Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° het agentschap: het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) dat is opgericht bij het decreet van 20 november 2015 houdende diverse maatregelen inzake de herstructurering van het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie;
  2° het decreet van 15 juli 2016: het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 SEPTEMBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid
Titre
26 SEPTEMBRE 2025. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif au maintien de la politique d'implantation commerciale intĂ©grale
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing
Afdeling 1. - Aanstelling van de toezichthouders
Afdeling 2. - Opleiding
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering
HOOFDSTUK 4. - Herstel
Afdeling 1. - Herstelinstanties
Afdeling 2. - Herstelschikkingen
Afdeling 3. - Handhavingsverzoeken
Afdeling 4. - Beroep tegen herstelbeslissingen
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de bewaring e...
HOOFDSTUK 6. - De toebedeling van handhavingsop...
HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepaling
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Supervision et recherche
Section 1re. - Désignation des superviseurs
Section 2. - Formation
CHAPITRE 3. - Sanction administrative
CHAPITRE 4. - Réparation
Section 1re. - Instances de réparation
Section 2. - Dispositions de réparation
Section 3. - Demandes de maintien
Section 4. - Recours contre les décisions de ré...
CHAPITRE 5. - Modalités de conservation et de r...
CHAPITRE 6. - L'affectation des recettes de mai...
CHAPITRE 7. - Disposition abrogatoire
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° l'agence : l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat (" Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen ", VLAIO), créée par le décret du 20 novembre 2015 portant diverses mesures relatives à la restructuration du domaine politique de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation ;
  2° le décret du 15 juillet 2016 : le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
  1° l'agence : l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat (" Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen ", VLAIO), créée par le décret du 20 novembre 2015 portant diverses mesures relatives à la restructuration du domaine politique de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation ;
  2° le décret du 15 juillet 2016 : le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de handhaving van het decreet van 15 juli 2016.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique au maintien du dĂ©cret du 15 juillet 2016.
Art. 3. Toezichthouders en herstelinstanties sturen een afschrift van de waarschuwing, vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, naar het agentschap, en naar de gemeente op het grondgebied waarvan de vaststellingen betrekking hebben.
Art. 3. Les superviseurs et les instances de réparation envoient une copie de l'avertissement, visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, à l'agence et à la commune sur le territoire de laquelle les constatations ont été faites.
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing
CHAPITRE 2. - Supervision et recherche
Afdeling 1. - Aanstelling van de toezichthouders
Section 1re. - Désignation des superviseurs
Art. 4. De leidend ambtenaar van het agentschap kan personeelsleden van het agentschap, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, aanstellen als toezichthouder bevoegd voor de handhaving van het decreet van 15 juli 2016. De leidend ambtenaar van het agentschap kan die bevoegdheid delegeren tot op het meest functionele niveau.
  Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4°, en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouders, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 6 van dit besluit.
  Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4°, en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouders, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 6 van dit besluit.
Art. 4. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut désigner des membres du personnel de l'agence, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, comme superviseurs compétents pour le maintien du décret du 15 juillet 2016. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut déléguer cette compétence jusqu'au niveau le plus fonctionnel.
  En outre, les personnes, visĂ©es Ă l'article 8, § 2, alinĂ©a 1er, 3°, 4° et 5° du dĂ©cret prĂ©citĂ©, peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseurs, Ă condition qu'elles remplissent les exigences en matiĂšre de formation qui leur sont applicables, visĂ©es Ă l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  En outre, les personnes, visĂ©es Ă l'article 8, § 2, alinĂ©a 1er, 3°, 4° et 5° du dĂ©cret prĂ©citĂ©, peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseurs, Ă condition qu'elles remplissent les exigences en matiĂšre de formation qui leur sont applicables, visĂ©es Ă l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 5. Toezichthouders, die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 4, eerste lid van dit besluit, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van het agentschap.
Art. 5. Les superviseurs dĂ©signĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 4, alinĂ©a 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© acquiĂšrent la qualitĂ© de superviseur telle que visĂ©e Ă l'article 22, § 1er, alinĂ©a 1er, du DĂ©cret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, s'ils sont dĂ©signĂ©s Ă cet effet par le ministre flamand chargĂ© de la justice et du maintien, sur proposition de l'agence.
Afdeling 2. - Opleiding
Section 2. - Formation
Art. 6. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder agentschap: het Agentschap Justitie en Handhaving dat is opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving".
  § 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
  1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° verslagen van vaststelling opstellen;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
  4° verdachten en getuigen verhoren;
  5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het voormelde decreet.
  § 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, worden aangeboden door instellingen die de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, daarvoor heeft erkend.
  § 4. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3, een aanvraag tot de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
  1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
  2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
  3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, over de erkenning of opheffing van de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap.
  Wijzigingen van de leerplannen, vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
  § 5. De instelling die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2, heeft verstrekt, verleent een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.
  § 6. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, worden van toepassing één jaar nadat een of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de aanwijzing als toezichthouder van personen vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Deze personen volgen niettemin modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, zodra ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap.
  § 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen, die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.
  § 8. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 6 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
  § 9. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen van de modules, vermeld in paragraaf 2, als ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap. Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
  § 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
  1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° verslagen van vaststelling opstellen;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
  4° verdachten en getuigen verhoren;
  5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het voormelde decreet.
  § 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, worden aangeboden door instellingen die de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, daarvoor heeft erkend.
  § 4. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3, een aanvraag tot de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
  1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
  2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
  3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, over de erkenning of opheffing van de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap.
  Wijzigingen van de leerplannen, vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
  § 5. De instelling die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2, heeft verstrekt, verleent een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.
  § 6. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, worden van toepassing één jaar nadat een of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de aanwijzing als toezichthouder van personen vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Deze personen volgen niettemin modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, zodra ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap.
  § 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen, die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.
  § 8. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 6 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
  § 9. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen van de modules, vermeld in paragraaf 2, als ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap. Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
Art. 6. § 1er. Dans le prĂ©sent article, on entend par agence : l'Agence de la Justice et du Maintien créée par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 septembre 2021 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne Agence de la Justice et du Maintien (" Agentschap Justitie en Handhaving ").
  § 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseurs :
  1° l'usage proportionné des compétences en matiÚre de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  2° la rédaction des rapports de constatation ;
  3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
  4° l'audition des suspects et des témoins ;
  5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du décret précité.
  § 3. Les modules visés au paragraphe 2 sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
  § 4. En vue de leur agrément, les institutions visées au paragraphe 3 introduisent une demande auprÚs du ministre flamand chargé de la justice et du maintien, démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
  1° elles disposent de personnel qualifié ;
  2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
  3° elles disposent des programmes d'études qui répondent de maniÚre adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut préciser les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut suspendre l'agrément des institutions visées au paragraphe 3 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les décisions du ministre flamand chargé de la justice et du maintien relatives à l'agrément ou à la suppression de l'agrément des institutions, visées au paragraphe 3, sont publiées sur le site web de l'agence.
  Les modifications apportées aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules, visés au paragraphe 2, sont soumises à l'approbation de l'agence.
  § 5. L'institution qui a dispensé la formation ou les modules visés au paragraphe 2 délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
  § 6. Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 entrent en vigueur un an aprÚs qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément au paragraphe 3.
  Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
  Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas à la désignation comme superviseur des personnes visées à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. Néanmoins, ces personnes suivent des modules et formations visés au présent article dÚs qu'elles y sont convoquées par l'agence.
  § 7. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés au paragraphe 2.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplÎmes et de certificats équivalents dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés au paragraphe 2.
  § 8. Par dĂ©rogation au paragraphe 2 et sans prĂ©judice de l'application du paragraphe 6, les personnes possĂ©dant les connaissances et qualitĂ©s nĂ©cessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseur pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
  § 9. Les superviseurs, y compris les superviseurs visés à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, suivent un perfectionnement sur les thÚmes des modules visés au paragraphe 2, s'ils y sont convoqués par l'agence. Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
  § 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseurs :
  1° l'usage proportionné des compétences en matiÚre de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  2° la rédaction des rapports de constatation ;
  3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
  4° l'audition des suspects et des témoins ;
  5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du décret précité.
  § 3. Les modules visés au paragraphe 2 sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
  § 4. En vue de leur agrément, les institutions visées au paragraphe 3 introduisent une demande auprÚs du ministre flamand chargé de la justice et du maintien, démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
  1° elles disposent de personnel qualifié ;
  2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
  3° elles disposent des programmes d'études qui répondent de maniÚre adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut préciser les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut suspendre l'agrément des institutions visées au paragraphe 3 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les décisions du ministre flamand chargé de la justice et du maintien relatives à l'agrément ou à la suppression de l'agrément des institutions, visées au paragraphe 3, sont publiées sur le site web de l'agence.
  Les modifications apportées aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules, visés au paragraphe 2, sont soumises à l'approbation de l'agence.
  § 5. L'institution qui a dispensé la formation ou les modules visés au paragraphe 2 délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
  § 6. Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 entrent en vigueur un an aprÚs qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément au paragraphe 3.
  Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
  Les exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas à la désignation comme superviseur des personnes visées à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. Néanmoins, ces personnes suivent des modules et formations visés au présent article dÚs qu'elles y sont convoquées par l'agence.
  § 7. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matiÚre de formation visées au paragraphe 2 à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés au paragraphe 2.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplÎmes et de certificats équivalents dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés au paragraphe 2.
  § 8. Par dĂ©rogation au paragraphe 2 et sans prĂ©judice de l'application du paragraphe 6, les personnes possĂ©dant les connaissances et qualitĂ©s nĂ©cessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©es comme superviseur pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
  § 9. Les superviseurs, y compris les superviseurs visés à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, suivent un perfectionnement sur les thÚmes des modules visés au paragraphe 2, s'ils y sont convoqués par l'agence. Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering
CHAPITRE 3. - Sanction administrative
Art. 7. De leidend ambtenaar van het agentschap en de personeelsleden van het agentschap die de leidend ambtenaar aanwijst, treden op als beboetingsinstantie als vermeld in artikel 17, § 2, van het decreet van 15 juli 2016.
Art. 7. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence et les membres du personnel de l'agence désignés par le fonctionnaire dirigeant agissent en tant qu'instance verbalisante telle que visée à l'article 17, § 2, du décret du 15 juillet 2016.
HOOFDSTUK 4. - Herstel
CHAPITRE 4. - Réparation
Afdeling 1. - Herstelinstanties
Section 1re. - Instances de réparation
Art. 8. De leidend ambtenaar van het agentschap en de personeelsleden van het agentschap die de leidend ambtenaar aanwijst, treden op als de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, voor het herstel en de beveiliging van inbreuken op de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli 2016, met betrekking tot handelingen waarvoor de Vlaamse Regering of de provincie in eerste administratieve aanleg bevoegd is.
  De bevoegdheid van de herstelinstanties, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016, is beperkt tot het herstel van en de beveiliging tegen inbreuken op de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli 2016, met betrekking tot handelingen waarvoor de gemeente in eerste administratieve aanleg bevoegd is.
  De bevoegdheid van de herstelinstanties, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016, is beperkt tot het herstel van en de beveiliging tegen inbreuken op de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli 2016, met betrekking tot handelingen waarvoor de gemeente in eerste administratieve aanleg bevoegd is.
Art. 8. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence et les membres du personnel de l'agence désignés par le fonctionnaire dirigeant, agissent en tant qu'instance de réparation, visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2016, pour la réparation et la sécurisation contre des infractions à l'obligation d'autorisation, visée à l'article 11 du décret du 15 juillet 2016, en ce qui concerne les actes pour lesquels le Gouvernement flamand ou la province est compétent en premiÚre instance administrative.
  La compétence des instances de réparation, visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°, du décret du 15 juillet 2016, est limitée à la réparation et à la sécurisation contre des infractions à l'obligation d'autorisation, visée à l'article 11 du décret du 15 juillet 2016, en ce qui concerne les actes pour lesquels la commune est compétente en premiÚre instance administrative.
  La compétence des instances de réparation, visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°, du décret du 15 juillet 2016, est limitée à la réparation et à la sécurisation contre des infractions à l'obligation d'autorisation, visée à l'article 11 du décret du 15 juillet 2016, en ce qui concerne les actes pour lesquels la commune est compétente en premiÚre instance administrative.
Afdeling 2. - Herstelschikkingen
Section 2. - Dispositions de réparation
Art. 9. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid kunnen ook herstelinstanties als vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016, die niet tot de Vlaamse overheid behoren, herstelschikkingen sluiten. Artikel 62, § 1 en § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van overeenkomstige toepassing.
  Herstelschikkingen, andere dan deze in het eerste lid, worden gesloten door:
  1° de door de leidend ambtenaar aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 8, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro niet overstijgt;
  2° de leidend ambtenaar, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro overstijgt.
  Herstelschikkingen worden in de volgende gevallen bekrachtigd door de volgende instanties of personen:
  1° als ze uitgaan van een herstelinstantie als vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016: het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de publieke schade zich heeft voorgedaan;
  2° als ze uitgaan van een herstelinstantie van de Vlaamse overheid zoals vermeld in het tweede lid, 1° : de leidend ambtenaar van het agentschap.
  In afwijking van het derde lid worden herstelschikkingen bekrachtigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, of door de gemachtigde van de minister, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van meer dan 500.000 euro overstijgt.
  Herstelschikkingen, andere dan deze in het eerste lid, worden gesloten door:
  1° de door de leidend ambtenaar aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 8, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro niet overstijgt;
  2° de leidend ambtenaar, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro overstijgt.
  Herstelschikkingen worden in de volgende gevallen bekrachtigd door de volgende instanties of personen:
  1° als ze uitgaan van een herstelinstantie als vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016: het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de publieke schade zich heeft voorgedaan;
  2° als ze uitgaan van een herstelinstantie van de Vlaamse overheid zoals vermeld in het tweede lid, 1° : de leidend ambtenaar van het agentschap.
  In afwijking van het derde lid worden herstelschikkingen bekrachtigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, of door de gemachtigde van de minister, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van meer dan 500.000 euro overstijgt.
Art. 9. Dans les limites de leur compétence, les instances de réparation telles que visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°, du décret du 15 juillet 2016, qui ne relÚvent pas de l'Autorité flamande, peuvent également convenir des dispositions de réparation. L'article 62, § 1er et § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 s'applique mutatis mutandis.
  Les dispositions de réparation, autres que celles visées à l'alinéa 1er, sont convenues par :
  1° les membres du personnel désignés par le fonctionnaire dirigeant, visés à l'article 8, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ne dépasse pas un montant estimé de 500 000 euros ;
  2° le fonctionnaire dirigeant, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, dépasse un montant estimé de 500 000 euros.
  Dans les cas suivants, les dispositions de réparation sont sanctionnées par les instances ou personnes suivantes :
  1° si elles Ă©manent d'une instance de rĂ©paration telle que visĂ©e Ă l'article 17, § 1er, alinĂ©a 1er, 2° Ă 4°, du dĂ©cret du 15 juillet 2016 : le collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins de la commune oĂč le prĂ©judice public s'est produit ;
  2° si elles émanent d'une instance de réparation du Gouvernement flamand tel que visé à l'alinéa 2, 1° : le fonctionnaire dirigeant de l'agence.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les dispositions de réparation sont sanctionnées par le ministre flamand chargé de l'économie ou par le délégué du ministre, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, dépasse un montant estimé de 500 000 euros.
  Les dispositions de réparation, autres que celles visées à l'alinéa 1er, sont convenues par :
  1° les membres du personnel désignés par le fonctionnaire dirigeant, visés à l'article 8, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ne dépasse pas un montant estimé de 500 000 euros ;
  2° le fonctionnaire dirigeant, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, dépasse un montant estimé de 500 000 euros.
  Dans les cas suivants, les dispositions de réparation sont sanctionnées par les instances ou personnes suivantes :
  1° si elles Ă©manent d'une instance de rĂ©paration telle que visĂ©e Ă l'article 17, § 1er, alinĂ©a 1er, 2° Ă 4°, du dĂ©cret du 15 juillet 2016 : le collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins de la commune oĂč le prĂ©judice public s'est produit ;
  2° si elles émanent d'une instance de réparation du Gouvernement flamand tel que visé à l'alinéa 2, 1° : le fonctionnaire dirigeant de l'agence.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les dispositions de réparation sont sanctionnées par le ministre flamand chargé de l'économie ou par le délégué du ministre, si l'équivalent financier du préjudice public, visé à l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, n'a pas été effectivement réparé, conformément à l'article 48, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, dépasse un montant estimé de 500 000 euros.
Afdeling 3. - Handhavingsverzoeken
Section 3. - Demandes de maintien
Art. 10. § 1. Het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, wordt ingediend met een beveiligde zending bij de bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8.
  Als een handhavingsverzoek gericht wordt aan een onbevoegde persoon of instantie, stuurt die persoon of die instantie het verzoek zo snel mogelijk door naar de bevoegde herstelinstantie.
  Het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, is onontvankelijk als het wordt ingediend bij meer dan een bevoegde herstelinstantie.
  Als de bevoegdheid om te oordelen over het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, volgens de verzoeker toekomt aan herstelinstanties van verschillende overheden, maakt hij daarvan melding in zijn verzoek. De bevoegde herstelinstantie die het verzoek ontvangt, betrekt de andere bevoegde herstelinstantie of herstelinstanties en ze nemen samen een beslissing.
  § 2. Een handhavingsverzoek is ontvankelijk als het voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° het handhavingsverzoek bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de verzoeker of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de verzoeker. Als de verzoeker een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de verzoeker dat aan in het handhavingsverzoek;
  2° de verzoeker of de raadsman van de verzoeker heeft het verzoek ondertekend. In geval van ondertekening door een raadsman wordt een schriftelijke machtiging bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het handhavingsverzoek bevat de gegevens, vermeld in artikel 96, tweede lid, 1° tot en met 3°, van het voormelde decreet;
  4° in voorkomend geval bevat het handhavingsverzoek een inventaris van de bijgevoegde overtuigingsstukken.
  Wanneer het handhavingsverzoek niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vraagt de bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, met een beveiligde zending aan de verzoeker om het handhavingsverzoek te regulariseren. De verzoeker regulariseert het handhavingsverzoek met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek met beveiligde zending.
  § 3. De bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, brengt de verzoeker zo snel mogelijk en in elk geval binnen zestig dagen na de kennisgeving van een handhavingsverzoek met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing.
  Zolang de bevoegde herstelinstantie niet definitief heeft beslist over een eerder handhavingsverzoek voor dezelfde schade, kan de verzoeker geen nieuw handhavingsverzoek voor diezelfde schade indienen. Desalniettemin kan de verzoeker het handhavingsverzoek wijzigen of uitbreiden in geval van gewijzigde feitelijke omstandigheden die betrekking hebben op dezelfde schade.
  Als een handhavingsverzoek gericht wordt aan een onbevoegde persoon of instantie, stuurt die persoon of die instantie het verzoek zo snel mogelijk door naar de bevoegde herstelinstantie.
  Het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, is onontvankelijk als het wordt ingediend bij meer dan een bevoegde herstelinstantie.
  Als de bevoegdheid om te oordelen over het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, volgens de verzoeker toekomt aan herstelinstanties van verschillende overheden, maakt hij daarvan melding in zijn verzoek. De bevoegde herstelinstantie die het verzoek ontvangt, betrekt de andere bevoegde herstelinstantie of herstelinstanties en ze nemen samen een beslissing.
  § 2. Een handhavingsverzoek is ontvankelijk als het voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° het handhavingsverzoek bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de verzoeker of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de verzoeker. Als de verzoeker een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de verzoeker dat aan in het handhavingsverzoek;
  2° de verzoeker of de raadsman van de verzoeker heeft het verzoek ondertekend. In geval van ondertekening door een raadsman wordt een schriftelijke machtiging bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het handhavingsverzoek bevat de gegevens, vermeld in artikel 96, tweede lid, 1° tot en met 3°, van het voormelde decreet;
  4° in voorkomend geval bevat het handhavingsverzoek een inventaris van de bijgevoegde overtuigingsstukken.
  Wanneer het handhavingsverzoek niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vraagt de bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, met een beveiligde zending aan de verzoeker om het handhavingsverzoek te regulariseren. De verzoeker regulariseert het handhavingsverzoek met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek met beveiligde zending.
  § 3. De bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, brengt de verzoeker zo snel mogelijk en in elk geval binnen zestig dagen na de kennisgeving van een handhavingsverzoek met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing.
  Zolang de bevoegde herstelinstantie niet definitief heeft beslist over een eerder handhavingsverzoek voor dezelfde schade, kan de verzoeker geen nieuw handhavingsverzoek voor diezelfde schade indienen. Desalniettemin kan de verzoeker het handhavingsverzoek wijzigen of uitbreiden in geval van gewijzigde feitelijke omstandigheden die betrekking hebben op dezelfde schade.
Art. 10. § 1er. La demande de maintien visée à l'article 96, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, est introduite par envoi sécurisé auprÚs de l'instance de réparation compétente visée à l'article 8.
  Si une demande de maintien est adressée à une personne ou instance non compétente, cette personne ou instance transmet la demande dans les plus brefs délais à l'instance de réparation compétente.
  La demande de maintien visée à l'article 96, alinéa 1er, du décret précité est irrecevable si elle est introduite auprÚs de plus d'une instance de réparation compétente.
  Si, selon le demandeur, la compétence de statuer sur la demande de maintien, visée à l'article 96, alinéa 1er, du décret précité, revient à des instances de réparation relevant de différentes autorités, il en fait mention dans sa demande. L'instance de réparation compétente qui reçoit la demande associe l'autre ou les autres instances de réparation compétentes, et elles prennent une décision conjointement.
  § 2. Une demande de maintien est recevable si elle remplit les conditions suivantes :
  1° la demande de maintien comprend les nom, prénom et domicile du demandeur ou la dénomination sociale et le siÚge social du demandeur. Si l'élection de domicile est faite auprÚs du conseil du demandeur, ce dernier en fait mention dans la demande de maintien ;
  2° le demandeur ou son conseil a signé la demande. En cas de signature par un conseil, une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
  3° la demande de maintien comprend les données visées à l'article 96, alinéa 2, 1° à 3°, du décret précité ;
  4° le cas échéant, la demande de maintien comprend un inventaire des piÚces à conviction jointes.
  Si la demande de maintien ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 1er, l'instance de réparation compétente, visée à l'article 8, demande au demandeur, par envoi sécurisé, de régulariser la demande de maintien. Le demandeur régularise la demande de maintien par envoi sécurisé dans un délai de sept jours suivant la notification de la demande de régularisation par envoi sécurisé.
  § 3. L'instance de réparation compétente visée à l'article 8 informe le demandeur par envoi sécurisé de sa décision dans les plus brefs délais et, en tout état de cause, dans les soixante jours suivant la notification d'une demande de maintien.
  Tant que l'instance de rĂ©paration compĂ©tente n'a pas dĂ©finitivement statuĂ© sur une demande de maintien antĂ©rieure relative au mĂȘme prĂ©judice, le demandeur ne peut pas introduire une nouvelle demande de maintien pour ce mĂȘme prĂ©judice. Toutefois, le demandeur peut modifier ou complĂ©ter la demande de maintien en cas de changement des circonstances factuelles relatives au mĂȘme prĂ©judice.
  Si une demande de maintien est adressée à une personne ou instance non compétente, cette personne ou instance transmet la demande dans les plus brefs délais à l'instance de réparation compétente.
  La demande de maintien visée à l'article 96, alinéa 1er, du décret précité est irrecevable si elle est introduite auprÚs de plus d'une instance de réparation compétente.
  Si, selon le demandeur, la compétence de statuer sur la demande de maintien, visée à l'article 96, alinéa 1er, du décret précité, revient à des instances de réparation relevant de différentes autorités, il en fait mention dans sa demande. L'instance de réparation compétente qui reçoit la demande associe l'autre ou les autres instances de réparation compétentes, et elles prennent une décision conjointement.
  § 2. Une demande de maintien est recevable si elle remplit les conditions suivantes :
  1° la demande de maintien comprend les nom, prénom et domicile du demandeur ou la dénomination sociale et le siÚge social du demandeur. Si l'élection de domicile est faite auprÚs du conseil du demandeur, ce dernier en fait mention dans la demande de maintien ;
  2° le demandeur ou son conseil a signé la demande. En cas de signature par un conseil, une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
  3° la demande de maintien comprend les données visées à l'article 96, alinéa 2, 1° à 3°, du décret précité ;
  4° le cas échéant, la demande de maintien comprend un inventaire des piÚces à conviction jointes.
  Si la demande de maintien ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 1er, l'instance de réparation compétente, visée à l'article 8, demande au demandeur, par envoi sécurisé, de régulariser la demande de maintien. Le demandeur régularise la demande de maintien par envoi sécurisé dans un délai de sept jours suivant la notification de la demande de régularisation par envoi sécurisé.
  § 3. L'instance de réparation compétente visée à l'article 8 informe le demandeur par envoi sécurisé de sa décision dans les plus brefs délais et, en tout état de cause, dans les soixante jours suivant la notification d'une demande de maintien.
  Tant que l'instance de rĂ©paration compĂ©tente n'a pas dĂ©finitivement statuĂ© sur une demande de maintien antĂ©rieure relative au mĂȘme prĂ©judice, le demandeur ne peut pas introduire une nouvelle demande de maintien pour ce mĂȘme prĂ©judice. Toutefois, le demandeur peut modifier ou complĂ©ter la demande de maintien en cas de changement des circonstances factuelles relatives au mĂȘme prĂ©judice.
Afdeling 4. - Beroep tegen herstelbeslissingen
Section 4. - Recours contre les décisions de réparation
Art. 11. § 1. De adressant van een bestuurlijke herstelbeslissing waarin hem een publieke herstelmaatregel of inperkende maatregel wordt opgelegd, kan tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, conform artikel 98, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Dat beroep heeft geen schorsende werking.
  Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt, binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, op het adres van het agentschap. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
  Het beroepschrift voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan de volgende voorwaarden:
  1° het beroepschrift bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de beroepsindiener. Als de beroepsindiener een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de beroepsindiener dat aan in het beroepschrift;
  2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroepschrift ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het beroepschrift vermeldt het voorwerp van het beroep en de argumenten die de beroepsindiener inroept;
  4° het beroepschrift bevat een kopie van de bestreden beslissing.
  Als de beroepsindiener het beroep, vermeld in het eerste lid, indient via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
  De beroepsindiener voegt de overtuigingsstukken, die al in het hersteldossier zijn opgenomen, niet bij het beroepschrift, vermeld in het derde lid. Het beroepschrift bevat, in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken.
  Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt het agentschap via een melding in het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
  § 2. Het agentschap onderzoekt of het beroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ontvankelijk is:
  1° als het beroep onontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen. In dat geval is de procedure voor het niet-ontvankelijke beroep beëindigd;
  2° als het beroep ontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan gelijktijdig met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen.
  § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, en het agentschap nemen kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
  In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal te bezorgen aan het agentschap binnen de termijn die het agentschap bepaalt.
  § 4. Bij een ontvankelijk beroep als vermeld in paragraaf 2, 2°, geeft het agentschap binnen vijfenveertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving van de ontvankelijkheid, vermeld in paragraaf 2, 2°, een advies over het beroep. Het agentschap bezorgt dat advies aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie.
  In geval van technische onmogelijkheid als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, pas te lopen de dag nadat het agentschap het integrale dossier van de herstelinstantie heeft ontvangen.
  § 5. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen nadat het beroep ingediend is, conform paragraaf 1, tweede lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, een beslissing over het beroep en, in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan ook een beslissing nemen over de dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.
  Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van een termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de herstelbeslissing die met het administratief beroep is bestreden, definitief. Het agentschap brengt degene aan wie het bestuurlijk herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, schriftelijk op de hoogte van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.
  § 6. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, eerste en tweede lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.
  Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt, binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, op het adres van het agentschap. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
  Het beroepschrift voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan de volgende voorwaarden:
  1° het beroepschrift bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de beroepsindiener. Als de beroepsindiener een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de beroepsindiener dat aan in het beroepschrift;
  2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroepschrift ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het beroepschrift vermeldt het voorwerp van het beroep en de argumenten die de beroepsindiener inroept;
  4° het beroepschrift bevat een kopie van de bestreden beslissing.
  Als de beroepsindiener het beroep, vermeld in het eerste lid, indient via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
  De beroepsindiener voegt de overtuigingsstukken, die al in het hersteldossier zijn opgenomen, niet bij het beroepschrift, vermeld in het derde lid. Het beroepschrift bevat, in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken.
  Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt het agentschap via een melding in het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
  § 2. Het agentschap onderzoekt of het beroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ontvankelijk is:
  1° als het beroep onontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen. In dat geval is de procedure voor het niet-ontvankelijke beroep beëindigd;
  2° als het beroep ontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan gelijktijdig met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen.
  § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, en het agentschap nemen kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
  In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal te bezorgen aan het agentschap binnen de termijn die het agentschap bepaalt.
  § 4. Bij een ontvankelijk beroep als vermeld in paragraaf 2, 2°, geeft het agentschap binnen vijfenveertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving van de ontvankelijkheid, vermeld in paragraaf 2, 2°, een advies over het beroep. Het agentschap bezorgt dat advies aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie.
  In geval van technische onmogelijkheid als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, pas te lopen de dag nadat het agentschap het integrale dossier van de herstelinstantie heeft ontvangen.
  § 5. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen nadat het beroep ingediend is, conform paragraaf 1, tweede lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, een beslissing over het beroep en, in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan ook een beslissing nemen over de dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.
  Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van een termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de herstelbeslissing die met het administratief beroep is bestreden, definitief. Het agentschap brengt degene aan wie het bestuurlijk herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, schriftelijk op de hoogte van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.
  § 6. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, eerste en tweede lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.
Art. 11. § 1er. Le destinataire d'une décision administrative de réparation imposant contre lui une mesure de réparation publique ou une mesure restrictive peut introduire un recours auprÚs du ministre flamand chargé de l'économie, conformément à l'article 98, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. Ce recours n'a pas d'effet suspensif.
  Le recours visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sĂ©curisĂ© adressĂ© au ministre flamand chargĂ© de l'Ă©conomie, Ă l'adresse de l'agence, dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de vingt jours suivant la notification de la dĂ©cision administrative de rĂ©paration. Si l'auteur du recours souhaite ĂȘtre entendu, il le mentionne dans la dĂ©claration de recours.
  La déclaration de recours remplit les conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
  1° la déclaration de recours comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siÚge social de l'auteur du recours. Si l'élection de domicile est faite auprÚs du conseil de l'auteur du recours, ce dernier en fait mention dans la demande de maintien ;
  2° l'auteur du recours ou son conseil a signé la déclaration de recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
  3° la déclaration de recours mentionne l'objet du recours et les arguments invoqués par l'auteur du recours ;
  4° la déclaration de recours comprend une copie de la décision contestée.
  Si l'auteur du recours introduit le recours visé à l'alinéa 1er au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
  L'auteur du recours ne joint pas les piÚces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation à la déclaration de recours visée à l'alinéa 3. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des piÚces à conviction.
  Si la déclaration de recours ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 3, l'agence demande à l'auteur du recours, par une notification dans le registre de mesures ou par envoi sécurisé, de régulariser la déclaration de recours. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de sept jours suivant la notification de la demande de régularisation.
  § 2. L'agence examine si le recours, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est recevable :
  1° si le recours est déclaré irrecevable, l'agence en informe l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours suivant la réception du recours. Dans ce cas, la procédure relative au recours irrecevable est close ;
  2° si le recours est déclaré recevable, l'agence en informe simultanément l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours suivant la réception du recours.
  § 3. Le ministre flamand chargé de l'économie et l'agence prennent connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
  En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation à l'agence dans le délai fixé par l'agence.
  § 4. En cas de recours recevable tel que visé au paragraphe 2, 2°, l'agence rend un avis sur le recours dans un délai de quarante-cinq jours suivant la date de notification de la recevabilité visée au paragraphe 2, 2°. L'agence transmet cet avis au ministre flamand chargé de l'économie.
  En cas d'impossibilité technique telle que visée au paragraphe 3, alinéa 2, le délai visé à l'alinéa 1er ne prend cours que le jour suivant la réception par l'agence du dossier intégral de l'instance de réparation.
  § 5. Dans un délai d'échéance de nonante jours suivant l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, le ministre flamand chargé de l'économie prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
  Le ministre flamand chargé de l'économie peut également statuer sur les astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
  Le ministre flamand chargé de l'économie peut prolonger une seule fois le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par envoi sécurisé envoyé dans le délai d'échéance initial de nonante jours.
  Si le ministre flamand chargé de l'économie ne statue pas sur le recours en temps utile ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, le recours est réputé rejeté et la décision de réparation contestée par le recours administratif devient définitive. L'agence informe la personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée du rejet tacite du recours par écrit.
  § 6. L'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision visée au paragraphe 5, alinéas 1er et 2 par envoi sécurisé dans un délai de dix jours suivant la date de cette décision.
  Le recours visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sĂ©curisĂ© adressĂ© au ministre flamand chargĂ© de l'Ă©conomie, Ă l'adresse de l'agence, dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de vingt jours suivant la notification de la dĂ©cision administrative de rĂ©paration. Si l'auteur du recours souhaite ĂȘtre entendu, il le mentionne dans la dĂ©claration de recours.
  La déclaration de recours remplit les conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
  1° la déclaration de recours comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siÚge social de l'auteur du recours. Si l'élection de domicile est faite auprÚs du conseil de l'auteur du recours, ce dernier en fait mention dans la demande de maintien ;
  2° l'auteur du recours ou son conseil a signé la déclaration de recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
  3° la déclaration de recours mentionne l'objet du recours et les arguments invoqués par l'auteur du recours ;
  4° la déclaration de recours comprend une copie de la décision contestée.
  Si l'auteur du recours introduit le recours visé à l'alinéa 1er au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
  L'auteur du recours ne joint pas les piÚces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation à la déclaration de recours visée à l'alinéa 3. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des piÚces à conviction.
  Si la déclaration de recours ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 3, l'agence demande à l'auteur du recours, par une notification dans le registre de mesures ou par envoi sécurisé, de régulariser la déclaration de recours. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de sept jours suivant la notification de la demande de régularisation.
  § 2. L'agence examine si le recours, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est recevable :
  1° si le recours est déclaré irrecevable, l'agence en informe l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours suivant la réception du recours. Dans ce cas, la procédure relative au recours irrecevable est close ;
  2° si le recours est déclaré recevable, l'agence en informe simultanément l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours suivant la réception du recours.
  § 3. Le ministre flamand chargé de l'économie et l'agence prennent connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
  En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation à l'agence dans le délai fixé par l'agence.
  § 4. En cas de recours recevable tel que visé au paragraphe 2, 2°, l'agence rend un avis sur le recours dans un délai de quarante-cinq jours suivant la date de notification de la recevabilité visée au paragraphe 2, 2°. L'agence transmet cet avis au ministre flamand chargé de l'économie.
  En cas d'impossibilité technique telle que visée au paragraphe 3, alinéa 2, le délai visé à l'alinéa 1er ne prend cours que le jour suivant la réception par l'agence du dossier intégral de l'instance de réparation.
  § 5. Dans un délai d'échéance de nonante jours suivant l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, le ministre flamand chargé de l'économie prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
  Le ministre flamand chargé de l'économie peut également statuer sur les astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
  Le ministre flamand chargé de l'économie peut prolonger une seule fois le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par envoi sécurisé envoyé dans le délai d'échéance initial de nonante jours.
  Si le ministre flamand chargé de l'économie ne statue pas sur le recours en temps utile ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, le recours est réputé rejeté et la décision de réparation contestée par le recours administratif devient définitive. L'agence informe la personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée du rejet tacite du recours par écrit.
  § 6. L'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision visée au paragraphe 5, alinéas 1er et 2 par envoi sécurisé dans un délai de dix jours suivant la date de cette décision.
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken
CHAPITRE 5. - Modalités de conservation et de restitution des objets emportés
Art. 12. § 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 71, § 1, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden meegevoerd en opgeslagen, meldt de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, dat in een verslag van bewaring. Een afschrift van het verslag van bewaring wordt verstrekt aan degene die de zaken onder beheer had en, als dat een andere persoon dan de rechthebbende is en als de rechthebbende bekend is, aan de rechthebbende.
  § 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.
  De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, is bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of een houder van rechten als vermeld in artikel 71 § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van bewaring.
  § 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaken om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
  De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, wordt niet afgewacht als de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
  In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
  Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan niet plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift van het verslag van bewaring conform paragraaf 1, tenzij het zaken betreft die gevaarlijk zijn of die onderhevig zijn aan bederf.
  § 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.
  De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, is bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of een houder van rechten als vermeld in artikel 71 § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van bewaring.
  § 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaken om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
  De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, wordt niet afgewacht als de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
  In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
  Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan niet plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift van het verslag van bewaring conform paragraaf 1, tenzij het zaken betreft die gevaarlijk zijn of die onderhevig zijn aan bederf.
Art. 12. § 1er. Si des objets sont emportés et conservés en vertu de la compétence visée à l'article 71, § 1er, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2016, le mentionne dans un rapport de conservation. Une copie du rapport de conservation est remise à la personne qui avait les objets sous sa gestion et, si cette personne n'est pas l'ayant droit et que l'ayant droit est connu, à l'ayant droit.
  § 2. L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2016, assure la conservation des objets entreposés et les restitue à l'ayant droit.
  L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de rĂ©paration visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er est compĂ©tent pour suspendre la restitution prĂ©citĂ©e jusqu'au paiement des frais liĂ©s Ă l'exĂ©cution d'office de la dĂ©cision administrative de rĂ©paration ou de sĂ©curitĂ©, y compris des frais de prĂ©paration, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme un contrevenant tenu Ă rĂ©paration ou comme un titulaire de droits tel que visĂ© Ă l'article 71, § 2, alinĂ©a 2, du DĂ©cret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut ĂȘtre subordonnĂ©e qu'au paiement des frais de conservation.
  § 3. Si les objets emportées et entreposées ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours aprÚs avoir été emportées, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, si leur vente n'est pas possible, à transférer les objets en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
  Le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er n'est pas observé si les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet.
  Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
  La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut pas avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie du rapport de conservation conformément au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse d'objets dangereux ou périssables.
  § 2. L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2016, assure la conservation des objets entreposés et les restitue à l'ayant droit.
  L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de rĂ©paration visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er est compĂ©tent pour suspendre la restitution prĂ©citĂ©e jusqu'au paiement des frais liĂ©s Ă l'exĂ©cution d'office de la dĂ©cision administrative de rĂ©paration ou de sĂ©curitĂ©, y compris des frais de prĂ©paration, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme un contrevenant tenu Ă rĂ©paration ou comme un titulaire de droits tel que visĂ© Ă l'article 71, § 2, alinĂ©a 2, du DĂ©cret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut ĂȘtre subordonnĂ©e qu'au paiement des frais de conservation.
  § 3. Si les objets emportées et entreposées ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours aprÚs avoir été emportées, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, si leur vente n'est pas possible, à transférer les objets en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
  Le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er n'est pas observé si les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet.
  Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
  La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut pas avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie du rapport de conservation conformément au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse d'objets dangereux ou périssables.
HOOFDSTUK 6. - De toebedeling van handhavingsopbrengsten
CHAPITRE 6. - L'affectation des recettes de maintien
Art. 13. § 1. Een deel van de opbrengst van de bestuurlijke vervolging van een inbreuk als vermeld in artikel 16 van het decreet van 15 juli 2016 en artikel 103 en 104 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die op jaarbasis wordt geïnd door de Vlaamse overheid, komt toe aan de gemeente waar de inbreuk is vastgesteld, op voorwaarde dat gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of personeelsleden van de lokale politie het verslag van vaststelling waarop de bestuurlijke vervolging is gebaseerd, hebben opgesteld.
  Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis wordt geïnd.
  In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten die gemaakt zijn voor de gedwongen invordering van die gelden.
  § 2. Zolang het materieel onmogelijk is om de geïnde opbrengst per verslag van vaststelling te berekenen conform paragraaf 1, wordt 25% van het totaal van de opbrengst van de bestuurlijke vervolgingen, vermeld in paragraaf 1, die op jaarbasis wordt geïnd, pro rata verdeeld onder de gemeenten volgens het aantal aanvankelijke processen-verbaal en verslagen van vaststelling voor het grondgebied van elke gemeente in datzelfde jaar die de gemeentelijke personeelsleden, de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of de personeelsleden van de lokale politie hebben opgesteld.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, stelt de datum vast waarop de materiële onmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, ophoudt te bestaan.
  § 3. De handhavingsopbrengsten, vermeld in artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die toekomen aan het agentschap, worden overgemaakt aan en beheerd door het Fonds voor Innoveren en Ondernemen, dat is opgericht bij artikel 41 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002.
  Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis wordt geïnd.
  In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten die gemaakt zijn voor de gedwongen invordering van die gelden.
  § 2. Zolang het materieel onmogelijk is om de geïnde opbrengst per verslag van vaststelling te berekenen conform paragraaf 1, wordt 25% van het totaal van de opbrengst van de bestuurlijke vervolgingen, vermeld in paragraaf 1, die op jaarbasis wordt geïnd, pro rata verdeeld onder de gemeenten volgens het aantal aanvankelijke processen-verbaal en verslagen van vaststelling voor het grondgebied van elke gemeente in datzelfde jaar die de gemeentelijke personeelsleden, de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of de personeelsleden van de lokale politie hebben opgesteld.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, stelt de datum vast waarop de materiële onmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, ophoudt te bestaan.
  § 3. De handhavingsopbrengsten, vermeld in artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die toekomen aan het agentschap, worden overgemaakt aan en beheerd door het Fonds voor Innoveren en Ondernemen, dat is opgericht bij artikel 41 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002.
Art. 13. § 1er. Une partie de la recette issue de la poursuite administrative d'une infraction telle que visĂ©e Ă l'article 16 du dĂ©cret du 15 juillet 2016 et aux articles 103 et 104 du DĂ©cret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, perçue sur une base annuelle par l'AutoritĂ© flamande est attribuĂ©e Ă la commune oĂč la constatation de l'infraction a Ă©tĂ© faite, Ă condition que des membres du personnel communal, des membres du personnel d'une intercommunale ou des membres du personnel de la police locale aient dressĂ© le rapport de constatation sur lequel se fonde la poursuite administrative.
  La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
  Dans l'alinéa 2, on entend par recettes : les sommes perçues aprÚs déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.
  § 2. Tant qu'il est matĂ©riellement impossible de calculer la recette perçue par rapport de constatation conformĂ©ment au paragraphe 1er, 25 % de la recette totale issue des poursuites administratives visĂ©es au paragraphe 1er, perçue sur une base annuelle, sont rĂ©partis au prorata entre les communes en fonction du nombre de procĂšs-verbaux et de rapports de constatation initiaux Ă©tablis au cours de la mĂȘme annĂ©e pour le territoire de chaque commune par les membres du personnel communal, les membres du personnel d'une intercommunale ou les membres du personnel de la police locale.
  Le ministre flamand chargé de l'économie fixe la date à laquelle l'impossibilité matérielle visée à l'alinéa 1er cesse d'exister.
  § 3. Les recettes de maintien visées à l'article 73 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui reviennent à l'agence, sont transférées et gérées par le Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat, créé par l'article 41 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002.
  La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
  Dans l'alinéa 2, on entend par recettes : les sommes perçues aprÚs déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.
  § 2. Tant qu'il est matĂ©riellement impossible de calculer la recette perçue par rapport de constatation conformĂ©ment au paragraphe 1er, 25 % de la recette totale issue des poursuites administratives visĂ©es au paragraphe 1er, perçue sur une base annuelle, sont rĂ©partis au prorata entre les communes en fonction du nombre de procĂšs-verbaux et de rapports de constatation initiaux Ă©tablis au cours de la mĂȘme annĂ©e pour le territoire de chaque commune par les membres du personnel communal, les membres du personnel d'une intercommunale ou les membres du personnel de la police locale.
  Le ministre flamand chargé de l'économie fixe la date à laquelle l'impossibilité matérielle visée à l'alinéa 1er cesse d'exister.
  § 3. Les recettes de maintien visées à l'article 73 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui reviennent à l'agence, sont transférées et gérées par le Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat, créé par l'article 41 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002.
HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 7. - Disposition abrogatoire
Art. 14. Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018 houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid wordt opgeheven.
Art. 14. L'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018 portant des dispositions diverses relatives au maintien de la politique d'implantation commerciale intĂ©grale est abrogĂ©.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 15. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2026.
Art. 15. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er avril 2026.
Art. 16. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, en de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, zijn, ieder wat de eigen bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Le ministre flamand qui a l'Ă©conomie dans ses attributions et le ministre flamand qui a la justice et le maintien dans ses attributions sont, chacun en ce qui le concerne, chargĂ©s de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.