Artikel 1. Aan artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° gedetacheerd personeelslid: een personeelslid dat met instemming van zijn werkgever van herkomst tijdelijk op een kabinet werkt en van wie het salaris verder betaald wordt door de werkgever van herkomst.
2° aangestelde personeelslid: een personeelslid van wie het salaris niet betaald wordt door een werkgever van herkomst maar door het kabinet als vermeld in artikel 20, § 1 3° en § 2 2°. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 OKTOBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering wat betreft het ontslag van rechtswege van de personeelsleden van de kabinetten en de toekenning van bepaalde verloven en afwezigheden en andere voordelen en van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet
Titre
3 OCTOBRE 2025. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand, en ce qui concerne le licenciement de plein droit des membres du personnel des cabinets et l'octroi de certains congĂ©s et absences et d'autres avantages, et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (17)
Texte (17)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand
Article 1er. L'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a 2 rĂ©digĂ© comme suit :
" Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° membre du personnel détaché : un membre du personnel qui, avec l'accord de son employeur d'origine, travaille temporairement dans un cabinet et dont le traitement reste à la charge de l'employeur d'origine.
2° membre du personnel désigné : un membre du personnel dont le traitement n'est pas à la charge de l'employeur d'origine mais du cabinet tel que visé à l'article 20, § 1er, 3° et § 2, 2°. ".
" Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° membre du personnel détaché : un membre du personnel qui, avec l'accord de son employeur d'origine, travaille temporairement dans un cabinet et dont le traitement reste à la charge de l'employeur d'origine.
2° membre du personnel désigné : un membre du personnel dont le traitement n'est pas à la charge de l'employeur d'origine mais du cabinet tel que visé à l'article 20, § 1er, 3° et § 2, 2°. ".
Art. 2. Artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 2015, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. § 1. Elke minister benoemt en ontslaat de personeelsleden van het eigen kabinet. Elke minister brengt de Vlaamse Regering met een mededeling op de hoogte van de benoeming en het ontslag van de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef.
§ 2. Als het mandaat van een minister in de loop van een regeerperiode eindigt, zijn de personeelsleden van het eigen kabinet van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëindiging van het mandaat van de minister.
Aan het einde van een regeerperiode zijn alle personeelsleden van de kabinetten van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëdiging van de nieuwe Vlaamse Regering.".
"Art. 13. § 1. Elke minister benoemt en ontslaat de personeelsleden van het eigen kabinet. Elke minister brengt de Vlaamse Regering met een mededeling op de hoogte van de benoeming en het ontslag van de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef.
§ 2. Als het mandaat van een minister in de loop van een regeerperiode eindigt, zijn de personeelsleden van het eigen kabinet van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëindiging van het mandaat van de minister.
Aan het einde van een regeerperiode zijn alle personeelsleden van de kabinetten van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëdiging van de nieuwe Vlaamse Regering.".
Art. 2. L'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 mai 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 13. § 1er. Chaque ministre désigne et licencie les membres du personnel de son propre cabinet. Chaque ministre informe le Gouvernement flamand de la désignation et du licenciement du chef de cabinet et du chef de cabinet adjoint par communication.
§ 2. Si le mandat d'un ministre prend fin au cours d'une législature, les membres du personnel de son cabinet sont licenciés de plein droit à compter de la date de cessation du mandat du ministre.
A la fin d'une législature, tous les membres du personnel des cabinets sont licenciés de plein droit à compter de la date de prestation de serment du nouveau Gouvernement flamand. ".
" Art. 13. § 1er. Chaque ministre désigne et licencie les membres du personnel de son propre cabinet. Chaque ministre informe le Gouvernement flamand de la désignation et du licenciement du chef de cabinet et du chef de cabinet adjoint par communication.
§ 2. Si le mandat d'un ministre prend fin au cours d'une législature, les membres du personnel de son cabinet sont licenciés de plein droit à compter de la date de cessation du mandat du ministre.
A la fin d'une législature, tous les membres du personnel des cabinets sont licenciés de plein droit à compter de la date de prestation de serment du nouveau Gouvernement flamand. ".
Art. 3. In artikel 15/1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 4 van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie.".
" § 1. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 4 van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie.".
Art. 3. Dans l'article 15/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011, le paragraphe 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
" § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© prĂ©voit la transposition de l'article 4 de la directive (UE) 2019/1152 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 20 juin 2019 relative Ă des conditions de travail transparentes et prĂ©visibles dans l'Union europĂ©enne. ".
" § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© prĂ©voit la transposition de l'article 4 de la directive (UE) 2019/1152 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 20 juin 2019 relative Ă des conditions de travail transparentes et prĂ©visibles dans l'Union europĂ©enne. ".
Art. 4. Aan het opschrift van hoofdstuk IV van hetzelfde besluit worden de woorden "en rechtspositie van de personeelsleden van de kabinetten" toegevoegd.
Art. 4. L'intitulĂ© du chapitre IV du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par les mots " et statut juridique des membres du personnel des cabinets ".
Art. 5. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde besluit wordt een artikel 15/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 15/3. De personeelsleden van de kabinetten zijn onderworpen aan een regeling sui generis. Hun aanstelling of detachering is uitsluitend het gevolg van eenzijdige administratieve handelingen van een minister of de Vlaamse Regering met individuele strekking. De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is niet van toepassing, behalve in de uitzonderingsgevallen vermeld in dit besluit.
De gedetacheerde personeelsleden blijven onderworpen aan het sociale zekerheidsstatuut van hun werkgever van herkomst.
De aangestelde personeelsleden zijn onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstatuut als het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid en in het kader daarvan zijn hun werkgevers de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.".
"Art. 15/3. De personeelsleden van de kabinetten zijn onderworpen aan een regeling sui generis. Hun aanstelling of detachering is uitsluitend het gevolg van eenzijdige administratieve handelingen van een minister of de Vlaamse Regering met individuele strekking. De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is niet van toepassing, behalve in de uitzonderingsgevallen vermeld in dit besluit.
De gedetacheerde personeelsleden blijven onderworpen aan het sociale zekerheidsstatuut van hun werkgever van herkomst.
De aangestelde personeelsleden zijn onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstatuut als het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid en in het kader daarvan zijn hun werkgevers de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 5. Dans le chapitre IV, section 1re, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 15/3 rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 15/3. Les membres du personnel des cabinets sont soumis Ă un rĂ©gime sui generis. Leur dĂ©signation ou dĂ©tachement sont uniquement le fruit d'actes administratifs unilatĂ©raux Ă portĂ©e individuelle Ă©manant d'un ministre ou du Gouvernement flamand. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ne s'applique pas, sauf dans les cas exceptionnels prĂ©vus par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Les membres du personnel détachés restent soumis au statut de sécurité sociale de son employeur d'origine.
Les membres du personnel dĂ©signĂ©s sont soumis au mĂȘme statut de sĂ©curitĂ© sociale que le personnel contractuel des services de l'AutoritĂ© flamande et, dans ce cadre, leurs employeurs sont les ministĂšres de la CommunautĂ© flamande. ".
" Art. 15/3. Les membres du personnel des cabinets sont soumis Ă un rĂ©gime sui generis. Leur dĂ©signation ou dĂ©tachement sont uniquement le fruit d'actes administratifs unilatĂ©raux Ă portĂ©e individuelle Ă©manant d'un ministre ou du Gouvernement flamand. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ne s'applique pas, sauf dans les cas exceptionnels prĂ©vus par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Les membres du personnel détachés restent soumis au statut de sécurité sociale de son employeur d'origine.
Les membres du personnel dĂ©signĂ©s sont soumis au mĂȘme statut de sĂ©curitĂ© sociale que le personnel contractuel des services de l'AutoritĂ© flamande et, dans ce cadre, leurs employeurs sont les ministĂšres de la CommunautĂ© flamande. ".
Art. 6. In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° In paragraaf 1 worden de woorden "hun departement" vervangen door "hun entiteit" en de woorden "het departement" door "de entiteit";
2° Aan paragraaf 3 worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het salariscomplement is niet verschuldigd bij een afwezigheid, met uitzondering van een afwezigheid omwille van moederschapsrust, die langer duurt dan 35 dagen.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt rekening gehouden met afwezigheden die starten vanaf 1 november 2025.".
1° In paragraaf 1 worden de woorden "hun departement" vervangen door "hun entiteit" en de woorden "het departement" door "de entiteit";
2° Aan paragraaf 3 worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het salariscomplement is niet verschuldigd bij een afwezigheid, met uitzondering van een afwezigheid omwille van moederschapsrust, die langer duurt dan 35 dagen.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt rekening gehouden met afwezigheden die starten vanaf 1 november 2025.".
Art. 6. Dans l'article 20 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er avril 2011, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° Au paragraphe 1er, les mots " leur département " sont remplacés par les mots " leur entité " et les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'entité " ;
2° Le paragraphe 3 est complété par les alinéas 2 et 3 rédigés comme suit :
" Le complément de traitement n'est pas dû en cas d'absence dépassant de 35 jours, à l'exception d'une absence en raison d'un congé de maternité.
Aux fins de l'application l'alinéa précédent, les absences débutant à partir du 1er novembre 2025 sont prises en compte. ".
1° Au paragraphe 1er, les mots " leur département " sont remplacés par les mots " leur entité " et les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'entité " ;
2° Le paragraphe 3 est complété par les alinéas 2 et 3 rédigés comme suit :
" Le complément de traitement n'est pas dû en cas d'absence dépassant de 35 jours, à l'exception d'une absence en raison d'un congé de maternité.
Aux fins de l'application l'alinéa précédent, les absences débutant à partir du 1er novembre 2025 sont prises en compte. ".
Art. 7. Aan artikel 24 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De personeelsleden van de kabinetten met een handicap die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart te beschikken, die is uitgereikt door de bevoegde federale overheid hebben recht op de tegemoetkoming van het woon-werkverkeer voor personeelsleden met een handicap als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.".
"De personeelsleden van de kabinetten met een handicap die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart te beschikken, die is uitgereikt door de bevoegde federale overheid hebben recht op de tegemoetkoming van het woon-werkverkeer voor personeelsleden met een handicap als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.".
Art. 7. L'article 24 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a 2 rĂ©digĂ© comme suit :
" Les membres du personnel des cabinets ayant un handicap qui remplissent les conditions pour disposer d'une carte de stationnement délivrée par l'autorité fédérale compétente ont droit à l'intervention dans les frais de la migration pendulaire pour les membres du personnel ayant un handicap telle que visée dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. ".
" Les membres du personnel des cabinets ayant un handicap qui remplissent les conditions pour disposer d'une carte de stationnement délivrée par l'autorité fédérale compétente ont droit à l'intervention dans les frais de la migration pendulaire pour les membres du personnel ayant un handicap telle que visée dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. ".
Art. 8. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2024, wordt een artikel 24/1 ingevoegd dat luidt als volgt:
" Art. 24/1. Na akkoord van de minister kunnen de aangestelde personeelsleden van de kabinetten beroep doen op de regeling over de fietsleasing vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd door een werkgever die niet behoort tot de diensten van de Vlaamse overheid zoals gedefinieerd in artikel I 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen na akkoord van de minister beroep doen op de in het eerste lid vermelde regeling op voorwaarde dat:
1° zij bij de werkgever van herkomst geen beroep kunnen doen op fietsleasing;
2° het budget voor de fietsleasing uitsluitend bestaat uit de door het kabinet toegekende eindejaarstoelage en/of maximum 11 vakantiedagen. ".
" Art. 24/1. Na akkoord van de minister kunnen de aangestelde personeelsleden van de kabinetten beroep doen op de regeling over de fietsleasing vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd door een werkgever die niet behoort tot de diensten van de Vlaamse overheid zoals gedefinieerd in artikel I 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen na akkoord van de minister beroep doen op de in het eerste lid vermelde regeling op voorwaarde dat:
1° zij bij de werkgever van herkomst geen beroep kunnen doen op fietsleasing;
2° het budget voor de fietsleasing uitsluitend bestaat uit de door het kabinet toegekende eindejaarstoelage en/of maximum 11 vakantiedagen. ".
Art. 8. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2024, il est insĂ©rĂ© un article 24/1 rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 24/1. Avec l'accord du ministre, les membres du personnel désignés des cabinets peuvent utiliser le systÚme du leasing vélo visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Les membres du personnel des cabinets détachés par un employeur qui n'appartient pas aux services de l'Autorité flamande au sens de l'article I 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 peuvent, moyennant l'accord du ministre, utiliser le systÚme visé à l'alinéa 1er à condition que :
1° ils ne puissent pas bénéficier d'un systÚme de leasing vélo auprÚs de leur employeur d'origine ;
2° le budget destiné au leasing vélo soit exclusivement constitué de l'allocation de fin d'année accordée par le cabinet et/ou d'un maximum de 11 jours de congé. ".
" Art. 24/1. Avec l'accord du ministre, les membres du personnel désignés des cabinets peuvent utiliser le systÚme du leasing vélo visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Les membres du personnel des cabinets détachés par un employeur qui n'appartient pas aux services de l'Autorité flamande au sens de l'article I 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 peuvent, moyennant l'accord du ministre, utiliser le systÚme visé à l'alinéa 1er à condition que :
1° ils ne puissent pas bénéficier d'un systÚme de leasing vélo auprÚs de leur employeur d'origine ;
2° le budget destiné au leasing vélo soit exclusivement constitué de l'allocation de fin d'année accordée par le cabinet et/ou d'un maximum de 11 jours de congé. ".
Art. 9. In artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 2015, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. In geval van ontslag op basis van artikel 13, § 1, kent de minister een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
In geval van ontslag op basis van artikel 13 § 2 wordt een forfaitaire toelage wegens ontslag van rechtswege toegekend aan de personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
De forfaitaire toelage wegens ontslag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend aan de personen die functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en geen beroepsinkomen, vervangingsinkomen of rustpensioen krijgen. Een overlevingspensioen of een uitkering van het gewaarborgd minimum door een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd.".
" § 1. In geval van ontslag op basis van artikel 13, § 1, kent de minister een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
In geval van ontslag op basis van artikel 13 § 2 wordt een forfaitaire toelage wegens ontslag van rechtswege toegekend aan de personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
De forfaitaire toelage wegens ontslag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend aan de personen die functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en geen beroepsinkomen, vervangingsinkomen of rustpensioen krijgen. Een overlevingspensioen of een uitkering van het gewaarborgd minimum door een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd.".
Art. 9. Dans l'article 26 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 mai 2015, le paragraphe 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
" § 1er. En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 1er, le ministre accorde une indemnité forfaitaire de licenciement aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 2, une indemnité forfaitaire de licenciement est accordée de plein droit aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
L'indemnité forfaitaire de licenciement visée aux alinéas 1er et 2 est accordée aux personnes qui ont exercé des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand et qui ne bénéficient pas d'un revenu professionnel, d'un revenu de remplacement ou d'une pension de retraite. Une pension de survie ou l'octroi du revenu minimum garanti par un Centre public d'action sociale n'est pas considéré comme un revenu de remplacement. ".
" § 1er. En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 1er, le ministre accorde une indemnité forfaitaire de licenciement aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 2, une indemnité forfaitaire de licenciement est accordée de plein droit aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
L'indemnité forfaitaire de licenciement visée aux alinéas 1er et 2 est accordée aux personnes qui ont exercé des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand et qui ne bénéficient pas d'un revenu professionnel, d'un revenu de remplacement ou d'une pension de retraite. Une pension de survie ou l'octroi du revenu minimum garanti par un Centre public d'action sociale n'est pas considéré comme un revenu de remplacement. ".
Art. 10. Aan hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 april 2011, 22 mei 2015, 15 maart 2019 en 3 februari 2023, wordt een afdeling 4, die bestaat uit artikel 26/1, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 4. Verloven en afwezigheden
"Afdeling 4. Verloven en afwezigheden
Art. 10. Le chapitre IV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 1er avril 2011, 22 mai 2015, 15 mars 2019 et 3 fĂ©vrier 2023, est complĂ©tĂ© par une section 4 comprenant l'article 26/1 rĂ©digĂ© comme suit :
" Section 4. Congés et absences
" Section 4. Congés et absences
Art. 26/1. § 1 De personeelsleden van de kabinetten hebben, rekening houdend met de noodwendigheden en met de goede werking van het kabinet, een jaarlijks recht op 35 vakantiedagen en het recht om die vakantiedagen over te dragen binnen de kabinetsperiode als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. De bijkomende vakantiedagen vanaf de leeftijd van 55 jaar zoals bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen worden toegekend na akkoord van de minister.
Na akkoord van de minister worden de niet-opgenomen vakantiedagen bij ontslag uitbetaald conform de regeling, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, behalve aan de personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd vanuit een entiteit, raad of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de feestdagen en de vervangende vakantiedagen tussen Kerst en Nieuw zoals voorzien in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. Personeelsleden van de kabinetten hebben geen recht op compensatie omwille van werken op een feestdag.
In afwijking op het vorige lid is 15 november voor de personeelsleden van de kabinetten een gunst.
§ 3. Deze paragraaf voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 `betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad' dat minimumvoorschriften en individuele rechten voorziet met betrekking tot vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en zorgverlof.
De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de volgende verloven volgens de modaliteiten en voor de duur die is bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° moederschapsrust;
2° geboorteverlof;
3° opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
4° pleegzorgverlof;
5° pleegouderverlof;
6° omstandigheidsverlof;
7° federale zorgverlof: ouderschapsverlof.
De personeelsleden van de kabinetten kunnen een beroep doen op de volgende verloven, als gunst, na akkoord van de minister, waarbij er geen afbreuk mag worden gedaan aan de continuĂŻteit van de dienst, conform de voorwaarden en voor de duur die is bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° vader- of meemoederschapsverlof;
2° het Vlaams zorgkrediet;
3° de federale zorgverloven: palliatief verlof, medisch bijstandsverlof en mantelzorgverlof;
4° gestandaardiseerd gunstverlof.
In afwijking van punt 4° hebben de personeelsleden van de kabinetten een recht op vijf dagen onbetaald zorgverlof per kalenderjaar om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of aan een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als het personeelslid wanneer deze om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.
De gedetacheerde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen overeenkomstig het personeelsstatuut bij de werkgever van herkomst. De aangestelde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen zoals bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.".
Na akkoord van de minister worden de niet-opgenomen vakantiedagen bij ontslag uitbetaald conform de regeling, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, behalve aan de personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd vanuit een entiteit, raad of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de feestdagen en de vervangende vakantiedagen tussen Kerst en Nieuw zoals voorzien in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. Personeelsleden van de kabinetten hebben geen recht op compensatie omwille van werken op een feestdag.
In afwijking op het vorige lid is 15 november voor de personeelsleden van de kabinetten een gunst.
§ 3. Deze paragraaf voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 `betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad' dat minimumvoorschriften en individuele rechten voorziet met betrekking tot vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en zorgverlof.
De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de volgende verloven volgens de modaliteiten en voor de duur die is bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° moederschapsrust;
2° geboorteverlof;
3° opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
4° pleegzorgverlof;
5° pleegouderverlof;
6° omstandigheidsverlof;
7° federale zorgverlof: ouderschapsverlof.
De personeelsleden van de kabinetten kunnen een beroep doen op de volgende verloven, als gunst, na akkoord van de minister, waarbij er geen afbreuk mag worden gedaan aan de continuĂŻteit van de dienst, conform de voorwaarden en voor de duur die is bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° vader- of meemoederschapsverlof;
2° het Vlaams zorgkrediet;
3° de federale zorgverloven: palliatief verlof, medisch bijstandsverlof en mantelzorgverlof;
4° gestandaardiseerd gunstverlof.
In afwijking van punt 4° hebben de personeelsleden van de kabinetten een recht op vijf dagen onbetaald zorgverlof per kalenderjaar om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of aan een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als het personeelslid wanneer deze om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.
De gedetacheerde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen overeenkomstig het personeelsstatuut bij de werkgever van herkomst. De aangestelde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen zoals bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.".
Art. 26/1. § 1er En tenant compte des nĂ©cessitĂ©s et du bon fonctionnement du cabinet, les membres du personnel des cabinets ont droit Ă 35 jours de congĂ© par an et ont le droit de reporter ces jours de congĂ© au sein de la pĂ©riode pendant laquelle le cabinet est en fonction tel que visĂ© dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les jours de congĂ© supplĂ©mentaires Ă partir de l'Ăąge de 55 ans, tels que fixĂ©s par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, peuvent ĂȘtre accordĂ©s moyennant l'accord du ministre.
AprÚs accord du ministre, les jours de congé non pris sont indemnisés en cas de licenciement conformément au rÚglement visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, sauf pour les membres du personnel des cabinets détachés d'une entité, d'un conseil ou d'une institution des services de l'Autorité flamande.
§ 2. Les membres du personnel des cabinets ont droit aux jours fériés et aux jours fériés de compensation entre Noël et le Nouvel An tel que prévu dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les membres du personnel des cabinets n'ont pas droit à une compensation pour le travail effectué un jour férié.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le 15 novembre est une faveur pour les membres du personnel des cabinets.
§ 3. Le présent paragraphe prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la directive 2010/18/UE du Conseil qui prévoit des exigences minimales et des droits individuels en matiÚre de congé de paternité, de congé parental et de congé d'aidant.
Les membres du personnel des cabinets ont droit aux congés suivants selon les modalités et pour la durée fixées par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de maternité ;
2° le congé de naissance ;
3° le congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse ;
4° le congé dans le cadre du placement familial ;
5° le congé parental d'accueil ;
6° le congé de circonstance ;
7° le congé pour soins fédéral ; le congé parental.
Les membres du personnel des cabinets peuvent faire appel aux congés suivants, à titre de faveur et aprÚs accord du ministre, pour autant que la continuité du service ne soit compromise, conformément aux conditions et pour la durée fixées pour les membres du personnel contractuels, visées dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de paternité ou de comaternité ;
2° le crédit-soins flamand ;
3° les congés pour soins fédéraux : le congé pour soins palliatifs, le congé d'assistance médicale et le congé d'aidant proche ;
4° le congé de faveur standardisé.
Par dĂ©rogation au point 4°, les membres du personnel des cabinets ont droit Ă 5 jours de congĂ© pour soins non rĂ©munĂ©rĂ© par annĂ©e calendaire afin d'apporter des soins ou une aide personnels Ă un membre de la famille ou Ă une personne faisant partie du mĂȘme mĂ©nage que le membre du personnel lorsque cette personne nĂ©cessite des soins ou une aide importants pour une raison mĂ©dicale grave.
Les membres du personnel détachés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou d'une allocation conformément au statut du personnel auprÚs de l'employeur d'origine. Les membres du personnel désignés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou une allocation tels que fixés pour les membres du personnel contractuels visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. ".
AprÚs accord du ministre, les jours de congé non pris sont indemnisés en cas de licenciement conformément au rÚglement visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, sauf pour les membres du personnel des cabinets détachés d'une entité, d'un conseil ou d'une institution des services de l'Autorité flamande.
§ 2. Les membres du personnel des cabinets ont droit aux jours fériés et aux jours fériés de compensation entre Noël et le Nouvel An tel que prévu dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les membres du personnel des cabinets n'ont pas droit à une compensation pour le travail effectué un jour férié.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le 15 novembre est une faveur pour les membres du personnel des cabinets.
§ 3. Le présent paragraphe prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la directive 2010/18/UE du Conseil qui prévoit des exigences minimales et des droits individuels en matiÚre de congé de paternité, de congé parental et de congé d'aidant.
Les membres du personnel des cabinets ont droit aux congés suivants selon les modalités et pour la durée fixées par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de maternité ;
2° le congé de naissance ;
3° le congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse ;
4° le congé dans le cadre du placement familial ;
5° le congé parental d'accueil ;
6° le congé de circonstance ;
7° le congé pour soins fédéral ; le congé parental.
Les membres du personnel des cabinets peuvent faire appel aux congés suivants, à titre de faveur et aprÚs accord du ministre, pour autant que la continuité du service ne soit compromise, conformément aux conditions et pour la durée fixées pour les membres du personnel contractuels, visées dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de paternité ou de comaternité ;
2° le crédit-soins flamand ;
3° les congés pour soins fédéraux : le congé pour soins palliatifs, le congé d'assistance médicale et le congé d'aidant proche ;
4° le congé de faveur standardisé.
Par dĂ©rogation au point 4°, les membres du personnel des cabinets ont droit Ă 5 jours de congĂ© pour soins non rĂ©munĂ©rĂ© par annĂ©e calendaire afin d'apporter des soins ou une aide personnels Ă un membre de la famille ou Ă une personne faisant partie du mĂȘme mĂ©nage que le membre du personnel lorsque cette personne nĂ©cessite des soins ou une aide importants pour une raison mĂ©dicale grave.
Les membres du personnel détachés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou d'une allocation conformément au statut du personnel auprÚs de l'employeur d'origine. Les membres du personnel désignés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou une allocation tels que fixés pour les membres du personnel contractuels visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins
Art. 11. Aan artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2024 wordt een punt 27° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"27° de aangestelde personeelsleden zoals bepaald in artikel 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering.".
"27° de aangestelde personeelsleden zoals bepaald in artikel 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering.".
Art. 11. L'article 2, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 juin 2024, est complĂ©tĂ© par un point 27° rĂ©digĂ© comme suit :
" 27° les membres du personnel dĂ©signĂ©s tels que fixĂ©s par l'article 4, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand. ".
" 27° les membres du personnel dĂ©signĂ©s tels que fixĂ©s par l'article 4, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand. ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 12. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2025 met uitzondering van de bepalingen over de federale zorgverloven voorzien in artikel 10 die in werking treden op de eerste dag van de maand volgend op het akkoord van de federale ministerraad maar niet vroeger dan 1 november 2025.
Art. 12. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er novembre 2025, Ă l'exception des dispositions relatives aux congĂ©s pour soins fĂ©dĂ©raux prĂ©vues Ă l'article 10, qui entrent en vigueur le premier jour du mois suivant l'accord du Conseil des ministres fĂ©dĂ©ral, et au plus tĂŽt le 1er novembre 2025.
Art. 13. De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat de eigen bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Les membres du Gouvernement flamand sont chargĂ©s, dans le cadre de leurs compĂ©tences respectives, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.