laquelle ces plus-values sont réalisées.
  Cette cotisation est égale à 5 p.c. du montant total des plus-values réalisées, dans la mesure où elles sont exonérées conformément à l'article 192, § 1er.
  Cette cotisation distincte est indépendante de, et est, le cas échéant, complémentaire à d'autres impositions qui sont dues en vertu d'autres dispositions du présent Code ou, le cas échéant, dans le cadre de la mise en oeuvre de dispositions légales particulières. ".
Art. 47. Artikel 233 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag vastgesteld volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies.".
Art. 47. L'article 233 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 18 juillet 2025, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Une cotisation distincte est en outre établie selon les règles visées à l'article 219sexies. ".
Art. 48. Artikel 246, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° De afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, vierde lid, wordt berekend volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies.".
Art. 48. L'article 246, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 18 juillet 2025, est complété par un 5° rédigé comme suit :
  " 5° La cotisation distincte visée à l'article 233, alinéa 4, est calculée selon les règles visées à l'article 219sexies. ".
Art. 49. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 282/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 282/1. Uit hoofde van dividenden die in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst worden afgetrokken, wordt geen roerende voorheffing verrekend indien deze dividenden worden betaald of toegekend door een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2° bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, tenzij de belastingplichtige aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider de minimale bezoldiging bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°, ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de inkomsten worden verkregen, heeft toegekend.
  Dit artikel is niet van toepassing op de dividenden die worden verkregen door in artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde erkende coöperatieve vennootschappen.".
Art. 49. Dans le titre VI, chapitre II, section 3, du même Code, il est inséré un article 282/1 rédigé comme suit :
  " Art. 282/1. Aucun précompte mobilier n'est imputé à raison des dividendes qui sont déduits des bénéfices en application des articles 202 et 203, lorsque ces dividendes sont payés ou attribués par une société d'investissement visée à l'article 203, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou une société d'investissement à capital fixe en biens immobiliers, une société immobilière réglementée ou une société étrangère visée à l'article 203, § 1er, alinéa 1er, 2° bis, sauf si le contribuable a alloué à au moins un dirigeant d'entreprise visé à l'article 32 la rémunération minimale visées à l'article 215, alinéa 3, 4°, à charge du résultat de la période imposable au cours de laquelle les revenus sont reçus.
  Le présent article n'est pas applicable aux dividendes recueillis par des sociétés coopératives agréées visée à l'article 8:4 du Code des sociétés et des associations. ".
Art. 50. Deze onderafdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
  Elke wijziging die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van de bepalingen van deze afdeling, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van deze onderafdeling.
Art. 50. La présente sous-section est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
  Toute modification apportée à partir du 3 février 2025 à la date de clôture de l'exercice, et qui n'est pas justifiée par le contribuable pour des raisons autres que l'évasion des dispositions de la présente section, reste sans effet pour l'application de la présente sous-section.
Afdeling 10. - Wijzigingen betreffende het belastingkrediet voor eigen middelen
Section 10. - Modifications relatives au crédit d'impôt pour moyens propres
Art. 51. In artikel 289bis, § 1, eerste lid, inleidende zin, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995 en vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "10 pct." vervangen door de woorden "20 pct." en worden de woorden "3.750 euro" vervangen door de woorden "7500 euro".
Art. 51. Dans l'article 289bis, § 1er, alinéa 1er, phrase liminaire, du même Code, inséré par la loi du 20 décembre 1995 et remplacé par la loi du 8 mai 2014, les mots " 10 p.c. " sont remplacés par les mots " 20 p.c. " et les mots " 3.750 euros " sont remplacés par les mots " 7500 euros ".
Art. 52. Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Art. 52. La présente section est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Afdeling 11. - Vereenvoudiging van de belastingaangifte
Section 11. - Simplification de la déclaration fiscale
Onderafdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Sous-section 1re. - Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 53. In artikel 38, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij artikel 19 van deze wet, wordt de bepaling onder 17° opgeheven.
Art. 53. Dans l'article 38, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par l'article 19 de la présente loi, le 17° est abrogé.
Art. 54. In artikel 44bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2003, worden de woorden "uiterlijk op 31 augustus 2025" ingevoegd tussen de woorden "De meerwaarden die" en de woorden "in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden".
Art. 54. Dans l'article 44bis, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 14 janvier 2003, les mots " au plus tard le 31 août 2025 " sont insérés entre les mots " Les plus-values qui sont réalisées " et les mots " sur les véhicules d'entreprise ".
Art. 55. In artikel 51 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet 31 juli 2023, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 55. Dans l'article 51 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, l'alinéa 4 est abrogé.
Art. 56. In artikel 67 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 oktober 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden in de inleidende zin de woorden "uiterlijk op 31 augustus 2025" ingevoegd tussen de woorden "per bijkomende" en de woorden "aangeworven personeelseenheid";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "uiterlijk op 31 augustus 2025" ingevoegd tussen het woord "tewerkstelling" en de woorden "voor een in § 1, 3° en 4°, vermelde betrekking".
Art. 56. A l'article 67 du même Code, remplacé par la loi du 27 octobre 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 juillet 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, la phrase liminaire est complétée par les mots " au plus tard le 31 août 2025 " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " au plus tard le 31 août 2025 " sont insérés entre les mots " en cas d'affectation " et les mots " à un emploi ".
Art. 57. In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel "1° Uitvoer. - Integrale kwaliteitszorg", dat het artikel 67 bevat, laatstelijk gewijzigd bij artikel 56 van deze wet, opgeheven.
Art. 57. Dans le titre II, chapitre II, section 4, sous-section 3, B, du même Code, la partie " 1° Exportations. - Gestion intégrale de la qualité ", qui comprend l'article 67, modifiée en dernier lieu par article 56 de la présente loi, est abrogée.
Art. 58. In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel "1° bis Stage in de onderneming", dat het artikel 67bis bevat, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, opgeheven.
Art. 58. Dans le titre II, chapitre II, section 4, sous-section 3, B, du même Code, la partie " 1° bis Stage en entreprise ", qui comprend l'article 67bis, insérée par la loi du 23 décembre 2005 et modifiée par la loi du 26 décembre 2013, est abrogée.
Art. 59. In artikel 67ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "tot en met aanslagjaar 2025" ingevoegd tussen de woorden "tewerkstellen, worden" en de woorden "vrijgesteld tot een", en worden de woorden "uiterlijk op 31 december 2024" ingevoegd tussen de woorden "3.720 EUR per" en de woorden "in België";
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 59. A l'article 67ter du même Code, inséré par la loi du 8 juin 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " jusqu'à l'exercice d'imposition 2025 compris " sont insérés entre les mots " au sens de l'article 30, 1°, sont " et les mots " exonérés à concurrence ", et les mots " au plus tard le 31 décembre 2024 " sont insérés entre les mots " personnel supplémentaire occupé " et les mots " en Belgique ";
  2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 60. In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel "1° ter Bijkomend personeel", dat het artikel 67ter bevat, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij artikel 59, opgeheven.
Art. 60. Dans le titre II, chapitre II, section 4, sous-section 3, B, du même Code, la partie " 1° ter Personnel supplémentaire ", qui comprend l'article 67ter, insérée par la loi du 8 juin 2008 et modifiée par l'article 59, est abrogée.
Art. 61. In artikel 67quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "tot en met 30 september 2025" ingevoegd tussen de woorden "bezoldigingen toegekend" en de woorden "aan werknemers";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt drie weken bezoldiging, vanaf het zesde door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014 tot uiterlijk 31 augustus 2025.".
Art. 61. A l'article 67quater du même Code, inséré par la loi du 26 décembre 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " jusqu'au 30 septembre 2025 " sont insérés entre les mots " rémunération attribuée " et les mots " à leurs travailleurs " ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Par travailleur visé à l'alinéa 1er, le montant des bénéfices et profits à exonérer pour la période imposable s'élève à trois semaines de rémunération, à partir de la sixième année de service commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014 jusqu'au 31 août 2025 au plus tard. ".
Art. 62. In artikel 129/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, 17° en 29° " vervangen door de woorden "38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, en 29° ";
  2° in het zesde lid worden de woorden "de artikelen 22, § 3, en 51, vierde lid," vervangen door de woorden "artikel 22, § 3,".
Art. 62. A l'article 129/1 du même Code, inséré par la loi-programme du 25 décembre 2017 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " 38, § 1er, alinéa 1er, 9°, c, 14°, a, 17° et 29° " sont remplacés par les mots " 38, § 1er, alinéa 1er, 9°, c, 14°, a, et 29° " ;
  2° dans l'alinéa 6, les mots " des articles 22, § 3, et 51, alinéa 4 " sont remplacés par les mots " de l'article 22, § 3 ".
Art. 63. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIsepties/1 "- Vermindering voor minderwaarden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een private privak", die het artikel 14526/1 bevat, ingevoegd bij de wet 26 maart 2018, opgeheven.
Art. 63. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIsepties/1 " - Réduction pour moins-values actées à l'occasion du partage total de l'avoir social d'une pricaf privée ", qui comprend l'article 14526/1, insérée par la loi du 26 mars 2018, est abrogée.
Art. 64. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IInonies "- Vermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig of met het oog op de installatie van een oplaadpunt voor elektrische voertuigen", die het artikel 14528 bevat, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, opgeheven.
Art. 64. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IInonies " - Réduction pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule électrique ou une installation d'une borne de rechargement de véhicules électriques ", qui comprend l'article 14528, insérée par la loi du 9 juillet 2004 et modifiée en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, est abrogée.
Art. 65. In artikel 14532 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juni 2008, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "Wanneer de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de aandelen heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan," vervangen door de woorden "Wanneer er een vermindering voor uitgaven voor een ontwikkelingsfonds werd verleend overeenkomstig paragraaf 1, zoals hij bestond alvorens te worden opgeheven bij de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, en de aandelen van het ontwikkelingsfonds anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen 60 maanden na de verwerving ervan," en worden de woorden "van de overeenkomstig paragraaf 1 werkelijk verkregen" vervangen door de woorden "van de overeenkomstig de voormelde paragraaf 1 werkelijk verkregen";
  3° in paragraaf 3, wordt de inleidende zin vervangen als volgt:
  " § 3. Elk erkend ontwikkelingsfonds zoals bedoeld in de wet van 1 juni 2008 houdende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver aan wie het een document heeft bezorgd voor het jaar van de verwerving van de aandelen met het oog op het verkrijgen van de belastingvermindering en een ander aan de aanslagdienst waarvan hij afhangt met daarin:";
  4° in paragraaf 3, wordt de bepaling onder het eerste streepje opgeheven.
Art. 65. A l'article 14532 du même Code, inséré par la loi du 1er juin 2008, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par la loi du 8 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est abrogé ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " Lorsque la condition visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, n'a pas été observée durant une des années suivant l'année de versement parce que le souscripteur a cédé les actions dans les 60 mois suivant leur acquisition, " sont remplacés par les mots " Lorsqu'une réduction pour les dépenses consacrées à un fonds de développement a été accordée conformément au paragraphe 1er, tel qu'il existait avant d'être abrogé par la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, et que les actions du fonds de développement font l'objet d'une mutation, autre qu'une mutation par décès, au cours des 60 mois suivant leur acquisition, " et les mots " réellement obtenue conformément au paragraphe 1er " sont remplacés par les mots " réellement obtenue conformément au paragraphe 1er précité " ;
  3° dans le paragraphe 3, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit :
  " § 3. Chaque fonds de développement agréé tel que visé dans la loi du 1er juin 2008 instaurant une réduction d'impôt pour les participations sous la forme d'actions dans des fonds de développement du microfinancement dans les pays en développement et fixant les conditions d'agrément en tant que fonds de développement établit annuellement un document et en envoie, avant le 31 mars de l'exercice d'imposition, un exemplaire au souscripteur auquel il a fourni un document pour l'année de l'acquisition des actions en vue d'obtenir la réduction d'impôt et un autre au service de taxation dont celui-ci dépend, et qui reprend : " ;
  4° dans le paragraphe 3, le premier tiret est abrogé.
Art. 66. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIterdecies "- Vermindering voor uitgaven voor een ontwikkelingsfonds. - Terugname van de vermindering", die het artikel 14532 bevat, ingevoegd bij de wet van 1 juni 2008, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij artikel 65, opgeheven.
Art. 66. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIterdecies " - Réduction pour les dépenses consacrées à un fonds de développement. - Reprise de la réduction ", qui contient l'article 14532, insérée par la loi du 1er juin 2008, remplacée par la loi du 21 décembre 2009 et modifiée en dernier lieu par l'article 65, est abrogée.
Art. 67. In artikel 14533, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden "45 pct." vervangen door de woorden "30 pct.".
Art. 67. Dans l'article 14533, § 1er, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 13 décembre 2012, les mots " 45 p.c. " sont remplacés par les mots " 30 p.c. ".
Art. 68. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIquinquedecies "- Vermindering voor bezoldigingen voor een huisbediende", die het artikel 14534 bevat, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, opgeheven.
Art. 68. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIquinquedecies " - Réduction d'impôts pour les rémunérations d'un employé de maison ", qui contient l'article 14534, insérée par la loi du 13 décembre 2012 et modifiée par la loi du 8 mai 2014, est abrogée.
Art. 69. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIvicies "- Vermindering voor uitgaven verricht in het kader van een adoptieprocedure", die het artikel 14548 bevat, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, opgeheven.
Art. 69. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIvicies " - Réduction pour les dépenses exposées dans le cadre d'une procédure d'adoption ", qui contient l'article 14548, insérée par la loi du 11 mars 2018, est abrogée.
Art. 70. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIvicies semel "- Vermindering voor premies voor een rechtsbijstandsverzekering", die het artikel 14549 bevat, ingevoegd bij de wet van 22 april 2019, opgeheven.
Art. 70. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIvicies semel " - Réduction pour primes pour une assurance protection juridique ", qui contient l'article 14549, insérée par la loi du 22 avril 2019, est abrogée.
Art. 71. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIvicies bis "- Belasting-vermindering voor uitgaven verricht voor de plaatsing van een laadstation", die het artikel 14550 bevat, ingevoegd bij de wet van 25 november 2021 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, opgeheven.
Art. 71. Dans le titre II, chapitre III, section 1re, du même Code, la sous-section IIvicies bis " - Réduction d'impôt pour les dépenses exposées pour l'installation d'une borne de recharge ", qui contient l'article 14550, insérée par la loi du 25 novembre 2021 et modifiée en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, est abrogée.
Art. 72. In artikel 171, 6°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij artikel 4, worden in de inleidende zin de woorden "14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548 tot 14550" vervangen door de woorden "14526, 14527, 14533, 14535,".
Art. 72. Dans l'article 171, 6°, du même Code, modifié en dernier lieu par l'article 4, dans la phrase liminaire, les mots " 14526 à 14528, 14532 à 14535, 14548 à 14550 " sont remplacés par les mots " 14526, 14527, 14533, 14535, ".
Art. 73. In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de woorden "14526/1, § 2, eerste lid, 14527, § 2, zesde lid, 14528, § 1, derde lid, 14532, § 1, vierde lid," vervangen door de woorden "14527, § 2, zesde lid," en worden de woorden "14534, tweede lid, 1°, en vijfde lid," opgeheven.
Art. 73. Dans l'article 174/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, les mots " 14526/1, § 2, alinéa 1er, 14527, § 2, alinéa 6, 14528, § 1er, alinéa 3, 14532, § 1er, alinéa 4, " sont remplacés par les mots " 14527, § 2, alinéa 6, " et les mots " 14534, alinéa 2, 1° et alinéa 5, " sont abrogés.
Art. 74. In artikel 178 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij artikel 41 van deze wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "14528, 14532, 14533, 14534, vijfde lid, 14548 en 14549," vervangen door de woorden "en 14533,";
  2° in paragraaf 5, wordt de bepaling onder 3° opgeheven.
Art. 74. A l'article 178 du même Code, modifié en dernier lieu par l'article 41 de la présente loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots " 14528, 14532, 14533, 14534, alinéa 5, 14548 et 14549, " sont remplacés par les mots " et 14533, " ;
  2° dans le paragraphe 5, le 3° est abrogé.
Art. 75. In artikel 178/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij artikel 6 van deze wet, worden de woorden "14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548 tot 14550" vervangen door de woorden "14526, 14527, 14533, 14535,".
Art. 75. Dans l'article 178/1, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par l'article 6 de la présente loi, les mots " 14526 à 14528, 14532 à 14535, 14548 à 14550 " sont remplacés par les mots " 14526, 14527, 14533, 14535, ".
Art. 76. Artikel 198quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, zelf gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 76. L'article 198quater du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017, elle-même modifiée par la loi du 2 mai 2019, est abrogé.
Art. 77. In artikel 243, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de inleidende zin worden de woorden "14532, §§ 2 en 3," opgeheven;
  b) in de bepaling onder 5° worden de woorden ", 14532, § 2," opgeheven.
Art. 77. A l'article 243, alinéa 3, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase liminaire, les mots " 14532, §§ 2 et 3, " sont abrogés ;
  b) dans le 5°, les mots " 14532, § 2, " sont abrogés.
Art. 78. In artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de inleidende zin worden de woorden "14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548, 14550" vervangen door de woorden "14526, 14527, 14533, 14535,";
  b) de bepaling onder 2° bis/1 wordt opgeheven;
  c) in de bepaling onder 4° worden de woorden "14526/1, § 3," opgeheven en worden de woorden "14526/1, §§ 1 en 2, 14527, §§ 1 tot 3, 14528, 14532, § 1, 14533 tot 14535, 14548,14550," vervangen door de woorden "14527, §§ 1 tot 3, 14533, 14535,";
  d) in de bepaling onder 4° worden de woorden "14532, § 2," opgeheven.
Art. 78. Dans l'article 243/1 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase liminaire, les mots " 14526 tot 14528, 14532 tot 14535, 14548, 14550, " sont remplacés par les mots " 14526, 14527, 14533, 14535, " ;
  b) le 2° bis/1 est abrogé ;
  c) dans le 4°, les mots " 14526/1, § 3, " sont abrogés et les mots " 14526/1, §§ 1er et 2, 14527, §§ 1er à 3, 14528, 14532, § 1er, 14533 à 14535, 14548,14550, " sont remplacés par les mots " 14527, §§ 1er à 3, 14533, 14535, " ;
  d) dans le 4°, les mots " 14532, § 2, " sont abrogés.
Art. 79. In artikel 244 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 maart 2018, wordt de bepaling onder 2° bis/1 opgeheven.
Art. 79. Dans l'article 244 du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 mars 2018, le 2° bis/1 est abrogé.
Art. 80. In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden in het eerste streepje de woorden "14532, § 2" opgeheven.
Art. 80. Dans l'article 245, alinéa 1er, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, dans le premier tiret, les mots " 14532, § 2 " sont abrogés.
Art. 81. In artikel 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de woorden "14532, § 2," opgeheven.
Art. 81. Dans l'article 290, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les mots " 14532, § 2, " sont abrogés.
Art. 82. In artikel 294, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden in de bepaling onder 2° de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste streepje worden de woorden "14532, § 2," opgeheven;
  2° in het tweede streepje, worden de woorden "14532, § 2," opgeheven.
Art. 82. A l'article 294, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, dans le 2°, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le premier tiret, les mots " 14532, § 2, " sont abrogés ;
  2° dans le deuxième tiret, les mots " 14532, § 2, " sont abrogés.
Art. 83. In artikel 323/1, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2019 en artikel 8, wordt het vroegere derde lid, dat door het voormelde artikel 8 het tweede lid is geworden, opgeheven.
Art. 83. Dans l'article 323/1, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 décembre 2016 et modifié par la loi du 22 avril 2019 et l'article 8, l'alinéa 3 ancien, devenu l'alinéa 2 par l'article 8 précité, est abrogé.
Art. 84. In artikel 531 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, worden de woorden "zoals het bestond voor het werd opgeheven door de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen" ingevoegd tussen de woorden "artikel 67, § 4," en de woorden "blijven van toepassing".
Art. 84. Dans l'article 531 du même code, inséré par la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et modifié par la loi du 24 juillet 2008, les mots " tel qu'il existait avant d'être abrogé par la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses " sont insérés entre les mots " article 67, § 4, " et les mots " restent applicables ".
Art. 85. Artikel 533 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009, wordt opgeheven.
Art. 85. L'article 533 du même Code, inséré par la loi du 6 mai 2009, est abrogé.
Art. 86. Artikel 548 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 548. Wanneer een personeelslid waarvoor bij toepassing van artikel 67, §§ 1 en 2, zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij artikel 57 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, een deel van de winst werd vrijgesteld, wat de in de artikelen 179, 179/1 en 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en, wat de in de artikelen 3 en 227, 1°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2027, niet meer wordt tewerkgesteld voor de in het voormelde artikel 67, § 1, bepaalde doelen, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
  In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
  Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1° en 2°, 211, § 1, en 214, § 1, eerste lid, is dit artikel van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
  De Koning bepaalt de manier waarop wordt aangetoond dat de voorwaarden voor de vrijstelling nog zijn vervuld.".
Art. 86. L'article 548 du même Code, inséré par la loi du 27 juin 2021, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 548. Lorsqu'un membre du personnel pour lequel une partie des bénéfices est exonérée en application de l'article 67, §§ 1er et 2, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par l'article 57 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, en ce qui concerne les contribuables visés aux articles 179, 179/1 et 227, 2°, avant l'exercice d'imposition 2021 lié à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020 et, en ce qui concerne les contribuables visés aux articles 3 et 227, 1°, avant l'exercice d'imposition 2027, n'est plus affecté à l'une des fins visées à l'article 67, § 1er, précité, le montant total des bénéfices antérieurement exonérés est réduit à concurrence du montant exonéré auquel cette personne avait initialement donné droit.
  Dans ce cas, les bénéfices ou les pertes de la période imposable au cours de laquelle le membre du personnel n'est plus affecté sont, suivant le cas, majorés ou réduites à due concurrence.
  En ce qui concerne le personnel repris à la suite d'opérations telles que visées aux articles 46, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, 211, § 1er, et 214, § 1er, alinéa 1er, le présent article est applicable au nouveau contribuable ou aux sociétés absorbantes, bénéficiaires ou aux sociétés nées de la conversion, comme si ces opérations n'avaient pas eu lieu.
  Le Roi détermine la manière d'apporter la preuve qu'il est encore satisfait aux conditions pour l'exonération. ".
Art. 87. Artikel 549 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.
Art. 87. L'article 549 du même Code, inséré par la loi du 27 juin 2021, est abrogé.
Onderafdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 1 juni 2008 houdende de invoering van een belastingsvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds
Sous-section 2. - Modifications de la loi du 1er juin 2008 instaurant une réduction d'impôt pour les participations sous la forme d'actions dans des fonds de développement du microfinancement dans les pays en développement et fixant les conditions d'agrément en tant que fonds de développement
Art. 88. Artikel 2 van de wet van 1 juni 2008 houdende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds, wordt opgeheven.
Art. 88. L'article 2 de la loi du 1er juin 2008 instaurant une réduction d'impôt pour les participations sous la forme d'actions dans des fonds de développement du microfinancement dans les pays en développement et fixant les conditions d'agrément en tant que fonds de développement, est abrogé.
Art. 89. Artikel 3 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt opgeheven.
Art. 89. L'article 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est abrogé.
Onderafdeling 3. - Inwerkingtreding
Sous-section 3. - Entrée en vigueur
Art. 90. De artikelen 53 en 85 hebben uitwerking met ingang van 30 september 2025 en zijn van toepassing op de vanaf 1 oktober 2025 gedane tussenkomsten.
  Artikel 54 heeft uitwerking met ingang van 31 augustus 2025 en is van toepassing op de na die datum verwezenlijkte meerwaarden.
  Artikel 61 heeft uitwerking met ingang van 31 augustus 2025 en is van toepassing op de belastbare tijdperken die na die datum eindigen.
  De artikelen 55, 56, 58, 59, 62, 2°, 63, 64, 65, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 1°, 75, 76, 78, a) tot c), 79 en 87 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
  De artikelen 57, 60, 62, 1°, 74, 2°, 84 en 86 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2027.
  Artikel 83 is van toepassing vanaf 1 januari 2026.
  De artikelen 88 en 89 treden in werking op 1 januari 2031.
  De artikelen 66, 77, 78, d), en 80 tot 82 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2031.
Art. 90. Les articles 53 et 85 produisent leurs effets le 30 septembre 2025 et sont applicables aux interventions faites à partir du 1er octobre 2025.
  L'article 54 produit ses effets le 31 août 2025 et est applicable aux plus-values réalisées après cette date.
  L'article 61 produit ses effets le 31 août 2025 et est applicable aux périodes imposables qui se terminent après cette date.
  Les articles 55, 56, 58, 59, 62, 2°, 63, 64, 65, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 1°, 75, 76, 78, a) à c), 79 et 87 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2026.
  Les articles 57, 60, 62, 1°, 74, 2°, 84 et 86 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2027.
  L'article 83 est applicable à partir du 1er janvier 2026.
  Les articles 88 et 89 entrent en vigueur le 1er janvier 2031.
  Les articles 66, 77, 78, d), et 80 à 82 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2031.
HOOFDSTUK 2. - Procedure
CHAPITRE 2. - Procédure
Afdeling 1. - Wijzigingen aangebracht aan de aanslagtermijnen en de onderzoektermijnen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Section 1re. - Modifications apportées aux délais d'imposition et d'investigation du Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 91. In artikel 315, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, wordt het woord "tiende" vervangen door het woord "zevende".
Art. 91. Dans l'article 315, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, le mot " dixième " est chaque fois remplacé par le mot " septième ".
Art. 92. In artikel 315bis, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, wordt het woord "tiende" vervangen door het woord "zevende".
Art. 92. Dans l'article 315bis, alinéa 5, du même Code, inséré par la loi du 6 juillet 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, le mot " dixième " est chaque fois remplacé par le mot " septième ".
Art. 93. In artikel 333 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "Echter mogen zij slechts worden verricht gedurende de in artikel 354, § 2, bedoelde aanvullende termijn, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige voorafgaandelijk schriftelijk en nauwkeurig kennis gegeven heeft van de aanwijzingen inzake belastingontduiking, die wat hem betreft bestaan, voor de betreffende periode. Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.".
Art. 93. Dans l'article 333 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Toutefois, elles ne peuvent être exercées pendant le délai supplémentaire visé à l'article 354, § 2, qu'à condition que l'administration ait notifié préalablement au contribuable, par écrit et de manière précise, les indices de fraude fiscale qui existent, en ce qui le concerne, pour la période considérée. Cette notification préalable est prescrite à peine de nullité de l'imposition. ".
Art. 94. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 20 november 2022 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of bij complexe aangifte, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359 worden gevestigd gedurende vier jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.";
  2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "Een aangifte wordt als complex beschouwd in de volgende gevallen:
  - wanneer de aangifte een onderneming betreft die een lokaal dossier moet indienen overeenkomstig artikel 321/5;
  - wanneer de aangifte een onderneming betreft die onderworpen is aan de verplichting tot het indienen van een landenrapport overeenkomstig artikel 321/2;
  - wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/2, de aangifte vergezeld moet gaan van een formulier waarop de betalingen zijn vermeld die tijdens het belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gedaan aan personen of vaste inrichtingen gevestigd in bepaalde staten die door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, worden aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van transparantie en uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast, voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting of opgenomen in de lijst van de EU niet-coöperatieve rechtsgebieden;
  - wanneer in de aangifte in de roerende voorheffing vrijstellingen, verzakingen of verminderingen zijn opgenomen die worden toegekend op basis van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting, of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU of Richtlijn 2003/49/EG inzake roerende voorheffing aan een inwoner van ander lidstaat van de Europese Unie toekennen;
  - wanneer de aangifte een verrekening bevat van het in artikel 285 bedoelde forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting;
  - wanneer over de aangifte inlichtingen werden ontvangen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, en waarbij de inlichtingen betrekking hebben op:
  a) meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies als bedoeld in artikel 326/1;
  b) informatie van platformexploitanten, op voorwaarde dat het betrokken bedrag voor een bepaalde belastingplichtige minimaal 25.000 euro bedraagt;
  - het betreft een hybridemismatch als bedoeld in artikel 2, § 1, 16° ;
  - het betreft een niet-uitgekeerde winst bedoeld in artikel 185/2;
  - wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/1, of § 1/3, de aangifte het bestaan van een juridische constructie moet vermelden.";
  3° in paragraaf 1 worden het vierde en vijfde lid opgeheven;
  4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. In afwijking van de termijnen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd gedurende zeven jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.".
Art. 94. A l'article 354 du même Code, remplacé par la loi du 20 novembre 2022 et modifié par la loi du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " En cas d'absence de déclaration, de remise tardive de celle-ci ou de déclaration complexe, l'impôt ou le supplément d'impôt peut, par dérogation à l'article 359, être établi pendant quatre ans à partir du 1er janvier de l'année qui désigne l'exercice d'imposition pour lequel l'impôt est dû. " ;
  2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Une déclaration est considérée comme complexe dans les situations suivantes :
  - lorsque la déclaration concerne une entreprise qui doit déposer un fichier local conformément à l'article 321/5 ;
  - lorsque la déclaration concerne une entreprise qui est soumise à l'obligation de souscrire une déclaration pays par pays conformément à l'article 321/2 ;
  - lorsque, conformément à l'article 307, § 1/2, la déclaration doit être accompagnée d'un formulaire reprenant les paiements effectués pendant la période imposable, directement ou indirectement à des personnes ou des établissements stables établis dans certains Etats considérés par le Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales, comme un Etat n'ayant pas mis effectivement ou substantiellement en oeuvre le standard sur la transparence et l'échange de renseignements sur demande, figurant sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée ou repris sur la liste de l'UE des juridictions non coopératives ;
  - lorsque la déclaration de précompte mobilier comporte des exonérations, renonciations ou réductions accordées sur la base d'une convention préventive de la double imposition, ou l'un des avantages de la directive 2011/96/UE ou de la directive 2003/49/CE en matière de précompte mobilier en faveur d'un résident d'un autre Etat membre de l'Union européenne ;
  - lorsque la déclaration contient une imputation de la quotité forfaitaire d'impôt étranger visée à l'article 285 ;
  - lorsque relativement à la déclaration, des informations ont été obtenues de l'étranger, pour lesquelles un fondement juridique existe qui règle les échanges d'informations en relation avec un impôt pour lequel ce fondement juridique est d'application, et lorsque les informations concernent :
  a) les dispositifs transfrontières devant faire l'objet d'une déclaration visés à l'article 326/1 ;
  b) les informations des opérateurs de plateformes, à condition que le montant concerné pour un contribuable déterminé atteigne au minimum 25.000 euros ;
  - elle concerne un dispositif hybride tel que visé à l'article 2, § 1er, 16° ;
  - elle concerne un bénéfice non distribué tel que visé à l'article 185/2 ;
  - lorsque, conformément à l'article 307, § 1er/1, ou § 1er/3, la déclaration doit faire mention de l'existence d'une construction juridique. " ;
  3° dans le paragraphe 1er, les alinéas 4 et 5 sont abrogés ;
  4° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Par dérogation aux délais visés au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, l'impôt ou le supplément d'impôt peut être établi pendant sept ans à partir du 1er janvier de l'année qui désigne l'exercice d'imposition pour lequel l'impôt est dû en cas d'infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire. ".
Art. 95. Artikel 354/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 november 2022, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 354/1. De aanvullende termijn bedoeld in artikel 354, § 1, tweede lid, kan, wanneer deze uitsluitend voortvloeit uit het feit dat een aangifte complex is, niet worden toegepast, voor het vierde jaar voorzien in dat artikel, op de vestiging van een belasting met betrekking tot de complexe aangifte indien het gaat om:
  a) gewestelijke belastingen, heffingen en retributies als bedoeld in artikel 198, § 1, 5° ;
  b) geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard als bedoeld in artikel 53, 6° ;
  c) de niet-aftrekbare autokosten als bedoeld in artikel 66, § 1, of artikel 198bis;
  d) de niet-aftrekbare receptiekosten en kosten voor relatiegeschenken als bedoeld in artikel 53, 8° of 11° ;
  e) de niet-aftrekbare restaurantkosten als bedoeld in artikel 53, 8° bis of 11° ;
  f) de kosten voor niet-specifieke beroepskledij als bedoeld in artikel 53, 7° of 11° ;
  g) de sociale voordelen, met inbegrip van voordelen voor maaltijdcheques, sport- of cultuurcheques, of ecocheques als bedoeld in artikel 38, § 1.".
Art. 95. L'article 354/1 du même Code, inséré par la loi du 20 novembre 2022, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 354/1. Le délai supplémentaire visé à l'article 354, § 1er, alinéa 2, lorsqu'il résulte uniquement du fait qu'une déclaration est complexe ne peut s'appliquer, pour la quatrième année prévue par cet article, à l'établissement d'un impôt relatif à la déclaration complexe s'il concerne :
  a) des impôts, taxes et rétributions régionaux visés à l'article 198, § 1er, 5° ;
  b) des amendes, confiscations et pénalités de toute nature visées à l'article 53, 6° ;
  c) des frais de voiture non déductibles visés aux articles 66, § 1er, ou 198bis ;
  d) des frais de réception non déductibles et de cadeaux d'affaires visés à l'article 53, 8° ou 11° ;
  e) des frais de restaurant non déductibles visés à l'article 53, 8° bis ou 11° ;
  f) des frais de vêtements professionnels non spécifiques visés à l'article 53, 7° ou 11° ;
  g) des avantages sociaux, y compris les avantages de titres-repas, de chèques de sport ou de culture ou éco-chèques, visés à l'article 38, § 1er. ".
Art. 96. Deze afdeling is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2023.
Art. 96. La présente section s'applique à partir de l'exercice d'imposition 2023.
Afdeling 2. - Wijzigingen aangebracht aan de verjaringstermijnen voor de vordering tot voldoening van de belasting in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Section 2. - Modifications apportées aux délais de prescription de l'action en recouvrement de la taxe dans le Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 97. In artikel 60 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 17 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "zeven";
  2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "zeven".
Art. 97. A l'article 60 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 17 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 23 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, le mot " dix " est remplacé par le mot " sept " ;
  2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le mot " dix " est remplacé par le mot " sept ".
Art. 98. In artikel 81bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999, vervangen bij de wet van 22 december 2008 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1) in het derde lid, wordt de bepaling onder 4°, opgeheven bij de wet van 20 november 2022, hersteld als volgt:
  "4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.";
  2) het vierde lid wordt opgeheven;
  3) het vroegere vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "Voor de toepassing van het derde lid, mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, bedoeld in het derde lid, 1° tot 4°, zowel voor als na het verstrijken van de in het eerste en tweede lid bedoelde verjaringstermijn plaatsvinden.".
Art. 98. A l'article 81bis, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mars 1999, remplacé par la loi du 22 décembre 2008 et modifié en dernier lieu par la loi du 23 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1) dans l'alinéa 3, le 4°, abrogé par la loi du 20 novembre 2022, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 4° l'infraction visée aux articles 70 ou 71 a été commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire. " ;
  2) l'alinéa 4 est abrogé ;
  3) l'alinéa 5 ancien, devenant l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
  " Pour l'application de l'alinéa 3, la réception du renseignement venant de l'étranger, l'action judiciaire, la prise de connaissance des éléments probants ou des indices de fraude fiscale, visées à l'alinéa 3, 1° à 4°, peuvent intervenir tant avant qu'après l'expiration du délai de prescription visé aux alinéas 1er et 2. ".
Art. 99. Artikel 84ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en vervangen bij de wet van 23 november 2023, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 84ter. Indien zij voornemens is de in artikel 81bis, § 1, derde lid, 4°, bedoelde verjaringstermijn toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van fraude die tegen hem bestaan in de betreffende periode."
Art. 99. L'article 84ter du même Code, inséré par la loi du 15 mars 1999 et remplacé par la loi du 23 novembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 84ter. Lorsqu'elle se propose d'appliquer le délai de prescription visé à l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 4°, l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, est tenue, à peine de nullité du redressement, de notifier au préalable, par écrit et de manière précise, à la personne concernée, les indices de fraude fiscale qui existent, à son encontre, pour la période en cause. ".
Art. 100. Artikel 84ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 november 2023 en gewijzigd bij de wet van 12 mei 2024, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 84ter. Indien zij voornemens is de in artikel 81bis, § 1, derde lid, 4°, bepaalde verjaringstermijn toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk bij aangetekende zending en op nauwkeurige wijze aan de betrokkene kennis geven van de aanwijzingen van fraude die tegen hem bestaan in de betreffende periode."
Art. 100. L'article 84ter du même Code, remplacé par la loi du 23 novembre 2023 et modifié par la loi du 12 mai 2024, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 84ter. Lorsqu'elle se propose d'appliquer le délai de prescription prévu à l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 4°, l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, est tenue, à peine de nullité du redressement, de notifier au préalable, par envoi recommandé et de manière précise, à la personne concernée, les indices de fraude fiscale qui existent, à son encontre, pour la période en cause. ".
Art. 101. De artikelen 97 tot 99 zijn van toepassing op de belastingen die opeisbaar geworden zijn vanaf 1 januari 2023.
Art. 101. Les articles 97 à 99 s'appliquent aux taxes qui sont devenues exigibles à partir du 1er janvier 2023.
Art. 102. Artikel 100 treedt in werking op een datum te bepalen door de Koning, en ten laatste op 1 januari 2028.
Art. 102. L'article 100 entre en vigueur à compter de la date à fixer par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2028.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen om bepaalde ambtenaren toegang te verlenen tot het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België
CHAPITRE 3. - Modification du Code des droits et taxes divers visant à octroyer à certains fonctionnaires l'accès au point de contact central de la Banque Nationale de Belgique
Art. 103. In Boek II, Titel X, van het Wetboek diverse rechten en taksen, wordt een artikel 201/9/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 201/9/7. § 1. Met het oog op het onderzoek van de correcte aangifte van de taks, kan een ambtenaar belast met de vestiging van de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen, die minstens de graad van adviseur heeft, aan het Centraal Aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België gehouden wordt overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, de beschikbare gegevens bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1° /1 van de voornoemde wet van 8 juli 2018 met betrekking tot de effectenrekeningen waarvan een natuurlijke of rechtspersoon titularis of cotitularis is bij Belgische financiële instellingen vragen alsook elke toegestane volmacht over deze effectenrekeningen en de identiteit van de gemachtigden erop.
  Deze ambtenaar kan aan het Centraal Aanspreek-punt ook de beschikbare gegevens vragen inzake de effectenrekeningen waarvan een natuurlijke of rechtspersoon titularis of cotitularis is bij buitenlandse financiële instellingen.
  Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, worden de gegevens ontvangen door de FOD Financiën niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verzameld met een maximale bewaartermijn die één jaar na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en rechterlijke procedures en rechtsmiddelen en de integrale betaling van alle hiermee verbonden bedragen niet mag overschrijden.
  § 2. Elke bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling is ertoe gehouden aan het Centraal Aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden, de gegevens die bedoeld zijn in artikel 4, eerste lid, 1° /1, van de voormelde wet van 8 juli 2018 mee te delen.
  Artikel 5 van de voornoemde wet van 8 juli 2018 is van toepassing op die gegevens.
  Deze verplichting geldt enkel voor zover de mededeling van dezelfde gegevens niet reeds is opgelegd door de voornoemde wet van 8 juli 2018.".
Art. 103. Dans le Livre II, Titre X, du Code des droits et taxes divers, il est inséré un article 201/9/7 rédigé comme suit :
  " Art. 201/9/7. § 1er. En vue de l'examen de la correcte déclaration de la taxe, un fonctionnaire en charge de l'établissement de la taxe annuelle sur les comptes-titres, ayant au moins le grade de conseiller, peut demander au Point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un Point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, les données disponibles visées à l'article 4, alinéa 1er, 1° /1 de la loi du 8 juillet 2018 précitée relatives aux comptes-titres dont une personne physique ou morale est titulaire ou co-titulaire auprès d'établissements financiers belges, ainsi que toute procuration accordée sur ces compte-titres et l'identité des mandataires sur ceux-ci.
  Ce fonctionnaire peut également demander au Point de contact central les données disponibles relatives aux comptes-titres dont une personne physique ou morale est titulaire ou co-titulaire auprès d'établissements financiers étrangers.
  Sans préjudice de la conservation nécessaire pour un traitement ultérieur à des fins d'archivage dans l'intérêt public, de recherche scientifique ou historique, ou à des fins statistiques, telles que visées à l'article 89 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, les données reçues par le SPF Finances ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que le paiement intégral de tous les montants y liés.
  § 2. Tout établissement de banque, de change, de crédit et d'épargne est tenu de communiquer au Point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique, les données visées à l'article 4, alinéa 1er, 1° /1, de la loi précitée du 8 juillet 2018.
  L'article 5 de la loi précitée du 8 juillet 2018 s'applique à ces données.
  Cette obligation ne s'applique que lorsque la communication de ces mêmes données n'est pas déjà rendue obligatoire par la loi précitée du 8 juillet 2018. ".
Art. 104. Dit hoofdstuk treedt in werking op de datum bepaald in artikel 110, eerste lid van deze wet.
Art. 104. Ce chapitre entre en vigueur à la date visée à l'article 110, alinéa 1er de la présente loi.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 3 aoüt 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions
Art. 105. Artikel 5 van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten vervangen bij de wet van 5 september 2018 wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. In afwijking van artikel 322, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, artikel 62bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 203 en 319bis van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, artikel 222 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 100 en 1421/1 van het Wetboek der successierechten, artikel 74 van de programmawet van 1 juli 2016, artikel 75 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en artikel 139 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, kunnen de ambtenaren, specifiek aangeduid voor dit doeleinde door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, rechtstreeks, met het oog op de doeleinden bedoeld in paragraaf 1 alle gegevens gehouden door het Centraal Aanspreekpunt bedoeld in artikel 4 van de Wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, met betrekking tot zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon gebruiken en samenvoegen in het in paragraaf 1 bedoelde datawarehouse om processen van datamining en datamatching, met inbegrip van profilering in de zin van artikel 4, 4), van de algemene verordening gegevensbescherming uit te voeren.
  Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de verwerkingen in het datawarehouse niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij werden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die één jaar na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en rechterlijke procedures en rechtsmiddelen en de integrale betaling van alle hiermee verbonden bedragen niet mag overschrijden.
  De in het eerste lid bedoelde gegevens die persoonsgegevens zijn, worden gepseudonimiseerd via een anonieme sleutel vooraleer in het in paragraaf 1 bedoelde datawarehouse te worden geïntegreerd waarna deze gegevens kunnen worden samengevoegd en ten slotte de in paragraaf 1 bedoelde analyses kunnen worden uitgevoerd.
  Pas als er, op basis van vooraf bepaalde risicofactoren, een risico tot het plegen van een inbreuk op een wet of een reglementering waarvan de toepassing behoort tot de opdrachten van de Federale Overheidsdienst Financiën bestaat, kan een depseudonomisatie van een persoonsgegeven plaatsvinden met betrekking tot die welbepaalde belastingplichtige.
  Indien een depseudonimisatie plaats heeft, zal vervolgens aan de bevoegde controledienst worden gevraagd om een controle van het geselecteerde dossier uit te voeren.
  De concrete gegevens afkomstig van het voornoemd Centraal Aanspreekpunt die overeenkomstig het eerste lid verwerkt worden, mogen niet gecommuniceerd worden aan de ambtenaar bevoegd om de controle uit te voeren, behalve indien aan de voorwaarden bedoeld in in artikel 322, WIB 92 voldaan is.
  De selectie van het dossier die voorkomt uit de in het eerste lid bedoelde processen vormt in geen geval een bewijs van fiscale fraude vatbaar om direct tot de belastingheffing bij een bepaalde belastingplichtige te leiden en doet geen afbreuk aan de rechten die hem zijn toegekend door de fiscale regelgeving.".
Art. 105. L'article 5 de la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, remplacé par la loi du 5 septembre 2018, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Par dérogation à l'article 322, §§ 2 à 4, du Code des impôts sur les revenus, à l'article 62bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 203 et 319bis de la Loi générale sur les douanes et accises du 18 juillet 1977, à l'article 222 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, aux articles 100 et 1421/1 du Code des droits de succession, à l'article 74 de la loi-programme du 1er juillet 2016, à l'article 75 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, à l'article 139 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, les fonctionnaires, spécifiquement désignés à cette fin par le ministre des Finances ou son délégué, peuvent directement, aux fins visées au paragraphe 1er, utiliser toutes les données détenues par le Point de contact central visé à l'article 4 de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un Point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, relatives tant à une personne physique qu'à une personne morale, et les intégrer dans la datawarehouse visée au paragraphe 1er afin de procéder à des opérations de datamining et de datamatching, y compris à du profilage au sens de l'article 4, 4), du règlement général sur la protection des données.
  Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui résultent des traitements dans le datawarehouse ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que du paiement intégral de tous les montants y liés.
  Les données visées à l'alinéa 1er qui sont des données à caractère personnel sont pseudonymisées par une clé anonyme avant d'être intégrées dans la datawarehouse visée au paragraphe 1er et ensuite après l'agrégation de ces données, les analyses visées au paragraphe 1er sur ces données peuvent être effectuées.
  Une dépseudonymisation d'une donnée à caractère personnel ne peut intervenir que lorsqu'il existe sur la base d'indicateurs de risque prédéterminés, un risque de commission d'une infraction à une loi ou à une réglementation dont l'application relève des missions du Service public fédéral Finances en ce qui concerne ce contribuable déterminé.
  Si une dépseudonymisation est réalisée, il sera alors demandé au service de contrôle compétent d'effectuer une vérification du dossier sélectionné.
  Les données concrètes provenant du Point de contact central précité qui sont traitées conformément à l'alinéa 1er, ne peuvent pas être communiquées au fonctionnaire compétent pour effectuer le contrôle, sauf si les conditions visées à l'article 322, CIR 92 sont remplies.
  La sélection de dossier résultant des opérations visées à l'alinéa 1er ne constitue en aucun cas une preuve de fraude fiscale susceptible de mener directement à la taxation d'un contribuable déterminé et ne porte pas préjudice aux droits qui lui sont reconnus par la réglementation fiscale. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt
Art. 106. In artikel 2 van de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, gewijzigd bij de wet van 2 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepalingen onder 7° /1 en 7° /2 worden ingevoegd, luidende:
  "7° /1 "effectenrekening": een rekening waarop financiële instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 4, § 1, punt 15, van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en van de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten kunnen worden gecrediteerd of waarvan deze financiële instrumenten kunnen worden gedebiteerd;
  7° /2 "crypto-activarekening": een rekening waarop crypto-activa zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, punt 7, van het reglement (EU) 2024/1624 van het Europees Parlement en van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering kunnen worden gecrediteerd of waarvan deze crypto-activa kunnen worden gedebiteerd;";
  2° in de bepaling onder 10° worden de woorden "eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "elk contract bedoeld in artikel 4," en de woorden "3°, dat in België";
  3° in de bepaling onder 11°, a), worden de woorden ", van een effectenrekening of van een crypto-activarekening" ingevoegd tussen de woorden "van een bank- of betaalrekening" en de woorden "gehouden bij een informatieplichtige";
  4° in de bepaling onder 12° worden de woorden ", op de effectenrekening of op de crypto-activarekening" ingevoegd tussen de woorden "op de bank- of betaalrekening" en de woorden "geopend door deze cliënt".
Art. 106. A l'article 2 de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, modifié par la loi du 2 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° sont insérés les 7° /1 et 7° /2, rédigés comme suit :
  " 7° /1 " compte de titres " : un compte sur lequel des instruments financiers au sens de l'article 4, § 1er, point 15, de la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil concernant les marchés d'instruments financiers peuvent être crédités ou duquel ces instruments financiers peuvent être débités ;
  7° /2 " compte de crypto-actifs " : un compte sur lequel des crypto-actifs au sens de l'article 2, § 1er, point 7, du règlement (UE) 2024/1624 du Parlement européen et du Conseil relatif à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, peuvent être crédités ou duquel ces crypto-actifs peuvent être débités ; " ;
  2° dans le 10°, les mots " alinéa 1er, " sont insérés entre les mots " tout contrat visé à l'article 4, " et les mots " 3°, conclu en Belgique " ;
  3° dans le 11°, a), les mots " , d'un compte de titres ou d'un compte de crypto-actifs " sont insérés entre les mots " d'un compte bancaire ou de paiement " et les mots " tenu auprès d'un redevable d'information " ;
  4° dans le 12°, les mots " , sur le compte de titres ou sur le compte de crypto-actifs " sont insérés entre les mots " sur le compte bancaire ou de paiement " et les mots " ouvert par ce client ".
Art. 107. In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, wordt de bepaling onder 9° /1 ingevoegd, luidende:
  "9° /1 de aanbieders van crypto-activadiensten, bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 15), van de verordening (EU) 2023/1114 van 31 mei 2023 betreffende crypto-activamarkten, hetzij naar Belgisch recht, hetzij naar buitenlands recht die in België werkzaam zijn via een bijkantoor;".
Art. 107. Dans l'article 3 de la même loi, modifié par la loi du 20 novembre 2022, il est inséré le 9° /1 rédigé comme suit :
  " 9° /1 les prestataires de services sur crypto-actifs, visés à l'article 3, paragraphe 1, point 15), du règlement (UE) 2023/1114 du 31 mai 2023 sur les marchés de crypto-actifs, soit de droit belge, soit de droit étranger qui opèrent en Belgique par la voie d'une succursale ; ".
Art. 108. In artikel 4 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de bepalingen onder 1° /1 en 1° /2 ingevoegd, luidende:
  "1° /1 de opening of de afsluiting van elke effectenrekening waarvan de cliënt houder of medehouder is, de toekenning of de intrekking van een volmacht aan een of meerdere volmachtdrager(s) op deze effectenrekening en de identiteit van deze volmachtdrager(s), alsook het periodieke saldo van deze effectenrekening, samen met de datum ervan en met het nummer van deze effectenrekening;
  1° /2 de opening of de afsluiting van elke crypto-activarekening waarvan de cliënt houder of medehouder is, de toekenning of de intrekking van een volmacht aan een of meerdere volmachtdrager(s) op deze crypto-activarekening en de identiteit van deze volmachtdrager(s), alsook het periodieke saldo van deze crypto-activarekening, samen met de datum ervan en met het nummer van deze crypto-activarekening;";
  2° in het eerste lid, 3°, wordt de bepaling onder c) vervangen als volgt:
  "c) de overeenkomst met betrekking tot beleggingsdiensten bedoeld in artikel 2, 1°, 1 en 2 en/of nevendiensten bedoeld in artikel 2, 2°, 4 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met inbegrip van het aanhouden van zicht- of vernieuwbare termijndeposito's ten behoeve van de cliënt en bestemd voor de verwerving van financiële instrumenten of voor terugbetaling;";
  3° in het tweede lid worden de woorden ", van een effectenrekening van een crypto-activarekening" ingevoegd tussen de woorden "van een bank- of betaalrekening" en de woorden "of van een financieel contract";
  4° wordt het zesde lid vervangen als volgt:
  "De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de periodiciteit van de vaststelling door de informatieplichtige van het saldo van de bank- en betaalrekeningen, van de effectenrekeningen en van de crypto-activarekeningen alsook van het geglobaliseerde bedrag van de financiële contracten bedoeld in het eerste lid, 3°, punten b) en c), met het oog op de mededeling ervan krachtens het eerste lid, 1° en 3°. ".
Art. 108. Dans l'article 4 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er sont insérés les 1° /1 et 1° /2, rédigés comme suit :
  " 1° /1 l'ouverture ou la fermeture de chaque compte de titres dont le client est titulaire ou co-titulaire, l'octroi ou la révocation d'une procuration à un ou plusieurs mandataire(s) sur ce compte de titres et l'identité de ce ou ces mandataire(s), de même que le solde périodique de ce compte de titres, ainsi que sa date et le numéro de ce compte de titres ;
  1° /2 l'ouverture ou la fermeture de chaque compte de crypto-actifs dont le client est titulaire ou co-titulaire, l'octroi ou la révocation d'une procuration à un ou plusieurs mandataire(s) sur ce compte de crypto-actifs et l'identité de ce ou ces mandataire(s), de même que le solde périodique de ce compte de crypto-actifs, ainsi que sa date et le numéro de ce compte de crypto-actifs ; " ;
  2° dans l'alinéa 1er, 3°, le c) est remplacé par ce qui suit :
  " c) la convention portant sur des services d'investissement visés à l'article 2, 1°, 1 et 2 et/ou des services auxiliaires visés à l'article 2, 2°, 4 de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en ce compris la tenue pour les besoins du client de dépôts à vue ou à terme renouvelables en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers ou de restitution ; " ;
  3° dans l'alinéa 2, les mots " , d'un compte de titres, d'un compte de crypto-actifs " sont insérés entre les mots " d'un compte bancaire ou de paiement " et les mots " ou d'un contrat financier " ;
  4° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
  " Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la périodicité suivant laquelle le solde des comptes bancaires et de paiement, des comptes de titres et des comptes de crypto-actifs, ainsi que le montant globalisé des contrats financiers visés à l'alinéa 1er, 3°, points b) et c), doivent être arrêtés par le redevable d'information en vue de leur communication conformément à l'alinéa 1er, 1° et 3°. ".
Art. 109. In artikel 5, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "van een effectenrekening of van een crypto-activarekening" ingevoegd tussen de woorden "van een bank- of betaalrekening," en de woorden ", hetzij een contractuele relatie hadden";
  2° in het tweede lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° de wettelijke verplichting in hoofde van de informatieplichtigen om de in artikel 4, eerste lid, 1°, 1° /1, 1° /2 en 3° bedoelde gegevens aan het CAP mee te delen;";
  3° in het derde lid worden de woorden "van een effectenrekening of van een crypto-activarekening," ingevoegd tussen de woorden "van een bank- of betaalrekening," en de woorden "van de uitvoering van een financiële transactie".
Art. 109. Dans l'article 5, § 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, dans la phrase liminaire, les mots " d'un compte de titres ou d'un compte de crypto-actifs, " sont insérés entre les mots " d'un compte bancaire ou de paiement, " et les mots " soit avaient une relation contractuelle " ;
  2° dans l'alinéa 2, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° de l'obligation légale qui incombe aux redevables d'information de communiquer au PCC les données visées à l'article 4, alinéa 1er, 1°, 1° /1, 1° /2 et 3° ; " ;
  3° dans l'alinéa 3, les mots " d'un compte de titres ou d'un compte de crypto-actifs, " sont insérés entre les mots " d'un compte bancaire ou de paiement, " et les mots " de l'exécution d'une transaction financière ".
Art. 110. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 december 2026.
  De eerste mededeling door de informatieplichtigen van de saldi van de effectenrekeningen en van de crypto-activarekeningen zal op de saldi van deze rekeningen op datum 31 december 2025 en 30 juni 2026 slaan.
Art. 110. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er décembre 2026.
  La première communication par les redevables d'information des soldes des comptes de titres et des comptes de crypto-actifs portera sur les soldes de ces comptes en date du 31 décembre 2025 et du 30 juin 2026.
HOOFDSTUK 6. - Maaltijdcheques
CHAPITRE 6. - Titres-repas
Art. 111. In artikel 38/1, § 2, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2015, worden de woorden "6,91 euro" vervangen door de woorden "8,91 euro".
Art. 111. Dans l'article 38/1, § 2, alinéa 1er, 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 22 décembre 2009 et modifié par la loi du 6 décembre 2015, les mots " 6,91 euros " sont remplacés par les mots " 8,91 euros ".
Art. 112. Artikel 53, 14°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2015, wordt aangevuld met de woorden ", verhoogd tot 4 euro wanneer die tussenkomst het bedrag bedoeld in artikel 38/1, § 2, eerste lid, 5°, bereikt".
Art. 112. L'article 53, 14°, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 2009 et modifié par la loi du 6 décembre 2015, est complété par les mots " , porté à 4 euros lorsque cette intervention atteint le montant visé à l'article 38/1, § 2, alinéa 1er, 5° ".
Art. 113. De artikelen 111 en 112 treden in werking op 31 december 2025 en zijn van toepassing op de elektronische maaltijdcheques die worden toegekend vanaf 1 januari 2026.
Art. 113. Les articles 111 et 112 entrent en vigueur le 31 décembre 2025 et sont applicables aux titres-repas électroniques qui sont attribués à partir du 1er janvier 2026.
TITEL 3. - VOLKSGEZONDHEID
TITRE 3. - SANTE PUBLIQUE
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994
CHAPITRE 1er. . - Modifications à la loi relative a l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Afdeling 1. - Groeinorm
Section 1re. - Norme de croissance
Art. 114. Artikel 40, § 1, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 20 december 2020 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, wordt aangevuld met de volgende zinnen:
  "Vanaf 2026 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. In 2028 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2,6 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. In 2029 stemt het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 3 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet.".
Art. 114. L'article 40, § 1er, alinéa 5, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi du 20 décembre 2020 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, est complété par les phrases suivantes :
  " A partir de 2026, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. En 2028, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2,6 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. En 2029, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 3 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. ".
Afdeling 2. - Economische bijdrage
Section 2. - Contribution économique
Art. 115. In artikel 191, eerste lid, 15°, zesde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, worden de woorden "15° octies" vervangen door de woorden "15° octies en 35° ".
Art. 115. A l'article 191, alinéa 1er, 15°, alinéa 6, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 18 décembre 2016, les mots " du point 15° octies " sont remplacés par les mots " des points 15° octies et 35° ".
Art. 116. Artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2024, wordt aangevuld met de bepaling onder 35°, luidende:
  "35° Voor het jaar 2025, of jaar T, wordt een economische bijdrage ingesteld ten laste van aanvragers die op de Belgische markt een omzet realiseren met farmaceutische specialiteiten die zijn opgenomen in de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten.
  Het bedrag van deze bijdrage bedraagt 1,48 % van de omzet die in 2024, of jaar T-1, is gerealiseerd.
  De nadere regels met betrekking tot de aangifte van de omzetcijfers en de inning door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn identiek aan die vermeld in de bepaling onder 15°, met uitzondering van de regularisatie voorzien in het zevende lid.
  Dit bedrag wordt vóór 1 november 2025 gestort op de rekening van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met vermelding van "Economische bijdrage 2025".
  De ontvangsten die voortvloeien uit deze economische bijdrage worden opgenomen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging in het boekjaar 2025."
Art. 116. L'article 191, alinéa 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2024, est complété par le 35° rédigé comme suit :
  " 35° Pour l'année 2025, ou année T, il est instauré une contribution économique à charge des demandeurs réalisant sur le marché belge un chiffre d'affaires avec des spécialités pharmaceutiques inscrites dans la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables.
  Le montant de cette contribution s'élève à 1,48 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024, ou année T-1.
  Les modalités concernant la déclaration des chiffres d'affaires et le recouvrement par le Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité sont identiques à celles reprises au 15°, à l'exception de la régularisation prévue à l'alinéa 7.
  Ce montant est versé avant le 1er novembre 2025 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " Contribution économique 2025 ".
  Les recettes qui résultent de cette contribution économique sont inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable 2025. ".
Art. 117. Voor de berekening van de economische bijdrage, bedoeld in artikel 191, lid 1, 35°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zijn eveneens de farmaceutische specialiteiten, vermeld in de bijlage bij deze wet met hun ATC-code en toedieningsweg, uitgesloten uit het omzetcijfer op grond waarvan de bijdrage berekend wordt.
  In deze wet wordt een bijlage ingevoegd die een lijst van ATC-codes met vermelding van de toedieningsweg van de farmaceutische specialiteiten die uitgezonderd worden van de economische bijdrage overeenkomstig het eerste lid omvat.
Art. 117. Pour le calcul de la contribution économique visée à l'article 191, alinéa 1er, 35°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, les spécialités pharmaceutiques mentionnées dans l'annexe à la présente loi, avec leur code ATC et leur voie d'administration, sont également exclues du chiffre d'affaires sur base duquel la contribution est calculée.
  Il est inséré dans la présente loi une annexe qui comprend une liste des codes ATC avec la mention de la voie d'administration des spécialités pharmaceutiques exemptées de la contribution économique conformément à l'alinéa 1er.
Art. 118. In artikel 192, vierde lid, 1°, j), van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "tot 34° " vervangen door de woorden "tot 35° ";
  2° de bepaling onder j) wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De inkomsten bedoeld in artikel 191, eerste lid, 35°, ontvangen voor het jaar 2025, zijn bestemd ter financiering van het globaal budget van de financiële middelen voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b), c) en e), zoals bedoeld in artikel 69, § 5."
Art. 118. A l'article 192, alinéa 4, 1°, j), de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et modifié en dernier lieu par la loi du 18 mai 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " à 34° " sont remplacés par les mots " à 35° " ;
  2° le j) est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les ressources visées à l'article 191, alinéa 1er, 35°, perçues pour l'année 2025, sont destinées à financer le budget global annuel des moyens financiers pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b), c) et e), visé à l'article 69, § 5. ".
HOOFDSTUK 2. - FAGG
CHAPITRE 2. - AFMPS
Art. 119. In artikel 152 van de programmawet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, wordt het eerste lid aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
  "3° voor het jaar 2026: aan de opdrachtgever van een lopende klinische proef, waarvoor een aanvraag of aanvraag voor een toegelaten substantiële wijziging is gedaan tijdens een referentieperiode bestaande uit de jaren 2023, 2024 en 2025.";
  2° in paragraaf 1, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Op het einde van het jaar waarvoor de bijdrage wordt geheven wordt een berekening gemaakt van de kosten die het FAGG tijdens dat jaar heeft gemaakt om het Bioplatform op te richten en voor de werking van het Bioplatform enerzijds, voor wat betreft de boekjaren 2024 en 2025, en voor de oprichting en werking van het speerpuntdomein ATMP (Advanced Therapy Medicinal Products) anderzijds, voor wat betreft de boekjaren 2025 en 2026.";
  3° in paragraaf 1, wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "De tarieven bedoeld in paragraaf 2 betreffen maximumbedragen. Indien de kosten berekend overeenkomstig het tweede lid minder bedragen dan het maximumbedrag van de gezamenlijke bijdragen verschuldigd door alle bijdrageplichtigen samen, wordt het bedrag van de bijdrage verminderd tot het bedrag dat noodzakelijk is om deze kosten te dekken. Dit bedrag wordt als volgt berekend:
  1° eerst wordt het totaal van de vermelde kosten gedeeld door de som van:
  a) het aantal initiële aanvragen dat tijdens de referentieperiode werd ingediend, vermenigvuldigd met de maximumbijdrage per initiële aanvraag; en
  b) het aantal aanvragen voor een substantiële wijziging dat tijdens de referentieperiode werd ingediend, vermenigvuldigd met de maximumbijdrage per aanvraag voor een substantiële wijziging;
  2° vervolgens wordt het resultaat van 1° vermenigvuldigd met de tarieven bedoeld in paragraaf 2.";
  4° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "De uiteindelijk te betalen bijdrage wordt derhalve vastgesteld op 31 december van het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft. Het FAGG verstuurt een betalingsbericht met het te betalen bedrag. De bijdrageplichtige beschikt over een betalingstermijn van 15 dagen na ontvangst van het betalingsbericht door het FAGG.
  In afwijking van het eerste lid, zijn de opdrachtgevers van een niet-commerciële klinische proef, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, 27° van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten of een niet-commercieel experiment zoals bedoeld in artikel 2, 15° van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, niet bijdrageplichtig.
  Bij gebreke aan betaling binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt de bijdrage van rechtswege vermeerderd met een interest van 0,8 % per maand. De inning en de invordering van de niet-betaalde bijdrage, gebeurt overeenkomstig artikel 14/20, § 3, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.";
  5° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De tarieven van de bijzondere bijdragen bedoeld in paragraaf 1 bedragen:
  1° 184,77 euro per initiële aanvraag en 36,96 euro per aanvraag voor een substantiële wijziging die plaatsvond tijdens de referentieperiode bedoeld in paragraaf 1, 1° ;
  2° 505,11 euro per initiële aanvraag en 101,03 euro per aanvraag voor een substantiële wijziging die plaatsvond tijdens de referentieperiode bedoeld in paragraaf 1, 2° ;
  3° 320,34 euro per initiële aanvraag en 64,07 euro per aanvraag voor een substantiële wijziging die plaatsvond tijdens de referentieperiode bedoeld in paragraaf 1, 3°. ";
  6° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De tarieven bedoeld in paragraaf 2 worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 14/19, § 1, eerste lid, en § 2 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.".
Art. 119. A l'article 152 de la loi-programme du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est complété par un 3°, rédigé comme suit :
  " 3° pour l'année 2026 : au promoteur d'un essai clinique en cours, pour lequel une demande ou une demande de modification substantielle autorisée a été introduite au cours d'une période de référence comprenant les années 2023, 2024 et 2025. " ;
  2° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " A la fin de l'année pour laquelle la contribution est perçue, il sera procédé à un calcul des coûts encourus par l'AFMPS au cours de cette année pour la mise en place et l'exploitation de la Bioplateforme, d'une part, en ce qui concerne les exercices 2024 et 2025, et pour la mise en place et l'exploitation du domaine d'excellence ATMP (Advanced Therapy Medicinal Products), d'autre part, en ce qui concerne les exercices 2025 et 2026. " ;
  3° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Les taux visés au paragraphe 2 sont des montants maximaux. Si les coûts calculés conformément au deuxième alinéa sont inférieurs au montant maximal des contributions conjointes payables par l'ensemble des contributeurs, le montant de la contribution est réduit au montant nécessaire pour couvrir ces coûts. Ce montant est calculé comme suit :
  1° tout d'abord, le total des coûts énumérés est divisé par la somme de :
  a) le nombre de demandes initiales introduites au cours de la période de référence multiplié par la contribution maximale par demande initiale ; et
  b) le nombre de demandes de modification substantielle introduite au cours de la période de référence multiplié par la contribution maximale par demande de modification substantielle ;
  2° ensuite, le résultat du 1° est multiplié par les taux visés au paragraphe 2. " ;
  4° le paragraphe 1er est complété par trois alinéas, rédigé comme suit :
  " La contribution définitive à payer est donc fixée le 31 décembre de l'année à laquelle la contribution se rapporte. L'AFMPS envoie un avis de paiement avec le montant à payer. Le payeur de la cotisation dispose d'un délai de paiement de 15 jours après réception de l'avis de paiement par l'AFMPS.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les promoteurs d'un essai clinique non-commercial tel que défini dans l'article 2, § 1er, le 27° de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé ou un expérimentation non commerciale comme défini par l'article 2, le 15° de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine ne sont pas contribuables.
  En cas de non-paiement dans le délai visé à l'alinéa 2, la contribution est augmentée, de plein droit, d'un intérêt de 0,8 % par mois. La perception et le recouvrement de la contribution impayée, se font conformément à l'article 14/20, § 3 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé. " ;
  5° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Les taux des contributions spéciales visées au paragraphe 1er sont :
  1° de 184,77 euros par demande initiale et de 36,96 euros par demande pour une modification substantielle intervenue au cours de la période de référence visée au paragraphe 1er, le 1° ;
  2° de 505,11 euros par demande initiale et de 101,03 euros par demande pour une modification substantielle intervenue au cours de la période de référence visée au paragraphe 1er, le 2° ;
  3° de 320,34 euros par demande initiale et de 64,07 euros par demande pour une modification substantielle intervenue au cours de la période de référence visée au paragraphe 1er, le 3°. " ;
  6° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les taux visés au paragraphe 2 sont adaptés conformément aux dispositions de l'article 14/19, § 1er, alinéa 1er, et § 2 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé. ".
TITEL 4. - WERK
TITRE 4. - EMPLOI
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen met betrekking tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor de tewerkstelling van minderjarige studenten die 15 jaar zijn en die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht
CHAPITRE 1er. . - Modifications relatives à la conclusion d'un contrat d'occupation d'étudiant pour les mineurs âgés de 15 ans qui sont encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein
Art. 120. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk.
Art. 120. Le présent chapitre transpose partiellement la directive 94/33/CE du Conseil du 22 juin 1994 concernant la protection des jeunes au travail.
Art. 121. In hoofdstuk II, afdeling 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt een onderafdeling 5 ingevoegd, luidende:
  "Onderafdeling 5. Lichte arbeid door minderjarigen van 15 jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht".
Art. 121. Dans le chapitre II, section 1, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, il est inséré une sous-section 5 intitulée :
  " Sous-section 5. Les travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein ".
Art. 122. In onderafdeling 5 van de arbeidswet van 16 maart 1971, ingevoegd bij artikel 121, wordt een artikel 7.15 ingevoegd, luidende:
  "Art. 7.15. In afwijking van artikel 7.1.1 mogen minderjarigen van vijftien jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht, lichte arbeid verrichten. De Koning bepaalt welke arbeid als zodanig kan worden aangemerkt.
  Wanneer in toepassing van dit artikel arbeid wordt verricht door minderjarigen van vijftien jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht, moeten de volgende arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden worden nageleefd:
  1° de arbeidsduur is beperkt tot 2 uur per schooldag en 12 uur per week voor arbeid buiten schooltijd tijdens de schoolperiode; in geen geval mag per dag langer dan 8 uur worden gewerkt.
  Tijdens een periode van minstens een week zonder schoolactiviteit mag acht uur per dag en veertig uur per week gewerkt worden.
  Wanneer de betrokken minderjarige bij meerdere werkgevers in dienst is, worden de arbeidsdagen en arbeidsuren bij elkaar opgeteld;
  2° het is verboden om de betrokken minderjarige overwerk te doen verrichten;
  3° het is verboden om de betrokken minderjarige arbeid te laten verrichten tussen 20 uur en 6 uur;
  4° de betrokken minderjarige mag niet meer dan vier en een half uur ononderbroken arbeid verrichten. Wanneer de arbeidstijd op een dag meer dan vier en een half uur bedraagt, wordt een half uur rust gegeven. Bedraagt hij meer dan zes uur, dan duurt de rusttijd een uur, waarvan een half uur ineens moet worden genomen;
  5° de tijd tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid moet uit ten minste veertien opeenvolgende uren rust bestaan;
  6° het is verboden om de betrokken minderjarige te werk te stellen op zon- of feestdagen;
  7° buiten de zondagsrust moet aan de betrokken minderjarige een bijkomende rustdag worden toegekend, onmiddellijk volgend op of voorafgaand aan de zondag.".
Art. 122. Dans la sous-section 5, insérée par l'article 121, il est inséré un article 7.15, rédigé comme suit :
  " Art. 7.15. Par dérogation à l'article 7.1.1, les mineurs âgés de 15 ans qui sont encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein peuvent effectuer des travaux légers. Le Roi détermine les travaux qui doivent être considérés comme tels.
  Lorsqu'en application du présent article, un travail est effectué par des mineurs âgés de 15 ans qui sont encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein, les conditions de travail et d'emploi suivantes doivent être respectées :
  1° le temps de travail est limité à 2 heures par jour d'enseignement et à 12 heures par semaine pour les travaux effectués durant la période scolaire et en dehors des heures d'enseignement scolaire; en aucun cas, le temps journalier de travail ne peut excéder 8 heures.
  Durant une période d'inactivité scolaire d'une semaine au moins, il est permis de travailler huit heures par jour et quarante heures par semaine.
  Lorsque le mineur concerné est employé par plusieurs employeurs, les jours de travail et les heures de travail effectués sont additionnés ;
  2° il est interdit de faire effectuer des heures supplémentaires au mineur concerné ;
  3° il est interdit de faire effectuer au mineur concerné un travail entre 20 heures et 6 heures ;
  4° le mineur concerné ne peut pas travailler sans interruption pendant plus de quatre heures et demie. Lorsque le temps de travail par jour excède quatre heures et demie, il est accordé une demi-heure de repos. Si ce temps excède six heures, le repos est d'une heure, une demi-heure devant être prise en une fois ;
  5° l'intervalle entre la fin et la reprise du travail doit comporter au minimum quatorze heures consécutives de repos ;
  6° il est interdit de laisser travailler le mineur concerné les dimanches ou les jours fériés ;
  7° outre le repos du dimanche, le mineur concerné doit se voir octroyer un jour de repos supplémentaire qui suit ou précède immédiatement le dimanche. ".
Art. 123. In artikel 130bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij wet van 21 maart 1995, worden de woorden "en die niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht" opgeheven.
Art. 123. Dans l'article 130bis de la loi du 3 juillet 1978, modifié par la loi du 21 mars 1995, les mots " et qui ne sont plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein " sont abrogés.
Art. 124. In boek 2, hoofdstuk 1, afdeling 4, van het Sociaal Strafwetboek wordt een artikel 136/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 136/3. Lichte arbeid door minderjarigen van 15 jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht
  Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, buiten de voorwaarden van de arbeidswet van 16 maart 1971 en zijn uitvoeringsbesluiten, lichte arbeid heeft doen of laten verrichten door een minderjarige van 15 jaar die nog onderworpen is aan de voltijdse leerplicht.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.".
Art. 124. Dans le livre 2, chapitre 1er, section 4, du Code pénal social, il est inséré un article 136/3, rédigé comme suit :
  " Art. 136/3. Les travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein
  Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en dehors des conditions prévues par la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de ses arrêtés d'exécution, a fait ou laissé effectuer ou exercer des travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein.
  L'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés. ".
HOOFDSTUK 2. - Startbaanverplichting - Wijziging van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid
CHAPITRE 2. - Obligation de premier emploi. - Modification de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi
Art. 125. In titel II, hoofdstuk VIII van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, laatst gewijzigd bij de wet van 12 december 2021, worden opgeheven:
  in afdeling 1:
  - onderafdeling 3, die de artikelen 39 tot 42 bevat;
  - onderafdeling 3/1, die artikel 42/1 bevat;
  - onderafdeling 3/2, die artikel 42/2 bevat;
  - onderafdeling 5;
  - in onderafdeling 7: artikel 47;
  - onderafdeling 8, die artikel 48 bevat.
Art. 125. Dans le titre II, chapitre VIII de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, modifiée en dernier lieu par la loi du 12 décembre 2021, sont abrogées :
  dans la section 1re :
  - la sous-section 3, comportant les articles 39 à 42 ;
  - la sous-section 3/1, comportant l'article 42/1 ;
  - la sous-section 3/2, comportant l'article 42/2 ;
  - la sous-section 5 ;
  - dans la sous-section 7: l'article 47 ;
  - la sous-section 8, comportant l'article 48.
Art. 126. In het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 32, § 2, eerste lid, 33, § 2, derde lid, 34, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 november 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 1 worden de bepalingen onder 3° en 4° opgeheven;
  2° de artikelen 1bis, 3, 8, 9, 10 en 12 worden opgeheven.
Art. 126. Dans l'arrêté royal du 30 mars 2000 d'exécution des articles 32, § 2, alinéa 1er, 33, § 2, alinéa 3, 34, 39, § 4, alinéa 2, et § 5, alinéa 2, 42, § 2, 46, alinéa 1er, 47, § 4, alinéas 1er et 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 novembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 1er, les 3° et 4° sont abrogés ;
  2° les articles 1erbis, 3, 8, 9, 10 et 12 sont abrogés.
Art. 127. In het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 26, 27, eerste lid, 2°, 30, 39, § 1, en § 4, tweede lid, 40, tweede lid, 40bis, tweede lid, 41, 43, tweede lid, en 47, § 1, vijfde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 november 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 1 worden de bepalingen onder 3°, b) en 4° opgeheven;
  2° de artikelen 1bis, 3, 4, 5, 6, 7, 7bis, 7ter, 8, 8bis, 8ter en 8quater worden opgeheven.
Art. 127. Dans l'arrêté royal du 30 mars 2000 d'exécution des articles 26, 27, alinéa 1er, 2°, 30, 39, § 1er, et § 4, alinéa 2, 40, alinéa 2, 40bis, alinéa 2, 41, 43, alinéa 2, et 47, § 1er, alinéa 5, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 novembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 1er, les 3°, b) et 4° sont abrogés ;
  2° les articles 1erbis, 3, 4, 5, 6, 7, 7bis, 7ter, 8, 8bis, 8ter et 8quater sont abrogés.
Art. 128. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026.
Art. 128. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2026.
TITEL 5. - PENSIOENEN
TITRE 5. - PENSIONS
HOOFDSTUK 1. - Afschaffing van de huidige pensioenbonus in de pensioenregelingen voor werknemers en ambtenaren
CHAPITRE 1er. . - Suppression de l'actuel bonus pension dans les régimes de pension des travailleurs salariés et fonctionnaires
Art. 129. In artikel 7bis, § 3, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de woorden "tot en met 31 december 2025" ingevoegd tussen de woorden "vanaf 1 januari 2014" en de woorden "Voor de pensioenen".
Art. 129. Dans l'article 7bis, § 3, alinéa 1er, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, inséré par la loi du 28 juin 2013 et modifié par la loi du 19 décembre 2014, les mots " jusqu'au 31 décembre 2025 inclus " sont insérés entre les mots " à partir du 1er janvier 2014 " et les mots " Pour les pensions ".
Art. 130. Artikel 7ter, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2024, wordt aangevuld met de woorden "tot en met 31 december 2025".
Art. 130. Dans l'article 7ter, § 3, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2024, l'alinéa 1er est complété par les mots " et jusqu'au 31 décembre 2025 inclus ".
Art. 131. In artikel 106, tweede lid, van de programmawet van 28 juni 2013, worden de woorden "tot en met 31 december 2025" ingevoegd tussen de woorden "vanaf 1 januari 2014" en de woorden "in aanmerking genomen".
Art. 131. Dans l'article 106, alinéa 2, de la loi-programme du 28 juin 2013, les mots " jusqu'au 31 décembre 2025 inclus " sont insérés entre les mots " à partir du 1er janvier 2014 " et les mots " entrent en ligne de compte ".
Art. 132. In artikel 28, 1°, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "1° referteperiode: het tijdvak dat aanvangt de eerste dag van de maand volgend op deze waarin het personeelslid de leeftijdsgrens bereikt, bedoeld in artikel 46, § 3, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, voor zover het personeelslid in die maand een dag werkelijk gepresteerde diensten heeft verstrekt, en dat uiterlijk op 31 december 2025 eindigt."
Art. 132. A l'article 28, 1°, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " 1° période de référence : la période qui débute le premier jour du mois suivant celui au cours duquel l'agent atteint la limite d'âge, visée à l'article 46, § 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, dans la mesure où l'agent a réellement presté une journée de services au cours de ce mois et se termine au plus tard le 31 décembre 2025. ".
Art. 133. In artikel 29, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, wordt het getal "36" vervangen door het getal "18".
Art. 133. Dans l'article 29, § 3, alinéa 1er, de la même loi, le nombre " 36 " est remplacé par le nombre " 18 ".
Art. 134. In artikel 30, § 2, van dezelfde wet, wordt het derde streepje opgeheven.
Art. 134. Dans l'article 30, § 2, de la même loi, le troisième tiret est abrogé.
Art. 135. Artikel 31 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 31. § 1. Het op grond van artikel 30 vastgestelde bedrag van de pensioenbonus wordt voor de toepassing van artikel 45 omgezet in een fictieve rente.
  § 2. Wanneer het bedrag van de pensioenbonus wordt vastgesteld op grond van artikel 30, § 2, wordt het jaarbedrag van de in paragraaf 1 bedoelde fictieve rente vastgesteld op 15,60 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die werden verstrekt in het eerste refertejaar en op 31,20 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht die werden verstrekt in het tweede refertejaar.
  § 3. Wanneer het bedrag van de pensioenbonus wordt vastgesteld op grond van artikel 30, § 3, wordt het jaarbedrag van de in paragraaf 1 bedoelde fictieve rente vastgesteld op 46,80 euro per maand werkelijk gepresteerde diensten met volledige opdracht.".
Art. 135. L'article 31 de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 31. § 1er. Le montant du bonus pension déterminé sur base de l'article 30 est converti en une rente fictive pour l'application de l'article 45.
  § 2. Lorsque le montant du bonus pension est déterminé sur la base de l'article 30, § 2, le montant annuel de la rente fictive visée au paragraphe 1er est fixé à 15,60 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes qui ont été prestés au cours de la première année de référence et à 31,20 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes qui ont été prestés au cours de la deuxième année de référence.
  § 3. Lorsque le montant du bonus pension est déterminé sur la base de l'article 30, § 3, le montant annuel de la rente fictive visée au paragraphe 1er est fixé à 46,80 euros par mois de services réellement prestés à prestations complètes. ".
Art. 136. In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, wordt de zin "Voor het bepalen van het bedrag van de pensioenbonus worden enkel de vanaf 1 juli 2024 werkelijk gepresteerde diensten in aanmerking genomen" vervangen als volgt:
  "Voor het bepalen van het bedrag van de pensioenbonus worden enkel de vanaf 1 juli 2024 tot en met 31 december 2025 werkelijk gepresteerde diensten in aanmerking genomen.";
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "De bedragen van de pensioenbonus zoals bepaald in de artikelen 30 en 31" vervangen door de woorden "De in de artikelen 30 en 31 bedoelde bedragen".
Art. 136. A l'article 32 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, la phrase " Pour la détermination du montant du bonus pension, seuls les services réellement prestés à partir du 1er juillet 2024 sont pris en compte. " est remplacée comme suit :
  " Pour la détermination du montant du bonus pension, seuls les services réellement prestés à partir du 1er juillet 2024 jusqu'au 31 décembre 2025 inclus sont pris en compte. " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " Les montants du bonus pension déterminés aux articles 30 et 31 " sont remplacés par les mots " Les montants visés aux articles 30 et 31 ".
Art. 137. In artikel 34 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 137. Dans l'article 34 de la même loi, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 138. In artikel 43, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "936 bonusdagen" vervangen door de woorden "468 bonusdagen".
Art. 138. Dans l'article 43, alinéa 1er, de la même loi les mots " 936 jours de bonus " sont remplacés par les mots " 468 jours de bonus ".
Art. 139. In artikel 45, enig lid, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° worden de pensioenbonussen die onder de vorm van een éénmalige betaling zijn uitbetaald, omgezet in een fictieve rente waarvan het bedrag bepaald wordt op basis van:
  - artikel 31 voor de pensioenbonus bedoeld in artikel 28, 5° ;
  - artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 juni 2024 tot uitvoering van artikelen 3/2 en 7ter van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, voor de pensioenbonus bedoeld in artikel 7ter van de voormelde wet van 23 december 2005;
  - artikel 13, § 4, van het voormelde koninklijk besluit van 9 juni 2024, voor de pensioenbonus bedoeld in artikel 3/2 van de voormelde wet van 23 december 2005.".
Art. 139. Dans l'article 45, alinéa unique, de la même loi, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les bonus pension payés sous la forme d'un paiement unique sont convertis en une rente fictive dont le montant est déterminé sur la base de :
  - l'article 31 pour le bonus pension visé à l'article 28, 5° ;
  - l'article 10 de l'arrêté royal du 9 juin 2024 portant exécution des articles 3/2 et 7ter de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, pour le bonus pension visé à l'article 7ter de la loi du 23 décembre 2005 précitée ;
  - l'article 13, § 4, de l'arrêté royal du 9 juin 2024 précité, pour le bonus pension visé à l'article 3/2 de la loi du 23 décembre 2005 précitée. ".
Art. 140. In titel III, hoofdstuk 4, van dezelfde wet, wordt afdeling 5, die het artikel 47 bevat, opgeheven.
Art. 140. Dans le titre III, chapitre 4, de la même loi, la section 5 comportant l'article 47, est abrogé.
Art. 141. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026 met uitzondering van de artikelen 135, 137 en 140 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2025.
Art. 141. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2026, à l'exception des articles 135, 137 et 140 qui produisent leurs effets au 1er janvier 2025.
HOOFDSTUK 2. - Responsabiliseringsfacturen van de lokale besturen
CHAPITRE 2. - Factures de responsabilisation des administrations locales
Afdeling 1. - Wijziging van de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage
Section 1re. - Modification de la réduction de la cotisation de responsabilisation
Art. 142. In artikel 20, derde lid, tweede zin van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, vervangen bij de wet van 18 juli 2025, worden de woorden "voor het jaar 2024" vervangen door de woorden "voor de jaren 2024 tot en met 2028".
Art. 142. Dans l'article 20, alinéa 3, deuxième phrase de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, remplacée par la loi du 18 juillet 2025, les mots " pour l'année 2024 " sont remplacés par les mots " pour les années 2024 à 2028 inclus ".
Afdeling 2. - Verlichting van de responsabiliseringsfacturen van de lokale besturen
Section 2. - Allègement des factures de responsabilisation des administrations locales
Art. 143. Artikel 20 van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst zoals gewijzigd bij artikel 157 paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. De geresponsabiliseerde werkgevers die aan de in het tweede lid bepaalde voorwaarde voldoen, genieten een verlichting van hun responsabiliseringsfactuur.
  Opdat de werkgever recht zou hebben op de in het eerste lid bedoelde verlichting van de responsabiliseringsfactuur, moet zijn maatschappelijke zetel gevestigd zijn in een gemeente waarvan het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar minstens 100.000 bedraagt.
  De responsabiliseringsfacturen van de in het vorige lid bedoelde werkgevers worden globaal verlicht ten belope van een door de Koning bepaald bedrag dat proportioneel onder hen wordt verdeeld in functie van het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage die zij elk verschuldigd zijn.
  Bij het vaststellen van deze verlichting wordt geen rekening gehouden met de in voorkomend geval op grond van § 1, derde of vijfde lid, toegekende vermindering of verhoging van de responsabiliseringsbijdrage. De verlichting van de responsabiliseringsfactuur kan evenwel niet tot een negatief resultaat leiden.".
Art. 143. L'article 20 de la même loi dont le texte actuel tel que modifié par l'article 157 formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Les employeurs responsabilisés qui remplissent la condition fixée au deuxième alinéa bénéficient d'un allègement de leur facture de responsabilisation.
  Pour que l'employeur puisse bénéficier de l'allègement de la facture de responsabilisation visé à l'alinéa 1er, son siège social doit être situé dans une commune dont la population est d'au moins 100.000 habitants au 1er janvier de l'année civile précédente.
  Les factures de responsabilisation des employeurs visés à l'alinéa précédent sont globalement allégées à concurrence d'un montant déterminé par le Roi, qui est réparti proportionnellement entre eux en fonction du montant de la cotisation de responsabilisation dont ils sont chacun redevables.
  Pour déterminer cet allégement, il n'est pas tenu compte de la réduction ou majoration de la cotisation de responsabilisation accordée, le cas échéant, sur base de § 1er, alinéa 3 ou 5. Toutefois, l'allégement de la facture de responsabilisation ne peut conduire à un résultat négatif. ".
Afdeling 3. - Bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen
Section 3. - Financement supplémentaire du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales
Art. 144. In artikel 71 van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2017, 23 maart 2019, 11 december 2023, 25 april 2024 en 18 juli 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid worden de woorden "voor de jaren 2023, 2024 en 2025" vervangen door de woorden "voor de jaren 2023 tot en met 2028", worden de woorden "artikel 20, derde lid" vervangen door de woorden "artikel 20, § 1, derde lid" en worden de woorden "artikel 20, vijfde lid" vervangen door de woorden "artikel 20, § 1, vijfde lid";
  2° het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt:
  "Tot financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen ontvangt de Dienst een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid waarvan het bedrag overeenstemt met de verlichting van de responsabiliseringsfacturen in toepassing van artikel 20, § 2, van de voormelde wet van 24 oktober 2011.".
Art. 144. Dans l'article 71 de la loi du 18 mars 2016 portant modification de la dénomination de l'Office national des pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur Public, d'une partie des attributions et du personnel de la Direction générale Victimes de la Guerre, des missions " pensions " des secteurs locaux et provinciaux de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale, modifié par les lois des 22 décembre 2017, 23 mars 2019, 11 décembre 2023, 25 avril 2024 et 18 juillet 2025, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 3, les mots " pour les années 2023, 2024 et 2025 " sont remplacés par les mots " pour les années 2023 à 2028 inclus ", les mots " l'article 20, alinéa 3 " sont remplacés par les mots " l'article 20, § 1er, alinéa 3 " et les mots " l'article 20, alinéa 5 " sont remplacés par les mots " l'article 20, § 1er, alinéa 5 " ;
  2° l'article est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Pour le financement du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales le Service reçoit une dotation inscrite dans le budget général des dépenses de l'autorité fédérale dont le montant correspond à l'allègement des factures de responsabilisation en application de l'article 20, § 2, de la loi précitée du 24 octobre 2011. ".
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art. 145. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van de artikelen 143 en 144 die in werking treden op 1 januari 2026.
Art. 145. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2025, à l'exception des articles 143 et 144 qui entrent en vigueur le 1er janvier 2026.
HOOFDSTUK 3. - Bijdragevoet van de bijzondere bijdrage voor de aanvullende pensioenen
CHAPITRE 3. - Taux de la cotisation spéciale pour les pensions complémentaires
Art. 146. In artikel 38, § 3terdecies, A, vierde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, opgeheven door en hersteld bij de wet van 30 september 2017 en vervangen bij de wet van 21 december 2018, worden de woorden "3 %" vervangen door de woorden "12,50 %".
Art. 146. Dans l'article 38, § 3terdecies, A, alinéa 4, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 septembre 2017 et remplacé par la loi du 21 décembre 2018, les mots " 3 % " sont remplacés par les mots " 12,50 % ".
Art. 147. In artikel 30, § 1, vierde lid, van de programmawet van 22 juni 2012, opgeheven door en hersteld bij de wet van 30 september 2017 en vervangen bij de wet van 18 februari 2018, worden de woorden "3 %" vervangen door de woorden "12,50 %".
Art. 147. Dans l'article 30, § 1er, alinéa 4, de la loi programme du 22 juin 2012, abrogé et rétabli par la loi du 30 septembre 2017 et remplacé par la loi du 18 février 2018, les mots " 3 % " sont remplacés par les mots " 12,50 % ".
Art. 148. In de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, wordt titel 6, die de artikelen 68 tot 70 bevat, opgeheven.
Art. 148. Dans la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, le titre 6, comportant les articles 68 à 70, est abrogé.
Art. 149. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2025 en is van toepassing vanaf het bijdragejaar 2026.
Art. 149. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2025 et s'applique dès l'année de cotisation 2026.
HOOFDSTUK 4. - Afschaffing van de huidige pensioenbonus in de pensioenregeling voor zelfstandigen
CHAPITRE 4. - Suppression de l'actuel bonus pension dans le régime de pension des travailleurs indépendants
Art. 150. Artikel 3/1, § 3, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013, wordt aangevuld met de woorden "tot uiterlijk 31 december 2025".
Art. 150. L'article 3/1, § 3, alinéa 1er, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, inséré par la loi du 28 juin 2013, est complété par les mots " jusqu'au 31 décembre 2025 au plus tard ".
Art. 151. In artikel 3/2, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "tot uiterlijk 31 december 2025";
  2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden "en uiterlijk tot 31 december 2025".
Art. 151. A l'article 3/2, § 2, de la même loi, insérée par la loi du 25 avril 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par les mots " jusqu'au 31 décembre 2025 au plus tard " ;
  2° l'alinéa 3 est complété par les mots " et au plus tard jusqu'au 31 décembre 2025 ".
Art. 152. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026.
Art. 152. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2026.
HOOFDSTUK 5. - Solidariteitsbijdrage
CHAPITRE 5. - Cotisation de solidarité
Afdeling 1. - 1e schijf
Section 1re. - 1re tranche
Art. 153. In artikel 68, § 5, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "waarvan het bedrag hoger is dan 2.478,94 EUR," opgeheven;
  2° het derde lid wordt opgeheven;
  3° in het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "of derde" opgeheven;
  4° het vroegere zesde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt opgeheven;
  5° in het vroegere zevende lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "vijfde lid" vervangen door "vierde lid".
Art. 153. A l'article 68, § 5, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots " dont le montant brut est supérieur à 2.478,94 EUR " sont abrogés ;
  2° l'alinéa 3 est abrogé ;
  3° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 3, les mots " ou 3 " sont abrogés ;
  4° l'alinéa 6 ancien, devenant l'alinéa 5, est abrogé ;
  5° dans l'alinéa 7 ancien, devenant l'alinéa 5, les mots " l'alinéa 5 " sont remplacés par les mots " l'alinéa 4 ".
Art. 154. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing op alle betalingen die verschuldigd zijn vanaf deze datum, van Belgische aanvullende pensioenen in de vorm van een kapitaal.
Art. 154. Cette section entre en vigueur le 1er janvier 2026 et s'applique à tous les paiements dus à partir de cette date, des pensions complémentaires belges sous la forme d'un capital.
Afdeling 2. - 2e schijf
Section 2. - 2e tranche
Art. 155. In artikel 68 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2023, wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidende:
  " § 5/1. De Belgische of buitenlandse uitbetalingsinstelling die een geëxternaliseerd Belgisch aanvullend pensioen verschuldigd is aan de aangeslotene na 1 juli 2027, verricht ambtshalve bij de uitbetaling een heffing op het uitbetaalde kapitaal of, in geval van een rente, op het initiële vestigingskapitaal. Het toe te passen percentage van deze heffing wordt vastgesteld overeenkomstig deze paragraaf en meegedeeld aan de uitbetalingsinstelling door de vzw Sigedis.
  Wanneer een in het vorige lid bedoelde uitbetaling voorgenomen wordt, hetzij op vraag van de betrokkene, hetzij omdat het wettelijke pensioen wordt opgenomen, stelt Sigedis vast of het totaalbedrag van de aanvullende pensioenen van de aangeslotene het drempelbedrag van 150.000 euro overschrijdt.
  In het voorgaande lid wordt onder "totaalbedrag van de aanvullende pensioenen" verstaan, de som van:
  - de waarde van de verworven reserves op 1 januari van het voorgaande jaar van de in het voorgaande jaar nog niet uitbetaalde aanvullende pensioenen of delen van aanvullende pensioenen;
  - de effectief uitbetaalde bedragen van de reeds als kapitaal uitbetaalde aanvullende pensioenen of delen daarvan;
  - het initiële vestigingskapitaal van de reeds als rente in uitbetaling zijnde of uitbetaalde aanvullende pensioenen.
  Het gaat in het vorige lid steeds om de waarden zoals gekend bij Sigedis op het moment van de vaststelling.
  Indien de drempelwaarde bedoeld in het tweede lid overschreden is, berekent Sigedis het excedent, zijnde het gedeelte van het totaalbedrag dat deze drempelwaarde overschrijdt. Vervolgens berekent Sigedis de verhouding, uitgedrukt als een percentage, tussen het excedent en het totaalbedrag. Dit percentage wordt vermenigvuldigd met 2 %. Het resulterende percentage is de in te houden bijkomende heffing voor de betrokken aangeslotene.
  Deze bijkomende heffing wordt, in geval van uitbetaling van een aanvullend pensioen samen met het wettelijke pensioen of ingeval van aanvraag door de aangeslotene via mypension.be, voorafgaand aan de uitbetaling door Sigedis meegedeeld aan de betrokken uitbetalingsinstelling, of, ingeval van een vervoegde uitbetaling op vraag van de aangeslotene via de pensioeninstelling, door de betrokken uitbetalingsinstelling opgevraagd bij Sigedis. Het betreft telkens de meest recente beschikbare berekening van de heffing.
  De Belgische of buitenlandse uitbetalingsinstelling houdt de bijkomende heffing in hetzij op de uitbetaalde kapitalen, hetzij op het initiële vestigingskapitaal van de uit te betalen rente, en stort de opbrengst daarvan aan de Dienst, in de maand volgend op de betaling van het kapitaal of de rente en met de mededeling vermeld in de betalingsstaat van de vzw Sigedis.
  De aanvullende pensioenen die reeds vóór 1 januari 2026 zijn verschuldigd, worden voor de toepassing van deze paragraaf niet in aanmerking genomen.
  Het bedrag vermeld in het tweede lid is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 januari 2027 (spilindex in de basis 2013 = 100), en wordt op dezelfde wijze aangepast als de pensioenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  De Koning kan de praktische en technische modaliteiten van de in deze paragraaf bedoelde heffing vaststellen.".
Art. 155. Dans l'article 68 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2023, il est inséré un paragraphe 5/1, rédigé comme suit :
  " § 5/1. L'organisme débiteur belge ou étranger qui est dû à un affilié après le 1er juillet 2027 une pension complémentaire belge externalisée, effectue d'office, lors du paiement, un prélèvement sur le capital payé ou, en cas de rente, sur le capital constitutif initial. Le pourcentage de ce prélèvement à appliquer est fixé conformément au présent paragraphe, et est communiqué, à l'organisme débiteur par l'ASBL Sigedis.
  Lorsqu'un versement visé à l'alinéa précédent est prévu, soit à la demande de l'intéressé, soit parce que la pension légale est prise, Sigedis détermine si le montant total des pensions complémentaires de l'affilié dépasse le seuil de 150.000 euros.
  A l'alinéa précédent, on entend par "montant total des pensions complémentaires", la somme :
  - de la valeur des réserves acquises au 1er janvier de l'année précédente des pensions complémentaires ou parties de pensions complémentaires qui n'ont pas encore été payées au cours de l'année précédente ;
  - des montants effectivement payés des pensions complémentaires ou parties de celles-ci déjà payées sous forme de capital ;
  - du capital constitutif initial des pensions complémentaires déjà en cours de paiement ou payées sous forme de rente.
  L'alinéa précédent fait toujours référence aux valeurs telles qu'elles sont connues par Sigedis au moment de la détermination.
  Si le seuil visé à l'alinéa 2 est dépassé, Sigedis calcule le dépassement qui correspond à la partie du montant total qui dépasse ce seuil. Ensuite, Sigedis calcule le rapport, exprimé en pourcentage, entre le dépassement et le montant total. Ce pourcentage est multiplié par 2 %. Le pourcentage ainsi obtenu est le prélèvement supplémentaire à retenir pour l'affilié concerné.
  Ce prélèvement supplémentaire est, en cas de paiement d'une pension complémentaire en même temps que la pension légale ou en cas de demande de l'affilié via mypension.be, communiqué par Sigedis à l'organisme débiteur concerné avant le paiement, ou, en cas de paiement anticipée à la demande de l'affilié via l'institution de pension, demandé à Sigedis par l'organisme débiteur concerné. Il s'agit à chaque fois du calcul le plus récent disponible du prélèvement.
  L'organisme débiteur belge ou étranger retient le prélèvement supplémentaire soit sur les capitaux versés, soit sur le capital constitutif initial de la rente à payer, et verse le produit au Service, dans le mois suivant le paiement du capital ou de la rente, avec la communication mentionnée dans le relevé de paiement de l'ASBL Sigedis.
  Les pensions complémentaires qui sont déjà dues avant le 1er janvier 2026, ne sont pas prises en compte pour l'application du présent paragraphe.
  Le montant visé à l'alinéa 2 est lié à l'indice-pivot en vigueur au 1er janvier 2027 (indice pivot dans la base 2013 = 100), et est adapté de la même manière que les pensions conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  Le Roi peut déterminer les modalités pratiques et techniques relatives au prélèvement visé au présent paragraphe. ".
Art. 156. In artikel 68 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2023, wordt een paragraaf 5/2 ingevoegd, luidende:
  " § 5/2. Wanneer het geheel van de wettelijke pensioenen en de aanvullende pensioenen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, het maandbedrag van 3225,74 EUR voor een alleenstaande begunstigde en 3729,34 EUR voor een begunstigde met gezinslast niet overschrijdt, wordt de opbrengst van de in paragraaf 5/1 bedoelde heffing door de Dienst aan de betrokkene terugbetaald volgens de hierna bepaalde modaliteiten.
  Na ontvangst van het bedrag van de in paragraaf 5/1 bedoelde heffing en nadat alle wettelijke pensioenen zijn ingegaan, toetst de Dienst of voldaan is aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid en stort desgevallend de ingehouden bedragen terug aan de betrokkene, na aftrek van de verschuldigde belastingen.
  De controle van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden en de eventuele terugbetaling bedoeld in het tweede lid vinden pas plaats nadat alle wettelijke pensioenen en alle geëxternaliseerde aanvullende pensioenen zijn ingegaan, zowel voor aanvullende pensioenen volgend op de opname van het wettelijk pensioen als voor vervroegd uitbetaalde aanvullende pensioenen.
  Indien de terugstorting plaatsvindt meer dan zes maanden na de datum van de eerste uitbetaling van het definitief bedrag van een wettelijk pensioen, is de Dienst van rechtswege aan begunstigde nalatigheidsinteresten verschuldigd op het teruggestorte bedrag. Deze interesten, waarvan het percentage gelijk is aan 4,75 t.h. per jaar, beginnen te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van zes maanden. De Koning kan het percentage van deze nalatigheidsinteresten aanpassen.
  De bedragen vermeld in het eerste lid zijn gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 januari 2027 (spilindex in de basis 2013 = 100), en wordt op dezelfde wijze aangepast als de pensioenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  De Koning kan de praktische en technische modaliteiten van de in deze paragraaf bedoelde terugbetaling vaststellen.".
Art. 156. Dans l'article 68 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2023, il est inséré un paragraphe 5/2, rédigé comme suit :
  " § 5/2. Lorsque l'ensemble des pensions légales et pensions complémentaires visé au paragraphe 2, alinéa 2, ne dépasse pas le montant mensuel de 3225,74 EUR pour un bénéficiaire isolé et de 3729,34 EUR pour un bénéficiaire avec charge de famille, le produit du prélèvement visé au paragraphe 5/1 fait l'objet d'un remboursement par le Service à la personne concernée selon les modalités définies ci-après.
  Après avoir reçu le montant du prélèvement visé au paragraphe 5/1 et après que toutes les pensions légales aient pris cours, le Service évalue si la condition visée à l'alinéa 1er est remplie et, le cas échéant, rembourse des montants retenus à la personne concernée, après déduction des impôts dus.
  Le contrôle des conditions visées à l'alinéa 1er et l'éventuel remboursement visé à l'alinéa 2 n'ont lieu qu'au moment où toutes les pensions légales et toutes les pensions complémentaires externalisées ont pris cours tant en cas de pensions complémentaires consécutives à la prise de la pension légale que dans le cas de pensions complémentaires payées de manière anticipée.
  Si le remboursement intervient plus de six mois après la date du premier paiement du montant définitif d'une pension légale, le Service est de plein droit redevable envers le bénéficiaire d'intérêts de retard sur le montant remboursé. Ces intérêts, dont le taux est égal à 4,75 p.c. par an, commencent à courir à partir du premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de six mois. Le Roi peut adapter le taux de ces intérêts de retard.
  Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot en vigueur au 1er janvier 2027 (indice pivot dans la base 2013 = 100), et est adapté de la même manière que les pensions conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  Le Roi peut déterminer les modalités pratiques et techniques relatives au remboursement visé au présent paragraphe. ".
Art. 157. In artikel 68quinquies, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2023, worden de woorden "bij artikel 68, § 5, tweede lid" vervangen door de woorden "bij artikel 68, § 5, derde lid, en § 5/1, zevende lid," en worden de woorden "in artikel 68, § 5, tweede lid" vervangen door de woorden "in artikel 68, § 5, derde lid, en § 5/1, zevende lid,".
Art. 157. Dans l'article 68quinquies, § 1er, alinéa 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2023, les mots " par l'article 68, § 5, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " par l'article 68, § 5, alinéa 3, et § 5/1, alinéa 7, " et les mots " à l'article 68, § 5, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " à l'article 68, § 5, alinéa 3, et § 5/1, alinéa 7, ".
TITEL 6. - MOBILITEIT
Titre 6. - MOBILITE
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 8 mei 2024 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten en houdende de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Regulering van Transport
CHAPITRE 1er. . - Modification de la loi du 8 mai 2024 sur les exigences en matière d'accessibilité pour les services de transport et créant l'Agence fédérale de Régulation du Transport
Art. 158. In artikel 33 van de wet van 8 mei 2024 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten en houdende de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Regulering van Transport wordt de definitie in het Nederlands van Agentschap onder 2° aangepast als volgt:
  "2° Agentschap: het federaal Agentschap voor Regulering van Transport, afgekort ART, bedoeld in artikel 34;"
Art. 158. Dans l'article 33 de la loi du 8 mai 2024 sur les exigences en matière d'accessibilité pour les services de transport et créant l'Agence fédérale de Régulation du Transport, la définition de l'Agence en néerlandais sous 2° est modifiée comme suit :
  " 2° Agentschap: het federaal Agentschap voor Regulering van Transport, afgekort ART, bedoeld in artikel 34; ".
Art. 159. In artikel 42 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 159. Dans l'article 42 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 160. Paragraaf 2 van artikel 43 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De rechten en plichten van toepassing op de personeelsleden van het federaal Agentschap voor de Regulering van Transport zijn van toepassing op de leden van het directiecomité.".
Art. 160. Le paragraphe 2 de l'article 43 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Les droits et devoirs applicables aux membres du personnel de l'Agence fédérale de Régulation du Transport sont d'application aux membres du comité de direction. ".
Art. 161. Artikel 49 van dezelfde wet wordt in het Nederlands vervangen als volgt:
  "Art. 49. De leden van het directiecomité van het Agentschap genieten voor de duur van hun functie dezelfde pensioenregeling als de vast benoemde personeelsleden van de Staat. Dit pensioen valt ten laste van de Staatskas.
  Voor de opening van het recht op het in het eerste lid bedoelde pensioen en voor de berekening ervan, komen enkel de diensten gepresteerd als lid van het directiecomité van het Agentschap in aanmerking. Deze diensten mogen niet in aanmerking genomen worden noch voor de opening van het recht op een ander pensioen van de overheidssector, noch voor de berekening ervan."
Art. 161. L'article 49 de la même loi est remplacé en néerlandais par ce qui suit :
  " Art. 49. De leden van het directiecomité van het Agentschap genieten voor de duur van hun functie dezelfde pensioenregeling als de vast benoemde personeelsleden van de Staat. Dit pensioen valt ten laste van de Staatskas.
  Voor de opening van het recht op het in het eerste lid bedoelde pensioen en voor de berekening ervan, komen enkel de diensten gepresteerd als lid van het directiecomité van het Agentschap in aanmerking. Deze diensten mogen niet in aanmerking genomen worden noch voor de opening van het recht op een ander pensioen van de overheidssector, noch voor de berekening ervan. ".
Art. 162. Artikel 50 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 50. § 1. Het Agentschap kan door middel van een arbeidsovereenkomst personeelsleden aanwerven om te voorzien in al zijn personeelsbehoeften met het oog op de uitvoering van de taken die het toegewezen heeft gekregen. De Koning bepaalt de administratieve en geldelijke bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het Agentschap.
  § 2. De personeelsleden van het Agentschap die zich, op het ogenblik van hun aanwerving, in een statutaire band bevinden met de Staat of met enig andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, met uitzondering van de organismen bedoeld in artikel 42, § 2, zijn, gedurende de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst, ambtshalve in verlof voor opdracht van algemeen belang. Het einde van de arbeidsovereenkomst maakt ambtshalve een einde aan het verlof.
  Indien het personeelslid van het Agentschap zich, op het ogenblik van zijn aanwijzing, in een contractuele band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, met uitzondering van de organismen bedoeld in artikel 42, § 1, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de gehele duur van de aanwerving.".
Art. 162. L'article 50 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 50. § 1. L'Agence peut, par voie de contrat de travail, recruter des membres du personnel pour répondre à l'ensemble de ses besoins en personnel en vue de l'accomplissement des tâches qui lui sont confiées. Le Roi détermine les dispositions administratives et pécuniaires applicables aux membres du personnel de l'Agence.
  § 2. Les membres du personnel de l'Agence qui, au moment de leur engagement, se situent dans une relation statutaire avec l'Etat ou toute autre personne morale de droit public relevant de l'Etat à l'exclusion des organismes visés à l'article 42, § 2, sont, durant l'exécution de leur contrat de travail, d'office en congé pour mission d'intérêt générale. La fin du contrat de travail met d'office fin au congé.
  Si, au moment de l'engagement, le membre du personnel de l'Agence se situe dans une relation contractuelle avec l'Etat ou toute autre personne morale de droit public relevant de l'Etat à l'exclusion des organismes visés à l'article 42, § 1, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de l'engagement. ".
Art. 163. Artikel 59 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 59. § 1. De personeelsleden die in functie zijn bij de Dienst Regulering op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, worden overgedragen aan het Agentschap.
  Deze overdracht wordt vastgelegd door middel van een nieuwe arbeidsovereenkomst.
  § 2. In geval van weigering van de overdracht door een personeelslid, wordt diens bestaande arbeidsovereenkomst van rechtswege beëindigd.
  Wat betreft de ambtenaren die ter beschikking zijn gesteld in uitvoering van artikel 15 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2004 tot oprichting van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, tot vaststelling van zijn samenstelling en het administratief en geldelijk statuut dat van toepassing is op zijn leden, leidt elke weigering inzake de overdracht van rechtswege tot de beëindiging van de terbeschikkingstelling door de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.".
Art. 163. L'article 59 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 59. § 1er. Les membres du personnel en fonction au sein du Service de Régulation au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont transférés à l'Agence.
  Ce transfert est fixé par un nouveau contrat de travail.
  § 2. En cas de refus de transfert d'un membre du personnel, il est mis fin de plein droit au contrat de travail existant.
  En ce qui concerne les agents mis à disposition en exécution de l'article 15 de l'arrêté royal du 25 octobre 2004 créant le Service de Régulation du transport ferroviaire et de l'exploitation de l'aéroport de Bruxelles-National, fixant sa composition ainsi que les statuts administratif et pécuniaire applicables à ses membres, tout refus concernant le transfert conduit de plein droit à la fin de la mise à disposition par le Président du Comité de Direction du Service public fédéral Mobilité et Transports. ".
HOOFDSTUK 2. - Afschaffing van het Fonds betreffende de werking van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal
CHAPITRE 2. - Suppression du Fonds relatif au fonctionnement du Service de Régulation du Transport Ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National
Art. 164. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° Agentschap: het federaal Agentschap voor de Regulering van Transport, bedoeld in artikel 34 van de wet van 8 mei 2024 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten en houdende de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Regulering van Transport;
  2° Dienst Regulering: de dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal opgericht door het koninklijk besluit van 25 oktober 2004 tot oprichting van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, tot vaststelling van zijn samenstelling en het administratief en geldelijk statuut dat van toepassing is op zijn leden.
Art. 164. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
  1° l'Agence : l'Agence fédérale de Régulation du Transport visée à l'article 34 de la loi du 8 mai 2024 sur les exigences en matière d'accessibilité pour les services de transport et créant l'Agence fédérale de Régulation du Transport ;
  2° Service de Régulation : le Service de Régulation du Transport Ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National créé par l'arrêté royal du 25 octobre 2004 créant le Service de Régulation du transport ferroviaire et de l'exploitation de l'aéroport de Bruxelles-National, fixant sa composition ainsi que les statuts administratif et pécuniaire applicables à ses membres.
Art. 165. § 1. Het Fonds betreffende de werking van de Dienst Regulering, opgericht bij artikel 19 van de programmawet van 22 december 2008, wordt afgeschaft op 30 juni 2025.
  De resterende activa, schulden, rechten en plichten, met inbegrip van de rechten en plichten die voortvloeien uit lopende en komende rechtsprocedures van de Dienst Regulering, worden overgedragen aan het Agentschap.
  Het meubilair en de uitrusting waarover de Dienst Regulering beschikt worden overgedragen aan het Agentschap. De goederen worden overgedragen in de staat waarin ze zich bevinden.
  § 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen wordt de rubriek "33-8. - Fonds betreffende de werking van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal" opgeheven op 30 juni 2025.
Art. 165. § 1er. Le Fonds relatif au fonctionnement du Service de Régulation, instauré par l'article 19 de la loi-programme du 22 décembre 2008, est supprimé au 30 juin 2025.
  Les avoirs et dettes, droits et obligations restants, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours ou à venir du Service de Régulation, sont transférés à l'Agence.
  Le mobilier et l'équipement dont dispose le Service de Régulation sont transférés à l'Agence. Les biens sont transférés dans l'état où ils se trouvent.
  § 2. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique " 33-8. - Fonds relatif au fonctionnement du Service de Régulation du Transport Ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National " est abrogée au 30 juin 2025.
TITEL 7. - JUSTITIE
TITRE 7. - JUSTICE
ENIG HOOFDSTUK. - Bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 december 2024 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+ en F2 voor het burgerlijk jaar 2025
CHAPITRE UNIQUE. - Confirmation de l'arrêté royal du 12 décembre 2024 relatif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d'installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+ et F2 pour l'année civile 2025
Art. 166. Het koninklijk besluit van 12 december 2024 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+ en F2 voor het burgerlijk jaar 2025 wordt bekrachtigd met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding.
Art. 166. L'arrêté royal du 12 décembre 2024 relatif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d'installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+ et F2 pour l'année civile 2025 est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
  Annexe à la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses
  La liste des spécialités qui sont exclues du chiffre d'affaires sur base duquel la contribution, visée à l'article 191, alinéa 1er, 35°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, est calculée, comprend :
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlage.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-12-2025, p. 98035)
  Gezien om te worden gevoegd bij de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Minister van Volksgezondheid,
  F. VANDENBROUCKE
Art. N. Annexe.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 30-12-2025, p. 98018)
  Vu pour être annexé à la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses.
  PHILIPPE
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Santé publique,
  F. VANDENBROUCKE