Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 OKTOBER 2025. - Besluit tot delegatie van bevoegdheden inzake personeelszaken binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer
Titre
30 OCTOBRE 2025. - Arrêté relatif à la délégation des compétences en matière de personnel au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt de Directeur van de Functionele dienst Personeel en Organisatie aangeduid als afgevaardigde van de Voorzitster van het Directiecomité om:
  1° de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van indiensttreding van het personeelslid te erkennen en vast te stellen, overeenkomstig artikel 11 en 12 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  2° de administratieve standplaats van de personeelsleden vast te stellen of te wijzigen zoals vermeld in artikel 49, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  3° de arbeidsovereenkomsten met de contractuele personeelsleden te sluiten, te wijzigen, te schorsen en te verbreken;
  4° het onvrijwillig ontslag voor de niveaus B, C en D te betekenen;
  5° het aantal keren de dagelijkse vergoeding aan te passen zoals bedoeld in artikel 98, lid 2, van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  6° het personeelslid te horen waarvan de kandidatuur wordt geweigerd na afloop van de proefperiode bij de organisatie in het kader van een federale mobiliteit overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 houdende de mobiliteit en terbeschikkingstelling van personeel van het federaal administratief openbaar ambt;
  7° adviezen te verlenen inzake belangenconflicten zoals vermeld in artikel 9, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
  8° de bevoegdheden uit te oefenen inzake cumulatie zoals vermeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
  9° een tijdelijke mutatie toe te staan in een rechtstreeks lagere klasse of een rechtstreeks lager niveau, zoals voorzien in artikel 51, § 2 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
Article 1er. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, le directeur du service fonctionnel Personnel et Organisation est désigné comme délégué de la Présidente du Comité de direction pour :
  1° valoriser et constater l'ancienneté pécuniaire acquise par le membre du personnel au moment de l'entrée en service, conformément aux articles 11 et 12 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale;
  2° fixer ou changer la résidence administrative des membres du personnel telle que prévue à l'article 49, § 1 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat et article 11 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  3° conclure, modifier, suspendre et résilier les contrats de travail avec les membres du personnel contractuels ;
  4° notifier le licenciement pour les membres du personnel des niveaux B, C et D.
  5° adapter le nombre de fois de l'indemnité journalière telle que prévue à l'article 98, alinéa 2, de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  6° entendre le membre du personnel duquel la candidature est refusée à l'issue de la période de probation au sein de l'organisation dans le cadre d'une mobilité fédérale conformément à l'article 8 de l'arrêté royal du 15 janvier 2007 portant la mobilité et la mise à disposition du personnel de la fonction publique fédérale administrative, article 8 ;
  7° donner des avis sur les conflits d'intérêts telle que prévue à l'article 9, § 2, troisième alinéa, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ;
  8° exercer les compétences en matière de cumul visées à l'article 12 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
  9° autoriser une mutation temporaire dans une classe directement inférieure ou un niveau directement inférieur, comme prévu dans l'article 51, § 2 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Art. 2. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer worden de mandaathouders die hiërarchisch het dichtst bij een personeelslid staan, aangeduid als afgevaardigde van de Voorzitster van het Directiecomité om :
  1° het voorstel tot schorsing van een Rijksambtenaar in het belang van de dienst te doen in toepassing van artikel 1, tweede lid van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van Rijksambtenaren in het belang van de dienst;
  2° de bevoegdheden uit te oefenen inzake het toekennen van vergoedingen zoals vermeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  3° beslissingen te nemen over de organisatie van de wachtdiensten zoals vermeld in artikel 44 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  4° een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen aan de personeelsleden wiens functie regelmatige prestaties buiten de administratieve standplaats impliceert zoals vermeld in artikel 86 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  5° te beslissen over de uitzonderlijke omstandigheden waarin een aanvullende dagelijkse forfaitaire vergoeding wordt toegekend aan de personeelsleden zoals vermeld in artikel 88 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  6° een personeelslid te belasten met een dienstopdracht in het buitenland of te zetelen in een internationale commissie zoals vermeld in artikel 89 en artikel 91 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt ;
Art. 2. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, les mandataires les plus proches hierarchiquement d'un membre du personnel, sont désignés comme délégué de la Présidente du Comité de direction pour :
  1° établir la proposition de suspension d'un agent de l'Etat dans l'intérêt du service en application de l'article 1, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 1er juin 1964 relatif à la suspension des agents de l'Etat dans l'intérêt du service ;
  2° exercer les pouvoirs d'octroi d'indemnités tels que mentionnés à l'article 6 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  3° prendre des décisions sur l'organisation des services de gardes tels que mentionnés à l'article 44 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  4° accorder une indemnité forfaitaire mensuelle aux membres du personnel dont les fonctions impliquent des prestations régulières à l'extérieur de la résidence administrative tels que mentionnés à l'article 86 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  5° décider des circonstances exceptionnelles dans lesquelles une indemnité forfaitaire journalière complémentaire est accordée aux membres du personnel tels que mentionnés à l'article 88 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  6° désigner un agent pour une mission de service à l'étranger ou pour siéger dans une commission internationale tel que mentionné dans les articles 89 et 91 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
Art. 3. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt een adviseur van de functionele dienst Personeel en Organisatie aangeduid als afgevaardigde van de Voorzitster van het Directiecomité om:
  1° de aangeworven geslaagden toelaatbaar te verklaren zoals vermeld in artikel 27, § 3 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel ;
  2° de geslaagden, ongeacht het niveau, toe te laten en te benoemen tot stagiair overeenkomstig artikel 30, § 1 en artikel 34, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
  3° benoemingen, bevorderingen en veranderingen van graad te verrichten in de niveaus B, C en D overeenkomstig artikel 5 tweede lid van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en artikel 24 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en loopbaan van het Rijkspersoneel. Deze delegatie strekt zich niet uit tot het uitspreken van een tuchtstraf overeenkomstig artikel 78, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
  4° de verloven en afwezigheden toe te kennen zoals voorzien in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, aan zowel statutaire personeelsleden als personeelsleden met een arbeidsovereenkomst;
  5° de volgende verloven toe te kennen aan de contractuele personeelsleden:
  a) het verlof om dwingende reden zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden;
  b) de loopbaanonderbreking zoals bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk IV van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
  c) de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 juni 1999 tot invoeging van een recht op loopbaanonderbreking voor de contractuele personeelsleden tewerkgesteld in de federale overheidsdiensten wegens ouderschapsverlof of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid;
  d) de loopbaanonderbreking voor verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 juni 1999 tot invoeging van een recht op loopbaanonderbreking voor de contractuele personeelsleden tewerkgesteld in de federale overheidsdiensten wegens ouderschapsverlof of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
  6° het vrijwillig ontslag van de personeelsleden van de niveaus B, C en D te betekenen;
  7° de beslissing tot ontslag wegens pensionering in de niveaus B, C en D te betekenen;
  8° de beslissing tot aanstelling en verlenging van een hogere functie van een ambtenaar te betekenen overeenkomstig de artikelen 26 en 28, § 2 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt ;
  9° opdrachten tot bekendmaking in het Belgisch Staatsblad te ondertekenen inzake personeelszaken;
  10° de bevoegdheden uit te oefenen inzake arbeidsongevallen of ongevallen op weg naar en van het werk zoals vermeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, met name:
  a) definitief te beslissen of een ongeval een arbeidsongeval is in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;
  b) de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschikt-heid mee te delen overeenkomstig artikel 9, § 2, derde lid van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;
  c) de beslissingen van het bestuur medische expertise te ontvangen, die hetzij bestaat uit de toekenning van een percentage van blijvende ongeschiktheid, hetzij uit een genezing zonder blijvende arbeidsongeschikt-heid overeenkomstig de artikelen 3bis en 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheids-sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;
  d) het voorstel tot betaling van een rente te doen in geval van vaststelling van een percentage blijvende arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 9 § 3, tweede lid van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.
Art. 3. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, un conseiller du service fonctionnel Personnel et Organisation, est désigné comme délégué de la Présidente du Comité de direction pour :
  1° déclarer admissibles les lauréats recrutés tel que mentionné dans l'article 27, § 3 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ;
  2° admettre et nommer en qualité de stagiaire les lauréats, quel que soit leur niveau conformément aux articles 30, § 1 et 34, § 1 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ;
  3° procéder aux nominations, promotions et changements de grade dans les niveaux B, C et D conformément à l'article 5, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat et article 24 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat. Cette délégation ne s'étend pas à l'application d'une peine disciplinaire conformément à l'article 78, § 1 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ;
  4° accorder les congés et absences prévus par l'article 8 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998, tant aux membres du personnel statutaires qu'aux membres du personnel contractuels ;
  5° accorder les congés suivants aux membres du personnel contractuels :
  a) le congé pour raisons impérieuses visé par l'arrêté royal du 11 octobre 1991 déterminant les modalités de l'exercice du droit à un congé pour raisons impérieuses ;
  b) l'interruption de carrière visée par la section 5 du chapitre IV de la Loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales;
  c) l'interruption de carrière pour congé parental visée par l'arrêté royal du 4 juin 1999 instaurant, pour les agents contractuels occupés dans les services publics fédéraux, un droit à l'interruption de la carrière professionnelle pour congé parental ou pour donner des soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade ;
  d) l'interruption de carrière pour donner des soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade visée par l'arrêté royal du 4 juin 1999 instaurant, pour les agents contractuels occupés dans les services publics fédéraux, un droit à l'interruption de la carrière professionnelle pour congé parental ou pour donner des soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade.
  6° notifier la démission volontaire des membres du personnel des niveaux B, C et D ;
  7° notifier la décision de licenciement pour mise à la retraite des niveaux B, C et D ;
  8° notifier la décision de la désignation à et la prolongation d'une fonction supérieure d'un agent conformément aux articles 26 et 28, § 2 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  9° signer les ordres de publication au Moniteur belge en matière de personnel ;
  10° exercer les compétences en matière d'accidents de travail ou d'accidents sur le chemin du travail telles que prévues à l'article 9 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur de membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, notamment ;
  a) décider de manière définitive si un accident est un accident du travail au sens de l'article 2 de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public ;
  b) notifier la décision de déclaration de guérison sans incapacité permanente du travail conformément à l'article 9, § 2, 3ième alinéa de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail;
  c) recevoir de l'administration de l'expertise médicale les décisions soit en l'attribution d'un pourcentage d'incapacité permanente, soit en une guérison sans incapacité permanente de travail conformément aux articles 3bis et 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail;
  d) faire la proposition de paiement d'une rente en cas de fixation d'un pourcentage d'incapacité permanente de travail suite à un accident du travail ou à un accident sur le chemin du travail conformément à l'article 9, § 3, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail.
Art. 4. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is een personeelslid van het niveau A van de Functionele dienst Personeel en Organisatie gemachtigd als afgevaardigde van de Voorzitster van het Directiecomité om:
  1° het akkoord te geven voor en het toekennen van een vergoeding voor het gebruik van de fiets tussen de woonplaats en de werkplaats in toepassing van artikel 76, § 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt ;
  2° er op toe te zien dat specifieke toelagen niet worden toegekend of worden ingetrokken of opgeschort als het personeelslid niet daadwerkelijk de functie uitoefent volgens de bijzondere voorwaarden die de toekenning ervan rechtvaardigen zoals vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
Art. 4. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, un membre du personnel de niveau A du service fonctionnel Personnel et Organisation est habilité comme délégué de la Présidente du Comité de direction pour :
  1° approuver et accorder une indemnité pour l'utilisation de la bicyclette entre le lieu de résidence et le lieu de travail en application de l'article 76, § 1 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  2° veiller à ce qu'aucune indemnité spécifique ne soit octroyée ou soit supprimée ou suspendue si le membre du personnel n'exerce pas effectivement la fonction conformément auxconditions particuliers justifiant leur octroi tels que mentionné à l'article 39 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
Art. 5. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is een gecertificeerde medewerker van de functionele dienst Personeel en Organisatie gemachtigd om de bevoegdheden uit te oefenen inzake de organisatie van vergelijkende selecties en werving, zoals bedoeld in artikel 20 en artikel 20bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling bij de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
Art. 5. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, un agent certifié du service fonctionnel Personnel et Organisation est habilité à exercer les compétences en matière d'organisation des sélections comparatives et de recrutement, visées aux articles 20 et 20bis de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, sans préjudice des attributions du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui.
Art. 6. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is de functionele chef van het personeelslid, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 8° van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, gemachtigd om als afgevaardigde van de leidend ambtenaar:
  1° de bevoegdheden uit te oefenen inzake het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer bedoeld in artikel 72 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar;
  2° te beslissen over de organisatie van de prestaties buiten de normale uurroosters, overeenkomstig artikel 48 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ;
  3° het akkoord te geven voor en het toekennen van een vergoeding voor het gebruik van de fiets voor de behoeften van de dienst in toepassing van artikel 76, § 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  4° een verplaatsing toe te staan aan het personeelslid naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie en het vervoermiddel dat hiervoor het meest verantwoord is goed te keuren, in toepassing van artikel 69 en 70 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  5° te beslissen over de uitzonderingen op het toekennen van de vergoeding voor het gebruik van een eigen voertuig, in toepassing van artikel 73, tweede lid van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
Art. 6. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports le chef fonctionnel du membre de personnel, visé à l'article 2, premier alinéa, 8° de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale, est habilité en tant que délégué du fonctionnaire dirigeant pour :
  1° exercer les compétences relatives à l'utilisation des transports publics commun visées à l'article 72 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  2° décider de l'organisation des prestations en dehors les horaires ordinaires conformément à l'article 48 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  3° approuver et accorder l'indemnité pour l'utilisation de la bicyclette pour les besoins du service en application de l'article 76, § 1 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  4° autoriser le déplacement au membre du personnel à l'occasion de l'exercice de sa fonction et de donner son accord sur le moyen le plus responsable pour ce déplacement, en application de l'article 69 et 70 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
  5° décider des exceptions à l'octroi de l'indemnité pour l'utilisation d'un véhicule personnel, en application de l'article 73, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
Art. 7. Bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt de Functionele dienst Personeel en Organisatie aangewezen als de dienst waar de aanvragen voor het verkrijgen van toelagen en vergoedingen ingediend moeten worden, overeenkomstig artikel 66 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
Art. 7. Au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, le service fonctionnel Personnel et Organisation est désigné comme service auprès duquel les demandes d'indemnités et allocations doivent être introduites conformément à l'article 66 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ;
Art. 8. De bij dit besluit verleende delegaties van bevoegdheid worden mede verleend aan alle hiërarchische meerderen van de met die bevoegdheden beklede personeelsleden.
Art. 8. Les délégations accordées par le présent arrêté le sont également à tous les chefs hiérarchiques des membres du personnel investis de ces délégations.
Art. 9. In geval van afwezigheid of verhindering van de in artikelen 1, 3 en 4 bedoelde personeelsleden, worden hun bevoegdheden uitgeoefend door de ambtenaar van niveau A die hiertoe uitdrukkelijk aangesteld is.
Art. 9. En cas d'absence ou d'empêchement des membres du personnel visés aux articles 1, 3 et 4, leurs compétences sont exercées par l'agent du niveau A qu'ils désignent expressément à cet effet.
Art. 10. Het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 14 oktober 2021 betreffende de delegatie van bevoegdheden inzake personeelszaken binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt opgeheven.
Art. 10. L'arrêté du Président du Comité de direction du 14 octobre 2021 relatif à la délégation de compétences en matière de personnel au sein du Service Public Fédéral Mobilité et Transports est abrogé.
Art. 11. Dit besluit treedt in werking de dag volgend op de ondertekening ervan.
Art. 11. Le présent arrêté entre en vigueur le jour suivant sa signature.